Page 1

1/4

17.02 vrijdag 17 februari 2012, 20.15 uur Vredenburg Leidsche Rijn inleiding Aukelien van Hoytema 19.30 uur serie TROS Klassiek / Rond Debussy / Debussy Weekend

Radio Kamer Filharmonie Cappella Amsterdam Michael Schønwandt dirigent Gijs Leenaars koordirigent Marie Bénédicte Souquet sopraan Carine Séchaye mezzosopraan Paul Meyer klarinet toelichting vanaf p.10, biografieën vanaf p.31

Claude Debussy La damoiselle élue, 1862-1918 cantate voor vrouwenstemmen en orkest (1887-88) Wolfgang Amadeus Klarinetconcert in A KV 622 (1791) Mozart Allegro • Adagio • Rondo (Allegro) 1756-1791 PAUZE

Claude Debussy Rapsodie voor klarinet en orkest (1910) Erik Satie Gymnopédies nrs. 3 en 1 (1888 – orkestratie 1896) 1866-1925 orkestratie: Claude Debussy Claude Debussy Children’s Corner (1908) orkestratie: Hans Abrahamsen WERELDPREMIÈRE Doctor Gradus ad Parnassum • Jimbo’s lullaby • Serenade of the doll • The snow is dancing • The little sheperd • Golliwogg’s cakewalk DIT CONCERT WORDT OP RADIO4 LIVE UITGEZONDEN

de concertseries van

1


2

Extra informatie voor 17 en 18 februari Drankje na afloop Na het concert is er gelegenheid om een drankje te nuttigen. Live-uitzending De TROS zendt dit concert vanuit Vredenburg Leidsche Rijn live uit op Radio 4. Denkt u eraan dat uw mobiele telefoon uitstaat en dat uw horloge geen geluid kan maken? Dan kan iedereen in de zaal en bij de radio volop genieten van het concert. ➜ WWW.RADIO4.NL

Webcast Vanavond is er behalve de live-radio-uitzending ook een webcast (live te zien op de site van radio4). Korting op Debussy-cd’s Boudisque biedt ter gelegenheid van het Debussy Weekend in de foyers 5 euro korting op alle Debussycd’s op vertoon van dit programmaboekje. De aanbieding is ook geldig in de winkel en geldt tot 26 februari. Nieuw: voorprogramma Eenmaal per maand zullen jonge, getalenteerde musici Jong Talent zich aan u voorstellen in een kort programma, voorafgaand aan het hoofdconcert. Deze concertjes beginnen om 19.00 uur in de bovenfoyer. De programma’s duren ongeveer 25 minuten, zodat u om 19.30 uur aanwezig kunt zijn bij de inleiding. Vooraf opgeven is niet nodig. Op 24 februari spelen Melle de Vries cello, en Hilde Stolker piano Robert Schumanns Fantasiestücke op. 73 en David Poppers Ungarische Rhapsodie op. 68. De volgende optredens zijn op 16 maart, 6 april en 27 april. Op 1 juni spelen de prijswinnaars van het Prinses Christina Concours.


2/4

18.02 zaterdag 18 februari 2012, 20.15 uur, Vredenburg Leidsche Rijn inleiding Philip Ruitenberg 19.30 uur serie AVRO Klassiek / Rond Debussy / Steden / TROS Vocaal / Debussy Weekend

Radio Filharmonisch Orkest Groot Omroepkoor Gaspard Brécourt dirigent Michael Gläser koordirigent Mireille Capelle vertelster Marie-Bénédicte Souquet sopraan Carine Séchaye alt José Kamminga alt toelichting vanaf p.19, biografieën vanaf p.39

Albert Roussel Bacchus et Ariane - Suite nr. 2 (1930) 1869-1937 PAUZE

Claude Debussy Le martyre de Saint Sébastien, oratorium voor drie 1862-1918 vrouwenstemmen, verteller, koor en orkest (1911) La Cour des Lys La Chambre Magique Le Concile des Faux Dieux Le Laurier Blessé Le Paradis Boventiteling: Jurjen Stekelenburg

DIT CONCERT WORDT OP RADIO4 LIVE UITGEZONDEN

de concertseries van

3


4

18 februari 2012

Pauzeprogramma in het Paviljoen Debussy Opera Project door leerlingen van het Amadeus Lyceum In de pauze van het concert kunt u in het Paviljoen genieten van de presentatie van een educatief muziekproject. Zesenveertig leerlingen van het Amadeus Lyceum uit Vleuten presenteren hun eigen zelfgeschreven mini-opera, gebaseerd op hun ervaringen met de muziek van Debussy. Ze hebben zich de afgelopen week in het Muziek centrum van de Omroep laten inspireren door eerst repetities bij te wonen van Debussy’s Le Martyre de Saint Sébastien. Daarna hebben de leerlingen gewerkt onder begeleiding van enkele Britse workshopleiders, onder wie zangeres, componist en regisseuse Karen Gillingham. Zij gebruiken de methode Collaborate Music Making, die afkomstig is van de Londense Guildhall school of Music & Drama. Deze leerlingen hebben in december 2011 al deelgenomen aan het project Groot Amadeus Omroepkoor, waarin ze samen met 16 zangers van het Groot Omroepkoor werkten aan nieuwe muziek en samen optraden. Alles wat u zult zien en horen is zelf door de scholieren bedacht, geschreven en gespeeld. Naast de scholieren zal ook uit het Groot Omroepkoor schitteren in deze voorstelling.

Wij zien u graag tijdens de pauze in het Paviljoen! Dit is een project van het Creatief Partnerschap Utrecht, waarin Vredenburg Utrecht, MCO, het Utrechts Centrum voor de Kunsten (UCK) en het Amadeus Lyceum hun krachten bundelen om nieuwe educatieve muziekprojecten te ontwikkelen en leerlingen de kans te geven actief kennis te maken met klassieke muziek. Lees het blog van dit project op www.mco.nl/educatie PARTNERSCHAP: WWW.UCK.NL • WWW.AMADEUSLYCEUM.NL • WWW.VREDENBURG.NL/EDUCATIE • WWW.MCO.NL/EDUCATIE


3/4

19.02 zondag 19 februari 2012, 11.00 uur Vredenburg Leeuwenbergh Zondagochtendconcert

Ralph van Raat, piano toelichting vanaf p.23

Claude Debussy Khamma, légende dansée (1911-12; originele 1862-1918 versie voor pianosolo van de componist) Jeux (1913; originele versie voor pianosolo van de componist) Estampes (1903) Pagodes Le soirée dans Grenade Jardins sous la pluie

L’isle joyeuse (1904)

5


6

4/4

19.02 zondag 19 februari 2012, 14.00- 17.00 uur Vredenburg Leeuwenbergh

Kamermuziekmarathon Rubens Kwartet: Sarah Kapustin viool Tali Goldberg viool Roeland Jagers altviool Joachim Eijlander cello Felicia van den End fluit Gwyneth Wentink harp Miriam Overlach harp Jana Machalett fluit Cathelijne Noorland piano Lex Bohlmeijer presentator toelichting vanaf p.27

Claude Debussy Strijkkwartet in g opus 10 (1893) Animé et très décidé Assez vif et bien rythmé Andantino, doucement expressif Très modéré, puis mouvementé avec passion PAUZE

Vioolsonate (1916-1917) SK / CN Allegro vivo Intermède: fantasque et léger Finale: très animé

Pianotrio in g (1880/1986) CN / SK / JE Andantino con moto allegro Scherzo-Intermezzo: Moderato con allegro Andante espressivo Finale: Appassionato PAUZE


7

Cellosonate, versie voor cello en harp (1915) JE / MO Prologue: Lent, sostenuto e molto risoluto Sérénade: Modèrèment animé Finale: Animé

Danse sacrée & Danse profane (harp en strijkkwartet; 1904) RUBENS KWARTET / GW PAUZE

Syrinx voor fluit solo (1913) FvdE Sonate voor fluit, altviool en harp (1916) FvdE / RJ / GW Pastorale: Lento, dolce rubato Interlude: Tempo di Minuetto Final: Allegro moderato ma risoluto

Chansons de Bilitis (1897-1898) LB / FvdE / JM / GW / MO / CN Chant pastoral Les comparaisons Les contes Chanson La partie d’osselets Bilitis Le tombeau sans nom Les courtisanes égyptiennes L’eau pure du bassin La danseuse aux crotales Le souvenir de Mnasidica La pluie du matin

DIT CONCERT IS TE BELUISTEREN VIA CONCERTHUIS RADIO 4: AVONDCONCERT VAN 4 MAART 2012, 20.00 UUR, TROS


8

Debussy Weekend 17 t/m 19 februari 2012

Claude Debussy, musicien français De namiddag is zwoel. Een lome fluit dagdroomt over een faun. Dat is een mythologisch boswezen, half mens half dier. De melodie daalt en stijgt, als een meeuw die meedeint op de luchtstroom. Ze krult en wentelt zich lustig als een arabeskeversiering op de muur van een Moors paleis. Dan valt het orkest in. De samenklanken zijn warm en atmosferisch, vanwege de omfloerste kleuren van de houtblazers (fluiten, althobo) en de hoorns. Heldere klarinetten, schetterend koper en alle slagwerk houden rust. Als in een droom kabbelt de mysterieuze en exotische muziek verder. Zo ontketende de Franse componist Claude Debussy een fluwelen revolutie in de muziekwereld in 1894 met zijn Prélude à l’après-midi d’un faune. Alleen al de openingsmelodie zette de toen geldende principes op losse schroeven: er klinkt slechts één instrument, de fluit, symbool van de dromende faun. Wat volgt is een vrije fantasie van een minuut of tien over het gedicht van Mallarmé met dezelfde titel. Debussy’s faunmuziek wordt vaak betiteld als de poort naar de moderne muziek. En misschien

sorteert ze nog wel het meeste effect dankzij de sensuele en weelderige instrumentale kleuren. Niet voor niets geldt Claude Debussy (1862-1918) als de meest revolutionaire componist van rond 1900. De Franse toondichter, die honderdvijftig jaar geleden geboren werd, ontwikkelde volkomen nieuwe vormen, samenklanken en klankkleuren. Net als de faunsmuziek wekken veel van zijn werken de indruk van een improvisatie, hoewel ze het zorgvuldig afgewogen product van een scherp intellect zijn. Doordat Debussy’s muziek vaak iets zwevends heeft, iets versluierds, wordt ze wel met de impressionistische schilderkunst vergeleken, al had Debussy zelf een hekel aan de term impressionisme. Aan zijn componeertafel leek Debussy over een reusachtige smeltkroes te beschikken. Zijn vroege werken echoen nog van zijn natuurlijke habitat, de Franse componisten uit zijn eigen kringen, zoals Massenet, Lalo, Chabrier, Gounod, Bizet en Fauré. Maar door invloeden van vroeger en ver vond Debussy zijn eigen weg:


Wagner, Moesorgski, het gregoriaans, de kennismaking met gamelanmuziek tijdens de wereldtentoonstelling in Parijs, Aziatische muziek, en later in toenemende mate door zijn contact met andere kunsten, zoals met symbolistische dichters als Stéphane Mallarmé en impressionistische schilders, en diverse stromingen van wereldbeschouwelijke en religieuze aard (Rozenkruisers en Annunzio).

begin van de opera Pelléas et Mélisande op tekst van Maeterlinck. Sindsdien was bij Debussy sprake van een groeiende bezinning op de Franse muziekgeschiedenis, de renaissance, Rameau en Couperin en de negentiende eeuw. Debussy woonde permanent in Parijs en maakte incidenteel reizen als dirigent, o.a. naar Wenen, Boedapest, Italië, Rusland en Nederland.

Debussy werd geboren in 1862 in St. Germain en Laye en overleed in 1918 in Parijs. Hij studeerde piano en compositie aan het Parijse conservatorium en studeerde af in 1880. In de twee jaren daarna was hij ‘voorspeler’ bij mevrouw Nadezjda von Meck, de mecenas en penvriendin van Tsjaikovski. Zij zette hem de bladmuziek voor van Tsjaikovski, Borodin en Moesorgski. Terug in Parijs studeerde hij compositie bij Ernest Guiraud, de componist van de recitatieven in Bizets Carmen. In 1884 won Debussy met zijn cantate L’Enfant prodigue de Prix de Rome, de hoogste onderscheiding voor conservatoriumstudenten. In Rome (en later in Solesmes) bestudeerde hij het gregoriaans. In 1887 bezocht hij London en in 1888 en 1889 de Bayreuther Festspiele, waardoor hij tijdelijk in de ban van Wagner raakte, met name door Parsifal. In 1889 maakte hij door de wereldtentoonstelling in Parijs kennis met muziek uit het Verre Oosten. Een beslissend jaar was 1892: de voltooiing van Prélude à l’après-midi d’un faune (naar Mallarmé) en het

Debussy wilde ‘musicien français’ zijn. Hij versmolt in zijn muziek verleden en heden en leidde de Franse muziekgeschiedenis naar een nieuw hoogtepunt. Zijn muziek is dermate veelvormig en divers, dat ze zich niet laat classificeren of indelen. Debussy was een vernieuwer o.a. door zijn gebruik van de oude kerktoonladders, het incidenteel opheffen van de functionele harmonieleer, het gebruik van pentatoniek en parallelle akkoorden. Hij is de grondlegger en tegelijk voltooier van het muzikale impressionisme, hoewel zijn muziek veel meer is dan alleen ‘indrukskunst’. Zijn late werken bereidden voor op het opkomende neo-classicisme. Met Debussy nam Frankrijk de muzikaal leidende rol in Europa over van Duitsland. Clemens Romijn

9


10

vrijdag 17 februari 2012, 20.15 uur

1/4

Onschoolse expressie Debussy: La damoiselle élue Debussy’s oeuvre is niet groot – hij was een langzame werker en stierf relatief jong – maar in de jaren na zijn baanbrekende Prélude à l’aprèsmidi d’un faune uit 1894 stapelde hij meesterwerk op meesterwerk. Daarvóór had hij al een opzienbarend strijkkwartet geschreven waarin de meeste kenmerken van zijn latere stijl al uitgestald lagen – maar ook dat werk heeft voorlopers, waaronder prille liederencycli en de – voor een vroeg werk opmerkelijk rijpe – cantate La damoiselle élue. Als twintiger dong Debussy mee naar de Prix de Rome – een onderscheiding die hij, eenmaal in het bezit ervan, ervoer als een gevangenisstraf. Want behalve professionele uitvoeringen van eigen composities bestond de prijs uit een meerjarig werkverblijf in de Villa Medici te Rome, waar hij onder strenge surveillance van de Franse muziekacademie drie gedegen werken voor koor en orkest diende te fabriceren – componeren was het woord niet, want Debussy voelde zich beroofd van elke spontaniteit en fantasie. Hij miste de inspirerende om-

gang met zijn Parijse kunstenaarsvrienden, waaronder vooral schrijvers en dichters. In dat gehate Rome bracht hij dan ook weinig verheffends tot stand. Het begon pas weer te stromen toen hij de Villa zonder toestemming verliet om voor twee maanden op onderduikadressen in Parijs te vertoeven. Kort na die episode componeerde hij La damoiselle élue, het laatste van de drie werken waartoe zijn stipendium hem verplichtte. Verdwenen is de houterigheid van de eerdere stukken. Verdwenen zijn ook de invloeden van toenmalige voorbeeld Massenet, componist van ‘veilige’, geaccepteerde muziek. Het is muziek vol herkenbare Debussy-kwaliteiten. De dromerigheid van zijn latere opera Pelléas et Mélisande, de oude kerktoonsoorten en de vrije, improvisatie-achtige vormen die vooral zijn latere pianowerken zouden kenmerken – ze profileren zich hier al tamelijk sterk. Meer dan ooit blijkt hier dat de zogenoemde ‘impressionist’ Debussy veel meer door poëzie en literatuur geïnspireerd werd dan door (impressionistische) schilderkunst.


Mozart: Klarinetconcert

Dante Gabriel Rossetti: The blessed Damozel (1878)

Uitgangspunt was het gedicht The blessed damozel van de Engelse dichter en schilder Dante Gabriel Rossetti, een vertegenwoordiger van de Prerafaëlieten, een anti-academische kunstenaarsgroep die in haar vormtaal teruggreep op middeleeuwse eenvoud. Rossetti’s esthetiek sloot aan bij Debussy’s eigen on-schoolse expressie. Debussy presenteerde het werk als een ‘klein oratorium met mystieke en lichtelijk heidense tonen’, waarmee hij ongetwijfeld doelde op de effectieve combinatie van ‘kuise’, kerkmuziek-achtige passages en momenten van enorme harmonische weelderigheid en wellustig kronkelende melodiek. Die schijnbare tegenstelling zou karakteristiek voor zijn oeuvre worden. La damoiselle élue is dan ook meer dan getoonzette tekst; elke noot ademt de sfeer van het gedicht, waarin een jonggestorven schone na haar aankomst in het paradijs gelaten wacht op de komst van haar geliefde.

Mozarts Klarinetconcert, één van de laatste werken die hij componeerde, staat binnen het klarinetrepertoire op eenzame hoogte. In de zweetkamertjes waar orkest-sollicitanten hun proefspel ten beste geven is het vaak dít stuk dat de doorslag geeft. Alleen al de openingsmaten van het langzame deel, waarin de solist een ‘simpele’ drieklank-figuur speelt, zeggen alles over de zuiverheid, timing en expressie van de musicus. En het werk als geheel heeft een verhalende kracht die ontbreekt in, bijvoorbeeld, het puur muzikanteske Klarinetconcert van Weber, en ook dát kan een solist voor problemen plaatsen. Een rijk werk dus, en een alom bekend, gestandaardiseerd werk. Maar het is óók een stuk dat twee eeuwen lang speculaties en speurwerk opriep, mede omdat Mozarts volledige manuscript nooit gevonden is: waarom liet Mozart de klarinet zulke merkwaardige octaafsprongen maken, vooral in het openingsdeel? Wel, Mozart schreef die sprongen niet; dat weten we sinds recentelijk documenten zijn gevonden waaruit blijkt dat het concert niet voor een gangbare klarinet is geschreven, maar voor een instrument dat vier halve tonen lager kon spelen. De opdrachtgever was Anton Stadler, een klarinettist die herhaaldelijk experimentele instrumenten liet maken bij de Weense bouwer Theodor Lotz. Uit Lotz’ boekhouding en uit programmaboekjes bij Stadlers concerten kon de wording

11


vrijdag 17 februari, 20.15 uur

12

van Mozarts concert gereconstrueerd worden. Stadlers experimentele ‘Inventionsklarinette’ was het instrument waarvoor Mozart componeerde – maar dat instrument was geen lang leven beschoren. Later werd wel de bassetklarinet uitgevonden, een instrument dat de originele versie aankan; maar toen was het bij solisten met gangbare instrumenten al een ingesleten gewoonte om de laagste noten een octaaf hoger te spelen, en die ‘geoctaveerde’ versie wordt tot op heden het vaakst gespeeld.

Debussy: Rapsodie voor klarinet en orkest Schrijven voor klarinet heeft “iets griezeligs”, stelde de Nederlandse componist Tristan Keuris ooit, “want de mooiste klarinetmuziek werd geschreven door lui met wie het daarna snel afgelopen was”. Dat is helemaal waar wat Mozart en Johannes Brahms betreft, maar toen Claude Debussy zijn Rapsodie voor klarinet en orkest componeerde, in 1910, had hij nog acht jaar voor de boeg. En ook al had de ziekte die hem fataal zou worden zich reeds aangekondigd, hij was vitaal genoeg om nieuwe muzikale wegen in te slaan. Het bijna pointillistische ballet Jeux lag nog in het verschiet, evenals die merkwaardige focus op sobere, uitgebeende, quasi-klassieke ‘Sonates’ – maar het etherische symbolisme van zijn vroege werken had zich verhard en verdicht tot solide artistieke statements. Zo voltooide hij rond 1910

Muzikale ideeën had Debussy altijd al gehad, en inmiddels had hij ook het gereedschap erbij bedacht om die ideeën op een originele manier vorm te geven. zijn orkest-drieluik Images: muziek die uit dezelfde suggestieve, halfgedroomde inspiratie put als zijn vroegere werk, maar die veel duidelijker en ambachtelijker contouren heeft. Muzikale ideeën had Debussy altijd al gehad, en inmiddels had hij ook het gereedschap erbij bedacht om die ideeën op een originele manier vorm te geven. Juist door die eigenzinnige materiaalbehandeling is de Rapsodie voor klarinet – op zich ongeïnspireerd ‘maakwerk’ – toch een feestje. Er zat geen enkele creatieve drijfveer achter: Debussy componeerde het op verzoek van het Parijse Conservatorium, als verplicht stuk voor de eindexamens klarinet. In de oorspronkelijke duetversie kreeg ook de pianist het stevig voor de kiezen: die is geen begeleider, maar een volwaardige dialoogpartner van de klarinettist. Geen wonder dat Debussy de verleiding van een orkestratie niet kon weerstaan, en kijk: een onweerstaanbaar miniatuurconcertje was geboren.


Satie / Debussy: Gymnopédies nrs. 3 en 1

Erik Satie

Achter de droge, onopgesmukte noten van Erik Saties pianomuziek schuilt een wonderlijke wereld. Voor zijn generatiegenoten was hij een amateur en een grappenmaker (en deels wás hij dat ook), maar jongeren zagen in hem terecht een vernieuwer. Inderdaad was Saties muziek ‘iets anders’. Hij lanceerde zijn composities in een Frans muziekleven dat enerzijds dweepte met Wagners romantiek en anderzijds met het bloemrijke ‘impressionisme’ van Debussy – en met beide stak hij de draak, in woord, geschrift en in muziek. Maar in sommige composities legde Satie alle maskerade af. Zo bijvoorbeeld in zijn Gymnopédies, pianomuziek die haaks staat op alles wat rond 1890 voor piano werd gecomponeerd. Zulke kale muziek, zonder enige dramatische ontwikkeling, had men nog nooit gehoord. Maar Saties vondsten – de verschuivende, blokachtige begeleidingsakkoorden, bijvoorbeeld – bleken een voorbode van een nieuwe muzikale taal: Debussy volgde Saties voorbeelden vaker dan hij zelf wilde toegeven, en ook Stravinsky’s antiromantiek wortelt deels in de ‘onaangedane’ toontaal van Satie. Juist door dat ‘kale’ – en daarmee ogenschijnlijk on-pianistische – zijn die pianostukken zo verleidelijk om te orkestreren: Ravel deed het, de Nederlandse pianist-componist Willem Frederik Bon, maar ook Debussy. De twee door Debussy georkestreerde Gymnopédies van Satie horen we vanavond.

13


14

Debussy: Children’s corner

vrijdag 17 februari, 20.15 uur

Muzikale miniaturen kunnen, ondanks hun beknoptheid, veel verschillende betekenislagen hebben. Debussy schreef de pianosuite Children’s corner in 1908 voor zijn kleuter-dochter ClaudeEmma, gekoosnaamd ‘Chouchou’. Het is muziek over een herder en schaapjes, over Chouchou’s speelgoed (een pop en een olifantje), over sneeuw en de clown Golliwogg. De stukjes ontstonden tijdens een concertreis in Engeland, waar Debussy niet alleen kampte met heimwee naar zijn gezin maar ook met zorgen over zijn lichamelijke conditie. De miniatuurtjes hebben daardoor indirect ook een melancholieke lading, hoe goed die ook door knuffelklanken en -titels is gecamoufleerd. De doorgewinterde Debussyliefhebber weet: als er in diens symbolen-rijke muziek sneeuw verschijnt is er iets mis. Hier zijn het speels dwarrelende vlokjes; maar in zijn liederen en in de Préludes voor piano staan ijs en sneeuw voor troosteloze eenzaamheid, afscheid en dood. Ondertussen hield Debussy autobiografische elementen principieel buiten zijn muziek: hij wilde enkel universele sferen en gevoelens aanstippen. Alleen al om die zichzelfwegcijferende kwaliteit staat zijn muziek haaks op de (in zijn tijd nog altijd na-gutsende) romantiek. Historie, achtergrond en techniek van een compositie doen er niet toe, dat is de raad die Debussy herhaaldelijk gaf in zijn artikelen over muziek. Wat je hoort moet genoeg zijn – zelfs bij de

opzettelijk-naïeve pianostukjes van Children’s corner. Maar je mag ze wél instrumenteren – dat vond André Caplet al, die er in 1910 een briljante orkestversie van maakte. En die uitdaging is nog steeds actueel. De Deense componist Hans Abrahamsen maakte onlangs een nieuwe orkestratie, vanuit een zekere nostalgie: als kind hoorde hij zijn vader regelmatig de stukjes spelen. Abrahamsen (her-)instrumenteert vaker werken van anderen: interessant vanuit ambachtelijk oogpunt, vindt hij, maar vooral ook een oefening in luisteren. “Een componist moet altijd openstaan voor een dialoog”, aldus Abrahamsen. Opmerkelijk is dat hij Caplets versie nooit heeft gehoord – “dus heb ik ook niets van hem kunnen stelen”. Het grote ijkpunt voor hem was, uiteraard, het klankpalet dat Debussy zelf in zijn orkestwerken gebruikte. “Maar je weet natuurlijk nooit of hij het net zo had gedaan”, zegt Abrahamsen. “Een componist hoort in zijn eigen werk andere dingen dan een luisteraar op afstand. Mij viel bijvoorbeeld een detail op als het gebruik van hetzelfde akkoord in verschillende stukjes: de grote secundes die de bewegingen van het olifantje weergeven (in Jimbo’s lullaby) is ook heel bepalend in Golliwogg’s cakewalk. Die instrumenteer ik dan op dezelfde manier, om een soort interne samenhang te suggereren.” Michiel Cleij


Gezongen teksten: Debussy - La damoiselle élue Chœur (Sopranos et Contraltos) La damoiselle élue s’appuyait Sur la barrière d’or du Ciel, Ses yeux étaient plus profonds que l’abîme Des eaux calmes au soir. Elle avait trois lys à la main Et sept étoiles dans les cheveux.

Koor (sopranen en alten) De gezegende juffrouw leunde over de gouden balustrade van de hemel, haar ogen waren dieper dan de diepte van de kalme wateren in de avond. Ze had drie lelies in haar hand en zeven sterren in het haar.

Une Récitante Sa robe flottante N’était point ornée de fleurs brodées, Mais d’une rose blanche, présent de Marie, Pour le divin service justement portée; Ses cheveux qui tombaient le long de ses épaules Étaient jaunes comme le blé mûr.

Een vertelster Haar zwevende kleed was niet versierd met geborduurde bloemen maar met een witte roos, een geschenk van Maria, als dank voor hemelse toewijding; Haar haren hingen tot ver over haar rug, goudgeel als rijpe tarwe.

Chœur Autour d’elle des amants Nouvellement réunis, Répétaient pour toujours, entre eux, leurs nouveaux noms d’extase ; Et les âmes, qui montaient à Dieu, Passaient près d’elle comme de fines flammes.

Koor Om haar heen geliefden opnieuw bijeen, eindeloos herhalend tot extase hun nieuwe namen; en de zielen, die opstegen tot God, passeerden haar rakelings als dunne vlammen.

Une Récitante Alors, elle s’inclina de nouveau et se pencha En dehors du charme encerclant, Jusqu’à ce que son sein eut échauffé La barrière sur laquelle elle s’appuyait, Et que les lys gisent comme endormis Le long de son bras courbé.

Een vertelster Nu boog ze zich opnieuw naar voren buiten de charme om haar heen, totdat haar borst de balustrade verwarmde waarover zij geleund hing, en de lelies als in slaap hingen langs haar gebogen arm.

15


vrijdag 17 februari, 20.15 uur

16

Chœur Le soleil avait disparu, la lune annelée Était comme une petite plume Flottant au loin dans l’espace ; et voilà Qu’elle parla à travers l’air calme, Sa voix était pareille à celle des étoiles Lorsqu’elles chantent en chœur.

Koor De zon was verdwenen, de cirkel van de maan was als een kleine pluim zwevend in de verre ruimte; en kijk ze sprak door de kalme lucht, haar stem was als die van de sterren wanneer ze zingen in koor.

La Damoiselle Élue Je voudrais qu’il fût déjà près de moi, Car il viendra. N’ai-je pas prié dans le ciel ? Sur terre,

Deux prières ne sont-elles pas une force parfaite ? Et pourquoi m’effraierais-je ? Lorsqu’autour de sa tête s’attachera l’auréole, Et qu’il aura revêtu sa robe blanche, Je le prendrai par la main et j’irai avec lui Aux sources de lumière, Nous y entrerons comme dans un courant, Et nous nous y baignerons à la face de Dieu.

De gezegende juffrouw Ik zou willen dat hij al hier bij mij was, want hij zal komen. Heb ik niet gebeden in de hemel? En op aarde, Heer, Heer, heeft hij daar niet gebeden ? Zijn twee gebeden niet een perfecte kracht? En waarom zou ik bang zijn? Terwijl zich rond zijn hoofd de aureool vasthecht en hij in wit wordt gekleed, zal ik hem bij de hand nemen en met hem naar de bronnen van het licht gaan, We zullen instappen als in een stroom, en ons baden in het aangezicht van God

Nous nous reposerons tous deux à l’ombre De ce vivant et mystique arbre, Dans le feuillage secret duquel on sent parfois La présence de la colombe, Pendant que chaque feuille, touchée par ses plumes, Dit son nom distinctement.

We zullen getweeën rusten in de schaduw van deze levende mystieke boom, waarvan het geheime gebladerte soms voelt alsof de heilige duif hier woont, en ieder blad dat door zijn veren is aangeraakt, Zijn naam uitspreekt.

Seigneur, Seigneur, n’a-t-il pas prié,


Tous deux nous chercherons les bosquets Où trône Dame Marie Avec ses cinq servantes, dont les noms Sont cinq douces symphonies : Cécile, Blanchelys, Madeleine, Marguerite et Roselys. Il craindra peut-être, et restera muet, Alors, je poserai ma joue Contre la sienne ; et lui parlerai de notre amour, Sans confusion ni faiblesse, Et la chère Mère approuvera Mon orgueil, et me laissera parler.

Alle twee zullen we de bossages zoeken daar waar Vrouwe Maria troont met haar vijf dienstmaagden, van wie de namen klinken als zachte symfonieën: Cécile, Blanchelys, Madeleine, Marguerite en Roselys. Misschien zal hij bang zijn, en zwijgen, dan zal ik mijn wang tegen de zijne drukken; en met hem spreken over onze liefde, zonder verwarring en dralen, En de dierbare Moeder zal mij trots zien en mij toeknikken, en me laten praten.

Elle-même nous amènera la main dans la main À Celui autour duquel toutes les âmes S’agenouillent, les innombrables têtes clair rangées Inclinées, avec leurs auréoles. Et les anges venus à notre rencontre chanteront, S’accompagnant de leurs guitares et de leurs citoles.

Zij zelf zal ons aan de hand voeren

Alors, je demanderai au Christ Notre Seigneur, Cette grande faveur, pour lui et moi,

Dan zal ik aan Christus onze Heer,

Seulement de vivre comme autrefois sur terre Dans l’amour, et d’être pour toujours, Comme alors pour un temps, Ensemble, moi et lui.

naar Hem, rond wie alle zielen knielen, de ontelbare hoofden in een orde van licht, gebogen, getooid met aureolen. En de engelen, die ons komen vergezellen, zullen zingen, zich begeleidend op citers en lieren.

die grote gunst vragen, voor hem en mij, Slechts te leven als voorheen op aarde in liefde, en voor altijd te zijn, zoals toen slechts een moment: samen, ik en hij.

17


vrijdag 17 februari, 20.15 uur

18

Chœur Elle regarda, prêta l’oreille et dit, D’une voix moins triste que douce :

Koor Ze keek, luisterde en zei, met een stem eerder zacht dan droef:

La Damoiselle Élue Tout ceci sera quand il viendra.

De gezegende juffrouw Dit alles zal er zijn als hij komt.

Chœur Elle se tut. La lumière tressaillit de son côte, remplie D’un fort vol d’anges horizontal. Ses yeux prièrent, elle sourit ; Mais bientôt leur sentier Devint vague dans les sphères distantes.

Koor Ze zweeg. Het licht straalde trillend naar haar toe, en doorzweefd van engelen. Haar ogen baden, ze glimlachte; Maar al snel verdween de engelenvlucht in verre atmosferen.

Une Récitante Alors, elle jeta ses bras le long Des barrières d’or. Et posant son visage entre ses mains, Pleura.

Een vertelster Toen liet ze haar armen hangen langs de gouden balustrade. Ze legde haar gezicht tussen haar handen, en huilde.

Chœur Ah, ah.

Koor Ach, ach.

Tekst: Gabriel Sarrazin (c 1853-1935), La damoiselle élue, een adaptatie van The blessed damozel van Dante Gabriel Rossetti (1828-1882)


2/4

zaterdag 18 februari 2012, 20.15 uur

‘Verrukkelijke muziek’ Roussel: Bacchus et Ariane Erik Satie, met zijn scherpe observaties van collega-componisten, repte in één van zijn vele merkwaardige notities over “de verrukkelijke Albert Roussel”, met typische Satie-ironie. Want ‘verrukkelijk’ kun je heel wat Franse muziek noemen, van Gounod en Chabrier tot Fauré, Ravel en (soms) Debussy – maar uitgerekend níet Roussel, de ex-zeeman die de typisch Franse bevalligheid uitdrukkelijk omzeilde of hooguit schampte. ‘Frans’ is Roussels muziek wel degelijk, alleen al omdat zijn orkestwerken een klankverfijning hebben waar menig nietFrans componist jaloers op mocht zijn. Maar het is een onopgesmukt, ruw soort Frans, meer Eiffeltoren dan Versailles. Vergeleken bij Debussy’s evocaties van wind, zee en zonlicht is Roussel het zand dat zacht tussen de tenen schuurt. Altijd heeft Roussels muziek iets tegendraads: zijn vrolijkheid kan kribbig klinken, in plechtstatige passages is hij vaak juist onverwachts frivool.

Roussels grillige levensloop verklaart veel. Hij was beroepsmarinier, reisde onder andere naar het Verre Oosten, maar moest reeds als twintiger om gezondheidsredenen afzwaaien en een carrière aan wal zoeken. Voor inlossing van zijn tweede roeping – muziek – leek hij eigenlijk al weer te oud. Mede daarom liet hij zich niet omscholen aan het relatief liberale Parijse Conservatorium, maar aan de Schola Cantorum. Dat was het strengste, degelijkste, conventioneelste (en daarom door zijn tijdgenoot Debussy zo gehate) muziekinstituut van Parijs. Roussels composities dragen daar de sporen van: gedegen van vorm, gedisciplineerd van opbouw. Maar schools is zijn muziek nooit. Alleen al de slingerende, ‘oosterse’, raga-achtige melodielijnen (een souvenir van zijn Aziatische reizen) werken vervreemdend. En in composities zonder onderliggend ‘verhaal’ (concerten, symfonieën) zet hij je meer dan eens op het verkeerde been door de grondtoon – het ‘wegdek’ waar de hele harmoni-

... maar uitgerekend níet Roussel, de ex-zeeman die de typisch Franse bevalligheid uitdrukkelijk omzeilde...

19


zaterdag 18 februari, 20.15 uur

20

sche constellatie op rijdt – nadrukkelijk weg te laten, zodat een effect ontstaat van zwevende samenklanken met een onzekere richting. En toch schreef Roussel met het ballet Bacchus et Ariane uit 1930 – Satie was al jaren dood – wel degelijk ‘verrukkelijke’ muziek, al zit die nog altijd vol vreemde wendingen. Dat hij tot balletmuziek in staat was had hij al enkele malen eerder bewezen – en elke keer moest hij zich meten met illustere voorgangers als Stravinsky, Debussy en Ravel. Vooral die laatste is hier een ijkpunt, want Bacchus et Ariane lijkt qua onderwerp Ravels Daphnis et Chloë gevaarlijk dicht te benaderen: ook een Grieks-mythologisch geinspireerd ballet over de liefdesperikelen van een jong stel. En het Bacchus-libretto is even simpel: Ariane hielp Theseus ontsnappen uit het Labyrint op Kreta, op voorwaarde dat hij haar als bruid mee naar Athene zou nemen. Maar Theseus laat haar achter op het eiland Naxos, waar zij zichzelf in slaap huilt; op dit punt vangt de tweede orkestsuite uit het ballet aan. Dan verschijnt Bacchus, de god van de wijn en de levenslust, die haar met zijn dans bedwelmt. Eenmaal weer bij haar positieven blijkt het eiland in volle bloei te staan, en staat Bacchus met zijn gevolg klaar om haar te huwen: hij plaatst ‘een kroon van hemelse sterren’ op haar hoofd. De muziek verschilt echter hemelsbreed met die van Ravel. Diens fijne orkestwaas, met de sprookjesachtige

Albert Roussel

sfeer van schemer en nevel, lijkt hier verhard tot een spel van schril daglicht en strakke slagschaduwen. Het is ook onmogelijk om je bij dit ballet een sierlijk jugendstil-decor voor te stellen, zoals Leon Bakst voor Daphnis had gemaakt. De aankleding van het Bacchus-ballet was van de vroege surrealist Giorgio de Chirico. Roussels vertelkunst doet soms bijna karikaturaal aan: de entree van Bacchus gaat gepaard met een lomp kabouterdansje. Daartegenover staat de sobere, van elke overdrijving gespeende weergave van Ariane’s verdriet, in de openingsmaten: alleen Stravinsky zou die afstandelijke en toch indringende treurnis kunnen evenaren.


Debussy: Le martyre de Saint Sébastien In 1910 zocht de Italiaanse schrijverdichter Gabriele d’Annunzio contact met Claude Debussy: of die zijn theaterstuk Le martyre de Saint Sebastien van muziek wilde voorzien, binnen enkele maanden. Dit ‘mysteriespel’ zou, omkleed met zang en dans, een eigentijdse visie geven op Sebastiaans veroordeling, martelaarschap en heiligverklaring. Debussy zegde toe. Op het project rustte geen zegen, ondanks (of juist door) de religieuze thematiek. Christelijke materie lag de vrijdenker Debussy niet, al waardeerde hij D’Annunzio’s even bloemrijke als ongrijpbare poëzie. Evenmin was hij een componist die op korte termijn meesterwerken kon leveren. Maar geldnood gaf de doorslag: zijn altijd al wankele financiële positie was na zijn huwelijk, en de geboorte van zijn innig geliefde dochtertje, bepaald niet verbeterd. Dat Debussy überhaupt binnen enkele maanden een immense partituur voor solisten, koor en orkest kon leveren was te danken aan het orkestratieen invulwerk van André Caplet, leerling en vriend van Debussy. Ook kreeg het componeerproces indirect nog een klein zetje van een balletmuziekopdracht die Debussy vrijwel gelijktijdig moest schrijven: daarin had hij uitdrukkelijk geen zin, zodat elke nevenactiviteit hem welkom was. Ondertussen negeerde Debussy gemakshalve dat D’Annunzio een omstreden figuur was. Flamboyant en

getalenteerd was D’Annunzio welzeker – maar ook een geëxalteerde windbuil die rabiate politieke ideeën propageerde – spoedig zou hij een inspirator van Mussolini’s fascisme worden – en een charlatan die zijn immense kapitaal had verbrast (zijn paarden sliepen op Perzische tapijten, beweerde men) en die naar Frankrijk was gevlucht om zijn vele schuldeisers te ontlopen. De partituur die Debussy uiteindelijk aan zijn opdrachtgever overhandigde is een merkwaardig maaksel dat zelfs fervente Debussy-liefhebbers voor vraagtekens plaatste. Tegenwoordig wordt enkel de vierdelige orkestsuite die Debussy later samenstelde nog regelmatig uitgevoerd. Voor de spoedige eclips van het complete werk zijn verscheidene redenen. Ten eerste was Debussy, een componist die niet alleen over een enorme ideeënrijkdom beschikte maar ook een volkomen originele ‘verhaaltechniek’ hanteerde om die ideeën uit te dragen, fundamenteel ongeschikt voor opdrachtwerk. Zodra de inspiratie niet voor honderd procent van hemzelf kwam (of uit door hemzelf gekozen bronnen – gedichten, meestal) springen er haarscheurtjes in zijn fragiele akoestische bouwsels. Tegenwoordig zijn die alleen hoorbaar als je de rest van zijn oeuvre kent; Le martyre is geen Pelléas et Mélisande, maar het is nog altijd het werk van een groot componist. Bij de première echter kon het publiek dat hem altijd trouw was geweest meteen de zwakke plekken aanwijzen. Boze tongen beweerden

21


zaterdag 18 februari, 20.15 uur

22

Léon Bakst: kostuumschets voor Le Martyre (1911)

dat André Caplet niet alleen de orkestrator was, maar ook de componist van enkele minder geslaagde koorpassages. Maar de zwaarste kritiek gold de enscenering: de voortdurende interrupties van D’Annunzio’s wijdlopige teksten hinderden de continuïteit, de weelderige decors en kostuums van Leon Bakst leidden de aandacht af van het verhaal, en de capriolen van danseres Ida Rubinstein werden als even storend ervaren. Een gelukte voorstelling kon je het niet noemen. De productie was echter wél weer belangrijk genoeg om een klein schandaaltje te veroorzaken. Zodra de katholieke kerk er lucht van kreeg, vaardigde die een boycot uit: een rechtgeaard Christen verlustigt zich niet aan frivole uitbeeldingen van Heiligen, en dus ook niet aan een Sebastiaan die sierlijk op gloeiende kolen danst. Het protest van de Parijse aartsbisschop had, zoals vaker, een achterliggende religieus-politieke

reden: de hoofdrol werd gedanst door een vrouw – een Joodse, ook nog. Helaas was deze roomse heibel niet krachtig genoeg om van Le martyre een schandaal-succes te maken. Publiek kwam niet opdagen, of ging gedesillusioneerd weg. En sindsdien is de complete toneelmuziek een halfblinde vlek in de verder zo goed belichte Debussy-catalogus: er zijn een paar (oude) opnames van, en heel soms waagt een ploeg musici en zangers zich eraan. En terecht, want hoe onevenwichtig het werk ook is, het bevat nog altijd veel ‘volwaardige Debussy’. De muziek is niet zo glansrijk als zijn eerdere orkeststukken, maar juist uit het ingetogen karakter blijkt waarom hij de opdracht (behalve uit nooddruft) aannam: het mystieke gehalte van de tekst sprak hem aan. Net als in zijn vroegere opera Pelléas zocht hij hier geen heroïek of andere vurige expressie, maar een subtiele klanksfeer die ruimte laat voor invulling. Daartoe gebruikte hij – inderdaad wat opzichtiger dan in zijn eerdere stukken – zijn inmiddels bekende palet van oude kerktoonsoorten en ‘exotische’ toonladders. Maar zoals altijd bij Debussy zijn niet alleen de noten zelf belangrijk. De timbres, de klankkleuren, de ingehouden spanning – díe zorgen voor onverwachte wendingen, en maken dat zelfs een tamelijk ‘kaal’ en on-spectaculair werk als dit nauwelijks te imiteren is. Michiel Cleij


3/4

zondag 19 februari 2012, 11.00 uur

Een eiland van vreugde “Wat mij aantrekt tot Debussy is dat zijn muziek volkomen open is”, zegt pianist Ralph van Raat. “Debussy zuigt je niet mee in Liszt-achtige virtuositeit, hij klinkt nooit boos zoals Schönberg of koket zoals Stravinsky. Vergeleken bij al die enorme ego’s heeft Debussy bijna iets Japans, of in elk geval iets oosters. Hij cijferde zijn persoonlijkheid helemaal weg achter klank. Psychologische schilderingen, zo zou je zijn stukken misschien kunnen noemen. Zonder iets af te breken verruimde hij de manier van kijken en luisteren. Dat spreekt mij enorm aan. Ik ben meer in klankkleur geïnteresseerd dan in melodie. Waarschijnlijk heb ik me daarom ook in twintigsteeeuws repertoire gespecialiseerd. Debussy is voor mij geen sluitstuk van de romantiek, maar het begin van de nieuwe muziek. De lijn die hij uitzette kun je doortrekken tot

Takemitsu en andere hedendaagse componisten. Maar je hóeft het niet zo te zien, dat is het aardige. Als pianist kun je Debussy heel klassiek en melodieus benaderen, zoals sommige oude vertolkers deden. Ik neig meer naar de moderne, analytische benadering. Minder vaste vormen, meer abstract kleurenspel.”

Khamma Bij een muzikale gigant als Debussy zou je niet verwachten dat zijn oeuvre – een paar prille jeugdwerken daargelaten – onderbelichte hoekjes kent. Hij was een langzame werker en een fijnslijper – als hij een compositie publiceerde was die meestal dusdanig ge-finetuned dat de artistieke ambitie ervan volledig werd ingelost (al hadden publiek en uitvoerenden soms enige tijd nodig om aan de muziek te wennen). Evenzo was hij bij-

“Debussy zuigt je niet mee in Liszt-achtige virtuositeit, hij klinkt nooit boos zoals Schönberg of koket zoals Stravinsky. Vergeleken bij al die enorme ego’s heeft Debussy bijna iets Japans, of in elk geval iets oosters.”

23


zaterdag 18 februari, 11.00 uur

24

zonder kritisch in het aanvaarden van opdrachten: die moesten zijn fantasie prikkelen, en niet kanaliseren. Maar de balletmuziek Khamma is altijd een schemerachtig werk gebleven – en niet door het mysterieuze en droom-achtige klankbeeld, want dat was – getuige zijn eerdere werken juist één van Debussy’s sterkste troeven. Dat Debussy Khamma in een nooddruftige periode componeerde is waar, maar geldnood was bij hem geen garantie voor ongeïnspireerd maakwerk – dat bewijst het succes van andere stukken die hij in opdracht schreef. Het compositieproces werd op een cruciaal moment verstoord, door de grillen van de opdrachtgeefster. De Engels-Canadese danseres Maud Allen benaderde Debussy in 1910 met het verzoek een ‘Egyptisch’ ballet te schrijven waarmee ze haar eerdere succes in quasi-oosters repertoire wilde evenaren. Een dergelijk onderwerp zou koren moeten zijn op Debussy’s vaak door oostenwind aangedreven molen, maar Allens precieze scenarioeisen knepen zijn improvisatorische fantasie af. Van een artistieke wisselwerking was geen sprake. De ballerina vond Debussy’s proefversie (voor piano) ontoereikend – vier solo-dansen waren haar te weinig – en verklaarde dat ze de partituur door een andere componist zou laten uitbreiden. Debussy haakte af, een werk achterlatend dat zich verhoudt als een bouillonblokje tot soep. Op zijn verzoek orkestreerde Charles Koechlin het werk, en zelfs die ‘eind-

versie’ wordt zelden gespeeld. Hier klinkt het ruwe pianomateriaal waarmee Koechlin aan het werk toog. De verhaallijn is, zoals bij de meeste balletten, simpel. Tijdens een vijandelijke aanval op Thebe voorvoelt de plaatselijke hogepriester dat de maagd Khamma de ondergang van de stad kan afwenden. Khamma maakt die verwachting waar: spontaan betreedt zij ’s nachts, in haar eentje, de tempel en danst zij voor het beeld van de godheid Amun-Ra. Bij haar derde dans komt het beeld in beweging, en bij de vierde wordt ze door bliksem getroffen. De stad blijkt gered, met – zoals de priester en zijn gevolg ’s ochtends ontdekt – Khamma’s dood als prijs.

Jeux In 1913 componeerde Debussy het ballet Jeux, op verzoek van de flamboyante impresario Sergej Diaghilev en zijn dansgroep. Naar zijn gewoonte maakte hij, als piano-componist pur sang, eerst een zetting voor piano. Die zelden uitgevoerde versie klinkt hier. Jeux is een stuk dat lang onderschat werd, of ronduit genegeerd. Het ballet ging vrijwel gelijktijdig met Stravinsky’s Le sacre du printemps in première – en tegen dat oergeweld delfde Debussy’s fragiele, opzettelijk schetsmatige compositie natuurlijk het onderspit. Maar ook vergeleken met Debussy’s eerdere, droomachtige composities is het een tamelijk gesloten, geheimzinnig stuk. Men kende inmiddels zijn vermogen om in


Estampes

Debussy in Pourville, ca 1904

klank een beeld of sfeer op te roepen – niet op een romantisch-nadrukkelijke manier, maar juist door zoveel mogelijk weg te laten en de fantasie van de luisteraar te prikkelen. In Jeux ging hij nog verder. Meer dan tevoren klinkt de muziek als een impulsieve stroom van motieven die organisch, schijnbaar zonder vooraf bepaalde koers uit elkaar voortvloeien. Vederlichtheid (‘muziek zonder voeten’, aldus de componist) was hier het doel. En meer dan ooit vertrouwde Debussy op het fantasievolle effect van de noten. Want het door Diaghilev geleverde ‘verhaal’ had weinig om het lijf: geflirt tussen twee meisjes en een jongen op een tennisbaan. Eerst had Diaghilev drie jongens voorgesteld, maar dat vond men destijds te gewaagd; ook Diaghilevs tweede voorstel om – nog spannender – een vliegtuig op de tennisbaan te laten neerstorten haalde het niet, omdat Debussy daar geen muziek in zag. Maar een amoureus trio was voor Debussy, zelf niet onbekend met overspel, interessant genoeg.

‘Een imaginaire vakantie’, zo bestempelde Debussy in een brief zijn pianocyclus Estampes uit 1903. Een gevaarlijke uitspraak, want daarmee versterkte hij de indruk dat hij een muzikaal illustrator was. Pertinent onjuist: als je zijn eigen geschriften mag geloven wilde Debussy juist een puur, vrij bewegend klankspel dat zó ‘open’ was dat die bij de luisteraar haarscherpe beelden en associaties opriep. Maar in zijn enthousiasme gaf hij zijn stukken titels die voortvloeiden uit zijn eigen, persoonlijke associaties – en zo word je als luisteraar toch weer in een richting gedwongen (en toen Debussy dit misverstand in de gaten kreeg liet hij geen titels meer bóven een compositie afdrukken, maar pas na de slotmaat, in kleine lettertjes). Overigens kon Debussy op dat moment nog niet weten dat ‘ansichtkaartenmuziek’ spoedig een veelgebruikte sneer van muziekcritici zou worden: het Parijse publiek had zo’n zucht naar ‘exotiek’ ontwikkeld dat het elk folkloristisch hoeperdepoep-stuk uit de Europese periferie omarmde, ongeacht de kwaliteit. En toch zijn deze drie pianostukken geen platte vakantie-kiekjes. ‘Estampes’ laat zich vertalen als ‘afdrukken’, ‘drukplaten’ of ‘stempels’ – dus als iets wat het eigenlijke beeld opvangt en weergeeft, in plaats van het beeld zelf. Een sluwe titel, waarmee Debussy vermeed dat je de muziek als slaafse, fimmuziek-achtige verklankingen

25


zaterdag 18 februari, 11.00 uur

26

ervaart. Een ‘reis’ is het wel. In Pagodes speelt Debussy met de klankwereld die hij ontdekte tijdens de Wereldtentoonstelling in 1889: Nederland leverde een ‘Indisch Paviljoen’ met gamelanspelers, en de vonk sloeg meteen over op Debussy. Wat hem vooral boeide was het accentloze, waas-achtige klankbeeld van gamelan; reden om een stuk te componeren dat als een waaier van in elkaar overlopende kleuren klinkt, ‘presque sans nuances’. Spanje kende Debussy alleen indirect, via afbeeldingen en verhalen van zijn Parijse vrienden Albéniz, Manuel de Falla en pianist Ricardo Viñes. Toch was die informatie voor hem genoeg om, aldus Falla, “de sfeer van Spanje in het hart te kunnen treffen”. Dat het ritmische patroon van Latijnsamerikaanse origine is en hoegenaamd niets met Granada te maken heeft deed aan die accuratesse kennelijk niets af. Met de afsluitende ‘Tuinen in de regen’ bleef Debussy dichter bij huis: het bevat citaten uit twee traditionele Franse kinderliedjes. Ditmaal relativeerde Debussy het illustratieve karakter van de muziek expliciet. Bij het componeren had hij niet aan regen gedacht, verklaarde hij desgevraagd, maar aan “spelende kinderen in het Bois de Boulogne”.

poëzie waren van veel grotere invloed op zijn muziek) wordt L’isle joyeuse vaak specifiek gerelateerd aan het schilderij L’embarquement pour Cythère (‘De afvaart naar Kythira’) van de roccoco-schilder Antoine Watteau. Zelf liet Debussy zich daar niet over uit; wel is bekend dat hij zich, als vaste Louvre-bezoeker, herhaaldelijk vergaapte aan dit doek. Wat vóór die opvatting spreekt is dat de muziek, evenals het schilderij, een wulpse frivoliteit heeft: in het oude Griekenland gold Kythira als de geboorteplaats van liefdesgodin Venus. Watteau, kunstenaar onder het billenknijperige Ancien Régime, had evenveel reden om zich tot zo’n vrijplaats aangetrokken te voelen als Debussy, die zich netzomin tot huwelijkstrouw verplichtte als tot schoolse muziekregels. Maar verder heeft dit werk niets te maken met Watteau’s stoute, maar gereguleerde Frankrijk, en zoveel te meer met Debussy’s buiten-Europese horizons. L’isle joyeuse verkent en ‘kietelt’ in een paar minuten zo’n beetje alles wat rond 1900 in concertmuziek nog marginaal was: onEuropese toonschalen, het omzeilen van hoofd- en neventhema’s (je hoort één continue klankstroom), en de onwerkelijke klank van bijna permanente trillers: welkom op ‘het eiland van plezier’.

L’isle joyeuse Hoewel Debussy veel minder geïnspireerd werd door schilderkunst dan sommigen denken (literatuur en

Michiel Cleij


4/4

zondag 19 februari 2012, 14.00 uur

Kamermuziekmarathon Strijkkwartet Claude Debussy was eenendertig toen hij zijn Strijkkwartet in g componeerde, zijn enige werk in dit klassieke, gewichtige genre. De overige kamermuziekwerken, de drie sonates, zouden nog meer dan twintig jaar op zich laten wachten. Het Strijkkwartet was bestemd voor de Société Nationale, de instelling die ook de première door het Ysaÿe Kwartet op 29 december 1893 organiseerde. Debussy had zich globaal aan de traditionele vierdelige vorm van het strijkkwartet gehouden en de delen door eenzelfde kernmotief tot een cyclisch geheel gevormd. Toch kreeg zijn Strijkkwartet bij de eerste uitvoering een zeer omzichtig onthaal. De uitvoering in Brussel twee maanden later werd al even voorzichtig ontvangen. De befaamde violist Eugène Ysaÿe had al bij de repetities zijn medespelers met moeite kunnen overtuigen. Nee, deze muziek was niet verward en onsamenhangend, maar, integendeel, glashelder. Menigmaal had hij op het punt gestaan de uitvoering maar af te blazen, omdat het instuderen zo ongelooflijk moeizaam verliep. Zelfs

Debussy’s goede vriend, bewonderaar en mentor, de componist Ernest Chausson, stond afwijzend tegenover dit kwartet: een oordeel dat Debussy zich de rest van zijn leven heeft aangetrokken. Toch besliste Chausson dat het werk zou worden uitgevoerd in de Société Nationale te Parijs. Alleen Paul Dukas was vol lof in zijn recensie over de première. Hij prees de gebondenheid van de vorm, de bekoorlijkheid van de dissonant en de helderheid van de melodische lijn. De vermaarde Belgische musicoloog Gevaert, directeur van het Brussels Conservatorium, kwam bij de uitvoering door het Ysaÿe Kwartet in februari 1894 te laat. Omdat de spelers deze gevreesde ‘rechter’ hadden uitgenodigd en veel waarde hechtten aan zijn oordeel, begonnen ze opnieuw. Na afloop verklaarde Gevaert, dat hij niets had begrepen van dit harmonisch gemurmel; hij meende echter dat dit de eerste levenstekenen van een kunst voor de toekomst zouden kunnen zijn en dat de tijd wel zou beslissen. Deze omzichtige woorden zijn achteraf volkomen bewaarheid.

27


zondag 19 februari, 14.00 uur

28

Claude Debussy

Vioolsonate De Sonate voor viool en piano (1917) is Debussy’s zwanenzang op het gebied van de kamermuziek. Debussy, destijds al doodziek en onder de morfine, schreef over het ontstaansproces: “Ik werk in het luchtledige, me uitputtend in kleine knutselpartijen, die me nog wanhopiger maken. Nooit heb ik me zo afgemat gevoeld door deze achtervolging van het onbereikbare.” In mei 1917 voerde Debussy in de Salle Gaveau in Parijs zijn laatste werk nog zelf uit met violist Gaston Poulet: “Men heeft de Intermède willen bisseren, waartegen ik me met klem verzet heb, om de eenheid van de compositie te eerbiedigen; dus hebben we de hele sonate nog een keer moeten spelen.” Na deze sonate voltooide Debussy nog slechts één werk,

de transcriptie voor cello en piano van de sonates voor viola da gamba en klavecimbel van Johann Sebastian Bach. Met dat eerbetoon aan Bach is Claude Debussy, musicien français, de eeuwigheid ingegaan.

Pianotrio Als derde werk vanmiddag klinkt een van de meest bijzondere musicologische vondsten uit de jaren ’80 van de vorige eeuw. Want toen kwam een tot dan toe verloren gewaand Pianotrio in g van Debussy boven water, een eeuw na het ontstaan van het werk. Debussy schreef zijn Pianotrio op zijn achttiende, in de tijd dat hij in dienst was als ‘voorspeler’ van de puissant rijke mevrouw Nadezjda von Meck, de mecenas en penvriendin van Tsjaikovski. Debussy gaf les aan


haar kinderen en speelde pianoduetten met mevrouw, eerst in Arcachon nabij Bordeaux en later in Florence. Via haar leerde hij de muziek van Tsjaikovski, Borodin en Moesorgski kennen. Aansluitend zette hij zijn eerste pianomuziek op papier en ook het Pianotrio. Hierin klinkt nog de muziek van Debussy’s eerste idolen door, Robert Schumann en César Franck, maar ook van Franse componisten uit zijn eigen kring, zoals Massenet, Lalo, Chabrier, Gounod en Bizet. Het Pianotrio moest enigszins gereconstrueerd worden uit authentieke bronnen, onder meer door bijdragen van musicoloog Ellwood Derr. De fluwelen revolutie die Debussy veertien jaar later in de muziekwereld zou ontketen met zijn atmosferische Prélude à l’après-midi d’un faune (1894) ligt hoorbaar ver weg.

Cellosonate (versie voor cello en harp) Debussy’s laatste jaren werden overschaduwd door oorlogsomstandigheden en extreem pijnlijke kanker, die hem uiteindelijk zou vellen in 1918. In 1915 zette hij zich aan het schrijven van een zestal sonates voor uiteenlopende bezettingen en opgedragen aan zijn tweede vrouw, Emma-Claude. Alleen de eerste drie sonates kreeg hij op papier, met als laatste de moeizaam tot stand gekomen Vioolsonate. De eerste was de Sonate voor cello en piano (1915), een werk dat vrij en onconventioneel lijkt maar op ingenieuze wijze zijn drie delen met

elkaar verbindt tot een groot geheel. Aan de barokke melodieën en versieringen is te horen dat Couperin en Rameau, Debussy’s Frans-barokke goden, de inspiratiebronnen waren. Het eerste deel, Sérénade, is vol ironie en melancholie, en gaat via een kort middendeel over in de ‘lichte en nerveuze’ Finale.

Danse sacrée & Danse profane Omstreeks 1900 ontwikkelde de firma Pleyel in Parijs een nieuw type harp, de zogenaamde chromatische harp. Op verzoek van de directeur van de firma, Gustave Lyon, schreef Debussy in 1904 zijn Danses voor die nieuwe harp en strijkers. In het conservatorium van Brussel was al een leergang opgezet voor de chromatische harp, waarbij Debussy’s Danses als verplicht werk voor de eindexamens was gekozen. De chromatische harp bleek een onding, onpraktisch, met veel te veel snaren en een stemming die voortdurend in de war raakte. Daarmee verdwenen Debussy’s bekoorlijke en lichtvoetige Danses natuurlijk niet van het speelplan. De diverse vernieuwingen die Debussy doorvoerde in zijn muziektaal zijn goed te beluisteren in dit werk: het gebruik van de oude kerktoonladders, het incidenteel opheffen van de functionele harmonieleer en van parallelle akkoorden. In de Danse sacrée in plechtige 3/2-maat laat Debussy de harpist(e) zich uitleven in een weelde van parallelle drieklanken en meng-akkoorden. Dit is duidelijk de bron waaruit Puccini

29


zondag 19 februari, 14.00 uur

30

geput heeft. Destijds werden deze akkoorden door veel critici als dissonant ervaren en afgekraakt. In de Danse profane schakelt Debussy van een modaal d-klein naar D-groot en laat hij de wat plechtige Sarabande-motoriek van de eerste Danse plaatsmaken voor een onvervalst walsritme (3/4).

aan het begin en een resolute Finale worden in de Interlude herinneringen opgehaald aan Debussy’s Fêtes galantes. Zelf vond Debussy van deze sonate: “Ze is verschrikkelijk melancholisch. Ik weet niet of men daarbij moet lachen of huilen. Misschien wel allebei.”

Syrinx, voor fluit solo

Chansons de Bilitis

Syrinx is een werk van een minuut of drie dat Debussy in 1913 oorspronkelijk voor fluit solo componeerde, en bestemde voor fluitist Louis Fleury. Oorspronkelijk schreef Debussy Syrinx zonder maatstrepen of ademtekens, maar die werden later toegevoegd door fluitist Marcel Moyse in zijn uitgave van het stuk. De première was in 1913 door Louis Fleury, als toneelmuziek bij het stuk Psyché van Gabriel Mourey om de dood van Pan te begeleiden. De titel Syrinx refereert aan de mythe van de amoureuze achtervolging van de Griekse nimf Syrinx door de god Pan. Toen Syrinx zichzelf in riet veranderde om aan Pan te kunnen ontsnappen, sneed Pan een fluit van dit riet om zijn verdriet te kunnen bezingen: de panfluit. In dit stuk probeert Debussy als het ware de Klassieke Oudheid uit te beelden, door middel van trillers en seufzers.

Debussy’s Chansons de Bilitis gaat over de herderin Bilitis. In de gelijknamige liedcyclus wordt in La flûte de Pan verteld hoe zij een panfluit krijgt van de mythologische god Pan en bij hem op de knieën gaat zitten om de fluit te leren bespelen. Ze spelen om beurten een melodie waarbij hun monden elkaar afwisselen, tot ‘hun lippen elkaar vinden in de nacht’. En Bilitis’ moeder kan maar niet begrijpen waarom haar dochter zo lang zoekt naar haar verloren ceintuur! Ook het expressieve La chevelure verhaalt over de liefde. Een verliefde man droomt dat hij zijn hals en naakte lichaam helemaal wikkelt in de lange zachte haren van een meisje. Hij voelt hoe ze versmelten, samen één worden, een proces dat Debussy schildert in chromatisch stijgende zuchtmotieven. Le tombeau des Naïades is een trieste afsluiting van de liedcyclus. Parallelle tertsen dragen de melancholie. De winter is gekomen en de satyrs en nimfen zijn gestorven, maar de muziek klinkt nog door.

Sonate voor fluit, altviool en harp De Sonate voor fluit, altviool en harp (1915-16) is zeer poëtisch van aard, maar doet minder geïmproviseerd aan dan de Cellosonate of de Vioolsonate. Tussen een zachtzinnige Pastorale

Clemens Romijn


1/4

31

uitvoerenden vrijdag 17 februari 2012 Michael Schønwandt, dirigent

HANS VAN DER WOERD

Michael Schønwandt

Michael Schønwandt is in september 2010 aangetreden als chef-dirigent van de Radio Kamer Filharmonie. Hij volgde in die functie Jaap van Zweden op. Voordien was hij artistiek leider van het Koninklijk Orkest en de Koninklijke Opera in zijn geboortestad Kopenhagen (2000-2011), chef-dirigent van het Berliner Sinfonieorchester (1992-1998), en eerste gastdirigent van de Koninklijke Muntschouwburg in Brussel (1984-87), het Deens Nationaal Radio Symfonieorkest (1987-2000) en deFilharmonie. Momenteel is hij eerste gastdirigent bij het Staatstheater Stuttgart. Met de Koninklijke Opera van Kopenhagen voerde Michael Schønwandt een breed repertoire uit, uiteenlopend van Mozart tot Ligeti. In 2006 dirigeerde hij er Wagners Ring in het nieuwe operagebouw. Daarnaast maakte hij zijn opwachting in diverse grote operahuizen, waaronder het Royal Opera House Covent Garden, de Koninklijke Munt in Brussel, de Wiener Staatsoper en de operahuizen van Parijs, Nice, Stuttgart, Berlijn (Deutsche Oper), Keulen en Bayreuth (Die


uitvoerenden vrijdag 17 februari

32

Gijs Leenaars, koordirigent Gijs Leenaars was in het seizoen 2004-2005 assistent-dirigent van het Groot Omroepkoor. Hij verzorgde instuderingen voor onder meer Mariss Jansons en Valery Gergiev. In seizoen 2006-2007 had hij als gastdirigent de leiding over drie producties met het Groot Omroepkoor, waaronder de première (in de ZaterdagMatinee) van de opera Legende van Peter Jan Wagemans. Incidenteel verzorgde en verzorgt hij ook instuderingen voor Cappella Amsterdam, het Nederlands Studenten Kamerkoor en de Vlaamse Kooracademie van Philippe Herreweghe. In november 2004 was Gijs Leenaars gastdirigent bij orkest van de Turijnse opera, waarmee hij werken van Mozart en Rota uitvoerde. Gijs

Gijs Leenaars

HANS VAN DER WOERD

Meistersinger). Schønwandt dirigeerde onder andere de Berliner en Wiener Philharmoniker, de Wiener Symphoniker, het Philharmonia Orchestra, het London Philharmonic en London Symphony Orchestra (Beethovens pianoconcerten met Alfred Brendel), het Orchestra of the Age of Enlightenment, het Hallé Orchestra, het Budapest Festival Orchestra, het Rotterdams Philharmonisch Orkest, deFilharmonie, en de radio-orkesten van Wenen, de BBC en de Bayerische Rundfunk. De muziek van Denemarken geniet Schønwandts bijzondere interesse. De dirigent wordt algemeen beschouwd als grote kenner van de muziek van Carl Nielsen, van wie hij alle symfonieën en concerten opnam. Tevens legde hij alle symfonieën van Niels Gade en Christoph Weyse op cd vast. Zijn belangstelling voor hedendaagse muziek resulteerde in talrijke eerste uitvoeringen van werken van Deense componisten als Poul Ruders, alsook composities van onder anderen Henze en Kurtág. Voor het label Chandos maakte Schønwandt opnamen met het Deens Nationaal Radio Symfonieorkest; de registratie van Strauss Salome werd door het tijdschrift Gramophone geprezen als de beste opname van dit werk ooit. Voor de nabije toekomst staan uitvoeringen van Lulu (Opéra National de Paris), Die Frau ohne Schatten (Kopenhagen) en Wozzeck (Stuttgart) op het programma, en natuurlijk concerten met de Radio Kamer Filharmonie.


Leenaars is als vaste dirigent verbonden aan het Leiderdorps Kamerkoor, Kamerkoor Venus in Utrecht, het Philips’ Philharmonisch Koor en Viable Opera’s in Amsterdam. Met ingang van het seizoen 2012-2013 volgt Gijs Leenaars de Braziliaan Celso Antunes op als chef-dirigent van het Groot Omroepkoor.

Marie-Bénédicte Souquet, sopraan Marie-Bénédicte Souquet begon haar muziekstudies bij de Maîtrise de Radio France, en vervolgde die bij het Barok Muziekcentrum in Versailles. Na haar studie muziekwetenschap aan de Sorbonne studeerde ze verder aan het Parijse conservatorium, waar ze de eerste prijs met onderscheiding voor

zang ontving. Na het winnen van de Dresdense operaprijs zong ze als Koningin van de nacht in Die Zauberflöte aan de Semperoper in Dresden. MarieBénédicte Souquet was lid van de Nationale Operastudio in Parijs, waar ze rollen zong als Despina in Così fan tutte en Sylvia in Haydns Isola disabitata. Andere rollen van haar waren Fanny in La cambiale di matrimonio van Rossini, Marie in Les mousquetaires au couvent van Louis Varney, Belinda in Dido and Aeneas, en een van de Blumenmädchen in Parsifal gedirigeerd door Pierre Boulez in Parijs. Ze zong de rol van Sémire in Rameaus Les Boréades onder leiding van William Christie, Susanna in Le nozze di Figaro, Elvira in L’Italiana in Algeri, Barbarina in Le nozze di Figaro in Aix-en-Provence, en Fiorella in Offenbachs Les Brigands in Avignon en Besançon. Recentelijk zong ze in Rameaus Dardanus in Lille, Caen en Dijon onder leiding van Emmanuelle Haïm, en als Barbarina in Le nozze di Figaro in Toulon. Op het concertpodium zong ze onder meer in Quartett n°2 van Betsy Jolas in Parijs met het Ensemble Intercontemporain, in Mozarts Requiem, Haydns Nelson Mis en Brahms’ Ein Deutsches Requiem.

Carine Séchaye, mezzosopraan

Marie-Bénédicte Souquet

De Zwitserse mezzosopraan Carine Séchaye maakte haar operadebuut als Honora in Tom Jones van Philidor in Lausanne. Sindsdien zong ze als Cherubino in Le nozze de Figaro (Lausanne), als Nancy in Albert Herring (Darmstadt), Marmotte in Le Verfügbar

33


34

Paul Meyer, klarinet

uitvoerenden vrijdag 17 februari

Klarinettist Paul Meyer (1965) trad al op zijn dertiende op met het Orchestre Symphonique du Rhin. Hij studeerde klarinet en orkestdirectie aan het Parijse conservatorium en de Musikhochschule in Bazel. Na het winnen van het Franse Concours voor Jonge Musici in 1982 en de prestigieuze USA Young Concert Artists Auditions in 1984, raakte zijn dirigeerambitie tijdelijk op de achtergrond. Hij trad op als solist met orkesten als het Koninklijk Concertgebouw Orkest, het BBC Philharmonic Orchestra, de Berliner Symphoniker, de Dresden Philharmoniker, het Orchestre National de France, het Orchestre de Paris, het Orchestre de la Suisse Romande, en met dirigenten als Myung-Whun Chung, Esa-Pekka Salonen, Sir Yehudi Menuhin, Marek Janowski, Günther Herbig, Michael Gielen, Hans Graf, Dennis Russell Davies, John Nelson, Kent Nagano, Emmanuel Krivine, Sylvain Cambreling, Luciano Berio, Ulf Schirmer, Heinrich Schiff, Michael Schønwandt en David Zinman. Componisten die speciaal voor Paul Meyer werken schreven waren Michael Jarrell, Thierry Escaich, Jean-Louis Agobet, Hans Werner Henze, Gerd Kuhr, Krysztof Penderecki en Luciano Berio. Als dirigent had Paul Meyer tussen 2007 en 2009 een verbintenis met het Filharmonisch Orkest van Seoul. Sinds 2010 is hij chef-dirigent van het Kosei Blaas Orkest in Japan.

Carine Séchaye

aux Enfers van Germaine Tillion (Théâtre du Châtelet, Parijs), Mélisande in Pelléas et Mélisande (Darmstadt en Stuttgart), Chef des Amazones in Scène de Chasse van René Koering (Montpellier), en Myrtale in Thaïs van Massenet (Metz). Verder zong Carine Séchaye als Mercédès in Carmen (Lausanne, Vichy, Tokio), als Flora in La traviata (Avenches Festival), als Page in Salome (Genève), en in de titelrol van Le Chat Botté van Montsalvatge (Lausanne). Recentelijk zong Carine Séchaye als Dorabella in Così fan tutte (Toulon), als Rosina in Il barbiere di Siviglia (Rouen), als Cherubino in Le nozze di Figaro (Toulon), Sméraldine in L’amour des trois oranges (Dijon), en als Zweite Dame in Die Zauberflöte (Genève).


HANS VAN DER WOERD

Paul Meyer

Radio Kamer Filharmonie De Radio Kamer Filharmonie is een veelzijdig orkest dat een breed en gevarieerd muziekterrein bestrijkt. Het orkest treedt in verschillende bezettingen op, van barokformatie tot ensemble voor hedendaagse muziek. Michael Schønwandt is chef-dirigent en artistiek leider. Vaste gastdirigenten zijn Frans Brüggen (tevens eredirigent), Philippe Herreweghe en James MacMillan. Op speciaal verzoek van het orkest is voormalig chefdirigent Jaap van Zweden op 26 mei 2011 benoemd tot eredirigent. Helaas zal de Radio Kamer Filharmonie als gevolg van de drastische, aan de publieke omroep opgelegde bezuinigingen per augustus 2013 ophouden te bestaan.

De Radio Kamer Filharmonie levert een belangrijk aandeel aan de series de NTR ZaterdagMatinee, Het Zondagochtend Concert en de Robeco Zomerconcerten in het Amsterdamse Concertgebouw, De Vrijdag van Vredenburg in Utrecht en de serie NTR maakt hoorbaar in het Muziekgebouw aan ’t IJ. Al deze concerten worden uitgezonden via Radio 4. Vele worden geregistreerd voor live internetstreams, tv-uitzendingen en radiouitzendingen in landen die zijn aangesloten bij de European Broadcasting Union. De Radio Kamer Filharmonie is verder vaste speler in de educatieve serie De Magische Muziekfabriek, de Internationale Gaudeamus Muziekweek en het Holland Festival. In april 2011 viel de RKF de eer ten deel om onder leiding van Jaap van Zweden het Koninginnedagconcert in Paleis Noordeinde te verzorgen. De Radio Kamer Filharmonie is befaamd vanwege de gedreven uitvoeringen van hedendaags repertoire. De RKF werd onderscheiden met de Muziekgebouwprijs voor de uitvoering van Richard Rijnvos’ NYConcerto met pianist John Snijders. Op het festival voor nieuwe muziek in Donaueschingen verzorgde de RKF onder leiding van Peter Eötvös in oktober 2010 vier wereldpremières in één concert. Tijdens het Holland Festival 2010 speelde de RKF onder leiding van Martyn Brabbins de opera Hondenhart van Alexander Raskatov. De eerste (concertante) Nederlandse uitvoering

35


uitvoerenden vrijdag 17 februari

36

van Dusapins Faustus, the last night door de RKF in de NTR ZaterdagMatinee, zorgde voor jubelende recensies. Een andere specialiteit is het uitvoeren van bekend en onbekend repertoire van oude meesters onder leiding van specialisten op het gebied van de historische uitvoeringspraktijk. De RKF werd geprezen voor de energieke en verfrissende uitvoering van onder meer de Beethoven-symfonieën en de opera’s van Hasse (Piramo e Tisbe) en Haydn (Armida), beide in de NTR ZaterdagMatinee. De cd-catalogus van de Radio Kamer Filharmonie weerspiegelt de veelzijdigheid van het orkest met opnamen van o.a. Beethovens Eerste symfonie onder leiding van Frans Brüggen, Tristan Keuris’ Symphony in D onder leiding van Jaap van Zweden en werken uiteenlopend van Joseph Haydn, Igor Stravinsky, Henk Badings en Otto Ketting tot eigentijds repertoire als NYConcerto van Richard Rijnvos, het pianoconcert The Solway Canal van Gavin Bryars en Visitatio Sepulchri van componist en vaste gastdirigent James MacMillan.

Cappella Amsterdam Cappella Amsterdam werd in 1970 opgericht door Jan Boeke en staat sinds 1990 onder artistieke leiding van Daniel Reuss. Het koor heeft zich in de afgelopen jaren zowel in oude muziek als in het moderne en hedendaagse repertoire in Nederland een prominente positie verworven. Cappella Amsterdam besteedt in het bijzonder aandacht aan Nederlandse componisten. Ook werkt Cappella Amsterdam mee aan operaproducties, treedt op bij festivals in het binnen- en buitenland en werkt regelmatig samen met instrumentale ensembles, orkesten en koren. In de afgelopen jaren verschenen verschillende cd’s, onder meer met werken van Ligeti en Heppener (deze cd is bekroond met Diapason d’Or Arte en de Diapason d’Or de l’année 2009). Ook verscheen een cd met werken van Sweelinck, en van Frank Martin verscheen de cd Golgotha in 2010. In november 2009 won Cappella Amsterdam de VSCD Klassieke Muziek prijs in de categorie ‘meest indrukwekkende prestatie van een klein(kamermuziek)ensemble’. In 2010 was Cappella Amsterdam opnieuw genomineerd voor een aantal prijzen, dit keer voor de Amsterdamprijs voor de Kunst en de Edison Klassiek Luister Publieksprijs 2010.


Radio Kamer Filharmonie

CHEF-DIRIGENT Michael Schønwandt ERE-DIRIGENTEN Jaap van Zweden Frans Brüggen VASTE GASTDIRIGENTEN Philippe Herreweghe James MacMillan

EERSTE VIOOL Elisabeth Perry Diana Morris Quirine Scheffers Dimiter Tchernookov Maria Escarabajal Julija Hartig Pedja Milosavljevic Joan Mooney Gerrie Rodenhuis Sergiy Starzhynskiy Ruud Wagemakers Carolina Woltjer TWEEDE VIOOL Edwin Blankenstijn Wouter Groesz Ian van den Berk Marjolijn Oonk Nina de Waal Frits Wagenvoorde Evelyn van der Stelt Annemarie Volten Marleen Wester Judith van Driel

Cappella Amsterdam

ALTVIOOL Hannah Shaw Maurits Wijzenbeek Sabine Duch Marjolijn van der Grinten-da Silva Rosa Marije Helder Lotte de Vries Örse Adam Wouter Huizinga

FAGOT Hajime Konoe Annet Karsten Mirte Moes

CHEF-DIRIGENT Daniel Reuss

HOORN Laurens Otto Rebecca Grannetia Eric Borninkhof Sergei Dovgaliouk

CELLO Michael Müller Teije Hylkema Gé Bartman Sebastiaan van Eck Rebecca Smit Jozien Jansen

TROMPET Cyrille van Poucke Raymond Rook Huub Versteegen

SOPRANEN Andrea van Beek Emily Cheung Marjolein de Graaff Marijke van der Harst Titia van Heyst Marielle Kirkels Maria Köpcke Astrid Lammers Simone Manders Valeria Mignaco Annemieke Nuijten Tanja Obalski Marjo van Someren Maria Valdmaa

CONTRABAS György Schweigert Norma Brooks Jim Schultz Boris Oostendorp

FLUIT Jeannette Landré Carolien van ‘t Hof Janneke Groesz HOBO Jeroen Soors Marjolein Koning Caroline Tempelaar-Pijp

KLARINET Harmen de Boer Esther Misbeek Kim Rijks

TROMBONE Victor Belmonte Albert Cassiel Anton Domènech Cyril Scheepmaker CONTRABAS TUBA Guillermo Collazo Cortegoso PAUKEN Maarten Smit SLAGWERK Peter Prommel Vincent Cox Rob Colbers HARP Saskia Rekké Kerstin Scholten PIANO/CELESTA Grace Kim

ALTEN Juliane Cromme Petra Ehrismann Sofia Gvirts Sabine van der Heyden Mieke van Laren Leenke de Lege Antje Lohse Natascha Morsink Åsa Olsson Michaela Riener Cécile Roovers Inga Schneider Suzanne Verburg Desirée Verlaan

37


38

2/4 uitvoerenden zaterdag 18 februari 2012 Gaspard Brécourt, dirigent Na zijn muziekstudie aan de Maîtrise de Radio France en het Conservatoire National de Région van BoulogneBillancourt (piano en slagwerk) werkte Gaspard Brécourt als zang- en lied-

Gaspard Brécourt

coach bij onder meer de Opéra National de Paris, het Théâtre Impérial de Compiègne, de Opéra du Rhin in Straatsburg en het Teatro Colón in Buenos-Aires. Hij begeleidde liedrecitals van Irina Vassilieva, Aurélie Loilier, Isabelle Philippe, Armando Noguera, Olivier Heyte, Mathias Vidal en Martial Defontaine. Tegelijkertijd werkte hij als assistent van dirigent Marek Janowski bij het Radio-France Nouvel Orchestre Philharmonique en werkte hij nauw samen met Jean Fournet. Sinds 2005 dirigeerde hij onder meer La bohème, Così fan tutte, Don Giovanni, Die Fledermaus en de Johannes-Passion. Van 2007 tot 2009 was Gaspard Brécourt muzikaal directeur van het Théâtre Impérial de Compiègne. Als zodanig dirigeerde hij onder meer Une éducation manquée van Chabrier, Jean de Paris en Ma tante Aurore van Boieldieu, L’Arlésienne en Djamileh van Bizet, als ook symfonische concerten. In 2009 maakte hij zijn Japanse debuut met het Symfonie Orkest van Tokio. Datzelfde jaar dirigeerde Gaspard Brécourt de wereldpremière van Cyrano et Roxane van Stavros Xarhakos in Athene.


Michael Gläser, koordirigent

Mireille Capelle, vertelster

Michael Gläser, geboren in Chemnitz, was lid van het koor van de Thomasschule in Leipzig en studeerde zang en directie in Leipzig en Berlijn. Hij was actief als koorleider bij het Gewandhaus-Chor in Leipzig, de Berliner Singakademie en het Rundfunkchor Leipzig. In 1986 werd hij directieassistent bij het Rundfunkchor Berlin. Vervolgens was hij van 1990 tot 2005 artistiek leider van het koor van de Bayerische Rundfunk. Hij dirigeert het koor sinds 1998 in een eigen abonnementserie in het Prinzregententheater. Sinds 1994 is Gläser professor koordirectie aan de Musikhochschule in München. Ook leidt hij hier de afdeling Evangelische Kirchenmusik. Sinds 2005 dirigeert Michael Gläser regelmatig het Groot Omroepkoor, sinds seizoen 2010-2011 als vaste gastdirigent. In juni 2011 was Michael Gläser, naast Jos van Veldhoven, docent in de tweejaarlijkse Eric Ericson Masterclass in Haarlem.

Na studies in dramatische en lyrische kunsten, zong Mireille Capelle verschillende rollen zoals Despina (Così fan tutte), Eva (Die Meistersinger von Nürnberg), Salomé, Komponist (Ariane auf Naxos), Charlotte (Werther), Marie (Wozzeck), Kundry (Parsifal), Metella (La Vie Parisienne), Le nozze di Figaro, La Cenerentola, Jevgeni Onegin, Il trittico. Ze werkte met dirigenten als Silvio Varviso, Marc Minkowski, Stefan Soltesz, Elar Howarth, Koen Kessels, Friedeman Layer, Massimo Zanetti en met regissseurs als Robert Carsen, Guy Joosten en Peter Mussbach. Repertoire voor het concertpodium voerde ze uit met dirigenten als Sylvain Cambreling, Hans Zender, Arturo Tamayo, Christopher Hogwood, Muhai Tang, Philippe Pierlot, Jacques Mercier, Rudolf Werthen. Daarnaast verzorgde ze liedrecitals in Europa en in Japan. De laatste jaren vertolkte Mireille Capelle hedendaagse muziek van onder meer Donatoni (Ultima Sera), Cage, Rihm, Crumb (Ancient Voices of Children), Carter (A Mirror on which to dwell), Kúrtag (Messages de feu Demoiselle R.V. Troussova), Gorécki (Derde symfonie), K.Huber (La Terre des Hommes), Maxwell Davies (Miss Domnithorens Maggot), Kagel, Scelsi, Berio, Dillon, Pagh-Paan, Essvad (Tifounacine), Fontyn, Nyman en Denisov. Recentelijk maakte Mireille Capelle opnieuw haar opwachting in de Theater De Munt in Brussel waar ze meewerkte aan de producties van Elektra (regie van Guy Joosten) en

Mireille Capelle

39


uitvoerenden zaterdag 18 februari

40

Kat’a Kabanová (regie Andrea Breth). Onlangs (februari 2012) gooide ze hoge ogen met de rol van de recitante in Debussy’s Le Martyre de Saint-Sébastien (productie van het Brussels Filharmonisch Orkest onder leiding van Michel Tabachnik). Mireille Capelle is hoofd van de afdeling zang en docente voor zang en kamermuziek aan de Hogeschool / Conservatorium te Gent.

Marie-Bénédicte Souquet, sopraan zie pagina 33

Carine Séchaye, alt zie pagina 33

José Kamminga, alt José Kamminga behaalde haar zangdiploma van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag in 2002. Aansluitend volgde ze masterclasses bij o.a. Barbara Hannegan, David WilsonJohnson en Claron McFaddon. Daarnaast had ze les van Barbara Pearson, Ingrid Voermans en Geert Berghs. Sinds 2000 geeft José Kamminga samen met de pianist Henry Kelder regelmatig recitals in Nederland en Duitsland. Zij soleert regelmatig in werken als het Requiem van Mozart, Bachs Weihnachtsoratorium en Johannes-Passion, de Petite Messe Solennelle van Rossini, het Stabat Mater van Pergolesi en Händels Messiah. Als solist zong zij met diverse ensembles en koren in o.a. in Frankrijk, Denemarken, Spanje, Engeland, Duitsland en Italië. In 2009 werkte ze

samen met Steve Reich aan diens Tehillim in de Doelen te Rotterdam. Ook zong zij met het Nederlands blazersensemble De Staat van Louis Andriessen in de Royal Albert Hall in Londen en in Frankfurt. Tijdens en na haar opleiding heeft José Kamminga zich gespecialiseerd in het uitvoeren van hedendaagse muziek bij het VocaalLAB Nederland. Zij zong in verschillende operaproducties, waaronder de opera Parsifal van Boudewijn Tarenskeen, waarin zij de rol van Kundry vertolkte. Ook nu nog werkt zij regelmatig mee aan producties van het VocaalLAB. Sinds 2006 is José als alt in vaste dienst bij het Groot Omroepkoor. Hierbij zingt ze regelmatig solistisch. Zo zong zij o.a. in de ZaterdagMatinee de rol van Pepita in Roméo et Juliette van Gounod en de rol van 2e non in De vurige engel van Prokofjev.

José Kamminga


Radio Filharmonisch Orkest Het Radio Filharmonisch Orkest (RFO) wordt gerekend tot de top van de Nederlandse symfonieorkesten. Het excelleert in een groot aantal genres en onderscheidt zich in het Nederlandse muziekleven door bijzondere en avontuurlijke programma’s. Het merendeel van de concerten van het RFO is te beluisteren in de omroepseries NTR ZaterdagMatinee, De Vrijdag van Vredenburg en Het Zondagochtend Concert. Daarnaast maakt het orkest zijn opwachting in o.a. de Robeco Zomerconcerten en het Holland Festival. Tot augustus 2012 is Jaap van Zweden chef-dirigent van het RFO. Daarna neemt Markus Stenz het chef-dirigentschap van hem over. James Gaffigan staat als vaste gastdirigent minimaal 4 keer per jaar voor het orkest. Edo de Waart is als eredirigent aan het RFO verbonden. Het RFO voert in samenwerking met het Groot Omroepkoor werken voor koor en orkest uit, variërend van opera’s, missen en oratoria uit de negentiende eeuw tot meesterwerken van deze eeuw. Dit seizoen zijn dat o.m. Ponchielli’s La Gioconda, Puccini’s Tosca en Henze’s twaalfde grote opera L’Upupa und der Triumph der Sohnesliebe. Het RFO speelt regelmatig werk van Nederlandse componisten. Nieuwe muziek van Peter-Jan Wagemans, Richard Rijnvos, Robin de Raaff, Marijn Simons, Otto Ketting en Jan van de Putte wordt dit seizoen uitgevoerd, naast premières van o.a. Wolfgang Rihm en Sofia Goebaidoelina.

In de serie De Vrijdag van Vredenburg is het RFO met regelmaat te beluisteren, aangevoerd door onder anderen Pablo Heras-Casado, Mark Wigglesworth, James Gaffigan, Sir Mark Elder en Markus Stenz. Naast de vele concerten in de omroepseries ontplooit het RFO activiteiten die in belangrijke mate bijdragen aan de internationale reputatie van het orkest. Buitenlandse concerten vinden dit seizoen plaats in de Keulse Philharmonie met pianist Hannes Minnaar (winnaar Koningin Elizabethwedstrijd 2010) en in de Londense Royal Albert Hall in de BBC Proms 2011. De liveopnamen van Wagners Lohengrin, Die Meistersinger von Nürnberg en Parsifal, die het orkest onder leiding van Jaap van Zweden maakte, zijn internationaal zeer goed ontvangen. Daarnaast omvat de omvangrijke plaat- en cdcatalogus van het RFO legendarische opnamen onder leiding van o.a. Leopold Stokowski, Antal Doráti, Jean Fournet en Edo de Waart. Cd’s met werken van hedendaagse componisten als Jonathan Harvey, Klas Torstensson en Jan van Vlijmen werden onderscheiden met prijzen en eervolle vermeldingen. Momenteel wordt gewerkt aan een Sjostakovitsj-serie onder leiding van Mark Wigglesworth en de complete symfonieën van Bruckner onder leiding van Jaap van Zweden. ➜ WWW.RADIOFILHARMONISCHORKEST.NL ➜

volg het radio filharmonisch orkest op twitter (@radiofilhorkest) en facebook.

41


42

Groot Omroepkoor

uitvoerenden zaterdag 18 februari

Het Groot Omroepkoor is met 74 vocalisten het grootste professionele koor van Nederland. Vanaf de oprichting in 1946 manifesteert het koor zich in een breed repertoire, uiteenlopend van barok tot en met eigentijdse muziek. Het koor werkt in wisselende bezettingen, afhankelijk van het uit te voeren werk en de wens van de dirigent, en is doorgaans te horen in de NTR ZaterdagMatinee, de Vrijdag van Vredenburg, Het Zondagochtend Concert en concerten van de NTR in het Muziekgebouw aan ’t IJ. De Braziliaan Celso Antunes is chef-dirigent van het Groot Omroepkoor sinds het seizoen 2008-2009. Vaste gastdirigent is Michael Gläser. Samen met de omroeporkesten worden in seizoen 2011-2012 in Vredenburg Leidsche Rijn enkele grote vocaalinstrumentale werken uitgevoerd, waaronder Händels oratorium Solomon en Debussy’s complete oratorium Le martyre de Saint Sébastien, de Mis in C van Beethoven en de Mis van Stravinsky, uitgevoerd met de Radio Kamer Filharmonie en Philippe Herreweghe, Fauré’s Caligula met Masaaki Suzuki en Mahlers cantate Das klagende Lied, met het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van Markus Stenz. A capella is het koor traditiegetrouw te beluisteren met een rijk gevarieerd programma in de Utrechtse Jacobikerk in het kader van De Vrijdag van Vredenburg. Dit seizoen staat onder meer een nieuwe Mis van Rautavaara op het programma.

Het Groot Omroepkoor is in de operaserie van de NTR ZaterdagMatinee in vijf voorstellingen present met repertoire dat varieert van Webers vroegromantische opera Der Freischütz tot Willem Jeths’ Hôtel de Pékin. De opera L’Upupa und der Triumph der Sohnesliebe van Hans Werner Henze beleeft in deze serie zijn Nederlandse première. In andere series van de ZaterdagMatinee levert het koor zijn aandeel aan onder meer Janᡠceks Glagolitische mis onder leiding van Jaap van Zweden, Diepenbrocks Missa in Die Festo met chefdirigent Celso Antunes en de Nederlandse première van Rihms Quo me rapis onder leiding van Thomas Eitler. Het GOK is dit seizoen te gast bij het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van achtereenvolgens Mariss Jansons, Iván Fischer en Nikolaus Harnoncourt. Met het Chamber Orchestra of Europe onder leiding van Bernard Haitink wordt Beethovens Negende symfonie uitgevoerd in het Amsterdamse Concertgebouw en in de Salle Pleyel te Parijs. Mede op initiatief van het Groot Omroepkoor is de Eric Ericson Masterclass voor jonge koordirigenten gestart. Sinds 2001 vindt deze Masterclass iedere twee jaar plaats. Op diverse cdregistraties schittert het Groot Omroepkoor in een breed repertoire met opnamen van onder meer MacMillan, Keuris, Diepenbrock, Mahler, Rossini, Wagner, Elgar, Rihm en Poulenc. ➜ WWW.GROOTOMROEPKOOR.NL

volg het Groot Omroepkoor op twitter (@grootomroepkoor) en facebook ➜


Radio Filharmonisch Orkest

CHEF-DIRIGENT Jaap van Zweden ERE-DIRIGENT Edo de Waart

EERSTE VIOOL Ronald Hoogeveen Semjon Meerson Alexander Baev Fred Gaasterland Alberto Johnson Natalia Gabunia Masha Iakovleva Kerstin Kendler Anna Korpalska Pamela Kubik Theo Ploeger Pieter Vel Peter Weimar Alla Kim Iina Laasio Ankie van Ommeren TWEEDE VIOOL Casper Bleumers Andrea van Harmelen Sarah Loerkens Esther de Bruijn Michiel Eekhof Odilia Fiedler Annemarie van Helderen Robbert Honorits Esther Kövy Ingrid van Leeuwen Dana Mihailescu Renate van Riel Nienke Teuben Alexander van den Tol

ALTVIOOL Francien Schatborn Arjan Wildschut Igor Bobylev Martina Forni Annemijn den Herder Ben Joles Erik Krosenbrink Robert Meulendijk Petr Muratov Ewa Wagner Anna Magdalena den Herder Stanislava Stoeva

PICCOLO Maike Grobbenhaar

43

TROMBONE Jaume Gavilan Agullo Herman Nass

HOBO Hans Wolters Yvonne Wolters

BASTROMBONE Steven Verhelst

ALTHOBO Gerard van Andel

TUBA Bernard Beniers

KLARINET Frank van den Brink Nanette Bakker Diede Brantjes

PAUKEN Paul Jussen

CELLO Anton Istomin Wim Hülsmann Harm Bakker Winnyfred Beldman Mirjam Bosma Crit Coenegracht Anneke Janssen Ansfried Plat Arjen Uittenbogaard Marjolein Meijer

BASKLARINET Sergio Hamerslag

SLAGWERK Hans Zonderop Mark Haeldermans Henk de Vlieger Esther Doornink Harry van Meurs

CONTRA-FAGOT Desirée van Vliet

HARP Ellen Versney Marianne Smit Annamaria Gergely

CONTRABAS Rien Wisse Walter van Egeraat Annika Hope Edward Mebius Stephan Wienjus Eduard Zlatkin Marijn van Prooijen Wouter Swinkels

HOORN Petra Botma-Zijlstra Toine Martens Peter Janosi Anneke Vreugdenhil Fréderick Franssen Sander van Dijk

CELESTA Stephan Kiefer

FLUIT Carla Meijers Adeline Salles Ingrid Geerlings

TROMPET Hans van Loenen Rik Knarren Jacco Groenendijk Hans Verheij

FAGOT Jos Lammerse Freek Sluijs Birgit Strahl


44

Groot Omroepkoor

CHEF-DIRIGENT Celso Antunes VASTE GAST-DIRIGENT Michael Gläser

SOPRANEN Esther Beima Reina Boelens Annelie Brinkhof Elma van den Dool Daphne Druijf Loes Groot Antink Charlotte Janssen Anitra Jellema Margo van Laack Marianne van Laarhoven Judith Petra Linda Rands Esther Ree * Maja Roodveldt Annette de Rozario Jolanda Sengers Willemijn Spierenburg * Henda Strydom Murni Suwetja Nikki Treurniet * Dorien Verheijden Anna Walker * Sabine Wüthrich Yuko Yagishita

ALTEN Yvonne Benschop Nicoline Bovens Ans van Dam Marjan van Eldik Eline Harbers José Kamminga Anneke Leenman Els Liebregt Itzel-Trejo Medecigo * Marga Melerna Corrie Pronk Anjolet Rotteveel Adélaïde Rouyer Anneloes Volmer Lisinka de Vries Harda van Wageningen Anke Zuithoff Pierrette de Zwaan

BASSEN Gert-Jan Alders Joep Bröcheler Math Dirks Maté Fülep Geert van Hecke Henk van Heijnsbergen Daniël Hermán Mostert Palle Fuhr Jørgensen Itamar Lapid João Paixão Ludovic Provost Menno van Slooten Lars Terray Hans de Vries Nanco de Vries Jan van Zelm

TENOREN Alan Belk Ross Buddie Kevin Doss Eyjólfur Eyjólfsson Boguslaw Fiksinski Gerben Houba Peter-Paul Houtmortels Marius Kwaks Falco van Loon Aart Mateboer Ioan Micu Matthew Minter Matthew Smith Julien Traniello * Henk Vels John Vredeveldt Steven de Vries Deniz Yilmaz

VASTE PIANIST Ben Martin Weijand * stagiaires


Meer Debussy

45

in De Vrijdag van Vredenburg SERIE ROND DEBUSSY

vrijdag 30 maart 2012, 20.15 uur inleiding Madeleine Pfundt 19.30 uur

De beeldende muziek van Frankrijk Radio Filharmonisch Orkest Serge Baudo dirigent Renaud Capuçon viool

Serge Baudo

Messiaen Un sourire Saint-Saëns Introduction et rondo capriccioso Ravel Tzigane Debussy Images

SERIE AVRO KLASSIEK / ROND DEBUSSY

vrijdag 27 april 2012, 20.15 uur inleiding Madeleine Pfundt 19.30 uur

Stravinsky in Parijs Radio Filharmonisch Orkest Sir Mark Elder dirigent Ronald Brautigam piano

Ronald Brautigam

MARCO BORGGREVE

Debussy Prélude à l’après-midi d’un faune Stravinsky Concert voor piano en orkest Debussy Jeux Rimski-Korsakov Suite uit de Legende van de onzichtbare stad Kitezj


komende concerten in

de Vrijdag van Vredenburg 46 SERIE TROS VOCAAL

vrijdag 24 februari 2012, 20.15 uur inleiding Kees Wisse 19.30 uur

Masaaki Suzuki dirigeert Mendelssohn, Fauré en Stravinsky Stravinsky Suite le baiser de la fée Fauré Caligula Mendelssohn Ein Sommernachtstraum

X

MARCO BORGGREVE

Masaaki Suzuki

Radio Kamer Filharmonie Groot Omroepvrouwenkoor Masaaki Suzuki dirigent Joanne Lunn sopraan Olivia Vermeulen mezzosopraan

SERIE MUZIKALE MEESTERWERKEN

vrijdag 9 maart 2012, 20.15 uur inleiding Aukelien van Hoytema 19.30 uur

Een avond Parijs Radio Kamer Filharmonie Frans Brüggen dirigent Maria João Pires piano

*

Fauré Masques et bergamasques Chopin Tweede pianoconcert * Haydn Parijse symfonie nr. 82 ‘L’Ours’*

ZONDAG 11 MAART OOK IN HET ZONDAGOCHTEND CONCERT, CONCERTGEBOUW, AMSTERDAM

Maria João Pires


47 SERIE TROS KLASSIEK

vrijdag 16 maart 2012, 20.15 uur inleiding Sebastiaan van Eck 19.30 uur

Andreas Staier & Frans Brüggen Radio Kamer Filharmonie Frans Brüggen dirigent Andreas Staier piano

XX

ERIC LAR

Andreas Staier

Debussy /Ravel Sarabande et Danse Mozart Pianoconcert nr. 17 in G KV 453 Beethoven Vierde symfonie

SERIE TROS KLASSIEK / TROS VOCAAL

vrijdag 23 maart 2012, 20.15 uur inleiding Paul Korenhof19.30 uur

Het beroemdste liefdespaar Groot Omroepkoor James Gaffigan dirigent Géraldine Chauvet sopraan Andrew Staples tenor Thomas Oliemans bas

Berlioz Roméo et Juliette

Géraldine Chauvet


48

Het Radio 4 Concerthuis: De Vrijdag van Vredenburg – Rond Debussy Met het Radio 4 Concerthuis van radio4.nl verandert uw huiskamer in een concertzaal wanneer u dat wilt.

colofon

Natuurlijk zijn de eigen Radio 4 concertseries - de Vrijdag van Vredenburg en de NTR ZaterdagMatinee volop aanwezig in het Radio 4 Concerthuis. De recente hoogtepunten maar ook de prachtige historische opnames uit het rijke omroeparchief. En ook alle concerten van het nieuwe Vrijdag van Vredenburg- seizoen kunt u terugluisteren in het Radio 4 Concerthuis. U kunt op elk gewenst moment kiezen uit het altijd actuele aanbod van ruim 100 concerten en zelf uw concert programma samenstellen. Of laat u verleiden door de bijzondere highlights die geprogrammeerd voor u klaarstaan, voorzien van extra informatie en aantrekkelijk gepresenteerd.

Meer Franse muziek? Dit seizoen viert De Vrijdag van Vredenburg de 150e verjaardag van Claude Debussy in de serie Rond Debussy. Bezoek de Orkestmuziek zaal voor een selectie Frans getinte concerten. In het Radio 4 Concerthuis bepaalt ú wat u wilt horen, in het door u gewenste genre, wanneer u maar wilt. radio4.nl/concerthuis

PROGRAMMERING

EDUCATIEPROJECT MCO

ARTISTIEK LEIDER

Astrid in ’t Veld

Iris Oltheten en Michael Klier

Kees Vlaardingerbroek

PROGRAMMERING VREDENBURG

ADMINISTRATIE & FINANCIËN

PROGRAMMATOELICHTINGEN

Guy van Hulst en Peter Tra

Anneke de Vries

Michiel Cleij, Clemens Romijn

PRODUCTIE

PRESENTATIE RADIO 4

REDACTIE PROGRAMMABOEK

Manon Tuynman en Hanna Schreuders

Mark Brouwers, Ab Nieuwdorp en Maartje Stokkers

EN VERTALING LA DAMOISELLE ÉLUE

PRODUCTIE VREDENBURG

RANDPROGRAMMERING TROS EN

EINDREDACTIE

Jorunn Labordus

AVRO RADIO4

Onno Schoonderwoerd

Clemens Romijn

Thea Derks en Victor Striker PUBLICITEIT & PRODUCTIE-ASSISTENTIE

EINDREDACTIE RADIO

VORMGEVING

Anne Marie van Doorn

Roland Kieft en Petra Koks

Dorine Verharen

EDUCATIE VREDENBURG

CASTING DIRECTOR

DRUK

Lucine Schipper

Mauricio Fernández

Van der Weij BV Hilversum

Debussy Weekend 17/19 febr. Programmaboekje  

Debussy Weekend 17-19 febr. Programmaboekje