Page 1

dierendag-essay

Die wolf, hij ontroert me mateloos In de ethiek van Europese denkers lopen helaas geen dieren rond “Hoe is het toch mogelijk dat ik achteloos voorbij leefde aan alles wat niet mensenlijk was”, verzucht Hans Bouma, teugkijkend op zijn tijd als theologiestudent in Amsterdam. Tegenwoordig beseft hij dat de gehele schepping ‘ademt’. De dieren in zijn studeerkamer herinneren hem daaraan. “Die paarden vieren het leven, het oorspronkelijke, ongeremde leven. Eén blik op dat festijn van pure lijfelijkheid en ik weet weer wat me te doen staat.” Door hans Bouma

Als ik schrijf, zijn er altijd dieren in mijn omgeving – en ik voel me daar zeer wel, zeer compleet bij. Juist als ik schrijf zou ik ze niet graag missen. Zonder hen zou de wereld van mijn woorden maar erg kaal worden. Ondertussen gaat het niet om levende dieren, hoewel: ook gefotografeerde en geschilderde dieren kunnen bijzonder levend zijn. Het hangt er maar vanaf hoe je ernaar kijkt.

Witte paarden Met enkele van die dieren maken we nu kennis. Door wat ik over ze vertel, vertel ik ook veel over mezelf. Om te beginnen: Moet je die drie uitbundig dansende witte paarden zien! Een aquarel van Evelyne Dessens boven mijn bureau. Eén en al lijf, glanzend, tintelend lijf. Paarden bij hoog en bij laag, bij laag en bij hoog, in een volstrekte vrijheid alleen maar paard. Het is een meeslepend feest wat zich daar in die waas van betoverend blauw afspeelt. Een oeroude droom die laaiende werkelijkheid wordt. Die paarden vieren het leven, het oorspronkelijke, ongeremde leven. Het leven dat ze zelf zo maximaal belichamen. Wanneer ik naar die aquarel kijk, weet ik: dít was de bedoeling, dit is wat je noemt een dierwaardig bestaan, zó komen paarden (en ook andere dieren) tot hun recht. Zeker, voor veel paarden valt er bitter weinig te vieren, voor talloze dieren is het leven alles behalve een feest. Het is huiveringwekkend wat er allemaal met dieren gebeurt en de Partij voor de Dieren is dan ook hard nodig. Juist hierom ben ik zo gelukkig met die drie witte paarden. Als ik de moed wat dreig te verliezen, houden zij mij even speels als ernstig bij de

Toen mijn hond doodging, verloor ik een van m’n beste vrienden

les: de les van het leven dat volop geleefd wil worden. Eén blik op dat festijn van pure lijfelijkheid en ik weet weer wat mij te doen staat.

Larilof Schuin onder die aquarel een van de laatste foto’s van mijn laatste hond: Larilof, een cockerspaniel. Officieel: Larilof van de Sagenhoek. Bijna vijftien, bijna blind, bijna doof. Al heel jong werd hij naar een asiel gebracht. Het gezin waar hij was terechtgekomen, vond hem toch te druk. Een jonge vrouw ontfermde zich over hem. Maar ze had een baan, Larilof was veel alleen. Daar kon hij niet tegen, zienderogen kwijnde hij weg. Weer naar een asiel. Toch leek het nog goed met hem te komen, toen een al bejaarde man hem bij zich in huis nam. Een man die z’n leven lang met honden had opgetrokken en alle tijd voor hem had. Larilof fleurde helemaal op. Eindelijk thuis. Maar na ruim een jaar werd die man ernstig ziek en een paar weken later overleed hij. Arme Larilof. Weer, voor de derde keer, naar het asiel. Geen wonder dat hij hier in een nogal apathisch gedrag verviel. Alle hoop op betere tijden had hij nu wel verloren. Zich een beetje presenteren wanneer er mensen kwamen kijken – wat had het voor zin? En omdat hij zo’n matte, troosteloze indruk maakte, was niemand geïnteresseerd in hem. Hoe deze Larilof op mijn weg kwam? Voor een asielblad had ik een artikel geschreven en in het bewijsnummer dat ik kreeg werd hij maar weer eens aan de lezers voorgesteld: ‘Larilof zoekt geborgenheid’. Ik had er niet van terug. Deze hond moest toch eindelijk een keer goed onder dak zijn. Ik zie hem nog z’n hok uitkomen toen ik het asiel bezocht. Een hond die niets meer had te verwachten. Algauw liep hij weer terug. Slechts met de grootste moeite liet hij zich overhalen

28 VolZin | 28 september 2012

436431.indd 2

24-9-2012 13:30:26


Dansende witte paarden, een aquarel van Evelyne Dessens: “Eén en al lijf, glanzend, tintelend lijf.”

met mij mee te gaan. Acht jaar was hij een toegewijde, volstrekt loyale huisgenoot. Toen hij doodging verloor ik een van m’n beste vrienden.

Galápagos Larilof was een huisdier – gedomesticeerder kon het niet. Wat mij bij huisdieren, ook bij landbouwhuisdieren steeds weer treft: hun grote afhankelijkheid. Hoe sterk zijn ze aangewezen op ónze aandacht, ónze zorg. In natuurlijke omstandigheden redden dieren het uitstekend zonder ons. Nergens heb ik dat zo imponerend ervaren als op de Galápagos-eilanden. Als mens voel je je hier volkomen overbodig. Eerst gaf me dat een vreemd gevoel. Die zeeleeuwen en leguanen,

die pinguïns en reuzenschildpadden, die albatrossen en blauwpootgenten, kon ik dan niets voor ze betekenen? Helemaal niets – wat me uiteindelijk toch ook weer opluchtte. Ik was hier slechts een gast, even mocht ik hier in alle bescheidenheid rondkijken om vervolgens weer afscheid te nemen. Zonder mij zou het leven daar echt wel doorgaan. Een langer verblijf zou alleen maar storend werken. Larilof bepaalt me erbij dat domesticatie een enorme verantwoordelijkheid met zich meebrengt. Je haalt dieren uit hun natuurlijke milieu, je ontneemt ze hun autonomie, hun vrijheid. Je onderwerpt ze aan een proces waarin ze allerlei mogelijkheden om zichzelf te redden steeds meer verliezen. Met welk recht doe

28 september 2012 | VolZin 29

436431.indd 3

24-9-2012 13:30:39


Op de Galápagos-eilanden voelde ik mij als mens volkomen overbodig

Een wolf ergens bij Spitsbergen, weergaloos superieur en weergaloos kwetsbaar.

je dit, wat is je legitimatie? In ieder geval verplicht je je op deze manier de dieren een milieu aan te bieden dat afgestemd is op hun natuurlijke behoeften. Een milieu waarin ze zich toch nog thuisvoelen. Een volgende kennismaking. Ook weer boven m’n bureau, naast die drie paarden, het schilderij (olieverf ) van een in felle kleuren uitgedoste uil, een droomuil. Je zult hem verder nooit zo tegenkomen, maar hoe reëel bestaat hij, die uil. Artistieke verbeelding die alles wat het fenomeen uil typeert tot in z’n essentie raakt. Mijn vrouw spaart uilen, van hout, van steen, van metaal – en in de loop der jaren hebben vele tientallen uilen hier hun plaats gevonden. In die zo kleurrijke droomuil boven mijn bureau komen ze allemaal samen en krijgen ze hun ware, definitieve signalement. Indringend kijkt hij mij aan. Alsof ik een prooi voor hem was. Maar nee, zo interessant ben ik nu ook weer niet. Geef hem maar een muis, een vogeltje, een kikker, een slak. Uilen zijn echte roofvogels. Perfect zijn ze toegerust om andere dieren te doden. Hun braakballen laten zien wat ze zoal te pakken nemen om in leven te blijven. Ik kan het daar moeilijk mee hebben. Het is zo paradoxaal: dat de ene wil tot leven steeds weer ten koste gaat van de andere wil tot leven. Zo ontstaat een natuurlijk evenwicht, maar mij brengt het uit balans. Hoe domineert zo het recht van de sterkste en dat is niet het recht waar ik de meeste

waarde aan hecht: het recht van de zwakste. Nog steeds kijkt die uil mij aan. Waar praat ik toch over - het recht van de zwakste. Daar moet je nu typisch mens voor zijn. In al zijn wijsheid weet hij wel beter. Wie me ook aankijkt, wát me ook aankijkt: het oog van een ezel. Een foto nu niet vóór me maar op de muur achter mij. Ik voel het in m’n rug. Een cadeau van vrienden die een heel stel ezels hebben. Dat grote, zwartomrande, bruin-glanzende oog, ik kan mij er volledig in verliezen. Een lieve kosmos van zachtmoedigheid, een wereld van universele wijsheid. En mét dat ik me in dat oog verlies, hervind ik mezelf ook weer. Leven ben ik, leven dat mens werd. Samen met die ezel participeer ik in een onmetelijk mysterie. Dat oog, die ezel bevestigt mij in m’n aardsheid, m’n lichamelijkheid. Dat oog, die ezel geeft mij een verrassend gevoel van eigenwaarde.

Weergaloos kwetsbaar Nog één ontmoeting, althans wat dieren betreft. Een ooit door World Press Photo bekroonde foto van een wolf die ergens bij Spitsbergen in een weergaloze superioriteit en ook in een weergaloze kwetsbaarheid van de ene ijsschots naar de andere springt. Wat een grandeur, hier wordt een topprestatie geleverd. Wanneer ik naar dat magistraal gespannen lijf kijk, voel ik me erg klein en onbeduidend. Dit is nog eens leven en overleven! Maar die wolf, hoe kwetsbaar is hij ook. In de sprong die hij maakt wordt hij gereflecteerd door het water tussen de ijsschotsen en wat ik daar zie, zijn spiegelbeeld, raakt me nog het meest. Zo wit, zo triomfantelijk wit als die wolf is in het blinkende poollicht, zo donker, zo dreigend donker is hij in het ijskoude water van de Barentszee. Die wolf, hij ontroert me mateloos. Zoveel kracht, zoveel kwetsbaarheid. Zoveel licht, zoveel duisternis. Zijn bestaan – een strijd op leven en dood. Maar vooralsnog zegeviert het leven.

Niet werkelijk in beeld Dat ik omringd ben door dieren, dat ik veel over dieren schrijf en mij op allerlei manieren inspan voor het welzijn van dieren, wil nog niet zeggen dat dieren van meet aan een plaats in mijn belevingswereld hadden. Als kind ben ik er niet mee opgegroeid, we hadden thuis geen huisdieren en ook verder kwamen ze niet werkelijk in beeld. Het milieu van mijn jeugd en ook later van mijn studie in Amsterdam was duidelijk antropocentrisch. Een milieu van louter mensen en louter menselijke belangen. Dieren telden niet mee, of alleen in eetbare vorm, op je bord. Of als onbetekenende randfiguren op een toneel waar mensen van het begin tot het eind de hoofdrol spelen. Vooral in mijn Amsterdamse studietijd had ik wijzer

30 VolZin | 28 september 2012

436431.indd 4

24-9-2012 13:30:47


(of minder dwaas) moeten zijn. Hoe is het mogelijk dat ik zo achteloos voorbijleefde aan alles wat niet menselijk was! Ik geneer me er nog steeds voor – voor de beperkte morele horizon die ik toen had. Bij alles wat me in die tijd aan cultuur, kunst en wetenschap ten deel viel, leefde ik toch wel heel armoedig. Nog één foto, weer boven mijn bureau: Albert Schweitzer. Aan hem heb ik het te danken dat mijn bewustzijn zich omstreeks m’n dertigste verruimde en dat dieren binnen mijn morele blikveld kwamen. Van Schweitzer heb ik geleerd dat de humaniteit pas voltooid is wanneer je je, behalve voor mensen, ook voor dieren verantwoordelijk weet. In 1923 publiceerde hij het boek waarin hij hét grote manco van de westerse cultuur formuleert: Kultur und Ethik. Een veelzeggend citaat: ‘Zoals de huisvrouw die de kamer heeft geveegd ervoor zorgt dat de deur dicht blijft zodat de hond niet kan binnenkomen en met z’n vuile poten haar werk kan bederven, zo passen de Europese denkers ervoor op dat er geen dieren in hun ethiek rondlopen. Het grenst aan het ongelooflijke tot welke dwaasheden ze hun toevlucht nemen om de overgeleverde bekrompenheid maar te handhaven en tot principe te maken.’ Zo’n diagnose doet de deur dicht, of juist open. Zonder dieren is de ethiek of ook de humaniteit incompleet en ongeloofwaardig. Het credo van Albert Schweitzer luidt: ‘Ik ben leven dat leven wil te midden van leven dat leven wil.’ Dit is ook mijn credo geworden. Samen met alles wat existeert weet ik mij opgenomen in het bovenmenselijke, alles en allen omvattende mysterie dat leven heet.

Moderne Franciscus Ethiek betekent voor Schweitzer: eerbied voor het leven. Een ethiek die hij als tropenarts in het Afrikaanse Lambarene vele jaren in praktijk bracht. Alle leven, ook het leven van dieren, kon rekenen op z’n aandacht, z’n mededogen, z’n respect. Kort vóór zijn dood, 4 september 1965, schreef de toen negentigjarige filosoof, theoloog, medicus en, niet te vergeten, musicus op een klein stukje papier, als was het zijn geestelijk testament: “Godsdienst is gepraktiseerde eerbied voor het leven.” Als alle religies elkaar eens in déze definitie zouden vinden! Albert Schweitzer zie ik als een tweede, een moderne Franciscus van Assisi. Ook hij heeft een plek boven mijn bureau. Vogels in zijn handen, zeker tien, vogels in zijn ziel. Nederig en dienstbaar, één en al mededogen, in de ruimte van een tot in alle geledingen creatuurlijk ademende werkelijkheid. ■

Hans Bouma is theoloog, dichter en schrijver.

column

willem van der Meiden

Boven Een vrouw schreef in Trouw dat ze er last van had dat veel mannen haar steevast op borsthoogte aankeken, waar kennelijk veel te zien was. Wat te doen? Etiquetteadviseur Beatrijs Ritsema ried haar aan om een fraaie oneliner paraat te hebben: ‘Hallo, ik woon hierboven, hoor!’ Behalve dat zij erg geestig is, stelt deze uitspraak ook een interessant filosofisch probleem. Waar in zijn of haar lichaam woont een mens? Is de huiskamer inderdaad het hoofd met de hersenpan, de deur en de ramen en zijn de andere lichaamsdelen nevenvertrekken? Of mag het hart met recht de machinekamer heten en hebben de borstkijkers wat de blikrichting betreft gelijk? Of heeft het huis van het lichaam in principe vele woningen, zonder rangorde of primaat van de ene boven de andere? Ik vond het lastig om vast te stellen waar het ik zetelt en bladerend in de geschiedenis van de filosofie stelde ik vast dat ik niet de enige was. In één moeite door stelde ik tevens vast dat ‘ik’ in die filosofie een van de meest geanalyseerde en onbegrepen begrippen is. Maar het vraagstuk kreeg een impuls uit onverwachte hoek. In dezelfde krant kwam onlangs André van der Braak aan het woord, de kersverse hoogleraar boeddhistische filosofie aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij bekritiseert het denken dat van een ik uitgaat. Zoals Nietzsche al schreef: “Een gedachte komt wanneer zij dat wil, en niet wanneer ik dat wil.” Of: “Niet ik denk, maar het denkt in mij.” Van der Braak haalt er de bodhisattva bij, in wiens denken het onderscheid tussen ‘buiten’ en ‘binnen’ niet wordt gemaakt. Een van deze teksten is vertaald als: “Ik beloof alle levende wezens te bevrijden” en daar is een ‘ik’ binnengeslopen dat er niet in thuishoort: “Er is niet iets buiten mij dat in mij belooft, het is ook niet zo dat ik een gelofte afleg. Er wordt iets manifest in mijn bewustzijn doordat ik de gelofte reciteer.” Ik heb geprobeerd om met dit inzicht gewapend voor de vragenstelster een alternatieve repliek te bedenken, maar kom niet veel verder dan ‘Hallo, het woont hierboven, hoor!’ Of er dan door het reciteren van deze wijsheid iets manifest wordt in haar bewustzijn, kan ik niet voorspellen. Wel dat veel van die mannen het staren schielijk zullen staken. Dus misschien zo gek nog niet, dit advies.

28 september 2012 | VolZin 31

436431.indd 5

24-9-2012 13:31:00

Dierendag-essay  

"Die wolf, hij ontroert mij mateloos." Een essay over dieren en ethiek door dichter, theoloog en publicist Hans Bouma