Issuu on Google+

Darwin en de gevestigde wetenschappers hebben het moeilijk met het onbewijsbare.

12 VolZin | 27 april 2012

VOL009_12_Tiekstra.indd 12

20-04-12 11:39


Spiritualiteit en wetenschap I

Wetenschappers doorzien niet het hele bestaan

Het gelijk van de ‘ufo-gekkies’ Intelligent design, het geloof in ufo’s en het paranormale, de meeste wetenschappers verwijzen dat alles naar het rijk der fabelen. Maar is dat wetenschappelijk wel vol te houden? En de geloofsovertuiging van christenen dan? Ook rijp voor de afdeling sprookjes? Deel één van een tweeluik over spiritualiteit versus wetenschap. door Jurgen Tiekstra Illustratie Sander ten Napel

Cees Dekker, hoogleraar biofysica aan de Technische Universiteit Delft, reageert ongemakkelijk aan de telefoon. “Ik vind het zo’n andere wereld dat ik me liever onthoud van commentaar”, zegt hij. “Alles wat ik er verder over zeg kan tegen me worden gebruikt. En daar heb ik niet zo’n zin in.” Een gesprek met Dekker is bijzonder kort als je zijn geloof in God in één adem noemt met andermans geloof in buitenaards leven. Maar de vergelijking tussen beide overtuigingen is niet zonder reden. De vraag is namelijk of het tumult dat in 2005 ontstond over intelligent design (id) vergelijkbaar is met het rumoer van begin dit jaar rond het mogelijke bestaan van ufo’s en buitenaardse wezens. Hoe springt de exacte wetenschap om met levensbeschouwelijk getinte onderwerpen? Zowel het id- als het ufo-debat vlamden aan de TU Delft op. Van het eerste was overtuigd christen Cees Dekker de aanstichter. In 2005 bracht hij samen met andere gelovige wetenschappers het boek Schitterend ongeluk of sporen van ontwerp? uit, waarin geopperd werd dat in bacteriën en chemische elementen misschien tekenen van een ontwerp zijn te bespeuren. Daarmee stelde hij zich kritisch op tegenover de dominante rol van wanorde en toeval in het darwinistische evolutiedenken. Overigens heeft Dekker nadien zijn id-geloof sterk genuanceerd: hij ontkent niet de wetenschappelijke waarde van de evolutietheorie.

Ufo-gekkie Begin dit jaar kwam Coen Vermeeren, oud-docent lucht- en ruimtevaarttechniek, in een vergelijkbare storm van kritiek en bijval terecht. Al een paar jaar lang spreekt hij openlijk over zijn geloof in het bestaan van ufo’s, die door een buitenaardse beschaving bestuurd worden. Maar na een interview in

De Telegraaf en op Radio 1 kwam hij voor de tweede keer volop in de aandacht. Wat te verwachten viel, gebeurde ook. Coen Vermeeren werd met de grond gelijkgemaakt. Niet alleen Stichting Skepsis - de vrijwilligersorganisatie die pseudowetenschap te vuur en te zwaard bestrijdt - maar ook onder anderen diens Delftse collega Dap Hartmann liet luid van zich horen. Hartmann, een astronoom, betitelde Vermeeren als een “ufo-gekkie”, en geen wetenschapper. Diezelfde Hartmann had een paar jaar eerder ook Cees Dekker in het vizier genomen. Maar opvallender dan de kritiek was de steun die Coen Vermeeren kreeg. Neem Klaas van Egmond, de hoogleraar geowetenschappen aan de Universiteit van Utrecht. Hij vergeleek Vermeeren in de Volkskrant zelfs met Galilei, de zeventiende-eeuwse astronoom die de paus er tevergeefs van wilde overtuigen dat de aarde om de zon draait en niet andersom. “Vanwaar toch die eeuwenoude angst voor nieuwe ideeën?”, schreef Van Egmond in zijn opiniestuk. Maar hij was niet de enige. Ook Taede Smedes, godsdienstfilosoof aan de Radboud Universiteit en schrijver van het boek God én Darwin, sprong voor het “ufo-gekkie” uit Delft in de bres. “De vraag is dan wat Vermeeren precies fout heeft gedaan”, schreef hij op zijn beurt. Ook Taede Smedes gelooft in waargenomen ufo’s, al koppelt hij de ongeïdentificeerde vliegende objecten niet zomaar aan buitenaards leven.

Positivistisch denken Belangrijk is dat zowel Radboud-onderzoeker Smedes als Klaas van Egmond een vergelijking durven te trekken tussen wat Cees Dekker in 2005 overkwam en wat met Coen Vermeeren in 2012 gebeurt. Zij zien in beide incidenten een uitwas van het positivistische denken binnen de academische wereld. In dat positivistische denken bestaat alleen wat meetbaar en tastbaar is. Al het godsdienstige, spirituele en metafysische wordt zonder omzien van tafel geveegd als onbestaand. “De wetenschap heeft zich buiten een aantal grote vraagstukken geplaatst”, betoogt Van Egmond, die vooral op het vlak van milieu en klimaatverandering onderzoek verricht, desgevraagd. In het verleden was Van Egmond onder meer directeur van het Natuur- en Milieuplanbureau. “In mijn boek Een vorm van beschaving verklaar ik dat de wetenschap heel positivistisch geworden is”, zegt hij. “De afgelopen paar honderd jaar is de wetenschap in haar reactie op de

27 april 2012 | VolZin 13

VOL009_12_Tiekstra.indd 13

20-04-12 11:39


410794.indd 14

23-4-2012 10:02:01


‘Met de conclusie dat ufo’s onzinnig zijn wordt de huidige wetenschappelijke kennis verabsoluteerd’ Romantiek doorgeslagen. Sindsdien wordt gezegd: de enige werkelijkheid is wat we kunnen meten met onze zintuigen of onze instrumenten. Maar als je dat leert, zijn we met de wetenschap gauw klaar.” Om te begrijpen hoe radicaal als denker Van Egmond is, is het goed om een essay erop na te slaan dat hij in 2009 schreef in de bundel Zien is geloven. Hierin beschrijft hij de telepathische dromen die hij tussen zijn veertigste en vijftigste had. Maar opmerkelijker is het onderzoek naar graancirkels dat hij ooit in het zuidwesten van Engeland uitvoerde. Van Egmond vermoedt dat mensen met hun geestelijke kracht een patroon in graanvelden kunnen aanbrengen. Zo zou een groep Japanners een ‘origamipatroon’ in een veld hebben ‘gewenst’.

Verwondering Veel wetenschappers laten zich niet meer door verwondering leiden, is zijn stelling. “Waarom zouden mensen als Coen Vermeeren en Cees Dekker niet hypothesen mogen formuleren over hoe de werkelijkheid in elkaar zit?”, vraagt Van Egmond zich hardop af. “Er zijn een heleboel wetenschappers die een materialistisch wereldbeeld hebben: alleen materie bestaat, verder is er niks. Nou ja, als je dat één keer hebt gepostuleerd, wordt dat een zichzelf bewijzende kringloop, terwijl er een heleboel tegenbewijs is.” Als voorbeeld noemt hij het onderzoek van Pim van Lommel. Deze cardioloog beschrijft in zijn boek Eindeloos bewustzijn (2007) dat mensen tijdens een hartstilstand een geestelijke ervaring kunnen hebben, ook als er geen hersenactiviteit gemeten wordt. “Ik vind het vrij aandoenlijk hoe men, inclusief Dick Swaab (de hersenonderzoeker en schrijver van het boek Wij zijn ons brein, red.), zich in duizenden bochten wringt

om met gekunstelde constructies aan te tonen dat dat allemaal chemie van de hersenen is.” Ook godsdienstfilosoof Taede Smedes is uitgesproken kritisch ten opzichte van de exacte wetenschappers. Wel wil hij nadrukkelijk alle nuchterheid bewaren, om ver weg te blijven van de samenzweringstheorieën die volgens hem veel voorkomen in ufo-kringen. “Er is een domein in de werkelijkheid dat zich moeilijk leent voor wetenschappelijk onderzoek”, zegt hij. “Daar vallen psychologische zaken en religieus geloof onder. En voor die ufo’s geldt hetzelfde. Maar als iets zich niet leent voor wetenschap wil dat niet zeggen dat het onzin is. Die conclusie wordt er wel vaak aan verbonden, maar die kunnen wetenschappers niet hard maken en is uiteindelijk een levensbeschouwelijke conclusie van die wetenschappers zelf.”

Niet-wetenschappelijk “Ja, ik heb het gelezen”, zegt Dap Hartmann over het artikel waarin Klaas van Egmond het opneemt voor Coen Vermeeren. “Hij weet totaal niet waar hij het over heeft”, is zijn reactie. “Ik heb de verleiding weerstaan om daar weer op te reageren.” De astronoom, die zich ook twintig jaar lang bezig gehouden heeft met het schrijven van programma’s voor schaakcomputers, beschouwt de discussies over intelligent design en de ufo’s wel degelijk als van tweeën één. “Het zijn in mijn beleving allebei niet-wetenschappelijke opvattingen.” Zelf benadrukt hij dat hij allesbehalve bevooroordeeld is. “Er is heel veel onderzoek gedaan naar claims op het gebied van het paranormale en op het gebied van ufo’s. Al in 1969 is er een conferentie over

27 april 2012 | VolZin 15

VOL009_12_Tiekstra.indd 15

20-04-12 11:39


ufo’s geweest, met kopstukken als Carl Sagan en Frank Drake (beiden Amerikaanse astronomen, red.). Maar uit onderzoek naar ufo’s is niks meer gekomen dan de conclusie: sommige verschijnselen kunnen we niet verklaren. Dat wil echter niet zeggen dat er een exotische verklaring aan ten grondslag ligt. Het kan gaan om een atmosferisch verschijnsel, het kan gaan om een astronomisch verschijnsel.” Hetzelfde geldt voor onderzoek naar buitenzintuiglijke ervaringen, zegt hij. “Ook dat heeft nooit de test van een gecontroleerd experiment doorstaan. En op een gegeven moment ben je er dan klaar mee. Totdat iemand een nieuw inzicht heeft.” In de ogen van Hartmann doet ufo-aanhanger Coen Vermeeren “waanzinnige” uitspraken zonder een splinter bewijs. Zijn wantrouwen ten opzichte van zijn collega is dan ook groot. “Het is niet zo dat Vermeeren in ufo’s gelooft en het daar bij laat. Hij gelooft ook dat graancirkels worden veroorzaakt door buitenaardse energie, hij gelooft ook dat homeopathie werkt, hij gelooft ook dat vrije-energiemotoren bestaan, hij gelooft dat 11 september een samenzwering is van de Amerikaanse overheid. Hij gelooft alles. Dat is een kenmerk van dit soort, zo noem ik ze met een oneerbiedig woord, mafketels. Dan ben je niet kritisch, dan ben je niet wetenschappelijk. Ik moet de figuur nog zien die alleen in ufo’s gelooft, en voor de rest nergens in. Dan zeg ik: laten we daar eens serieus naar kijken.”

Gesloten bolwerk Klaas van Egmond en Taede Smedes beweren dat de exacte wetenschap voor een deel een gesloten bolwerk is geworden. Dat bestrijdt Hartmann van harte. Wantrouwt hij de capaciteiten van een gelovige wetenschapper bij voorbaat ? “Dat is een gewetensvraag”, zegt Hartmann twijfelend. “Laat ik het zo zeg-

‘We kunnen ons niet de hele dag bezighouden met te bewijzen dat kabouters niet bestaan’

gen: ik heb daar geen aanwijzingen voor. Ik heb niet de indruk dat Cees Dekker een slechte wetenschapper is, omdat hij in God gelooft. Het verbaast me alleen erg dat iemand die in zijn werk een bepaalde mate van bewijs gewend is, tegelijkertijd stellige uitspraken doet over het bestaan van een opperwezen zonder dat dat bewijs in dezelfde mate voorhanden is.” “Ik heb eens een polemiek gevoerd met iemand hier op de TU Delft, een hoogleraar reformatorische wijsbegeerte”, vertelt hij. “Dáár wordt het voor mij onacceptabel.” Hartmann verwijst hier naar hoogleraar Marc de Vries. Zijn leerstoel wordt betaald door de Stichting voor Christelijke Filosofie. “Ik moest eerst opzoeken wat reformatorische wijsbegeerte betekent. Het klonk al heel verdacht, vond ik. De definitie bleek te zijn dat het de filosofie is die als uitgangspunt heeft dat wat in het Oude Testament staat onvoorwaardelijk waar is. En dat vind ik te ridicuul voor woorden. Ik heb daar zelfs opheldering over gevraagd aan het college van bestuur. Het bestuur kwam met het rare excuus dat die leerstoel er is omdat die historisch zo gegroeid is. Het is volgens hen de enige leerstoel waar het geen zeggenschap over heeft.”

Wat is een bewijs? Godsdienstfilosoof Taede Smedes noemt het inderdaad inconsistent dat Marc de Vries in het openbaar vraagtekens mag plaatsen bij het evolutiemodel, terwijl de ideeën van Coen Vermeeren tegen het licht gehouden worden. Maar dat neemt niet weg dat hij kritiek houdt op de houding van Hartmann. “Bij mensen die zichzelf scepticus noemen, zie je dat ze iedere keer komen met het argument: je mag pas iets voor waar aannemen als je bewijs hebt. En als je dan vraagt: wat bedoel je met bewijs?, volgt een vaag antwoord dat vaak neerkomt op: “wat wetenschappelijk vaststaat”. Maar als je de wetenschap serieus neemt, moet je zeggen dat níks vaststaat. In de wetenschapsgeschiedenis zie je dat er allerlei theorieën zijn geweest die voortdurend herzien zijn. Je moet daarom reëel zijn: al onze kennis is voorlopige kennis. Met de conclusie dat ufo’s onzinnig zijn wordt de huidige stand van wetenschappelijke kennis verabsoluteerd. Dat is geen wetenschappelijke conclusie, dat is een levensbeschouwelijke conclusie.” Erger nog, betoogt geoloog Klaas van Egmond: het is een levensbeschouwing die geboren is uit angst. “Als Coen Vermeeren gelijk heeft, begint het idee te spelen dat de wereld uiteindelijk niet beheersbaar is door onze techniek. Dat boezemt mensen angst in. Ze zijn heel controlfreakerig. De wereld steekt toch anders in elkaar dan je dacht. Dat kan maatschappelijke veranderingen te weeg brengen. En die gedachte is blijkbaar onverdraaglijk.” Laat er overigens geen ver-

16 VolZin | 27 april 2012

VOL009_12_Tiekstra.indd 16

20-04-12 11:40


column

Nuweira Youskine

Bijzonder talent

gissing over bestaan: “Wat ik zeg, pleit niet tegen de positivistische wetenschap. Integendeel: die telt heel veel zegeningen. Maar de clou is dat positivistische wetenschappers niet moeten denken dat ze het totale menselijke bestaan doorzien.”

Loch Ness “Zodra iemand als Vermeeren tegengas krijgt, wordt de wetenschap aangevallen als een te gesloten systeem”, verweert Hartmann zich. “Maar we kunnen ons niet de hele dag bezighouden met te bewijzen dat kabouters niet bestaan, dat spoken niet bestaan, dat het monster van Loch Ness niet bestaat, en Big foot niet. We moeten ook nog serieus werk doen. Op het moment dat iemand met een bot komt dat lijkt op geen enkel bot van een ander dier en vraagt: is dit misschien het bot van het monster van Loch Ness?, dan kunnen we daar naar kijken. En als iemand zegt: ‘Ik heb hier een materiaal dat we hier op aarde niet kennen. Is dit misschien een losgeraakt onderdeel van een ufo?’ Dán hebben we wat.” ■

In deel twee van dit tweeluik, in het volgende nummer van VolZin, komt Coen Vermeeren zelf aan het woord over de spirituele crisis waarin de wetenschap zich volgens hem nu bevindt. Daarnaast vertelt Arie van den Beukel, de christelijke emeritus hoogleraar natuurkunde, wat hij dacht toen hij een boek van Stephen Hawking las: “Wat een arrogante aap. Daar zullen we eens tegenin gaan.” Tot slot zal het gaan over de vraag of de wetenschap de laatste jaren steeds vaker met een “mystieke saus” overgoten wordt of dat wetenschappers juist steeds vaker met oogkleppen op rondlopen.

Het duizelde me een beetje. Trapjes, vissen, geometrische figuren in wonderlijke belijningen: de meest bizarre figuren en patronen dansten voor mijn ogen. Met een reisgezel was ik in het statige Escher-museum beland. Ik kende natuurlijk zijn meest beroemde werken wel – de vissen die overgaan in vogels, de twee handen die elkaar tekenen – maar de man had nog veel meer ingenieus werk geproduceerd dan ik voor mogelijk had gehouden. Mijn hersens, matig gezegend met ruimtelijk inzicht, konden niet alles bevatten. Soms moest iemand me uitleggen wat ik nu precies wel en niet geacht werd te zien. Zalen vol schijnbaar onmogelijke, grillige versieringen. Het stemde me, vreemd genoeg, melancholisch. ‘Wat geeft God sommige mensen toch een enorm talent mee’, verzuchtte ik. Reisgezel keek me sceptisch aan. ‘Ook gewoon een kwestie van heel hard werken hoor. Moet je zien hoe lang Escher wiskundige patronen heeft bestudeerd, hoe hij rondreisde om inspiratie op te doen’. We kissebisten nog een beetje, over de vraag of ieder wezen gezegend is met een talent. Heeft ieder individu een gave? Of kunnen sommigen gewoon heel ver komen met volharding en oefening, zonder noodzakelijkerwijs talentvol te zijn? We kwamen niet tot een gezamenlijke conclusie en lieten deze levensvraag voor wat hij was. Dezelfde avond zat ik bij een concert van de band Kosh Neva. Vier mannen, gezeten op vier stoelen, twee gewapend met een saz (een Turkse gitaar), meer was er niet. Behalve hun stemmen. Die bezongen God. Heel rustig en licht, met telkens herhaalde woordcombinaties. Dan weer sneller, opzwepender en krachtiger, maar immer gecontroleerd. Ook wie de woorden niet begreep, kon het ritme en de intensiteit van de aanroepingen beleven. Dit behoefde geen uitleg – een beetje overgave volstond. Toen ik na afloop aan één van de spelers vroeg hoe hij dit had geleerd, haalde hij verlegen zijn schouders op. Hij deed slechts, wat bij hen al lang in de familie zo gedaan werd. Het gekibbel van eerder die dag, over de vraag of ieder mens in potentie een speciaal talent heeft of niet, deed er niet zoveel meer toe. Het ging erom, dat de mens met de meest eenvoudige middelen in ieder geval altijd tot één ding in staat zal zijn: de aanbidding tot God. Misschien wel de meest belangrijke gave die er is.

27 april 2012 | VolZin 17

VOL009_12_Tiekstra.indd 17

20-04-12 11:40


Ufo-gekkies achtergrond