Page 1

1

Het visoen van Joannes XXIII 50 jaar Tweede Vaticaans Concilie: het ongebruikte tegoed Inleiding op het Allerheiligenberaad van VKMO – Katholiek Netwerk op 8 november 2012, Priorij Sint Catharinadal, Oosterhout Henk Witte Tilburg School of Catholic Theology “Want, wat is een oecumenisch concilie anders dan een vernieuwing van deze ontmoeting met de verrezen Christus, de glorierijke en onsterfelijke Koning, die Zijn glans doet stralen over heel de Kerk om aan de mensheid heil, vreugde en licht te brengen.”1 Dat zei paus Joannes XXIII op dinsdag 11 september 1962, op de dag af een maand voor de opening van het concilie, in een radioboodschap aan alle gelovigen. Onmiddellijk daaraan vooraf had hij herinnerd aan de symboliek van de paaskaars. Die wordt in de paaswake bezongen als Lumen Christi, Licht van Christus, waarop de geloofsgemeenschap antwoordt met een dankbaar aanvaardend Deo gratias. “Ja,” zegt paus Joannes, “Lumen Christi, lumen Ecclesiae, lumen gentium: het licht van Christus, het licht van de Kerk, het licht van de volkeren.” Hier vangen wij een glimp op van zijn visioen. Dat visioen vertolkt hij met behulp van het thema van het licht. Het begint bij Christus, het wordt ontvangen en weerspiegeld door de Kerk, het is uiteindelijk bestemd voor alle volken. Het concilie was niet de droom die hem voor ogen stond, maar een vernieuwing van de ontmoeting met de verrezen Christus omwille van de vreugde, de vrede, de eenheid en het licht van heel de mensheid. In dit perspectief van vernieuwing in Christus en zending tot de hele mensheid zag hij de taak van de Kerk en dus ook van het concilie. Paus Joannes kende het verlangen van de mensheid maar al te goed. Hij had twee wereldoorlogen meegemaakt. De dreiging van een derde hing in de lucht. Op dezelfde elfde september 1962 waarschuwde de Sovjet Unie de Verenigde Staten dat een aanval op Cuba of op Sovjetschepen oorlog tot gevolg zou hebben.2 In zijn radioboodschap sprak de paus de verwachting uit dat de concilievaders, voor het eerst in de geschiedenis afkomstig uit alle volken en naties, een bijdrage zouden leveren “om de littekens te helen van de twee oorlogen, die het gelaat van alle volken totaal hebben veranderd”.3 Niet alleen rechtvaardigheid en vrede onder de volken lagen hem na aan het hart, ook de vitaliteit van de Kerk naar binnen en in haar zending, die gericht is op de noden van de mensen. 4 Het is in dit perspectief dat de paus het thema van de vernieuwing centraal stelt als kernopdracht van het concilie.

1

Joannes XXIII, La grande aspettazione. Radioboodschap van 11 september 1962 tot de gelovigen van heel de wereld als voorbereiding op het Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, in La grande aspettazione. Radioboodschap paus Joannes XXIII van 11 september 1962 tot de gelovigen van heel de wereld als voorbereiding op het Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie en andere documenten september-december 1962, Vertaald door M.H. Mulders C.ss.R. en J. Kahmann C.ss.R. (Ecclesia docens), Hilversum: Gooi & Sticht, 1964, 9. 2 http://en.wikipedia.org/wiki/September_1962. 3 Joannes XXIII, La grande aspettazione, 13-14. 4 Joannes XXIII, La grande aspettazione, 10.


2

Het mag dan in deze richting zijn dat het visioen van Joannes XXIII gaat, dat is nog niet hetzelfde als het ongebruikte tegoed van Vaticanum II. Als we over een ‘ongebruikt tegoed’ spreken, komt meteen de evaluatie van 50 jaar verwerking van het concilie mee. Bij veel activiteiten rond de vijftigste verjaardag van het concilie komen dit soort evaluatieve vragen naar boven. Soms lijkt het zelfs eerder te gaan over wat wij met het concilie gedaan hebben dan over het concilie zelf. Wat hebben we verwerkt en wat hebben we laten liggen? Hebben we het goed gedaan? Hoe komt het dat er na het concilie zoveel polarisatie ontstond? Hebben wij het concilie wellicht ingezet voor eigen doeleinden, overigens vol goede bedoelingen, van welke signatuur dan ook? Onder deze vragen melden zich weer andere vragen, vragen van hermeneutische aard. Welke beelden bepalen ons zicht op Vaticanum II? Hoe plaatsen we het in relatie tot de ontwikkeling van Kerk en theologie die eraan vooraf ging en die erop volgde? Wie op zoek gaat naar het ongebruikte tegoed van het concilie, kan dit soort vragen niet vermijden. In de huidige discussie over Vaticanum II staan mijns inziens twee vragen centraal. De eerste vraag betreft de sleutel tot het geheel van dit concilie. Daarbij slaat ‘concilie’ zowel slaat op het gebeuren als op de zestien documenten waarin het resulteerde. Meestal immers is de toegang fragmentarisch en betreft ze een deelaspect, het beeld van de Kerk als volk Gods bijvoorbeeld of de openheid voor andere kerken en godsdiensten. De tweede vraag betreft de verhouding tot de voorafgaande geschiedenis. Is dat een verhouding van pure continuïteit, van louter breuk of van iets van beide?5 Dat laatste wordt veelal samengevat in de term ‘vernieuwing’. De vraag naar het ongebruikte tegoed verwijst daarom allereerst naar de vraag wat de bedoeling van Vaticanum II was. Over die bedoeling kan de openingstoespraak van paus Joannes XXIII wat meer onthullen. Vernieuwing blijkt een sleutelterm. Maar hoe verstond het concilie ‘vernieuwing’ en hoe gaf het daaraan vorm? Enig zicht daarop kan duidelijk maken hoe men zoiets als ‘het ongebruikte tegoed’ op het spoor kan komen en hoe het te verstaan is. Die exercitie zal ik - in het besef dat ik vandaag vertegenwoordigers van maatschappelijk actieve katholieke organisaties voor me heb – in een laatste aandachtspunt kort bespreken aan de hand van het spreken van het concilie over de positie en de taak van leken in de verhouding tussen kerk en wereld. 1. Gaudet Mater Ecclesia: de openingstoespraak van Paus Joannes XXIII De toespraak waarmee paus Joannes het concilie op 11 oktober 1962 opende, begint in dezelfde toonzetting als de radiotoespraak van een maand eerder. Een vreugde voor de Kerk (Gaudet Mater Ecclesia): zo noemt hij het concilie in zijn eerste woorden. Toch moet de paus zelf anders in het hele gebeuren gestaan hebben. Twee en halve week eerder, op 23 september 1962, was uit röntgenonderzoek gebleken dat hij een ongeneeslijke maagkanker had.6 Paus Joannes wist dat hij het concilie uit handen moest geven. Hij formuleert zorgvuldig. Het is duidelijk dat het wereldepiscopaat naar hem luistert en via dit publiek vele anderen binnen en buiten de Kerk.

5

Karim Schelkens, Van dualisme naar veelheid. Pleidooi voor een ‘katholieke’ lezing van het Tweede Vaticaans Concilie, verschijnt in Collationes 42 (2012). 6 Peter Hebblethwaite, Johannes XXIII. De paus van het concilie, Haarlem: Gottmer, 1984, 505-507.


3

In de openingstoespraak gaat paus Joannes eerst kort in op de betekenis van concilies voor de Kerk en op de wenselijkheid van dit concilie. “Op dit moment van de geschiedenis,” zo zegt hij en hij laat in zijn woorden doorschemeren dat er in de samenleving een nieuwe orde lijkt te komen, “moeten we veeleer oog hebben voor de geheimvolle plannen van de goddelijke Voorzienigheid” en niet alleen maar teruggang en onheil zien in de moderne tijd.7 Onderscheiden wat God voor ogen staat, bereidwillig gevolg geven aan de van boven komende impulsen van de Heilige Geest,8 dat is volgens Joannes XXIII de kernopdracht van het concilie. In de verte klinkt al het thema van de tekenen van de tijd door. 9 Deze kernopdracht vertaalt de paus vervolgens in een taak ten opzichte van de waarheid en een taak ten opzichte van de eenheid. Ten aanzien van de waarheid behelst deze taak twee opdrachten: bewaren en verkondigen. Bewaren betekent dat de Kerk enerzijds nooit mag afwijken van haar erfgoed. Anderzijds moet zij oog hebben voor het heden, voor nieuwe levensomstandigheden en levensvormen, voor nieuwe mogelijkheden tot apostolaat.10 Ook verkondigen heeft twee kanten.11 Het is enerzijds zuiver en onvervalst doorgeven van de leer of het erfgoed. Dat dient anderzijds op een manier te gebeuren die is aangepast aan onze tijd. Die manier betreft methode en formulering. “Want men moet onderscheid maken tussen het erfgoed zelf van het geloof ofwel de waarheden, die in onze heilige leer liggen vervat, en de wijze waarop deze waarheden worden geformuleerd, natuurlijk in dezelfde zin en met dezelfde betekenis.”12 Het is in verband met deze wijze van uiteenzetten van de leer dat de paus erop wijst dat het leergezag een pastoraal karakter heeft. Ook dwalingen moeten afgewezen worden. “In onze tijd bedient de bruid van Christus zich liever van het geneesmiddel van de barmhartigheid dan van de wapens van de gestrengheid. Zij meent aan de moderne behoeften te moeten voldoen meer door te wijzen op de kracht van haar leer, dan door het uitspreken van veroordelingen.”13 De tweede taak van het concilie betreft de bevordering van de eenheid: de onderlinge eenheid van de katholieken die gehandhaafd moet blijven, de zichtbare eenheid van alle christenen waarvan het herstel bevorderd mag worden, en een eenheid ten slotte in waardering en respect van de kant van de Kerk voor mensen met een andere godsdienst.14 Dit alles staat in de toespraak in een zendingsperspectief. God wil immers dat alle mensen gered worden en tot kennis van de waarheid komen (1 Tm 2,4). Tegen het eind van zijn toespraak herneemt paus Joannes dan ook het door hem geliefde beeld van het licht. Hij doet dat in een citaat van de kerkvader en martelaar Cyprianus van Carthago (±210-258): 7

Joannes XXIII, Gaudet Mater Ecclesia, in La grande aspettazione. Radioboodschap paus Joannes XXIII van 11 september 1962 tot de gelovigen van heel de wereld als voorbereiding op het Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie en andere documenten september-december 1962, Vertaald door M.H. Mulders C.ss.R. en J. Kahmann C.ss.R. (Ecclesia docens), Hilversum: Gooi & Sticht, 1964, 30-31. 8 Joannes XXIII, Gaudet Mater Ecclesia, 44: “ut supernis Spiritus Sancti impulsionibus prompte obsecuti”. “die bereidwillig gehoor wilt geven aan de inspraken van de van de Heilige Geest,” vertaalden Mulders en Kahmann destijds. 9 Jan Jacobs, De dynamiek van een conciliair concept, in Martin Hoondert, Jan Jacobs, Franck Ploum (red.), Visioenen van het Tweede Vaticaans Concilie, Heeswijk: Uitgeverij Abdij van Berne, 2012, 61-70. 10 Joannes XXIII, Gaudet Mater Ecclesia, 34-35. 11 Joannes XXIII, Gaudet Mater Ecclesia, 38-39. 12 Joannes XXIII, Gaudet Mater Ecclesia, 39. 13 Joannes XXIII, Gaudet Mater Ecclesia, 40. 14 Joannes XXIII, Gaudet Mater Ecclesia, 42.


4

“De Kerk, omgeven met het licht van de Heer, straalt uit over heel de wereld. Toch is het éénzelfde licht, dat zich overal verspreidt, zonder dat de eenheid van het lichaam verbroken wordt. Zij breidt in grote vruchtbaarheid haar takken uit over heel de aarde en doet haar rijke stromen steeds breder vloeien. Toch is er maar één hoofd, één oorsprong en één moeder, gezegend met overvloedige vruchtbaarheid. Uit haar worden wij geboren, met haar melk gevoed, door haar geest bezield.”15 Hier vangen we weer een glimp op van het visioen van Joannes XXIII: een Kerk, vernieuwd in Christus, in staat beter te zeggen en uit te stralen wie en wat zij is en te doen heeft, omwille van het heil en de eenheid van alle mensen. 2. Een vernieuwingsconcilie ‘Vernieuwing’ mag dan een centrale term op de agenda van het concilie geweest zijn, maar hoe sprak het concilie zelf over vernieuwing en op welke manier heeft het aan deze opdracht vorm gegeven? Die vragen helpen mijns inziens om zicht te krijgen op het concilie als geheel en dat helpt weer om te bepalen wat het ongebruikte tegoed van het concilie is. Het concilie gebruikt vier zelfstandige naamwoorden en daarmee corresponderende werkwoorden voor ‘vernieuwing’: purificatio/purificare, reformatio/reformare, innovatio/innovare en renovatio/renovare.16 Van die termen wordt renovatio/renovare het meest gebruikt (65 keer). Met de andere termen is het concilie minder scheutig.17 Innovatio wordt gebruikt in verband met vernieuwingen in de kerkstructuur (SC 23, CD 24 en 32, AG 24) of in de economie (GS 64 en 66). Het zelfstandig naamwoord reformatio, ‘hervorming’, wordt slechts twee keer met het oog op de Kerk gebruikt (UR 4 en 6), een verwijzing naar de zestiende-eeuwse Hervorming (UR 13) niet meegerekend, waarvan één keer hand in hand met renovatio (UR 4), en voor de rest slechts met betrekking tot het sociaal-economisch leven (GS 63, 65, 71). Het meest pregnant spreekt het concilie zich uit in nummer 6 van het Decreet over het oecumenisme. “Iedere vernieuwing van de Kerk bestaat wezenlijk in het vergroten van de trouw aan haar eigen roeping.” Interessant is dat woorden als ‘trouw’ en ‘roeping’ een verband leggen tussen oorsprong en opdracht, tussen verleden en toekomst. De Kerk wordt continu tot vernieuwing en hervorming geroepen, vervolgt dat nummer, omdat onder invloed van de tijd op het gebied van de moraal, de kerkelijke discipline of de formulering van de leer iets “minder nauwkeurig” (minus accurate) bewaard kan zijn en op een geschikt moment, juist en behoorlijk hersteld moet worden. Het decreet spreekt over renovatio en reformatio als een werk (opus). Men maakt een krachtig begin ermee, als allen zich bezinnen op hun trouw aan de wil van Christus omtrent de Kerk (UR 4). Het concilie zegt dit in oecumenisch verband. Wat het daar zegt, slaat echter niet alleen op andere kerken en 15

Joannes XXIII, Gaudet Mater Ecclesia, 43. De paus citeert uit De Catholicae Ecclesiae Unitate, 5. Zie: Peter De Mey, Church Renewal and Reform in the Documents of Vatican II: History, Theology, Terminology, in The Jurist 71 (2011) 369-400; Henk Witte, Reform with the Help of Juxtapositions: A Challenge to the Interpretation of the Documents of Vatican II, in The Jurist 71 (2011) 20-34 en H. Witte, De vernieuwingsmethodiek van Vaticanum II als sleutel tot het Concilie, in Communio 36 (2011) 163-172. 17 Purificatio/purificare 14 keer (waarvan drie keer – LG 15, GS 21 en 43 – in combinatie met renovcatio/renovare), innovatio/innovare 6 keer en reformatio/reformare ook 9 keer. Zie de betreffende termen in Xaverius Ochoa, Index verborum cum documentis Concilii Vaticani Secundi, Roma: Commentarium pro Religiosis, 1967. 16


5

kerkelijke gemeenschappen, maar ook op de Katholieke Kerk. Deze bezinning gaat allen aan. Het is een innerlijke tocht – dat is niet per definitie een individuele tocht – gericht op Christus en geleid door de Heilige Geest, leidend tot bekering (UR 7). In verband met vernieuwing noemt het concilie vaak de Geest. Hij wordt gezien als degene die de Kerk door de kracht van het Evangelie steeds weer jong maakt, voortdurend vernieuwt en met Christus verenigt (LG 4). De vernieuwingsintentie van het concilie kreeg in de discussies en de teksten gestalte in de vorm van juxtaposities. Juxtapositie wijst op het naast elkaar plaatsen van elementen uit verschillende referentiekaders of denkkaders. In het geval van Vaticanum II kunnen we een ‘oud’ en een ‘vernieuwend’ kader onderscheiden. Het ‘oude’ kader was de kerkelijke en theologische horizon, waarin de meeste bisschoppen waren opgegroeid en opgevoed. Dat was de contrareformatorische en ultramontaanse kerkformatie en de neoscholastieke theologie. Voor hen was dat gewoon ‘de ongebroken traditie’ van de Kerk door de eeuwen heen. In feite was het echter, zoals het in de theologie wel genoemd wordt, ‘de korte traditie’ vanwege de contrareformatorische en negentiende-eeuwse restauratieve accenten ervan. Vernieuwende elementen waren in de decennia vóór het concilie gevonden door herbronning in de Schrift, de oude kerk, bij de kerkvaders en in de dertiende-eeuwse hoogscholastiek, maar ook in het concreet verkeren met andere christenen. Zij verwezen veeleer naar de ‘lange traditie’. Beide kaders hadden hun aanhangers onder de bisschoppen. De verhouding tussen hen brengen we sociologisch tot uitdrukking in termen als ‘minderheid’ en ‘meerderheid’. Door de juxtapositie van beide kaders trachtte het concilie traditie met traditie te vernieuwen. Juxtaposities zijn dan ook overal te vinden: in toespraken en discussies tijdens het concilie, in en tussen teksten en documenten, in de verhouding tussen discussie en tekst. Kardinaal Léger, aartsbisschop van Montréal, bijvoorbeeld, was een meester in deze techniek. In zijn toespraken doet hij eerst een beroep op de bekende horizon van de concilievaders om vervolgens subtiel iets nieuws te introduceren. Zo bijvoorbeeld in zijn voorstel om niet alleen in een houding van liefde en waarheid, maar ook in nederigheid de goddelijke mysteries te onderzoeken in contacten met andere christenen, aldus een al te possessieve omgang met de waarheid bestrijdend.18 Op zinsniveau leidden juxtaposities tot zinsconstructies waarin een hoofdzin met een bijzin werd verbonden met behulp van concessieve voegwoorden als ‘hoewel’ (licet, quamvis) of ‘evenwel’ (autem, tamen). De hoofdzin bevatte dan veelal de vernieuwingsuitspraak, de bijzin een vertrouwd en bekend gegeven. Zo kreeg de beoogde vernieuwing concreet vorm. Een goed voorbeeld van een juxtapositie is de zin uit Lumen gentium 10 waarin de verhouding tussen het gewijde ambt en het gemeenschappelijk priesterschap van alle gelovigen ter sprake komt. “Het gemeenschappelijk priesterschap van de gelovigen en het ambtelijk of hiërarchisch priesterschap, hoewel zij wezenlijk en niet alleen gradueel van elkaar verschillen, zijn niettemin op elkaar aangewezen; het ene en het andere immers deelt op zijn bijzondere wijze in Christus’ priesterschap.” De hoofdzin zegt dat gemeenschappelijk priesterschap en ambtelijk priesterschap op elkaar gericht staan (ad invicem tamen ordinantur). Dat is het vernieuwingselement in de uitspraak van het concilie. De opmerking 18

Acta synodalia Vat. II, II, VI, 10-12.


6

in de bijzin over hun wezenlijk verschil komt uit de encycliek Mediator Dei van paus Pius XII uit 1947, een document uit de ‘korte traditie’. Hetzelfde is het geval waar het concilie zegt wat het onder leken verstaat in Lumen gentium 31. De tekst begint met het oude referentiekader, waarin leken negatief worden omschreven als de gelovigen die niet tot de stand van de clerici behoren. “Onder de naam ‘leken’ verstaan wij hier alle christengelovigen buiten de leden van de gewijde orde en de door de Kerk erkende religieuze stand …”. Dan volgt een tweede helft waarin hun doopsel als uitgangspunt genomen is, een besef dat in de jaren ’50 door onder anderen Yves Congar naar voren gebracht was in zijn reflecties op de grondslag van apostolische activiteit van leken de Katholieke Actie.19 De verbinding is in dit geval explicatief: namelijk (scilicet): “de christengelovigen namelijk die, door het doopsel in Christus ingelijfd, tot volk van God geconstitueerd en aan het priesterlijk, profetisch en koninklijk ambt van Christus op hun eigen wijze deelachtig, voor hun deel de zending van het hele christenvolk in de Kerk en in de wereld uitoefenen.” Op deze wijze gaf Vaticanum II vorm aan zijn vernieuwingsintentie. Juxtapositie mag men beschouwen als een methodische sleutel tot het geheel van het concilie. Het is een gestalte van het katholieke ‘én .. én’, verscheidenheid insluitende eenheid. Zo vernieuwen katholieken in tegenstelling tot protestanten, die eerder tot ‘óf … óf’, tot hervorming of vervanging van het oude door het nieuwe, neigen. Juxtapositie kan ook als sleutel tot het ongebruikte tegoed begrepen worden. Maar dan moet wel eerst de vraag gesteld worden hoe wij om moeten gaan met juxtaposities. 3. Hoe om te gaan met juxtaposities? Juxtaposities werpen namelijk hun schaduw vooruit. Ze brengen elementen uit verschillende kaders samen. Dat is lang niet altijd spanningsvrij. In de periode na het concilie hebben ze dan ook tot polarisatie geleid, waarbij aanhangers van verschillende richtingen in de Kerk zich op concilieteksten beriepen met nadruk op het element van hun voorkeur en verwaarlozing van het element dat hen niet of minder aanstond. Dat leidde tot een typische ‘ja, maar’-communicatie. Men investeert dan vooral in het eigen standpunt. Dat van de ander wordt met een subtiel ‘ja’, dat eigenlijk ‘nee’ betekent, voor kennisgeving aangenomen, maar er wordt niet echt in geïnvesteerd. Maar er is nog iets gaande. Ook de context spreekt een woordje mee. En die veranderde. Een van de gevolgen daarvan is een omkering van juxtapositionele verhoudingen. De hoofdzin van het concilie wordt dan bijzin en de bijzin hoofdzin. Dat was bijvoorbeeld het geval met de uitspraak over de verhouding van gemeenschappelijk en ambtelijk priesterschap. Zo’n vijftien jaar na het concilie ging de kerkelijke leiding, in ons land en in Rome – denk aan de Bijzondere Synode van de Nederlandse bisschoppen in Rome in januari 1980 –, hameren op het wezenlijk verschil tussen gewijd en niet gewijd, terwijl de boodschap van het gericht zijn op elkaar van beide gestalten van deelname in het priesterschap van Christus naar de achtergrond verschoof.20 Is een dergelijke omkering van 19

Yves M.-J. Congar, Jalons pour une théologie du laïcat (Unam sanctam 23), Paris: Du Cerf, 1953. Henk Witte, The Local Bishop and Lay Pastoral Workers: A Newly Created Function in the Church and Its Impact on Episcopal Collegiality, in The Jurist 69 (2009) 84-115. 20


7

een juxtapositionele verhouding dan ontrouw aan het concilie? Zoals gezegd spreekt de context mee. Die context was vijftien jaar na Vaticanum II een context waarin sprake was van een priestertekort en niet langer van een priesteroverschot en van een aanzienlijk aantal leken in pastorale functies, iets wat in de tijd van het concilie nog ondenkbaar was. De omgang met juxtaposities confronteert opnieuw met de vraag naar de conciliehermeneutiek: hoe moet men ze verstaan en interpreteren? In de reflectie op Vaticanum II zijn en worden ze vaak verstaan als compromissen, soms ter zake en geslaagd, soms als een inhoudelijk contradictoir pluralisme, soms als vorm van uitstel.21 Deze interpretatie maakt van het concilie echter een kwestie van onderhandelingen tussen partijen, van kerkpolitiek. Ook na het concilie is dit kerkpolitieke zicht op het concilie nog volop levend, als gaat het om een strijd tussen twee partijen van wie er op den duur één moet winnen. Zeker, er is op het concilie onderhandeld en zelfs gemanipuleerd omwille van een zo groot mogelijke consensus in de eindresultaten. Maar onderhandelen was niet de macrotaaldaad van het concilie. Dat was, zoals paus Joannes XXII de vaders voorhield, “oog hebben voor de geheimvolle plannen van de goddelijke Voorzienigheid” ofwel onderscheiden wat de Geest ingaf met het oog op de verwerkelijking van de zending van de Kerk in deze tijd. Binnen die macrotaaldaad van het onderscheiden was onderhandelen eerder een niet onbelangrijke microtaaldaad. Een concilie is primair een geloofsgebeuren en niet primair een politiek gebeuren. Dat impliceert voor het verstaan van het concilie dat de elementen die in juxtaposities bijeen gebracht zijn, ook bijeen gehouden moeten worden. Ze zijn om zo te zeggen allebei waar. Als Lumen gentium in nummer 8 zegt dat de Kerk van Christus zich bevindt in de Katholieke Kerk en in dezelfde zin eraan toevoegt dat buiten haar schoot meerdere elementen van heiligheid en waarheid gevonden worden, dan gaat het er niet om de Katholieke Kerk te relativeren en te stellen dat ook in haar slechts elementen van waarheid en heiligheid te vinden zijn. Dan gaat het er evenmin om de aanwezigheid van die elementen in andere kerken en kerkelijke gemeenschappen te ontkennen en de Katholieke Kerk als enige die beantwoordt aan Christus’ bedoeling naar voren te halen. Het gaat erom de waarheid van beide uitspraken tot gelding te brengen. Dat wil zeggen: in de ruimte te gaan staan die ze beide geven, ze op elkaar te betrekken, zonder echter de grenzen die ze verwoorden te overschrijden. Is dat niet de ruimte waarin de Geest creatief kan zijn in ons? Waarom bijvoorbeeld zouden we andere kerken en kerkelijke gemeenschappen niet betrekken bij de zoektocht naar waarheid en de juiste en passende formulering ervan? Zo onthullen juxtaposities een wellicht onvermoed tegoed. 4. Leken in Kerk en wereld Ten slotte wil ik nog kort iets zeggen over de positie en de taak van leken in Kerk en wereld. Want ook daar komen we juxtapositionele spanningen tegen. Eigenlijk zijn dat er twee: een met betrekking tot de leken en een met betrekking tot de verhouding van Kerk en wereld. 21

Max Seckler, “Über den Kompromiß in Sachen der Lehre,” in idem, In Spannungsfeld von Wissenschaft und Lehre: Theologie als schöpferische Auslegung der Wirklichkeit (Freiburg: Herder, 1980) 99-103, 212-215; Otto Hermann Pesch, Das Zweite Vatikanische Konzil (1962-1965): Vorgeschichte Verlauf – Ergebnisse – 2 Nachgeschichte (Würzburg: Echter, 1994 ) 151-154; Ormond Rush, Still Interpreting Vatican II. Some Hermeneutical Principles, New York/Mahwah, 2004.


8

Eerst die met betrekking tot de leken. We hebben al gezien dat het concilie twee gronden aanvoert voor het verschil tussen priesters en leken: een standsverschil en een sacramenteel verschil. Een deelaspect van het behoren tot de geestelijke of de laïcale stand betreft het werkterrein en de leefsituatie van beide standen. “De leken is een seculiere karaktertrek bijzonder eigen”, terwijl gewijden zich beroepshalve vooral met “het heilig dienstwerk” bezighouden. Het eigen werkterrein van leken betreft dan ook het zoeken en behartigen wat God wil in wat het concilie “tijdelijke zaken” noemt (LG 31). Het is in het bijzonder hun roeping om “de Kerk werkdadig aanwezig te doen zijn in die plaatsen en omstandigheden waarin zij door hen alleen het zout van de aarde kan worden” (LG 33). Dit laatste weerspiegelt de ervaringen uit de Katholieke Actie eind negentiende – begin twintigste eeuw: leken als verlengde arm van de hiërarchie daar waar een ‘zwartrok’ niet welkom was. Maar, zegt het concilie, leken kunnen ook geroepen worden meer onmiddellijk met de hiërarchie mee te werken en functies in de Kerk te vervullen. Hier gaat het sacramentele verschil tussen wie gedoopt is en wie ook gewijd is, een rol spelen. Als deze activiteit van leken in de Kerk echter te omvangrijk, te beslissend of te autonoom wordt, kan en zal teruggrepen worden op hun betrokkenheid op het wereldlijke domein dat vervolgens ook meteen prescriptief wordt geduid in plaats van descriptief perspectief, zoals het concilie voor ogen had. De tweede juxtapositie betreft de verhouding van Kerk en wereld. Vanuit het antagonisme tussen Kerk en wereld in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw had de Kerk een tegelijkertijd sterk weerhoudende en sterk zendende houding ontwikkeld ten opzichte van de samenleving en de mensheid. Zij had Gods openbaring ontvangen. Het ging erom die ongeschonden te bewaren en te verspreiden. In het concilie ontwikkelt de Kerk ook een ontvangende houding. Alleen al het “in” in de titel van de ‘Pastorale constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd’ getuigt van de vaardigheid zichzelf ook vanuit een buitenperspectief waar te nemen en ter sprake te brengen. De Kerk heeft niet alleen de mensen (GS 41), de samenleving (GS 42) en de wereld (GS 43) het nodige te bieden, maar zij heeft ook veel ontvangen in het verleden en ontvangt nog veel in het heden. “Ja, de Kerk bekent zelfs, dat zij juist uit de tegenstand van hen die haar vijandig zijn of haar vervolgen veel voordeel heeft kunnen putten en dit nog steeds kan.” (GS 44) Neemt men de nieuwe positionering van leken in de Kerk en haar zowel gevende als ontvangende attitude in haar relatie tot de wereld samen, dan is het specifiek voor leken niet alleen de boodschap van het Evangelie in allerlei aspecten van het leven in de wereld te doen doordringen, maar ook de vele aspecten van het leven in de wereld in de Kerk te doen doordringen. “Zo gelooft de Kerk, via haar ledematen afzonderlijk en via haar gemeenschap als totaliteit, er veel toe te kunnen bijdragen om de mensheid en haar geschiedenis meer menselijk te maken.” Dat staat in Gaudium et spes nummer 40. Het past in het verlengde van het visioen van Joannes XXIII.

Het visoen van Joannes XXIII. 50 jaar Tweede Vaticaans Concilie: het ongebruikte tegoed  

Henk Witte, Tilburg School of Catholic Theology

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you