Page 1

Een maandelijkse uitgave van Voka vzw | Verschijnt niet in juli en augustus | Jaargang 3- april 2019 Koningsstraat 154-158, 1000 Brussel P912687

VOKA

PAPER APRIL 2019

L WE A VRA T

ONDERNEMINGEN STUTTEN DE WELVAARTSSTAAT Wat ondernemingen écht bijdragen aan de overheid


WE

ONDERNEMINGEN STUTTEN DE WELVAARTSSTAAT INHOUD

Ondernemingen stutten de welvaartsstaat Wat ondernemingen écht bijdragen aan de overheid De essentie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5 Evolutie toegevoegde waarde ondernemingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6 Toegevoegde waarde ondernemingen traditioneel verdeeld . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11 Toegevoegde waarde ondernemingen alternatief verdeeld . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14 Opsplitsing netto toegevoegde waarde . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17 Geraadpleegde werken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23

colofon Voka-kenniscentrum Niko Demeester | Secretaris-generaal Bart Van Craeynest | Hoofdeconoom Sonja Teughels | Arbeidsmarkt Veronique Leroy | Arbeidsmarkt en arbeidsverhouding Jonas De Raeve | Onderwijs Goedele Sannen | Mobiliteit en logistiek Ellen Vanassche | Milieu en klimaat Klaas Nijs | Energie en klimaat Steven Betz | Ruimtelijke ordening en milieu Karl Collaerts | Fiscaliteit en begroting Pieter Van Herck | Welzijns- en gezondheidsbeleid Gilles Suply | EU en internationaal ondernemen

2 VOKA PAPER APRIL 2019

Eindredactie Sandy Panis, Katrien Stragier, Zoë Vandekerckhove Foto’s Dann en Shutterstock Vormgeving Capone Druk INNI Group, Heule

‘Ondernemingen stutten de welvaartsstaat’ is een brochure van Voka, Vlaams netwerk van ondernemingen. De overname of het citeren van tekst uit deze Voka Paper wordt aangemoedigd, mits bronvermelding. Verantwoordelijke uitgever Hans Maertens i.o.v. Voka vzw Burgemeester Callewaertlaan 6 - 8810 Lichtervelde info@voka.be - www.voka.be


E

VOKA.BE

De essentie Ondernemingen vormen veruit de belangrijkste bron van onze welvaartsgroei. Volgens de nationale rekeningen genereren ze iets meer dan 60 procent van de totale bruto toegevoegde waarde. Zonder bloeiende ondernemingen dus geen bloeiende economie.

H

et voorbije decennium stond die wel­ vaartsmotor echter onder druk. On­ dernemingen groeiden tussen 2007 en 2014 beduidend minder sterk dan de overheid. De belastingdruk en de begrotings­ tekorten stegen dan ook fors. Dit financierings­ model was niet houdbaar. In 2014 werd de steven gewend. De groei van de overheid werd ingeperkt tot gemiddeld 0,5 procent per jaar tussen 2014 en 2017. Tegelijk trok de ondernemingsdynamiek gelukkig terug aan, tot gemiddeld 2,1 procent per jaar. De voorbije drie jaar waren ondernemingen weer de groeimotor die ze de 7 jaar daarvoor niet waren. Maar waarom is het abstracte concept ‘toege­ voegde waarde’ van belang? Omdat die toege­ voegde waarde inkomen genereert voor al wie bijdraagt aan de totstandkoming ervan: de me­ dewerkers en de financiers (aandeelhouders, ban­ ken, ...). Zonder creatie van toegevoegde waarde is er geen inkomen. In jaren van laagconjunctuur stijgt het loonaandeel wat omdat de loonsom dan

“Ondernemingen vormen veruit de belangrijkste bron van onze welvaartsgroei.”

in verhouding minder snel daalt dan de winsten. In hoogconjunctuur – zoals de voorbije jaren – zien we de tegenovergestelde evolutie. Maar trendmatig is het loonaandeel sinds het begin van deze eeuw vrij stabiel gebleven. Tenminste indien je de toegevoegde waarde corrigeert voor de afschrijvingen op investeringen. Die stegen de voorbije decennia fors. Een belangrijke ver­ klaring hiervoor vormt de toegenomen digitali­ sering van onze economie. Die gaat ook gepaard met gemiddeld kortere afschrijvingstermijnen. Uitgedrukt in procent van de netto toegevoegde waarde – na correctie dus voor afschrijvingen – ligt het loonaandeel bijna drie keer zo hoog als het aandeel van de financiers. Het is dus niet zo dat werknemers een steeds kleiner deel van de koek ontvangen. De toegevoegde waarde zorgt boven­ dien voor duurzame inkomsten om de werking van de overheid te financie­ ren. In strikte zin gaat het daarbij om werkgeversbijdragen, vennootschaps­ belasting en resultaatsonafhankelijke belastingen. Samen goed voor bijna een kwart van de waarde die on­ dernemingen jaarlijks cre­ ëren. Dat is een zeer aan­ zienlijke bijdrage: in zeven van negen vergelijkbare benchmarklanden ligt dit aandeel lager. In vergelij­ king met de gemiddelde bijdrage in die landen droe­ gen onze ondernemingen in 2017 ongeveer 5 miljard meer af aan de overheid . ➜

WIE? Structurele partner:

KARL COLLAERTS Senior adviseur fiscaliteit en begroting

karl.collaerts@voka.be Karl Collaerts volgt op het Voka-kenniscentrum dossiers op rond begroting en fiscaliteit.

APRIL 2019 VOKA PAPER 3


ONDERNEMINGEN STUTTEN DE WELVAARTSSTAAT DE ESSENTIE

Bovendien houden ondernemingen ook bedrijfs­ voorheffing en werknemersbijdragen af van het brutoloon van hun werknemers. Inclusief deze bijdragen staan ondernemingen gemiddeld iets meer dan 42 procent van hun netto toegevoegde waarde jaarlijks af ter financiering van collec­ tieve goederen en diensten. Er gaat met andere woorden meer naartoe dan naar de nettovergoe­ dingen van werknemers (36,4 procent). De finan­ ciers ten slotte ontvangen gemiddeld een vijfde van de waardecreatie, dus veel minder dan de werknemers en de overheid. Die collectieve bijdrage is vrij geconcentreerd. De honderd vennootschappen die het meest belastingen bijdragen vertegenwoordigen iets meer dan een kwart van de totale bijdrage van de vennootschappen die een volledig jaarrekening­ schema indienen. Het illustreert dat grote ondernemingen een significante maatschap­ pelijke bijdrage leveren. In termen van toege­ voegde waardecreatie en tewerkstelling, maar ook als verschaffer van collectieve bijdragen. Om Churchill te parafraseren: in plaats van ze te beschouwen als koeien die gemolken moeten worden waarderen we ze beter als paarden die de kar trekken. Hoe evolueerden deze verschillende ‘bestedin­ gen’ van de netto toegevoegde waarde de voor­ bije jaren? Daartoe analyseerden we de jaarre­ keningen van de niet-financiële ondernemingen met een volledig jaarrekeningschema in de pe­ riode 2010-2017. Deze relatieve verhoudingen zijn tussen 2010 en 2017 niet fundamenteel gewijzigd. Ondernemin­ gen dragen momenteel dus niet fundamenteel minder belastingen af en het winstaandeel ligt niet fundamenteel hoger dan in 2010. De dynamiek in de tussenliggende jaren leert dat de gemiddelde belastingdruk met bijna 2 procentpunt steeg tussen 2010 en 2015. In 2016 is echter een duidelijke daling zichtbaar: we stel­ den een afname van het aandeel van de werk­ geversbijdragen en de bedrijfsvoorheffing vast. Het positieve gevolg van de eerste fase van de taxshift op de lastendruk op arbeid is hier zicht­ baar. In 2017 steeg de globale lastendruk echter opnieuw licht. Een tijdelijk effect – versnelde voorafbetalingen in de vennootschapsbelasting – vormt hier een gedeeltelijke verklaring voor. Maar ook structureel is de vennootschapsbelas­ ting de voorbije jaren sterk gestegen. Opvallend is ook dat het aandeel van de vennootschapsbe­ lasting in de toegevoegde waarde in vergelijk­ bare landen lager ligt.

4 VOKA PAPER APRIL 2019

Figuur 6: Grootste gedeelte toegevoegde waarde ondernemingen wordt afgestaan aan de overheid Opsplitsing netto toegevoegde waarde niet-financiële ondernemingen, in % netto toegevoegde waarde, 2017

1,9%

1,9%

19,4%

19,4%

42,3% 42,3%

36,4%

36,4%

Belastingen en bijdragen (42,3%) Nettovergoeding werknemers (36,4%) Interest en toevoegde winst (19,4%) Diverse bedrijfskosten (1,9%) Belastingen

en bijdragen (42,3%)

Nettovergoeding werknemers (36,4%)

Bron: berekeningen op basis van Bel-First databank

Interest en toevoegde winst (19,4%) Diverse bedrijfskosten (1,9%)

Het aandeel van de nettoverloningen steeg daar­ entegen licht tussen 2010 en 2014. Logisch, want het operationele bedrijfsresultaat daalt in een periode van laagconjunctuur immers fors door de verslechtering van de bedrijfsresultaten, ter­ wijl de loonsom veel minder daalt. In 2015 daalde het gemiddelde aandeel van de nettoverloningen echter met 1 procentpunt. Wellicht het gevolg van de loonmatiging, in combinatie met de in­ dexsprong. De voorbij twee jaar neemt het aan­ deel weer licht toe door de aanzienlijke jobgroei. Het aandeel van de interestlasten daalde de voorbije zeven jaar in overeenstemming met de systematische daling van de marktrente. Tussen 2010 en 2012/2013 stond de rendabiliteit van de vennootschappen duidelijk onder druk, wat zich vertaalde in een afkalvend aandeel van de toe­ gevoegde winst in de waardecreatie. Sindsdien stellen we een heropleving vast die in 2017 wel­ iswaar aan kracht inboette. Voor de doorsnee on­ derneming lag het aandeel van de toegevoegde winst in 2017 echter niet hoger dan in 2010. Dit nuanceert het verhaal van de excessieve winsten van ondernemingen in sterke mate.


VOKA.BE

Inleiding Hoeveel dragen ondernemingen bij ter financiering van collectieve goederen en diensten? Regelmatig wordt het beeld gecreëerd en versterkt dat die bijdrage beperkt is. Dat blijkt dan bijvoorbeeld uit fiscale analyses van bepaalde individuele vennootschappen. Het resultaat daarvan wordt vervolgens in de communicatie (impliciet) veralgemeend naar alle ondernemingen.

I

ndividuele analyses van vennootschappen bieden het voordeel van de herkenbaarheid. Iedereen kent Apple of Ikea. Ze zijn goed in beeld te brengen. Dergelijke analyses kennen echter ook nadelen. De focus ligt vaak enkel op de vennootschapsbelasting. Die belangrijke taks bevat weliswaar het woord ‘vennootschap’, maar dit verdoezelt dat ondernemingen daarnaast nog tal van andere belastingen en bijdragen betalen. Vaak focussen lijstjes ook op één jaar. Maar zeker de vennootschapsbelasting kan van jaar tot jaar sterk fluctueren, net zoals de winstbestanddelen van de onderneming. Tot slot bestaat de verlei­ ding om te focussen op één of enkele groeps­ vennootschappen. Zeker grote ondernemingen kennen echter vaak heel wat vennootschappen, ieder met een of meerdere specifieke functies: operationeel, financiering, ….

Om veralgemeningen op basis van specifieke be­ drijfscases te vermijden, onderzoekt deze paper op een systematische wijze hoeveel bedrijven afstaan aan de overheid, de werknemers en de financiers. We onderzochten de totale bijdrage van de niet-financiële ondernemingen op basis van twee bronnen: top-down op basis van de na­ tionale rekeningen en bottom-up op basis van alle jaarrekeningen van vennootschappen met een volledig schema. Voor die laatste analyse de­ den we een beroep op de Bel-First databank van Bureau Van Dijck.

“In veel analyses ligt de focus enkel op de vennootschapsbelas­ ting, maar ondernemingen betalen nog tal van andere belastingen en bijdragen.” Inkomens moeten eerst verdiend worden. De verdiencapaciteit van een onderneming meten we via haar gecreëerde toegevoegde waarde. Het eerste hoofdstuk beschrijft de evolutie daarvan in het voorbije decennium op basis van de natio­

nale rekeningen. Deze bron laat toe om ook een vergelijking te maken met de buurlanden: dragen onze ondernemingen meer of minder bij aan de groei van de welvaart dan in andere landen? Het tweede hoofdstuk zoemt dan vervolgens die­ per in op de verdeling van die waardecreatie. De klassieke verdeling tussen werknemers en finan­ ciers komt daarbij eerst aan bod. We bekijken die evolutie sinds het begin van deze eeuw. Deze klassieke verdeling houdt er geen rekening mee dat een deel van de gegenereerde welvaart niet naar werknemers en financiers vloeit, maar dient om collectieve goederen en diensten te fi­ nancieren. Het derde hoofdstuk gaat daar – nog steeds op basis van de nationale rekeningen – dieper op in. We werpen tevens een blik op de bijdrage in vergelijkbare economieën. De opsplitsing van de ingehouden bedrijfsvoor­ heffing en werknemersbijdragen vinden we niet terug in de nationale rekeningen van de nietfinanciële ondernemingen. Dit zijn echter ook belangrijke bijdragen ter financiering van collec­ tieve voorzieningen. Zoals de nettoverloningen komen ze slechts tot stand door waardecreatie binnen de ondernemingen. Het laatste hoofdstuk leidt die totale bijdrage af aan de hand van een doorlichting van de jaarrekeningen. We bespre­ ken de evolutie ervan in de periode 2010-2017.

APRIL 2019 VOKA PAPER 5


ONDERNEMINGEN STUTTEN DE WELVAARTSSTAAT EVOLUTIE TOEGEVOEGDE WAARDE

AL

1. Evolutie toegevoegde waarde ondernemingen Het Belgische bbp bedroeg in 2017 ongeveer 440 miljard euro. Ondernemingen droegen daar voor 61 procent aan bij. Daarmee zijn ze een noodzakelijke groeimotor. De jaren dat ze dat niet waren, liep het mis.

D

e nationale rekeningen drukken de wel­ vaartscreatie in een land cijfermatig uit via het bruto binnenlands product (bbp). Het is de som van alle toegevoegde waarde gere­ aliseerd op het grondgebied van een land op jaar­ basis. De toegevoegde waarde van een onderne­ ming bereken je door van haar productiewaarde de kosten van bij derden aangekochte goederen en diensten in mindering te brengen. De natio­ nale rekeningen onderscheiden vier bronnen van toegevoegde waarde: ondernemingen uiteraard, maar ook de overheid, de huishoudens en de nonprofitinstellingen. Ondernemingen zijn entitei­ ten met rechtspersoonlijkheid die op een markt verhandelbare goederen en diensten produceren aan economisch betekenisvolle prijzen.1

6 VOKA PAPER APRIL 2019

61%

Ondernemingen droegen in 2017 61 procent bij aan het bbp in België.

In 2017 bedroeg het Belgische bbp ongeveer 440 miljard euro. Ondernemingen droegen daar voor 61 procent aan bij: 243,7 miljard (55,5 procent) via de bijdrage van niet-financiële ondernemingen; 24,7 miljard (5,6 procent) via financiële onderne­ mingen.2 Beduidend kleinere bijdragen komen van in­ stellingen die behoren tot de overheidsperime­ ter (63 miljard of 14,3 procent), huishoudens en zelfstandigen 3 (57 miljard of 13 procent) en de non-profitinstellingen die diensten leveren aan huishoudens (3,6 miljard of 0,8 procent). De sa­ menstellers van de nationale rekeningen kunnen tot slot 47,2 miljard (10,7 procent) niet toewijzen aan een van deze sectoren4 (figuur 1).


AL

Ondernemingen zijn dus in potentie veruit de belangrijkste motor van welvaartsgroei. Dat inzicht neemt nog toe als we er wat langer bij stilstaan. Een groot gedeelte van de toegevoegde waardecreatie van ondernemingen wordt im­ mers afgeroomd door de fiscus ter financiering van publieke diensten (daarover later meer). Ter financiering dus van de waardecreatie door de overheidssector in de grafiek. Die bestaat inder­ daad in hoofdzaak uit lonen van ambtenaren. Het belang van voldoende groei in de onderne­ mingssector is dus duidelijk. Zonder die groei komt onder meer de duurzame financiering van de collectieve goederen in het gedrang. Dus stelt zich de vraag: groeide de toegevoegde waarde van ondernemingen de voorbije jaren sterker dan het bbp?

VOKA.BE

Figuur 1: Ondernemingen grootste groeimotor van het bbp Opsplitsing bbp naar sector, 2017, in % bbp

0,8% 10,7%

13,0% 0,8%

55,5%

10,7%

“Als ondernemingen niet genoeg groeien komt de financiering van de collectieve goederen in het gedrang.”

14,3%

13,0%

55,5% 14,3%

5,6% 5,6%

Tussen 2007 en 2017 groeide het bbp met gemid­ deld slechts 1 procent per jaar in reële termen. De Niet-financiële ondernemignen (55,5%) Financiële ondernemingen (5,6%) toegevoegde waarde van niet-financiële onder­ Overheid (14,3%) Huishoudens (13%) nemingen nam gemiddeld ook slechts met 0,9 Niet-financiële ondernemignen (55,5%) Niet sectoraal Financiële ondernemingen (5, Non-profitinstellingen ten ingedeeld (10,7%) procent per jaar toe. Die groei wordt weliswaar behoeve van huishoudens (0,8%) Overheid (14,3%) Huishoudens (13%) licht opwaarts herzien (tot gemiddeld 1,1 procent) Non-profitinstellingen ten Niet sectoraal ingedeeld (10,7 indien we ook rekening houden met de herop­ Bron: berekeningen op basis van Eurostat levende dynamiek in de financiële sector na de behoeve van huishoudens (0,8%) crisis van 2007/2008. Het voorbije decennium groeide de toegevoegde waarde in de overheids­ sector beduidend sterker, met gemiddeld 1,5 pro­ Groeimotor cent per jaar. Die verschillende groeidynamiek zette druk op het financieringsmodel van de Een opsplitsing per deelperiode toont grote ver­ overheid, wat zich in deze periode in concreto schillen aan. Tussen 2007 en 2014 voerde België ook vertaalde in een hogere belastingdruk en een anticyclisch beleid: de overheid groeide met grotere begrotingstekorten. gemiddeld 2 procent per jaar. Ondernemingen

1.

2. 3. 4.

De omzet moet minimaal 50 procent van de productiekosten dekken. Entiteiten met een aparte rechtspersoonlijkheid die begrensde exploitatiesubsidies ontvangen kunnen dus ‘ondernemingen’ zijn. Ook entiteiten waarin de overheid een kapitaalparticipatie nam – zoals bijvoorbeeld Proximus of Belfius – zijn duidelijk ondernemingen. Indien de omzet echter minder dan 50 procent van de productiekosten bedraagt, wordt de entiteit ingedeeld bij ‘de overheid’. Dat geldt bijvoorbeeld voor De Lijn. Financiële ondernemingen zijn de klassieke banken, maar ook verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen. De nationale rekeningen tellen hier de virtuele huuropbrengst van woningen bij op. Het is onmogelijk het bedrijfsvermogen van een zelfstandige af te zonderen van zijn privévermogen. Vandaar dat de nationale rekeningen de toegevoegde waarde van huishoudens en zelfstandigen samenvoegt. De bruto toegevoegde waarde per entiteit is steeds uitgedrukt in basisprijzen. Dat wil zeggen zonder rekening te houden met het verschil tussen productgebonden belastingen, zoals btw, en productgebonden subsidies. Om het bbp af te leiden voegt men deze niet sectoraal opgesplitste component toe.

APRIL 2019 VOKA PAPER 7


ONDERNEMINGEN STUTTEN DE WELVAARTSSTAAT EVOLUTIE TOEGEVOEGDE WAARDE

ontbeerden echter zuurstof: hun jaarlijkse groei stokte en bleef beperkt tot 0,6 procent. De belas­ tingdruk en de begrotingstekorten stegen dan ook fors. Dit financieringsmodel was niet houd­ baar. In 2014 werd de steven gewend. De groei van de overheid werd ingeperkt tot gemiddeld 0,5 procent per jaar tussen 2014 en 2017. Tegelijk trok de ondernemingsdynamiek terug aan, tot gemiddeld 2,1 procent per jaar. De noodzakelijke bezuiniging op de overheidswerking heeft de bbp-groei enigszins getemperd. Maar de ver­ sterkte ondernemingsgroei compenseerde dit ruimschoots. De voorbije drie jaar waren onder­ nemingen weer de groeimotor die ze de zeven jaar daarvoor niet waren.

“Een vlotte reallocatie van werknemers van minder naar meer productieve bedrijven en/of bedrijfstakken is productiviteitsen dus groeibevorderend.”

voorbije decennium blijven echter al bij al be­ perkt. Dat was beduidend minder het geval voor de ondernemingen in Duitsland: hun jaarlijkse groei lag met gemiddeld 1,4 procent bijna dub­ bel zo hoog.

Buurlanden Tussen 2007 en 2017 groeiden de Belgische nietfinanciële ondernemingen gemiddeld iets sneller (+0,9 procent) dan de Nederlandse1 (+0,7 procent) en de Franse (+0,8 procent). De verschillen in het

Tabel 1: Tussen 2007 en 2017 groeiden ondernemingen iets minder dan de overheid. De voorbije jaren is er een kentering (gemiddelde reële groei per jaar)

20072017

20072011

20112014

20142017

1%

0,7%

0,6%

1,7%

Ondernemingen

1,1%

0,8%

0,4%

2,1%

Waarvan niet-financiële ondernemingen

0,9%

0,4%

0,4%

2,1%

Overheid

1,5%

2,4%

1,4%

0,5%

Bbp

Bron: berekeningen op basis van Eurostat

Tabel 2: Niet-financiële ondernemingen

in Duitsland groeiden voorbije decennium beduidend sneller dan in België, Frankrijk en Nederland 20072017

20072011

20112014

20142017

België

0,9%

0,4%

0,4%

2,1%

Nederland

0,7%

-0,1%

0,0%

2,6%

Duitsland

1,4%

0,6%

1,1%

2,7%

Frankrijk

0,8%

0,1%

0,4%

2,1%

Bron: berekeningen op basis van Eurostat

8 VOKA PAPER APRIL 2019

De Duitse ondernemingen werden, gemiddeld gesproken, minder hard getroffen door de fi­ nanciële crisis. Hier valt vooral het verschil met Nederland op, waar tussen 2007 en 2014 geen ondernemingsgroei te noteren viel. De herop­ leving vond ook eerder plaats in Duitsland. De Nederlandse ondernemingen versnelden pas in de voorbije drie jaar, maar dan wel forser dan de Franse en Belgische. De mogelijke verklaringsgronden zijn divers. Zo slaagde de industrie er beter dan de markt­ diensten in productiviteitswinsten te boeken de voorbije 15 jaar. Een vaststelling die in de sterk geïndustrialiseerde Duitse kaart speelde. Een vlotte reallocatie van werknemers en fi­ nancieringsmiddelen van minder naar meer productieve bedrijven en/of bedrijfstakken is ook productiviteits- en dus groeibevorderend. Zo kunnen de beste bedrijven groeien terwijl de minder performante bedrijven krimpen. Het re­ latief aandeel zombiebedrijven2 ligt in België met 10 procent van de bedrijvenpopulatie beduidend hoger dan in Frankrijk (2 procent) en de Noordse landen (3 procent). De voorbije jaren zouden ver­ schuivingen op sectorniveau bij ons wel vlotter tot stand komen.3 Een nadere evaluatie van deze verklaringsgronden valt buiten de scope van deze paper. Bruto en netto Het concept bruto toegevoegde waarde is niet gecorrigeerd voor afschrijvingen op het machi­ nepark en gebouwen, voorzieningen voor du­ bieuze vorderingen of waardeverminderingen van activa. Dit zijn geraamde kosten die niet tot uiting komen in de kasboekhouding. Na correc­ tie hiervoor bekomen we de netto toegevoegde waarde. 4 Dit kasconcept wordt ‘verdeeld’ tussen wernemers en financiers.


VOKA.BE

Tabel 3 geeft de afleiding van de netto toege­ voegde waarde van de niet-financiële onderne­ mingen in 2017 (laatst beschikbare jaar) weer. We vertrekken van de productiewaarde (692,9 miljard). Daarvan is 680,2 miljard bestemd om te verkopen aan derde partijen. De overige 12,7 miljard diende voor eigen gebruik, bijvoorbeeld als interne bedrijfssoftware. De aankopen bij derde partijen (grondstoffen, halfafgewerkte fabricaten, nutsvoorzieningen, huur gebouwen, …) – de intermediaire consumptie – is goed voor 449,3 miljard. Door ze bij de productiewaarde in mindering te brengen bekomen we de bruto toegevoegde waarde (243,6 miljard). Afschrijvin­ gen, voorzieningen en waardevermindering – de consumptie van de kapitaalvoorraad – worden geraamd op 50,4 miljard. De netto toegevoegde waarde van de niet-financiële ondernemingen bedroeg aldus 193,2 miljard euro, iets minder dan 30 procent van de productiewaarde.

Tabel 3: De netto toegevoegde waarde van

de niet-financiële ondernemingen bedroeg in 2017 193,2 miljard In miljard

In % productie waarde

Productiewaarde

692,9

100 %

Waarvan te verkopen op de markt

680,2

98,2%

12,7

1,8%

Intermediaire consumptie (-)

449,3

64,8%

Bruto toegevoegde waarde

243,6

35,2%

Consumptie kapitaalvoorraad (-)

50,4

7,3%

Netto toegevoegde waarde

193,2

27,9%

Waarvan geproduceerd voor eigen verbruik

Bron: berekeningen op basis van Eurostat

De netto toegevoegde waarde is voor een onder­ nemingsanalyse veel relevanter dan de produc­ tiewaarde. We lichten dat toe aan de hand van een voorbeeld (zie kader op volgende pagina).

1. 2. 3. 4.

Er zijn bij het ter perse gaan van deze paper nog geen sectorgegevens over 2018 beschikbaar. De sterke Nederlandse groei vorig jaar doet ons vermoeden dat deze conclusie zal wijzigen. Dat zijn bedrijven van minstens 10 jaar oud waarvan de bedrijfswinst gedurende op zijn minst 3 opeenvolgende jaren niet volstond om de financiële lasten te dekken (OESO-definitie). Zie ook ‘De vertraging van de productiviteit: bevindingen en poging tot verklaring’, NBB, december 2018. Beide kengetallen zijn uitgedrukt in basisprijzen. Dat wil zeggen dat de aftrekbare btw op de productie er niet in vervat is.

APRIL 2019 VOKA PAPER 9


ONDERNEMINGEN STUTTEN DE WELVAARTSSTAAT EVOLUTIE TOEGEVOEGDE WAARDE

Toegevoegde waarde relevanter dan productiewaarde

De productiewaarde is niet gelijk aan de toegevoegde waarde. Die twee begrippen worden nochtans vaak door elkaar gehas­ peld. Het verschil illustreren we daarom via een voorbeeld. Een Belgische ‘geïntegreerde’ pastapro­ ducent produceert zowel pasta als vlees, een belangrijk ingrediënt van de pasta. De jaarproductie bedraagt 10 miljoen euro. Zijn Franse concurrent produceert daarentegen enkel pasta (10 miljoen euro). Zijn vlees koopt hij – in tegenstelling tot zijn Belgische concurrent – aan bij een binnenlandse leverancier voor 3 miljoen euro. De Belgische en Franse pastaprodu­ centen produceren dezelfde pastahoeveel­ heid tegen dezelfde prijs. Toch bedraagt de totale Belgische productie 10 miljoen euro, terwijl de totale Franse productie 13 miljoen euro bedraagt. De reden? Een andere bedrijfsstructuur. België kent één geïntegreerde pastaproducent, Frankrijk twee onafhankelijke ondernemingen die met elkaar handel voeren. Door externe

10 VOKA PAPER APRIL 2019

De toegevoegde waarde is gelijk aan de verkoopswaarde min de waarde van de aangekochte goederen/diensten.

RT

handel ontstaat een dubbeltelling: de pro­ ductie van het vlees wordt in Frankrijk tweemaal geteld. Het concept toegevoegde waarde lost dit meetprobleem op. De toegevoegde waarde is immers gelijk aan de verkoopswaarde min de waarde van de aangekochte goe­ deren/diensten. Voor de Franse pastapro­ ducent bedraagt de toegevoegde waarde dus 7 miljoen euro: 10 miljoen euro pro­ ductiewaarde - 3 miljoen euro aangekocht vlees. Door daarbij de toegevoegde waarde van de onafhankelijke vleesverwerkende toeleverancier (3 miljoen euro) te tellen, bekomen we de totale Franse toegevoegde waarde: 10 miljoen euro. Net als in België. We meten de ‘bijdrage’ van een individu­ ele onderneming aan de welvaartscreatie dus best in ‘toegevoegde waarde’-termen. Dat is de waarde toegevoegd bovenop de bijdrage van grondstoffenleveranciers, fabrikanten van halffabricaten en dienst­ verleners.


VOKA.BE

2. Toegevoegde waarde ondernemingen traditioneel verdeeld De netto toegevoegde waarde wordt ‘verdeeld’ onder de twee productiefactoren die actief hebben bijgedragen aan de totstandkoming van de productie. Die verdeling neemt klassiek de vorm aan van een vergoeding voor werknemers (arbeid) en financiers (kapitaal). Het loonaandeel blijft daarbij stabiel.

I

n 2017 besteedden niet-financiële vennoot­ schappen bijna 150 miljard euro aan loonkos­ ten. Het aandeel lonen bedroeg zo ongeveer 76 procent van de netto toegevoegde waarde. Het netto operationeel surplus – de graadmeter die de operationele rendabiliteit meet – bedroeg 54,5 miljard.1 Resultaatsonafhankelijke belastin­ gen zoals de onroerende voorheffing en lokale taksen waren goed voor 3,3 miljard.2 Bepaalde niet-financiële ondernemingen genoten produc­ tiegebonden subsidies, goed voor in totaal 12 mil­ jard euro. Het gaat enerzijds om loonsubsidies (kortingen op de door te storten bedrijfsvoorhef­ fing, specifieke doelgroepverminderingen, …) en anderzijds ontvangen geldsommen (exploitatie­ subsidies aan de NMBS/Infrabel3, ondersteuning dienstenchequebedrijven). 4 Het loon- en kapitaalaandeel fluctueert sterk in functie van de stand van de conjunctuur. In slechte tijden neemt het loonaandeel paradoxaal genoeg toe. Het geaggregeerde operationele be­ drijfsresultaat daalt dan immers fors door de toename van het aantal verlieslatende onderne­ mingen. De loonsom daarentegen daalt veel min­ der. Heel wat werknemers verliezen weliswaar hun job, maar de meerderheid ziet het bedrag op zijn maandelijks loonbriefje stijgen a rato van de loonindexatie. Ter illustratie: de financiële crisis (2007-2009) ging gepaard met een forse krimp van het netto operationele resultaat van 44,6 mil­ 1.

2.

3. 4.

Tabel 4: Zo’n driekwart van de netto

toegevoegde waarde gaat naar verloningen werknemers (2017)

In miljard

In % productie waarde

Netto toegevoegde waarde

193,2

100 %

Verloningen werknemers

147,4

76,3%

Netto operationeel surplus

54,5

28,2%

Resultaatsonafhankelijke belastingen

3,3

1,7 %

Productiegebonden subsidies (-)

12

6,2%

Bron: berekeningen op basis van Eurostat

jard naar 34,8 miljard (-22 procent). Daar staat tegenover dat de loonsom licht steeg van 114,8 miljard naar 121,1 miljard (+5,5 procent). Gevolg: het loonaandeel nam in die jaren aanzienlijk toe.

Deze graadmeter voor de operationele rendabiliteit van een onderneming mag niet verward worden met de winst voor belasting zoals die blijkt uit de boekhouding van de onderneming. Zo bevat het operationeel surplus geen componenten van het financieel en uitzonderlijk resultaat. Vandaar dat in dit surplus de nationale rekeningen de term operationeel surplus hanteren in plaats van winst. De vennootschapsbelasting is in dit surplus vervat. De nationale rekeningen hebben het over “productiegebonden belastingen”. Die term kan de indruk wekken dat deze belastingen fluctueren in functie van de geproduceerde hoeveelheid. Dit klopt echter niet. Het zijn in feite resultaatsonafhankelijke belastingen. Denk aan de onroerende voorheffing, de lokale taksen of specifieke sectorale taksen. De aftrekbare btw is hierin dus niet vervat. In de rest van de paper hanteren we de term resultaatsonafhankelijke belastingen. De nationale rekeningen delen de NMBS/Infrabel in bij de “niet-financiële ondernemingen”, dus niet bij de overheid. Vandaar dat de exploitatiesubsidies aan de NMBS/Infrabel (ongeveer 1,5 miljard euro) hier ook opgenomen zijn. Met name tussen 2005 en 2011 nam de omvang van de productiesubsidies sterk toe: de toenmalige regeringen opteerden eerder voor subsidies dan voor een lineaire lastenverlaging om de torenhoge lastendruk op arbeid te verlagen.

APRIL 2019 VOKA PAPER 11


ONDERNEMINGEN STUTTEN DE WELVAARTSSTAAT TRADITIONELE VERDELING

De omgekeerde tendens zien we dan uiteraard in goede tijden. Meer bedrijven worden winstgevend en de winstgevendheid van de al rendabele bedrijven neemt toe. De combinatie van die twee factoren zet een turbo op het globale netto operationele resultaat. Ondernemingen werven tevens werknemers aan waardoor ook de loonsom toeneemt. Die stijging is echter proportioneel minder sterk. Tussen 2015 en 2017 steeg het netto operationele resultaat bijvoorbeeld van 47,9 miljard naar 54,5 miljard (+13,9 procent). De loonsom daarentegen steeg in die periode van 139,8 miljard naar 147,4 miljard (+5,5 procent). Met een toenemend kapitaalaandeel als resultaat. Een evaluatie van de evolutie van het loon- en kapitaalaandeel vergt dus een voldoende lange tijdshorizon om de conjuncturele invloed uit te vlakken. Vandaar dat figuur 2 – in tegenstelling tot de rest van de paper – de evolutie vanaf het begin van deze eeuw beschrijft. Dit laat toe om een trendmatig loonaandeel weer te geven. Sinds het begin van de eeuw bleef dit in procent van de netto toegevoegde waarde vrij constant in België.

“Het loon- en kapitaalaandeel fluctueert sterk in functie van de stand van de conjunctuur.”

12 VOKA PAPER APRIL 2019

De stand van de conjunctuur verklaart wellicht mede waarom het effectieve loonaandeel in 2017 twee procentpunt lager lag dan de trend. Dit zal wellicht tijdelijk zijn: we kunnen verwachten dat bij de komende afkoeling van de economische activiteit het loonaandeel weer zal stijgen.


VOKA.BE

Figuur 2: Sinds het begin van de eeuw bleef het loonaandeel in België vrij stabiel… Loonaandeel in procent netto toegevoegde waarde 82% 80% 78% 76% 74% 72% 70%

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

Bron: Berekeningen op basis van Eurostat

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Figuur 3: ...terwijl een gelijkaardige statistiek

een trendmatige daling van het loonaandeel laat zien

Loonaandeel in procent bruto toegevoegde waarde 65% 64% 63% 62% 61% 60% 59% 58% 57%

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

Bron: Berekeningen op basis van Eurostat

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

De vaststelling van een stabiel loonaandeel blijkt echter niet op basis van een licht andere statistiek. Hierbij relateert men de verloningen aan de bruto toegevoegde waarde in plaats van aan de netto toegevoegde waarde. Figuur 3 maakt in één oogopslag duidelijk dat het loonaandeel nu wel trendmatig daalt, van 63,1 procent in 2000 tot 60,5 procent in 2017. Kunnen we hier dan niet de conclusie aan koppelen dat de werknemers ook in België hun ‘fair share’ in de welvaartscreatie zien afbrokkelen ten nadele van de kapitaalbezitters? Nee, want een vergelijking van figuur 2 en 3 brengt een minder spectaculair antwoord aan het licht, namelijk het verschil tussen netto en

“Het is niet zo dat de financiers een groter deel van de welvaarts­ koek hebben opgestreken. Werknemers blijven een stabiel deel ontvangen.” 1.

bruto toegevoegde waarde. Zoals toegelicht in het eerste hoofdstuk zit dat verschil in de afschrijvingen en waardeverminderingen op de vaste activa. Die zijn de voorbije decennia duidelijk gestegen: van 25,3 miljard in 2000 (18,3 procent van de bruto toegevoegde waarde) naar 50,4 miljard in 2017 (20,7 procent van de bruto toegevoegde waarde). Die gestage groei houdt volgens de NBB onder meer verband met de groei van het aandeel digitale en IT-activa in de kapitaalvoorraad sinds het midden van de jaren negentig.1 Vermits die activa een minder lange levensduur hebben dan andere activa nam ook de gemiddelde afschrijvingsgraad op de kapitaalvoorraad toe. De hogere afschrijvingen op investeringen verklaren dus waarom het loonaandeel in de bruto toegevoegde waarde gedaald is. Het is niet zo dat de financiers van ondernemingen een groter deel van de koek hebben opgestreken. Als we het loonaandeel correct berekenen, namelijk als het trendmatig procent in de netto toegevoegde waarde, blijven werknemers wel degelijk een stabiel deel van de welvaartskoek ontvangen.

Baugnet en De Keyser (2015), “Winstmarges van de ondernemingen: recente ontwikkeling tegen de achtergrond van een lage inflatie.”

APRIL 2019 VOKA PAPER 13


E

ONDERNEMINGEN STUTTEN DE WELVAARTSSTAAT TOEGEVOEGDE WAARDE ALTERNATIEF VERDEELD

3. Toegevoegde waarde van ondernemingen alternatief verdeeld Een overheid die focust op de efficiënte en rechtszekere invulling van haar kerntaken (veiligheid, infrastructuur, onderwijs, …) versterkt het ondernemingsklimaat. Dat is voor bedrijven onontbeerlijk om succesvol te kunnen ondernemen. Het is dus gewettigd dat de overheid ter financiering hiervan ook aanspraak maakt op een deel van de waardecreatie door ondernemingen. De overheid oefent die claim uit via verplichte bijdragen en belastingen.

V

aak worden deze bijdragen verengd tot de vennootschapsbelasting. Wellicht omdat deze belasting het woord ‘vennootschap’ bevat. Maar ondernemingen betalen daarnaast ook tal van andere taksen en bijdragen. De re­ keningen van de niet-financiële ondernemingen bevatten – spijtig genoeg – niet het volledige overzicht van al die individuele belastingen. Wel een globalisering in drie belangrijke categorieën: werkgeversbijdragen op de betaalde brutolonen, 14 VOKA PAPER APRIL 2019

de vennootschapsbelasting op het resultaat en resultaatsonafhankelijke taksen zoals de on­ roerende voorheffing en lokale belastingen.1 We brengen daarbij de ontvangen productiegebon­ den subsidies in mindering. Zo bekomen we de ondernemingsbijdragen in strikte zin. In 2017 bedroeg die collectieve bijdrage van de niet-financiële ondernemingen in België 42,2 miljard euro. Goed voor 21,8 procent van hun net­


VOKA.BE

Figuur 4: Ondernemingen in België dragen

beduidend meer af aan de overheid dan in vergelijkbare landen1

Een netto bijdrage van iets meer dan een vijfde van de geproduceerde toegevoegde waarde is ui­ teraard zeer aanzienlijk. Het is alleszins meer dan wat overblijft voor de financiers – verschaffers van eigen en vreemd vermogen – na vennoot­ schapsbelasting (20,6 procent van de netto toe­ gevoegde waarde). De ‘juiste’ prijs voor collectie­ ve dienstverlening valt echter niet te becijferen. Die is immers afhankelijk van de geambieerde collectieve doelstellingen en van de ideologi­ sche overtuigingen om die doelen te realiseren. Onder meer in de ‘Waar voor je geld’-index van Voka stellen we vast dat de overheidsuitgaven zeer hoog zijn, maar de overheidsinstellingen slechts gemiddeld scoren op doeltreffendheid.2 Er bestaat dus nog veel ruimte tot verbetering. En ook een vergelijkende macro-economische analyse leidt tot de conclusie dat de niet-finan­ ciële ondernemingen in ons land een zeer bedui­ dende bijdrage leveren: in zeven van de negen benchmarklanden ligt de bijdrage van onderne­ mingen aan de overheid (aanzienlijk) lager (figuur 4). De (ongewogen) gemiddelde bijdrage in deze

1.

2.

27,8%

28,3%

Frankrijk

19,0%

Oostenrijk

19,3%

18,4%

17,9%

UK

Zwitserland

17,4%

10%

8,8%

15%

5%

België

Nederland

0% Denemarken

“Uit de ‘Waar voor je geld’-index van Voka blijkt dat de overheids­ uitgaven zeer hoog zijn, maar de overheidsin­ stellingen slechts gemiddeld scoren op doeltreffendheid.”

16,1%

20%

Finland

25%

21,8%

30%

Zweden

Aandeel ondernemingsbijdragen in strikte zin, in procent netto toegevoegde waarde, 2017*

Duitsland

to toegevoegde waarde. Hoe is die samengesteld? De werkgeversbijdragen blijven met 36,2 miljard euro de belangrijkste kostenpost. Aan vennoot­ schapsbelasting waren de niet-financiële onder­ nemingen in dat jaar 14,7 miljard euro kwijt. De resultaatsonafhankelijke belastingen leverden onze overheden 3,3 miljard op. We brengen hier­ bij tot slot de productiegebonden subsidies aan niet-financiële ondernemingen (12 miljard euro) in mindering. Zo bekomen we de netto bijdrage.

Bron: berekeningen op basis van Eurostat, * cijfer Zwitserland 2015

1.

Opvallend in de grafiek is het aanzienlijke verschil in bijdragedruk met Denemarken, Frankrijk en Zweden. Gedeeltelijk houdt dit verschil verband met een andere visie over de financiering van met name de sociale zekerheid in die landen. De Deense sociale zekerheid wordt quasi volledig gefinancierd vanuit de personenbelasting en btw, amper via bijdragen door de werkgever. Frankrijk daarentegen leunt net in sterke mate op werkgeversbijdragen ter financiering van zijn sociale zekerheid. Ook de resultaatsonafhankelijke belastingen liggen er zeer hoog. Dat laatste geldt ook voor Zweden. Een nadere analyse van de verschillen tussen de parafiscale stelsels vormt niet de focus van deze paper.

landen bedroeg in 2017 19,2 procent van de netto toegevoegde waarde. De lastendruk van onze niet-financiële ondernemingen lag in vergelij­ king daarmee dus 5 miljard hoger. Opvallend is overigens ook dat het aandeel van de vennootschapsbelasting met 7,6 procent van de netto toegevoegde waarde nergens anders zo hoog lag als in België. Gedeeltelijk komt dit door de versnelde voorafbetalingen in 2017. Maar ook in de jaren daarvoor lag die bijdrage al hoger dan in de andere benchmarklanden. Dit wijst in de richting van een relatief hoog gemiddeld effec­ tief tarief.

De nationale rekeningen registreren retributies zoals de kilometerheffing voor vrachtwagens niet als een ‘productiegebonden belasting’, maar als een vergoeding voor een gepresteerde dienst. Deze bijdrage is dus niet vervat in de toegevoegde waarde, vermits ze onderdeel uitmaakt van de intermediaire consumptie. De facto is dit wel een gewestbelasting. De ‘productiegebonden belastingen’ vormen dus nog een onderschatting. Zie bijvoorbeeld Voka Paper, ‘Evaluatie van de Vlaamse en federale regering’, januari 2019.

APRIL 2019 VOKA PAPER 15


ONDERNEMINGEN STUTTEN DE WELVAARTSSTAAT TOEGEVOEGDE WAARDE ALTERNATIEF VERDEELD

Sinds het begin van de eeuw hebben opeenvol­ gende federale regeringen de zeer hoge bijdrage­ druk op arbeid verminderd. Via de invoering en verhoging van loonsubsidies voor specifieke ac­ tiviteiten (vooral in de periode 2005 - 2011) en via een lineaire verlaging van de werkgeversbijdra­ gen voor alle ondernemingen (de voorbije jaren). Vooral daardoor daalde de globale bijdragedruk van niet-financiële ondernemingen met 2,2 pro­ centpunt in vergelijking met het begin van deze eeuw. Ook in onze buurlanden en Finland ligt de belastingdruk voor ondernemingen nu lager dan in het begin van de eeuw. Realiteit De analyse tot nu was macro-economisch. Ze verschaft een globaal beeld van de productie per sector en de verdeling ervan tussen de werkne­ mers, de financiers en de overheid. Achter dit globale plaatje schuilt echter een complexe en diverse bedrijfsrealiteit. Zo is niet elke onder­ neming evenveel vennootschapsbelasting ver­ schuldigd; de winstgevendheid kan immers ook sterk verschillen. En industriële ondernemingen gaan wellicht meer gebukt onder de druk van (veelal lokale) resultaatsonafhankelijke belastin­ gen dan het globale plaatje laat uitschijnen.

16 VOKA PAPER APRIL 2019

“Industriële ondernemingen gaan vaak meer gebukt onder de druk van (veelal lokale) resultaatson­ afhankelijke belastingen dan het globale plaatje laat uitschijnen.”

De analyse op basis van de nationale rekenin­ gen laat ook niet toe om het volledige scala aan belastingen vervat in de toegevoegde waarde van ondernemingen af te leiden. Vanuit de toe­ gevoegde waarde puurt de overheid immers ook nog de werknemersbijdragen en de bedrijfsvoor­ heffing, twee heffingen afgehouden van het bru­ toloon van werknemers. Informatie daarover is nochtans onontbeerlijk om de volledige bijdrage ter financiering van collectieve voorzieningen te kennen. Vandaar dat we op basis van de jaarrekeningen van individuele ondernemingen ook deze com­ ponenten in het volgende hoofdstuk trachten af te leiden.


VOKA.BE

4. Opsplitsing netto toegevoegde waarde In dit hoofdstuk leiden we op basis van de jaarrekeningen van individuele ondernemingen het volledige scala aan belastingen vervat in de toegevoegde waarde van ondernemingen af. Daarin zitten ook de werknemersbijdragen en de bedrijfsvoorheffing. Uit de analyse blijkt onder meer dat de overheid gemiddeld gesproken iets meer dan 40 procent van hun waardecreatie afroomt ter financiering van collectieve goederen en diensten.

O

ndernemingen moeten in de regel een globale jaarrekening indienen. Een jaar­ rekening dus die het volledige financiële plaatje verschaft aan aandeelhouders en stake­ holders. De meeste internationaal opererende ondernemingen beperken hun consolidatie dan ook niet tot hun Belgische vennootschappen. Ook de resultaten van buitenlandse vennootschappen zijn erin vervat. Representatief Wie louter focust op Belgische resultaten en kengetallen dient zich te baseren op de jaarre­ keningen van de individuele (groeps)vennoot­ schappen. Alle vennootschappen in België zijn verplicht om uiterlijk zeven maanden na afslui­ ting van het boekjaar hun jaarrekening neer te leggen bij de Balanscentrale van de Nationale Bank. Grote vennootschappen moeten een volle­ dig jaarrekeningschema indienen. Dat bevat veel meer detailinformatie dan het verkorte schema waaraan kleine vennootschappen gebonden zijn. Onder meer over de verschuldigde belastingen en bijdragen. Zo bevat het volledige schema in te­ genstelling tot de verkorte versie informatie over de werkgeversbijdragen, de ingehouden bedrijfs­ voorheffing en meer gedetailleerde informatie over de verschuldigde vennootschapsbelasting op het resultaat van het inkomstenjaar zelf. Van­ daar dat we onze analyse van de jaarrekeningen toespitsen op de vennootschappen met een vol­ ledig jaarrekeningschema.

70%

De bruto toegevoegde waarde van de onderzochte ondernemingen bedroeg ongeveer 70% van de totale bruto toegevoegde waarde van de niet-financiële ondernemingen.

In het kaderstuk op pagina 18 leest u hoe we de onderzochte populatie jaarrekeningen met een volledig jaarrekeningenschema voor de periode 2010-2017 hebben afgeleid. Het ging in 2017 om 12.415 niet-financiële ondernemingen, bij be­ nadering 10 procent van het totaal aantal nietfinanciële ondernemingen met minstens één personeelslid.1 Gezamenlijk realiseerden deze vennootschap­ pen een tewerkstelling van afgerond 1,17 miljoen werknemers (in voltijds equivalenten). Dat is bij benadering twee derde van de totale populatie werknemers bij de niet-financiële ondernemin­ gen. 2 Hun totale bruto toegevoegde waarde bedroeg 131 miljard 3 , ongeveer 70 procent van de totale bruto toegevoegde waarde van de nietfinanciële ondernemingen. Het is dus duidelijk dat de vennootschappen met een volledig jaarre­ keningenschema veruit het grootste deel van zo­ wel de tewerkstelling als de toegevoegde waarde realiseren (tabel 5). 1. 2.

3.

Volgens de NBB (2018) waren er in 2016 ongeveer 120.000 ondernemingen met minimaal 1 voltijds equivalent (VTE). Volgens de NBB (2018) bedroeg het totaal aantal VTE’s in de populatie niet-financiële ondernemingen – dus inclusief de kleine ondernemingen - 1,78 miljoen. De NBB (2018) raamde de totale bruto toegevoegde waarde van de niet-financiële ondernemingen (na correcties) in 2016 op 184,7 miljard. Dit is inclusief de toegevoegde waarde van de vennootschappen die rapporteren volgens het verkort schema.

Tabel 5: Beschrijving populatie vennootschappen met volledig jaarrekeningenschema (2017) Aantal vennootschappen

Tewerkstelling (VTE), in miljoen

Bruto toegevoegde waarde (in miljard)

Netto toegevoegde waarde (in miljard)

Onderzochte populatie

12.415

1,17

131

106,2

In % niet-financiële ondernemingen met minimaal 1 VTE

+/- 10 %

66 %

71 %

71 %

Bron: berekeningen op basis van Bel-First

APRIL 2019 VOKA PAPER 17


ONDERNEMINGEN STUTTEN DE WELVAARTSSTAAT OPSPLITSING NETTO TOEGEVOEGDE WAARDE

De mediaan vennootschap in deze gecorrigeerde populatie stelde in 2017 27 voltijds equivalenten tewerk, realiseerde een omzet van 12,3 miljoen en een bruto toegevoegde waarde van 2,6 miljoen. De steekproef bevat dus een goede mix van zowel grote als kleine vennootschappen.

Afleiding populatie niet-financiële ondernemingen met volledig jaarrekeningschema

Conform de analyse van de nationale rekeningen focus­ sen we ook in de doorlichting van de jaarrekeningen op de niet-financiële ondernemingen (S11). Het zijn eenheden met rechtspersoonlijkheid die op een markt verhandelbare, nietfinanciële goederen of diensten vervaardigen.

Belastingen en bijdragen In 2017 roomden belastingen en sociale bijdragen gemiddeld 42,3 procent van de netto toegevoeg­ de waarde van deze ondernemingen af.3 Het aan­ deel bedrijfsbelastingen in strikte zin bedroeg daarvan 25 procentpunt. Het betreft de som van de patronale bijdragen, de vennootschapsbelas­ ting en de overige bedrijfsbelastingen, vermin­ derd met de ontvangen exploitatiesubsidies. De analyse op basis van de nationale rekeningen in de vorige paragraaf schatte dit aandeel iets lager in. 4 Daarenboven houden vennootschappen ook de bedrijfsvoorheffing en de werknemersbijdra­ gen in op het brutoloon van hun werknemers. In 2017 samen goed voor gemiddeld 17,4 procent van hun netto toegevoegde waarde.

We hebben wel enkele aanpassingen aangebracht aan deze indeling, conform de methodologie gehanteerd door de Na­ tionale Bank in haar jaarlijkse bespreking van de financiële resultaten van de niet-financiële rekeningen.1 Meer bepaald werden volgende niet-financiële ondernemingen – die dus wel vervat zijn in de nationale rekeningen – niet mee op­ genomen in de analyse: •

• •

Niet-financiële ondernemingen gecontroleerd door de overheid die voorkomen op de lijst van ‘publieke eenheden’ opgesteld door het Instituut voor de Nati­ onale Rekeningen (INR).2 Deze vennootschappen on­ derscheiden zich immers van marktspelers door een specifieke regelgeving, een andere prijsbepaling, sub­ sidiëring en/of een specifiek maatschappelijk doel. Het gaat met name om openbare vervoersmaatschappijen, elektriciteits-, gas- en watermaatschappijen (Publilec, Sibelga, Eandis, ...), openbare netwerk- en infrastruc­ tuurbeheerders (Brussels South, de Vlaamse Waterweg, Interkabel Vlaanderen, …), sociale huisvestingsmaat­ schappijen (Waasse Landmaatschappij, Eigen Haard, …), economische ontwikkelingsmaatschappijen (CIPAL, PMV, …), de Nationale Loterij, … We maken daarbij een uitzondering voor de vennootschappen uit de Proxi­ musgroep, bpost en Sonaca, omdat zij opereren op een concurrentiële markt. Financiële vennootschappen, ingedeeld in de NACEcodes 64 tot en met 66 (bijvoorbeeld holdings, verze­ keringsmaatschappijen, …). Entiteiten die nauw aanleunen bij het openbaar be­ stuur, onderwijs en gezondheidszorg (NACE-codes 84-88).

Figuur 5: Arbeidsgerelateerde belastingen en bijdragen vormen drie kwart van afdrachten aan overheid Aandeel belastingen en bijdragen vervat in de netto toegevoegde waarde van ondernemingen, uitgedrukt in % totaal belastingen en bijdragen, 2017

14,9% 14,9%

31,9% 14,9%

26,2%

Daarenboven sloten we ook de vennootschappen zonder werknemers uit waardoor loutere immobiliënvennoot­ schappen en trading companies niet mee vervat zijn. 26,2% Zo bekomen we een gecorrigeerde populatie van niet-finan­ ciële vennootschappen met een volledig jaarrekeningsche­ ma. We leidden deze populatie af voor de jaren 2010-2017.

31,9%

31,9%

26,2%

15,4% 15,4%

11,8%

11,8%

15,4% 11,8%

Werkgeversbijdragen (31,9%) De populatie in een bepaald jaar bevat steeds alle vennoot­ Vennootschapsbelasting (15,4%) schappen die hun boekjaar afsloten in dat jaar. Ze bevat dus Bedrijfsbelastingen & taksen (11,8%) Werkgeversbijdragen (31,9%) ook vennootschappen met een gebroken boekjaar die hun Werkgeversbijdragen (31,9%) Ingehouden bedrijfsvoorheffing (26,2%) Vennootschapsbelasting (15,4%) jaarrekening afsloten in de loop van dat jaar. Vennootschapsbelasting (15,4%) Werknemersbijdragen (14,9%) Bedrijfsbelastingen & taksenBedrijfsbelastingen (11,8%)

& taksen (11,8%)

Bron: berekeningen op basis van Bel-First databank

18 VOKA PAPER APRIL 2019

Ingehouden bedrijfsvoorheffing (26,2%) Werknemersbijdragen (14,9%)

Ingehouden bedrijfsvoorheffing (26,2% Werknemersbijdragen (14,9%)


VOKA.BE

Arbeidsgerelateerde belastingen en bijdragen (werkgeversbijdragen, ingehouden bedrijfs­ voorheffing en werknemersbijdragen) wegen zwaar door. Ze vertegenwoordigen gemiddeld 73 procent van de collectieve afdrachten. De ven­ nootschapsbelasting (15,3 procent) en de overige resultaatsonafhankelijke bedrijfsbelastingen en taksen (11,7 procent)5 zijn gemiddeld goed voor het overige vierde van de te betalen lasten. Deze relatieve aandelen verschillen uiteraard aan­ zienlijk tussen vennootschappen. Bijvoorbeeld in functie van hun graad van winstgevendheid, hun arbeidsintensiteit of de aard van hun acti­ viteit (figuur 5).

1. 2. 3. 4. 5.

“Arbeidsgerelateerde belastingen en bijdragen vertegenwoordigen gemiddeld 73 procent van de collectieve afdrachten.“

Zie voor een bespreking de bijlage bij het artikel ‘Recent verloop van de financiële resultaten en de sociale gegevens van niet-financiële ondernemingen’, NBB, december 2018. https://inr-icn.fgov.be/nl/publicatie/nationale-en-regionale-rekeningen We leiden dit verhoudingsgetal af van de ondernemingen uit de populatie met een positieve netto toegevoegde waarde. Dat waren er in 2017 11.918, of 96 procent van het totaal. Indien we ook de ondernemingen met een negatieve netto toegevoegde waarde meenemen klimt het gemiddelde aandeel tot 43,5 procent. Daarbij moet onder meer in rekening gebracht worden dat overheidsgerelateerde vennootschappen zoals de NMBS – die relatief veel productiegebonden subsidies ontvangen – in deze analyse niet mee vervat zijn. De nationale rekeningen delen heel wat van deze vennootschappen wel in als niet-financiële onderneming. Het relatief aandeel van deze resultaatsonafhankelijke bedrijfsbelastingen ligt hoger in industriële sectoren. De aard van hun activiteiten maakt dat deze ondernemingen grond- en ruimte-intensief zijn. Ze maken ook gebruik van motoren. Het zijn belastbare grondslagen die door lokale besturen met industriële activiteiten vaak in aanzienlijke mate belast worden. Ook vennootschappen in de subsector ‘vervaardiging van geraffineerde aardolieproducten’ kennen zeer hoge resultaatsonafhankelijke bedrijfsbelastingen. Dit houdt verband met de accijnzen op aardolieproducten.

APRIL 2019 VOKA PAPER 19


ONDERNEMINGEN STUTTEN DE WELVAARTSSTAAT OPSPLITSING NETTO TOEGEVOEGDE WAARDE

die zin worden de belastingen en bijdragen dus nog iets onderschat.

“De financiering van collectieve voorzieningen neemt de belangrijkste hap uit de waardecreatie van ondernemingen.” De financiering van collectieve voorzieningen neemt dus de belangrijkste hap uit de waardecre­ atie van ondernemingen. Er gaat meer naartoe dan naar nettovergoedingen van werknemers. Die volgen met gemiddeld 36,4 procent (figuur 6). Op verdere afstand volgt dan – steeds gemiddeld gesproken – de vergoeding voor het kapitaal: de som van de rentevergoedingen en de toegevoeg­ de winst. Gemiddeld 10,4 procent ging in 2017 naar ren­ tevergoedingen op leningen. Dit gemiddelde is weliswaar niet representatief voor de doorsnee vennootschap. Die laatste kende slechts een rentelast van 1,1 procent van haar toegevoegde waarde. Dit verschil duidt erop dat sommige vennootschappen die relatief veel toegevoegde waarde realiseren zich in sterke mate financieren met vreemd vermogen.1 De toegevoegde winst van de vennootschap is gelijk aan het resultaat van het boekjaar (na be­ lasting) na correcties voor uitzonderlijke en fi­ nanciële componenten.2 Die laatste componenten dragen immers niet bij tot de waardecreatie bin­ nen de vennootschap zelf. Dit bedrag kan gere­ serveerd en/of direct uitgekeerd worden aan de aandeelhouders. Het ging in 2017 om gemiddeld 9 procent van de netto toegevoegde waarde. Dit is representatief voor de doorsnee vennootschap (mediaan van 8,9 procent). Tot slot onderscheiden we nog een restcategorie ‘andere bedrijfskosten’, goed voor gemiddeld 1,8 procent van de netto toegevoegde waarde. Het gaat om een in de jaarrekening niet verder op­ gesplitste rubriek van diverse kosten zoals scha­ devergoedingen, giften en minderwaarden op de realisatie van vorderingen. In bepaalde nutson­ dernemingen weegt die laatste component rela­ tief zwaar door. We stelden ook vast dat onderne­ mingen hun milieuheffingen hier vaak boeken. In 1. 2. 3.

We stellen een aanzienlijke concentratie van de betaalde belastingen en bijdragen vast. De hon­ derd vennootschappen die in 2016 het meest af­ droegen – in euro’s – waren goed voor een totaal van 31,9 procent van wat alle vennootschappen met een volledig schema afdroegen. Dit aandeel wordt weliswaar sterk beïnvloed door enkele vennootschappen die geraffineerde aardoliepro­ ducten vervaardigen. Maar ook na uitzuivering daarvoor blijven de honderd meest afdragende vennootschappen goed voor een aandeel van ongeveer 27 procent van het totaal. Onze econo­ mie en overheidsfinanciën zijn dus duidelijk in belangrijke mate gebaat bij de bijdrage van deze grote ondernemingen.

Figuur 6: Grootste gedeelte toegevoegde waarde ondernemingen wordt afgestaan aan de overheid Opsplitsing netto toegevoegde waarde niet-financiële ondernemingen, in % netto toegevoegde waarde, 2017

1,9%

19,4% 1,9%

19,4%

42,3% 42,3%

36,4%

36,4%

Belastingen en bijdragen (42,3%) Nettovergoeding werknemers (36,4%) Interest en toevoegde winst (19,4%) Diverse bedrijfskosten (1,9%)

Belastingen en bijdragen (42,3%) Nettovergoeding werknemers (36,4%)

Bron: berekeningen op basis van Bel-First databank

Interest en toevoegde winst (19,4%) Diverse bedrijfskosten (1,9%)

Het gaat zowel om vennootschappen die ‘activiteiten van hoofdkantoren’ verrichten als om andere vennootschappen. Vermits we de verschuldigde rentevergoedingen al apart vermeldden brengen we die hier niet nogmaals in rekening. Opvallend is ook de trendmatige stijging van de ‘andere personeelskosten’. Tussen 2010 en 2017 steeg deze categorie van 3,4 procent tot 3,8 procent van de netto toegevoegde waarde. We vinden hier onder meer de werkgeversbijdragen voor maaltijd- en ecocheques terug. Deze stelsels van verloningen in natura zaten de voorbije jaren duidelijk in de lift.

20 VOKA PAPER APRIL 2019


VOKA.BE

Hoe evolueerden deze verschillende ‘bestedin­ gen’ van de netto toegevoegde waarde de voorbije jaren? In globo blijft de evolutie van de relatieve verhoudingen tussen 2010 en 2017 beperkt tot minder dan 1 procentpunt. Er is dus geen sprake van fundamentele wijzigingen in het relatieve belang van deze drie componenten. Het relatief aandeel belastingen en nettoverloningen lag in 2017 gemiddeld iets hoger dan in 2010; het aan­ deel interesten en toegevoegde winst iets lager. Toch loont het de moeite iets dieper in te gaan op de dynamiek in de tussenliggende periode. •

Hieruit blijkt dat de gemiddelde belas­ tingdruk met bijna 2 procentpunt toenam tussen 2010 en 2015. In 2016 is echter een duidelijke kentering zichtbaar: de gemid­ delde belastingdruk daalde met 2 procent­ punt. Dat is in belangrijke mate het gevolg van de eerste fase van de taxshift. In 2017 steeg de belastingdruk vervolgens opnieuw licht. Hier is de versnelde voorafbetaling in de vennootschapsbelasting merkbaar (zie verder).

In een vorige hoofdstuk werd duidelijk dat het relatieve loonaandeel toeneemt in tijden van laagconjunctuur. Het geaggre­ geerde operationele bedrijfsresultaat daalt dan immers fors door de verslechtering van de bedrijfsresultaten, terwijl de loonsom veel minder daalt. Ook uit de jaarrekenin­ gen blijkt dit effect tussen 2010 en 2014: het aandeel van de netto verloningen steeg in die periode ook met bijna 2 procentpunt. In 2015 daalde dit aandeel echter met iets meer dan 1 procentpunt. Dat is wellicht het gevolg van de loonmatiging, in combinatie met de indexsprong. Vanaf 2016 neemt het aandeel weer licht toe, wellicht door de aan­ zienlijke jobgroei.3

Het aandeel van de interestlasten daalde tus­ sen 2010 en 2016 door de systematische da­ ling van de marktrente. In 2017 zagen we bij sommige vennootschappen met een aanzien­ lijke toegevoegde waarde een stijging van het aandeel. Dat is wellicht mee het gevolg van een tijdelijke heropleving van de rente in dat jaar.

De evolutie van de toegevoegde winst ten slotte vertoont het verwachte conjuncturele verloop. Tussen 2010 en 2012 stond de renda­ biliteit van de vennootschappen duidelijk on­ der druk, hetgeen zich vertaalde in een fors afkalvend aandeel ervan in de waardecreatie (-5 procentpunt). De heropleving sindsdien – +4 procentpunt gemiddeld tussen 2012 en 2017 – is duidelijk. Voor de doorsnee onder­ neming lag het aandeel van de toegevoegde winst in 2017 echter niet hoger dan in 2010. Dit nuanceert het verhaal van de excessieve winsten van de ondernemingen in sterke mate.

“Voor de doorsnee onderneming lag het aandeel van de toegevoegde winst in 2017 niet hoger dan in 2010, wat het verhaal van de excessieve winsten in sterke mate nuanceert.” APRIL 2019 VOKA PAPER 21


ONDERNEMINGEN STUTTEN DE WELVAARTSSTAAT OPSPLITSING NETTO TOEGEVOEGDE WAARDE

Relatieve evolutie De focus in deze Voka Paper ligt op de bijdrage van ondernemingen aan de financiering van collectieve goederen en diensten. We gaan daar­ om tot slot iets dieper in op de relatieve evolutie van de werkgeversbijdrage, de bedrijfsvoorhef­ fing en de vennootschapsbelasting tussen 2010 en 2017 (figuur 7). De automatische stijging van het loonaandeel in de eerste drie jaar van dit decennium ging – bij constant beleid – ook gepaard met een toename van het aandeel van de patronale bijdragen en de ingehouden bedrijfsvoorheffing. Vanaf 2014 is de groei van deze bijdragen echter lager dan de groei van de toegevoegde waarde. In 2015 doet de impact van de indexsprong zich voelen. Die remde ook de aangroei van deze bijdragen af. Echter, vooral in 2016 is een duidelijke afna­ me van het aandeel merkbaar. En dit terwijl het aandeel van de nettoverloningen – zoals hier­ boven beschreven – dat jaar licht toenam door de extra tewerkstelling. Dit illustreert het po­ sitieve effect van de eerste fase van de taxshift op de lasten op arbeid. Vermits de daling van de werkgeversbijdragen slechts gold vanaf april 2016 is voor deze bijdrage nog een ‘overgangs­ effect’ merkbaar in 2017. De stijging van de werkgelegenheid vertaalde zich in 2017 in een toenemend aandeel van de ingehouden bedrijfs­ voorheffing in de doorsnee onderneming. Een diametraal tegenovergestelde dynamiek is zichtbaar bij de vennootschapsbelasting. Zoals eerder beschreven nam het aandeel van de toe­ gevoegde winst tussen 2010 en 2013 af. Dit ging echter niet gepaard met een krimpend aandeel van de winstbelasting in de netto toegevoegde waarde. De toenmalige federale regering ver­ hoogde immers de vennootschapsbelasting via een verbreding van de belastbare grondslag, bij­ voorbeeld door de geleidelijke inperking van de notionele interest. Sinds 2013 stijgt het aandeel van de winstbelasting in de netto toegevoegde waarde. Dat viel enerzijds te verwachten, omdat de toegevoegde winst toenam. Andere elemen­ ten die daarbij zeker van invloed zijn: de forse daling van de marktrente die het ‘rendement’ van de notionele interestaftrek decimeerde en – in 2017 – de verhoogde penalisatie bij onvol­ doende voorafbetalingen. Concluderend blijkt uit de analyse van de jaar­ rekeningen dat de overheid gemiddeld gespro­ ken iets meer dan 40 procent van de waarde­ creatie afroomt ter financiering van collectieve goederen en diensten. Daarmee eigent de over­ heid zich een groter deel toe dan wat overblijft voor werknemers en financiers. Deze relatieve 22 VOKA PAPER APRIL 2019


VOKA.BE

Figuur 7 : Evolutie van het aandeel van de patronale bijdragen, de bedrijfsvoorheffing en de vennootschapsbelasting in procent van de netto toegevoegde waarde 12,5%

17% 16%

12%

15% 14%

11,5%

13% 12%

11%

11% 10%

10,5% 2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

patronale bijdrage ingehouden BV Evolutie van de vennootschapsbelasting, in % netto toegevoegde waarde

7% 6% 5% 4% 3% 2% 1% 0% 2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

Bron: berekeningen op basis van Bel-First databank

verhoudingen zijn tussen 2010 en 2017 niet fun­ damenteel gewijzigd. Ondernemingen dragen thans dus niet fundamenteel minder belastingen af en het winstaandeel ligt niet fundamenteel ho­ ger dan in 2010. Sinds 2014 is gelukkig wel een daling van de belastingdruk zichtbaar. De lasten op arbeid – patronale bijdragen en bedrijfsvoor­ heffing – nemen duidelijk af. Gedeeltelijk wordt dit echter gecompenseerd door een toename van de vennootschapsbelasting. Geraadpleegde werken • • • • • •

Baugnet en De Keyser (2015), ‘Winstmarges van de ondernemingen: recente ontwikkeling tegen de achtergrond van lage inflatie’, NBB Economisch Tijdschrift. Cornille, Stinglhamber en Van Meensel (2017) ‘De Efficiëntie van de Belgische Overheid’, NBB Economisch Tijdschrift Heuse en Rubbrecht I (2018), ‘Recent verloop van de financiële resultaten en de sociale gegevens van niet-financiële ondernemingen’, NBB Economisch Tijdschrift Lequiller en Blades, ‘Understanding National Accounts’, OESO, second edition, 2014 Voka Paper, ‘Evaluatie van de Vlaamse en federale regering’, januari 2019 VBO-analyse over de verhouding tussen het loonaandeel en de winsten van bedrijven, 2018

APRIL 2019 VOKA PAPER 23


ONDERNEMINGEN STUTTEN DE WELVAARTSSTAAT Wat ondernemingen écht bijdragen aan de overheid

24 VOKA PAPER APRIL 2019

Profile for Voka - Vlaams netwerk van ondernemingen

2019-04-VL-Voka Paper  

2019-04-VL-Voka Paper  

Profile for vokavzw