Issuu on Google+

Eén jaar na Moerdijk: zorg ‘Zonder maakindustrie Nieuwe richtlijn verpakte over opstelling overheid geen welvaart’ gevaarlijke stoffen

Maandblad van de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie • 01 • 25 januari 2012

FINANCIËLE WERELD POSITIEF OVER

CHEMIE

Magazine


Binnen drie jaar bent u makkelijker te vervangen dan uw vakmensen.

Het rendement van uw bedrijf komt de komende jaren stevig onder druk te staan. Bestaand personeel vergrijst en nieuwe vakmensen worden schaarser. Dat dit geen vergezocht doemscenario meer is blijkt uit de onafhankelijke onderzoeken in deze Vapro-file. Maar wij stellen niet alleen de harde realiteit aan de orde, wij geven ook een praktische oplossing. U kunt de file gratis aanvragen via www.vapro.nl/file of bel 070 301 10 86.


INHOUD 01 26 januari 2011

18

De chemische industrie is beslist geen ‘sunset’-industrie, stellen vertegenwoordigers van banken en investeringsmaatschappijen. Integendeel.

INTERVIEW WERNER FUHRMANN

“Zonder maakindustrie geen welvaart in Europa”

22

januari 2011 Chemie magazine 3


HET ZIJN DEZE MANNEN DIE HÉT MAKEN. EN WAT MAAKT HÉN? PRECIES; DE KLEDING! Professionals in de chemie maken hét met topmateriaal, eerste klas gereedschap en in de beste veiligheidskleding. Op die manier sluit u risico’s inzake persoonlijke veiligheid zo goed als het maar kan uit. Zo werkt het ook met de bedrijfsveilige kleding van PWG. PWG is ontwikkelaar, fabrikant en leverancier van bedrijfsveilige kleding. Ook kunt u bij ons terecht voor persoonlijke beschermingsmiddelen en de kwaliteitswerkschoenen van Steitz Secura. PWG zorgt ervoor dat uw professionals goed gekleed en voorzien van het beste schoeisel en PBM’s aan het werk gaan.

Partners van PWG.

PWG BEDRIJFSVEILIGE KLEDING B.V. POSTBUS 103, 4460 AC GOES TEL: 0113 213440 • FAX: 0113 232675 INFO@PWG.NL • WWW.PWG.NL


INHOUD 01 26 januari 2011

26

Eén jaar na Chemie-Pack: zorg over opstelling overheid

Opinie

07

Agenda

07

“We kunnen terugkijken op een bewogen en productief jaar”

NIEUWS

Wetenswaardig

08

Onderwijs

11

Actueel

13

Dow koestert zwaluwparen Vlaamse chemie en onderwijs tekenen convenant

32

PGS 15-richtlijn ook voor chemiebedrijven van belang

VNCI: schaar IPPC-bedrijven niet onder activiteitenbesluit

ACHTERGROND

Visie 2030-2050

18

Visie 2030-2050

22

Veiligheid

26

Milieu

30

Veiligheid

32

In beeld

34

Visie 2030-2050

36

Energie

40

Veiligheid

42

Vox chemici

47

Groene ondernemer

49

Starters

51

Productnieuws Column hoofdredacteur Mensen Volgende maand Colofon

52 53 55 55 55

Financiers en investeerders positief over chemische industrie De chemie is de industrie der industrieën, aldus VNCI-voorzitter Werner Fuhrmann Formele vergunningverlening funest voor investeringsklimaat

36

Utz Tillmann: “We moeten sneller innoveren”

Programmatische Aanpak Stikstof biedt chemische industrie ontwikkelruimte Vernieuwde richtlijn gevaarlijke stoffen Victory Boogie Woogie doorgelicht Utz Tillmann: “Duitsland heeft chemie nodig als innovation driver” Onderzoek persluchtgebruik loont Ton Heemskerk telt tot vier voor veilig gedrag Obstakels op weg naar duurzaamheid Avantium gaat voor 100 procent plantaardig Sandwichpanelen van Fits zorgen voor revolutie

“Proactiviteit is hét kernwoord voor HSE-verbeteringen”

42

januari 2011 Chemie magazine 5


Advies- en ingenieursbureau

dhv.nl

Economie, veiligheid, of win-win?

Hoe manage je risico’s op het gebied van milieu en veiligheid binnen een bedrijf? Welke maatregelen neem je zodat er veilig gewerkt kan worden? Wat zijn effectieve milieumaatregelen? En dragen Europese Richtlijnen echt bij aan een verbetering van de veiligheid in Nederland? Milieu en Veiligheid Industrie van DHV buigt zich over deze en nog veel meer vragen. De adviseurs kennen de brandstoffenbranche, ze spreken de taal en opereren gemakkelijk in het krachtenveld tussen bedrijf en belanghebbenden. Daarbij wordt bewezen dat innovatie en samenwerking leidt tot vooruitstrevende win-win oplossingen.

De adviesdiensten bestaan o.a. uit: • Ondersteunen bij vergunningsaanvragen, beoordelen van vergunningsvoorschriften; • Ondersteunen bij ruimtelijke ordeningsvraagstukken (bestemmingsplannen en vestigingsplaatsonderzoek); • Ondersteuning en advies bij diverse veiligheidsvraagstukken (BRZO, A(RI&E), PGS, ATEX, etc); • Uitvoeren van onderzoeken op het gebied van water, geluid, energie, geur en bodem; • Verbeteren van de veiligheidscultuur; • Opzetten en invoeren van managementsystemen (kwaliteit, Arbo, milieu en veiligheid). DHV doet dat al 90 jaar.

Meer weten? DHV B.V. Milieu & Veiligheid – Industrie Laan 1914 nr. 35 3818 EX Amersfoort www.dhv.nl/mvi www.dhv.nl/mkb-desk Tel (033) 468 32 66

Altijd een oplossing verder


AGE NDA 16 februari Business Linqs Rondetafelgesprek met publiek STC, Rotterdam Tot 19 maart Verborgen krachten, Nederlanders op zoek naar energie Tentoonstelling Museum Boerhaave, Leiden VNCI 31 januari WG Stoffenbeleid VNCI, Den Haag 1 februari Klankbordgroep Routekaart Chemie 2030 VNCI, Den Haag 9 februari WG Responsible Care Global Charter VNCI, Den Haag 14 februari WG Procesveiligheid VNCI, Den Haag 14 februari BG Energie en Klimaat Dow Benelux, Terneuzen 15 februari Stakeholderdialoog Park Plaza Hotel, Utrecht 22 februari Dagelijks bestuur Teleconferentie 29 februari WG Arbeidsveiligheid Sabic, Bergen op Zoom

Agenda / Voorwoord

VNCI-directeur Colette Alma

GELUKKIG NIEUWJAAR

M

et het aftellen naar het nieuwe jaar werd op 31 december ook het Internationale Jaar van de Chemie afgesloten. We kunnen terugkijken op een bewogen en productief jaar. Een jaar vol evenementen waar de chemie positief in de belangstelling stond. Toch kende 2011 een uiterst slecht begin. De grote brand bij Chemie-Pack begin januari heeft het hele jaar door een schaduw over de sector geworpen. De vele onderzoeken en inspecties legden tekortkomingen in de sector bloot. De sector reageerde snel en kwam met het actieplan Veiligheid Voorop, dat in samenwerking met VNO-NCW en andere brancheorganisaties tot stand kwam. Deze respons tekent de veerkracht van onze sector en zijn vastberadenheid om veiligheid als een intrinsiek kenmerk van de bedrijfstak te behouden. Consequent uitvoeren van Veiligheid Voorop en daarin een goede samenwerking vinden met de overheid is nu een belangrijk onderdeel van het VNCI Jaarplan 2012. Over veiligheid zult u in dit blad regelmatig blijven lezen. Het Jaarplan 2012 kent nog meer uitdagingen. In overleg met de overheid proberen we ervoor te zorgen dat regelgeving voor klimaat, milieu, veiligheid, stoffen en handel de sector niet onnodig in zijn ontwikkeling belemmert. Dat is vooral van belang voor middelgrote bedrijven en start-ups. Voor de korte termijn vraagt de economische situatie om stevige ondersteuning van leden. Daarnaast richten we onze blik uiteraard ook op de langere termijn. De op 20 januari gepresenteerde Visie 2030-2050 vormt een goede basis om met stakeholders in dialoog te gaan over de toekomst. De actieagenda New Earth, New Chemistry voor de Topsector Chemie moet in 2012 tot uitvoering komen. Een belangrijk onderdeel daarvan zijn de Topconsortia voor Kennis en Innovatie. Bovendien presenteren we medio dit jaar in een Routekaart 2030 een realistisch pad naar een ambitieuze CO2-reductie. Al met al weer een jaar om de schouders eronder te zetten. Wij zullen u via dit blad van alle ontwikkelingen op de hoogte houden. Ik wens alle lezers van Chemie magazine een heel gelukkig, energiek en veilig 2012 toe. p

januari 2012 Chemie magazine 7


Onder het toeziend oog van twee boswachters gingen de Dowvrijwilligers aan de slag op de elzenopslag langs de Westgeul.

8 Chemie magazine januari 2012


Wetenswaardig

Twintig vrijwilligers gingen onlangs in het Zeeuwse natuurgebied De Braakman in de weer met kniptangen en zagen. In korte tijd verwerkten ze een ongewenst elzenbosje tot grote takkenbossen waarin allerlei dieren kunnen schuilen. De link met chemie? De vrijwilligers werken allemaal bij Dow in Terneuzen, en het natuurgebied grenst aan de site.

FOTO: PETER MA A S, STA ATSBOSBEHEER

Via het Biodiversiteit Aktie Plan van Dow Terneuzen behoudt en vergroot het chemiebedrijf de biodiversiteit op en rond het bedrijfsterrein. Zo houdt Dow op bepaalde plekken het gras lang door het maar eens per jaar, na het broedseizoen, te maaien. Hierdoor kunnen vogels er goed broeden en bijzondere planten er groeien. De uitzondering hierop vormen stukken die vanwege de brandveiligheid (die voorop staat) vaker gemaaid moeten worden. Dankzij een flora- en fauna-inventarisatie weet Dow precies welke plant- en diersoorten op het terrein voorkomen, en waar. Zo voelen een beschermde orchidee, de woelmuis, de zwarte roodstaart en een koppel slechtvalken zich er thuis. Van de scholekster, waar het landelijk slecht mee gaat, zijn bijna dertig paren gesignaleerd. De Mosselbanken, een voor een groot deel nog braakliggend industriegebied aan de andere zijde van de Dow-haven, is de favoriete plek van de oeverzwaluw. Er zijn meer dan veertig in de steile zandtaluds broedende paartjes geteld. Door aan het begin van het broedseizoen steile wandjes

aan te leggen, zorgt Dow ervoor dat deze zwaluwen elk jaar terugkomen.

Boswachters

Het Dow-terrein is omringd door natuurgebieden, zoals de Westerschelde (een Natura 2000-gebied) en de Braakman Noord, die beheerd wordt door Staatsbosbeheer. Met die partij is Dow een partnerschap aangegaan, dat onlangs resulteerde in de eerste natuurwerkdag voor Dow-medewerkers. Onder het toeziend oog van twee boswachters gingen zij vroeg in de ochtend aan de slag op de elzenopslag langs de Westgeul. De medewerkers creĂŤerden een prachtig zicht op de geul en gaven door de uitdunning de specifieke duinvalleiplanten weer een kans. Bovendien kunnen in de stapels achtergebleven hout allerlei dieren schuilen. De boerderij van Staatsbosbeheer in het natuurgebied wordt met een donatie van Dow binnenkort verbouwd tot een uitvalsbasis voor groepen die het gebied willen verkennen. Afhankelijk van de inzet van vrijwilligers wordt de boerderij in het weekend voor iedereen toegankelijk om even op adem te komen na een struin- of fietstocht door het gebied. Bij de oplevering van de verbouwde boerderij, vermoedelijk komend voorjaar, wordt het partnerschap tussen Dow en Staatsbosbeheer officieel en feestelijk gevierd. p

januari 2012 Chemie magazine 9


ZUUR REMMER HET VEILIGSTE LADING ZEKERINGSSYSTEEM VOOR CHEMISCH TRANSPORT OVER LAND EN ZEE

Ty-Gard omsluit de lading op zeer betrouwbare en effectieve wijze. Het werkt snel én veilig: onze producten zijn speciaal ontwikkeld en gecertificeerd voor vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor, over zee en op de weg. Ty-Gard is kostenbesparend en milieuvriendelijk, voorkomt ladingschade en incidenten, zodat zuren niet in het milieu terecht komen. Voor meer informatie over dit product, bezoek onze website. Of ervaar het zelf: vraag naar een vrijblijvende proefverscheping of demonstratie over dit unieke product van Walnut Industries.

TY-GARD.EU


Onderwijs

Zilver en brons voor nederland bij junior science olympiade Het Nederlandse team deed het goed tijdens de achtste International Junior Science Olympiade (IJSO) in Zuid-Afrika afgelopen december. Han Mertens van het Stedelijk Gymnasium Nijmegen won zilver, vier andere Nederlanders behaalden brons.

De 4 winnaars van het brons zijn Maurits Doelman van het Johan de Witt Gymnasium in Dordrecht, Hanneke Leegwater van het Stedelijk Gymnasium in Leiden, Jeroen Winkel van het Stedelijk Gymnasium in Nijmegen en Sander Miedema van OSG Sevenwolde in Heerenveen. De olympiade werd gewonnen door Maksutov Aynuz uit Rusland. IJSO is een initiatief van het SLO (nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling), de Gelderse Onderwijsgroep Quadraam (inclusief het Candea College in Duiven), Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, Radboud Universiteit Nijmegen en Rijksuniversiteit Groningen. p

foto: SLo

D

e IJSO is een jaarlijkse individuele kenniswedstrijd, gecombineerd met een teampracticum, voor jongeren van 14 en 15 jaar die voor hun profiel- en pakketkeuze staan. Het doel hiervan is om hen te enthousiasmeren voor science en technologie. Daarnaast biedt de IJSO iets extra’s voor getalenteerde leerlingen in biologie, natuurkunde en scheikunde. In een schriftelijke voorronde, waaraan alle havo- en vwo-scholen kunnen meedoen, worden de beste 24 leerlingen geselecteerd. De beste 6 vormen het team dat deelneemt aan de International Junior Science Olympiade. Deze keer deden 252 leerlingen mee uit 41 landen.

De winnaars op een rij. Boven van links naar rechts: Sander Miedema, Han Mertens, Maurits Doelman en Jeroen Winkel. Onder: Hanneke Leegwater.

Vlaamse chemie en onderwijs ondertekenen conVenant De samenwerking tussen onderwijs en de chemische industrie intensiveren en meer concrete en meetbare verbintenissen aangaan. Dat is de doelstelling van het op 16 januari ondertekende onderwijsconvenant tussen essenscia vlaanderen, de vier Vlaamse onderwijskoepels, de vakbonden van de chemiesector en de Vlaamse minister van Onderwijs Pascal Smet.

H

et aantrekken van nieuwe en goed opgeleide werknemers wordt de uitdaging voor de komende jaren van de Vlaamse chemische industrie. Om de instroom van jong talent te vergroten krijgen leerkrachten daarom structureel bedrijfsstages aangeboden en worden het onderwijs en de sector beter op elkaar afgestemd. Vanwege de ondertekening van het convenant is ook het project ‘De Zaak Polly Meer’ gelanceerd, het eerste resultaat van het onderwijsconvenant. Dit lespakket brengt leerlingen in de eerste klas van het voortgezet onderwijs op een leuke manier in contact met chemie door spelenderwijs à la de misdaadserie CSI de politie te helpen een misdaad op te lossen. p

chemie den bosch voert snuffelstage in Tweedejaarsstudenten Chemie van de Avans Hogeschool in Den Bosch zijn afgelopen maand een week op snuffelstage geweest bij bedrijven in de regio. Zij deden dit om de opleiding meer regionale bekendheid te geven.

D

e Academie voor de Technologie van Gezondheid en Milieu (ATGM) startte de opleiding Chemie op de Avans Hogeschool anderhalf jaar geleden naast de al bestaande variant in Breda. Negentien propedeusestudenten meldden zich aan in september 2010, en dat aantal is nu iets gegroeid tot eenentwintig eerstejaars. Er zijn momenteel zeventien tweedejaarsstuden-

ten, waaronder vier zij-instromers. “We groeien en daar zijn we blij mee”, zegt ATGM-docent en coördinator Ad Biemans. De groei is alleen nog te gering, en daarom moet de opleiding meer bekendheid krijgen. “Door de snuffelstages hopen we meer contacten te leggen met bedrijven. Ook maken de studenten eerder kennis met eventuele toekomstige werkgevers”, aldus Biemans. p januari 2012 Chemie magazine 11


DĂŠ afvalverwerker Verwerker van: Industrieel afvalwater Oliehoudend afval Brandstofresten Chemisch afval Ook verwerker van: Verontreinigde grond en TAG

Afvalstoffen Terminal Moerdijk BV Vlasweg 12, 4782 PW Moerdijk www.atmmoerdijk.nl Tel: 0168-389289 Fax: 0168-389270 Contactpersonen: Rick Leerink (06-53698983) & Ron van Verk (06-51124004)


Actueel

Dow wil polDerwater zuiveren Chemieconcern Dow in Terneuzen wil af van het gebruik van kostbaar drinkwater bij het industriële proces. Het bedrijf gaat daarom onderzoeken of hiervoor in de plaats polderwater geschikt is.

D

foto: dow

ow heeft veel water nodig bij het industriële proces. De helft daarvan bestaat uit door Dow zelf gerecycled water. Dow gaat samen met een groot aantal partners uit het bedrijfsleven, het onderwijs en de overheid onderzoeken of voor de andere helft het polderwater rond Dow gebruikt kan worden. Dit water is te zout en te veel verontreinigd met allerlei (mest)stoffen om zomaar in de fabriek te gebruiken. In het onderzoek zal daarom vooral gekeken worden of het op een natuurlijke manier gezuiverd kan worden. p

VNCI: sChaar IPPC-bedrIjVeN NIet oNder aCtIVIteIteNbesluIt De VNCI vindt dat de overheid IPPC-bedrijven (bedrijven met grote milieu-impact, waaronder veel VNCI-leden) niet onder het Activiteitenbesluit moet scharen. De vereniging reageert hiermee op het overheidsplan om de groep bedrijven die onder het besluit valt uit te breiden met de rubber- en kunststofindustrie en IPPC-bedrijven. De VNCI heeft daarom half december haar visie kenbaar gemaakt bij staatssecretaris Atsma.

I

n het Activiteitenbesluit staan algemene milieuregels waaraan bedrijven zich moeten houden, waarna voor deze onderwerpen geen vergunning meer nodig is. Voor veel bedrijven betekent dit vereenvoudiging en lastenvermindering, maar volgens de VNCI resulteert het voor IPPC-bedrijven in een lastenverzwaring en een ondoorzichtige situatie, aangezien de vereenvoudigde regels geen recht doen aan de complexiteit van chemiebedrijven. Een voorbeeld hiervan zijn de best beschikbare technieken (BBT) voor chemiebedrijven. Europese regels eisen dat IPPC-bedrijven een vergunning hebben, met daarin de voorwaarden waaronder een bedrijf mag draaien. Deze zijn gebaseerd op deze BBT. In de bestaande vergunningprocedure voor IPPC-bedrijven wordt per installatie bepaald wat de BBT is. Zo worden de best beschikbare technieken voor emissie-eisen per geval gebaseerd op Europese referentiedocumenten. Algemene regels zijn daarom niet gewenst voor IPPC-bedrijven, tenzij er een mogelijkheid komt daar altijd vanaf te wijken. Daarnaast maakt de VNCI bezwaar tegen het voornemen om installaties die eerst onder de emissie-eisen voor grote installaties (BEES A) vielen, nu te onderwerpen aan de eisen voor kleinere installaties (BEMS). Chemiebedrijven zetten deze kleine installaties op zo’n manier in (zoals met restgassen) dat zij niet aan de BEMS-eisen kunnen voldoen. Ook hiervoor geldt volgens de vereniging dat maatwerk noodzakelijk is, zodat de best mogelijke situatie voor het milieu ontstaat. p

tweeDe tenDer Green Deal

Sinds 15 december vorig jaar kunnen nieuwe projecten voor de Green Deal worden ingediend. Het ministerie van EL&I zoekt daarom naar concrete duurzame initiatieven voor energie, water, grondstoffen en mobiliteit die op zichzelf rendabel zijn, maar vanwege allerlei belemmeringen toch niet tot stand komen.

D

e Green Deals steunen duurzame projecten die zich onder meer richten op energiebesparing. Zo kan de overheid wet- en regelgeving aanpassen, afzetmarkten voor nieuwe technologieën ondersteunen, zorgen voor goede samenwerkingsverbanden en de toegang tot de kapitaalmarkt verbeteren. De afgeronde tender van 2011 heeft ruim zeventig Green Deals met (chemie)bedrijven, instellingen en instanties opgeleverd. Elke deal bevat een concreet resultaat, de inzet van het bedrijfsleven, medeoverheden en kennisinstellingen, en de acties van de rijksoverheid. p

Initiatieven voor nieuwe Green Deals kunnen tot en met 29 februari 2012 worden aangemeld op www.rijksoverheid.nl/greendeal

januari 2012 Chemie magazine 13


Optimaal voeden van mengers en processen

Automatisch efficiënt

• • • • • •

Aggregaten; Mobiele lichtmasten; Kabels; Trafo’s; Verdeelkasten; Tijdelijke stroom en lichtvoorziening voor industriële toepassingen. 24 UUR, 7 DAGEN PER WEEK

Parkweg 67a, 4153 XL Beesd T 0345 684000 - F 0345-680907 info@voetverhuur.nl - www.voetverhuur.nl

LESCHACO – your specialist for supply chain solutions.

Voedingssystemen voor mengers :

We offer integrated, intercontinental logistics with

AZO • betrouwbaar

responsible care for the chemical

• nauwkeurig • economisch Bedrijfszekere en economische oplossingen voor de automatisering van uw grondstoffen en processen.

industry.

Experienced. Dedicated. Customized.

Logistics –

AZO N.V. Katwilgweg 15 B-2050 Antwerpen Tel. : +32-3-250 16 00 Fax : +32-3-252 90 02

www.azo.be

phone +31

and beyond.

(10) 2953 153

Since 1879.

Leschaco Nederland B.V. | Hoogvlietsekerkweg 164 | NL 3194 AM Rotterdam-Hoogvliet | info@leschaco.nl | www.leschaco.com


Stakeholderdialoog over viSie 2030/2050 en veiligheid voorop Tijdens de komende Stakeholderdialoog van de VNCI staan de visie van de Nederlandse chemische industrie voor 2030/2050 en het actieplan Veiligheid Voorop centraal. Via een dialoog over deze thema’s wil de VNCI van de aanwezige bedrijven, financiële instellingen, overheden, kennisinstellingen, NGO’s en andere deelnemers input ontvangen over recente activiteiten, bereikte resultaten en ontwikkelingen in het Responsible Care-programma.

V

oor de transparantie van het RC-programma organiseert de VNCI jaarlijks samen met VBDO (Vereniging van Beleggers voor Duurzame Ontwikkeling) een Stakeholderdialoog. Deze keer staat de visie van de VNCI voor de chemische industrie in Nederland in 2030/2050 centraal, met vragen als ‘Wat voor rol speelt duurzaamheid in de toekomst van de chemie in Nederland?’ en ‘Is de biobased economy te realiseren in Nederland?’. Deze vormen van maatschappelijk verantwoord ondernemen hebben te maken met het nemen van verantwoordelijkheid, en dat is de essentie van het Responsible Care-programma. Het tweede thema van de Stakeholderdialoog is Veiligheid Voorop, het actieplan voor bedrijven die grootschalig met gevaarlijke stoffen werken. VNO-NCW heeft dit samen met een aantal brancheorganisaties opgesteld vanwege de brand bij Chemie-Pack. Een goede veiligheidscultuur is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van individuele bedrijven, maar de brancheorganisaties willen hun leden graag helpen de veiligheid te verbeteren. Daarom heeft de VNCI het plan voor de chemie verder uitgewerkt. Dit initiatief wordt volledig in het kader van het Responsible Care-programma uitgevoerd. Met het Responsible Care-programma werkt de chemie continu aan veiligheid, gezondheid en het milieu. In 2006 kwam er een update: de Responsible Care Global Charter. Deze charter moet zorgen voor nog meer interactie met belanghebbenden, betere afstemming tussen de programma’s van de diverse landen, meer aandacht voor duurzaam ondernemen, en vooral meer transparantie. p De Stakeholderdialoog vindt plaats op 15 februari in het Park Plaza Hotel in Utrecht. Meer informatie: looijs@vnci.nl

foto: ca sper ril a

Actueel

InnovatIecontract chemIe aangeboden Eind december heeft de Topsector Chemie het Innovatiecontract Chemie aangeboden aan minister Verhagen van EL&I. Dit contract legt inhoudelijke en financiële afspraken vast tussen bedrijven, wetenschap en de overheid. Een belangrijk onderdeel hiervan zijn de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s), waarin alle r&d- en innovatie- en valorisatie-activiteiten gebundeld worden.

H

et Innovatiecontract Chemie maakt duidelijk aan welke innovaties de chemische industrie werkt en hoe deze door overheid, bedrijfsleven en wetenschap gezamenlijk gerealiseerd moeten worden. Het contract geeft ook de meerjarige financiële toezeggingen aan. Een belangrijk onderdeel zijn de vier TKI’s: materialen, procestechnologie, biobased economy en een ‘kraamkamer’ voor het stimuleren van innovatie. De TKI’s vullen de ketenbrede benadering in van het traject: van fundamenteel onderzoek tot en met valorisatie. De overheid heeft 1,5 miljard euro vrijgemaakt voor de topsectoren. Hoeveel daarvan naar de chemie gaat is nog onduidelijk. “Het hangt ook af van de andere topsectoren”, zegt Bert-Jan Lommerts, vertegenwoordiger van het mkb in het Topteam. “Ik heb de voorstellen van het Topteam High-tech gelezen, en die zien er ook goed uit.” Lommerts is zeer tevreden over het Innovatiecontract, met name wat betreft de toezeggingen door het MKB, dat de komende vier jaar 120 miljoen euro wil investeren in onderzoek naar innovatie via publiek-private samenwerkingen. In het voorjaar zullen het kabinet, deelnemende overheden, bedrijven, kennisinstellingen en financiers een definitief besluit nemen over het Innovatiecontract. p januari 2012 Chemie magazine 15


Wie Wordt de Plant ManaGer of the Year? Kent u een plantmanager die zich onderscheidt op het gebied van veiligheid, gezondheid, milieu, productiviteit of leiderschap? Meld hem of haar dan aan voor de Plant Manager of the Year-verkiezing 2012.

D

e verkiezing is een initiatief van het blad Petrochem en de VNCI. Zij werken hierbij samen met Deltalinqs en het Havenbedrijf Rotterdam. Doel van de wedstrijd is om het imago van de Nederlandse procesindustrie te versterken door de inspanningen en prestaties van plantmanagers te benoemen en te waarderen. Een vakkundige jury beoordeelt de kandi-

daten op hun maatschappelijke betrokkenheid, leiderschap en communicatieve vaardigheden. De winnaars worden bekendgemaakt tijdens Deltavisie 2012 op 7 juni in Rotterdam. Vorig jaar namen vijf plantmanagers deel aan de verkiezing. Edith Romp, plantmanager van Teijin Aramid, ging toen met de hoofdprijs naar huis. p Plantmanagers kunnen aangemeld worden via Irene van Luijken, hoofd communicatie VNCI, 070 337 87 30 of vanluijken@vnci.nl. Kijk voor meer informatie op www.deltavisie2012.nl

Schone en veilige chemie maakt in 2030/2050 Slimme producten Economische, demografische en technologische trends zullen de Nederlandse chemische industrie tot aan 2050 in staat stellen om welvaart en banen te genereren. Weliswaar kunnen onzekere factoren invloed hebben op die toekomst, maar de chemische industrie zal zich kunnen aanpassen aan de eisen van de toekomst en weten te profiteren van de kansen die zich voordoen. Dit concludeert The Chemical Industry in the Netherlands in 2030/2050, de visie op de toekomst van de chemische industrie die de VNCI op 20 januari samen met Deloitte presenteerde tijdens de Chemie Conferentie 2010.

I

n de toekomstvisie is een belangrijke rol weggelegd voor de ARRRA-cluster (Antwerp-Rotterdam-Rhine-RuhrArea), grofweg de chemische industrie in Noordwest-Europa. Deze cluster zal in 2030/2050 een van de weinige van deze omvang ter wereld zijn, en de enige in Europa. In de buurt hiervan verschijnen vele hightechfabrieken die consumentspecifieke producten maken en waar de chemie nauw mee samenwerkt. De cluster zal flexibel zijn in het gebruik van grondstoffen, variërend van nafta en aardgas tot biomassa en afval, en is hierdoor nauw verbonden met de energie-, water- en agro-industrie.

Slimme producten

De Nederlandse chemische industrie zal in 2030/2050 onderdeel zijn van een innovatieketen, gevormd door academische topinstituten, internationale chemieconcerns, kleine en middelgrote chemiebedrijven, start-ups, veeleisende klanten en durfkapitalisten. De sociale acceptatie is hoog: de chemie wordt gezien als een innovatieve, schone en veilige industrie die slimme producten maakt. De chemische industrie in Nederland zal 16 Chemie magazine januari 2012

zo sterk zijn omdat haar uitgangspositie zeer goed is. Uit interne benchmarking bij internationale bedrijven blijkt dat hun Nederlandse fabrieken tot de best presterende ter wereld behoren. Nederland profiteert van een hoog opgeleid arbeidspotentieel, een geïntegreerd netwerk van fabrieken, en een excellente transportinfrastructuur. Daarnaast verviervoudigt de wereldwijde vraag naar chemische producten tot 2050. Een nieuwe wereldwijde middenklasse in de opkomende economieën zal heel veel producten kopen, en de meeste daarvan zijn gebaseerd op grondstoffen die de chemie aanlevert. De Nederlandse chemische industrie is flexibel genoeg om een belangrijke rol te vervullen in deze toekomst, ongeacht hoe de wereld reageert op de explosief toegenomen vraag.

Groene revolutie

De visie gaat uit van vier mogelijke toekomstscenario’s. Afhankelijk van de ontwikkeling van de technologie en de rol van de overheid, floreert de Nederlandse chemische industrie volgens de VNCI en Deloitte in elk van deze vier scenario’s. In de ‘Gefragmenteerde toekomst’ heeft zij

te maken met beperkte innovatie en regionale handelsbeperkingen. Vanwege de goede uitgangspositie domineert Nederland hierbij de relatief traag groeiende Europese markt. De productie is tot een factor 1,6 toegenomen. In de ‘Groene revolutie’ is een groot deel van de grondstoffen gebaseerd op biomassa. Vanwege het netwerk van chemische fabrieken, de landbouwkennis en de Rotterdamse haven is Nederland in dit scenario een zogeheten bio-hub geworden. De chemische industrie is met een factor 1,6 gegroeid. In een wereld met ‘Overvloedige energie’ zijn vanwege een doorbraak in zonne-energie op nafta gebaseerde chemicaliën goedkoop. De economische groei is enorm en de output van de Nederlandse chemie is bijna verdrievoudigd. In het laatste scenario, de ‘Hightechwereld’, is het aantal wetenschappers en ingenieurs explosief toegenomen. Zij ontwikkelen geavanceerde technologieën, zijn in staat moleculen te selecteren en te vormen op manieren die niet eerder voor mogelijk werden gehouden, en maken daarmee nieuwe toepassingen en toenemende revenuen mogelijk voor de industrie. De Nederlandse productie is bijna verdrievoudigd. p The Chemical Industry in the Netherlands in 2030/2050 is verkrijgbaar via nldeloittechemicals@deloitte.nl en te downloaden via www.heeftdechemietoekomst.nl


Actueel

HOLLANDS GLORIE

FOTO: INDUSTRIELINQS

Hoe slaagt de Nederlandse industrie erin haar sterke en succesvolle industriële basis in stand te houden, en wat zijn de redenen voor het succes van de Nederlandse industriële bedrijven in binnen- en buitenland? Op deze vragen geeft The Dutch Industrial Landscape: 50 Inspiring Business Cases antwoord. Het boek doet dit door de negen door het ministerie van EL&I verkozen topsectoren te beschrijven, en presenteert meer dan vijftig daartoe behorende bedrijven.

PROVINCIE EN DSM INVESTEREN 180 MILJOEN IN LIMBURGSE CAMPUSSEN Provincie Limburg, Universiteit Maastricht, academisch ziekenhuis Maastricht UMC+ en chemieconcern DSM investeren samen 180 miljoen euro extra in verdere uitbreiding van de Chemelot Campus in SittardGeleen en de Maastricht Health Campus. Het geld gaat naar onderzoeksfaciliteiten, een kapitaalfonds voor ondernemingen, een onderwijsprogramma en vastgoed.

H  

et boek laat zien dat de kracht van de Nederlandse industrie ligt in een combinatie van factoren, zoals historische wortels, geografische context, kennisnetwerken, vakmanschap, investeren in mensen, langetermijnplanningen en strategische keuzes. De Nederlandse chemiesuccessen die worden gepresenteerd zijn van AkzoNobel, BioMCN, Dow, Purac, Resin en Sabic. Alle business cases bij elkaar laten zien dat Nederlandse industriële bedrijven niet alleen in het verleden succesvol waren, maar dat hun successen ongetwijfeld ook in de toekomst doorgaan. “De ondernemers vertellen over het beconcurreren van buitenlandse bedrijven door innovatie en over de uitdagingen die ze tegenkomen in het dagelijkse zakenleven”, zo schrijft minister Verhagen in het voorwoord. “Op deze manier komen de sectoren en de bedrijven tot leven en krijgen ze een gezicht. Ik hoop dat dit boek bijdraagt aan een beter begrip van hoe Nederlandse bedrijven blijven werken aan groei en innovatie.” p

Het boek is te bestellen via www.managementboek.nl

D  

e ontwikkeling van de campussen past in het kabinetsbeleid dat Zuidoost-Nederland moet omvormen tot Brainport 2020, een van de economische motoren van Nederland. De twee campussen willen toonaangevend worden in de ontwikkeling van nieuwe materialen. Ze kunnen oplossingen bieden voor twee belangrijke behoeften van onze samenleving: de vraag naar nieuwe duurzame groene materialen, bijvoorbeeld gebaseerd op herwinbare grondstoffen, en - in het licht van de steeds ouder wordende mens - de toenemende behoefte aan nieuwe biomedische materialen. Door de open innovatie ontstaan er spin-offs die nieuwe producten maken die sneller in de markt gezet kunnen worden. De investeerders verwachten dat op de campussen nieuwe ondernemingen, en dus nieuwe banen ontstaan. Volgens de provincie, die ruim 55 miljoen euro voor haar rekening neemt, komen er 2100 banen bij voor kenniswerkers en vele duizenden extra arbeidsplaatsen door de toename van indirecte werkgelegenheid. De campussen zijn ook de plek waar mensen worden opgeleid voor deze banen van de toekomst. De bedoeling is dat de campussen een broedplaats van medische en (bio-)technologische innovatie worden en daarmee bijdragen aan een excellent vestigingsklimaat. Hierdoor versterken ze de Limburgse economie. p

WWW

Meer actueel nieuws op www.vnci.nl en in de wekelijkse gratis Chemie nieuwsbrief (meldt u aan via de site). januari 2012 Chemie magazine 17


Financiers en investeerders positief over chemische industrie

‘Kwaliteit individue doorslaggevend’ A De chemische industrie is beslist geen ‘sunset’industrie, stellen vertegenwoordigers van banken en investeringsmaatschappijen. Integendeel. Onderliggende trends, zoals schaarste aan grondstoffen, bieden juist nieuwe kansen. Doorslaggevend voor financiering is niettemin de kwaliteit van het individuele bedrijf. “We laten ons leiden door de vraag of we waarde kunnen creëren.”

foto: Chris bonis

Tekst:Joost van Kasteren

18 Chemie magazine januari 2012

an het begin van het gesprek wil Edse Dantuma, sectormanager industrie bij ING, een misverstand de wereld uit helpen. “In het vorige nummer van Chemie magazine kwam ik de opmerking tegen dat de financiële wereld de chemische industrie in Europa een aflopende zaak noemt. Daar herkennen wij ons absoluut niet in. We zijn juist buitengewoon positief over de kansen van de chemische industrie. En terecht, zo wordt nog eens bevestigd door het rapport van Deloitte over de toekomst van de chemische industrie.” Bert Woltheus, een collega van Dantuma bij ING, verwijst naar twee rapporten die de bank in het afgelopen jaar heeft uitgebracht. Een ging over de Nederlandse handel, de ander over de maakindustrie. “Die rapporten laten zien dat Nederland niet zonder maakindustrie kan. Weliswaar behoort de chemische indus-


Visie 2030/2050

ueel bedrijf trie strikt genomen niet tot de maakindustrie, maar zij ligt wel aan de basis ervan. Zonder chemie geen maakindustrie. Het is een ‘industry of industries’, zoals het rapport van Deloitte de sector noemt.” Uit de beide ING-rapporten blijkt dat de Nederlandse economie sterk afhankelijk is van de export, vooral naar andere landen in Europa. Daarbij wordt – veel meer dan door diensten - vooral toegevoegde waarde gecreëerd door de export van producten die hier gemaakt worden. De chemische industrie neemt grosso modo eenderde van die toegevoegde exportwaarde voor haar rekening, even veel als respectievelijk de sector agro & food en de maakindustrie in engere zin (zoals metaal- en hightechbedrijven). Dantuma: “Als land kun je niet zonder waardescheppende industrie. De export van binnenlands gemaakte producten is nodig voor een gezonde ruilvoet, de verhouding tussen import en export van een land. Als

de exportwaarde hoger is dan de importwaarde, dan heb je een gezonde economie.”

Het Verre Oosten

“Alles bij elkaar is het beeld van de chemische industrie in Nederland bijzonder positief”, stelt Woltheus. “Ook al omdat de bedrijfstak zeer divers is. We hebben niet alleen een sterke positie in de basischemie, maar we beschikken ook over een groot aantal bedrijven dat chemische specialties maakt en exporteert. Zelfs naar China.”  De concurrentie uit het Verre Oosten stemt volgens Dantuma en Woltheus dan ook niet a priori tot somberheid over de toekomst van de Nederlandse chemische industrie. Dantuma: “Om te beginnen zie je dat de Nederlandse industrie de kansen die daar liggen weet te pakken. Ik noem een middelgroot bedrijf als Latexfalt dat zijn kleurstoffen en bindmiddelen tot in China weet te slijten. Ook andere bedrijven, groot en klein, zijn actief op de nieuwe groeimarkten.” Woltheus: “Daar komt bij dat op de wat lange termijn het Verre Oosten niet goedkoop zal blijven. Je ziet nu al een zekere conversie van productiekosten, want ook daar stijgen de lonen en de milieukosten. Weliswaar zijn ze nog niet op het Nederlandse niveau, maar dankzij de stijgende arbeidsproductiviteit kunnen we de concurrentie nog steeds aan. Bovendien zullen op termijn de transportkosten gaan stijgen, waardoor het interessant blijft om in West-Europa te produceren.”

Grondstoffen

Hoewel ze zeker rekening houden met algemene ontwikkelingen in

een sector, kijken banken toch vooral naar de kwaliteit van het individuele bedrijf. Dantuma: “Als we geld uitlenen aan een bedrijf, dan willen we graag weten of de kasstroom groot genoeg is én blijft om de rente en aflossing te betalen. Daarbij kijk je toch vooral of het bedrijf financieel gezond is, of de orderpositie goed is en of het goed wordt bestuurd.” Een onderdeel van de bedrijfsvoering waar tegenwoordig wel wat langer naar wordt doorgevraagd is de ‘sourcing’: waar haalt het bedrijf zijn grondstoffen vandaan en hoe zeker is die aanvoer? Woltheus: “Daarbij kijken we vooral naar de spreiding van risico’s. Is het bedrijf afhankelijk van één toeleverancier, bijvoorbeeld een reststroom van een ander bedrijf, dan is het risico vaak groter dan wanneer meerdere toeleveranciers de grondstof kunnen leveren.”

Geen bedreiging

“De kwaliteit van het individuele bedrijf is ook voor investeringsmaatschappijen doorslaggevend”, stelt Bart Meuter, directeur van de Nederlandse vestiging van CVC Capital. Aan de muur van het kantoor hangen tientallen ingelijste documenten van deelnemingen van CVC, variërend van softwarebedrijven zoals Raet tot Acordis, de voormalige vezeldivisie van AkzoNobel (inmiddels weer verkocht) en de supermarkten van C1000. Meuter: “Het verschil met de banken is dat wij vooral kijken naar de ‘upside’, de kansen van een bedrijf, terwijl de banken wat meer oog hebben voor de ‘downside’, de risico’s. Bij de keuze om al dan niet een bedrijf over te nemen - meestal

e

januari 2012 Chemie magazine 19


WerkWijze CVC

Elke vijf tot zeven jaar maken de medewerkers van CVC een ronde langs grote institutionele beleggers, zoals pensioenfondsen en de overheidsfondsen van onder meer de olieproducerende landen. De beleggers committeren zich voor in totaal enkele miljarden, en daarmee koopt CVC bedrijven waarmee ze over een periode van vijf tot zeven jaar waarde kunnen creëren. Daarna worden de bedrijven weer verkocht. Investeringsmaatschappijen krijgen nogal eens het verwijt dat ze uit zijn op korte-termijnwinstbejag, en daarom het bedrijf dat ze overnemen volhangen met schulden. Meuter herkent zich daar absoluut niet in. “We stappen er voor langere tijd in om het bedrijf juist meer waard te maken. De volgende eigenaar moet er ook wat aan hebben. Anders dan een aandeelhouder of financier zitten we er ook veel meer bovenop. We zitten meestal in de raad van commissarissen en zijn steeds in dialoog met het management over de mogelijkheden om te groeien.”

zeeman inVesteert

Navitas Capital, de investeringsmaatschappij van de familie Zeeman (van de textielwinkels), kiest de bedrijven waarin ze deelneemt met de nodige zorgvuldigheid, stelt directeur Rense Jonk. “We zijn geen sprinkhanen, maar proberen bedrijven zo goed mogelijk te ondersteunen bij het realiseren van hun groeipotentie.” Een van die bedrijven is Avantium, een spin-off van Shell Research waarin Navitas al sinds 2008 deelneemt. Jonk: “Een voorbeeld van Nederlands ondernemerschap. Het bedrijf heeft zich bewezen en beschikt over een zeer innovatieve, kansrijke technologie. Het recente contract met Coca Cola voor het verder ontwikkelen van een kunststof (PEF, polyethyleenfuraan) op biologische basis illustreert dat.” De investeringen van Navitas zijn verspreid over vele bedrijven, variërend van een technologiebedrijf als Avantium tot kinderopvangcentra en grootwinkelbedrijven. “Onze filosofie is dat we investeren in ondernemerschap”, zegt Jonk. “Bij voorkeur in ondernemingen die we goed kennen. Vaak zijn dat dus Nederlandse ondernemingen die al een zekere mate van volwassenheid hebben bereikt.”

20 Chemie magazine januari 2012

“We zijn juist buitengewoon positief over de kansen van de chemische industrie”

willen we 90 procent van de aandelen – laten we ons leiden door de vraag of we waarde kunnen creëren. Bij het beantwoorden van die vraag houden we rekening met vier factoren. Om te beginnen moet het een relatief stabiele business zijn, een volwassen industrie die zichzelf bewezen heeft. Op de tweede plaats zoeken we marktleiders. Een bedrijf moet bij de top drie behoren, want dat zijn de bedrijven die bepalend zijn in de markt. Op de derde plaats kijken we naar de kwaliteit van het management. Mensen bepalen de kwaliteit van het bedrijf. Daar investeren we ook in. We willen ook graag dat het management 10 procent van de aandelen heeft. Een belangrijke factor ten slotte is de groeipotentie van het bedrijf. Daarmee kom je bij de onderliggende trends, zoals die in het rapport van Deloitte worden aangekaart”, concludeert Meuter. “De schaarste aan grondstoffen bijvoorbeeld is voor ons een belangrijke trend. We zien dat overigens niet als een bedreiging, maar als een kans, juist voor de chemische industrie.” Als voorbeeld noemt hij een eerdere deelneming van CVC in Wavin, de succesvolle producent van kunststof buizen. Meuter: “We zagen de potentie van kunststof als vervanging van het schaarser en duurder wordende koper. Ik vind dat nog steeds een mooi voorbeeld van schaarste als drijfveer voor een businessmodel.”

Andere ogen

CVC is ook eigenaar van de Van Gansewinkel Groep, met daarin onder meer de afvalenergiecentrales van AVR. Oorspronkelijk was Van Gansewinkel een afvalverwerkend bedrijf, maar tegenwoordig opereert de Groep volgens het motto ‘afval

bestaat niet’. Die aanpak vormt volgens Meuter een voorloper van de circulaire economie, waarin de schaarste aan grondstoffen wordt bestreden door hergebruik. Dat gaat verder dan afval scheiden. De Van Gansewinkel Groep ontwikkelt bijvoorbeeld ‘take-backsystemen’, waarbij de oorspronkelijke producent zijn afgedankte mobiele telefoons of auto’s terugneemt, uit elkaar haalt en de secundaire grondstoffen opnieuw gebruikt. Meuter: “Het effect daarvan is dat zo’n producent zijn product met andere ogen gaat bekijken. Hij zal het zo proberen te ontwerpen en te maken dat hij later makkelijker de gebruikte grondstoffen terug kan winnen en hoogwaardig kan hergebruiken: design for disassembly.” CVC investeert in de Groep omdat het gaat om een gevestigde industrie die nieuwe, innovatieve wegen inslaat. Voor biobased ligt dat – nu nog - anders. Meuter: “Ik zal niet ontkennen dat biobased grondstoffen voor de chemische industrie een interessant alternatief vormen voor fossiele grondstoffen, maar vanuit ons gezichtspunt is het nog te pril. Het zit nog te veel in de fase van proeffabrieken.”

Groeipotentie

Al met al blijken zowel banken als investeringsmaatschappijen een groot vertrouwen te hebben in de toekomst van de chemische industrie, zowel in Nederland als in West-Europa. Dantuma: “Het is een innovatieve sector, die sterk verweven is met de maakindustrie in Europa en elders. Daarmee beschikt de chemische industrie over een goede uitgangspositie met veel groeipotentie. Doorslaggevend voor ons blijft echter de kwaliteit van het individuele bedrijf.” p


services

Your future is what you make of it. DSM is a global science-based company active in health, nutrition and materials. DSM Food Specialties (DFS) develops, produces, market ingredients and processing aids for the Dairy, Baking, Beverage, Cultures, Test & Preservation, Savoury and Nutritional Markets. DSM Biotechnology Center (DBC) is the center for biotechnological Research and Development (R&D) within the innovation driven company DSM. DSM is looking for a talented SHE manager (for DFS) and SHE advisor (for DBC) with relevant knowledge and experience in the area of safety and production environments. Responsibility, interpersonal skills, a drive for results, flexibility, innovation and adaptability are key competences for these positions. Are you looking for a job in a company in which you will be stimulated and nurtured to develop your talents and determine your own career path? Visit our website www.cls-services.nl to read more about this positions.

DSM - Delft

matching the best in chemistry & life-sciences

Dedicated to Excellence

www.cls-services.nl

recruitment & selection and outsourcing in chemistry | pharma | biotech | food

Logistics Control Tower Cost Saving Tools Carrier Connectivity KPI Dashboards

tro le ? rt o n d e r co n U w tra n sp o

CO2

Bekijk de DSM business case

WIJ DE CONTROLE, U HET INZICHT IDS is gespecialiseerd in ADR, Temp- en vorstvrijzendingen. Ga naar idsnl.com/ADR


Werner Fuhrmann (VNCI-voorzitter en AkzoNobel-bestuurder):

‘Zonder maakindustrie welvaart in europa’ De chemie is de industrie der industrieën. Zonder chemie geen maakindustrie en zonder maakindustrie geen welvaart. Dat is de overtuiging van VNCIvoorzitter en AkzoNobel-bestuurder Werner Fuhrmann. Het positieve Deloitte-rapport over de toekomst van de chemische industrie in Nederland en Noordwest-Europa bevestigt zijn visie. Het onderzoek weerlegt de aanvankelijke terughoudendheid van de financiële wereld om te investeren in de chemie. Fuhrmann: “Dat was een verkeerde inschatting.” Tekst: Jos de Gruiter

E

en paar dagen geleden presenteerde de VNCI de langverwachte resultaten van het onderzoek naar de toekomst van de chemische industrie in Nederland en NoordwestEuropa. De uitkomsten van de door Deloitte uitgevoerde studie zijn hoopgevend: de uitgangspositie van de sector is bijzonder gunstig en in alle vier de toekomstscenario’s die het organisatieadviesbureau schetst, is er een belangrijke rol voor de chemie weggelegd. Hoewel VNCI-voorzitter Werner Fuhrmann (lid van het executive committee van AkzoNobel) geen echte ‘eye opener’ in het rapport ontdekte, is hij blij met de uitkomst. “Het stimuleert de discussie en er komen kansen naar boven door het denken over langetermijnscenario’s.” Even terug naar het begin: wat was ook alweer de aanleiding voor de onderzoeksopdracht? “De wereld verandert in een razend tempo. Machtsverhoudingen verschuiven, de wereldbevolking stijgt, grondstoffen raken op en het klimaatprobleem is ondanks drie grote conferenties niet opgelost. Er liggen dus grote uitdagingen die om oplossingen vragen. De chemie is kennisintensief en kan in belangrijke mate

22 Chemie magazine januari 2011

bijdragen aan verduurzaming van de samenleving en het oplossen van het klimaatprobleem. Daarnaast zijn we, met onze vijftig miljard euro omzet en onze bijdrage aan het bruto nationaal product en de handelsbalans, als sector van grote waarde voor de economie.” Het onderzoek moest vaststellen of die positie zou worden gehandhaafd in 2030 en daarna. “Dat was de vraag, ja: is er ook toekomst voor de chemische industrie in Nederland en NoordwestEuropa? Welnu, de chemie is lang geleden in Europa uitgevonden. We hebben hier een stevige traditie, maar als ik kijk naar omzetcijfers, dan zijn we inmiddels ingehaald door China. We komen dus voor diverse vragen te staan. Wat is de toekomstige rol van de chemie in Europa? Wat gaan we hier nog zelf maken? Of kunnen we alle producten in Azië kopen? Een belangrijke conclusie is: als we hier een maakindustrie willen handhaven, hebben we de chemische industrie nodig om er de basisproducten voor te leveren.” Want we mogen niet afhankelijk worden van andere continenten? “Wij zijn allemaal van elkaar afhankelijk. Dat is het probleem niet. Han-

del is een zeer belangrijke bron van welvaart, maar wij moeten ons wel realiseren dat we niet álles kunnen kopen. Wij moeten ook iets blijven maken. Je zou kunnen redeneren: wij hebben de ideeën, wij doen het ontwerp, en iemand anders maakt de producten, maar ik geloof daar niet in. De helft van onderzoek en innovatie is gekoppeld aan de aanwezigheid van bestaande installaties. Als die weg zijn, is er minder ruimte om dingen uit te vinden. Dan verlies je de industriële basis en dus ook de basis voor welvaart. Voor mij staat het als een paal boven water dat we de maakindustrie moeten behouden. Dat betekent dat we aan de voorkant de chemische industrie nodig hebben.” Ooit waren we heel bezorgd over het verdwijnen van sectoren als de grote scheepsbouw, de textielindustrie en de vliegtuigindustrie. We hebben dat verlies opgevangen. Wat maakt het verdwijnen van de chemie anders? “De sectoren die je noemt waren erg arbeidsintensief of te kleinschalig, zoals de vliegtuigindustrie, en er waren andere branches, zoals de IT-sector en de gezondheidszorg, die voor opvang zorgden. Hierdoor bleef het welvaartsniveau op peil. Maar als aan de voorkant de indus- e


Visie 2030/2050

rie geen

foto: ca sper ril a

“Ook de financiële wereld verkijkt zich wel eens op de kansen van sectoren.”

“Als we hier een maakindustrie willen handhaven, hebben we de chemische industrie nodig om er de basisproducten voor te leveren.” januari 2011 Chemie magazine 23


trie wegvalt, dan vraag je om problemen. De sector past in een rijpe, ontwikkelde economie. Sterker, hij is onmisbaar. Dat is overigens niet alleen mijn opinie, maar ook die van het kabinet. Zo is de chemie aangewezen als topsector en wordt de cruciale rol ervan erkend door de politiek in Den Haag en in Brussel.”

“Kernenergie is uiteindelijk geen duurzame oplossing”

Ook door de financiële wereld? Er waren ooit geluiden te horen dat de financiële wereld terughoudend was om in de chemische industrie te investeren. De sector zou te weinig toekomstperspectief hebben. “Dat was een verkeerde inschatting. We zijn kennisintensief en innovatief. De High Level Group on the Competitiveness of the European Chemicals Industry, waarin de Europese Commissie, NGO’s en de industrie vertegenwoordigd waren, concludeerde al in 2009 dat de chemie een belangrijke rol speelt bij het oplossen van grote problemen op het gebied van energie, voedsel en gezondheid.

Hoe is het dan mogelijk dat banken en andere investeerders zo’n taxatiefout maken? “Dat verwijt ik de financiële wereld niet. Kennelijk is het ons niet gelukt om de boodschap helder over te brengen. Bovendien verkijkt ook de financiële wereld zich wel eens op de kansen van sectoren.”

24 Chemie magazine januari 2011

Bent u persoonlijk tevreden over het rapport zoals het er ligt? Er is niet één helder pad aangegeven dat de chemie zou moeten volgen. “Klopt, het is geen blauwdruk, maar het stimuleert de discussie over onze toekomst op de lange termijn. Dat past ons ook. De chemie is niet

te vergelijken met bijvoorbeeld de auto-industrie. Wij maken niet elke paar jaar een nieuw model. Wij zijn vijf tot tien jaar bezig voordat de volledige impact van een vernieuwing gerealiseerd is, ook al weten we precies hoe die verandering eruit moet zien.” Het rapport schetst vier mogelijke toekomstscenario’s waarin de chemie zijn weg zal moeten vinden. Biedt dat u aanknopingspunten? “Het zijn vier min of meer positieve scenario’s, want ook het slechtste gaat uit van groei. Ik ga er niet vanuit dat een van de vier één-op-één gerealiseerd zal worden. Ik denk dat het een combinatie zal zijn, waarbij de scenario’s waarin sprake is van een overvloed aan energie en een hightechwereld het minst waarschijnlijk zijn. De scenario’s die Deloitte heeft aangeduid met fragmentation en green transition zijn het meest waarschijnlijk. Met die ontwikkeling kunnen we rekening houden.”


Visie 2030/2050

“Het laatste wat we moeten hebben is dat we over twintig jaar vaststellen dat overal in de wereld moderne installaties staan, behalve in Europa.”

Kunt u, los van de scenario’s, een grote lijn aangeven waarlangs de chemische industrie zich zal ontwikkelen? “We zullen steeds efficiënter omgaan met grondstoffen en meer denken in kringlopen. Denk aan de ontwikkeling van batterijen met een factor tien langere levensduur. Verder is het niet gewaagd om te voorspellen dat we geleidelijk overstappen van fossiele naar biobased grondstoffen. Je hoeft geen wetenschapper te zijn om te bedenken dat het niet duurzaam is om in tweehonderd jaar de grondstoffen te verbruiken die er tweehonderd miljoen jaar over hebben gedaan om olie, gas en steenkool te worden. Hoe snel die transitie gaat, hangt ook af van stimulansen die de overheid verstrekt. In elk geval is nog nooit in de geschiedenis van de mensheid zo veel onderzoekscapaciteit gezet op een onderwerp als nu gebeurt rond de oplossing van het CO2-vraagstuk. We zetten veel kleine stapjes in de goede richting. Daardoor verschijnt er af en toe ook een grote ontdekking die ons geen factor tien, maar een factor duizend dichter bij de oplossing brengt.” Hoe lang verbranden we nog olie, kolen en gas? “We ontdekken nog steeds nieuwe voorraden, maar het houdt een keer op. Bovendien zijn we verplicht de schadelijke bijwerkingen te beperken. Dat alleen is al een argument om over te stappen op biomateriaal. Die overstap zal in 2030 of 2050 niet voltooid zijn, maar in principe moet de industrie in 2050 CO2-neutraal zijn. Dat vind ik een zeer gezonde doelstelling en dat moet mogelijk zijn. De vaker geciteerde studie van McKinsey heeft aangetoond dat voor elke ton CO2 die vrijkomt in de chemie, er verderop in de keten 2,5 tot 3 ton wordt bespaard, bijvoorbeeld doordat er isolatiemateriaal van gemaakt wordt. De balans is dus goed, maar we zijn nog steeds verantwoordelijk voor die ton. Dat is te veel. We kunnen daaraan alleen iets doen via geleidelijke transitie naar

biogrondstoffen. Ook moeten we af van het verbranden van fossiele grondstoffen. Dat is niet meer van deze tijd.” Beluister ik een pleidooi voor een nieuwe kerncentrale? “Kernenergie is uiteindelijk geen duurzame oplossing. Ik heb er geen principiële bezwaren tegen, maar er zijn grote belemmeringen. We hebben in Japan ervaren dat het restrisico niet alleen in theorie bestaat. De bron van onze energie is simpelweg de zon. Die moeten we op een intelligente manier gebruiken. We kunnen nu al energieneutrale gebouwen neerzetten. Dat moeten we verder ontwikkelen. Technisch kan er al heel veel, het komt alleen economisch nog niet uit omdat energie in dat licht te goedkoop is.” Al zonnecollectoren op het dak van uw nieuwe woning? “Nee, bewust niet. Waar ik woon [Amsterdam – red.] zijn ze nog niet rendabel. Maar de technologie is nu zo ver ontwikkeld dat zonne-energie economisch verantwoord is in streken ten zuiden van de lijn RomeMadrid. En de ontwikkeling gaat verder.” Wat moet de overheid uit het rapport halen? “Voor het ministerie is de betekenis van de sector duidelijk. Voor ministers en ambtenaren zal de inhoud bevestigen wat ze al beseffen. Verder zijn er regels waaraan we moeten voldoen. Incidenten als met Chemie-Pack mogen niet voorkomen. Waar de overheid vooral voor moet zorgen is een gelijk speelveld, zowel met andere regio’s als met omringende landen.” Dus geen ETS [emissiehandelssyteem – red.] in de huidige vorm. “ETS is een intelligent systeem, maar het probleem is dat buiten Europa niemand het invoert. We moeten na Kopenhagen, Cancun en Durban vaststellen dat Obama en de Chinezen er niet aan willen, en dus

blijft het dus een Europees systeem. Ik ben niet tegen ETS, maar dan moeten we het zo inrichten dat er echt een prikkel van uitgaat om efficiënt te werken. Goede prestaties moeten worden beloond. Wij moeten voorkomen dat de chemische industrie in Europa, de meest efficiënte ter wereld, het continent wordt uitgejaagd, want wat is de winst als wij verhuizen naar regio’s met een veel zwaardere carbon footprint? Een ander aandachtspunt voor de overheid is het aantrekkelijk houden van Nederland als vestigingsplaats.” Wat mankeert daar nu aan? “Ik zeg niet dat het nu slecht is, want anders zouden we niet zo’n sterke industrie hebben. Dat is het gevolg van een goed samenspel tussen industrie, overheid, onderwijs en arbeidsmarkt. Maar we moeten beseffen dat we dat moeten behouden.” “Verder moeten Europese overheden de toegang tot grondstoffen managen. Als we overstappen op biomateriaal komen we voor de vraag te staan of we de grondstoffen op ons eigen continent produceren of importeren uit andere delen van de wereld. De beste optie is dat we het hier verbouwen. In landen als Oekraïne en Frankrijk is meer ruimte dan nu benut wordt. De overheden moeten dat proces optimaliseren.” Tot slot: welke boodschap moet de chemische industrie uit het rapport halen? “Ik hoop dat we er zelfvertrouwen aan ontlenen. De groeipercentages zullen lager zijn dan in andere regio’s, maar er is hier nog genoeg te ondernemen. Het laatste wat we moeten hebben is dat we over twintig jaar vaststellen dat overal in de wereld moderne installaties staan, behalve in Europa. Dan zijn we op weg naar een industriemuseum en het verlies van onze concurrentiepositie.” p

januari 2011 Chemie magazine 25


Een jaar na de brand bij Chemie-Pack in Moerdijk

FOTO: HOLL ANDSE HOOGTE

ZORG OVER OPSTEL

26 Chemie magazine januari 2012


Veiligheid

elling overheid Een jaar na de brand bij Chemie-Pack in Moerdijk constateren verschillende chemiebedrijven dat de overheid zich bij inspecties en de vergunningverlening veel formeler opstelt en weinig ruimte meer laat voor dialoog. Dit belemmert de samenwerking van overheid en industrie aan veiligheid en doet afbreuk aan het Nederlandse investeringsklimaat, stelt Frans Kempenaars, voorzitter van de VNCI-beleidsgroep Veiligheid, Gezondheid en Milieu. Tekst: Erik te Roller

D

e VNCI heeft onlangs aan haar leden gevraagd wat er sinds de brand bij ChemiePack in Moerdijk van een jaar geleden veranderd is. Uit de reacties blijkt dat zij bezorgd en soms ook geïrriteerd zijn over de gewijzigde opstelling van de overheid. Zo zou zij zich veel formeler opstellen en weinig ruimte laten voor dialoog. Volgens Frans Kempenaars, naast zijn werk bij Styron in Terneuzen voorzitter van de VNCI-beleidsgroep Veiligheid, Gezondheid en Milieu, verschilt het per regio hoe formeel de overheidsinstanties zich opstellen. Ook is het afhankelijk van de professionaliteit van de inspecteurs en vergunningverleners.

Details

De kritiek van de individuele bedrijven richt zich vooral op de veranderde opstelling van verschillende lokale en regionale autoriteiten. “Dat de overheid na de brand bij Chemie-Pack strenger inspecteert, daar is niets mis mee”, stelt Kempenaars. “Maar de inspecteurs leggen hierbij te veel nadruk op de details. Kleine afwijkingen of onvolkomenheden laten ze zwaar meewegen bij hun beoordeling van BRZO-bedrijven. Bijzaken worden ineens hoofdzaken. Hierdoor dreigt een verkeerd beeld te ontstaan van hoe het werkelijk met de veiligheidssituatie en de veiligheidscultuur van de bedrijven gesteld is. Door de slechtere beoordeling voelen veel chemiebe-

drijven zich miskend, ondanks hun inspanningen op veiligheidsgebied. Dat komt de relatie tussen overheid en bedrijven niet ten goede.” Een voorbeeld hiervan zijn de inspecties naar de opslag van gevaarlijke stoffen volgens de PGS 15-richtlijn (verpakte gevaarlijke stoffen) en de PGS 29-richtlijn (bovengrondse tankopslag van brandbare vloeistoffen). Sinds de brand bij Chemie-Pack besteedt de overheid daar uiteraard extra aandacht aan. “Het probleem is alleen dat de diverse overheidsinstanties de normen in deze richtlijnen verschillend interpreteren”, stelt de beleidsgroepvoorzitter. “Daarnaast eisen ze dat beveiligingsoplossingen naadloos overeenkomen met de letter van de bepalingen in de richtlijnen, terwijl die bepalingen niet altijd eenduidig zijn. Het zijn ook niet voor niets richtlijnen. De overheid kan beter in overleg met de experts van de betreffende bedrijven zoeken naar passende oplossingen. Dat voorkomt een hoop frustratie en leidt zeker niet tot slechtere resultaten. Integendeel.”

Gezond verstand

Ook bij de vergunningverlening stelt de overheid zich veel formeler op, zo blijkt uit de reacties. Ze vraagt vaker om aanvullende studies en stelt extra voorwaarden. “Hierbij komt nog dat ze onvoldoende gebruik maakt van de kennis van de bedrijven over veiligheidszaken”, stelt Kempenaars. “Dit leidt uitein-

delijk tot suboptimale oplossingen waarmee veiligheid, milieu en economie niet gediend zijn. Het is beter om samen en met gezond verstand naar de meest effectieve oplossingen te zoeken.” Daarnaast ervaren bedrijven dat de overheid bij kleine overtredingen meteen tot handhaving overgaat. Ook besluit het Openbaar Ministerie gemakkelijker om bestuurders of medewerkers van een bedrijf te vervolgen. “Soms komt het Openbaar Ministerie pas na enige maanden in actie, als de kwestie al langs bestuurlijke weg is opgelost”, meent Kempenaars. “Dat verstoort de verhoudingen tussen overheid en bedrijfsleven. Een van de sterke punten van de Nederlandse aanpak van veiligheid en milieu is juist de volledige openheid waarin de overheid en de bedrijven deze onderwerpen kunnen bespreken. Door de toenemende juridisering gaan bedrijven zich steeds terughoudender opstellen, wat helaas ook gebeurt als zij kennis over veiligheidszaken uitwisselen met andere bedrijven op bijeenkomsten van regionale netwerken. De bedrijven zijn er namelijk beducht voor om inspecteurs of mensen van justitie op bepaalde gedachten te brengen. Dat belemmert weer het proces om de chemie nog veiliger te maken. In die zin heeft de juridische aanpak een averechts effect. Uiteraard moeten grote overtredingen juridisch aangepakt worden, maar kleine incidenten kunnen beter e januari 2012 Chemie magazine 27


Reactie Lat RB

“De inspecteurs leggen te veel nadruk op de details” bestuurlijk afgehandeld worden.” Het lijkt erop dat de ministeries van Infrastructuur & Milieu en Sociale Zaken & Werkgelegenheid in het afgelopen jaar de regionale en lokale overheden onder druk hebben gezet om strenger te controleren en hardere eisen te stellen. De ministeries staan op hun beurt onder druk vanwege de politieke en publieke verontwaardiging over het feit dat de overheid bij de inspecties en vergunningverlening van Chemie-Pack steken heeft laten vallen. “Het gevolg is echter dat inspecteurs zich uiterst formeel opstellen uit angst om fouten te maken”, stelt de voorzitter. “Constructieve discussies komen niet van de grond en de beste technische en organisatorische maatregelen komen in het gedrang. Het lijkt wel alsof de angst regeert.”

Consequenties

Welke consequenties heeft dit alles voor de chemische industrie in Nederland? “Van verschillende kanten hoor ik dat Nederland minder aantrekkelijk als investeringsland wordt,” aldus Kempenaars, “vooral door de lange en moeizame vergunningstrajecten en onredelijke vergunningseisen. Verder leidt de strikt formele aanpak tot een verwijdering in de relatie tussen overheid en bedrijfsleven. We moeten voorkomen dat we straks aan beide kanten met de hakken in het zand gaan staan. Dat staat een constructieve dialoog in de weg. Een open dialoog is essentieel om het gemeenschappelijke doel te bereiken, namelijk de chemie nog veiliger maken”, aldus Kempenaars.

Garantie

Kempenaars wijst erop dat de brand bij Chemie-Pack in Moerdijk ook positieve gevolgen heeft gehad. Zo hebben de VNCI en andere 28 Chemie magazine januari 2012

brancheverenigingen in VNONCW-verband het programma Veiligheid Voorop gelanceerd. “Hieruit blijkt dat de chemie en andere branches niet weglopen voor hun verantwoordelijkheid. Ze willen elkaar helpen en van elkaar leren. Ook nemen ze collectief verantwoordelijkheid door de bedrijven die achterblijven op sleeptouw te nemen op weg naar een betere veiligheidscultuur en hogere veiligheidsprestaties.” Verder onderhoudt de VNCI op landelijk niveau goede contacten met de overheid. De vereniging mag bijvoorbeeld aanschuiven bij vergaderingen van de Regiegroep Landelijke Aanpak Toezicht, waarbij verschillende overheidsinstanties spreken over de vernieuwing van het toezicht. Een andere positieve ontwikkeling is dat de overheid meer vaart zet achter de oprichting van regionale uitvoeringsdiensten naar voorbeeld van DCMR Milieudienst Rijnmond. Zij zullen de inspectie, handhaving en vergunningverlening van de gemeenten en provincies overnemen. Kempenaars tekent daarbij aan dat een ander organisatiemodel op zichzelf geen garantie biedt dat alles in de toekomst beter gaat. “Zeker zo belangrijk zijn de mensen die er werken, de lijn die ze volgen en het mandaat dat ze krijgen.” Hoewel de chemische industrie meer tegenwind van de overheid ervaart, is dat volgens Kempenaars geen reden om op veiligheidsgebied een afwachtende houding aan te nemen. “Twee zaken zijn belangrijk: we moeten de actiepunten van Veiligheid Voorop consequent uitvoeren en daarnaast de dialoog met de overheid blijven zoeken. Daarbij valt te denken aan het formaliseren van branchespecifiek overleg, waarin we verschillende kwesties op tafel kunnen leggen en bespreken.” p

Jan ten Doeschate, voorzitter van de Regiegroep Landelijke Aanpak Toezicht Risicobedrijven (LAT RB), is het niet eens met Kempenaars. “Het extra toezicht vormt geen belemmering voor de verdere dialoog tussen chemische industrie en overheid over het verhogen van de veiligheid. Het een staat los van het ander. De gesprekken over vernieuwing van het toezicht, met name het systeemgericht toezicht, lopen gewoon door.” Ten Doeschate ziet het als vanzelfsprekend dat na Chemie-Pack zowel de overheid als de risicovolle bedrijven extra aandacht aan veiligheid besteden. “Ook de overheid streeft continu naar verbetering van de veiligheid. Zodoende heeft de brand bij Chemie-Pack aanleiding gegeven om het toezicht te verscherpen door vaker onaangekondigde controles uit te voeren.” Toezicht en handhaving maken deel uit van het overheidsinstrumentarium, maar volgens de LAT RB-voorzitter is daarmee bij het verbeteren van de veiligheid niet zo veel winst meer te behalen. “Inmiddels hebben we onze zaken in Nederland zo goed voor elkaar dat meer controles nauwelijks meer veiligheid opleveren. Het meeste effect op veiligheid heeft wat een bedrijf daar zélf aan doet. Worden de regels alleen nageleefd om boetes bij controles te voorkomen, of omdat veiligheid bij de medewerkers van hoog tot laag tussen de oren zit?” Verder heeft maatschappelijke druk van de omgeving en de media merkbaar effect op de naleving van veiligheids- en vergunningsvoorschriften, weet hij. “Na een incident als de brand bij Chemie-Pack is die druk natuurlijk groter.” Verdere verbetering van de veiligheid moet komen van slimmere oplossingen, zo meent Ten Doeschate. In navolging van de aanpak bij de provincie Noord-Brabant zetten overheden elders in het land steeds vaker systeemgericht toezicht in. “Als bedrijven hun veiligheidsbeleid goed integreren in hun bedrijfsvoering, kan de overheid volstaan met minder controles, mits er goede afspraken zijn gemaakt en er wederzijds vertrouwen is”, aldus Ten Doeschate.


Veiligheid organisatiebreed borgen is mijn nieuwe uitdaging Kijk op www.copla.nl/hvk ‘Ik ben alweer een aantal jaren werkzaam bij een groot bedrijf in de petrochemische industrie. Veilig werken wordt steeds belangrijker en raakt alle bedrijfsdisciplines. Bij ons gaat het al lang niet meer alleen om kennis en informatie. Ik wilde verder met mijn carrière en ben de opleiding Hogere Veiligheidskunde gaan volgen bij Copla. Het voelde goed om met collegacursisten en docenten samen te werken in een klein hecht team. Ik heb nu de kennis en vaardigheden om veiligheid organisatiebreed te borgen en de organisatie ook te motiveren mee te denken incidenten daadwerkelijk structureel te voorkomen. En nog steeds houdt Copla mijn vakkennis up-to-date.’ Ook toe aan een nieuwe stap? Volg de Hobéon SKO-erkende dagopleiding HVK. Copla start 2x per jaar in Harderwijk.

Jan Luchters, kam-coördinator

Verder met veiligheidszorg. Verder met Copla. Copla Opleiding – Training – Consultants Harderwijk | 0341 430848 | info@copla.nl www.copla.nl

Volg ons op:


Programmatische Aanpak Stikstof biedt chemische industrie ontwikkelruimte

Lucht in stikstofbeLeid O

Rond beschermde natuurgebieden is bedrijfsontwikkeling vaak lastig te combineren met natuurdoelen. De Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) moet de vastgelopen vergunningverlening vlottrekken. Toch krijgt de chemie niet zo maar een vrijbrief: “Ondanks dat de industrie in het verleden al zo veel heeft gedaan aan het terugdringen van de emissies, zie ik geen reden om haar een voorkeurspositie te geven.�

verheid en bedrijfsleven zijn in gesprek over de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Deze nieuwe beleidsaanpak moet de vastgelopen vergunningverlening rond Europees beschermde natuurgebieden, de Natura 2000-gebieden, vlottrekken. Te hoge stikstofdeposities brengen niet alleen de natuur, maar ook de economische ontwikkeling in problemen. Daarom zoeken betrokkenen samen naar een werkbare oplossing. Te veel stikstof is schadelijk voor de natuur: kwetsbare planten worden verdrongen door grassen en brandnetels, en daarmee verliezen ook allerlei diersoorten hun leefgebied. Deze stikstofproblematiek maakt het steeds moeilijker voor bedrijven om een vergunning te krijgen onder de Natuurbeschermingswet. De PAS moet een eind maken aan die stagnatie in de vergunningverlening. Op 15 december stuurden staatssecretaris Bleker van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) en staatssecretaris Atsma van Infrastructuur en Milieu (IM) hun voorstel naar de Tweede Kamer. Rijk en provincies dienen de PAS voor 1 april 2012 vast te stellen.

Tekst:Marion de Boo

Het Bargerveen in het zuidoosten van Drenthe staat op de lijst van mogelijke Natura 2000-gebieden.

30 Chemie magazine januari 2012

foto: holl andse hoogte

Europese natuurdoelen

Het nieuwe beleid vloeit voort uit Europese verplichtingen voor natuurbescherming, die uitgewerkt zijn in Natura 2000. Dit is een Europees netwerk van natuurgebieden ĂŠn de naam van het Europese beleid om de biodiversiteit in die gebieden te beschermen. Nederland telt 162 Natura 2000-gebieden, waarvan er 133 te zwaar met stikstofverbindingen worden belast. Om de Europese natuurdoelen te halen moet daarom


Milieu

de depositie van ammoniak en stikstofoxiden (NOx) verder omlaag. Als Nederland niet aan deze internationale verplichtingen voldoet, kan Brussel hoge boetes opleggen. Bovendien stagneert de vergunningverlening voor economische activiteiten die tot meer stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden leiden. En áls die vergunningen al worden verleend, is het maar de vraag of ze juridisch houdbaar zijn. De PAS moet deze vastgelopen vergunningverlening vlottrekken.

Maatregelen

Wat houdt de PAS in? Er komen maatregelen om de stikstofuitstoot door landbouw, verkeer en industrie omlaag te krijgen. Daarnaast stort de rijksoverheid vanaf 2014 jaarlijks 27 miljoen euro in het Provinciefonds om extra natuurherstelmaatregelen, zoals plaggen en begrazen, te treffen in stikstofgevoelige Natura 2000–gebieden. Tegelijkertijd moeten er maatregelen komen om de waterhuishouding in verdroogde Natura 2000-gebieden te verbeteren, maar hiervoor wordt nog naar financiering gezocht. Dankzij die tweeledige aanpak in de PAS stijgt de natuurkwaliteit en ontstaat ‘ontwikkelruimte’ voor nieuwe bedrijvigheid.

Bewijslast

Programmaleider Sander de Bruin van de programmadirectie Natura 2000 van het ministerie van EL&I vindt de PAS een nuttig instrument. “De PAS maakt voor het eerst duidelijk welke ontwikkelruimte er mogelijk is rondom Natura 2000-gebieden,” zegt De Bruin. “Dit nieuwe beleid gaat een enorme vermindering van de administratieve lastendruk voor het bedrijfsleven betekenen. Waar je als ondernemer nu nog een heel leger van gepromoveerde ecologen moet inhuren om een vergunningaanvraag te onderbouwen, ligt de ‘bewijslast’ straks bij de vergunningverlener.” Het afgelopen jaar is in 133 stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden de stikstofproblematiek geanalyseerd. Rond 128 van die gebieden blijkt ontwikkelruimte mogelijk met behoud van natuurkwaliteit. “In deze gebieden zijn maatregelen voor het terugdringen van de stikstofdepositie opgesteld en is de ontwikkelruimte in beeld gebracht”, aldus De Bruin.

Grote kerstboom

Vanuit de industrie klinken niettemin kritische geluiden over het nieuwe stikstofbeleid. “Als je in aanmerking neemt dat de industrie voor maar 5 procent aan de stikstofdepositie in natuurgebieden bijdraagt, dan wordt er nu nogal een grote kerstboom opgetuigd”, vindt Annemarie van der Rest, milieumanager van Shell Nederland en voorzitter van de Stuurgroep Lucht van VNONCW. “Omdat de wetgeving niet stil heeft gestaan voorzien we al een autonome afname van de stikstofuitstoot in de tijd. Dus dan zou ik zeggen: laat de staatssecretaris zijn pijlen richten op de grote jongens, namelijk bij de ammoniakemissies.”

Netelige kwestie

Een heet hangijzer vindt Van der Rest de rol van de provincies bij het verdelen van de ontwikkelruimte. “Dat is inderdaad een netelige kwestie die nog moet worden opgelost”, constateert ze. “Voor elke industriële uitbreiding die gepaard gaat met verhoging van de stikstofemissies moet je naar de vergunningverlener toe. Die moet nagaan of zo’n uitbreiding past in de ontwikkelruimte van de natuurgebieden.” Daarvoor gebruikt men het rekenprogramma Aerius. Dat rekent precies uit op welke Nederlandse natuurgebieden deze stikstof terecht zal komen. “Maar het is een hele opgave om dat voor alle 162 Nederlandse Natura 2000-gebieden door te rekenen”, zegt Van der Rest. “En stel dat er bij een hoge uitstoot twee of drie moleculen stikstof van de voorgenomen uitbreiding van firma X uit Zuid-Holland terechtkomen in een natuurgebied in Overijssel, dan moet de vergunningverlener door de provincie Overijssel laten aangeven of daarvoor ontwikkelruimte beschikbaar is. Als de ontwikkelruimte krap wordt, kun je je voorstellen dat alle provincies straks ’eigen industrie eerst’ zeggen.“

Vooraf ruimte reserveren

Hoe nu deze valkuil te omzeilen? “Als ondernemers zeggen wij: reserveer van tevoren, net zoals voor het verkeer, een stuk ontwikkelruimte voor de industrie”, adviseert Van der Rest. PAS-programmaleider De Bruin vindt dit echter geen goed plan. “De prognoses van het Planbureau voor de Leefomgeving laten zien dat de stikstofuitstoot

ExxonMobil

Milieumanager Clemens Duyvesteijn van ExxonMobil heeft gemengde gevoelens over de PAS. “Bij extra stikstofuitstoot door de industrie houdt de aanpak totaal geen rekening met de totale impact op het milieu, ook al is er voldoende ruimte voor uitbreiding en zeggen vele biologen dat de gevolgen voor een bepaald diertje of plantje in de praktijk best meevallen.” Volgens Duyvesteijn zijn de NOx-emissies van de chemische industrie de laatste jaren al gigantisch omlaag gegaan. “Sinds onze raffinaderij op laagcalorisch gas en bij een lage verbrandingstemperatuur stookt, is de stikstofuitstoot al een factor 4 tot 6 gedaald. Onze raffinaderij zit nu op een NOxemissie van 1 kiloton, en daarvan komt 40 procent voor rekening van onze warmtekrachtkoppelingsinstallatie. Deze heeft niets te maken met het raffinageproces, maar is wél goed voor het milieu. “ “Verdere verlaging van de stikstofuitstoot kan met een scala aan technische mogelijkheden,” legt Duyvesteijn uit, “zoals bepaalde wassingen, nabehandelingstechnieken en systemen met stoominjectie. Maar dat zijn ingrijpende aanpassingen die je moet implementeren in je eigen investeringscyclus. Gelukkig kijken beleidsmakers nu ook scherper naar de kosteneffectiviteit van dergelijke milieumaatregelen, en wij zijn niet de grootste speler in het NOx-depositieprobleem.”

“Er wordt nu nogal een grote kerstboom opgetuigd” van verkeer en landbouw de komende jaren door het treffen van extra milieumaatregelen zal dalen. De afname van de industriële stikstofemissies zal echter afvlakken, waarna zelfs weer een licht stijgende trend wordt voorzien. Overigens verwachten we dat er voldoende ontwikkelruimte voor alle partijen zal zijn. Wij voorzien in het overgrote deel van de gebieden geen schaarste.“ De discussie gaat volgens de De Bruin vooral gevoerd worden over gebieden waar wél schaarste gaat optreden. “Alle partijen die extra ontwikkelruimte claimen, moeten dan laten zien hoe zij de komende 10 tot 30 jaar de emissies verder verkleinen. Ondanks dat de industrie in het verleden al zo veel heeft gedaan aan het terugdringen van de emissies, zie ik geen reden om haar een voorkeurspositie te geven.”p januari 2012 Chemie magazine 31


Richtlijn voor verpakte gevaarlijke stoffen ook voor chemiebedrijven van belang

PGS 15 vernieuwd

De PGS 15-richtlijn voor het veilig opslaan van verpakte gevaarlijke stoffen is onlangs op diverse punten aangepast en verduidelijkt. Ook beschrijft een nieuw hoofdstuk de tijdelijke opslag van producten, wat van belang kan zijn voor chemische distributeurs en chemiebedrijven. Tekst: Erik te Roller

O

p de PGS 15-richtlijn uit 2005 waren inmiddels zo veel aanvullingen en correcties gekomen dat bedrijven op het laatst wel twee boeken over PGS 15 naast elkaar moesten raadplegen. De nieuwe richtlijn voor het veilig opslaan van verpakte gevaarlijke stoffen maakt het weer veel overzichtelijker. “De belangrijkste wijziging is de opname van een nieuw hoofdstuk over tijdelijke opslag”, zegt Piet Pasveer. Hij maakte als onafhankelijk deskundige deel uit van de werkgroep van experts van overheid en bedrijfsleven die de nieuwe PGS 15 heeft opgesteld. “Het nieuwe hoofdstuk over tijdelijke opslag is bijvoorbeeld van belang voor logistieke bedrijven die opslaan, formuleren, afvullen, ompakken, distribueren en dergelijke. Die zijn de laatste jaren sterk opgekomen, doordat grote bedrijven steeds meer van hun opslag, distributie en logistiek aan deze bedrijven uitbesteden. De verpakte chemicaliën staan tijdelijk, bijvoorbeeld 24 of 48 uur, in een loods, en gaan daarna naar een

32 Chemie magazine januari 2012

andere bestemming. Voorheen golden er alleen uitgebreide maatregelen voor permanent opgeslagen verpakte chemicaliën. Als er vrijwel steeds verpakte gevaarlijke stoffen, zij het tijdelijk, in een loods aanwezig zijn, dan levert dat ook veiligheidsrisico’s voor de omgeving op. Dat vraagt om passende maatregelen, en die staan nu in hoofdstuk 10 van de PGS 15 beschreven”, aldus Pasveer.

Aanpassingen

De nieuwe maatregelen voor het tijdelijk veilig opslaan van verpakte gevaarlijke stoffen verschillen per hoeveelheid. Tot 10 ton gaat het om een beperkt aantal maatregelen (meer maatregelen zonder toezicht ’s nachts, minder maatregelen bij permanent toezicht); bij hoeveelheden van 10 tot 30 ton komen daar maatregelen bij, en boven de 30 ton komen de eisen voor tijdelijke opslag in de buurt van die voor reguliere opslag. “Hoofdstuk 10 over tijdelijke opslag lijkt alleen relevant te zijn voor logistieke bedrijven, maar kan evengoed voor chemiebedrijven van

belang zijn”, zegt VNCI-beleidsmedewerker Macco Korteweg Maris. “Denk bijvoorbeeld aan een partij verpakte chemicaliën die net geproduceerd is en tijdelijk op het bedrijfsterrein ligt opgeslagen in afwachting van verder transport. Bedrijven doen er daarom goed aan om na te gaan of dit hoofdstuk ook op hun activiteiten van toepassing is. Voor het overige omvat de nieuwe versie van de PGS 15-richtlijn vooral kleine aanpassingen voor de werkvoorraad, opslag op verdieping, brandveiligheidsopslagkasten en lege ongereinigde verpakkingen.”

Vlam vatten

Marco de Kraa is veiligheidskundige bij AD International in Heijningen, een bedrijf dat door mengen en roeren producten maakt, bijvoorbeeld voor het behandelen van metaaloppervlakken. Als deelnemer aan de consultatiegroep (klankbord voor de PGS 15-werkgroep) diende hij een voorstel in dat door de werkgroep is overgenomen. “Voorheen schreef PGS 15 voor dat we brandbare verpakte stoffen, of ze nu vast of vloeibaar waren, in aparte loodsen


Veiligheid

Actie ondernemen

Moeten bedrijven naar aanleiding van de nieuwe PGS 15 actie ondernemen? De Kraa: “De publicatie van de nieuwe PGS 15 betekent niet dat we de situatie in ons bedrijf meteen kunnen aanpassen. PGS 15 heeft geen rechtskracht. Het is een richtlijn waaraan je als bedrijf alleen hoeft te voldoen als er vanuit de vergunning naar verwezen wordt. Bij AD Chemicals kunnen we de

situatie dus pas wijzigen als het punt van omgaan met vaste en vloeibare brandbare stoffen in onze vergunning is aangepast.” Pasveer: “Als je als bedrijf een belangrijke wijziging in PGS 15 ziet, kun je het beste contact opnemen met het bevoegd gezag en vragen om aanpassing van de vergunning. Dat is de formele route. Een andere mogelijkheid is dat de overheid met de nieuwe werkwijze alvast akkoord gaat en dat aanpassing van de vergunning pas later volgt. Je moet in elk geval goede afspraken maken om handhavingsproblemen te voorkomen.” p

“De belangrijkste wijziging is de opname van een nieuw hoofdstuk over tijdelijke opslag”

Over PGS 15

PGS 15 staat voor Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen nummer 15. In de publicatie staan voorschriften voor het veilig opslaan van die producten, zoals voor brandbeveiliging, vloeistofdichte vloeren, veiligheidssignalering en periodieke keuringen. De richtlijn geldt voor bedrijven die meer dan 25 kilogram verpakte gevaarlijke stoffen in de opslag hebben, wat er in Nederland enkele tienduizenden zijn. Ongeveer 350 daarvan hebben meer dan 10 ton op eigen terrein staan. De PGS 15 gaat alleen over verpakte producten, zoals gassen in cilinders, vloeistoffen in vaten en vaste stoffen in drums of zakken, en dus niet over bulkopslag van gassen en vloeistoffen in tanks of vaste stoffen in silo’s. De meeste bedrijven die minder dan 10 ton verpakte gevaarlijke stoffen opslaan, vallen onder het Activiteitenbesluit. Deze bedrijven moeten rechtstreeks aan PGS 15 voldoen. Bedrijven die grotere hoeveelheden gevaarlijke stoffen opslaan zijn vergunningplichtig, en hoeven zich daarom juridisch gezien niet aan PGS 15 te houden. Wel zijn ze verplicht te voldoen aan de PGS 15-voorschriften als in de vergunning hier expliciet naar wordt verwezen of teksten uit de richtlijn letterlijk zijn overgenomen. Dit betekent dus dat deze bedrijven in de praktijk toch aan de voorschriften van PGS 15 moeten voldoen, tenzij ze goede argumenten hebben om daarvan af te wijken. Het bevoegd gezag is hierbij de gemeente, provincie of een regionale uitvoeringsdienst, zoals bijvoorbeeld DCMR Rijnmond. Zie www.publicatiereeks.nl/publicaties/PGS15.html voor de inhoud van PGS 15.

foto: shut terstock

moesten bewaren. Deze vaste en vloeibare stoffen mogen voortaan in dezelfde loods worden opgeslagen, mits ze daar door een brandblusinstallatie geblust kunnen worden. In ons geval is dat een sprinklerinstallatie”, verklaart De Kraa. “Waarom het onderscheid tussen vast en vloeibaar werd gemaakt is ons nooit duidelijk geweest. Als het om gevaarlijke stoffen met extra gevaren gaat, kan ik me voorstellen dat je die apart moet opslaan. Maar als vaste stoffen en vloeistoffen even brandbaar zijn en de blusinstallatie deze stoffen kan blussen, is er geen noodzaak ze te scheiden.” Minder positief is De Kraa over de beslissing dat producten met een zeer lage concentratie van een brandbare component volgens de nieuwe PGS 15 nog steeds als brandbaar moeten worden bestempeld. “Neem watergedragen verf. Die bevat maar een paar gram brandbaar oplosmiddel per liter en zal bij ontsteking hooguit tijdelijk vlam vatten en daarna doven. Dit is een punt dat mijns inziens bij de volgende herziening van PGS 15 in 2014 nog moet worden aangepast.” Al met al concluderen Pasveer en De Kraa dat de nieuwe PGS 15 sterk is verbeterd ten opzichte van de voorlaatste versie uit 2005.

januari 2012 Chemie magazine 33


Victory Boogie Woogie doorgelicht Het laatste, onvoltooide werk van Piet Mondriaan (1872-1944), Victory Boogie Woogie, wordt gezien als een van de hoogtepunten van de abstracte, twintigste-eeuwse schilderkunst. Over het werk is alleen weinig bekend, en daarom is in 2006 een interdisciplinair onderzoek gestart naar de ontstaansgeschiedenis en de conditie van het werk. De resultaten zijn te vinden in het onlangs verschenen boek Inside Out Victory Boogie Woogie (Nederlandse titel: Victory Boogie Woogie uitgepakt). Een van de hoofdstukken gaat over de chemische analyses. Victory Boogie Woogie werd in 1998 voor 40 miljoen dollar (80 miljoen gulden) aangekocht door de Nederlandse overheid en in permanente bruikleen gegeven aan het Gemeentemuseum Den Haag. Daar is het meesterwerk voor het onderzoek in verschillende sessies onderzocht, waarbij telkens voor een andere aanpak werd gekozen. Zo zijn de historische bronnen bestudeerd en zijn met een microscoop uitvoerig de verflagen in kaart gebracht. Daarnaast is nietdestructief spectroscopisch onderzoek verricht waarmee alle pigmenten en bindmiddelen die Mondriaan heeft gebruikt zijn geïdentificeerd. Zo is met high-performance liquid chromatography (HPLC) en gas chromatography-mass spectrometry (GC-MS) gedetailleerde informatie verkregen over de verfopbouw en de precieze samenstelling van de bindmiddelen, de additieven en de grondering. 34 Chemie magazine januari 2012

Het onderzoek heeft de ontstaansgeschiedenis van het kunstwerk, dat Mondriaan in twee jaar tijd maakte, laagje voor laagje blootgelegd. Zo blijkt Mondriaan de opzet voor het schilderij al in 1942 met potlood te hebben gemaakt. De lijnen en vierkanten bewerkte hij door oude verf weg te halen en nieuwe aan te brengen. Als basis voor de verven gebruikte hij lijnolie. Er zijn verschillende typen witte, blauwe, rode en gele pigmenten geïdentificeerd, waaronder titaniumdioxide, synthetisch ultramarijn, sulfoselenide en cadmiumsulfide. Een van de geïdentificeerde organische pigmenten is ftalocyanineblauw, dat hij gebruikte in een van de ultramarijnverven. Als rode kleurstoffen zijn de ß-naftolazo-pigmenten litholrood R en heliorood RMT gevonden, dat toen nog vrij nieuwe pigmenten waren. Het onderzoek en het boek willen het begrip van dit kunstwerk en de kunstenaar verbeteren. Zo zijn door detectie van cadmium en cadmium plus selenium gele en rode strippen onder witte vierkanten gevonden. Deze observaties kunnen relevant zijn voor de curatoren om de constructie van het schilderij beter te begrijpen en om eerdere fasen van Mondriaans compositie te onthullen. p Victory Boogie Woogie uitgepakt Hans Janssen, Maarten van der Bommel, Ron Spronk RCE Publications ISBN 9789089643735


Foto: Gemeentemuseum

Uitgelicht

Victory Boogie Woogie (unvollent), 1942-44 Olieverf, tape papier, houtskool en potlood op doek Š 2012 Mondrian/Holtzman Trust c/o HCR International Washington DC

januari 2012 Chemie magazine 35


Utz Tillmann, general manager van het Verband der Chemischen Industrie:

“WE MOETEN SNELLER INNOVEREN” O Vooruitkijken naar 2080 durft Utz Tillmann niet. De general manager van het Verband der Chemischen Industrie kan daarom niets te zeggen over wanneer de sector olie vervangen heeft door biobased grondstoffen. Wat hij wél weet, is dat hij zeer positief is over de toekomst van de Duitse chemische industrie. “Om de grote uitdagingen van de toekomst aan te kunnen heeft de Duitse economie de chemische industrie nodig als een innovation driver.” Tekst: Igor Znidarsic

36 Chemie magazine januari 2012

p 20 januari presenteerde de VNCI The Chemical Industry in the Netherlands in 2030/2050, een studie in samenwerking met Deloitte over de toekomst van de chemische industrie in Europa. De studie laat onder meer zien dat de Nederlandse chemische industrie nauw verbonden zal zijn met de Belgische en de Duitse, gezamenlijk de ARRRA-cluster genoemd (AntwerpRotterdam-Rhine-Ruhr-Area). Chemie magazine vroeg Utz Tillmann, general manager van de Duitse zustervereniging VCI (Verband der Chemischen Industrie) hoe hij de ontwikkeling van deze cluster en de Duitse chemische industrie ziet in de (nabije) toekomst.


foto: holl andse hoogte

Visie 2030/2050

Om meteen maar met de deur in huis te vallen: hoe belangrijk is de ARRRAcluster voor Europa? “Heel belangrijk. Grote delen van de Europese petrochemie bevinden zich in de monding van de Rijn. Basisproducten die in dit gebied geproduceerd worden, gaan per pijplijn, over de Rijn, per spoor of over de weg naar klanten in de regio. Aldaar worden ze omgezet in hoogwaardige industriële chemicaliën of verwerkt door de fijn- en speciaalchemie. De Rijnhavens zijn de poort naar de wereld voor chemicaliën die made in Europe zijn. Duitsland, België en Nederland zijn gezamenlijk goed voor maar liefst 40 procent van de chemische productie in de EU. Op dit moment is deze cluster dus van groot belang voor de chemie in Europa, en er pleit veel voor om dit zo te houden. Of dat ook lukt hangt af van de flexibiliteit van bedrijven. Hoe succesvol treden zij de uitdagingen van de globalisering tegemoet? Weten ze oplossingen te ontwikkelen voor de wereldwijde megatrends?” Is er wel sprake van één samenwerkende cluster? “Zeker, want er is een zeer goede uitwisseling van goederen tussen de drie landen. Dat komt doordat er veel waardeketens zijn in dit gebied. Als je een waardeketen hebt in de directe omgeving van je productie, heb je een korte link tussen leverancier en klant. Neem bijvoorbeeld de automotive in Duitsland, de grootste klant van de chemische industrie in deze regio. De automotive kent vele succesvolle samenwerkingsverbanden, zowel met Duitse bedrijven zoals BASF, Evonik Industries en Lanxess als met bedrijven in

“De automotive in Duitsland is de grootste klant van de chemische industrie in deze regio”

Nederland en België die voor deze industrie produceren.” Faciliteren de overheden van de drie landen deze cluster voldoende? “Dat kan beter. In dit kleine gebied hebben we niet veel grondstoffen en geen energiebronnen. Wat we wél hebben is de bezieling om via innovatie met nieuwe producten te komen. Willen we daarmee internationaal concurreren, dan hebben we meer hulp van de politiek nodig.” Zoals? “We hebben vooral een industriepolitiek nodig die innovatie stimuleert door de juiste randvoorwaarden te scheppen. Als we klaar willen zijn voor de internationale concurrentie, hebben we bijvoorbeeld meer investeringen in r&d, onderwijs en infrastructuur nodig. Daarnaast kun je je afvragen of we wel de juiste agenda voor emissiehandel hebben en of de samenwerking met andere delen van de wereld voor grondstoffen wel goed geregeld is. Andere voor ons belangrijke randvoorwaarden zijn vrije wereldhandel en een Europese energiemarkt, die nog steeds niet echt Europees is. Ook zou de wetgeving vereenvoudigd kunnen worden, en de bureaucratie verminderd. Van nieuwe wetgeving zou bovendien gecheckt moeten worden hoe deze onze concurrentiepositie beïnvloedt. Al deze maatregelen bevorderen de groeipotentie, verminderen de schulden, en creëren welvaart voor de burgers. Concreet heeft de chemische industrie behoefte aan belastingprikkels voor r&d, goede transportinfrastructuur, en betrouwbare en betaalbare energievoorzieningen. Heel belangrijk zijn daarnaast onderwijs en training

voor jonge mensen om de wetenschappelijke staf van de toekomst zeker te stellen.” Wat kan de industrie zelf doen? “Om internationaal te concurreren moeten bedrijven ten eerste hun innovatie-inspanningen vergroten. Ten tweede zijn verse wereldwijde investeringen in plants nodig, omdat sommige productiesites verouderd en te klein zijn. Beide aspecten gelden vooral voor de basischemie. Wat betreft de fijn- en speciaalchemie is het essentieel om innovatieve producten te ontwikkelen en nieuwe markten te openen. Dit kan alleen gedaan worden in nauw contact met klanten, en daarom zijn samenwerkingsverbanden met de eindproducenten heel belangrijk. Daarnaast wordt het onderwerp duurzaamheid steeds belangrijker, dus daar moeten bedrijven ook in meegaan. Iets anders is dat Duitsland, Nederland en België hoge schulden hebben. Omdat stabiliteit een eerste vereiste is voor groei, moeten de schulden de komende jaren verlaagd worden tot een acceptabel niveau. Consolidatie is nodig, maar snoeien in investeringen zou weer de verkeerde besparing zijn.” U noemde al het belang van onderwijs. In Nederland staat ons een tekort aan chemici en engineers te wachten. Een van de oorzaken is het slechte imago van de chemie. Het lijkt alsof Duitsland dat probleem niet heeft. “Tot nu toe hebben we inderdaad altijd voldoende bètastudenten gehad. Misschien heeft dit te maken met de culturele achtergrond. Nederland wordt vooral gezien als een land van ontdekkingsreizigers en kooplieden. Duitsland was nooit e januari 2012 Chemie magazine 37


“Chemie zal zeer waarschijnlijk belangrijke bijdragen blijven leveren aan de groei en de welvaart in Duitsland” Utz Tillmann

gefocust op verre horizonnen en had nooit die handelsmentaliteit. Wij focusten ons juist op het maken van dingen. Duitsland is altijd een land geweest van uitvinders, techneuten en onderzoekers, en daarom waren we zo succesvol in technologie en geneesmiddelen. Ons land bood daardoor altijd voldoende goedbetaalde en zekere banen voor chemici, ingenieurs en wetenschappers, zodat we altijd voldoende arbeidskrachten hadden.” Blijft dat zo in de toekomst? “Niet per definitie. Vanaf grofweg 2030 ontstaat in Duitsland door demografische veranderingen een tekort aan arbeidskrachten, vooral wat betreft de beter opgeleiden met speciale vaardigheden. Momenteel ontstaat er al een tekort aan ingenieurs. De VCI doet er daarom alles aan om jongeren te enthousiasmeren voor bètastudies. We stellen bijvoorbeeld aanzienlijke fondsen beschikbaar voor middelbare scholen. Zij kunnen daarmee hun chemieonderwijs levendiger en boeiender te maken via veel meer experimenten in de klas.” Een heel ander onderwerp: de biobased economy. Wat is uw visie daarop? “Biobased grondstoffen zijn voor ons uiteraard belangrijk. De chemische industrie in Duitsland zoekt nu al voor 13 procent van de productie haar toevlucht tot hernieuwbare grondstoffen zoals zetmeel, cellulose, vetten en oliën. Het probleem is alleen dat we niet over voldoende landbouwgrond beschikken. Wij hebben hier de uitdrukking Teller oder Tank, bord of benzinetank. We 38 Chemie magazine januari 2012

moeten realistisch blijven en erkennen dat vanwege de beperkte beschikbaarheid van landbouwgrond Duitsland en Europa ook in een biobased economy sterk afhankelijk blijven van de import van grondstoffen. Gebieden als Azië en Zuid-Amerika kunnen met hun enorme landbouwgronden en optimale klimaatcondities hernieuwbare grondstoffen veel voordeliger produceren. Daarom kan alleen via de wereldmarkt aan een stijgende vraag naar biomassa voldaan worden.” De directeur van de Dutch Biorefinery Cluster zei in dit blad dat de transitie naar een biobased economy rond 2080 voltooid zal zijn. Mee eens? “In 1990 konden we met geen mogelijkheid voorspellen hoe de wereld er nu, slechts twintig jaar later, uit zou zien. 2080 is daarom al helemaal te ver weg voor welke voorspelling dan ook.” Eén ding is zeker in de toekomst: geen aardolie meer. “Dat hangt er vanaf hoe je met de bestaande reserves omgaat. Momenteel gaat maar tussen de 8 en de 10 procent van de totale olieproductie naar de chemische industrie. Als we olie niet meer voor auto’s en verwarming gebruiken, dan hebben we olie genoeg voor een heel, heel lange tijd. U noemde net al Azië en Zuid-Amerika. Moet Europa de opkomende economieën vrezen? “Nee. Wij zien in de groei van de deze landen vooral een kans, en daarom zijn we in al deze opkomende markten aanwezig. Als de

welvaart in de dichtst bevolkte gebieden op aarde toeneemt, gaat de vraag naar industriële goederen en chemicaliën daar ook omhoog. Chemiebedrijven kunnen van die groei profiteren via export en lokale productiefaciliteiten.” Maar de concurrentie wordt wereldwijd wel steviger. “Natuurlijk, maar daar zijn wij niet bang voor. Concurrentie is een uitdaging voor ons om het beter te doen. Wat we moeten doen is sneller innoveren dan deze opkomende landen. Als we de eerste zijn, kunnen we eraan verdienen. Er is in ieder geval één fout die we niet moeten maken, en dat is op onze lauweren rusten en teren op reeds bereikte successen. Wie stilstaat op het gebied van r&d komt in dit tijdperk van globaliserende markten snel op een achterstand te staan. Onze koppositie in technologie en innovatie moet steeds opnieuw verdiend en beschermd worden. Jaar in, jaar uit.” Zal de huidige crisis de Duitse chemische industrie beïnvloeden? “Na de crisis in 2008 hadden we een sterke stijging van de productie. 2011 is zelfs het beste jaar in onze geschiedenis. De stijging van de productie zal in 2012 afnemen, maar zelfs als we in 2012 maar 1 procent meer halen, hebben we weer een recordjaar.” Dus u bent positief over de toekomst? “Zeer positief. Als ik kijk naar onze investeringen in innovatie, 8.8 miljard euro in 2011, dan is Duitsland op de goede weg. Ik zie geen enkel probleem, mits we de juiste randvoorwaarden krijgen en in staat zijn om nieuwe technologieën te ontwikkelen voor de uitdagingen van de samenleving. Chemie zal zeer waarschijnlijk belangrijke bijdragen blijven leveren aan de groei en de welvaart in Duitsland. Deze bijdragen zullen naar verwachting zelfs verder toenemen, want de grote uitdagingen van de toekomst - klimaatbescherming, voldoende voedsel wereldwijd, behoud van gezondheid bij een verouderende populatie – vragen om innovatieve oplossingen van de industrie. Om deze uitdagingen aan te kunnen heeft de Duitse economie de chemische industrie nodig als een innovation driver.” p


TOP-Consultants, geeft antwoorden op uw vraagstukken op het gebied van:

- milieu en vergunningen - externe veiligheid - ruimtelijke ontwikkelingen Denkkr

acht, da

- managementsystemen

adkrach

t ĂŠn pra

ktische

oplossi

ngen

Excellente diensten voor BRZO/BEVI bedrijven: - VR rapportages - PBZO beleid - MRA met Proteus - QRA met Safeti/RBM II - VBS - PGS 15/UPD

TOP-Consultants Bredaseweg 177 4872 LA Etten-Leur Tel: 076 - 501 4262 GSM: 06 - 2127 2888 nkuiper@top-consultants.nl

www.top-consultants.nl


Yara bespaart geld en energie na evaluatie

ONDERZOEK PERSLUCHTGEBRUIK LOONT De Nederlandse fabriek van Yara in Sluiskil maakt al sinds jaar en dag gebruik van een verouderde persluchtinstallatie. Daarom onderwierp Yara in samenwerking met Ingersoll Rand deze aan een grondig onderzoek. Als voorbeeld voor andere chemiebedrijven financieerde Agentschap NL een deel van dit onderzoek. Tekst: Annemieke van Ramshorst

“B

ij Yara zoeken we continu naar mogelijkheden om efficiënter met energie om te gaan”, zegt Rik Lambotte, business development & energy manager bij Yara. “We nemen deel aan de Meerjarenafspraken energie-efficiency (MEE), en hebben dus als doel om jaarlijks ten minste 2 procent energie-efficiënter te worden. Agentschap NL begeleidt en ondersteunt ons hierbij.”

Ondergesneeuwd kindje

Om energie te besparen doet Yara grote investeringen, zoals de optimalisatie van drie ammoniakfabrieken en recent de bouw van een grote nieuwe ureumfabriek. Maar het bedrijf richt zich ook op de kleinere 40 Chemie magazine januari 2012

dingen, zoals het gebruik van utilities. Lambotte: “In overleg met Willem de Vries van Agentschap NL kwamen we op het idee om het persluchtverbruik te onderzoeken. Omdat perslucht niet zo veel kost, was dit bij Yara altijd een ondergesneeuwd kindje. Onze compressor is flink verouderd en de capaciteit ervan is niet op maat van het evoluerend verbruik van perslucht. We hebben door de jaren nauwelijks metingen gedaan en hadden dus weinig tot geen inzicht in het verbruik. Met het uitgebreide onderzoek brachten we de perslucht die verloren ging in kaart én kregen we inzicht in besparingsmogelijkheden.” Agentschap NL financierde een deel van het onderzoek. Niet alleen om

Yara te ondersteunen, maar ook omdat deze case als voorbeeld kan dienen voor andere bedrijven. Veel bedrijven in de chemische industrie maken nog gebruik van verouderde persluchtinstallaties. Zij kunnen hun voordeel doen met de resultaten die uit het onderzoek bij Yara naar voren zijn gekomen.

Oneigenlijk gebruik

Ingersoll Rand, leverancier van persluchtinstallaties, voerde het onderzoek bij Yara uit. Adviseur Frits Mechelse van het bedrijf: “Het persluchtverbruik krijgt in veel bedrijven nauwelijks aandacht omdat het met 1 eurocent per kubieke meter relatief goedkoop is. Maar als een bedrijf als Yara, dat per uur 25.000 tot 30.000


Energie

foto’s: YAR A

“We hadden van tevoren niet gedacht dat er zo veel perslucht verloren ging” kubieke meter gebruikt, 20 procent bespaart op perslucht, komt dit neer op 500 duizend euro per jaar. Dat is toch een flinke kostenbesparing.” Ingersoll Rand voerde eerst een pre-audit uit om een goede indruk te krijgen van de persluchtinstallatie van Yara en het verbruik. Op basis daarvan maakte Mechelse een voorstel voor de daadwerkelijke audit. Hierbij werd het persluchtverbruik in al zijn vormen onder de loep genomen, onder meer door op locatie te meten en interviews af te nemen. Mechelse: “Omdat Yara zelf de afgelopen jaren nauwelijks metingen uitvoerde, moesten we bijna op nul beginnen.” De audit gaf Yara een helder beeld van het persluchtverbruik. Mechelse: “Uit het onderzoek kwamen twee belangrijke punten naar voren. Allereerst bleek veel perslucht ‘oneigenlijk’ te worden gebruikt. Dat wil zeggen: in situaties waarvoor het niet is bedoeld. Zo gebruikt Yara perslucht om lagers en reactorwanden te koelen. Ook staan drains in de winter voortdurend open om het risico op bevriezing van het vocht dat uit de perslucht condenseert te verminderen.” Door het oneigenlijke gebruik gaat veel perslucht verloren. Ingersoll Rand rekende uit dat als Yara deze verliezen terugdringt, dit voor een besparing van 7 procent op de energiekosten van de compressorinstallaties zorgt. “Daarnaast bleek uit onze audit dat de compressoren zodanig zijn verouderd dat het niet meer mogelijk is om ze in te regelen. Hierdoor draaien ze altijd op volle toeren. De overbodige perslucht wordt gewoon weggeblazen.”

Verrassend

Voor Ellen Cocquyt, process engineer bij Yara, waren sommige uitkomsten erg verrassend. “Bijvoorbeeld dat er veel perslucht verloren gaat door openstaande drains. We inventariseren nu wat we precies

met de resultaten gaan doen. Het is goed mogelijk dat we binnenkort een volledig nieuwe compressorinstallatie aanschaffen. Dankzij de onderzoeksresultaten kunnen we dan een installatie uitzoeken die perfect bij onze situatie past. Ook besteden we nu meer aandacht aan meten en monitoren van het gebruik. Op dit punt heeft het onderzoek echt onze ogen geopend. We hadden van tevoren niet gedacht dat er zo veel perslucht verloren ging.”

Routekaart Chemie

De resultaten van het onderzoek bij Yara zijn ook relevant voor andere bedrijven in de branche. Het is belangrijk om het persluchtverbruik regelmatig onder de loep te nemen, vindt Reinier Gerrits, speerpuntmanager energie en klimaat bij de VNCI. “Perslucht is niet duur, maar als het om energie besparen gaat, moet je ook op de kleintjes letten en besparen waar je besparen kunt. Ik adviseer daarom om elke paar jaar na te gaan of perslucht nog op de juiste manier wordt gebruikt. Dat gaat verder dan het reguliere onderhoud, want daarbij kijk je alleen naar problemen met de installatie.” De meeste leden van de VNCI doen mee met MJA3 of MEE. Zij hebben dus afspraken gemaakt over de verbetering van energie-efficiency. Gerrits: “Naast het investeren in nieuwe installaties kunnen bedrijven eenvoudig energie besparen door good housekeeping-maatregelen te nemen, zoals leidingen beter isoleren of voorkomen dat apparaten onnodig stand-by blijven staan. Ik vind dit onderzoek naar persluchtverbruik een mooi voorbeeld van hoe je naast het optimaliseren van je kernprocessen eenvoudig kunt besparen op utilities. Het past ook mooi in de Routekaart Chemie, waarmee de chemische industrie tot 2030 een forse energiebesparing wil realiseren en de CO2-uitstoot wil halveren.” p

Over Yara

Yara International ASA is een wereldwijd opererende onderneming, gespecialiseerd in landbouwproducten en milieubeschermende middelen. Als ’s werelds grootste leverancier van kunstmeststoffen helpt Yara de groeiende wereldbevolking aan levensmiddelen en duurzame energie. Hun producten helpen ook bij het reinigen van de lucht en het verwijderen van giftige afvalstoffen. Het hoofdkantoor van Yara zit in Oslo. Het bedrijf telt ongeveer 7.600 werknemers en realiseert een omzet van bijna 62 miljard euro met activiteiten in meer dan vijftig landen. Meer informatie op www.yara.com

Over Mee en MJa3

In Nederland hebben de overheid en het bedrijfsleven afspraken gemaakt over het effectief en efficiënt inzetten van energie. Die afspraken zijn vastgelegd in de Meerjarenafspraken energie-efficiency (MEE en MJA3) en richten zich vooral op energie-intensieve sectoren (circa 1.200 bedrijven). Het MEE-convenant is in 2009 ondertekend en is toegesneden op bedrijven die verplicht deelnemen aan het Emissions Trading System (ETS), het emissiehandelssysteem van de Europese Unie. Wie deelneemt aan de meerjarenafspraken kan gerichte hulp ontvangen. Adviseurs van Agentschap NL ondersteunen bij het opstarten, aanjagen, voorlichten, begeleiden, adviseren, faciliteren van kennisnetwerken en (deels) financieren van projecten over energiebesparing. Het MEE- en MJAprogramma wordt uitgevoerd door Agentschap NL, onderdeel van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Meer informatie op www.agentschapnl.nl/mee

januari 2012 Chemie magazine 41


Ton Heemskerk (Momentive): proactiviteit is hĂŠt kernwoord voor HSE-verbetering

Hameren op gedrag 42 Chemie magazine januari 2012


Veiligheid Voorop

Bij Momentive is veiligheid een kernwaarde die van hoog tot laag wordt uitgedragen. Volgens senior regional HSE manager Ton Heemskerk is veilig werken eigenlijk simpel. “Het bestaat uit vier stappen: je moet het gevaar kennen, je moet het gevaar begrijpen, je moet een plan hebben om met dat gevaar om te gaan, en je moet de discipline hebben om je aan het plan te houden. Als je tot vier kunt tellen, kan je het.” Maar zo simpel is het in de praktijk natuurlijk niet, vooral vanwege onze emotionele ik.

VEILIGHEID VOOROP

Tekst: Igor Znidarsic

B

etrokken leiderschap is een van de aandachtspunten in het VNCI-actieplan Veiligheid Voorop. Om het belang ervan te benadrukken, presenteert Chemie magazine een aantal best practices op dit gebied. Bij navraag naar voorbeelden van betrokken leiderschap (op health, safety and environment (HSE)-gebied) kwam al snel één naam bovendrijven: Ton Heemskerk, senior regional HSE manager bij Momentive, divisie Epoxy, Phenolics and Coating Resins. Een belangrijk kenmerk van betrokken leiderschap is dat directie en management bewust kiezen voor veiligheid als topprioriteit. Aan Ton Heemskerk daarom de vraag waaruit dit bij Momentive blijkt.

FOTO’S: CA SPER RIL A

Ton Heemskerk: “Ik noem veiligheid, de zorg voor mens en milieu, geen prioriteit, maar een kernwaarde. Bij ons blijkt dat onder meer uit het feit dat veiligheid tot op het hoogste niveau een aandachtspunt is. Ik heb bij mijn vorige werkgever nooit meegemaakt dat het management zich op president- en CEO-niveau inhoudelijk bemoeide met incidenten. Bij Momentive bespreken we maandelijks alle belangrijke veiligheidsincidenten met het senior leadership, en daar belt heel vaak ook de CEO in. Dat levert mij soms heel moeilijke vragen op. ” Kunt u een voorbeeld geven van zo’n besproken incident? “We hadden laatst een incident in een van onze fabrieken bij het spoelen van een reactor. Om het drainproces na het uitkoken te bevorderen heeft de operator een beetje stikstofdruk op de reactor gezet, terwijl de procedure voorschrijft dat dit atmosferisch dient te gebeuren. Voor het drainen wordt een flexibele

slang gebruikt. Die ging bewegen tijdens het leegmaken van de reactor en de man kreeg een beetje heet water op zijn voet. Gevolg: derdegraads verbranding, dus een ernstig incident. Dit is daarna heel grondig besproken op het hoogste niveau. Er wordt dan niet alleen gekeken naar wat die man mogelijk fout heeft gedaan, maar ook naar de omgevingsfactoren. Waarom doen we het eigenlijk met een slang en niet met een vaste verbinding? Waarom staat de cultuur op de site het toe dat we de procedures ruim interpreteren? Hoe goed is er eigenlijk getraind op die procedures? Uit het senior leadership van Momentive komen ook heel veel initiatieven om aandacht te vragen voor veiligheid en om continu te zoeken naar verbeteringen.” Wat is er de afgelopen tijd gedaan om de veiligheid te verbeteren? “Op een site in Nederland hebben we een aantal extra veiligheidsstudies uitgevoerd, en die leidden tot verbeterprojecten. Hieruit is onder meer naar voren gekomen dat de communicatie verbeterd kan worden, en dus is er een nieuw communicatiesysteem uitgerold waarmee alle mensen, en in het bijzonder de verschillende ploegendiensten, bereikt worden. Ook zijn een aantal spoelprocedures verbeterd om de kans op blootstelling aan chemicaliën te minimaliseren, want uit analyses bleek dat dit beter kon. Daarnaast zijn er een aantal procesautomatiseringsprojecten geïnitieerd om het down brengen van de fabriek verder te automatiseren. Zo kan ik nog wel even doorgaan.” Betrokken leiderschap betekent ook dat de leidinggevenden het goede voorbeeld geven en het belang van veiligheid tonen in het eigen handelen.

“Iedereen moet het goede voorbeeld geven: sitemanagers, HSE-managers, productiemanagers, shift supervisors. Echt iedereen. Daarom is aanwezigheid op de werkvloer ook zo belangrijk. De sitemanager is sowieso bepalend voor de HSEprestatie van de site. Als de site slecht presteert op het gebied van HSE, dan zit het bij de sitemanager niet goed. Hij handelt dan niet naar wat hij zegt en accepteert gebeurtenissen die hij niet zou moeten accepteren.” Gedrag speelt bij veiligheid een grote rol. Hoe krijg je dat tussen de oren? “Daar is geen kant-en-klaar recept voor. Het heeft alles te maken met veranderingsmanagement. De mens bestaat uit een rationele en een emotionele ik. De emotionele ik probeert de rationele ik steeds te overheersen. Je weet dat je niet te veel moet eten of te hard moet rijden, en toch doe je het. Als de rationele doelstelling ‘geen incidenten’ is, moet je een aantal rationele stappen ondernemen om dat doel te bereiken: de procedure volgen, de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen hebben, de werkplek afschermen, zorgen voor afzuiging voordat je begint, et cetera. Mensen kennen al deze rationele stappen, en toch handelen ze soms anders. Waarom? Omdat de rationele ik op een gegeven moment moe wordt van het continu onderdrukken van de impulsen uit de emotionele ik, want dat vraagt veel energie. Dan krijgt de emotionele ik de overhand en gaat het mis. Je moet daarom de rationele ik ondersteunen door de omstandigheden te veranderen, waardoor mensen minder snel terugvallen in hun oude gebruiken of deze gewoontes helemaal kwijtraken. Dat vraagt continu aandacht, e januari 2012 Chemie magazine 43


“Welk rationeel mens kiest voor niet meer uitgaan, vieze luiers en huilende kinderen?” dering, hebben mensen er geen moeite mee. Het gaat er dus om dat managers en leidinggevenden de voordelen inzien van proactief handelen: geen incidenten en milieuoverschrijdingen, de fabriek kan elke dag maken wat de business verlangt, en de kosten zijn beheerst. Bovendien hoeft de werknemer niet de ene dag hard en de andere dag langzaam te lopen. Hij kan gepland vrij nemen, want het is allemaal beheerst. Al die interrupties die de ideale staat verstoren heb je niet. Het leven wordt gewoon veel makkelijker voor het management en voor het personeel. Proactiviteit is echt hét kernwoord voor HSE-verbetering.” reflectie, elk incidentje onderzoeken, elke keer weer hameren op gedrag, voorbeeldgedrag van leidinggevenden, en niet tolereren van ongewenst gedrag.” In het standaardwerk De zeven eigenschappen van effectief leiderschap van Stephen Covey wordt als eerste eigenschap ‘wees proactief’ genoemd. Mee eens? “Ik ben een fan van Covey en onderschrijf dit volledig. Een goede sitemanager is proactief: hij is altijd op zoek naar verbeteringen.” Alleen hebben mensen helaas een weerstand tegen veranderingen. “Dat is niet waar. Het beste bewijs dat mensen bereid zijn om grote veranderingen te accepteren is dat ze kinderen krijgen. Welk rationeel mens kiest voor niet meer regelmatig met je vrienden uit, niet meer naar het theater, slaapgebrek, vieze luiers, huilende kinderen, invloed op je werk omdat je hen naar school moet brengen? Toch accepteert iedereen deze verandering. Waarom?” Omdat je er iets moois voor terugkrijgt? “Inderdaad. De verandering is de moeite waard vanwege wat je ervoor terugkrijgt. Als je over tafel krijgt wat de voordelen zijn van de veran44 Chemie magazine januari 2012

Hoe ga je in dit kader om met contractors? “De chemische industrie kan redelijkerwijs niet zonder contractors bestaan. Daarom is de contractor minstens zo waardevol als je eigen medewerker, alleen is hij niet bekend met de inrichting waarin hij werkt. Over hoe hij zijn werk doet moet je je niet te druk maken, maar wel over de omstandigheden waaronder hij dat doet. Bied hem daarom de gelegenheid om vanuit zijn eigen expertise zijn werk goed te doen. Uiteraard zijn er ook problemen met contractors, zoals valse diploma’s en taalproblemen. Dat betekent dat je ook je toezicht moet organiseren, daarvoor mensen moet vrijmaken of inhuren, en duidelijk moet vertellen waar ze op moeten letten.” De tweede eigenschap van effectief leiderschap die Covey noemt is ‘begin met het einde voor ogen’. Hoe wil je dat er over je wordt gesproken in je afscheidsspeech? En wat doe je eraan om dat te bereiken? “Voor mij geldt altijd: het glas is half vol en er is licht aan het einde van de tunnel. Humor en positivisme vind ik superbelangrijke eigenschappen, want ze helpen je om je doelstellingen makkelijker te realiseren. Mensen werken veel liever samen met iemand die ondersteunend en positief is dan met iemand die alleen de

dark side van dingen inziet. Ik hoop dus dat ze mij herinneren als een opgeruimde, optimistische en creatieve manager die altijd op zoek was naar betere HSE-prestaties.” En hoe wilt u het bedrijf achterlaten? “Met een hoger veiligheidsprestatieniveau dan nu. Het is nog steeds niet altijd nul, en ook al is het nu nul, dan moet het dat over tien jaar nog steeds zijn. Verder wil ik dat mensen zich meer bewust zijn van wat ze zelf aan hun werkomstandigheden kunnen doen om weer veilig naar huis te gaan. Eigenlijk is veilig werken het simpelste wat er is. Ons werk-veiligkwadrant is gebaseerd op plan, do, check, act, en bestaat uit vier stappen: je moet het gevaar kennen, je moet het gevaar begrijpen, je moet een plan hebben om met dat gevaar om te gaan, en je moet de discipline hebben om je aan het plan te houden. Als je tot vier kunt tellen, kun je veilig werken.” p

veiligheid voorop

Een van de kernelementen van een goede veiligheidscultuur, en tevens een van de onderliggende principes van Responsible Care, is betrokken leiderschap. Dit is dan ook een van de aandachtspunten in het VNCI-actieplan Veiligheid Voorop. Om hier een extra impuls aan te geven, zal de VNCI een aantal indicatoren voor leiderschap en cultuur bij haar leden meten en daarover rapporteren. Met het meetinstrument ‘Senior Manager Inspecties’ wordt de betrokkenheid van de hoogste leidinggevende bij veiligheid zichtbaar gemaakt. Daarnaast worden best practices getoond in Chemie magazine.

MoMentive

Momentive Specialty Chemicals is onderdeel van de Amerikaanse fijnchemiegigant Momentive. Het bedrijf heeft tienduizend werknemers in 117 vestigingen wereldwijd, waaronder vier vestigingen in de regio Rotterdam. Momentive maakt op basis van olieproducten onder meer epoxyharsen, waaruit coatings worden gemaakt. Ook maakt het bedrijf siliconenrubber, kwartsglas, sportartikelen en printplaten voor bijvoorbeeld computers. De jaaromzet bedraagt 7,5 miljard dollar.


Technip: a leader in plant design and construction

Technip is een wereldwijd leider in design, engineering, levering en bouw van installaties in de olie & gas en (petro)chemie. Met vertegenwoordigingen in 48 landen en 25.000 medewerkers kan Technip projecten van elke omvang en op elke locatie uitvoeren. In Nederland werken 500 mensen bij Technip.

Technip Benelux B.V. Technip Benelux B.V. voert wereldwijd complexe EPC projecten uit op het gebied van o.a. ethyleen- en waterstof/ synthesegasprojecten, raffinaderijprojecten, gasbehandeling, alsmede LNG processing, LNG-opslag, CO2-verwijdering en bio-energie. Onze activiteiten gaan van de haalbaarheidsstudiefase tot de ingebruikname, dus inclusief plant ontwerp, engineering, inkoop, bouw en management (EPCM) op basis van eigen technologie en onder licentie van derden.

Technip-EPG B.V. Technip-EPG levert, als multidisciplinair ingenieursbureau, ruim 30 jaar haar diensten en services aan de Nederlandse markt. Om onze dienstverlening verder te optimaliseren en uit te breiden, werken we binnen de Technip Groep intensief samen. Hierdoor wordt onze ervaring op het gebied van olie & gas, (petro)chemie, offshore, bouw & infra, HVAC en energy & water gecombineerd met de uitstekende project- en constructiemanagement expertise van Technip.

Technip Benelux B.V. Postbus 86 2700 AB Zoetermeer Tel: 079 3293 600 Email: tpbenelux@technip.com URL: www.technip.nl

www.technip.com

Technip-EPG B.V. Postbus 8568 3009 AN Rotterdam Tel: 010 220 70 70 Email: infoepg@technip.com URL: www.technip-epg.nl


GEVAARLIJK GOED VERPAKT ?! CarePack Holland heeft het grootste assortiment UN-gekeurde verpakkingen voor gevaarlijke stoffen - monsterverpakkingen

- jerrycans

- dozen, standaard maten

- blikken

- dozen, op maat

- vaten

- 4GV-dozen

- palletboxen

- medische verpakkingen

- flessen

- transportbakken

- zakken

C areP ack H olland B V - T el 020-3540787 - Fax 020-3540650 E m ail info@ carepack .nl - W ebsite www.carepack .nl

Professioneel, exibel, modern & innovatief

Het afvullen en mengen van chemische stoffen is een vak apart. Een vak dat wij beheersen als de beste. Al sinds 1934. Of het nu gaat om het afvullen van een kleinverpakking of het mengen van stoffen met een UN classificatie in een 1000-liter verpakking, Bleko Chemie heeft de perfecte mix in huis.

Meer weten?

Bel 053-4315835 of kijk op blekochemie.nl

blekochemie.nl Innovatief sinds 1934


Vox Chemici

MANAGERS DENKEN NIET ALLEEN AAN GOEDKOOP AFVAL DUMPEN Wat zijn de grootste obstakels die bedrijven tegenkomen tijdens hun transitie naar een (meer) duurzaam opererend bedrijf? Die vraag gooide een marketingmanager chemicals van een onderzoeksinstituut in de VNCI-groep op LinkedIn. Een samenvatting van de discussie. Tekst: Igor Znidarsic

‘D

e waan van de dag en de short term shareholder value overheersen”, aldus een sitemanager. Oftewel: bedrijven zijn er vooral op uit om op de korte termijn geld te verdienen. Een chemisch ingenieur ziet het zo: “Zolang je je afval goedkoop kwijt kunt in een putje ergens op de wereld waar je er geen last van hebt, zal er geen of nauwelijks druk worden uitgeoefend om duurzaam te gaan produceren.” Om duurzaamheid af te dwingen zou daarom de veroorzaker van het afvalprobleem ook voor de oplossing moeten zorgen. De vervuiler betaalt dus. “Dwing een land zijn vuil in eigen land op te ruimen”, vervolgt hij. “Dan zien de mensen het vuil, ze ruiken het, en zullen veel sneller geneigd zijn om er minder van te produceren.” De marketingmanager ziet nog een mogelijkheid: het afval via (nieuwe) technologieën omzetten naar een nieuwe, waardevolle grondstof.

Twee jaar

Een journalist ziet nog een obstakel: de korte tijd van twee jaar waarin investeringen in duurzaamheid terugverdiend moeten worden. Om de milieuefficiëntie te vergroten en de terugverdientijd te verkorten moeten sommige batchprocessen continu gemaakt worden, oppert de marketingmanager. Dat is goed voor het milieu en kan financieel heel aantrekkelijk zijn. “Ook is het van belang de stakeholders, zoals banken en pensioenfondsen, ervan te overtuigen dat een duurzaam georiënteerd bedrijf niet meer kan blijven streven naar winstmaximalisatie, wil het op de lange termijn blijven opereren.”

Goedkope grondstoffen

Dan komt nog een ander obstakel om de hoek kijken: het ontbreken van een mondiaal gelijk speelveld, aldus een Responsible Care-manager. “Een aantal landen heeft enorme financiële voordelen, zoals goedkope grondstoffen of arbeidskrachten. Om toch hiermee te kunnen concurreren wordt er nog (te) vaak voor gekozen om niet te investeren in verduurzaming van processen of producten, terwijl dit op de langere termijn de enige weg zal zijn om te concurreren met eerdergenoemde landen.” Duurzaamheid zou volgens de eerste journalist integraal onderdeel moeten uitmaken van de strategie van een bedrijf. “Alleen dan kun je verwachten dat een bedrijf daadwerkelijk stappen zet op weg naar een duurzame toekomst.”

OPMERKELIJK “Dwing een land zijn vuil in eigen land op te ruimen.” “Een duurzaam bedrijf kan niet blijven streven naar winstmaximalisatie.” “Een aantal landen heeft enorme financiele voordelen.” “Ja, geld speelt, zeker nu, een grote rol.”

Dumpen

Tot slot merkt een adviseur op dat het beleid van een bedrijf een reflectie is van wat de bestuurders en het management vinden. “Ik weiger te geloven dat bestuurders en managers alleen maar denken aan goedkoop afval dumpen. Misschien worden niet alle goede ideeën op de juiste manier overgebracht en is het soms moeilijker dan verwacht. Ja, geld speelt, zeker nu, een grote rol. Maar laten we proberen de bedrijven positief te benaderen, wie weet heeft het effect.”p

WWW

Volg de discussie op: www.vnci.nl/discussie januari 2012 Chemie magazine 47


Inaugural Conference TU Delft Process Technology Institute Process Technology For The Future World - Building Bridges Across Boundaries TU Delft Process Technology Institute has pleasure in inviting you to its inaugural scientific conference. The leitmotif of the conference is the role of multidisciplinary research in advancing progress in process technology. We hope to offer the participants an attractive programme including: • Inspiring lectures by prominent international speakers from the academic world and industry. Speakers include: • Rafiqul Gani (DTU - Technical University of Denmark, Scientific Vice President of the European Federation of Chemical Engineering) • Gregory Stephanopoulos (MIT, Head of the Bioinformatics & Metabolic Engineering Laboratory) • James Clark (University of York, Director of the Green Chemistry Centre of Excellence for Industry) • Visits to research laboratories of the Chemical Engineering, Biotechnology and Process & Energy Departments • Poster session in the new Institute facility • Presentation of the Special Issue of the Elsevier Chemical Engineering and Processing: Process Intensification journal on Delft Skyline Debates • Bayer Master Class ‘Factory of the Future’ (Thursday 1 March, TU students only)

Where and when? Friday 2 March 2012; 9:00-18:00 The conference starts at the Aula Congress Centre Delft, Mekelweg 5, Delft.

More information Participation in the conference is free, though registration is obligatory. For more information and to register: www.process.tudelft.nl

TU Delft Process Technology Institute The newly established TU Delft Process Technology Institute comprises fourteen full-time chairs with nearly 200 PhD students, post-docs and guest researchers in three departments: Chemical Engineering, Bio-technology and Process & Energy. The Institute will focus on multidisciplinary research in three areas: Biochemical Process Engineering, Process Intensification and Process Technology for Advanced Materials.

www.process.tudelft.nl


Groene chemie

100 procent plantaardig

Fles uit biomassa

A

Tekst: Emma van Laar

vantium is gespecialiseerd in de ontwikkeling en productie van zogeheten furanics. Dit is een groep chemische bouwstenen waarmee biobrandstoffen en bioplastics vervaardigd kunnen worden. De nadruk ligt momenteel op bioplastics en chemicaliën, waardoor de ontwikkeling van brandstoffen op een lager pitje staat. Textiel, supervezels, weekmakers, harsen, verven en lakken zijn enkele voorbeelden van toepassingen. De belangrijkste toepassing is op dit moment het biobased polyester PEF. Met de op 8 december 2011 geopende pilotfabriek in Limburg wil Avantium aantonen dat het mogelijk én rendabel is om bioplastic te maken.

YXY-technologie

Foto: holl andse hoogte

Avantium produceert plastics uit natuurlijke grondstoffen, en niet zonder succes. Eind 2011 opende het bedrijf een pilotfabriek in Geleen, en bovendien is een meerjarige samenwerking met Coca-Cola gestart om te werken aan de ontwikkeling van een milieuvriendelijke opvolger van de huidige PET-fles.

Avantium (opgericht in 2000) ontwikkelde een katalytisch proces, YXY gedoopt, om koolhydraten uit biomassa om te zetten naar groene bouwstenen. Vanuit C6-suikers wordt FDCA (2,5-furaandicarbonzuur) gemaakt. “Eerst haalt een dehydratatiestap de zuurstof uit de koolhydraten, met als resultaat een furaanmolecuul. Door dit vervolgens te oxideren ontstaat furaandicarbonzuur”, vertelt Tom van Aken, CEO van Avantium. “Met deze monomeer kunnen PEF (polyethyleen furanoaat), polyamides en aramides gemaakt worden. De innovatie zit vooral in de eerste stap: de efficiënte productie van FDCA.” Voor de productie van bouwsteen

FDCA kan elk type biomassa gebruikt worden, zolang het maar koolhydraten bevat. “We kunnen een breed scala aan grondstoffen gebruiken, zoals suikerriet, suikerbieten en maïs”, vertelt Van Aken. “In de toekomst willen we overstappen op ruwe bronnen als landbouwresten, cellulose en oud papier. Ed de Jong, vicepresident development, vult aan: “Dit maakt ons flexibel, zodat we niet afhankelijk zijn van één type grondstof en over de hele wereld kunnen produceren.”

Fles

In vergelijking met de productie van de oliegebaseerde PET-fles zorgt de PEF-fles voor meer dan 50 procent minder CO2-uitstoot, aldus berekeningen van het Copernicus Instituut in Utrecht. “De PEF-fles heeft bovendien betere barrière-eigenschappen dan haar voorganger”, zegt De Jong. “Water en koolzuur blijven beter binnen, terwijl de fles zuurstof maar liefst zes keer beter buiten houdt. Dit verhoogt de houdbaarheid van cola. Daarnaast ligt de temperatuur waarbij het plastic vervormt 10 graden hoger, waardoor heet vullen van de flessen beter mogelijk is.” Een ander voordeel is dat PEF (in tegenstelling tot PET) een langere houdbaarheid bij kleinere volumen (zoals de voor blikjes gangbare 33 centiliter) mogelijk maakt. Het blikje kan daardoor op termijn verdwijnen.

Pilot

Het bedrijf zal de op de Chemelotsite geproduceerde FDCA vooral inzetten om PEF te maken. Toch zal niet alleen Coca-Cola gebruik gaan maken van de bioplastics. Ook Teijin Aramid (voor zijn kogelwerende vezels), Solvay en Daf Trucks zijn geïnteresseerd in de YXY-technologie. De Jong: “De testfabriek, met een capaciteit van 40 ton per jaar, is enerzijds bedoeld om het proces op grotere schaal dan in het lab te demonstreren en anderzijds om data te verzamelen die nodig zijn voor opschaling naar een commercieel draaiende fabriek. Deze moet in 2015 een feit zijn.”

Toekomst

De focus van Avantium ligt sinds 2008 op bioplastics en chemicaliën uit grondstoffen. “Deze hoogwaardige toepassingen zijn veelbelovend, maar we vergeten furaangebaseerde brandstoffen niet”, legt Van Aken uit. “Hoewel 80 procent van onze aandacht uitgaat naar groene materialen, blijven we aan brandstoffen werken.” Als de pilotfabriek een succes is, gaat het bedrijf op zoek naar een site voor massaproductie. “Dit moet ergens zijn waar we toegang hebben tot grondstoffen, goed personeel en kapitaal. Er zijn opties in Brazilië, de Verenigde Staten en Europa”, aldus Van Aken. p januari 2012 Chemie magazine 49


Transportservice van huis uit

Internationaal Transportbedrijf L. van der Lee en Zonen B.V.

Johan, productiemanager bij een olieraffinaderij, werkt in een explosiegevaarlijke omgeving. En jij?

Werk veilig met ATEX. Haal het certificaat snel en eenvoudig via e-learning!

Probeer nu gratis proefabonnement

T (015) 213 59 11 E leebv@vanderlee.nl

I www.vanderlee.nl

Samen met


Starters

Fits Technology brengt nieuwe materiaalontwikkeling op gang

Revolutie in sandwichpanelen Martin de Groot, directeur van Fits Technology, heeft nieuwe zogenoemde thermoplastische sandwichpanelen ontwikkeld die volgens hem een revolutie inluiden op materiaalgebied. De eerste klant, een interieurbouwer voor vliegtuigen, is inmiddels binnen. Tekst: Erik te Roller

“V

liegtuigen bevatten al jaren sandwichpanelen die zijn samengesteld uit twee dunne lagen vezelversterkte harsen met daartussen een laag Nomex-honingraat”, legt Fits Technology-directeur Martin de Groot uit. “Dit zijn lichtgewicht panelen waarvan bijvoorbeeld de kleppen van bagagerekken zijn gemaakt. De fabricage hiervan kost tijd: het uitharden van de harsen duurt enkele uren, waarna de panelen nog met de hand moeten worden afgewerkt. Een nadeel is ook dat de harsen na uitharding niet meer vervormbaar zijn.” De Groot gebruikt voor panelen daarom geen harsen, maar kunststoffen. Het resultaat hiervan, thermoplastische sandwichpanelen, kan na productie via warmte wél weer vervormd worden. Zo past hij voor vliegtuigpanelen vezelversterkte polyetherimide (PEI) toe, dat Sabic onder de naam Ultem verkoopt. Deze kunststof is weliswaar duur, maar voldoet aan de brandveiligheidseisen voor vliegtuigen.

Tosti’s maken

Fits Technology maakt de panelen net als een tosti: het bedrijf pakt twee lagen vezelversterkte PEI en legt daar een laag PEI-schuimfolie tussen. Na kort verhitten, opschuimen en afkoelen ontstaat een

Het sandwichpaneel van Fits Technology.

onbuigzaam, sterk en lichtgewicht paneel. Met behulp van een mal, een pers en warmte kan Fits zo’n paneel vervolgens weer gemakkelijk in een andere vorm brengen. De thermisch vervormbare panelen lenen zich volgens de Fits-directeur bij uitstek voor serieproductie. “Een thermoplastisch sandwichpaneel kun je in enkele seconden vervormen tot een gewenst product, zoals de body van een lichtgewicht auto. Als basis hiervoor kun je een goedkopere kunststof gebruiken, zoals polypropeen. Een ander voordeel is dat het sandwichmateriaal recyclebaar is, omdat de buitenste lagen en het schuim van dezelfde kunststof zijn gemaakt. Ook kun je zo’n paneel maken van een biopolymeer, zoals polymelkzuur.”

Octrooien

Het idee van thermisch vervormbare panelen komt van de Technische Universiteit Delft. De Groot heeft dit idee opgepakt toen hij eind jaren tachtig van Fokker overstapte naar Schreiner Composites. Na het faillissement van dit bedrijf zette hij

de ontwikkeling zelfstandig voort en richtte in 2005 Fits Technology op. Hij bezit hij voor deze technologie zes wereldwijde octrooien.

Gewichtsbesparing

Inmiddels heeft zich de eerste klant aangediend: één van ’s werelds grootste interieurbouwers voor vliegtuigen. “Ook toepassingen van de technologie in meubels komen in zicht”, vult De Groot aan, “aangezien je de panelen eenvoudig kunt vervormen en met elkaar kunt verbinden, wat veel ontwerpvrijheid biedt.” Toch ontvangen de gevestigde kunststofverwerkers deze technologie niet met open armen, wat volgens De Groot komt omdat het materiaal en verwerkingsmethode nieuw zijn. “Aangezien de brandstofprijzen stijgen en de overheid steeds strengere eisen aan de emissies stelt, zoeken fabrikanten en gebruikers naarstig naar methoden om auto’s en vliegtuigen lichter te maken. Daardoor zal de ontwikkeling van de sandwichpanelen ongetwijfeld vaart krijgen”, zo voorspelt De Groot. p januari 2012 Chemie magazine 51


Productnieuws

Hulpinstrument voor snuffelaars

S

tationaire en mobiele snuffelaars worden bij bedrijven ingezet voor de bewaking van de omgevingslucht om te voorkomen dat er gevaarlijke of voor de gezondheid schadelijke situaties ontstaan. Ze meten bijvoorbeeld de aanwezigheid van vluchtige organische oplosmiddelen met een foto-ionisatiedetector (PID) om blootstelling van medewerkers aan gevaarlijke concentraties te voorkomen. Het is van belang dat de snuffelaars de hoeveelheid gevaarlijke stoffen zo exact mogelijk aangeven. Kalibratie en regelmatige controle zijn hierbij onontbeerlijk. Voor zowel stationaire als mobiele snuffelaars leveren de Ecocyl-cilinders van Linde Gas extra gemak bij het kalibreren en controleren. De 1-liter-gascilinder is voorzien van een geïntegreerde druk- of flowregelaar met beschermkap. Voor flow-on-demand-systemen bevat het assortiment het type Ecocylosq. p

Winterlijn van HaveP

D

e Arctic Solution van HaVeP is een stoere, eigentijdse winterlijn veiligheids- en werkkleding, met modellen voor dames en heren, die het werken in koude situaties aangenaam maakt. De Guard is een nieuwe, gecertificeerde flame retardantlijn die voldoet aan de vijf voornaamste veiligheidsnormen, waaronder bestendig zijn tegen hitte, spatchemicaliën en lasspatten. De complete collectie met een modieuze look is inzetbaar in diverse werksituaties en door detailaanpassingen ook bruikbaar voor corporate identity-projecten. De kleding wordt dan volledig naar de wensen van de klant gemaakt. Ontwerp, kleurstelling, uitvoering, pasvorm, service, bestelgemak en logistiek worden in nauwe samenwerking tussen klant, designer en leverancier opgesteld en omgezet in een kledingpakket op maat. p

Want to focus on your profession?

Safety is

OUR PROFESSION Steeds meer moderne bedrijven in de industriële sector werken met gevaarlijke producten en chemische stoffen. De sector ziet zich geconfronteerd met steeds stringentere wettelijke eisen die in de bedrijfsvoering de nodige aandacht vergen. De opslag en distributie van deze stoffen brengen risico’s en forse investeringen met zich mee. Wanneer u niet de vereiste kennis in huis heeft

vandenAnker.com

of liever de ‘focus on your profession’ legt, is uitbesteden een voor de hand liggende keuze. Safety is our profession. Wij leveren de specialist die u de zekerheid geeft die nodig is. In Van den Anker vindt u een partner die uw vertrouwen waarmaakt. Naast onze logistieke diensten biedt ons transport- en kennisnetwerk u grote voordelen.


Column

hoofdredacteur 2050 b e d r i j v e n

foto: Ca sper ril a

n a no-ener gie

DSM heeft een investering gedaan in het Amerikaanse nanotechnologiebedrijf NanoHoldings, dat in samenwerking met Amerikaanse universiteiten de eigenschappen van nanomaterialen onderzoekt. Volgens DSM kunnen de stijgende energieprijzen in combinatie met de zorgen over klimaatverandering ertoe leiden dat de nano-energie-portfolio van het bedrijf in de komende drie tot vijf jaar ‘zeer waardevol zal blijken’. p

Igor Znidarsic is hoofdredacteur van chemie magazine

1+1+1 =1

OCI Melamine, OCI Agro en OCI Nitrogen zijn per 1 januari gefuseerd. De officiële naam van het nieuwe bedrijf is OCI Nitrogen. OCI Agro en OCI Melamine blijven als handelsnamen bestaan. p

kob a lt v ri j

DSM en AkzoNobel hebben een wederzijdse licentieovereenkomst afgesloten over kobaltvrije technologie voor het uitharden van thermoharde kunststoffen. Deze innovatieve uithardingstechniek biedt de markt een duurzamer alternatief voor de conventionele, op kobalt gebaseerde systemen. Dankzij de overeenkomst kunnen de twee bedrijven hun kennis en kunde combineren, wat moet leiden tot het aanbieden van alternatieven aan de composietindustrie. p

t urk se e x pa n sie

Huntsman Corporation heeft het Turkse EMA Kimya Sistemleri Sanayi ve Ticaret overgenomen. Het bedrijf wordt onder de naam Huntsman-EMA onderdeel van Huntsmans polyurethanendivisie. De twee belangrijkste aandeelhouders, Gulum Kabil en Engin Tataroglu, � blijven de productieactiviteiten leiden. p

a k zo n a a r a zië

AkzoNobel heeft de overname van het Chinese het amineproducent Boxing Oleochemicals afgerond. AkzoNobel denkt dat in Azië vanwege de bevolkingsgroei, toenemende welvaart en investeringen in infrastructuur er meer vraag zal zijn naar amines en afgeleide producten. p

“Ik ga het nog meemaken ook”

In 2050 ben ik 93. Ik zou dat moeten kunnen halen, zeker met de stijgende levensverwachting en de steeds betere gezondheidszorg. Dat ik al 13 jaar niet meer rook, overwegend gezond eet en sinds enige tijd het fysiek uiterst intensieve bikram yoga beoefen kan daar alleen maar aan bijdragen. Als ik het haal, dan kan ik The Chemical Industry in the Netherlands in 2030/2050 uit de archieven opdiepen, de visie van de VNCI en Deloitte uit 2012 op de toekomst van de chemische industrie in Nederland, en checken of de samenstellers een beetje een vooruitziende blik hadden. Volgens Utz Tillmann van de Duitse zustervereniging Verband der Chemischen Industrie is ver vooruitkijken tricky. “In 1990 konden we met geen mogelijkheid voorspellen hoe de wereld er nu, slechts twintig jaar later, uit zou zien”, zegt hij in deze Chemie magazine. Daar zit wel wat in. Wie had bijvoorbeeld in de jaren tachtig, toen de mobiele telefoon formaat koelkast slechts voorbehouden was aan een enkele ceo van een multinational, kunnen voorspellen dat twintig jaar later Jan en alleman met een esthetisch verantwoorde smartphone op zak loopt waar je zelfs het internet mee op kunt? Het is dan ook heel verstandig van Deloitte en VNCI om zich niet te laten vastpinnen op één toekomst, maar om vier scenario’s te schetsen: Gefragmenteerde toekomst, Groene revolutie, Overvloedige energie en High-techwereld. Zelf hoop ik op het laatste, vol nieuwe, geavanceerde technologieën, vanwege de vele waanzinnige innovaties die tot dan toe niemand voor mogelijk had gehouden. Ook Overvloedige energie lijkt me wel wat vanwege de enorme economische groei. VNCI-voorzitter Werner Fuhrmann zegt in dit nummer echter dat hij die twee juist minder waarschijnlijk acht. Hoe dan ook, de chemische industrie zal in elk scenario floreren, zo voorspelt de visie. Ben trouwens benieuwd of de VNCI tegen die tijd nog een Chemie magazine uitgeeft en zo ja, in welke vorm. Ik stel me voor dat innovaties, met name in de chemie, een soort opvouwbare iPad, zo dun als papier, mogelijk maken, waarmee je via web 5.0 alle kennis voortdurend onder handbereik hebt. Maar veel waarschijnlijker is dat we tegen die tijd iets hebben uitgevonden wat ik mij nu nog helemaal niet kan voorstellen. En als ik een beetje gezond eet, regelmatig beweeg en stress uit de weg ga, ga ik het nog meemaken ook. p januari 2012 Chemie magazine 53


Service

Colofon

MENSEN RIJKSUNIVERSITEIT GRONINGEN

Prof. dr. Ben Feringa heeft de Van ’t Hoff-medaille 2011 ontvangen. De medaille wordt eenmaal per tien jaar uitgereikt voor werk op het terrein van de chemie (behalve biochemie). Feringa kreeg de medaille voor zijn excellente en grensverleggende onderzoek naar asymmetrische synthese en het ontwerp van nieuwe functionele materialen en nanosystemen. Daarbij gebruikt hij alle mogelijkheden van de synthetische chemie om nieuwe structuren en functies te scheppen.  De medaille is ingesteld door het Genootschap ter bevordering van Natuur-, Genees- en Heelkunde.

Chemie magazine is het maandblad van de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie (VNCI) en verschijnt 11x per jaar Redactie Igor Znidarsic (hoofdredacteur) Drs.ing. Inge Janse (eindredacteur)

LIFE SCIENCES PARK OSS

Alie Tigchelhoff is vanaf 1 februari directeur van Life Sciences Park Oss. Nadat MSD in 2010 besloot om de r&d-faciliteiten in Oss te sluiten, heeft het bedrijf zich samen met gemeente Oss, provincie Noord-Brabant, de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij (BOM) en de ministeries van EL&I en VWS ingezet voor dit park. BOM is de enige aandeelhouder van dit onlangs gestarte park. BOM-directeur Jan Pelle is blij met de aanstelling van Tigchelhoff. “Zij beschikt over zowel een brede kennis van life sciences als een groot netwerk binnen bedrijven, kennisinstellingen en overheden. Tigchelhoff is ondernemend en heeft bewezen dat ze een echte pionier is.” Hiervoor was zij directeur van het Utrecht Science Park.

Jos de Gruiter (redacteur) Contact redactie Loire 150, 2491 AK, Den Haag T 070 337 87 28, F 070 320 39 03 E redactie@vnci.nl Medewerkers Ir. Joost van Kasteren, drs. Emma van Laar, ir. Gerard van Nifterik, Casper Rila, ir. Erik te Roller, drs. Esther

TECHNISCHE UNIVERSITEIT DELFT

De Technische Universiteit Delft heeft Jos Pâques, grondlegger en eigenaar van het gelijknamige watertechnologiebedrijf, een eredoctoraat toegekend vanwege zijn toonaangevende ondernemerschap in de milieubiotechnologie. Met name zijn vermogen en durf om wetenschappelijke ontwikkelingen van universiteiten op te schalen naar industrieel gebruik en vervolgens wereldwijd te valoriseren wordt gewaardeerd. In de afgelopen decennia is door Pâques een groot scala aan technologieën ontwikkeld en succesvol in de markt geïntroduceerd.

Rasenberg, Marga van Zundert Vormgeving Curve, Haarlem Advertentie-exploitatie Mooijman Marketing & Sales, Julius Röntgenstraat 17, 2551 KS Den Haag, T 070 323 40 70,

VNCI ONLINE WWW.VNCI.NL

Website met onder meer dagelijks nieuws, het archief van Chemie magazine en alles over de chemische industrie in Nederland WWW.VNCI.NL/NIEUWSBRIEF

Gratis nieuwsbrief met daarin wekelijks het laatste nieuws over de chemische industrie en de VNCI

TWITTER.COM/VNCI

De VNCI op Twitter met het laatste nieuws, vacatures en reactiemogelijkheden op alle berichten

VOLGENDE MAAND (26 FEBRUARI)

STAATSSECRETARIS ATSMA OVER VEILIGHEID CHEMIE REACH EN ARBO

BRIC-LAND RUSLAND ROUTEKAARTEN ENERGIE EN KLIMAAT VEILIGHEID VOOROP: KETENVERANTWOORDELIJKHEID

54 Chemie magazine januari 2012

Advertenties vallen buiten de verantwoordelijkheid van de redactie Druk DeltaHage, Den haag Abonnementen Chemie magazine is gratis voor VNCIleden en voor leden van de aangesloten lidverenigingen. Voor anderen bedragen de abonnementskosten per jaar 80 euro in Nederland en 100 euro in overige landen (incl. btw). Abonnementen eindigen per 31 december. Als niet voor 1 november wordt opgezegd, loopt het abonnement door. Nieuwe abonnementen/mutaties schriftelijk opgeven via crs@vnci.nl. Meer info: 070 337 87 28 Overname Overname van artikelen uit Chemie magazine is alleen toegestaan na voorafgaande schriftelijke toestemming van de redactie. In de meeste gevallen zal die graag worden gegeven Beeld cover

WWW.VNCI.NL/LINKEDIN

Discussieer mee met meer dan 1000 betrokkenen uit de chemische industrie en bezoek de vacatures in de LinkedIn-groep van de VNCI

E dm@mooijmanmarketing.nl

Chris Bonis ISSN 1572-2996

EN NOG VEEL MEER…


chemistry, blends & knowledge

AD Productions B.V. is gespecialiseerd in het formuleren

en mengen van chemische vloeistoffen en poeders AD Productions B.V. Markweg Zuid 27 4794 SN Heijningen Postbus 102 4793 ZJ Fijnaart

T +31 (0)167 - 526 900 F +31 (0)167 - 526 969 info@adinternationalbv.com www.adinternationalbv.com

Uw proces verdient...

...een Verderflex Dura Van harte aanbeVolen Verdringerpompen Excentrische wormpompen Slangenpompen Membraanpompen Tandwielpompen Schottenpompen Impellerpompen Oscillerende zuigerpompen

Lobbenpompen Rondselpompen Centrifugaalpompen Open waaier Gesloten waaier Half-open waaier Wervelstroomwaaier

EĂŠnkanaal-waaier Zijkanaalwaaier Schroefkanaalwaaier Turbinewaaier Doseerpompen Versnijders Service en skidbouw

Kijk voor ons compleet fitnessprogramma op www.wijkboerma.nl of bel 050 549 59 00



Chemie magazine - januari 2012