Issuu on Google+

Maandblad van de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie 09

22 oktober 2008

Magazine

Veiliger spoor door kunststof dwarsligger


Inhoud

24

foto: Bart van Overbeeke

09 22 oktober 2008

DPI Value Centre draait boven verwachting

48

30

Plek voor chemie op Maasvlakte 230

‘De Maasvlakte 2 is niet zomaar een stukje zand in zee. Het is gekoppeld aan alles wat er al is: de petrochemische clusters, de oleochemische clusters en de logistieke infrastructuur. En er kunnen biogrondstoffen per schip uit de hele wereld worden aangevoerd,’ zegt Pieter van Essen, directeur Procesindustrie & Massagoed van het Havenbedrijf Rotterdam. Op dit nieuwe schiereiland van 20 km² is vanaf 2012, 210 ha beschikbaar voor de chemiebedrijven.

foto: shutterstock

foto: Casper Ril a

Het DPI Value Centre heeft dit jaar al meer dan 50 kunststofbedrijven en vijftien starters verder geholpen. Ruim twee keer zoveel als de doelstelling. Het Centre is opgezet om kennis over polymeren over te dragen op kleine en middelgrote bedrijven. Zoals BEMA Kunststoffen in Zierikzee, FT Innovations in Boxmeer en Solaq. Zij vertellen wat de meerwaarde van het Centre voor hen is. Ook de NRK is tevreden. ‘We zijn enthousiast over het werk van het DPI Value Centre’, zegt directeur Erik de Ruijter.

Doorgaan met benchmark

Op 7 oktober stemde de milieucommissie van het Europese Parlement voor het aanscherpen van het emissiehandelssysteem (ETS) waarbij bedrijven hun emissierechten voor CO2 niet meer gratis krijgen, maar moeten kopen op de veiling. Het alternatief van de chemische industrie, het zogenoemde benchmarking, heeft het niet volledig gehaald. Maar europarlementariër, Lambert van Nistelrooij (EVP) ziet mogelijkheden: ‘Als ik de chemische industrie was, zou ik voorlopig nog maar even doorgaan met het bevorderen van benchmarking. Er is een goede kans dat het Europese P ­ arlement er in november toch voor blijkt te zijn.’ oktober 2008 Chemie magazine 3


Inhoud 11

09 22 oktober 2008

Opinie

- Onzekerheid emissiehandel duurt voort

07

Trends

53

Onderwijs en innovatie

11

Veiligheid, gezondheid en milieu

13

Duurzaam ondernemen

15

Actueel

17

- Afstudeerders chemie vinden snel goed betaald werk - Nieuwe milieuvergunning voor AkzoNobel Deventer - Warme maaltijd in duurzame verpakking DuPont - DSM innoveert steeds sneller

Achtergrond Opinie

34

Uitgelicht

38

Kennis en ervaring

40

In beeld

45

Infographic

53

- Vervoer gevaarlijke stoffen in verdrukking

- ExxonMobil investeert in Rotterdamse aromatenfabriek - TNO coördineert Europees project: Chemie wil meer gebruik van afvalwater maken - Hoe maak je bio-methanol? Bij BioMCN weten ze er alles van - Geluidsscherm filtert lucht langs snelweg

Feiten en Visies Het woord is aan…

54

- Emiritus hoogleraar Arnold Heertje over de kredietcrisis: ‘Fantastisch wat er gebeurt’

VNCI

59

Chemici in het buitenland

59

Nieuws en agenda

62

Ruud Derks werkt voor DSM in China waar ‘contacten belangrijker zijn dan contracten’

oktober 2008 Chemie magazine 5


Opinie VNCI

Onzekerheid emissiehandel duurt voort

H

et emissiehandelsdossier is momenteel volop in beweging. Zo heeft de milieucommissie van het Europees Parlement begin oktober met het voorstel van de Europese Commissie ingestemd om bedrijven die CO2 uitstoten te verplichten vanaf 2013 emissierechten op een veiling te kopen. Tegelijk toonde de milieucommissie zich een voorstander van het door de industrie bepleite toewijzingssysteem van emissierechten op basis van energie-efficiĂŤntie (benchmarking). Ze willen beide dit systeem (tijdelijk/gedeeltelijk) toepassen voor sectoren die bloot staan aan internationale concurrentie. Kortom, goed nieuws en slecht nieuws. Chemische bedrijven die in Europa opereren krijgen namelijk te maken met een extra belasting die hun concurrenten buiten de EU niet hoeven te betalen. Daardoor komt hun concurrentiepositie in gevaar. Bovendien is waarschijnlijk pas na de klimaatconferentie in Kopenhagen volgend jaar bekend of de chemische industrie in aanmerking komt voor een gedeeltelijke of tijdelijke vrijstelling van veilen om de concurrentiepositie ten opzichte van fabrikanten van buiten de EU niet te laten verslechteren. Hierdoor zijn steeds meer bedrijven terughoudend met nieuwe investeringen. Toch lijkt het erop alsof politici steeds meer oog krijgen voor de bezwaren van de industrie. Zo gaven de woordvoerders van de grote partijen in de Tweede Kamer tijdens het recente debat over de Industriebrief aan, dat de nadelige gevolgen van het emissiehandelssysteem voor de concurrentiepositie van de industrie zeker niet onderschat moeten worden. De prachtige voornemens uit de Industriebrief op het gebied van ondersteuning van innovatie, mensen, kennis en infrastructuur kunnen de concurrentieachterstand die het emissiehandelssysteem kan veroorzaken, nooit goedmaken.

VNCI-directeur Colette Alma

Ook in Europees verband zetten steeds meer regeringsleiders vraagtekens bij de huidige uitwerking van het emissiehandelssysteem. Angela Merkel heeft zich onlangs nog overduidelijk tegen het volledig veilen van emissierechten uitgesproken als de concurrentiepositie van de Duitse industrie door het veilen in gevaar komt. De regeringen van Polen, Griekenland, Hongarije, Slowakije, Hongarije en RoemeniĂŤ hebben eveneens een duidelijk signaal afgegeven en vinden dat de huidige plannen aangepast moeten worden. Samen vormen ze een minderheid die groot genoeg is om de plannen van de Europese Commissie opnieuw ter discussie te stellen. De VNCI roept het Nederlandse kabinet op om zich in Europees verband sterk te maken voor de chemische industrie en snel duidelijkheid te verschaffen. Dan kunnen wij ons blijven richten op groei en innovatie om zo door middel van onze producten en geavanceerde processen een bijdrage te kunnen leveren aan de duurzame economie en de vermindering van de CO2-uitstoot. p

oktober 2008 Chemie magazine 7


Wetenswaardig

Chemie economisch succes Delfzijl groeit als kool

drager

D

e chemische industrie in Delfzijl en omgeving is de belangrijkste drager van het economisch succes in de regio, bleek onlangs uit een onderzoek van de Rabobank. Zo steekt het bedrijfsleven in Delfzijl met een winstgroei van 14,2 procent in 2007 met kop en schouders boven de andere regio’s uit. De chemische sector profiteerde van de hogere grondstofprijzen en deed vooral in het ChemiePark Delfzijl een aantal forse investeringen. p

foto: google maps

Meer informatie: www.chemiepark.nl

8 Chemie magazine oktober 2008

oktober 2008 Chemie magazine 9


Onderwijs en innovatie

4.2%

Afstudeerders chemie vinden snel goed betaald werk

7.3% 12.5%

ia brieven en e-mails werden de starters verzocht om mee te werken aan de enquête. Uiteindelijk gingen 60 afstudeerders daarop in. Alle respondenten vonden binnen een jaar een vaste aanstelling. De helft van de ondervraagden is aan de slag gegaan als aio, ruim tien procent koos voor de chemische industrie en bijna zeven procent werkt voor de farmaceutische industrie. Chemici met een wo-opleiding verdienen gemiddeld 2400 euro bruto per maand. Chemici met een hbo-opleiding krijgen iets

minder goed betaald, namelijk 2260 bruto per maand. Uit de startersenquête van de KNCV blijkt dat ongeveer 31 procent van de startende chemici ook nog eens een dertiende maand bovenop het vakantiegeld krijgt. Opvallend is dat de meeste afstudeerders (hbo en wo) een baan vonden via het eigen netwerk (28,1%). Daarna volgden stage (17,7%), de website van het bedrijf (14,6%), uitzend detachering (12,5%) en open sollici­ tatie (11,5 %). p

28.1%

11.5%

In 2007 zijn ongeveer 3950 chemici afgestudeerd. Daarvan volgden 450 leerlingen een wo-opleiding en 3500 leerlingen een hbo-opleiding. De Koninklijke Nederlandse Chemische Vereniging (KNCV) onderzocht onlangs met behulp van de startersenquête in welke sec­toren de afstudeerders aan de slag gingen.

V

5.2%

12.5%

10.4% 17.7%

percentage advertentie in de krant/vakblad 4.2% carrièrebeurs 5.2% eigen netwerk 28.1% open sollicitatie 11.5% stage 17.7% uitzend/detachering/W&S bureau 12.5% vacaturebank op internet 10.4% website bedrijf/instelling 14.6% anders, namelijk 7.3%

aantal 4 5 27 11 17 12 10 14 7

Suschem lanceert educatieve portal O Alle initiatieven op het gebied van duurzame chemie in de Europese Unie zijn vanaf nu in een handomdraai te vinden. Het Europese platform voor duurzame chemie Suschem is gestart met een online database voor internationale, educatieve programma’s en projecten. Tijdens het tweede EUChems Chemistry Congress in Turijn op donderdag 18 september werd de database http://learning.suschem.org officieel gelanceerd.

p de website kan op basis van het opleidingsniveau onder meer worden gezocht naar workshops, websites en evenementen. Daarnaast kunnen bezoekers aangeven of ze openstaan voor samenwerking en via de website kunnen ze een oproep plaatsen voor samenwerking. Volgens Annie Mutamba van de Europese brancheorganisatie Cefic zijn de eerste reacties op de portal positief, met name vanuit Oost-Europese landen. ‘Het lijkt erop dat docenten de infor-

matie ophalen en doorspelen aan studenten.’ Tot dusver is het niet mogelijk om op de website te zoeken naar een specifiek onderwerp. Wellicht dat dat in de toekomst verandert. Mutamba: ‘De komende maanden zal blijken hoe de website wordt gebruikt en gewaardeerd. Op basis van die ervaringen zullen we de database aanpassen. Suschem werkt samen met nationale ministeries van onderwijs om de inhoud van de database te promoten.’ p

Kinderen experimenteren met chemie D Op dinsdag 30 september werd er op basisschool De Rank in Rozenburg door alle kinderen driftig geëxperimenteerd met chemie en techniek.

e kinderen bepaalden de zuurgraad van cola, maakten tandpasta en mengden het sap van rode bieten met seven-up. Medewerkers van AVR, Huntsman,

LyondellBasell, Linde Gas en Tronox verzorgden de lessen. De tweede editie van de TechniekDag werd door de Rozenburgse loco-burgemeester Lenneke van der Meer officieel geopend. Leerlingen lieten ballonnen op en daarna gingen zij naar de tentoonstelling van zelf gemaakte techniek­ dozen in de bibliotheek. Ter voorbereiding op de TechniekDag zijn alle leerlingen van De Rank na de zomervakantie aan de slag gegaan met het maken van zo’n doos. De resultaten waren verrassend. Er waren dozen met stopcontacten, molentjes, elektriciteitsdraden, lampen en telefoons. Na het bezoek aan de bibliotheek begonnen de eerste technieklessen. Tweehonderd leerlingen gingen aan de slag in speciaal voor de techniekdag vervaardigde T-shirts. p oktober 2008 Chemie magazine 11


Veiligheid, gezondheid en milieu

Alleen hoofdzaken geregeld

Nieuwe milieuvergunning voor AkzoNobel Deventer Hoogwaardigheidsbekleders, ambtenaren, docenten, ondernemers en branche-instellingen togen op 10 september naar AkzoNobel in Deventer. Er viel daar heel wat te vieren. Gedeputeerde Theo ­Rietkerk van de provincie Overijssel over­handigde aan site-manager Cor Koppert een nieuwe, flexibele milieuvergunning.

I

n de nieuwe vergunning van AkzoNobel Deventer zijn alleen hoofdzaken gereguleerd. De toekenning is een beloning voor het gebruik van het Integraal Management Systeem, zorg voor milieu en veiligheid en

goede communicatie. Een flexibele vergunning is voor de proeffabriek van AkzoNobel essentieel. Nu kan de researchafdeling stoffen onderzoeken zonder dat daarvoor steeds een aparte vergunningsprocedure

Gedeputeerde Rietkerk stelt de nieuwe VOS-verwijderingsinstallatie in werking

moet worden gestart. ‘Die flexibiliteit is hard nodig om ook in de toekomst een innovatief bedrijf te blijven’, verklaarde Koppert. Verder opende gedeputeerde Rietkerk officieel de uitbreiding van de Multi Purpose Plant. De fabriek is al verschillende maanden in gebruik, maar van een officiële opening was het nog steeds niet gekomen. Ten slotte stelde Rietkerk een nieuwe installatie voor de

terugwinning van vluchtige organische stoffen (VOS) in werking. De nieuwe installatie kostte tussen de 750.000 en één miljoen euro, en zorgt ervoor dat het grootste deel van de vluchtige organische stoffen wordt teruggewonnen. Op de locatie in Deventer produceert AkzoNobel Chemicals onder meer organische peroxiden. p

Aannemers hebben tijd nodig

VNCI adviseert overgangstermijn VCA petrochemie Begin oktober is de nieuwe VCA 2008 versie 05 uitgekomen als opvolger van VCA 2004 versie 04. De VNCI en VNPI (Vereniging Nederlandse Petroleum Industrie) bevelen hun leden aan om pas vanaf 1 januari 2010 het nieuwe VCA Petrochemie te eisen bij hercertificering, zodat aannemers voldoende tijd hebben om zich aan te passen aan de nieuwe eisen voor het VCA Petrochemie certificaat, dat vereist is bij complexe en risicovolle werkzaamheden, zoals die voorkomen bij BRZO en ARIE-bedrijven .

B

ij vernieuwing van de bestaande VCA*- en VCA**certificaten geldt normaal een overgangstermijn van zes maanden, maar aangezien het VCA Petrochemie nieuw is, geldt die termijn voor dit certificaat niet. Voor aannemers en onderaannemers die complexe werkzaamheden met een verhoogd

risico uitvoeren bij BRZO/ARIEbedrijven gelden nu in veel gevallen extra eisen in aanvulling op die van VCA**. Deze worden in de nieuwe systematiek ondergebracht in de VCA Petrochemie. De aannemers moeten bijvoorbeeld programma’s opzetten om veilig gedrag onder medewerkers te bevorderen.

Met zo’n programma voor het personeel is al snel een jaar tot anderhalf jaar gemoeid, zo leert de ervaring. De VNCI en VNPI verwachten van de aannemingsbedrijven echter wel, dat ze meteen aan de slag gaan met zo’n gedragsprogramma, zodat ze bij hercertificatie vanaf 1 januari 2010 ook aan de eisen

van de VCA Petrochemie kunnen voldoen. Bestaande VCA*- en VCA**-certificaten die aflopen na 1 januari 2010, blijven gewoon geldig. Als ze aflopen kunnen de bedrijven die ook complex en risicovol werk doen meteen over­ stappen op VCA Petrochemie. p Meer informatie over het nieuwe VCA-certificaat is te vinden op www.vca.nl. Neem bij vragen contact op met Macco Korteweg Maris van de VNCI, telefoon 070-3378 748 (e-mail kortewegmaris@vnci.nl).. oktober 2008 Chemie magazine 13


Duurzaam ondernemen

Geschikt voor warme maaltijd

Duurzame verpakking DuPont Voortaan kan ook de warme maaltijd in een biologisch afbreekbare verpakking. Het nieuwe Biomax® Thermal van DuPont ver­ hoogt de drempel voor verhitting van poly­ lactic acid (PLA), waardoor het geschikt wordt voor verpakking van warme etens­ waren.

H

et nieuwe warmtestabiliserende additief bestaat voor 50 procent uit duurzame ingrediënten. Voor zijn bio-based producten

gebruikt DuPont gewassen die niet in de voedselketen worden gebruikt, zoals stelen van maïsplanten en olifantsgras. De marktintroductie van Biomax® begint dit jaar in de VS. Begin 2009 volgt introductie in Europa en Azië. Hiermee voldoet DuPont aan de groeiende vraag naar duurzame verpakkingen. Omdat de eerste duurzame producten pas in 2007 op de markt werden gebracht, is het aanbod vooralsnog beperkt. ‘In de portfolio van DuPont is het aandeel producten

met duurzame grondstoffen nu nog relatief klein, maar snel groeiend’, zegt public affairs manager Willem Buitelaar. Bij DuPont in Dordrecht worden de kunst­ harsen Delrin® en Surlyn® gemaakt, de koelen koudemiddelen Isceon® en Suva® en de fluorproducten Teflon® en Viton®. Op dit moment wordt er een nieuwe productielijn gebouwd waar het hechthars Bynel® zal worden geproduceerd. Het duurzame additief Biomax® komt uit de Verenigde Staten. p

Bijdrage chemie

Vernieuwing op het spoor De chemie gaat bijdragen aan veiliger, stil­ ler en schoner treinverkeer. Tot nog toe profiteerden alleen Japanners van de voor­ delen van chemie voor het spoor.

I

n het land van de rijzende zon rijden al een kwart eeuw treinen over plastic, zoals bijvoorbeeld de high speed Shinkansen trein. En Europa zal nu naar verwachting snel volgen. Tijdens de internationale beurs voor

transporttechnologie Innotrans in Berlijn (23 tot 26 september) introduceerde Bayer Materialscience de bijzondere railproducten in Europa. Concreet gaat het om dwarsbalken voor tussen de rails die zijn gemaakt van polyurethaan. Deze balken gaan langer mee dan traditionele houten of betonnen bielzen. Ze zijn beter bestand tegen verschillende weersinvloeden en bijzonder vochtbestendig. Doordat de balken vrij licht zijn, zijn ze ook

nog eens makkelijk te plaatsen. Op de beurs presenteerde Materialscience tevens Liquid Durflex®, een extra duurzaam voegsel dat geluid dempt. In Duitsland is het materiaal voor het eerst gebruikt op het Chempark in Leverkusen. De productie van de materialen vond plaats in Tokyo. Wanneer de producten in Nederland zullen worden toegepast, is niet bekend.p

oktober 2008 Chemie magazine 15


Actueel

Weinig last van economische neergang

DSM innoveert steeds sneller De kredietcrisis en de hoge grondstoffenprijzen lijken DSM voorlopig niet te deren, bleek onlangs tijdens de opening van de nieuwe Stanyl-fabriek in Geleen.

‘W

e maken veel producten die de klanten blijven kopen, ook als het economisch wat minder gaat. Denk bijvoorbeeld aan de zuiveldrank Optimel Control van Campina. Daarvoor leveren wij het ingrediënt Fabuless, waardoor mensen sneller een verzadigd gevoel krijgen, minder eten en daardoor beter op gewicht blijven’, aldus bestuursvoorzitter Feike Sijbesma onlangs bij de opening van de nieuwe Stanyl-fabriek in Geleen. Na drie jaar is DSM vol vertrouwen dat het de eigen strategische doelen van Vision 2010 haalt. In 2005 stelde DSM zich drie doelen: het behalen van 1 miljard euro extra omzet in 2010, afkomstig van nieuwe innovatieve producten, het behalen van 1,5 miljard dollar omzet in China en de bedrijfscultuur nog meer innovatiegericht maken. Met de omzetgroei in China zit DSM op schema en aan het verinnerlijken van innovatie in de bedrijfscultuur wordt gewerkt. Om snel te innoveren heeft DSM zijn investerin-

gen en r&d-uitgaven in het performance materials cluster opgevoerd met respectievelijk 25% en 50%. En niet zonder resultaat: eind dit jaar zijn er 130 nieuwe producten in portefeuille, die er in 2005 nog niet waren. Alle nieuwe producten leveren dit jaar 570 miljoen euro extra omzet op en volgend jaar naar verwachting 790 miljoen. Hiermee komt het doel van één miljard euro omzet van nieuwe producten in 2010, binnen bereik. Ter vergelijking: de huidige concernomzet is ongeveer negen miljard euro.

Tweede Stanylfabriek

Met Stanyl (polyamide 46), de kunststof die DSM sinds 1989 maakt voor toepassingen in auto’s en elektronica, gaat het crescendo. Daarom heeft DSM hiervoor onlangs een tweede fabriek in gebruik genomen, waardoor de capaciteit is verdubbeld. Volgens Feike Sijbesma slaagt DSM er steeds beter in de ontwerpers van auto’s ervan te overtuigen, dat onder de motor-

kap niet alleen inlaatspruitstukken, kettingspanners en dergelijke van het hittebestendige en vorm- en slijtvaste Stanyl gemaakt kunnen worden, maar ook onderdelen binnenin het motorblok. Dat levert een aanzienlijke gewichtsbesparing op en maakt de auto’s weer zuiniger. Ontwerpers, die bij een motorblok doorgaans aan gefreesd metaal denken, moeten nog aan het idee wennen. Vorig jaar kwam DSM met het nieuwe polymeer PA4T op de markt. Dit is nog beter tegen hogere temperaturen bestand dan Stanyl, en ook maat- en vormvast. PA4T is een geschikt uitgangsmateriaal voor elektronische onderdelen, zoals geheugenkaarten en connectoren.

Biobrandstoffen

Verder zet DSM zwaar in op de witte biotechnologie. Met subsidie van het Amerikaanse Energy Department ontwikkelt het concern samen met het Spaanse Abengoa en Amerikaanse instituten processen om cellulosehoudende biomassa met behulp van micro-organismen (en enzymen) om te zetten in bioproducten, inclusief biobrandstoffen. Die processen leveren zogenoemde tweedegeneratiebiobrandstoffen op. Daarnaast werkt DSM samen

met het Franse Roquette aan de bioproductie van barnsteenzuur uit zetmeel. Barnsteenzuur is een chemische bouwsteen, waarvan ook met butaandiol het biopolymeer PBS gemaakt kan worden. Volgens Rob van Leen, chief innovation officer van DSM, zijn de eerste van dit soort processen over ongeveer vijf jaar commercieel. ‘Dat is dan pas het begin van een jarenlang proces, waarbij de organismen, enzymen en processen steeds verder verbeterd zullen worden.’ Feike Sijbesma benadrukt dat DSM goede kaarten heeft voor biomaterialen, omdat het zowel kennis heeft van biotechnologische processen als van polymeren; een unieke combinatie. Dat biedt ook perspectief voor medische toepassingen. Daarom heeft DSM dit voorjaar The Polymer Technology Group overgenomen, een Amerikaanse producent van biomedische materialen. Recentelijk is DSM een samenwerking aangegaan met de Amerikaanse Caliber Therapeutics voor het ontwikkelen van een implanteerbaar apparaat, waarmee continu medicijnen aan het hart toegediend kunnen worden, bijvoorbeeld bij atherosclerose (vervetting van de slagaderwanden). p

Cefic lanceert Europees imagotraject Cefic lanceerde op 22 september zijn European Communications Initiative (ECI). Hiermee wil de organisatie op Europees niveau werken aan een beter imago voor de eigen branche. ‘We zien graag dat bedrijven en nationale verenigingen uit verschillende landen hun ideeën en ervaringen met imago-trajecten, met elkaar delen’, zegt Kevin Saidler, communicatie-adviseur van Cefic in Brussel. ‘Succesvolle initiatieven kunnen dan op meer plaatsen in Europa ingezet worden.’ De twee belangrijkste boodschappen van het initiatief zijn: De chemische industrie werkt aan zijn toekomst en gaat de maatschappelijke uitdagingen van morgen aan, en de chemische industrie kan het verschil maken bij klimaatverandering doordat zij praktische energiebesparende oplossingen voor

huizen en transport aandraagt. Saidler: ‘Met het ECI richten we ons met name op jongeren, waarbij we hen vooral laten zien welke duurzame oplossingen de chemie te bieden heeft voor huizen en transport. Begin volgend jaar beginnen we met een databank, waarin we allerlei voorlichtingsmateriaal voor jongeren en consumenten willen verzamelen. Mensen van chemiebedrijven en nationale brancheorganisaties kunnen de databank voeden met eigen materiaal en putten uit het gemeenschappelijke materiaal.’ ‘In juli van dit jaar hebben we een tentoonstelling ingericht bij het Europese Parlement in

Straatsburg met als thema “Building blocks for climate change solutions”. Hieraan hebben diverse grote chemiebedrijven deel genomen. Er stond een klein huis, waarin allerlei duurzame oplossingen werden getoond. Dit initiatief is in Straatsburg goed ontvangen.

Verder helpen we momenteel de Tsjechische collega’s om de oplossingen van de chemie beter naar voren te brengen, aangezien Tsjechië begin volgend jaar het EU-voorzitterschap van Frankrijk overneemt’, aldus Saidler.

Richard Seeber (links), Europarlementariër uit Oostenrijk, verwelkomt bezoekers van de Cefic-tentoonstelling over ‘climate change solutions’ oktober 2008 Chemie magazine 17


Actueel

In vier jaar 27 nieuwe bedrijven

Chemelot werkt als magneet In 2002 zette DSM zijn grote locatie in Geleen open voor chemiebedrijven en aanverwante bedrijven. Dat was kort na de verkoop van de petrochemische activiteiten aan SABIC. In 2004 sloten DSM, vakbonden, de provincie Limburg en de gemeente Sittard-Geleen een convenant om in vier jaar minstens vijftien bedrijven aan te trekken, die 250 nieuwe banen zouden moeten opleveren.

‘I

nmiddels zijn er maar liefst 27 bedrijven naar Chemelot gekomen, waardoor er in totaal 325 nieuwe banen zijn bijgekomen. Dit alles vergde een in­vestering van 60 miljoen euro’, aldus Ger Wagemans, directeur Chemelot, onlangs op een bijeenkomst waar het convenant werd afgerond. Op Chemelot kunnen bedrijven gebruik maken van diverse faciliteiten en diensten. Bij starters bijvoorbeeld valt te denken aan huisvesting, IT-services, waterzuivering, afvalverwerking, aanvraag van vergunningen en subsidies, r&d, ondersteuning bij marketing, werving van personeel, octrooiaanvragen, enzovoorts. Het idee is dat een nieuwkomer op Chemelot bij wijze van spreken kan inpluggen. ‘Bijzonder aan Chemelot is, dat het zowel goede mogelijkheden voor industriële productie als research en ontwikkeling biedt’, zei Jan Zuidam, vice-voorzitter van de raad van bestuur van DSM, op dezelfde bijeenkomst. Dat is ook een van de redenen waarom de Regiegroep Chemie, Chemelot heeft aangewezen als centrum voor open chemische innovatie (COCI). De twee andere COCI’s komen in Rotterdam (Botlek) en Amsterdam. Chemelot krijgt nu aparte ingan-

Chemelot krijgt meer uitstraling door onder meer het nieuwe gebouw van SABIC Research, waarvan de bouw in mei begon

gen voor het ‘Industrial Park’ en de ‘Research & Business Campus’, zodat de campus letterlijk een open campus wordt.

Zo’n 70 bedrijven

Afgezien van DSM en SABIC telt Chemelot zo’n 70 bedrijven, waaronder één r&d-bedrijf

Onlangs lieten de Nederlandse ambassadeurs zich tijdens een werkbezoek voorlichten over de mogelijkheden van open innovatie op Chemelot

(Oxford Performance Materials), vijf productiebedrijven, acht startende bedrijven en voor de rest service-bedrijven voor onderhoud, engineering, transport, werving van personeel, analyses, IT, etcetera. In de loop van dit jaar hebben zich vier nieuwe bedrijven op Chemelot gevestigd. Recentelijk opende het milieutechnologisch adviesbureau MNMilieu zijn deuren. Dit bureau komt voort uit DSM Research en beschikt over jarenlange expertise op het gebied van (afval)water- en bodemzuivering. In juni ging Chemtrix van start, dat microreactoren ontwikkelt op basis van chiptechnologie. Met een groot aantal van die chips is productie op industriële schaal mogelijk. Ook streek in juni Z-Safety op Chemelot neer, een bedrijf dat veiligheidsdiensten aanbiedt aan industriële bedrijven en dienstverleners op de locatie. In maart ging Isobionics van start, dat geur- en smaakstoffen gaat ontwikkelen en produceren met

behulp van fermentatie. In januari vestigde de Belgische Cymaco op Chemelot een keuringsstation voor gasflessen. Verder is op de campus de bouw begonnen van een nieuwe kantoor voor SABIC R&D. Het gebouw is ontworpen door Rijnboutt Van der Vossen Rijnboutt architecten uit Amsterdam.

Fenomeen

Vorige maand brachten de Nederlandse ambassadeurs een werkbezoek aan Chemelot om kennis te maken met het fenomeen open innovatie. Dit werkbezoek vond plaats in het kader van de jaarlijkse Ambassadeursconferentie, waarvoor alle ambassadeurs terugkomen naar Nederland om de relaties met Den Haag en de rest van het land te verstevigen. p

oktober 2008 Chemie magazine 19


Actueel

CO2-uitstoot neemt af met 70 procent

Bio-methanolproducent ontvangt Europese Responsible Care-prijs

Bio-methanolproducent BioMCN uit Delfzijl heeft begin oktober tijdens de Cefic-jaarvergadering in Athene de Europese Responsible Care-prijs voor het midden- en kleinbedrijf ontvangen. Directeur Rob Voncken en plantmanager Paul Compagne kregen de prijs voor de ontwikkeling van een gepatenteerde technologie, waarmee uit een bijproduct van biodiesel (glycerine) op industriële schaal bio-methanol wordt gemaakt. Eerder dit jaar ontving BioMCN ook de eervolle vermelding van de VNCI in het kader van de Nederlandse Responsible Care-prijs.

D

irecteur Rob Voncken en plantmanager Paul Compagne van bio-methanolproducent BioMCN in Delfzijl maakten twee dagen in hun drukke agenda vrij om de ceremonie bij te wonen. Toch was het volgens Compagne de moeite waard. ‘Cefic is natuurlijk niet de eerste de beste organisatie en een dergelijke prijs heeft zeker een grote impact.’ De ontwikkeling van een gepatenteerd proces om van glycerine, een bijproduct van biodiesel, bio-methanol te maken, viel bij de jury in goede aarde. En inmiddels heeft Bio-MCN verschillende proeven achter de rug om in 2009 te starten met de grootschalige productie van bio-methanol.

Daarbij werkt de onderneming met verschillende partijen samen om het proces verder te perfectioneren.

Nieuwbouw

Voncken sloeg onlangs op het ChemiePark in Delfzijl de eerste paal voor de nieuwbouw van een glycerine-zuiveringsunit van 50 meter hoog met een capaciteit van 200.000 ton. In deze unit wordt glycerine opgeslagen, gezuiverd en gedoseerd. Hiermee is de eerste stap gezet naar een grootschalige vergroening van de huidige fabriek. Dat betekent dat de grondstoffen voor het maken van methanol voor de helft bestaan uit het nog traditionele aardgas en voor de

andere helft uit ‘groene’ glycerine. In maart 2009 moet de investering zijn afgerond en zal de grootste productielocatie van biomethanol ter wereld zijn gerealiseerd. Een tweede unit van 200.000 ton staat gepland voor 2010. Volgens Compagne streeft BioMCN naar volledige vergroening binnen vier jaar met een jaarlijkse productiecapaciteit van 800.000 ton. En met de verwachte verkoopprijs van circa 700 euro per ton bio-methanol zou dat neerkomen op een omzet van meer dan 500 miljoen euro. Door de vergroening van de productie zal de CO2 -uitstoot met 70 procent afnemen. p

’Carbon leakage’ niet ondenkbeeldig

Cefic waarschuwt voor gevolgen emissiehandel De Europese koepel van chemische bedrijven Cefic is tegen het volledig veilen van emissierechten. De nieuwe voorzitter, Christian Jourquin, waarschuwde begin oktober tijdens de jaarvergadering van de organisatie in Athene voor de negatieve gevolgen van dit beleid.

O

ndanks het zwaard van Damocles dat in de vorm van het volledig veilen van emissierechten boven de industrie hangt, heeft de Europese chemische industrie de afgelopen twee jaar goede resultaten geboekt, bleek uit de speech van scheidend Cefic-voorzitter Francois Cornélis. De vraag naar chemische producten steeg door ‘solide exportmarkten’ en een sterke Europese markt. De sector blijft met een aandeel van 29 procent in de wereldwijde verkoop van chemische producten en een handelsbalansoverschot van 35 miljard euro de grootste speler op chemiegebied. Toch waagde de nieuwe voorzitter, Christian Jourquin van Solvay, zich tijdens de persconferentie in Athene zich niet aan een voorspelling over de economi-

sche prestaties in 2009. De invloed van de kredietcrisis op de branche is ook voor Cefic nog erg onzeker. Volgens de nieuwe voorzitter hebben zich bij de organisatie nog geen bedrijven met grote financiële problemen gemeld, maar als er een recessie komt, zal de chemische industrie er zeker iets van merken. Toch biedt de crisis ook kansen, want hoogopgeleide chemici die voor veel geld in de financiële sector zijn gaan werken, keren nu weer met hangende pootjes terug naar de industrie. ‘En daar zijn ze van harte welkom’, aldus Jourquin. De leden van Cefic hoeven de komende jaren ‘geen revolutie’ te verwachten onder het voorzitterschap van Jourquin. De organisatie blijft zich op de bekende thema’s richten, namelijk de bijdrage die de chemische indu-

strie kan leveren aan de oplossing van het klimaatprobleem, meer vertrouwen creëren in de branche en haar producten door middel van het Responsible Care-programma, innovatie, voldoen aan wet- en regelgeving op stoffengebied (REACH), en leden zo goed mogelijk ondersteunen bij hun bedrijfsvoering.

Twintig miljoen euro bespaard

Scheidend voorzitter Francois Cornélis ging in zijn afscheidsspeech in op de behaalde resultaten op deze gebieden. Zo gaf hij aan dat het Chemistry for Europeproject ruim 20 miljoen euro heeft bespaard bij Cefic en nationale organisaties. De afgelopen twee jaar heeft Cefic 110 nieuwe leden verwelkomd, waardoor de inkomsten zullen toenemen.

Verder stond hij stil bij de verschillende activiteiten op het gebied van het stoffenbeleid. De Europese REACH-wetgeving startte op 1 juni 2007 en bedrijven zijn inmiddels volop bezig om ­ hun stoffen bij het Europees Agentschap voor Chemische Stoffen in Helsinki aan te melden. Daarbij worden ze door Cefic en nationale organisaties op verschillende manieren ondersteund. Zo is het ReachCentrum opgezet om de leden te trainen en te helpen bij de registratie van stoffen. Tevens werkt het centrum nu aan het opzetten van consortia van bedrijven die gezamenlijk informatie over stoffen gaan uitwisselen. ReachLink, opgezet in nauw overleg met het Agentschap, levert de IT-structuur die daarvoor nodig is. Cornélis benadrukte dat het tijdig registreren van 30.000 stoffen van groot belang is voor het imago van de chemische industrie. ‘De reputatie van de bran- e oktober 2008 Chemie magazine 21


Actueel

che staat op het spel en daarom zullen we er alles aan doen om van REACH een succes te maken.’

Pleidooi voor benchmarking

De topman van Total wees verder op de drie bijeenkomsten van de ‘High Level Group on the Competitiveness of the Chemical Industry’. Deze groep bestaat onder meer uit ministers van lidstaten en ceo’s van chemische bedrijven en heeft inmiddels verschillende adviezen aan de Europese Commissie uitgebracht op het gebied van innovatie, energie en klimaatverandering. Eind oktober komt het gezelschap weer bij elkaar om te praten over internationale handel en concurrentiekracht, waarna in februari volgend jaar het eindrapport zal verschijnen. Maar de komende maanden geeft Cefic de hoogste prioriteit aan het Europese emissiehandelssysteem. Cornelis en ­Jourquin benadrukten tijdens de

persconferentie dat de organisatie tegen het veilen van emissierechten is. De branche staat bloot aan wereldwijde concurrentie en is daarom in tegenstelling tot de elektriciteitssector niet in staat om de extra kosten aan klanten door te berekenen. Daarna braken ze een lans voor het benchmarksysteem, waarbij een bedrijf een beperkt aantal CO2 -emissierechten per ton productie volgens een Europese norm ontvangt. Voor de toegekende rechten hoeft het bedrijf niets te betalen, maar de norm is dermate ambitieus dat alleen de schoonste producenten deze halen en geen emissierechten hoeven bij te kopen. Zo worden alle bedrijven gestimuleerd om zo schoon mogelijk te produceren. Volgens Cefic-directeur Alain Perroy heeft de organisatie bij Europese politici al veel goodwill gekweekt voor het systeem, maar is er tegelijkertijd nog een aantal details om uit te werken.

Het voorlopig rapport waarin Cefic argumenten aandraagt waarom de sector als ‘exposed’ zou moeten worden aangemerkt, is in april in ieder geval goed door de Commissie ontvangen, onderstreepte Perroy. En aan het einde van het jaar verschijnt het definitieve rapport, waarin de vragen die nu nog over het bench­marksysteem bestaan worden uitgewerkt.

Geen CO2-heffingen

Cornélis wees verder op het gevaar dat bedrijven naar het buitenland vertrekken waar ze geen CO2 -rechten hoeven te kopen. Verschillende Europese parlementariërs zijn hier volgens hem eveneens bang voor. Speciale invoerheffingen op geïmporteerde producten zouden het gevaar kunnen opheffen, maar daar ziet Cefic weinig in, omdat het in strijd zou zijn met regels van de Wereldhandelsorganisatie. Ook gelooft Cefic niet in het con-

cept dat de Europese chemische industrie alleen hoogwaardige specialities produceert, terwijl de bulkchemie zich in verre oorden vestigt. Daarvoor zijn bedrijven in de keten in haar ogen te veel met elkaar verweven. De komende jaren gaat Cefic volgens de nieuwe voorzitter Jourquin meer samenwerken met bedrijven uit het MiddenOosten, China en Rusland. Ook zal de band met Chinese, Japanse en Amerikaanse ondernemingen verder worden aan­ gehaald. ‘De belangrijkste onderwerpen waar wij ons op richten, spelen zich immers op wereldniveau af’, aldus Jourquin. Zo gaat de International Council of Chemical Associations (ICCA) een studie uitvoeren naar de CO2 -voetafdruk van 100 chemische producten. De resultaten worden volgend jaar bekend gemaakt. p

advertentie

EUROPIC

Nieuw Europees centrum voor procesintensificatie Procestechnologen van een aantal grote chemiebedrijven in Europa hebben op een bijeenkomst op 19 september in Rotterdam ingestemd met de oprichting van het European Process Intensification Center (EUROPIC).

H

et centrum, met een hoofdkantoor bij de Technische ­Universiteit Delft en twee ­regionale kantoren bij de universiteiten van Dortmund en Toulouse, fungeert als industrieplatform voor het uitwisselen van kennis en technologie op het gebied van procesintensificatie (PI). Bij activiteiten van het centrum valt te denken aan technologische verkenningen, position papers, trendanalyses, opzetten van databanken, advisering door topexperts, contact leggen met leveranciers van PItechnologie, organiseren van

workshops en trainingen. Europese chemiebedrijven en daaraan gerelateerde bedrijven kunnen van dit aanbod gebruik maken door lid te worden van EUROPIC. Helmuth Mothes van Bayer is gekozen tot voorzitter van het strategisch adviescollege van het centrum. Meer informatie: prof. Andrzej Stankiewicz, TU Delft, telefoon 015 2786678, www.europiccentre.eu

oktober 2008 Chemie magazine 23


Thema

Polymeren Innovatie Programma

Hoe help je kunststofbedrijven aan nieuwe kennis? Het DPI Value Centre draait boven verwachting. ‘Doel was in het eerste jaar minstens 25 kunststofbedrijven te helpen, maar in werkelijkheid zijn het er nu meer dan 50. En we hebben niet vijf starters geadviseerd, maar vijftien’, zegt Arie Brouwer, directeur van dit centrum in Eindhoven. Erik te Roller

D

e stichting DPI Value Centre, is verbonden aan het Dutch Polymer Institute (DPI). Dit topinstituut initieert en coördineert precompetitieve onderzoeksprojecten op polymeergebied, waar universiteiten en bedrijven aan deelnemen. Het DPI Value Centre is opgezet om te zorgen dat de kennis over polymeren vanuit het DPI-netwerk ook bij de kleine en middelgrote bedrijven terechtkomt en daar toepassing vindt in nieuwe producten. Het DPI Value Centre is eind september vorig jaar van start gegaan met subsidie van Brainport in Eindhoven en het ministerie van Economische Zaken. De activiteiten van het centrum maken inmiddels deel uit van het Polymeren Innovatie Plan (PIP) dat 10 september jl. officieel van start ging. Brouwer legt uit wat de activiteiten zijn: ‘We jagen ten eerste grote projecten aan, zoals het Perkalite®-project. De producent van deze nieuwe synthetische klei, AkzoNobel, wilde graag met verschillende bedrijven tegelijk werken om snel tot nieuwe toepassingen van Perkalite te komen. We

24 Chemie magazine oktober 2008

Arie Brouwer staat bij het prototype productie bij Validus Technologies, een van de startups die DPI Value Centre begeleidt

hebben met medewerking van de NRK, bedrijven aangeschreven en bijeenkomsten georganiseerd. Er zijn nu achttien bedrijven die proeven doen met het nieuwe materiaal, dat onder meer de vlamdovende eigenschappen van kunststoffen kan verbeteren, het transport van zuurstof, kooldioxide en organische oplosmiddelen door de kunststof kan tegengaan, en de mechanische en thermische eigenschappen kan verbeteren. Wij hebben hobbels voor ze uit de weg genomen door aan te geven waar ze eventueel compounds kunnen laten samenstellen en prototypes en proefseries kunnen laten analyseren als ze dat niet in eigen huis kunnen uitvoeren, en we hebben ze in contact gebracht met partijen die specifieke kennis of kunde in huis hebben. Op het ogenblik staan we aan het begin van een nieuwe project. DSM maakt een verbinding, Allinco® geheten, die polymeerketens kan verlengen. Daarmee kun je bijvoorbeeld de kwaliteit van een aantal herverwerkte kunststoffen verbeteren, zodat ze op veel grotere schaal inzetbaar zijn. Bij dit soort projecten faciliteren we bedrijven. Dat willen ze ook graag. En we helpen daarmee nieuwe bedrijvigheid te creëren.’

Maatwerk leveren

‘We zijn ten tweede ook vraagbaak en adviseur voor starters. Dat is echt maatwerk. Er zijn bijvoorbeeld mensen die een onderneming naast hun huidige baan starten of al hun hele leven bij een bedrijf gewerkt hebben en als gepensioneerde een eigen

bedrijf willen opzetten. Wij helpen met het beantwoorden van vragen, zoals “hoe pak je dat aan, waar haal je de kennis vandaan, wie kan bepaalde zaken uitvoeren, hoe kom ik aan startkapitaal en welke experts kunnen feedback geven op mijn plannen”. En ten derde krijgen we veel een-op-een vragen. Doordat we via DPI en NRK deel uitmaken van een groot netwerk, zijn we in staat om bedrijven aan elkaar te koppelen, die voorheen nog nooit van elkaar hadden gehoord. Eén bedrijf zocht bijvoorbeeld naar een technische oplossing voor iets, waarvoor een van de starters al een oplossing had gevonden, zij het voor een product in een andere markt. Die hebben we met elkaar in contact gebracht’, aldus Brouwer. ‘We doen meer dan aanjagen en coachen. Vooral netwerken is belangrijk. We zijn een spin in een web dat zich uitstrekt tot België en de Duitse deelstaat Noord-Rijn-Westfalen. Zo werken we samen met Kunststoffland NRW. Daardoor kan het voorkomen dat bedrijven of onderzoekers uit België of Duitsland in contact komen met bedrijven of onderzoekers in Nederland en omgekeerd’, legt Brouwer uit.

Impuls

In juli is mede dankzij de inspanningen van het DPI Value Centre de subsidieregeling Polymeren als onderdeel van het Polymeren Innovatie Programma (PIP) van start gegaan onder de hoede van SenterNovem. Het ministerie van Economische Zaken stelt 50 miljoen euro subsidie beschikbaar

Foto: bart van overbeek

DPI Value Centre spin in het web

voor het PIP voor een periode van vier jaar. Hiervan is 36 miljoen bestemd voor het Dutch Polymer Institute en 14 miljoen voor het DPI Value Centre. Van dit laatste bedrag is twee derde bestemd voor de subsidieregeling Polymeren en een derde voor de activiteiten van het DPI Value Centre. Tot 15 oktober konden bedrijven subsidie aanvragen. Er zijn in twee maanden tijd ongeveer vijftien projectvoorstellen ingediend, die door SenterNovem eind oktober openbaar gemaakt worden. Brouwer: ‘Bij de meeste projecten zijn drie à vijf bedrijven betrokken. In totaal hebben dus ruim 40 bedrijven op de regeling ingetekend. De bedrijven komen bij ons als ze op zoek zijn naar partners en met vragen over de haalbaarheid qua techniek of business. Wij helpen ze in het voortraject. Subsidie aanvragen doen ze meestal zelf. Voor haalbaarheidsonderzoeken krijgen ze 50 procent subsidie. Bij innovatieprojecten is het subsidiepercentage afhankelijk van verschillende criteria. Een overzicht daarvan staat op de website van SenterNovem.’ Om enige sturing aan de activiteiten, bijeenkomsten en workshops te geven, richt het DPI Value Centre de aandacht op een viertal thema’s: biopolymeren, duurzaam en veilig omgaan met stoffen (additieven), recycling en homogene producten (bestaande uit liefst één type kunststof vanwege de herverwerking). Verder gaat het over drie toepassingsgebieden: slimmere verpakkingen, bouwproducten en auto’s. ‘Door de aandacht op deze gebieden te concentreren, hopen we extra groei van de business op e

Begin september is het Polymeren Innovatie Programma officieel van start gegaan. De bedoeling is om met polymeren een flinke bijdrage te leveren aan duurzaamheid en economische ontwikkeling. Meer specifiek gaat het om een bijdrage van 2,4 miljard euro extra toegevoegde waarde aan de chemische industrie in 2017 en een bijdrage van 30 procent aan de doelstelling van de Regiegroep Chemie om het gebruik van fossiele brandstoffen in 2032 te hebben gehalveerd. Het programma is in essentie gericht op het creëren van nieuwe business. De bedoeling is dit te bereiken via het uitvoeren van precompetitieve research en ontwikkeling. Hier richt zich het Dutch Polymer Institute (DPI) op. Dit topinstituut entameert en coördineert al enige jaren precompetitieve onderzoeksprojecten op polymeergebied, waar universiteiten, kennisinstituten en bedrijven aan deelnemen. Daarbij gaat het om vier thema’s: duurzame zogenoemde high-volume performance materialen, nieuwe polymeren met eigenschappen die bijdragen aan duurzaamheid, verven en membranen met een hoge toegevoegde waarde en high-tech en biomaterialen. Naast het DPI is een jaar geleden het DPI Value Centre opgezet om te zorgen dat de kennis over polymeren van universiteiten en grondstofleveranciers bij de kleine en middelgrote bedrijven terechtkomt en daar toepassing vindt in nieuwe producten.

oktober 2008 Chemie magazine 25


deze gebieden te bereiken, de duurzame ontwikkeling een impuls te geven en het netwerk op het gebied van polymeren in Nederland verder te versterken’, aldus Brouwer.

Samenwerking

‘We zijn enthousiast over het werk van het DPI Value Centre’, zegt Erik de Ruijter, directeur van de NRK. ‘In de kunststofketen heb je grondstofleveranciers, kunststoffabrikanten die halffabricaten en producten maken, zeg maar de NRK-leden, en de afnemers van de producten, zoals Philips, Océ, Unilever en automobielproducenten. We vinden het bij de NRK heel belangrijk om tot meer samenwerking in de keten te komen. Daarvoor is ook het Polymeren Innovatie Programma in het leven geroepen. De essentie daarvan is, dat de polymeerkennis die in Nederland rijkelijk aanwezig is, wordt benut om nieuwe producten te maken en daardoor bijdraagt aan nieuwe bedrijvigheid. Het DPI Value Centre zorgt ervoor dat de kennis daadwerkelijk bij de middelgrote en kleine producenten terechtkomt. Dat is iets waarvoor de NRK ook nadrukkelijk aandacht heeft gevraagd. In de praktijk werken we nauw samen om partijen met elkaar in contact te brengen. Daarom zijn mensen van het DPI Value Centre aanwezig op bijeenkomsten van de NRK, waarvan in totaal 700 bedrijven lid zijn. Er zijn 25 secties, waarvan de leden elkaar regelmatig treffen. Vast punt op de agenda is de vraag wat bedrijven zoal onderzocht zouden willen hebben. De mensen van het DPI-Value Centre zitten daar met gespitste oren en hebben aan een half woord genoeg. Ze verzamelen de verzoeken en brengen de individuele bedrijven via hun netwerk in contact met kennisinstituten, grote bedrijven of industriële klanten.’ De Ruijter roept bedrijven op om bij nieuwe vindingen meteen aansluiting te zoeken bij andere partners. ‘Als bedrijven een doorbraaktechnologie op laboratoriumschaal hebben bewezen en zoeken naar andere bedrijven die dit kunnen toepassen in kunststoffen, rubber of lijm, dan kunnen die met de NRK contact opnemen. Samen met het DPI Value Centre brengen we ze met interessante partners in contact, waardoor de innovatie veel sneller toepassing vindt en nieuwe kennis snel geld oplevert.’ p

Peter Solleveld van Solaq: ‘Ons plan is om zonne-installaties zo veel mogelijk van kunststof te maken, wat fabricagekosten bespaart’

Geconcentreerd zonlicht ‘We zijn bij Solaq zeer content met het DPI Value Centre. Dat zeg ik niet om de mensen van het centrum een plezier te doen, maar omdat dit werkelijk zo is. Ze hebben ons advies gegeven, in contact gebracht met interessante partners en geholpen om de juiste keuzes te maken’, zegt Peter Solleveld mede-oprichter van Solaq BV. ‘Zo’n jaar geleden kwamen we met het DPI Value Centre in contact. De mensen van het centrum stonden van het begin af aan zeer open voor onze ideeën en wensen, maar stelden ook voortdurend kritische vragen’, vertelt Solleveld. Het jonge bedrijf haakt in op het concept, waarbij zonlicht met 26 Chemie magazine oktober 2008

behulp van spiegels geconcentreerd wordt op bijvoorbeeld warmtewisselaars om heet water te maken, of op fotovoltaïsche cellen om elektriciteit te maken. Ook kan de energie gebruikt worden om water te ontzilten. ‘Dit soort installaties wordt doorgaans in metaal uitgevoerd: de licht gebogen spiegels van 4 mm dik, het frame waaraan ze gemonteerd zijn en de dragende constructie. Ons plan is om dit zo veel mogelijk van kunststof te maken. Dat bespaart fabricagekosten. Verder is het kunststofmateriaal beter bestand tegen corrosie, waardoor deze installaties geschikt zijn om in tropische gebieden dichtbij zee, drinkwater te maken.’

‘Het DPI Value Centre heeft kennis met ons gedeeld over polymeren en polymeertoepassingen en ons aangeraden om met andere bedrijven in gesprek te gaan over de productie. Dat heeft interessante contacten opgeleverd. We zijn van plan de productie deels uit te besteden. Ook heeft het centrum beslissingsmodellen aangereikt, zodat we betere keuzes hebben kunnen maken bij het selecteren van de materialen en verwerkingsprocessen. Verder heeft het DPI Value Centre ons in contact gebracht met ervaren mensen uit de industrie die weten hoe je dit soort technische ontwikkelingsprojecten moet opzetten, tot een goed einde kunt brengen’, aldus Solleveld.


Polymerenprinter FT Innovations in Boxmeer ontwikkelt en maakt metallische producten, waaronder zeven voor rotatiepersen waarmee textiel of papier bedrukt kan worden. Daarnaast ontwikkelt het bedrijf medische implantaten. Verder bedenkt het bedrijf nieuwe industriële concepten (FT staat voor future). FT Innovations kent alle ins en outs van de elektrochemie, maar is nog niet zo vertrouwd met de polymeerchemie. ‘We hebben een nieuwe concept bedacht’, vertelt Peter Leerkamp, oprichter en eigenaar van het bedrijf. ‘Het gaat om een toepassing, waarmee je met behulp van polymeren een driedimensionale afbeelding kunt maken. Je kunt het vergelijken met een inkjetprinter. In dit geval worden geen druppeltjes inkt, maar druppeltjes polymeer op de juiste plaatsen aangebracht, zodat er een beeld ontstaat van ongeveer 30 tot 50 micron dik, 50 cm lang en 50 cm breed. Dat beeld, eventueel voorzien van een

laagje metaal, kun je gebruiken in de applicatie van diepdrukken of zeefdrukken van textiel en papier. Via het DPI Value Centre zijn we in contact gekomen met de Technische Universiteit Eindhoven die meehelpt met de verdere ontwikkeling. Het drukken met driedimensionale beelden is niet nieuw, maar het maken van de beelden door het aanbrengen van polymeerdruppeltjes voor deze applicatie, wel. Het DPI Value Centre heeft al de nodige feedback gegeven op ons plan: wat mogelijk is en wat niet mogelijk is. Ook heeft het centrum ons geholpen bij het aanvragen van subsidie in het kader van de Subsidieregeling Polymeren. De aanvraag is positief ontvangen. Eind dit jaar horen we of er subsidie beschikbaar komt om het komende jaar een haalbaarheids­ studie uit te voeren. Intussen helpt het DPI Value Centre ons in contact te komen met partijen die prototypes en proefseries kunnen maken.’

Driedimensionaal printen met polymeren

Barrière-eigenschappen verbeteren BEMA Kunststoffen in Zierikzee maakt onder andere kunststofverpakkingen voor verf en behuizingen voor elektronische apparaten. Marketing- en verkoopmanager Bart Gravendeel: ‘Ons bedrijf telt twintig mensen en is dus te klein om zelfstandig ontwikkelingstrajecten uit te voeren. Wel doen we aan productinnovatie op de korte termijn om aan de directe behoefte van onze klanten te kunnen voldoen. Bij het Perkalite-project gaan we een stap verder. In clusterverband kijken we met andere bedrijven naar de mogelijkheden om de eigenschappen van onze producten met Perkalite te verbeteren. Zo maken we bij BEMA kunststofverpakkingen voor verf waarmee kleurenmengmachines van bijvoorbeeld bouwmarkten bijgevuld kunnen worden en verfverpakkingen voor autospuitbedrijven. Belangrijk is dat er geen oplosmiddel door de kunststof heen diffundeert. Perkalite verbetert de barrière-eigenschappen van de kunststof en laat geen damp door. In de loop van 2009 verwachten we het 28 Chemie magazine oktober 2008

eerste product, dat Perkalite bevat, op de markt te brengen. Ook zijn we geïnteresseerd in het toepassen van Perkalite als vlamvertrager in behuizingen van elektronische apparaten. Dat heeft meer voeten in de aarde en zal pas later toepassingen opleveren. Het DPI Value Centre heeft ons in contact gebracht met AkzoNobel en collega-bedrijven die meedoen aan het onderzoek. Ook ondersteunt het centrum ons bij het aanvragen van subsidie. En via zijn netwerk heeft DPI Value Centre ons ook in contact gebracht met grote bedrijven die uitgebreide tests met onze producten uitvoeren. Daar gaat veel tijd in zitten. Ook wij zijn veel tijd kwijt met het aanpassen van het gereedschap en het maken van proefseries en nulseries. Wat het uiteindelijk oplevert, zal pas blijken als we te zijner tijd de facturen de deur uitsturen. Alle uitwisseling van kennis en inspanningen moet uiteindelijk klinkende munt opleveren. Dat is waar het om gaat.’

Verfverpakkingen voor verfmengmachines bij bijvoorbeeld bouwmarkten


Interview

foto’s: casper rila

H

Aanleg Maasvlakte 2 begonnen

Ideale plek voor bio-industrie 30 Chemie magazine okober 2008

‘De Tweede Maasvlakte is een ideale plek voor bioraffinage en chemische productie op basis van biogrondstoffen. Bedrijven profiteren daar niet alleen van de ligging aan zee, maar ook van de clusters van chemiebedrijven en agribedrijven die in het Rotterdamse havengebied sterk ontwikkeld zijn’, zegt Pieter van Essen, directeur Procesindustrie & Massagoed van het Havenbedrijf Rotterdam. Erik te Roller

oe groot is de Tweede Maasvlakte? ‘Begin september begon de aanleg van de Tweede Maasvlakte, ook wel Maasvlakte 2 genoemd. Dit nieuwe havenrijke schiereiland zal grenzen aan de bestaande Maasvlakte en een bruto oppervlakte hebben van 20 km2. Netto is 10 km2, oftewel 1000 ha beschikbaar als bedrijfsterrein.’

je vroeger te maken had met vooral investeringen in de petrochemie, krijg je nu steeds meer te maken met investeringen in de bio-gebaseerde chemie. Voor die laatste investeringen is Rotterdam zeer aantrekkelijk. Je hebt hier alles bij elkaar: diepzeetransport, binnenvaart, spoorlijnen, wegen en pijpleidingen. Er is agroindustrie, procesindustrie en er zijn nutsbedrijven en logistieke bedrijven.’

Hoeveel terrein is er voor de chemie beschikbaar? ‘Voor containeroverslag is 625 ha beschikbaar, waarvan al 400 ha is uitgegeven aan een drietal bedrijven. Voor de chemie is 210 ha beschikbaar, verdeeld over twee terreinen: één terrein dat grenst aan het terrein van de joint venture van Lyondell en Bayer op de huidige Maasvlakte en een terrein aan de westkant van Maasvlakte 2, vlak achter de zeedijk. Daarnaast is er nog 165 ha beschikbaar voor distributiebedrijven. Afhankelijk van de belangstelling van de verschillende sectoren voor de terreinen kan nog met hectares geschoven worden.’

Wat maakt de Maasvlakte 2 tot een aantrekkelijke locatie? ‘De industriële clusters die al in het havengebied aanwezig zijn, maken het voor bedrijven aantrekkelijk om zich hier nieuw te vestigen of hun bestaande activiteiten uit te breiden. De VNCI staat achter het clusterconcept, waarbij bedrijven door uitwisseling van producten, processtromen en energie elkaar versterken en daardoor beter kunnen concurreren op de wereldmarkt. In Rotterdam zijn er al een aantal sterk geïntegreerde clusters. Denk aan de clusters op het gebied van chloor, polyester, poly­ urethaan en aromaten. Exxon Mobil bijvoorbeeld breidt de productiecapaciteit van zijn aromatenfabriek uit, waardoor straks 25% meer paraxyleen en 25% meer benzeen uit de fabriek komt. Paraxyleen is een grondstof voor onder meer polyesters en petflessen, benzeen voor onder andere nylon en polystyreen. Verder bouwt Air Products in de Botlek een nieuwe waterstoffabriek op wereldschaal en kan daarmee voorzien aan de groeiende behoefte aan waterstof van andere bedrijven in de Rijnmond, inclusief de bio-gebaseerde bedrijven.’

Wanneer kunnen de eerste chemiebedrijven hier neerstrijken? ‘Afhankelijk van de wensen van de bedrijven, kunnen de eerste terreinen voor de chemie vanaf 2012 worden opgeleverd. Wat ons betreft kan dan meteen de eerste paal voor een chemische fabriek geslagen worden’, aldus Van Essen. Is er veel belangstelling? ‘We voeren gesprekken met verscheidene chemiebedrijven over investeringen op Maasvlakte 2. Die verlopen zeer bemoedigend. Het gaat over grote investeringen, waarbij de bedrij­ven niet over één nacht ijs gaan en dus de tijd nemen. De containerbedrijven zijn de laatste jaren sterk gegroeid en hebben daardoor behoefte aan nieuwe grote terreinen. Die hebben er belang bij om meteen hun slag te slaan. Bij de chemiesector is dat een ander verhaal. Daar spelen diverse overwegingen mee. De bedrijfstak is cyclisch en heeft ook te maken met een sterke ontwikkeling van met name de petrochemische industrie in het MiddenOosten en Verre Oosten. Om die redenen willen chemiebedrijven zich niet jaren van tevoren vastleggen. Toch hebben zich al chemiebedrijven aangediend met concrete plannen. Waar

Maar Antwerpen en Hamburg hebben dat toch ook? ‘Alle havens hebben containerbedrijven. Antwerpen heeft ook raffinaderijen en chemiebedrijven. Daarin concurreren we met elkaar. Maar in Rotterdam zijn verder nog grote bedrijven op gebied van plantaardige oliën en biodiesel actief. Er zijn heel wat nieuwe ontwikkelingen en we verwachten dat we met Maasvlakte 2 daarop naadloos kunnen aansluiten.’ Welke bedrijven zijn al met biogrondstoffen actief? ‘De Finse Neste Oil is in september begonnen met de bouw van een biodieselfabriek op een terrein naast dat van Lyondell op de Maasvlakte. De e oktober 2008 Chemie magazine 31


Interview

Pieter van Essen: ‘Er kunnen hier per schip biobrandstoffen uit de hele wereld worden aangevoerd’

‘We gaan alleen in zee met first class bedrijven’ fabriek krijgt een capaciteit van 800.000 ton, gebruikt palmolie, raapolie en dierlijke vetten als grondstoffen en maakt daarvan biodiesel van hoge kwaliteit. De fabriek is geschikt om volledig te draaien op grondstoffen die niet voor menselijke consumptie bestemd zijn en daardoor dus ook niet de productie van voedingsmiddelen in de weg staan. De bedoeling is verder dat Neste Oil en Lyondell stoom, elektriciteit en water gaan uitwisselen, zodat ze heel efficiënt met grondstoffen en energie kunnen omgaan. En Air Liquide gaat waterstof leveren en de E.ON-centrale op de Maasvlakte stroom.’ ‘Verder bouwt het Spaanse bedrijf Abengoa in Europoort de grootste bioethanolfabriek ter wereld. Dit bedrijf werkt ook samen met DSM aan het ontwikkelen van processen voor tweedegeneratiebiobrandstoffen en – grondstoffen met subsidie van het Amerikaanse Department of Energy.’ ‘Ten slotte is een aantal bedrijven al langer met biogrondstoffen actief. Denk aan Loders Croklaan, dat op de Maasvlakte naast Neste Oil een raffinaderij voor palmolie heeft. Dit voormalige Unilever-bedrijf is nu eigendom van IOI Group uit Maleisië. Op de Vondelingenplaat is KOG Edible Oils B.V. al enige jaren gevestigd met een palmolieraffinaderij en fractioneringsinstallatie. En Cargill raffineert al jaren plantaardige oliën in de Botlek. Bij al die bedrijven is veel kennis aanwezig op het gebied van de aanvoer en verwerking van biogrondstoffen.’ Hoe bijzonder is dat? ‘Zoveel van dit soort bedrijven tref je in andere havens niet aan. De enige 32 Chemie magazine okober 2008

haven die met voedingsmiddelen en plantaardige oliën in de buurt komt van Rotterdam is Hamburg. Nu de markt voor biobrandstoffen en biogebaseerde chemicaliën sterk opkomt, kunnen we ons hiermee sterk profileren.’ Moeten de chemiebedrijven aan bijzondere milieu-eisen voldoen? ‘De chemiebedrijven moeten voldoen aan de wet- en regelgeving, waarbij DCMR vergunningverlener is. Als Havenbedrijf stellen we geen extra emissie-eisen. Wel stellen we eisen aan de duurzaamheid van ladingstromen, zoals bijvoorbeeld dat palmolie van gecertificeerde plantages afkomstig moet zijn. Overigens hanteren bedrijven, zoals Neste Oil, op dit terrein al strikte richtlijnen voor zichzelf. Verder stellen we eisen aan de duurzaamheid van het vervoer. Containerbedrijven mogen straks maximaal 35% van hun containers over de weg vervoeren. De rest moet per spoor of binnenschip naar het achterland getransporteerd worden.’ ‘Natuurlijk laten we op Maasvlakte 2 niet alle bedrijven toe. We gaan alleen in zee met first class bedrijven, zoals Neste Oil, die zorgvuldig met milieu en veiligheid omgaan en duurzaam investeren. We laten geen hit and run bedrijven toe.’ Hoe bevorderen jullie duurzaamheid nog meer? ‘Door bij het vervoer meer gebruik te maken van spoor en binnenvaart, het gebruik van schonere scheepsmotoren te stimuleren en meer mogelijkheden te scheppen voor pijpleiding-

transport. In samenwerking met Vopak heeft het Havenbedrijf Rotterdam al geïnvesteerd in een MultiCore-pijpleidingenbundel voor vloeibare en gasvormige chemische stoffen en biobrandstoffen. Dit is een succes dat we verder willen uitbreiden. Op Maasvlakte 2 is voldoende ruimte voor deze soort en andere pijpleidingen langs de weg achter de zeedijk. Daarnaast werken we samen met diverse bedrijven aan de totstandkoming van een pijpleidingnet voor CO2 in de haven. Ook nieuwe bedrijven op Maasvlakte 2 kunnen hier straks op aansluiten om CO2 af te vangen en op te slaan in lege gasvelden onder de Noordzee.’ Heeft de Maasvlakte 2 aantrekkingskracht? ‘De Maasvlakte 2 is niet zomaar een stukje zand in zee. Het is gekoppeld aan alles wat er al is: de petrochemische clusters, de oleochemische cluster en de logistieke infrastructuur. En er kunnen biogrondstoffen per schip uit de hele wereld worden aangevoerd. Dat maakt de Rotterdamse haven tot een geschikt centrum voor nieuwe activiteiten op het gebied van biobrandstoffen en biogebaseerde chemische producten. Dat staat overigens de ontwikkeling van biogebaseerde activiteiten in de regio Amsterdam, de Kanaalzone bij Terneuzen en in Delfzijl geenszins in de weg. Via landelijke netwerken kunnen we kennis en ervaring uitwisselen’, aldus Van Essen. p


Opinie

Vervoer gevaarlijke stoffen in verdrukking Emotie overheerst in discussie

De VNCI staat achter de uitgangspunten van de overheid om nu en in de toekomst het vervoer van gevaarlijke stoffen in het drukbevolkte Nederland in goede banen te leiden. Tegelijkertijd vreest de organisatie dat de aan- en afvoer van chemische producten op sommige chemische clusters in gevaar kan komen. Adriaan van Hooijdonk

‘N

ederland wordt er weer een stukje veiliger op nu de chloortransporten stoppen’, stelt ene Vincent Mulder van de SP in Hengelo op de website van de partij. De uitspraak geeft goed weer hoe veel mensen erover denken. Het vervoer van gevaarlijke stoffen brengt grote risico’s met zich mee, en moet daarom door de overheid zoveel mogelijk aan banden worden gelegd. Wie daarover twijfelt, moet de reacties maar eens lezen van lezers op websites van regionale media in steden waar veel vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Verschillende chemische bedrijven, waaronder AkzoNobel en DSM, zijn inmiddels min of meer gezwicht voor de druk van de publieke opinie. Zo verdween, dankzij de inspanningen van het ministerie van VROM, het chloorvervoer van AkzoNobel vrijwel geheel van het spoor. Daarvoor toucheerde de onderneming 75 miljoen euro, omdat tijdens de onder-

34 Chemie magazine oktober 2008

handelingen werd afgesproken dat de overheid mee zou betalen aan het afbouwen en opbouwen van de AkzoNobel productielocaties. DSM bereikte in maart van dit jaar een akkoord met de overheid over de beëindiging van de ammoniaktransporten tussen Geleen en IJmuiden. Deze worden uiterlijk eind 2009 stopgezet. De overheid bleek bereid daarvoor een schadevergoeding van bijna 50 miljoen euro te betalen voor het sluiten van de DSMvestiging in IJmuiden en het verplaatsen van de salpeterzuurfabriek naar Geleen. ‘Met dit akkoord is opnieuw een belangrijke stap gezet om het vervoer per spoor veiliger te maken’, aldus het persbericht van het ministerie van VROM. Toch blijkt keer op keer uit verschillende onderzoeken dat het transport van gevaarlijke stoffen per spoor, weg of water door strenge maatregelen en voortdurende innovatie in feite al bijzonder veilig is. Zo refereerde adviseur vervoer gevaarlijke stoffen, Wieger Visser van Railion,

onlangs nog in het vakblad Gevaarlijke Lading aan een onderzoek van de Internationale Spoorwegunie. Daaruit blijkt dat er de afgelopen 30 jaar in Europa achttien treinongevallen plaats hebben gevonden, waarbij grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen vrijkwamen. Daarbij vielen overigens géén slachtoffers. In diezelfde 30 jaar werden over het spoor wel 562 miljard tonkilometers afgelegd. De kans op een ernstig ongeval met gevaarlijke stoffen op

HSE-manager Jos van Otten van Elementis:

‘Ik mis de regie van de landelijke overheid’ Elementis uit Delden kreeg altijd haar grondstoffen uit Duitsland door een trein van vervoerder Railion aangeleverd. Daar dreigt nu een einde aan te komen, omdat spoorbeheerder ProRail uit economische overwegingen geen wagons met gevaarlijke stoffen in Almelo wil rangeren; het emplacement in Hengelo, waar het rangeren wel toegestaan is, is volgens Railion logistiek gezien ontoereikend.

het spoor is dus bijzonder klein. De kans op de hoofdprijs in de postcodeloterij is volgens Wieger velen malen groter….

Verhit debat

Dat neemt niet weg dat er momenteel in kringen van landelijke, provinciale en lokale politici, vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en risico-experts een verhit debat woedt over het zogeheten Basisnet. Daarmee wil de overheid ‘de spanning tussen

ruimtelijke ordening en vervoer van gevaarlijke stoffen op een verstandige manier beheersen’. Het Basisnet geldt voor het vervoer over de weg, het spoor en het water, en kan per route beperkingen opleggen. Daarbij gaat de overheid uit van drie categorieën. Bij de eerste heeft het vervoer voorrang, zoals bijvoorbeeld bij de Betuwelijn. Bij de tweede moeten vervoer en bouwen met elkaar rekening houden, dat is het geval in dichtbevolkte gebieden

waar belangrijke vervoeraders doorheenlopen. Bij de derde heeft bouwen voorrang, bijvoorbeeld in gebieden waar weinig chemische industrie is, waardoor er weinig vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De overheid wilde het Basisnet spoor op 1 januari 2009 in laten gaan, maar het is inmiddels wel duidelijk dat deze datum door de complexiteit van het dossier bij lange na niet gehaald zal gaan worden. Bovendien moet de Wet Ver-

voer Gevaarlijke Stoffen worden aangepast, en dat neemt minimaal een jaar of twee in beslag. En dan is het tot slot nog maar de vraag of de Europese Commissie akkoord zal gaan met de beperkingen…. Het Basisnet vindt zijn oorsprong in de Nota Vervoer Gevaarlijke Stoffen, waarin duidelijk werd gesteld dat het ‘vervoer van gevaarlijke stoffen mogelijk moet blijven.’ Toch plaatsen steeds meer vertegenwoordigers van de e

Goederenvervoerder Railion is, blijkens een bericht in de Twentse Courant Tubantia, ‘woedend’ op spoorbeheerder ProRail. Railion werd naar eigen zeggen begin 2007 onaangenaam overvallen door het besluit van ProRail om het arrangeren met wagons gevaarlijke stoffen uit de milieuvergunning voor het Almelose spoorwegemplacement te schrappen. ProRail heeft volgens Railion zonder enig overleg op het laatste nippertje besloten de wagons niet meer toe te staan. Daarmee komt ProRail tegemoet aan de wensen van de gemeente Almelo en de provincie Overijssel, die net als veel andere gemeenten in de regio steeds meer moeite hebben met de toename van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Volgens HSE-manager Jos van Otten van het chemisch bedrijf Elementis in Delden is de onderneming nu gedwongen om een andere, duurdere oplossing te kiezen. ‘De belangrijkste grondstoffen komen voornamelijk uit het Duitse Ruhrgebied. In het verleden werden ze eerst naar de Kijfhoek e oktober 2008 Chemie magazine 35


Opinie

industrie daar vraagtekens bij. Zo vreest voorzitter Pieter G. Wildschut van de Commissie Transport Gevaarlijke Goederen (CTGG), die namens het bedrijfsleven met de overheid over het dossier onderhandelt, dat veel chemiebedrijven straks met het vervoer van gevaarlijke stoffen in de knel zullen komen. Daarbij gaat het met name om de chemieclusters in Vlissingen, Terneuzen, Moerdijk, Europoort, Botlek, Limburg, Delfzijl. Deze bedrijven hebben voor de aan- en afvoer van hun pro-

cussie over het vervoer van gevaarlijke stoffen dwars door dichtbevolkte steden heeft hierdoor, blijkens de vele berichten in de regionale pers, een nieuwe impuls gekregen. Colleges van B& W van Breda tot Den Bosch en van Almelo tot Hengelo laten nu steeds vaker weten dat ze van het vervoer van gevaarlijke stoffen door hun gemeenten af willen. Wanneer je op de emoties afgaat die het vervoer nu eenmaal oproept bij hun electorale achterban, valt dat nog wel te begrijpen.

‘Dit vraagt om een landelijke aanpak’ ducten per spoor te maken met categorie 2. En dat houdt in dat het vervoer een bepaalde limiet krijgt opgelegd.

Nieuwe impuls

Wildschut wijst erop dat alleen via de Betuwelijn in principe onbeperkt vervoer van gevaarlijke stoffen mogelijk is. ‘Maar deze lijn loopt oost-west, terwijl er ook veel behoefte is aan vervoer van noord naar zuid en omgekeerd. Verder blijkt het in de praktijk vrijwel onmogelijk om vanuit het noorden of het zuiden op de Betuwelijn aan te sluiten. Daar komt bij dat de rest van de lijn dwars door steden loopt, waar steeds meer verzet komt tegen het vervoer van gevaarlijke stoffen.’ Dat verzet is ongetwijfeld voor een deel ingegeven door de SP die al sinds het begin van de jaren negentig actie tegen de chloortreinen heeft gevoerd. Maar ook de ‘bijnabotsing’ tussen een ‘giftrein’ en een passagierstrein op het station in Tilburg in de zomer van 2007, heeft hierbij een rol gespeeld. Het incident werd veroorzaakt doordat de machinist van de passagierstrein niet opmerkte dat een sein dat standaard geel knippert, op rood stond. De dis-

Toch stellen CTGG-voorzitter Pieter Wildschut en zijn medecommissielid Henk Bril van SABIC dat een aantal provinciale en gemeentelijke besturen boter op hun hoofd heeft. ‘In de Nota Vervoer Gevaarlijke Stoffen, waar het Basisnetproject uit voortvloeit, hebben we met z’n allen afgesproken dat er vanaf een auto- of spoorweg een veiligheidszone moet overblijven. Deze zone moet de burger beschermen tegen de gevolgen van een plasbrand, in de nota het basisbeschermingsniveau genoemd. Deze ruimte is ook nodig om, mocht er iets misgaan, de inzet van hulpdiensten mogelijk te maken.’

Voldoende afstand

‘Maar wat zien we in de praktijk?’, vult Bril aan. ‘Projectontwikkelaars die veel druk op gemeenten en provincies uitoefenen om toch maar vooral te kunnen bouwen op deze kostbare grond. Daarom pleit de CTGG, in navolging van de Milieu Effect Rapportage, voor een Externe Veiligheid en Ruimtelijke Toets (EVERT) voor bouwplannen langs het Basisnet. Daarmee kunnen we voorkomen dat we fouten die in het verleden zijn gemaakt, zoals bebouwing langs en boven het spoor,

opnieuw maken. Het is belangrijk om voldoende afstand te houden, en met behulp van deze toets kunnen we de ruimte garanderen.’ VNCI-directeur Colette Alma, die namens de chemische industrie aan de stuurgroep Basisnet deelneemt, benadrukt dat de VNCI volledig achter het concept van het Basisnet staat. ‘Door middel van het Basisnet scheppen we immers ruimte voor het toekomstig vervoer van gevaarlijke stoffen. En van de ruimte die overblijft, is het straks duidelijk voor gemeenten en provincies waar ze kunnen bouwen. En zo weten beide partijen waar ze aan toe zijn.’ Tegelijkertijd signaleert ze, net als de CTGG, een aantal problemen waar zo op het eerste gezicht geen eenvoudige oplossing voor is te bedenken. ‘Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg of via het water, zijn vooreerst een beperkt aantal knelpunten te verwachten, blijkt uit eerder onderzoek van de overheid. Maar dat ligt heel anders voor het vervoer per spoor. Dat gaat vaak dwars door dichtbevolkte stedelijke gebieden, en we zijn er nog niet over uit hoe deze problemen opgelost moeten worden. In theorie kun je natuurlijk het treinverkeer over een nieuw aangelegd spoor rond een stad laten rijden, maar je praat dan wel over flinke investeringen. En wie moet dat gaan betalen?’ Daarom pleit de VNCI-directeur voor een landelijke aanpak. ‘Het dossier is zo ingewikkeld en heeft zoveel economische gevolgen dat het vraagt om een landelijke aanpak en coördinatie. De chemische industrie wil nu en de toekomst de mogelijkheid krijgen om te kunnen groeien. En daardoor neemt het vervoer van gevaarlijke stoffen haast per definitie toe. Uiteraard hebben wij oog voor de belangen van gemeenten, maar het mag nooit zo zijn, dat één gemeente een hele transportroute kan blokkeren. Daarom wil de VNCI dat een minister hierover kan beslissen.’ p

in Rotterdam vervoerd. Daar werd door Railion een trein samengesteld om chemische bedrijven in het oosten van grondstoffen te voorzien. Daarna kregen wij via Almelo onze grondstoffen aangeleverd. ProRail is de eigenaar van het spoor en het de emplacementen in Almelo en Hengelo, en heeft besloten op één locatie (Hengelo) door te gaan met het vervoer van gevaarlijke stoffen. Railion is niet gelukkig met die keuze, omdat de ruimte in Hengelo beperkt is. Daarom kan Railion ons niet meer op een kosteneffectieve wijze voorzien van onze belangrijkste grondstoffen en zijn wij gedwongen een andere duurdere oplossing te kiezen.’ Overschakelen op wegvervoer Een mogelijke oplossing is bevoorrading vanuit Bad Bentheim in Duitsland. Maar als het alleen om Elementis wagons gaat, is dat volgens Van Otten een hele kostbare aangelegenheid. ‘Daarom kijken we ook naar de mogelijkheid om met vrachtwagens te gaan werken. Maar daarmee kun je veel minder grondstoffen vervoeren dan in een treinwagon. Bovendien staat dit haaks op de door de overheid gestimuleerde overgang van weg- naar spoorvervoer. Dat is immers een stuk veiliger én beter voor het milieu.’ Elementis heeft overigens recent nog fors geïnvesteerd om de aanlevering via het spoor te continueren. En volgens Van Otten heeft de overheid daar zelfs financieel aan bijgedragen. ‘Daarom hebben wij deze zaak bij de provincie aangekaart. Ik verwacht dat de provincie ons vervoersprobleem adequaat inbrengt in de lopende landelijke discussie over het vervoer van gevaarlijke stoffen. De uitkomst moet er wat ons betreft toe leiden dat het goed kunnen rangeren met gevaarlijke stoffen op regionaal niveau weer mogelijk wordt, en dat de hogere kosten voor de aanlevering van gevaarlijke stoffen naar onze site van tijdelijke aard zijn.’

oktober 2008 Chemie magazine 37


Uitgelicht

De aromatenfabriek van ExxonMobil in de Botlek gaat momenteel flink op de schop. Zo neemt het bedrijf onder meer een nieuwe destillatiekolom van ruim 60 meter hoog in gebruik. De toren combineert een aantal scheidingen ineen. Er is maar ĂŠĂŠn kolom nodig in plaats van drie, en bovendien kan de warmte eenvoudig worden hergebruikt. In totaal daalt het energieverbruik met ongeveer tien procent per ton product. Volgens directeur Maarten ten Doesschate kan de nieuwe fabriek straks 140.000 ton meer paraxyleen per jaar produceren. Daarmee is en blijft de Rotterdamse Aromaten Fabriek een van de grootste paraxyleenfabrieken in de wereld. 38 Chemie magazine oktober 2008

Foto: Kees Stuip

ExxonMobil investeert in Rotterdamse aromatenfabriek

Torendans voorhogere marges oktober 2008 Chemie magazine 39


In beeld

BioMCN in Delfzijl gebruikt glycerine

foto: Chris Schotanus

Hoe maak je bio-methanol?

De Lotus Exige 270E Tri-fuel rijdt op bio-methanol

Bio-methanolproducent BioMCN start volgend jaar met de grootschalige productie van biomethanol. Daarvoor gebruikt het bedrijf glycerine, een bijproduct van biodiesel, in plaats van aardgas. Hoe gaat dit in zijn werk? foto’s: Casper Rila oktober 2008 Chemie magazine 39


In beeld

1 3 2

6

7 CO2-uitstoot neemt met minimaal 70% af

4 5 8

Foto 1: Controlekamer Foto 2: Reformer oostzijde Foto 3: Reformer Foto 4: Synthese: Kleppen/afsluiters hogedruk- en lagedrukcompressor Foto 5: Synthese: Circulator/compressor bediening door operator Foto 6: Grote destillatiekolom en kleine toppingkolom Foto 7: Leidingbrug voor o.a. afvoer van Methanol naar de opslagtanks Foto 8: Glycerine proeffabriek fase 1. Monteurs die aanpassingen verrichten aan de proeffabriek Foto 9: Glycerine proeffabriek Foto10: Glycerine productieplant. Grondwerkzaamheden voor de Glycerine productiefabriek

40 Chemie magazine oktober 2008

9

10 oktober 2008 Chemie magazine 41


Kennis en ervaring

TNO coördineert Europees project

Chemie wil meer gebruik van afvalwater maken De industrie heeft steeds minder waterbronnen ter beschikking. Daarom is er meer en meer aandacht voor het hergebruik van afvalwater. Reden voor de start van het Europese project ‘AquaFit4Use’. Annemarie Vroom-ten Wolde

‘H

et doel van het waterproject is heel simpel,’ zegt Albert Jansen, new business waterbehandeling bij TNO Bouw en Ondergrond. ‘In de industrie gebruikten veel partijen tot nu toe voor de meeste toepassingen kostbaar drinkwater. Dat is vaak bereid uit grondwater, dat wereldwijd steeds schaarser wordt. Daarom onderzoeken bedrijven andere mogelijkheden. Zo kijken bedrijven in ons land veel naar oppervlaktewater, maar dat is niet overal voorhanden. Daarnaast moeten waterzuiveringen aan steeds hogere eisen voldoen, waardoor de kwaliteit van het water alsmaar toeneemt. Dan is de meest logische bron: je eigen afvalwater.

40 Chemie magazine oktober 2008

Wanneer je dat als bron gaat gebruiken, kan je geld verdienen.’ ‘Het mes snijdt aan twee kanten,’ vult AquaFit4Use-projectcoördinator Willy van Tongeren van TNO aan. ‘Naast besparing op je waterkosten zijn hergebruik van energie, terugwinnen van grondstoffen, verbetering van productkwaliteit en minder afvalstoffen allemaal het gevolg van duurzamer omgaan met water. Je bent daarbij dus onafhankelijker van je omgeving en het hoeft niks te kosten; het kan zelfs geld opleveren!’

Onderzoeksprogramma

Het vierjarige Europese onderzoeksprogramma ‘AquaFit4Use’ startte onlangs met een budget van 14,5 mil-

joen euro voor duurzamer watergebruik in de chemische industrie, de papier-, textiel-, en voedingsmiddelenindustrie. ‘Het gaat om een groot consortium van bedrijven, onderzoeksinstellingen, eindgebruikers en technologieleveranciers, met in totaal 34 deelnemers,’ aldus Van Tongeren. ‘Het aandeel van de industrie is met ruim 2/3 erg groot. Het gaat vooral om toepassingsgericht onderzoek, waarvan de resultaten sterk praktijkgericht zijn. Zo zijn er veel proefonderzoeken op locatie bij de industrie, bijvoorbeeld bij Unilever en BASF, maar ook bij een grote Spaanse papierfabriek en enkele kleinere textielfabrieken in Slovenië. Daarbij werken de onderzoekers niet alleen aan combinaties van bestaande technologieën, maar ook aan innovatieve technologieën.’ Het CBS becijferde onlangs dat de chemische industrie in 2005 in totaal 2564 miljoen m3 water per jaar gebruikte, tegenover 215 miljoen m3 door de voedingsindustrie, 145 miljoen m3 door de papierindustrie en grafische industrie en 306 miljoen m3 door raffinaderijen. Het Nederlandse bedrijfsleven bespaarde tussen 2003 en 2006 twee procent leidingwater

per jaar en onttrok minder grondwater dan daarvoor. Volgens Jansen van TNO bestaat waterbehandeling tot nu toe vooral uit afvalwatertechnologie en proceswatertechnologie. ‘Als je deze kringloop wilt sluiten, kun je de pijpen direct op elkaar aansluiten, maar dat kan efficiënter. Binnen AquaFit4Use gaan we vanuit management-oogpunt naar zulke processchema’s kijken. Daarnaast gaan we betere, efficiëntere watertechnologieën demonstreren en bovendien alles nauwkeurig meten en controleren.’ Van Tongeren: ‘Het hoofdthema is “water-fit-for-use”: gebruik water van de juiste kwaliteit, op de juiste plaats. Dit levert naast kostenbesparing betere procesbeheersing en kwaliteitsverbetering van het product op. Ook besteden we veel aandacht aan kennisoverdracht tussen de verschillende sectoren, die veel van elkaar kunnen leren.’ Jansen heeft hoge verwachtingen van AquaFit4Use: ‘De meest concrete doelstelling op het laagste niveau ligt bij al die verschillende technologietjes, die allemaal hun eigen succesjes kunnen hebben. Op het niveau daarboven gaan we onderzoeken of

we met nieuwe of bestaande technologieën specifieke waterstromen van industrieën economisch kunnen hergebruiken. Daarnaast gaan we per branche proberen om gestandaardiseerde technologie en kwaliteit te ontwikkelen. Hoe meer je kan standaardiseren, hoe goedkoper -en aantrekkelijker- de technologie wordt.’

Albert Jansen van TNO: ‘We gaan betere, efficiëntere water­ technologieën demonstreren’

Nieuwe technologieën

Van Tongeren vertelt dat binnen AquaFit4Use bestaande technologieën als membraanbioreactoren worden onderzocht –bijvoorbeeld in combinatie met geavanceerde oxidatieprocessen– en vernieuwde processen om via katalytische ondersteuning microverontreinigingen te verwijderen. Verder werken ze aan innovatieve technologieën als de flow through capacitor (FTC), die Unileverdochter Voltea aan het ontwikkelen is voor ontzouting. Jansen licht deze capacitieve deïonisatie nader toe: ‘Waar het op neerkomt is dat je twee elektroden hebt in een waterige stroom, waar een spanning op zit: de ene elektrode is positief en de andere negatief. Die trekken dan hun opponenten aan: dan gaan de negatieve ionen (zoals

chloride-ionen) naar de positieve pool en de positieve ionen in het water (zoals natrium-ionen) naar de negatieve pool. Dat kan je doen, totdat die elektroden verzadigd zijn. Dan stop je het proces even, waarbij je het water eruit laat stromen. Het water is dan vrij van deze zoutionen. Dan haal je de spanning eraf, zodat de elektroden regenereren en de ionen weer teruggaan. Zo krijg je een geconcentreerde zoutoplossing. Voltea gaat met bepaalde waterige stromen demonstreren dat deze technologie efficiënter is dan andere ontzoutingstechnologieën.’

Biofiltratie

Daarnaast werkt TNO aan een ‘DeNutritor’-technologie om bio­ e oktober 2008 Chemie magazine 41


Kennis en ervaring

fouling (de afzetting van micro-organismen) te voorkomen. Van Tongeren: ‘Dat is een vorm van biofiltratie die er toe leidt dat de waterstromen zodanig uitgeput worden dat er geen voedingsstoffen meer voor de micro-organismen aanwezig zijn. Daardoor kan er geen verdere biologische groei optreden. Waar je voor zorgt is dat de microbiologische groei, die anders bijvoorbeeld op het membraan plaatsvindt, nu dankzij specifieke condities en dragermaterialen juist op een andere plaats, zoals in het biofilter, plaatsvindt. Dan moet je wel regelmatig het biofilter reinigen om het aangegroeide slib te verwijderen. Het zijn vergelijkbare processen die al bij commerciële waterzuivering optreden, alleen op andere plaatsen in het systeem, zoals een warmtewisselaar, een verdampingssysteem of koelwatersysteem. Dan is er minder koelwater nodig en zijn er ook minder chemische toevoegingen nodig om die biologische groei te voorkomen, wat het proces duurzamer maakt.’ Jansen vult aan: ‘Biofouling is een soort “slijmerige snotlaag” die zich overal op afzet, wat een belangrijk probleem is in de industrie. Als het dat op warmtewisselaars doet, gaat je koelproces minder efficiënt werken. Dat moet bij koelwater voorkomen worden, maar geeft ook veel problemen in proceswater. Vooral bij de bereiding daarvan, want dan zet het zich af op membranen. Dan neemt de weerstand van het membraan toe, omdat je er dan meer druk opzet, kost het meer energie en geeft het lagere fluxen, zodat je alles steeds moet schoonmaken en dan gaan ze minder lang mee.’ 42 Chemie magazine oktober 2008

Scaling (het afzetten van kalk) vormt volgens Jansen een ander probleem in de industrie: ‘Hiervoor hebben we een gecombineerde membraan-/ kristallisatie-technologie –de zogenoemde filtration assisted crystallization technology (FACT)– ontwikkeld, waarbij we de kalk die we uit het water halen zo mooi maken, dat die weer gebruikt kan worden in de productie. Dat gaan we bij de papierfabriek Sappi in Maastricht demonstreren.’ Verder werkt de Universiteit van Maribor in Slovenië aan de toepassing van ultrageluid voor desinfectie en de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) aan de zero-valent iron-technologie om microverontreinigingen te verwijderen.

Nuttig project

Binnen de chemische industrie in Nederland vervult Dow in Terneuzen volgens Jansen een voortrekkersrol in duurzaam water(her)gebruik. Watertechnoloog Lambèr Paping van Dow hierover: ‘Onze visie is dat we samenwerking en waterketenbeheer centraal zetten, dus ook het initiatief AquaFit4Use, zeker als dat leidt tot praktisch uitgevoerde, goedfunctionerende projecten in iedere waterbehoeftige regio.’ Dow startte in haar regio een succesvolle Private Public Partnership waarbij de helft van de dagelijkse 60.000 m3 water wordt geleverd door intern hergebruik van waterstromen, proceswater, condensaat en regenwater en dagelijks 7500 m3 gezuiverd afvalwater uit de gemeente Terneuzen effectief wordt hergebruikt. Hiermee is Dow de grootste meervoudige waterherge-

bruiker in Europa, waarbij dus ook extern-geïmporteerde waterstromen worden heringezet, in dit geval gereinigd municipaal rioolwater afkomstig van het Waterschap Zeeuws-Vlaanderen. Volgens Jansen is DSM ook heel actief in de ontwikkeling van duurzaam water(her)gebruik. John Krijgsman van DSM Research: ‘Wij zijn al jaren bezig met toepassing van en onderzoek naar methoden om het waterverbruik te verminderen en/of de kring-

‘Het onderwerp leeft veel meer dan ik verwacht had’ loop te sluiten. Alle in-aanmerking-­ komende technologieën zijn de revue gepasseerd. AquaFit4Use lijkt mij een nuttig project, maar het is niet het enige initiatief op dit gebied. Bovendien is waterbehandeling specifiek voor elke productielocatie, wat maatwerk vereist. Dat moeten wij zelf leveren, in samenwerking met externe partners; dat zou ook AquaFit4Use kunnen zijn.’ Jansen: ‘Het onderwerp leeft veel meer dan ik verwacht had. Er nemen nu allerlei belangrijke industrieën contact met ons op, of ze op de een of andere manier betrokken kunnen raken bij AquaFit4Use.’ p Meer informatie: www.aquafit4use.eu


Maatschappij

Europarlementariër Lambert van Nistelrooij over Benchmarksysteem:

‘Premie op goed gedrag’

Hoewel de industriecommissie én de milieucommissie van het parlement ermee hebben ingestemd, is het nog lang niet zeker dat het voorstel van de Europese Commissie om CO2-rechten te veilen, het zal halen. Europarlementariër Lambert van Nistelrooij (Europese Volkspartij) vindt daarom dat de chemische industrie door moet gaan met het uitleggen van haar alternatief, de ‘benchmark’. Joost van Kasteren

48 Chemie magazine oktober 2008

EU-parlementslid Van Nistelrooij krijgt ‘allerlei signalen van collega-parlementariërs die toch wel brood in benchmarking zien’

foto: ANP

N

adat eerder de industriecommissie ermee had ingestemd, stemde op 7 oktober ook de milieucommissie van het Europese Parlement voor het aanscherpen van het emissiehandelssysteem (ETS). Die aanscherping houdt in dat bedrijven hun emissierechten voor CO2 niet meer gratis krijgen, maar moeten kopen op de veiling. Vanaf 2013 moet 15 procent van de emissierechten worden aangekocht, oplopend tot 100 procent in 2020. Dat alles in het kader van het streven van de Europese Unie om de uitstoot van broeikasgassen in 2020 met 20 procent terug te dringen. Veilen van emissierechten gaat de chemische industrie waarschijnlijk erg veel geld kosten. Bij een prijs van 25 – 30 euro per ton CO2 zou het gaan om zo’n half miljard euro per jaar, schatte VNCI-voorzitter Jan Zuidam (Chemie Magazine juni 2008). Loopt het bedrag per ton op naar 50 of 100 euro, dan gaat het de Europese chemische industrie vele miljarden kosten. Enorme bedragen die concurrenten elders in de wereld (Verenigde Staten, Midden-Oosten, China) niet hoeven op te brengen. Die lachen waarschijnlijk in hun vuistje omdat de Europese Unie al bij voorbaat kiest voor een kostbaar handelssysteem, terwijl de onderhandelingen over een vervolg op het Kyoto-verdrag pas in 2009 in Kopenhagen van start gaan. Door in te stemmen met het voorstel van de Europese Commissie om het ETS aan te scherpen, lijken de europarlementariërs zich eerder te laten leiden door de apocalyptische verhalen van Al Gore en de milieubeweging dan door het belang van welvaart en werkgelegenheid. Een van de gevolgen zal zijn dat een deel van de activiteiten van de chemische industrie zal worden verplaatst naar andere landen, waar bedrijven niet hoeven te betalen voor CO2rechten. Suggesties van het EU-parlementslid Dorette ­Corbey (Socialisten) dat deze ‘carbon leakage’ kan

worden voorkomen door importheffingen, gaan voorbij aan de feitelijke situatie dat Europa al lang niet meer de navel van de wereld is. Ook haar alternatief, gratis rechten voor bedrijven die blootstaan aan internationale concurrentie, roept vooral problemen op over de vraag waar je de grens moet trekken. Zo staat de productie van etheen of chloor niet bloot aan internationale concurrentie, omdat ze niet over grote afstanden worden vervoerd. Deze en andere basischemicaliën staan echter aan het begin van een waardeketen, die uiteindelijk chemicaliën oplevert die wél internationaal verhandeld worden.

Schonere technieken

Corbey, die ondanks herhaald aandringen niet reageerde op een verzoek om een telefonisch interview, schrijft op haar website trots dat de milieucommissie niet geweken is voor een ‘zware lobby’ van de industrie om het wetsvoorstel af te zwakken. Ze schrijft: ‘De honderden bezorgde burgers die de e oktober2008 Chemie magazine 49


Maatschappij

afgelopen dagen mijn kantoor hebben benaderd kunnen gerust zijn, het EP (Europees Parlement) heeft de rug rechtgehouden.’ In ieder geval één andere europarlementariër en lid van zowel de industrie- als de milieucommissie wil niet in die trots delen. Lambert van Nistelrooij (EVP) vindt het bijzonder jammer dat het alternatief van de chemische industrie het niet heeft gehaald. Nog niet, althans. Dit alternatief dat onder de naam ‘benchmark’, door Brussel waart, is volgens hem geen ‘afzwakking’, maar een veel effectiever instrument om de doelstellingen van de Europese Unie op het gebied van broeikasgassen te realiseren. En dat zonder de chemische industrie onevenredig veel schade toe te brengen. Kortweg houdt ‘benchmarking’ in dat er een prestatienorm wordt vastgesteld voor de hoeveelheid CO2 die per ton product mag worden uitgestoten op basis van de best beschikbare technieken die in de praktijk commercieel worden toegepast. Per ton product krijgt elk bedrijf gratis emissierechten op basis van die norm. Komen ze er bovenuit dan moeten ze emissierechten bijkopen. Slagen ze erin om eronder te blijven, dan kunnen ze de overgebleven emissierechten verkopen. Als het productievolume groeit, wordt de norm zodanig naar beneden bijgesteld dat de totale uitstoot onder een vooraf afgesproken plafond blijft. Van Nistelrooij: ‘Het mooie van dit systeem is dat het een premie geeft op goed gedrag, maar tegelijkertijd niet concurrentievervalsend is. Bij veilen is dat wel het geval, want degene met de diepste zakken kan een tijd lang emissierechten kopen en zo een minder draagkrachtige concurrent uit de markt drukken. Dat kan niet de bedoeling zijn van de wetgever. Met benchmarking stimuleer je bovendien de ontwikkeling van nieuwe, schonere technieken, toch ook een belangrijke doelstelling van het Europese beleid.’

Kans

Juist omdat ‘benchmarking’ zo’n motiverend systeem is, denkt Van Nistelrooij dat het voorstel van de industrie nog wel een kans maakt in het vervolg van de procedure. ‘Het is weliswaar weggestemd in de commissies Industrie en Milieu, maar ik krijg allerlei signalen van mijn collega-europarlementariërs dat ze er toch wel brood in zien. Dat dat niet eerder in hun stemgedrag tot uiting is gekomen, heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat de industrie toch iets te lang bij Europese commissie heeft gelobbyd en iets te lang heeft gewacht met het voorlichten van de parlementariërs. De eindspurt richting commissievergaderingen is wat te laat ingezet.’ Inmiddels ziet Van Nistelrooij dat zijn collega’s meer 50 Chemie magazine oktober 2008

EU-parlementslid Corbey pleit voor importheffingen op CO2-producten

warm beginnen te lopen voor benchmarking. Omdat het systeem uitdaagt tot technologische vernieuwing zou het er zelfs toe kunnen leiden dat andere landen volgen, zonder dat dat in een verdragstekst wordt vastgelegd. Reductie in CO2-uitstoot is immers recht evenredig met energiebesparing. In combinatie met de verkoop van emissierechten kan dat aardig wat geld opleveren. Niet alleen de kanteling in het denken bij veel europarlementariërs biedt kansen voor benchmarking, maar ook het feit dat inmiddels ook een aantal lidstaten dwars is gaan liggen. Nog voor

‘Benchmarking stimuleert de ontwikkeling van nieuwe, schonere technieken’ de stemming in de commissie milieu bleek dat de Poolse regering voldoende steun had verworven binnen de Europese Unie om de aanscherping van de emissiehandel voorlopig tegen te houden. Met steun van Bulgarije, Griekenland, Hongarije, Roemenië en Slowakije vormt Polen nu een zogeheten blokkerende minderheid, dat wil zeggen een minderheid die voldoende omvang heeft om voorstellen van de Europese Commissie opnieuw ter discussie te stellen. De genoemde landen zeggen niet voldoende geld te hebben om emissierechten te kopen voor hun verouderde en vervuilende energiecentrales en willen daarom uitstel van de maatregel. Van uitstel komt nog geen afstel, maar het betekent wel, aldus Van Nistelrooij, dat de Europese Commissie op zoek moet naar een alternatief voor het veilen van emissierechten. Ook dat biedt perspectieven voor benchmarking. Van Nistelrooij: ‘Als ik de chemische industrie was zou ik voorlopig nog maar even doorgaan met het bevorderen van benchmarking. Er is een goede kans dat het Europese Parlement er in november toch voor blijkt te zijn. En daarna is er nog altijd de Raad van Ministers die zich erover buigt.’ p


Infographic

Geluidscherm filtert lucht langs snelweg

R

ijkswaterstaat neemt dit jaar langs de A28 bij Putten proeven met geluidsschermen die ook lucht zuiveren. In het kader van het Innovatieprogramma Luchtkwaliteit hebben bedrijven deelgenomen aan een prijsvraag. Een van de vier winnende concepten is het Clean Screen-scherm van Redubel (onderdeel BAM). Dit scherm heeft van april tot en met augustus langs de A28 gestaan. Het bestaat uit: • een doorlaatbare wand die 60 cm voor de oorspronkelijke geluidswand staat; deze wand is een schanskorf gevuld met poreuze lavastenen, waarop titaniumdioxide is aangebracht. Titaniumdioxide werkt met behulp van licht als een katalysator en breekt de stikstofdioxide (NO2) af zonder zelf verbruikt te worden. Als met stikstofdioxyde vervuilde lucht het scherm passeert, zal een deel van de stikstofdioxide in nitraten worden omgezet; • elektreet doek en filters gemaakt van polypropeen granulaat dat elektrostatisch geladen is. De luchtstroom wordt

langs het doek en door het filter geleid. De positief en negatief geladen delen van het elektreet trekken fijnstofdeeltjes aan en houden die vast; • een afdekplaat, die voor een soort schoorsteeneffect zorgt, waardoor de luchtstroom de goede route volgt langs de stenen en filters. Rijkswaterstaat komt pas met de meetresultaten naar buiten als ook de andere drie schermen zijn getest. Redubel en 3M laten de zwart geworden elektreetfilters in Duitsland analyseren. De vraag daarbij is of de filters ook hele fijne deeltjes hebben afgevangen met afmetingen van minder dan 1 micron (duizendste millimeter). Deze zeer fijne deeltjes zijn namelijk het schadelijkst voor de gezondheid. Dit soort schermen kunnen dan misschien helpen strenge fijnstofnormen langs de weg te halen. Als het werkt, gaat Redubel het scherm verder ontwikkelen in samenwerking met 3M (fabrikant van de elektreetfilters), Nautilus Schanskorven en Keim verfproducten (titaniumdioxide). p

betonnen akoestisch scherm

wand met elektreet materiaal filter schanskorf met TiO2 bewerkte lava stenen

betonnen L-profiel

oktober 2008 Chemie magazine 53


Het woord is aan...

Foto: Pet van Luijtga arden

Sombere verhalen over de economie. Dalend consumentenvertrouwen. Hoge olieprijs. Dure grondstoffen. Krappere marges. Het lijkt een en al misère. Maar niet iedereen zit met de handen in het haar. Neem emeritus hoogleraar Arnold Heertje. ‘Wat er gebeurt, vind ik fantastisch.’ Jos de Gruiter

Heertje: ‘Tot nu toe is het altijd zo geweest dat een opgewonden periode in de economie gevolgd wordt door een periode van afkoeling, het gaat nooit lineair door. Ik zie geen reden om te verwachten dat het nu anders zal zijn’

Voor Heertje zijn kredietcrisis en hoge olieprijs slechts ‘incidenten’

‘Fantastisch wat er gebeurt’ ‘H

et klinkt misschien gek, maar ik vind het fantastisch wat er gebeurt in die zogenaamde financiële economie en de kredietcrisis. Ik heb kortgeleden een lezing gehouden op het Lowlands festival en daar voor 1.200 enthousiaste jongeren betoogd dat die kredietcrisis en wat er in de economie gebeurt, godsgeschenken zijn. Ik zal het toelichten,’ zegt Arnold Heertje, emeritus hoogleraar geschiedenis van het economisch denken en de wetenschapsfilosofie van de economie aan de Universiteit

54 Chemie magazine oktober 2008

van Amsterdam. Spraakmakend en al vele decennia dwingend aanwezig in het economisch debat. Wie versombert door recente jobstijdingen over olie, beurs en banken, moet een uurtje met de professor praten. Dan blijkt zelfs een ferme daling van het consumentenvertrouwen geen zorgwekkende ontwikkeling. ‘Ik vind dat fantastische berichten: afremmende groei en daling van consumentenvertrouwen. Kijk, ik weet ook wel dat we in een wereldwijde depressie komen als de groei min twintig wordt en het consumenten-

vertrouwen helemaal weg is, maar als het hierbij blijft – en dat verwacht ik dan is het een geschenk uit de hemel.’ De kredietcrisis moest een keer komen, is Heertjes overtuiging. ‘Financiële dienstverleners waren al jaren verkeerd bezig: er werd voortdurend gestreefd naar steeds hogere winstcijfers en er werden excessieve beloningen gekoppeld aan de verkoop van financiële producten, waarvan de verkopers zelf niet eens wisten wat voor risico’s eraan verbonden waren, laat staan de kopers. Banken hebben verder te weinig gelet op de krediet-

waardigheid van hun klanten, bijvoorbeeld of ze over een deugdelijk onderpand beschikten. Dat moest dus een keer ontploffen. De mensen die het meest hebben verdiend aan de bijna criminele handel in financiële producten en die hardst riepen dat de markt vrij moest zijn, hebben Trichet en Bernanke (de presidenten van de Europese en de Amerikaanse centrale banken – red.) uiteindelijk op hun knieën gevraagd geld te injecteren en de rente te verlagen. Dankzij het ingrijpen van centrale banken is de wereldeconomie niet in diepe ellende terechtgekomen. Als het vertrouwen tussen banken helemaal zou zijn verdwenen was de reële economie in grote problemen gekomen. Nu hebben we in feite vooral te maken met enorme afboekingen bij een aantal financiële instellingen. De onderliggende economische ontwikkeling is wel geraakt door de kredietcrisis, maar niet in de mate dat we moeten denken aan een grote recessie of zelfs depressie. Ik ben wat dat betreft minder somber dan sommige collega’s.’

Zegen

Heertje benadrukt liever de positieve kant van de ontwikkelingen. ‘Neem het dalende consumentenvertrouwen in de VS. Zolang ik werkzaam ben als econoom vindt iedereen dat het land boven zijn stand leeft. Amerika spaarde maar twee tot vier procent en de rest van de wereld moest de Amerikaanse overheidstekorten financieren. Door die onevenwichtigheid en door de bepalende rol van Amerika in de wereldeconomie, werden de mondiale ontwikkelingen negatief beïnvloed. Dus een daling van het Amerikaanse consumentenvertrouwen is een zegen.’ Zelfs als een spaarzaam volkje als het Nederlandse koopkracht inlevert, is dat geen ramp, betoogt Heertje. ‘Zolang de daling geen twintig procent is, merken u en ik het nauwelijks, alleen voor de laagstbetaalden is het misschien een probleem en die groep kan door kabinetsmaatregelen worden ontzien. In zijn algemeenheid leiden dalend vertrouwen en afzwakkende groei tot meer sparen en min-

der consumeren. Dat betekent dat we minder olie en gas verbruiken, minder in de file staan en minder het milieu belasten. Dat zijn geen verkeerde ontwikkelingen.’ Dat is een mooi idyllisch macro-economisch verhaal, maar hoe legt u dat uit aan een fabrikant van kunststofproducten die vandaag met problemen worstelt? Hij heeft te maken met sterk stijgende grondstofprijzen, die hij moeilijk kan doorberekenen aan zijn klanten, omdat die vaak een grote inkoopmacht hebben. Bovendien loopt de groei in de sector al sinds het tweede kwartaal van 2007 terug, voor een deel doordat grote afnemers de productie verplaatsen naar het oosten en voor een deel door die sterk stijgende grondstofprijzen. ‘Die fabrikant leg ik dat misschien niet uit, anders dan dat ik benadruk dat ook het economisch leven ups en downs kent. Ik leg het ook niet uit aan de duizenden detaillisten die door afname van de koopkracht misschien hun winkel moeten sluiten. Voor de e oktober 2008 Chemie magazine 55


Het woord is aan...

ven moet wel mondiaal, strategisch en consequent gebeuren. In de jaren zeventig was er ook opeens een roep om alternatieve energiebronnen, maar toen de oliecrises voorbij waren, gingen we weer verder alsof er niets gebeurd was. Een positief verschil met die tijd is dat de wereld nu meer een geheel is. Overal op de wereld wordt op dezelfde manier gepraat over de kredietcrisis en de ontwikkeling van grondstofprijzen. We worden wereldwijd gedwongen om na te denken over de vraag of we wel zo afhankelijk willen blijven van bepaalde regio’s en landen in de wereld en we zullen moeten kijken naar de structuur van de economie. Dat leidt tot activiteit en optimisme. Ik geloof helemaal niets van een recessie. Er is zoveel werk aan de winkel. Het geld en de kennis zijn er. Het is in hoge mate kwestie van organisatie.’

betrokkenen is het ernstig en triest, maar ik denk dat we op een punt in de geschiedenis komen, waar sprake zal zijn van een fundamentele heroriëntatie van de economie naar meer kwalitatieve zaken. Gezonde lucht is geen bijkomstigheid meer, maar voor de meeste mensen een reëel goed, dat net zozeer in een behoefte voorziet als een kleurentelevisie en dat glaasje Spa op tafel. De industrie moet zich voorbereiden op een ander soort economische groei, waarin het kwalitatieve aspect belangrijker wordt. Ik ken de rubber- en kunst-

‘Ik geloof helemaal niets van een recessie’ stofbranche niet, maar ik neem aan dat de bedrijven de afgelopen jaren wat vlees op de botten hebben gekregen. Dan moeten ze niet schrikken van een even wat moeilijker periode. We hebben de afgelopen maanden enorme schommelingen in de prijzen van olie en andere grondstoffen gezien. Tot nu toe is het altijd zo geweest dat een opgewonden periode in de economie gevolgd wordt door een periode van afkoeling, het gaat 56 Chemie magazine oktober 2008

nooit lineair door. En ik zie geen reden om te verwachten dat het nu anders zal zijn.’ China wil groeien, India wil groeien, grondstoffen worden schaarser, maakt dat de situatie niet anders dan tot nu toe? ‘De groei in China en India zwakt ook wel eens af. En anders dan wij zullen zij er geen 50 jaar over doen, voordat ze de nadelen van industrialisatie inzien: ze hebben óns namelijk als voorbeeld! Ze zullen eerder schone fabrieken bouwen en in hybride auto’s gaan rijden, lijkt mij. Bovendien vraag ik me af of de zo excessief gestegen olieprijs zoveel te maken heeft met de stijgende vraag. De oliemarkt is niet vrij. Partijen kunnen gebruikmaken van machtsmisbruik waartegen iemand als EU-commissaris Neelie Kroes niet kan optreden. Mede om die reden is het cruciaal dat we een mondiaal beleid gaan voeren dat gericht is op vermindering van de afhankelijkheid van olie. In Nederland moeten we kernenergie terug op de agenda zetten. Dat zet olieproducenten aan tot matiging. Ze weten dat ze hun marktpositie langer kunnen vasthouden als ze hun prijzen laten zakken. Maar het ontwikkelen van alternatie-

Als ik u goed beluister is de economische onderstroom positief en zijn kredietcrisis en hoge grondstofprijzen niet meer dan tijdelijke ongemakken. ‘Als u mij zo met die vraag confronteert, ben ik geneigd daarop bevestigend te antwoorden. Hoe gek dat eigenlijk ook klinkt. Het zijn in zekere zin incidenten in een fundamenteel economische ontwikkeling, die in veel opzichten buitengewoon positief, dynamisch en humaniserend is. Kijk alleen maar naar de gevolgen van de technologische ontwikkeling en de informatietechnologie. Het feit dat we 24 uur per dag met de hele wereld verbonden zijn, organiseert een enorme betrokkenheid en stimuleert initiatieven om calamiteiten aan te pakken en positieve ontwikkelingen van elders te kopiëren. Het vergemakkelijkt ook de start van nieuwe bedrijvigheid. Daarnaast zijn zaken als de verminderde afhankelijkheid van de economische groei in de VS en het feit dat het monetaire beleid in handen is van twee mannen, uiterst positief. De kredietcrisis was minder adequaat bestreden als we nog te maken hadden met tien verschillende centrale banken in het EU-gebied. Er is nu vaker sprake van een gezamenlijk Europees beleid waardoor we snel en gecoördineerd kunnen reageren op calamiteiten. Daardoor is het systeem stressbestendiger geworden. Ook vanuit oogpunt economie is men beter geëquipeerd om zaken aan te pakken. Tegen de achtergrond van die fundamenteel positieve ontwikkelingen zie ik een kredietcrisis en hoge grondstofprijzen als weliswaar grote incidenten, maar wel als incidenten’ p


Chemici in het buitenland

Directeur Asian Projects Ruud Derks van DSM in China

‘Contacten belangrijker dan contracten’

’Sinds de Olympische Spelen is de kwaliteit van de lucht hier in Beijing veel beter. Als gezin zagen we de luchtverontreiniging altijd als grootste bezwaar om hier te wonen. Nu de overheid rigoureus heeft ingegrepen, is dat bezwaar weggevallen en wonen we hier prima.’ Dit zegt Ruud Derks, die als Director Asian Projects, nieuwe activiteiten voor DSM in Azië opzet. Erik te Roller

‘R

uud, zijn vrouw Helmy en hun drie kinderen (van 9, 11 en 13 jaar) wonen sinds vijfenhalf jaar in China. De eerste vier jaar was Ruud Derks general manager van een vestiging van DSM Anti-infectives in Zhangjiakou, circa 250 km ten noordwesten van Beijing. ‘Een provinciestad met zo’n vier miljoen inwoners. Van de Westerse invloed was daar nog weinig te merken en daardoor heb ik het echte Chinese leven van nabij mee kunnen maken. De opening van de eerste McDonalds-vestiging in Zhangjiakou was in 2007 dé gebeurtenis van het jaar. Beijing telt inmiddels al meer dan 50 McDonaldsrestaurants’, vertelt Derks. Zijn vrouw studeerde twee jaar Chinees en heeft mede daaraan haar huidige baan als directeur van de Kamer van Koophandel van de Benelux in Beijing te danken. De kinderen gaan naar een internationale school. ‘Bijzonder is dat ze hier ook Nederlands krijgen. En dat terwijl er

maar ongeveer 400 Nederlandse expats in de stad wonen, waarvan ongeveer 60 ­kinderen naar school gaan. Dat komt omdat de school ooit met steun van Shell is opgericht. De oudste twee kinderen leren nu ook Chinees.’ Het wonen in China bevalt goed, plannen om weer terug te gaan naar Nederland heeft de familie Derks nog niet. ‘De mensen zijn hier heel vriendelijk, zachtaardig en behulpzaam. Ze zijn ook heel geïnteresseerd. Onze vriendenkring bestaat voornamelijk uit expats afkomstig van verschillende landen. Dit heeft als nadeel dat er elk jaar wel een paar gezinnen verhuizen en dat is vooral voor onze ­kinderen niet gemakkelijk’, aldus Derks.

Keiharde onderhandelaars

In de Chinese businesscultuur draait het om persoonlijk contact en vertrouwen op onderlinge relaties. ‘In Nederland denk je dan al

gauw aan vriendjespolitiek en corruptie, maar dat is hier toch anders. Wel gaat het altijd over geld. Chinezen zijn keiharde onderhandelaars, maar toch ook vrij informeel. Iedereen wil een papieren bevestiging van gemaakte afspraken, maar de mondeling gemaakte afspraken zijn toch het belangrijkste. Die afspraken zijn veel harder dan de afspraken die vastgelegd zijn in papieren contracten. In Nederland besteed je veel tijd aan contracten, relatief weinig tijd aan het onderhouden van contracten en nog minder aan het onderhouden van contacten. In China is dat andersom. Vooral de afgesproken doelstellingen zijn belangrijk. Die zijn nog belangrijker dan wat er op papier staat. Dat heeft zijn voordelen. Als de marktomstandigheden namelijk veranderen, en dat is meestal na verloop van enkele jaren het geval, staan de doelstellingen nog overeind en daarmee het antwoord op de vraag e

Ruud Derks voor de stoominstallatie van DSM in Zhangjiakou: ‘De mensen zijn hier heel vriendelijk, zachtaardig en behulpzaam’

oktober 2008 Chemie magazine 59


Chemici in het buitenland

“waarom doen we dit”. Als je dat met z’n allen begrijpt, dan ben je er en kun je de zakelijke doelen relatief gemakkelijk overeind houden.’ Derks erkent, dat het voor een Europeaan of Amerikaan vanwege de taal ook moeilijk is om met veel mensen vertrouwelijk contacten te leggen. ‘Enkele contacten zijn echter voldoende. Daar moet je tijd aan besteden. Je moet een aantal vertrouwenspersonen om je heen verzamelen. Die onderhouden de contacten met de rest van de omgeving. Als er wat speelt, zullen zakelijke relaties en autoriteiten hen bellen en weten dat zij in nauw contact met jou als manager staan en namens jou antwoorden op vragen kunnen geven.’

Grote politieke invloed

De chemiebedrijven in China zijn nog bijna allemaal staatsbedrijven of afsplitsingen daarvan. Het zijn enorme conglomeraten, waarin de politieke invloed groot is. Sommige bedrijven staan aan de beurs in Shanghai of Hong Kong genoteerd, maar de politiek en niet de aandeelhouder heeft de touwtjes in handen. Sinds China is toegetreden tot de Wereldhandelsorganisatie mogen buitenlandse concerns 100% eigenaar zijn van dochterondernemingen in vele industrieën. Voorheen moest een Chinese partner (staatsbedrijf) mede-eigenaar zijn. Van de 14 dochterondernemingen van DSM in China zijn er negen volle dochters. Derks: ‘Dat heeft als voordeel dat je als managementteam snel beslissingen kunt nemen, maar soms als nadeel dat je minder snel vergunningen krijgt van de overheid die meer op afstand staat dan bij een joint venture. Bij een joint venture heb je echter weer als nadeel dat je met vertegenwoordigers van de gemeente of provincie te maken hebt, die anders tegen de business aankijken. DSM hanteert eigen wereldstandaarden voor veiligheid, gezondheid en milieu. Vooral in het

De fermentatiefabriek van DSM in ZhangJiaKou

verleden kwam het nog wel eens voor dat we moeilijk tot overeenstemming kwamen over investeringen in waterzuivering of energiebesparing. De partners vonden de milieuinvesteringen niet belangrijk, omdat ze geen extra omzet opleverden en bedrijven in de buurt ook niet in milieumaatregelen investeerden.’ De laatste jaren is het echter met het Chinese milieubeleid hard gegaan, vooral rondom Beijing. De overheid pakt vervuilende bedrijven aan. De landelijke eisen voor emissies naar bijvoorbeeld water zijn zelfs strenger dan in Nederland. De maximaal ­toegestane COD-waarde (chemical oxygen demand) van het afvalwater is maar de helft

‘Als China iets wil, kan alles’ van die in Nederland. Dat is ook hard nodig, want de Chinese rivieren zijn ernstig vervuild. Natuurlijk laat de handhaving van de milieuwetgeving nog te wensen over, maar ook dat is aan het veranderen.’

Lage loonkosten

De slogan ‘yes, we can’ van de Amerikaanse presidentskandidaat Barack Obama lijken de Chinezen al overgenomen te hebben. Derks: ‘Als China iets wil, kan alles, dus ook voor het milieu. De ruimtereis van de drie taikonauten heeft hier enorm veel impact gehad. Wij waren eerst sceptisch, maar de ruimtereis heeft de Chinezen onderling sterker verbon-

den. Ze zijn enorm trots op het feit dat hun land de Olympische Spelen perfect heeft weten te organiseren en ook in staat is om drie mannen in de ruimte te brengen en terug te laten keren. Wat dat betreft heeft de ruimtereis zijn geld wel opgebracht.’ De loonkosten in China stijgen behoorlijk met zo’n 10% per jaar, maar zijn nog steeds erg laag verleken met die in Europa.’Omdat de grondstoffen in de wereld veel duurder zijn geworden, weegt betere technologie tegen de lagere loonkosten op en dat werkt in het voordeel van Europa dat beter in technologie is. We gebruiken in Europa minder grondstoffen, de downtime is lager en we laten niet zozeer onze werknemers als wel onze fabrieken zweten. Dat heeft een aanzienlijke invloed op de concurrentiepositie. In Nederland zijn we opgevoed met het idee dat we zuinig moeten omgaan met energie. In China huren mensen appartementen in flats met blokverwarming. Er is geen thermostaat, zodat je alleen wat koelte kunt krijgen door het raam open te zetten. Daarom kun je de mensen moeilijk verwijten dat ze in de fabriek niet altijd even zuinig met energie omspringen. Maar ook dat verandert. De interesse voor efficiënte Westerse technologie is in China heel groot.’ Ondernemers en bedrijven die activiteiten in China willen opzetten adviseert Derks om ervaringsdeskundigen in de arm te nemen. ‘Je redt het niet door eens per drie weken per vliegtuig naar China te reizen. Je moet samen­ werking zoeken met de mensen ter plekke. Er zitten hier ook heel veel Nederlanders die hun ervaringen met anderen willen delen. Maak daar gebruik van.’ p oktober 2008 Chemie magazine 61


VNCI

Colofon

VNCI-bijeenkomst over procesveiligheid Op 3 december organiseert de VNCI een veiligheidsdag met als thema ‘procesveiligheid en pro­ cesveiligheidsindicatoren’. Ver­ tegenwoordigers van industriële bedrijven en van de Arbeidsin­ spectie geven hier presenta­

ties. ’s Middags zijn er enkele workshops. De bijeenkomst is bedoeld voor iedereen die actief betrokken is bij procesveilig­ heid qua beleid of uitvoering. Eind oktober/begin november stuurt de VNCI haar leden de

officiële uitnodiging en het program­ma. De veiligheidsdag vindt plaats in het congrescen­ trum Groot Kievitsdal in Baarn. De ontvangst is vanaf 9:30 uur. De bijeenkomst begin om 10:00 uur en eindigt rond 16:00 uur. 

Workshop over GHS De VNCI en de VHCP organise­ ren op 4 december 2008 en 22 januari 2009 een workhop over de invoering van het Globally Harmonized System (GHS). Het

gaat dus om één workshop die twee keer wordt gegeven. Hier­ aan kunnen leden van de VNCI en VHCP deelnemen. Alle leden ontvangen begin november een

uitnodiging met meer informatie over de workshop en de plaat­ sen waar deze wordt gehouden.

Gate terminal Niaba

Ulco Vermeulen

Per 1 oktober is Branko Pokorny benoemd tot Managing Director van Gate terminal BV. Hij volgt de heer Ulco Vermeulen op die terugkeert naar Gasunie als Director of Business Development. Branko Pokorny is verantwoordelijk voor de verdere bouw en ontwikkeling van Gate termi­ nal op de Maasvlakte bij Rotterdam, de eerste onafhankelijke LNG import terminal in aanbouw, in Nederland. Hiervoor was hij onder andere werk­ zaam als Concession & Project Director bij Elyo East London Energy en bij Fabricom GTI International Operations. De ontwikkeling van Gate terminal is in 2005 gestart door de N.V. Neder­ landse Gasunie en Koninklijke Vopak.

Ir. Jan Wisse is per 1 oktober directeur van Niaba (Neder­ landse Biotechnologie Associ­ atie). Hij volgt Peter Bertens op die als beleidsadviseur innovatie en levenswetenschappen in dienst treedt bij Nefarma, de brancheorganisatie van farma­ ceutische bedrijven. Jan Wisse studeerde biotechnologie en communicatie aan de Wagenin­ gen Universiteit. Sinds 2001 werkte hij bij communicatie­ adviesbureau Schuttelaar & Partners in Den Haag. Daar heeft hij veel ervaring opgedaan met innovatie, public affairs en com­ municatie op het terrein van bio­ technologie.

VNCI Agenda 4 november Beleidsgroep Onderwijs en Innovatie, Breda (Novotel) 4 november Bijeenkomst Middelgrote Bedrijven, Montfoort (Kasteel Montfoort) 5 november Werkgroep Security, Den Haag (VNCI) 6 november Regionale ledenlunch, regio west, Wassenaar (Kasteel de Wittenburg) 62 Chemie magazine oktober 2008

11 november Werkgroep Responsible Care Global Charter, Den Haag (VNCI) 12 november Werkgroep Veiligheid, Den Haag (VNCI) 18 november Werkgroep Arbeidshygiëne, Bergen op Zoom (SABIC Innovative Plastics) 18 november Werkgroep Milieuzorg, Den Haag (VNCI)

19 november Werkgroep Stoffenbeleid, Den Haag (VNCI) 21 november Beleidsgroep Communicatie, Den Haag (VNCI) 25 november Beleidsgroep Veiligheid, Gezondheid en Milieu, Den Haag (VNCI)

Redactie: Adriaan van Hooijdonk (hoofdredacteur) e-mail: hooijdonk@vnci.nl Jos de Gruiter e-mail: de gruiter@vnci.nl Adres redactie: Loire 150 2491 AK Den Haag, tel. 070-3378787, fax. 070-3203903 Eindredactie: Orbitaal Speeches & Publications Vaste medewerkers: Rob Cloosterman, dr. ir. Astrid van de Graaf, drs. Ingeborg van Honschooten, ir. Joost van Kasteren, ir. Marlies Lukkes, ir. Erik te Roller, drs. Esther Rasenberg, dr. Annemarie Vroom ten Wolde Vormgeving: Basisvormgeving, art-direction en opmaak: Curve, Haarlem, Henk Stoffels, Joachim Mahn en Julian Huiswoud Advertentie-exploitatie: Mooijman Marketing & Sales, Julius Röntgenstraat 17, 2551 KS Den Haag, tel. 070-323 40 70 Fax 070-323 71 96 e-mail: vnci@mooijmanmarketing.nl Advertenties vallen buiten de verantwoordelijkheid van de redactie. Druk: ALFA BASE publicatie processors B.V. Alphen aan den Rijn Abonnementenadministratie: Nieuwe abonnementen/mutaties alleen schriftelijk opgeven bij: Judith van der Lugt via e-mail: vanderlugt@vnci.nl. Voor alle VNCI-leden, alsmede leden van aangesloten lidverenigingen, is Chemie magazine gratis. Abonnementen eindigen per eind december. Als niet vóór 1 december wordt opgezegd, loopt het abonnement nog een jaar door. Abonnementsprijs per jaar (incl. btw) 80 euro in Nederland en België 100 euro in de overige landen Chemie magazine verschijnt 11 x per jaar op woensdag Overname van artikelen en/of foto’s uit Chemie magazine is alleen toegestaan na voorafgaande schriftelijke toestemming van de redactie. In de meeste gevallen zal die graag worden gegeven. Beeld cover: Internet: www.vnci.nl ISSN: 1572-2996


Chemie magazine 2008 - oktober