__MAIN_TEXT__

Page 1


Volonté Générale 2014 - n°2

Inhoudsopgave

Democratie in crisis – democratie en crisis Hoofdredactioneel

3

Reacties

Loting: reddende engel van een in crisis verkerende democratie? Anita van Rootselaar

5

Against Modern Football : de redding van het moderne voetbal Thomas Roode

11

Discussieartikel ‘Uitwegen uit de crisis’

‘A project of radical and plural democracy […], requires the existence of multiplicity, of plurality and of conflict, and sees in them the raison d’etre of politics.’ Chantal Mouffe in: J.Martin (ed.), Chantal Mouffe: Hegemony, Radical Democracy, and the Political (Londen 2013) 99.

De mythe van competitiveness als uitweg voor de crisis Angela Wigger

15

Een weg uit de crisis? Of een weg naar de volgende crisis? Zowi Milanovi

17

Is er een weg uit de crisis? Matthias van Trigt

22

Artikelen

Currency Swap between China and the EU: Causes, Impacts and Prospects Qiaolin Liu

26


Etnische ongelijkheid in gezondheid Niels Blom

30

Inzetten op een divers sociaal netwerk Sjoerd de Koning

34

Waar de Europese verkiezingen niet over gingen Bart Linssen

38

Staat van chaos: Oekraïne tussen Rusland en Europa Dorian Schaap

42

Over 10 jaar zal de huidige manier van ontwikkelingssamenwerking niet meer bestaan Interview met Ruerd Ruben

47

Volonté Générale is een tijdschrift voor jonge intellectuelen waarin debat centraal staat. Het doel van dit tijdschrift is de wereld te analyseren en mensen aan het denken te zetten over maatschappij, (wereld)politiek, filosofie, economie, kunst en universiteit. Colofon Hoofd- en eindredactie Martijn van den Boom Susanne Geuze Gaard Kets Jan Maas Roos van der Zwan Medewerkers aan dit nummer Niels Blom, Brigitte Geurts, Chris van Gorp, Jacob van Hoof, Sjoerd de Koning, Bart Linssen, Qiaolin Liu, Zowi Milanovi, Anita van Rootselaar, Thomas Roode, Dorian Schaap, Matthias van Trigt, Angela Wigger en Nienke van Zwieten. Contactgegevens email: redactie@volontegenerale.nl internet: www.volontegenerale.nl

Columns & recensies

Atoomnummers en ablatieven Brigitte Geurts

52

TED: Welke ideeën zijn het waard om verspreid te worden? Nienke van Zwieten

53

De Tweede Wereldoorlog in 100 voorwerpen Chris van Gorp

55

Park Lingezegen Jacob van Hoof

58

Aanmelden abonnement Voor gratis digitale toezending kunt u zich via het bovengenoemde email-adres of via de website aanmelden. Aanleveren stukken Uitsluitend per email onder vermelding van contactgegevens en een korte persoonsbeschrijving. De hoofdredactie houdt zich het recht voor zonder opgaaf van reden stukken te weigeren. Sluitingsdatum volgende uitgave: 31 juli 2014. Copyright © Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd op welke manier dan ook voor commerciële doeleinden, vraag hiervoor eerst toestemming van de hoofdredactie en de auteur(s). Afbeeldingen De hoofdredactie heeft getracht alle rechthebbenden van de afbeeldingen te achterhalen. Indien iemand meent als rechthebbende in aanmerking te komen, kan hij of zij zich wenden tot de hoofdredactie.


Volonté Générale 2014 - n°2

Democratie in crisis – democratie en crisis Hoofdredactioneel Sinds de laatste editie van dit tijdschrift is er in de wereld een hoop gebeurd. De Krim is (weer?) onderdeel van de Russische Federatie en het oosten van Oekraïne staat op de rand van een burgeroorlog. In dit nummer duidt Dorian Schaap deze crisis en geeft hij een voorzet voor een mogelijke oplossing. Maar ook de binnenlandse krantenpagina's waren goed gevuld. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in maart waren de lokale partijen de grote winnaars. Een teken van het afbrokkelend vertrouwen in landelijke, zichtbare politici of juist een bewuste terugkeer naar datgene dat dicht bij ons als burgers staat? Waarschijnlijk een combinatie van beiden. Vlak voor het verschijnen van dit nummer mochten de burgers van de Europese Unie stemmen voor het Europees Parlement. Deze tandeloze tijger begint zowaar haar eerste melktandjes te ontwikkelen, maar weet vooralsnog de interesse van burgers niet te wekken. In een Europees avontuur dat te kampen heeft met een ernstig democratisch tekort is dit een pijnlijke constatering. Het is dan ook des te opvallender dat pro-Europese partijen na het bekend worden van de uitslag uitriepen dat Nederland overtuigend voor Europa had gekozen. Een bijzonder ongeloofwaardige uitspraak wanneer twee derde van de bevolking thuisblijft uit onbegrip of desinteresse en slechts een kwart van de mensen die de moeite neemt om te gaan stemmen op een overtuigd eurofiele partij stemt. Als deze pro-Europese partijen daadwerkelijk van Europa houden en iets willen doen aan het democratisch deficit, zullen ze met een eerlijk beeld moeten komen. Doen ze dat niet, lopen ze de reële kans dat een groot deel van de bevolking daadwerkelijk afhaakt. Dat speelt reactionaire, fascistische en andere nationalistische krachten enkel in de kaart – en zal op den duur een grote bedreiging zijn voor de Europese samenwerking. Zeker wanneer de publieke opinie wordt gedomineerd door een figuur als Arnon Grunberg, die bepleit dat iedereen die kritisch is over de EU eigenlijk een fascist is.12 Met zulke eurofielen heb je geen eurocritici meer nodig. In dit nummer geen gebrek aan democratie en evenmin aan Europa. Bart Linssen analyseert de Europese verkiezingen en Anita van Rootselaar geeft een kritische beschouwing op David Van Reybrouck’s idee van een lotingsdemocratie in plaats van representatie door stemmen. Daarnaast is er veel aandacht voor de economische crisis. Is deze nu echt op zijn retour? En kunnen we nu weer gewoon verder waar we gebleven waren in 2006? Matthias van Trigt en Zowi Milanovi gaan in debat over deze vraag. De discussie wordt ingeleid door politiek econome Angela Wigger. Ook het artikel van Thomas Roode gaat in op een crisis, namelijk die van het moderne voetbal. Welk perspectief heeft de Against Modern Football beweging in dezen te bieden? Niels Blom neemt ons mee in het probleem van gezondheidsverschillen tussen autochtonen en allochtonen. Hoe komt dit en wat wordt er aan gedaan? Sjoerd de Koning gaat in zijn artikel in op toegang tot de gezondheidszorg en andere publieke diensten en de rol die de participatiesamenleving daarin speelt. Is Nederland klaar voor een terugtredende overheid? Voor het interview van dit nummer toog de redactie naar Den Haag. We spraken daar met professor Ruerd Ruben. Hij is als ontwikkelingseconoom zowel verbonden aan het ministerie van Buitenlandse Zaken als aan de Radboud Universiteit Nijmegen. We spraken met hem over het verbinden van verschillende wetenschappelijke disciplines, de impact van onderzoek op beleid en over de toekomst van de ontwikkelingssamenwerking. Zeer trots is de redactie op het feit dat we in dit nummer een begin maken van een reeks die in het teken zal staan van de relatie tussen Azië en Europa. De aftrap wordt gegeven door Qiaolin Liu, een Chinese studente aan de Fudan University in Shanghai die ons inleidt in de complexe materie van de currency swap. In de komende nummers wordt deze reeks voortgezet door Aziatische en Europese studenten over uiteenlopende aspecten van deze intercontinentale relaties. 3


Volonté Générale 2014 - n°2

Uiteraard vindt u ook dit keer weer de columns van Jacob van Hoof en Brigitte Geurts, en schreven Chris van Gorp en Nienke van Zwieten mooie recensies. Al met al meer dan genoeg stof tot nadenken – zeer geschikt voor uw welverdiende zomerreces. Geniet ervan! En, zoals altijd, veel lees- en denkplezier toegewenst. Martijn van den Boom Susanne Geuze Gaard Kets Jan Maas Roos van der Zwan

                                                                                                          1

A. Grunberg, ‘Een stem tegen het Europese project is een stem op de fascisten’, de Volkskrant (22 mei 2014) 1.

4


Volonté Générale 2014 - n°2

In Volonté Générale n°4 2013 sprak Martijn van den Boom lovende woorden over de ideeën van de Belgische historicus David Van Reybrouck in het boek Tegen verkiezingen (2013). In deze beschouwing betoogt Anita van Rootselaar dat er echter wel forse kanttekeningen te zetten zijn bij de te verwachtte oplossingen die Van Reybrouck belooft.

Loting: reddende engel van een in crisis verkerende democratie? Anita van Rootselaar In een era dat gekenmerkt wordt door nieuwe onrust en een fikse groei van populistische bewegingen doet de – zeker niet nieuwe – vraag ‘wat is er mis met onze democratie?’ het goed. We hebben de indruk dat de democratie in een crisis verkeert en we zijn op zoek naar een diagnose en een oplossing, een medicijn. Dat is ook het uitgangspunt voor David van Reybrouck's pamflet Tegen verkiezingen (2013) – niet geheel toevallig opgesteld als een medische verhandeling (symptomen, diagnoses, pathogenese en remedies zijn de hoofdstuktitels). De crisis (door Van Reybrouck met de term ‘Democratisch Vermoeidheidssyndroom’ aangeduid) schuilt volgens Van Reybrouck in de toenemende onvrede van burgers en hun wantrouwen jegens politici, waaruit hij een afnemende legitimiteit destilleert die daaraan gekoppeld zou zijn. Ook de ‘hysterie’ omtrent verkiezingen, het mediaspektakel en de populariteitswedstrijd, zijn uitwassen van de crisis van de democratie. De diagnose luidt: democratie lijdt aan ‘verkiezingen’. In andere woorden, de verkiezingen – de laatste decennia juist gezien als het centrale punt van democratie, het essentiële vehikel ervoor – zijn juist de oorzaak (of in elk geval onderdeel van de oorzaak) van de crisis van de democratie. De remedie: een systeem van loting (een ‘aleatorisch systeem’). Verkiezingen de deur uit (overigens, niet in het geheel, slechts gedeeltelijk), loting erin. Het idee dat we van verkiezingen naar loting moeten is, mild gezegd, onorthodox in onze huidige tijd. Echter, onorthodoxe ideeën zijn soms juist goed en nodig, zeker als het gaat om het aanpakken van crises. Maar voordat we over gaan tot het denken in

oplossingen is het eerst zaak een helder beeld te hebben van wat nu exact het probleem is. Wat is de essentie van de crisis waarin de democratie zou verkeren? Simpeler gesteld: is er iets mis met onze democratie, en zo ja, wát is er dan precies mis mee? Het probleem is volgens Van Reybrouck tweeledig: er is zowel een crisis van legitimiteit als een crisis van efficiëntie, en deze beiden versterken elkaar. De crisis van legitimiteit blijkt uit drie symptomen: minder mensen gaan stemmen (wat de vraag oproept: is het parlement nog wel representatief?); er is een groot kiezersverloop van partij naar partij (een grote electorale volatiliteit, zogezegd); en steeds minder mensen zijn lid van een politieke partij (waarbij Van Reybrouck zich afvraagt wat het voor de legitimiteit betekent dat steeds minder mensen aansluiting zoeken bij de belangrijkste spelers binnen het democratische bestel). Met betrekking tot de crisis van efficiëntie constateert Van Reybrouck een toename in de tijd die het formatieberaad in beslag neemt, dat regeringspartijen steeds zwaarder worden aangepakt en dat besturen steeds trager gaat.

Wantrouwen, kern van de crisis De problemen die van Reybrouck aanwijst spelen inderdaad in veel westerse democratieën in meer of mindere mate een rol. We hoeven de statistieken er maar op na te slaan om bevestigd te zien dat steeds minder mensen de gang naar de stembus maken, dat de electorale volatiliteit toeneemt en dat het lidmaatschap van politieke partijen afneemt. En dat de tijd die het formatieberaad in beslag neemt toeneemt hebben we feitelijk kunnen ervaren in de afgelopen jaren (denk bijvoorbeeld aan de formatiebesprekingen in 5


Volonté Générale 2014 - n°2

Nederland in 2010 die 127 dagen duurden en het 541 dagen durende formatieberaad in België na de verkiezingen van 2010 dat daarmee de twijfelachtige eer had het record van langste formatie ter wereld te zetten). Maar de categorisering in problemen van legitimiteit en efficiëntie rammelt. Zoals Van Reybrouck het zelf formuleert, legitimiteit heeft betrekking op de vraag ‘hoezeer kunnen inwoners zich vinden in die oplossingen? In hoeverre erkennen zij het gezag van de overheid?’ 1 Een groter wantrouwen in politieke partijen en een afname in het aantal stemmers kunnen dan inderdaad duiden op een gebrek aan legitimiteit: immers, als een steeds groter aandeel van de bevolking ontevreden is met de regering en met hun besluiten, en als steeds minder mensen stemmen waardoor de regering een steeds kleiner deel van de bevolking representeert, hoe legitiem is de overheid dan? Onduidelijk is echter waarom bijvoorbeeld kiezersverloop een teken van afnemende legitimiteit is en dit wordt ook nergens beargumenteerd door Van Reybrouck. Voorts zijn er punten die Van Reybrouck aanduidt als problemen van efficiëntie die evenzeer (of meer nog) als problemen van legitimiteit gezien kunnen worden: het feit dat regeringspartijen steeds zwaarder aangepakt worden (en daarmee in zekere zin gedemotiveerd worden om krachtdadig te besturen) heeft een directe relatie met de onvrede van mensen en daarmee met het legitimiteitsprobleem. Er is een wisselwerking immers, tussen regering en burgers: politici die afgestraft worden voor rigoureuze maatregelen zullen deze gaan ontwijken of ‘om de hete brij heendraaien’. Burgers vinden politici door dit gebrek aan daadkracht en overdaad aan omzichtige bewoordingen juist nog meer onbetrouwbaar en worden daarop nog kritischer – de cirkel is rond. Ik denk dan ook dat de essentie van het legitimiteitsprobleem hoofdzakelijk schuilt in één aspect: het grote wantrouwen jegens en onvrede met de politiek.2 Alle andere symptomen die Van Reybrouck noemt zijn hiervan af te leiden (of hun relatie met legitimiteit was

hoe dan ook onduidelijk en onvoldoende beargumenteerd): een afnemende behoefte om te stemmen is een logisch gevolg van een toenemende scepsis jegens de politiek. Deze link klinkt niet alleen logisch, hij wordt ook ondersteund door de feiten. Onderzoek van het CBS toont aan dat het wantrouwen jegens en de onvrede met de politiek het grootst is onder niet-stemmers (slechts 32% heeft bijvoorbeeld vertrouwen in de Tweede Kamer, tegenover een gemiddelde van 53%, en een magere 13% is tevreden met het regeringsbeleid, waar het landelijk gemiddelde op 31% ligt). 3 Dat regeringspartijen steeds zwaarder worden aangepakt houdt, zoals ik hiervoor al beargumenteerde, tevens een relatie met de wantrouwende houding van burgers jegens politiek. Hierbij moeten we echter wel in ogenschouw houden dat een zekere kritische houding van de burger juist wenselijk is in een democratie, net zozeer als een gebrek aan consensus: we zijn het niet eens, en we zullen het ook nooit allemaal eens worden. Het is juist om die reden dat we een democratie nodig hebben. In een goede, levendige democratie is er ruimte om het openlijk met elkaar oneens te zijn en om beslissingen te bekritiseren. We kunnen ons echter afvragen, gezien de op dit moment zichtbare consequenties van een afnemend vertrouwen (verminderde stembusgang, de genoemde efficiëntieproblematiek, en een gevoeligheid voor extremere en populistische bewegingen) in hoeverre de huidige onvrede en dissensus nog een teken van een gezonde democratie is in plaats van een teken van afnemende legitimiteit. Zoals Van Reybrouck het formuleert: ‘Hoewel enige scepsis tot de basis van de kritische burgerzin behoort, is de vraag gerechtvaardigd hoe massaal die argwaan mag zijn en wanneer gegronde achterdocht omslaat in regelrechte afkeer.’ 4 Wanneer zijn wantrouwen en onvrede een teken van gebrekkige legitimiteit of een afbreuk van de democratie, en wanneer zijn het juist voortvloeisels uit een levendige democratie waarin eenieder vrijelijk zijn of haar mening mag uiten en gebruik maakt van het kritisch burgerrecht?

6


Volonté Générale 2014 - n°2

In mijn optiek ligt het antwoord op deze vraag in de manier waarop de burger omgaat met haar onvrede en in hoeverre de politieke structuren dusdanig zijn ingericht dat bepaalde uitingen van onvrede ook invloed op de politieke besluitvorming hebben. Als onvrede met de politiek of met genomen beslissingen leidt tot, bijvoorbeeld, protest, burgerinitiatieven of de oprichting van een nieuwe politieke partij dan is dit onderdeel van een goede democratie. Ook in de situatie dat, bijvoorbeeld, een regering een beslissing neemt waar 90% van de burgers mee ontevreden is, is er sprake van een goede democratie, wanneer die 90% protesteert en binnen de democratische structuren die aanwezig zijn ook de ruimte heeft om dit protest slagkracht te geven (met als gevolg een verandering van de besluitvorming). Met andere woorden, als onvrede leidt tot actie en het democratisch bestel dusdanig is ingericht dat die actie consequenties heeft voor de besluitvorming, dan balanceert het een en ander zich vanzelf uit en zal een impopulair besluit wat niet de steun van de meerderheid draagt en in die zin legitimiteit ontbeert teruggefloten worden. Ik noem dit productieve onvrede. Echter, onvrede kan ook omslaan in totale scepsis en een dusdanig wantrouwen dat het resultaat een verstarring is, waarbij men niet meer actief deelneemt aan de democratie: een door Van Reybrouck zelf ook benoemd symptoom hiervan is een afnemende stembusgang. Dit is wat ik bestempel als destructieve onvrede. Daarbovenop ontstaat er een probleem wanneer de onvrede en wantrouwen dusdanig groot zijn dat zij een belemmering gaan vormen voor het functioneren van de regering (de door Van Reybrouck benoemde efficiëntieproblematiek). Wanneer burgers zo wantrouwend zijn dat elke zet van politici een totale afrekening tot gevolg kan hebben, dan heeft dit tot gevolg dat politici (zoals ik al benoemde) juist gestimuleerd worden om ‘om de hete brij heen te draaien’ en moeilijke beslissingen uit te stellen, met een negatieve spiraal als gevolg. Instinctieve reacties waarbij de burger vrijelijk voor eigen belang kan kiezen terwijl de vertegenwoordiger meer

belangen moet afwegen kunnen een vertegenwoordiger zeker onder druk zetten: het is en blijft riskant om tegen de massa in te gaan. Niet alleen verlies je je populariteit, ook kan je verweten worden ondemocratisch te handelen. Veranderen van mening – ook als de feiten veranderd zijn, er inmiddels meer informatie is, of simpelweg omdat bij nader onderzoek men tot de conclusie komt dat het eerder ingenomen standpunt niet het beste was – wordt afgestraft als draaikonterij. Dit soort prikkels stimuleren vertegenwoordigers om star aan dezelfde punten te blijven vasthouden, om impopulaire beslissingen uit te stellen of op andere wijze te vermijden.

Diagnose: is het de schuld van de electoraalrepresentatieve democratie? Wantrouwen dus, als centraal symptoom. Voor een adequate diagnose moeten we echter weten waar dit wantrouwen, deze destructieve onvrede, vandaan komt. Van Reybrouck's diagnose luidt: het ligt aan de electoraalrepresentatieve democratie. Hij stelt: ‘wij zijn allemaal electorale fundamentalisten geworden. Wij minachten de gekozenen, maar aanbidden de verkiezingen.’ 5 We hebben, zo stelt hij, de democratie gereduceerd tot de representatieve democratie, en de representatieve democratie tot de electoraalrepresentatieve democratie. Onder invloed van onder meer de veranderende rol van de media is er binnen dit electorale systeem een staat van permanente ‘verkiezingskoorts’ ontstaan, waardoor algemeen belang en lange termijn het keer op keer verliezen van korte termijn en partijbelang. Om deze diagnose te beargumenteren zet Van Reybrouck in een uitgebreide historische verhandeling uiteen dat en waarom van oudsher verkiezingen juist gezien werden als aristocratisch instrument en loting als democratisch. Interessant, maar een historisch perspectief biedt nog geen inhoudelijk argument: dat men voorheen loting als democratisch zag en verkiezingen niet maakt het nog niet waar. Wat we helder moeten krijgen is niet hoe het electorale systeem historisch gezien beschouwd werd, maar of, waarom en op welke manier dit 7


Volonté Générale 2014 - n°2

systeem problematisch is en een oorzaak voor de geconstateerde problemen van wantrouwen. Ik denk dat het antwoord op deze vraag wel geïmpliceerd wordt in Van Reybrouck’s pamflet, maar niet expliciet als dusdanig benoemd, en dat antwoord luidt dat verkiezingen de kloof tussen burger en overheid (en daarmee het wederzijds wantrouwen tussen deze beiden) te groot maken, waar loting deze kloof dan juist zou verkleinen. Het basisidee van een democratie (voor zover dat zomaar in een zin te benoemen is – de term democratie is immers een wijd bediscussieerd concept, een essentially contested concept) is dat mensen niet (arbitrair) geregeerd worden, maar de auteur van hun eigen wetten zijn: het volk regeert zichzelf.6 Echter, als we de praktijk erbij halen dan kunnen we ons afvragen (1) of ‘het volk’ ook daadwerkelijk regeert en (2) of het volk zichzelf ook als auteur ziet. Vooral de laatste vraag confronteert ons met een zekere kloof tussen ideaal en realiteit – zo heeft 50% van de Nederlanders het idee dat ze geen invloed hebben op de regeringspolitiek en denkt slechts 20% dat hij/zij in staat is een actieve rol in de politiek in te nemen. 68% ervaart een kloof tussen politiek en burger. 7 Politiek filosoof en proponent van het agonisme 8 Bonnie Honig merkt in dit kader op: ‘de algemene wil 9 kan nooit gelijkelijk in het belang van iedereen zijn, noch gelijkelijk door iedereen gewenst. Zelfs áls ze zo volledig gewenst was, dan nog ervaren hun auteurs haar als vreemdsoorting wanneer ze een bron van wetgeving wordt en burgers niet langer alleen de auteur van deze wetten zijn, maar ook het subject.’ 10 Van Reybrouck verwijst hier in zijn uiteenzetting van het door hem voorgestelde aleatorische systeem wel indirect naar als hij stelt: ‘Democratie is niet het bestuur door de besten in onze samenleving; zoiets heet aristocratie, ook al is die gekozen. […] Democratie, daarentegen, gedijt juist door een diversiteit aan stemmen aan het woord te laten. Het gaat om gelijke zeggenschap, om het gelijke recht “om politiek handelen te bepalen” […] Het gaat, kortom, om regeren

en geregeerd worden, om government of the people, for the people, maar eindelijk ook by the people.’ 11 In een electoraal-representatief systeem (door Van Reybrouck als in basis aristocratisch 12 bestempeld) is het ambt van vertegenwoordiger, hoewel in theorie toegankelijk voor elke volwassen burger met de Nederlandse nationaliteit, in de praktijk niet voor eenieder bereikbaar (omdat het bepaalde connecties, kwaliteiten, investeringen et cetera vereist). In die zin is er een praktische kloof tussen burger en politicus, en deze kloof wordt nog verder uitgediept door de eerder benoemde negatieve spiraal van sceptische burger en verstarde politicus, een spiraal die natuurlijk juist kan bestaan bij gratie van het principe dat een vertegenwoordiger verkozen wordt en dus zijn populariteit moet behouden.

Loting: een incompleet medicijn Een systeem van loting (waarbij de niet verkozen wordt uit kandidaten, maar door loting onder alle burgers bepaald) zoals Van Reybrouck voorstelt zou de afstand tussen burger en regering dan kunnen verkleinen, omdat het explicieter de twee rollen die de burger in één lichaam behelst naar voren brengt: die van zowel subject als auteur van de wet. Als iedereen een kans maakt om onderdeel uit te maken van de regering, zonder dat hier specifieke eisen van kracht zijn zoals bepaalde vaardigheden en zonder dat hier een ‘populariteitswedstrijd’ aan vooraf gaat, dan is de regering daadwerkelijk een arbitraire selectie van ‘gewone’ burgers in plaats van een ‘elite’ van experts. Een regering van gewone burgers waar iedereen – bij kans – gewoon in kan komen, versterkt dat niet het gevoel van de burger dat zij niet enkel geregeerd wordt, maar ook regeert? Van Reybrouck stelt: ‘Tijdens een deliberatief proces gebeurt er vaak iets merkwaardigs: politici verliezen hun wantrouwen jegens de burger, net zoals burgers hun wantrouwen jegens de politiek verliezen.’ 13 Een systeem waarin burgers en professionals samen regeren, zoals Van Reybrouck uiteindelijk adviseert (een gecombineerd aleatorisch en electoraal systeem – een bi-representatief stelsel, 8


Volonté Générale 2014 - n°2

dat uit meerdere lichamen bestaat – multi-body sortition), doet dat dan niet exact dat, namelijk het creëren van een deliberatief proces dat het onderling wantrouwen wegneemt? Voorts hoeven gelote burgers zich niet, zoals gekozen politici, druk te maken om hun herverkiezing. Daarmee kunnen zij vrijer handelen, wat de negatieve wederzijdse invloed van een wantrouwende burger en een politicus die afhankelijk is van die wantrouwende burger (met als resultaat verstarring, ‘draaikonterij’, waarop dan weer een toenemend wantrouwen volgt) wegneemt. Maar loting is evenmin de heilige graal als verkiezingen. Het idee van loting pakt in basis enkel het proces via welke vertegenwoordigers hun functie krijgen aan: het zegt ons nog niets over de manieren waarop gedurende de regeringsperiode invloed op de besluitvorming uitgeoefend kan worden – hoe, in andere woorden, de productief ontevredenen hun stem kunnen uiten en doen gelden. Daarmee zijn we tot dusver aan voorbij gegaan aan vraag (1) die ik twee alinea's terug stelde: (in hoeverre) regeert het volk ook daadwerkelijk? Die kwestie valt of staat niet alleen bij de vraag of het representatieve lichaam de burger ook daadwerkelijk vertegenwoordigt (al dan niet door verkiezing of loting benoemd), maar evenzeer bij de vraag in hoeverre het politieke bestel voldoende kanalen biedt voor productief ontevreden burgers om hun invloed uit te oefenen. Want meer nog dan een gevoelsmatige kloof tussen regering en burger is de mate waarin de burger zelf daadwerkelijk invloed kan uitoefenen van belang voor het al dan niet ontstaan en bestaan van destructieve onvrede. Het is niet (enkel) het representatieve systeem dat sceptische, (destructief) ontevreden burgers genereert: een productief ontevreden burger die al jarenlang geen adequaat kanaal heeft kunnen vinden om zijn onvrede te uiten en invloed uit te oefenen op de processen of de besluitvorming, kan zeer goed uiteindelijk een destructief ontevreden burger worden. De vraag welke kanalen er (los van het moment en de manier waarop de regering

bepaald wordt, en buiten die regering om) zijn voor het uiten van onvrede over een bepaalde beslissing of koers is bovendien bij een systeem van loting wellicht nog wel belangrijker dan bij een systeem van verkiezingen, juist omdát wie uitgeloot wordt om in de regering plaats te nemen geen druk ervaart van een electoraat dat achteraf zijn handelingen bestraft dan wel beloont met stemmen. Natuurlijk moet elke verkozene in overleg treden met alle andere gekozenen en zal het sluiten van compromissen onvermijdelijk zijn, maar dat garandeert nog niet dat wat de gelote regering doet altijd overeenkomt met wat de meerderheid wil of dat de gelote regering in die zin daadwerkelijk altijd de burgers vertegenwoordigt. Van Reybrouck stelt zelf juist dat democratie niet enkel het inkleuren van een vakje eens in de vier jaar is. Dat is waar, maar het is evenmin het eens in de zoveel tijd uitloten van een vertegenwoordiging. Een gelote regering mag misschien minder makkelijk te corrumperen zijn dan een gekozen regering (die onder meer door de populariteitswedstrijd die het elke vier jaar moet ondergaan nogal wat perverse prikkels ontvangt), hij staat door het gebrek aan afrekening aan het einde van de termijn ook losser van de wil van de overige burgers en is in die zin minder gebonden aan hen. Zonder een uitbreiding van de kanalen zodat de onvrede van de burger haar weg kan vinden naar de politiek – of die nu bestaat uit een gekozen of een gelote regering – blijft de democratische legitimiteitscrisis voortbestaan, en zal een systeem van loting misschien zelfs averechts werken – waar aan de ene kant een groter gevoel van auteurschap bewerkstelligd wordt doordat de kloof tussen burger en regering verkleind wordt (de regering bestaat immers uit 'gewone burgers'), wordt die wellicht aan de andere kant weer weggesnoept doordat diezelfde gelote regering zonder last en ruggespraak (in de zin dat de gelote regering niet afgestraft wordt door de burger – tussen de verschillende overheidscomponenten onderling zijn er diverse checks and balances) kan doen wat haar goeddunkt.

9


Volonté Générale 2014 - n°2

Er moet, kortom, voldoende ruimte zijn voor een zogenoemde ‘tegendemocratie’.14 Elke theorie faalt indien zij niet ook aandacht besteed aan het zorgdragen voor kanalen – buiten de gevestigde politiek om – via welke de burger om haar stem te doen gelden en invloed uit te oefenen op de beslissingen. Het is in die zin jammer dat Van Reybrouck zich enkel focust op het principe van verkiezingen versus loting; want hoewel loting, zoals beargumenteerd, inderdaad enkele problemen zou kunnen wegnemen en in die zin zeer zeker een interessant idee is, is het weinig waard zonder verdere democratische structuren die hun plek hebben binnen de zogenoemde civil society en die een link vormen tussen burger en regering (geloot of gekozen).  Anita van Rootselaar (1983) heeft Politieke Filosofie gestudeerd aan de Universiteit Utrecht en de Radboud Universiteit Nijmegen. Op dit moment is ze onder meer bestuurslid van D66 Gelderland en freelance tekstschrijver

                                                                                                         

Hoewel dit wat mij betreft niet de meest adequate definiëring van het begrip legitimiteit is, omvat het inderdaad wel enkele essentiële aspecten van dit concept, en voor het gemak van het argument hou ik Van Reybrouck's definitie hier aan. 2 Zie voor een uitgebreide verhandeling over het fenomeen wantrouwen en de ontwikkeling hiervan ook: Dorian Schaap, ‘Een vertrouwenscrisis? Ontwikkelingen in het vertrouwen van burgers in de politie in Nederland en Europa’ Volonté Générale n°4 (2013) 43-48. 3 Centraal Bureau voor de Statistiek, ‘Vertrouwen in verkiezingen, stemprocedure, instellingen en mensen’ (2012) online beschikbaar via: http://bit.ly/1uVK1lS (geraadpleegd op 29 mei 2014) en Idem, ‘Beoordeling politiek en democratie’, online beschikbaar via: http://bit.ly/1jkAagb (geraadpleegd op 29 mei 2014). 4 David Van Reybrouck, Tegen verkiezingen (Amsterdam 2013) 11. 5 Van Reybrouck, Tegen Verkiezingen, 41 6 Zie bijvoorbeeld auteurs als Rousseau (die in Du Contrat Social stelt dat mens vrij geboren is, en een rechtvaardiging zoekt voor haar 'ketenen') en Locke. 7 CBS, ‘Beoordeling politiek en democratie’. 8 In het zeer kort samengevat: de idee dat conflict juist een essentiële basis voor democratie vormt en dat we juist niet zouden moeten streven naar consensus. 9 Hiermee wordt verwezen naar Rousseau's volonté générale. 10 Bonnie Honig, Emergency Politics: Paradox, Law, Democracy (Princeton 2008) 122. 11 Van Reybrouck, Tegen verkiezingen.,142. 12 Zie ook het interview met Frank Ankersmit in Volonté Générale no 1 (2012) 52-57, die hier spreekt over een 'electorale aristocratie'. 13 Van Reybrouck, Tegen verkiezingen, 120. 14 Zie: P. Rosanvallon, La Contre-démocratie (Paris 2006). 1

10


Volonté Générale 2014 - n°2

In het vorige nummer van Volonté Générale (n°1 2014) is een hevige discussie gevoerd over de combiregeling in het betaalde voetbal. Ook op de website leidde dit tot veel reacties. Thomas Roode pakt deze discussie breder op, en gaat in deze reactie in op de cultuur van het moderne voetbal en de tegenbeweging die overal op de wereld ontstaat op de tribunes.

Against Modern Football : de redding van het moderne voetbal Thomas Roode In het meest recente nummer van Volonté Générale werd het al even aangehaald door Roel Joris en Lisanne Jansen: Against Modern Football.1 Zowel de voor- als tegenstander van de combiregeling erkennen het als een valide fenomeen op de stadiontribunes en voetbalkantines. Maar wat is Against Modern Football? In dit artikel betoog ik dat de Against Modern Football-beweging een typisch 21eeeuwse verzetsgroep is, naar het voorbeeld van de Occupy-beweging. Bovendien is het een stroming die de redding kan vormen voor een voetbalwereld die op hol is geslagen.

investeerders en fans, neemt het bestuur de radicale maatregel om de clubkleuren te veranderen. Uit de populariteit van Arsenal, Manchester United en Liverpool concludeert Tien Ghee dat rood beter verkoopt dan blauw. In de zomer van 2012 maakt het bestuur bekend dat de club niet langer in blauwe shirts, maar voortaan in rode shirts gaat spelen. Dat zet heel veel kwaad bloed bij de supporters. De club speelt sinds 1908 in blauwe shirts en staat alom bekend als ‘The Bluebirds’. Sindsdien demonstreren duizenden fans regelmatig voor de terugkeer van de kleur blauw, maar zonder resultaat. De club blijft in het rood spelen. Sterker nog: er zijn plannen om de naam van de club te veranderen naar Cardiff City Dragons. Cardiff City is een goed voorbeeld waarom Against Modern Football (AMF) is ontstaan als stroming binnen het internationale voetbal. Waar de eigenaren van voetbalclubs in het verleden excentrieke lokale zakenmannen waren, die uit liefde voor de club hun geld spendeerden aan nieuwe spelers, zijn de eigenaars veranderd in tycoons die zonder veel binding te hebben met de club, haar enkel gebruiken als statussymbool of investeringsmogelijkheid. Het is de uitbreiding van de economische rationaliteit naar de emotionele wereld van het voetbal die de ontstaansgrond vormt voor de AMF. Fans worden consumenten en voetbalclubs worden bedrijven. Het is deze ontwikkeling waar AMF tegen ageert. De economisering treft voetbalclubs namelijk in het hart. Zoals we hebben gezien bij Cardiff City, kan de poging om de club als een bedrijf te leiden een volledige vernietiging van het culturele erfgoed betekenen. Op elk niveau vindt deze

Van lijster naar draak In het voorjaar van 2010 is de Britse voetbalclub Cardiff City op leven na dood. Ondanks forse investeringen weet de club niet het financiële walhalla van de Premier League te bereiken. Clubs in de hoogste afdeling van het Engelse voetbal krijgen minimaal 48 miljoen euro aan TV-gelden per club, maar in de Championship, de divisie onder de hoogste afdeling, maximaal 3,6 miljoen euro. De genoemde investeringen zijn gedaan met geleend geld dat terugbetaald zou worden door de opbrengsten van een promotie. Nu promotie uitblijft, kampt Cardiff City met een levensgroot probleem. De schulden stapelen zich op en de club dreigt failliet te gaan. Redding komt uit onverwachte hoek: de Maleisische zakenmannen Vincent Tan en Chan Tien Ghee worden de nieuwe eigenaren en pompen miljoenen euro’s in de club. Cardiff City wordt niet alleen van de ondergang gered, maar weet in 2013 zelfs de Premier League te bereiken. Er zit echter een dikke zwarte rand om dit succes. In een poging de club aantrekkelijker te maken voor buitenlandse 11


Volonté Générale 2014 - n°2

ontwikkeling plaats. Kleine clubs zien dat de groten der aarde succes hebben door deze bedrijfsmatige manier van werken en proberen deze te imiteren. Dit leidt in veel gevallen tot schulden en een grote afstand tot het gewilde succes. De fans van HFC Haarlem, AGOVV Apeldoorn, RBC Roosendaal en BV Veendam kunnen hier over meepraten. AMF is geen verschijnsel dat alleen plaatsvindt in de supportersgroepen van de grote clubs. Het is een stroming die zich laat gelden in het hele spectrum van voetbalclubs: groot, klein, arm en rijk. AMF is een reeks ideeën en kritiekpunten die leidt tot lokale organisaties. De vergelijking met de Occupybeweging is snel gemaakt en zeer passend. De simpele, en dus effectieve, slogan ‘WE ARE THE 99%’ inspireerde talloze mensen om in hun eigen plaats protesten te organiseren. Verenigd in dezelfde onvrede zetten demonstranten tentenkampen op in het Zuccotti Park in New York, maar bijvoorbeeld ook op het Willemsplein in Arnhem. Van een internationale organisatie was echter geen sprake. AMF volgt in grote lijnen dezelfde structuur. De commercialisering van het voetbal zorgt voor lokale organisaties die deze ontwikkeling willen tegen gaan bij hun club. Afhankelijk van de situatie bij de club, kan dit andere vormen aannemen. De ene groep wil het oude logo terug (Ajax), de andere groep wil zich ontdoen van een gehate eigenaar (Manchester United) en de volgende groep wil de oude clubkleuren terug (Cardiff City). Verschillende doelstellingen die allemaal voortkomen uit een gedeelde visie over hoe de voetbalwereld eruit zou moeten zien.

rem vormt op de zelfvernietiging van het voetbal. Manchester United In mei 2005 neemt de Glazer familie één van de grootste voetbalclubs ter wereld over: Manchester United. De Amerikaanse familie heeft miljarden verdiend door te investeren in sectoren zoals voeding, olie en gezondheidszorg. De familie wil graag verder uitbreiden. In twee jaar tijd koopt Malcolm Glazer de aandelen van de club tot hij volledige controle heeft. Op het eerste oog is er niets aan de hand. In die tijd werd Chelsea op een zelfde manier gekocht door Roman Abramovitsj. Maar er schuilt meer achter. Kort na de overname komt de lelijke waarheid naar boven: Manchester United is grotendeels gekocht met geleend geld en wordt nu opgezadeld met 325 miljoen euro aan schuld. Het optimisme bij de fans wordt snel gevolgd door de bittere realisatie dat de club in één klap van een gezonde financiële club is verworden tot een club met een van de grootste schuldenlasten in Europa. Malága C.F. Door de snelle opkomst van subtoppers als Manchester City en Paris Saint-Germain is de komst van een Arabische eigenaar bij voorbaat al aanleiding tot grote vreugde bij supporters. Dat was ook het geval bij de supporters van de Spaanse club Malága CF. In juni 2010 werd de club gekocht door Sjeik Abdullah bin Nasser bin Abdullah Al Ahmed Al Thani. De hoop en vreugde van de fans worden bevestigd door de komst van gerenommeerde Europese sterren zoals Ruud van Nistelrooy, Santi Cazorla en Jérémy Toulalan. De versterkingen leiden tot een historische vierde plek en deelname aan de Champions League. In dat toernooi wordt de club in de kwartfinale op het nippertje uitgeschakeld door de latere finalist Borussia Dortmund. Een nieuwe Europese topclub lijkt geboren. Tot Al Thani om onverklaarbare redenen ineens de geldkraan dicht draait. Zo snel als ze gekomen zijn, vertrekken de dure sterren weer naar andere clubs. De snel verslechterende financiële situatie van de club leidt ertoe dat de UEFA de beslissing neemt

Dromen van vroeger Tegenstanders van AMF schilderen de beweging af als reactionair en nostalgisch. Men streeft naar een verleden dat nooit meer zal terug keren. Door de nadruk te leggen op ‘onbelangrijke zaken’ als een logo of clubkleuren, houden ze de ontwikkeling van het voetbal tegen. In deze paragraaf zal ik aan de hand van enkele voorbeelden aantonen dat de AMF-beweging geen rem vormt op de ontwikkeling van het voetbal, maar juist een 12


Volonté Générale 2014 - n°2

om de club te diskwalificeren van deelname aan Europees voetbal. Erg veel gevolgen heeft de beslissing niet: de club is afgezakt naar de middenmoot en maakt geen enkele kans op kwalificatie voor Europees voetbal. Naar de beweegredenen van Al Thani om zijn geld terug te trekken, kan slechts gegist worden. De eigenaar heeft niet de moeite genomen zijn beslissing toe te lichten richting de fans. Bronnen binnen de club geven echter aan dat de overname van Malága onderdeel was van een breder project waarbij er een vakantieresort moest ontstaan aan de Costa del Sol met een luxe hotel en een jachthaven. De Spaanse autoriteiten waren echter niet zo happig op deze investeringen en de plannen werden afgeblazen. Malága werd hierdoor een verliesgevende post voor Al Thani en de zakenman verloor elke interesse. Sindsdien staat de club te koop en blijft het verstoken van elke betekenisvolle investering in de spelersgroep.

Chelsea die aan de haal gaat met de speler. Voor 8,5 miljoen euro. Onder druk van Chelsea loopt Vitesse miljoenen mis. Daar komen de recente beschuldigingen van Jordania nog bij. De Georgiër werd in oktober 2013 als voorzitter vervangen door Tsjigirinski. Onlangs gaf hij een reeks interviews waarin hij claimt dat Vitesse van Chelsea geen kampioen mag worden, omdat de UEFA dan onderzoek zou gaan doen naar de banden tussen de twee clubs. Hoewel deze beschuldiging ontkent wordt door zowel Vitesse als Chelsea, vindt de KNVB de uitspraken van Jordania dermate ernstig dat er een officieel onderzoek wordt gestart. Bovenstaande voorbeelden laten zien dat de commercialisering van het voetbal grootschalige nadelige gevolgen heeft. Natuurlijk zijn er succesverhalen zoals Chelsea en Manchester City, en Manchester United heeft sportief weinig last gehad van de enorme schuldenlast. Maar de dreiging van een vertrek van de geldschieter is alom aanwezig. De clubs die de rijke Russen en Arabieren hebben gekocht, bestonden lang voor hun geboorte en zullen lang na hun overlijden blijven bestaan. Ook is de club in grote mate afhankelijk van de financiële prestaties van de eigenaar. In 2007 werd Manchester City gekocht door de Thaise premier en zakenman Thaksin Shinawatra. Er werd 54 miljoen euro uitgegeven aan nieuwe spelers, maar de nieuwe situatie duurde niet lang. Binnen een jaar werden de tegoeden van Shinawatra bevroren door de nieuwe machthebbers in Thailand en stond Manchester City in één klap op de rand van een faillissement. Gelukkig voor de club kan er een nieuwe eigenaar worden gevonden, maar de garantie hiervoor bestaat niet. Clubs ruilen stabiliteit op de lange termijn in voor succes op de korte termijn. Dit is een zeer gevaarlijke strategie die in enkele gevallen geleid heeft tot de ondergang van een voetbalclub.

Vitesse Dichter bij huis is Vitesse het schoolvoorbeeld van hoe een overname van een club kan leiden tot onrust in plaats van succes. In augustus 2010 werd de Arnhemse club gekocht door de Georgische zakenman Merab Jordania, met de Russische zakenman Alexander Tsjigirinski als geldschieter. Jordania belooft de fans binnen drie jaar kampioen te worden. Maar vanaf het begin af aan wordt gefluisterd dat de werkelijke kracht achter de overname niemand minder dan Chelsea-eigenaar Roman Abramovitsj zelf is. Deze geruchten worden versterkt door het legioen van Chelseahuurlingen dat in Arnhem arriveert. Vanaf de overname in 2010 speelden maar liefst twaalf contractspelers van Chelsea op huurbasis voor Vitesse. Van enige continuïteit of het opbouwen van een spelersgroep is geen sprake meer. Bovendien blijkt Chelsea een stevige vinger in de pap te hebben bij het verkopen van spelers. Marco van Ginkel is een van de meest talentvolle spelers bij Vitesse. In de zomer van 2013 wordt hij begeerd door zowel Ajax als VfL Wolfsburg. Ajax biedt 9 miljoen euro, VfL Wolfsburg zelfs 15. Het is echter

Alle macht aan de fans! But what else can we do when we're so weak? We invest hours each day, months each year, years each lifetime in 13


Volonté Générale 2014 - n°2

something over which we have no control.2

dat tot doel heeft macht en invloed te winnen bij hun geliefde club. Gelet op de marktwaardes van clubs zoals Manchester United (2,4 miljard euro) is een daadwerkelijke overname nog ver weg. De vraag die zich opdringt is waarom de fans schijnbaar het recht op invloed hebben. Iemand die een iPad koopt heeft toch ook geen recht op invloed bij Apple? De band tussen fan en club verschilt flink met de band tussen consument en merk. Voor de consument is er een alternatief. Hij kan altijd een Samsung Galaxy Tab kopen. Een fan kan moeilijk overstappen op een andere club. Sommige supporters zijn van kleins af aan opgegroeid met de club en emotioneel sterk verbonden met het wel en wee van ‘hun’ club. Het is deze emotionele betrokkenheid die hen het recht geeft op invloed bij de club. Maar meer nog dan dat, garandeert het eigenaarschap van supporters het voortbestaan van de club op lange termijn. 45 Jaar voor de geboorte van de huidige eigenaar Malcolm Glazer keken de eerste fans al toe hoe Manchester United (toen nog Newton Heath LYR FC geheten) tegen een bal trapte. Fans zijn in een voetbalwereld vol passanten (trainers, directieleden, eigenaren) de enige constante. Waar een eigenaar nog altijd de club kan verkopen, zijn de fans er bij gebaat om de club niet in gevaar te brengen. Hun passie en betrokkenheid garanderen dat de club zal blijven voortbestaan. De Supporters’ Trusts zijn de georganiseerde vorm van de Against Modern Football stroming. Alleen deze organisaties kunnen een voetbalwereld die op hol geslagen is weer tot zinnen brengen. Ironisch genoeg is de Against Modern Football beweging de enige redding voor het moderne voetbal. 

Tussen al dit gegoochel met miljoenen lijkt er geen plaats voor de supporters. Toch zijn er genoeg clubs waarbij de supporters een zware stem hebben in het bestuur van de club. Het bekendste voorbeeld is AFC Wimbledon. Na de ramp in het Hillsborough stadion waarbij 96 fans het leven lieten, werden Engelse clubs op het hoogste niveau verplicht in stadions met enkel zitplaatsen te spelen. Voor Wimbledon FC was dit een groot probleem. Hun stadion bestond voornamelijk uit staanplaatsen en geld voor een nieuw stadion was er niet. Na 12 jaar het stadion gedeeld te hebben met Crystal Palace, besloot de club te verhuizen naar het plaatsje Milton Keynes, 90 km naar het noorden. Voor de fans van Wimbledon FC was dit een absolute ramp en zij besloten hun eigen club op te richten, AFC Wimbledon. De structuur van deze nieuwe club is vrijwel uniek in het moderne voetbal: de club is het eigendom van The Dons Trust, een verzameling fans die met elkaar hebben afgesproken minimaal 75% van de aandelen in eigen bezit te houden. De directieleden van de club worden gekozen door de supporters. Elke maand komt het Trust bij elkaar om te beslissen over strategische kwesties, zonder voor de voeten van de directie te lopen. Er is geen sprake van een old boys network dat zonder inspraak van de fans van functie wisselt, geen bobo’s die elkaar baantjes gunnen en geen ondoorzichtige financiële constructies die het voortbestaan van de club in gevaar brengen. De aanpak van AFC Wimbledon is zeer succesvol. Financieel is het de gezondste club van de League Two (het vierde niveau in Engeland) en op het veld zijn de prestaties prima. Sinds haar oprichting in 2002 is de club in elf jaar tijd opgeklommen van het negende niveau naar het vierde niveau van de Engelse voetballadder. Dat zijn vijf promoties in elf jaar, een aantal dat weinig clubs halen. AFC Wimbledon is een voorbeeld voor veel clubs. Vrijwel iedere club in Engeland kent een dergelijke Supporters’ Trust

Thomas Roode (1987) is journalist en politiek theoreticus. Daarnaast is hij voetballiefhebber.

                                                                                                         

R. Joris, ‘Normalisatie is het toverwoord’ Volonté Générale n˚1 (2014) 6-9; L. Jansen ‘Verplicht gecombineerd vervoer voor voetbalsupporters: een goede zaak?’ Volonté Générale n˚1 (2014) 10-12. 2 N. Hornby, Fever Pitch (Londen 1992). 1

14


Volonté Générale 2014 - n°2

De mythe van competitiveness als uitweg voor de crisis Angela Wigger Nadat ‘kapitalisme’ decennialang nauwelijks een thema is geweest, lijkt met de komst van de crisis het debat over (de bestendigheid van) het kapitalisme weer te zijn teruggekeerd. Maar zoals Nancy Fraser onlangs al observeerde, de renaissance van het woord kapitalisme is vaak slechts retorisch van aard en meer een teken van een verlangen naar systeemkritiek dan het verwoorden van een werkelijke substantiële kritische bijdrage.1 De navolgende stukken van Zowi Milanovi en Matthias van Trigt zijn hierop duidelijk een uitzondering doordat ze stapsgewijs het (dis)functioneren van het kapitalisme blootleggen. Hun verkenning van de interne tegenstellingen binnen het kapitalistische systeem en haar inherente neiging tot crisis legt de vinger op de zere plek, namelijk op het structurele probleem van ‘overaccumulatie’. Dit is de (tijdelijke) afwezigheid van rendabele herinvesteringsmogelijkheden voor het overschot aan kapitaal in de reële productie. Beide auteurs noemen intense concurrentiedruk en de daarmee gepaarde afname van investeringen in de reële economie als onderliggende factoren, en verklaren hiermee ook de totstandkoming van financiële bubbels, die gedoemd zijn te barsten zodra de accumulatie van kapitaal te ver uiteenloopt met de accumulatie van schuld. Beide auteurs tonen ook aan waarom het huidige crisisbeleid niet de kern van het probleem aanpakt en dus geen echte oplossing kan zijn. In dit kader verdient de EU-strategie om de concurrentiekracht te versterken bijzondere aandacht. Dat investeringen in de reële economieën van Europa fors zijn gedaald is inmiddels ook tot de Europese Commissie doorgedrongen, zoals uit haar pleidooi voor een ‘Europese industriële renaissance’ te ontnemen valt.2 Angela Merkels voorstel voor een Competitiveness Pact moet de nieuwe groeistrategie worden.3 Op basis van bilaterale en juridisch bindende contracten tussen de individuele regeringen en de niet democratisch verkozen Commissie dienen lidstaten op maat

gemaakte hervormingen door te voeren op terreinen waar de concurrentiekracht achterloopt. Wat in eerste instantie doet denken aan het actieve industriebeleid van het naoorlogse keynesianisme, komt echter neer op interne devaluatie met als doel om investeringen aan te trekken en de export naar niet-EU- landen te verhogen. De strategie van interne devaluatie is drieledig: ten eerste, het investeringsklimaat moet worden verbeterd door de unit labour costs te verlagen. In essentie komt dit neer op productiviteitsstijging (in de praktijk vaak langer werken voor minder loon), daling van de arbeidskosten, loonmatiging en verdere arbeidsmarktflexibilisering. Ten tweede; moet verregaande prijsconcurrentie – vooral in de dienstensector, energie en netwerkindustrieën – ervoor zorgen dat Europese producten op de wereldmarkt goedkoper worden. Europese politici zien dus de oorzaak van deze crisis niet in te veel maar in te weinig concurrentie. Ten derde, moet een ‘budgettair neutrale’ verschuiving van belasting op arbeid naar belasting op consumptie in combinatie met lagere vennootschaps- en exportbelastingen nieuwe investeringen 4 aantrekken. Na jaren van bezuinigingsmaat-regelen en de boodschap aan de burger om de broekriem verder aan te trekken, klinkt met name de belofte van lagere prijzen voor de consument als een aantrekkelijke oplossing van de crisis. Maar de mantra dat kapitalistische concurrentie de ruggengraat voor economische groei vormt, en volgens de Commissie zelfs de goedkoopste en meest effectieve structurele hervorming is zonder extra kosten voor de belastingbetaler, is een grote misvatting. 5 Het ondermijnen van de prijzen van concurrenten vindt vaak plaats door een verlaging van variabele productiekosten met een verdere uitbuiting van arbeid en natuur tot gevolg. Interne devaluatie legt daarom direct of indirect de last van de structurele aanpassingen disproportioneel bij ‘arbeid’ – en niet bij ‘kapitaal’. 15


Volonté Générale 2014 - n°2

Competitiveness wordt vaak verward met ‘succes’ en ‘winnen’. Het is belangrijk te realiseren dat het EU beleid de externe concurrentiekracht wil versterken en daarbij gelijke tred te willen houden met het comparatieve voordeel van opkomende economieën, zoals China, namelijk goedkopere werknemers. Er zijn ook alternatieven voor deze race to the bottom. Deze moeten alleen politiek worden bevochten. Het woord is aan Zowi Milanovi en Matthias van Trigt.  Angela Wigger (1975) is als docent Politieke Economie en Internationale Betrekkingen verbonden aan de Radboud Universiteit te Nijmegen.

                                                                                                         

N. Fraser, ‘Behind Marx’s Hidden Abode. For an Expanded Conception of Capitalism’, New Left Review 86 (2014) 55-72. 2 ‘For a European industrial renaissance’. Medeling Europese Commissie (Brussel 22 januari 2014) online beschikbaar via: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/PDF/ ?uri=CELEX:52014DC0014&qid=1401635126956&from =EN (geraadpleegd op 20 mei 2014). 3 A. Merkel, Toespraak bij de jaarvergadering van het World Economic Forum, (Davos 24 januari 2013) online beschikbaar via: http://www.bundeskanzlerin.de/ ContentArchiv/EN/Archiv17/Reden/2013/2013-01-24merkel-davos.html (geraadpleegd op 20 mei 2014). 4 ‘Quarterly Report on the Euro Area 10 n˚3’, Rapport Europese Commissie (Brussel 2011) online beschikbaar via: http://ec.europa.eu/economy_finance/publications/qr_e uro_area/2011/pdf/qrea3_en.pdf (geraadpleegd op 20 mei 2014). 5 J. Almunia, ‘The role of competition policy in times of crisis’, Toespraak Europese Commissie (6 december 2012) online beschikbaar via: http://europa.eu/rapid/pressrelease_SPEECH-12-917_en.htm (geraadpleegd op 20 mei 2014). 1

16


Volonté Générale 2014 - n°2

Een weg uit de crisis? Of een weg naar de volgende crisis? Zowi Milanovi Als we de berichten mogen geloven, begint de Nederlandse economie eindelijk uit de crisis te raken. De economie vertoont positieve cijfers, de situatie op de aandelenbeurzen ziet er goed uit en de voor Nederland zeer belangrijke huizenmarkt trekt weer aan. De bezuinigingen van de afgelopen jaren hebben hun werk gedaan. Nog eventjes en het is allemaal weer business as usual. Echter, is dat wel zo? Hoe ziet het hele plaatje er uit? Allereerst is het belangrijk om op te merken dat, hoewel men nu lijkt te accepteren dat het ergste van de crisis voorbij is, men nergens leest wat de oorzaak van het herstel zou zijn. De cijfers worden als zeer positief voor bedrijven en consumenten gepresenteerd. Vervolgens schrijven economieredacteuren dat de doemdenkers ongelijk hadden en we weer naar betere tijden gaan. We zien over het algemeen veel wishful thinking, maar weinig serieuze analyses. Om de huidige situatie te begrijpen, is het nodig om te begrijpen hoe de kapitalistische productiewijze werkt en hoe het komt dat het kapitalistische systeemproductiewijze periodieke crises kent. Karl Marx heeft in de drie boeken van Das Kapital een analyse gemaakt van het kapitalistische systeem, waarin hij het ontstaan, de bewegingswetten en de interne tegenstellingen heeft beschreven.1 Belangrijk is dat Marx en zijn opvolgers economische crises als een periodiek terugkerend fenomeen beschouwden. Dit leidde ertoe dat zij de oorzaak ervan in de verschillende tegenstellingen binnen het systeem zelf zochten. Bij de mainstream-economen zien we echter vaak dat de oorzaak van een crisis in één factor wordt gezocht. Zo zou de crisis in 1973 het gevolg zijn van een verhoging van de olieprijs, terwijl de huidige crisis nog steeds het gevolg is van een ongereguleerde financiële sector. Uiteraard is iedere crisis anders en hebben de olieprijsverhogingen in 1973 en de financiële speculatie tot 2008

sterke effecten gehad. De directe aanleiding is echter niet hetzelfde als de onderliggende oorzaak.

Marxisme en de oorzaak van de crisis

Het marxisme analyseert het kapitalisme als een socio-economisch systeem met interne tegenstellingen. Net als andere klassensamenlevingen wordt het kapitalisme gekenmerkt door de aanwezigheid van een bezittende klasse (de kapitalisten) en een uitgebuite klasse (de arbeiders). Hoewel het populair is om te stellen dat de arbeidersklasse gekrompen is, is dit op niets gebaseerd. Volgens de Wereldbank bedraagt het aantal wage and salaried workers in 2012 in Nederland ongeveer 85% van de beroepsbevolking.2 De kracht van het kapitalisme schuilt in de concurrentie tussen verschillende kapitalistische bedrijven, die productief investeren om goedkoper te kunnen produceren dan de concurrent. De geproduceerde meerwaarde wordt op die manier geherinvesteerd, wat tot toegenomen productie en rijkdom leidt. Door mechanisering en automatisering zijn er steeds minder mensen nodig om het werk te doen. Dit leidt tot eliminatie van de minst efficiënte bedrijven en de concentratie van kapitaal in steeds minder handen. Steeds meer sectoren (bijvoorbeeld auto’s, bananen, films, bier, telefoons) komen in de handen van enkele enorme corporaties terecht. Deze ontwikkeling tot monopoliekapitalisme ondermijnt tevens de dynamiek van het systeem: het wordt steeds minder efficiënt en leidt niet tot oplossingen voor maatschappelijke problemen zoals hongersnood en klimaatverandering, hoewel deze in potentie met de huidige middelen opgelost zouden kunnen worden. Marx legt in het eerste hoofdstuk van Das Kapital uit dat het enkel menselijke arbeid is dat waarde (en dus meerwaarde/winsten) creëert. Machines vergroten de output van de 17


Volonté Générale 2014 - n°2

werknemers, maar produceren zelf geen waarde. Zij brengen geleidelijk hun eigen waarde over op de producten. Met de structurele toename over tijd van ‘constant kapitaal’ (machines, gebouwen, grondstoffen) tegenover ‘variabel kapitaal’ (arbeidskracht), is er op die manier een tendens tot daling van de winstvoet. Deze werd in de decennia van opbouw van na de Tweede Wereldoorlog steeds duidelijker zichtbaar. In de jaren 1970 was de winstvoet zeer laag. De kapitalisten gaven toen echter (zoals altijd) de hoge loonkosten de schuld. Sinds de jaren 1980 zien we verschillende wijzen waarop het kapitalisme opnieuw gestimuleerd wordt. Om de lage

houden en zou ertoe leiden dat de verzorgingsstaat in de toekomst behouden kan worden. Markant is echter dat de staatsschulden in de geïndustrialiseerde landen als percentage van het BBP zijn blijven stijgen (zie de grafiek), 3 terwijl hetzelfde verhaal van politici over de noodzaak tot sanering continu wordt herhaald. Het eerste land waarin een belangrijk publiek persoon openlijk sprak over de afschaffing van de verzorgingsstaat, was Nederland. Het is bij ons misschien niet zo doorgedrongen, maar de toespraak van koning Willem-Alexander, waarin hij sprak over de participatiesamenleving als nieuwe realiteit, werd door de buitenlandse pers als

winstvoet aan te pakken, is er een aanval op de positie van de vakbeweging geweest. In de VS en Groot-Brittannië voerden respectievelijk Reagan en Thatcher een repressief beleid van confrontatie en beperkingen van het stakingsrecht. In Nederland gebeurde dit op zachtere wijze, door middel van het Akkoord van Wassenaar in 1983. Sinds dat akkoord is loonmatiging in Nederland zo’n beetje heilig. In de jaren 1980 begon ook de afbouw van de in de voorgaande decennia opgebouwde verzorgingsstaat, een proces dat op de dag van vandaag doorgaat. De sanering zou nodig zijn om de staatsuitgaven in bedwang te

zeer groot nieuws gekenmerkt. Een belangrijke tegenstelling binnen het kapitalisme is dat het de arbeiders zijn die de winsten produceren, terwijl zij tegelijkertijd ook een belangrijk deel van de consumenten zijn die de producten moeten kopen om zo de winsten van de kapitalisten te kunnen realiseren. Ieder bedrijf probeert zoveel mogelijk op loonkosten te besparen, terwijl het het liefst ziet dat andere bedrijven hun werknemers zoveel mogelijk betalen. Op dezelfde wijze heeft het aanpakken van de arbeidersklasse als geheel, via loonmatiging en snijden in de verzorgingsstaat, tot gevolg dat er minder mogelijkheden zijn om de winsten 18


Volonté Générale 2014 - n°2

te realiseren. Is het met deze tegenstelling in het achterhoofd niet beter om de vraag te stellen waarom het zolang geduurd heeft voordat de crisis begonnen is? Eind jaren 1980 en begin jaren 1990 leek het tot een crisis te komen in het Westen. In Azië was er een crisis in 1997, die gevolgen had in Rusland en Latijns-Amerika, maar niet in Amerika en Europa. Verder zagen we de Dotcom-crisis en de crisis als gevolg van 9/11, maar een crisis zoals in 2008 bleef uit. De bovenstaande tegenstelling binnen het kapitalisme is hoofdzakelijk op twee manieren aangepakt: globalisering en krediet. Sinds de schuldencrises van de onderontwikkelde landen in de jaren 1970 en 1980, is er getracht om in ruil voor leningen van het International Monetair Fonds en de Wereldbank de markten van de zogenaamde derde wereldlanden te openen voor goederen en kapitaal uit ‘de eerste wereld’. De val van de Muur en het ineenstorten van de SovjetUnie, leidden tot een toename van miljoenen mensen op de wereldmarkt. India opende zich ook meer voor buitenlands kapitaal en goederen, maar het allerbelangrijkst is de integratie van China in de wereldmarkt geweest. De komst van een miljard Chinezen op de wereldmarkt, met lage lonen (dus hogere winstgevendheid voor Westers kapitaal) en veel mogelijkheden voor afzet, gaf het wereldkapitalisme een enorme boost. Tevens leidden de lage productiekosten ertoe dat de levensstandaard en de koopkracht van de arbeidersklasse in Amerika en Europa relatief konden stijgen, doordat zij nu de beschikking hadden over vele goedkope Chinese producten. Het nadeel van de globalisering van het kapitalisme (een ontwikkeling die door Karl Marx en Friedrich Engels reeds in 1847 werd voorspeld), is dat het de wederzijdse afhankelijkheid van alle economieën zodanig heeft versterkt, dat het nu tot een globale crisis heeft geleid. De andere belangrijke wijze om de crisis uit te stellen, is het verlenen van krediet geweest. Vooral in de VS werd de creditcard gestimuleerd om aankopen te doen die men (nog) niet kon betalen. In Nederland is de

hypotheek de belangrijkste vorm van krediet. Lage rentes in combinatie met hypotheekrenteaftrek, in een tijd dat de huizenprijzen bleven stijgen, betekende dat men steeds rijker leek te worden en zich daarnaar ging gedragen. In de jaren 1990 en vooral de jaren na 2000 voltrok zich een explosie van verstrekte kredieten. Daardoor namen de private schulden sterk toe. Er werd echter gesteld dat door onder andere globalisering en liberaal beleid de economieën zouden blijven groeien, zodat alle schulden terugbetaald zouden worden. ‘The sky is the limit’ was het heersende idee na de ineenstorting van de Sovjet-Unie. Het kapitalisme had gewonnen en zou uiteindelijk voor iedereen continue vooruitgang blijven betekenen. Er is echter een groot probleem inherent aan krediet: het moet terugbetaald worden, vaak met rente. Krediet is vergelijkbaar met een elastiek: het kan de vraag kunstmatig oprekken, maar zorgt er wel voor dat de samentrekking veel harder en pijnlijker verloopt. Dat is precies wat er gebeurde met de zogenaamde kredietcrisis in 2008. Het krediet zelf was niet de dieperliggende oorzaak van de crisis, maar heeft deze wel verhevigd en geglobaliseerd. De crisis is uiteindelijk veroorzaakt doordat er sprake was van een grote overproductie en de consumenten zonder krediet de goederen niet meer konden betalen.4 Daarom zijn er nu nog steeds relatief weinig productieve investeringen. Grote bedrijven zitten wereldwijd op een recordbedrag van 7.000 miljard euro (het dubbele van 2003), wat niet geïnvesteerd wordt 5 , terwijl de winstvoet hoog is en er genoeg mensen zijn die wel aan de slag willen.

Maatregelen tegen de crisis

Ondanks alle berichten over lessen die uit de crisis zouden zijn getrokken, is er fundamenteel weinig veranderd. De bail-outs van de banken en de ‘steunpakketten’ aan de zwakke EU-lidstaten hebben de publieke schulden en overheidstekorten flink doen oplopen, terwijl de vraag is geslonken door de

19


Volonté Générale 2014 - n°2

vermindering van krediet in combinatie met de bezuinigingen en lastenverzwaringen voor de arbeiders- en middenklasse. Marxisten en keynesianen zijn het erover eens dat de vraag beperken tijdens een crisis, de crisis enkel versterkt. De keynesianen hebben zelf echter geen oplossingen. Een klassieke oplossing is het verlagen van de rentes, om zo investeringen aan te jagen. Met rentes die al tegen de 0% zitten, is hier momenteel geen ruimte voor. Een andere optie is het aanjagen van de investeringen door middel van het uitgeven van publiek geld. In een kapitalistische economie moet dit geld of uit de zakken van de kapitalistische klasse, of uit de zakken van de arbeiders- en middenklasse komen. In het eerste geval betekent het dat de winsten beperkt worden. In het tweede geval dat de reële inkomens (en dus koopkracht) van de massa beperkt wordt. Beide opties werken nieuwe investeringen tegen. Keynes’ oplossing was dan ook deficit financing, wat in principe neerkomt op het bijdrukken van geld. Deze oplossing is gevaarlijk, aangezien deze tot grote inflatie kan leiden, zoals gebeurde met de stagflatie in de jaren 1970. Een variant hiervan zien we nu in het Amerikaanse quantitative easing (QE), waarbij de Federal Reserve (de centrale bank van de VS) de monetaire basis van de Amerikaanse economie uitbreidt. Binnen de EU is er een conflict over de vraag of de ECB een soortgelijk monetair beleid zou mogen hebben. Het Amerikaanse QE is echter alweer op z’n retour, vanwege gebrek aan effectiviteit en de angst voor inflatie. Het zogenaamde herstel dat QE veroorzaakt zou hebben, is geheel speculatief en gebaseerd op het opnieuw opblazen van de kredietzeepbel. Het Amerikaanse kapitalisme is ervan afhankelijk geraakt als een drugsverslaafde afhankelijk is van zijn shot heroïne. Het afbouwen van QE (het zogenaamde tapering) heeft al tot een massale kapitaalvlucht uit de BRICS-landen geleid, wat laat zien dat hun recente groei ook grotendeels speculatief was. Op deze manier blijven er weinig beleidsopties over.

Nederland

Gezien Nederland in grote mate afhankelijk is van de export, wordt het economisch vooruitzicht grotendeels bepaald door de internationale situatie. De afbouw van QE, de vertraagde groei van de BRICS-landen en het probleem van hoge publieke schulden in de VS brengen veel instabiliteit voor de wereldeconomie met zich mee. De problemen in de EU zijn ook nog niet opgelost, terwijl deze de belangrijkste markt is voor de Nederlandse export. Nederland heeft enkele vo 6 ordelen: zeer lage rentes over de publieke schuld, de verhuizing van een paar buitenlandse hoofdkantoren van bedrijven naar het land toe (bedrijven die ook eens daadwerkelijk werknemers nodig hebben, in plaats van brievenbusfirma’s) bovendien heeft Nederland een handelsoverschot. Deze kunnen op de korte termijn een licht positief effect hebben. In Nederland is echter ook 8,7% van de beroepsbevolking werkloos. Dit treft vooral de jonge generatie hard. Daarnaast drukt de private schuld op veel huishoudens. Dit is het voelbare aspect van de crisis. Zolang er geen grote investeringsgolf aankomt (wat wegens de overproductie niet erg waarschijnlijk is), zullen structureel veel jongeren werkloos blijven. Mensen zullen niet uit de armoede klimmen. Zeker als men bedenkt dat er door automatisering ook nog veel banen zullen verdwijnen in de komende decennia. De wereldwijde crisis is nog niet over. Er zullen periodes van licht herstel zijn, maar niets wijst erop dat er een nieuwe periode van groei aankomt. Dit is wat het herstel van Nederland op lange termijn zal beperken.

De marxistische oplossing

Met een aanhoudende crisis van het kapitalisme, is het nodig dat men naar de alternatieven gaat kijken. Alle ‘realistische’ oplossingen hebben tot nu toe niets bereikt. Het onvermogen van de grote bedrijven om te investeren, betekent dat die taak beter 20


Volonté Générale 2014 - n°2

overgenomen kan worden kan worden door de gemeenschap. Het geld is er. Het is echter in handen van de grote banken en bedrijven. Die zouden genationaliseerd moeten worden onder democratische controle van de werknemers, vakbonden en consumentenorganisaties. Dan kan er op duurzame wijze geïnvesteerd worden in de toekomst, terwijl democratische controle een tegenwicht biedt tegen bureaucratische ontaarding.  Zowi Milanovi (1989) is politicoloog en redacteur van het marxistische tijdschrift Vonk.

                                                                                                         

Das Kapital is online beschikbaar via: http://www.marxists.org (geraadpleegd op 28 mei 2014). 2 De dataset voor Nederland is beschikbaar via: http://data.worldbank.org/country/netherlands (geraadpleegd op 28 mei 2014). 3 S.G. Cecchetti, M.S. Mohanty en F. Zampolli,‘The future of public debt: prospects and implications’, BIS Working Papers (2010) 4, online beschikbaar via: http://www.bis.org/publ/work300.pdf (geraadpleegd op 15 mei 2014). 4 Zie bijvoorbeeld de gigantische overproductie van auto’s. Het artikel is beschikbaar via: http://www.zerohedge.com/news/2014-05-16/whereworlds-unsold-cars-go-die (geraadpleegd op 15 mei 2014). 5 CNBC, Global companies sitting on $7 trillion cash, double 2003 (22 januari, 2014), beschikbaar via: http://www.cnbc.com/id/101354173 (geraadpleegd op 15 mei 2014). 1

21


Volonté Générale 2014 - n°2

Is er een weg uit de crisis? Matthias van Trigt Iedereen die zich bezig houdt met maatschappelijke vraagstukken, houdt zich bezig met de economische crisis waar de mondiale economie inmiddels zeven jaar mee te maken heeft. Er komen bijna iedere dag weer artikelen en nieuwsberichten uit over stijgende werkloosheid1, teruglopende economische groei2 of de vele andere tekenen van economische malaise, zij het in Nederland, Europa of elders. Crisis is overal om ons heen en na al deze jaren van zorgen over onze toekomst begint de vraag zich meer en meer op te dringen of we ooit weer een tijd van groei en optimisme zullen meemaken zoals die heeft geheerst na het eind van de Tweede Wereldoorlog. Het lijkt alsof er iedere week weer economen en politici op televisie verschijnen om ons voor te spiegelen dat er ‘tekenen van voorzichtig herstel’ waar te nemen zijn of er wordt een spektakel gemaakt van een stijging op de aandelenmarkten. Maar het verhaal klinkt hol en de optimistische glimlachen voor de camera zijn hol en versleten. Feit is dat er geen eind in zicht is voor deze economische crisis. De grote vraag draait nu om waar ter wereld de economische crisis het hardst zal toeslaan. Beleidsmakers en bedrijfsleiders zetten alles op alles om een stoel te vinden elke keer dat de muziek stopt met spelen. Steeds meer economieën storten in en de leiders van Noord-West Europa die eerst zo prat gingen op hun economische zekerheid moeten bekennen dat ze zich zorgen maken over wat er met ons gaat gebeuren. De hoogste tijd dus om eens wat helderheid te krijgen over wat er aan de hand is en wat voor opties er zijn om deze problematiek te lijf te gaan. De eerste vraag luidt ‘Wat is er nu precies aan de hand?’

totale kosten van een investering en de totale opbrengsten van deze investering. Een deel van deze winst gaat naar bonussen en hoge salarissen voor CEOs, maar het overgrote gedeelte wordt opnieuw geïnvesteerd in het bedrijf om de productie van goederen en diensten verder uit te breiden. Omdat bedrijven met elkaar concurreren ligt er een enorme druk op bedrijven om een groter marktaandeel te vergaren om te voorkomen dat een concurrent hetzelfde doet en hen uit de markt kan gaan drukken. Dit probleem is in feite het zogenaamde veiligheidsprobleem, maar dan op economisch vlak. Het concept van het veiligheidsprobleem komt naar voren in realpolitike stromingen en omschrijft dat staten tegenstanders zijn van elkaar op het geopolitieke toneel. Elke staat probeert haar eigen belangen te behartigen, zo nodig ten koste van andere staten. Een staat loopt altijd het risico dat andere staten haar belang gaan aantasten, waardoor de staat altijd waakzaam moet zijn om bijvoorbeeld haar grondgebied te bewaken. Staten concurreren met elkaar. Een effectieve manier om te concurreren is door groter en sterker te zijn dan andere staten, al was het maar om te voorkomen dat zij zo sterk worden dat zij in staat raken om andere staten te domineren. Binnen de politiek is er sinds de formulering van deze theorie veel gedaan om staten zover te krijgen om samen te werken in plaats van met elkaar te concurreren, maar op economisch vlak is de concurrentie wellicht moordender dan ooit. Als een bedrijf wil voortbestaan moet het niet alleen winst maken, het moet ook voorkomen dat andere bedrijven relatief aan invloed winnen. Als een bedrijf dit namelijk niet doet zal het bedrijf op termijn uit de markt gedrukt worden door grotere bedrijven die ook willen voorkomen dat zij uit de markt gedrukt worden. Bedrijven zijn daarom altijd op zoek naar nieuwe gelegenheden om hun winsten te vergroten, zij het door het vinden van nieuwe markten of het verlagen van hun

Wat is crisis? Binnen kapitalistische economieën spreken we van een crisis wanneer het bedrijven op een grote schaal niet meer lukt om voldoende winst te maken. Winst is het verschil tussen de

22


Volonté Générale 2014 - n°2

productiekosten of via andere methoden. Dit proces blijft constant functioneren en dit veiligheidsprobleem dwingt bedrijven altijd tot verdere expansie uit angst dat de concurrent het anders wél zal doen. Het probleem is natuurlijk dat we leven op een planeet met natuurkundige limieten: eindige grondstoffen, eindige consumptie, eindige alles. Er komt een moment dat de markten zo vol zitten dat bedrijven voor een monumentaal probleem komen te staan: verdere expansie is niet mogelijk. Omdat de mogelijkheden om genoeg winsten te boeken kleiner zijn geworden is het herinvesteren van de opbrengsten van de vorige investering ook des te riskanter geworden. Als een bedrijf namelijk besluit te investeren terwijl andere bedrijven dat niet doen en er vervolgens een gebrek aan vraag naar de geproduceerde goederen of diensten is, zal dit betekenen dat het bedrijf geen of te weinig winst boekt of zelfs verlies draait. Dan zit het bedrijf met een enorm probleem: het heeft niet alleen minder kapitaal om te gaan investeren; de andere bedrijven hebben hun kapitaal achter de hand gehouden en staan er ineens relatief des te sterker voor. Het gevolg van deze overweging is economische verlamming. Concurrerende bedrijven houden elkaar nauwlettend in de gaten en geen van hen wil als eerste de gok wagen om opnieuw te investeren, het risico lopen op een miskleun en hun positie op de markt te verspelen. Dus wachten bedrijven af tot de markten gunstiger worden en zij er weer zeker van kunnen zijn dat ze genoeg zullen verdienen.3 Deze overweging is volkomen logisch en rationeel, maar heeft desastreuze macroeconomische gevolgen. Want als bedrijven niet investeren, zullen mensen niet opnieuw aan het werk kunnen en zal er minder te besteden zijn waardoor de markten verder krimpen, waardoor het nog riskanter wordt om te herinvesteren waardoor de markten verder krimpen et cetera. De erkenning van het bestaan van deze negatieve spiraal zou inmiddels gemeengoed moeten zijn, maar de achterliggende motivatie ontbreekt bij de meeste analyses. Deze is zo belangrijk omdat het duidelijk maakt wat er nodig is om

bedrijven weer aan het investeren te laten slaan.

Wanneer eindigen crises? Simpel gesteld eindigen crises wanneer er weer genoeg manieren ontstaan om dermate grote winsten te boeken dat het voor bedrijven weer mogelijk wordt het risico van investeren te nemen; dan kan de negatieve spiraal worden doorbroken, die dan meestal wordt omgezet in een positieve spiraal van stijgende productie en consumptie. De uitdaging is dus om nieuwe mogelijkheden voor groei te creëren op een dermate grote schaal dat bedrijven in staat zijn om de investeringssprong te wagen. De afgelopen dertig jaar is geprobeerd om dit te doen via het uitbreiden van kredietmogelijkheden van bedrijven, staten en particulieren, maar deze methode lijkt nu haar eind bereikt te hebben omdat er een enorme inflatiedreiging boven het hoofd hangt en er een vertrouwen ontbreekt dat deze leningen nog terugbetaald zullen worden. Er zijn in feite drie manieren om deze crisis uit te komen. Het vinden van nieuwe afzetmarkten die op een grote schaal producten kan opkopen (zowel op bedrijfs- als individueel niveau) zou een manier zijn om de mondiale economie weer aan te zwengelen. Als er hevig ingezet zou worden op ruimtevaart, kunnen bedrijven de ruimte intrekken om op zoek te gaan naar nieuwe grondstoffen en de activiteit die dit oplevert zou een enorme hoeveelheid aan werkgelegenheid kunnen opleveren. De concurrentie tussen bedrijven zou hen er toe drijven om snel en hard in te zetten om buitenaards te investeren en dit effect zou genoeg kunnen zijn om andere markten dermate te verruimen dat andere sectoren meeprofiteren. Als er op aarde vergelijkbare manieren zijn om winsten te verhogen, bijvoorbeeld via de ontwikkeling van nieuwe technologieën, zou ditzelfde effect kunnen optreden. Beide trajecten maken de oprichting van grootschalige, waarschijnlijk internationale samenwerkingsverbanden op deze gebieden noodzakelijk. Een van de problemen met deze aanpak is natuurlijk dat het niet duidelijk is op 23


Volonté Générale 2014 - n°2

wat voor termijn ze de benodigde resultaten zouden opleveren. Een tweede manier om winstgevendheid opnieuw te vergroten is via de vernietiging van bestaande markten. Het voeren van oorlog is een bijzonder effectieve manier om uit economische crises te komen en wel om twee redenen. De eerste reden is dat de wapenmarkt in principe nooit verzadigd raakt: de wapens worden ofwel gespaard voor later of gebruikt waarna er weer nieuwe wapens nodig zijn. Bijkomend voordeel is dat wapens geen andere functie vervullen en dus andere markten niet schaden. Oorlogsuitgaven stimuleren daarnaast allerlei andere sectoren en zolang de oorlog voortduurt zullen bedrijven door de hele economie heen zicht hebben op betrouwbare inkomsten. De tweede reden is dat oorlogen veel vernietigen. Tijdens of na een oorlog zijn er grondstoffen om te claimen en is er veel heropbouw te doen. Er is weer volop ruimte gecreëerd om te investeren en geld te verdienen aan het heropbouwen en/of exploiteren van een land. Het was de Tweede Wereldoorlog die de Verenigde Staten uit de Grote Depressie trok, deze methode zou opnieuw hetzelfde effect kunnen hebben. Problematisch is natuurlijk dat er wel een oorlog te voeren moet zijn, maar als de situatie rondom de Krim verder escaleert hoeft dit geen probleem te zijn. In deze opsomming kan de derde methode, ‘snoeien om te groeien’, niet ontbreken. Dit zou niet opgevat moeten worden als het terugdringen van staatsschulden of het ‘op orde brengen van het balansboekje’. Dit snoeien is er niet op gericht om overheidsuitgaven terug te dringen, maar vooral om de lasten op het bedrijfsleven te verlichten. In Europa is de beroemdste uitwerking van deze logica het ‘redden’ van de banken geweest, waar enorme hoeveelheden private schulden zijn omgezet naar publieke lasten. Het idee was dat banken overeind moesten blijven om bedrijfsinvesteringen in stand te houden en uit te breiden. Sinds een paar maanden is in Nederland het idee van de ‘participatiemaatschappij’ naar voren geschoven om te rechtvaardigen dat publieke

diensten worden teruggeschakeld als gevolg van onder andere dit ingrijpen, maar vooral als onderdeel van een breder proces om nieuwe sectoren van de (Nederlandse) economie open te breken voor bedrijven om winsten te boeken. De hervormingen binnen de zorgsector is een prominent voorbeeld van dit proces. Voor bedrijven in Europa is het al jaren een probleem dat de productiekosten relatief hoog zijn in vergelijking met andere gebieden in de wereld. Via het drukken van loonkosten en belastingen, het overhevelen van schulden en het terugdringen van reguleringen wordt het voor bedrijven makkelijker om te investeren. Als dit genoeg gedaan wordt, kan de winstgevendheid voor bedrijven weer groot genoeg worden om groots te investeren: hun marktpositie kan namelijk sterker worden in vergelijking met hun concurrenten. Het probleem met deze aanpak is dat het particuliere consumptie verder in gevaar brengt, maar dit gevolg is, in ieder geval tijdelijk, te vermijden via het uitbreiden van kredietmogelijkheden voor burgers. Voorlopig is er geen gebrek aan arbeid, dus een dalende levensstandaard is vanuit economisch oogpunt op dit moment geen bezwaar. We zijn er tot nu toe vanuit gegaan dat een van de hoogste prioriteiten voor beleidsmakers is om de economische crisis is om deze op te lossen, maar dat is allerminst duidelijk. Binnen internationale machtspolitiek zijn leiders altijd bezig met de eigen nationale positie sterk te houden, en economische kracht is hiervoor bijzonder belangrijk. Crisis is niet per se een catastrofe, maar ook een kans, afhankelijk vanuit wiens perspectief je er naar kijkt. Economische crises zijn altijd geschikte momenten voor bedrijven en beleidsmakers om impopulair beleid in te voeren. Bezwaar kan dan makkelijker overstemd worden door de boodschap dat ‘het crisis is’ en we ‘allemaal in moeten leveren’. Crises zijn voor machtige mensen daarom vaak kansen. Het is niet helder óf bedrijfsleiders en beleidsmakers in onder andere Europa per se zo snel mogelijk uit deze

24


Volonté Générale 2014 - n°2

crisis willen komen. Wat voor hen namelijk als een paal boven water staat, is dat deze crisis bij uitstek een gelegenheid is om alvast het speelveld te veranderen om zo voor te bereiden op de concurrentiestrijd voor het komende decennium. Voor staten is het bijzonder belangrijk dat de bedrijven die zich binnen hun grenzen hebben gevestigd goed concurreren, want dit heeft op allerlei indirecte manieren invloed op de interne en externe stand van die staat.

maken in het mondiale economische systeem zullen we nooit echt ‘uit’ de crisis zijn. Hoogstens tussen twee crises in.  Matthias van Trigt (1989) is student Politicologie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen.

Altijd weer crisis De onprettige realiteit die we moeten accepteren, is dat als deze crisis voorbij gaat er op den duur weer een nieuwe zal komen.4 De mechanismen van de wereldeconomie zetten bedrijven steeds weer onder druk om te blijven groeien, meer te produceren, meer winsten te boeken en vroeger of later zal dat weer opnieuw verkeerd gaan. Keynesiaans conjunctuurbeleid heeft crisis niet weten af te houden en naarmate er meer vrije markt politiek wordt toegepast wordt duidelijk dat ook deze niet in staat is om economieën draaiende te houden. Crisis is een fundamenteel onderdeel van de gevestigde wereldeconomie en zolang bedrijven onderling blijven concurreren zullen we met economische crises te maken blijven krijgen. Als we een echte manier zoeken om permanent van economische crisis af te zijn moeten we wijzigingen aan gaan brengen in de fundamenten van het mondiale economische stelsel. Een wijziging die het gewenste effect zou hebben is bijvoorbeeld het afschaffen van onderlinge concurrentie tussen bedrijven en in plaats daarvan een systeem van samenwerking instellen. Als bedrijven bijvoorbeeld samen kunnen werken om aan de vraag van markten te voldoen, kunnen ze productie afstemmen op die vraag zonder zich zorgen te maken over machtsbelangen die hen stuwen om zoveel mogelijk marktaandeel te grijpen, ook als er niet genoeg markt meer is om te vullen. Wellicht dat zo’n wijziging andere negatieve gevolgen zou hebben, die vraag zal het onderwerp voor een ander artikel moeten zijn. Maar zolang we geen structurele wijziging

                                                                                                         

'Werkloze en werkzame beroepsbevolking per maand', CBS StatLine, online beschikbaar via: http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?VW=T&D M=SLNL&PA=80479NED&D1=10,12&D2=a&D3=0 &D4=(l-26)-l&HD=1405070007&HDR=T,G2,G1&STB=G3 (geraadpleegd op 29 april 2014). 2 'Bbp, productie en bestedingen; kwartalen, mutaties', CBS StatLine, online beschikbaar via: http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?VW=T&D M=SLNL&PA=81171NED&D1=1-3,8-13,1517&D2=0-1&D3=(l-11)-l&HD=1405070010&HDR=T&STB=G1,G2 (geraadpleegd op 29 april 2014). 3 D. Harvey, Limits to Capital (Londen 2007). 4 J. Choonara, Unravelling Capitalism: A Guide to Marxist Political Economy (Londen 2009). 1

25


Volonté Générale 2014 - n°2

Currency Swap between China and the EU: Causes, Impacts and Prospects Qiaolin Liu On 9 October 2013, the central banks of China and the European Union (EU) signed the bilateral currency swap agreement with a volume of 350 billion RMB (ren min bi, the Chinese currency), around 45 billion euros. From a historical perspective both China and the EU have signed many currency swap agreements with other countries, but this is the first time that the two largest economies in the world signed a currency swap agreement. Why did they sign the agreement? And what is the impact of the agreement on both China and the EU?

that the numbers of Hong Kong (China), South-Korea and Singapore are the cumulative ones of the currency swap contract and its renewals. Since 2010, China has become the world second largest economy ranking second after the United States (US). But if we take all the EU-countries together, the EU as a whole will surely surpass the US and China and become the largest economy in the world. If we look into the amount of Chinese currency swaps since 2008, this one with the EU is no doubt the largest.3

A brief introduction

Why now?

A currency swap agreement is an international financial derivative tool. It is an arrangement in which two parties exchange specific amounts of different currencies. Then series of interest payments on the initial cash flows are exchanged. At the maturity of the swap, the principal amounts and the interests are exchanged back.1 The 350 billion RMB/45 billion euros currency swap between the central banks of China and the EU will be valid for three years and is a big step forward to further cooperation and exchange. It has been established at the level of the euro system and will be available to all euro system counterparties through national central banks.2 For different reasons, the swap with the European Central Bank (ECB) is quite different from previous swaps. It can be seen as one with central banks of the member states; therefore it is not a bilateral, but a multilateral agreement. It also has greatly broadened the geographical view. China mostly signed currency swap agreements with Asian countries. Considering the degree of development, the previous partners are mostly developing countries. This time the currency swap agreement has only developed continental countries involved. Please note

Currency swap has long been used among countries. Especially during the global financial crisis, it has been widely applied. In 2013 it was the first time that China and the EU entered into a currency swap agreement. Why did it take it long? According to the ECB, ‘the swap arrangement has been established in the context of rapidly growing bilateral trade and investment between the euro area and China, as well as the need to ensure the stability of financial markets’.4 One of the shared factors between China and the EU is the development of bilateral trade and investment. Ever since 2003, China has become and maintained the second largest trade partner of the EU after the US. China is also the largest source of import of the EU. At the same time, the EU has remained China’s largest trade partner for almost nine years. The close trade and investment relationships between China and the EU have made it necessary to seek for solutions to reduce trade costs and avoid risks of exchange rate fluctuations. As a sort of monetary tool, currency swap offers a solution for these problems. The development of mutual trade and investment has therefore

26


Volonté Générale 2014 - n°2

provided the motivation for the move of currency swap. However, this motivation was not enough. To take the final step, some external factors were important. The liquidity shortage both in China and the EU may have played an important role. Liquidity means the ability to convert an asset to cash quickly. When the market doesn’t have enough money to buy assets or pay the debt, we say the market is faced with liquidity shortage. Although the global financial crisis has gradually faded out and the world economy has been in recovery, Europe has been haunted by the sovereign debt crisis ever since 2009 and is still slowly recovering. Of all the problems, shortage of liquidity is one of the key concerns. The sovereign debt crisis is just a result of shortage of liquidity. To deal with this, the European Financial Stability Facility (EFSF) and the European Financial Stability Mechanism (EFSM) are established to bail out the countries caught in the sovereign debt crisis by providing liquidity at the beginning of the crisis. Mid-2013, the European Stability Mechanism (ESM) has replaced these two temporary mechanisms to establish a permanent firewall for the Eurozone. It helps to safeguard and provide instant access to financial assistance programs for member states of the Eurozone in financial difficulty, with a maximum lending capacity of 500 billion euros. The ESM cooperates very closely with the International Monetary Fund (IMF). A euro area member state requesting financial assistance from the ESM is expected to address, wherever possible, a similar request to the IMF. 5 Until now, the shortage of liquidity is still a problem puzzling the EU. China has also been plagued by the shortage of liquidity during and after the global financial crisis. The crisis has caused global liquidity shortage and financial market participants’ confidence in financial system has suffered serious problems. As a result, the real economy (especially trade and investment) was seriously hit. Even after the crisis, in June 2013, China experienced a large wave of ‘lack of money’, which has caused great panic in the

financial market. In the first week of that month, many financing institution started to largely borrow money, which caused a liquidity shortage. On June 19th, the closing of the interbank market was delayed for half an hour, which has greatly shocked the financial market. The situation has deteriorated since then. On June 20th, the overnight bank loan interest rates surged to 30 percent, and that is the third time that it has come to such a high position ever since the end of 2010. The tightening monetary policy adopted by the People’s Bank of China (PBC) has made it worse. The ‘lack of money’, which is grown out of the bank system, has spread to the capital market. In the interest market, a rise in all sorts of interest rate terms has appeared. The bank system and the market in China faced the most severe problem of money shortage. This shortage problem lasted for about one month and ever since, the market has been haunted with the expectation of tight liquidity. Apart from the shared factors discussed above, most important is the promotion of the internationalization of China’s national currency. China has put it on the agenda for many years and steps have already been taken to realize this step. A currency swap agreement with another country is part of this process. The EU is the largest economy in the world and the euro is not just used as a transaction currency, but also as a reserve currency. Currency swap between the PBC and the ECB can greatly promote the progress of the internationalization of RMB since it gets some major developed continental countries such as Germany, France, Italy and The Netherlands involved. All together, these countries have a population of over 330 million people and a total GDP of 9483.5 billion euros (in 2012).6 The agreement with the central bank of the EU is just a matter of time. Due to the shortage of liquidity in October 2013, it was the right time. From the EU point of view, the agreement of currency swap between China and Britain in June with a volume of 200

27


Volonté Générale 2014 - n°2

billion RMB (20 billion pounds) may have promoted the signing of the agreement between the PBC and the ECB. The ECB, the Federal Reserve and the Bank of England are considered the three most influential banks in the world. Because Britain has not joined the Eurozone, in some areas, the ECB and the Bank of England are competitors. As we all know, the ECB is located in Frankfurt and the Bank of England is located in London. These two countries are in competition for becoming the RMB offshore center in Europe. The agreement of currency swap between China and the Britain in June can be seen as a step taken by Britain to establish its own RMB offshore center. However, this step has promoted the currency swap between the PBC and the ECB.

faced with great risks of default and the fluctuation of exchange rate, when the economy of the US goes downward. The outbreak of the subprime mortgage crisis and the global financial crisis caused by it can just indicate the great impact the US-economy has on the world. And in the crisis, the holders of the US treasury securities have experienced great losses. In fact, both China and the EU hold lots of the US treasury securities, before and after the crisis. In China’s case, the amount of foreign reserve was 3662.662 billion dollars in November, 2013, and according to the data from the US Department of Treasury, China possesses of 1293.8 billion dollars of the US national debt, which is about 35 percent of the total foreign reserve. 7 And it went up to 1304.5 billion dollars. China has remained the largest holder of the treasury securities ever since the 20082009 global financial crisis. In the EU’s case, eight countries of the Eurozone (Belgium, Luxembourg, Ireland, Germany, France, Netherlands, Italy, and Spain) possess of a total number of 799.6 billion dollars of the US treasury securities.8 Large amount of the US treasury securities means large risks and losses if the economy of the US goes downhill. And selling off large shares of the US treasury securities will just cause larger losses in the foreign reserve. Therefore, especially China has been in an awkward position. The currency swap can gradually help reduce the use of dollars in bilateral trade and in the foreign reserve and hence reduce the dependence on the dollar. This allows the euro to be used more frequently in bilateral trade and is beneficial to the improvement of the status of the euro as an international transaction currency and reserve currency. As for the RMB, the agreement with the ECB manifests the improvement of the RMB in the international monetary system, which is a big step forward in the progress of internationalization of the RMB.

Impacts of the currency swap As discussed above, the development of bilateral trade and investment has promoted the signing of the agreement. In return, the currency swap is beneficial to its development. Through currency swap, foreign liquidity can be pumped into the domestic financial system. Therefore, domestic firms can borrow foreign currencies to import goods. And this allows the export firms to receive payments for goods set by the domestic currency, which can help the firms to avoid the risks of exchange rate fluctuation and reduce foreign exchange costs. After signing the swap agreement, the firms both in China and the EU can swap substantial benefits. The trade and investments between China and the EU will become more active and the bilateral economic relationship will be even better. Closer economic relation can pave the way for further cooperation in other areas. The currency swap also indicates potential reduction in the use of dollars in trade for both sides. The currency swap allows to use both the RMB and euro in bilateral trade, which will make both China and the EU less dependent on the US-dollar. As the USdollar is the most widely used currency in the world and lots of debts and assets are dollardominated, the holders of these assets are

Further discussions Beneficial as it is, we should notice that the volume of currency swap is still not large 28


Volonté Générale 2014 - n°2

compared to the bilateral trade volume. In 2012, the volume of bilateral trade between China and the EU was around 330 billion euros. And the 45 billion euros just took up about 13.64 percent of the total trade flow. Compared to previous currency swaps between China and other countries, this is not high: the currency swap between China and South-Korea takes up about 23 percent of the total bilateral trade volume. Therefore, this round of currency swap between China and the EU may be seen as a trial. There is space for further cooperation. The RMB has just started it progress for internationalizing. It is not yet a reserve currency. The active demand for the RMB is mostly based on the expectation of the appreciation of the RMB. In short, a lot needs to change in order to prepare for further cooperation. The internationalization of the RMB calls for deeper reform of the domestic financial market and there are many restraints. In the short run, the status of the RMB and the euro in the international monetary system will remain unchanged and it will take a long time to weaken the hegemony position of the US dollar. Therefore, the instant impact is majorly on the bilateral relationship between China and the EU. In the future, there should be a complementary relationship between the RMB and the euro. Seeking for win-win cooperation should be the common goal. 

                                                                                                         

‘Currency swap’, China Daily (October 16 2006) available online via: http://www.chinadaily.com.cn/ business/2006-10/18/content_710951.htm (last time consulted on May 26 2014). 2 ‘ECB, ECB and the People’s Bank of China establish a bilateral currency swap agreement’, Press Release European Central Bank (October 10 2013) available online via: http://www.ecb.europa.eu/press/pr/date/2013/html/pr 131010.en.html (last time consulted on May 26 2014). 3 Website The People’s Bank of China, available online via: http://www.pbc.gov.cn/ (last time consulted on May 26 2014). 4 Ibid. 5‘About us’, European Stability Mechanism, available online via: http://www.esm.europa.eu/about/index.htm (last time consulted on May 26 2014). 6 Website Eurostat, available online via: http://epp.eurostat.ec.europa.eu/ (last time consulted on May 26 2014). 7 Available on the website of the State Administration of Foreign Exchange of China: http://www.safe.gov.cn/ (last consulted on May 26 2014). 8 Available on the website of the US Department of the Treasury, Major Foreign Holders of Treasury Securities: http://www.treasury.gov/resource-center/data-chartcenter/tic/Documents/mfh.txt (last time consulted on May 26 2014). 1

Qiaolin Liu (1990) is pursuing a master degree in Economics at the Fudan University in Shanghai, China.

29


Volonté Générale 2014 - n°2

Etnische ongelijkheid in gezondheid Niels Blom De geestelijke en fysieke gezondheid van mensen verschillen enorm in Europa: in het oosten is men doorgaans ongezonder dan in het westen. Ook verschilt gezondheid naar sociaaleconomische status: mensen met een hogere opleiding en een hoger inkomen zijn gezonder dan mensen met een lagere opleiding en inkomen. Echter, een veelal vergeten groep in zowel wetenschappelijk onderzoek als beleid, zijn de verschillen in gezondheid tussen etnische minderheden en de autochtone bevolking. Etnische minderheden voelen zich over het algemeen minder gezond dan de etnische meerderheid van een land. De minderheden voelen zich bijvoorbeeld vaker beperkt in hun leven door ziekte of door hun psychisch welzijn en ze hebben een lagere waardering voor hun gezondheid dan autochtonen. Naast deze subjectieve metingen blijkt dat er ook objectief waargenomen verschillen zijn in gezondheid: zo komen diabetes, hart- en vaatziekten (nog!) vaker voor bij allochtonen dan bij autochtonen. Migranten vertonen vaker symptomen van depressie, wat zich onder andere vertaalt in een oververtegenwoordiging van migranten in zelfmoordstatistieken. Dit is slechts een kleine opsomming van de achtergestelde positie van etnische minderheden in Europa op het gebied van gezondheid. Er zijn daarnaast ook verschillen op het gebied van verslavingen, psychische aandoeningen en (niet-) overdraagbare ziekten. Deze ongelijkheid in gezondheid tussen allochtonen en autochtonen verschilt echter sterk naar etnische herkomst en naar type ziekte. Sommige vormen van kanker komen voornamelijk voor bij mensen uit het Middellandse Zeegebied, terwijl andere vormen van kanker vrijwel niet aanwezig zijn binnen deze groep. Ook hangt gezondheid gerelateerd gedrag vaak samen met etnische herkomst. Zo zijn de eetgewoontes van mensen uit de Mediterrane landen vaak gezonder door de verminderde consumptie

van zuivel producten en roodvlees, en meer gebruik van olijfolie in plaats van boter. Ook is tabak- en alcoholgebruik sterk etnisch afhankelijk, waarbij mensen uit islamitische landen minder alcohol consumeren dan anderen, maar vooral mannen meer roken. Desalniettemin is het in Europa met de gezondheid van allochtonen, in vergelijking met die van autochtonen, relatief slecht gesteld. Verschillen in gezondheid hebben consequenties. Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat etnische verschillen in gezondheid de Amerikaanse economie jaarlijks 309 miljard dollar kosten door onder andere misgelopen arbeidsproductie en verhoogde ziektekosten door een slechte of late diagnose.1 Hoewel de kosten van etnische gezondheidsongelijkheden in Europa met die van Amerika zullen verschillen, is het aannemelijk dat ook de Europese economie ernstig geschaad wordt door de ongelijkheid. Echter, er is niet alleen een pragmatisch, economisch punt om deze verschillen te verkleinen, ze lijken ook een schending zijn van een de grondbeginselen van de Wereldgezondheidsorganisatie. Deze organisatie stelt dat: The enjoyment of the highest attainable standard of health is one of the fundamental rights of every human being without distinction of race, religion, political belief, economic or social condition.2

De systematische achterstand van een bepaalde groep in Europese samenlevingen is dus in strijd met dit beginsel.

Verklaringen voor etnische gezondheidsverschillen De vraag is waar deze verschillen in gezondheid vandaan komen. In de academische literatuur wordt een aantal individuele verklaringen als meest belangrijk genoemd, namelijk de lagere 30


Volonté Générale 2014 - n°2

sociaaleconomische status, discriminatie en acculturatie. Onderzoek heeft aangetoond dat etnische minderheden over het algemeen een lagere sociaaleconomische status hebben dan de autochtone bevolking. Ze beschikken over een lager opleidingsniveau, minder inkomen en hebben een lagere arbeidsparticipatie. Deze factoren zijn positief gerelateerd aan de gezondheid van mensen: een opleiding en inkomen zorgen voor meer aandacht voor gezondere levensstijlen, verbeterde kennis en toegang tot de gezondheidszorg. Ook genereert het een gevoel van controle over iemands leven en gaat het gevoelens van ‘relatieve economische deprivatie’, oftewel, het gevoel dat je het qua inkomen veel slechter hebt dan anderen. Een hoger inkomen biedt tevens opties voor recreatieve activiteiten en het verminderen van aan inkomen gerelateerde stress. Etnische minderheden hebben vaak een slechtere sociaaleconomische positie, maar worden ook vaker gediscrimineerd dan de autochtone bevolking. Hierbij gaat het niet slechts over discriminatie op basis van etniciteit, maar ook over discriminatie op basis van taal, nationaliteit, huidskleur en religie. Het ervaren van discriminatie zorgt voor stress en leidt zodoende tot een verhoogde bloeddruk waardoor de fysieke gezondheid wordt beschadigd. Daarnaast kan discriminatie indirect leiden tot een slechtere gezondheid doordat etnische minderheden minder snel aangenomen worden voor een baan, wat weer een lagere sociaaleconomische status kan veroorzaken. De laatste individuele verklaring voor etnische gezondheidsverschillen die hier wordt besproken gaat over acculturatie. Acculturatie is het proces waarbij mensen de houdingen, waarden en gewoonten overnemen van een andere cultuur met welke zij in contact komen. Hierdoor veranderen eetpatronen en leefstijlen. Echter, deze acculturatie gaat vaak gepaard met psychologische en sociale problemen, waaronder alcoholen drugsmisbruik en een toenemende onzekerheid door veranderende gewoonten en stress. Doordat etnische minderheden vaak in

contact komen met de autochtone bevolking, zou dit dus mogelijk hun slechtere gezondheid deels kunnen verklaren.

De rol van instituties Behalve individuele verklaringen zijn er mogelijk ook institutionele verklaringen voor gezondheidsverschillen tussen etnische minderheden en de autochtone bevolking. In dit artikel zal ik drie institutionele factoren bespreken, namelijk de rol van de welvaartsstaat, immigratiewetgeving en zorgstelsels. Ten eerste verschillen Europese landen in de (mate van) sociale voorzieningen die geboden worden en in hoeverre ze gelijkheid benadrukken (zie ook de welbekende typologie van Esping-Andersen). Voornamelijk Scandinavische landen omarmen egalitarisme en universalisme, wat zou leiden tot beleid gericht op het terugdringen van gezondheidsongelijkheden tussen verschillende groepen. Hierdoor zou je verwachten dat beleid niet enkel zou trachten verschillen tussen sociaaleconomische klassen, maar ook tussen mensen van verschillende etnische herkomst te verminderen. Hiermee impliceert het universalistische karakter van de Scandinavische welvaartsstaten dat etnische minderheden snel worden opgenomen in de maatschappij en het welvaartssysteem. Onderzoek wijst echter (meestal) uit dat sociaaleconomische verschillen in gezondheid juist in Scandinavische landen betrekkelijk groot zijn. Tevens maken veel egalitaire landen vaak onderscheid tussen de ingroup en de outgroup, waarbij de ingroup wel recht heeft op sociale voorzieningen en de outgroup niet. De outgroup bestaat vaak uit immigranten, een groot deel van de etnische minderheidspopulatie. De verslechterde toegang tot sociale voorzieningen zou kunnen leiden tot gezondheidsverschillen tussen etnische groepen. Verder doen etnische minderheden het relatief slecht in landen die egalitarisme omarmen; ze zijn vaker werkloos, hebben een lager inkomen en integreren minder dan in minder egalitaire landen. Volgens Ruud Koopmans komt dit doordat in egalitaire landen, etnische minderheden 31


Volonté Générale 2014 - n°2

kunnen leven van de geboden sociale voorzieningen, terwijl minimale sociale voorzieningen migranten juist zouden dwingen tot het leren van de lokale taal en cultuur om uiteindelijk geld te verdienen. Een andere institutionele factor is het migratiesysteem. Ook al wordt soms verondersteld dat immigratiewetgeving voortkomt uit het welvaartssysteem, zijn er grote verschillen. Zo hebben Zweden en Denemarken een vergelijkbaar welvaartsysteem waarin de principes van egalitarisme en universalisme worden omarmd. Echter, Denemarken heeft een van de strengste migratiewetgevingen van Europa, terwijl Zweden juist een van de meeste mildste migratiewetgevingen heeft. Deze migratiesystemen beïnvloeden de gezondheid van immigranten door hen al dan niet te laten integreren in de maatschappij: door opname in de maatschappij zijn migranten in staat hun inkomen te verhogen en hebben ze betere toegang tot de gezondheidszorg. Daarnaast zorgen striktere migratieprocedures ervoor dat migranten vaker opgesloten worden tijdens de asielprocedures en dat deze procedures (nog) langer duren. Beide ervaringen blijken de kans op verscheidene psychiatrische stoornissen te vergroten. Niet alleen de migratieprocedures kunnen effect hebben op de gezondheid van etnische minderheden, ook de algemene opinie over etnische minderheden kan hun gezondheid beïnvloeden. De houdingen beïnvloeden sociale wetgeving, onder andere integratie van migranten in de verzorgingsstaat en hun recht op gezondheidszorg. Behalve deze geïnstitutionaliseerde vormen van uitsluiting, kunnen negatieve houdingen over migranten de onveiligheidsgevoelens en ervaren discriminatie van etnische minderheden beïnvloeden door negatieve uitlatingen over migranten in het publieke discours. Al deze genoemde factoren kunnen de (mentale) gezondheid van eerste en tweede generatie migranten schaden door het verhogen van stress, angst en onzekerheid. Behalve de rol van de welvaarts- en migratiesystemen, is ongetwijfeld ook het

gezondheidszorgstelsel van invloed op etnische verschillen in gezondheid. Gezondheidszorgsystemen zijn gerelateerd aan Esping-Andersen’s 3 welvaartsstaten typologie, maar er kunnen ook belangrijke verschillen bestaan tussen het gezondheidszorgstelsel en het welvaartsstelsel in een land. Zo wordt de gezondheidszorg in het Verenigd Koninkrijk gekenmerkt door een groot aandeel van de publieke financiering, terwijl de verzorgingsstaat wordt gekenmerkt door een beperkte staatsinterventie. Hoewel gezondheidszorgsystemen een belangrijk deel van de welvaartsstaat zijn en door de welvaartsstaat worden beïnvloed, spelen ook andere factoren een rol. Gezondheidszorgsystemen beïnvloeden etnische ongelijkheid in gezondheid. Een gebrek aan middelen voor vertalers, tijdsdruk van artsen, financiering van de gezondheidszorg en geografische beschikbaarheid van zorginstellingen hebben een andere invloed op de gezondheid van etnische minderheden dan die van de etnische meerderheid. Naast algemene typologieën, is een meer specifiek kenmerk van de gezondheidszorgsystemen van invloed: het gezondheidsbeleid. Dit beleid vloeit voort uit de combinatie van het gezondheidszorgstelsel van een land, de welvaartsstaat en, in het geval van immigranten, het migratie systeem. In veel landen is het beleid gericht op het verkleinen van gezondheidsverschillen tussen sociaaleconomische groepen. Dit beleid kan leiden tot verschillen in de gezondheid van etnische minderheden en etnische meerderheden; als gevolg van taalbarrières en informatie deprivatie, kunnen etnische minderheden mogelijk in mindere mate profiteren. Een kleinschalig onderzoek in de Verenigde Staten toonde aan dat etnische minderheden de gezondheidszorg negatiever beoordelen dan de autochtone bevolking. Dit suggereert dat het gezondheidsbeleid verschillende uitkomsten heeft voor verschillende etnische groepen.

32


Volonté Générale 2014 - n°2

Conclusie De besproken gezondheidsverschillen tussen etnische groepen worden in verscheidene Europese landen erkend en er is beleid geïmplementeerd om deze kloof te verkleinen. Uit onderzoek in vijfentwintig Europese landen bleek dat elf van deze landen dit type beleid heeft ingevoerd. 4 Dit beleid moet, onder andere, de toegang tot gezondheidszorg en de coördinatie van diensten verbeteren. Verder biedt dit beleid vaak tolken en worden medewerkers getraind in culturele sensitiviteit. Migranten ervaren namelijk vaak problemen in de gezondheidszorg door deze taalbarrières. Daarnaast kan het soms gebrekkige inlevingsvermogen van personeel in de gezondheidszorg zorgen voor conflicten. Voornamelijk Nederland en Engeland hebben een lange traditie in het beleid om de gezondheid van etnische minderheden te verbeteren. Er is momenteel meer aandacht voor verschillen in gezondheid tussen allochtonen en autochtonen dan vroeger, wat mensen hoopvol kan stemmen voor de uiteindelijke uitroeiing van deze levens beïnvloedende vorm van ongelijkheid. 

                                                                                                         

Literatuur − J. Lindert, Schouler-Ocak, M., Heinz, A., en Priebe, S., ‘Mental health, health care utilisation of migrants in Europe’, European Psychiatry 23 (2008) 14-20. − S.S. Nielsen en A. Krasnik, ‘Poorer self-perceived health among migrants and ethnic minorities versus the majority population in Europe: A systematic review’, International Journal of Public Health 55 (2010) 357-371. − World Health Organization, How health systems can address health inequities linked to migration and ethnicity (Kopenhagen 2010).

Niels Blom (1991) volgt de Research Master Social Cultural Science aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Noten 1 T.A. LaVeist, D.J. Gaskin, en P. Richard, The economic burden of health inequalities in the United States (Washington, DC 2009). 2 World Health Organization, Constitution of the World Health Organization (1946), beschikbaar via: http://www.who.int/governance/eb/who_constitution_en.pdf (geraadpleegd op 20 mei 2014). 3 G. Esping-Andersen, The three worlds of welfare capitalism (Princeton 1990). 4 P. Mladovsky, ‘Migrant health policies in Europe’, in: B. Rechel, P. Mladovsky, W. Devillé, B. Rijks, R. PetrovaBenedict en M. McKee (red.), Migration and health in the European Union (Maidenhead 2011) 185-201.

33


Volonté Générale 2014 - n°2

Inzetten op een divers sociaal netwerk Sjoerd de Koning Het is nu meer dan een half jaar geleden dat onze koning zijn eerste troonrede uitsprak. Het volk werd medegedeeld dat we van een klassieke verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving gaan. De koning achtte ons – de mens in de huidige informatiesamenleving – ‘mondiger en zelfstandiger dan vroeger’. In prachtige volzinnen werd uitgelegd hoe de noodzaak om financiële tekorten terug te dringen leidt tot de afbouw van de verzorgingsstaat en een oproep tot meer zelfredzaamheid van de burger. De term participatiesamenleving die vanuit de regering – via de mond van de koning – werd geïntroduceerd kreeg veel aandacht en werd uitgeroepen tot Woord van het Jaar 2013. Tevens kwam het op veel kritiek te staan. Vele zagen de participatiesamenleving als een verkapte bezuinigingsmaatregel. Het inzetten op een samenleving waarin eenieder op zijn eigen netwerk moet vertrouwen leidde tot onrust. Het werd gezien als een dekmantel die de uitkleding van de verzorgingsstaat moest verhullen. In dit artikel wordt de participatiesamenleving op het gebied van zorg en sociale zekerheid onder de loep genomen. Dit wordt gedaan vanuit het perspectief van de sociologische literatuur omtrent sociaal kapitaal. Daarna worden aanbevelingen gedaan voor een soepele transitie naar een maatschappij waarin de burger meer zelfvoorzienend is.

individuele verantwoordelijkheid. Sociaaldemocraten zullen vooral het participeren benadrukken en uitkijken naar een samenleving waarin eenieder kan meedoen, ook wanneer er sprake is van hulpbehoevendheid. De christendemocraten zullen de charme inzien van de roep om naastenliefde en gemeenschapszin. Ergo, zolang de werkelijke invulling van de term participatiesamenleving vaag blijft, is het voor meerdere partijen en ideologieën een mogelijke oplossing voor de stijgende kosten van de verzorgingsstaat.1 Om een einde aan de ambiguïteit te maken, vroeg Arie Slob eind november vorig jaar aan de minister-president om de term uiteen te zetten. Begin april jongstleden kwam het antwoord in een brief aan de kamer. In krap drie A4’tjes zet premier Mark Rutte (2014) zijn idee voor een participatiesamenleving uiteen. Ten eerste wordt de aandacht gericht op meerdere maatschappelijke trends: Nederland bereikt een steeds hoger opleidingsniveau, burgers hebben meer communicatiemogelijkheden en maatschappelijke initiatieven – die (deels) kerntaken van de overheid overnemen – zijn in opkomst. Deze ontwikkelingen worden de hemel in geprezen en moeten het antwoord gaan bieden op een terugtredende overheid. Burgers zullen zelfredzaam zijn en hun eigen netwerk inzetten om zichzelf en anderen te helpen. Een voorbeeld uit het stuk betreft een zieke, oudere vrouw die verzorgd wordt door buurtbewoners via een WhatsApp-groepje. Actieve, zelfredzame, verbonden burgers zijn volgens Rutte de uitweg van een dure verzorgingsstaat naar een werkende participatiesamenleving. Deze visie staat haaks op de klassieke verzorgingsstaat, waarin zorg een taak is van de overheid waar iedere Nederlandse burger aanspraak op kan maken. Het welzijn van burgers wordt door de staat gegarandeerd en verzorging dient aangeboden te worden door professionals. In de participatiesamenleving horen burgers echter

Zelfredzame burgers en een terugtredende overheid Ondanks alle ophef over de participatiesamenleving is de inhoud van de term abstract en ongedefinieerd gebleven. Tijdens zijn Wibautlezing in 2013 merkte bijzonder hoogleraar Kim Putters terecht op dat de term in theorie kan appelleren aan vrijwel elke politieke ideologie: de invulling van de term hangt af van eenieders interpretatie. Voor de liberalen refereert het idee aan de eigen kracht van het individu en de 34


Volonté Générale 2014 - n°2

voor zichzelf en elkaar te zorgen en de overheid hoort slechts in te springen als laatste redmiddel. Bovendien wordt de professionele verzorging (deels) vervangen door de vrijwillige inzet van burgers (bijvoorbeeld door buren die de thuishulp vervangen). De mate van zorg en sociale zekerheid zal in de participatiesamenleving meer gaan berusten op het sociale netwerk van het individu. Het tweede aandachtspunt in de brief aan de kamer is de opmerking dat overheidsbeleid soms (onbedoeld) maatschappelijke initiatieven in de kiem smoort of verdringt. De ‘klassieke hiërarchische verhoudingen’ leiden tot beleid dat maatschappelijk initiatief verdringt. De premier ziet graag dat de ruimte wordt geboden aan kracht van de burger en ziet de overheid graag haar bijdrage aan maatschappelijke voorzieningen verminderen. In de participatiesamenleving zal de burger volop gebruik maken van de hiaten die de overheid laat vallen in de zorg en het sociale welzijn. Hier wordt wederom uitgegaan van de zelfredzame burger die met haar netwerk de verminderde zorg vanuit de overheid kan compenseren. Een aanname in deze visie is dat de sociale structuur en het netwerk van burgers de gaten van een terugtredende overheid voldoende opvangen.2

dat individuen met een groot sociaal kapitaal een welvarendere levensloop (bijvoorbeeld een hogere opleiding of hoger salaris) hebben dan individuen die dit niet hebben. De ongelijkheid in sociaal kapitaal tussen individuen is verbonden met de ongelijkheid in welzijn tussen individuen. 4 De literatuur over sociaal kapitaal bouwt voort op de klassieke theorie over kapitaal van Karl Marx, maar vervangt het klassenperspectief door een actorperspectief: waar Marx ongelijkheid in kapitaal beschrijft tussen klassen,5 beschrijft de sociaal kapitaaltheorie ongelijkheid tussen individuen. Door de huidige geïndividualiseerde samenleving is het belangrijker geworden om ongelijkheid vanuit het individu te benaderen. 6 Deze actorbenadering is bruikbaarder om ongelijkheid binnen de huidige netwerksamenleving beter te begrijpen. 7 De verzorgingsstaat heeft als een van haar uitgangspunten dat de burger altijd aanspraak moet kunnen maken op zorg en (sociaal) welzijn vanuit de staat. In het nieuwe wensbeeld van de participatiesamenleving zal deze zekerheid grotendeels wegvallen en komen te berusten op het sociale kapitaal van de burger. Wanneer een burger zorg- of hulpbehoevend is moet hij eerst zijn eigen netwerk inzetten om zorg of hulp te krijgen. Deze omschakeling heeft ten gevolge dat de ongelijkheid in sociaal kapitaal tussen individuen in meerdere mate wordt omgezet in ongelijkheid in sociale zekerheid en zorg tussen individuen. Mensen met weinig sociaal kapitaal zullen minder mogelijkheden hebben om hun netwerk te gebruiken om zorg en welzijn te vergaren dan mensen met veel sociaal kapitaal. Om deze ongelijkheid zichtbaar te maken volgen hier een aantal voorbeelden van groepen individuen die negatieve effecten zullen ondervinden. De ontwikkeling van de communicatiesamenleving is zo rap gegaan dat de meeste ouderen in de samenleving niet toegerust zijn met de juiste vaardigheden om de huidige communicatiemiddelen te gebruiken. Ouderen in bejaardentehuizen zullen niet kunnen terugvallen op een WhatsApp- of Facebookgroep om hun

Sociaal kapitaal en ongelijkheid in zorg en welzijn Sociale netwerken van individuen zijn veelvuldig bestudeerd in de sociologische literatuur. In de afgelopen decennia is een aanzienlijke literatuur opgebouwd over de uitwerking van sociaal kapitaal op de levensloop en het welzijn van individuen. Het begrip sociaal kapitaal kent vele vormen, maar kan alomvattend gedefinieerd worden als de mogelijkheid om voordelen te halen uit het lid zijn van een sociaal netwerk of sociale structuur. Het lid zijn van dit netwerk of structuur kan simpelweg voortkomen uit het behoren tot een gegoede familie, maar kan ook verkregen worden door normen en waarden te hebben of te vergaren die toegang bieden tot netwerken.3 De literatuur wijst erop 35


Volonté Générale 2014 - n°2

netwerk in te schakelen en zijn afhankelijk van professionele verzorging. Ook immigranten zullen meer problemen krijgen met het vergaren van hulp en zorg via hun sociale netwerk. Mensen die recentelijk zijn neergestreken in een land hebben over het algemeen niet meteen een sociale structuur waarop zij kunnen terugvallen. Daarom zijn zij afhankelijk zijn van een zorgende overheid of een ander instituut dat kan helpen. Geestelijk en lichamelijk beperkten zijn in de huidige samenleving afhankelijk van familie en een bijspringende overheid. In een samenleving waar de zorg voor hen (deels) geregeld moet worden door vrijwilligers in plaats van professionals zal de druk op kapitaalarme families met geestelijk of lichamelijk beperkten toenemen. Families die economisch kapitaalkrachtig zijn, zullen hulp inkopen. De families met een groot sociaal kapitaal zullen hun netwerk inschakelen om antwoorden te vinden. Echter, families met zowel weinig sociaal als financieel kapitaal zullen voornamelijk de negatieve effecten ondervinden. De verschuiving van een verzorgingsstaat naar een participatiesamenleving zal leiden tot ongelijkheid op het gebied van zorg en welzijn. Deze differentiatie zal voornamelijk slecht uitpakken voor zwakkere groepen individuen in de samenleving. Individuen zonder een divers netwerk en/of mogelijkheden tot het aanschaffen van betaalde hulp zullen bij een terugtredende overheid zwaar belast worden. De verzorgingsstaat is juist opgezet om het welzijn van burgers te garanderen, ongeacht hun toegang tot kapitaal. Ondanks alle mooie woorden omtrent de actieve, communicatief sterke burger zullen er voor de sociaal zwakkeren vangnetten moeten blijven zoals we die kennen in onze klassieke verzorgingsstaat. Maar er moeten toch andere manieren zijn waarop burgers meer verantwoordelijkheid kunnen nemen voor hun omgeving en meer mogelijkheden krijgen om zelf hulp en zorg te regelen, zonder dat de kapitaal arme burgers hieronder leiden?

Diverse sociale structuren verantwoordelijkheden

en

nieuwe

Om daadwerkelijk te komen tot een samenleving waarin eenieder voor zichzelf en anderen kan en wil zorgen moet alle individuen toegang hebben tot een divers sociaal netwerk. Het gaat om de optimalisering van toegang tot diverse netwerken voor ieder individu. De opmerking van premier Rutte dat er meer communicatiemogelijkheden zijn, heeft weinig van doen met de mate waarin individuen toegang hebben tot diverse netwerken. In een samenleving waar lager opgeleiden voornamelijk contacten onderhouden met andere lager opgeleiden (en hoger opgeleiden met hoger opgeleiden) is de toegang tot diverse netwerken laag. Van oudsher troffen verschillende lagen van de bevolking elkaar binnen de zuilen. Deze zuilen liggen inmiddels ver achter ons en de segregatie tussen hoger en lager opgeleiden lijkt een nieuwe scheidslijn te zijn voor onze samenleving. Om toegang tot diverse netwerken te creëren voor iedere burger, zullen maatschappelijke initiatieven binnen (nieuwe) sociale domeinen verder ontwikkeld moeten worden. Reeds bestaande domeinen die de mogelijkheid bieden voor diverse sociale structuren zijn vaak aanwezig op buurtniveau. Te noemen zijn: sportclubs en sportfaciliteiten, voedselvoorziening, (basis)scholen, groenvoorziening, buurthuizen en (verkeers)veiligheid. Vaak worden deze voorzieningen voornamelijk geregeld door de overheid en dragen burgers geen verantwoordelijkheid voor hun directe omgeving. Door de burger meer inspraak en uitvoerrecht te geven, komt er meer ruimte voor burgerinitiatief en verantwoordelijkheid. Hierbij dient opgemerkt te worden dat burgerinitiatief daadwerkelijk vanuit de burger moet komen. Het overnemen van gemeentelijke taken moet niet opgedrongen worden aan de burger. Voedselvoorziening is bij uitstek een goede optie om buurtbewoners te binden. Braakliggende grond moet makkelijker vrijgegeven worden door de gemeente om plaats te maken voor (tijdelijke) 36


Volonté Générale 2014 - n°2

buurtmoestuinen. Voedsel is een basisbehoefte en bindt mensen van verschillende achtergronden. Door dit soort buurtinitiatieven te ondersteunen kan een sociale structuur ontstaan die meerdere mensen de toegang biedt tot een divers netwerk. Daarmee draagt het bij aan een transitie naar een samenleving waarin burgers meer verantwoordelijkheid kunnen nemen voor hun omgeving en de mogelijkheid krijgen om hulp en zorg meer via hun eigen netwerk te regelen. Het opbouwen van sociale structuren waarin burgers de mogelijkheid hebben tot meer zelfvoorzienendheid kost tijd. Het roekeloos wegbezuinigen van overheidszorg zal niet betekenen dat er meteen nieuwe initiatieven ontstaan die de kerntaken van de overheid overnemen. Premier Rutte constateert correct dat er meer maatschappelijke initiatieven ontstaan omtrent zorg, maar dit betekent niet dat de overheid daarom kan stoppen met zorgen. Het zijn voornamelijk de ‘sterken’ die zichzelf organiseren. Ook het wijzen op de toegenomen verbondenheid via sociale media geeft geen reden tot terugtrekking van de overheid. Het toenemende gebruik van internet is een goede start naar meer verbondenheid, maar WhatsApp en Facebook zijn slechts hulpmiddelen om mensen te verbinden. Achter elke virtuele verbinding schuilt een empathische verbinding in de echte wereld. Mensen zorgen voor elkaar uit een gevoel van empathie. Om een oude, zieke buurvrouw te helpen kan een WhatsAppgroepje met de buurt heel handig zijn, maar de empathie om elkaar te helpen komt niet voort uit dat groepje. Bovendien starten maatschappelijke initiatieven niet met meer (virtuele) verbondenheid, maar met initiatief en een gedeelde noodzaak. Dit initiatief kan niet van bovenaf opgelegd worden, maar kan wel gefaciliteerd en aangewakkerd worden. Deze initiatieven ontstaan onder andere door burgers te betrekken bij zaken die hen direct aangaan. Vanuit gemeentes moet meer initiatief getoond worden om medezeggenschap en verantwoordelijkheden

over te dragen aan burgers. Grootschalige voorzieningen zoals de ouderenzorg of het onderwijs lijken momenteel ongeschikt en potentieel desastreus om over te dragen. Maar door te beginnen met kleinere projecten kan een begin gemaakt worden dat kan uitgroeien tot een sterke, diverse sociale structuur. Het gaat erom een samenleving te creëren waarin de toegang tot diverse sociale netwerken voor elk individu geoptimaliseerd wordt, teneinde het voor elk individu mogelijk te maken zelf zorg en sociaal welzijn te verschaffen en te ontvangen.  Sjoerd de Koning (1991) is masterstudent Human Geography aan de Radboud Universiteit en houdt zich bezig met duurzame transitie.

                                                                                                         

K. Putters, De Verzorgingsstad. Tussen verzorgingsstaat en participatiesamenleving. Vijftiende Wibautlezig (23 november 2013), online beschikbaar via: http://degemeente.nl/sites/degemeente.nl/files/files/wib autl2013_def_web.pdf (geraadpleegd op 15 mei 2014). 2 M. Rutte, ‘Brief van de Minister-President over de participatiesamenleving n.a.v. het verzoek van de heer Slob’ (7 april 2014), online beschikbaar via: http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/az/documentenen-publicaties/kamerstukken/2014/04/07/brief-van-deminister-president-over-de-participatiesamenleving-n-a-vhet-vezoek-van-de-heer-slob.html (geraadpleegd op 23 mei 2014). 3 P. Bourdieu, ‘Le Capital Social: Notes Provisoires’, Actes de la Recherche en Sciences Sociales 3 (1980) 2-3; J.S. Coleman, ‘Social Capital in the Creation of Human Capital’, in: E.L. Lesser (ed.), Knowledge and Social Capital (New York 2000) 17-42; A. Portes, ‘Social Capital: Its Origins and Applications in Modern Sociology’, Annual Review of Sociology 22 (1998) 1-24. 4 I. Kwachi et al., ‘Social capital, income inequality, and mortality’, American Journal of Public Health 87 (1997) 14911498; Coleman, ‘Social Capital in the Creation of Human Capital’. 5 K. Marx, Capital: A New Abridgement. (1867; Oxford 1995). 6 N. Lin, ‘Inequality in Social Capital’, Contemporary Sociology 29 (2000) 785-795. 7 A. Portes, ‘The Two Meanings of Social Capital’, Sociological Forum 15 (2000) 3. 1

37


Volonté Générale 2014 - n°2

Waar de Europese verkiezingen niet over gingen Bart Linssen Onlangs waren er in heel Europa verkiezingen voor het Europees Parlement. Met frisse tegenzin zijn de politiek activisten van alle partijen weer de straten, stations en universiteiten op gegaan om campagne te voeren, waarbij zij eveneens met frisse tegenzin werden aangehoord. Want laten we beginnen met vaststellen dat Nederland er geen zin in had. De tv-debatten werden slecht bekeken en opnieuw lag de opkomst van de Europese verkiezingen rond de 37 procent; tweederde van het electoraat bleef thuis. Dit artikel gaat over de zaken waar de Europese verkiezingen niet over gingen. Hiermee worden niet die zaken bedoeld die tijdens de campagne meer aandacht hadden verdiend. Waar het om gaat zijn die onderwerpen die juist wél veel media-aandacht hebben gekregen, maar waarvan het (al dan niet compleet) onduidelijk is hoe zij zich verhouden tot het samenstellen van of het politieke werk in het Europees Parlement. Gaan deze verkiezingen nou echt over wie de president van de Europese Unie (EU) gaat worden? Leidt de uitslag van deze verkiezingen tot een fundamentele debat in het Europees Parlement over meer, minder, geen of een andere EU? En gaat het Europees Parlement de euro redden of afschaffen? Voor al deze zaken is de conclusie: waarschijnlijk niet. Dit roept de vraag op wat de Europese verkiezingen precies zijn, als veel van de belangrijke onderwerpen waar tijdens de campagne over wordt gedebatteerd, los staan van het werk van de gekozenen. Daarom wordt in het slot van dit artikel gereflecteerd op zowel de rol van het Europees Parlement ten opzichte van de nationale parlementen, als ook de verschillen tussen nationale en Europese verkiezingen.

Europa, met een krachtig Europees Parlement en een machtige Europese regering. Aan het hoofd van deze gedroomde constellatie moet een heuse president van de EU staan. Volgens velen is in het Verdrag van Lissabon, beter bekend als de tweede versie van het Europees Grondwettelijk Verdrag, vastgelegd dat deze president – in feite de voorzitter van de Europese Commissie – door het Europees Parlement wordt gekozen. Om deze reden vinden zij dat de presidentsverkiezing een belangrijke rol moet spelen bij de verkiezingen voor het Europees Parlement. Maar het verdrag is minder duidelijk dan wordt gesteld. In het verdrag staat het volgende: Artikel 14: 1. Het [Europees Parlement; BL] kiest de voorzitter van de Commissie.

Duidelijk toch? Niet helemaal: Artikel 17: 7. Rekening houdend met de verkiezingen voor het Europees Parlement en na passende raadplegingen, draagt de Europese Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen bij het Europees Parlement een kandidaat voor het ambt van voorzitter van de Commissie voor. Deze kandidaat wordt door het Parlement bij meerderheid van zijn leden gekozen.

Dus, het Europees Parlement kiest weliswaar de voorzitter van de Europese Commissie, maar het is de Europese Raad (de regeringsleiders) die bepaalt uit wie er gekozen kan worden. Wat als de Raad een eigen kandidaat naar voren schuift? Dit scenario is niet ondenkbaar, zeker wanneer wordt gekeken naar het vijftal dat door de vijf Europese politieke partijen (sic) naar voren is geschoven. De kandidaat van de sociaaldemocraten, Martin Schulz – de huidige voorzitter van het Europees Parlement en al twintig jaar Europarlementariër – kwam de

De President van Europa Wouter Bos zei het al eens: het Europees Parlement zit vol met eurozeloten. 1 Bijna allemaal zijn ze voorstander van een federaal

38


Volonté Générale 2014 - n°2

afgelopen maanden in de knel. Hij had moeite uit te leggen hoe hij tegelijkertijd voorzitter was én een persoonlijke campagne voerde. Ook werd hem in enkele landen, zoals het Verenigd Koninkrijk, door zijn partijgenoten expliciet verboden campagne voor zichzelf te voeren, uit angst voor electorale schade. De voorman van de christendemocraten, JeanClaude Juncker, moest begin dit jaar in alle landen uitleg geven over het gerucht dat hij een alcoholprobleem had. Ook is deze voormalige voorzitter van de Eurogroep, die achttien jaar lang minister-president van Luxemburg was, op leeftijd en er wordt openlijk getwijfeld aan zijn fysieke capaciteiten. Zowel Schulz als Juncker zijn in ieder geval voorstander van een federale EU, net als de voorman van de liberalen, Verhofstadt, die al helemaal geen serieuze kans maakt. Dit zal Rutte zich ook wel hebben gerealiseerd toen hij namens de VVD zijn steun voor Verhofstadt uitsprak. De kans dat bijvoorbeeld de Britten akkoord gaan met een van deze kandidaten is zeer gering. Overigens hebben ook de Groenen een kandidaat, Ska Keller, die echter niet eens de lijsttrekker is in haar eigen land (slechts nummer drie) en de Europese Linkse Partij heeft de Griekse voorman Alexis Tsipras naar voren geschoven. Hij is niet verkiesbaar voor het Europees Parlement, maar gebruikt het podium van kandidaatschap om zijn politieke boodschap naar voren te brengen. De kans is dus groot dat geen van deze kandidaten door de Europese Raad – waarin alle regeringsleiders van de lidstaten zitting hebben, voor ons dus Rutte – zal worden voorgedragen om de huidige voorzitter José Manuel Barroso op te volgen. Slechts twee kandidaten (Schulz en Juncker) kunnen grote groepen landen achter zich krijgen, maar zij zullen moeite hebben de sceptici te overtuigen. Omdat de Europese Raad de voordracht doet, is er kortom nog geen pijl op te trekken wie de nieuwe voorzitter gaat worden. Wel staat vast dat het Europees Parlement zich waarschijnlijk flink zal verzetten tegen alternatieve kandidaten. Immers, het mag gerust een flater worden genoemd als geen van de

voorgedragen kandidaten wordt gekozen. In dat geval wordt het moeilijk om over vijf jaar, wanneer er opnieuw Europese verkiezingen worden gehouden, nogmaals te doen alsof men kan kiezen wie de president van Europa wordt.

Weg met de euro? De euro heeft een hoofdrol gespeeld bij deze verkiezingen. In vrijwel elk groot debat waren de munt, de muntunie en de vraag of een politieke unie wenselijk is, opgenomen in een van de hoofdstellingen. Bij het kieskompas was de eerste stelling zelfs dat Nederland uit de euro moest. Partijen profileren zich ook duidelijk: de PVV wil ervan af, de SP wil een plan B en andere partijen richten hun peilen op een politieke unie. Alleen de PvdA distantieert zich enigszins van discussie door een eigen punt op de agenda te zetten, namelijk een vijf procent maximum werkloosheidsnorm, die tegenwicht moet bieden aan de drie procent begrotingstekortnorm. Wat de Europarlementariërs hier de komende vijf jaar aan gaan doen is echter volledig onduidelijk. De afgelopen vijf jaar zijn er in het Europees Parlement drie soorten dossiers voorbij gekomen die te maken hadden met de munt. Ten eerste waren er de anti-muntvervalsingsrapporten en andere technische wetsvoorstellen waar nooit iemand iets over zal horen. Ten tweede waren er de toelatingsrapporten, omdat er de afgelopen vijf jaar ondanks alles toch weer twee landen waren die toetreding tot de euro verlangden. Tot slot zijn er de dossiers die slechts indirect te maken hebben met de euro, maar hier wel het gevolg van zijn. Denk aan de six-pack en two-pack (Brussels jargon voor twee pakketten aan voorstellen) waarin wordt vastgelegd op welke manier de Europese Commissie wordt geraadpleegd met betrekking tot de nationale begroting. Ondanks de felle kritiek die er elk jaar weer is wanneer het kabinet de Europese Commissie een brief stuurt met daarin haar plannen voor de begroting, speelde juist deze zaak amper een rol bij de verkiezingen. Ook 39


Volonté Générale 2014 - n°2

de uitbreiding van het Eurogebied is naar mijn weten nergens serieus besproken. In plaats daarvan is er enkel gesproken over de vraag of de euro goed en houdbaar is. Het blijft echter onduidelijk welke rol het Europees Parlement hierbij kan spelen. Ook het signaal dat af zou kunnen gaan van deze verkiezingen als een soort van referendum over de euro, is moeilijk hard te maken. Een goede score voor partijen die kritiek hebben op de manier waarop de muntunie functioneert kan worden uitgelegd als de wens van het Nederlandse electoraat om aan veranderingen te werken, maar net zo goed als een signaal aan Rutte II.

premier Rutte in de Volkskrant 2 dat de verkiezingen helemaal niet over dit thema gaan, maar juist over wat we met de EU willen bereiken. Dit ‘EU als middel’-frame was juist bedoeld om zich af te zetten tegen D66 en de PVV, door beide visies als irreëel weg te zetten. Ik wil niet te negatief zijn over dit onderwerp. De kans is vrij klein dat de Nederlandse Europarlementariërs een directe rol zullen spelen bij de manier waarop de Europese Unie wordt ingericht, wanneer er sprake is van grote veranderingen. Toch hangt de vraag wat voor EU je wil direct samen met de manier waarop Europarlementariërs zich inzetten om door de Europese Commissie voorgestelde wetten te wijzigingen en met hun stemgedrag bij de uiteindelijke voorstellen. Dit zal voor de meeste kiezers echter volledig onduidelijk zijn, omdat toch de suggestie wordt gewekt dat het Europees Parlement leidend is bij dit vraagstuk.

Meer, minder, geen of een andere EU De ideeën over hoe de Europese Unie er idealiter uit zou zien zijn zeer divers onder de Nederlandse politieke partijen. Om te beginnen zijn er D66 en in mindere mate de PvdA die pleiten voor meer bevoegdheden op het niveau van de Europese Unie, met als ideaalbeeld een federaal Europa. Hier tegenover staan partijen als de VVD en het CDA, die zich in ieder geval profileren door te stellen dat de EU enkel over hoofdzaken zou moeten gaan. Net als de eerder genoemde partijen steunen zij de grote projecten zoals de bankenunie, het Europees semester (aanbevelingen van de Europese Commissie voor nationaal beleid) en het six- en two-pack, maar laken zij bemoeizucht met de befaamde kromme bananen. Het echte onderscheid tussen de eerste en de tweede groep zit in de toon. De PVV is voor het opdoeken van de EU, om vervolgens een vrijhandelszone met dezelfde landen te beginnen. Tot slot is er mijn partij (de SP) die pleit voor een Europa dat afstand neemt van haar supranationale trekjes (meerderheidsbesluiten) en zich beweegt naar een intergouvernementele samenwerking. Nagenoeg alle kleine partijen volgen een van deze standpunten. De vraag hoeveel EU het Nederlandse electoraat wil, is ongetwijfeld een van de belangrijkste thema’s van de verkiezingen geweest. De SP, D66, de PVV en enkele kleine partijen hebben verkiezingsposters waarbij dit thema centraal staat. Op 10 mei schreef

Waar gaan de Europese verkiezingen over? De president van Europa, de euro en de politieke inrichting van de Unie zijn lastige thema’s voor Europese verkiezingen. Ten eerste zijn de verkiezingen voor de president van Europa een farce, dat meer weg heeft van een sterk potje blufpoker van de kant van het Europees Parlement, dan van een legitieme verkiezing. De andere twee genoemde onderwerpen zijn enorm belangrijk, en daarom te groot voor het Europees Parlement. Natuurlijk gaan de gekozen Europarlementariërs te maken krijgen met wetgeving die over deze zaken gaan. Maar bij dit soort zaken zijn het de nationale regeringsleiders die de dienst uitmaken. Dit is wat mij betreft helemaal niet erg. Het feit dat minder dan de helft van de kiezers die tijdens de Tweede Kamerverkiezingen gaat stemmen komt opdagen bij Europese verkiezingen, ondermijnt de legitimiteit van het Europees Parlement en zou moeten aanzetten tot enige bescheidenheid. Omdat een groot deel van het electoraat wel komt stemmen bij nationale verkiezingen, gaat het argument van ‘thuisblijvers moeten hun mond 40


Volonté Générale 2014 - n°2

houden’ niet op, hun mening kan immers prima verwoord worden door de regeringsleiders. Er moet een groeiend besef zijn dat de meeste Europeanen zich niet identificeren met het Europees Parlement, laat staan dat men zich door hen vertegenwoordigd voelt. Gingen de verkiezingen dan helemaal nergens over? Ik vind van wel, een dergelijke conclusie zou onterecht zijn en bovendien het werk van de Europarlementariërs bagatelliseren. Veel Nederlanders werken wel degelijk keihard en zijn experts op hun terrein. Zij werken vaak constructief mee aan belangrijke Europese wetten en ondersteunen ook de nationale fracties met hun kennis van en informatie uit Brussel. Ook moet men de invloed van de Europarlementariërs niet onderschatten. Zij kunnen een sleutelrol spelen bij de ideeënontwikkeling en standpuntbepaling binnen hun partij, in ieder geval wat Europa betreft, maar vaak ook als het gaat over die thema’s waar zij zich in hebben gespecialiseerd. Plegen partijen die inzetten op de genoemde thema’s dan kiezersbedrog? Ik ben van mening dat het geen enkele partij kwalijk genomen kan worden. Door de vorm die de EU heeft gekregen, vaak omschreven als een hybride variant, ergens midden tussen supranationalisme en intergouvermentalisme, zijn de Europese verkiezingen enorm verwarrend. Wat mij betreft kan het niet anders dan dat de EU en de euro ook bij de nationale verkiezingen een grotere rol gaan spelen. De EU speelt al een grote rol in de verkiezingsprogramma’s voor de Tweede Kamerverkiezingen, maar dat is niet genoeg. Een expliciete erkenning dat Europa een nationaal thema is dat telkens centraal moet staan bij de verkiezingen waar het Nederlandse volk zich in de grootste mate mee identificeert, kan enorm helpen bij het verduidelijken van wat de Europese verkiezingen precies zijn. Nationaal worden de grote lijnen uitgezet, die vervolgens worden onderhandeld in de Europese Raad en op de belangrijke Europese toppen. Bij de verkiezingen van het Europees Parlement kiezen we de waakhonden die dit

hele gebeuren in de gaten houden en, als we geluk hebben, nog een constructieve bijdrage plegen ook.  Bart Linssen (1985) is politicoloog, en werkt in het Europees Parlement als vertegenwoordiger van de SP in de politieke groep Verenigd Links. Hij schreef dit stuk op persoonlijke titel.

                                                                                                         

Zie onder andere: http://www.debalie.nl/de-balie-tv/en https://decorrespondent.nl/838/overal-eurofieleluchtfietsende-dinosaurussen/2199341056-d94c7443 (geraadpleegd op 25 mei 2014). 2 M. Rutte, ‘Ik wil een Europa dat Nederland dient’, de Volkskrant, 10 mei 2014, 33. 1

41


Volonté Générale 2014 - n°2

Staat van chaos: Oekraïne tussen Rusland en Europa Dorian Schaap Het zal u niet ontgaan zijn: de politieke crisis die Oekraïne sinds eind november in haar greep houdt. Wat begon als een kleinschalig protest tegen de beslissing van president Janoekovitsj om in plaats van het Europese associatieverdrag te tekenen, aansluiting te zoeken bij de Russische douane-unie, is inmiddels uitgegroeid tot een van de ernstigste conflicten van de 21ste eeuw. Niet zozeer wat betreft het aantal slachtoffers of de schade, maar vooral in mondiale diplomatieke en politieke zin. Voor de gemiddelde Europeaan kwam de crisis in Oekraïne waarschijnlijk volkomen onverwacht. Echter, voor wetenschappers vormt Oekraïne al sinds de val van het IJzeren Gordijn het grootste potentiële kruitvat van Europa. Als een historisch grensgebied tussen oostelijke en westelijke grootmachten — de naam Oekraïne is vermoedelijk een afleiding van het woord ‘grensland’ — is de geschiedenis van het land een aaneenschakeling van oorlogen, bezettingen en genociden. 1 In die zin zijn de huidige problemen een voortzetting van die uit het verleden. Hoe komt Oekraïne uit die impasse? Als we inzicht willen krijgen in mogelijke oplossingen voor een probleem, moet het eerst duidelijk zijn over wat voor kwestie we eigenlijk spreken. De laatste maanden is veel geschreven over de inmenging van Rusland en de Europese Unie in Oekraïne. Eerder verschenen wetenschappelijk werk wordt vaak ten onrechte vergeten. Vanuit wetenschappelijk perspectief zijn de huidige problemen niet een losse serie protesten, bezettingen en gewelddadigheden, maar uitingen van een postkoloniaal conflict, waarbij twee imperialistische machten strijden om het uitbreiden of behouden van hun invloedssfeer.2 Het gevolg van dit conflict is een verscheurd, verzwakt Oekraïne. In dit artikel zal ik eerst bespreken in hoeverre er inderdaad sprake is van een postkoloniaal conflict tussen twee

machtsblokken die zich als imperia gedragen. Vervolgens zal ik aangeven wat Oekraïne momenteel specifiek kwetsbaar maakt in dit spanningsveld. Ten slotte zal ik een richting voorstellen die de Oekraïense overheid in kan slaan om haar toekomst veilig te stellen en uit de huidige impasse te komen.

Imperia

Oekraïne is inmiddels al meer dan twintig jaar een soevereine staat. Het zou in dat opzicht opvallend zijn als Oekraïne door zowel Rusland als de EU als kolonie wordt behandeld. Kan de relatie tussen Oekraïne en de machtsblokken die haar aan de oost- en westkant begrenzen beschouwd worden als (post)koloniaal? József Böröcz onderscheidt vier kenmerken voor een postkoloniale machtsverhouding tussen een ‘imperium’, de dominante partij, en de ‘periferie’, de gekoloniseerde partij. Dit zijn ten eerste een ongelijke uitwisseling van economische goederen, waarbij de periferie afhankelijk is van het imperium, ten tweede een perceptie van de kant van het imperium dat de periferie inferieur is, ten derde het exporteren van het politieke en economische model van het imperium naar de periferie, en als laatste een bewuste integratie van de drie voorgaande elementen in een coherent langetermijnbeleid van de kant van het imperium. Laten we aan de hand van deze vier criteria de actuele relatie tussen Oekraïne enerzijds en Rusland en de EU anderzijds bestuderen. De ongelijke uitwisseling van economische goederen is zeker aanwezig. Oekraïne is afhankelijk van Russisch gas voor haar energievoorziening. 3 De hieruit voortvloeiende schulden drukken al lange tijd zwaar op de Oekraïense economie. 4 Rusland gebruikt de gastoevoer ook als politiek instrument om invloed op Oekraïne uit te oefenen.5 De Oe-kraïense afhankelijkheid van Europa is nauwelijks minder. Veel luxeproducten worden uit Europa geïmporteerd en het land kijkt naar het door 42


Volonté Générale 2014 - n°2

het Westen gedomineerde IMF voor leningen. Daarnaast ontvangt Oekraïne speciale leningen van de EU die iets kleiner zijn. Rusland en, in iets mindere mate, de EU voldoen dus aan het eerste criterium voor een koloniale machtsverhouding. Het tweede criterium is dat in de koloniale macht het sentiment leeft dat de periferie minderwaardig is. De relatie tussen Rusland en Oekraïne is in die zin uiterst gecompliceerd. Oekraïne is belangrijk voor de Russische identiteit, omdat Rusland Kiev als de bakermat van haar beschaving en religie ziet.6 Tegelijkertijd heerst er een ‘widespread feeling in Moscow that Ukrainian independence is an abnormality as well as a threat to Russia’s standing as a global power’.7 De soevereiniteit van Oekraïne als land wordt in twijfel getrokken. Dat de oostelijke provincies van Oekraïne in Rusland Malorossiya of Novorossiya (klein Rusland of nieuw Rusland) worden genoemd, suggereert inferioriteit. Recentelijk zijn deze sentimenten nog meer aangewakkerd, onder meer door president Poetin die de staat Oekraïne als misvatting zegt te beschouwen. In de EU heerst een tegenovergesteld gevoel: Oekraïne wordt niet gezien als het ‘kleine broertje’, maar als een fundamenteel ander, on-Europees land. 8 Het verkeert ergens in een limbo voorbij de geaccepteerde grenzen van ‘ons’ Europa.9 Het belang van de EU is daarmee om van Oekraïne een nuttige bufferstaat te maken en zo stabiliteit aan de eigen grenzen te hebben. In beide gevallen is er echter sprake van een perceptie van Oekraïne als ongelijkwaardig. Ook aan het tweede criterium voldoen beide grootmachten dus grotendeels. Het derde kenmerk is de export van het politieke en economische model: de manier waarop het imperium zijn staat heeft ingericht. Er lijkt in ieder geval sprake te zijn van beïnvloeding van Russische zijde. Dit speelde in de jaren 1990 al vanwege de continue politieke steun van Rusland voor haar Oekraïense diaspora, 10 maar recent nog meer — zie daarvoor ook de recente annexatie van de Krim. De Russische douane-unie wordt gezien als een voorloper van een

toekomstige Euraziatische politieke unie, een tegenhanger van de Europese Unie. Rusland heeft jarenlang buitengewoon veel druk gezet op Oekraïne om zich aan te sluiten bij deze unie, waarbij de impliciete verwachting is dat de Russische autoritaire staat als model voor andere lidstaten zal dienen.11 De EU kent een soortgelijke aanpak. Om het associatieverdrag met de EU te kunnen tekenen, werden er van Oekraïne substantiële economische en politieke hervormingen verwacht. De golden carrot is uiteindelijk een aan de horizon lonkend lidmaatschap van de EU. 12 Beide machtsblokken bieden hiermee financiële voordelen door het verwijderen van handelsblokkades (zie het eerste criterium) in ruil voor aanpassingen in het politieke en economische model naar Russisch of Europees voorbeeld. Ook aan het derde criterium wordt dus door beide machtsblokken voldaan. Het vierde criterium van Böröcz is in hoeverre de voorgaande drie tot een coherent langetermijnbeleid zijn gemaakt. Hier komt de in november 2013 begonnen ernstige politieke crisis in beeld. Deze crisis is ontstaan vanuit de keuze voor de Russische douane-unie ten koste van het associatieverdrag van de EU. Beide verdragen zijn een model om de verhouding met Oekraïne voor langere tijd vorm te geven. Ze kunnen dus gezien worden als een poging van Rusland en de EU om aan het vierde criterium te voldoen. Het moment dat Oekraïne gedwongen werd te kiezen voor een van deze twee verdragen — ze sluiten elkaar uit — was het moment dat een van de twee imperia de dominante partij zou worden. Het is daarmee een logisch, zelfs noodzakelijk moment voor de crisis.

Veiligheid

Dat Oekraïne slachtoffer is van postkoloniale politiek uit het buitenland betekent niet dat het slechts een lijdend voorwerp is van twee imperialistische machten. Het is een soevereine staat met veel economisch potentieel, een levendige civil society en een groeiend aandeel hoger opgeleiden. Oekraïense burgers hebben uiteenlopende

43


Volonté Générale 2014 - n°2

visies en voorkeuren. Formeel probeert het land al sinds zijn ontstaan een beleid te voeren dat de eigen autonomie handhaaft en dat zowel Rusland als de EU te vriend houdt.13 Het moge duidelijk zijn dat dit momenteel weinig succesvol is: de autonomie wordt ernstig bedreigd. De relatie met Rusland is op een historisch dieptepunt, maar grote delen van het land moeten ook niets van Europa hebben. Oekraïne is verdeeld: nationalistische en pro-Europese groepen staan tegenover pro-Russische separatisten en communisten. Niemand lijkt in staat deze steeds gewelddadiger groepen in de hand te houden en de eenheid te bewaren. Dat zou de taak moeten zijn van de Oekraïense veiligheidsdiensten: een sterke, onafhankelijke en integere politiemacht is in zo’n instabiele situatie onmisbaar.14 Deze is momenteel niet aanwezig en dat maakt het land uitzonderlijk kwetsbaar voor postkoloniale invloeden uit Rusland en de EU. Wat is daar de oorzaak van, en hoe kan Oekraïne weer het heft in eigen handen nemen en de balans herstellen? Er zijn weinig instituties die er zo slecht aan toe zijn als het Oekraïense veiligheidsbestel. Volgens anti-corruptiewaakhond Transparency International is Oekraïne het meest corrupte land van Europa.15 De politie behoort tot de meest corrupte instituties van het land.16 De Oekraïense politie geniet daarom minder vertrouwen dan welke andere Europese politiemacht ook.17 Uit de Sovjettijd heeft Oekraïne een gewelddadige, autoritaire politie geërfd, die weinig opheeft met democratie. Hervorming van de veiligheidsdiensten is uitgebleven – een bekend probleem in postdictatoriale 18 samenlevingen. Het strikte communistische systeem beperkte voor de val van het IJzeren Gordijn de ergste corruptie, maar na de val van het IJzeren Gordijn is die controle helemaal verdwenen.19 Een journalist noemde het huidige Oekraïense politiebestel daarom als ‘a reincarnation of [the] Soviet bureaucratic pyramid – minus the Soviet restraints’.20 Er is een verschuiving opgetreden van corruptie in de vorm van uitwisseling van

(vrienden)diensten naar het regelrecht afpersen van de bevolking.21 Hoewel corruptie en systematisch geweld tegen de eigen burgers inherent zijn aan de Oekraïense politiemacht vormt dit probleem niet eens de grootste bedreiging. Er zijn sterke aanwijzingen dat de politie in het zuiden en oosten van Oekraïne een dubbele agenda heeft. De Oekraïense speciale politieeenheid SBU is onder het regime van president Janoekovitsj jarenlang geïnfiltreerd door de Russische geheime dienst. Onlangs werd pro-Russische separatisten bij het bezetten van overheidsgebouwen in Charkov, Donetsk, Lugansk en vele andere steden door de politie geen strobreed in de weg gelegd. Regelmatig duiken beelden op van politiemensen die lijken samen te werken met pro-Russische separatisten of zelfs direct overlopen. De Oekraïense politiemacht is dus niet alleen uitzonderlijk corrupt en gewelddadig: het heeft er ook alle schijn van dat hele afdelingen op de hand van de separatisten zijn. Hiermee vormt de politie, geheel volgens het postkoloniale model, een vijfde colonne onder Russische invloed.

Het Georgische model?

Deze complexe situatie is niet zo uniek als ze misschien lijkt. Er is een historische parallel: het Georgië van 2003. Georgië stond toen onder president Sjevardnadze aan de rand van de afgrond. Separatistische regio’s beheerst door oligarchen en krijgsheren zochten onafhankelijkheid of aansluiting bij Rusland. Georganiseerde criminaliteit, extreme corruptie en het onvermogen van de overheid om belastingen te innen, zorgden voor een economische crisis. Het leger en de politie waren geïnfiltreerd en systematisch uitgekleed door de Russische geheime dienst. Ook hier was sprake van een postkoloniale machtsverhouding, met Georgië als onderliggende partij die werd gedomineerd door Rusland. Het kon zo niet langer: het voortbestaan van de soevereine staat Georgië stond op het spel.22 De druppel die de emmer deed overlopen waren frauduleuze parlementsverkiezingen in het najaar van 2003.

44


Volonté Générale 2014 - n°2

Massale volksprotesten luidden een revolutie in, waarna president Saakasjvili de macht kreeg. Met de publieke opinie aan zijn kant had Saakasjvili de slagkracht om radicale maatregelen te nemen. Zijn regering begon een ongeëvenaarde campagne: de helft van alle politieofficieren, inclusief de gehele verkeerspolitie, werd op staande voet ontslagen en vervangen door nieuwe rekruten. Tegenover acceptatie van het ontslag stond een amnestie voor corrupte activiteiten. Een jaar later volgde een tweede ontslaggolf, om duidelijk te maken dat het menens was. Salarissen van politiemensen werden sterk verhoogd om vatbaarheid voor corruptie tegen te gaan en separatisme minder aantrekkelijk te maken. Tegen separatisten en criminele netwerken werd vervolgens hard, vaak gewelddadig, opgetreden. 23 Dit heeft ertoe bijgedragen dat Georgië momenteel de minst corrupte oud-Sovjetrepubliek buiten de Europese Unie is.24 Lang niet alle problemen zijn uitgebannen en Georgië verloor alsnog de regio’s Abchazië en Zuid-Ossetië, maar het land zelf staat er aanzienlijk beter voor dan tien jaar geleden. Voor Oekraïne kan het Georgische model wel eens de enige uitweg zijn. Dezelfde combinatie van factoren die de Georgische regering tot actie heeft aangezet speelt in Oekraïne: interne en externe dreigingen die sterke trekken hebben van een postkoloniaal conflict, separatisme, publieke steun voor maatregelen tegen corruptie, en hopelijk het politieke besef dat er snel iets moet gebeuren om het land te redden. Niet alleen om afscheiding of annexatie van oostelijke regio’s te voorkomen, maar ook met oog op de toekomst van de natie. Zo lang het haar eigen politiemacht niet in de hand heeft, kan Oekraïne als staat namelijk nooit slagen. Corrupte en onbetrouwbare politiemensen kunnen de veiligheid niet handhaven, want ze verworden tot speelballen van criminele organisaties en buitenlandse machten. Georgië heeft bewezen dat een land juist onder zulke moeilijke omstandigheden succesvol kan hervormen.

Belangrijk is dat politiehervorming in de Georgische traditie niet gericht was om het de EU naar de zin te maken. De betere banden met Europa, die het gevolg waren van Saakasjvili’s hervormingen, waren grotendeels een bijvangst. 25 Verscheidene maatregelen gingen zelfs in tegen westerse adviezen. Zo is het Georgië gelukt om postkoloniale machtsverhoudingen met zowel Rusland als de EU te vermijden. Hoewel er zeker verschillen zijn tussen Georgië in 2003 en het huidige Oekraïne, zijn de overeenkomsten talrijker. Om uit de wurggreep van twee machtsblokken te ontsnappen doet Oekraïne er daarom goed aan het Georgische voorbeeld te volgen. Radicale hervorming van het veiligheidsbestel dient hierbij centraal te staan, waarbij massaontslagen, zero tolerance betreffende corruptie, forse salarisstijgingen en overplaatsingen onvermijdelijk zijn. Alleen dan kunnen de Oekraïense veiligheidsdiensten sterk genoeg worden om de onafhankelijkheid van het land te bewaren. Vervolgens kunnen de Oekraïeners zelf besluiten welke richting ze in willen slaan, zonder postkoloniale inmenging van Rusland of de EU.  Dorian Schaap (1988) werkt als promovendus bij de vaksectie Strafrecht & Criminologie, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Radboud Universiteit Nijmegen.

45


Volonté Générale 2014 - n°2

                                                                                                                                                                        Kubicek, ‘Russian Foreign Policy and the West’. Brzezinski, ‘The Premature Partnership’, 74. 8 M. Kuus, ‘Europe’s Eastern Expansion and the Reinscription of Otherness in East-Central Europe’, Progress in Human Geography 28 (2004) 472-489. 9 O. Stegniy, ‘Ukraine and the Eastern Partnership: Lost in Translation?’, Journal of Communist Studies and Transition Politics 27 (2011) 50-72. 10 G. Smith & A. Wilson, ‘Rethinking Russia's Post-Soviet Diaspora: The Potential for Political Mobilisation in Eastern Ukraine and North-East Estonia’, Europe-Asia Studies 49 (1997) 845-864. 11 Kropatcheva, ‘Ukraine’s Foreign Policy Choices After the 2010 Presidential Election’. 12 F. S. Larrabee, ‘Ukraine and the West, Survival: Global Politics and Strategy 48 (2006) 93-110. 13 P Kubicek, ‘The European Union and Democratization in Ukraine’, Communist and Post-Communist Studies 38 (2005) 269-292. 14 D. H. Bayley, Changing the Guard: Developing Democratic Policing Abroad (New York 2006); M. Light, ‘Police reforms in the Republic of Georgia: the convergence of domestic and foreign policy in an anti-corruption drive’, Policing and Society 24 (2014) 318-345. 15 Transparency International, ‘Corruption Perceptions Index 2013’, online beschikbaar via: http://cpi.transparency.org /cpi2013/ (geraadpleegd op 17 mei 2014). 16 Y. Chistyakova, ‘Reforming the Ukrainian police. The Challenges of Understanding and Addressing Violence’, in K. Goodall, M. Malloch & B. Munro (red.), Building Justice in Post-Transition Europe (New York 2012), 139-157. 17 D. Schaap & P. Scheepers, ‘Comparing Citizens’ Trust in the Police Across European countries: An Assessment of the Cross-Country Measurement Equivalence’, International Criminal Justice Review 24 (2014) 82-98. 18 M. S. Hinton & T. Newburn, ‘Introduction: Policing Developing Democracies’, in M. S. Hinton & T. Newburn (ed.), Policing Developing Democracies (Abingdon 2009), 1-28. 19 I. Krastev, ‘Corruption, Anti-Corruption Sentiments, and the Rule of Law’, in: A. Czarnota, M. Krygier & W. Sadurski (ed.), Rethinking the Rule of Law after Communism (Budapest 2005) 323-339; R. Dzhekova, P. Gounev & T. Bezlov, Countering Police Corruption: European Perspectives (Sofia 2013). 20 Y. Makarov, ‘Police With the Regime’, The Ukrainian Week, International Edition (24 juli 2013), online beschikbaar via: http://ukrainianweek.com/Columns/50/85290 (geraadpleegd op 17 mei 2014). 21 Krastev, ‘Corruption, Anti-Corruption Sentiments, and the Rule of Law’; K. S. Mikkelsen, ‘In murky waters: a disentangling of corruption and related concepts, Crime, Law and Social Change 60 (2013) 357-374. 22 Light, ‘Police Reform in the Republic of Georgia’; G. Slade, ‘Georgia's War on Crime: Creating Security in a Post-Revolutionary Context’, European Security 21 (2012) 37-56. 23 A. Kupatadze, ‘Explaining Georgia's Anti-Corruption Drive’, European Security 21(2012) 16-36. 24 Transparency International, ‘Corruption Perceptions Index 2013’. 25 Light, ‘Police reform in the Republic of Georgia’. 6 7

                                                                                                         

1 M. Jansen, Grensland. Een Geschiedenis van Oekraïne (Amsterdam 2014); P. Desbois, The Holocaust by Bullets. A Priest’s Journey to Uncover the Truth behind the Murder of 1.5 Million Jews (Basingstoke 2009). 2J. Böröcz, ‘Introduction: Empire and coloniality in the “Eastern Enlargement” of the European Union’, in: J. Böröcz & M. Kovács (red.), Empire's new clothes: Unveiling EU-enlargement (Holly Cottage 2001), 4-50; O. Sushko, ‘The Dark Side of Integration: Ambitions of Domination in Russia's Backyard’, The Washington Quarterly 27 (2004) 119-131. 3 M. M. Balmaceda, ‘Gas, Oil and the Linkages Between Domestic and Foreign Policies: The Case of Ukraine’, Europe-Asia Studies 50 (1998) 257-286. 4 P. Kubicek, ‘Russian Foreign Policy and the West’, Political Science Quarterly 114 (1999) 547-568; E. Kropatcheva, ‘Ukraine’s Foreign Policy Choices After the 2010 Presidential Election’, Journal of Communist Studies and Transition Politics 27 (2011) 520-540. 5 Z. Brzezinski, ‘The Premature Partnership’, Foreign Affairs 73 (1994) 67-82; A. Kovacevic, ‘The impact of the Russia–Ukraine Gas Crisis in South Eastern Europe’, Oxford Institute for Energy Studies (2009).

46


Volonté Générale 2014 - n°2

Over 10 jaar zal de huidige manier van ontwikkelingssamenwerking niet meer bestaan Interview met Ruerd Ruben Ontwikkelingseconoom Ruerd Ruben (1954) werkt bij het ministerie van Buitenlandse Zaken als directeur van de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB). Daarnaast is hij als hoogleraar ontwikkelingsstudies verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Volonté Générale sprak met hem over zijn werk, armoede in de wereld en de toekomst van internationale samenwerking.

Mijn intellectuele interesse heeft altijd gelegen bij armoedebestrijding. Ik heb nu meer begrip gekregen voor het feit dat een groot gedeelte van die processen toch in de landen en door de mensen zelf plaatsvinden. Landhervorming bijvoorbeeld is behoorlijk ingrijpend. Je neemt bezit van mensen af en geeft het aan anderen. Maar ’s avonds komt de oude landeigenaar gewoon weer terug. Er is een heel machtsproces gaande en ik sta nog steeds achter wat ik toen deed, maar of het daadwerkelijk een groot effect heeft gehad, dat betwijfel ik. Aan de andere kant ben ik tijdens mijn werk in China ook onder de indruk geraakt van hoe snel dingen kunnen gaan. Als een overheid zich ergens voor inzet, kunnen processen ineens hard gaan. Dat heeft mijn visie op de rol van de overheid wel beïnvloed. Het heersende idee op dit moment is om mensen zelf de dingen te laten regelen. Maar de eindigheid daarvan is alweer in zicht, zoals de bankencrisis in Europa laat zien. Wil je snelheid in processen brengen, dan is er behoefte aan een leidend instituut. Het allemaal langzaam maar zeker laten groeien, daarmee krijg je geen snel lopende processen. U bent op dit moment als hoogleraar ontwikkelingsstudies aan de Radboud Universiteit verbonden, waar u een dag per week werkt. Waar houdt u zich in uw werk op de universiteit mee bezig? Mijn focus ligt nu vooral rondom het vraagstuk van de effectiviteit van beleid. Dat is de leidende vraag die bij inspecties centraal staat. De achterliggende vraag gaat over attributie: wat is er nu daadwerkelijk aan ontwikkelingssamenwerking te danken en wat aan andere factoren? De beantwoording van die attributievraag hebben we tot ons vak gemaakt. Dat proberen we met nieuwe methodes, zoals door de begin- en eindsituaties met elkaar te vergelijken. Je kunt situaties vergelijken over de tijd, er wordt dan

Wat voor studie heeft u gedaan en hoe bent u in dit vak terecht gekomen? Mijn studie begon ik aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en oorspronkelijk richtte mijn werk zich vooral op landniveau, op de wereld. De afdeling waar ik werkte maakte toentertijd de eerste modellen voor de Club van Rome over grenzen aan de groei. In de loop van de jaren ben ik me steeds meer op microvraagstukken – individuen en huishoudens – gaan richten. Dat komt ook voort uit mijn ervaring in Midden-Amerika, waar ik veertien jaar heb gewoond en gewerkt. Ik heb me daar onder andere beziggehouden met landbouwontwikkeling en sociale dienstverlening op het platteland, bijvoorbeeld op het gebied van wegenbouw, onderwijs en gezondheidszorg. Dat werk was heel praktisch, maar daarna ben ik toch terug naar de wetenschap gegaan. U heeft in Midden-Amerika, China en Subsahara Afrika gewerkt. In hoeverre heeft dat uw ideeën over ontwikkelingssamenwerking en over uw huidige werk gevormd? Ik ben lange tijd weggeweest en heb nog altijd een beetje het gevoel dat ik in Nederland een buitenstaander ben. Je hebt een ander referentiekader, dus dat vormt je. Ook zijn mijn kinderen in Midden-Amerika geboren. Op professioneel gebied ben ik wat relatiever en sceptischer geworden over wat er mogelijk is met internationale samenwerking. 47


Volonté Générale 2014 - n°2

gekeken naar de situatie voor en na de interventie. Daarnaast is locatie een hele belangrijke dimensie, waar is er wel een interventie gedaan en waar niet? Dat worden ook wel counterfactuals genoemd, er wordt geprobeerd te achterhalen waar het effect van een interventie aan te danken is. Het vergelijken met andere settings waar je minder (of niet) actief bent geweest, dat is vitaal om netto-effecten te kunnen vaststellen. Dat doen nog maar weinig onderzoekers. Is het de taak van de inspectie om dergelijke effecten vast te stellen? De inspectie probeert een vraag te beantwoorden die eigenlijk niet te observeren is: ‘Wat zou er zijn gebeurd als de interventie niet had plaatsgevonden?’ Dat is de formele counterfactual-vraag. Het is ook een beleidsvraag, bijvoorbeeld: ‘Wat is het effect van het toezicht op voedsel in Nederland?’ Situaties moeten vergelijkbaar gemaakt worden om te kunnen achterhalen of jouw inspectie een bepaald effect heeft gehad op het gedrag van bedrijven.

gemeenschappelijke vraagstukken. Tevens zet ik wetenschappelijke kennis in voor beleidsanalyse. Mensen die in een bepaalde discipline zijn ‘opgevoed’, gaan daar vaak helemaal in op. Tegelijkertijd komen beleidsmakers nog maar weinig toe aan het lezen van wetenschappelijk materiaal. Het bouwen van bruggen is lastig, dat vereist dat je niet alleen je eigen vakgebied heel goed kent, maar dat je je ook verdiept in een ander discipline. Het is niet interdisciplinariteit om de interdisciplinariteit, maar alleen op die manier kan je een verhaal ook in de politieke werkelijkheid kwijt. Mijn expertise is eigenlijk mijn methode geworden. Ik probeer iedereen hun eigen discipline te laten houden zonder dat men zich volledig specialiseert, maar juist op een manier dat de discipline bruikbaar is voor een ander. Je moet spelen met de capaciteiten die mensen vanuit hun vakgebied hebben en je richten op de maatschappelijke discussie die op de achtergrond speelt. En dat is een aardig speelveld. Is uw functie binnen het team dat u zorgt dat iedereen dezelfde methode hanteert? Nee, maar de methodes moeten wel op elkaar aansluiten. Interdisciplinariteit is juist vanuit eigen kracht met anderen kunnen samenwerken. In die combinatie is het mogelijk nieuwe dingen te vinden die ook voor een andere, niet-wetenschappelijke partij interessant zijn. Die vertaalslag is belangrijk en daarvoor moet je je niet alleen met je vak bezighouden, maar ook met de vraagkant. Wat speelt er in de politiek en de maatschappij? Het is belangrijk daar voeling mee te houden. Daarom besteed ik een groot deel van mijn tijd buiten het kantoor.

U bent de directeur van de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB). Betekent dat, dat u voor het parlement werkt? Het IOB is onafhankelijk van de ministers (van Buitenlandse Zaken en van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking) en die hebben dan ook geen invloed op ons werk. De minister krijgt onze rapporten en is min of meer verplicht om daarop een reactie te geven. Vervolgens wordt het rapport en haar beleidsreactie aan het parlement aangeboden en dan maakt het IOB het publiek. Het hele proces van wat we gaan onderzoeken en hoe we het rapporteren is onze onafhankelijke verantwoordelijkheid. De minister mag mij niet bellen om te vragen: ‘Kan daar niet wat anders in?’ Dat is verboden.

Welke middelen heeft u als inspectie om te zorgen dat er naar u geluisterd wordt? Die hebben niet, we hebben alleen maar de openbaarheid. Niemand heeft zeggenschap over wat ik publiceer. Ik kan geen politiek standpunt innemen, maar ik kan wel zeggen welke conclusies we trekken wat het beste zou

U werkt op verschillende snijvlakken en disciplines. Is dat niet lastig voor een wetenschapper, die zich graag helemaal in één onderwerp verdiept? In mijn werk op het ministerie laat ik mensen uit verschillende vakgebieden samenwerken op

48


Volonté Générale 2014 - n°2

zijn om te doen op basis van wetenschappelijk onderzoek. Om een voorbeeld te geven: we hebben een beleidsverrichting gedaan op het gebied van onderwijs, waarbij we keken naar het effect van investering in basisonderwijs op schoolresultaten en inkomen van gezinnen in allerlei landen. We vonden positieve effecten en het voortzetten van deze investeringen leek dus een goede keuze. De toenmalige minister wilde zich echter meer richten op terreinen waarin Nederlandse bedrijven ook geld konden verdienen. Dat is een onjuiste beslissing als het hoofddoel is om armoede te bestrijden. Dat heb ik ook gezegd, publiekelijk, maar een dergelijke besluit wordt echt niet herzien. Je moet niet op de stoel van de minister gaan zitten, maar Nederland is wel zo vrij dat we dat soort dingen kunnen benoemen en dat is uitermate goed. In een democratie maakt het toezicht transparant wat er gebeurt. Je moet alleen niet verwachten dat het beleid beïnvloedt. Die illusie heb ik in het geheel niet. Wij kunnen alleen maar belonen door er positief over te praten en beboeten door er negatief over te praten. Maar daar kan ik heel redelijk mee uit de voeten. Je maakt nooit vieze handen. Tegelijkertijd is het niet erg als beleid mislukt. We moeten van het idee af dat als een inspectie zegt ‘het is niet goed gegaan’, dat we gelijk boos kijken. Ik zit in de stuurgroep voor een prijs die ‘De briljante mislukking’ heet, een heel aardig initiatief dat laat zien dat het beter is als mensen er eerlijk voor uitkomen als iets niet werkt, dan dat men zich in allerlei bochten wringt. Openheid over mislukkingen, daar zit een groot maatschappelijk leereffect in.

sparen en verzekeren. Het blijft geld lenen, maar er zit een leercurve in de manier waarop dat gebeurt. Eerst moeten mensen sparen, dan lenen, in plaats van omgekeerd. Het is veel gezonder om eerst iets op te bouwen aan besparingen en dan kapitaal te gaan lenen. Dat wordt met name in Afrika gedaan, waar nieuwe producten van microfinanciering worden uitgezet. Maar die verzekeringen werken ook niet altijd. Dat is inherent aan het verzekeringsproduct, want het hangt ook van de hoeveelheid risico’s af. Het van bovenaf uitrollen van datgene waarvan wij denken dat het werkt, is echter per definitie gedoemd om te mislukken. Er is geen magic bullet, zoals onderwijs of microfinanciering, dat overal werkt, er zijn altijd lokale factoren die een rol spelen bij het succes van een interventie. Er zijn in mijn vakgebied twee verschillende scholen: de planners, zoals ze door William Easterly worden genoemd en de searchers. De planners zijn mensen zoals Jeffry Sacks die zeggen: ‘Dit werkt altijd, laten we dat overal doen’. Daarnaast zijn er de searchers, de mensen die eerst lokaal gaan kijken wat er gebeurt. Ik denk dat die laatsten over het algemeen gelijk hebben, maar dat er heel weinig mensen zijn die willen searchen. De aandacht voor wat in een specifieke situatie kan werken, schiet erg tekort. Daarnaast zijn er te weinig onderzoekers en is er internationaal steeds minder geld beschikbaar. Dat is geen ramp, omdat er dan meer wordt nagedacht over hoe het beschikbare geld effectief kan worden besteed. Het idee van searchen, is dat de visie van Esther Duflo? Esther Duflo (de grondlegger van de gedragsexperimenten in de ontwikkelingseconomie; bekend van haar boek Poor Economics (2011)) is een extreme searcher, dat is nu ook de kritiek die ze krijgt. Zij begon met een sociaal experiment. Dat deed ze door niet van te voren te denken te weten wat de behoefte is, maar juist verschillende vormen van vraag en aanbod naast elkaar te zetten en

Wat daar op aansluit zijn microfinancieringsprojecten. Die worden door veel mensen als veelbelovend gezien, maar ze blijken lang niet altijd te werken. Is het nog de moeite om daar verder in te investeren? Er is veel geïnvesteerd in microfinanciering, ook door Nederlandse banken. Er vindt nu echter een verschuiving plaats van producten waar veel risico’s aan zitten, naar producten die minder negatieve effecten hebben, zoals

49


Volonté Générale 2014 - n°2

vervolgens te kijken hoe dat het beste aansluit bij de leefwereld van individuen en huishoudens. Dan blijken mensen geld op een heel andere manier gebruiken dan gedacht. Krediet hoeft dan niet tot minder armoede te leiden; je zou van het krediet ook een feestje kunnen organiseren. Daar is niets op tegen, want dat past blijkbaar in hun voorkeur. Het is van belang om vanuit de ontvanger te leren denken en kleinschalig te beginnen. Als iets werkt, kun je langzaamaan up-scalen. Maar als je zo de hele wereld moet bewerken – we hebben nog steeds 800 miljoen mensen die leven van minder dan één dollar per dag – zijn we heel lang bezig. Er is soms wat druk nodig om het proces te versnellen. Hoewel de echte kennis uit de experimentele hoek komt, denk ik dat beide richtingen, de planners en de searchers, nodig zijn.

Veel lage-inkomenslanden zijn bovendien doorgegroeid naar middeninkomenslanden, zoals Ghana, Kenia of Vietnam. Die landen zijn in staat belasting te heffen. Het financieren van je eigen ontwikkeling is daarmee een nationale verantwoordelijkheid geworden. Ongelijkheid binnen een land moet binnen het eigen politieke systeem opgelost kunnen worden. In de komende tien jaar komt er een einde aan ontwikkelingssamenwerking. Dan blijft er nog een behoorlijke hoeveelheid armoede over, maar vooral in landen met politieke of militaire problemen. Denk aan Sudan, Afghanistan, Congo en het noorden van Nigeria: fragiele staten. Denkt u dat ontwikkelingssamenwerking helemaal zal verdwijnen? Dit jaar vieren we dat Nederland 65 jaar geleden begonnen is met ontwikkelingssamenwerking, dat zal bij het 75jarig jubileum niet meer het belangrijkste mandaat van dit ministerie zijn. We zullen ons richten op andere problemen, zoals duurzame handelspatronen. Een heleboel hulpbronnen, waaronder vitale producten voor Nederland zoals koffie, thee en cacao, zullen schaars worden. En het tweede probleem dat nog veel meer geld vereist dan internationale samenwerking, is het klimaat. Het bedrag dat we aan international samenwerking besteden wordt misschien groter, maar de besteding wordt heel anders. Dat is niet erg, dat is ook het vieren van het feit dat landen dat nu zelf kunnen aanpakken. Ik zie dat als een succes. Vroeger was men heel sceptisch over ontwikkelingssamenwerking, omdat we nauwelijks resultaat zagen en de landen maar arm bleven. Maar ongeveer één procent van hun groei is te wijten, of te danken, aan die ontwikkelingssamenwerking uit het verleden. Investeringen in onderwijs en zorg leiden niet meteen tot economische groei, het heeft een vertragingsvoet van zes tot acht jaar. Die kinderen zijn nu aan het eind van hun school gekomen en gaan werken. Ze zijn gezond gebleven, dus zij produceren nu de nationale

Er is veel discussie over de verantwoordelijkheid van armoede in de wereld en in derdewereldlanden. Een visie is dat het Westen zijn welvaart te danken heeft aan voormalige koloniën. Denkt u dat het Westen verantwoordelijk is voor de armoede in de wereld? Het is onmiskenbaar dat we een groot gedeelte van onze welvaart te danken hebben aan onze koloniën. De startfase van landen is daardoor ongelijk geworden. Het is echter de vraag of de huidige situatie, waar we 150 jaar later leven, nog aangerekend mag worden aan het Westen. Dat vinden veel Afrikanen al lang niet meer. De meeste Afrikaanse landen zijn al meer dan vijftig jaar onafhankelijk en voelen zich in grote mate zelf verantwoordelijk voor hun ontwikkelingspatroon. In sommige landen is er zes à zeven procent groei, blijkbaar is het mogelijk om een behoorlijke groeivoet te bereiken, ook als er op een laag niveau wordt begonnen. Ik geloof niet dat er nu nog sprake is van een inkomensherverdeling op de langere termijn. De grootste verdelingsproblemen liggen nu binnen landen en minder tussen landen. Discussiëren over hoeveel ontwikkelingshulp we zouden moeten geven om die historische schuld te compenseren, dat is volgens mij niet meer aan de orde.

50


Volonté Générale 2014 - n°2

welvaart. Wat wij op dit moment aan groei zien in Afrika, is voor ongeveer een kwart tot een vijfde statistisch te danken aan de ontwikkelingssamenwerking van de afgelopen decennia. Best veel voor hulp die beperkt was.

al jarenlang niet tot een klimaatakkoord komen. De publieke zaak loopt achter, maar er schijnen eerst rampen te moeten gebeuren voordat er iets verandert. Iemand voorspelde voor volgend jaar een energiecrisis in Europa. Dat zou best kunnen gebeuren met de huidige spanningen in Oekraïne. Dat zal hier tot een heel ander gedrag- en investeringspatroon leiden. Pas door dat soort grote shocks zal beleid veranderen. Beleid is een hele grote olietanker, met maar hele kleine wendingen. Daar kan ik wat aan bijdragen, maar de echte omslagen komen door crises.

U geeft aan dat het weinig zinvol is om nu nog schulden van 150 jaar geleden, te verheffen. Westerse landen hebben op dit moment echter nog een grote voorsprong. Wereldhandelsverdragen zijn bijvoorbeeld nadelig voor de landen die het al moeilijk hebben. Dat klopt niet helemaal. De wereldhandelsafspraken zorgen ervoor dat alle armste ontwikkelingslanden vrij toegang hebben tot alle markten. Daarnaast kunnen lage inkomenslanden hun importen uit het Westen beperken en tarieven vragen, anders worden ze weggeconcurreerd. Dus er zijn in het handelsregime behoorlijk wat faciliteiten om die verschillen toch te waarborgen. Waar op dit moment het grote gevaar in ligt, is dat wij niet meer in VN- verband of wereldverband afspraken met elkaar durven maken, maar steeds meer tussen landenblokken. Het handelsverdrag tussen Europa en de Verenigde Staten heeft een negatieve uitkomst voor ontwikkelingslanden, want die zijn daar geen partij in. Maar de toekomst voor veel ontwikkelingslanden is om twee redenen nog niet zo slecht. Ten eerste heeft Europa een gebrek aan strategische grondstoffen. Grote bedrijven, zoals Unilever, gaan nu al steeds meer in het zuiden investeren omdat daar wel grondstoffen zijn. Ten tweede zijn onze markten verzadigd, we groeien nauwelijks meer. Bedrijven beseffen steeds meer dat de toekomst van de wereld vooral in het zuiden ligt, zowel als afzetmarkt van producten als voor de leverantie van vitale grondstoffen. Als wij dat niet zelf willen toegeven, dan komt het zuiden wel hier. Dan pakken ze een bootje naar Lampedusa. Overheden lijken dat nog minder te beseffen dan het bedrijfsleven.

Als u het voor het zeggen had, hoe zou het er dan over twintig jaar uitzien met ontwikkelingssamenwerking? Ontwikkelingswerk zal waarschijnlijk niet meer bestaan in zijn huidige vorm. Het zal meer gericht zijn op enkele brandhaarden. Aan de andere kant zal verbondenheid tussen landen een grotere rol spelen. Als er iets duidelijk is geworden de afgelopen twintig jaar, is dat verbondenheid van landen niet alleen te maken heeft met geld, maar ook met communicatie. Het idee van interdependentie zal zich over de hele wereld gaan voordoen. Ik zie die interdependentie, het feit dat mensen met elkaar communiceren, als iets positiefs. Het kan tot spanningen leiden, maar ook tot meer openheid over hoe processen in elkaar zitten en hoe de waarde verdeeld wordt. Absolute armoede raakt in snelle mate onder controle, maar de internationale verdeling van waarde nog niet. Het blijft toch heel merkwaardig dat van de chocoladereep die jij koopt, maar 2 procent naar de cacaoboer gaat. Dat is niet in orde. Dat soort dingen zijn nu nog niet openbaar, maar dat gaat wel gebeuren. De fabrieksarbeiders in Bangladesh kunnen dan inloggen op een systeem en zien wat iemand heeft betaald voor een T-shirt dat zij hebben gemaakt. Dan kan men zeggen: ‘Als mijn T-shirt voor zoveel wordt verkocht, dan krijg je het alleen als er dat bedrag voor wordt betaald’. Je hoeft er geen oorlog over te voeren, maar je moet er wel eerlijk over onderhandelen. Dat lijkt mij een wereld waar ik wel naar zou uitzien. 

Een mooie taak voor u? Het is vooral de taak van de publieke sector om erachter te komen waarom het bedrijfsleven dat wel inziet, terwijl overheden

51


Volonté Générale 2014 - n°2

Atoomnummers en ablatieven Brigitte Geurts Inmiddels is het zeven jaar geleden dat ik mijn eindexamen VWO deed. Een half jaartje eerder had ik eindelijk een beslissing kunnen maken over mijn studiekeuze: scheikunde. Dat ik besloot om scheikunde te gaan studeren, kwam niet omdat het mijn leukste of zelfs maar beste vak was op de middelbare school. Uiteindelijk waren mijn cijfers voor de meeste vakken hetzelfde en scoorde ik op Engels en Latijn zelfs hoger. Dat ik een bèta ben, kunnen mijn verzameling Rubik’s cubes en ik niet ontkennen. Maar ben ik dan automatisch geen alfa, ondanks mijn wandvullende boekenkast en passie voor taal en tekst? Ik zeg wel eens dat ik bij dag een bèta ben, en bij nacht een ‘halfa’ (halve alfa). Maar wat houdt het eigenlijk in om een bèta of (h)alfa te zijn en gaan die twee wel samen? In de natuurwetenschap worden de letters alfa en bèta te pas en te onpas gebruikt. In de biologie zien we het alfamannetje of –vrouwtje als baas van de groep. Het bètadier is de volger. Geldt dat ook voor mensen? Spelen alfa’s de baas over bèta’s? Natuurkundigen gebruiken alfa en bèta om verschillende soorten straling aan te duiden. Alfastraling heeft de grootste impact, maar kan al tegengehouden worden door een velletje papier. Bètastraling dringt verder door, maar heeft minder impact. Is de impact van alfawetenschappers ook groter en lokaler dan die van bèta’s? In de statistiek kennen we de alfa- en de bètafout, verschillende toetsingstheorema’s. Ook deze begrippen zijn alleen met een knipoog en de nodige generalisatie om te zetten in mensenkennis. Alfafout: bij het pakken van één knikker uit een vaas met dertig blauwe en zeventig rode knikkers is de kans op een blauwe een half: je hebt hem of je hebt hem niet. Bètafout: de gepakte knikker is tegelijkertijd blauw en rood, totdat hij geobserveerd wordt (Schrödingers knikker). Wanneer we buiten de natuurwetenschappen kijken, komen we alfa en bèta natuurlijk tegen in de Griekse taal, en in ons woord alfabet. De woorden alfa en bèta zijn dan weer afgeleid van de Fenicische woorden aleph en beth, die os en huis betekenen. Ik geloof niet dat ik zover moet gaan om alfa’s en bèta’s met gecastreerde runderen of woningen te vergelijken... Misschien dat we in de religiewetenschap wel het beste antwoord vinden: ‘Ik ben de Alfa en de Omega’. Geen tweedeling meer, ik ben gewoon alles tegelijk. Van begin tot einde. Het is dus niet je studiekeuze die bepaalt of jij een alfa of een bèta bent. Het is ook niet je talent of je interesse. Je bent beide tegelijkertijd. We zijn allemaal een ‘halfa’ en een beetje bèta. Het zijn de academici zelf die er een stempeltje op drukken. Zij vinden dat er maar één optie mogelijk is. We zijn Schrödingers wetenschappers: zowel alfa als bèta totdat iemand bedenkt dat we maar één van die twee kunnen zijn. Maar zou deze ambigue kwantumtoestand niet voor altijd kunnen zijn? Werkgevers zijn gek op de woorden ‘multidisciplinair’ en ‘grensoverschrijdend’. Misschien is het tijd dat we ophouden onszelf in hokjes te plaatsen. En als je te comfortabel bent geworden in je alfa- of bètahokje, probeer dan in ieder geval de muur tussen deze hokjes af te breken. We hoeven niet te kiezen tussen de os en het huis: de os mag gewoon mee het huis in. Zo kunnen we met de wetenschap ver doordringen én een grote impact hebben. Ik pleit voor alfa’s en bèta’s die samen voor onze maatschappelijke kudde zorgen, voor Rubik’s cubes in de boekenkast en voor scheikundeles in het Latijn. Dan gaat de wetenschap een gouden toekomst tegemoet. Au, atoomnummer 79, aurum-auri-auro-aurum-auro, aura-aurorum-auris-aura-auris.  Brigitte Geurts (1989) is promovenda Analytische Chemie aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

52


Volonté Générale 2014 - n°2

TED: Welke ideeën zijn het waard om verspreid te worden? Nienke van Zwieten In de jaren ’80 en ’90 verwees de afkorting ‘TED’ slechts naar een conferentie over technologie, elektronica en design. Nu, zo’n twintig jaar later, staat deze non-profit organisatie vooral bekend om zijn ‘talks’: De TED-talks. Het archief op de website is ondertussen al gevuld met meer dan 1700 speeches, honderden onderwerpen en sprekers afkomstig uit ten minste honderd verschillende landen. TED’s missie? 1 Het delen van ‘Ideas worth spreading’. Ideeën afkomstig uit verschillende uithoeken van de wereld. Ideeën van ‘The world’s most inspired thinkers’ – de meest geïnspireerde denkers van de wereld. Ideeën die door TED zonder drempel beschikbaar worden gesteld voor iedereen die het maar wil zien. Het klinkt bijna te mooi om waar te zijn. Of toch niet?

is alive can find nirvana’. Een verrassend en onverwacht inzicht van een neuroanatomiste die haar eigen beroerte heeft kunnen onderzoeken. De Nigeriaanse auteur Chimamanda Ngozi Adichie vertelt zoals Bolte Taylor een persoonlijk verhaal met een boodschap in The Danger of a Single Story.3 De rode draad in haar talk is haar persoonlijke achtergrond en de ‘single stories’ die zij in haar leven is tegengekomen. Het begrip ‘single story’ verwijst hier naar een eenzijdig verhaal over een persoon of een groep mensen, vaak tot stand gebracht door de media. Zo beschrijft Adichie de koude douche die haar te wachten stond toen ze voor het eerst uit Nigeria vertrok om te studeren in de Verenigde Staten. Hier ondervond ze dat ze keer op keer werd benaderd en beoordeeld vanuit een eenzijdig perspectief over Afrika in zijn geheel. Haar kamergenote verwachtte dat ze geen of gebrekkig Engels zou spreken en niet zou weten hoe een fornuis te gebruiken. Haar leraar vertelde haar dat het boek dat ze had geschreven niet authentiek Afrikaans was, omdat de personages niet arm en hongerig waren en te veel overeenkwamen met hem – een hoog opgeleide en werkende man. Met andere woorden, de professor vond haar personages en het verhaal te Westers en dus kon het verhaal niet authentiek Afrikaans zijn. Ook maakt ze duidelijk dat ze niet alleen onderwerp is geweest van een single story, maar dat ook zij verteller en drager is van eenzijdige verhalen. Dat we allemaal zowel onderwerp als verteller zijn van single stories. Het doel van haar talk is dan ook niet om de stories zelf te doen verdwijnen, maar om een bewustzijn te creëren. Zoals ze zelf zegt: ‘The single story creates stereotypes. The problem with stereotypes is not that they are untrue, but that they are incomplete. They make one story become the only story’.

‘Ideas’ en ‘Inspired Thinkers’ Het valt zeker niet te betwisten dat TED een gevarieerde en interessante selectie heeft weten te verzamelen. Neem bijvoorbeeld de populaire My Stroke of Insight 2 van de Amerikaanse Jill Bolte Taylor. In achttien minuten beschrijft de neuroanatomiste haar beleving van het herseninfarct dat haar op 37jarige leeftijd overviel. De storing vond plaats in haar linker hersenhelft – ook wel bekend als de logische hersenhelft – die in haar beleving onregelmatig aan en uit ging. Als gevolg van de knippertoestand van deze hersenhelft, kwam haar rechter hersenhelft – ook wel bekend als de creatieve hersenhelft – sterk tot uiting. Al met al leidde het infarct tot een geestige dialoog tussen de twee hersenhelften. Als Bolte Taylor later die dag wakker wordt in het ziekenhuis is ze ervan overtuigd dat ze de Boeddhistische nirvana – verlichting – heeft ervaren in de momenten dat haar linker hersenhelft haar in de steek liet. Aan het einde van haar talk deelt ze met tranen in haar ogen haar gewonnen insight: ‘But I’m still alive and I have found nirvana. And if I have found nirvana and I’m still alive, then everyone who

53


Volonté Générale 2014 - n°2

zijn moet er wel degelijk betaald worden. De prijzen voor aanwezigheid voor de komende conferenties liggen tussen de € 3.118,- en € 6.236,- en geïnteresseerden moeten een motivatie insturen5 6. TED is dus een tikkeltje meer elitair dan zijn idealistische beschrijving doet geloven. Maar laten we eerlijk zijn, de organisatie moet ook ergens de financiering vandaan halen om zijn idealen waar te maken. En het mag het ook gezegd worden dat TED, in tegenstelling tot veel andere grote mediabedrijven, zonder twijfel sprekers uitnodigt met alternatieve, innovatieve en zelfs onconventionele of paradoxale ideeën. Desalniettemin blijft de bittere nasmaak hangen. Dus ja, hoewel het te mooi is om waar te zijn, is het toch een stap in de goede richting. 

De bittere nasmaak Dit zijn maar twee van de vele onconventionele, creatieve, aangrijpende en unieke verhalen die deze videotheek te bieden heeft. TED lijkt zijn ideaal na te streven: de ideeën zijn het ongetwijfeld waard om verschillende uithoeken van de wereld te bereiken en de sprekers zijn zowel geïnspireerd als inspirerend. Toch laat de organisatie in zijn grootsheid een bittere nasmaak achter. Ideas worth spreading, ja. Maar wie bepaalt welke ideeën het verdienen om verspreid te worden? De biografieën die beschikbaar zijn bij elke talk laten zien dat de sprekers vaak een bepaalde maatschappelijke positie hebben bereikt. Zo is Jill Bolte Taylor een succesvolle neuroanatomiste en Chimamanda Ngozi Adichie een auteur met gepubliceerde boeken. De twee nieuwste speeches zijn van Sebastian Junger en Wes Moore, respectievelijk een documentaire maker en een bekende oorlogsveteraan. Zelfs een onwillekeurige greep uit de ‘hidden gems’4 – verborgen diamanten – afdeling leidt tot dezelfde conclusie: ‘the world’s most inspired thinkers’ met ‘ideas worth spreading’ verwijst naar een bepaalde maatschappelijke groep, naar een elite. Bedoeld of onbedoeld lijkt er zich een TED talk-profiel te hebben ontwikkeld dat behalve de bovenstaande kenmerken nog een andere eigenschap bevat: bekendheid. Hoewel dit kenmerk op vele manieren binnengehaald kan worden, sluit het meer mensen uit dan in. Deze bittere smaak deelt zijn plaats met de claim van TED dat de ideeën voor iedereen beschikbaar zijn. Ja, het grootste deel van de talks zijn online op verschillende plekken te vinden en nee, voor TED.com of de video’s zelf zijn er geen toelatingseisen noch toelatingsprijzen. Gratis en open voor iedereen. Met uitzondering van de nieuwste videos zijn er zelfs ondertitelingen beschikbaar in veertig verschillende talen. Maar wat TED hier lijkt te vergeten is dat niet iedereen toegang heeft tot het internet. En voor internet zijn er wel degelijk toelatingsprijzen; zei het een abonnement of pay per use. Nog paradoxaler zijn de conferenties en de opnames van de talks. Om hierbij aanwezig te

Nienke van Zwieten (1991) is onlangs afgestudeerd aan de University College Roosevelt (Universiteit Utrecht) als socioloog/antropoloog.

                                                                                                         

Technology, Entertainment & Design, ‘About: Our organization’, beschikbaar via: http://www.ted.com/about/our-organization (geraadpleegd op 23 mei 2014). 2 Jill Bolte Taylor’s My Stroke of Insight (TED 2008) is door Technology, Entertainment & Design beschikbaar gemaakt op: http://www.ted.com/talks/jill_bolte_taylor_s_powerful_ stroke_of_insight (geraadpleegd op 23 mei 2014). 3 Chimamanda Ngozi Adichie’s Danger of a Single Story (TEDGlobal 2009) is door Technology, Entertainment & Design beschikbaar gemaakt op: http://www.ted.com/talks/chimamanda_adichie_the_da nger_of_a_single_story (geraadpleegd op 24 mei 2014). 4 Technology, Entertainment & Design, ‘TED: Ideas worth spreading’, beschikbaar via: http://www.ted.com/ (geraadpleegd op 23 mei 2014). 5 Technology, Entertainment & Design, ‘Attend: Conferences’, beschikbaar via: http://www.ted.com/attend/conferences (geraadpleegd op 23 mei 2014). 6 De lokale, onafhankelijk georganiseerde TEDx evenementen zijn over het algemeen wel toegankelijk voor iedereen en zijn of gratis of vragen een entree van maximaal €73 om het evenement te financieren. Zie: Technology, Entertainment & Design, ‘TEDx rules’, beschikbaar via: http://www.ted.com/participate/organize-a-local-tedxevent/before-you-start/tedx-rules (geraadpleegd op 24 mei 2014). 1

54


Volonté Générale 2014 - n°2

De Tweede Wereldoorlog in 100 voorwerpen Chris van Gorp De komende twee jaar staat de Tweede Wereldoorlog weer volop in de aandacht. Dit is simpel te verklaren; in 2014 is het 70-jarig jubileum van D-Day en Operatie Market Garden – het begin van de bevrijding van Nederland - en in 2015 het jubileum van de Duitse en Japanse capitulatie waarmee de Tweede Wereldoorlog tot een eind kwam. En met jubilea komt nu eenmaal een opleving in aandacht voor het onderwerp. Zo zond de Publieke Omroep de serie Na de Bevrijding uit, is het leven van Anne Frank voor het eerst op het toneel te zien en verschijnen er ongetwijfeld weer veel publicaties over ‘de Oorlog’ op zowel lokaal, nationaal en internationaal niveau. De Kunsthal te Rotterdam besloot Ad van Liempt (bekend van o.a. Nova, Andere Tijden en diverse publicaties over de Tweede Wereldoorlog) aan te trekken als gastcurator en gaf hem een van de tentoonstellingsruimtes om aldaar een expositie over de Tweede Wereldoorlog samen te stellen. Uit de collecties van 25 Nederlandse oorlogs-, bevrijding- en herdenkingsmusea en enkele privécollecties koos hij 100 voorwerpen die volgens hem het exposeren waard zijn. 1 De tentoonstelling is een groot succes, binnen één maand trokken ruim 35.000 mensen naar de Kunsthal om haar te zien.2 De opzet is vrij simpel. In een grote lege ruimte zijn 99 voorwerpen geplaatst (het honderdste voorwerp, een tank, is om praktische redenen buiten de Kunsthal te bezichtigen) op sokkels en voorzie deze van een begeleidende tekst en nummer. Hoewel de honderd voorwerpen chronologisch geordend zijn is er geen vaste volgorde, geen looproute. Pak je de lift dan kom je uit bij het eerste voorwerp, pak je de looproute naar boven kom je uit bij de laatste paar voorwerpen uit de tentoonstelling. Men kan dus zelf bepalen wat men wil zien, in welke volgorde en wanneer. Er zijn genoeg in het oog springende voorwerpen die gelijk je aandacht trekken

(denk aan een enorme SS vlag, het ‘foute’ schilderij De Nieuwe Mensch en een amfibisch voertuig wat geallieerde troepen gebruikten bij de landing op Walcheren) waardoor het verleidelijk is langs de kleinere voorwerpen heen te lopen. Dit zou echter zonde zijn, aangezien hier ook zeer interessante stukken tussen zitten. Men kan hierbij denken aan de knikkers van Anne Frank – het pronkstuk van de tentoonstelling – maar ook aan een kindertruitje van hondenhaar gebreid tijdens de koude Hongerwinter van 1944-45 en een tondeuse waarmee destijds de zogeheten 3 ‘moffenmeiden’ kaalgeschoren zijn. Er is een mooie balans tussen de voorwerpen waarmee we allemaal bekend zijn en die we direct aan ‘de Oorlog’ koppelen (denk aan het beruchte bordje met het opschrift Voor Joden Verboden), en voorwerpen waarbij deze koppeling aan de oorlog minder voor de hand ligt. Zo zijn er voorwerpen die je raken, juist door het verhaal wat erachter zit: een stuk hout is niet bijster interessant, totdat blijkt dat het een biels van de Birma spoorweg is. Maar ook een typemachine waarbij een van de toetscombinaties het SS logo produceerde, of een Sinterklaaspak waarbij men de cape en mijter gebruikte als opbergruimte tijdens het distribueren van illegale krantjes. Persoonlijk werd ik erg geraakt door één van de vijf originele houten herdenkingskruizen die in 1945 op de Waalsdorpervlakte geplaatst werd ter herdenking van de aldaar geëxecuteerde verzetsleden. Ik rilde bij het zien van het sinistere bord dat op het perron van Westerbork stond met het opschrift: “Westerbork Auschwitz, AuschwitzWesterbork”, waarmee de suggestie van een mogelijke terugreis gewekt werd. Een reis die nooit kwam. Maar het meest indrukwekkende vond ik zelf een rol gele stof. Ik ben bekend met de Holocaust en de industriële schaal en organisatie ervan, heb de bergen koffers en

55


Volonté Générale 2014 - n°2

haren in Auschwitz gezien, maar deze simpele lap gele stof bedrukt met sterren maakte het voor mij eensklaps duidelijk dat ook de Jodenvervolging in Nederland een industrieel proces was. Kippenvel.4 Wat ook interessant is, is dat de tentoonstelling aan de ene kant vergeten verhalen en angsten aankaart, maar ook duidelijk een product van deze tijd is en daardoor enkele duidelijke eigentijdse keuzes en prioriteiten legt. Zo raakte ik bekend met een deels uitgevoerde operatie van de Duitsers om alle kerkklokken in te zamelen om deze vervolgens te smelten en als grondstof voor kanonnen te gebruiken, gesymboliseerd door een kerkklok die het wel overleefd heeft. Maar ook de angst voor de inzet van gifgas – een niet irreële angst in 1940 met de horrorverhalen van de Eerste Wereldoorlog nog vers in het achterhoofd – werd mooi in beeld gebracht door een kinderwagen van staal en plexiglas om de kinderen van Prinses Juliana te beschermen tijdens een mogelijke gifgas aanval. Een duidelijk voorbeeld dat aantoont dat elke generatie haar verleden op een eigen manier analyseert, interpreteert en vertelt, is de aandacht die de tentoonstelling heeft voor de oorlog in Azië en NederlandsIndië. Hiervoor is de laatste jaren steeds meer aandacht gekomen. Het meest interessante en illustratieve voorbeeld vond ik zelf de vulpen van de Anton de Kom, Surinaamse nationalist (auteur van Wij slaven van Suriname) die door deze activiteiten gedwongen werd in Nederland te wonen en tijdens de Oorlog in Den Haag redactielid van het linkse verzetsblad De Vonk werd. Hij werd opgepakt en overleed in 1945 in het concentratiekamp Kamp Sandbostel. De pen van iemand die deze als zwaard gebruikte om onrecht te bestrijden. Zelden zei een klein, simpel gebruiksvoorwerp zoveel.5 De tentoonstelling is een absolute aanrader voor iedereen met ook maar enige interesse in de Tweede Wereldoorlog. Het is dan ook zonde dat deze expositie slechts tot en met 5 mei te bezichtigen is. Een tentoonstelling die zo goed doordacht is, verdient het om verlengt te worden. Mocht je

de komende maanden in de buurt van Rotterdam zijn, is het bijna misdadig om de Kunsthal links te laten liggen.  | De tentoonstelling ‘De Tweede Wereldoorlog in 100 Voorwerpen’ is nog tot en met 5 mei 2014 te bezichtigen in de Kunsthal te Rotterdam. Zie www.tweedewereldoorlog.nl/100voorwerpen/ en www.kunsthal.nl voor meer informatie.

Chris van Gorp (1986) studeerde Politieke Geschiedenis en Conflict Studies. mastertitels in Politieke Geschiedenis en in Conflict Studies. Momenteel is hij als gids en medewerker educatiebeleid verbonden aan het Nationaal Bevrijdingsmuseum 1944-1945 te Groesbeek.

                                                                                                          1

‘De Tweede Wereldoorlog in 100 voorwerpen’, Aankondiging website Kunsthal (zonder datum) online beschikbaar via: http://www.kunsthal.nl/22-734-DeTweede-Wereldoorlog-in-100-voorwerpen.html (geraadpleegd op 11 april 2014). 2 A. Graaff, “De Tweede Wereldoorlog is handel. Nu in Rotterdam.’, HP de Tijd (19 maart 2014) online beschikbaar via: http://www.hpdetijd.nl/2014-03-19/detweede-wereldoorlog-is-handel-nu-in-rotterdam/ (geraadpleegd op 20 maart 2014). 3 Nationaal Comité 4 en 5 Mei, De Tweede Wereldoorlog in 100 Voorwerpen; Gids bij de tentoonstelling (Rotterdam 2014) 39, 47, 67, 80, 87 en 96. 4 Nationaal Comité 4 en 5 Mei, De Tweede Wereldoorlog in 100 Voorwerpen, 10, 24, 32, 38, 40, 61 en 81. 5 Ibidem, 1, 15 en 45.

56


Volonté Générale 2014 - n°2

Park Lingezegen Jacob van Hoof Over dit pad langs de rivier fiets ik naar mijn werk. In deze contreien is de Linge nog nauwelijks meer dan een uitgestrekt kanaal met een onberoerd waterdek. Enkel een briesje of wat flipperende koetenvoeten maken dat ze hier en daar wat in haar eigen sop kringelt, maar meer ook niet. Het zijn de begindagen van het voorjaar van veertien en met deze wind in mijn rug voel ik de eerste zonnestralen nog voorzichtig maar ongestoord mijn onderarmen warmen. Ik heb er mijn mouwen speciaal voor opgestroopt. We zijn er weer, de zon en ik, op deze dag en in dit licht. In deze setting maakt mijn verbeelding overuren en forens ik niet alleen van en naar mijn werk, maar ook heen en terug door de tijd – zo is fietsen verbeelden en wordt verbeelden dichten. Want weemoedig mijmerend over het voorgaande voorjaar waarin ik haar rond deze datum voor het eerst had ontmoet en moet hebben aangesproken, zigzag ik vandaag tussen de strepen op de weg nog een aantal seizoenen verder het verleden in. Een aantal jaar geleden vond ik door dit gebied in Over-Betuwe, dat nu Park Lingezegen is gedoopt, voor het eerst mijn route over landwegen, sluiproutes en een aan haar lot overgelaten verlaten fietspad. Hier flitste ik met mijn snelle fiets de landerijen door het gescheurde asfalt over en genoot als de teller de vijfendertig aantikte. Zo ging ik voorbij aan oranje-bruine boerderijen met ramen waardoor ik na het vallen van de avond in het licht van de TV de fruitteler eenzaam op de bank zijn tabak zag pruimen en de wilgen die ernaast langs braakliggend terrein bedroefd hun zware kruinen bogen. Terwijl ik me opgetogen bewoog door de huidige realiteit van nieuwbakken vrijheid maakte mijn adolescente bevlogenheid van Park Lingezegen in alles nog meer een plek in ruste. We zijn inmiddels een aantal jaar verder. Sindsdien verloor een scooterrijder die in een schitterende curve langs mij schoot verderop de macht over zijn stuur en vond hij zo de dood. Ik doorkruis dit gebied tussen waar ik woon en waar ik werk godzijdank nog iedere dag en elke zeventiende van de maand gaan mijn gedachten even naar hem uit. Terugkijkend op de jaren die zich met de seizoenen door het verleden aaneen geregen zagen, heb ik om me heen een transitie meegemaakt. Park Lingezegen ligt namelijk alweer een tijdje op de schop. Overdag wordt er met grof geschut gegraven en geploegd en ’s avonds staan ze naast de treurwilgen evenzo met hun klauwen naar de grond gekromd uitgebromd in lijn opgesteld. Het is alsof men hier letterlijk het onderste naar boven haalt. Plots op een doordeweekse morgen waren de wegen gemarkeerd met felblauwe ANWB-bordjes en bleken er bovendien langs de route diverse informatiepanelen uit de grond te zijn gestampt die vanuit meerdere hoeken over de verre velden uitkeken. Toen ik er uiteindelijk bij eentje halt hield, las en leerde ik dat onder dit nieuwe asfalt met haar versgeverfde strepen in de winter van vierenveertig zowaar de frontlijn van Operatie Market Garden getrokken was. In de Tweede Wereldoorlog bleek er heftig te zijn gevochten tussen de oprukkende Geallieerden en de Duitsers die de Britse 50ste infanteriedivisie hier tussen twee bruggen voor even tegen wisten te houden. Ik tuurde over de stille Linge en liet door haar mijn verbeelding stromen. Het besef dat ik op weg naar mijn kantoorbaan al die jaren achteloos en brutaal over de frontlinie was heengereden (en als ik nu niet snel weer opstapte om het weer te doen ik bovendien straks te laat de werkvloer zou oplopen) maakte van mij plots weer een jongetje. Ik schoof mijn muts als een helm tot over mijn wenkbrauwen, brulde even later mee met de wind (het schreeuwgeweld van de huidige generatie Britse rockbands trapt nou eenmaal lekker weg) en in het tegenlicht van de vuurrode zon kregen opstijgende reigers de contouren van luchtschepen log klapwiekend om mij heen. Stug trapte ik door langs Bolwerk Bemmel en was pas veilig wanneer ik de nieuwbouwwijken van Arnhem-Zuid bereiken zou. Na een lange dag vertok ik ’s avonds van mijn werk terug naar huis en merkte dat het een stuk kouder was geworden. Ik meende dat het zelfs een beetje regende toen ik vanonder mijn capuchon in de verte in de schemering de bushalte zag liggen. Ik zocht er dekking en zag het jonge 57


Volonté Générale 2014 - n°2

stel waar ik in de dorpsbus wel vaker tegenover ging zitten en waarvan de jongen na meerdere ritten nog steeds niet het fijne wist van zoenen, laat staan van oorlogvoeren. In het besef dat mijn getreden sporen later nooit door iemand anders dan ikzelf zouden worden herdacht snelde ik voortaan over het Patrouillepad.  Jacob van Hoof (1981) is dichter en schrijver die publiceert onder het pseudoniem 'Djeekop de Dichter'.

58


Profile for Volonté Générale

Volonté Générale 2014-2  

Het tweede nummer van de vierde jaargang van het tijdschrift waarin het debat over maatschappij, (wereld)politiek, filosofie, economie, kuns...

Volonté Générale 2014-2  

Het tweede nummer van de vierde jaargang van het tijdschrift waarin het debat over maatschappij, (wereld)politiek, filosofie, economie, kuns...

Profile for vlntgnrl
Advertisement