Page 1


Volonté Générale 2012 - n°4

Inhoudsopgave Hoofdredactioneel

3

Reacties

Van buik tot blog Karlijn Olijslager

4

‘Man is not the enemy, but the fellow victim.’ Tim Riswick

7

Discussieartikelen ‘G500’

G500: vloek of zegen voor de democratie? Peter van der Heiden

11

Politieke verjonging: G500 Jony Ferket

13

Crisis en critiek der G500 Mike van de Weijer

16

Artikelen ‘Degenen die zulke fundamentele vondsten van een nieuw paradigma doen, zijn bijna altijd erg jong of hebben pas net kennis gemaakt met het terrein waarvan ze het paradigma veranderen.’ Thomas S. Kuhn, De structuur van wetenschappelijke revoluties (Vijfde druk; Amsterdam 2003) 140.

Het communistisch planbureau? René Vonk

20

De lobbyparagraaf Roel van den Tillaart

25

De kracht van het placebo-effect Anna Tuenter

29


Volonté Générale 2012 - n°4

De smeulende conflicthaard NoordIerland Chris van Gorp

34

Ruimte voor discussie? Boudewijn Wijnacker

40

Ik ga liever de barricades op! Interview met Nienke Venema

46

Columns & recensies

Volonté Générale is een tijdschrift voor jonge intellectuelen waarin debat centraal staat. Het doel van dit tijdschrift is de wereld te analyseren en mensen aan het denken te zetten over maatschappij, (wereld)politiek, filosofie, economie, kunst en universiteit.

Verkiezingsnacht Johannes Visser

51

Colofon

Beschouwing van De stem van de Doden Lisa Doeland

53

Hoofd- en eindredactie Martijn van den Boom Gaard Kets Jan Maas

Kleinburgerlijkheid in de DDR Martijn van den Boom

56

Komt dat zien, maar niet beleven! Jacob van Hoof

59

Minister zonder portefeuille Joep Willemsen

62

Vacature

63

Medewerkers aan dit nummer Lisa Doeland, Jony Ferket, Chris van Gorp, Peter van der Heiden, Jacob van Hoof, Karlijn Olijslager, Tim Riswick, Roel van den Tillaart, Anna Tuenter, Johannes Visser, René Vonk, Mike van de Weijer, Boudewijn Wijnacker en Joep Willemsen. Contactgegevens email: vlntgnrl@gmail.com internet: www.volontegenerale.nl Aanmelden abonnement Voor gratis digitale toezending kunt u zichzelf via het bovengenoemde email-adres aanmelden. Aanleveren stukken Uitsluitend per email onder vermelding van contactgegevens en een korte persoonsbeschrijving. De hoofdredactie houdt zich het recht voor zonder opgaaf van reden stukken te weigeren. Sluitingsdatum volgende uitgave: 30 januari 2013. Copyright © Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd op welke manier dan ook voor commerciële doeleinden, vraag hiervoor eerst toestemming van de hoofdredactie en de auteur(s).


Volonté Générale 2012 - n°4

Hoofdredactioneel Het was een roerige herfst. Niet alleen het bestuur van globale politieke grootmachten zoals China en de Verenigde Staten veranderde, ook in Nederland wisselden na het tellen van de stemmen een aantal zetels van persoon. De koers die zal worden uitgestippeld, is gebaseerd op een samenwerking tussen de VVD en de PvdA. Iets wat deze partijen reeds delen, is dat zij afgelopen zomer een groep opvallend jonge leden erbij kreeg die niet alleen van de ene, maar ook van de andere partij lid werd. Dit georganiseerd vernieuwingsinitiatief is beter bekend als G500. In dit nummer van Volonté Générale geven Jony Ferket, één van de initiatiefneemsters, en Mike van de Weijer, een criticus, hun visie op de gedachte de Nederlandse politiek te verjongen en de democratie verder te ontwikkelen. Naast een discussie over dit vernieuwingsinitiatief bevat dit nummer ook stukken over organisaties die al langer invloed uitoefenen op de Nederlandse politiek. Roel van den Tillaart gaat in zijn artikel niet alleen in op de wijze waarop belanghebbenden politieke keuzes kunnen beïnvloeden, maar geeft ook tekst en uitleg over de lobby als onderwerp van het politieke debat. Echter, naast de invloed van organisaties en belanghebbenden in het nationale, politieke krachtenveld, oefent het Centraal Planbureau (CPB) significante invloed uit op partijprogramma’s en Haagse keuzes die voor elke burger van belang zijn. René Vonk geeft in een artikel zijn visie op de invloed van het CPB-cijfermateriaal op het Nederlandse politiek bedrijf. Hoewel dit hoofdredactioneel tot nu toe anders doet vermoeden, bevat dit nummer Volonté Générale niet alleen artikelen met een focus op de debatten van politiek Den Haag: de discussie over de hedendaagse genderrolpatronen duurt in dit nummer onverminderd voort. Daarnaast gaat Anna Tuenter in op de consequenties van het placebo-effect met betrekking tot het antidepressiva-gebruik in de samenleving, verdiept Boudewijn Wijnacker zich in de verhouding tussen architectuur en menselijke handelen, en neemt Chris van Gorp de conflicten in NoordIerland onder de loep. Natuurlijk wordt ook dit nummer weer gekenmerkt door columns van Joep Willemsen en Johannes Visser. Zij laten hun licht schijnen op respectievelijk het ministerie van ontwikkelingssamenwerking en het buitenlandbeleid van de Verenigde Staten. Voor Visser is het zijn laatste bijdrage. Graag willen wij hem van harte bedanken voor zijn prikkelende teksten en fijne samenwerking het afgelopen jaar. Het einde van het jaar komt in zicht. De duisternis slokt steeds meer tijd van de dag op. In combinatie geven deze twee niet alleen de mogelijkheid om de gedachten over het afgelopen jaar te laten gaan, maar bieden zij ook gelegenheid om over de toekomst na te denken. Wij zien deze gedachten graag tegemoet! Een goed laatste beetje 2012 en een allerbest, mooi 2013 toegewenst!  Martijn van den Boom, Gaard Kets, Jan Maas 3


Volonté Générale 2012 - n°4

Liang de Beer en Dieuwertje ten Brinke schreven in het artikel ‘Wat is feminisme 3.0?’ over de rol van vrouwen in de huidige samenleving. Door middel van de blog Bitches&Barnicles willen zij het debat over emancipatie van een nieuwe impuls voorzien. De onderstaande twee reacties reflecteren op het artikel van De Beer en Ten Brinke.

Van buik tot blog Karlijn Olijslager Liang de Beer en Dieuwertje ten Brinke gaven met hun artikel ‘Wat is Feminisme 3.0’ het startsein voor een stevig debat over de inhoud van dit ‘nieuwe’ feminisme. 1 Hun missie is daarmee al gedeeltelijk geslaagd: uiteenlopende reacties van hoogopgeleide vrouwen die stelling nemen in het emancipatiedebat. Tevens bewijst het hun stelling dat het feminisme geen voltooid verleden tijd is. Ongelijke carrièrekansen en hoogopgeleide ambitieloze thuisblijfmoeders: ‘Het is alsof de tweede feministische golf nooit heeft plaatsgevonden.’ 2 Dat geldt echter niet alleen voor de hedendaagse status quo van de emancipatie, maar ook voor de definitie van feminisme 3.0 die De Beer en Ten Brinke presenteren. Voor invullingen van het feminisme anno 2012 kunnen we teruggrijpen op een rijke geschiedenis, maar daar is tot nu toe in de reacties niet bij stilgestaan. Daarom pleit ik voor een meer historisch bewuste invulling van het feminisme. Academie en activisme zijn mijns inziens geen gescheiden sferen, aangezien juist feministische verledens kunnen helpen bij het opmaken van de feministische balans en het uitzetten van een toekomstgerichte koers. Om met Donna Haraway, één van de bekendste feministische theoretici, te spreken: ‘All is not to be done from scratch.’3 De voorstelling van het feminisme in genummerde golven veronderstelt een vooruitgang. Door de toevoeging 3.0 wordt het feminisme het digitale tijdperk ingetrokken waarin een hoger nummer niet alleen een nieuwe, maar vaak ook een betere versie impliceert: Windows 8 is beter dan Windows 7 en de nieuwe iPhone 5 is de verbeterde iPhone 4. Het nieuwe feminisme 3.0, nu nóg inclusiever, heterogener en diverser dan de vorige versie! Dit vooruitgangsverhaal belemmert het feministisch zicht op de toekomst, omdat het de schijn wekt dat gelijkheid tussen mannen en vrouwen in deze tijd is bereikt.4 In                                                                                                           1

L. de Beer en D. ten Brinke, ‘Wat is Feminisme 3.0?’, Volonté Générale n°1 (2012) 26-30, aldaar 27, beschikbaar via: http://www.volontegenerale.nl/post/18791274342/vg02-1 (geraadpleegd op 22 oktober 2012); De hier op volgende nummers bevatten reacties op dit stuk. 2 De Beer en Ten Brinke, ‘Wat is Feminisme 3.0?’, 27. 3 D. Haraway, ‘Situated knowledges: the science question in feminism and the privilige of partial perspective’, Feminist Studies 14, 3 (1988) 575-599, aldaar 586. 4 I. van der Tuin. ‘Van verstikkend naar visionair. Een feministisch epistomologische verkenning van de effecten van het golfmodel in genderonderzoek’, Tijdschrift voor genderstudies 2 (2010) 72-84, aldaar 81; Saskia Bultman merkt in haar reactie terecht op dat de term feminisme te weinig uitdrukt dat mannen ook nadelig kunnen worden beïnvloed door genderongelijkheid en verschillen in etniciteit. Ongelijkheid op de arbeidsmarkt bij mannen onderling of tussen vrouwen door verschillen in etniciteit spelen bijvoorbeeld een niet te verwaarlozen rol. In deze reactie ga ik daar niet nader op in, maar het is belangrijk om erop

4


Volonté Générale 2012 - n°4

het verlengde hiervan lijkt de vraag ‘is dit nieuwe feminisme nog wel nodig?’ legitiem. Dat maakt het ook moeilijk om een duidelijk antwoord te geven op de vraag ‘wat is feminisme 3.0?’. De emancipatie van het emancipatiedebat zoals De Beer en Ten Brinke voorstaan, is dan ook een goede aanzet, want een probleem als ongelijke carrièreperspectieven kan dan zichtbaar en bespreekbaar worden gemaakt. In hun invulling van het feminisme 3.0 kan ik me echter minder vinden, omdat die voor een groot deel gebaseerd is op een reductie van het feminisme van de tweede golf. De Beer en Ten Brinke stellen dat het heruitvinden van het ‘oude feminisme’ niet voldoende is en presenteren een ‘nieuw’ feminisme waarvan ik me afvraag of dit wel zo ‘nieuw’ is. Zij stellen in hun introductie dat deze generatie feministen zich probeert te positioneren ten opzichte van vorige generaties. 5 Deze voorgaande generaties en het feminisme van de tweede golf worden echter wel heel makkelijk als een homogene beweging afgeschilderd ten opzichte van het nieuwe heterogene feminisme 3.0. Door het feminisme 3.0 te definiëren als een heterogene mindset waarin consensus geen vereiste is en diversiteit en individualiteit hoog in het vaandel staan, veronderstellen zij dat het ‘oude feminisme’ dit allemaal niet was. Hoe kan deze generatie feministen zich positioneren ten opzichte van voorgaande generaties als we niet eens weten wie deze generaties vormden, waar zij voor stonden en hoe zij probeerden hun mindset uit te dragen? Historische wortels kan je verbloemen, maar daarmee zijn ze nog niet uitgeroeid. Het feministisch gedachtegoed en actierepertoires worden vaak gedefinieerd in termen van oud en nieuw. De beruchte blote dames van de Oekraïense feministische groep Femen zien het feminisme in Europa als ‘een oude zieke vrouw.’6 De activisten van Femen vinden het zelf vernieuwend om hun lichaam in de feministische strijd te gooien. Nu is er volgens mij geen leus zo bekend als ‘baas in eigen buik’: het lichaam is één van de populairste media van feministen geweest in hun strijd voor gelijke rechten en brede maatschappelijke veranderen waarbij het persoonlijke steeds politieker werd. De nadruk die De Beer en Ten Brinke leggen op zelfdefinitie, individuele ontwikkeling en identiteit waren veelbesproken thema’s in de praatgroepen die zo kenmerkend waren voor de tweede golf. Oude thema’s, maar nu uitgedragen via een blog (een feministische praatgroep anno 2012?) in plaats van een beschreven buik. De Beer en Ten Brinke stellen dat de golfmetafoor om het feminisme te duiden aan kracht heeft ingeboet, maar ze betrekken het vooral op het nieuwe feminisme dat zich niet laat vangen in een golf, omdat deze nieuwe fase minder consensus kent dan eerdere feministische momenten in de geschiedenis.7 Consensus en feminisme gingen in de                                                                                                                                                                                                                                                                         te wijzen dat er ook andere factoren dan gender bepalend zijn voor carrieremogelijkhedenen ongelijkheden, zie: S. Bultman, ‘Verlicht is carrieregericht’, 4-6, aldaar 5 (noot 7), beschikbaar via: http://www.volontegenerale.nl/post/30793941718/vg02-3 (geraadpleegd op 22 oktober 2012). 5 De Beer & Ten Brinke, ‘Wat is Feminisme 3.0’, 26. 6 Citaat van Inna Sjevtsjenko in: A. Korteweg, ‘Topless feminisme verovert het Westen via Parijs’, De Volkskrant (22 oktober 2012) 5. 7 De Beer en Ten Brinke, ‘Wat is Feminisme 3.0?’, 27.

5


Volonté Générale 2012 - n°4

eerste en tweede golf ook niet hand in hand: de Dolle Mina’s hielden er andere ideeën op na dan de feministen van Man Vrouw Maatschappij (MVM) en ook de eerste golf bestond niet uit een coherente, eensgezinde groep feministen waarin alle neuzen dezelfde kant op stonden. Hoewel de geschiedenis van de tweede golf divers is, is vooral het beeld van de boze tuinbroekfeminist blijven hangen. Jonge mannen en vrouwen willen hier niet mee geassocieerd worden, merken De Beer en Ten Brinke op, maar zelf nemen ze ook afstand van dit oude feminisme. Door ‘nieuw’ voor het woord ‘feminisme’ te zetten of ‘3.0’ erachter, krijgt het niet ineens een goed imago, laat staan een andere inhoud. Gelijke lonen stonden al op de agenda van de feministen in het begin van de twintigste eeuw en in de tweede golf werd hier opnieuw voor gestreden. Anno 2012 staat dit punt opnieuw hoog op de agenda, nu onder de noemer feminisme 3.0. Mijn pleidooi voor historisch onderzoek naar vroegere vormen van feminisme komt niet voort uit een nostalgisch idee dat er in de jaren 1970 ‘betere’ feministen waren. Door historisch onderzoek kunnen we echter wel beter bepalen hoe noties van mannelijkheid en vrouwelijkheid die al ter discussie werden gesteld in de jaren 1960 en 1970 nog steeds doorwerken in de huidige samenleving. Het debat over wat mannelijk en vrouwelijk is, is net als het feminisme nog geen voltooid verleden tijd. Het ligt mijns inziens ook nu nog ten grondslag aan de ongelijke verhoudingen op de Nederlandse arbeidsmarkt. Zitten hoogopgeleide ambitievolle thuismoeders niet noodgedwongen thuis vanwege deze dominante opvattingen? Het ligt blijkbaar nog steeds voor de hand om een man te kiezen voor bepaalde (wetenschappelijke) functies. Het is weinig constructief om het feminisme te definiëren in termen van oud of nieuw als we niet weten wat dat überhaupt inhoudt. We moeten eerst beter weten waar we ons van distantiëren, voordat we het bestempelen als ‘oud’ en ‘onbruikbaar’ om scheve maatschappelijke verhoudingen aan de kaak te stellen.8 De ogenschijnlijk open definitie van het feminisme 3.0 maskeert een heterogene rijke geschiedenis en een dito toekomst. Juist door historisch onderzoek te verrichten naar de politieke agenda’s, acties en ideeën van voorgaande generaties feministen kunnen we hedendaagse ongelijkheden in de maatschappij beter begrijpen en een actuele feministische agenda opstellen.  Karijn Olijslager (1986) is promovenda bij de capaciteitsgroep Nieuwste Geshciedenis aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). Zij doet onderzoek naar vrouwententoonstellingen als onderdeel van de feministische herinneringscultuur in de periode 1913-2013.

                                                                                                         

Van der Tuin, ‘Van verstikkend naar visionair’, 82. Iris van der Tuin verwoordt dit concept van disidentificatie als volgt: ‘Als je je bijvoorbeeld tegen Simone de Beauvoir wilt identificeren moet je haar werk eerst intiem kennen (en er zo bekend mee worden), voordat je er afstand van kan doen.’ 8

6


Volonté Générale 2012 - n°4

‘Man is not the enemy here, but the fellow victim.’1 Tim Riswick ‘Every time we liberate a woman, we liberate a man’2, schreef feminist en antropologe Margaret Mead al in de vorige eeuw. Haar uitspraak deed me denken aan het artikel over Feminisme 3.0 en de vele reacties erop.3 De discussie die op dit artikel volgde is gefocust op ‘de vrouw’ en de nieuwe mindset waarin het accent ligt op ‘de mentale doorbraak van het individu.’4 Renée ten Cate corrigeert terecht dat vrouwen echter zelf de vrijheid zouden moeten hebben om te kiezen op welke manier ze hun leven willen invullen, zelfs wanneer deze invulling wat meer ‘traditioneel’ is. Om daarom uit te gaan van een mindset gebaseerd op een mentale doorbraak is nogal waarde-geladen volgens haar.5 De bijdragen van Saskia Bultman, Renée ten Cate en Eva Hage zetten daarentegen wel allen vraagtekens bij de daadwerkelijke keuzevrijheid van vrouwen. 6 Wordt deze vrijheid namelijk niet beperkt door de maatschappij? Anneke Comello werkt in haar reactie dit punt verder uit door te beargumenteren dat ‘niet alleen individuele agency de loop van de geschiedenis bepaalt’7 en het daarom van uitermate belang is om naast de mindset ook aandacht te besteden aan structurele beperkingen, oftewel: ‘wat er in de samenleving gefaciliteerd kan worden om keuzes soms makkelijker, effectiever en breder te maken’. 8 Het doel van Feminisme 3.0 zou daardoor het opsporen en opheffen van deze barrières voor de vrouw kunnen worden. Immers, wanneer deze problemen voor de vrouw worden opgelost, dan zou de utopie van gender gelijkheid mogelijkerwijs een stap dichterbij komen. Deze toon, die de rode draad van gehele discussie lijkt te zijn, gaf mij een ongemakkelijk gevoel. Een belangrijke speler mist, en daarbij lijkt het geheel volgens mij in contrast met het initiële betoog van Liang de Beer en Dieuwertje ten Brinke. Volgens hen is er een heterogene visie op emancipatie nodig. Een nieuwe mindset kan er zodoende voor zorgen dat de situatie waarin ‘vrouwen en mannen (...) soms dagelijks de beperkingen meemaken van een te starre identificatie van hun man- of                                                                                                          

Een uitspraak van de Amerikaanse feminist en schrijfster Betty Friedan (1921-2006) in: B. Friedan, The Feminine Mystique (New York 1936) 154. 2 Dit citaat van Margaret Mead (1901-1978) komt uit: L. Bevere, Lioness Arising: Wake Up and Change Your World (New York 2011) 91. 3 L. De Beer en D. Ten Brinke, ‘Wat is feminisme 3.0?’, Volonté Générale n°1 (2012) 26-30, beschikbaar via www.volontegenerale.nl. 4 De Beer en Ten Brinke, ‘Wat is feminisme 3.0?’, 27. 5 Renée ten Cate bestempelt de gedachtegang van De Beer en Ten Brinke daarom als ‘antifeministisch feminisme’: R. ten Cate, ‘Antifeministisch feminisme’, Volonté Générale n°2 (2012) 11-13. 6 S. Bultman, ‘Verlicht is carrièregericht’, Volonté Générale n°3 (2012) 4-6; Ten Cate, ‘Antifeministisch feminisme’; E. Hage, ‘Reflectie op Feminisme 3.0’, Volonté Générale n°2 (2012) 7-10. 7 A. Comello, ‘Een eigen pad kiezen of ook nog kijken welke er aangelegd kunnen worden’, Volonté Générale n°3 (2012) 8. 8 Ibidem 7. 1

7


Volonté Générale 2012 - n°4

vrouw zijn’, wordt veranderd.9 Wat De Beer en Ten Brinke, en de overige auteurs die reageerden op hun artikel, vervolgens achterwege laten is om evenzeer het mannelijke perspectief erbij te betrekken.10 Hanna Rosin, senior editor bij The Atlantic, laat, door haar beschrijving van het fictieve duo Plastic Woman en Cardboard Man, zien dat een focus op enkel de vrouw een afdwaling is van het grotere probleem van emancipatie in de huidige maatschappij: Plastic Women has during the last century preformed superhuman feats of flexibility. She has gone from barely working at all to working until she got married to working while married and working with children, even babies. If space opens up for her to make more money than her husband, she grabs it. If she is no longer required by ladylike standards to restrain her temper, she starts a brawl at the bar. If she can get away with staying unmarried and living as she pleases deep into her thirties, she will do that too. And if the era calls for sexual adventurousness, she is game. She is Napoleonic in her appetites. (…) Cardboard Man, meanwhile, hardly changes at all. A century can go by and his lifestyle ambitions remain largely the same.11

Hetgeen waar Rosin in haar gehele boek over spreekt, en waar bovenstaand citaat een goed voorbeeld van is, is dat emancipatie, in de zin van sociaal geaccepteerde keuzes, voor vrouwen feitelijk veel verder is gevorderd dan voor mannen. De maatschappij in Westerse landen is de laatste eeuw erg veranderd. Waar in het verleden mannen nog een voordeel hadden door hun fysieke kracht, is dit in onze postindustriële economie vrijwel niet meer van belang. De dienstverlenende sector, die het overgrote deel van de samenleving van werk voorziet, heeft zelfs baat bij het tegenovergestelde: sociale intelligentie, open communicatie en het vermogen om gefocust stil te zitten. Vrouwen scoren over het algemeen hoger op deze kwaliteiten en in veel beroepen waar eerst alleen mannen werkten, werken mannen en vrouwen tegenwoordig samen. Beroepen waar het omgekeerde het geval is, komen daarentegen aanzienlijk minder voor. De oorzaak: verwachtingen van mannen en vrouwen blijken vaak nog onveranderd wanneer beide reflecteren op ‘de man’. Rosin verwoordt het als volgt in haar conclusie: ‘Obviously it is not just men restricting themselves to a narrow set of acceptable roles, but the rest of us colluding to keep them imprisoned.’12 Het onderwijs laat een identieke ontwikkeling zien, maar legt daarnaast een verontrustende barrière voor mannen bloot. Volgens het rapport Gender Differences in Educational Outcomes van de Europese Commissie presteren jongens gemiddeld slechter op de middelbare                                                                                                          

De Beer en Ten Brinke, ‘Wat is feminisme 3.0?’, 29. Er wordt soms wel gerefereerd naar mannen, maar vrijwel altijd in combinatie met vrouwen, waarna de focus op het vrouwelijk perspectief blijft liggen. Eva Hage schrijft bijvoorbeeld dat: ‘man en vrouw twee uitingsvormen zijn van het fenomeen mens’, maar borduurt daarna verder op de beperkingen voor vrouwen, en Saskia Bultman noemt mannen enkel in een voetnoot. 11 H. Roslin, The End of Men. And the Rise of Women (New York 2012) 8. 12 Roslin, The End of Men, 265. 9

10

8


Volonté Générale 2012 - n°4

school in alle Europese landen, en hebben ze een grotere kans om zonder diploma de school te verlaten.13 De kwestie die het rapport naar voren brengt is: ‘(…) there is a dominant focus on girls. For example, while girls’ engagement with technology receives much attention, there is less focus on boys and their access to care-related professions. However, gender roles can only be effectively challenged when change goes in both directions.’14 Dezelfde trend doet zich voor in de Verenigde Staten waar jongens op de middelbare school steeds minder uren aan huiswerk besteden en qua kennis en niveau achterlopen op hun studiegenoten van het andere geslacht. Deze trend is door te trekken naar het vervolgonderwijs. In de toestroom van studenten naar de universiteit halen op dit moment meer vrouwen dan mannen hun diploma. 15 Natuurlijk is een diploma niet een enkeltje naar de top, maar door de enorme toename van gekwalificeerde vrouwen zullen de heersende mannelijke elites niet lang om deze groep heen kunnen, waardoor de komende jaren tevens de laatste hindernissen op de werkvloer worden tenietgedaan. Naar mijn mening hebben de eerdere auteurs dus wel degelijk gelijk over het feit dat er belangrijke barrières aanwezig zijn in de samenleving. Deze hebben echter niet alleen betrekking op het vrouwelijke deel van de bevolking. De Beer en Ten Brinke schreven al dat: ‘gewoontes en natuurlijk gedrag (…) door en door constructies van onszelf’ zijn16, waardoor een verandering in mindset de oplossing kan zijn. Beide auteurs vergeten daarentegen een belangrijke biologische uitzondering die enkel effect heeft op de vrouw en de oorsprong is van de meeste gender ongelijkheid: geboorte. De fysieke beperkingen die een zwangerschap, bevalling, en de herstelperiode na een bevalling met zich mee brengen, blijken juist punten waar een verandering in de mindset geen oplossing voor biedt wanneer we ons enkel, of voornamelijk, richten de mindset van de vrouw. Pas wanneer we voor mannen en vrouwen bij de geboorte van een kind dezelfde eisen stellen, of exact dezelfde keuzevrijheden geven dan zal er pas een bepaalde mate van gelijkheid gerealiseerd kunnen worden. Een goed voorbeeld hiervan is het zwangerschapsverlof in Zweden, waar zowel mannen als vrouwen verplicht worden om een periode met verlof te gaan na de bevalling.17 Maar, zoals de oplettende lezer al doorheeft, dan is er een verandering nodig in de sociale acceptatie van deze keuzevrijheid van ‘de man’, niet van ‘de vrouw’. Toch wil ik niet te pessimistisch klinken over onze sociaal geaccepteerde keuzevrijheden van vandaag de dag, aangezien ik dat een tweede heikel punt vind. Terwijl de beperkingen van de traditionele                                                                                                          

European Commission, Gender Differences in Educational Outcomes: Study on the Measures Taken and the Current Situation in Europe (Brussel 2010). 14 European Commissie, Gender Differences in Educational Outcomes, 109. 15 Rosin, The End of Men, 145-168; R. Whitemire, Why Boys Fail: Saving Our Sons from an Educational System That's Leaving Them Behind (New York 2011). 16 De Beer en Ten Brinke, ‘Wat is feminisme 3.0?’, 29. 17 ‘Zwangerschapsverlof in Zweden’, Mens en Samenleving (27 maart 2012) beschikbaar via: http://www.mens-en-samenleving.infonu.nl/ouder-en-gezin/95171-zwangerschapsverlofin-zweden.html (geraadpleegd op 28 oktober 2012). 13

9


Volonté Générale 2012 - n°4

samenleving, gebaseerd op een ideologie van seperate spheres, bijna zijn weggevaagd, zijn onze keuzemogelijkheden de laatste eeuw alsmaar gegroeid.18 Een eerste voorbeeld hiervan is de acceptatie van de keuze om kinderloos te blijven. Dit is een van de manieren waardoor mannen en vrouwen zelfs aan het belangrijkste biologische obstakel voor gelijkheid kunnen ontkomen. Waar in 1965 nog maar twintig procent van de bevolking de keuze om kinderloos te blijven accepteerde, is dit tot negentig procent gestegen in 1996. 19 Andere wetenschappers die kinderloosheid bestuderen concluderen: ‘attitudes in society have been replaced by a more pragmatic view of personal choice.’ 20 Deze ontwikkeling inzake de toename van sociaal geaccepteerde keuzevrijheid aangaande het al dan niet nemen van kinderen, geeft een duidelijke trend weer over hoe de samenleving tegenwoordig denkt over keuzevrijheid. Een ander voorbeeld van de al veranderende mindset is het onderzoek van de sociologe Amy Schalet, dat zich onder andere focust op het perspectief van tieners op verliefdheid. Zij concludeert dat Nederlandse jongens een geëmancipeerde mindset laten zien door erg open te zijn over gevoelens, en in het bijzonder verliefdheid. Iets wat in het verleden vooral geassocieerd werd met vrouwelijkheid en wat door Amerikaanse jongens nog steeds als zodanig gezien wordt.21 Rosin concludeert: ‘Maybe the Dutch will lead the way and transport us all into a new era of sweeter teenage romance’.22 Het is aannemelijk dat de verdere ontwikkeling van emancipatie in Nederland de komende jaren op de huidige koers zal blijven. Sociale acceptatie betreffende een grote diversiteit van keuzes zal daardoor vanzelf iets vanzelfsprekends worden voor de komende generatie die geheel wordt opgevoed met deze ideeën. Wanneer er echter gesproken wordt over een noodzakelijke aangepaste mindset in een individuele heterogene beweging als Feminisme 3.0, waarin bewustwording van onze selectieve sociale acceptatie voor bepaalde keuzes en emancipatie zonder beperkingen centraal staan, dan moet het er aandacht zijn voor beide seksen. Misschien zou ik zelfs wel willen pleiten voor een accent op de mindset van, en over, ‘de man’. Het lijkt er namelijk op dat vrouwen de laatste tientallen jaren een duidelijke nieuwe sociaal geaccepteerde rol binnen de samenleving hebben gecreëerd, terwijl dit nog niet echt het geval is voor mannen. Masculisme 1.0 klinkt in dat geval misschien zo gek nog niet, of wel?  Tim Riswick (1989) volgt de onderzoeksmaster Historische Wetenschappen aan de Radboud Universiteit Nijmegen en is tevens lid van de denktank ‘Reflections on Science: European Culture’ van het Radboud Honours programma.

                                                                                                         

T. Engelen, Van 2 naar 16 miljoen mensen. Demografie van Nederland, 1800-nu (Amsterdam 2009). 19 S. Noordhuizen, P.M. Greef, I.J.P. Sieben, ‘De publieke acceptatie van vrijwillige kinderloosheid: van 20 naar 90 procent in 30 jaar’, Mens en Maatschappij 85, 3 (2010) 260-284. 20 B. Boddington and R. Didham, ‘Increases in childlessness in New Zealand’, Journal of Population Research 26, 2 (2009) 136. 21 A. Schalet, Not Under My Roof: Parents, Teens, and the Culture of Sex (Chicago 2011). 22 Rosin, The End of Men, 267-268. 18

10


Volonté Générale 2012 - n°4

G500: vloek of zegen voor de democratie? Peter van der Heiden G500 kwam, zag en… tja, wat eigenlijk? Overwon? Dat valt niet goed vol te houden. Wat tamelijk ronkend van start ging begin van dit jaar doet toch een beetje aan een nachtkaars denken. G500 is behoorlijk naar de achtergrond gedrukt in het geweld van de echte ‘grotemensenpolitiek’, waar echte partijen echte regeerakkoorden sluiten en met de echte gevolgen daarvan te maken hebben. Nu is het tamelijk gemakkelijk om een initiatief als de G500 de grond in te schrijven – en de beweging draagt daar, in alle eerlijkheid, ook wel wat aan bij. Zo is het vergeefs zoeken op de G500 website naar een missie van de beweging, tenzij de ‘verjonging van de politiek’ de core business van de G500 is. Of ontleent de beweging haar bestaansrecht eigenlijk alleen maar aan haar ‘tienpuntenplan’? Deze onduidelijkheid draagt niet bij aan een herkenbaar gezicht voor de ‘ijzersterke organisatie’, zoals zij zichzelf noemt. Wat is die G500 nu helemaal, behalve een beweging die kortstondig voor wat reuring heeft gezorgd in de Nederlandse politiek? Nu is het natuurlijk ook lastig om als a-politieke beweging politieke invloed te verkrijgen. In de kern is G500 uiteraard a-politiek; zij poogt (of moet ik al schrijven: poogde) alle grote politieke partijen zowel personeel als inhoudelijk te verjongen. Dat impliceert een nietideologische achtergrond: PvdA-angehauchte jongeren zullen niet veel invloed hebben op de VVD en vice versa. Zonder een ideologische achtergrond is de beweging niet veel meer dan een belangenbehartiger voor jongeren, die enerzijds probeert jongeren beter vertegenwoordigd te krijgen in de politiek en anderzijds probeert politieke partijen te beïnvloeden om een meer op jongeren gericht verkiezingsprogram te produceren. De vraag is echter of dat mogelijk is, een niet-ideologisch gekleurd jongerenbelang te formuleren. En als dat al zou kunnen, wat ik sterk betwijfel, is het de vraag of dat via reguliere, nog altijd ideologisch gefundeerde partijen, in de politiek te brengen is. De hele gang van zaken rond G500 doet mij sterk denken aan de ouderenpartij van Jan Nagel, 50PLUS. Het plaatje ziet er een stuk dynamischer uit met jongeren, maar in de kern beoogt de beweging hetzelfde: het ontideologiseren van een generatiebelang, in de hoop een geheel leeftijdscohort aan te spreken. Het geringe succes van 50PLUS – slechts 2 zetels in de Tweede Kamer – bewijst hoe lastig dat is. Dé oudere bestaat niet – er zijn linkse ouderen, rechtse ouderen, welvarende ouderen, arme ouderen, fitte ouderen, bedlegerige ouderen en ga zo maar door – en dat geldt, met uitzondering wellicht van de bedlegerigheid, grosso modo ook voor jongeren. Dé jongere bestaat ook niet. Zeker niet in de politiek. Leeftijd is nu eenmaal geen politieke categorie – gelukkig niet. Politieke beslissingen gaan iedereen aan en zijn generatieoverschrijdend: dat moeten politieke bewegingen dus ook zijn. Het op grond van generatie monopoliseren van problemen en oplossingen zet de generaties eerder tegen elkaar op dan te zorgen voor solidariteit.

11


Volonté Générale 2012 - n°4

Dit alles betekent niet dat jongeren niet het recht hebben politieke partijen te beïnvloeden. Sterker nog: wat mij betreft hebben ze de plicht om dat te doen. Maar niet onder de vlag van een hele generatie en niet onder de vlag van politieke neutraliteit. In de komende twee artikelen zal een begin worden gemaakt met het debat over dit spannende en belangrijke onderwerp.  Peter van der Heiden (1965) is als politicoloog en parlementair historicus verbonden aan het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis te Nijmegen. Daarnaast is hij freelance politiek analist, journalist en tekstschrijver.

12


Volonté Générale 2012 - n°4

De politieke verjonging van G500 Jony Ferket Op 8 april 2012 deed een nieuw initiatief de politieke grondvesten trillen. Sywert van Lienden presenteerde in Buitenhof G500. De Catshuisonderhandelingen bevonden zich in een impasse: de VVD, CDA en de PVV leken er niet uit te komen. In no time sloten honderden jongeren zich bij dit initiatief aan. Zij werden lid van de drie zogenaamd politieke ‘middenpartijen’: VVD, PvdA en CDA. De partijkassen werden gespekt door deze nieuwe leden. De jongeren – en ook mensen boven de 35 jaar die zich aansloten – wilden hervormingen in de politiek en vooral binnen grote thema’s als de zorg, de arbeidsmarkt en het pensioensysteem bewerkstelligen. Wat gebeurde hier? Wat maakte dat de roep om verjonging van de politiek zo aansloeg? Waarom is het belangrijk dat de politiek moderniseert en de democratie zich blijft ontwikkelen?

De stem van de jongere komt tekort Om te beginnen maken jongeren het minste gebruik van hun stemrecht. De cijfers zijn schokkend: in 2006 heeft 26% van de jongeren tussen de 18 en 25 jaar niet gestemd bij de Tweede Kamerverkiezingen. In 2010 is dit percentage opgelopen tot maar liefst 41%.1 Een belangrijk motief van niet-stemmers is dat zij aangeven dat hun stem er niet toe doet. Ruim 60% van de niet-stemmers tijdens de verkiezingen in 2010 denkt geen invloed te hebben op het regeringsbeleid.2 Kiezers weten niet meer wat hun stem betekent! Denk aan de frustratie van de CDA-partijleden bij de beslissing om met gedoogsteun van de PVV te regeren. Of een meer recent voorbeeld: een stem op de VVD op 12 september 2012 betekende ook nivellering. Wanneer we naar de jongeren kijken, zijn zij steeds meer hoogopgeleid, doen ze vrijwilligerswerk en zijn ze actief op allerlei fronten. Het wordt steeds meer de vraag of ze wel betrokken zijn bij het politieke systeem in deze vorm. Misschien niet zo’n vreemde vraag als we zien dat de leeftijden van partijleden en onze machthebbers hoog is. De gemiddelde leeftijd van de leden van het CDA is 67!3 Ook de leeftijden van de leden van de VVD en PvdA komen boven de vijftig jaar uit. We kunnen zeggen dat de macht is vergrijst: Rutte I werd ook wel Grijs-I genoemd met een gemiddelde leeftijd van bijna 54 jaar. Daarmee heeft Rutte I de hoogste                                                                                                          

CBS, Statline. Stemgedrag stemgerechtigden Tweede Kamerverkiezingen 22-11-2006 (2009) en Statline. Stemgedrag stemgerechtigden Tweede Kamerverkiezing 9-6-2010 (2011) beschikbaar via: http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?DM=SLNL&PA=71725NED&D1=a&D2=3 -9&VW=T (geraadpleegd op 30 november 2012). 2 CBS, Statline. Beoordeling politiek en democratie (2012) beschikbaar via: http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?DM=SLNL&PA=71720NED&D1=8&D2=0 ,3,l&D3=a&HDR=T&STB=G1,G2&CHARTTYPE=1&VW=T (geraadpleegd op 30 november 2012). 3 J. den Ridder, J. J. M. Holsteyn en R. A. Koole, ‘De representativiteit van partijleden in Nederland’, in: R. Andeweg en J. Thomassen (red.), Democratie doorgelicht: Het functioneren van de Nederlandse democratie (Leiden 2011) 165-184. 1

13


Volonté Générale 2012 - n°4

gemiddelde leeftijd van alle kabinetten ingezworen sinds 1963. Rutte II doet het alweer wat beter met 49 jaar. Dit cijfermateriaal over deze politieke partijen is belangrijk, want sinds de Tweede Wereldoorlog zijn deze drie politieke middenpartijen, op 300 dagen na, aan de macht. Daarbij is de betrokkenheid van jongeren van uitermate belang, aangezien er op ‘grote’ thema’s als de zorg, arbeidsmarkt en het pensioensysteem hervormingen noodzakelijk zijn. De generatie geboren na 1990 zal het voor het eerst minder goed hebben dan hun ouders.4 De stijgende zorgkosten vragen om ingrijpen. Ook op andere terreinen zoals de arbeidsmarkt zien we zorgwekkende ontwikkelingen. Neem de jeugdwerkloosheid; het aantal WW-uitkeringen voor jongeren tot 25 jaar kwam in september uit op 12.000. Dat is de helft hoger dan ruim een jaar geleden. 5 Of neem de oudedagsvoorziening. Door de stijgende levensverwachting, de vergrijzing en teruglopende inkomsten uit beleggingen zijn de afspraken over de AOW aan vervanging toe. Dit maakte dat G500 voorstander is van een verhoging van de AOW leeftijd. De levensverwachting vanaf 65 jaar is sinds de invoering van de AOW in 1957 behoorlijk gestegen. Destijds had een man van 65 jaar nog 13,9 jaar te leven, nu heeft iemand die in 2012 65 wordt nog gemiddeld 18,9 jaar te leven. Voor vrouwen is dit gestegen van 16,3 naar 21,8 jaar. 6 Deze stijging werd bij de invoering van de AOW al voorspeld, maar het systeem is er nooit op aangepast. De kosten van de zorg, de aanspraak op sociale verzekeringen, de stijgende pensioenpremies en de daling van de welvaart die hiermee gepaard gaat, zullen op het bordje van de jongeren terecht komen. Daarbij maakt dat het invoeren van verregaande maatregelen op deze terreinen lastig is voor de huidige machthebbers. Het zijn impopulaire maatregelen die men het liefst doorgeschoven zou willen zien.

Op naar de verkiezingen G500 liet op een tiental thema’s zien dat hervormingen noodzakelijk zijn. Met dit tienpuntenplan in de hand bezochten honderden deelnemers de politieke congressen van de VVD, de PvdA en het CDA. Door steun te vinden voor de plannen bij de leden konden de verkiezingsprogramma’s hervormingsgezind worden gemaakt. Deze methode was onconventioneel, alhoewel eerder bedacht en beproefd door bijvoorbeeld Nieuw Links binnen de PvdA.7 Door het tienpuntenplan in te brengen in de verkiezingsprogramma’s kon een basis worden gelegd voor het te verwachten Regeerakkoord. Degenen die zich aansloten bij G500 gaven aan dat zij graag politiek actief wilden worden, maar zich niet herkenden in de bestaande                                                                                                           CPB, Lifetime Generational Accounts for the Netherlands (2011). CBS, Persbericht. Opnieuw meer werklozen (2012) beschikbaar via: http://www.cbs.nl/nlNL/menu/themas/arbeid-sociale-zekerheid/publicaties/artikelen/archief/2012/2012-058pb.htm (geraadpleegd op 30 november 2012). 6 CBS, Levensverwachting; geslacht, geboortegeneratie (2012) beschikbaar via: http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?DM=SLNL&PA=80333NED&D1=3,7&D2 =a&D3=66&D4=42,97&HDR=T,G1&STB=G2,G3&VW=T (geraadpleegd op 30 november 2012). 7 A. van der Louw, De razendsnelle opmars van Nieuw Links (Schoorl 2005). 4 5

14


Volonté Générale 2012 - n°4

partijen en hun structuren. Zo gaf G500 jongeren en ouderen een eigen agenda gericht op de toekomst. Samen met de partijleden werd er gediscussieerd over en gestemd op de voorstellen. Hoewel sommige leden van de drie politieke partijen de G500 deelnemers met argusogen bekeken, werd er ook nieuwsgierig de standpunten verkend. Er waren partijleden die samen wilden optrekken bij het indienen van amendementen of die de eigen partijdemocratie ook wat magertjes vonden en meer zeggenschap aan de leden wilden geven. Hoe succesvol is G500? Concreet is er veel geschaafd aan de verkiezingsprogramma’s van de VVD en het CDA. De duurzaamheidsagenda is aangescherpt en de partijen staan voor een realistischere berekeningssystematiek rondom de pensioenen. De G500 was binnen de PvdA minder succesvol om amendementen aangenomen te krijgen, omdat daar werd gestemd via een afgevaardigdensysteem waar een sterkere lobby vooraf voor nodig was geweest. Het grootste succes van G500 lijkt nu vooral ook de aandacht voor inspraak, vernieuwing en verjonging te zijn. Blijkbaar zijn veel jongeren wel geïnteresseerd in politiek, maar zijn hier nieuwe vormen voor nodig. Bovendien kwam er in aanloop naar de verkiezingen een nieuw initiatief. In Nederland kan je alleen stemmen op de leden van de Tweede Kamer en niet bijvoorbeeld op de minister-president of de coalitie van regeringspartijen. Hierin past het initiatief van de Stembreker waarbij G500 het mogelijk heeft gemaakt om met meerdere kiezers gezamenlijk te stemmen. Zo konden de stemmen worden gedeeld. Hierbij hoorde ook de Stemvinder, een vernieuwende kieswijzer waarbij de gebruiker op oplossingen stemde. Twee vernieuwingen die knelpunten bloot legden en waar behoefte aan bleek: 43.000 mensen hebben hun stem verdeeld, en 250.000 mensen hebben hun stemvoorkeur bepaald met de Stemvinder.

Verjonging In het huidige politieke systeem dingen jongeren niet mee naar de macht. De structuren zijn verouderd en de macht is aan het vergrijzen. Jongeren zelf lijken weg te lopen bij de politiek. G500 stelde zich tot doel deze politieke structuren te doorbreken, en nieuwe vormen te verzinnen. Het doorvoeren van noodzakelijke hervormingen om zo de welvaart van alle generaties zeker te stellen was het ‘hoger doel’. Vooral de betaalbaarheid van de zorg, een realistisch pensioensysteem en ook veranderingen op het gebied van de woningmarkt en het onderwijs zijn op de kaart gezet. Ook de belangen van ZZP’ers, een populaire werkvorm voor jongeren, zijn ingezien door verschillende partijen. Jongeren konden door G500 weer invloed krijgen op de besluitvorming die via instituties verloopt waar jongeren zich steeds minder in thuis voelen. Ze konden meepraten en meedoen. Er waren idealen, successen en ook teleurstellingen. Een ding is zeker: het politieke bestel was aan vernieuwing toe.  Jony Ferket (1986) maakt deel uit van het kernteam van G500. Zij is historica en bestuurskundige en werkzaam als onderzoeker & leermanager bij de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur. Ook is zij initiatiefnemer van Denkkracht Utrecht.

15


Volonté Générale 2012 - n°4

Crisis en critiek der G500 Mike van de Weijer Het lijkt ondertussen alweer een half politiek leven geleden dat de G500 zichzelf presenteerde aan Nederland met de belofte om veel te gaan veranderen. De eerste helft van 2012 was sowieso een tijd van grote opschudding. Een regering met steun van de PVV was gekomen en gegaan en in grote onzekerheid over wat de toekomst zou brengen, sleepte Nederland zich naar de verkiezingen van 12 september. In deze context leek het zo sympathiek, een groep jongeren die zich in wilde zetten om een fris geluid te laten horen. Een jong tegengeluid tegen een conservatieve vergrijzende elite. Maar ik had zelf, ook al ben ik een groot voorstander van jeugdigheid en een tegenstander van conservatieven van de generatie Opstelten, al meteen flinke bezwaren bij de opkomst, de ideeën en de werkwijze van de G500. Mijn bezwaren vallen grotendeels uiteen in twee categorieën. De eerste categorie heeft te maken met de staat van de democratie in Nederland, en de toekomst daarvan. De tweede groep heeft betrekking op wie of wat de G500 is, en op wat ze niet is. Democratie en discriminatie, om kort te zijn. De titel van mijn bijdrage heb ik ontleend aan het boek van A.A. de Jonge uit 1968, Crisis en Critiek der Democratie. 1 Sinds wat de ‘Fortuynrevolte’ is gaan heten, hebben velen verwezen naar dit boek. De Jonge beschrijft, als hij het heeft over de jaren 1930, een periode waarin een kleine en een grote crisis van de democratie bestaan: respectievelijk de twijfel over de vorm en de vraag of democratie wel een levensvatbaar systeem is. Dat De Jonge schrijft over het Interbellum heeft niemand tegengehouden het laatste decennium in soortgelijke termen te beschrijven. Gelukkig is de conclusie van moderne auteurs die het sjabloon van De Jonge op onze tijd leggen steeds dat tegenwoordig van een grote crisis geen sprake is. Uit de titel van dit stuk zou het beeld kunnen ontstaan dat ik denk dat de G500 in crisis is, maar in het tweede deel van dit stuk zal ik laten zien dat dit absoluut niet aan de orde is. Eerst moeten we het eens hebben over de democratie, waar een crisis ook ver te zoeken is.

Democratie Je zou het op het eerste gezicht niet zeggen, maar er is eigenlijk niet zo gek veel mis met de Nederlandse democratie. Natuurlijk ben ik er ook zelf niet vies van af en toe flink te klagen over de koers van dit land, maar als ik een stapje terug neem en het bredere perspectief bekijk, zie ik toch veel dat me wel bevalt. Nederland heeft één van de meest toegankelijke politieke stelsels ter wereld. Er zijn zó veel zó verschillende partijen dat niet alleen elke kiezer wel wat van zijn gading kan vinden, maar dat ook iedereen die zelf politiek actief wil zijn zich wel ergens kan melden. Daarnaast heeft Nederland in het parlement de laagst mogelijke barrière voor een partij                                                                                                           1

A.A. de Jonge, Crisis en Critiek der Democratie (Assen 1968).

16


Volonté Générale 2012 - n°4

om vertegenwoordigd te worden. Meer dan één zetel is er niet nodig om een deel van de controlerende macht te worden. Bovendien is het vrij gemakkelijk een partij op te richten. Het beste bewijs daarvan zijn de grote aantallen vreemde partijen (inclusief dit jaar een partij voor UFOgelovigen die de hele werkelijkheid als een complot ziet) die zelfs zonder enige reële kans om een zetel te krijgen, zich inschrijven voor de Tweede Kamerverkiezingen. Als een jongerenbeweging dus politieke representatie zoekt, kan dit perfect binnen het toegankelijk bestel van Nederland. Even naar de notaris, een inzamelingsronde op internet, dan door naar de Kiesraad en je bent er. Alleen tussendoor nog wel een verkiezing meepakken. De G500 denkt het echter anders aan te moeten pakken. In plaats van zelf een partij op te richten en daarmee naar de gunsten van de (ongetwijfeld jonge) kiezer te dingen, worden de politieke machines van bestaande partijen gebruikt. Partijcongressen van VVD, PvdA en CDA worden door de G500 gekaapt om deze partijen te verjongen en om hen op de noodzaak tot hervormen te wijzen. Op het congres van de PvdA in juli kon de partij zich nog tegen een inbraakpoging van de jongerenbeweging verzetten. Maar wat als een partij dit niet meer kan? Wat als de G500 uitgroeit tot een groter aantal mensen dan de groep die vanuit een ‘gewoon’ partijlidmaatschap een congres bezoekt? Moet de partij dan meegaan met de standpunten van de G500 waar ze zelf wellicht niet achter staat? Nee, in plaats daarvan zal een partij, of een Kamerfractie van een partij, er dan voor kiezen om het congres te negeren. Als de G500 wint en op elk congres van de grote partijen met een meerderheid aanwezig is, betekent dat het einde van de huidige vorm van interne partijdemocratie: een kleine crisis van de partijcongressen, wellicht. Ironisch genoeg is het de huisideoloog van een ledenloze partij die al voor de opkomst van de G500 voor dit soort verschijnselen waarschuwde. In De schijn-élite van de valse munters schrijft Martin Bosma smalend over de fouten van de LPF.2 Het zal de PVV niet gebeuren, zo’n groep pipo’s die de partij overneemt en er een potje van maakt, is Bosma’s gedachte, terugkijkend op de puinhopen van een paar jaar LPF. En, zo schrijft hij, de vertegenwoordigers van de meeste partijen zijn het stiekem met hem eens: ook zij zouden hun leden liever kwijt dan rijk zijn, alleen kunnen ze dat niet openlijk zeggen. Dat lijkt me voor nu nog overdreven, maar op het moment dat groepen als de G500 zomaar een partij kunnen kapen, zou Bosma best nog wel eens gelijk kunnen krijgen. Het is goed mogelijk dat meerdere partijen in zo’n geval kiezen voor het Wilders-model: geen inspraak en een kerngroep van maximaal enkele tientallen personen die de koers van de partij bepaalt. En dat zou zo ontzettend jammer zijn voor een land met zo’n brede en diepe politieke participatie als Nederland.

                                                                                                         

M. Bosma, De schijn-élite van de valse munters: Drees, extreem rechts, de sixties, nuttige idioten, Groep Wilders en ik (Amsterdam 2010). 2

17


Volonté Générale 2012 - n°4

Discriminatie Discriminatie lijkt misschien een zwaar woord. Maar voor mij gaat het over ongelijke voorrechten. Over de ‘underprivileged’ die ongetwijfeld bestaan, maar ook over de ‘overpriviliged’ die daar dan automatisch bij horen maar door iedereen worden vergeten. Wat blanke hoogopgeleide Nederlanders doen wordt tegenwoordig zonder meer geaccepteerd. Dat is normaal. Zij zijn het immers die de norm stellen. Voor mezelf heb ik een simpele test om uit te vinden of datgene wat ze doen ook echt normaal is, en niet een onderdeel van hun bevoorrechte positie. Ik vraag me namelijk altijd af wat er zou gebeuren als een groep van uitsluitend Marokkanen hetzelfde zou doen. Stel je voor, een groep Marokkanen, die zichzelf duidelijk als zodanig laat zien, laat weten lid te worden van alle grote partijen en op de congressen hun programmapunten te gaan doordrukken. De wereld zou te klein zijn. Zulks is het voorrecht van de hoogopgeleide blanke man. Want laten we vooral niet vergeten over wie we het hebben. Kijk naar wie de G500 is. Zelfs op hun eigen website wordt duidelijk dat het gaat om overwegend Nederlandse jonge mensen met een hoge opleiding. Bij de presentatie van hun beweging werden de initiatiefnemers ook onthaald als toekomstige leiders. Zijn dit dan de mensen die zo slecht vertegenwoordigd worden en zo’n slechte toekomst in het verschiet hebben dat ze andere mensen hun politieke partij moeten ontnemen? Ik denk van niet. Ik denk dat we al zoveel gekregen hebben en dat we nog zoveel gaan krijgen. Ik denk dat stellen dat deze groep achtergesteld is misschien wel het meest arrogante standpunt is dat ik ooit heb gehoord. Want juist die Marokkanen, van wie we nooit zouden accepteren dat ze zichzelf op een soortgelijke manier zouden organiseren en VVDcongressen proberen bij te sturen in een hun welgevallige richting, die hebben de boost nodig die de G500 vooral zichzelf wil geven. Ik zou me schamen als ik hieraan zou meedoen. Ik ben wel eens in gesprek gegaan met mensen die de G500 een warm hart toedragen. Als ik ze het bovenstaande bezwaar voorleg is hun antwoord dat mensen uit andere groepen dan ook maar een soort G500 moeten opzetten. Juist uit deze uitspraak spreekt een ongekende arrogantie en een compleet gebrek aan inlevingsvermogen. Want die andere groepen, die bestaan uit minder bevoorrechten, die kunnen dat helemaal niet. Niet alleen omdat de samenleving het niet zou accepteren (in het geval van niet-christelijke religieuze groepen), maar ook omdat lang niet iedereen de tijd en het geld heeft om lid te worden van drie politieke partijen en weekenden lang congressen te bezoeken, of om stukjes zoals dit te schrijven in tijdschriften voor en door hoogopgeleide blanke jongeren. Die groepen met deelbelangen, of het nu gaat om lichamelijk gehandicapten, ongedocumenteerde vreemdelingen of ‘gewone’ Nederlanders die maar net boven de armoedegrens leven, zijn al lang blij dat ze soms een lobby-organisatie hebben weten op te zetten. En bovendien dachten sommige van deze groepen dat hun deelbelangen vertegenwoordigd werden door de normale politieke partijen. Juist de partijen die de G500 wil beletten hun eigen koers te bepalen.

18


Volonté Générale 2012 - n°4

De actualiteit Op het moment dat ik dit schrijf is de inhoud van het regeerakkoord tussen PvdA en VVD net naar buiten gekomen. Dat regeerakkoord en de ministersploeg die het uit moeten gaan voeren, ademen een geest van hervorming. Dat is niet aan de G500 te danken, die immers weinig klaar kon maken op de congressen waar de beweging zich roerde. Het is een gelukkige samenloop van autonome bewegingen binnen beide coalitiepartijen, bijeengebracht door een gunstige verkiezingsuitslag en een bewustwording van het feit dat in het conservatisme uit de school van bijvoorbeeld Maxime Verhagen geen toekomst zat voor Nederland. Dat veel van de hervormingsagenda van de G500 door de actualiteit ingehaald is, geeft aan hoezeer de belangen van deze groep al aansloten bij de belangen van de politieke elite. Laat het dan nu gedaan zijn met de spelletjes van de bevoorrechten.

Conclusie Al wat hierboven staat mag een stevige kritiek heten. Kritiek van iemand die gelooft dat hij, of de mensen in hetzelfde leeftijdscohort van hetzelfde opleidingsniveau, allerminst in een crisis zitten. We hebben namelijk al zoveel. Er is maar één ding dat ik wil. En dat is niet leven in een land waarin Martin Bosma gelijk krijgt. Dus zorg dat de interne partijdemocratie niet beschadigd raakt. Zorg dat de politieke participatie in Nederland van hetzelfde hoge peil blijft. En lid worden van een politieke partij is daar bij uitstek onderdeel van. Maar doe het dan wel oprecht, en sluit je aan bij een partij waar je hart ligt, en probeer die mede de goede kant op te krijgen. Of, als je in het brede spectrum van beschikbare bewegingen geen geschikte partij vindt, richt er dan zelf één op. Maar gebruik de partijdemocratie niet als instrument om de doelen van een bevoorrechte groep nog verder te dienen. Daar is democratie te belangrijk voor. En bovendien is de democratie de enige ideologie die een doel op zich is. Een doel dat wel eens kritiek krijgt, maar als doel niet in crisis is. Wie echter de democratie tot slechts een middel maakt, stort haar de crisis in.  Mike van de Weijer (1985) studeerde Conflictstudies, is politiek historicus en lid van D66. In het dagelijks leven is hij werkzaam bij een internationaal opererend internetbedrijf.

19


Volonté Générale 2012 - n°4

Het communistisch planbureau? René Vonk Bij de Tweede Kamerverkiezingen speelde het Centraal Planbureau (CPB) weer een grote rol. Alle grote partijen (behalve de Partij voor de Dieren) hadden hun programma laten doorrekenen op bijvoorbeeld economische groei, werkgelegenheid en CO2 uitstoot. Vervolgens kroonde iedere partij zichzelf tot kampioen in één of meerdere disciplines. Tevens als een partij vervolgens een uitspraak deed over bijvoorbeeld het stijgen van de werkgelegenheid waren daar gelukkig altijd de CPB cijfers om er meteen een fact check overheen te gooien om te kijken of er niet alleen maar mooi weer gespeeld werd. Ook het beroemde moment waarop Diederik Samsom Mark Rutte verweet dat hij ‘het weer deed’ verwees hij naar de CPB cijfers: ‘U vertelt dat wij de staatsschuld laten oplopen. Bij ons is de staatsschuld in 2017 lager dan bij u.’1 Dit moment betekende dat Samsom definitief de rol van leider op links op zich had genomen. Hij verwees hierbij naar de CPB cijfers alsof het absolute waarheden waren, waarmee hij Rutte weg kon zetten als leugenaar: een kwalificatie die Rutte niet meer is kwijtgeraakt in de campagne. De CPB cijfers zijn immers onafhankelijk en objectief. Toch? Nee. De rol van het CPB als ‘onafhankelijke scheidsrechter’ kent volgens mij een aantal fundamentele problemen en het instituut zou dus niet de énige scheidsrechter moeten zijn in zoiets fundamenteels als democratische verkiezingen.

Allemaal in de pas ‘Ik noem het CPB ook wel het Communistisch Planbureau,’ reageerde Hero Brinkman op de doorrekeningen die voor hem niet erg goed uitpakten. Ook andere partijen gaven af op het model van het CPB zodra er cijfers uit kwamen die hen niet goed uitkwamen. Het model van het CPB is namelijk onverbiddelijk voor sommige maatregelen. Zo leidt ontslagbescherming volgens de modellen tot een toename van de werkloosheid. Toch houden partijen niet altijd voet bij stuk en buigen ze regelmatig voor het model. Doordat bepaalde dingen goed of juist niet goed werken in het model van het CPB passen alle partijen hun programma inhoudelijk (deels) aan: alles om maar niet afgestraft te worden. Uit onderzoek van De Volkskrant bleek dat ongeveer een op de tien maatregelen die politieke partijen insturen, uiteindelijk weer wordt ingetrokken of gewijzigd, omdat ze niet goed uitpakken of lastig door te rekenen zijn.2 De SP verhoogde bijvoorbeeld de AOW-leeftijd sneller dan ze eigenlijk van plan waren, omdat dit anders niet in de berekeningen mee                                                                                                          

Lijsttrekkersdebat Knevel en van den Brink op (31 augustus 2012), fragment beschikbaar via: http://nos.nl/video/412855-samsom-tegen-rutte-nu-doet-u-het-weer.html (geraadpleegd op 19 oktober 2012). 2 R. Giebels, ‘Koortsachtig doortellen tot de echte verhalen op tafel liggen’, De Volkskrant (14 juli 2012) beschikbaar via: http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2844/Archief/archief/ article/detail/3286325/2012/07/14/Koortsachtig-doortellen-tot-de-echte-verhalen-optafel-liggen.dhtml (geraadpleegd op 6 oktober). 1

20


Volonté Générale 2012 - n°4

genomen zou kunnen worden en in 2010 zag GroenLinks af van de studietaks, omdat deze op korte termijn volgens het CPB niets opleverde. Voor de duidelijkheid: dit zijn inhoudelijke koerswijzigingen om binnen het rekenmodel te passen. Omdat iedereen goed uit de berekeningen wil komen worden de marges waarbinnen partijen zich kunnen bewegen erg smal. Een veelgehoorde klacht is dat partijen steeds kleurlozer worden, meer op elkaar gaan lijken en daarmee een soort D66 worden.3 Het CPB versterkt deze trend in hoge mate.

Een feilloos model? Doordat alle partijen zich naar de modellen van het CPB gaan gedragen, worden de verschillen kleiner en loopt iedereen netjes in de pas. Je kunt je afvragen of dit wenselijk is. Bovendien is dit model wel het best denkbare? Het hoogste doel bij de berekeningen van het CPB lijkt het halen van een zo groot mogelijke economische groei op de manier waarop het CPB dat voor zich ziet. Maar waar baseert het CPB zich op? Het CPB gebruikt (sinds 2010) voor zijn berekeningen het macroeconomische model Saffier II.4 Dit model bouwt voort op de aannames van de grondlegger van het neoliberalisme, de econoom Milton Friedman. Volgens dit model handelt de mens als een homo economicus die alleen uit is op zijn eigen gewin en ook nog eens altijd rationeel daar de beste weg naartoe kiest. Hierdoor is de werkgelegenheid bijvoorbeeld voor een groot deel verbonden aan de hoogte van de uitkeringen. Als je er veel op achteruit gaat in een uitkering ga je immers werken, dus moeten de uitkeringen volgens dit model laag gehouden worden. Dat je ook te maken hebt met andere motivaties als familie, opleiding of (ont)spanning doet er hierbij niet toe. Ook andere aannames die hier worden gemaakt zijn lang niet altijd logisch te onderbouwen. De aanname van het CPB dat een versoepeling van het ontslagrecht leidt tot meer banen wordt bijvoorbeeld door econoom Alfred Kleinknecht aangevallen. Volgens hem leidt het juist tot meer werkloze ouderen die moeilijk om te scholen zijn.5 Er zijn echter geen alternatieve modellen of planbureaus om deze beweringen te staven en dus worden partijen die het ontslagrecht niet versoepelen hiervoor afgestraft. Op deze manier zijn er nog veel meer voorbeelden te noemen, maar het is duidelijk dat de ‘universele waarheid’ van de CPB modellen op zijn minst betwist mag worden.

Staat niet op de kaart De belangrijkste cijfers die door het CPB worden doorgerekend gaan over economische groei. Hier wordt in de media dan ook de meeste                                                                                                           3 Bijvoorbeeld

Willem Schinkel stelt dit in zijn boek Een nieuwe democratie (Amsterdam 2012). Saffier II: 1 model voor de Nederlandse economie, in 2 hoedanigheden, voor 3 toepassingen (14 12-2010) gevonden op: http://www.cpb.nl/publicatie/saffier-ii-1-model-voor-denederlandse-economie-2-hoedanigheden-voor-3-toepassingen (geraadpleegd op 8-10-2012). 5 A. Kleinknecht, R. Naastepad & S. Storm, ‘Is hervorming van de arbeidsmarkt wel zo wenselijk’, Bureau de Helling (13 januari 2012) beschikbaar via: http://bureaudehelling.nl/ artikel/is-hervorming-van-de-arbeidsmarkt-wel-zo-wenselijk (geraadpleegd op 6 oktober 2012). 4 CPB,

21


Volonté Générale 2012 - n°4

aandacht aan besteed. Andere zaken als CO2 uitstoot worden wel berekend, maar krijgen amper aandacht. Dit geldt in nog grotere mate voor zaken die niet in het model door te rekenen zijn. We leven in een samenleving waar economische groei het hoogste goed is geworden en onze hele politiek beheerst. Ons huidige economische model is gebaseerd op groei, dus zolang de economie groeit hoeven we ons nergens druk over te maken, is de boodschap. Ondertussen raken onze grondstoffen op, lijden miljoenen dieren in de bio-industrie, wordt de kloof tussen arm en rijk groter, en blijven we afhankelijk van olie uit andere delen van de wereld. Onze verslaving aan groei, vlees en olie zorgt ervoor dat de aarde steeds verder uitgeput raakt. Onze focus op winst zorgt ervoor dat de menselijke maat uit het oog verloren wordt en datgene wat écht van waarde is niet gewaardeerd wordt. Waarom verdient een handelaar in aandelen aanzienlijk meer dan een verpleegster? Het is voor de modellen van het CPB bijvoorbeeld onmogelijk om rekening te houden met op rakende grondstoffen, de waarde van natuur of met de kwaliteit van de zorg voor onze ouderen. Partijen die hier in hun programma's en plannen wél aandacht aan (willen) besteden worden bij de doorrekeningen hiervoor afgestraft, terwijl steeds meer economen het erover eens zijn dat ons huidige groeimodel niet houdbaar is.6 Economische groei is niet de oplossing van onze problemen, maar juist de oorzaak ervan. Marianne Thieme verdedigde de keuze haar programma niet door te laten rekenen dan ook met de opmerking dat het ging over de verdeling van ‘een taart die op is.’7

Naar een andere economie We moeten naar een meer ontspannen en houdbare samenleving, en een economie waarin wat van waarde is ook op waarde wordt geschat. Dit blijkt niet in de huidige CPB modellen te passen. Tevens worden fundamenteel andere keuzes (zoals behoud van ontslagbescherming) dan de keuzes die het CPB voorschrijft niet gewaardeerd. Dit beperkt de keuze die we hebben bij de verkiezingen enorm, omdat het ervoor zorgt dat alle partijen hun programma's voor de verkiezingen afzwakken of wijzigen en daarmee tot eenheidsworst verworden. Het is helaas de enige onafhankelijke scheidsrechter die we hebben en afschaffen is dus lastig. Ik zou daarom willen pleiten voor een tweede scheidsrechter. Hiervoor zou bijvoorbeeld gekeken kunnen worden naar een alternatief bureau naast het CPB of een alternatief model naast het neoliberale model dat alleen maar over geld gaat. Er zijn genoeg alternatieven voorhanden. Een groen BNP zou bijvoorbeeld gebruikt kunnen worden om op rakende grondstoffen en Co2 uitstoot ook mee te wegen. Zo zorgen we ervoor dat de taart niet opraakt. In India worden met dit model inmiddels succesvolle experimenten gedaan en wordt dit onderdeel van het standaardbeleid in                                                                                                          

Zie bijvoorbeeld T. Jackson, prosperity without growth (2003). Thieme, ‘Doorrekening van een taart die op is’, Website Partij voor de Dieren (27 augustus 2012) https://www.partijvoordedieren.nl/recent/news/i/6684/doorrekening-van-eentaart-die-op-is (geraadpleegd op 6 oktober 2012). 6

7 M.

22


Volonté Générale 2012 - n°4

2015.8 India wil op deze manier toetsen of ze klaar zijn voor duurzame economische groei. Een mogelijk model om dat wat we van waarde vinden ook écht op waarde te schatten is te lezen in het boek Echte economie van Arnold Heertje.9 Hij stelt dat de huidige economen zich eigenlijk zouden moeten schamen, omdat ze geen economie meer bedrijven. Economie gaat over het verdelen van schaarse goederen en niet alleen over geld. Ook de natuur is bijvoorbeeld schaars en er zijn dingen waar eigenlijk geen goede geldwaarde aan toegekend kan worden zoals kunst en monumenten. Hij vindt dan ook dat er gekeken zou moeten worden naar een integrale welvaartsanalyse.10 Een dergelijke analyse leidt volgens Heertje tot een opsomming van de monetaire en niet-monetaire welvaartseffecten voor huidige en toekomstige generaties consumenten. In deze kosten en batenanalyses zou het niet alleen moeten gaan over de financiële gevolgen, maar bijvoorbeeld ook de gevolgen voor de natuur. Deze opsomming laat volgens hem echter geen normatieve conclusies toe. Die zijn voorbehouden aan de politiek. Met een dergelijke analyse in de hand is wel een veel betere afweging te maken over wat we écht van waarde vinden. Een ander alternatief is om naast de cijfertjes en een breder welvaartsbegrip ook naar een Bruto Nationaal Geluk te kijken. Dit is allang niet meer iets voor zweverige types: de gelukswetenschap is een groeiend wetenschapsveld waar serieuze wetenschappers zich mee bezig houden.11 De Rotterdamse socioloog Ruut Veenhoven bracht veel van deze onderzoeken samen in de World Database of Happiness.12 Op basis van deze onderzoeken zou bijvoorbeeld een model kunnen worden ontworpen waarmee beleidsvoorstellen tegen het licht gehouden kunnen worden om te kijken naar het effect dat ze hebben op het menselijk geluk. Zo blijken mensen gelukkiger te zijn in landen waar de inkomensverschillen kleiner zijn. In Bhutan gebruiken ze het Bruto Nationaal Geluk inmiddels al als basis van het beleid en laten ze zien dat het een werkbare methode is.

Conclusie

Ook deze alternatieve modellen zullen uiteraard niet de onfeilbare waarheid bieden. Maar door naar een alternatieve basis voor het beleid te kijken gaan de verkiezingen in ieder geval niet meer alleen over cijfertjes die misschien wel leuk zijn voor boekhouders, maar die wel alle partijen in één (neoliberaal) stramien plaatsen. Of deze alternatieven door het                                                                                                          

‘India to release 'Green GDP' data from 2015’, The Financial Express (21 november 2009), beschikbaar via: http://www.financialexpress.com/news/india-to-release-green-gdp-datafrom-2015/544338/ (geraadpleegd op 8 oktober 2012). 9 A. Heertje, Echte economie. Een verhandeling over de schaarste en welvaart en over het geloof in leermeesters en leren. (Den Haag 2006) 39. 10 Heertje, Echte economie, 39. 11 R. van Tilburg, Politiek maakt gelukkig, Bureau de Helling (21 december 2008) beschikbaar via: http://bureaudehelling.nl/artikel-tijdschrift/politiek-maakt-gelukkig (geraadpleegd op 8 oktober 2012). 12 R. Veenhoven (red.), World Database of Happiness (Rotterdam z.j.) beschikbaar via: http://www1.eur.nl/fsw/happiness/ (geraadpleegd op 8 oktober 2012). 8

23


Volonté Générale 2012 - n°4

CPB of door een nieuw onafhankelijk instituut zouden worden bekeken maakt op zich niet uit. Het gaat erom dat we datgene dat we met zijn allen van waarde vinden ook weer écht op waarde schatten zonder de aarde uit te putten. Op naar een waardevolle economie.  René Vonk (1987) is parlementair historicus en voorzitter van Hellingproef, het jong Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks.

24


Volonté Générale 2012 - n°4

De lobbyparagraaf Roel van den Tillaart Als het Rekenkamerrapport Bestrijding van accijnsfraude bij alcohol en tabak op haar bureau valt, is voor PvdA-kamerlid Lea Bouwmeester de maat vol. Twee weken eerder raakte Philip Morris in opspraak na een reportage van EenVandaag. 1 De tabaksproducent stuurde raadsleden uit Bergen op Zoom, waar de Marlboro-sigaretten van de band rollen, een voorgekookte brief zodat zij bij partijgenoten in de Kamer tegen de voorgenomen accijnsverhoging konden lobbyen. Bouwmeester, op dat moment woordvoerder verslaving, duikt er op. ‘Schandelijk’ en ‘moreel verwerpelijk’, bijt ze de camera toe. ‘De minister van tabak’, zoals Edith Schippers (VWS) in antirookkringen bekend staat, moet volgens haar de industrie tot de orde roepen. Twee weken later concludeert de Rekenkamer dat destijds staatssecretaris Jan Kees de Jager zich in de voorafgaande regeerperiode heeft laten beïnvloeden door de tabaksindustrie. Bouwmeester verschijnt opnieuw voor de camera, dit keer in Nieuwsuur.2 Lobbyen kun je niet verbieden, zegt ze, maar wel transparant maken. Dat wil ze bereiken met een lobbyparagraaf voorafgaand aan iedere nieuwe wet, waarin staat wie namens wie en met welke argumenten bij welke intenties de ministeries heeft bezocht. Ze voegt zich met dat initiatief in een illuster rijtje sociaaldemocratische voorgangers dat terugvoert tot Staf Depla in 2003. Door het pleidooi van Bouwmeester voor een lobbyparagraaf is de lobby opeens zélf een item op de politieke agenda. Het PvdAKamerlid wil de invloed van lobbyisten met een paragraaf bij iedere nieuwe wet zichtbaar maken. Daarmee wil ze op de eerste plaats de macht van de tabaksindustrie breken. Een kwestie van transparantie of platte partijpolitiek?

Gemengde reacties Het voorstel roept bij politici, maar ook bij lobbyisten gemengde reacties op. Volgens de een zal transparantie helpen bij het proces van volwassenwording van het vak, volgens de ander lost het een nietbestaand probleem op, omdat Nederland al een transparante lobbycultuur kent. De lobby is hier te lande misschien minder gereguleerd dan in Brussel of Washington, maar de schandalen uit die politieke epicentra kennen wij óók niet. Voor- en tegenstanders uit het veld vinden elkaar op twee punten. Het eerste is van praktische aard. Er is geen definitie voor lobbyen en als die er wel was zou het plan nog steeds een verschrikkelijke hoeveelheid aan bureaucratische rompslomp opleveren. Het tweede is principieel.                                                                                                          

‘Philip Morris lobbyt agressief bij politiek’, EenVandaag (24 mei2012) beschikbaar via http://www.uitzendinggemist.nl/afleveringen/1260797 (geraadpleegd op 19 november 2012). 2 ‘Lobby moet transparanter’, Nieuwsuur (18 juni 2012) beschikbaar via http://www.uitzendinggemist.nl/afleveringen/1264705 (geraadpleegd op 19 november 2012). 1

25


Volonté Générale 2012 - n°4

Waarom het contact dat lobbyisten met ambtenaren hebben wel en dat met Kamerleden niet registreren? En waarom legt Bouwmeester voortdurend nadruk op de rijke en machtige industrie, meent zij soms dat de non-profitsector lijdzaam toekijkt?3 Lobbyist Jeroen de Veth gooit in een opinieartikel in de Volkskrant de knuppel in het hoenderhok: ‘Als Bouwmeester geen belang stelt in deze kanttekeningen, is haar voorstel er een voor de bühne en laadt zij de verdenking op zich haar pijlen te richten op die lobbyisten die niet in haar straatje passen. In dat geval is er met het voorstel geen maatschappelijk en democratisch belang gediend, maar slechts een partijpolitiek belang.’4

Kwaadaardig complot Branie, dat zonder meer. Maar zit er misschien ook een punt in? De standpunten van de politieke partijen bieden weinig soelaas, want zelfs na diep graven is slechts bij drie partijen iets te vinden. ‘Lobbyen best, maar niet bij ons’, liet Geert Wilders zich tijdens de Algemene Beschouwingen in 2008 ontvallen.5 Het standpunt van de PvdA is helder. Dat van de SP ook. Die partij ageerde in haar meest recente verkiezingsprogramma Nieuw Vertrouwen tegen agressieve lobbypraktijken van de farmaceutische industrie en ‘het leger aan lobbyisten van grote bedrijven in Brussel.’6 Andere partijen hebben formeel geen standpunt over het opnieuw opgerakelde issue. Maar partijen snijden het onderwerp wel aan in de nieuwsberichten die zij op hun websites publiceren. Hoe schrijven zij over de lobby? Biedt dat aanknopingspunten voor de suggestie dat het transparantieargument voor een partijpolitiek karretje wordt gespannen? Een selectie van 139 nieuwsberichten uit de laatste jaren van de acht grootste partijen biedt kraakheldere aanwijzingen. Om te beginnen: sporadisch noemen meerdere partijen dezelfde lobby – met als uitzonderingen het bedrijfsleven of multinationals, de                                                                                                           In artikelen in het wetenschappelijke tijdschrift Journal of Public Affairs ligt steeds vaker de nadruk op de groeiende macht van ngo’s ten opzichte van commerciële spelers via voornamelijk de publieke opinie en daarmee op politieke besluitvorming op zowel nationaal als internationaal niveau. Zie bijvoorbeeld: R. H. Pedler, ‘Envisaging the future – scenarios and publicaffairs practice’, Journal of Public Affairs 1 (2001) 113-123, vooral 113-115; S. Titley, ‘How political and social change will transform the EU public affairs industry’, Journal of Public Affairs 3 (2003) 83-89; J. Burchell & J. Cook, ‘Assessing the impact of stakeholder dialogue: changing relationships between NGOs and companies’, Journal of Public Affairs 6 (2006) 210-227, vooral 210-212, 216-221; G. Allen, ‘Commentary: the corporate political environment, and big business response’, Journal of Public Affairs 7 (2007) 97-108, vooral 9799. 4 J. de Veth, ‘Lobbyist hoort thuis in politiek Den Haag, de Volkskrant (22 juni 2012) beschikbaar via: http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2844/Archief/archief/ article/detail/3275094/2012/06/22/Lobbyist-hoort-thuis-in-politiek-Den-Haag.dhtml (geraadpleegd op 19 november 2012); De oorspronkelijke tekst is door de redactie aangepast. Het volledige artikel is raadpleegbaar op de LinkedIn-pagina van de Beroepsvereniging voor Public Affairs (BVPA): http://www.linkedin.com/ groups?gid=164552&trk=hb_side_g (geraadpleegd op 19 november 2012). 5 De spreektekst is terug te lezen via http://www.pvv.nl/index.php/component/ content/article/12-spreekteksten/1293-inbreng-wilders-tijdens-apb.html (geraadpleegd op 19 november 2012). 6 Nieuw vertrouwen: verkiezingsprogramma SP 2013-2017 (2012) 11, 23, 59, beschikbaar via: http://www.sp.nl/2012/programma/ (geraadpleegd op 19 november 2012). 3

26


Volonté Générale 2012 - n°4

farmaceutische industrie en de banken. De PVV schrijft vooral over de milieu-, klimaat- en natuurlobby. Soms staat de Islamitische, de cultuurlobby of die van het Koningshuis in de schijnwerpers. GroenLinks schrijft het vaakst over de energiesector en de (auto-)industrie. Bij de SP staan grote bedrijven en de farmaceutische industrie op één en twee. D66 schrijft – weliswaar in Europese context – over de conservatieve en religieuze lobby, en over Oost-Europese boeventronies die met hun flexibele mensenrechtennormen proberen Brussel te infiltreren. Wie een beetje politiek ingevoerd is, herkent het patroon: lobby’s zijn bij deze oppositietijgers vier van de vijf keer de ideologische vijand. Berichten met een positieve toonzetting zijn uitermate schaars, waardoor ongeveer zeventig procent van het totale aantal berichten een duidelijke negatieve strekking heeft. Bij D66 zit er zelfs een vrij opzichtige communicatiestrategie achter. Na een sub-kopje ‘lobby’ ontmaskert de redacteur hoe de boeven hun kwaadaardige complot nu weer hebben opgezet. Hetzelfde geldt niet voor andere partijen. VVD en CDA roeren het thema nauwelijks aan. Dat maakt het lastig een conclusie te trekken. Anderzijds toont het op zichzelf voldoende aan dat zij er anders instaan dan hun bovengenoemde concurrenten. De ChristenUnie schrijft wel met enige regelmaat over de lobby’s. Dat zijn regelmatig groepen waar de partij aan het politieke front op stuit. Toch is de toon beduidend milder dan bij de rest. Mede- of tegenstrever: iedereen heeft recht op zijn eigen lobby, luidt de teneur.

Ongrijpbaar Maar ook tussen PVV en SP enerzijds en D66, GroenLinks en PvdA anderzijds bestaan verschillen – hoewel ook bij de sociaaldemocraten nauwelijks berichten voorhanden zijn. Positief uitgelegd: de laatste drie oordelen meer genuanceerd. Negatief uitgelegd: ze zijn hypocriet. Op de eerste plaats is het aantal krachttermen in de berichten – vooral bij D66 – beduidend lager dan bij PVV en SP, maar daarnaast schrijven zij wél positief over de lobbytrajecten die intern worden uitgerold – bijvoorbeeld voor burgemeestersbenoemingen. (Saillant detail: bij GroenLinks loopt een behoorlijk aantal oud-lobbyisten uit de ngo-sector rond.) Op de politieke flanken is lobbyen consequent een vies woord, een enkele uitzondering daargelaten. Het bronnenmateriaal schetst nog een tweede patroon. Hoe negatiever de houding ten opzichte van de lobby, hoe minder concreet de opgevoerde groepen zijn. Wat is de milieulobby (PVV) en wie zijn ‘de’ grote bedrijven (SP)? D66 en GroenLinks voeren net iets vaker een meer tastbaar collectief op – van Vaticaan en Azerbeidzjan tot de autoindustrie en kernenergiesector. ChristenUnie schrijft bijvoorbeeld over de frisdrankindustrie, de anti-alcohollobby, het Centraal Bureau Levensmiddelen, de lobby van christelijke ontwikkelingsorganisaties en sporadisch over een collectief dat je níet direct herkent. Dat geeft te denken. Zouden partijen er baat bij hebben een ongrijpbare tegenkracht gesluierd in lobbygewaad op te voeren? En

27


Volonté Générale 2012 - n°4

daarmee een – in meerdere of mindere mate bestaande – gezamenlijke vijand te creëren?

Next stop: pornolobby Terug naar de politieke realiteit. Hoe reageerden haar collega’s in de Kamer op Bouwmeesters voorstel? De VVD- en PVV-woordvoerder onthouden zich van commentaar tot er een concreet voorstel op tafel ligt. D66, GroenLinks en SP gaven bijval. Hoewel die laatste bij monde van Ronald van Raak het idee erg vrijblijvend vond. Alleen CDA zag er in de persoon van Ger Koopmans weinig heil in. Hoe de wet tot stand komt doet er niet toe, betoogde hij, als ze maar deugt. De hamvraag: gaat het de voorstanders om louter om transparantie of sluimert onder de oppervlakte een partijpolitieke, misschien zelf opportunistische motivering? Het is minstens opvallend dat Bouwmeester medestanders rekruteert in de partijen die vaak en negatief over lobby’s berichten – en dat het radicale standpunt van de SP reflecteert in Van Raaks reactie. PVV, toch nauwelijks minder radicaal dan de SP, gaat niet mee. Maar ook dat is te verklaren. Die partij heeft namelijk een totaal ander beeld bij de lobby. De partij wil bovendien een einde maken aan de ‘overheidspropaganda’ tegen roken, terwijl Bouwmeesters voorstel daar net de nieuwe spruit van is.7 Saillant is bovendien dat Nieuwsuur de uitzending waarin het PvdA-Kamerlid haar voorstel uit de doeken deed vervolgde met een vraaggesprek met longarts en notoir anti-rookactivist Pauline Dekker, die het betoog van Bouwmeester over de tabaksindustrie nog eens aanzette. Dat was voor de redactie blijkbaar van meer urgentie dan het punt van transparantie in de lobby. Zou de nieuwe positie van de PvdA het voorstel, naar goed sociaaldemocratische gebruik, in de kiem doen smoren? Het woordvoerderschap verslaving is in ieder geval verschoven naar nieuwkomer Myrthe Hilkens, die niet tabak maar de ‘pornoficatie’ van de samenleving als stokpaardje berijdt. De pornolobby, die ontbreekt er nog aan.  Roel van den Tillaart (1984) is cultuurhistoricus en werkt sinds kort – na een stage – bij public affairs-bureau Van Belang & Partners. Daarvoor houdt hij zich onder meer bezig met onderzoek naar beeldvorming over de politieke lobby en veranderingen in beïnvloedingsstrategieën van pressiegroepen en ngo’s.

                                                                                                         

Hún Brussel, óns Nederland: verkiezingsprogramma PVV 2012-2017 (2012) 29, beschikbaar via http://www.pvv.nl/index.php/visie/verkiezingsprogramma-2012.html (geraadpleegd op 19 november 2012). 7

28


Volonté Générale 2012 - n°4

De kracht van het placebo-effect Anna Tuenter Neurowetenschappers hebben het bewezen: het placebo-effect is ‘echt’. Dat het vertrouwen in een medicatie het succes van de behandeling sterk kan beïnvloeden, zou niet alleen hersenonderzoekers moeten fascineren. De geestelijke gezondheidszorg kan deze kennis gebruiken om per direct te hervormen. Het placebo-effect is bij geen enkele behandeling zo sterk als bij die van depressie. In 2008 bracht psychiater Irving Kirsch, professor aan Harvard Medical School, een schandaal aan het licht dat tot dit inzicht heeft geleid. De antidepressiva die we sinds de jaren 1960 slikken blijken – behalve bij zwaar depressieve patiënten – niet effectiever dan een placebo. Volgens Kirsch heeft de farmaceutische industrie decennia lang systematisch studies weggemoffeld waarin het effect van medicatie niet verschilde met dat van een neppil.1 Nu alle studies boven water zijn, blijkt dat dertig tot vijftig procent van de depressieve patiënten baat heeft bij antidepressiva2 – opvallend genoeg hetzelfde percentage dat geneest in de controlegroep die een placebo krijgt. Kirsch stelt dat het best kan zijn dat patiënten genezen door antidepressiva, maar zij genezen alleen omdat het placebo-effect zo sterk is, niet vanwege de farmacologische werking van de medicijnen zelf. 3 Een revolutie binnen het depressie-onderzoek: doordat antidepressiva controversieel werden verklaard, kreeg het placebo-effect erkenning.

De therapeutische omgeving Het placebo-effect is een verzamelterm voor alle factoren die invloed hebben op het succes van behandeling, behalve de farmacologische werking van het medicijn zelf. De therapeutische omgeving bestaat uit de witte jas van de expert, het gevoel serieus genomen te worden door de arts en ‘eindelijk’ iets te doen aan je klachten. Het is een fenomeen dat in zowel de placebogroep als de experimentele groep optreedt, omdat beide groepen patiënten in de veronderstelling zijn dat ze behandeld worden. Door deze erkenning is het placebo-effect haar negatieve reputatie als ‘nep-effect’ eigenlijk ontstegen en zou structureel als ‘verwachtingseffect’ beschreven moeten worden. Hersenonderzoekers besloten dit fenomeen serieus te nemen en werden nieuwsgierig naar de neurobiologische processen die hieraan ten grondslag liggen. Wat blijkt? Moleculaire studies en hersenscans tonen                                                                                                          

I. Kirsch e.a., ‘Initial Severity and Antidepressant Benefits: A Meta-Analysis of Data Submitted to the Food and Drug Administration’, PLoS Medicine 5 (2008) 260-268, beschikbaar via: http://www.plosmedicine.org/article/info%3Adoi%2F10.1371%2Fjournal. pmed.0050045 (geraadpleegd op 27 november 2012). 2 H. G. Ruhé, Dose-Escalation in the Picture. Pharmacological and Imaging Studies in Depression (Amsterdam 2008) beschikbaar via: http://dare.uva.nl/record/283611 (geraadpleegd op 27 november 2012); H. G. Ruhé e.a., ‘Dosisverhoging van SSRI’s bij depressie; niet aan te bevelen in richtlijnen’, Tijdschrift voor Psychiatrie 52 (2010) 615-625. 3 I. Kirsch e.a., ‘Initial Severity and Antidepressant Benefits’. 1

29


Volonté Générale 2012 - n°4

aan dat een positieve verwachting van een behandeling het beloningssysteem activeert, en de stress- en emotiecentra juist onderdrukt.4 De resultaten zijn nog jong, maar helaas krijgen wetenschappers weinig vrijheid om hun theorieën verder te testen: onderzoek naar het placebo-effect stuit op veel ethische bezwaren.5 Het gericht misleiden van patiënten is niet toegestaan, maar wel een voorwaarde voor het onderzoek. Wanneer je de patiënt namelijk informeert over de mogelijkheid een nepmedicijn te krijgen, doe je rechtstreeks afbreuk aan het placebo-effect. Eigenlijk is het eenvoudig te beredeneren dat verwachtingseffecten zo’n grote rol spelen bij het tegengaan van een depressie. Deze stoornis wordt namelijk gekenmerkt door hopeloosheid, een emotie die op zichzelf een functie is van verwachting.6 Wanneer patiënten op het punt staan medicatie te starten, staan zij in principe open voor verbetering en werkt dit vertrouwen direct hopeloosheid tegen.

Het nocebo-effect: wanneer vertrouwen in behandeling mist

Tegelijkertijd kunnen negatieve verwachtingen het effect van behandeling juist helemaal teniet doen. Wanneer patiënten wantrouwend tegenover behandeling staan, hebben antidepressiva vrijwel nooit effect.7 Hiervoor is de minder bekende negatieve tegenhanger van het placebo-effect verantwoordelijk: het nocebo-effect. Dit is ook een directe functie van de therapeutische omgeving, maar deze werkt in tegenstelling tot het placebo-effect het behandelingssucces juist tégen.8 De psychologische stress en de angst voor medicatie kan fysieke klachten veroorzaken: hoewel vijftig tot zestig procent van de patiënten bijwerkingen van antidepressiva ervaart, is de grote meerderheid hiervan niet medicijngerelateerd. Een kwart van de bijwerkingen wordt zelfs gerapporteerd in de groep die een placebo krijgt toegediend.9 Dit onbehagen zorgt ervoor dat een kwart van de patiënten definitief met de medicatie stopt. 10 Afgezien van de bijwerkingen doet het gebrek aan geloof in de behandeling haar effect helemaal teniet: een veelgehoord probleem bij dwangverpleging dat nu een wetenschappelijke verklaring vindt in een                                                                                                           F. Benedetti, ‘Mechanisms of Placebo and Placebo-Related Effects Across Diseases and Treatments’, Annual Review Pharmacology and Toxicology 48 (2008) 33-60; F. Benedetti, E. Carlino & A. Pollo, ‘How placebos change the patient's brain’, Neuropsychopharmacology 36 (2011) 339-354; A. Tuenter, Psychobiological Mechanisms of Placebo and Nocebo Effects in Antidepressant Trials (Amsterdam 2012) beschikbaar via: http://www.science.uva.nl/ onderwijs/thesis/centraal/files/f1470578080.pdf (geraadpleegd op 27 november 2012). 5 G. Meynen & D. F. Swaab, ‘Why Medication in Involuntary Treatment May Be Less Effective: The Placebo/Nocebo Effect’, Medical Hypotheses 77 (2011) 993-995; W. Rief e.a., ‘Mechanisms involved in Placebo and Nocebo Responses and Implications for Drug Trials’, Clinical Pharmacology & Therapeutics 90 (2011) 722-726. 6 Kirsch e.a., ‘Initial Severity and Antidepressant Benefits’. 7 Meynen & Swaab, ‘Why Medication in Involuntary Treatment May Be Less Effective’. 8 R.R. Reeves e.a., ‘Nocebo Effects with Antidepressant Clinical Drug Trial Placebos’, General Hospital Psychiatry 29 (2007) 275-277. 9 A. J. Barsky e.a., ‘Nonspecific Medication Side Effects and the Nocebo Phenomenon’, JAMA: The Journal of the American Medical Association 287 (2002) 622-627. 10 M. S. Mora, Y. Nestoriuc & W. Rief, ‘Lessons Learned from Placebo Groups in Antidepressant Trials’, Philosophical Transactions of the Royal Society B: Biological Sciences 366 (2011) 1879-1888. 4

30


Volonté Générale 2012 - n°4

ongevoeligheid voor het placebo-effect en het optreden van het noceboeffect.11

Ethische bezwaren

Deze cijfers zijn afgeleid uit onderzoek naar de werking van antidepressiva zelf. Het direct onderzoeken van het nocebo-effect in de context van depressie is nog verboden. Onderzoek krijgt geen kans: ethische commissies keuren het positief misleiden van patiënten al af, laat staan dat het manipuleren van negatieve gedachten om behandeling te laten mislukken door de beugel kan. 12 Toch lijken neurobiologische studies naar het nocebo-effect in andere contexten zoals pijnervaring al resultaten op te leveren: negatieve verwachtingen activeren het menselijke stress-systeem in de hersenen en onderdrukken het beloningssysteem.13 Voorzichtige resultaten lijken aan te tonen dat het placebo- en het nocebo-effect een direct tegenovergestelde werking uitoefenen op in ieder geval gedeeltelijk dezelfde hersenprocessen.14 Het nocebo-effect kan sterk afbreuk doen aan het behandelingssucces van depressie en is misschien wel sterker dan waar het placebo-effect voor kan compenseren.15 Het gaat hier immers om een groep mensen die sowieso neigt naar een negatief denkpatroon.16 Hoewel de wetenschap dus nog ‘hinder’ ondervindt van ethische bezwaren, kan de kennis over verwachtingseffecten per direct voor maatschappelijke doeleinden worden gebruikt. Zowel patiënt als arts kan zijn les halen uit het feit dat verwachtingseffecten het behandelingseffect enorm versterken of teniet doen.

De boodschap voor de patiënt en de huisarts Het sterke placebo-effect bij behandeling van depressie biedt een nieuwe interpretatie van het begrip zelfredzaamheid, een nieuw inzicht in ons eigen kunnen. Pillen boden een makkelijk middel om onze verwachtingseffecten op te projecteren, maar nu is het zoeken naar een legitieme vervanging waar de farmaceutische industrie niet van profiteert. Het overgrote deel van degenen die antidepressiva overwegen zou deze kennis mee moeten nemen in zijn of haar besluitvorming. In de VPROdocumentaire ‘Iedereen depressief’ stelt hoogleraar psychiatrie Aartjan Beekman dat het gebruik van antidepressiva in Nederland met driekwart omlaag kan: van ruim achthonderduizend gebruikers naar tweehonderdduizend. 17 Helaas vindt die overweging nog niet plaats,                                                                                                          

Meynen & Swaab, ‘Why Medication in Involuntary Treatment May Be Less Effective’. Meynen & Swaab, ‘Why Medication in Involuntary Treatment May Be Less Effective’; Rief e.a., ‘Mechanisms Involved in Placebo and Nocebo Responses and Implications for Drug Trials’. 13 Benedetti, ‘Mechanisms of Placebo and Placebo-Related Effects Across Diseases and Treatments’. 14 Tuenter, Psychobiological Mechanisms of Placebo and Nocebo Effects in Antidepressant Trials. 15 Ibidem. 16 Kirsch e.a., ‘Initial Severity and Antidepressant Benefits’. 17 ‘Iedereen depressief’, VPRO Thema (24 februari 2011) beschikbaar via: http://tvblik.nl/vpro-thema/iedereen-depressief-1 (geraadpleegd op 27 november 2012). 11 12

31


Volonté Générale 2012 - n°4

waardoor het aantal slikkers van antidepressiva nog steeds groeit, ondanks de slechte publiciteit over deze pillen.18 Huisartsen kunnen deze kennis gebruiken om depressieve patiënten beter te begeleiden. Nog voor de behandeling – ongeacht de aard – begint, kan de arts het effect hiervan al optimaliseren door positieve verwachtingen te stimuleren en de negatieve te voorkomen. Het stimuleren van de vertrouwensrelatie tussen arts en patiënt vergroot het vertrouwen van de patiënt in de behandeling, en daarmee de kans op succes. Het Nivel Instituut in Utrecht doet onder leiding van Jozien Bensing al jaren onderzoek naar de contextuele effecten van behandeling. Door de patiënt na een consult met de arts te laten oordelen over dit gesprek, ontdekte Bensing dat het vertrouwen in behandeling al door kleine aspecten van het consult kan worden bepaald: de mate van oogcontact tussen arts en patiënt of de kwaliteit van de dialoog bepalen met welk gevoel een patiënt de kliniek verlaat. Bensing ondervindt veel weerstand van psychiaters, die het optimaliseren van placebo-effecten in de zorg beschouwen als iets onwenselijks dat de gebruikelijke behandelingsmethoden in de weg staat.19 De tweede verantwoordelijkheid van de arts is het voorkomen dat de patiënt met een negatieve verwachting en/of een verkeerde behandeling naar huis gaat. Deze verantwoordelijkheid omvat twee taken: de tijd nemen om met de patient in dialoog te gaan en een goede voorlichting over de behandeling. Hiermee kunnen onnodige kosten van ineffectieve behandeling en het vroegtijdig stoppen worden voorkomen. Meer tijd nemen voor de dialoog met de patiënt moet het geroutineerde voorschrijven van een kuurtje antidepressiva vervangen. Onderzoek toont aan dat de patiënt zich tegenwoordig niet meer herkent in de diagnose van de arts en zonder enige inspraak toch een recept voor pillen mee naar huis krijgt.20 Dit kan drie scenario’s in gang zetten. Eén: de patiënt haalt de pillen wel op bij de apotheek, maar het doosje pillen blijft ongeopend in de kast staan. Dit gebeurt nu al bij een kwart van de patiënten.21 Twee: wanneer iemand toch begint aan de kuur, is de kans klein dat deze persoon de medicatie (gestructureerd) gaat volhouden, ook door het ervaren van bijwerkingen.22 Halverwege stoppen is gevaarlijk.                                                                                                          

J. F. Hernandez e.a., ‘A 10-Year Analysis of the Effects of Media Coverage of Regulatory Warnings on Antidepressant Use in The Netherlands and UK’, PLoS ONE 7 (2012) 1-10, beschikbaar via: http://www.plosone.org/article/info%3Adoi%2F10.1371%2Fjournal. pone.0045515 (geraadpleegd op 27 november 2007). 19 Zie voor een inleiding op het werk van Jozien Bensing: ‘‘Mijn onderzoek is te bedreigend voor psychiaters’; Jozien Bensing over placebo-werking’ (interview), PSY nr. 10 (2011) 6-10, beschikbaar via: http://www.psy.nl/fileadmin/files/Psyarchief/Files_2011/Interview_ Jozien_Bensing.pdf (geraadpleegd op 27 november 2012). 20 E. Brandt, ‘Patiënten herkennen zich niet in depressie-diagnose’, PSY nr. 11 (2008) 13, beschikbaar via: http://www.psy.nl/fileadmin/files/Psyarchief/Files_2008/Patienten_ herkennen_zich_niet_in_depressie-diagnose.pdf (geraadpleegd op 27 november 2012). 21 E. C. G. Geffen e.a., ‘Evaluation of Patients’ Experiences with Antidepressants Reported by Means of a Medicine Reporting System’, European Journal of Clinical Pharmacology 63 (2007) 1193-1199. 22 Mora, Nestoriuc & Rief, ‘Lessons Learned from Placebo Groups in Antidepressant Trials’; Geffen e.a., ‘Evaluation of Patients’ Experiences with Antidepressants Reported by Means of a Medicine Reporting System’. 18

32


Volonté Générale 2012 - n°4

Het is vergelijkbaar met het niet afmaken van een antibioticumkuur.23 Drie: de patiënt maakt de kuur wel af, maar onderzoek toont keer op keer aan dat de kans op succes erg klein is als men hier niet echt in gelooft.24 Dit verklaart gelijk waarom huisartsen erg terughoudend moeten zijn met het verhogen van de medicatiedosis wanneer de patiënt aangeeft geen baat te hebben bij de eerder voorgeschreven behandeling.25 Samenvattend lijkt het dus beter voor de gezondheid van de patiënt én goedkoper wanneer de huisarts selectief pillen voorschrijft. Naast de dialoog met de patiënt moet de huisarts het ‘geroutineerde rondje’ langs de mogelijke bijwerkingen van het voorgeschreven antidepressivum met veel zorg uitvoeren. Huisartsen zijn zich vaak niet bewust van het feit dat deze informatie een psychologische druk op de toch al kwetsbare patiënt legt en het hele behandelingstraject kan beïnvloeden. 26 Artsen moeten de patiënt op een verantwoorde, realistische doch relativerende manier op hoogte brengen van de bijwerkingen. Dit betekent dat hij de dialoog met de patiënt moet aangaan als de patiënt zelf al kennis heeft vergaard over bijwerkingen van behandeling. Daarnaast zou hij, wanneer patiënten meer willen weten, hen moeten verwijzen naar betrouwbare medische websites.27 Deze verbeteringen zullen significant van invloed zijn op het gevoel waarmee de patiënt de huisartsenkliniek verlaat en de behandeling start.

De discussie leeft

Dat wat kort geleden begon als een neurobiologische discussie, heeft nu al zo veel maatschappelijke implicaties. Iedereen heeft wel een naaste – moeder, collega of buurman – die antidepressiva slikt. Vrijwel iedereen had al twijfels over het effect van zulke pillen. Ook leverde een discussie met een groepje eerstejaars psychobiologiestudenten een grappig inzicht op. ‘Ja maar,’ zei er één, ‘mijn moeder slikt antidepressiva en als ik deze wetenschappelijke feitjes ga vertellen, dan help ik ook dat placebo-effect om zeep. Dan heeft ze er helemáál niets meer aan!’ Ja, die kans zit er in. Misschien moet moeder een alternatief verzinnen om positieve verwachtingen voor de toekomst op te projecteren.  Anna Tuenter (1987) is masterstudente Neurobiologie aan de Universiteit van Amsterdam. Zij schreef haar scriptie Psychobiological Mechanisms of Placebo and Nocebo Effects in Antidepressant Trials onder begeleiding van Dick Swaab.

                                                                                                         

Ruhé, Dose-Escalation in the Picture. Meynen & Swaab, ‘Why Medication in Involuntary Treatment May Be Less Effective’. 25 Ruhé, Dose-Escalation in the Picture. 26 L. Colloca & F. G. Miller, ‘The Nocebo Effect and Its Relevance for Clinical Practice’, Psychosomatic medicine 73 (2011) 598-603; G. Meynen, D. F. Swaab & G. Widdershoven, ‘Nocebo and Informed Consent in the Internet Era’, The American Journal of Bioethics 12-3 (2012) 31-33. 27 Meynen, Swaab & Widdershoven, ‘Nocebo and Informed Consent in the Internet Era’. 23 24

33


Volonté Générale 2012 - n°4

De smeulende conflicthaard Noord-Ierland Chris van Gorp Op 28 juli 2012 vond er een historische handdruk plaats: Queen Elizabeth schudde de hand van de Noord-Ierse vicepremier Martin McGuinness tijdens een tour door haar koninkrijk ter ere van haar diamanten jubileum. Dat ze de hand van de vicepremier van NoordIerland schudt is niet zo vreemd, maar het feit dat ze de hand van McGuinness (voormalig commandant van de Provisional Irish Republican Army (PIRA), tegenwoordig leider van de republikeinse Sinn Féin) schudt, is iets wat decennia lang onmogelijk leek.1 In dit artikel zal de historische dimensie van het conflict besproken worden, waarna ik de aandacht richt op het vredesakkoord van 1998 en de invloed die dit heeft op het huidige Noord-Ierland.

De geschiedenis van het Noord-Ierse conflict In mijn ogen heeft het conflict in Noord-Ierland twee in elkaar geweven oorzaken. Ten eerste is er het onderscheid tussen gekoloniseerden en kolonisten. Ten tweede is er het onderscheid tussen katholiek en protestant. In Noord-Ierland vallen deze twee zaken min of meer samen. Dat maakt het conflict in Noord-Ierland niet tot een religieus conflict, al wordt dit vaak wel zo voorgesteld. Namiers noemt religie ‘a sixteenth century word for nationalism.’ 2 Het lastige is aan zowel religie als nationalisme dat het termen zijn waarover niet valt te onderhandelen. Je bent óf Iers óf Brits en óf katholiek óf protestant. Religie is belangrijk, omdat het de positie van je voorouders in het verleden aangeeft.3 In 1690 begon de Britse kolonisatie van Ierland en kwam er een grote groep protestanten kolonisten te wonen in het traditionele katholieke Ierland. Als gevolg hiervan werd de lokale katholieke bevolking onderdrukt wat tot regelmatig terugkerende opstanden leidde. De protestantse gemeenschap was voorstander van de unie met GrootBrittannië, terwijl de katholieke gemeenschap wilde juist onafhankelijkheid van Londen. Na de onafhankelijkheidsoorlog van 1919-1921 werd in 1922 de Ierse vrijstaat opgericht, maar de zes noordoostelijke counties waar een protestantse meerderheid woonde, bleven onder Brits bestuur en zo werd Noord-Ierland als politieke eenheid geboren. Beide gemeenschappen waren niet tevreden met dit resultaat. De half miljoen katholieken in Noord-Ierland wilden aansluiting bij het onafhankelijke zuiden en de protestantse meerderheid was bang dat London vroeg of laat de macht over Noord-Ierland zou overdragen aan de Ierse regering. Daarnaast wantrouwden ze de katholieken in                                                                                                           P. van IJzendoorn, ‘Britse vorstin schudt hand van oud-commandant IRA’, De Volkskrant (26 juni 2012) beschikbaar via: http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2844/Archief/archief/ article/detail/3277505/2012/06/27/Britse-vorstin-schudt-hand-van-oud-commandantIRA.dhtml (geraadpleegd op 24 november 2012). 2 L. B. Namiers geciteerd in P. Clayton, ‘Religion, Ethnicity and Colonialism as Explanations of the Northern Ireland Conflict’, in: D. Miller (ed.), Rethinking Northern Ireland: Culture, Ideology and Colonialism (Londen 1998) 6. 3 Clayton, ‘Religion, Ethnicity and Colonialism’, 7, 9, 10-12 1

34


Volonté Générale 2012 - n°4

Noord-Ierland, een grote minderheid zonder enige politieke macht die constant het gevoel had gediscrimineerd te worden door de unionistische regering. Het feit dat slechts vier ministers tussen 1921 en 1969 geen lid waren van de loyalistische protestantse Oranje Orde zegt genoeg. Het Noord-Ierse overheidsbeleid zorgde dat de scheiding tussen beide gemeenschappen bleef bestaan.4 De achtergestelde katholieke minderheid besloot in navolging van de Afro-Amerikaanse burgerrechtenbeweging tot protestacties over te gaan om hun roep om gelijke behandeling kracht bij te zetten. Deze demonstraties voor gelijke behandeling leidden tot spanningen tussen de politie en de katholieke gemeenschap. Op Bloody Sunday schoten Britse soldaten dertien ongewapende demonstranten dood waarna de steun aan de PIRA en haar lidmaatschap explosief groeide.5 Eind jaren 1960 en begin jaren 1970 werden hele wijken gehomogeniseerd door mensen die niet tot de dominante religieuze groep behoorden uit de wijk te zetten. Het al verdeelde Noord-Ierland raakte verder gesegregeerd. Bomaanslagen en moorden door loyalistische en nationalistische paramilitaire organisaties bleef doorgaan tot de Goede Vrijdag akkoorden van 1998 vrede in de regio brachten en een einde maakte aan dertig jaar politiek geweld die ietwat eufemistisch de Troubles worden genoemd.6

De Goede Vrijdag akkoorden Het vredesakkoord van 1998 bracht enkele belangrijke veranderingen in hoe Noord-Ierland geregeerd werd tot 1972. Het grote verschil was dat er afgestapt werd van een meerderheidsmodel; men koos nu voor een consociationeel model (een soort geïnstitutionaliseerde Verzuiling) wat ervoor zorgde dat niet de winnaar van de verkiezing alles kon beslissen, maar juist elke gemeenschap betrokken moet worden bij de besluitvorming. Het voordeel hiervan is dat beide gemeenschappen nu op overheidsniveau samenwerken en allebei een veto hebben, zodat geen beleid ingevoerd kan worden dat voor één van de twee gemeenschappen nadelig uit kan pakken. Het gevolg hiervan is dat partijen die zich niet profileren als unionistisch of republikeins een aanzienlijk zwakkere positie hebben zonder dit veto.7 Een maatschappij die net uit een conflict komt is verdeeld, wat democratie risicovol maakt voor de leiders uit conflicttijd. Zij zullen alleen institutionele verandering accepteren als zij er zelf voordeel uit kunnen halen.8 Momenteel zijn de katholieken nog in de minderheid, maar dit kan snel veranderen. Daardoor was het voor zowel unionistische als nationalistische politieke partijen logisch om voor een consociationele oplossing te kiezen: dit was immers de enige mogelijkheid om zowel als                                                                                                          

D. McKittrick & D. McVea, Making Sense of the Troubles (London 2001) 2-5, 14, 17-18. B. Conway, ‘Active Remembering, Selective Forgetting, and Collective Identity: The Case of Bloody Sunday’, Identity 3 (2003) 305-323, aldaar 307-308. 6 McKittrick & McVea, Making Sense of the Troubles, 253, 310. 7 D. L. Horowitz, ‘Explaining the Northern Ireland Agreement: The Sources of an Unlikely Constitutional Consensus’, British Journal of Political Science 32 (2002) 193-220, aldaar 194-195. 8 D. L. Horowitz, ‘Some Realism About Constitutional Engineering’, in: A. Wimmer, et al., Facing Ethnic Conflicts: Toward a New Realism (Lanham MD 2004) 250, 256. 4 5

35


Volonté Générale 2012 - n°4

meerder- of minderheid een stem te behouden.9 In een maatschappij die net uit oorlog komt zijn bepaalde condities die gunstig zijn voor democratie (zoals veiligheid, functionerende instituten en sociale orde) niet aanwezig. Als gevolg hiervan zijn partijen die in het conflict gewapend actief waren aantrekkelijk om op te stemmen, want zij geven de zekerheid aan de eigen groep die de staat nog niet kan geven.10 De gematigde partijen die het Goede Vrijdag akkoord grotendeels bepaald hadden, de nationalistische SDLP en unionistische UUP waren op dat moment de grootste partijen. Sinds Goede Vrijdag hebben zij stemmen verloren aan meer radicale partijen als het nationalistische Sinn Féin en de unionistische DUP, de twee partijen die momenteel Noord-Ierland regeren. 11 In etnisch verdeelde maatschappijen stemmen mensen op iemand van de eigen etniciteit en een compromis wordt al snel gezien als verraad naar de eigen groep.12 Conflict moedigt nu eenmaal het bestaan van een homogene groepsidentiteit aan en zorgt ervoor dat interne structuren blijven bestaan of zelfs versterkt worden.13 Een ander belangrijk doel van de Goede Vrijdag akkoorden is een beleid dat gericht is op gelijkheid, mensenrechten en hervormingen van de veiligheidssector. Ook is er aandacht voor de demilitarisatie van paramilitaire organisaties en het vrijlaten van politieke gevangenen. De implementatie van de akkoorden laat echter te wensen over. Er zijn wel wat positieve effecten. Katholieken voelen zich minder gediscrimineerd dan in het verleden (in 1968 voelde 74 procent van de katholieken zich gediscrimineerd, in 2000 voelde ‘slechts’ twintig procent zich gediscrimineerd) en hun maatschappelijke positie is verbeterd. Deze vooruitgang heeft echter onder unionisten tot het idee geleidt dat zij grond verliezen ten koste van de katholieken, en dat gelijkheid in het nieuwe Noord-Ierland alleen maar gelijkheid voor de katholieken is.14 Sinds de jaren ’30 van de vorige eeuw is het katholieke geboortecijfer constant stijgend wat het aannemelijk maakt dat binnen een paar decennia de katholieken en niet meer de protestanten de grootste religieuze groep in Noord-Ierland zijn. Aangezien de Britse overheid een plek voor Noord-Ierland binnen het Verenigd Koninkrijk alleen garandeert als een merendeel van de bevolking hier achter staat is de steeds groter wordende groep katholieken een oorzaak van paniek onder de unionisten die er vanuit gaan dat alle katholieken streven naar aansluiting bij de Ierse Republiek.15 Uit de census van 2001 bleek dat 53 procent van de Noord-Ierse bevolking protestant is en 43,8 procen van                                                                                                           Horowitz, ‘Explaining the Northern Ireland Agreement’, 202-204, 207-208, 210. T. Lyons, ‘The Role of Postsettlement Elections’, in: S. J. Stedman et al. (eds.), Ending Civil Wars: The Implementation of Peace Agreements (Boulder-London 2002) 215, 217. 11 J. A. Sluka, ‘In the Shadow of the Gun: Not-War-Not-Peace and the Future of Conflict in Northern Ireland’, Critique of Anthropology 29 (2009) 279-299, aldaar 297-298. 12 E. Cairns & J. Darby, “The conflict in Northern Ireland: Causes, Consequences, and Controls”, The American Psychologist 53 (1998) 754-760, aldaar 759. 13 S. Byrne, ‘Consociational and Civic Society Approaches to Peace Building in Northern Ireland’, Journal of Peace Research 38 (2001) 327-352, aldaar 331. 14 J. Todd, ‘Equality as steady state or equality as threshold? Northern Ireland after the Good Friday (Belfast) Agreement, 1998’, in: IBIS Discussion Paper Series: Breaking the Patterns of Conflict (Dublin 2009) 4-5, 8-9. 15 Cairns & Darby, ‘The Conflict in Northern Ireland’, 755. 9

10

36


Volonté Générale 2012 - n°4

de bevolking katholiek was, wat betekent dat de van oudsher protestantse meerderheid (twee-derde van de bevolking) niet meer gegarandeerd is. In 2007 bleek dat de katholieke gemeenschap al de grootste was in de Noord-Ierse bevolking onder 24 jaar.16

Noord-Ierland na de Goede Vrijdag akkoorden Hoewel er vrede is, wil dit niet zeggen dat het conflict in Noord-Ierland afgelopen is. Spanningen heersen er nog steeds. Beide gemeenschappen blijven overwegend in hun ‘eigen’ buurt wonen en sinds het staakt het vuren van 1994 is er een toename van barrière-bouw tussen nationalistische en loyalistische wijken en straten. In het centrum van Belfast merk je dit niet, maar in de arbeiderswijken staan hekken en muren om de gemeenschappen uit elkaar te houden. De ‘vredeslijn’ tussen de Shankhill en Falls Road buurten begon als prikkeldraad, maar evolueerde met de loop der tijd tot een stalen muur van een paar meter hoog die tot op de dag van vandaag de twee wijken van elkaar scheidt. De barrière bouw is dus niet iets wat van tijdelijke aard is gebleken en worden nog steeds gezien als een gerechtvaardige reactie op sektarisch geweld. Zestig procent van de inwoners van de wijken in Belfast waar zulke barrières staan zouden ze graag afgebroken zien worden, maar alleen op een punt waarop zij dit als veilig ervaren, ergo, momenteel ervaren zij de spanningen in hun buurten nog als onveilig. 17 Het probleem van de barrière bouw is dat ze lastig af te breken zijn en daarmee de divisie langs politiek-religieuze lijn in stand houden en daarmee dus op lange termijn geen oplossing voor de spanningen zijn. De beide gemeenschappen leven nog steeds gescheiden van elkaar en er zijn nog steeds grote verschillen tussen beide gemeenschappen. De werkloosheid onder katholieken is nog steeds twee keer zo hoog als onder protestanten, ondanks alle pogingen die ondernomen zijn om dit euvel te verhelpen. Het probleem is dat sommige mensen in het unionistische kamp, zoals de DUP, de maatregelen die de ongelijkheid tussen protestanten en katholieken ziet als discriminerend voor protestanten. 18 Geforceerde integratie van beide gemeenschappen lijkt dus geen goede oplossing, aangezien dit alleen tot meer spanningen leidt.

Veiligheidshervormingen, ontwapening en re-integratie Hoewel het conflict voorbij is, is Noord-Ierland nu niet per definitie een veilige plek: misdaad en politiek geweld blijven bestaan. Als deze problemen niet aangepakt worden zou dit het verse democratische regime kunnen ondermijnen op lange termijn. Een effectieve politiemacht en rechtstelsel zijn dus cruciaal, niet alleen omdat zij het nieuwe regime legitimeren, maar ook omdat zij de maatschappij veiliger maken voor de gewone burgers. Hervormingen zijn van belang omdat juist de politie en de rechtsprekende macht sterk verbonden waren aan het politiek bewind                                                                                                           Sluka, ‘In the Shadow of the Gun’, 292-293. N. Jarman, ‘Security and Segregation: Interface Barriers in Belfast’, Shared Space: A research journal on peace, conflict and community relations in Northern Ireland (2008) 21-33, aldaar 21-24, 26, 30-31. 18 Sluka, ‘In the Shadow of the Gun’, 293, 295. 16 17

37


Volonté Générale 2012 - n°4

in Noord-Ierland van voor de vrede, zoals dat het geval is in met elke samenleving die uit een conflict komt.19 In de Goede Vrijdag akkoorden staat het belang van ‘a police force representative of the community as a whole’20 aangegeven, maar van dit streven is nog weinig te merken. De Police Service of Northern Ireland (PSNI) werd opgericht om opnieuw te beginnen en daarmee de legitimiteit die de Royal Ulster Constabulary (RUC) verloren had onder de Katholieken tijdens de Troubles achter zich te laten.21 Dit lijkt maar half te lukken. Bij hoofdkwartier van de PSNI te Belfast is een herdenkingstuin voor de RUC waarin de RUC in een daglicht wordt gezet op een manier die weinig te maken heeft met een nieuw begin. Het feit dat de RUC betrokken was bij politiek geweld en politieke moorden wordt verzwegen en elke collega die vermoord is werd vermoord door een ‘terrorist’ in plaats van de meer gebruikelijk term ‘paramilitair’. Als men daadwerkelijk een nieuw begin wil hebben is het feit dat er een herdenkingspark is van de voormalige politiemacht met een bedenkelijk verleden dat door een roze bril wordt bekeken op het terrein van de nieuwe politiemacht lichtelijk bizar te noemen. Op het gebied van ontwapening zijn er wel enige successen geboekt. De grootste republikeinse paramilitaire organisatie, de Provisional IRA, heeft zich ontwapend. Aan de andere kant hebben de loyalistische paramilitaire groepen dit nog niet gedaan, al hebben zij wel afgezien van het gebruik van geweld en lijken daarmee de huidige vrede te erkennen. Het probleem zijn echter niet de traditionele paramilitaire organisaties, maar juist de dissidentengroepen die het gebruik van geweld nog niet hebben afgezworen.22 In 2009 claimde het hoofd van de PSNI dat de terrorismedreiging van dissidenten het hoogst was sinds de Goede Vrijdag akkoorden. Het aantal doden als gevolg van dit geweld is gelukkig veel lager op het moment dan het was tijdens de Troubles, maar het gebruik van geweld is nog niet voorbij. Een bijkomend probleem is dat, hoewel ze een politiek van staakt-het-vuren hebben, de loyalistische paramilitaire organisaties niet van plan zijn zich te ontwapenen. Dit zou kunnen betekenen dat in het geval dat de spanningen weer toenemen in de komende jaren de loyalistische beweging al een bestaande getrainde en gewapende tak heeft. Er mag dan wel sprake zijn van een staakt-hetvuren, het aantal incidenten van sektarisch geweld tegen katholieken is toegenomen sinds de Goede Vrijdag akkoorden.23

Conclusie Hoewel er sinds 1998 vrede is, is Noord-Ierland nog steeds verdeeld en zijn er nog veel problemen die opgelost moeten worden. De realiteit is dat Noord-Ierland vijftien jaar na de Goede Vrijdag akkoorden nog steeds een zeer verdeelde samenleving is. Sommigen zullen beargumenteren dat de Goede Vrijdag akkoorden deze verdeling                                                                                                          

C. T. Call & W. Stanley, ‘Civilian security’, in: S. J. Stedman et al. (eds.), Ending Civil Wars: The Implementation of Peace Agreements (Boulder-London 2002) 303-308, 310, 321-323. 20 Horowitz, ‘Explaining the Northern Ireland Agreement’, 196. 21 Sluka, ‘In the Shadow of the Gun’, 282. 22 Byrne, ‘Consociational and Civic Society Approaches’, 338, 341. 23 Sluka, ‘In the shadow of the gun’, 280-282, 284-285. 19

38


Volonté Générale 2012 - n°4

geïnstitutionaliseerd hebben en dat juist integratie in plaats van verdeling de oplossing is voor een duurzame vrede. Zelf geloof ik hier niet in. Het al eerder aangehaalde consociationele model, in Nederland beter bekend als Verzuiling, lijkt me goed toepasbaar op Noord-Ierland. In Nederland kregen de katholieke inwoners in 1848 gelijke rechten na tweehonderd jaar tweederangs burgers te zijn geweest, maar dat wilde niet zeggen dat na 1848 de katholieke gemeenschap in Nederland dezelfde positie had als andere groepen in de Nederlandse maatschappij, het duurde nog ongeveer honderd jaar voor dit bereikt was. De effecten van een langdurig discriminatoir beleid uit het verleden kunnen niet opgelost worden binnen een paar jaar. In Nederland was de Verzuiling in grote mate verantwoordelijk voor de emancipatie van de katholieke gemeenschap en daarom lijkt mij dit model juist zo geschikt voor NoordIerland. Hoewel het Nederlandse politieke systeem nu en ook vroeger niet even consociationeel is als dat van het huidige Noord-Ierland zie ik niet in waarom een ‘Verzuiling’ geen goede optie zou. De kern van mijn betoog is dat hoe anti-universeel het consociationele model ook is, het zou juist wel de oplossing kunnen zijn voor achtergestelde groepen in de Noord-Ierse maatschappij en daarmee op lange termijn het sektarisch denken kunnen ondermijnen en leiden tot iets als de ‘Noord-Ier’ als identificatiebron in plaats van de huidige protestant, katholiek, loyalist of republikein. De wortels van het NoordIerse conflict gaan meer dan drie eeuwen terug dus het zou naïef zijn om te denken dat het conflict binnen enkele jaren opgelost kan worden door mensen te dwingen samen te werken. Deze laatstgenoemde optie zou natuurlijk geld besparen door zaken als huisvestiging, scholing, zorg en vrijetijdsbesteding door overkoepelende organisaties te laten regelen: op het moment wordt geschat dat het apart aanbieden van dezelfde diensten aan zowel de protestantse als katholieke gemeenschap £ 1 miljard per jaar kost.24 Onderzoek wijst echter uit dat scholing geen belangrijke rol speelt in het doorgeven van de etnische identiteit van generatie op generatie, dus ik zie het kwaad niet in van het hebben van katholieke scholen naast de (protestantse) staatsscholen.25 Als dat de kosten zijn om de vrede te behouden, lijkt me dat geld wat goed besteed word. Als op dit moment mensen in beide gemeenschappen elkaar uitsluitende politieke ideeën hebben, wat is dan het nut om ze verplicht samen te laten werken? In mijn ogen zou dit juist contraproductief zijn, want het kan tot meer onderlinge verbittering leiden en tot de delegitimatie van het nieuwe Noord-Ierland. Als een Noord-Ierse ‘Verzuiling’ beide gemeenschappen zichzelf laat emanciperen, dan zal misschien ook daar het onderscheid protestants of katholiek binnen enkele decennia verdwijnen.  Chris van Gorp (1986) is politiek historicus en heeft zich daarnaast gespecialiseerd op het gebied van Conflictstudies.

                                                                                                         

J. Topping, ‘Politics, peace and pounds in Northern Ireland’, The Journal 20 (9 maart 2009) beschikbaar via: http://www.journal-online.co.uk/article/5558-politics-peace-and-poundsin-northern-ireland (geraadpleegd op 24 november 2012). 25 Cairns & Darby, ‘The conflict in Northern Ireland’, 759. 24

39


Volonté Générale 2012 - n°4

Ruimte voor discussie? Boudewijn Wijnacker Wie kent dat gevoel niet? De zon schijnt, de kerkklokken luiden en geroezemoes vult de terrassen van de binnenstad. Volgens schrijver Alain de Botton, auteur van het in 2006 uitgebrachte The Architecture of Happiness, kan ruimte het menselijk gevoel zowel positief als negatief beïnvloeden. Dezelfde ruimte die ons op het ene moment een geluksgevoel geeft, kan op een ander moment net zo goed plaats bieden aan een echtelijke ruzie en sombere gedachten. De Botton is ervan overtuigd dat een mooie ruimte bijdraagt aan ons geluk, wat impliceert dat architectuur identiteit in zich draagt en daardoor invloed uitoefent op het menselijk handelen. De Botton speelt in op een discussie die in de wereld van stadsplanners de gemoederen al geruime tijd bezig houdt. De centrale vraag in deze discussie is in hoeverre architectuur en menselijk handelen elkaar beïnvloeden. Bepaalt menselijke interactie de betekenis van een ruimte, of wordt ons gedrag gestuurd door de ruimte om ons heen?

De architectuur van ons geluk? Wie De Bottons bestseller leest, ontkomt niet aan de vraag of een architect een opvoedkundige taak heeft. De Botton claimt immers dat architectuur het menselijk welzijn beïnvloedt en de vraag rijst daarbij of de architect degene is die impliciet het menselijk geluk raakt. De Botton stelt: ‘We lijken heen en weer te worden geslingerd tussen de neiging onze gevoelens te onderdrukken, onszelf ongevoelig te maken voor onze omgeving, en de daaraan tegengestelde drang te accepteren hoezeer en onvermijdelijk onze identiteit verweven is en mee verandert met de plek waar we ons bevinden’. De Botton is van mening dat het welbehagen van de mens zowel positief als negatief sterk beïnvloed kan worden door de architectuur om ons heen.1 Een troosteloze omgeving leidt doorgaans eerder tot gevoelens van depressiviteit, terwijl een als mooi beschouwde omgeving bijdraagt aan het geluk van het menselijk bestaan: denk bijvoorbeeld aan de vele trouwfoto’s die op aantrekkelijke locaties als landgoederen en kastelen worden genomen. Volgens De Botton verwijst ‘mooie architectuur’ in de perceptie van de mens indirect naar positief gewaardeerde eigenschappen als vriendelijkheid, fijnzinnigheid, kracht, goedheid en intelligentie. 2 Dit impliceert dat architectuur an sich betekenis heeft en menselijke karaktertrekken in zich draagt. De invloed die architectuur op de mens heeft, is volgens De Botton vergaand – een visie die de auteur op veel kritiek is komen te staan. Zijn er immers niet meer factoren die het humane humeur beïnvloeden en overschat De Botton niet de kracht van de bouwkunst? En is deze bouwkunst niet juist waardevol door toedoen van de mens?                                                                                                           1 2

A. de Botton, De architectuur van het geluk (Amsterdam 2006) 14. De Botton, De architectuur van het geluk, 189-279.

40


Volonté Générale 2012 - n°4

De architect zag dat het goed was Om de door De Botton aangehaalde discussie te begrijpen, biedt een blik op het verleden uitkomst. Tegen de achtergrond van de woningnood die volgde op de Tweede Wereldoorlog maakte Westers Europa kennis met de opkomende idee van de ‘maakbare samenleving’. Architecten, vaak op de modernistische leest geschoeid, zagen hun kans schoon om al lang aangehaalde misstanden uit vooroorlogs Europa aan te pakken. Ruimte veranderde in een expressie van welvaart, in tegenstelling tot de tot dan toe levende gedachte dat ruimte slechts functioneel was. 3 De Duitse satiricus Kurt Tocholsky stelde in dit kader dat hoe minder bezit mensen hadden, des te voller hun huizen waren.4 Deze modernistische ideeën kwamen voort uit de gedachte dat de architect voldoende intellectuele bagage bezat om de samenleving te kunnen sturen. Dit impliceert dat ruimte als concept het menselijk handelen een zetje in de goede richting kon geven. De eerste geluiden voor het moderniseren van de samenleving dateren uit de jaren dertig van de twintigste eeuw. Invloedrijke denkers als Ebenezer Howard (1850-1928) – de geestelijk vader van de ‘Garden City’ (een combinatie van stad en platteland) – Franklin Lloyd Wright (1867-1959) – één van de grondleggers van de roep om stedelijke decentralisatie – en de Zwitserse architect Le Corbusier (1887-1965) markeerden een modernistische periode in de geschiedenis van de stedelijke planning.5 Groene parken in ruimer opgezette steden werden geëvolueerd tot futuristische Optimo Cities. In deze meer modernistische steden werd gebroken met het beeld van krappe negentiende-eeuwse industriële steden waardoor mensen in een ideaal gemodelleerde woonomgeving kwamen te wonen. De komst van betere transportmiddelen zoals de auto maakte de uitvoering van deze plannen mogelijk. Dat deze plannen nooit volledig gerealiseerd zijn, moge duidelijk zijn: de schematische, in theorie perfecte plannen bleken in praktijk allerlei hiaten te vertonen. Had men bijvoorbeeld naar Le Corbusier geluisterd, dan was Parijs nu niets meer dan een plaats met louter bossen en enorme flats. De sloop van veel oude panden, gevels en stadsmuren werd door deze groep modernisten als noodzakelijk en als ideaal gezien. Volgens hen moesten steden zich in gelijke tred met de evolutie van de mensheid ontwikkelen. Oude binnensteden waren volgens de modernisten niet meer bij de tijd. Een ideale bereikbaarheid, goede infrastructuur, hogere bebouwing (de flat werd in deze decennia daadwerkelijk op grote schaal gebouwd) en veel groen werden essentieel geacht voor de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit in een stad. Dergelijke ideeën waren ontsproten uit de gedachte dat de door studie en werk wijs                                                                                                          

Eric de Lange, Sober en solide. De wederopbouw van Nederland 1940-1965 (Rotterdam 1995) 124-125. 4 De Lange, Sober en solide, 127-128. 5 E. Howard, The Garden Cities of Tomorrow (Gloucester 2009); F. L. Wright, ‘Broadacre City: A New Community Plan. Architectural Record 1939’, in: Richard T. LeGates & Frederic Stout, The City Reader, (London en New York 2007) 332-336; Le Corbusier, Towards a New Architecture (Thousand Oaks 2008; 1927). 3

41


Volonté Générale 2012 - n°4

geworden architect wist wat goed voor de mensheid was: ruimte als identiteitsvormend element voor een samenleving die dringend aan vernieuwing toe was.

Van de toren naar de straat: de intrede van het postmodernisme We schrijven de jaren 1960 wanneer de Amerikaanse sociologe Jane Jacobs het toneel der wetenschappers betreedt. Met haar The death and life of great American cities (1961) doet Jacobs een directe aanval op tot dan toe invloedrijke denkers als Le Corbusier en Franklin Lloyd Wright. 6 In tegenstelling tot haar voorgangers, die lering hadden getrokken uit de modernistische school, bezag Jacobs de identiteit van een stad vanaf het niveau van de straat. Terwijl modernistische stadsplanners de stad als ultieme creatie van een gezaghebbende architect zagen, stelde Jacobs dat een stad identiteit zou krijgen door de bevolking zelf, waarin ‘the life between buildings’ kleur gaf aan het wezen van de stad. De visie van Jacobs vond snel navolgers in denkers als William H. Whyte, Oscar Newman, Christopher Alexander en Jan Gehl. Jacobs stelde dat Le Corbusiers ideale stad a mechanical toy was, waarin de vernieuwende zienswijzen van de invloedrijke architect alleen op papier goed zouden functioneren.7 Volgens Jacobs functioneerde een stad bij de gratie van haar inwoners en de stad was daarbij geenszins afhankelijk van de invloed van een architect. De eerste vormen van Derrida’s deconstructivisme, waarvan het tegengaan van rationalisme en het bestrijden van één singuliere waarheid de kernwaarden vormen, sijpelden door in het werk van Jacobs. Niet langer had een gebouw of ruimte één door de architect gegeven betekenis, maar bleek dezelfde omgeving op uiteenlopende wijzen te interpreteren door de mensen die er gebruik van maakten. Ruimte veranderde zodoende tot een toneel waarop mensen de hoofdrollen speelden en betekenis gaven aan hun eigen omgeving. In het Sociaal en Cultureel Rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau uit 1974 werd de kritiek op de naoorlogse modernistische stadsplanning verwoord in termen als gelijkvormigheid, monotonie en flatneurose. Het woonerf deed zijn intrede en was een ordeningsprincipe voor de nieuwbouwwijken, maar werd ook in patronen van bestaande buurten ingevoegd. Het voorzag kleine groepjes woningen van een kern, hield de auto, die nu werd gezien als een benzineverslindende en milieuvervuilende rustverstoorder, buiten de leefomgeving en bood kinderen een veilige plek om te spelen. De woningen in het landschap kregen een structuralistische signatuur: architecten die in de structuralistische stroming ontwierpen, gingen uit van het zogeheten ‘bouwen vanuit de ontmoeting’. Architecten creëerden woningen die zowel mogelijkheden boden voor privacy, maar waarin contact met de buurtbewoners ook een prominente rol kreeg toebedeeld. De ‘forumgedachte’ legde vooral het accent op het afstemmen van de woonen werkomgeving op de specifieke menselijke behoeften. Hierdoor kreeg                                                                                                           6 7

J. Jacobs, The Death and Life of Great American Cities (New York 1961). Jacobs, The Death and Life, 31.

42


Volonté Générale 2012 - n°4

de architectuur een maatschappelijk karakter.8 Hoewel de postmodernistische stadsplanners uit de jaren 1970 er prat op gingen dat zij bewonersparticipatie wel hoog in het vaandel hadden staan bij hun ruimtelijke besluitvorming, bleek ook hun werk gefundeerd op een gevoel dat de beleidsmaker wist wat goed was voor de mens. Dat dit interactie door de mens zelf was, doet verder geen afbreuk aan deze constatering.

Het verleden als drager van de toekomst Met het oog op ruimtelijke betekenisgeving kwamen de ontwikkelingen binnen de wereld der stadsplanners in de jaren tachtig en negentig van de twintigste eeuw tot culminatie in de roep om de herontwikkeling van historisch relevant erfgoed. Het verleden werd voor veel architecten niet langer als obstakel voor nieuwe ontwikkelingen gezien, terwijl het historiseren van de leefomgeving niet langer onwenselijk was. De komst van vele door geschiedenis beïnvloede televisieprogramma’s, een stijging van het bezoek aan musea, oude gebouwen, stads- en dorpskernen en de toegenomen aandacht voor archeologisch onderzoek tonen aan dat identiteit gelieerd is aan historische relevant geachte gebouwen. 9 Hoogleraar Joks Janssen van de Wageningen Universiteit wijst op het feit dat Manuel Castells ‘the global space of flows’ – een toenemende fragmentatie van de wereld om ons heen – de menselijke behoefte naar het wijzen naar een herkenbare plek doet toenemen. Hierin functioneert de fysieke omgeving als basis voor een eigen identiteit en gemeenschapsgevoel, als afbakening van een thuis tegenover ‘de Ander’.10 Impliciet wordt in deze veronderstelling aangenomen dat ‘authentieke’ historische plekken identiteit bezitten welke invloed uitoefent op het doen en laten van de mens. Janssen stelt in dit kader dat burgers steeds gevoeliger worden voor de esthetische kwaliteit van plaatsen en landschappen. Hij wijst hierin met name naar plekken die zich in historisch of cultureel opzicht van het alledaagse onderscheiden.11 Hans Mommaas, hoogleraar vrijetijdswetenschappen aan de Universiteit Tilburg, spreekt in dit kader van erfgoed als ‘ruimtelijke identificatie en onderscheiding te midden van een werkelijkheid waarin eens gevestigde kaders van identificatie en onderscheidingen (zoals die van natie, stand, religie en moderniteit) steeds minder duidelijk zijn geworden. 12 Janssen plaatst deze ontwikkeling in het kader van de ‘opkomst van een postmaterieel wereldbeeld’, waarin ‘mensen steeds meer waarde hechten aan een aantrekkelijke, esthetische en inspirerende omgeving’.13 Dat invloedrijke denkers als Richard Florida en de Britse citymarketingexpert Charles Landry met hun theorieën inspeelden op de trend van toenemende behoefte aan authenticiteit mag geen toeval heten:                                                                                                          

W. van den Heuvel, Structuralisme in de Nederlandse architectuur (Rotterdam 1992). F. Huysmans en J. de Haan, Het bereik van het verleden (Den Haag 2007). 10 M. Castells, The Rise of the Network society (Oxford 1997). 11 J. Janssen, ‘De toekomst van het verleden’, in: Openbaar bestuur 5 (Alphen aan den Rijn 2011) 14-18. 12 H. Mommaas, ‘City branding: de noodzaak van sociaal-culturele doelen’. In: T. Hauben en M. Vermeulen (red.) City Branding: Image Building and Building Images (Rotterdam 2002) 33. 13 J. Janssen, ‘De toekomst van het verleden’ 15. 8 9

43


Volonté Générale 2012 - n°4

meer dan ooit wordt aan gebouwen betekenis toegeschreven.14 De meest recente hausse aan de ontwikkeling van creatieve hotspots – zoals in Nederland het Westergasterrein in Amsterdam en het voormalige StrijpS-terrein van Philips nabij de binnenstad van Eindhoven – geeft aan dat de uitstraling en esthetiek van een gebouw aantrekkingskracht heeft voor creatieve en culturele ondernemers. De Atlas voor Gemeenten 2007 illustreert in dit kader dat er een hogere concentratie van kenniswerkers en creatievelingen te vinden is in steden met een ruime voorraad oude huizen: indicatoren die bevestigen dat de authentieke uitstraling van een gebouw – in dit geval een woning – aantrekkingskracht heeft op bepaalde groeperingen. 15 Sociaal-geograaf Gerard Marlet geeft in zijn De aantrekkelijke stad (2009) niet voor niets aan dat de aanwezigheid van historisch relevante gebouwen aantrekkingskracht heeft voor een binnenstad en een motor kan zijn voor toeristische progressie.16 Janssen stelt in dit kader dat het cultureel erfgoed in een stad medebepalend is voor de historische carrière van steden, waarbij de aanwezige stedenbouwkundige en landschappelijke structuur een invloedrijke morfologische onderlegger vormt voor de ontwikkeling van nieuwe en de herstructurering van bestaande stedelijke gebouwen. 17 Kort gezegd: identiteit zit in deze context ook verborgen in de ‘hardware’ van de stad.

Het gevoel in plaats van de schoonheid: immaterieel erfgoed In navolging van het toegenomen belang van materieel cultureel erfgoed en met het oog op stedelijke ontwikkelingen, werd ook immaterieel erfgoed – verhalen, zintuiglijke ervaringen, tradities et cetera – steeds belangrijker. Een belangrijk werk met het oog op de discussies over de materialiteit en betekenisgeving van cultureel erfgoed komt van de hand van erfgoeddeskundige Laurajane Smith, die in 2006 met haar boek Uses of Heritage kritiek uitte op de algemeen aangenomen notie dat erfgoed vooral materiële waarde bezit. 18 Smith stelt dat erfgoed vaak als essentialistisch, betekenisvol concept wordt gezien en dat het UNESCOwerelderfgoedprogramma bij uitstek gefocust is op de waarde die een site of gebouw heeft voor een omgeving. Smith claimt: ‘The identity that is created may, depending on those defining the discourse, revolve around a sense of nation, class, gender, ethnicity, family or a range of collective experiences…and some heritage discourses have more power and authority than others do.’19 Cultuurhistoricus Willem Frijhoff sluit hierbij aan door te stellen dat een erfgoedsite pas betekenis krijgt doordat mensen deze site waardevol achten.20 Socioloog Robert Rotenberg plaatst dergelijke visies in een postmoderne context, waarin ruimte niet langer als essentialistisch, betekenisvol concept gezien wordt, maar als gevolg van                                                                                                          

R. Florida, The Rise of the Creative Class (2002). Atlas voor Gemeenten & SEO, Cultuur en creativiteit naar waarde geschat (Utrecht en Amsterdam 2007) 62. 16 G. Marlet, De aantrekkelijke stad (Nijmegen 2009). 17 J. Janssen, ‘De toekomst van het verleden’ 17. 18 L. Smith, Uses of Heritage (Londen en New York 2006). 19 Smith, Uses of Heritage, 276. 20 W. Frijhoff, Dynamisch erfgoed (Amsterdam 2007). 14 15

44


Volonté Générale 2012 - n°4

‘social interaction and intercultural exchange.’21 De toegenomen belangstelling voor immaterieel erfgoed – zo is UNESCO begonnen met een lijst samen te stellen over ‘invloedrijke’ mondiale tradities, verhalen, ervaringen et cetera – toont aan dat de discussies over de betekenisgeving van ruimte de gemoederen nog wel even bezig zullen houden. Enerzijds toont onderzoek aan dat een plaats met historisch relevante gebouwen aantrekkingskracht heeft op bepaalde doelgroepen. Anderzijds toont onderzoek ook aan – en Jane Jacobs was daarin één van de voorlopers – dat ruimte betekenis krijgt door de interactie die er zich afspeelt. Laurajane Smith toont aan dat zolang er een hegemonie in het discours van deze ruimte is, één der beider visies doorslaggevend kan zijn. De waarheid zal echter zoals vaker ergens in het midden te vinden zijn: ruimte kan bepaalde aantrekkingskracht bezitten, die mede gevormd wordt door het menselijk contact dat er in plaatsvindt. En zo zijn wij als mensheid zelf, in samenspraak met onze omgeving, verantwoordelijk voor het creëren van dat kleine beetje ‘geluk’.  Boudewijn Wijnacker (1988) is cultuurhistoricus en stadsgeograaf. Thans is hij oprichter en eigenaar van Novio Ruimtelijke Analyses, advies- en onderzoeksbureau in stedelijke ontwikkeling, cultuurhistorie en ruimtelijke ordening.

                                                                                                         

R. Rotenberg, ‘Metropolitanism and the Transformation of Urban Space in Nineteenthcentury Colonial Metropoles’, American Anthropologist, 103 (1) (Oxford 2001) 7-15. 21

45


Volonté Générale 2012 - n°4

Ik ga liever de barricades op! Interview met Nienke Venema Nienke Venema (1983) is momenteel werkzaam als nationaal directeur van Humanity in Action in Nederland. In 2008 werkte zij mee aan de verkiezingscampagne van Barack Obama en in 2010 aan die van Job Cohen. Volonté Générale sprak met haar over haar geschiedenis, toekomstplannen en werkzaamheden aan de rand van de politiek. Het buitenland is in uw gehele curriculum vitae een terugkerend onderwerp. Kunt u uitleggen waarom het buitenland zo’n aantrekkingskracht op u uitoefent? Tijdens mijn propedeuse Geschiedenis in Groningen was ik teleurgesteld over het gebrek aan uitdaging. Ik wilde iets anders. Een docent voor wie ik veel respect had, zei me toen: ‘Ik heb ooit les gegeven aan Cambridge, en dat lijkt me wel wat voor jou. Waarom meld je je daar niet aan?’ In eerste instantie was ik niet zo enthousiast, ik wilde veel liever naar de Verenigde Staten. Maar het is een geweldige universiteit dus ik heb het toch geprobeerd. Toen ben ik tot mijn eigen verbazing aangenomen. Dus eigenlijk ben ik er een beetje ingerold. Het is uiteindelijk een heel erg mooie en waardevolle ervaring gebleken. Bovendien was ik al gewend aan het verblijf in het buitenland. Ik ben opgegroeid met ouders die om de zoveel jaar naar een ander land verhuisden en ik vond dat over het algemeen erg prettig. Je moet jezelf echt weer helemaal opnieuw uitvinden in een omgeving die niet per se meteen aanlsuit op wat je gewoon bent of leuk vindt. Dat maakt het heel erg boeiend. In Cambridge studeerde u Sociale en Politieke Wetenschappen. Kunt u uitleggen wat studeren aan deze vermaarde universiteit zo anders maakt dan studeren in Nederland? Het studeren in Nederland en Cambridge is echt onvergelijkbaar. Het feit dat iedere student op een college woont en dat iedereen zich ook identificeert met dat college, creëert een bepaalde saamhorigheid die je in Nederland alleen maar bij verenigingen vindt. Maar dan zonder het in- en uitsluiten dat het verenigingsleven in Nederland wel sterk heeft. Cambridge is een grote bubbel van mensen die vooral bezig zijn met zo goed mogelijke cijfers halen of zoveel mogelijk op de goede manier opvallen om later carrière te kunnen maken. Maar er zijn ook veel mensen die vreselijk onzeker zijn, want het is een soort snelkookpan: je staat constant onder druk om het op zijn minst niet slecht te doen. In die bubbel gaat het alleen maar om het leven in Cambridge: de mensen met wie je daar leeft, aan wie je jezelf meet en met wie je het ook heel leuk hebt. Er is weinig ruimte voor een connectie met ‘de echte wereld’. Ik ben in totaal zo’n zes keer naar Londen geweest tijdens de drie jaar dat ik in Cambridge verbleef. Dat is belachelijk, want Londen is erg leuk en dichtbij. Maar dat kwam niet in me op: ik was in Cambridge en daar gebeurde alles wat ik belangrijk vond in die tijd.

46


Volonté Générale 2012 - n°4

Een ander belangrijk verschil met Nederland is het niveau van het academisch onderwijs en onderzoek. Het is intellectueel zeer hoogstaand: ik moest wekelijks essays schrijven en dikwijls overhoorde de kenner op dat onderwerp mij vervolgens. Dat is iets wat je je in Nederland nauwelijks kunt voorstellen. Het is eng en tegelijkertijd enorm stimulerend: je wilt je best doen. Al met al een hele aparte wereld. Het klinkt alsof u wat het studeren betreft misschien wel liever in Groot Brittannië was gebleven. Toch bent u uiteindelijk weer vertrokken. Klopt. Hoewel ik een fijne tijd had in Engeland, voelde ik me er niet helemaal op mijn gemak. Ik vind het een maatschappij met heel veel sociale regels en daar voelde ik me niet bij thuis. Maar ik wist ook niet precies wat ik wel wilde, zowel qua carriere als woonplaats. Grassrootsactie, of voor een grote organisatie werken? Toch Amerika, of gewoon terug naar Nederland? Toen ben ik in Berlijn stage gaan lopen, om een beetje achter te komen wat ik wilde en vooral waar ik dat wilde. Uiteindelijk wilde ik me toch wat meer proberen te wortelen. Amsterdam leek me daarvoor een hele geschikte stad. Daar ben ik toen begonnen aan de masteropleiding Internationale Betrekkingen. Tevens deed ik mee aan de BKB academie, waar je de ins en outs van het campagnevoeren leert. Ik had al eens 6 weken als vrijwilliger meegelopen bij de campagne van John Kerry, ook uit interesse voor campagnevoeren. Ik besteedde één weekend per maand aan deze opleiding. Naast lessen van de mensen uit het vak, ga je tijdens de opleiding op campagnereis naar een land waar op dat moment verkiezingen plaatsvinden. Ik had geluk, want ik mocht naar de VS voor de presidentsverkiezignen van 2008. Dat kwam voor mij heel goed uit, want ik had Obama zien spreken op de democratische conventie van 2004 en was altijd fan gebleven. Ik vond die man zo goed! Dus toen ik hoorde dat hij for president ging, was ik heel erg enthousiast. Die reis heeft mij zeer gemotiveerd om bezig te zijn met campagnevoeren en Amerika en politiek. U was zelfs zo gemotiveerd dat u actief ging helpen in de campagne van Obama. Hoe bent u daar terechtgekomen? Voor Humanity in Action liep ik stage in San Fransisco, bij een Afrikaans immigrantenbureau. Dat was hartstikke leuk, maar Obama was op dat moment stevig campagne aan het voeren en ik wilde daar graag aan meedoen. Gelukkig vond dat Afrikaanse vluchtelingenbureau het zo leuk dat ik zo enthousiast was over de Obama campagne, dat ze me dat lieten doen. Ik kon om 3 uur ’s middags weg, zodat ik de rest van de middag en avond naar hartenlust kon bellen, data bijhouden of canvassen. Binnen een maand opende er een Obama-office in het gebouw waar ik stage liep. Daardoor werd het voor mij heel makkelijk om alles te combineren. Hier mocht ik ook een beetje helpen met management, dat maakte het extra interessant en uitdagend. Wat natuurlijk niet wegneemt dat het veel tijd kost, ook in de weekenden. Dan gingen wij met een busje naar Nevada om te canvassen in Reno. Daarnaast hielp ik met de gebruikelijke Amerikaanse campagne-werkzaamheden: canvassen en

47


Volonté Générale 2012 - n°4

telefoonlijsten afwerken. Ik noemde mezelf voor het gemak Nancy, en mijn Britse accent sneuvelde ook vrij snel. Ik vond het fantastisch om te zien dat hele kantoor in San Francisco wekenlang tot de nok toe vol zat met vrijwilligers die zich dagenlang inzette. Mensen die zelf geen tijd konden investeren brachten vaak iets te snoepen en zelfs hele zelfgemaakte maaltijden om ons te steunen. Dat is in Nederland ondenkbaar. Terug in Nederland was u werkzaam in het campagneteam van Job Cohen. Hoe verhield die campagne zich tot die van Obama? Ten eerste was ik in Nederland medewerker van de Partij van de Arbeid, terwijl ik in Amerika slechts vrijwilliger was. Daarnaast is er natuurlijk een wereld van verschil tussen Amerikaanse en Nederlandse campagnes. Niet alleen qua media en geld, maar ook qua kiezersmentaliteit. In Amerika is het veel geaccepteerder om iemand te bellen en te vragen of ze gaan stemmen op ‘senator Obama’. In Nederland werkt dat niet, het effect zou omgekeerd zijn. Ik zou het zelf ook niet prettig vinden. Mensen zijn met meer overgave politiek actief in de Verenigde Staten. Ze vinden het leuk, er rust geen taboe op. De overwinning van Obama heeft me toen dusdanig gemotiveerd, dat ik nogmaals naar Amerika terug wilde. Ik ging op 20 november naar huis, en ik ging op 1 januari al weer naar terug richting Washington DC. Ik kon daar, ook weer via Humanity in Action, vijf maanden aan het werk voor het Huis van Afgevaardigden. Je hebt het al een aantal keer gehad over Humanity in Action. Zou u kunnen uitleggen wat dat voor organisatie is, en wat uw rol daarbinnen is? Humanity in Action zet zich in voor de rechten van minderheden via een netwerk van veelbelovende studenten, jonge professionals en mensen die zich al op leidende posities bevinden. Daartoe organiseert zij jaarlijks een zomerprogramma voor Nederlandse, Amerikaanse en Bosnische studenten, die vijf weken discussiëren met elkaar en met ooggetuigen, mensen uit het veld, NGO’s en de politiek. De organisatie is vijftien jaar geleden opgericht vanuit het idee dat de komende generaties weinig affiniteit meer hebben met het gevoel ‘never again’. Dit gevoel van ‘nooit meer oorlog’ speelde na de Tweede Wereldoorlog nog sterk in de samenleving, maar nieuwe generaties hebben geen opa’s en oma’s meer die daar dan heel veel vertellen. Humanity in Action wil er voor zorgen dat de leiders van de toekomst proactief blijven en goed op de minderheden in dit land passen. We moeten ervoor zorgen dat deze democratie gezond blijft, dat er geen mensenrechten worden geschonden en dat we niet naïef worden over het goede Nederland. Binnen die organisatie doe ik als nationaal directeur eigenlijk van alles. Mijn college organiseert het zomerprogramma maar ik denk mee over de inhoud en selecteer samen met haar de deelnemers.Verder doe ik veel aan fondsenwerving, en organiseer ik seminars en andere bijeenkomsten. Onlangs heb ik dankzij het vfonds HIA on tour mogen organiseren, waar we langs middelbare scholen gingen om, onder andere in Rotterdam en Nijmegen om met leerlingen in gesprek te gaan over de

48


Volonté Générale 2012 - n°4

spanning tussen onze grondrechten zoals het verbod op discriminatie, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van religie. Wanneer we nu uw gehele studietijd en loopbaan overzien, valt het op dat u maatschappelijk zeer betrokken bent, maar altijd in de periferie van de politieke arena opereert. Heeft u nog ambities om u in de toekomst misschien meer in het centrum van de politiek te begeven? Of ik politicus wil worden? Bijvoorbeeld ja. Het moge duidelijk zijn dat politiek me enorm trekt. Maatschappelijke betrokkenheid is mij met de paplepel ingegoten. Thuis werd altijd politiek bediscussieerd, het was vaak onderwerp van gesprek. Ik kom uit een heel rood nest waarin ik van kleins af aan het idee van ‘iedereen moet zijn steentje bijdragen’ heb meegekregen. Daar geniet ik ook heel erg van en dat wil ik zelf ook altijd blijven doen. Me via politiek inzetten voor Nederland lijkt me een eerbaar en interessant beroep, maar ik ben niet actief bezig met deze carrière. Het is interessant om binnen mijn positie bij Humanity in Action vanuit de buitenrand te kijken naar wat er speelt in het land en daar discussies over te voeren, maar ik vind het ook heel erg mooi om je vanuit een politieke partij in te zetten. Het zou kunnen, ik weet het nog niet. Een andere voor de hand liggende carrière zou de wetenschap kunnen zijn. Uw opleidingen, waaronder die aan Cambridge, zijn daarvoor uitstekende basis. In hoeverre trekt de academische wereld u? Eerst moet ik nog mijn laatste master afmaken, hier in Amsterdam. Doordat ik ging werken is de studie er een beetje bij ingeschoten, maar nu heb ik het in deeltijd weer opgepakt. Eigenlijk moet ik alleen nog mijn scriptie afschrijven. Het gaat over het effect van anti-immigratiepartijen op de middenpartijen: zeg maar het effect van Wilders op de PvdA en de VVD. Het is een vergelijking tussen Nederland en Denemarken. Denemarken is sowieso een land dat ik heel er leuk en interessant vind, dus ik volg de politiek daar wel aardig. Daar hadden ze al veel eerder een gedoogakkoord dan in Nederland. Ik dacht toen: dat gaan we hier ook krijgen, dat kan niet missen. Ik schatte in dat de VVD niet met Wilders zou in een kabinet zou gaan, maar ik zag ze wel deze zelfde constructie aannemen. Bovendien was het in de wandelgangen al bekend dat Wilders veel contact had met de Deense volkspartij. Toen dacht ik: ‘Hé wacht eens even, is dit niet een beetje ons voorland? Die gekke Deense politiek en die gekke Denen die zo op ons lijken en toch ook niet, die lopen echt een tijdje op ons voor.’ Ze zijn veel meer met lokale projecten bezig, maar ook met duurzaamheid, energie, et cetera. Ik denk dat Nederland in vergelijking met Denemarken altijd net een stapje achter loopt. Maargoed, jullie vroegen naar mijn academische ambities. Ik heb enorm veel respect voor de wetenschap. Ik heb een aantal vrienden die in de academische wereld werkzaam zijn en ik bewonder hen om wat ze bereiken. Maar ik ga nu veel liever de barricades op om me actief in te

49


Volonté Générale 2012 - n°4

zetten. Ik wil niet vanuit de ivoren toren het werk beschouwen (niet dat iedereen dat doet, dus ik hoop dat je het niet verkeerd opschrijft). Hoewel ik het respecteer en ook bewonder, is dat niet wat ik nu zou willen doen. U zegt ‘nu’, is dat bewust? Eh, ja, ik speel heus wel eens met het idee om een PhD te gaan doen, zoals ik ook wel eens speel met om maar ‘gewoon’ minister-president te worden of toch maar lerares te worden op een school hier in Amsterdam. Ik zie zo’n promotietraject wel voor me als iets heel moois. Als ik de rust zou hebben en de behoefte om zo te beschouwen, zou ik enorm trots zijn op zo’n baan. Maar dat is niet iets dat nu een optie zou zijn. Ik heb daar echt het zitvlees nog niet voor. Denkt u dat die rust om ergens voor langere tijd te wonen en te werken later zal komen? Of blijft u uw hele leven reizen? Vergis je niet, ik heb best wel rust hoor: ik woon inmiddels al wel weer drie jaar echt vast in Amsterdam, wat ik heel lang vind. Het zou dus ook zo kunnen zijn dat ik hier in Nederland een baan vind die ik zo geweldig interessant vind, dat ik helemaal niet weg wil. Maar in principe blijf ik altijd een beetje aan het trekken en knaagt altijd het idee dat ik wel weer eens iets anders wil, of dat ik wel weer eens weg wil. Beschouwt u zichzelf dan ook als wereldburger, qua identiteit? Nee, ik beschouw mezelf niet als een soort nomade. Ik ben echt een Nederlander: ik hou van Nederland, het is mijn thuis. In Nederland kom ik altijd weer thuis. Wat niet wegneemt dat het buitenland me bijzonder interesseert, en het zit wel in mijn lijn der verwachtingen dat er nog een paar buitenlandervaringen aankomen. 

50


Volonté Générale 2012 - n°4

Verkiezingsnacht Johannes Visser Tijdens de Amerikaanse verkiezingsnacht organiseerde campagnebureau BKB een feest in de Melkweg te Amsterdam. Ook ik mocht daar spreken, als een van de 430 aanwezige Amerika-deskundigen. Er was mij gevraagd het over het buitenlandbeleid te hebben. Dat buitenlandbeleid is in drie stappen samen te vatten. Stap 1: Praten. Stap 2: Bombarderen. Stap 3: Dreigen om Hillary Clinton langs te sturen. Een buitenlandbeleid gericht op het bewaren van de vrede dus. Gericht op het verspreiden van Westerse waarden, op de export van vrijheid, mensenrechten, vrouwenemancipatie, en op het stoppen van kernwapenprogramma’s. Het buitenland bestaat voor de Verenigde Staten uit China, Rusland, Irak, Iran, Afghanistan, Syrië, Libië, Pakistan en Israël. De oplettende lezer zal doorhebben dat het buitenlandbeleid alleen gericht is op concurrerende grootmachten en landen in oorlog. De selectieve lezer zal geloven dat het buitenlandbeleid van de Verenigde Staten vooral gericht is op landen waar je goede shoarma kan kopen. Europa telt niet mee. De enige kernwapens die we in Nederland hebben, zijn Amerikaanse kernwapens en die liggen netjes opgeborgen in Volkel. Westerse waarden zíjn Europese waarden. En wat vrouwenemancipatie betreft: waar Sandy deze verkiezingen de belangrijkste politieke vrouw is in de VS, daar hebben we in Nederland al jaren vrouwelijke toppolitici. Denk aan Rita Verdonk, Lilian Helder, Philomena Bijlhout, Nebahat Albayrak, Mariëtte Hamer, Winny de Jong, Tineke Netelenbos, Ella Vogelaar en Tofik Dibi. Er is hier simpelweg niets meer te doen, niets te verbeteren. Het is dan ook niet gek dat Europa al sinds de Balkanoorlogen geen deel meer uitmaakt van Amerika’s buitenlandbeleid. Wij tellen niet mee voor de Verenigde Staten omdat ze van Europa niets te vrezen hebben. De enige SEALs die op Europese bodem gewond raken, worden door Lenie ’t Hart netjes weer in de Waddenzee uitgezet. Het grootste Europese gevaar voor Amerika is dat alle Chinezen hier restaurants zijn begonnen voordat Amerika al hun banen aan hen heeft uitbesteed en dat Jan Kees de Jager alle hamburgers opeet. Onze agressie tegen Amerika beperkt zich tot een boze tweet van Alexander Klöpping over het einde van de internetvrijheid en het hartgrondig vloeken tegen het McDrive-paaltje wanneer je bestelling verkeerd is doorgekomen. Hoe weinig Amerika zich ook om ons bekommert, wij willen onszelf maar wat graag bemoeien met onze vrienden aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. Wij glimmen van trots wanneer Romney over ‘Kleintje Pils’ begint. Wanneer Bill Clinton een stuk appeltaart eet in Amsterdam haalt dat moeiteloos het achtuurjournaal. Dezelfde sfeer hing ook in de Melkweg. Bij onze eigen verkiezingen gingen we kort na de uitslag van Julianadorp naar bed, om de volgende ochtend op Teletekst pas de definitieve uitslag te zien. In de Melkweg stonden oer-Hollandse knapen met Amerikaanse vlaggetjes in hun handen en Obamashirts om hun lichamen de hele nacht lang hun handen kapot te applaudisseren als de uitslag van weer een swing state binnenkwam. Zelfs Sywert van Lienden mocht een uurtje later naar bed.

51


Volonté Générale 2012 - n°4

Als Amerika niet naar ons komt, dan komen wij wel naar Amerika. Wij zouden niets liever willen dan de 51e staat van Amerika zijn. En daar hebben de Verenigde Staten inderdaad geen Europees beleid voor nodig. God bless you, and God bless the United States of America.  Johannes Visser (1988) is neerlandicus en was redacteur van Propria Cures (2008-2011).

52


Volonté Générale 2012 - n°4

Beschouwing van De stem van de Doden Lisa Doeland Er wordt voortdurend namens anderen gesproken, stelt Gert Jan van der Heiden in de inleiding van De stem van de doden. Hermeneutiek als spreken namens de ander. Politici spreken namens het volk en dichters; profeten en predikanten spreken namens God of goden. Hoewel we doen alsof de stem van de schrijver spreekt, is het de lezer die de woorden leest en zodoende namens het boek spreekt. Daarmee is de inzet van deze beschouwing meteen op scherp gesteld – ook ik spreek hier ‘namens’. Bovendien is meteen duidelijk wat er gebeurt wanneer hermeneutiek, van oudsher begrepen als de kunst van het uitleggen of de interpretatie, als een ‘spreken namens…’ wordt geherinterpreteerd. Er komt meer op het spel te staan, want het is niet langer jouw interpretatie, maar jij bent het die namens een ander spreekt. En een dergelijke taak mag niet worden onderschat. Het zijn de Platoonse dialogen, waarin het spreken namens de ander tot kunst verheven is, die Van der Heiden op het spoor gezet hebben van een onderzoek naar hermeneutiek als spreken namens de ander. In deze dialogen viel hem die gedeelde en verdeelde stem op, die het spreken namens de ander veronderstelt. Hij schrijft hierover dat er ‘alleen met zo’n gedeelde en verdeelde stem […] een stem [kan] worden gegeven aan hen die nu, op dit moment, niet kunnen spreken omdat ze niet langer kunnen spreken, omdat ze nog niet kunnen spreken of omdat ze domweg geen taalvermogen bezitten.’ 1 Van der Heiden noemt dit ‘spreken namens…’ het verborgen motief van de hermeneutiek en stelt zich in dit boek ten doel dit motief inzichtelijk te maken. Hermes, de naamgever van de hermeneutiek, is in de eerste plaats de boodschapper van de goden en daarmee iemand die spreekt namens een ander: ‘bij Hermes is deze ander een van de goden, maar in omvattender zin vereist iedereen die niet de taal van de mensen spreekt, een boodschapper à la Hermes en dus een “spreken namens…” om gehoord te kunnen worden.’2 Wat Van der Heiden in dit boek daarom doet, is typisch hermeneutische begrippen als dichtkunst, dialoog, vertaling, interpretatie en vertolking, traditie en erfenis, heronderzoeken in het licht van het ‘spreken namens…’. Hij gaat daarvoor te rade bij onder meer Martin Heidegger, Hans-Georg Gadamer, Paul Ricoeur, JeanLuc Nancy, Jacques Derrida en Giorgio Agamben. Ik schrijf hier wel ‘te rade gaan’, maar dan druk ik mij niet nauwkeurig genoeg uit. Van der Heiden gaat vooraleerst met deze denkers in dialoog. Het is niet voor niets dat hij ze steeds zijn gesprekspartners noemt. En hij praat niet alleen zelf met ze, maar brengt ze ook met elkaar in gesprek en laat zien welke gesprekken ze al voerden. Uit dit zorgvuldig gespannen web van denken over taal, vertaling, vertolking, het bekende en vreemde, het spreken, het zwijgen en de stem                                                                                                          

G. J. van der Heijden, De stem van de doden. Hermeneutiek als spreken namens de ander (Nijmegen 2012) 10. 2 Van der Heijden, De stem van de doden, 18. 1

53


Volonté Générale 2012 - n°4

tekent zich af waar het Van der Heiden eigenlijk om te doen is: dit boek gaat niet alleen over de hermeneutiek, maar over de manier waarop filosofie (over)gedragen wordt en de manier waarop filosofen steeds weer de erfenis van dit denken op zich nemen. De vraag is hoe dit zó gedaan kan worden dat er recht gedaan wordt aan deze erfenis. En dat is natuurlijk ook precies de inzet van een ‘spreken namens…’. Het is niet zonder betekenis dat Van der Heiden in het woord vooraf de hoop uitspreekt dat zijn keuze om hermeneutiek vanuit het motief van het spreken namens de ander te bezien een vruchtbare toegang en ingang biedt tot de door hem behandelde denkers. Hij spreekt hiermee de hoop uit hun stem zo helder mogelijk te laten klinken. Maar hoe doe je dat? Door het transcendentale karakter van betekenis en interpretatie te problematiseren, is deze vraag door onder meer Nancy, Derrida en Agamben heropgenomen. Wij moeten, zo laat Van der Heiden niet na te benadrukken, ons niet laten misleiden door het feit dat zij niet als denkers van het hermeneutische bekend staan. Op de vraag of er nog wel van hermeneutiek gesproken kan worden wanneer de mogelijkheid van interpretatie zelf ter discussie gesteld wordt, zegt hij dan ook volmondig ‘ja’. Het verband tussen Hermes (de boodschapper) en hermeneutiek, en tussen Hermes en de ambivalentie van de taal, wordt immers in de dialogen van Plato al aan de orde gesteld. Het was altijd al eigen aan de hermeneutiek. De vraag naar de mogelijkheid van een gedeelde taal, naar de implicaties van de dreiging van de schijn die bij iedere vertolking en bij elke interpretatie op de loer ligt, en de vraag naar hoe de boodschapper het verschil tussen de goden en mensen of de doden en de levenden weet te overbruggen, is geen nieuwe vraag en is zeker niet aan postmoderne denkers als Gadamer en Derrida voorbehouden Dat de pseudos hierbij altijd op de loer ligt, is niet alleen een risico, maar is tegelijkertijd de mogelijkheidsvoorwaarde van de hermeneutiek. ‘Het ‘spreken namens…’ is […] de enige kans om de ander te laten spreken, maar is daarom altijd getekend door het risico van de pseudos die zich in elke verplaatsing, elk dragen, en elke overdracht voordoet.’3 Van der Heiden vat de pseudos hier nadrukkelijk Platoons op als het probleem van de schijn, dat de taal dingen op andere wijze aan de orde kan stellen dan ze zijn, maar dat dit niet erg is zolang we daar weet van hebben. Het is precies dit ‘weet hebben van de schijn’ dat een belangrijke rol speelt in het slotstuk van De stem van de doden. Hier voert Van der Heiden de pseudogetuige ten tonele. De pseudogetuige is iemand die de ervaring van een ander vertolkt en die daarmee namens iemand anders spreekt. Van der Heiden verbindt deze pseudogetuige nadrukkelijk met Agambens begrip van het experimentum linguae, het ter sprake brengen van het onvermogen om het sprakeloze een stem te geven (waarvoor hij, zo laat Van der Heiden niet na te benadrukken, schatplichtig is aan Heidegger). Volgens Agamben zijn wij niet de erfgenaam van een reeds gesproken woord, maar juist van het niet kunnen spreken. Hij verzet zich hiermee tegen Derrida, die betekenisgeving problematiseert, maar wiens                                                                                                           3

Van der Heijden, De stem van de doden, 163.

54


Volonté Générale 2012 - n°4

kritiek niet voorbij de grenzen van de taal voert. De specifieke aard van de menselijke taal is dat een wezen dat niet spreekt het woord moet nemen. Wij waren allemaal taalloze kinderen. In den beginne was niet het woord, maar het zwijgen. En niet alleen hadden wij in onze kindertijd alleen in potentie taal, er zijn ook ervaringen die een stem verdienen maar zich niet in taal laten uitdrukken. Denk aan Auschwitz. Van der Heiden schrijft dat we in de onmogelijkheid van het subject om een ervaring te vertellen die de zijne niet is – en hier vallen wij ook zelf onder, wij zijn soms ons zelf vreemd – de eigenlijke rol vinden van de hermeneutiek. Spreken namens de ander is een getuige zijn. En het probleem van de getuigenis is dat deze altijd bewijs betreft zonder zekerheid. De (pseudo)getuige is daarmee iemand waarin we ons vertrouwen moeten stellen. ‘Spreken namens…’ is niet zonder risico, de mogelijkheid dat er geen recht wordt gedaan en misschien zelfs wordt gelogen, ligt altijd op de loer. Maar liever dat dan dat een stem verstomd. Ik vraag me echter af of het Van der Heiden alleen om de nalatenschap van de sprakeloze gaat, want klinken in dit boek niet vooral de stemmen van dode filosofen? Rest ons van hen niet juist hun teksten? Het is namens hen dat hij spreekt.  | Gert-Jan van der Heiden, De stem van de doden. Hermeneutiek als spreken namens de ander (Nijmegen Uitgeverij VanTilt, 2012). Paperback € 22,50. ISBN 9789460040931. Lisa Doeland (1982) studeerde Literatuurwetenschap en Filosofie. Zij stond aan de wieg van Wijsgerig Festival Drift en organiseert dit jaar de Filosofie Nacht.

55


Volonté Générale 2012 - n°4

Kleinburgerlijkheid in de DDR Martijn van den Boom Ostalgie is niet meer weg te denken uit de Duitse cultuur. De heimwee naar de Deutsche Demokratische Republik (DDR) schreeuwt je toe op elke straathoek in Berlijn. Naast de gebruikelijke ‘I ♥ Berlin’-shirts vliegen de retro voetbalshirts met het logo van de voormalige socialistische heilstaat je om de oren, de met toeristen volgepropte Trabantjes vervuilen nog steeds de stad en het zogenaamde Ampelmänchen kleurt tegenwoordig ook vele Westerse verkeerlichten. Gelukkig herinneren films als Das Leben der Anderen of Goodbye Lenin! ook aan de onderdrukking van het volk door het regime. De DDR leeft als onderdeel van de woelige Duitse geschiedenis onvermijdelijk voort in de gedachten van mensen. Zo ook bij de Russisch-Duitse theatermaker en auteur Eugen Ruge. In zijn debuut In Zeiten des abnehmenden Lichts (2011) verhaalt hij over een Großfamilie verbonden aan het communisme en de DDR. De levens van vier generaties binnen een oerdegelijke Oost-Duitse familie staan centraal. De achterflap van de Nederlandse vertaling – met de één-op-één vertaalde titel In tijden van afnemend licht (2012) – belooft een tocht ‘van Mexico en Siberië naar Oost-Berlijn, langs de pieken en dalen van de Duitse geschiedenis van de twintigste eeuw.’ Met een dergelijke pakkende beschrijving en het feit dat het boek in 2011 bekroond is met de Deutscher Buchpreis kan er weinig fout gaan, toch? In wezen zijn er drie verhaallijnen te onderscheiden in het boek. De eerste begint in 2001, rond de aanslagen van 11 september leren we later in het verhaal. Alexander Umnitzer – een personage dat sterke overeenkomsten vertoond met de auteur – bezoekt zijn demente vader Kurt, een voormalig historicus uit de DDR. Geconfronteerd met de sterfelijkheid van zijn vader en, wanneer hij te horen heeft gekregen dat hij kanker heeft, met die van zichzelf, vertrekt hij naar Mexico. In dit land ordent hij zijn gedachten over zijn verleden, zichzelf en zijn familie. Onbewust doet hij dit daarbij ook over de gebeurtenissen in Duitsland in de afgelopen eeuw. De tweede verhaallijn begint in het Mexico van 1952. Hier ontmoet de lezer Charlotte en Wilhelm Powileit, twee communisten die uit Duitsland zijn gevlucht in de jaren 1930 en die op het punt staan terug te keren naar de DDR. Charlotte is de moeder van Kurt, die in 1952 in de Sovjet-Unie verkeert als balling, en Wilhelm is haar nieuwe man. Eenmaal wedergekeerd in Duitsland vervullen beiden een rol binnen het communistische bestuur. Wilhelm doet zich voor als een groot communist die aan het begin van de eeuw nog met Karl Liebknecht in het verzet zat, maar in werkelijkheid heeft hij een onbeduidend baantje. Charlotte wordt bestuurder van een academie en vervult hier maatschappelijk een belangrijkere functie dan haar man, wat tot spanningen leidt binnen de relatie. Aan de hand van meerdere hoofdstukken worden de verhoudingen met zoon Kurt en zijn latere Russische vrouw Irina Petrovna uitgediept. Uiteraard zijn de onderhuidse spanningen tussen schoonmoeder en schoondochter aanwezig, onder

56


Volonté Générale 2012 - n°4

andere over de opvoeding van (klein)zoon Alexander. Naar mate de tijd vordert, focust het verhaal zich ook meer en meer op het gezin van Kurt en Irina, waar de levenswandel van Alexander steeds meer tegenover die van zijn ouders komt te staan. Zoals gezegd functioneert Kurt als historicus ook in lijn van de partij en Irina weet als Russische immigrante haar weg in Duitsland maar lastig te vinden. Alexander ontplooit zich in de puberteit, woont in kraakpanden, laat zijn vrouw met kind in de steek en maakt in 1989, vlak voor de val van de Berlijnse Muur, de stap naar het Westen. Een derde verhaallijn voltrekt zich op de negentigste verjaardag van Wilhelm, 1 oktober 1989. De lezer volgt in meerdere hoofdstukken dezelfde gang van zaken telkens vanuit een ander personage. Deze techniek wordt overigens in elk hoofdstuk gebruikt, maar komt in deze verhaallijn het beste tot zijn recht, omdat hier dezelfde gebeurtenissen met andere accentverschillen worden beschreven. We zien een saaie zondagmiddagverjaardag van een uitgebluste kennissenkring, met OostDuitse details als een zoveelste medaille-uitreiking aan een ‘oude kameraad’, via de ogen van bijvoorbeeld de neurotische huisvrouw Charlotte, de gefrustreerde Kurt met zijn opgekropte gevoelens over zijn gevluchte zoon, de verwachttingsvolle Markus die hoopt zijn vader Alexander tegen het lijf te lopen en de humoristische gedachtegang van Kurts Russische schoonmoeder Nadjezjda Ivanovna. Hilarische mistvattingen en gedachtes maken deze verhaallijn tot de meest vermakelijke van de drie, mede doordat veel hoofdpersonages de situatie niet meer goed meekrijgen en daardoor in hun eigen gedachten blijven hangen. Het uitwerken van de drie verhaallijnen moet lastig geweest zijn voor de auteur, zeker in slechts 349 bladzijden. Dit zorgt er mijns inziens ook voor dat het boek niet helemaal uit de verf komt. De drie verhaallijnen hadden met gemak een eigen boek kunnen vullen en dan was er ook meer ruimte geweest om extra aandacht te geven aan de karakterontwikkeling van sommige personages. In principe draait het boek om Alexander, maar zijn verleden wordt ondergesneeuwd door de gebeurtenissen in het leven van de andere personages die zelf eendimensionaal blijven en geen ontwikkeling doormaken. Hierdoor blijft het boek een schets of – erger nog – een samenvatting van het leven van de familie. Met name de grote tijdssprongen in de tweede verhaallijn zorgen ervoor dat de lezer op slechts kleine flarden meekrijgt. De flarden zijn momentopnamen die het grote geheel slechts minimaal beschrijven. Met geen mogelijkheid is het de bildungs-roman die op de achterflap wordt beloofd. De kracht van het boek zit in de vermenselijking van de OostDuitser. Met ietwat andere details had het boek zich ook in een WestDuitsland of in een ander West-Europees land kunnen afspelen. Slechts zeer minimaal komen de maatschappelijke problemen uit de DDR, zoals de vrijheidsbeknotting en het repressieve regime, naar voren. De nadruk ligt sterk op de kleinburgelijke problemen waarmee de gezinnen zich bezig houden: spanningen in de relatie tussen man en vrouw; generatiekloven; en jezelf verliezen in een vreemde omgeving. Deze

57


Volonté Générale 2012 - n°4

problemen hebben zich ook afgespeeld in andere landen. Het boek laat zien dat de Oost-Duitsers evenals degenen ten Westen van het IJzeren Gordijn gewoon mensen waren. Geenszins moeten zij gekenmerkt worden als een curieus volkje in hun Trabantjes die stopten voor verkeerslichten met grappige mannetjes of door onderdrukking en moord om het minste of geringste. Ruge stelt in een interview: Bij ons was er geen goelag, geen moordpartijen, ook al was er onderdrukking. Ondanks de dictatuur die ons onder de knoet hield […], ondanks die harde omstandigheden dus waren we ook maar mensen, net zoals jij en ik dat zijn. We probeerden overeind te blijven, een zo normaal mogelijk leven te leiden. Het boek is een langgerekte poging om dat duidelijk te maken.1

In dat laatste is de auteur bewonderenswaardig geslaagd. En was het hem niet gelukt, dan was het boek alleen al vanwege de schitterende bespreking van de verjaardag van Wilhelm Powileit het lezen waard geweest.  | Eugen Ruge, In tijden van afnemend licht (Breda Uitgeverij De Geus, 2012). Hardcover € 22,50. ISBN 9789044520897. Martijn van den Boom (1987) is politiek historicus en politiek theoreticus.

                                                                                                         

W. Huyghebaert, ‘Eugen Ruge: 'Ik ben niet ostalgisch.'’, Cutting Egde (22 september 2012) beschikbaar via: http://www.cuttingedge.nl/interviews/eugen-ruge-ik-ben-niet-ostalgisch (geraadpleegd op 1 november 2012). 1

58


Volonté Générale 2012 - n°4

Komt dat zien, maar niet beleven! Jacob van Hoof ‘Gonzo’, een overkoepelende term om een onconventionele of vernieuwende stijl van journalistiek mee te duiden, werd in 1970 voor het eerst gebruikt door de Amerikaanse journalist Bill Cardoso toen deze een stuk van Hunter S. Thompson (de schrijver van onder meer Fear and Loathing in Las Vegas) recenseerde en hij diens exentrieke en innemende schrijfstijl wilde omschrijven. Met Cardoso als naamgever wordt Thompson sindsdien beschouwd als vader van deze essentieel subjectieve stijl van journalistiek, welke zijn werk reeds sinds eind jaren zestig heeft getypeerd. Zoals gezegd staat in ‘gonzojournalistiek’ het subjectieve karakter van de vertelstijl centraal en wordt dit bovenal gekenmerkt doordat de schrijver zichzelf als persoon in het midden plaatst van hetgeen waarover geschreven wordt. Zo kan hem immers nooit een veilige objectieve manier van (be)schrijven worden verweten. Bovendien is het de ultieme manier om de lezer een zo natuurgetrouw mogelijk beeld te geven van een journalistieke analyse doordat deze het gevoel krijgt op het midden van het toneel te participeren. Betere zitplaatsen dan de eersterang zijn er (tenminste in figuurlijke zin van het woord) tenslotte niet, tenzij je mee mag doen met (en dit volgende bedoel ik met opzet dubbelzinnig) de voorstelling. Voor het recenseren van het Vlaamse tijdschrift Gonzo (circus), dat haar naam aan deze vorm van journalistiek heeft ontleend, snijdt het mijns inziens het meeste hout wanneer ondergetekende zijn eigen persoon en beleving dan ook geheel in stijl bij deze taak centraal stelt. Daarom stel ik mij allereerst bij dezen aan u voor: ik ben het, uw recensent. Ik begin en eindig mijn (bij-)zinnen niet graag met ‘ik’, maar neem u graag aan mijn bescheiden hand mee. U moet weten: op de universiteit schreef ik ooit mijn eerste essay (onbewust) in heuse gonzostijl door een zo realistisch mogelijke beleving van het werk van Joseph Conrad te schetsen door mijzelf (en en passant ook mijn literatuurdocent) met naam en toenaam in het stuk te noemen. Het zal u niet verbazen dat ik flink op mijn tamelijk subjectieve beschouwing en analyse afgerekend werd, en als commentaar kreeg dat het weinig academisch was en ik mijn darlings nodig een kopje kleiner moest maken. Later is dit allemaal ‘goed’ gekomen en schreef ik een hoogwaardig academische scriptie over de Beat generatie, een zodanig eigenzinnige literaire stroming dat er wellicht het meest recht aan zou zijn gedaan door er juíst een onconventionele scriptie aan te wijden. Maar goed, het maakt dat ik veel van de befaamde Beat-stijl herken wanneer ik mij inlees over Hunter S. Thompson en ‘gonzo’. Beide stijlen hebben immers een vergelijkbare interpretatie van de zogenaamde stream of consciousnessesthetiek1 gemeen en zijn daarin te kenmerken door hun scherpe, directe                                                                                                          

‘Stream of consciousness’ (stroom van het bewustzijn) is de verhalende techniek waarbij gestreefd wordt naar het zo spontaan en eerlijk mogelijk weergeven van datgeen dat geobserveerd wordt door de schrijver zonder dat deze wordt belemmerd door vorm of logica. 1

59


Volonté Générale 2012 - n°4

en vooral eigenzinnige toon waarbij de begrippen ‘spontaniteit’ en ‘experiment’ in gedachte en uitvoering voorop staan. Zoals beide stijlen stylistisch dus tegen conventionele waarden en normen schoppen, zo bewegen hun schrijvers zich aan de randen van de maatschappij, of beter gezegd: zij zijn er nou eenmaal op aangewezen. Zij zijn immers hoofdzakelijk begaan met subculturen en minderheden en al wat daaruit ontspringt – zo schreef Thompson ooit over de Hells Angels en de Beatschrijvers over, eh, henzelf. In het gegeven dat gonzojournalisten en Beat-schrijvers dus ook zélf diep geworteld zijn in de meest dubbelzinnige notie van het begrip ‘DIY-cultuur’, zie ik ook meteen het grootste raakvlak met het journalistieke werkveld en focus van Gonzo (circus). Pardon, ik zou bijna vergeten dat dit artikel juist een recensie behoorde te zijn. Goed, laat mij niet meer teveel van mijn taak afwijken door inleidende informatie te geven (al heeft u daar wellicht stiekem toch wat aan) en volgt u mij nu tot in de piste van Gonzo (circus), een tijdschrift dat door haar titel expliciet verwijst naar Hunter S. Thompson en zijn gonzojournalistiek (wat overigens op de site ook door de redactie bevestigd wordt) en met haar ondertitel bovendien pretendeert te schrijven en verslag te doen ‘over vernieuwende muziek en cultuur’. Hoewel je ‘vernieuwend’ natuurlijk niet direct mag gelijkstellen aan ‘alternatief’ of ‘sub-’, mag wel worden aangenomen dat zij weinig begaan is met de uitwassen van de mainstream. Grote namen zul je hier dus niet vinden: niet tussen de schrijvers en zéker niet tussen de onderwerpen waar zij over schrijven. Wel vind je hier eigenwijze journalisten en toegewijde kenners, en zij presenteren zich dan ook in grote getale. Gonzo (circus) propageert met haar omvangrijk aanbod aan stemmen, meningen, stijlen, geluiden en gedaantes (want naast magazine en site verschijnt er bij ieder nummer ook een compilatie-CD genaamd Mind the Gap) dan ook terécht een caleidoscoop (of beter: circus) te zijn van al wat de wereld op het gebied van vernieuwende muziek, literatuur, beeldcultuur en media te bieden heeft. Gezegd moet worden dat het journalistieke spectrum waarbinnen de meerderheid van deze schrijvers en artikelen in het tijdschrift en op de site zich bewegen, en waar Gonzo (circus) dus een podium aan schenkt, zich met name focust op ontoegankelijke, obscure en bovenal niet-commerciële muziek variërend van bijvoorbeeld indie tot wereldmuziek en van metal tot avant-garde. Gonzo (circus) bevat naast talloze recensies (treffend onderverdeeld in de rubrieken ‘Gonzo’s Oordeel’ en ‘Vizier’) over een zo mogelijk nóg talrijkere verscheidenheid aan nieuwe releases van muziek (maar ook games, fictie en non-fictie) ook enkele essays en columns van kenners en journalisten. Hierbij dringt zich bij mij de essentiële vraag op of er in deze laatste categorie ook daadwerkelijk journalistiek in de geest van Gonzo bedreven wordt. Kunnen en willen de schrijvers van deze opiniestukken zich wel conformeren (een vies woord in deze, ik weet het) aan de grondbeginselen van de gonzo en liggen hun stukken daarmee wel in de lijn van de stijl van deze vorm van journalistiek? Kortom, is er hier genoeg grond om aan te nemen dat Gonzo (circus) niet alleen het tweede deel, maar ook het eerste deel van haar naam waardig is? Het antwoord

60


Volonté Générale 2012 - n°4

op deze vragen is, kwalijk genoeg, enigszins negatief. Nergens is de pen heel scherp of de toon lekker dwars. Mijns inziens hebben de meeste informatieve artikelen een (te) braaf beschrijvend en objectief karakter wanneer zij vertellen over de bijzonder veelzijdige Braziliaanse muzikant Maga Bo of het festival ‘Incubate’ dat onlangs in Tilburg plaatsvond. Daar het gros van de artikelen in Gonzo (circus) als doel heeft te informeren en te recenseren verschaffen zij inhoudelijk gezien een toegankelijke (en dus welkome) inkijk in de complexe en veelzijdige wereld van vernieuwende en expirimentele muziek en cultuur. Mede met de enigszins objectieve stijl en toon van deze artikelen houdt zij voor mij als leek de drempel om toe te treden dus laag, maar wordt het nooit echt spannend of uitdagend van karakter. Het is juist dát essentiële verschil tussen veilig aan de hand worden meegenomen en ruw deelgenoot worden gemaakt van de wereld van de grillige en eigenzinnige gonzocultuur. Want hoe direct en geloofwaardig de persoonlijke geëngageerde toon van vaste columnist Harco Rutgers – een Nederlandse beeldend kunstenaar, ontwerper en DJ (en nog véél meer) – ook is, eigenlijk levert alleen ‘De Geluidsarchitect’ in een met gonzojournalistiek doordrenkte column vermakelijk dwars en brutaal commentaar op allerlei quotes en uitspraken (waaronder die van zijn eigen redactie!) die hij heeft opgevangen in de media en maatschappij, en is daarmee een genot om te lezen. Maar, even tussen u en mij, is de taak van columnisten niet steevast het spuien van een subjectieve mening over onderwerpen die hen direct aangaan of bewegen? Ik concludeer hiermee dat we over het algemeen kunnen stellen dat Gonzo (circus) inderdaad kwaliteitsinformatie biedt dat uit eerste hand (en geest) van personen komt die ultiem met hun roeping, vak en preoccupatie begaan zijn. Echter, getuige hun stijl en inhoud is het allemaal lang niet zo bandeloos en spontaan als dat het waarschijnlijk klinkt, een enkel essay of column daargelaten. En zo heeft Gonzo (circus) van sommige kenmerken van Gonzo (en Beat) wel een beetje, maar blijft zij in al haar verscheidenheid met name in toon een beetje tam, al kan dat van de muziek waar zij over schrijft allerminst gezegd worden.  |Gonzo (circus). Los nummer € 8,00. Jaarabonnement vanaf € 35,00. Beschikbaar via http://www.gonzocircus.com/abonnement/. Jacob van Hoof (1981) is schrijver en dichter die publiceert onder het pseudoniem ‘Djeekop’. Hij bracht tot nu toe in eigen beheer twee dichtbundels uit: Over het Reilen en Zeilen van Boten en andere Dobberende Dingen (2010) en De Dwaze Kat Kazimir Was een Klier van een Dier (2012).

61


Volonté Générale 2012 - n°4

Minister zonder portefeuille Joep Willemsen De minister voor Ontwikkelingssamenwerking is altijd een symbool geweest. Wanneer de PvdA aan de macht was, werd deze benoemd. W Wanneer de partij niet in de regering zat, werden de taken weer onder een andere minister geschaard en verdween de titulatuur. Het is een symbool om het belang van ontwikkelingssamenwerking kracht bij te zetten. Kabinet Rutte II is inmiddels een feit. Het was een uitruil van standpunten. Dit bleek, ondanks de opstartproblemen bij de bekendmaking, een zeer effectieve manier om een regeringsakkoord op hoofdlijnen te vormen. Vanzelfsprekend kwam de minister voor Ontwikkelingssamenwerking weer in het kabinet en net als in Balkenende IV was het een minister zonder portefeuille. De Minister zonder portefeuille staat niet aan het hoofd van een departement, maar is wel degelijk verantwoordelijk voor een bepaald beleidsterrein en heeft zitting in de ministerraad. In Rutte II is Lilianne Ploumen dus via deze constructie het kabinet ingerold. Er wordt 1 miljard euro bezuinigd op haar beleidsterrein. In Nederland gold het als norm 0.8 procent van het BNP te reserveren voor ontwikkelingshulp. Met de huidige plannen zakt het bedrag zelfs onder de 0.6 procent. Dat is schandalig en historisch laag. De ‘liberale’ strijkstokargumenten tegen de hoogte van het voormalige budget zijn ridicuul. Dan moet er iets aan de strijkstok gedaan worden. De samenvoeging van Ontwikkelingssamenwerking met Buitenlandse Handel zegt wellicht iets over hoe er met ontwikkelingshulp zal worden omgegaan: We geven u één euro zodat u met twee euro iets bij ons kunt kopen. Tijdens de verkiezingsdebatten waren er vooral discussies over wie er nu 1,2 of 1,7 procent economische groei had in 2017. Bij wie we op onze 66ste mochten stoppen met werken, of mensen hun hypotheek van vier ton nog wel konden betalen en waarom Samsom ineens een stropdas droeg. In diezelfde periode werden in Aleppo tien bakkers gebombardeerd om de Syriërs uit te hongeren. Daar was echter geen ruimte voor in de debatten, want wij hebben crisis. Dat er bezuinigd moet worden, is evident. Dat we dit geld weghalen bij de zwaksten van de wereld is een gotspe. Nu wij de ‘klappen van de zweep’ kennen, zouden we ons nog meer verwant moeten voelen aan de mensen die het minder hebben en onszelf gelukkig prijzen. Juist in deze tijden zouden wij moeten laten zien wat onze moraal waard is. Dan bedoel ik niet de handelsgeest. We verkeren anders vooral in een morele en niet in economische crisis. Het overgrote deel van de wereld leeft iedere dag in een crisis. Zij worden geboren in crisis en gaan er in dood. Het ministerschap wordt anders ook overbodig, want met deze bezuiniging wordt de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking letterlijk een minister zonder portefeuille, die zijn gidsfunctie verruild heeft voor handelsgeest. Waarmee de symboliek van Ploumens ministerschap de uitholling verdoezelt.  Joep Willemsen (1985) is parlementair historicus. 62


Volonté Générale 2012 - n°4

Volonté Générale zoekt

REDACTEUREN (m/v) In verband met uitbreiding van de huidige redactie is Volonté Générale op zoek naar twee redacteuren. Functie U zult in de eerste helft van het jaar 2013, tijdens de voorbereiding en publicatie van twee nummers, worden ingewerkt door de huidige redactie. Hierna wordt u volledig lid van de redactie. Werkzaamheden bestaan hoofdzakelijk uit: het bedenken van mogelijke onderwerpen en bijhorende auteurs; het contacteren van auteurs; en het redigeren van teksten. Naast de werkzaamheden als redacteur kan het zijn dat in samenspraak met de redactie andere activiteiten – zoals het organiseren van bijeenkomsten – worden ontplooid. Eigen ideeën over de ontwikkeling van het tijdschrift worden bijzonder gewaardeerd. Karakterschets De redactie zoekt een zelfstandige, proactieve en secure redacteur. U houdt er van om dingen aan te pakken. U bent in staat problemen die op uw pad komen zelf op te lossen en uw oplossingen te verantwoorden tegenover de overige leden van de redactie. Ten slotte is uw Nederlands in geschrift uitstekend. Naast de bovenstaande kenmerken wil de redactie met nadruk wijzen op stressbestendigheid en flexibiliteit. De functie kent onregelmatige werktijden, met name tussen de deadline en de publicatie van een nummer (een periode van een maand) is het erg druk. De redactie gaat er vanuit dat de nieuwe redacteur in principe voor twee jaar beschikbaar is en deze periode ook grotendeels in de ‘universitaire wereld’ doorbrengt. Hierdoor wordt er met name gezocht naar een derdejaars bachelorstudent, een premaster student of een eerstejaars researchmasterstudent met een uitgebreid netwerk onder medestudenten. Solliciteren? Om naar deze functie te solliciteren ziet de redactie graag een motivatiebrief met CV tegemoet voor 22 december 2012. De sollicitatie kan gestuurd worden naar de redactie via het mailadres: vlntgnrl@gmail.com, onder vermelding van ‘vacature redacteur VG’. Voor eventuele vragen of meer informatie kunt u ook naar dit emailadres mailen. Eventuele sollicitatiegesprekken vinden plaats in week 1. Werkzaamheden vangen aan op 7 januari 2013. Acquisitie naar aanleiding van deze advertentie wordt niet op prijs gesteld.

63


Volonté Générale 2012-4  

Het vierde nummer van de tweede jaargang van het tijdschrift waarin het debat over maatschappij, (wereld)politiek, filosofie, economie, kuns...

Advertisement