__MAIN_TEXT__

Page 1


Volonté Générale 2012 - n°2

Inhoudsopgave Hoofdredactioneel

3

Reacties

Duurzame, creatieve voedseltrends in binnen- en buitenland: Thomas Vries, er is hoop! Annick Hedlund-de Witt & Hanna Schösler

5

Reflectie op Feminisme 3.0 Eva Hage

7

Antifeministisch feminisme Renée ten Cate

11

Discussieartikelen ‘Het probleem Multiculturalisme’

‘I do in fact seek to place myself outside the culture to which we belong, to analyse its formal conditions in order to make a critique of it, not in the sense of reducing its values, but in order to see how it was actually constituted.’ Michel Foucault, ‘Who are you, Professor Foucault?’ (1967) in Jeremy R. Carrette (ed.), Religion and Culture (Manchester 1999) 91.

Het probleem Multiculturalisme Marcel Wissenburg

14

De weg naar tolerantie: een nieuw perspectief op multiculturalisme Paul van der Plas

15

De moraliteit van culturen Jesse Gusman

18

Artikelen

Diagnose: narcisme. Een oproep tot nieuwe rituelen. Renée Frissen

22


Volonté Générale 2012 - n°2

De vergrijzing mag bijna met pensioen Eric van der Vorst

26

Onderwijskwaliteit: een zorg van allen Marieke Oprel

31

Ik wil de wereld beïnvloeden Interview met Maaike Kroon

37

Columns & recensies

Volonté Génerale is een tijdschrift voor jonge intellectuelen waarin debat centraal staat. Het doel van dit tijdschrift is de wereld te analyseren en mensen aan het denken te zetten over maatschappij, (wereld)politiek, filosofie, economie, kunst en universiteit.

Visie Johannes Visser

43

Colofon

De stem van Van Mierlo Anne Bos

45

Hoofd- en eindredactie Martijn van den Boom Gaard Kets Jan Maas

Geef de denkruimte weer de vrije ruimte! Patty Claassens

47

Washington wakes up to Politico Roel Vossen

49

Erkenning door ontkenning Joep Willemsen

52

Medewerkers aan dit nummer Anne Bos, Renée ten Cate, Patty Claassens, Renée Frissen, Jesse Gusman, Eva Hage, Annick Hedlund-de Witt, Marieke Oprel, Paul van der Plas, Hanna Schösler Johannes Visser, Eric van der Vorst, Roel Vossen, Joep Willemsen en Marcel Wissenburg. Contactgegevens email: vlntgnrl@gmail.com internet: www.volontegenerale.nl Aanmelden abonnement Voor gratis digitale toezending kunt u zichzelf via het bovengenoemde email-adres aanmelden. Aanleveren stukken Uitsluitend per email onder vermelding van contactgegevens en een korte persoonsbeschrijving. De hoofdredactie houdt zich het recht voor zonder opgaaf van reden stukken te weigeren. Sluitingsdatum volgende uitgave: 30 juli 2012. Copyright © Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd op welke manier dan ook voor commerciële doeleinden, vraag hiervoor eerst toestemming van de hoofdredactie en de auteur(s).


Volonté Générale 2012 - n°2

Hoofdredactioneel Met gepaste trots hebben wij op 31 mei het een-jarig jubileum van Volonté Générale gevierd. Tijdens het jubilileumfeest stelde historicus Joost Rosendaal, een van de gastsprekers, dat dit ook wel een ‘papieren jubileum’ wordt genoemd. Voor een tijdschrift dat enkel digitaal verschijnt is dat wellicht een wat komische term, maar het verheugt ons dat we deze verjaardag mogen vieren. Het is voor ons een druk en spannend jaar geweest, waarin we veel geleerd hebben. Uiteindelijk geloven we dat we een mooi en nuttig tijdschrift hebben kunnen neerzetten, waarvan het huidige nummer ook een voorbeeld is. Volonté Générale was uiteraard niet mogelijk geweest zonder al die mensen die zich voor het tijdschrift hebben ingezet door artikelen, reacties, recensies en columns te schrijven. Dit geldt ook voor de mensen die we hebben mogen interviewen. Wij willen deze mensen nogmaals hartelijk danken. Eveneens willen we uiteraard u bedanken. U leest ons tijdschrift en we hopen dat u dat met veel plezier blijft doen. Meer nog hopen we dat u kritisch blijft nadenken. Dat u uw mening blijft geven, onderbouwen én indien nodig bijstellen. Verlies niet de moed om in debat te blijven gaan met anderen die het niet met u eens zijn. Volonté Générale wil u hierbij graag van dienst zijn, maar wij kunnen ook niet zonder u. Na zes weken onderhandelen is in maart het kabinet-Rutte gevallen. Dit kabinet was het vijfde in tien jaar. In september mag de Nederlandse bevolking weer naar de stembus om te kiezen wie de nieuwe volksvertegenwoordigers worden. De campagneteams zijn inmiddels op dreef en politici krijgen vleugels. Elke camera wordt aangegrepen om enkele krachtige (en minder krachtige) one-liners de ether in te sturen en elk debat wordt omgebogen in een semi-lijsttrekkersdebat. Politieke partijen hebben ondervonden dat lijsttrekkersverkiezingen binnen de partij een heus propagandakanon zijn, deze schieten dan ook als paddestoelen uit de grond. Ook wordt de partijpolitiek door andere groepen aangewend om macht of faam te vergaren. Sywert van Lienden is als wijsneus bij Mathijs van Nieuwkerk een beroemdheid geworden en heeft het plan opgevat om deze zomer met een karavaan van 500 jongeren de partijcongressen van VVD, CDA en PvdA af te struinen om de belangen van jongeren te promoten. Hoewel het toegejuicht mag worden dat dit gebeurt, is de manier waarop hij dit wil doen dubieus. Door de traditionele partijpolitiek te saboteren, bestaat de reële kans dat dit de middenpartijen nog verder ondermijnt. Bovendien bevestigt het de angst van Geert Wilders dat een partij gekaapt kan worden door mensen die enkel op macht uit zijn. Een principieel debat onder jongeren over het initiatief van de G500 lijkt dan ook niet misplaatst. Hierover, en over tal van andere onderwerpen die nu en in de toekomst van belang zijn, moet een stevig, goed onderbouwd debat worden gevoerd. Dit kan in de kroeg, de krant, de collegebanken, en uiteraard in Volonté Générale. Bij dezen roepen wij u dan ook graag op zelf een bijdrage te leveren aan dit tijdschrift. Wij staan open voor artikelen, 3


Volonté Générale 2012 - n°2

suggesties en reacties, dus schroom niet om contact met ons op te nemen. Voor nu wensen wij u veel lees- en denkplezier. Martijn van den Boom Gaard Kets Jan Maas

4


Volonté Générale 2012 - n°2

In het artikel ‘Wij, de vleeseters in het gidsland’ stelde Thomas Vries de negatieve gevolgen van het huidige Nederlandse consumptiepatroon aan de orde.

Duurzame, creatieve voedseltrends in binnenen buitenland: Thomas Vries, er is hoop! Annick Hedlund-de Witt & Hanna Schösler De morele verontwaardiging van Thomas Vries is geheel terecht: de huidige situatie rondom de grootschalige, industriële veeteelt in Nederland en de grote, nadelige gevolgen die dat heeft voor het milieu in binnen- en buitenland is onaanvaardbaar. En dan hebben we het nog niet eens over het grootschalige dierenleed, de nadelige effecten op onze gezondheid en ons welbevinden, en de gevolgen voor de esthetische kwaliteit van ons geliefde Hollandse landschap. Hoewel er genoeg te klagen valt over het politieke klimaat in Nederland, leeft het thema wel degelijk. Niet in de laatste plaats doordat het effectief op de kaart is gezet door ’s werelds eerste dierenpartij met daadwerkelijke politieke invloed. De documentaire Meat the Truth, waarin Marianne Thieme de ongemakkelijke waarheid over vleesconsumptie in relatie tot de mondiale klimaatproblematiek zichtbaar maakt, heeft in Den Haag voor opschudding gezorgd. De ‘eiwittransitie’ — de beoogde transitie van dierlijke naar plantaardige (en duurzaam geproduceerde dierlijke) eiwitten — is daarmee een serieus beleidsdoel geworden, waar met name het ministerie van Economische Zaken, Landbouw, en Innovatie op inzet. In dit kader hebben wij onlangs een onderzoek uitgevoerd waarbij we gekeken hebben naar duurzame voedseltrends in binnen- en buitenland, en de lessen die bedrijven, organisaties en overheden daaruit kunnen trekken. Consumptiepatronen zijn namelijk diep ingebed in cultuur, waarden en wereldbeelden, en kunnen niet zomaar van bovenaf opgelegd of veranderd worden. Wel is het mogelijk dat veranderingen kunnen plaatsvinden wanneer deze voortkomen uit bestaande, maatschappelijke trends en ontwikkelingen. Wat en hoe we eten is immers naast een bron van brand- en voedingsstoffen ook een kwestie van emotie en een uitdrukking van identiteit, van ingebakken gewoontes en sociale verwachtingen. In historisch opzicht is de ‘vleescultuur’ in ons land nog jong. Pas sinds de jaren 1960 zijn we geleidelijk aan dagelijks vlees gaan eten. Daar staat tegenover dat het eten van vlees sinds mensenheugenis een bijzondere culturele, religieuze en sociale betekenis heeft. Hetzelfde geldt overigens voor het tegenovergestelde, het niet eten van vlees , wat al aangeeft dat oplossingen voor het vraagstuk van de vleesconsumptie óók op dit vlak gezocht zullen moeten worden. Vooralsnog zitten we in het Westen, evenals in toenemende mate in sterk ontwikkelende andere delen van de wereld, opgescheept met een situatie waarin vlees doorgaans gezien wordt als het hoogte- en middelpunt van de maaltijd. Groenten dienen slechts als garnering. Tegelijkertijd is de aandacht voor voedsel onder bepaalde consumentengroepen nog nooit zo groot geweest. Men zou hier kunnen

5


Volonté Générale 2012 - n°2

spreken van een revolutie op voedselgebied: deze groepen proberen niet alleen ‘iets gezonder’ of ‘iets milieuvriendelijker’ te eten, maar zijn bezig, te midden van de snelle gemaks- en bonuscultuur, een volstrekt andere eetcultuur te ontwikkelen. Thomas Vries, er is dus nog hoop! Ons onderzoek onder deze verschillende groepen 'trendsetters' — met name biologisch en gourmet (Slow Food) georiënteerde consumenten — laat zien dat ze niet alleen al veel vaker duurzaam consumeren en vegetarisch eten, maar eigenlijk gewoon bezig zijn de voedselcultuur opnieuw uit te vinden en vorm te geven. Met name in de grote steden is de toename van het gezondheidsbewustzijn, de boerenmarkten, vegetarische en biologische restaurants, en de algehele interesse in kwaliteit goed waar te nemen. Ook benutten deze consumenten vele internationale invloeden en verrijken daarmee het Nederlandse degelijk voedselpatroon en -aanbod in veel opzichten. Ons onderzoek laat zien dat deze groepen gedreven worden door een breed scala van positieve waarden, die eten voor hun tot een betekenisvolle en plezierige bezigheid maakt. De biologisch georiënteerde groep legt hierbij de nadruk op de fysieke en morele puurheid van voedsel, op een gevoel van verbondenheid met de natuur en op eten met aandacht (mindfullness). De gourmet groep waardeert intens smaakplezier, wil voedselcompetenties ontwikkelen en beheersen, en ervaart door goed voedsel sociale verbondenheid met andere mensen. Dit kunnen vrienden zijn met wie ze hun passie voor voedsel delen, maar ook producenten en retailers. Zoals gezegd zijn consumptiepatronen en daarmee geassocieerde waarden en wereldbeelden niet zomaar te veranderen. Tegelijkertijd is er momenteel een groot maatschappelijk potentieel voor vernieuwing en verandering. Overheden, organisaties en bedrijven die hun maatschappelijke verantwoordelijkheid serieus nemen, zijn in staat om voor grotere groepen mensen barrières weg te nemen en randvoorwaarden te scheppen waarin deze culturele innovatie verder tot bloei kan komen. Aanknopingspunten hiervoor, evenals meer informatie over deze vernieuwende, creatieve voedselfilosofieën, zijn te vinden in het rapport: Eiwittransitie en culturele innovatie. Wat bedrijven, organisaties, en overheden kunnen leren van duurzame voedseltrends in binnen- en buitenland.1  Annick Hedlund-de Witt (1978) is promotie-onderzoeker op het Instituut voor Milieuvraagstukken aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, en post-doctoral research fellow aan het Centre for Biotechnology and Society aan de TU Delft. Hanna Schösler (1976) is eveneens promotie-onderzoeker op het Instituut voor Milieuvraagstukken aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, en visiting fellow aan het Rachel Carson Center for Environment and Society in München.

                                                                                                          1Beschikbaar

via: http://www.ivm.vu.nl/en/Images/Sustainable%20protein%20 consumption%20and%20cultural%20innovation_tcm53-263438.pdf (geraadpleegd op 25 april 2012).

6


Volonté Générale 2012 - n°2

Liang de Beer en Dieuwertje ten Brinke schreven in het artikel ‘Wat is feminisme 3.0?’ over de rol van vrouwen in de huidige samenleving. Door middel van de blog Bitches&Barnicles willen zij het debat over emancipatie van een nieuwe impuls voorzien. De onderstaande twee reacties reflecteren op het artikel van De Beer en Ten Brinke.

Reflectie op Feminisme 3.0 Eva Hage Als jonge, hoogopgeleide vrouw voel ik mij aangesproken om mijn houding ten opzichte van het door Liang De Beer en Dieuwertje Ten Brinke in de vorige editie van Volonté Générale geïntroduceerde Feminisme 3.0 te definiëren.1 Het lezen van hun artikel over dit fenomeen liet mij achter met een gevoel van ongemak. Want hoewel ik mij deels kan vinden in wat de schrijfsters zeggen, bespeur ik een zekere ambivalentie die ik niet zonder meer kan accepteren. Ik wil hier mijn interpretatie van hun artikel geven, en ik zal proberen toe te lichten waar wat mij betreft de problemen zitten. Misschien ten overvloede wil ik beklemtonen dat wat ik schrijf mijn mening, gevormd op basis van mijn eigen ervaringen, vertegenwoordigt. Het is mijn interpretatie van wat De Beer en Ten Brinke beweren (die wellicht afwijkt van wat zij bedoelen). Ik wil dan ook niet voor anderen spreken, en het is evenmin mijn bedoeling de schrijfsters aan te vallen; ik hoop dát te bereiken waartoe zij een oproep doen: namelijk een bijdrage te leveren aan het debat over de betekenis en gewenste invulling van emancipatie en feminisme in onze samenleving.

Een voor een of een voor allen? Evenals De Beer en Ten Brinke erken ik dat de tweede feministische golf geen samenleving heeft opgeleverd waarin elk individu op een gelijkwaardige manier wordt behandeld. Net als hen vind ik het daarom belangrijk dat mensen nadenken over hun positie in de maatschappij, en werken aan emancipatie op het individuele niveau. Willen we deze thematiek onder de noemer van Feminisme 3.0 verder uitwerken, dan denk ik inderdaad dat het onwenselijk is om in de Feminisme 2.0-stijl tot een dogmatische en dominante ideologie te komen, die door alle aanhangers moet worden uitgedragen. Discussies over wat typisch ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’ is zijn weinig relevant, aangezien daar vele mogelijke invullingen van te geven zijn, en ieders identiteit uit velerlei facetten bestaat. Zo bezien voel ik me thuis bij de invulling die de schrijfsters geven aan Feminisme 3.0 als een heterogene en individualistische mindset waarin het nadenken over en definiëren van de eigen identiteit, ambities en sociale positie centraal staan. Ik ben ervan overtuigd dat de wereld alleen kan veranderen indien we onszelf veranderen. Dan helpt het niet om rechtlijnige ideologieën te presenteren. We kunnen de vernieuwende mindset beter opvatten als een aansporing tot persoonlijke emancipatie en ontplooiing.                                                                                                           1

L. de Beer en D. ten Brinke, ‘Wat is Feminisme 3.0?’, Volonté Générale n°1 (2012) 26-30.

7


Volonté Générale 2012 - n°2

Toch begint de uiteenzetting van Ten Brinke en De Beer hier bij mij te wringen. Er ontstaat bij hen namelijk een spanning tussen de behoefte om enerzijds duidelijk te maken waarmee zij zich als uitdragers van Feminisme 3.0 bezig willen houden, en anderzijds het geven van een zo open mogelijke definitie van de beweging die zij geen beweging (durven of kunnen) noemen. De wens om een vernieuwd feminisme vorm te geven maakt een zekere consensus over wát er dan vormgegeven moet worden noodzakelijk: wat verstaan de schrijfsters onder ‘feminisme’ en ‘emancipatie’? Het afbakenen van deze begrippen botst echter met de nadruk die ze leggen op het individuele karakter van de ‘mindset’. Dit levert een problematische zelfdefinitie op. Ik denk namelijk dat de schrijfsters ergens heel goed weten wat ze willen, namelijk: ‘Feminisme 3.0 wil mannen en vrouwen bewust maken van wat er op politiek, economisch, sociaal, cultureel en seksueel vlak nog te emanciperen valt.’2 (Wat dat dan precies is, zeggen ze echter niet.) Direct op deze definiërende zin volgt echter: ‘Niet een vaste definitie waar je je al dan niet in kunt vinden, maar een persoonlijke emancipatie die past bij het definiëren van jouw positie in de samenleving’. Dit is naar mijn mening te vaag en tegenstrijdig. Door het hele artikel heen worden de termen ‘emancipatie’ en ‘feminisme’ immers veelvuldig gebruikt, maar de auteurs deinzen er telkens voor terug concreet te benoemen wat ze daar nu zelf onder verstaan. Het is een contradictie waar ik zelf ook geen duidelijke uitweg uit weet. Individualiteit gaat immers slecht samen met de collectiviteit die nodig is om in breder verband veranderingen door te voeren. En ‘een beweging die eigenlijk geen consensus kent’ valt ook nauwelijks te definiëren.3 Toch is dat nodig, willen we er iets mee kunnen. Daarom wil ik, in de beperkte ruimte die mij hier rest, proberen mijn eigen ambitie voor de uitwerking van deze vernieuwende mindset te expliciteren. Hoewel mijn opvatting afwijkt van die van De Beer en Ten Brinke, en eveneens conflicterende elementen bevat, kan zij misschien worden gezien als poging tot een verdere vormgeving van Feminisme 3.0.

Op weg naar Emancipatie 3.0 Man en vrouw zijn twee uitingsvormen van het fenomeen ‘mens’, en ik denk dat het voor een zo harmonieus mogelijk functionerende maatschappij belangrijk is dat beiden de kans krijgen om zich op een gelijkwaardige manier te manifesteren. Obstakels die dit bemoeilijken moeten dan ook uit de weg worden geruimd. Zolang er bijvoorbeeld nog vrouwen zijn die minder betaald krijgen dan hun mannelijke collega’s die precies hetzelfde werk doen of, omgekeerd, zolang mannen raar worden aangekeken als ze kiezen voor een parttime baan, is er nog werk te verzetten. Wat ik echter onprettig vind aan het debat over de positie van beide seksen, (niet exclusief bij De Beer en Ten Brinke, maar ook meer maatschappij-breed) is de selectie van zaken waar waarde aan wordt gehecht. Ik bespeur tussen de regels door vaak een onderliggende opvatting over emancipatie die veel weg heeft van het tweede golf                                                                                                           2 3

De Beer en Ten Brinke, ‘Wat is Feminisme 3.0?, 27. Ibidem, 30.

8


Volonté Générale 2012 - n°2

gelijkheidsfeminisme. De positie en levensinrichting van mannen wordt dan (impliciet) als voorbeeld genomen voor wat vrouwen zouden moeten bereiken. Denk aan een toppositie in een bedrijf, of een hoogleraarschap. Ik vind echter niet dat je zo’n functie zou moeten ambiëren op grond van je sekse. Ik zou niet op basis van mijn vrouw-zijn voor een baan geselecteerd willen worden, maar op basis van mijn capaciteiten. Gerelateerd hieraan heb ik mijn twijfels over de geschiktheid van de term ‘Feminisme 3.0’. Het roept mijns inziens te veel associaties op met een strijd tussen de seksen waarvan ik het bestaan betwijfel. De tweede feministische golf heeft volgens mij namelijk bewerkstelligd dat mannen en vrouwen juridisch gezien aan elkaar gelijk zijn gesteld en dat er geen wettelijke discriminatie op grond van sekse meer bestaat. Daarom durf ik de verschillende posities waarin veel mannen en vrouwen zich bevinden niet zondermeer terug te voeren op een inherente achterstelling van vrouwen. De kansen liggen er voor beide seksen om hun levens naar eigen inzichten vorm te geven. De reden dat zoveel vrouwen er bijvoorbeeld voor kiezen om parttime te werken, of om tijdschriften te kopen die onrealistische schoonheidsidealen presenteren, is immers niet dat hen geen keus wordt gelaten om het anders te doen. Of ze dit nu willen omdat ze niet de ambitie hebben om ‘net als mannen’ een topfunctie te bekleden, omdat ze die onrealistische schoonheidsidealen hebben geïnternaliseerd, of uit welk achterliggend motief dan ook: vrouwen spelen zelf een zeer bepalende rol in de vormgeving van hun levens. Pas wanneer vrouwen (mannen overigens evengoed) zelf bereid zijn om de keuzevrijheid die zij nu hebben anders te gebruiken, verandert de samenleving op een gebalanceerde wijze, en van binnenuit. Ik zie het als volgt: als mensen kunnen wij nooit geheel onafhankelijk zijn, in de zin dat we los staan van onze omgeving. Onze levens en de keuzes die we maken, worden altijd mede gevormd en ingeperkt door externe factoren. Om te overleven zijn we afhankelijk van een wereld die ons bijvoorbeeld zuurstof en voeding biedt, maar ook van de structuren van een samenleving die bepaalde zaken van ons eist. Binnen deze beperkingen hebben wij in de huidige maatschappij, meer dan ooit tevoren, tot op grote hoogte de mogelijkheid om ons leven naar eigen inzicht een invulling te geven. Deze vrijheid maakt mijns inziens wél dat we verantwoordelijkheid moeten nemen voor onze keuzes en daden. Om ‘anders’ te leven is moed nodig, want elke levensstijl die afwijkt van wat in haar omgeving gemiddeld is, zal reacties uitlokken. Dat vaders vreemd worden aangekeken als ze minder gaan werken, of dat moeders die veertig uur of meer per week aan hun carrière besteden, kritiek te verduren krijgen, heeft inderdaad te maken met een mindset. Een mindset die bepaalt wat als mooi, gewenst, verwacht, etc. wordt gezien. Terugkomend op de tekst van De Beer en Ten Brinke, ben ik het met hen eens dat er een verandering in die mindset nodig is, willen we tot een andere samenleving komen. Die verandering hoeft denk ik echter niet gefundeerd te zijn op feminisme, waarin de relaties tussen mannen en vrouwen toch wel centraal staan. Mensen bestaan uit meer dan hun geslacht, en het lijkt mij wenselijk dat we kijken naar individuen in hun totaliteit.

9


Volonté Générale 2012 - n°2

Laten we, om kort te gaan, streven naar een samenleving waarin wij alle individuen ook daadwerkelijk gunnen om hun leven naar eigen inzicht vorm te geven, zonder direct waardeoordelen over ‘afwijkende’ levensstijlen te vellen. Begrijp me niet verkeerd, ik wil hiermee niet zeggen ‘leef er maar op los’. We functioneren immers wel in een groter verband, dat niet geschaad moet worden door onze handelingen. Ik vind het dan ook wenselijk om na te streven dat alle gezonde volwassenen verantwoordelijkheid nemen voor hun leven, en zich niet op de staat beroepen om te voorzien in hun levensonderhoud. Maar, of je nu kiest voor een carrière en financiële onafhankelijkheid, of in een breder samenlevingsverband voor elkaar zorgt in financiële maar ook immateriële zin: geef je leven naar eigen inzicht vorm, zonder zoveel verwachtingen te scheppen betreffende en oordelen te vellen over het leven van een ander. Ik zou het Feminisme 3.0 van De Beer en Ten Brinke willen omdopen in Emancipatie 3.0: een mindset waarin het streven naar de vrijmaking van ieder individu, of dat zich nu man, vrouw, of geen van beiden verkiest te noemen, centraal staat.  Eva Hage (1988) volgt de master Actuele Geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

10


Volonté Générale 2012 - n°2

Antifeministisch feminisme Renée ten Cate Antifeministisch feminisme is een term die wellicht op het eerste, tweede en derde gezicht kant noch wal raakt. Toch heeft het artikel ‘Wat is feminisme 3.0?’ van Liang de Beer en Dieuwertje ten Brinke deze contradictio in terminus niet per se uitgesloten. Net als hun voorganger Kant grote moeite had om een antwoord op de vraag ‘Was ist Aufklärung?’ te formuleren, kunnen de voorvechtsters van de derde feministische golf geen concreet antwoord geven op de vraag ‘Wat is feminisme 3.0?’. Het gevolg hiervan is dat ook hun definitie in de zeer obscure categorie ‘durf te denken’ valt: feminisme 3.0 is een mindset.4 Nu moet gezegd worden dat deze polyinterpretabele definitie hen niet kwalijk te nemen valt. Overeenkomstig met de Verlichting heeft het feminisme in deze fase van de geschiedenis geen coherente politieke of sociale agenda waar een definitie aan ontleend kan worden; Nederlandse vrouwen hebben al gelijke rechten en ze zijn al enkele decennia baas in eigen buik. Daarenboven benadrukken de auteurs dat zij helemaal geen consensus over de inhoud van dit nieuwe feminisme nastreven; zij willen louter bewustzijn en discussie stimuleren.5 Niettemin moet er ‘iets’ zijn om voor te vechten, anders was er geen behoefte aan een nieuwe feministische golf. Dus is de centrale vraag in het feminisme 3.0: op welk gebied valt er nog winst te behalen? Liang de Beer en Dieuwertje ten Brinke leggen in hun artikel de nadruk op het carrièreperspectief van jonge hoogopgeleide vrouwen, waar zij schromelijk teleurgesteld in lijken te zijn: Feit is dat bijvoorbeeld het percentage vrouwelijke hoogleraren nog steeds rond de tien procent waggelt, vrouwelijke promovendi voortijdig afzwaaien en driekwart van de Nederlandse vrouwen parttime werkt. Hoogopgeleide en ambitieuze vrouwen worden nog steeds overwegend gezien als een curieuze aardigheid en als iets wat de gewone vrouw niet teveel moet imiteren.6

Hoewel er tegenwoordig vaak gedacht wordt dat de emancipatie voltooid is, stellen De Beer en Ten Brinke op basis van deze gegevens dat er nog een strijd gestreden moet worden. Opmerkelijk aan deze strijd is dat de beoogde voetsoldaat op Bitches and Barnicles, de feministische blog van De Beer en Ten Brinke, ook als een belangrijke frustrerende factor naar voren komt. Het gaat hier om zogenaamde ‘pluizige meisjes’ en ‘huppelkutjes’ (mijn antifeministische feministen), die gepresenteerd worden als teleurstellende varianten van de moderne vrouw, omdat zij door een onverschillige houding ten opzichte van het feminisme de voortgang van de vrouwenemancipatie in de weg staan. De pluizige                                                                                                          

L. de Beer en D. ten Brinke, ‘Wat is feminisme 3.0?’, Volonté Generale n°1 (2012) 26-30, aldaar 27, beschikbaar via: http://www.volontegenerale.nl/post/18791274342/vg02-1 (geraadpleegd op 16 mei 2012). 5 Ibidem, 30. 6 Ibidem, 28. 4

11


Volonté Générale 2012 - n°2

meisjes studeren bijvoorbeeld wel, maar zij streven – in plaats van een carrière – ‘een fijne vent, drie blonde kinderen en een parttime baan’ na.7 De ‘huppelkutjes’ spiegelen zich op hun beurt nog steeds aan het oppervlakkige beeld uitgedragen door de populaire media.8 Zodoende wordt de in eerste instantie ambigue definitie van het feminisme 3.0 een stuk beperkter; de mindset van de pluizige vrouw, de mindset die gericht is op een ‘ideaal leven’, wordt immers niet geaccepteerd. Maar zijn deze ogenschijnlijke antifeministen niet evengoed feministen? Als je de mindset van het feminisme zou invullen als de mogelijkheid en de moed om zelf te kiezen – of, om in een Kantiaanse sfeer te blijven, als ‘durf te kiezen’ – dan moet het toch ook mogelijk zijn om te kiezen voor een meer eenvoudig bestaan? Hetgeen ons brengt bij het antifeministische feminisme: de keuzes die vrouwen tegenwoordig maken die misschien niet in het feministische ideaalbeeld van de assertieve carrièrevrouw vallen, maar niettemin het resultaat zijn van één van de doelstellingen van het feminisme, namelijk de vrijheid van vrouwen om zelf te bepalen hoe zij hun leven willen leiden. Het probleem is nu de vraag in hoeverre deze vrouwen echt zelf bepalen. Het zou kunnen – dat wordt niet te allen tijde duidelijk – dat De Beer en Ten Brinke niet zozeer kritiek hebben op de keuze van vrouwen om een leven bestaande uit een leuke man, kinderen en een parttime baan te prefereren boven een carrière, maar dat zij veronderstellen dat vrouwen deze keuze maken omdat zij zich nog steeds onbewust conformeren aan een door de maatschappij geconstrueerd vrouwbeeld. Dit is natuurlijk mogelijk, maar laten we eerlijk zijn: dit is een veronderstelling en als dit de basis van het feminisme 3.0 is, dan is naar mijn mening ook de onvoltooide emancipatie niet meer dan een veronderstelling. Gelukkig wordt er op Bitches and Barnicles ook een ander punt aan de kaak gesteld, namelijk dat vrouwen die een academische carrière ambiëren, tegengewerkt worden door het systeem: ‘Benoemingscommissie’s bestaan vaak uit mannen, ze zoeken in hun eigen netwerk en vinden andere mannen voor de functie van hoogleraar. Ze zoeken de weerspiegeling van zichzelf in de potentiële kandidaat.’9 In tegenstelling tot de betogen over ‘pluizige meisjes’ en ‘huppelkutjes’, is een vaststelling als deze voor mij een gedegen argument voor een derde feministische golf. De vrijheid om te kiezen komt hier namelijk in het geding door een structureel en bovendien bewijsbaar gebrek aan gelijke kansen. Vrouwen die een academische carrière willen en daarvoor over de juiste kwalificaties beschikken, zouden niet ontmoedigd mogen worden door een oneerlijk systeem waardoor zij ten onrechte op een meer                                                                                                          

Bitches and Barnicles, Pluizige meisjes (14 augustus 2011), beschikbaar via: http://bitchesandbarnicles.wordpress.com/2011/08/14/pluizige-meisjes/ (geraadpleegd op 16 mei 2012). 8 Bitches and Barnicles, Rolmodellen (deel 1): Glamourvrouwen (5 september 2011), beschikbaar via: http://bitchesandbarnicles.wordpress.com/2011/09/05/rolmodellen-deel-1glamourvrouwen/ (geraadpleegd op 16 mei 2012). 9 Bitches and Barnicles, Het academische slagveld (24 oktober 2011), beschikbaar via http://bitchesandbarnicles.wordpress.com/2011/10/24/het-academischeslagveld/(geraadpleegd op 16 mei 2012). 7

12


Volonté Générale 2012 - n°2

middelmatig carrièrepad terecht komen. Als hiervan sprake is, is wat mij betreft een concreet agendapunt van het feminisme 3.0 geformuleerd. Dat gezegd hebbende, vind ik dat het recht van vrouwen op een ‘pluizig leven’ er ook mag wezen.  Renée ten Cate (1986) studeerde Actuele Geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen, waar zij tevens werkzaam was als student-assistent van dr. Geertje Mak. Momenteel is zij docent Geschiedenis op het Stedelijk Gymnasium Arnhem.

13


Volonté Générale 2012 - n°2

Het probleem Multiculturalisme Marcel Wissenburg Melden dat multiculturalisme al enige tijd een heet publiek hangijzer is, is zoiets als het intrappen van een open deur die al zes keer ingetrapt is. Wat valt er nog voor nieuws te melden over dit – met een knipoog naar Cor Bosman – totaal uitgekauwde thema? Misschien dit: ‘het’ probleem, het echte probleem, is vaststellen wat nu echt het probleem met multiculturalisme is. Integratie? Desintegratie? Individualisering? Kuddegeest? Solidariteit? Geloof? Atheïsme? De foute religie? Stupiditeit? Opvoeding? Beschaving? Etiquette? Moraal? Gezag? Taal? Ras, geslacht, geaardheid? Filosofen hebben de wereld altijd verschillend geïnterpreteerd, zeiden Marx en Engels, het komt erop aan haar te veranderen. Wil dat zeggen dat alternatieve interpretaties nutteloos zijn? Een lamp repareren in de veronderstelling dat de stroom eraf is, kan voor tamelijk onaangename verrassingen zorgen; en de lamp repareren alsof het een kraan is, is ronduit absurd. Zonder zinnige interpretaties valt de wereld niet te veranderen. Voor u liggen twee nieuwe interpretaties van ‘het’ probleem die drie kenmerken delen en op één punt grondig verschillen. Beide stukken zijn, ten eerste, oorspronkelijk geschreven als policy brief voor onze premier – die erom bekend staat dat hij niet van geleuter houdt: als je je verhaal niet in twee A4tjes kunt uitleggen, laat het dan maar zitten. Beide teksten sluiten bovendien aan bij de liberaal-democratische traditie: de onpartijdigheid die van de overheid verwacht mag worden, mag niet in onverschilligheid ontaarden – overheid én onpartijdigheid hebben maar één doel: de bescherming van de burger via vrijheid, gelijkheid, autonomie en mensenrechten. Beide teksten, ten slotte, beschouwen lidmaatschap van een culturele groep als een sociale constructie, in beginsel dus een fantasie die we onszelf aanpraten: een soort Role Playing Game zoals Dungeons and Dragons of Star Trek. Misschien doet dat onrecht aan de spelers van het multiculturele spel, die hun identiteit toch heel wat serieuzer nemen dan de knikkerende kinderen op het schoolplein – en misschien is het een stap in het doorbreken van een taboe groter dan de heiligheid van culturen: het taboe rond religie zelf, waar tolerantie nog steeds betekent dat het een stap te ver gaat om religie als absurde fantasie af te schilderen. Minstens zo opmerkelijk, gegeven al deze overeenkomsten, is het verschil tussen beide teksten. Waar de ene auteur om een overheid vraagt die actief en overtuigend zorgt voor opvoeding en participatie in een identiteit vormende cultuur, ziet de ander juist meer in een afstandelijke, alles behalve bemoeizuchtige overheid die enkel ingrijpt als fundamenten van de vrije samenleving bedreigd worden. Zelfs als filosofen de wereld en haar problemen op vrijwel dezelfde manier interpreteren, kunnen ze nog met verschillende oplossingen komen. Multitoolen, zeg maar.  Prof. dr. Marcel Wissenburg (1962) is hoogleraar Politieke Theorie aan de Radboud Universiteit Nijmegen en is als visiting professor verbonden aan het Institute for Law, Politics and Justice van de Keele University in het Verenigd Koninkrijk.

14


Volonté Générale 2012 - n°2

De weg naar tolerantie: een nieuw perspectief op multiculturalisme Paul van der Plas Het huidige debat over multiculturalisme wordt gekenmerkt door een spanningsveld tussen de belangen van individuen die hun leven vorm willen geven vanuit een bepaalde culturele of religieuze overtuiging enerzijds, en de rol van de staat als ‘onpartijdige’ actor bij het vaststellen van rechten en wetten anderzijds. De Canadese politiek-filosoof Will Kymlicka stelt dat een cultuur de context kan vormen waarbinnen individuen zinvolle keuzes kunnen maken in het leven. De cultuur is hier niet intrinsiek waardevol, maar kent een instrumentele waarde. Op het moment dat een individu bijvoorbeeld volledig kan leven volgens de normen die binnen een specifieke religie gelden, is deze (beter) in staat om het leven naar eigen inzicht richting te geven.1 Het kan voorkomen dat bepaalde gedragingen of uitingen conflicteren met de in een staat geldende regels en wetten. Een recent voorbeeld in het publieke debat is het dragen van gezichtsbedekkende kleding. Hoewel dit in strijd is met de wet, vechten groepen voor dit recht vanuit hun recht op geloofsvrijheid. Op dat moment kan de staat besluiten om cultuurspecifieke rechten toe te kennen aan groepen. In dit artikel zal worden betoogd waarom het ideaal van Kymlicka problematisch is en waarom de staat zich in plaats daarvan dient te richten op de vrijheid van individuen en het beschermen van onderlinge tolerantie middels wetten die deze vrijheid garanderen. Het nieuwe uitgangspunt voor het debat over multiculturalisme zal worden verdedigd aan de hand van een drietal auteurs.

Ongelimiteerde tolerantie? Politiek-theoreticus Chandran Kukathas stelt dat het individu de focus van rechtvaardigheid dient te zijn binnen een samenleving als gevolg van de afwezigheid van een gedeelde conceptie van ‘het goede’. Individuen hebben de neiging tot vereniging en vormen verschillende groepen. De rechtvaardige maatschappij is niet een eenheid, maar een ‘archipel’ van deze groepen. Binnen deze groepen kunnen individuen volledig leven op de manier zoals zij dat willen. De diversiteit tussen groepen vereist dat tolerantie één van de centrale waarden binnen een liberale samenleving is. Tevens dienen autoriteiten de vrije samenleving middels wetten te beschermen, omdat deze de basis vormen voor gewetensvrijheid van alle individuen. Vrijheid van meningsuiting of vereniging vormen belangrijke voorwaarden voor het vermogen van individuen om het leven naar eigen inzicht vorm te geven. Een belangrijk aspect van de vrije samenleving is dat individuen de kans hebben om groepen op ieder gewenst moment te verlaten. Dit garandeert dat zij geen leven hoeven te leiden dat zij niet kunnen accepteren. Kukathas reduceert de functie van de staat tot het                                                                                                           1

W. Kymlicka, Contemporary Political Philosophy (Oxford 2002).

15


Volonté Générale 2012 - n°2

bewaken van de vrede tussen groepen. Tolerantie impliceert immers dat de gekozen levenswijze en morele standaarden binnen een groep worden geaccepteerd. Onbegrensde tolerantie kan echter leiden tot mensonterende omstandigheden, bijvoorbeeld wanneer een groep geweld tegen vrouwen goedkeurt. De vraag is in hoeverre dit geaccepteerd kan worden, maar er lijkt geen probleem zolang iedereen de groep maar op ieder moment kan verlaten. Kukathas impliceert dat alle individuen vrij naar hun geweten kunnen handelen.2 Dit is echter problematisch, want zijn bijvoorbeeld kinderen of zwakbegaafden daadwerkelijk in staat om hierin een goede afweging te maken? Volgens Brian Barry kan tolerantie tussen groepen, zoals beschreven door Kukathas, leiden tot intolerantie binnen groepen. Kukathas stelt dat binnen een groep alles geoorloofd is, zolang individuen de groep maar kunnen verlaten. Als er geen grenzen zijn voor het gedrag binnen een groep, kan het zijn dat zwakke individuen daar het slachtoffer van worden. In tegenstelling tot Kukathas ziet Barry bij het bestrijden van deze intolerantie wel een rol voor de staat weggelegd. Barry stelt een grens aan tolerantie op het punt dat diversiteit negatieve gevolgen voor leden van een groep kan hebben. Liberalisme wordt volgens hem gekenmerkt door beperkingen van politieke macht, zodat deze niet misbruikt kan worden. Grenzen worden ingesteld met als doel de liberale samenleving te beschermen. Dit laatste impliceert beperkingen aan het zelfbestuur van groepen en laat de staat over als enige liberale entiteit. Barry stelt dat het tolereren van alle argumenten voor een bepaald gedrag binnen een groep kan leiden tot een relativisme dat negatieve gevolgen kan hebben voor bepaalde leden van een groep. De staat dient de condities te bieden waarbinnen mensen autonoom kunnen worden. Een onderdeel hiervan vormt het beschermen van zwakke individuen binnen een groep. Daarnaast dient de staat rekening te houden met de gevolgen voor individuen die besluiten uit een groep te treden.3 Als een individu besluit dat de gebruiken en normen binnen een groep niet langer overeenkomen met het eigen ideaal van een goed leven, kan deze besluiten de groep te verlaten. Dit is echter minder eenvoudig dan het klinkt. Neem bijvoorbeeld een streng religieuze groep waar iemand besluit uit te stappen. De kans is aanwezig dat zo iemand daarmee ook de band met familie of vrienden schade toebrengt. Het is zelfs denkbaar dat dit kan leiden tot het verliezen van zijn of haar baan. Indien de staat beschermt tegen ‘kosten’ bij het verlaten van een groep, of deze compenseert, wordt vrijwillig lidmaatschap beter gewaarborgd. De grotere vraag blijft echter: wat is nu eigenlijk een groep? En wanneer ben je daar lid van?

De groep als machtsmiddel Paul Gilbert stelt dat een groep kan worden vormgegeven vanuit de zelfidentificatie van de leden die zich bewust zijn van hun gedeelde kenmerken. De groep is hiermee een sociale constructie op basis van                                                                                                           2 3

C. Kukathas, The Liberal Archipelago (Oxford 2003). B. Barry, Culture and Equality (Cambridge 2001).

16


Volonté Générale 2012 - n°2

bijvoorbeeld taal, morele standaarden of gedeelde geschiedenis. Gilbert ontkent het bestaan van een singuliere coherente cultuur voor een groep en stelt dat de kenmerken waarmee een groep zich ‘afbakent’ worden gekozen op basis van de macht die hiermee kan worden uitgeoefend.4 Cultuurrelativisme kan leiden tot een ongelimiteerde basis voor het claimen van groepsspecifieke rechten. Immers, als wordt besloten dat een groep specifieke rechten krijgt, wie bepaalt dan welke rechten wel of niet ‘noodzakelijk’ zijn voor het leven volgens een bepaalde cultuur? In de huidige politiek bepaalt de staat welke groepen wel en niet in aanmerking komen voor groepsrechten. Als echter niet eenduidig kan worden vastgesteld wat een groep is, of tot welke groep een individu behoort, hoe kunnen politieke claims vanuit een culturele groep worden gerechtvaardigd? De objectieve basis voor ‘toetsing’ van deze claims is afwezig. Met het toekennen van groepsspecifieke rechten gaat de onpartijdigheid van de staat verloren op eenzelfde wijze als Kukathas en Barry beschrijven wanneer de staat grenzen stelt aan tolerantie. De staat beluit immers welke groepen in aanmerking komen voor specifieke rechten. Indien onpartijdigheid vanuit de staat niet kan worden gegarandeerd, lijkt de bodem voor groepsspecifieke rechten verdwenen. Het is immers onmogelijk vast te stellen wanneer een groep in aanmerking komt voor cultuurspecifieke rechten. In plaats daarvan dient de staat zich dan ook te richten op individuen en het beschermen van diens vrijheid, gelijkheid en autonomie. Het ideaal van morele onpartijdigheid wordt verworpen. Daarnaast moet de staat zich richten op het beschermen van de menselijke soort vanuit een set basisrechten en -wetten. Vrijheid van vereniging blijft gewaarborgd. Daarbij zal de staat toezien op de mogelijkheid tot het verlaten van deze groep tegen reële kosten, en compensatie voor negatieve gevolgen van een eerder lidmaatschap, bijvoorbeeld als kind. Een individu kan tenslotte niet kiezen in welke groep het zijn leven begint. Op het moment dat er na een aantal jaar wordt besloten om uit de groep te treden, dient te staat ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen hiervan zoveel mogelijk worden beperkt. Tolerantie binnen en tussen groepen zal worden gebonden aan basiswetten. Kymlicka had gelijk bij het vaststellen dat een cultuur een instrumentele waarde kan hebben: het helpt individuen bij het maken van zinvolle keuzes in het leven. Voor individuen laat multiculturalisme de opties in het leven alleen afnemen, omdat bepaalde rechten hierbij niet universeel maar cultuurspecifiek zijn. Tevens vormen de kosten van het verlaten van een groep een beperking in de wijze waarop een individu het leven naar eigen inzicht invulling kan geven. Op het niveau van het staatsbestuur vormen politieke claims op basis van een groepsspecifieke cultuur een groter probleem voor tolerantie en autonomie dan ze ooit kunnen oplossen.  Paul van der Plas (1985) is masterstudent Politieke Theorie aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

                                                                                                          4

P. Gilbert, Peoples, Cultures and Nations in Political Philosophy (Edinburgh 2000).

17


Volonté Générale 2012 - n°2

De moraliteit van culturen Jesse Gusman De culturele groep waar wij deel van uitmaken is ontzettend belangrijk voor de normen en waarden die wij naleven. De geschiedenis en gewoonten van onze cultuur zijn belangrijk in het bepalen van onze principes. Zo stelt Ranjoo Seodu Herr dat onze cultuur zogenaamde hypergoods biedt.1 Dit zijn de belangrijkste culturele waarden die centraal staan in ons leven. Deze hypergoods kunnen per cultuur verschillen. In de benadering van Herr wordt het dus heel moeilijk om over universele waarden te spreken waaraan elke cultuur zou moeten voldoen. Zaken als mensenrechten, autonomie en een bepaalde mate van gelijkheid moeten niet als universeel geldige waarden, maar als hypergoods van de liberale cultuur worden gezien. Er zijn geen morele gronden op basis waarvan deze opgelegd kunnen worden. Culturele groepen, zowel verschillende naties als binnenlandse minderheden, zouden op basis hiervan aanspraak kunnen maken op groepsrechten. Binnen de eigen cultuur moeten culturele groepen zoveel mogelijk los van de staat hun eigen samenleving kunnen organiseren. Het is niet belangrijk dat de leden van de culturele groep in staat zijn hun eigen cultuur kritisch te bevragen en autonoom beslissingen kunnen nemen over normen en waarden. Voor veel mensen zal dit zelfs teveel gevraagd zijn. Het gaat er niet zozeer om dat we onze normen en waarden kritisch kunnen analyseren, maar dat we volgens ons eigen geweten kunnen leven. Kortom, we mogen al tevreden zijn als we enkel denken het goede leven te leiden.

Bescherming tegen hypergoods Hoe belangrijk een cultureel kader ook voor ons is, de genoemde benadering lijkt toch problematisch. Er bestaat immers een kans op grove uitwassen binnen culturele groepen. We willen graag de zaken die we verafschuwen, kunnen veroordelen. Culturele groepen die hypergoods aanhangen, zoals Nazi’s of groepen die het offeren van kinderen goedkeuren, willen we kunnen verwerpen. Echter, zolang groepsrechten per definitie als legitiem worden erkend, wordt het moeilijk of onmogelijk om bij zulke excessen in te grijpen. Herr zoekt naar een oplossing om deze uitwassen tegen te gaan. Ten eerste wijst ze erop dat het geweten van veel mensen te sterke schendingen van algemeen aanvaarde moraliteit zal afkeuren. Wat de culturele context van iemand ook is, te grove schendingen van de waardigheid van het individu zullen uiteindelijk worden afgekeurd. Daarnaast is volgens Herr ook democratie binnen de culturele groep erg belangrijk, want de realisatie van een cultuur moet gebaseerd zijn op de gelijkwaardige participatie van elk betrokken individu. Interpretaties van hypergoods zijn echter continue aan verandering onderhevig. De vraag is wie in dit proces de belangrijkste rol speelt: kan                                                                                                           R. S. Herr, ’Liberal multiculturalism: an oxymoron?’, The Philosophical Forum 38 (2007) 2341. 1

18


Volonté Générale 2012 - n°2

iedereen op een gelijkwaardige wijze participeren in dit proces of is er sprake van een machtsverhouding waarin bepaalde groepen binnen de culturele groep een veel grotere invloed hebben? In een democratisch proces zullen extremisten het moeilijk krijgen, want ze zullen niet snel steun krijgen van de massa. Het lijkt er dus op dat democratie als een universeel principe wordt gehuldigd. Dit lijkt problematisch, omdat Herr het bestaan van principes extern aan culturele groepen ontkent. Gezien de eerdere bevindingen van Herr lijken we er dus niet aan te ontkomen om ook democratie als een cultureel bepaald hypergood te zien. Er worden in ieder geval geen redenen gegeven waarom democratie een andere status heeft dan andere hypergoods. De matigende werking die democratie kan hebben op de waarden van culturele groepen kan een empirische constatering zijn, maar kan niet als criterium dienen om op morele gronden culturele praktijken af te keuren. We kunnen culturele praktijken alleen afkeuren als we cultureel bepaalde hypergoods niet meer als de ultieme bron van moraliteit zien.

Recht op Exit We kunnen moeilijk om de culturele invloed op onze normen en waarden heen. Enerzijds lijken we de rol van cultuur te moeten erkennen om überhaupt over normen en waarden te kunnen spreken; anderzijds willen we individuen binnen culturele groepen beschermen tegen grote uitwassen in het morele kader van hun cultuur. Chadran Kukathas meent dat de staat culturele groepen moet reguleren. 2 Ten eerste moeten culturele groepen binnen een staat tegen elkaar worden beschermd. Belangrijker is dat de staat zorg biedt voor een ‘exit-optie’ voor individuen ten aanzien van hun culturele groep. Culturele groepen moeten, zolang ze andere groepen niet storen, in hun doen en laten geheel vrij worden gelaten. Daarnaast is het erg belangrijk dat ze groepsleden niet verhinderen uit de groep te stappen. Het belangrijkste uitgangspunt is het geweten van het individu. Het individu moet ten alle tijden zijn of haar geweten kunnen respecteren en als het hiervoor nodig is van cultuur kunnen wisselen. Dit lijkt echter een vreemde constructie. Ten eerste impliceert het dat je zomaar in een andere groep kan instappen, en dat het überhaupt mogelijk is om afstand te doen van je culturele identiteit. Waarschijnlijk zal het individu bij het verlaten van de culturele groep in een soort cultureel vacuüm terechtkomen, met de nodige morele verwarring als gevolg. Als je opeens uit je culturele kader stapt, is het dan nog mogelijk om over moraliteit te spreken? Culturele kaders kunnen veranderen en individuen kunnen verschillende morele posities innemen, maar deze veranderingen gaan altijd geleidelijk; een plotselinge afscheuring van een cultuur is onmogelijk. We moeten dus een benadering vinden die recht doet aan de culturele verschillen tussen groepen binnen de samenleving, maar ook het individuele geweten beschermt.                                                                                                           2

C. Kukathas, The liberal archipelago. A theory of diversity and freedom (Oxford 2007).

19


Volonté Générale 2012 - n°2

De oplossing: een aan cultuur extern criterium We hebben gezien dat er in dit vraagstuk sowieso sprake is van een tradeoff tussen culturele rechten en een zekere bescherming van het individu. Gezien de culturele bepaaldheid van mensen kunnen we hier niet zomaar in zijn geheel afstand van doen van onze cultuur. Culturele tradities moeten centraal staan in onze conceptie van rechten. Echter, indien het noodzakelijk is voor het respecteren van het geweten van het individu, moet dit individu wel vrij worden gelaten om van cultuur te wisselen. Daarnaast staat onomstotelijk vast dat het in de moderne maatschappij mogelijk moet zijn dat de verschillende aanwezige culturele tradities naast elkaar kunnen leven. Dit betekent dat, terwijl culturele groepen wel centraal staan, er externe criteria moeten worden ontworpen waaraan elke legitieme culturele groep moet voldoen. Ten eerste is een zekere mate van respect voor andere culturele groepen nodig om geweld in de samenleving te voorkomen. Daarnaast moeten er criteria worden bedacht waardoor het individu bescherming krijgt binnen de eigen culturele groep. Centraal staat de bescherming van het geweten van het individu. Het gaat er niet zozeer om dat de staat bepaalde rechten aan culturele groepen geeft, maar dat een institutioneel kader wordt geboden waarin het internaliseren van bepaalde normen en waarden door culturele groepen wordt gestimuleerd. Educatie staat hierin centraal en daarom is het belangrijk dat de staat een systeem van onderwijs faciliteert waarin individuen zelf leren om hun eigen culturele kader te interpreteren. Op deze manier kunnen deze interpretaties niet meer door elites in al dan niet gemanipuleerde vorm van bovenaf worden opgelegd. Op deze manier weet het individu ook beter wat de kern van de eigen cultuur is en kan het dichter bij diens culturele bepaaldheid komen te staan. Door de argumenten van mensen uit dezelfde cultuur te begrijpen, kan er ook begrip worden gekweekt voor afwijkende meningen. Misschien ben je het niet met iemand eens, maar een zekere mate van respect kan toch ontstaan wanneer je weet waarom iemand iets vindt. Men snapt zo dat anderen een bepaalde reden hebben voor een bepaald standpunt waar niet per se een evident irrationele redenatie aan ten grondslag ligt. Zo kunnen er ‘redelijke’ meningsverschillen ontstaan. Deze instelling ten opzichte van andere meningen heeft niet alleen een democratische en matigende werking op de eigen culturele groep, maar leidt tot meer begrip voor andere culturele kaders. Immers, vanuit de eigen cultuur weet men dat meningsverschillen niet per se betekenen dat de ander irrationeel is. Het enige dat belangrijk is, is dat in de gaten wordt gehouden of er in andere culturele groepen ook sprake is van een democratische cultuur. Er moet dus wel degelijk sprake zijn van een vorm van moraliteit die extern is aan bepaalde culturen. Aan de hand van een universeel kader van bepaalde waarden kunnen ‘goede’ en ‘slechte’ culturele groepen worden herkend. Tegen de hypergoods van slechte culturele groepen mag de westerse wereld optreden en proberen een democratische cultuur op te leggen. Culturele groepen waarin afwijkende meningen de kop in worden gedrukt en bijvoorbeeld vrouwen uit het kader van culturele educatie en interpretatie worden verstoten, moeten

20


Volonté Générale 2012 - n°2

worden afgekeurd. Zolang het in een groep mogelijk is om van elkaar te verschillen van standpunt, om naar een ander ‘kamp’ in de groep over te stappen en iedereen deel heeft in de interpretatie van de cultuur, moeten groepen vrij worden gelaten in hun doen en laten. Het internaliseren van dit soort democratie zorgt ervoor dat er sprake is van een matigende werking en dat zoveel mogelijk individuen hun geweten beschermd zien. Als een culturele groep hier niet aan voldoet, mag worden ingegrepen. Het liefst wordt hier wel een langere weg gevolgd waarin het internaliseren van democratische waarden centraal staat. Handhaving door de staat moet altijd gepaard gaan met educatie. Echter, er is wel een moreel kader om al te grove uitwassen in culturele groepen hard aan te pakken. Ook als dit tegen de hypergoods van een cultuur ingaat.  Jesse Gusman (1989) is student Filosofie en Politicologie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen.  

21


Volonté Générale 2012 - n°2

Diagnose: narcisme. Een oproep tot nieuwe rituelen.1 Renée Frissen Hoogopgeleiden lijken in toenemende mate een obsessie met zichzelf te hebben ontwikkeld. Die obsessie krijgt vorm in talloze clubjes waarin goedgeklede kritische jongeren zich zuchtend afvragen wie zij nu eigenlijk zijn. Een groep slimme marketeers buit dit zelfbeklag uit door er generatiecommercie aan te verbinden. De term generatie is in dit geval echter misplaatst en roept een vals gevoel van gedeelde identiteit op. Daarom wil ik duidelijk definiëren om wie het mij gaat: de selecte groep fortuinlijke jongeren in Nederland met veel kansen en veel aangepraat leed. Om die groep, mijn groep, maak ik me zorgen. Wij jongeren groeien op in een tijd waarin veel van ons wordt gevraagd. Alle pijlen staan gericht op de droombaan of droomtoekomst die wij moeten en zullen bemachtigen. Hoe hoger de opleiding, hoe beter. Hoe voller het CV, hoe hoger het salaris. De onschuldig klinkende vraag ‘wat wil je worden als je later groot bent?’ wordt steeds vroeger en indringender gesteld. Van ons wordt verwacht dat we weten wat we willen, waarom we dit willen, en op welke manier we dit denken te gaan bereiken. Geen opgelegde keuzes of traditionele opvolgingen, maar totale keuzevrijheid. Die vrijheid leidt inmiddels zelfs tot quarter life crises. Als we de media mogen geloven, is er een groeiende groep jongeren die plots verkrampen en op een dag niet meer uit bed willen komen. Deze jongeren krijgen zoveel kansen, maar daarbij ook zoveel keuzes dat ze niet meer weten wat ze nu echt willen. Want het is van het uiterste belang dat de keuze die jij maakt een ultieme keuze is: je moet immers tot de top gaan behoren. En dan natuurlijk wel met iets wat je echt leuk vindt, want zo hebben je ouders je nu eenmaal opgevoed. Ik wil het verschijnsel van de burn out op jonge leeftijd of de quarter life crisis in geen geval bagatelliseren. Ik vind het echter wel zorgelijk, en typerend, dat er zoveel aandacht voor is. Behalve met deze prestatiepressie groeien wij op met een overdosis aan reflectievermogen. Op elke universiteit en hogeschool krijgen studenten werkcolleges waarin ze elkaar tot vervelens toe moeten beoordelen en waar ze – uiteraard vriendelijk geformuleerd in een ‘complimentensandwich’ – constructief feedback leren geven. Het lijkt er om te gaan dat de student zich zo volledig en professioneel mogelijk inzet om het beste uit zichzelf als potentieel werknemer te halen. En graag rap een beetje, want tijd is geld. Het reflectievermogen staat volledig ten dienste van een bureaucratisch proces met als ultiem doel de student zo efficiënt mogelijk de arbeidsmarkt op te sturen. Studenten van het HBO die bij mij stage lopen mailen mij bij aanvang ‘ontwikkelingsdocumenten’ met 116 competenties die ze aan het einde van hun opleiding moeten                                                                                                          

Dit betoog is gebaseerd op een column die werd uitgesproken naar aanleiding van de voorstelling De ziekte die jeugd heet, een bewerking van de gelijknamige tekst geschreven door Ferdinand Bruckner (29 maart 2012, Toneelschuur producties, regie: Casper Vanderputten). 1

22


Volonté Générale 2012 - n°2

beheersen; of ik met hen even een selectie wil maken van de competenties die ze bij mijn instituut kunnen ontwikkelen. Ondanks het feit dat Nederland zich al vijftien jaar afvraagt wie ‘wij’ nu eigenlijk zijn, wordt het aangeleerde reflectievermogen in het onderwijs haast zonder uitzondering ingezet om ons tot glanzende werknemer, of – liever nog – manager, te boetseren. We zijn ons wel bewust van de dingen om ons heen, maar we zijn ons nog bewuster van de vraag wat wij moeten worden. Maatschappelijke ontwikkelingen gaan natuurlijk niet aan ons voorbij. Facebook en Twitter organiseren ‘vind-ik-leuk’ engagement. Via slacktivism kunnen wij ons met één druk op de knop bezorgd of misschien zelfs wel een beetje boos tonen over een warlord die kinderen ronselt voor zijn leger in Afrika. Gaan we een stapje verder dan doneren we wat geld en houden we daar ook nog een leuk kledingstuk aan over, waarmee we onze betrokkenheid als een merk op de buik kunnen dragen. Maar als dit ‘fastfoodactivisme’ niet bevredigt en we meer willen doen, blijkt dat we eigenlijk niet zo goed weten hoe we ons moeten uiten. Wij zijn fanatiek op zoek naar eigen – liefst ‘authentieke’ – vormen van protest, maar als het er op aan komt, kiezen we steeds weer de vormen die we kennen van onze ouders of die we met nauw verholen jaloezie zien op pleinen in Arabische landen. Daaruit blijkt een krampachtige verhouding met actuele problemen in Nederland. Die lijken zich minder te lenen voor de spandoeken van een maatschappelijke revolutie, hoe graag we ons ook een eigen Tahirplein wensen. De Mars der Beschaving is een uitgelezen voorbeeld. Vurig van emotie (oprecht, heb ik van nabij gezien) toog een groep voornamelijk jonge kunstenaars naar het Malieveld. De pretentieuze benaming wil ik ze nog wel vergeven, maar niet de ontbrekende connectie met de samenleving die het programma en de daarvoor gekozen vorm lieten zien. Terwijl beelden maken nota bene hun vak is, spraken de kunstenaars de beeldtaal van de gemediatiseerde samenleving niet. Het was een in zichzelf gekeerd protest. Dat er wel naar nieuwe vormen wordt gezocht, blijkt uit de recent door Sywert van Lienden (1990) opgerichte politieke jongerenbeweging G500. Ondanks de in mijn ogen principieel bezwaarlijke vorm die de beweging kiest (niet alleen is de beoogde verandering volledig binnen het door hen als falend gedefinieerde partijpolitieke systeem gedacht, maar bovendien is ze volstrekt apolitiek) is ze wel een van de weinige groepen die daadwerkelijk verandering probeert te bewerkstelligen. Denktank Prospect van de bevlogen Joop Hazenberg (1978) is nog zo’n voorbeeld. Echter, zoals Hazenberg in zijn lezenswaardige boek Change schrijft, valt het niet alleen ontzettend tegen om gearriveerd Nederland te committeren aan het project, het is bovendien moeilijk om jongeren langer dan een paar maanden geïnteresseerd en actief te houden voor de denktank. De wil is er wel, maar er komt weinig van de grond: ‘Er is veel behoefte aan visie en verandering in Nederland, maar hiervoor de pen pakken blijft moeilijk en eng. Onze generatie wil ondanks alle technologische mogelijkheden vooral real life brainstormen.’2                                                                                                           2

J. Hazenberg. Change. Hoe de netwerkgeneratie Nederland gaat veroveren (Amsterdam 2009) 133.

23


Volonté Générale 2012 - n°2

Ik maak me daarom zorgen over het onvermogen van de groep jongeren, die geboren is met talent en in een fortuinlijke situatie, om de blik naar de samenleving te openen en de verantwoordelijkheden aan te gaan die al dat aangeboren geluk met zich brengt. We zijn zo zeer met onszelf bezig dat we maar geen tijd vinden om ons effectief druk te maken over prangende zaken dichtbij huis. Het is natuurlijk ook gemakkelijker om een digitale handtekening te zetten onder een petitie van Avaaz.org of om tussen twee opleidingen in voor veel geld vrijwilligerswerk te doen in een weeshuis in Vietnam voor wat extra ervaring op het CV, of om wat extra euro’s voor een organic koffie neer te leggen om al consumerend ethisch verantwoord gedrag te tonen. Echter, ik zie niet vaak dat dit vluchtige multitasking engagement zich vertaalt in betrokkenheid bij ontwikkelingen in eigen land. En aan zorgwekkende ontwikkelingen geen gebrek zou ik zeggen. Het democratische stelsel staat onder druk. Ons maatschappelijke midden raakt na de ontzuiling meer en meer door subsidieafhankelijkheid uitgehold. Onder onze publieke intellectuelen verstaan we de mensen die aanschuiven bij De Wereld Draait Door. De door de incestueuze publicatiemaffia doorgeslagen Diederik Stapel bepaalt het gezicht van de wetenschap. We huilen om Mauro, maar koppelen dit niet aan de vraag wat een Mauro eigenlijk zegt over de wetgeving in Nederland. We eisen van nieuwkomers dat ze onze taal spreken, terwijl de bestuurders van ons land zich het liefst uitdrukken in Engelse managementtaal. We hebben Bill Gates nodig om het nut van ontwikkelingshulp te verdedigen. In de naam van veiligheid verandert onze publieke ruimte in een Big Brother huiskamer. PGB’ers noemen we subsidieslurpers. Ministers voeren even gemakkelijk beleid van een gedoogpartner uit als dat ze dat weer verwerpen, omdat het eigenlijk toch tegen hun principes in gaat. Een groep ontevreden Nederlanders wendt zich tot populisten. De exvoorzitter van een gezaghebbende raad vindt het aanvaardbaar om ongeschikte moeders uit veiligheidsoverwegingen verplichte anticonceptie toe te dienen. Diezelfde raad stelt dat eigenlijk voor elke toekomstige ouder een risicoprofiel zou moeten worden gemaakt. De lijst van voorbeelden is schier eindeloos. Engagement zou welkom zijn. Sterker nog: talent verplicht daartoe. Natuurlijk, de grote woorden en concepten die kunnen verklaren waarom we staan waar we vandaag staan ontbreken niet: globalisering, individualisering, mediacratisering en wat al niet. Als dat niet helpt, kunnen we nog wijzen op de blokkades die de generaties boven ons opwerpen op de markten van pensioenen, wonen en carrières. Met gemak proclameren we een generatiecrisis. Maar dit ontslaat ons niet van de verantwoordelijkheid iets te doen. Juist omdat we fortuinlijk zijn geboren en zoveel reflectievermogen hebben aangeleerd, moeten we ons niet (laten) reduceren tot arbeidskrachten. Juist omdat we zoveel kunnen, mogen, willen en moeten, verbaast het mij hoe weinig jongeren hun kennis en kunnen ten goede laten komen van een vitale en sociale samenleving zonder het verstikkende paternalisme van de overheid. Regisseur Casper Vanderputte (1985) die dit theaterseizoen de prachtige en schrijnende voorstelling De ziekte die jeugd heet opvoerde, stelt

24


Volonté Générale 2012 - n°2

in een interview dat er geen rituelen meer zijn die ons leren om over grote vragen na te denken en onszelf te verhouden tot de maatschappij. Het wordt hoog tijd dat we op zoek gaan naar nieuwe rituelen. Er is genoeg inhoud, nu nog de vormen die passen bij ons en bij onze tijd.  Renée Frissen (1984) is onderzoekster, buiten-promovenda, en oprichtster van ‘Het Ministerie van…’, een nomadisch platform voor jonge mensen die vanuit maatschappelijk engagement ideeën ten uitvoer willen brengen.

25


Volonté Générale 2012 - n°2

De vergrijzing mag bijna met pensioen Eric van der Vorst Sinds Europa en de wereld getroffen zijn door de zwaarste economische crisis sinds de Tweede Wereldoorlog, en zowel de Nederlandse overheid als pensioenfondsen en banken kampen met grote tekorten en schulden, lijkt het debat over de vergrijzing actueler dan ooit. Sinds de eerste ‘babyboomers’ in 2011 met pensioen gingen, is het percentage 65plussers in de Nederlandse bevolking steeds sterker aan het toenemen. Het financieren van de pensioenen van deze ‘ouderen’ kost het werkende deel van de Nederlandse bevolking steeds meer geld. Terwijl zowel Geert Wilders als Emile Roemer– niet geheel toevallig de twee meest populaire politici van het moment – geen cent meer weg willen halen bij de ouderen in Nederland, maken andere politici serieuze plannen om te korten op pensioenen en de AOW-leeftijd zo snel mogelijk nóg verder omhoog te gooien. Wat moet de kiezer nu vinden van dit debat? Vormt die vergrijzing wel echt zo’n grote bedreiging? Waarom heeft men dan niet eerder maatregelen getroffen om de grijze druk op de Nederlandse samenleving te verminderen? Het antwoord op deze vraag is simpel. Omdat politici vaak niet verder vooruit kijken dan de volgende verkiezingen en niet verder achteruit dan het vorige kabinet, is het debat rond de vergrijzing voor een groot deel gebaseerd op onwaarheden, halve waarheden en kortetermijnpolitiek. Eerst moet duidelijk gemaakt worden wat nu waar en onwaar is over de vergrijzing, alvorens een mening over de verhoging van de AOW-leeftijd gevormd kan worden. In dit artikel zullen de vier grootste fabels worden ontmaskerd.

Fabel 1: ‘De babyboomers verpesten het voor iedereen.’ Voor veel mensen is de oorzaak van het grote vergrijzingsprobleem duidelijk. De vergrijzing van de babyboom-generatie (geboren tussen 1945 en 1965) wordt al snel gezien als de enige reden dat de pensioenen van 65-plussers steeds meer onbetaalbaar worden. Omdat de babyboomers met zo veel zijn en zelf zo weinig kinderen kregen, zal de in omvang veel kleinere jongere generatie moeten opdraaien voor de hoge kosten van hun pensioenen. De babyboom profiteerde van de naoorlogse welvaart en kan nog nét voor de verhoging van de AOW-leeftijd met pensioen. Dit beeld van de vergrijzing is onwaar. Al sinds de negentiende eeuw stijgt het percentage 65-plussers in Nederland. In 1899 was 6% van de Nederlandse bevolking 65 jaar of ouder.1 In 1947 was dit 7,1%.2 Na                                                                                                          

Indeeling der werkelijke bevolking naar den leeftijd en den burgerlijke staat, Volkstelling 1899, twaalfde deel, vierde gedeelte, beschikbaar via: http://www.volkstellingen.nl/nl/ volkstelling/imageview/VT189912H4/index.html (geraadpleegd op 9 februari 2012). 2 12e volkstelling annex woningtelling 31 mei 1947, Serie A: Rijks- en provinciale cijfers, deel 1: Belangrijkste uitkomsten der eigenlijk telling, beschikbaar via: http://www.volkstellingen.nl/nl/volkstelling/jaartellingdeelview/VT1947A1/index.html (geraadpleegd op 16 februari 2012). 1

26


Volonté Générale 2012 - n°2

1945 werd deze stijging van het relatieve aantal ‘ouderen’ versterkt, zelfs toen er zo veel naoorlogse kinderen geboren werden. In 1971 was 10,2% van de Nederlandse bevolking 65-plus. 3 In 2011 was dit 15,6%. 4 Het probleem van de vergrijzing kent dus niet zijn oorsprong in de naoorlogse geboortegolf. Al sinds levensverwachting toenam (eind 19e eeuw) en vruchtbaarheid afnam (begin twintigste eeuw) is Nederland aan het vergrijzen. Het is overigens wel zo dat de babyboomers hoogstwaarschijnlijk het einde van de vergrijzing zullen inluiden. Volgens voorspellingen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zal vanaf 2040, wanneer alle babyboomers met pensioen zijn, de vergrijzing niet meer toenemen. Ongeveer 25% van de Nederlandse bevolking zal dan 65-plus zijn.5 De babyboom-generatie, waarvan de oudste vertegenwoordigers vanaf 2011 met pensioen mochten, zal zeker zorgen voor een verdere stijging van het percentage 65-plussers in de Nederlandse bevolking. Het CBS verwacht een stijgende toename van het aantal 65-plussers. 6 De vergrijzing van de babyboom-generatie is echter vooral een tijdelijke kwestie binnen het structurele probleem van de vergrijzing. Omdat tijdens de Tweede Wereldoorlog geboortes uitgesteld werden, nam het aantal baby’s na 1945 ineens flink toe. De babyboomers zijn dus eerder een uitzondering op de Nederlandse bevolkingsopbouw dan de oorzaak van alle problemen. Het structurele probleem van de vergrijzing is veel verstrekkender en definitiever. Dalende vruchtbaarheidscijfers en een groeiende levensverwachting hebben sinds 1900 nu eenmaal gezorgd voor het steeds ouder worden van de Nederlandse bevolking.7 De schuld van het kortzichtige overheidsbeleid ten aanzien van de ‘grijze druk’ op de Nederlandse bevolking, ligt dus zeker niet alleen bij babyboomers, maar ook bij eerdere generaties politici, voor wie door vooroorlogse vruchtbaarheidsdaling en de naoorlogse geboortegolf het zicht aan de vergrijzing werd onttrokken. Geluk hebben de babyboomers misschien wel gehad. Doordat ze met zovelen zijn en zo weinig kinderen kregen, konden ze makkelijk de druk van ouderen en jongeren (in de demografie aangeduid als ‘grijze’ en ‘groene’ druk) opvangen. Omdat het pensioenbeleid in Den Haag altijd al veel te kortzichtig is geweest, vallen                                                                                                           Th.A.M. Vis, Monografieën volkstelling 1971: Vergrijzing (Den Haag 1981) , beschikbaar via: http://www.volkstellingen.nl/nl/volkstelling/jaartellingdeelview/VT197108/index.html (geraadpleegd op 16 februari 2012). 4 Centraal Bureau voor de Statistiek, Bevolking; generatie, geslacht, leeftijd en herkomstgroepering, 1 januari (laatst gewijzigd 13 april 2012) http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/ ?DM=SLNL&PA=37325&D1=0&D2=0&D3=0,l&D4=0&D5=0&D6=a&HDR=G2,G3, G4,T&STB=G1,G5&VW=T (geraadpleegd op 30 mei 2012). 5 Centraal Bureau voor de Statistiek, Bevolkingsprognose voor de lange termijn (laatst gewijzigd op 17 december 2010), beschikbaar via: http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/ ?VW=T&DM=SLNL&PA=80745ned&D1=a&D2=a&D3=0-1,11,21,31,l&HD=1003241229&HDR=T,G2&STB=G1 ( geraadpleegd op 1 februari 2012). 6 Joop Garssen, ‘Demografie van de vergrijzing’, Bevolkingstrends, statistisch kwartaalblad over de demografie van Nederland 2 (2011) 15, beschikbaar via: http://www.cbs.nl/nlNL/menu/publicaties/boeken/bevolkingstrends/archief/2011/2011-k2-b15-pub.htm (geraadpleegd op 1 februari 2012). 7 Theo Engelen, ‘Vergrijzing in Nederland, 1899-200. De historische wortels van een modern probleem’, in: Onno Boonstra e.a. (red.), Twee eeuwen Nederland geteld: Onderzoek met de digitale Volks-, Beroeps- en Woningtellingen 1795-2001 (Den Haag 2007) 51-71, aldaar: 53 3

27


Volonté Générale 2012 - n°2

de babyboomers nu nog nét buiten de 67-jaarregeling en kunnen ze gewoon op hun 65ste rekenen op een AOW-uitkering.

Fabel 2: ‘In de toekomst zullen in Nederland steeds minder kinderen geboren worden. Het probleem wordt dus alsmaar erger.’ Ook deze uitspraak over de vergrijzing is onwaar. Vanuit het idee dat de vruchtbaarheid van Nederlandse vrouwen de komende jaren drastisch af zal nemen, wordt soms de conclusie getrokken dat er in de toekomst steeds minder draagkracht zal zijn om gepensioneerde Nederlanders op te vangen. In tegenstelling tot snelgroeiende landen als India en China, zal Nederland in de nabije toekomst te maken krijgen met een flinke bevolkingsafname, veroorzaakt door een gebrek aan baby’s. Helaas, ook deze redenatie is fout. Er zullen de komende jaren helemaal niet steeds minder kinderen geboren worden in Nederland. In de afgelopen 15 jaar nam het gemiddeld aantal geboorten per Nederlandse vrouw toe van 1,53 naar 1,79. 8 Het tegenovergestelde blijkt dus waar: de bevolkingsgroei stijgt. Gezien het redelijk constante geboortecijfer in Nederland in de afgelopen veertig jaar zal de disbalans tussen werkenden en gepensioneerden na de vergrijzing van de babyboom-generatie langzaam afnemen. Het probleem lost zichzelf langzaam maar zeker op. Volgens het CBS zal het percentage 65-plussers in de Nederlandse bevolking, en vervolgens ook het aantal 65-plussers, rond 2038 beginnen af te nemen. In die zin is het probleem van de vergrijzing alweer bijna verleden tijd. Omdat de levensverwachting van Nederlanders niet eindeloos kan blijven stijgen en omdat het vruchtbaarheidscijfer niet eindeloos blijkt te dalen, zal volgens voorspellingen van het CBS rond 2040 een beter evenwicht ontstaan. De vergrijzing die in de negentiende eeuw ontstond door een stijgende levensverwachting en een flinke vruchtbaarheidsdaling, zal rond 2040 ophouden te bestaan.

Fabel 3: ‘De druk op het werkende deel van de bevolking is door de vergrijzing steeds groter geworden.’ Het is inderdaad waar dat het percentage 65-plussers in de Nederlandse bevolking al een tijd lang exponentieel toe aan het nemen is. De grijze druk van gepensioneerden op het werkende deel van de Nederlandse bevolking is sinds 1947 meer dan verdubbeld. Dit betekent echter niet dat de totale druk op de werkende Nederlandse bevolking ook al die jaren al aan het toenemen is. Sinds 1900 is het percentage kinderen (onder de 20 jaar) in de bevolking vanwege vruchtbaarheidsdaling flink afgenomen. Het aantal personen onder de 20 jaar per 100 personen tussen de 20 en

                                                                                                         

Google Public Data, Wereldontwikkelingsindicatoren. Gegevens van Wereldbank (laatst bijgewerkt 09-03-2012), beschikbaar via: http://www.google.nl/publicdata/explore?ds= d5bncppjof8f9_#!ctype=l&strail=false&bcs=d&nselm=h&met_y=sp_dyn_tfrt_in&scale_y =lin&ind_y=false&rdim=country&ifdim=country&tdim=true&hl=nl&dl=nl (geraadpleegd op 19 maart 2012). 8

28


Volonté Générale 2012 - n°2

65 jaar oud, daalde van 90 tot 42 in de vorige eeuw.9 Omdat de druk van vergrijsden minder toenam dan de afname van de ‘groene’ druk van kinderen, daalde de totale druk op de Nederlandse beroepsbevolking van 103 ‘afhankelijken’ per 100 werkenden in 1900 tot 61 ‘afhankelijken’ in 2000.10 De druk op het werkende deel van de Nederlandse bevolking is dus juist flink afgenomen en zelfs nog nooit zo laag geweest. Daarnaast heeft de groeiende arbeidsparticipatie van vrouwen in de vorige eeuw bijgedragen aan een nog scherpere daling van het aantal afhankelijken ten opzichte van de werkende beroepsbevolking in Nederland. Hoewel de totale druk van afhankelijken in de nabije toekomst vanwege de vergrijzing weer licht toe zal nemen, zal de druk op de Nederlandse beroepsbevolking altijd een stuk lager blijven dan in de eerste helft van de twintigste eeuw.

Fabel 4: ‘We moeten langer doorwerken en hebben minder lang pensioen.’ Ook deze uitspraak is, wanneer men de cijfers bekijkt, niet waar. Toen minister-president Drees in 1956 de Algemene Ouderdomswet, met AOW-leeftijd 65 jaar, invoerde, was de gemiddelde levensverwachting van een 65-jarige Nederlander nog ongeveer 15 jaar.11 In 2011 had een 65-jarige Nederlander nog gemiddeld 20 jaar te gaan.12 Heden ten dage kan men dus gemiddeld 5 jaar langer gebruik maken van een AOWuitkering dan in 1956. Ook als de AOW-leeftijd wordt verhoogd naar 67 jaar heeft een gemiddelde Nederlander dus langer pensioen dan een gemiddelde Nederlander in 1956. Daarnaast kan gezegd worden dat we, wanneer we doorwerken tot 67 jaar, nog altijd minder lang hoeven te werken dan vroeger. Vergeleken met 1956 begint men op latere leeftijd met werken. Vanwege een groeiend aantal parttime-banen en sociale wetgeving heeft men steeds minder werkuren per week en steeds meer vakantiedagen per jaar. Vergeleken met vroegere generaties AOW-ers hebben we, zelfs al moeten we doorwerken tot 68 of 70 jaar, dus niks te klagen, om nog maar te zwijgen van het lot van 65-plussers van vóór 1956.

Conclusie Omdat Nederland al meer dan een eeuw aan het vergrijzen is en omdat die vergrijzing volgens voorspellingen van het CBS vanaf 2040 weer voorbij is, kan gesteld worden dat de vergrijzing zelf alweer bijna met pensioen mag. De vergrijzing is meer dan het ouder worden van de babyboomers, maar zeker niet een oneindige groei van het aantal ouderen. Of dit probleem in de toekomst erger wordt, afneemt, kansen                                                                                                           Theo Engelen, ‘Vergrijzing in Nederland, 1899-200. De historische wortels van een modern probleem’, in: Onno Boonstra e.a. (red.), Twee eeuwen Nederland geteld: Onderzoek met de digitale Volks-, Beroeps- en Woningtellingen 1795-2001 (Den Haag 2007) 51-71. 10 Ibidem. 11 Centraal Bureau voor de Statistiek, Levensverwachting; geslacht en leeftijd, vanaf 1950 (Gewijzigd op 11-08-2011) beschikbaar via: http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/ ?DM=SLNL&PA=80333ned&D1=3,7&D2=a&D3=0,65&D4=a&HDR=T,G1&STB=G2 ,G3&VW=T (geraadpleegd op 13 maart 2012). 12 Ibidem. 9

29


Volonté Générale 2012 - n°2

oplevert of juist gevaarlijk is, is moeilijk te voorspellen. Terwijl de levensverwachting redelijk stabiel stijgt, is de toekomst van het vruchtbaarheidscijfer erg onzeker. De toename van het aantal geboortes per vrouw in de afgelopen 15 jaar toont in ieder geval wel aan dat de bevolkingsgroei niet in sneltreinvaart naar een nulpunt aan het dalen is. Misschien heeft Nederland over 30 jaar wel weer een jongerenoverschot. Daarnaast spelen ook factoren als immigratie, emigratie en een aantrekkende of juist inzakkende economie een rol. Op korte termijn zal het percentage ouderen in de Nederlandse bevolking zeker flink stijgen. De Nederlandse economie zal zich dus moeten aanpassen aan dit groeiend aantal ouderen. Naast nadelen, zoals sterk groeiende kosten in de gezondheidszorg, kent de vergrijzing ook voordelen, bijvoorbeeld voor de kunst- en cultuursector. Ouderen moeten immers vermaakt worden. Terwijl we ons aanpassen aan een groeiend aantal ouderen in onze samenleving moeten we ons echter ook beseffen dat Nederland niet eindeloos zal blijven vergrijzen. Hoewel de voorspellingen van het CBS geen absolute zekerheid bieden zal Nederland vanaf 2040 waarschijnlijk niet meer vergrijzen. Om ervoor te zorgen dat de Nederlandse overheid in 2040 niet failliet gaat, zullen de komende regeringsleiders eens met een vooruitziende blik moeten handelen. Een verhoging van de AOW-leeftijd van 65 naar 67, 68 of misschien wel 70 jaar, is gezien de groeiende levensverwachting van 65jarigen niet meer dan logisch. We moeten de grens waarop een Nederlander ‘bejaard’ wordt niet statisch vasthouden, maar juist dynamisch gebruiken en afstellen op de levensverwachting en bevolkingspiramide. De grootste fout die sinds het instellen van de Algemene Ouderdomswet is gemaakt, is het feit dat er te streng aan 65 vastgehouden is. Ook de omvorming van de AOW van een omslagstelsel naar een kapitaaldekkingsstelsel (waarin iedereen belasting afdraagt voor het pensioen van zijn eigen generatie) is op de lange termijn belangrijk om nieuwe vergrijzingsproblemen tegen te gaan. Het aanpakken van het heilige huisje Algemene Ouderdomswet lijkt mij voor de Nederlandse overheid dan ook de ultieme kans om haar begrotingstekort weg te werken, en zich voor te bereiden op een toekomst waarin een op de vier Nederlanders 65-plus zal zijn.  Eric van der Vorst (1990) studeert Actuele Geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

30


Volonté Générale 2012 - n°2

Onderwijskwaliteit: een zorg van allen Marieke Oprel Accreditatie, kwaliteitscultuur, NVAO of peer-panels. Het laten vallen van dit soort termen binnen de muren van de universiteit is als vloeken in de kerk. Hoe vervelend het ook is dat het huidige kabinet demissionair is en dat onduidelijkheid nu het onderwijsbeleid regeert, het zijn juist deze termen die de universiteiten momenteel maagpijn bezorgen. Toch kunt u er van uit gaan dat deze vermeende sacramenten van kwaliteitszorg momenteel hoog op de agenda staan in de bestuurskringen van het hoger onderwijs in Nederland. De reden? In maart 2013 is het tijd voor de accreditatie.

Van (Middeleeuws) Parijs naar kwaliteit van onderwijs Hoewel het accrediteren en toetsen van (nieuwe) opleidingen in het hoger onderwijs al werd opgenomen in de Wet op het Hoger Onderwijs van 8 oktober 1992, vond de geboorte van het huidige accreditatiestelsel pas enkele jaren later plaats. Op 19 juni 1999 tekenden 29 Europese ministers van onderwijs een beginselverklaring voor het creëren van een Europese ruimte voor hoger onderwijs. Naar aanleiding van dit zogenaamde Bolognaproces werd op 3 september 2003 de Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO) middels een verdrag in het leven geroepen door de regeringen van respectievelijk Nederland en Vlaanderen.1 Nadat in 1998 bij de viering van het 750-jarig bestaan van de Sorbonne – de bekende Parijse universiteit – weemoed naar de mobiliteit van studenten en docenten in de Middeleeuwen was ontstaan, werd een jaar later op een bijeenkomst in Bologna het raamwerk ontworpen voor wat nu de Europese ruimte voor hoger onderwijs heet. Zo werd besloten een stelsel van gemakkelijk herkenbare en vergelijkbare academische graden in te voeren, de mobiliteit onder studenten, docenten en wetenschappelijke onderzoekers te bevorderen en het hoger onderwijs een Europese dimensie te geven. Ook het waarborgen van de kwaliteit van onderwijs via een onafhankelijke kwaliteitscontrole was een van de speerpunten van het Bolognaproces, dat in verschillende conferenties in de daaropvolgende jaren een vervolg kreeg. De nieuw opgerichte NVAO kreeg de opdracht om zowel in Nederland als in Vlaanderen de waarborging van de kwaliteit van het hoger onderwijs op onafhankelijke wijze te toetsen. Door verschillende opleidingen aan verschillende instellingen te beoordelen op kwaliteit- en niveauvereisten die waren vastgelegd in het accreditatiekader, zouden de kwaliteit en de positionering van het hoger onderwijs in nationaal en internationaal perspectief bevorderd worden. De eerste cyclus in Nederland werd afgerond in 2009. De resultaten, oftewel de geaccrediteerde en hiermee door de overheid erkende opleidingen,                                                                                                          

Voor meer informatie zie de website van de Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie (http://www.nvao.net) en de website van de European Higher Education Area (http://www.ehea.info/) (geraadpleegd op 5 mei 2012). 1

31


Volonté Générale 2012 - n°2

werden vastgelegd in het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO).

De Instellingsaudit: lust of last? Gezien het feit dat het keurmerk zes jaar geldig is, moet voor 2015 de tweede accreditatiecyclus worden afgerond. Dit heeft als gevolg dat 2013 voor vrijwel alle universiteiten in Nederland in het teken van kwaliteitszorg staat. Tussentijdse evaluatie wees echter uit dat enige aanpassingen in het beoordelingssysteem wenselijk waren. Zo vielen onder meer de administratieve lasten (te) zwaar. Sinds 1 januari 2011 is de procedure om een opleiding in het hoger onderwijs te accrediteren dan ook vereenvoudigd, want toen is besloten om een nieuw instrument te introduceren: de zogenaamde Instellingsaudit. 2 Deze audit toetst een instelling als geheel op kwaliteitszorg, met als gevolg dat wanneer zij succesvol is afgesloten, volstaan kan worden met een beperkte beoordeling van opleidingen. Als we de onderwijsinspectie moeten geloven, zijn de uitgevoerde pilots door de betrokkenen overwegend positief ervaren. Met de zoektermen ‘accreditatie nieuwe stijl’ levert Google u zo het rapport in pdf-formaat. De rapporten, die naar aanleiding van de pilots verschenen, geven aan dat de Instellingsaudit een goed instrument is om het bestuurlijk vermogen van een instelling aangaande haar kwaliteitszorg te onderzoeken. Dit vermogen manifesteert zich onder meer in de visie op de kwaliteit van het onderwijs en het integrale systeem dat kwaliteitszorg moet garanderen.3 De kern van de introductie van de Instellingsaudit als beoordelingsinstrument is dat niet langer de kwaliteit van afzonderlijke opleidingen, maar juist de kwaliteit van de instelling als geheel ter discussie komt te staan. Idealiter zou een succesvolle rapportage leiden tot vermindering van de last voor docenten, omdat zij zich volledig op de verbetersuggesties zouden kunnen richten, in plaats van op allerlei randvoorwaardelijke facetten die meer op het niveau van de instelling liggen. Helaas blijkt uit de pilot dat men in de praktijk geen vermindering van de accreditatielast ervaart. 4 Desondanks hebben vrijwel alle universiteiten in Nederland voor deze instellingstoets gekozen. Wanneer de instelling na een succesvolle Instellingsaudit een keurmerk ontvangt, is overheidsfinanciering voor de komende zes jaar gegarandeerd. Nu is het de instellingen niet kwalijk te nemen dat zij vrijwel unaniem deze toets aangevraagd hebben. Ik vraag mij echter wel af hoe men de verschillen tussen de diverse hogescholen en universiteiten in kaart kan brengen. En belangrijker: wat nu precies ‘kwaliteit van onderwijs’ is. Uit de evaluatie blijkt dat dit soort vragen eerder gesteld zijn. Zo wordt expliciet geformuleerd hoe moeilijk een vergelijking is: ‘Omdat de rapporten                                                                                                           Rapport Inspectie van het onderwijs, Accreditatie nieuwe stijl. Evaluatie van een nieuw accreditatiestelsel in Nederland en Vlaanderen (2009) beschikbaar via: http://www.onderwijsinspectie.nl/binaries/content/assets/Actueel_publicaties/2009/Accr editatie+nieuwe+stijl+-+printversie.pdf (geraadpleegd op 16 mei 2012). 3 Accreditatie nieuwe stijl, 7. 4 Ibidem, 53. 2

32


Volonté Générale 2012 - n°2

verschillen in mate van abstractheid, specifieke indeling, maar ook keuze van audittrials, is het lastig de kwaliteitszorg te vergelijken.’5 Daarnaast zijn ‘ook de opleidingen onderling moeilijk te vergelijken, aangezien de beoordelingen nog te weinig specifiek en te vlak zijn.’6 Desalniettemin waren de reacties, op deze ‘kanttekeningen’ na, overwegend positief en bleek er bij de deelnemende instellingen draagvlak te bestaan voor de nieuwe aanpak. Het gevolg: in 2013 zullen de verschillende universiteiten op basis van de Instellingsaudit in combinatie met een (beperkte) opleidingsbeoordeling geaccrediteerd worden.

Investeren in kwaliteit Aandacht voor de kwaliteit van het (hoger) onderwijs is sinds het rapport Differentiëren in drievoud dat de commissie Toekomstbestendig Hoger Onderwijs Stelsel in april 2010 publiceerde, een hot topic.7 In opdracht van de toenmalige Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Ronald Plasterk, onderzocht deze commissie onder leiding van Cees Veerman het hoger onderwijs in zijn huidige vorm. Een van de belangrijkste aandachtspunten was de vraag hoe de Nederlandse situatie zich tot die in andere landen verhoudt. Treurig genoeg luidde hun conclusie dat het Nederlands hoger onderwijs niet toekomstbestendig zou zijn. Talloze aanbevelingen volgden in het rapport met als voornaamste advies: ‘Geef een krachtige impuls aan de kwaliteit en diversiteit van het Nederlandse hoger onderwijs.’8 Het rapport van Veerman genereerde veel media-aandacht, hoewel het veelal aandachtspunten bevatte die tien jaar eerder in Bologna al ter tafel waren gekomen: differentiëren, profileren, een kennismaatschappij, een versterkte regiefunctie voor de overheid. Kortom, het verschilt nauwelijks van de in het Bolognaproces geformuleerde basisprincipes. Eén aanbeveling verdient in het kader van de naderende accreditaties echter de aandacht: ‘Investeren in kwalificaties van het personeel’. Na verschillende uitwijdingen over selectie en profielvorming, stelt pas aanbeveling nummer tien dat de kwaliteit van onderwijs staat of valt met de kwaliteit van de docent en de waardering die er voor hem is.9 De commissie constateert dat het opleidingsniveau en de scholing van docenten gezien moeten worden als renderende investering in het hoger onderwijs, daar beter onderwijs enkel tot stand kan komen via goed opgeleide, betrokken docenten. Ook de onderwijsinspectie stipt dit punt aan in het evaluatierapport. Men constateert dat een echte kwaliteitscultuur ontstaat wanneer instellingen ook andere middelen dan het kwaliteitssysteem te baat nemen om de kwaliteit te onderhouden en te verbeteren. Dit zou                                                                                                          

Accreditatie nieuwe stijl, 6. Ibidem. 7 De volledige titel luidde: Differentiëren in drievoud. Omwille van kwaliteit en verscheidenheid in het hoger onderwijs (2010), beschikbaar via: http://www.nvao.net/page/downloads/ Rapport_Differenti__ren_in_drievoud_commissie-Veerman.pdf (geraadpleegd op 16 mei 2012). 8 Differentiëren in drievoud, 8. 9 Ibidem, 9. 5 6

33


Volonté Générale 2012 - n°2

bijvoorbeeld mogelijk zijn door het versterken van de examencommissies en het opleiden en certificeren van docenten.

Docenten doorslaggevend Dit lijkt mij het intrappen van een open deur. Daar traditiegetrouw de docent verantwoordelijk wordt gehouden voor kennisoverdracht en vorming – het basisidee achter onderwijs – is het logisch dat kwaliteit van onderwijs afhankelijk is van de docent in kwestie. Het zijn niet de procedures, regelingen, sectoren, studentvoorzieningen, technische snufjes, noch het profiel van de opleiding, de selectie of de hoeveelheid studenten die de kwaliteit van het onderwijs bepalen. Hoe noodzakelijk, functioneel en invloedrijk deze ook mogen zijn, doorslaggevend zijn de docenten. Gezien het feit dat de weemoed naar de middeleeuwse mobiliteit bij de viering van het 750-jarig bestaan van de Sorbonne de aanleiding was tot de creatie van een zogenaamde Europese ruimte voor hoger onderwijs in 2010, kan wellicht nog een ander aspect van de universiteitsgeschiedenis als aanbeveling gelden. Al in de late Middeleeuwen was duidelijk dat een (goede) docent hét verschil maakte. Het ontstaan van universiteiten bracht een zekere mate van eenheid in het Europese onderwijs, onder meer door het uniformeren van het aanbod. Dit had tot gevolg dat docenten op hetzelfde vakgebied zich van elkaar konden onderscheiden. Studenten waren vrij om colleges te volgen bij docenten aan een andere universiteit, bijvoorbeeld wanneer deze hen iets bijzonders te bieden hadden of als zij beter aangeschreven stonden. Docenten werden hierdoor al snel een visitekaartje van een universiteit, denk aan humanist Justus Lipsius in Leiden. Soms strekte de kracht van deze roem zo ver dat studenten in het spoor van hun docent heel Europa doorreisden. In een tijd waarin profilering als codewoord voor succesvol onderwijs geldt, zou men zich moeten richten op de eigen kracht, de eigen ervaringen, de eigen succesverhalen; kortom, de eigen docenten. Los van de discussie over welke (bekende) wetenschappers voortgebracht zijn of welke velden van expertise uniek en onderscheidend zijn, is de vraag welke docenten geliefd zijn bij studenten en welke docenten hun studenten met hun onderwijs stimuleren van groot belang. De crux zit in de wisselwerking tussen docenten en studenten. Idealiter worden docenten goed geschoold, waarna zij hun studenten enthousiasmeren, motiveren en stimuleren om hen voorbij te streven. Leonardo da Vinci schijnt ooit gezegd te hebben dat je een slechte leerling bent als je niet probeert je meester te overtreffen. Ik zou het anders willen formuleren: is het niet het grootste goed voor een docent wanneer een student jou tracht te overtreffen? Is dat niet vergelijkbaar met de trots wanneer er voor het eerst zonder wieltjes gefietst wordt? Investeringen op de inhoud betalen zich op de lange termijn terug. Het opleiden van goede docenten is een waarborg voor kwaliteitscontinuïteit, want zij zijn de leermeesters van een nieuwe generatie.

34


Volonté Générale 2012 - n°2

Een goede boom brengt goede vruchten voort Het probleem is dat die lange termijn het onderwijs vaak niet meer gegund wordt. Om de haverklap worden hervormingen, bezuinigingen of in het beste geval aanpassingen doorgevoerd, op grote maar vooral ook kleine schaal. Kwaliteit kan echter enkel ontstaan wanneer er tijd is om te groeien, aan te passen, te verbeteren en te ontwikkelen. Natuurlijk, ook een appelboom moet gesnoeid worden om te kunnen groeien en bloeien, maar elke fruitteler zal bij voorbaat waarschuwen dat de timing van het grootste belang is, wil men de boom niet te gronde richten. Hetzelfde geldt voor docenten, vakken, opleidingen en instellingen – er moet ruimte zijn voor ontwikkeling, rijping, vallen en opstaan en er moet gesnoeid worden om zo weer te kunnen groeien en bloeien, om uiteindelijk de hoogste kwaliteit vruchten te kunnen leveren. Kwaliteit valt echter pas achteraf te bepalen. Naar analogie van de fruitteler is enkel bij de oogst de opbrengst en kwaliteit van de appels vast te stellen. In essentie geldt dit ook voor de kwaliteit van het onderwijs, omdat de kwaliteit pas na enkele jaren getoest kan worden aan de ontwikkeling van de voortgebrachte generatie studenten. Het toetsen van de kwaliteit van onderwijs wordt dus gebaseerd op succes uit het verleden, al heeft dat geen voorspellende waarde. Bij een fruitteler kan echter de zorg voor de appelbomen wel op elk moment worden waargenomen door de staat van de boomgaard te inspecteren. Dit geldt ook voor het onderwijs. Kwaliteitszorg is wel te toetsen en dat is dan ook het centrale uitgangspunt van de Instellingsaudit. Men onderzoekt niet het uiteindelijke product – de afgestudeerde studenten –, maar analyseert de organisatie van de instelling, de manier van toetsen en communiceren, en de faciliteiten.

Geen systematiek, maar dynamiek! Natuurlijk is het positief dat dankzij de Instellingsaudit een instelling tot kritische (zelf-)reflectie gedwongen wordt. Maar is het niet enigszins dubieus dat het systeem van kwaliteitsverbetering ons niets vertelt over het (aanvangs)niveau van onderwijskwaliteit? En, is het niet nog kwalijker dat de systematische meetmethode geen recht doet aan de wijze waarop kennisoverdracht in de dagelijkse praktijk eigenlijk tot stand komt? Kwaliteit moet worden opgevat als een dynamisch concept dat niet enkel via systematische en procedurele kwaliteitscontroles op waarde geschat kan worden. De kwaliteit van onderwijs is een breed begrip, dat een wijdvertakt samenspel tussen docent en student, collegestof en onderzoek, bestuur en beleid omvat. Enkel wanneer de organisatie, toetsing, communicatie en faciliteiten in het onderwijs in dienst staan van deze wisselwerkingen, en deze niet als op zichzelf staande entiteiten opereren, kan een universiteit van kwaliteitszorg spreken. Aangezien komend jaar vrijwel alle universiteiten in Nederland op kwaliteitszorg getoetst zullen worden, is het de hoogste tijd om de discussie over kwaliteit en kwaliteitszorg eens op brede schaal te voeren. Niet alleen panels en kwaliteitsmedewerkers, maar ook docenten, studenten en andere betrokkenen dienen te praten over kwaliteit van 35


Volonté Générale 2012 - n°2

onderwijs en vooral over hun eigen rol hierin. Zoals een fruitteler permanent zorg besteedt aan zijn boomgaard, dient ook de universiteit iedere dag zorg te besteden aan haar onderwijs. Enkel op die manier kan op lange termijn kwaliteit gewaarborgd worden en kan ieder jaar een rijke oogst aan hoogopgeleide studenten tegemoet worden gezien.  Marieke Oprel (1990) volgt de Researchmaster Geschiedenis aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Sinds september 2011 is zij studentlid van het Faculteitsbestuur van de Faculteit der Letteren.

36


Volonté Générale 2012 - n°2

Ik wil de wereld beïnvloeden Interview met Maaike Kroon In december 2010 werd Maaike Kroon op 29-jarige leeftijd aangesteld als hoogleraar scheidingstechnologie aan de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e). Zij is de jongste vrouwelijke hoogleraar in Nederland en lid van de Jonge Academie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van de Wetenschappen. Volonté Générale sprak met haar over haar specialisme scheidingstechnologie, de positie en rol van deze expertise in de maatschappij en haar visie op de universitaire wereld . Waarom heeft u gekozen om scheidingstechnologie te gaan studeren? In eerste instantie wilde ik de wereld op grote schaal leren kennen of astronaut worden. Tijdens mijn middelbare schooltijd ging mijn belangstelling steeds sterker uit naar de kleinere schaal, de moleculen. Ik wilde weten hoe het in elkaar zat, maar daar hield mijn interesse niet op: ik wilde iets met deze kennis doen en het liefste de wereld beïnvloeden. Na een dag proef-studeren koos ik voor de opleiding Chemische Technologie & Bioprocestechnologie. Het was een combinatie van de exacte vakken die ik leuk vond. Ik wist nog niet precies welke kant ik op wilde en daardoor koos ik voor een brede studie Zou u kunnen verduidelijken wat scheidingstechnologie inhoudt? Het is een combinatie van scheikunde en technologie. Scheikunde kent iedereen wel van de middelbare school. Deze wetenschap houdt zich bezig met de vraag ‘hoe werkt iets chemisch gezien?’. Bijvoorbeeld, hoeveel koffiebonen en hoeveel water heb ik nodig voor een kopje koffie? Hoe lang moet het contact tussen beide duren? Hoe grof moeten de bonen gemalen zijn? Door middel van antwoorden op deze vragen kunnen wij een perfecte kop koffie creëren. Een chemisch technoloog gaat met deze kennis aan de slag en past deze kennis toe op grotere schaal. Chemische technologie is in feite het ontwerpen van fabrieken op basis van chemische processen. Een ondernemer benadert een chemisch technoloog en zegt: ‘Ik wil een miljoen kopjes koffie per uur produceren, ontwerp de fabriek er maar voor!’ Het gaat dan niet alleen om die chemische processen, maar om het gehele proces van grondstoffen tot het eindproduct, van water en bonen tot het kopje koffie. Dit grotere proces bevat veel scheidingstechnologie, mijn specialisatie. Ik focus mij op het scheiden van verschillende stofjes. Scheidingsprocessen komen overal voor: in plastic bekertjes of koffie, maar het bekendste voorbeeld is toch wel benzine. Er zijn verschillende technieken voor het scheiden van stoffen, zoals verwarmen waarbij het ene stofje eerder verdampt dan de ander (destillatie) of het toevoegen van een hulpstof die een bepaald stofje aantrekt. In mijn onderzoek richt ik mij op hulpstoffen die heel selectief één stofje uit een mengsel kunnen pakken. Ik ontwerp die nieuwe hulpstoffen.

37


Volonté Générale 2012 - n°2

U heeft bij verschillende bedrijven in binnen- en buitenland stage gelopen. Wat waren uw motieven hiervoor? Na een jaar studeren kwam ik erachter dat ik de technologische vakken, waar je fabrieken en reactoren ontwerpt, interessanter vond dat de puur scheikundige vakken. Dat is toch minder mijn ding. Ik heb mijn vakken in deze richting gekozen en tijdens mijn vierde jaar heb ik drie vakken gevolgd buiten de universiteit bij verschillende bedrijfstakken. Conceptual Process Design, het ontwerpen van een fabriek, deed ik bij Shell in Amsterdam en een research-practicum bij een voedingsmiddelen bedrijf in Gorinchem, Purac Biochem. Ten slotte liep ik stage in Tokio bij Toshiba, een elektronicabedrijf. Van de stage wordt wel gezegd: ‘Doe dat in een bedrijf.’ Het andere wordt meestal op de universiteit gedaan. Ik wilde alle drie de vakken bij bedrijven doen omdat ik wilde weten bij welke verschillende bedrijven ik zou kunnen gaan werken. Echter, ik kwam er achter dat ik liever mijn eigen ding deed dan in een bedrijf werken. Het doen van onderzoek vind ik leuker dan het runnen van een fabriek. Hoe krijgen we processen schoner, efficiënter, duurzamer? Ik heb ervaren dat bedrijven toch heel economisch gericht zijn en dat werknemers een richting in worden gestuurd. Er was niet altijd de ruimte om je eigen ideeën uit te denken, maar daar is gelukkig op de universiteit wel ruimte voor. Hier kan ik met mijn eigen ideeën aan de slag en met een onderzoeksgroep een stempel drukken op het onderzoek. De functie van hoogleraar past daar uistekend bij. Rond mijn 21ste of 22ste werd dat mijn doel. Het was een hele bewuste keus, want ik had de andere opties al getest. Toch, de weg naar het hoogleraarschap is dan normaal gesproken nog lang. Voor mijn afstuderen ben ik met mijn eigen idee naar een hoogleraar gestapt. Hij vond mijn project interessant en zei: ‘Voer het maar uit.’ Het bleek te werken en daaruit ontstond een patent. Vanuit dit onderzoek is mijn PhD-traject ontstaan. Op deze manier kreeg mijn PhD-project een vliegende start en daardoor heb ik het traject in twee jaar kunnen afronden. Veel mensen hebben een jaar nodig om zich in te lezen, een jaar om alle apparatuur bij elkaar te zoeken en dan gaan ze een jaar onderzoek doen. Pas na drie jaar komen ze aan het schrijven toe. Omdat ik deze stappen al tijdens mijn master had gedaan en geen bijzondere apparatuur nodig had, kon ik sneller promoveren. Het is geen noodzaak om er vier jaar over te doen, zolang er maar een bepaalde wetenschappelijke output ligt. Na mijn promotie heb ik een aantal jaar als universitair docent gewerkt en in de Verenigde Staten als visiting professor aan Stanford University onderzoek en onderwijs kunnen combineren. Vervolgens heb ik gesolliciteerd op een vacature voor het hoogleraarschap. Zat u dan alleen met uw hoofd in de boeken of in het laboratorium? Ik vind mijn werk hartstikke leuk, maar ik heb daarnaast ook een heel leuk leven. Veel mensen denken vaak: ‘Doe je nooit iets anders dan werken?’ Ik ben een jaar bestuurslid van de studievereniging geweest, ik heb ook gewoon gefeest tijdens mijn studententijd en ik heb nu een leuk

38


Volonté Générale 2012 - n°2

gezinsleven, want ik ben getrouwd en ik heb een zoon. Ik heb het geluk dat ik niet veel slaap nodig heb en snel onderzoeksvoorstellen en publicaties kan schrijven. Daardoor is het voor mij geen enkel probleem om ’s avonds tot laat door te gaan en de volgende ochtend weer college te geven. De hoofdfunctie van een hoogleraar is in de eerste plaats het opleiden van jonge mensen op een bepaald vakgebied. Natuurlijk moet er ook onderzoek gedaan worden, dat door bedrijven gesponsord moet worden en waarvoor het noodzakelijk is geld binnen te halen, maar uiteindelijk is het goed opleiden van mensen wel de hoofdtaak van het hoogleraarschap. Ik vind dat een hoogleraar goed bereikbaar moet zijn voor studenten. Als er een tentamen is gemaakt en er zijn mensen die het niet gehaald hebben, dan vind ik het dan niet meer dan logisch dat ik dan aangeef wanneer ik aanwezig ben en wanneer zij het kunnen inzien. Heeft u als jonge hoogleraar een bijzondere band met uw studenten? Zit u meer in de belevingswereld van studenten? Dat denk ik wel. Ik ben ook opgegroeid met laptops en mobiele telefoons en hierdoor sta ik dichter bij de studenten. Het feit dat je relatief jong bent, werkt in je voordeel als je met jongeren moet werken, want de kloof tussen docent en student is minder groot. Het is ook heel motiverend om met jongeren te werken, want het houdt me jong. Zijn technische studies echte ‘jongens-studies’? Er is een stijgende lijn wat betreft het aantal vrouwelijke studenten dat met deze studie begint. Toen ik begon met mijn studie in 1999 zaten er in het eerste jaar 44 mensen: 38 mannen en zes vrouwen. Dit jaar zijn er 60 begonnen, waarvan vijftien vrouw zijn. Toch, techniek is in Nederland nog steeds een mannenbolwerk, want veel vrouwen die hier in Eindhoven in de master instromen komen uit het buitenland. In het buitenland is die verhouding anders. Zo was in Stanford bij de studie werktuigbouwkunde ongeveer 40 procent vrouw terwijl dat in Nederland 5-10 procent is. Dat is opvallend. Hoe is dit verschil te verklaren? Dat is moeilijk te zeggen. Ik denk dat allereerst de economische situatie in Nederland zo is geweest dat vrouwen heel lang niet hoefden te werken, omdat er gewoon voldoende inkomen was met één salaris. In de Verenigde Staten is dat niet zo, want daar heb je twee salarissen nodig om een gezin ‘draaiende’ te kunnen houden. Het minimuminkomen is daar bijvoorbeeld 1.200 dollar en het huis waarin wij woonden, niet eens zo heel groot, kostte al 2.300 dollar per maand. De studiekeuze wordt daar veel meer vanuit een economische gedachte gemaakt en met een technische studie krijg je een beter salaris dan met andere studies. In Nederland wordt vaak gezegd: ‘Doe maar wat je leuk vindt.’ Daarnaast is Nederland van oorsprong een calvinistisch land en door deze invloeden zijn traditionele rolpatronen van man en vrouw weinig veranderd. In Spanje bijvoorbeeld, een katholiek land, werken veel meer vrouwen en zijn er ook veel meer vrouwen in de techniek.

39


Volonté Générale 2012 - n°2

Werkt het feit dat u vrouw bent in uw voordeel of nadeel aan de TU/e? Het brengt zowel voor- als nadelen met zich mee. Aan de ene kant wordt je overal voor gevraagd, want in elke commissie moet een vrouw zitten en die lopen hier niet veel rond. De kans dat je gevraagd wordt is daardoor groter. Ook wordt je vaker uitgenodigd op congressen. Een nadeel is dat je niet op alle uitnodigingen in kunt gaan en zo nu en dan ook nee moet kunnen zeggen. In de Volkskrant zei u dat er binnen uw vakgebied een snelle roulatie is van hoogleraren. Kunt u ons verduidelijken hoe dit mogelijk is? Er zijn veel grote spelers in de Nederlandse chemische industrie: DSM, Shell, Akzo-Nobel en Unilever. Zij nemen veel studenten af. Er zijn ongeveer 200 chemisch technologen nodig per jaar en er studeren rond de 80 studenten per jaar af. Het is geen enkel probleem om een baan te vinden en hetzelfde geldt voor hoogleraren. Na een tijdje willen zij soms wat anders gaan doen en het salaris in het bedrijfsleven is gewoonweg beter. Hoogleraarschap is een uitdagende functie, met veel vrijheid om je eigen onderzoek te doen. Echter, voor sommigen is de financiële motivatie heel sterk en zij beginnen daardoor niet eens aan een academische carrière, maar gaan direct het bedrijfsleven in. Ik ben wel een universitaire loopbaan gestart, maar ook al zet ik met veel plezier mijn onderzoeksgroep op, ik wil helemaal niet zeggen dat ik mijn huidige functie tot mijn 65ste of 67ste houd. Dat geloof ik helemaal niet. Ik kan me goed voorstellen dat er op termijn wat anders in mijn leven komt. Merkt u ook aan de studenten dat zij minder warmlopen voor een PhD bijvoorbeeld? Slechts één op de vier of vijf Nederlandse studenten gaat door als promovendus. Vaak gaan ze direct na hun studie aan de slag als chemisch ingenieur, de best betaalde ingenieur van Nederland. Na vier jaar werken op een booreiland of in Abu Dhabi kun je een eigen huis afbetalen. Veel van onze promovendi zijn niet Nederlands, maar deze buitenlandse studenten hebben een uitstekende motivatie en leveren op die manier een waardevolle bijdrage aan ons land. Nederland heeft deze mensen gewoon nodig. Zonder hen kunnen we de fabrieken die een belangrijke rol in onze economie spelen niet draaiende houden. Ik vind het schrijnend dat deze briljante mensen met goede oplossingen en ideeën voor de toekomst lastig aan een verblijfsvergunning komen. Daarnaast kan ervaring vanuit het buitenland een waardevolle bijdrage leveren aan ons onderzoek. Ik denk dat het voor mensen op een universiteit vaak van groot belang is dat je niet altijd op dezelfde plek bent geweest, want uiteindelijk moet je als hoogleraar een goed overzicht hebben van de stand van de zaken en goed overzicht krijg je door op verschillende plekken te zijn geweest.

40


Volonté Générale 2012 - n°2

Hulpstoffen worden met name gebruikt in de industrie. Hoe gaat u om met de spanning tussen innovatie en duurzaamheid enerzijds en de economische belangen anderzijds? Bedrijven worden gedreven door economische motivatie. Duurzaamheid kan echter ook een economisch voordeel zijn voor een bedrijf. Energie is duur, dus spaarzaam omgaan met energie is een bezuiniging. Hetzelfde geldt voor grondstoffen: als jij minder verspilt en minder afval maakt, ben je minder geld kwijt aan de grondstoffen en zijn er minder afvalverwerkingskosten. In feite gaan economie en duurzaamheid op dat gebied hand in hand. Daarom voorzie ik een duurzamere toekomst. We zullen energie voornamelijk uit de zon gaan halen, mineralen gaan we recyclen en organische producten zullen we uit biomassa halen. Op dit moment is dat nog niet mogelijk zonder veel concessies te moeten doen op andere gebieden. Enerzijds willen wij een bepaalde welvaartsstandaard behouden; anderzijds willen we dat alles schoner en energiezuiniger gaat gebeuren. De industrie die er nu staat is in de jaren 1970 ontworpen en in de jaren 1980 gebouwd. Deze is in vergelijking met wat we nu ontwikkelen niet echt schoon te noemen. Als de oudere fabrieken aan het einde van hun levenstermijn zijn en vervangen worden door nieuwe, zul je zien dat deze minder vervuilend zijn. Chemische technologie draagt bij aan een schonere wereld, omdat je iets van binnenuit kunt veranderen. Speelt het bedrijfsleven een grote rol binnen de technische opleidingen? Nee, ik heb het idee dat bedrijven zich nogal afzijdig houden. Het bedrijfsleven stuurt wel de richting van het onderzoek, maar bedrijven vinden het onderwijs een overheidsverantwoordelijkheid. Het lijkt mij echter goed als bedrijven zich hier meer mee zouden bemoeien en als ze zouden zeggen ‘we gaan studenten steunen met beurzen als ze deze studie gaan doen of als ze iets er naast willen doen, dat vinden wij relevant en daar loven wij beurzen voor uit.’ De Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie wilde dat eerst gaan doen, maar daar lijkt ze jammer genoeg van teruggekomen te zijn. U refereerde net al even aan uw eigen toekomst. Treffen de komende bezuinigingen op het onderwijs ook uw onderzoeksgroep? In vergelijking met de alfawetenschappen heb ik het gevoel dat het bij ons minder is, maar de technische studies worden dan ook veel meer gesponsord vanuit het bedrijfsleven. De toekomst van mijn onderzoeksgroep is rooskleurig: Projecten worden gehonoreerd, studenten komen bij mij afstuderen en we gaan steeds meer leuke nieuwe dingen ontdekken in het lab. Dus ik hoop dat het groeiende en bloeiende groep wordt. Onze opleiding wordt ook minder hard getroffen: de studentenaantallen stijgen en ondanks de economische crisis hebben mijn afstudeerders zo een baan. Studenten zelf worden wel hard geraakt en dat vind ik schrijnend. De studiekosten worden zo hoog dat studenten genoodzaakt zijn zich in de schulden te steken. Tevens is er nog maar beperkt tijd om een opleiding af te ronden. Onze opleiding is een langere

41


Volonté Générale 2012 - n°2

opleiding van vijf jaar, maar je krijgt niet een jaar extra uitloop. De extracurriculaire activiteiten hebben hier erg onder te lijden, zo heeft de studievereniging bijvoorbeeld steeds meer moeite mensen te vinden voor een jaar bestuur. Hierdoor kan het gebeuren dat mensen niet meer gaan studeren, terwijl deze opgeleide mensen nodig zijn. Ik kan me goed voorstellen dat bezuinigingen nodig zijn, maar het is een doodssteek voor het land als studeren te duur wordt en het voor studenten onaantrekkelijk wordt om een studie te volgen. 

42


Volonté Générale 2012 - n°2

Visie Johannes Visser Volgens VNO-NCW-voorzitter Bernard Wientjes zijn er in Nederland te weinig capabele politici. In een interview met NRC Weekend zegt hij: ‘Ik vind dat we weinig toppolitici hebben in Nederland. Een goede politicus hoort mensen mee te sleuren. Hoort een visie te hebben. (…) De echte elite zie je niet meer in de top van ons politieke stelsel. Ministers, het kabinet, Eerste Kamer, Tweede Kamer… Dat is uitermate slecht voor het land. Het leiden van een land is ongelooflijk gecompliceerd en daarvoor zijn redelijk zeldzame eigenschappen nodig.’1 Redelijk zeldzame eigenschappen bezitten onze politici wel degelijk. Fleur Agema schijnt met haar blik middelgrote gemeentes te kunnen bevriezen. Tofik Dibi laat boertjes op commando. Dion Graus kan apporteren. Maar wellicht ontbreekt het inderdaad aan visie. De PvdA wordt verweten dan weer geen sociaal-democratisch verhaal, dan weer verweten geen links-progressief verhaal te hebben. Het gekleurde verhaal van GroenLinks is soms weer bladgroen, soms legergroen. Het CDA gelooft in een sprookje, maar niet in een verhaal. Dat gebrek aan visie is niet zo verwonderlijk, maar het is de politieke partijen niet te verwijten. Iedere partij die het waagt om iets van de visie in te leveren, wordt daar in de peilingen genadeloos op afgerekend. Het CDA mag niet samenwerken met de PVV, Jolande Sap mag niet naar Kunduz. En dat terwijl het na de campagnetijd als partij onmogelijk is om bij je verhaal te blijven. Visies worden aan de onderhandeltafel tegen elkaar uitgewisseld als soa’s tijdens carnaval. De hypotheekrenteaftrek tegen zondagsrust. Europa tegen de animal cops. De stem van Brinkman tegen een treetje bier. Alleen de PVV hield, strategisch of niet, de poot stijf tijdens het Catshuisoverleg. Wie bij zijn visie blijft, komt ook geen steek verder. Dus dan maar geen visie. Het is tijd om ons politieke systeem te veranderen. Aan twee of drie partijen hebben we genoeg. De PvdA is een SP-light. De helft van de GroenLinks-fractie is eigenlijk D66’er. Uri Rosenthal lijkt een beetje op Boris van der Ham. De Partij voor de Dieren en de SGP kunnen prima verder als lobbygroep. De twee partijen die overblijven kunnen weer een visie hebben, omdat zij hun ideeën over de arbeidsmarkt niet direct na de verkiezingen hoeven in te leveren om de AOW-leeftijd te kunnen verhogen. Schaf bovendien een deel van de ministeries af. Neem onderwijs. De enige ‘visie’ die daarover bestaat is: goed onderwijs is goed. Laat degenen die verstand hebben van goed onderwijs daarom het onderwijsbeleid maken. Het is vreemd dat tienduizenden leraren naar de ArenA komen om te protesteren tegen maatregelen die volgens kabinetRutte het onderwijs doen verbeteren. Alsof leraren tegen beter onderwijs zijn. En dat terwijl de Algemene Onderwijsbond op dat moment al een alternatief pakket met maatregelen had voorgesteld.                                                                                                           ‘Een land hoort door de elite bestuurd te worden’, NRC Weekend (5 mei en 6 mei 2012), 10-11. 1

43


Volonté Générale 2012 - n°2

Verhoog de kiesdrempel en draag de macht daar waar het kan af aan zij die verstand van zaken hebben. Laat de culturele sector over zijn eigen toekomst beslissen. De landbouwsector over landbouw. Zet Chris Zegers op Buitenlandse Zaken en laat Marianne Thieme de dierenambulance besturen. Tot die tijd is het woord visie verboden.  Johannes Visser (1988) is neerlandicus en was redacteur van Propria Cures (2008-2011).

44


Volonté Générale 2012 - n°2

De Stem van Van Mierlo Anne Bos Hans van Mierlo had ‘de intellectuele twijfel tot levenswandel verheven’. Aan de hand van die karakterbeschrijving verklaarde Hans Alders, eind jaren tachtig de vertrouweling van Wim Kok, de moeite die Kok had om met Van Mierlo tot afspraken te komen bij de kabinetsformatie van 1989.1 Uiteraard was dat niet de enige reden waarom D66 dat jaar buiten de boot viel. CDA en PvdA vormden samen een coalitie die steunde op 103 zetels in de Tweede Kamer. Zij hadden de zetels van D66 dus niet nodig. Toch is de typering raak. Wie leest in zijn gebundelde toespraken aanschouwt een man die veel heeft gewikt en gewogen en velen deelgenoot heeft gemaakt van zijn dilemma’s. Vijf vrienden van Hans van Mierlo (1931-2010) kozen uit de nalatenschap van Van Mierlo zevenenveertig van zijn toespraken en beschouwingen. Zij selecteerden toespraken, debatten, regeringsverklaringen, bijdragen aan algemene beschouwingen, partijbijeenkomsten, inleidingen, referaten, afscheidsredes, een reisverslag voor dagblad De Tijd en een sprookje. Zij hanteerden drie selectiecriteria. Ten eerste moesten de teksten de tand des tijds doorstaan, ten tweede dienden ze qua vorm en inhoud op zichzelf te staan en tenslotte moesten ze kenmerkend zijn voor het denken en de opvattingen van Van Mierlo. In chronologische volgorde is de eerste tekst een congresrede uit 1968 en niet toevallig is de laatste uit 2006 ook een toespraak tot het D66-congres. Ook de woorden die Van Mierlo sprak in het beroemde televisiespotje uit 1966, het oprichtingsjaar van de Democraten 1966, zijn opgenomen: ‘Ik moet proberen het goed te vertellen.’ Van Mierlo maakte indruk in 1966, als boegbeeld van een politieke beweging die de culturele en maatschappelijke revolutie uitdroeg. D’66 schopte tegen het bestaande politieke bestel en wilde het zelfs tot ontploffing te brengen. Dat maakte Van Mierlo echter geen antipoliticus. Van Mierlo hield van de politiek, en ging er soms zo in op dat hij er bijna aan onderdoor ging. De liefde voor de democratie, de angst voor oorlog en de kracht van de verbeelding - de kunsten - spreken uit alle teksten. Daarbij ontbrak het niet aan enige pathos, zoals uit het volgende citaat uit een rede van enkele maanden na de revolte in Parijs en de Praagse Lente van 1968 blijkt: ‘We moeten een revolutie maken voordat die uitbreekt, een stille revolutie die kanalen graaft van de burgers en hun frustraties naar de centra van de macht, en dat met vreedzame middelen. Dat is de grote opgave voor een nieuwe politiek.’ Zijn partij kende hoge pieken en diepe dalen. Van Mierlo leefde mee, hij bleef persoonlijk steeds nauw verbonden met zijn D66. Van Mierlo timmerde en prutste aan taal. Hij genoot van dit handwerk en beproefde zijn kennis van de retorica die hij ongetwijfeld had opgedaan tijdens zijn schooljaren bij de jezuïeten in Nijmegen. Paradoxen, vergelijkingen en anekdotes om de luisteraar zijn verhaal in te                                                                                                           Peter Rehwinkel en Jan Nekkers, Regerenderwijs. De PvdA in het kabinet-Lubbers/Kok (Amsterdam 1994) 88. 1

45


Volonté Générale 2012 - n°2

lokken, zaten steevast in zijn gereedschapskistje. De clichés waarmee de oude partijleeuwen hun toehoorders plachten toe te spreken op een congres, deed hij af als ‘slaapverwekkend gebrul’ en het Binnenhof omschreef hij als het ‘Centrum voor Communicatiestoornissen’. Hij sprak niet voor de vuist weg. ‘Je kunt woorden alleen zorgvuldig kiezen als je ze opschrijft. Je neemt mensen mee in het avontuur van een redenering, van de ene tree naar de andere, en onderaan ligt een standpunt’, verwoordde hij zelf eens zijn manier van werken. Van Mierlo hield niet van dogma’s, hij werkte vanuit een idee en werkte het idee verder uit door het te evalueren en bij te sturen. De luisteraar werd meegenomen in dit denkproces. Het valt moeilijk voor te stellen de toespraken te lezen zonder de stem van Van Mierlo te horen. Van Mierlo had een warme stem, met dat zachte Brabantse accent dat tegenwoordig zo populair is bij reclamemakers omdat het vertrouwen wekt. Niet voor niets krijgt de heks in zijn sprookje een waarschuwing als zij een zachte g begint te krijgen, want dat is ‘heel gevaarlijk voor het snerpen’. Het is geen geheim dat Van Mierlo heeft overwogen om acteur te worden. Naar eigen zeggen was hij te slecht en heeft hij geen stappen meer in die richting genomen. Spreken in het openbaar, met gevoel voor drama, ging hem echter buitengewoon goed af. Het boek is zichtbaar met liefde gemaakt. Het is gebonden uitgevoerd en heeft een prachtige portretfoto van een doorleefde Van Mierlo op de omslag, gemaakt door de Hollandse Meesterfotograaf Joost van den Broek. De teksten zijn met zorg geredigeerd, van tussenkopjes voorzien en thematisch geordend. De teksten zijn helaas niet met rust gelaten. Getuige de verantwoording heeft de redactie geschrapt ‘in de gedeelten in de bijdragen waarin Van Mierlo ingaat op specifieke en toentertijd actuele politieke vraagstukken die de aandacht vele jaren later niet vast weten te houden nu de hitte van het politieke debat is bekoeld.’ Dat is jammer voor historici. Waarover maakte Van Mierlo zich toen zo druk? Wat zegt dat over die tijd? Hoeveel is er precies geschrapt? Het valt voorlopig niet na te gaan, want de teksten maken deel uit van het archiefVan Mierlo. Dat is weliswaar overgebracht naar het Nationaal Archief, maar is nog niet te raadplegen. De toespraken zijn hoe dan ook tijdgebonden en zonder enige kennis van de context niet allemaal goed te plaatsen. De beknopte biografie biedt te weinig aanknopingspunten om dat gemis op te heffen. Desalniettemin is het de moeite waard de teksten te lezen. Ze zijn goed geschreven, vanuit een zeer persoonlijke benadering en de meeste thema’s zijn nog steeds actueel. Van Mierlo riep dikwijls meer vragen op dan hij kon beantwoorden en zijn openlijke twijfel maakte hem als politicus moeilijk grijpbaar. Dat neemt niet weg dat zijn teksten een waardevolle bron zijn voor wie meer wil weten over de politieke vernieuwing in de vorige eeuw en over een charismatische politicus in het bijzonder.  | Hans van Mierlo, Een krankzinnig avontuur. Politieke, culturele en literaire beschouwingen (Bezige Bij; Amsterdam 2012). Gebonden € 29,90. ISBN 9789023463597. Anne Bos (1977) is historicus en verbonden aan het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis te Nijmegen.

46


Volonté Générale 2012 - n°2

Geef de denkruimte weer de vrije ruimte! Patty Claassens Hoe ver staat het ideaal van de universiteit af van de werkelijkheid? Dit is de centrale vraag van de bundel Denkruimte, samengesteld door Wouter Sanderse en Evert van der Zweerde, waarin negen essays van tien verschillende medewerkers van de Radboud Universiteit (RU) te Nijmegen zijn opgenomen. In de essays wordt gesproken over zowel de onderzoeks- als de onderwijsfunctie van een de universiteit. In een tijd waarin niet wordt geïnvesteerd in onderwijs en innovatie, is dit een boek dat hard nodig is, omdat er kritisch wordt gereflecteerd op de negatieve consequenties hiervan op het academische klimaat in ons land. In het boek wordt opgemerkt dat het onderzoek te lijden heeft onder toenemende dwang om prestaties meetbaar te maken, terwijl het onderwijs te lijden heeft onder een toenemende mate van verschoolsing. Dit zet bij de studenten niet aan tot de ontwikkeling van een academische houding en verwoest voor de wetenschappers de mogelijkheid om creatieve ontdekkingen te doen binnen hun onderzoek. De universiteit kan hierdoor niet bijdragen aan de vorming (Bildung) van de studenten. Hoewel de RU het protest vorig jaar in Den Haag, tegen de bezuinigingen op het hoger onderwijs nog luidkeels ondersteunde, zien we dat ook op hier maatregelen worden ingevoerd die bijdragen aan de verschoolsing en dat ook van onze onderzoekers wordt verwacht dat zij voorafgaand aan hun onderzoek afspraken maken over hun prestaties. Als Nijmeegse universiteit worden wij geconfronteerd met de heersende eisen en normen vanuit zowel het huidige kabinet (hoge rendementscijfers die leiden tot verschoolsende maatregelen) als het globale academisch klimaat (de meetbaarheid van onderzoeksprestaties). Een cultuuromslag ten behoeve van het universitair ideaal enkel op onze universiteit kan onze positie in de academische wereld doen verslechteren. Zo lijkt het kiezen tussen twee kwaden. Voor het ideaal van het onderwijs verwijzen enkele van de auteurs naar het gymnasion zoals de oude Grieken dat kende. Dit werd enerzijds gekenmerkt door de dialogische onderwijstechniek en anderzijds door de lichaamsbeweging die naakt (γυµνός) werd uitgeoefend. Dit laatste aspect wordt niet meer van belang geacht maar de onderwijstechniek wordt geprezen. Vroeger was alles beter. Volgens de maatstaven van Van der Zweerde, moeten we onze universiteiten lof geven voor hun participatie in het maatschappelijke debat, een politieke en maatschappelijke verantwoordelijkheid van de universiteit. Het college van bestuur van de RU draagt hier zelf aan bij, bijvoorbeeld door de rede van rector magnificus Kortmann bij de opening van het academische jaar in 2010 waarin hij zich uitsprak tegen de PVV, en stimuleert verder hun werknemers en studenten om zich hier ook in te mengen. De RU voldoet niet aan een andere door Van der Zweerde geformuleerde verantwoordelijkheid: een universiteit moet de universiteit zijn die het wil zijn. Wat we ook beweren, ook bij ons is de economische logica meer leidend dan de academische logica. Jan Bransen

47


Volonté Générale 2012 - n°2

bekritiseert de universiteit op haar zogenaamde taak om studenten voor te bereiden op de maatschappij. Hierdoor plaatst de universiteit zich volgens Bransen buiten de maatschappij, alsof de universiteit geen deel uitmaakt van de maatschappij. Hoewel de auteurs een overtuigend beeld schetst van hoe het beter zou kunnen, blijft de vertaalslag naar de praktijk soms achter. Een kritische noot wil ik graag plaatsen bij Ron Welters’ lofzang op het Honours-programma van de RU. Het promotiepraatje voor het niveau van dit programma stemt overeen met de visie van de Honours Academy zelf, maar als oud-Honours-student kan ik dit niet onbekritiseerd laten. Hoewel het interdisciplinaire programma uitdagend klinkt en lijkt, viel dit in de praktijk ernstig tegen. Docenten wisten vaak de studenten er niet toe te verleiden om iets voor de cursus te ondernemen, naast hun aanwezigheid bij de colleges, en vonden dit zelf ook niet problematisch. De studenten die worden toegelaten zijn lang niet allemaal het ‘neusje van de zalm’ en lijden vaak aan een gebrek aan intrinsieke motivatie. Dit druist in tegen het ideaal dat veel van de auteurs schetsen in dit boek. Als student of medewerker aan de RU is het interessant om deze interne discussie te lezen (hoewel deze zeker ook voor buitenstaanders nuttig is). Het protest dat doorklinkt in de essays ten opzichte van overheids- en universiteitsbeleid om bijvoorbeeld output te meten lijkt mij een belangrijke boodschap, ook buiten de eigen universiteit. Zou het echter niet extra kracht hebben gehad als er ook medewerkers van andere, misschien buitenlandse, universiteiten op de vraag hadden mogen reflecteren? Binnen elke universiteit heerst een andere cultuur en een verfrissende kijk zou een toevoeging kunnen zijn geweest. Met het oog op diversiteit is het opvallend dat, naast dat alle auteurs van Nijmeegse academische bodem komen, meer dan de helft van de auteurs een cursus heeft gegeven aan de Honours-studenten van de RU. De essays nodigen echter uit tot bezinning over de praktijk en het ideaal van de universiteit. Hopelijk hebben de leden van het college van bestuur ook de tijd om dit boek van eigen bodem te lezen.  | Wouter Sanderse & Evert van der Zweerde (red.), Denkruimte. Reflecties op universitaire idealen en praktijken (Valkhof Pers Nijmegen, 2012). Paperback € 15,95. ISBN 9789056253691.

Patty Claassens (1989) studeert Politieke Theorie aan de Radboud Universiteit Nijmegen en is lid van de fractie AKKUraadt.

48


Volonté Générale 2012 - n°2

Washington Wakes Up To Politico Roel Vossen Toen Barack Obama in 2008 tot president van de Verenigde Staten werd gekozen, was dit behalve een zege voor de Democratische partij en haar kandidaat, ook een duidelijk signaal naar de wereld: het was vanaf dat moment onmogelijk geworden om het belang en de invloed van de sociale media te onderschatten. Tot de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2008 waren de sociale media nog een relatief onbekend fenomeen en werd er weinig serieuze waarde aan gehecht. Obama bewees met zijn campagne dat hij middels het gebruik van sociale media – vooral Twitter en Facebook – miljoenen kiezers achter zich kon krijgen. Veel van deze kiezers waren zelfs bereid om zijn campagne financieel te steunen, waardoor hij een recordbedrag van 300 miljoen dollar aan campagnegeld uit kleine giften ophaalde. Het waren voor een groot deel de sociale media waarmee Obama deze kiezers, waaronder veel jongeren, bereikte. In 1993 schreef de Amerikaanse auteur Michael Crichton een essay in Wired Magazine, waarin hij betoogde dat de ‘oude media’ (denk aan kranten en tijdschriften) uiteindelijk gedoemd waren te verdwijnen. Het was dezelfde tijd waarin internet zijn grote doorbraak beleefde, waardoor informatie steeds goedkoper en makkelijker te verkrijgen was. Volgens Crichton zou de consument als gevolg hiervan steeds meer gaan streven naar specifieke informatie. De more generally oriented paper zou op deze manier overbodig worden. Hoewel Crichton natuurlijk niet concreet doelde op sociale media, is de ontwikkeling van deze ‘nieuwe media’ weldegelijk te koppelen aan Crichtons betoog. De website Politico is een perfect voorbeeld van deze ‘nieuwe media’. 1 In 2006 stopten John F. Harris en Jim VandeHei, twee journalisten die op dat moment voor de Washington Post werkten, bij hun werkgever, omdat ze de manier waarop nieuws verslagen werd te ouderwets en beperkt vonden. Al snel werd Mike Allen, de toenmalige Witte Huis verslaggever van Time, aan het team toegevoegd en werd Politico opgericht. Hoewel Politico aanvankelijk bedoeld was als een website, werd toch besloten een papieren krant met een oplage van 32.000 stuks toe te voegen om het project winstgevend te houden. In eerste instantie werd de website opgericht om de presidentsverkiezingen van 2008 te verslaan. Inmiddels heeft Politico 125 werknemers en is het een van de machtigste nieuwsorganisaties in Washington. Politico is qua urgentie en het bepalen van de agenda The Washington Post voorbij gestreefd. Daarnaast zijn ze vergeleken met andere nieuwsorganisaties als beste vertegenwoordigd in de West Wing. Toen Harris en VandeHei met Politico begonnen, waren zich bewust van de problemen die de ‘oude’ nieuwsvoorziening met zich meebracht. Ze zagen niet alleen dat het steeds slechter ging met de verkoop van kranten, maar ze waren ook van mening dat het medium op zichzelf achterhaald was. Harris zei daarover:                                                                                                           1

De website is beschikbaar via: http://www.politico.com/ (geraadpleegd op 6 mei 2012).

49


Volonté Générale 2012 - n°2

The Post’s reputation was superior to its actual day-in-and-day-out achievement. I don’t say that with any kind of malice. It’s not to disparage the Post, but it’s definitely true that a lot of the material was done with a shrug of the shoulders.2

Harris vond dat niet de uitgever, maar de individuele journalisten centraal moesten staan, omdat zij degenen waren die het medium droegen: ‘What mattered was the individual talents and reputations of journalists. The best journalists had broken free. The best have their own names. They were carrying the business.’ Een andere belangrijke ontwikkeling die sinds het intreden van de sociale media is ingetreden, is het voortdurend korter worden van de omlooptijd van het nieuws (de zogenaamde news cycle). Duurde het vroeger nog een dag voordat het nieuws helemaal rond was gegaan; websites als Politico hebben deze omlooptijd drastisch teruggebracht tot 15 à 20 minuten. De website van Politico is zeker het bezoeken waard. De verschillende thema’s zijn overzichtelijk weergegeven, waardoor het zoeken naar de juiste artikelen geen problemen oplevert. Het paradepaardje van Politico en wellicht ook wat Politico juist zo invloedrijk maakt, is het zogenaamde ‘Playbook’.3 Dit is een soort blog waar Mike Allen dagelijks beschrijft wat de agenda voor die dag in Washington zal zijn. ‘Playbook’ begon als een soort memo waarin Allen de bazen van Politico inlichtte over wat er die dag in Washington zou gebeuren. Al snel werden de memo’s naar steeds meer mensen gestuurd – vooral de campagneteams van de presidentskandidaten in 2008 toonden interesse. Allen werd een steeds machtiger figuur rond het Witte Huis. Tegenwoordig geldt hij als een van de best geïnformeerde journalisten in Washington. Iedere ochtend publiceert hij zijn ‘Playbook’, wat vervolgens door heel politiek Washington nauwlettend bestudeerd wordt. Juist omdat zijn invloed zo groot is, wordt hij ook door het Witte Huis nauwlettend gevolgd. De New York Times noemde hem in 2010 ‘The Man The White House Wakes Up To’. Dan Pfeiffer, de White House communications director, schrijft over Playbook: ‘Playbook is an entity unto itself, far more influential than anything in the rest of the Politico.’ Politico zelf omschrijft Playbook als ‘Mike Allen's must-read briefing on what's driving the day in Washington’. De invloed van Allen blijkt echter vooral uit het feit dat nagenoeg iedereen die in Washington bij de politiek betrokken is, de journalist op de voet volgt. VandeHei schrijft daarover: ‘Playbook is D.C.’s Facebook, and Mike’s the most popular friend’. Over de eventuele partijdigheid die Politico soms verweten wordt is Allen helder: Hij stelt dat Playbook’s visie ‘aggressively neutral’ is, en dat hij om deze reden ook zelf weigert te stemmen. Hoewel er in Amerika sinds de Watergate affaire altijd met argwaan en scepsis wordt gekeken naar Washington en de centrale overheid, heeft Politico samen met andere politieke websites en blogs er                                                                                                           M. Wolff, ‘Politico’s Washington Coup’, Vanity Fair.com (augustus 2009), beschikbaar via: http://www.vanityfair.com/politics/features/2009/08/wolff200908 (geraadpleegd op 7 mei 2012). 3 De website is beschikbaar via: http://www.politico.com/playbook/ (geraadpleegd op 6 mei 2012). 2

50


Volonté Générale 2012 - n°2

voor een belangrijk deel toe bijgedragen dat politiek weer interessant wordt gemaakt voor de ‘gewone’ burgers. Is er dan geen kritiek op Politico? Zeker wel: juist omdat Politico als het ware een verzameling is van nieuwtjes, feiten, geruchten, tweets en -gesprekken waarin gelekt wordt, kan men zich afvragen of de kwaliteit van het nieuws niet uit het oog verloren wordt. Het is af en toe moeilijk om een onderscheid te maken tussen feiten en meningen. De druk om het nieuws zo snel mogelijk te brengen, staat de mogelijkheid tot grondige research en het nagaan van de feiten vaak in de weg. Met de opkomst van Politico is de omlooptijd van het nieuws zeker sneller geworden, maar de vraag is of dit de kwaliteit van het nieuws altijd ten goede komt. Wanneer de lezer het nieuws echter kritisch bekijkt, hoeft dit geen probleem te zijn. In dat geval is Politico– zeker met de komende presidentsverkiezingen in het vooruitzicht – zeer de moeite waard voor iedereen die geïnteresseerd is in de Amerikaanse politiek. En wil je echt van minuut tot minuut op de hoogte gehouden worden van wat er speelt in politiek Washington, dan is ook de Politico Playbook App een aanrader!  | Politico, http://www.politico.com/ Roel Vossen (1987) is parlementair historicus en volgt momenteel de master American Studies aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

51


Volonté Générale 2012 - n°2

Erkenning door ontkenning1 Joep Willemsen In Frankrijk werd in januari door het nationale parlement een wet aangenomen die de ontkenning van de Armeense genocide, evenals ontkenning van de Holocaust, strafbaar maakte. De Turkse regering was woedend en de Turkse ambassadeur werd teruggeroepen naar Ankara. Het hooggerechtshof van Frankrijk heeft inmiddels de wet nietig verklaard, omdat de vrijheid van meningsuiting er door in het gedrang zou komen. De Turkse regering juichte die beslissing toe en was gelukkig dat de vrijheid van meningsuiting zegevierde. Het is een bizar contrast dat Turkije, dat het erkennen van de Armeense genocide strafbaar heeft gesteld, dit besluit toejuichte onder het mom van die vrijheid. In Turkije wordt de Armeense genocide tot op de dag van vandaag pertinent ontkend. Dat Frankrijk tot actie over wilde gaan, kan dus als moedig en respectvol bestempeld worden, vooral wanneer we de politieke en economische belangen in acht nemen. Maar wat lag ten grondslag aan de beslissing van het Franse parlement om het ontkennen van de Armeense genocide strafbaar te stellen? Het signaal dat het met deze beslissing wilde afgeven, is het betuigen van medeleven en respect voor de overlevenden en nabestaanden. Het is een erkenning van de geschiedenis, en een monument dat door de wet moest worden bekrachtigd en veiliggesteld. Daarnaast is het wellicht ook een mogelijkheid om de Westerse waarden te benadrukken, juist in tijden dat die waarden onder druk lijken te staan. Voor de Holocaust heeft men dit ook gedaan in verschillende Westerse landen. In Nederland, Frankrijk en Zwitserland is het strafbaar om de Holocaust te ontkennen en is het ridiculiseren ervan zelfs een strafbaar feit. Dit komt eveneens voort uit betuiging van respect voor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, maar ook uit schuldgevoel dat vele regeringsleiders hadden over hun onmacht, passiviteit en de verschrikkingen van die tijd. Daarnaast was het daardoor makkelijker om opkomende neonazistische partijen en bewegingen snel de kop in te drukken. Juist omdat het – terecht en vanzelfsprekend – enorm beladen onderwerpen zijn in onze contemporaine geschiedenis en we iedere dag nog stille getuigen zien van deze gebeurtenissen, staat het onderwerp nog zeer dicht bij de mens. Het zijn gebeurtenissen die we in de moderne tijd nooit meer hopen mee te maken. Het zijn zwarte bladzijden in de geschiedenis van de mens, die de gemoederen nog flink bezighouden. Dat bleek wederom in enkele discussies rondom de dodenherdenking. Maar, wat is er nu eigenlijk gebeurd in Frankrijk? Wanneer we de emotie uit het debat proberen te halen en er met een puur juridische blik naar kijken, is er iets anders aan de hand dan het puur respect willen betuigen aan de slachtoffers. Het ontkennen van een historische gebeurtenis is namelijk strafbaar gemaakt. Het is strafbaar wanneer je niet                                                                                                           Joep Willems sprak deze column ook uit tijdens de eerste Volonté Générale Soirée van 31 mei 2012. 1

52


Volonté Générale 2012 - n°2

gelooft of ontkent dat de Armeense genocide of Holocaust plaats hebben gevonden. Dit is erg vreemd. Het is eigenlijk ridicuul dat de ontkenning van een historische gebeurtenis, of het belachelijk maken daarvan, strafbaar is. Iedereen heeft recht op meningsuiting, maar ook op domheid en onwetendheid en daarmee indirect ook op kwetsen. Zoals het Franse hof al concludeerde, tast het strafbaar stellen van de ontkenning van de Armeense genocide de basis aan van vrijheid van gedachten en de vrijheid van meningsuiting. De vrijheid van meningsuiting moet niet alleen maar gelden voor meningen die men wil horen, want dan wordt deze vrijheid een lege huls. Juist de frictie die ontstaat door afwijkende meningen, maakt die vrijheid zo waardevol voor discussies. Uiteraard is het pijnlijk voor de nabestaanden van de Armeense genocide en de Holocaust, om geconfronteerd te worden met bepaalde uitspraken, maar de oplossing daarvoor is niet het strafbaar stellen van die uitspraken. Zoals als John Locke vrij vertaald al zei: ‘Het straffen van meningen leidt niet tot overtuiging.’ Het roept ook de vraag op waarom het ontkennen van de slavernij, de moord van de Spanjaarden op de Inca’s, en de politionele acties niet strafbaar zijn gesteld. Waar stopt het? De wetgever zou zich daarom niet met de geschiedschrijving moeten bemoeien. Een veel beter antwoord is om met tegenargumenten aandacht te vragen voor de verschrikkingen en het geleden leed. Laten we daarom vooral proberen om de geschiedenis recht te doen door ze te onderzoeken en in vrijheid te bediscussiëren. Het debat moet zegevieren. De meningen die tegen de gevestigde meningen indruisen, doen daarmee recht aan de zoektocht naar de waarheid, niet het strafbaar stellen ervan. Want dan verstomt het debat en resten ons slechts de monumenten. Erkenning door ontkenning.  Joep Willemsen (1985) is parlementair historicus.

53


Profile for Volonté Générale

Volonté Générale 2012-2  

Het tweede nummer van de tweede jaargang van het tijdschrift waarin het debat over maatschappij, (wereld)politiek, filosofie, economie, kuns...

Volonté Générale 2012-2  

Het tweede nummer van de tweede jaargang van het tijdschrift waarin het debat over maatschappij, (wereld)politiek, filosofie, economie, kuns...

Profile for vlntgnrl
Advertisement