Issuu on Google+


Volonté Générale 2012 - n°1

Inhoudsopgave Hoofdredactioneel

3

Reacties

Let’s ask the audience: waardeloosheid is ook een waarde Jack Segbars De kunst op zijn voetstuk Hans van Houwelingen

5

10

Artikelen

‘Art is Individualism, and Individualism is a disturbing and disintegrating force.’ Oscar Wilde, ‘The Soul of Man Under Socialism’ in The Works of Oscar Wilde (Londen 1965) 925.

Vroeger was alles beter: ontzuiling, individualisme en een verloren solidariteit Wouter Reitsema

13

Hoe het Westen liever Khaddafi verdreef dan de wereld verbeterde Mike van de Weijer

20

Wat is Feminisme 3.0? Liang de Beer & Dieuwertje ten Brinke

26

De Franse verkiezingen van 2012, de Republiek en haar president Bart Verheijen

31

De economie van het biotechnofeodalisme en de esthetiek van het terugslaan Heliana Flores Guido

38


Volonté Générale 2012 - n°1

Crisis in de democratie? Meer democratie! Bas Knoop

45

Het gezicht 180 graden draaien en naar de burger luisteren Interview met Frank Ankersmit

52

Columns & recensies

Volonté Génerale is een tijdschrift voor jonge intellectuelen waarin debat centraal staat. Het doel van dit tijdschrift is de wereld te analyseren en mensen aan het denken te zetten over maatschappij, (wereld)politiek, filosofie, economie, kunst en universiteit.

Parels voor de zwijnen Johannes Visser

58

Stilte na de waarheid Roy Groen

60

Colofon

Tussen onderzoek en debat Coen Pouls

63

Hoofd- en eindredactie Martijn van den Boom Gaard Kets Jan Maas

U vraagt, wij draaien Joep Willemsen

65

Medewerkers aan dit nummer Liang de Beer, Dieuwertje ten Brinke, Heliana Flores Guido, Roy Groen, Hans van Houwelingen, Bas Knoop, Coen Pouls, Wouter Reitsema, Jack Segbars, Bart Verheijen, Johannes Visser, Mike van de Weijer en Joep Willemsen. Contactgegevens email: vlntgnrl@gmail.com internet: www.volontegenerale.nl Aanmelden abonnement Voor gratis digitale toezending kunt u zichzelf via het bovengenoemde email-adres aanmelden. Aanleveren stukken Uitsluitend per email onder vermelding van contactgegevens en een korte persoonsbeschrijving. De hoofdredactie houdt zich het recht voor zonder opgaaf van reden stukken te weigeren. Sluitingsdatum volgende uitgave: 30 april 2012. Copyright © Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd op welke manier dan ook voor commerciële doeleinden, vraag hiervoor eerst toestemming van de hoofdredactie en de auteur(s).


Volonté Générale 2012 - n°1

Hoofdredactioneel Twee weken geleden maakte Job Cohen bekend dat hij zijn positie als fractieleider van de Partij van de Arbeid had neergelegd. In onze herinnering werd Cohen als held binnengehaald toen Wouter Bos zijn afscheid bekend maakte. Als een vuurpijl steeg de PvdA naar de top van de opiniepeilingen. Cohen zou de nieuwe premier van Nederland worden, want hij had inhoud, was wars van het mediaspektakel waar andere politieke leiders zich mee inlieten en hij kon mensen binden. Kortom, hij zou een krachtige politieke speler zijn. Na zijn eerste optredens in televisieprogramma’s en debatten groeide echter het besef dat deze kwaliteiten niet uit de verf kwamen. De inhoud van Cohen zat ergens diep weggestopt onder het onvermogen deze goed uit te spreken. Zijn afkeer van het mediaspektakel betekende ook dat hij er niet mee kon omgaan. Tot slot bleek zijn grootste kracht, het binden van bevolkingsgroepen, zijn achilleshiel, tot groot vermaak van zijn tegenstanders die het beeld van Cohen als theedrinker maar bleven herhalen. De ‘socialisten’ hadden de huid verkocht voordat de beer geschoten was. Nog voordat Cohen een voet in de Tweede Kamer zette als fractieleider, was de val naar beneden al ingezet. Eigenlijk was het een wonder dat de PvdA toch nog de tweede partij van Nederland werd bij de verkiezingen. Deze ontwikkeling, van held tot sukkel, is kenmerkend voor de hedendaagse Nederlandse politiek. Opiniepeilingen schommelen sterk. Kiezers zweven heen en terug. De Socialistische Partij behaalde bij de verkiezingen van 2006 25 zetels, zakte daarna hard terug naar 15 bij de in 2010 en staat nu al een aantal weken virtueel op een aantal boven de 25. Maar niet alleen zetels komen en gaan, ook politiek leiders. Geert Wilders is met acht jaar dienst de langst zittende leider, eerst als Groep Wilders en vanaf 2006 als fractievoorzitter van de PVV. In de tussentijd veranderde het leiderschap bij de VVD, GroenLinks, D66, ChristenUnie en de SGP eenmaal. Bij de PvdA en SP werd er tweemaal van wacht gewisseld, en het CDA worstelt nog immer met zichzelf en zijn potentiële voorganger. Leiders en partijen worden door de kiezer afgestraft. Er zijn genoeg mogelijke oorzaken te noemen, maar de daadwerkelijke toedracht blijft aanleiding tot debat. Zijn de mensen mondiger geworden of juist twijfelachtiger? Hoe maakt de Nederlandse burger zijn politieke keuze: op basis van een enkel onderwerp en niet meer voor het totaalpakket, de ideologie? Is het systeem rot? Wordt het tijd dat de nieuwe generatie het overneemt van de plakkende babyboomers? Moet aan het nationale niveau eigenlijk nog wel wel het zelfde belang worden toegeschreven als voorheen? Valt er eigenlijk nog wel wat te kiezen in het Nederlandse bestel of gaat het slechts om nuanceverschillen? In deze editie van Volonté Générale staat het thema democratie in twee belangwekkende bijdragen centraal: emeritus professor intellectuele en theoretische geschiedenis Frank Ankersmit ontvouwt zijn visie in een interview en Bas Knoop wijdt een artikel aan het onderwerp. Daarnaast is er nog plaats voor visie van ander aard: de discussie over de kunst en het kunstbeleid wordt voortgezet, het activisme van welbewuste vrouwen 3


Volonté Générale 2012 - n°1

in de vorm van het feminisme 3.0 en een kijk op de Franse verkiezingen. Wij verwelkomen Johannes Visser. Hij zal net als Joep Willemsen in iedere editie van dit jaar een column schrijven. Afsluitend willen wij u wijzen op de mogelijkheid zelf een bijdrage te leveren aan Volonté Générale. Wij staan open voor artikelen, suggesties en reacties, en roepen u bij dezen op vooral contact met ons te nemen als u een drang voelt om te reageren. Voor nu: veel lees- en denkplezier toegewenst. Martijn van den Boom Gaard Kets Jan Maas

4


Volonté Générale 2012 - n°1

Het onderstaande is een reactie op de discussieartikelen ‘Tussen kunst en cash’ over de commercialisering van de kunst in Volonté Générale (2011-2). Anna Tilroe, Marijke Goeting en Michelle Franke zetten in deze artikelen uiteen welke invloed de commercialisering heeft op het tot stand komen van een kunstwerk en de wijze waarop het wordt geïnterpreteerd.

Let’s ask the audience: waardeloosheid is ook een waarde Jack Segbars Anna Tilroe spreekt in ‘Tussen kunst en cash: commercialisering van de kunst’1 over de overwinning van de neoliberale markteconomie die de enige en beslissende parameter zou zijn voor de waardebepaling van een kunstwerk. Deze redenering gaat voorbij aan het feit dat de waardering voor kunst al lang niet meer alleen plaatsvindt als commodity. Naar mijn mening gebruikt Tilroe een retorisch argument om de gewenste kritische en subversieve kwaliteit van de kunstproductie te voorzien van een maatschappelijke grondslag en doelstelling. In feite roept Tilroe om een re-institutionalisering van de kunsten op een wijze zoals deze ooit waren ingebed: als een reservaat van kritisch potentieel dat enkel aan de progressief linkse gesteldheid verbonden is. Daarmee is het ook een her-optakeling van de oude dichotomie tussen links en rechts. Problematisch hieraan is dat Tilroe de autonomie en expertise van het individu miskent en de kunst verbindt en dienstbaar maakt aan één enkele politieke visie.

Het commodity-argument In de hyperrealiteit van de ontketende liberale economie, zo schetst Tilroe, raakt de relatie tussen financiële waarde en intrinsieke waarde van een kunstwerk extra zoek. Hoewel ze ook opmerkt dat dit een verschijnsel van alle tijden is, wordt de doem van de totale en destructieve overwinning van het neoliberale model ingezet om tot een herijking van een algemene waardeattributie te komen. Ze wijst de oude avantgardistische rol van de kunst weliswaar af, maar verlangt dat de kunst wel haar maatschappelijke verantwoordelijkheid neemt. In Tilroes kritiek wordt kunst als ethisch en politiek object neergezet. En kunst wordt exclusief verbonden aan één kant van de ideologische strijd en opgevoerd als scharnier van dezelfde strijd. Marijke Goeting illustreert dit idee aan de hand van de wijze waarop kunst verhandeld wordt. 2 Volgens haar is de white cube de dubbelzinnige vorm waarmee de economische overmacht zich de                                                                                                            

A. Tilroe, ‘Tussen Kunst en Cash: commercialisering van de kunst’ Volonté Generale n°2 (2011) 14-15, beschikbaar via: http://www.volontegenerale.nl/post/9833729290/vg01-2 (geraadpleegd op 3 maart 2012). 2 M. Goeting, ‘Kunst vacuüm verpakt’, Volonté Generale n°2 (2011) 16-21, beschikbaar via: http://www.volontegenerale.nl/post/9833729290/vg01-2 (geraadpleegd op 3 maart 2012). 1

5


Volonté Générale 2012 - n°1

artistieke inhoud toe-eigent en ontheiligt. Ook in haar artikel heerst het idee dat kunst niet alleen maar in de financiële kwaliteit uitgedrukt zou mogen worden en dat deze presentatievorm uitsluitend een kapitalistisch vehikel is dat de verhandelbare objectstatus van een kunstwerk dient. In beide vertogen komen bekende voorstellingen over de functie van het kunstobject naar voren: als representatie van een diepere ‘waarde’ buiten de economische ordening om, met daartegenover een systematiek (het neoliberale denkbeeld) dat deze verwerkelijking verhindert. Maar klopt deze kritiek nog wel? Het is namelijk problematisch om te bepalen waar het ‘object’ van de kunst zich bevindt, in welke hoedanigheid kunst zich manifesteert en in welke relatie ze zichzelf formuleert tot de presentatievorm. Een andere vraag is of het steeds maar opnieuw plaatsen van de kunst binnen het sjabloon van de zuivere intentie die gecorrumpeerd wordt, de huidige impasse rondom kunst verder helpt. In deze beelden worden het publiek en het medium onderschat. Kunst drukt zich uit in verschillende vormen en leent zich voor verschillende lezingen. In plaats van haar op te sluiten in een enkelvoudig vertoog dat een meervoudige positionering en werking uitsluit, zouden we van deze diversiteit gebruik moeten maken. In de ontwikkeling van de kunsten zijn aanknopingspunten te vinden die in de actuele discussie rondom het ontbreken van het maatschappelijk draagvlak de aandacht verdienen. De politieke werking van kunst manifesteert zich niet door middel van uitspraken of werken als publieke speler in het maatschappelijke debat, zoals voorheen het geval was, maar manifesteert zich door haar praktijk en de vorm die ze aanneemt. Het heeft geleid tot kunst die minder eenduidig en instruerend is, ruimte voor discussie opent en meer betrokkenheid van het publiek vereist. Deze kwaliteiten zijn nog onvoldoende zichtbaar, maar kunnen mogelijk wel de negatieve effecten van de neoliberale turn tegengaan. Om dit te illustreren bespreek ik de kritieken van Tilroe en Goeting op de commerciële waardering voor kunst en de analyse van de white cube.

Kritiek op de kritiek van de oppervlakte De kunst van Jeff Koons, die Goeting als exemplarisch voor de scheefgelopen waardetoekenning aanvoert, kan evengoed anders worden gelezen. Goeting stelt dat de publieke waardering voor de kunst gelijkloopt met de financiële waarde ervan. Echter, het is te betwijfelen of het publiek deze disconnectie van waardetoekenning niet herkent. Koons’ kunst is de objectieve bewijsvoering van bestaand objectfetisjisme. De afnemer ervan – of het nu de koper of beschouwer betreft – vormt de gewillige stut van de realisatie van het werk en is daarmee onderdeel van het tentoongestelde geradicaliseerde spel van waardetoekenning. Koons gijzelt de afnemer, houdt het publiek dit beeld voor en houdt het tegelijkertijd gevangen. Koons’ werk stelt de ‘waardeloosheid’ – de discrepantie tussen inhoud en vergoeding in de uitwisseling – juist tentoon. De financiële waardering is een element in

6


Volonté Générale 2012 - n°1

het spel waarvan de hoogte niet gelijk is aan de populaire of inhoudelijke waardering. Koons geeft geen kant-en-klare uitweg uit dit dilemma. Hij wijst niet op een alternatief, maar alarmeert door de nuchtere anamnese. Irritant en ongeëngageerd misschien wanneer men van kunst richting verwacht, maar hierin verwijst zijn werk dan ook naar het verlangen om kunst als ethisch en instruerend kompas te zien. Koons verplicht niemand tot het consumeren van zijn kunst. Overigens geen enkele kunstenaar dient zich te conformeren aan de beurssystematiek en hoeft niet in te stappen in dit waarderingssysteem (en doet het vaak ook niet).3

Kritiek op de kritiek van de white cube Het functioneren van de white cube is eveneens anders te lezen dan Goeting stelt. Het model van de white cube is in de jaren 1950 en 1960 ontwikkeld vanuit conceptuele en minimalistische overwegingen en niet louter als presentatievorm voor abstracte kunst. Met het ‘wegverven’ van de omgevende ruimte van het kunstobject wordt de opbouw van de ruimtelijke context duidelijker. Als er één ding expliciet wordt door de white cube, dan is het allereerst de white cube zelf. De context waarin een kunstvoorwerp wordt gepresenteerd en gerealiseerd, wordt ontsloten en levert een inzichtelijk geheel op. Het tentoonstellingsmechanisme en alle institutionele implicaties, ook die van het publiek, worden geopenbaard. Veel kunst wordt vanuit deze formele basisinzichtelijkheid en als betekenisspel tussen maker en kijker geconcipieerd. Het vormt de culminatie van de ontwikkeling van de conceptuele kunst in de jaren 1960, waarin de condities, de machtsverhoudingen, de status en de productie van het kunstobject als artistieke uitdrukking onderzocht worden. Het publiek wordt betrokken in de realisatie van het kunstwerk en speelt een actieve rol in de betekenisgeving van het werk. Productie en receptie worden in één traject vormgegeven. De kunstenaar is daarbij zowel lezer als betekenisgever in de gemeenschappelijke onderneming. Kunstenaar en publiek staan op gelijke voet.

Fragmentatie en oplossing Deze inzichten hebben geleid tot kritische reflectie op bestaande tentoonstellingspraktijken en onderzoek naar alternatieve vormen van productie en presentatie. De kunstpresentatie heeft zich verwijderd van                                                                                                            

In die zin volg ik de conclusie van Stefan Vervoort niet (S. Vervoort, ‘De omtrek van de kubus: Manfred Pernice over de kunstmarkt’, Volonté Generale n°3 (2011) 16-21, beschikbaar via: http://www.volontegenerale.nl/post/13775109237/vg01-3 (geraadpleegd op 3 maart 2012)). Zijn kritiek op de ‘immuniteit’ voor commentaar op de werken van Steinbach en Koons miskent de autonomie van de kijker. Volgens hem is deze soort kunst een culminatie van het ontsporen van de toegevoegde waarde aan de minimalistische en conceptuele dragers die niet bestand zouden zijn tegen deze commodificering van buitenaf. Vervoort ontzegt de kijker de potentiële positie als metabeschouwer; hij zou niet voorbij de implicaties van de ‘verwording’ kunnen kijken. Toch is elke stap elke morele of ethische gevolgtrekking in dit traject naleesbaar. Een gesloten kunstwerk doet ook een uitspraak. Of ze wenselijk wordt geacht is wat anders. 3

7


Volonté Générale 2012 - n°1

de voor het publiek meest zichtbare openbaarheden: de beurs, de studio en het museum. De laatste decennia is het aantal nieuwe platformen geëxplodeerd: de kunstruimte, de afzondering, de galerie, de kritiek, het vakblad, de biënnale, de verzamelingen, de curator, de performance, het online weblog, het instituut, de collecties, het erfgoed, de alternatieve kunstruimte, het symposium, de opleidingen, de kunst in de openbare ruimte, universiteiten en opnieuw het museum. De kunstpresentatie heeft zich zelfs verwijderd van de gangbare rolverdeling, want ook de curator, de vormgever, de instituties en het publiek worden als onderdelen van de kunstproductie beschouwd. Dit heeft geleid tot een fragmentatie en grotere onzichtbaarheid van de artistieke inhoud die zich heeft opgesplitst in een objectgebonden presentatie enerzijds en een theoretisch discursieve inhoud anderzijds – en alle mogelijke varianten hiertussen. Er functioneren meerdere waarderingssystemen die met elkaar verweven zijn. Naast de immateriële, transactionele waarde die kunstenaars ambiëren in hun praktijken, ontsnappen ze nooit aan de concreetheid van het object waarlangs deze bemiddeld wordt. Het is echter de bemiddeling tot dit knooppunt die het focuspunt van de artistieke ambitie is: het kunstwerk. Traditionele objectkunstenaars, zoals Bernard Frize, Raoul de Keyzer of Tomma Abts, behandelen met de formele methodieken van hun werk economische- en waarderingsmethodes die een kritiek uitoefenen op de maatschappelijke werkelijkheid. Toch functioneren deze werken alleen in een smetteloze witte ruimte waar ze de aandacht van de kijker afdwingen. De white cube functioneert hier niet als een mythologiserende, versluierende en onthechtende omgeving – zoals Goeting schetst –, maar als aandachtsmechanisme. Ondanks de druk die van de groeiende neoliberaliteit, lijkt aan deze trend geen einde te komen; het tegendeel is eerder waar. Het oorspronkelijke museum, de van de commodity losgeknipte quasi reine ruimte is overgegaan in tal van andere ruimtes waar zijn nieuwe inhoud is aangepast aan de nieuwe omgevingen.

No easy way out Er is geen eenvoudig antwoord op het verminderde draagvlak voor de kunsten. Als slotakkoord van het emancipatieproces van het individu komt er een natuurlijk einde aan de oorspronkelijke functionaliteit en de exclusieve en elitaire positie van de moderne kunsten. Wanneer de kijker als volwaardig wordt gezien, kan de kunst niet meer instrueren, geen autoritair voortouw meer nemen. Ook zijn in deze openbare verschijningsvorm haar subversieve aura en ruimte opgelost. Ze is gefragmenteerd en is verregaand opgegaan in de dagelijksheid, hetgeen ook de intentionele beweegreden was: de aanhechting met het leven an sich waar kunst haar arbeid al verricht in de atypische praktijken, onderwerpkeuze en zichtbaarheidsstrategieën. Daarin liggen haar kracht én zwakte besloten. Het is noodzakelijk deze geschiedenis en de gevolgen voor de huidige

8


Volonté Générale 2012 - n°1

kunstpraktijk en de maatschappelijke aanhechting te ontsluiten en te duiden. Daarin ligt een taak weggelegd voor de culturele actoren, instituten en opleidingen. Daarbij kunnen de kunsten in een door en door gemedialiseerde, transparante en openbare wereld niet langer bogen op een kwaliteit als ontsluiter van wat verborgen ligt, of als brenger van een ander perspectief. Dat was in de modernistische hiërarchische rolverdeling het essentiële onderscheid tussen de kunstenaar en de kijker. Hoewel dit het dierbaarste kroonjuweel is van de kunsten, is het opgeven ervan noodzakelijk om voorbij haar eigen begrenzing te geraken. Daarentegen is er een andere, meer symbolische functie denkbaar: de huidige praktijk en het functioneren van kunstenaars in de cracks van de maatschappelijke posities en rolverdelingen, is een impliciete kritiek op de norm. Kunst manoeuvreert tussen politiek, bestuur, ideologie en design. In deze constante balancing act, deze vrijwillige verbanning uit de hiërarchische categorisering, ligt wellicht haar grootste politieke betekenis. De oproep die doorklinkt in de tekst van Tilroe om de kunst weer te zien als de kritische maatschappelijke kracht is tegenstrijdig aan haar natuurlijke gang. De kunst heeft altijd willen oplossen. Het is de vraag wat de kunsten aan feitelijke middelen herbergt om deze kennis functioneel te maken. Daarnaast dient de kunst zich te bezinnen op de kwestie aangaande haar maatschappelijke taakstelling. Als onderwerp draagt ze die namelijk al lang uit. De vraag is nu hoe, en of de waarde hiervan ontsloten kan worden. Er is geen weg terug naar bevoogding en exclusiviteit. Wanneer geaccepteerd wordt dat de avant-gardistische fase werkelijk voorbij is en het publiek vanuit een gelijkwaardige uitgangspositie deelgenoot is van dezelfde onderneming, dan kan de kunst niets anders dan pogen zich uit te leggen en medestanders voor haar zaak te vinden. Ze zou dit nulpunt feitelijk moeten willen omhelzen.  Jack Segbars (1963) is beeldend kunstenaar, curator en schrijver. Hij houdt zich voornamelijk bezig met de condities en parameters van de kunstproductie. In 2009 publiceerde hij Rondom All around the periphery (Onomatopee)4 dat handelt over de overlap van posities en domeinen. Hij doceert aan diverse kunstopleidingen.

                                                                                                           

Beschikbaar via: http://www.onomatopee.net/pages/projecten/omp29.html (geraadpleegd op 3 maart 2012). 4

9


Volonté Générale 2012 - n°1

Het onderstaande is een reactie op de discussieartikelen ‘Tussen kunst en cash’ over de commercialisering van de kunst in Volonté Générale (2011-2). Anna Tilroe, Marijke Goeting en Michelle Franke zetten in deze artikelen uiteen welke invloed de commercialisering heeft op het tot stand komen van een kunstwerk en de wijze waarop het wordt geïnterpreteerd.

De kunst op zijn voetstuk Hans van Houwelingen Wat op een sokkel wordt gezet om zich boven het volk te verheffen, wordt er ook ooit weer vanaf getrokken. Kunst is een partijpolitiek, electoraal gevoelig onderwerp en de huidige regering heeft de gehele culturele sector hardhandig van zijn gepolijste voetstuk geslagen. De muze hangt plat voorover aan de dunne pijpjes die in haar geknakte bronzen enkels ter versteviging waren aangebracht. Het is weliswaar een trieste aanblik, maar vreemd is het niet: zowel de oprichting als de vernietiging van monumenten gebeurt om precies dezelfde redenen. Beide zijn de uitkomst van een strijd om de taal van het beeld in een door kunst en politiek gedeelde arena. Monumenten worden opgericht voor de beeldvorming, zoals ze om een vergelijkbaar beeld worden vernield. Iedereen kent de georkestreerde beelden van het omvergetrokken standbeeld van Saddam Hoessein, waardoor de wereld kon zien dat hij de slag verloren had. Ook de huidige regering calculeerde bij haar aantreden de waarde van de kunst en zag de volle winst in het beeld van haar destructie. Kunst, het op een voetstuk gehesen icoon van de sociaaldemocratie, werd er als het beeld van de nieuwe neoliberale heerschappij vanaf geslagen. Deze omslag betekent in geen geval dat de overheid de unieke waarde van kunst uit het oog is verloren, integendeel, juist de beeldende eigenschap van kunst werd perfect benut. Het grandioze beeld van een kunstelite die van zijn voetstuk wordt gebeukt vond bij de kiezer gretig aftrek. Het electoraat, dat zich van de huidige macht niet langer met kunst dient te verheffen, zwolg in het beeld van haar nederlaag. De staatssecretaris van cultuur kneep de dunne uier van zijn melkkoe in een ruk leeg, waarmee ook het electorale succes van die actie snel verdroogde: je kunt niet achter een elite blijven aanjagen die al verdreven is. Maar als verbeelding van de macht is kunst veel te lucratief om verder ongemoeid te laten. De luttele investering – tweehonderd miljoen meer of minder – betaalt zich makkelijk terug indien daar een effectief instrument voor beeldvorming tegenover staat. Nu al zijn de kiemen zichtbaar van een nieuwe fase waarin de kunst opnieuw zal worden aangesproken, omarmd en uitgebuit. Een aan zijn eigen excessieve markt ten onder gaande neoliberale politiek die onder Europese curatele komt te staan, dwingt zichzelf om de golflengte van zijn beeldvorming bij te stellen. De ambivalentie waarmee de vele Europese miljarden aan de nationalistische kiezer moeten worden uitgelegd leidt geheid tot een nieuwe toevlucht tot de kunsten. Immers, waar politici verplicht zijn tegenstrijdigheid te verbergen, zijn kunstenaars 10


Volonté Générale 2012 - n°1

openlijk meesters van de paradox. Het grote Europa wordt bevolkt door mensen met volstrekt uiteenlopende nationale tradities, wat een soepele economische samenwerking in de weg staat. Naarmate Europa zich nadrukkelijker ontwikkelt als een politieke unie, creëert dat ook een vraag naar een nieuwe culturele realiteit. Europese cultuur wordt een politiek doel. Om talloze lokale tradities en een kolossaal Europa in elkaar te vlechten zijn kunst en cultuur onontbeerlijk. Het is onvermijdelijk dat politiek en kunst zich opnieuw in elkaars domein begeven en daar hun stellingen betrekken. De vraag is dan in welke slagorde de kunst naar voren treedt. Geen mens is nog verontwaardigd over zijn noodlottig bestaan als consument en kijkcijfer in wat potsierlijk de vrije markt wordt genoemd. Geen wonder dat politieke partijen die trend inmiddels volgen en zich op de kiezersmarkt storten. Onder ‘liberale’ vlag wordt aan een bekende truc gestand gedaan indachtig een oud citaat van Joseph Goebbels: Als je een leugen vertelt die groot genoeg is en hem blijft herhalen, zullen de mensen het uiteindelijk gaan geloven. De leugen kan gehandhaafd blijven zolang de staat de mensen kan beschermen tegen de politieke, economische en/of militaire gevolgen van die leugen. Het is daarom van vitaal belang dat de staat al zijn mogelijkheden gebruikt om afwijkende meningen te onderdrukken, want de waarheid is de aartsvijand van de leugen, en vervolgens is dus de waarheid de grootste vijand van de staat.1

We zijn inmiddels gaan geloven in een volksvertegenwoordiging als een ondernemer in electorale producten. Henk en Ingrid, hardwerkende Nederlanders, tsunami’s van asielzoekers, animal cops, kunstelites en ‘gewone mensen’ zijn slechts enkele voorbeelden. Nieuw is dat de kunstwereld na het economische ook het politieke neoliberale mantra heeft overgenomen en inmiddels ook categorisch onderscheid in mensen maakt. Rondom het uit de politiek overgewaaide adagium ‘gewone mensen’ worden de bakens in de kunstwereld verzet. Geheel conform de kiezersretoriek van de overheid is in de kunstwereld ‘toegankelijkheid’ het nieuwe criterium waaraan mensen die zelfs totaal geen behoefte hebben aan kunst hun tevredenheid kunnen toetsen. Tot nu toe bestond kunst uit een keur van uitingsvormen waar je als mens naar believen uit kunt kiezen en toegang tot had. Je kon zelf bepalen in welke mate en op welke manier je tot welke kunst toegang wilde hebben. Je kon van een schilderij van Mondriaan genieten, als je er niet helemaal mee uit de voeten kon dan las je er een artikel of boek over en als het je niet interesseerde dan viel je oog wel op iets anders. Hoe dan ook is de kunst van Mondriaan op talloze manieren toegankelijk. Naar de huidige maatstaf zou Mondriaan verplicht de boel naar ‘de gewone mensen’ hebben moeten toe schilderen. Het zou een volkomen smeerboel zijn geworden wat zijn werk volstrekt onherkenbaar zou maken en dus volstrekt ontoegankelijk.                                                                                                             J. Goebbels, Die Zeit ohne Beispiel (München 1941) 364-369, beschikbaar via: http://reichsarchiv.com/Buecher/01_Bis_1945/G/Goebbels-Joseph-Die-Zeit-ohneBeispiel.php (geraadpleegd op 8 februari 2012). 1

11


Volonté Générale 2012 - n°1

Hordes verwarde kunstenaars verlaten zich inmiddels op voor gewone mensen gefabriceerde troep, waarmee hun juist resoluut de toegang tot hun kunstenaarschap onthouden wordt. Ervaren kunstbemiddelaars spelen namens de gewone mensen een aangepaste onnozelheid, doen alsof ze kunst niet meer begrijpen omdat gewone mensen dat ook niet kunnen. Academici met bibliotheken thuis doen alsof ze niet meer kunnen lezen en pleiten voor gewone mensentaal. Kunstinstellingen maken in volstrekte rechtvaardiging achterlijke tentoonstellingen, omdat het voor de gewone mensen is. Rijksmuseumdirecteur Wim Pijbes preekt in het openbaar dat collegiale instituten, zoals de Appel of het Van Abbemuseum, voor de gewone mensen niet toegankelijk zijn. Pas als hij zijn zin krijgt en deze instituten sluiten zijn ze ontoegankelijk. Vanuit de politiek is de gewone mens als een Neanderthaler de kunstwereld binnengehaald en iedereen staat klaar hem een aangepast programma aan te smeren. Maar een ‘gewone mens’ bestaat niet. Hij bestaat alleen in de hoedanigheid van economisch of politiek marktbelang: gewone mensen zijn ordinaire business zoals elitair kunstvolk dat omgekeerd ook is. Wanneer de kunst de mens als markt beschouwt, in gelijke tred met economie en politiek, dan ontneemt ze zich haar scherpste wapen, namelijk als schepper van cultuur, als essentiële machtsfactor van de samenleving, de noodzakelijke antithese van politiek en economie. De naïeve veronderstelling dat de kunst een maatschappelijke partij kan zijn als alle andere, gaat voorbij aan het feit dat het de natuur van de politiek is om van de kunst een beeld te maken. Er is niets dat de politiek die ambitie ontneemt en nooit mag de kunst veronderstellen dat zij zich daaraan kan onttrekken. Ook deze regering – en de volgende – zal de kunst weer op een sokkel hijsen. Laat het een hoge zijn!  Hans van Houwelingen (1957) volgde zijn opleiding aan de ABK Minerva in Groningen en aan de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Zijn werk manifesteert zich internationaal in de vorm van interventies in de publieke ruimte, tentoonstellingen, lezingen en publicaties, waarin hij de relatie tussen kunst, politiek en ideologie onderzoekt.

12


Volonté Générale 2012 - n°1

Vroeger was alles beter: ontzuiling, individualisme en een verloren solidariteit Wouter Reitsema ‘Metamorfose van een crisis’ was de titel van de op 19 september 2011 door de VPRO uitgezonden aflevering van het programma Tegenlicht.1 In deze aflevering werd de vraag behandeld hoe de aard van de economische en politieke crisis, die zich vanaf 2008 aan het voltrekken is, zich nu eigenlijk het beste laat omschrijven. De bij elkaar gekomen groep van intellectuelen stelde zich de vraag hoe deze crisis moet worden opgelost en vooral welke rol de staat daarin kan of moet spelen. Eén van de kwesties waar staten volgens de geïnterviewden op dit moment mee worden geconfronteerd, werd door de Amerikaanse socioloog Craig Calhoun aangestipt: ‘The really big question is about the state. And whether the state is a source of solidarity that helps citizens or is mainly organized as support for the global capitalist system.’ Nu zette Calhoun met deze vraag twee grote onderwerpen nogal bruusk tegenover elkaar, terwijl, als we Marx ‘even’ parkeren, het kapitalisme en solidariteit elkaar misschien niet uit hoeven te sluiten. Echter, als we bijvoorbeeld aan de Occupy demonstranten denken die zelfs de vrieskou willen trotseren, is de zorg om het gebrek aan maatschappelijke solidariteit een breed gedragen gevoel. Dit verlies aan solidariteit wordt in de Nederlandse historiografie vaak aan het idee van ontzuiling en, in een breder perspectief, aan individualisering gekoppeld. Beide fenomenen zouden zich met name vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw hebben voorgedaan. Zijn deze aannames wel terecht? Is (of was) er inderdaad sprake van individualisering en, zo ja, sinds wanneer? Wat zijn de implicaties daarvan? En hoe verhoudt het Nederlandse verzuilingsdebat zich tot het idee van individualisering? In welke mate is er eigenlijk sprake van solidariteit en wat houdt dat begrip nu werkelijk in? Dit is slechts een aantal vragen dat opkomt, denkend aan de bovenstaande onderwerpen. In een poging op al deze onduidelijkheden een antwoord te vinden, zoeken we uit of er ongeveer halverwege de vorige eeuw in Nederland een culturele regime change plaatsvond die ervoor zorgde dat begrippen als individu, solidariteit en saamhorigheid op losse schroeven kwamen te staan.

Individualisering in Nederland: een omstreden concept Met betrekking tot het debat over Nederland en de verzuiling volgen we het betoog van de Nederlandse historicus Peter van Dam. In zijn onlangs verschenen boek zet Van Dam helder uiteen dat het idee van verzuiling (en dus ook ontzuiling) zowel in de geschiedenis, alsook in de historiografie eerder een ‘mythe’ dan werkelijkheid betreft en daarom als analytisch begrip meer problemen schept dan dat het ze oplost.                                                                                                             ‘Metamorfose van een Crisis’, Tegenlicht VPRO (19 september 2011), beschikbaar via: http://www.uitzendinggemist.nl/afleveringen/1111516 (geraadpleegd op 3 maart 2012). 1

13


Volonté Générale 2012 - n°1

Toch is hij van mening dat ‘verzuiling (…) een sleutel [blijft] tot de Nederlandse geschiedenis van de twintigste eeuw’, omdat het begrip duiding geeft aan een zeker beeld dat Nederland van zichzelf had en nog steeds in meer of mindere mate van zichzelf heeft.2 Het begrip is hoe dan ook van invloed geweest op bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen en het was tijdenlang de leidraad voor politieke besluitvorming. Desalniettemin is het volgens Van Dam vanuit historiografisch oogpunt vruchtbaarder te spreken van ‘zware gemeenschappen’ dan van de protestantse, katholieke, socialistische of liberale zuilen. Zo’n zware gemeenschap baseerde zich exclusief op ‘één helder omlijnde levensbeschouwelijke traditie’ en zag vooral zichzelf als een ‘afzonderlijke gemeenschap binnen de natie.’3 Het begrip zware gemeenschap dekt volgens hem beter de lading om een aantal redenen. Voor onze vragen is vooral van belang dat de verzuilingsbeeldspraak mank gaat, omdat ‘het idee dat er bij de overgang van verzuilde naar ontzuilde maatschappij radicaal met het verleden is gebroken’ volgens van Dam niet klopt.4 De historische consensus met betrekking tot de verzuiling omvat namelijk de opvatting dat deze zware gemeenschappen in de jaren vanaf 1960 onder druk kwamen te staan.5 Het religieus, cultureel en politiek regime van de verzuiling, zoals dat toen werd beleefd, stortte in de eerste drie decennia na de Tweede Wereldoorlog ineen. Confessionele organisaties, die in het idee van verzuiling tot 1960 een hoofdrol in de structurering van de Nederlandse samenleving speelden, verloochenden volgens de Amerikaans-Nederlandse historicus James Kennedy niet zozeer hun christelijke basis, maar ‘hun godsdienstige identiteit [werd] zo vaag […] dat zij niet langer aan een bepaalde subcultuur dienstbaar waren.’ 6 Bovendien kon het individu nu ook zelf, dankzij de voortschrijdende individualisering en secularisering, zich bevrijden van de ‘knellende greep van de zuilen.’ 7 Dit transitieproces van zware gemeenschappen naar lichte gemeenschappen, wordt in de historiografie – hoe kan het ook anders – aangeduid met de term ontzuiling. Belangrijk is de verdere specificatie van het begrip ontzuiling. Volgens Van Dam voltrok dit transitieproces zich op de drie hierboven beschreven dimensies van individu, religie en politieke maatschappij. Voor ons is vooral het eerstgenoemde aspect van de vermeende verzuiling van belang voor de antwoorden op onze vragen. De eerste dimensie gaat namelijk over het ‘grote verhaal’ van de individualisering. Dit proces zou zich in het naoorlogse Nederland ten koste van het in de zuilen verankerde collectief hebben voltrokken en wordt daarom verantwoordelijk gehouden voor het schrijnende verlies aan sociale cohesie en maatschappelijke solidariteit.                                                                                                            

P. van Dam, Staat van Verzuiling. Over een Nederlandse mythe (Amsterdam 2011) 18-19. Ibidem, 37. 4 Van Dam, Staat van Verzuiling, 101. 5 F. Wielenga, Nederland in de Twintigste Eeuw (Amsterdam 2009) 235-248. 6 J. C. Kennedy, Nieuw Babylon in aanbouw (Amsterdam 1995) 98. 7 Van Dam, Staat van Verzuiling, 77. 2 3

14


Volonté Générale 2012 - n°1

Het idee van de woekerende individualisering is echter niet onomstreden. Er bestaat gerede twijfel over de invulling van het begrip, alsook over de vraag of het proces in al zijn verscheidenheid eigenlijk wel reëel te noemen is. Eén betekenis van individualisering die in dit verband helder is, is de voorstelling van individualisering als een voortdurend proces waar een samenleving zich in kan bevinden. Dit proces wordt gekenmerkt door de afbraak van een dominant normen en waarden systeem. Na verloop van tijd bestaan er alleen nog minderheden die al dan niet een handjevol bepaalde normen en waarden delen. De publieke opinie ondergaat als het ware een ‘pluriformering’ van opvattingen. Deze minderheden bestaan bovendien uit losse individuen die zich voor het vaststellen van hun normen en waarden niet meer door een grotere sociale groep, bijvoorbeeld de kerk, laten leiden in hun normvorming. De persoonlijke normvorming ondergaat daarmee een proces van privatisering: de geïndividualiseerde mens bepaalt immers zelf wel wat goed voor hem of haar is.8 Het is via deze weg dan ook voorstelbaar dat een dergelijke individualisering een bepaalde verkilling, een ‘ver-asocialisering’, van de samenleving tot gevolg kan hebben. Immers, normvorming vindt plaats op individuele grond en deze hoeft geen rekening meer te houden met (de gevolgen voor) het collectief. De letterlijke én figuurlijke afstand tussen personen is te groot geworden. In deze zin past het concept individualisering als essentieel onderdeel goed in het beeld dat bestaat van de ontzuiling. Zo’n definitie is natuurlijk leuk, maar snijdt hij ook daadwerkelijk hout? Hoe reëel is het proces van individualisering nu echt en klopt de historische consensus dan nog wel dat alles anders werd na de jaren 1960? De Nederlandse econometrist Paul de Beer zocht het uit aan de hand van een enquête die vanaf 1970 over een periode van vijfentwintig jaar was afgenomen. Zich richtend op de toename van pluriforme meningen en de vermeende privatisering van de normvorming concludeert hij dat de afwijking over al die jaren verwaarloosbaar is. Daarmee blijft de verklaringskracht van meer algemene traditionele achtergrondvariabelen die bepalend zouden zijn voor normvorming, zoals geslacht, leeftijd, opleidingsniveau of geloof, volgens De Beer gehandhaafd.9 Vooralsnog is er dus geen doorslaggevend bewijs voor een doorgeschoten geprivatiseerde en gepluriformeerde samenleving. Vanuit de verzuilingsthese kan hier echter tegen in worden gebracht dat de periode die De Beer heeft onderzocht nu juist precies ná het hoogtepunt van de ontzuiling valt. Dit zou verklaren waarom er sinds 1970 geen significante verschillen meer waarneembaar zijn tussen individuele                                                                                                             P. de Beer, ‘Individualisering zit tussen de oren’, in: J. W. Duyvendak en M. Hurenkamp (red.), Kiezen voor de kudde. Lichte gemeenschappen en de nieuwe meerderheid (Amsterdam 2004) 1923. 9 Ibidem, 27-36. Zoals gezegd, noemt De Beer onder andere ‘geslacht’ als een valide achtergrondvariabel als verklaring voor individuele normvorming. Er vanuit gaande dat De Beer hiermee niet doelt op geslachtelijk bepaalde uitingen van autonomie, had hij beter het woord ‘gender’ kunnen gebruiken of op zijn minst even kort in kunnen gaan op hoe sociale constructies, zoals sekse, hierin een rol zouden kunnen spelen. 8

15


Volonté Générale 2012 - n°1

normen, omdat juist het omslagpunt in de twee decennia daarvoor zou liggen. Aan de andere kant heeft de tijd in de afgelopen veertig jaar natuurlijk ook niet stil gestaan. Er is veel veranderd op sociaal, politiek en maatschappelijk gebied. Het is daarom goed mogelijk dat bijvoorbeeld op papier het individualisme wel is toegenomen, maar dat desondanks de uitwerking daarvan zich niet laat vertalen in significant anders denkende en handelende mensen. We kunnen meer en vrijer kiezen, maar we kiezen desondanks voor hetzelfde. De sociologen Jan Willen Duyvendak en Menno Hurenkamp zijn het er in ieder geval over eens dat ‘groepen (…) nog altijd sturend [zijn] voor het (keuze)gedrag van mensen en mensen willen nog altijd graag bij groepen horen. Het zijn alleen niet meer de groepen van vroeger.’10

Een empathische revolutie? Met het voorafgaande in ons hoofd kan individualisering niet verantwoordelijk worden gehouden voor het vermeende toegenomen egoïsme van de laatste vier decennia. Om toch een vinger achter dit breed gedragen gevoel te kunnen krijgen, is het nuttig om naar het begrip solidariteit zelf te kijken. Dat is tenslotte hetgeen waar de laatste jaren zo’n gebrek aan schijnt te zijn. Zo kwam het normen en waarden debat in 2002 terug op de politieke agenda dankzij voormalig minister-president Jan Peter Balkenende (CDA) en is ‘de boel bij elkaar houden’ sinds 2001 het adagium van Job Cohen, de huidige partijleider van de PvdA. Ook PVV-leider Geert Wilders deed onlangs een duit in het zakje toen hij in 2011 op buitengewoon eloquente wijze de zittende premier Mark Rutte (VVD) tot ‘normaal’ gedrag maande. Met het gevaar een al te drieste vergelijking te maken, lijkt het idee van moreel verval toch ook iets van alle tijden. De Nederlandse historicus Ernst Kossman bespreekt bijvoorbeeld het bekende voorbeeld van de achttiende-eeuwers die steen en been klaagden over de deplorabele toestand van de toen heersende mores. Vurig hoopten zij een morele terugkeer te kunnen maken naar de hoogtijdagen van de zeventiende eeuw.11 Vroeger was alles beter en of met vroeger nu de Gouden Eeuw of de Verzuiling wordt bedoeld, dat maakt dan eigenlijk niet meer uit. Was het niet ook Balkenende die terug wilde naar die zo benijdenswaardige VOC-mentaliteit? Desalniettemin zijn de hierboven uitgesproken wensen ten overstaan van bepaalde normen en waarden relevant. Dat iets van alle tijden is, wil nog niet automatisch betekenen dat het om zinloos geweeklaag gaat. Oorlogvoeren is ook niet pas in de twintigste eeuw uitgevonden.                                                                                                            

J. W. Duyvendak en M. Hurenkamp, ‘Inleiding. Lichte gemeenschappen en de nieuwe meerderheid’, in: Idem (red.), Kiezen voor de kudde. Lichte gemeenschappen en de nieuwe meerderheid (Amsterdam 2004) 16. 11 E. H. Kossman, ‘The Dutch Republic in the Eighteenth Century’, M. C. Jacob, W. W. Mijnhardt (red.), The Dutch Republic in the Eighteenth Century. Decline, Enlightenment and Revolution (New York 1994), 28. 10

16


Volonté Générale 2012 - n°1

Voor het gemak wordt hier nu aangenomen dat in meer of mindere mate het fenomeen solidariteit tussen mensen altijd heeft bestaan. Het kunnen voelen van empathie zit tenslotte ingebakken in het brein van de menselijke soort. Tegenwoordig verwijst het begrip solidariteit volgens het professionele onlinewoordenboek van Van Dale naar een ‘bewustzijn van saamhorigheid en bereidheid om de consequenties daarvan te dragen.’ 12 Deze definitie behelst precies het sentiment waaraan steeds gerefereerd wordt, vooral vanwege het normatieve element van de veronderstelde bereidheid om daadwerkelijk de daad bij het woord te voegen. En toch, ook al is het menselijk empathische vermogen zo oud als de weg naar Rome, pas in 1553 komt een zijdelings verwant begrip voor het eerst voor in een geschreven Nederlandse bron. Het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands van de UVA verwijst naar de Vroegnieuwnederlandse term ‘sociael’, dat in de 16e eeuw ‘op gezelschap gesteld’ betekende. Ook wordt verwezen naar het Franse ‘social’ uit de tweede helft van diezelfde eeuw, waar weliswaar óók de betekenis van ‘maatschappelijk’ aan werd gekoppeld, maar waarmee toch voornamelijk ‘als bondgenoot verbonden’ werd bedoeld. Het woordenboek meldt verder: ‘In het Frans ontwikkelde de betekenis “maatschappelijk” zich in de 18e eeuw verder, o.a. in de uitdrukking contrat social, in het Nederlands wel vertaald als “Maatschappylyk Verdrag”, een begrip dat door Rousseau verspreid werd en dat een hoofdrol speelde in de ontwikkeling van ideeën voor en tijdens de Franse Revolutie.’13 Het woordenboek De Geïntegreerde Taalbank van het INL meldt dat het begrip solidariteit inderdaad is afgeleid van het Franse solidarité.14 Nu zijn vaak de werken van de Britse denkers Thomas Hobbes (1651) en John Locke (1689) over het ‘sociaal contract’ haast vanzelfsprekende eerste ijkpunten in de ontwikkeling van het begrip solidariteit als relatie van het individu tot het collectief, maar het Etymologisch Woordenboek plaatst terecht het epicentrum van de ontwikkeling van het begrip in het Frankrijk van de 18e eeuw. De Amerikaanse historica Lynn Hunt heeft hier onderzoek naar gedaan. Zij betoogt dat er met name in Frankrijk in de 18e eeuw veel is veranderd op het gebied van individualiteit: Individuals became more self-contained as they increasingly felt the need to keep their bodily excretions to themselves […]. These changes in attitudes toward the body were the surface indications of an underlying transformation. They all signalled the advent of the self-enclosed individual, whose boundaries had to be respected in

                                                                                                           

Van Dale, Onlinewoordenboeken Professioneel > [lemma] solidariteit., beschikbaar via http://surfdiensten.vandale.nl/ (geraadpleegd op 25 oktober 2011). Deze website is alleen toegankelijk met een licentie. 13 Universiteit van Amsterdam, Etymologisch Woordenboek van het Nederlands > [lemma] sociaal, beschikbaar via http://www.etymologie.nl/ (geraadpleegd op 13 februari 2012). 14 Instituut voor Nederlandse Lexicologie, De Geïntegreerde Taalbank > [lemma] solidariteit., beschikbaar via http://gtb.inl.nl/?owner=WNT/ (geraadpleegd op 13 februari 2012). 12

17


Volonté Générale 2012 - n°1

social interaction. Self-possession and autonomy required increasing self-discipline.15

Hunt werkt deze gedachte uit door een hele reeks voorbeelden te geven waarin de self-enclosed individual het uitgangspunt was. Het leven van het individu speelde zich voortaan af in de privésfeer, waar volgens Hunt onder andere het lezen van een nieuwe boekvorm, de roman, het idee van het individu drastisch veranderde. Men begon te leren zich in te leven in de persoonlijke beleving van anderen. Uiteindelijk zou deze ‘empathische revolutie’ leiden tot de geboorte en de ontwikkeling van het idee van mensenrechten. Begrippen als gelijkheid, lichamelijke integriteit en autonomie werden fundamentele onderdelen van een nieuw soort begrip van (mede)menselijkheid. Het individualisme dat Hunt beschrijft staat echter ver weg van de definitie die wij hebben gehanteerd. Zij beschrijft als het ware de ontdekking van de eigen identiteit, het eigen lichaam en de eigen emoties als onderscheidend van de beleving en emoties van anderen. Deze fysieke scheiding betekent echter niet automatisch ook het geestelijk loskomen van diens gemeenschap in termen van normen en waarden. Sterker nog, de opkomst van de gevoelde empathie zou juist het gevoel van saamhorigheid en met name de bereidheid daar de consequenties van te aanvaarden, hebben moeten vergroten. Dit lijkt vooralsnog een tegenstrijdigheid te zijn, ook al is individualisering een reëel fenomeen te noemen. In een masterclass georganiseerd door het Huizinga Instituut, ging Lynn Hunt in op deze tegenstrijdigheid.16 Volgens haar is er helemaal geen sprake van een tegenstrijdigheid, maar eerder van een vervolg van de opkomst van empathie in de 18e eeuw. Een besef van medemenselijkheid en saamhorigheid werd ons in de 18e eeuw simpelweg afgedwongen door de formulering van universele mensenrechten in met name de Declaration of Independence (1776) en de Déclaration des Droits de l’ Homme et du Citoyen (1789). Met deze verklaringen werden pragmatische gefundeerde omgangsvormen tot onverzaakbare principes. Het empathische besef dat in de 18e eeuw als zodanig kon opkomen door de ontdekking van the self-enclosed individual, resulteerde er uiteindelijk in dat deze onvervreemdbare en universele mensenrechten tot inherent aan het mens-zijn werden gemaakt. Dat er vanaf dat moment nog een lange weg te gaan was tot de Universal Declaration of Human Rights (1948), moge duidelijk zijn. Ook in onze tijd zijn de mensenrechten nog steeds niet gewaarborgd. Toch is er sprake van een zeer langzame, maar niettemin gestage opmars van die mensenrechten. Vanaf de 18e eeuw werd het besef van deze empathische,                                                                                                            

L. Hunt, Inventing Human Rights. A history (London 2007) 82-83. Naar aanleiding van de vierde Burgerhartlezing van 25 oktober 2011, georganiseerd door de Werkgroep 18e Eeuw en getiteld ‘The Enlightenment and the Origins of Religious Toleration’, was prof. dr. Lynn Hunt (UCLA) door het Huizinga Instituut op 26 oktober 2011 uitgenodigd in het Bungehuis (UVA) een masterclass te geven aan (research)master studenten en PhD studenten van verschillende Nederlandse universiteiten. Alle tekst na deze noot is dan ook gebaseerd op die bijeenkomst en niet direct afleidbaar uit Hunt haar werk. 15 16

18


Volonté Générale 2012 - n°1

solidaire gerechtelijke fundamenten immers meer en meer geïnternaliseerd. Doordat deze fundamenten eigen werden gemaakt, werden zij steeds sterker verbonden met de heersende mores. Het vermeende gebrek aan solidariteit in de ‘ontzuilde’ samenleving gaat daarom ook uit van de aanname dat we überhaupt iets voelen voor of bij de ander en, sterker nog, dat we daar ook naar zouden moeten handelen. Solidariteit, zoals we hebben gezien, spreekt ons namelijk aan op de bereidheid de consequenties van een soort saamhorigheidsgevoel te dragen. Dat iemand solidair is met de mensen uit zijn of haar eigen directe omgeving spreekt haast voor zich. Maar hoe werkt dat bij mensen die ons onbekend zijn, zowel in persoon als in ideeën? Waarom voelt de PVV geen empathie voor asielzoekers of moslims? Hoe kan het dat D66-ers zich niet solidair voelen met de boosheid van de mensen uit Venlo of Volendam? Waarom doneert Nederland massaal aan de samenwerkende hulporganisaties als er zich een natuurramp heeft voorgedaan, maar gaat het op zijn achterste benen staan als Griekenland aan de rand van een faillissement staat? Hunt zegt over dit soort vragen dat empathie eigenlijk niet een natuurlijke intuïtieve emotie is wanneer deze de grenzen van de eigen gemeenschap moet overstijgen. Even onnatuurlijk vindt zij de notie van gelijkheid, omdat juist het idee van verschil, van ongelijkheid, van ‘de ander’ ons gedrag zo sterk bepaalt. Het is daarom misschien gemakkelijker je intuïtief emotioneel te distantiëren dan je gedwongen rationeel te identificeren. Een tekort aan solidariteit lijkt op deze manier simpelweg inherent te zijn aan een samenleving die groter is geworden dan alleen onze eigen sociale kringen. Om terug te komen op de vraag van Calhoun: de staat fungeert dus niet als de bron van solidariteit. Dat waren wij met z’n allen, met ons nieuw ontdekte zelf en de bijbehorende gevoelens van empathie voor de ander. We zijn het alleen vergeten. De huidige economische en politieke crisis gaat daarom in essentie om het tekort aan mechanismen die ons doen realiseren dat er meer is tussen hemel en iPod. Zoals de 18e-eeuwers ineens een boek met allerlei onbekende emoties voor hun neus kregen, zo moeten ook wij weer handvatten krijgen om te beseffen dat wij het samen moeten doen. En dat je dan soms over je eigen historische schaduw moet stappen, is vaak niet leuk, maar wel noodzakelijk.  Wouter Reitsema (1987) volgt de onderzoeksmaster Geschiedenis aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

19


Volonté Générale 2012 - n°1

Hoe het Westen liever Khaddafi verdreef dan de wereld verbeterde Mike van de Weijer Het afgelopen jaar was een bijzonder jaar in de internationale betrekkingen. Niet alleen omdat de revoltes en revoluties in het MiddenOosten leidden tot de val van enkele regimes of vanwege het feit dat nu ook de laatste door het Joegoslavië-tribunaal gezochte oorlogsmisdadiger in Scheveningen verblijft. Het was een bijzonder jaar in de internationale betrekkingen omdat voor het eerst het concept1 van de Responsibility to Protect (R2P) werd toegepast. De manier waarop dit concept is toegepast in het geval van Libië doet echter ernstige twijfels rijzen over de toepasbaarheid in de toekomst. De interventie in Libië heeft de mogelijkheid van toekomstige interventies op basis van dit principe ernstig verkleind.

Een nieuwe wereld, een nieuw mandaat Na het einde van de Koude Oorlog wist men het zeker: de tegenstellingen tussen het vrije Westen en de communistische wereldmachten zouden niet langer een obstakel zijn voor internationale interventies. Eerder hadden de VS en de Sovjet-Unie in veel gevallen militair ingrijpen geblokkeerd, omdat het niet in hun belang was. Zeker in conflicten binnen landen, waar de twee wereldmachten meestal duidelijk partij hadden gekozen, was het haast onmogelijk om een mandaat voor een interventie te krijgen. ‘Het is een interne aangelegenheid’ was in de VN-Veiligheidsraad code voor ‘te belangrijk om de VN zich mee te laten bemoeien.’ Nu de grote rivaliteit tussen de twee machtsblokken was verdwenen, zou het gemakkelijker zijn overeenstemming te bereiken. De interventies van de eerste helft van de jaren 1990 lijken dit End of Historyidee van alle landen die samen strijden voor de vrede te bevestigen: de VN intervenieerde in bijvoorbeeld Rwanda (het zij te laat), Somalië en Bosnië zonder bij het ontwikkelen van een mandaat ernstig gefrustreerd te worden door één van de grootmachten. De conflicten in deze landen waren interne aangelegenheden in de strikte zin van het woord, maar wel met de potentie om grote problemen te veroorzaken voor de omliggende landen. Dat maakte het voor de Veiligheidsraad mogelijk om de conflicten te definiëren als threats to international peace and security, de categorie van gevallen waarmee dit orgaan zich bezighoudt. Er was echter nooit een criterium dat aangaf waaraan een binnenlandse situatie moest voldoen om bij de Veiligheidsraad op tafel te komen. Hiermee werd de vraag of er ingegrepen zou moeten worden toch steeds weer opnieuw een onderwerp van discussie met altijd de mogelijkheid dat één van de permanente leden ingrijpen strijdig met zijn eigen belangen zou achten. Dit leidde er niet alleen toe dat er in veel                                                                                                            

In dit artikel gebruik ik de woorden ‘concept’, ‘principe’ en ‘doctrine’ afwisselend voor de Responsibility to Protect. De redenen hiervoor zijn stilistisch, niet politiek-filosofisch. Het gaat steeds om dezelfde inhoud. 1

20


Volonté Générale 2012 - n°1

Afrikaanse conflicten niet ingegrepen werd (omdat geen van de leden er voordeel van zou hebben), maar ook tot vragen over de legitimiteit van het ingrijpen in Kosovo door de NAVO. In 1999 kwam de NAVO immers in actie tegen Servië zonder hiervoor een mandaat te hebben gezocht bij de VN-Veiligheidsraad. Gedurende het voorgaande jaar was al voldoende duidelijk geworden dat de Russen en Chinezen in deze binnenlandse kwestie veel wilden toestaan, maar niet het gebruik van geweld. Door de ervaringen van eerder in het decennium in dezelfde regio waren vooral de West-Europese leiders er echter van overtuigd dat opgetreden moest worden, desnoods zonder mandaat. Als de NAVO niet zou ingrijpen, zo beredeneerde men in Washington, Parijs en Londen, maar ook in Den Haag, zouden de Serven opnieuw de grote misdaden plegen waarvan de wereld ze in Bosnië niet had kunnen weerhouden. Daarnaast zouden grote hoeveelheden vluchtelingen op drift raken en bestond het risico dat andere landen, zoals Albanië en Macedonië, bij het conflict betrokken zouden raken. Na Kosovo trokken zowel academici als diplomaten al snel de conclusie dat de huidige situatie onhoudbaar was. Het mocht niet zo zijn dat beslissingen over interventies in binnenlandse conflicten zozeer afhingen van de belangen van de permanente leden van de Veiligheidsraad en dat de hoge idealen uit het VN-handvest zo selectief toegepast werden. Vanaf 2001 werd daarom gestudeerd op een nieuwe doctrine, de Responsibility to Protect (R2P), waarmee uiteindelijk in 2005 alle VN-lidstaten instemden. Het concept werd verder verduidelijkt in een tweetal rapporten van de Secretaris-Generaal van de VN uit 2009 en 2010,2 waarna de tijd rijp leek voor een eerste praktijktest.

Responsibility to Protect R2P betekent verantwoordelijkheid tot beschermen in de zin van de verantwoordelijkheid die een staat draagt tegenover haar inwoners. Elke staat zou, in een perfecte wereld, bereid en in staat zijn haar bevolking te beschermen tegen onheil. In Implementing the Responsibility to Protect uit 2009 gaf de Secretaris-Generaal van de VN een visie op R2P die uitgaat van drie pijlers. De eerste pijler vertegenwoordigt het feit dat de primaire verantwoordelijkheid voor de bescherming van de bevolking bij de staat zelf ligt. Pijler twee houdt in dat als een staat niet (volledig) in staat is om deze bescherming te bieden, de internationale gemeenschap bijstand biedt. In de derde pijler gaat het om gevallen waarin een staat totaal niet in staat is, of niet bereid is, haar bevolking te beschermen. In deze gevallen heeft de internationale gemeenschap de plicht in te grijpen. Natuurlijk is het van belang te bekijken waartegen een staat zijn bevolking moet beschermen. Als de mogelijke gronden voor interventie te ruim zouden zijn, dan zou complete anarchie uitbreken, maar als er te weinig mogelijke redenen zijn om in te grijpen, heeft het R2P-concept geen tanden. Mede op voorspraak van een aantal landen die zelf                                                                                                            

United Nations Secretary General, Implementing the Responsibility to Protect (New York 2009); United Nations Secretary General, Early Warning, Assessment and the Responsibility to Protect (New York 2010). 2

21


Volonté Générale 2012 - n°1

waarschijnlijk niet bereid of in staat zijn om hun bevolking zoveel bescherming te bieden als Westerse staten doen, zijn de gronden voor ingrijpen op basis van R2P beperkt tot vier grote misdaden: alleen in geval van oorlogsmisdaden, etnische zuiveringen, genocide of andere (dreigende) misdaden tegen de menselijkheid heeft de internationale gemeenschap de plicht om tegen de zin van een land in te grijpen.3

Libië Toen de Libische leider Moammar Khaddafi in februari 2011 gedwongen was te reageren op een grote opstand in een deel van zijn land hield hij zich niet in. In enkele van zijn gebruikelijke bombastische toespraken kondigde hij aan dat hij een ‘lange mars op Misrata’ zou beginnen en dat hij in Benghazi huis aan huis zou vechten om de rebellen te verdelgen. Hij zou hierbij door het woord ‘kakkerlakken’ te gebruiken verwezen hebben naar de volkerenmoord door de Rwandese Hutu's, die hetzelfde woord gebruikten om op te roepen tot geweld tegen de Tutsi's.4 Met deze uitspraken was aan het criterium van dreigende genocide voldaan en op een manier die, zelfs als de Russen of Chinezen dit zouden willen, moeilijk tegen te spreken zou zijn. Het staatshoofd van Libië had op radio en tv min of meer expliciet aangekondigd volkerenmoord te willen plegen. Binnen enkele dagen kwam er dan ook een reactie vanuit het VN-hoofdkwartier te New York: de Veiligheidsraad veroordeelde het geweld in Libië, vroeg het Internationaal Strafhof onderzoek te doen en stelde sancties in. Het vernieuwende echter aan resolutie 1970 was dat de zin ‘Recalling the Libyan authorities responsibility to protect its population’ erin opgenomen was.5 In resolutie 1973, die een maand later aangenomen werd toen voldoende duidelijk was dat Khaddafi zich weinig aantrok van het commentaar van de internationale gemeenschap, werden de Libische autoriteiten opnieuw herinnerd aan hun verantwoordelijkheden. Daarnaast werd een mandaat gegeven voor militair ingrijpen als het land ook deze resolutie zou negeren en het geweld tegen zijn eigen burgers niet zou beëindigen. Zoals we ondertussen weten, mocht het niet baten. Khaddafi bleek inderdaad niet van zins zijn misdaden te staken en de NAVO greep in, daarbij ondersteund door de Arabische Liga. Gedurende het voorjaar en de zomer bewaakten de luchtstrijdkrachten van Europese en NoordAmerikaanse landen, maar ook die van Jordanië, Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten, het Libische luchtruim en voerden zij aanvallen uit op gronddoelen. Ondertussen werd op de grond strijd geleverd tussen de troepen van Khaddafi aan de ene kant en een bonte verzameling van                                                                                                            

United Nations Secretary General, Implementing the Responsibility to Protect (New York 2009); Adviesraad Internationale Vraagstukken, Nederland en de Responsibility to Protect: de verantwoordelijkheid om mensen te beschermen tegen massale wreedheden (Den Haag 2010). 4 Het is echter nog maar de vraag of het Arabische woord dat Khaddafi gebruikte precies overeenkomt met het woord voor ‘kakkerlakken’ zoals dat in het Frans of het Kinyarwanda werd gebruikt en of het ook dezelfde culturele bijbetekenis heeft 5 United Nations Security Council, Resolution 1970 (New York 2011), beschikbaar via: http://daccess-dds-ny.un.org/doc/UNDOC/GEN/N11/245/58/PDF/ N1124558.pdf?OpenElement (geraadpleegd op 14 februari 2012). 3

22


Volonté Générale 2012 - n°1

gelegenheidsstrijders aan de andere. Vooralsnog lijkt het erop dat het verhaal over de interventie in Libië afgelopen is met de inname van Tripoli en de dood van Khaddafi in oktober 2011. Maar in de tussentijd – en ook al tijdens de operatie – is de kritiek op met name leiders van NAVO-landen toegenomen. Rusland en China, maar ook opiniemakers in West-Europa, hebben laten weten niet tevreden te zijn met hoe de missie in Libië veranderde van een operatie ter bescherming van de bevolking in een actie om regime change te bewerkstelligen. Veel te snel zou het oorspronkelijke doel van resolutie 1973 – het beschermen van de bevolking – geïnterpreteerd zijn als het verdrijven van Khaddafi. Het mandaat dat de Veiligheidsraad gaf, zo stellen critici, is te breed geïnterpreteerd door Westerse mogendheden die erom stonden te springen de lang zittende dictator uit het zadel te werpen. ‘Nee,’ zeiden de verdedigers al tijdens de missie, ‘het is nodig om Khaddafi te verdrijven omdat hij een gevaar zal blijven voor zijn eigen volk.’6

Van Libië naar Syrië Dat het verdrijven van Khaddafi de enige optie was om het Libische volk te beschermen, kan waar zijn. Dat weten we niet. We weten het niet omdat Khaddafi na de eerste dagen van de interventie nooit echt de kans gekregen heeft om zich over te geven en al snel in een verdedigende positie gedwongen werd, waarin verder vechten de enige oplossing was. Wat we wel weten, is dat de kritiek van de Russen en de Chinezen er nu al voor heeft gezorgd dat een internationale interventie in Syrië weinig kans maakt. Dat is des te meer het geval wanneer NAVO-landen een leidende rol op zich zouden nemen in een eventuele missie. De huidige situatie in Syrië verschilt nog wel van die in Libië. Waar Khaddafi min of meer voorstelde hele steden met de grond gelijk te maken, zijn in Syrië naar schatting minder dan tienduizend slachtoffers gevallen.7 Bovendien heeft president Bashar al-Assad zijn misdaden op televisie gebagatelliseerd, in plaats van ze als wapenfeit op te voeren. Maar de kans dat een interventie in de toekomst wenselijk wordt, blijft groot. Zo ook helaas de Russische weigering om in deze ‘interne aangelegenheid’ buitenlandse interventie toe te staan. Doordat het Westen in de strijd om Libië expliciet kans heeft gekozen in plaats van de bescherming van de bevolking centraal te stellen, blijken interventies nu opnieuw inzet geworden van het spel tussen de tegenover elkaar staande machtsblokken.

Het alternatief De vraag dringt zich op of er een alternatief mogelijk was voor Libië. Betekende het verschuiven van de Responsibility to Protect naar de internationale gemeenschap inderdaad dat Khaddafi onherroepelijk het                                                                                                             ‘Western leaders insist ‘Gaddafi must go’’ Al Jazeera.com (154 april 2011), beschikbaar via: http://www.aljazeera.com/news/africa/2011/04/201141503351178872.html (geraadpleegd op 14 februari 2012). 7 Op het moment van schrijven in de laatste week van januari. 6

23


Volonté Générale 2012 - n°1

veld moest ruimen? Of waren er andere mogelijkheden? Verdedigers van de uitkomst van de Libië-missie doen alsof er geen alternatief was, maar daarmee negeren zij enkele treffende voorbeelden uit de recente geschiedenis. Het is mogelijk een beschermingsmandaat beperkter op te vatten en het is ook in soortgelijke situaties mogelijk missiedoelen te behalen zonder naar regime change te streven. Dat bewijzen de eerdere interventies in Koeweit (1991) en Kosovo (1999). Casus I: Koeweit Hoewel de bezetting van het kleine Koeweit door het Irak van Saddam Hoessein het enige voorbeeld is van een bezetting van het hele grondgebied van een VN-lidstaat door een andere, biedt de internationale interventie die erop volgde ook wel aanknopingspunten voor andersoortige situaties. Evenals de Libië-missie werd de oorlog om Koeweit wekenlang alleen vanuit de lucht gevoerd. Vanaf midden januari 1991 tot anderhalve maand later werden gronddoelen in Koeweit en Irak dag en nacht bestookt door bommenwerpers van de door de Amerikanen geleide coalitie. Pas op 24 februari begon het landoffensief waarin Koeweit en delen van het zuiden van Irak door coalitietroepen bezet werd. Het mandaat voor ingrijpen tegen Irak was, net zoals in het geval van Libië, weinig beperkt. Doel was het bevrijden van Koeweit. De Amerikanen kozen er, hoewel zij hiertoe gezien het snelle verloop van de oorlog wel in staat waren, echter niet voor om Saddam Hoessein in 1991 te verwijderen. Ongeacht welke redenen president Bush hiervoor had, het bleek mogelijk te zijn Koeweit te beschermen zonder Saddam het veld te laten ruimen. Casus II: Kosovo De NAVO-operatie in 1999 tegen Servië om misdaden begaan tegen Kosovo is eerder al aan bod gekomen. Deze missie is uitzonderlijk, omdat er geen mandaat van de VN-Veiligheidsraad aan ten grondslag lag. Dit wil zeggen dat het ook niet mogelijk was om een mandaat verkeerd te interpreteren. Uit het verloop van de oorlog blijkt echter dat de NAVO zichzelf weinig beperkingen oplegde. Ook hier werd lange tijd vooral vanuit de lucht gebombardeerd, waarbij doelen zowel in Kosovo als in Servië zelf geraakt werden. Nadat de Servische president Slobodan Milošević inzag dat hij niet meer kon winnen, volgde ook in Kosovo een grondoperatie waarin heel het grondgebied door geallieerde troepen werd bezet. Maar net zoals Saddam Hoessein mocht Milošević blijven zitten waar hij zat, hoewel hij voor zijn misdaden in Kosovo was aangeklaagd door het Joegoslavië-tribunaal. Het zou nog meer dan een jaar duren voor hij in het najaar van 2000 een tussentijdse verkiezing verloor en nog langer voor hij voor het tribunaal gebracht zou worden en uiteindelijk in zijn Scheveningse cel zou overlijden.

24


Volonté Générale 2012 - n°1

Wat nu? Uit deze twee voorbeelden blijkt dat het wel degelijk mogelijk is om een (deel van een) land te bevrijden en een bevolking te beschermen zonder achter de autocratische leider aan te gaan die een bedreiging vormt. Voor nu is de realiteit echter dat dit in Libië niet is gebeurd. Khaddafi blijft dood en aan de uitkomst van de oorlog zelf kan weinig meer veranderd worden. Wat ook blijft, is de kritiek en waarschijnlijk de weigering van de Russen en Chinezen om hun zegen te geven aan een nieuwe interventie in een soortgelijk geval. Behalve wanneer één van hun eigen vijanden in aanmerking komt voor een afstraffing, zullen zij zeer terughoudend blijven met het toestaan van Westerse interventies. Maar misschien, heel misschien, is nog niet alle hoop verloren voor R2P als concept. Het is te hopen dat de storm van kritiek ondertussen de Westerse arrogantie getemperd heeft. Bescherming van een bevolking is geen vrijbrief om een grote opruiming te houden in het Midden-Oosten. Het is ook te hopen dat Westerse leiders heil zien in het rehabiliteren van R2P. Dit zal moeilijk zijn en waarschijnlijk voor grote delen van de bevolking onzichtbaar. Er zullen immers niet snel meer ‘R2P-oorlogen’ gevoerd worden. De R2P-doctrine kan langzaam gerehabiliteerd worden als ze ingezet wordt bij minder ingrijpende maatregelen, zoals economische sancties of reisverboden. Zo kan R2P zich herstellen als rechtsgrond voor dwingend optreden door staten. Dat is de enige manier waarop het beschadigde aanzien van R2P, dat van de VN én dat van het Westen op dit moment hersteld kunnen worden.  Mike van de Weijer (1985) heeft Politieke Geschiedenis en Conflict Studies gestudeerd aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Na zijn studie heeft hij de leergang Buitenlandse Betrekkingen van Instituut Clingendael gevolgd. Bronnen: - S. Eysink, 'Een omstreden interventie. De casus van Kosovo' in D. Hellema en H. Reiding, Humanitaire interventie en soevereiniteit. De geschiedenis van een tegenstelling (Amsterdam 2004) 217-234. - A. J. Bellamy, P. Williams en S. Griffin. Understanding Peacekeeping (Cambridge 2004). - W. L. Cleveland, A History of the Modern Middle East (Oxford 2004). - T. Judah, Kosovo. What everyone needs to know (New York 2008).  

25


Volonté Générale 2012 - n°1

Wat is Feminisme 3.0? Liang de Beer & Dieuwertje ten Brinke De emancipatie van de Nederlandse vrouw is voltooid. Mannen en vrouwen hebben in de Nederlandse samenleving gelijke kansen. Niets staat voorheen achtergestelde groepen nog in de weg om een glanzende persoonlijke en professionele ontwikkeling te verwezenlijken. Echter, dromen zoals deze worden continue doorgeprikt. De droom van gelijkwaardigheid blijkt vaak een grote illusie te zijn voor de Nederlandse vrouw, hoewel we daar nauwelijks meer bij stilstaan. Laten we ophouden met dagdromen. Het is tijd om in te zien dat na de tweede feministische golf geen kant-en-klare postemancipatoire samenleving is ontstaan, maar een samenleving waar op vele fronten nog zaken verbeterd kunnen worden. En terwijl deze generatie zich probeert te positioneren ten opzichte van vorige generaties, is dit ook het moment om het feminisme weer vol in de schijnwerpers te plaatsen. Al jaren wordt er aarzelend gepraat over een derde golf, een Feminisme 3.0. 1 Van een massale beweging is echter nog geen sprake, aangezien coherentie en zelfbewustzijn vaak ontbreken. Zelfdefinitie is misschien één van de grootste struikelblokken voor deze gefragmenteerde, maar groeiende beweging. In dit essay geven wij één mogelijke interpretatie van wat Feminisme 3.0 kan betekenen en kan veranderen voor de jonge Nederlandse (vrouwelijke) intellectueel. In een speelse navolging van Kant, vragen wij ons af: Wat is Feminisme 3.0?2 Om deze directe vraag te illustreren met een concreet voorbeeld besteden wij in het laatste gedeelte van dit essay aandacht aan vrouwen met professionele ambitie, met name in de wetenschap – geheel in de geest van de Volonté Générale.

Nieuw feminisme Als we naar de reacties kijken die wij kregen na de oprichting van ons feministisch blog Bitches and Barnicles een halfjaar geleden,3 concluderen we dat feminisme nog lang geen vanzelfsprekendheid in Nederland is. Reacties waren enerzijds enthousiast: jonge hoogopgeleide vrouwen die bevestigd werden in hun denkbeelden door ons blog en hier en daar feministen uit de tweede golf. Anderzijds waren er ook reacties van afwijzende of onverschillige (de meerderheid) of té optimistische aard: is dit nieuwe feminisme nog wel nodig? Wie noemt zich tegenwoordig nog feminist? Feminisme is haast een scheldwoord geworden. Feminisme is oubollig, heeft een tuinbroekenimago en heeft iets waar jonge mannen en vrouwen zich niet mee willen associëren. Bewustmaking van deze groep is iets wat we met Bitches and Barnicles willen bereiken. Op het blog                                                                                                            

Het tijdschrift Opzij expliciteerde dit Feminisme 3.0 in 2009 (jaargang 37, nummer 2) Opvallend is de diversiteit aan onderwerpen en de toevoeging van een internationale dimensie. 2 In 1784 schreef Kant zijn beroemde essay ‘Was ist Aufklärung?’. Om tot zelfdefinitie te komen is het wellicht goed om bloemige titels te vermijden en direct vragen te stellen. 3 Bezoek ons blog op http://www.bitchesandbarnicles.wordpress.com en lees meer over de doelstellingen onder ‘About’. 1

26


Volonté Générale 2012 - n°1

proberen we geen nieuwe dominante definitie te presenteren, maar een heterogene visie op emancipatie te geven. Alleen het heruitvinden van het ‘oude feminisme’ is in dat opzicht niet voldoende. Feminisme 3.0 wil mannen en vrouwen bewust maken van wat er op politiek, economisch, sociaal, cultureel en seksueel vlak nog te emanciperen valt. Niet een vaste definitie waar je je al dan niet in kunt vinden, maar een persoonlijke emancipatie die past bij het definiëren van jouw positie in de samenleving. Wat we met de korte stukjes op Bitches and Barnicles willen bereiken, is de emancipatie van het emancipatiedebat. Laten we praten over zaken die er echt toe doen en waar we wat aan kunnen veranderen. Geen massale beweging, maar een emancipatie die klein begint - en bij jezelf. Reden te meer om niet alleen tot actie over te gaan op microniveau, maar des te meer een gedachteverandering teweeg te brengen. Het is tijd om in deze derde golf voorbij het debat over genderrollen te gaan: wat typisch mannelijk of vrouwelijk is, doet er eigenlijk niet toe. Meer onzekerheid scheppen over identiteiten willen wij niet stimuleren. Het is tijd om te focussen op de mentale doorbraak van het individu. Een feminist van nu probeert een visie op zijn of haar eigen identiteit te articuleren in plaats van te leven naar een coherente definitie van wat feministisch of geëmancipeerd zou moeten zijn. Meestal wordt feminisme voorgesteld als een ‘golf’ of een ‘beweging’. Deze nieuwe fase van feministisch denken is echter meer dan een golfbeweging en kent minder consensus dan eerdere feministische momenten in de geschiedenis. Feminisme 3.0 is heterogeen en individualistisch. Er bestaat in een postmoderne samenleving niet langer zoiets als één coherente beweging. Historici onderschrijven al langer de notie dat feminisme zich op verschillende fronten en niveaus afspeelt en dat een golfmetafoor niet voldoet.4 Denk alleen al aan de emancipatie van allochtone vrouwen, lesbiennes of vrouwen uit de zogenaamde ‘Derde Wereld’. Emancipatie trekt zich niets aan van de golflogica van ‘wittevrouwen-feminisme’. Bovendien zijn individuen moeilijk te vangen onder één identiteit. Daarom is Feminisme 3.0 meer een mindset dan een coherente beweging die in een grote golf het maatschappelijk debat overneemt.

Waarom bloggen? Op het blog Bitches and Barnicles proberen wij deze diverse geest van het Feminisme 3.0 te articuleren. Door middel van korte blogs willen we onze lezers aan het denken zetten: we vertellen wat feminisme of emancipatie voor ons betekent en laten zien hoe wij ons positioneren in het debat. Dat wij – en onze gastschrijvers – soms verschillende standpunten hanteren, illustreert hoe persoonlijk deze derde ‘golf’ kan zijn. Het betekent niet dat je je aansluit bij een dogma, maar laat zien dat je bewust nadenkt over je identiteit, ambities en positie in je sociale omgeving. De vorm van korte, uitdagende blogs is gekozen om het onderwerp vooral                                                                                                            

N. Hewitt (red.), No Permanent Waves. Recasting Histories of U.S. Feminism (Piscataway NJ 2010). 4

27


Volonté Générale 2012 - n°1

niet te zwaarmoedig te benaderen. De drempel om over feminisme en emancipatie na te denken, moet wat ons betreft laag zijn en blijven. Dat neemt niet weg dat we ook een zeker niveau en speelsheid in de teksten nastreven. Een bescheiden begin en misschien een kleine lezersgroep zijn de resultaten van een halfjaar blogging 3.0. Twee zaken liggen ons na aan het hart: een mentale doorbraak bereiken (bewustzijn creëren) en de ambitie van vrouwen, bijvoorbeeld in de wetenschap, en de weg naar een (wetenschappelijke) carrière. Het blog is dan ook een zeer subjectieve weergave van onze eigen belevingswereld, professionele en persoonlijke omgeving. Nogmaals claimen wij niet het antwoord te hebben op de vraag wat Feminisme 3.0 precies behelst, maar geven wij slechts één van de vele mogelijke invalshoeken. Wij zijn echter niet in ons eentje verantwoordelijk voor het veroorzaken van een ‘golfslagbad’. Wij hebben ook niet die pretentie. Mensen aan het denken zetten over bestaande normen is al heel wat. Het debat gaan we dan ook graag en regelmatig aan. Een eenzaam blog avontuur is het zeker niet geweest. Nieuwe initiatieven als Career Magazine benadrukken positieve ontwikkelingen in het carrièreperspectief van jonge vrouwen. 5 Traditioneel feministisch medium Opzij laat de laatste jaren een nieuw geluid horen. In verschillende kranten en tijdschriften is ook steeds meer aandacht voor Feminisme 3.0 issues. Vaak gaat het over quota op de werkvloer en de relatie tot het persoonlijk leven. Ongemak over de huidige positie van vrouwen in de Nederlandse samenleving is een onderwerp dat wel leeft. Bitches and Barnicles wil in dit veld een eigen niche vinden door het debat hier en daar een por te geven. Een intellectuele doch heterogene blik op de actuele issues is wat het blog nastreeft.

Vrouwen met ambitie Een concreet voorbeeld van een issue waar Feminisme 3.0 van betekenis kan zijn, is de carrière van jonge hoogopgeleide vrouwen. Bestaat dat glazen plafond nu echt en wat zijn de consequenties ervan? Zit het in ons hoofd of smeden de fijne mechanismen van de mannenwereld een complot? Feit is dat bijvoorbeeld het percentage vrouwelijke hoogleraren nog steeds rond de tien procent waggelt, vrouwelijke promovendi voortijdig afzwaaien en driekwart van de Nederlandse vrouwen parttime werkt. 6 Hoogopgeleide en ambitieuze vrouwen worden nog steeds overwegend gezien als een curieuze aardigheid en als iets wat de gewone vrouw niet teveel moet imiteren. Erg moederlijk en vrouwelijk worden deze carrièrevrouwen dan ook niet voorgesteld.7 Daar staat tegenover dat een hoogopgeleide vrouw die kiest voor een parttime baan en het moederschap wordt gezien als iemand zonder ambities, maar beter                                                                                                             Beschikbaar via: http://www.career-magazine.nl (geraadpleegd op 3 maart 2012). Zie ook: L. de Beer en E. Rohn, ‘Het Issue: Ja, Ik Wil?’, Algemeen Nijmeegs Studentenblad (oktober 2007), beschikbaar via: http://www.ans-online.nl/papieren-ansen/ans-oktober2007/hetissue-ja-ik-wil (geraadpleegd 3 maart 2012). 7 Verfrissend was het artikel van M.Pruis, ‘Het ultieme taboe: De slechte moeder’, De Groene Amsterdammer nr. 4 (2012) 34-37. 5 6

28


Volonté Générale 2012 - n°1

conformeert aan het vrouwbeeld in onze maatschappij dan de medogeloze carrièrevrouw.. Niet alleen gaat dit over hoe vrouwen carrière kunnen maken in de wetenschap maar ook hoe meer vrouwen de wetenschap inhoudelijk en institutioneel kunnen veranderen. Al meer dan tien jaar geleden schreef Londa Schiebinger Has Feminism Changed Science? waarin ze voorbij de notie gaat dat de wetenschap ooit één waarheid kan bereiken.8 Door de inzichten en aanwezigheid van vrouwen in het wetenschapsbedrijf kunnen we echter tot een completer beeld komen. Een notie waar ook historici zich toch in thuis voelen. In de laatste jaren komt er ook meer aandacht voor hoe genderverschillen positief kunnen uitwerken in wetenschappelijk onderzoek en ontdekkingen. Bijvoorbeeld in het zoeken naar een nieuwe behandeling van vrouwen met hartkwalen of mannen met borstkanker. Prioriteit voor een blog als Bitches and Barnicles is echter van concretere aard – wij zijn immers noch gendertheoretici, zoölogen of hartchirurgen. Hoe kunnen vrouwen doorstoten in het wetenschappelijk bedrijf? Hoe zorgen we dat hoogopgeleide vrouwen hun opgedane talenten niet verspelen? Of hoe veranderen we het beeld van de ambitieloze, hoogopgeleide thuisblijfmoeder?9 Hoe gaan we voorbij het debat over ‘het natuurlijke’ richting een debat over empowerment? In deze context is het hoogst nodig om voorbij ‘het natuurlijke’ te gaan. Want wat is eigenlijk nog ‘natuurlijk’? Het maatschappelijk debat over de persoonlijke en professionele ontwikkeling van vrouwen zit vol met termen als ‘mannelijk gedrag’, ‘vrouwelijke natuur’, ‘historisch gezien’ et cetera. Gewoontes en natuurlijk gedrag zijn echter door en door constructies van onszelf en vaak van zeer recente aard. In Nederland zouden vrouwen minder vaak kiezen voor een bètastudie, een andere manier van werken hebben, een neiging om het liefst thuis bij de kinderen te blijven, minder competitief zijn. Arme man, arme kindjes en arme perfecte vrouw. Eenmaal een identiteitsbewuste vrouw is het moeilijk om je ogen te sluiten voor deze zaken. Nog moeilijker is begrijpen waarom de meeste van de vrouwelijke leeftijdgenoten een algemene onverschilligheid cultiveren. Het is alsof de tweede feministische golf nooit heeft plaatsgevonden. Over deze passieve houding van jonge vrouwen, schreven wij enkele maanden geleden op Bitches and Barnicles.10

Afsluitend Met Bitches and Barnicles spreken wij de ambitie uit deze doelgroep tóch te bereiken. Belangrijker dan het doorwerken van de tweede feministische golf is dat het nadenken over de eigen identiteit, sociale positie en ambitie – wat dit ook mag zijn – een vast gegeven moet zijn voor jonge, en zeker                                                                                                            

L. Schiebinger, Has Feminism Changed Science? (Cambrige MA 1999). Het googlen naar ‘ambitieloos’ levert op de eerste pagina zes van de tien hits op over ambitieloze vrouwen en moeders (geraadpleegd op 13 februari 2012). 10 Beschikbaar via: http://www.bitchesandbarnicles.wordpress.com/2011/08/14/pluizigemeisjes/ (geraadpleegd op 3 maart 2012). 8 9

29


Volonté Générale 2012 - n°1

hoogopgeleide, mensen. Deze droom van de derde golf mag wat ons betreft niet in het water vallen! Een verantwoordelijkheid om hier zorg voor te dragen ligt bij ons zelf,maar soms is er een extra duwtje in de rug nodig. Via het medium van Bitches and Barnicles geven we onze eigen ideeën vorm, maar willen we vooral ook anderen uitnodigen te denken en te schrijven. Je hoeft jezelf niet te bestempelen als feminist of progressief; juist de heterogeniteit van het Feminisme 3.0 laat zien dat er zoveel mensen, zoveel visies op emancipatie en ambitie bestaan. Laten zien dat je je bewust bent van dit debat en daar positie in kunt nemen, is ons inziens belangrijker dan consensus over wat emancipatie of feminisme zou moeten zijn. Hopelijk zijn we met dit korte essay gekomen tot meer zelfdefinitie van een beweging die eigenlijk geen strikte consensus kent. Idealen zijn er om uit te dragen: wat ons betreft heeft het emancipatiedebat nog lang geen status quo bereikt, integendeel. Het is te gemakkelijk om vast te houden aan een voltooide emancipatie en overbodig feminisme. Vrouwen én mannen maken soms dagelijks de beperkingen mee van een te starre identificatie van hun man- of vrouwzijn. Maar ook aan hen die deze beleving niet delen willen wij vragen stil te staan bij hun verworvenheden en een positie in te nemen in een voortdurend debat. Feminisme 3.0 gaat niet over slachtoffers van een witte mannenmaatschappij, maar om een individuele vrijheid om zelf vorm te geven aan jouw positie in de post-feminisme 2.0 samenleving. Nu is het tijd voor feminisme 3.0.  Liang de Beer (1988) volgt de onderzoeksmaster European Expansion and Globalization aan de Universiteit Leiden. Dieuwertje ten Brinke (1988) is parlementair historicus en is momenteel werkzaam als projectmedewerker op de beleidsafdeling van de Radboud Universiteit Nijmegen. In juli 2011 richtten zij het blog www.bitchesandbarnicles.wordpress.com op.

30


Volonté Générale 2012 - n°1

De Franse verkiezingen van 2012, de Republiek en haar president Bart Verheijen Honderd dagen voor de eerste stembusronde van de Franse presidentsverkiezingen verloor Frankrijk zijn triple A status. Dit nieuws had voor Nicolas Sarkozy nauwelijks op een slechter moment kunnen komen. Traditioneel gezien begint de campagne op wat de Fransen J-100 noemen (honderd jours tot de eerste stembusronde). De Franse oppositie was er dan ook snel bij en sprak van een triple échec. Het terugschroeven van de triple A rating door Standard & Poor’s is een nieuwe tegenvaller voor Sarkozy en zijn partij. In de peilingen kijkt Sarkozy al maandenlang tegen een grote achterstand aan ten opzichte van zijn belangrijkste tegenstander, de linkse kandidaat François Hollande. Zijn herverkiezing lijkt hierdoor nog onzekerder te worden. In de laatste peiling die ik voor het schrijven van dit artikel kon raadplegen, staat Sarkozy op een achterstand van 20 procent ten opzichte van zijn belangrijkste rivaal Hollande (60 % voor Hollande, 40% voor Sarkozy).1 Het Elysée lijkt binnen bereik voor Hollande. De campagne gaat voor een belangrijk deel over de Europese crisis en de bezuinigingen om hieruit te geraken. Belangrijke outsiders in de race om het presidentschap zijn Marine Le Pen en François Bayrou. Toch lijkt de uiteindelijke strijd tussen Sarkozy en Hollande te gaan. Krijgt Frankrijk een nieuwe president of gunt het Franse volk Sarkozy zijn tweede quinquennat? In dit artikel zal ik kort commentaar geven op het Franse politieke systeem en de politieke cultuur, omdat dit belangrijk is om de presidentsverkiezingen te kunnen begrijpen. Vervolgens geef ik een kort overzicht van de belangrijkste kandidaten. Hoewel Sarkozy en Hollande de voornaamste kanshebbers zijn, is het onmogelijk het politieke landschap in Frankrijk te begrijpen zonder een aantal andere kandidaten te bespreken. Overigens, bij het schrijven van dit artikel heeft Sarkozy zich nog niet formeel aangemeld als kandidaat voor de presidentsverkiezingen. Het is traditie in Frankrijk dat de zittende president hier tot een later moment (de aanmelding sluit 16 maart) mee wacht. Echter, het is zeer de vraag of dit wachten zijn kansen vergroot.

Het Franse systeem De president neemt binnen het Franse politieke systeem een belangrijke positie in. De literatuur spreekt ook wel over een presidentialization; het belang van de president in de politieke besluitvorming is vanaf 19582 alleen maar toegenomen.3 Charles de Gaulle heeft, als eerste president                                                                                                            

De peilingen zijn beschikbaar via: http://www.sondages-en-france.fr/sondages/ Elections/Présidentielles%202012 (geraadpleegd op 3 maart 2012). 2 In dit jaar werd in Frankrijk de huidige Vijfde Republiek uitgeroepen. 3 A. Stevens, The Government and politics of France (Londen 1992) 58; J. Gaffney, Political 1

31


Volonté Générale 2012 - n°1

van de Vijfde Republiek, een beeld van de Franse president gecreëerd waartoe al zijn opvolgers zich op één of andere manier moesten verhouden. Dit speelt een belangrijke rol in de politieke cultuur van Frankrijk. De mate waarin een kandidaat presidentiable wordt geacht is mede bepalend voor het succes van zijn kandidatuur. De erfenis van De Gaulle, de ‘gekozen monarch’, is hierbij een leidend principe. De Franse president wordt gekozen door middel van twee stemrondes. De twee kandidaten die de meeste stemmen halen in de eerste ronde strijden om de benoeming in ronde twee. Het systeem garandeert zo dat een president altijd gekozen wordt met een meerderheid. In theorie is het overigens mogelijk dat een kandidaat al in de eerste ronde een meerderheid van de stemmen krijgt en zich president mag noemen. Deelname aan de eerste ronde van de presidentsverkiezingen vereist vijfhonderd adhesiebetuigingen. Deze moeten echter wel afkomstig zijn van personen die verkozen zijn in hun ambt (parlementsleden, burgemeesters, gemeenteraadsleden). Bovendien moeten de handtekeningen uit minstens dertig verschillende departementen (Frankrijk telt in totaal 101 departementen) afkomstig zijn.4 In 2002 deden er 16 kandidaten mee aan de eerste ronde van de presidentsverkiezingen, in 2007 waren dit er 12. Belangrijkste stemmentrekkers in 2007 waren Ségolène Royal van de Parti Socialiste (PS), Sarkozy van de Union pour un mouvement Populair (UMP), Jean-Marie Le Pen van het Front National (FN) en de onafhankelijke kandidaat François Bayrou. De laatste en de dochter van Le Pen doen ook dit jaar mee. De tweede ronde gaat altijd tussen de bovenste twee kandidaten: ‘de eerste ronde kies je, de tweede ronde elimineer je.’5 Tijdens de tweede ronde is er vaak sprake van een harde negatieve campagne. De Fransen zeggen: Barrons, la route à (‘blokkeer de route’). In de grondwet is verankerd dat de tweede ronde binnen maximaal 35 dagen na de eerste ronde moet plaatsvinden. De opkomst is traditioneel lager dan tijdens de eerste ronde. De laatste jaren lijkt hier echter een kentering in te komen. In 2007 betrof de opkomst in beide rondes 83 procent. In 2002 was de opkomst in de tweede ronde zelfs hoger (71% tegenover 79%) uit angst voor Le Pen. Links Frankrijk krijgt nog steeds buikpijn bij de herinnering aan 2002. Toen versloeg Jean-Marie Le Pen namelijk de socialist Lionel Jospin, in de eerste ronde van de presidentiële verkiezingen, waardoor hij in de tweede ronde tegenover Jacques Chirac kwam te staan. Met pijn in het hart werd links Frankrijk gedwongen zijn stem uit te brengen op Chirac om Le Pen te weerhouden een greep te doen naar het hoogste politieke ambt van Frankrijk. Een herhaling van dit scenario wil de PS tot elke prijs voorkomen.

Politieke cultuur Het Franse politieke debat draait in de eerste plaats om ideeën. Minder dan praktische politieke keuzes staan reflecties op de richting van de                                                                                                                                                                                                                                                                           Leadership in France. From Charles de Gaulle to Nicolas Sarkozy (Basingstoke 2010). 4 Stevens, The Government and politics of France, 61. 5 J.Frears, Political parties and elections in the French fifth republic (Londen 1977) 178.

32


Volonté Générale 2012 - n°1

Republiek centraal in het Franse politieke discours. De grote Franse filosoof Marcel Gauchet diagnostiseert het Franse politieke debat als hebbende ‘een pathologische hang naar het verleden.’6 Volgens Gauchet verdient Frankrijk hierom het etiket ‘conservatiefste land ter wereld.’ Moreel en ideologisch ijkpunt van de Franse politiek is zonder twijfel de Franse Revolutie. Luuk van Middelaar schrijft in Politicide. De moord op de politiek in de Franse filosofie (1999): ‘Sinds de Franse Revolutie is nadenken over politiek vaak niets anders geweest dan het interpreteren van de Revolutie. Andersom ging het interpreteren van de Revolutie twee eeuwen lang hand in hand met het nadenken over politiek.’7 Links Frankrijk heeft al jaren een probleem omdat het zich, sinds de Franse Revolutie, heeft opgeworpen als incarnatie van de revolutionaire beloftes. Links leek het monopolie op de Geschiedenis te hebben waarin vroeg of laat alles ten goede kon keren. Echter, de Geschiedenis heeft links ingehaald. Het verdwijnen van het revolutionaire perspectief – het streven naar een radicale sociale transformatie – is een klap die links Frankrijk maar moeilijk te boven lijkt te komen. Tegelijkertijd karakteriseert Frankrijk zich door een behoudzucht waarbij de Revolutie altijd wordt aangehaald als de status quo die verdedigd dient te worden. Hierdoor kent Frankrijk eigenlijk geen conservatieve, maar een contrarevolutionaire ideologie (en deze is in die zin dus tegelijkertijd revolutionair). Volgens Gauchet is dit een typisch Franse reflex. De spectaculaire opmars van Le Pen en zijn partij het Front National in de afgelopen dertig jaar lijkt hier een direct gevolg van. Het is te wijten aan het onvermogen van de traditionele politiek om een antwoord te formuleren op concrete problemen. Onderwijl lijkt het ideeën-debat steeds sneller te worden ingehaald door de politieke werkelijkheid. De Europese schuldencrisis is hier een goed voorbeeld van. Deze laat tevens haarscherp een onvermogen zien om ideeënpolitiek te bedrijven in reactie op een reëel probleem. Exemplarisch is de lezing die François Hollande gaf in zijn nieuwjaarstoespraak over de crisis. Zo sprak hij: ‘Onze grootste vijand heeft geen naam, geen gezicht, geen partij (…) maar hij regeert overal, mon véritable adversaire, c’est le monde de la finance.’ In plaats de hand in eigen boezem te steken en hard na te denken over een uitweg uit de crisis met politieke middelen, wordt ze buiten het politieke debat geplaatst. Dit is deels gebaseerd op politieke retoriek, maar het getuigt niet van een vermogen om de financiële situatie in Europa te zien zoals deze op het moment daadwerkelijk is. Het lijkt mij immers niet te ontkennen dat de financiële crisis in Europa voor een aanzienlijk deel veroorzaakt wordt en                                                                                                            

Marcel Gauchet, interview in: M. Kruk, Parijs denkt. Een republiek tegen de wereld (Amsterdam 2009) 162. 7 L. van Middelaar, Politicide. De moord op de politiek in de Franse filosofie (Amsterdam 1999) 14. Binnen het revolutionaire debat neemt de episode van de terreur een centrale plaats in. Zoals de Pools- Franse historicus Krzysztof Pomian het zei: ‘Frankrijk is waarschijnlijk het enige land ter wereld waar de revolutie- en dan bedoel ik een revolutie die de Glorious Revolution van Engelsen, noch de revolutie van de Amerikanen is, maar een revolutie met Terreur- onderdeel uitmaakt van de nationale identiteit’. Krzysztof Pomian, geciteerd in: Kruk, Parijs denkt, 125 6

33


Volonté Générale 2012 - n°1

voortduurt door het onvermogen van de lidstaten van de Europese Unie om eensgezind een oplossing te formuleren. Het politieke jaar 2011 bracht een aantal veranderingen die zullen doorwerken in de presidentsverkiezingen van 2012. Zwaar leed Sarkozy onder de gedwongen ontslagen in zijn regeringsploeg. Zijn minister van buitenlandse zaken Michèle Alliot-Marie (in de Franse pers altijd afgekort tot MAM) onderhield te nauwe banden met Ben Ali. De Jasmijnrevolutie, die begon met de zelfmoord van Mohammed Bouazizi, was reeds een aantal weken onderweg voordat ze aftrad. Het twijfelende optreden van Sarkozy tijdens de opstand in Tunesië kwam hem op veel kritiek te staan. Hij revancheerde zich toen ook in Libië de Arabische Lente uitbrak. Ook de socialisten kregen een klap verwerken – en wat voor één. Dominique Strauss Kahn (in de pers afgekort tot DSK), volgens Le monde de opvolger van Mitterrand, de enige linkse president die de Vijfde Republiek tot nu toe gekend heeft, werd gearresteerd op verdenking van verkrachting. De hoop op een ‘nieuwe Mitterrand’ werd hardhandig de nek omgedraaid. De Parti Socialiste lijkt zich echter herpakt te hebben door de organisatie van Primaires. Voor het eerst waren deze ook toegankelijk voor niet-leden. Tegen betaling van een klein bedrag en het ondertekenen van een steunbetuiging konden sympathisanten hun voorkeur voor de socialistische kandidaat uitspreken. Met een opkomst van twee miljoen was dit initiatief een groot succes. François Hollande werd gekozen met 56,57 procent van de stemmen.

De belangrijkste kandidaten Nicolas Sarkozy (Union pour un mouvement Populair -UMP) Zoals gezegd heeft Sarkozy zich nog niet officieel gekandideerd. Hij zinspeelde eind januari op een leven na de politiek in de krant Le Monde Toch lijkt het niet waarschijnlijk dat Sarkozy zich terugtrekt. Hij is een vechter en kan goed campagne voeren. Deels gebruikt hij, zoals Obama in Amerika doet, zijn positie als president om zijn campagne op gang te brengen. Na te hebben getwijfeld over Tunesië reageerde hij snel toen ook in Libië de Arabische Lente uitbrak. Hij wil graag met Merkel de Eurocrisis oplossen, maar kreeg een tegenslag te verwerken toen Frankrijk zijn triple A status verloor. Vorig jaar merkte de linkse krant Libération al op dat Sarkozy zijn politieke stijl verandert. Hij gedraagt zich waardiger en rustiger, maar bescheidenheid zal hem altijd vreemd blijven. Zijn grote kracht ligt in het debat. Hij kan haarscherp opereren als de druk hoog is. Zijn rol als outsider was zijn kracht bij de vorige verkiezingen. Het is de vraag of hij deze kracht als zittende president weer kan aanwenden. Sarkozy is de afgelopen jaren in veel verschillende programma’s belachelijk gemaakt. Zijn Napoleontische trekjes, woedeuitbarstingen (zo zei hij ‘casse-toi pauvre con’ tegen iemand die hem geen hand wilde schudden)8 en politieke fouten (zoals het benoemen van zijn zoon Jean tot baas van La Défense) zegt hij achter zich gelaten te hebben. Sarkozy regeert opportunistisch. Op zijn economische beleid is geen peil te trekken omdat het zowel zeer rechtse, zoals het Bouclier fiscal – een                                                                                                             8

‘Casse-toi pauvre con’ laat zich vertalen als ‘flikker op klootzak’.

34


Volonté Générale 2012 - n°1

belastingplafond dat de belastingdruk tot 50% van het inkomen beperkt – als zeer linkse maatregelen, forse staatsinvesteringen in bepaalde industrieën, bevat. Zijn nieuwste plan: Frankrijk moet meer op Duitsland gaan lijken. Het zal nog een hele klus worden om de achterstand in de peilingen op Hollande in te lopen. François Hollande (Parti Socialiste -PS) Hollande hanteert als campagneslogan: ‘De verandering is nu’. Hij is de ex-man van de verliezend socialistische presidentskandidaat Ségolène Royal in 2007. Na de val van DSK won hij de primaires van Martine Aubry, partijvoorzitter en de burgemeester van Lille. Hij lijkt de afgelopen maanden succesvol met de schaduw van DSK afgerekend te hebben, evenals met zijn eigen imago als partijbons – hij was tien jaar lang voorzitter van de PS, genoeg voor de Franse kranten om hem te typeren als een Eléphant – de naam voor linkse partijbonzen. Hij viel kilo’s af en spreekt steeds overtuigender grote zalen sympathisanten toe. Als het waar is dat, zoals verschillende media schrijven, Hollande de kiezers die naar Le Pen weggelopen zijn terug kan winnen, dan lijkt hij op een overwinning af te stevenen. In de tweede ronde legden alle socialistische kandidaten sinds 1958 het af tegen hun rechtse opponent, met uitzondering van Mitterand. Het mobiliseren van de Le Pen kiezers, die vaak wegblijven in de tweede ronde, lijkt Hollande de overwinning te kunnen bezorgen. Als reactie op de afwaardering van de triple A status zei Hollande: ‘ce n'est pas la France qui a été dégradée, c'est une politique.’ Oftewel: het is de schuld van Sarkozy, niet van Frankrijk. Het politieke programma waarmee Hollande Sarkozy te lijf wil gaan borduurt hier op voort. Zijn voorstellen voor handhaving van de 35-urige werkweek en het verlagen van de pensioenleeftijd terug naar zestig jaar, lijken gezien de huidige financiële situatie niet haalbaar. De crisis wil Hollande betalen door de belasting op bedrijven en hogere inkomens te verhogen. Andere interessante punten zijn invoering van het homohuwelijk, de mogelijkheid voor homostellen om kinderen te adopteren en het terugdringen van het aantal kerncentrales. Hollande is inmiddels sterk bekritiseerd om zijn economische paragrafen. Volgens zijn rechtse tegenstanders wil hij geen enkele bezuinigingsmaatregel doorvoeren. Marine Le Pen (Front National - FN) In januari 2011 werd Marine Le Pen met overgrote meerderheid gekozen tot opvolger van haar vader Jean-Marie Le Pen. De nieuwe politiek leider van het Front National zou in de maanden die volgden de koers van haar vader enigszins wijzigen, al lijken xenofobie en protectionisme nog steeds de kernthema’s te vormen. Waar haar vader zijn antisemitisme niet verhulde, verlegde zijn jongste dochter Marine haar aandacht naar de Islam. De Islam vormt volgens haar een direct gevaar voor het Franse principe van de laïcité, een sterke scheiding van kerk en staat.9 De Franse                                                                                                            

Ze bekritiseerde het ‘bidden op straat’ (les prières dans la rue) hevig. Door het gebrek aan ruimte in een Parijse Moskee kozen een aantal moslims ervoor om op straat hun gebedsdienst voort te zetten. Dit leidde tot een hevige reactie uit het kamp van de FN. 9

35


Volonté Générale 2012 - n°1

pers, bekend met het politieke discours van haar vader, hoefde daar al niet meer van te schrikken. Regelmatig spraken zij over de nieuwe dérapage, een politieke uitglijder of idiote uitspraak, van Le Pen. Veel uitspraken van Le Pen werden zo uitgelegd waardoor zijn politieke taalgebruik duidelijk werd onderscheiden van de rest van het politieke veld. Dieptepunt in de carrière van vader Le Pen vormde zijn veroordeling in de jaren tachtig van de vorige eeuw voor de ontkenning van de Holocaust, een strafbaar feit in Frankrijk. Deze uitspraak herhaalde hij in het Europese parlement. Hierbij noemde hij de gaskamers een detail uit de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog: ‘je me suis borné à dire que les chambres à gaz étaient un détail de l'Histoire de la guerre mondiale, ce qui est une évidence.’10 De Franse politiek is bang voor Le Pen en het Front National. Nu de verkiezingscampagne echter voornamelijk draait om de Europese schuldencrisis en bezuinigingen lijkt Le Pen de media minder te kunnen domineren. In maart 2011 was Le Pen in een peiling even de grootste. De laatste maanden schommelt ze rond de 15%-20%. Toch blijft het FN de derde partij in de peilingen en is daarmee altijd een factor om rekening mee te houden. Het FN is de enige serieuze partij en daarmee bedoel ik dat ze in staat is de tweede ronde te halen, die altijd tegen de Euro heeft geageerd. Deze troef heeft Marine Le Pen echter nog niet kunnen uitspelen. Haar bezuinigingsprogramma is voorspelbaar: ze wil een immigratiestop en Frankrijk moet met onmiddellijke ingang uit de eurozone stappen. François Bayrou (Mouvement Démocrate - MoDem) François Bayrou is een onafhankelijke kandidaat die in 2007 met 18% van de stemmen de grote verrassing was. Hij schommelt in de peilingen rond de 15%. Dit is indrukwekkend wanneer je bedenkt dat hij geen partij, maar slechts een ‘beweging’ achter zich heeft staan. Hij kan geweldig speechen en geeft zowel links als rechts de schuld van de crisis. Als een man die boven de partij staat, acht hij zichzelf de aangewezen persoon om de crisis op te lossen. Hij was lang de minister van onderwijs onder Chirac. Hij is voor Europa, maar dan wel op Franse wijze. Dit wil zeggen dat Frankrijk een moreel leidende rol in het Europa van de toekomst zou moeten vervullen. Ook kan Bayrou tijdens de komende verkiezingen verrassen: het politieke midden ligt open en het kan zomaar zijn dat hij profiteert van de zwakke positie van Sarkozy. Toch is het onwaarschijnlijk dat hij de tweede ronde haalt. De overige kandidaten Frankrijk kent een aantal partijen die niet boven de tien procent-grens zullen uitkomen bij de presidentiële verkiezingen. Toch kunnen ze het verloop van de stemming beïnvloeden door stemmen af te snoepen van de belangrijkste kanshebbers. Meestal hebben deze partijen een redelijke lokale of regionale machtsbasis, maar zijn ze niet in staat om tijdens                                                                                                            

‘Ik heb enkel gezegd dat de gaskamers een detail uit de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog waren, hetgeen vanzelfsprekend is.’ Video beschikbaar via: http://www.youtube.com/watch?v=ZtSdZyHVmHE (geraadpleegd op 3 maart 2012). 10

36


Volonté Générale 2012 - n°1

presidentiële verkiezingen een grote aanhang te mobiliseren. Deze zal ik hier kort even aanstippen. Jean-Luc Mélanchon (Parti de Gauche- PG) splitste zich in 2008 af van de PS uit onvrede met de te rechtse koers van die partij. Hij noemt zichuitgesproken anti-kapitalist en ziet Jean Jaurès, de beroemde leider van de PS die aan de vooravond van WOI door een Franse nationalist vermoord werd, als zijn grote voorbeeld. Eva Joly (Les Verts) leidt de Franse groene partij. Ze kijkt al enige tijd met jaloezie naar Duitsland waar Die Grünen, geholpen door de ramp met de kerncentrale in Fukyshima, het voor elkaar kregen dat Duitsland afstand doet van kernenergie. Door het Franse systeem hebben de Groenen in Frankrijk weinig kans om te verrassen tijdens de presidentsverkiezingen. De Groenen vissen, evenals de PG, voor een deel uit dezelfde electorale vijver als Hollande en vormen, bij een goede uitslag, dus een bedreiging voor de ambities van de PS. Ten slotte wil ik nog Dominique de Villepin noemen. Hij is de zelfverklaarde aartsvijand van Sarkozy. Ziet zich als ‘onafhankelijk gaullist’ en maakte net als Sarkozy carrière onder president Chirac. Hij verliet het UMP in 2011. In de beste Franse traditie is De Villepin naast politicus ook auteur van een tiental historische werken. Hij kan wellicht profiteren van de slechte positie van Sarkozy, maar komt in de peilingen niet boven de 3 procent uit.

Conclusie Naar verwachting zal de strijd om het Franse presidentschap gaan tussen Nicolas Sarkozy en François Hollande. Sarkozy heeft nog twee maanden om zijn herverkiezing veilig te stellen. Zijn achterstand in de peilingen liegt er niet om. De campagne zal daarom hard en fel zijn. Hierbij moet de invloed van de andere kandidaten niet vergeten worden. Bayrou is als onafhankelijk kandidaat niet besmet en beschuldigt zowel rechts als links van de crisis. Voor Le Pen vormt de Europese schuldencrisis het bewijs dat de Europese Unie plus de Euro berusten op een groot misverstand. Hollande lijkt evenwel de favoriet om Sarkozy op te volgen. Zal Frankrijk een tweede linkse president krijgen sinds Mitterrand? Veel zal afhangen van de ontwikkelingen in de Eurozone, de eindsprint van Sarkozy en de geloofwaardigheid van de verschillende kandidaten om hun politieke programma te verbinden met de waarden van de Franse Republiek.  Bart Verheijen (1985) studeerde historische wetenschappen en filosofie aan de Radboud Universiteit Nijmegen en aan de Katholieke Universiteit Leuven. Eveneens behaalde hij een master deux aan l'Ecole des Hautes Études et Sciences Sociales te Parijs. Vanaf september 2011 werkt hij aan een proefschrift over Verzetsliteratuur tijdens het Franse regime 1806-1813.

37


Volonté Générale 2012 - n°1

De economie van het biotechnofeodalisme en de esthetiek van het terugslaan Heliana Flores Guido Eén van de belangrijkste kenmerken van het feodalisme is de afhankelijkheid van de bevolking ten opzichte van landbezitters. Geweld, leningen en contracten van afhankelijkheid waren de zuilen van feodale machtsverhoudingen. Landverovering vormde dé manier om binnen een feodaal stelsel machtig te worden. We geloven dat onze hedendaagse samenleving deze vorm van geweld achter zich heeft gelaten en dat er sprake is van vooruitgang. Echter, schijn bedriegt! Anno 2012 duikt een vorm van economische bedrijvigheid op die de mensheid nog nooit heeft gekend, maar die wel herkenbare feodale eigenschappen toont en gelijktijdig zijn eigen tegenwicht bemoedigt. Dit artikel is een verkenning van een dialectische verhouding tussen twee afwijkende visies op de verdeling van bestaansbronnen, zoals land, water en grondstoffen. Eén visie is gericht op profijt en de andere richt zich op het construeren van symbiotische relaties en de economie van het delen. Karl Marx stelde dat uit het antagonistische contact tussen actoren – uitgedrukt in de relatie these en anti-these – een synthese ontstaat die een historische beweging aanduidt. Vandaar dat de titel van dit artikel wijst op de complexe relatie tussen twee ontwikkelingen. Enerzijds is er sprake van wetten en economische overeenkomsten, die het resultaat zijn van de politieke en economische macht van multinationals zoals Monsanto, Pioneer, DuPont en Nestle. Dit zijn multinationals die de controle over vrijwel alle gemeenschappelijke middelen willen krijgen. Anderzijds is er de reactie op deze wetten en economische overeenkomsten: onvrede van activistische groeperingen, actieve burgers, technici en kunstenaars. Ik begin dit artikel met een bespreking over patenten op leven om een beeld van het fundament te schetsen waarop de nieuwe economische agenda berust.

Octrooisysteem: historische betekenis in de huidige economische context Een patent of octrooi verleent een exclusief recht aan de octrooihouder waardoor de patenthouder een monopoliepositie kan verkrijgen op het produceren en verkopen van een bepaald product. Een aantal corporaties leidt hun politieke en economische macht hieruit af. Er bestaan verschillende soorten patenten. In dit artikel gaat het specifiek om patenten die uit levensvormen afgeleid zijn. In de jaren 1980 ontstond de mogelijkheid om biotechnologische toepassingen te beschermen via het octrooisysteem. Voor die tijd was het alleen mogelijk chemische en mechanische uitvindingen te patenteren; patenten op dieren en planten waren uitgesloten. In dit decennium maakten de VS een omslag met een genetisch gemanipuleerde bacterie die aardolie kon

38


Volonté Générale 2012 - n°1

afbreken. 1 De patentaanvraag op deze biotechnologische toepassing vormde de aanleiding voor een langdurig debat over de vraag of levensvormen gepatenteerd mogen worden. In het boek Economics of the Patent System: Harwood Fundamentals of Applied Economics gaat Erich Kaufer in op de geschiedenis van patenten. De oorspronkelijke betekenis ervan heeft weinig te maken met de overtuiging dat het octrooisysteem een doeltreffend instrument is om innovatie en intellectueel recht te beschermen en te stimuleren. Het woord patent komt voort uit de krijgscultuur en machtsuitbreiding van vorsten in de Middeleeuwen. 2 ‘Patent’ betekent in het Latijn ‘open’. Oorspronkelijk verwees het naar litterae patentes, oftewel ‘openbrieven’. Dergelijke brieven werden in de 6e eeuw voor het eerst uitgegeven en ze waren bedoeld om het ontdekken van nieuw land voor de uitbuiting van bestaansmiddelen aan te moedigen.3 Uitvinding, oftewel invenire betekende de toevallige ontdekking van nieuw land.4 In Patents: Myths & Reality stelt Vandana Shiva dat vorsten litterae patentes uitbrachten zodat de verovering van nieuw gevonden land als bezit van de vorst rechtsgeldig verklaard kon worden. Het was dus een mechanisme om toe-eigening en uitbuiting van nieuw land te kunnen bewerkstellingen.5 Toen Christoffel Columbus Amerika ontdekte, droeg hij een dergelijke brief bij zich waarin zijn opdrachtgever, het Spaanse Koninklijk Huis, de eilanden en het vaste land als eigendom opeiste. Op deze wijze werden de woorden ‘uitvinding’ en ‘verovering’ met elkaar in verband gebracht.6 Volgens Shiva is er een relatie tussen patenten op uitvinding en kolonisatie, want door het versterken van feodale machtsrelaties, de verovering van land en de systematische uitbuiting van bestaansmiddelen voor het creëren van kapitaal, wordt de vorst ten koste van het volk gediend. Kolonisatie betekende de toe-eigening van nieuw land waarbij de inheemse bevolking ondergeschikt werd gemaakt aan de nieuwe wet. Onderwerping en uitbuiting waren het resultaat van ongelijke machtsrelaties en een oneerlijke verdeling van het land. Het heeft ruim 300 jaar geduurd voordat de volkeren van Latijns-Amerika, geïnspireerd door de idealen uit de Verlichting en de Franse Revolutie, zich konden bevrijden van de Portugese en Spaanse dominantie. Echter, daarmee verdwenen de feodale afhankelijkheidsrelaties niet volledig van het toneel. Zo is er in landen als Guatemala nog steeds sprake van terratenientes, landeigenaren die veel politieke invloed hebben. Anno 2012 heeft kolonisatie een verschijningsvorm gekregen die zich afspeelt binnen de velden globale economie en biologie. Niet langer ligt de focus op het verkrijgen van land, maar op het verkrijgen van                                                                                                            

‘De geschiedenis van de Octooirichtlijn’, Platform Gentechnologie.nl (z.d.), beschikbaar via: http://www.platformgentechnologie.nl/patents/thema_patenten/patent_geschiedenis.html (geraadpleegd op 3 maart 2012). 2 E. Kaufer, Economics of the Patent System: Harwood Fundamentals of Applied Economics (Londen 2003) 1-3. 3 V. Shiva, Proteger o Expoliar? Los derechos de propiedad intelectual. (Barcelona 2003) 11-15. Dit boek is in een Engelse vertaling verschenen als: Patents: Myths & Reality (New Delhi 2001). 4 Kaufer, Economics of the Patent System (Londen 2003) 1-3. 5 Shiva, Proteger o Expoliar?, 17. 6 Ibidem, 7. 1

39


Volonté Générale 2012 - n°1

genetisch materiaal van levende organismen. Dit materiaal wil men inzetten in productieprocessen en een groot deel van de kenniseconomie is hierop gebaseerd. Tegenwoordig kennen we een definitie van patenten als een mechanisme ter bescherming van intellectueel recht en aanmoediging van inventiviteit. Daar waar 40 jaar geleden geen patenten op leven bestonden, bestaan er heden ten dage overeenkomsten tussen corporaties en overheden waarin patenten aan corporaties worden toegekend over het DNA van stammen en volkeren. Biotechnologische corporaties haasten zich om genetisch materiaal toe te eigenen voor exploitatie. Dit roept de volgende vragen op: hoe verloopt het legitimatieproces van patenten op leven? Onder welke argumenten en met welke doelen worden patenten verleend? Het antwoord op deze vragen is verknoopt met de instelling van intergouvernementele organisaties als de World Trade Organization en belangende internationale krachtenveld van economische belangen. Tussen 1980 en 1990 liep Japan voorop in technologische uitvindingen. Ten opzichte van Japan hadden de VS een commerciële deficit. Om hun positie in de wereldeconomie te verzekeren, gebruikten de VS de Intellectuele Eigendomswet (IE). Op deze manier wilden de VS de concurrerende technische sectoren blokkeren en reguleren.7 In eerste instantie was Europa tegen de IE, maar nadat de IE-wet opgenomen werd in de Wereldovereenkomst voor Tarieven en Handel (GATT) – nu onderdeel van het WTO-reglement – kwam hier verandering in. 8 De introductie van IE in GATT was een strategie van de Reagan-regering. Het idee was dat een wereldwijde incorporatie van de IE-wet het commerciële verlies van de VS kon reduceren. Het eerste patent werd in 1988 door de United States Patent and Trademark Office (USPTO) aan de corporatie DuPont gegeven. DuPont ontving een patent op de Harvardmuis.9 De genen van deze muis waren zodanig gemanipuleerd dat deze kanker kreeg, waardoor hij geschikt werd voor kankeronderzoek. De argumenten waren sterk: biotechnologie kon bijdragen aan het welzijn van de mens en het was goed voor de handelspositie van de VS. Vanaf dat moment zijn er duizenden patenten verleend, waardoor inmiddels vele producten in de supermarkt – dus ook die mooie ronde tomaten – afgeleid zijn uit de biotechnologie.

De economie van het biotechnofeodalisme ‘Neither I nor my parents or grandparents ever envisioned farmers losing control of their seed.’10

Genetische manipulatie is een oeroud fenomeen. In 2006 publiceerde Charles C. Mann het boek 1491 New Revelations of the Americas Before Colombus, waarin hij aangeeft dat in Meso-Amerika meer dan 20.000                                                                                                            

Ibidem, 10. Ibidem, 7. 9 Idem. 10 R. Schubert, ‘Farmings New Feudalism. Percy Schmeiser and Other Causalities of Industrial Agriculture’s Drive to own it All’, Worldwatch Magazine 18/3 (2005), beschikbaar via: http://www.worldwatch.org/node/574 (geraadpleegd op 3 maart 2012). 7 8

40


Volonté Générale 2012 - n°1

soorten maïs bestaan als gevolg van eeuwen bestuiving en zaadselectie. Zaadselectie was – en is nog steeds – een door boeren toegepaste vorm van genetische manipulatie. Naast de traditionele methode om DNA van organismen te manipuleren, is er ook een medische methode: door een vreemd gen in de genen van een ander organisme te spuiten, kunnen specifieke functies worden veranderd. Dit brengt ons meteen bij het eerste argument dat pleit voor genetische manipulatie toegepast op landbouw, namelijk dat het een oeroude en dus veilige techniek is. Maar de introductie van een gen uit het ene organisme in de genen van een ander soort organisme (bijvoorbeeld het gen van een rat in de genen van een sla) kent geen precedenten. Monsanto is een chemiecorporatie die producten voor landbouw ontwikkelt. De corporatie kreeg een enorme impuls in de tweede helft van de 20ste eeuw met de introductie van grootschalige, industriële landbouw. Inmiddels is Monsanto internationaal leider in de productie van genetisch gemanipuleerde zaden. Monsanto’s transgenetische maïs bevat een proteïne uit een toxische bacterie. De gen van deze bacterie zorgt ervoor dat de maïsplant een dodelijk toxine uitstoot; geen enkel insect ontkomt. Een zorgwekkend feit is dat in de laatste decennia de honingbijenpopulatie wereldwijd sterk is afgenomen, vermoedelijk door de impact van de agrochemie. 11 Het is de honingbij die een zeer belangrijke rol speelt in de reproductiecyclus van planten en het reproduceren van diversiteit. Een andere toepassing van biotechnologie is de manipulatie van de genen van een plant om hem bestendig te maken tegen onkruidverdelgers. Monsanto produceert zelf de niet-biologische afbreekbare onkruidverdelger Roundup, waarop het genetisch gewijzigde gewas weet te reageren. De genetische structuur van levensvormen wordt dus aangepast aan een chemisch product. De actieve stof in Roundup, glyfosaat, is een zeer toxische onkruidverdelger die zo sterk is dat op het gemanipuleerde gewas na, geen ander organisme kan overleven. Het maakt het bouwland dus onvruchtbaar. Sterker nog, in Argentijnse gebieden waar grootschalig en intensief industriële landbouw wordt bedreven, is een sterke toenames van onvruchtbaarheid, mutaties, ziektes, lichamelijke aandoeningen en kanker waargenomen die gerelateerd zijn aan het toxische effect van glyfosaat op het lichaam.12 Negentig procent van alle genetisch gewijzigde zaden in de wereld zijn intellectueel eigendom van Monsanto. Daarmee heeft de corporatie een monopoliepositie in 71 landen. Deze zaden zijn steriel ontworpen, hetgeen betekent dat de oeroude techniek van zaadselectie onmogelijk                                                                                                            

Mededeling van de commissie aan het Europees parlement en de Raad, ‘Over de gezondheid van honingbijen’ (6 december 2010), beschikbaar via: http://ec.europa.eu/food/animal/liveanimals/bees/docs/honeybee_health_communicatio n_nl.pdf (geraadpleegd op 3 maart 2012); Debat Europees Parlement Straatsburg, ‘De situatie in de Bijenteelt’ (23 november 2010), beschikbaar via http://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?pubRef=//EP//TEXT+CRE+20101123+ITEM-019+DOC+XML+V0//NL (geraadpleegd op 3 maart 2012). 12 ‘Qué es Glifosato?’, Panorama METRO (programma van spaanstalige nieuwszender) (14 september 2009), beschikbaar via: http://www.youtube.com/watch?v=9m1u2N9INsY(geraadpleegd op 3 maart 2012). 11

41


Volonté Générale 2012 - n°1

wordt gemaakt. Een boer die zaden van Monsanto koopt, moet elk jaar weer nieuwe zaden aanschaffen bij de corporatie. Daarmee positioneert Monsanto zich aan het begin van de voedselketen en zowel boer als de consument worden afhankelijk gemaakt van de zadenproducent. Wil een boer zaden verzamelen, dan wordt dat beschouwd als schending van Monsanto’s intellectueel recht. Een normaal gewas kan door bestuiving besmet raken met de genetische structuur van een genetisch gemanipuleerd gewas. Het gevolg is dat de corporatie een claim kan leggen op het besmette zaad. In Mexico is een aantal oeroude soorten maïs besmet geraakt met transgenetische maïs.13 Een dergelijke kruising tussen soorten is dus oncontroleerbaar en heeft onvoorziene gevolgen voor zowel het ecosysteem als het werk en het welzijn van boeren. Shiva heeft sinds de jaren 1980 veel onderzoek gedaan naar de toepassing van agrochemie en genetische manipulatie (GM) in industriële landbouw en de gevolgen ervan voor lokale economieën. Ze werd geconfronteerd met de effecten van de introductie van Monsanto’s producten in India. Monsanto verleidde veel Indiase boeren met kredieten om transgenetisch katoenzaad, oftewel Bt-cotton, te kopen. De boeren maakten enorme schulden en dat kwam velen duur te staan. Aan hen werd beloofd dat dit product de agrochemische kosten zou verminderen en dat de productiviteit van het land zou toenemen. Het tegendeel is bewezen. Btcotton heeft veel bestrijdingsmiddelen nodig, die het bouwland onvruchtbaar maken. Zo hebben de boeren zich steeds dieper in de schulden gestoken, omdat hun oogsten waren mislukt en ze dus de kredieten niet konden terugbetalen. Sinds 1997 hebben 200.000 Indiase boeren zelfmoord gepleegd door het Monsanto bestrijdingsmiddel op te drinken.14 Via de uitbreiding van hun producten op de markt scheppen corporaties als Monsanto een afhankelijkheidsrelatie met landbouwproducenten en de consument. Dit kan als een wederopleving van het feodalisme gezien worden, omdat via krediet, concurrentie, toeeigening van marktposities en het octrooisysteem de markt veroverd wordt. Het gevaar hiervan is dat het individu erg afhankelijk wordt van de markt. Wil de consument ontsnappen aan de verovering van de voedselmarkt, dan dient zij te weten welke producten behoren tot de GM-categorie. Dat is zeer complex en de informatievoorziening is onvoldoende. Om voor ‘groene’ producten te kunnen kiezen, is niet alleen de vrije wil van belang; vrij kiezen is op zich een kwestie van beschikken over middelen, historisch en ethisch bewustzijn, en niet iedereen kan zich over zulke kwesties buigen. Ten eerste omdat producten afgeleid uit industriële landbouw door middel van subsidies op kunstmatige wijze goedkoop worden gehouden. Ten tweede omdat niet iedereen de consequenties die patenten op leven met zich mee dragen, kan overzien.                                                                                                            

‘Verregaande GGO-besmetting in Mexico’, Noticias.nl (9 oktober 2003), beschikbaar via: http://www.noticias.nl/milieu_artikel.php?id=557 (geraadpleegd op 3 maart 2012). 14 ‘Globalization as Genocide: ’, The Sikh Archives (3 november 2010), beschikbaar via: http://www.sikharchives.com (geraadpleegd op 3 maart 2012). 13

42


Volonté Générale 2012 - n°1

De esthetiek van het terugslaan ‘A speaking being, according to Aristotle, is a political being. If a slave understands the language of its rulers, however, he does not ‘possess’ it. […] The distribution of the sensible reveals who can have a share in what is common to the community based on what they do and on the time and space in which this activity is performed.’15

Toch wil ik graag duidelijk maken dat individuele autonomie weer mogelijk is als het individu zich in een gemeenschap positioneert. Shiva is milieuactiviste en wetenschapper. Sinds de jaren 1980 verzet ze zich tegen de groeiende globale economie. Haar zoektocht naar alternatieven begon met een onderzoek naar de discrepantie tussen de groeiende armoede in India en de bewering dat de agrochemie honger kon bestrijden. Het is echter de vraag of intensieve industriële landbouwproductie – dus de inzet van agrochemie en GM-zaden – deze hongersnood kan bestrijden. In het boek The Violence of the Green Revolution laat ze zien dat de voordelen van industriële landbouw maar relatief zijn. Bovendien zullen de nadelen op de lange termijn groter zijn: de agrochemie leidt tot steriel bouwland en intensief waterverbruik. Shiva’s verzet begon in Dehradun, India, waar ze de zaadbank en organische boerderij Navdanya oprichtte. Navdanya is inmiddels uitgegroeid tot een internationaal netwerk van boeren die zaad en organische landbouwtechnieken met elkaar delen. Shiva organiseert ook schoolprojecten om boeren te stimuleren over te gaan op organische landbouw. Navdanya geeft zaden aan de boeren en deze betalen op hun beurt terug met zaden. De filosofie is heel simpel: zaad is leven. Kweekt men een zaad, dan krijg men tien zaden erbij; de aarde is edelmoedig. Daarnaast stimuleert de controle over de productie van zaden een cultuur van schaarste omdat zaad steriel wordt gemaakt omwille van profijt.16 De synthese die voortvloeit uit de confrontatie van deze visies, namelijk de economie omwille van profijt en de economie van het delen, wordt het best geïllustreerd door het werk van de kunstenaressen Brita Riley en Rebecca Brey. Samen hebben ze een prototype voor Window farms ontworpen. Window farms is een vorm van hydroponie die werkt door planten te kweken in water dat voorzien is van noodzakelijke voedingsstoffen. Hydroponie maakt ‘binnen tuinieren’ mogelijk. Window farms is een verticaal systeem van hydroponie dat voor een raam met veel lichtinval hangt. Omdat het prototype niet perfect was, besloten ze het te publiceren op een open source website waar mensen uitgenodigd werden mee te doen aan het project. Het is dus door middel van collectieve participatie dat de kunstenaressen in staat zijn geweest een beter product te ontwikkelen. Het open source project groeide uit tot een netwerk van ruim 18.000 window farmers over de hele wereld die via het platform Research & Development Do It Yourself kennis kunnen uitwisselen. 17 De gemeenschap van window farmers doet op dit moment een patentaanvraag op dit idee. De milieubeweging lijkt dus een omslag te hebben gemaakt. Milieuactivisten hebben de traditionele vorm van protest ingeruild voor                                                                                                             J. Ranciére, ‘The Distribution of the Sensible: Politics and Aesthetics’, in: idem, The Politics of Aesthetics (Londen 2009) 7-45, aldaar 12. 16 Beschikbaar via: http://www.vandanashiva.org/ (geraadpleegd op 3 maart 2012). 17 Beschikbaar via: http://www.rndiy.org/ (geraadpleegd op 3 maart 2012). 15

43


Volonté Générale 2012 - n°1

samenwerking en het gebruik van alternatieven als de beste vorm van verzet. Willen we kunnen spreken van vooruitgang, dan is het koesteren van een cultuur waarin participatie en samenwerking hoog in het vaandel staan, van groot belang. De technologische ontwikkeling is de maat van vooruitgang. Echter, techniek kan worden gebruikt om mensen te onderdrukken en dit geeft aan dat vooruitgang niet gelijk staat aan technologie. Als aspecten van het feodale verleden weerspiegelt worden in het heden – de mens schept machtsrelaties van dominantie en afhankelijkheid door middel van economische verdragen – dan is de mentaliteit van de mens de maatstaf van vooruitgaan.  Heliana Flores Guido volgt de onderzoeksmaster Kunst en Visuele Cultuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

44


Volonté Générale 2012 - n°1

Crisis in de democratie? Meer democratie! Bas Knoop De Amerikaanse politicoloog Robert Dahl noemt het de fascinerende paradox van de moderne democratie. Steeds meer burgers accepteren en steunen de principes van de representatieve democratie. Echter, de ontevredenheid over het functioneren ervan neemt de laatste jaren toe. Dit geldt ook voor het wantrouwen ten aanzien van gezagsdragers en de belangrijkste instituties binnen het representatieve democratische stelsel.1 ‘Politieke partijen zijn oude olifanten op weg naar hun laatste rustplaats.’2 ‘De politiek sluit de burger buiten.’3 ‘Waarom is de burger boos?’4 Het zijn slechts twee stellingen en één vraag uit de vele tientallen publicaties die het afgelopen decennium verschenen zijn in het debat over de crisissituatie waarin de representatieve democratie zich bevindt. Talloze boeken, krantenpagina’s, opinieartikelen en tv-documentaires zijn gewijd aan de onvrede over het functioneren van het politieke systeem van representatieve vertegenwoordiging. Antipartijen als de LPF, SP en de PVV hebben grote verkiezingszeges behaald. Daarnaast tonen kiezersonderzoeken aan dat het vertrouwen in de instituties van de vertegenwoordigende democratie de laatste jaren sterk fluctueert. 5 Verklaringen voor dit onbehagen over de werking van de representatieve democratie zijn het afgelopen decennium door een keur aan deskundigen uit verschillende wetenschappelijke disciplines gepresenteerd. Het is nu tijd om in termen van oplossingen te denken. Zie de crisis als uitdaging! In dit artikel wordt betoogd dat het inpassen van deliberatieve vormen van democratie, in combinatie met vernieuwing van het democratisch instrumentarium, een eerste stap naar vertrouwensherstel kan zijn. Deliberatieve democratie is een vorm van collectieve, publieke besluitvorming waarbij een groep van gelijkwaardige burgers, middels rationele argumentatie, streeft naar het bereiken van the common good. Hierbij zijn de in dit artikel gepresenteerde oplossingen in de eerste plaats gericht op het versterken van de lokale democratie. Op dat bestuursniveau is de crisis van de representatieve democratie immers het beste zichtbaar. Als gevolg van een sterk dalend ledental en de daarmee verbonden problemen op het vlak van rekrutering, staan politieke partijen op lokaal niveau onder druk. De problematische positie van de politieke partijen wordt gezien als onderdeel van het dalende vertrouwen van burgers in het vertegenwoordigende stelsel op lokaal niveau.6 Om het                                                                                                            

R. Dahl geciteerd in: A. Krouwel, Semi-directe consensusdemocratie. Zes voorstellen voor democratische innovatie en verdieping in Nederland (Amsterdam 2004) 241-284. 2 D. J. Elzinga, De toekomst van de vertegenwoordigende partijendemocratie, (Amsterdam 2003) 1. 3 F. van Deijl, ‘De politiek sluit de burger buiten’, HP/De Tijd nr. 1 (6 januari 2012) 14-17. 4 M. van Rossem, Waarom is de burger boos? (Amsterdam, 2010). 5 M. Boven & A. Wille, Politiek vertrouwen langs de meetlat (Utrecht 2008) 36. 6 P. van der Zwan, ‘Onderzoek naar bestuurskrachtmetingen van 110 gemeenten, persbericht over K. Abma, Beoordelen van gemeenten (Nijmegen 2012)’, VNG-magazine vol. 66, nr. 2 (Den Haag 2012) 12. Beschikbaar via: http://www.vngmagazine.nl/archief/4286/onderzoek-naar-bestuurskrachtmetingen-van110-gemeenten (geraadpleegd op 3 maart 2012). 1

45


Volonté Générale 2012 - n°1

debat overzichtelijk te houden, geef ik eerst een kort overzicht van de oorzaken van deze ontevredenheid.

Crisis in de partijendemocratie De hierboven al even aangehaalde stelling dat ‘politieke partijen oude olifanten zijn op weg naar hun laatste rustplaats’, is een beroemde uitspraak van D66-coryfee Jan Vis. Onlangs haalde partijgenoot en senator Hans Engels deze stelling weer van stal in een interview in HP/De Tijd om de mogelijke gevolgen van het visieloze handelen van politici te schetsen.7 Een partijloze democratie lijkt vooralsnog niet meer dan een illusie. Hoogleraar Staatsrecht Douwe Jan Elzinga stelt dat ‘uit de nationale en internationale politicologische literatuur blijkt dat er vrijwel geen democratische regeersystemen functioneren zonder politieke partijen’. Of het moet gaan om ‘exotica’, zoals de onlangs omvergeworpen ‘massademocratie’ van de Libische leider Khaddafi, of experimenten met directe democratie via internet. Elzinga concludeert: ‘[de] gecompliceerde samenleving en de veelvormige eis van burgers om invloed uit te oefenen, vereist het functioneren van politieke partijen om aan de politieke integratie vorm en inhoud te geven’. 8 Toch is de functionele transformatie van politieke partijen sinds de ontzuiling halverwege de twintigste eeuw een van de belangrijkste oorzaken van het huidige legitimiteits- en representatieprobleem in de politiek. 9 Het legitimiteitsprobleem houdt in dat burgers weinig vertouwen hebben in de politieke instituties binnen de representatieve democratie, zoals het parlement, de politieke partijen en de gezagdragers ervan. Kiezers zijn de laatste jaren steeds meer ontevreden over de in hun ogen te geringe capaciteit van de overheid om de problemen waarmee zij zich geconfronteerd zien, op te lossen. Hoewel de interesse voor politiek gestegen is, neemt de participatie van burgers in de politieke besluitvorming de laatste jaren af. Lagere opkomstcijfers bij voornamelijk lokale, provinciale en Europese verkiezingen, dalende lidmaatschapcijfers van politieke partijen en afnemend partijactivisme zijn hier het resultaat van. Burgers keren zich volgens politicoloog André Krouwel niet zozeer af van de onderliggende waarden van democratie, maar van ‘de typisch institutionele uitwerking van democratie in een representatieve partijdemocratie’.10 De in de ogen van een bepaald deel van de bevolking te geringe capaciteit van de overheid om problemen daadkrachtig aan te pakken, is terug te voeren op de veranderde rol van politieke partijen in onze samenleving. Een politieke partij trad in de naoorlogse verzuilde periode op als schakel tussen staat en een bepaald segment van de samenleving (arbeiders, protestanten etc.). In de loop van de jaren 1960 bleek die rol                                                                                                            

Van Deijl, ‘De politiek sluit de burger buiten’. Elzinga, De toekomst van de vertegenwoordigende partijendemocratie, 21-22. 9 Krouwel, Semi-directe consensusdemocratie, 245. 10 Ibidem, 244. 7 8

46


Volonté Générale 2012 - n°1

van massapartij echter aan erosie onderhevig.11 Tal van maatschappelijke ontwikkelingen hebben geleid tot een ontzuiling in de Nederlandse politiek. De massapartijen werden slachtoffer van hun eigen succes. Doordat de belangrijkste politieke en sociale rechten waren verworven en de overheid de opbouw van een uitgebreid stelsel van sociale zekerheid had afgerond, werd de eens zo belangrijke maatschappelijke functie van de massapartij min of meer overbodig. Sinds de ontzuilingsperiode is de tijd van de grote ideologische verhalen voorbij en is de samenleving individualistischer geworden. De ontplooiing van het eigen leven kwam bij velen boven het gemeenschappelijke belang te staan. Burgers hebben vandaag de dag niet meer één groot belang, maar een collectie van sterk wisselende en gefragmenteerde persoonlijke belangen. Wie vóór zonne-energie is, kan evenwel het standpunt innemen dat er een verbod moet komen op het dragen van hoofddoekjes. We zijn met z’n allen mondiger, welvarender, hoger opgeleid en assertiever dan ooit tevoren, en we kunnen onze wensen en belangen prima verwoorden. De gevestigde politieke partijen zijn er niet in geslaagd adequaat in te spelen op deze erosie van de traditionele sociale structuur waaruit zij voortkomen.12 Kiezers hebben niet langer het idee dat de gevestigde politieke partijen, die zich in reactie op de ontzuiling de afgelopen decennia hebben ontdaan van hun ideologische veren en daardoor programmatisch moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn, hun belangen op adequate wijze representeren. De articulatie van belangen van burgers op deelniveau is de laatste jaren deels overgenomen door verschillende maatschappelijke organisaties en de media.13 Kortom, er is sprake van een trend waarbij de ledentallen van maatschappelijke belangenorganisaties stijgen en het aantal mensen dat lid is van een politieke partijen afneemt. De representatiefunctie van politieke partijen is stevig onder druk komen te staan.

Overheidssubsidies Als gevolg van de dalende ledenaantallen zijn politieke partijen steeds meer afhankelijk van overheidssubsidies. Daardoor richten politieke partijen zich steeds meer op de staat in plaats van op de samenleving om te kunnen overleven. Dit uit zich niet alleen in een toenemende afhankelijkheid van staatsfinanciering, maar ook in de omgang met nieuwkomers op het politieke toneel. ‘Eveneens trachten de traditionele partijen te overleven en zich af te schermen van concurrentie van nieuwkomers door middel van juridische bescherming via de staat. De gevestigde partijen hebben een complex stelsel van formele reguleringen ontwikkeld, onder andere ten aanzien van partijregistratie, mediatoegang, politieke campagnes, toekenning van staatsfinanciering, registratie van kandidaten, financiering van de parlementaire organisatie en op het                                                                                                            

R.S. Katz & P. Mair, ‘Changing models of party organization and party democracy’, Party politics 1 (1995) 12-22, aldaar 16. 12 Katz & Mair, ‘Changing models of party organization and party democracy’, 12. 13 Krouwel, Semi-directe consensusdemocratie, 246. 11

47


Volonté Générale 2012 - n°1 14 terrein van internationale samenwerking’. Volgens bestuurswetenschapper Engels ziet ‘de gevestigde politieke orde (...) in het huidige bestel niets anders dan een dekmantel om hun macht te handhaven’.15 Niet alleen heeft deze ontwikkeling ruimte gecreëerd voor de opkomst van populistische partijen, ze heeft er ook toe geleid dat het vertrouwen van burgers in instituties van de representatieve democratie tanende is: het legitimiteitsprobleem.16 Naast een legitimiteitsprobleem en een representatieprobleem, is er nog een derde probleem: het controleprobleem. Hoewel politici nog altijd afhankelijk zijn van nationale verkiezingen voor het veroveren van politieke macht, is hun succes steeds meer afhankelijk van beleid dat op Europees of mondiaal niveau wordt geformuleerd. Door deze toenemende beleidsontwikkeling op Europees niveau, is de bewegingsruimte voor regeringen op nationaal niveau kleiner geworden en zijn de mogelijkheden voor nationale parlementen om nationale regeringen te controleren afgenomen. De Europese integratie heeft geleid tot meer macht aan de kant van de uitvoerende macht en een verzwakking van de nationale parlementen.17

De crisis als uitdaging Nu in het kort de oorzaken zijn geschetst van de huidige ontevredenheid onder een deel van de bevolking over het functioneren van de representatieve democratie, is het tijd om enkele mogelijke oplossingen te geven. Hoe kunnen we er op een constructieve manier voor zorgen dat het vertrouwen en de participatie van de burgers in de lokale democratie toenemen? Het dualisme heeft niet geleid tot een vitalisering en grotere herkenbaarheid van de lokale democratie. Zo is het monisme allerminst verdwenen in de verhoudingen tussen gemeenteraad en het college van B&W. Raadsleden worstelen met hun nieuwe drietrapsrol van sturen, controleren en vertegenwoordigen. 18 Daarnaast is het burgerlijk vertrouwen in de lokale democratie eerder af- dan toegenomen.19 Een van de belangrijkste legitimatieproblemen in het dualistische lokale bestuur ligt verscholen in het verschil in legitimatie tussen de twee belangrijkste organen: de gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders. Beide organen hebben eigen, maar vergelijkbare bevoegdheden, maar waar de raad rechtstreeks door het volk wordt gekozen, zijn wethouders aangesteld door de gekozen raad. ‘Zij                                                                                                            

Ibidem, 247. Van Deijl, ‘De politiek sluit de burger buiten’. 16 Krauwel, Semi-directe consensusdemocratie, 248. 17 T. Raunio & S.Hix, Destined for Irrelevance? Subsidiarity Control by National Parliaments (WP) (2000) 163, beschikbaar via: http://www.realinstitutoelcano.org/wps/portal/rielcano_eng/ Content?WCM_GLOBAL_CONTEXT=/elcano/elcano_in/zonas_in/dt36-2010 (geraadpleegd op 3 maart 2012). 18 Onderzoeksbureau Berenschot, Evaluatie van de wet dualisering gemeentebestuur (2004), beschikbaar via: http://www.kiss-oost.nl/uploads/berenschot_onderzoek.pdf (geraadpleegd op 3 maart 2012). 19 Van der Zwan, ‘Onderzoek naar bestuurskrachtmetingen van 110 gemeenten’. Beschikbaar via: http://www.vngmagazine.nl/archief/4286/onderzoek-naarbestuurskrachtmetingen-van-110-gemeenten (geraadpleegd op 3 maart 2012). 14 15

48


Volonté Générale 2012 - n°1

functioneren daarmee op een indirecte democratische grondslag’, stelt bestuurswetenschapper Engels. De burgemeester is weliswaar door de Kroon benoemd, maar feitelijk verkozen door de raad. 20 Op deze manier is er sprake van een kunstmatige scheiding tussen bestuur en raad, twee organen die nog altijd volkomen met elkaar verknoopt zijn, aangezien wethouders voortkomen uit politieke partijen die zijn vertegenwoordigd in de raad. Een oplossing voor dit probleem is het invoeren van het presidentiële principe van een seperate origin. In dit voorstel wordt de burgemeester en een aantal bestuurders rechtstreeks door het volk gekozen. Hierdoor krijgen zij een eigen mandaat van het volk en zijn dus niet alleen verantwoording schuldig aan de raad, maar tijdens verkiezingen ook aan het volk.21 Met deze stelselwijziging wordt de legitimiteit van het dualistische lokale bestuur versterkt én voor de burger wordt de lokale democratie ook herkenbaarder, want de verhoudingen tussen college en raad worden duidelijker afgebakend. Aan de ene kant staat een krachtig bestuur, met daarin mogelijk personen van buiten de politiek of van meerdere politieke kleuren; aan de andere kant opereert een raad die zich vooral richt op zijn vertegenwoordigende en controlerende functie.

Deliberatieve democratie Vandaag de dag hebben de burgers niet één gezamenlijk belang, maar hebben zij verschillende gefragmenteerde belangen op diverse deelterreinen. Zij vinden dat gevestigde politieke partijen er onvoldoende in slagen hun belangen te representeren, deels omdat politieke partijen nog denken in de sociale structuren die hun oorsprong hebben in de verzuiling. Representatie op deelbelangen, via vormen van deliberatieve democratie, kan in de lokale democratie uitkomst bieden. Wat is deliberatieve democratie? De politiek-filosoof Joshua Cohen omschrijft het als volgt: A democratic conception can be represented in terms of the requirements that it sets on such [an ideal] procedure. In particular, outcomes are democratically legitimate if and only if they could be the object of a free and reasoned agreement among equals. The ideal deliberative procedure is a procedure that captures this principle.22

In de puurste vorm van deliberatieve democratie delegeren burgers het besluitvormingsproces niet naar politici en worden geen meerderheidsbesluiten genomen. Gestreefd wordt, middels rationele argumentatie tussen een groep gelijkwaardige burgers. naar het bereiken van the common good. Zo gaat de definitie van deliberatieve democratie van                                                                                                            

H. Engels, De staat van het dualisme in het decentraal bestuur (Enschede 2008) 11. A. Krouwel, Dualisme (30 september 2010), beschikbaar via: http://www.vngmagazine.nl/ weblog/620/column-dualisme (geraadpleegd op 3 maart 2012). 22 J. Cohen geciteerd in: K. Baynes, ‘Deliberative democracy and public reason’, Veritas 55/1 (2010) 135-163, aldaar 136. 20 21

49


Volonté Générale 2012 - n°1

de politiek-filosofen Samuel Johnson en George Knight uit van ‘consensus or agreement as a regulative aim of deliberation’.23 Het moge duidelijk zijn dat deze zuivere vorm van deliberatieve democratie niet inpasbaar is in ons huidige stelsel van representatieve vertegenwoordiging. Daarom wordt in dit artikel gepleit voor deliberatieve vormen die een bijdrage kunnen leveren aan het versterken van de lokale democratie. In België vond afgelopen najaar, zij het op landelijk niveau, een groot experiment plaats met deliberatieve democratie onder de noemer G1000, onder meer op initiatief van de Vlaamse schrijver David van Reybrouck. Via een online enquête konden burgers van juli tot en met november 2011 aangeven welke onderwerpen zij belangrijk vonden. Vervolgens werd via een representatieve steekproef uit deze groep respondenten een groep van duizend burgers geselecteerd die op 11 november mocht deelnemen aan de G1000 om te praten over de grote uitdagingen waar België voor staat. ‘Ze zullen niet op een tribune zitten, maar aan honderd tafels van tien, elk met een gespreksleider. Op een centraal podium worden de onderwerpen ingeleid. Daarna luisteren we naar wat al die gewone, vrije burgers te zeggen hebben. Ze zullen stemmen over wat ze echt belangrijk vinden. Het wordt een ware hoogdag van de democratie. Wij, burgers van een land in crisis, helpen de politici met zoeken naar oplossingen’, aldus een passage uit het G1000manifest.24 Inmiddels is de groep van duizend burgers teruggebracht naar een select gezelschap van 32 personen. Deze wederom representatief gekozen groep burgers (uit de duizend deelnemers) komt in april van dit jaar met enkele concrete aanbevelingen voor de Belgische politiek.25 Deze praktische werkvorm van deliberatieve democratie kan ook op lokaal niveau worden toegepast! Laat de inwoners van een stad of dorp via een enquête bepalen welke onderwerpen hen echt aan het hart gaan of waar zij zich zorgen over maken. Hieruit vloeit bijvoorbeeld een top vijf voort van gekozen onderwerpen. Selecteer vervolgens per gekozen onderwerp via een representatieve steekproef, afhankelijk van de grootte van de stad of dorp, een aantal deelnemers. Vervolgens delibereren deze groepen onder leiding van een neutrale voorzitter op vooraf vastgestelde momenten in het jaar over het voorliggende onderwerp en brengen met enige regelmaat een advies uit. Adviezen die tot stand komen op basis van meerderheidsbesluiten worden besproken in de raad. Het is dan aan de raad om via heldere argumentatie te besluiten een advies al dan niet over te nemen. Op deze manier wordt de vertegenwoordigende functie van de raad versterkt. De legitimiteit van de lokale democratie neemt toe doordat de verschillende deelbelangen van burgers vertegenwoordigd worden in de raad. De kiezers hebben daadwerkelijk het gevoel dat zij niet alleen bij verkiezingen politieke invloed hebben. Het vormen van een echt duaal stelsel op lokaal niveau en het doorvoeren van praktische werkvormen                                                                                                            

Baynes, ‘Deliberative democracy and public reason’, 137. G1000, Het Manifest van de G1000 (z.d.), beschikbaar via: http://www.g1000.org/nl/ manifest/ (geraadpleegd op 3 maart 2012). 25 Idem. 23 24

50


Volonté Générale 2012 - n°1

van deliberatieve democratie, moeten een eerste aanzet geven tot het versterken van de lokale democratie.  Bas Knoop (1986) is journalist, politicoloog en parlementair historicus. Op dit moment is hij werkzaam als adviseur/onderzoeker bij Necker van Naem, een adviesbureau voor de publieke sector.

51


Volonté Générale 2012 - n°1

Het gezicht 180 graden draaien en naar de burger luisteren Interview met Frank Ankersmit Frank Ankersmit (1945) is emeritus hoogleraar intellectuele en theoretische geschiedenis. Daarnaast is hij een frequent deelnemer aan het publieke debat en publiceert hij stukken in verschillende tijdschriften en kranten. Volonté Générale sprak met hem over de huidige democratie in Nederland, maar ook in Europa en over de rol van de wetenschapper in het publieke debat.

Wij, de Nederlandse burgers, prijzen met trots de democratie waarin wij leven. U wilt de wekker zetten, opdat deze naïeve dromers uit hun droom ontwaken. Wat mankeert er aan ons politiek bestel? Ten eerste vraag ik mij af of wij ons politieke systeem het beste ‘democratie’ of ‘electieve aristocratie’ moeten noemen. Je zou kunnen denken: ‘Wat maakt het nu uit wat voor naam het systeem heeft? Het systeem verandert er niet door.’ Echter, net zoals wanneer je een auto repareert, moet je weten wat voor soort motor de auto aandrijft. Oplossingen voor problemen in een democratie zijn anders dan oplossingen voor problemen in een electieve aristocratie. Het gebruik van een oplossing voor het ene systeem leidt tot problemen als het voor het andere systeem wordt gebruikt. Ik noem ons politieke bestel een electieve aristocratie, omdat de hedendaagse volksvertegenwoordiger de politiek bepaalt en de niet de burger, zoals dat in een democratie het geval is. De burger stemt eenmaal in de vier jaar, waarbij de aristocratie wordt gekozen. Het probleem van de electieve aristocratie zit in de taakomschrijving van de gekozen volksvertegenwoordiger. Deze is tegenstrijdig: enerzijds is hij volksvertegenwoordiger, anderzijds is hij medewetgever. Nooit heeft iemand daar een probleem vermoedt, maar deze taken zijn heel verschillend. Toch wordt niet erkend dat een volksvertegenwoordiger eigenlijk een andere rol behoort te spelen dan die van medewetgever. Daardoor is een situatie ontstaan waarin ideologie voor de volksvertegenwoordiger minder belangrijk is. Een goed voorbeeld is de PVV: zonder de behoefte in het kabinet te zitten, maar vanaf de zijlijn met een megafoon rondtoeterend wat Henk en Ingrid overal van vinden, kiezen zij voor die wijze van vertegenwoordiging. De traditionele partijen die erkennen dat regeren samengaat met de rol van medewetgever, worden in het contact met het electoraat in vergelijking met populistische partijen zoals de PVV en tot op zekere hoogte de SP, op achterstand gezet. Ik vind dat huidige rollen van de volksvertegenwoordiger als representant en wetgever gescheiden zouden moeten worden. Zonder deze scheiding staat het uitoefenen van macht direct in verband met de angst voor electoraal verlies. Nu u weet wat voor probleem er met de motor is, vragen wij ons af wat de oplossing is voor dit disfunctioneren en welk gereedschap er nodig is voor deze reparatie. Is een 52


Volonté Générale 2012 - n°1

systeem met twee kamers - een kamer met toeteraars en een kamer met medewetgevers - een oplossing? Ik heb een aantal jaren geleden in de Nationale Conventie gezeten die ingesteld was door Alexander Pechtold om te kijken naar op wat voor een manier ons politieke bestel zou kunnen worden verbeterd. Samen met een collega heb ik het idee van zogenaamde ‘themacommissies’ naar voren gebracht: vertegenwoordigers van alle partijen in de Tweede Kamer houden zich met één probleem bezig. Zo zijn er themacommissies geweest voor ouderenzorg, energie en onderwijs. Deze commissies hebben tot effect dat de Kamerleden hun gezicht 180 graden draaien en niet meer naar de regering, maar naar het volk kijken. Ze vragen het volk wat zij van het beleid voor een bepaald thema vinden. Na een paar jaar dragen de themacommissies een aantal voorstellen aan de regering voor en geven haar de opdracht om daar nieuwe wetgeving op te baseren. Het resultaat is dat de themacommissies een beleid presenteren dat het terrein van verschillende departementen omvat. Daardoor kan ook de Tweede Kamer echt de agenda bepalen. Niet de departementen, maar de Tweede Kamerleden vogelen uit wat voor wetsvoorstellen er moeten komen. Op die manier heeft de Tweede Kamer daadwerkelijk de rol van volksvertegenwoordiging. Maar waar is het dan misgelopen? Op dit moment is de Tweede Kamer speelbal van wat er op de departementen gebeurt en dat zou absoluut niet het geval moeten zijn. Een goed voorbeeld is de reactie van Frans Weisglas op de voorstellen van de themacommissie voor ouderenzorg. Hij vond dat de voorstellen van de commissie problematisch waren, omdat zij dwars door alle departementen liepen. De logica van zo’n themacommissie, dat deze juist door verschillende departementen heen liep, is er door hem uitgehaald. Zijn deze themacommissies dan wel realistisch wanneer zij over zoveel verschillende departementen worden uitgesmeerd? Het is de taak van de regering om de departementen op de voorstellen van de themacommissies aan te laten sluiten. De Tweede Kamer moet de regering de opdracht geven om dat uit te zoeken. Zij zal later een oordeel vellen of dit op een goede manier wordt uitgevoerd. Op die manier kan de Tweede Kamer, die het hart is van onze democratie, een autonome positie krijgen. Het is een uitdaging om de Tweede Kamer present te laten zijn in het politieke systeem. Daarnaast kan het verdwijnen van de ideologie tegengegaan worden, door de themacommissies te laten functioneren als een pseudoideologie. Bij de verkiezingen kijk je niet naar wat de PvdA, het CDA of de VVD in hun programma hebben staan, want dat lijkt toch verschrikkelijk sterk op elkaar. In plaats daarvan zullen de door de partij beoogde themacommissies centraal staan, want zij belichamen wat de partijen belangrijk vinden. Zo zal de VVD ongetwijfeld met een themacommissie voor bezuinigingen komen en de PvdA zal een themacommissie over de toekomst van de verzorgingsstaat organiseren. Op die manier spitsen de debatten zich toe op de essentiële zaken in de 53


Volonté Générale 2012 - n°1

samenleving: de zaken die de burger betreffen. Daar is op dit moment geen sprake van, want de neoliberale staat houdt zich voortdurend bezig met de overheid te kantelen, te hervormen. Ze is daardoor alleen met zichzelf bezig, niet met de samenleving.

Bij de verkiezingen draagt iedere partij zijn themacommissie(s) voor. Maar hoe komen deze tot stand en welke rol speelt de Nederlandse burger hierin? Per verkiezingen kunnen de partijen themacommissies vaststellen waarin de speerpunten voor de komende kabinetsperiode duidelijk naar voren komen. Deze themacommissies liggen niet vast, maar worden per kabinetsperiode ontworpen. Dus als bijvoorbeeld de PvdA zegt zich te willen richten op de toekomst van het zorgstelsel, dan zal ze aan het electoraat duidelijk maken dat als zij aan de macht komt een themacommissie ‘zorgstelsel’ op wil zetten, omdat dit het speerpunt vormt van de partij. De PvdA moet uit kunnen leggen waarom deze themacommissie belangrijker is dan wat de andere partijen willen. Als de PvdA op basis daarvan wint, kan ze haar zin doorzetten in de nieuwe Tweede Kamer. Mochten ze een flinke meerderheid hebben in deze Tweede Kamer, dan kunnen ze ervoor zorgen dat de themacommissie zorgstelsel er ook daadwerkelijk komt. Met de invoering van deze themacommissies wordt het electoraat geactiveerd. Partijen zullen belangstelling tonen voor wat hun eigen achterban vindt. Iedereen in Nederland weet dat als een bepaald themacommissie georganiseerd wordt, dat daar veel mensen bij betrokken zijn en dat deze themacommissie het Nederlandse regeerbeleid in een bepaalde richting voert. U sprak zojuist over de Nationale Conventie, een initiatief van Pechtold waarbij burgers zich in kunnen schrijven en waarin nagedacht wordt over de wijze waarop hervormingen kunnen worden doorgevoerd. Dit lijkt enigszins op een deliberatief model van democratie. Maar dat is het niet. We leven op dit moment in een electieve aristocratie en dit bestaande systeem moeten we perfectioneren met bijvoorbeeld themacommissies of een gekozen minister-president. Natuurlijk zullen zich kleine groepjes ontwikkelen, dat is immers eigen aan een aristocratie. Maar dat laat onverlet dat nieuwe voorstellen eerst aan de bevolking voorgelegd moeten worden. Ik denk dat de eerste grondwet (1798) een goed voorbeeld is: een aantal mensen besturen Nederland, maar de hele bevolking kon daarover stemmen. Het is echter praktisch onmogelijk, en wellicht ook onwenselijk, om alle Nederlanders bij elkaar te roepen in een vergadering. De deliberatieve democratie, waarin een groep mensen zich door experts laat voorlichten en adviseren over een bepaald probleem, is geen oplossing, want het is ronduit ondemocratisch om dan te zeggen dat dit kleine groepje dat het adviseringsproces heeft doorgemarcheerd, bepaalt wat de rest van Nederland zou moeten vinden. De mening van dit groepje stemt lang niet altijd overeen met wat de bevolking im großen ganzen vindt. Ik ben democraat in de zin dat ik vind dat iedereen moet kunnen zeggen wat hij ergens van vindt. Het mag niet zo zijn dat een kleine groep, ook al is deze 54


Volonté Générale 2012 - n°1

zo verstandig en subtiel mogelijk samengesteld, de toekomst van Nederland zou mogen vastleggen.

Op dit moment zijn er grote problemen, waaronder natuurlijk de economische crisis. Is het dan reëel om te denken in politieke instanties die alleen op nationaal niveau zijn georganiseerd? Ligt de toekomst wel in Nederland alleen? Democratie mag best naar een hoger niveau getild worden, bijvoorbeeld het Europese. Ik sta dan ook helemaal achter Europa. Echter, dit Europa kan problemen pas oplossen wanneer het min of meer een eenheid is. Er moet gestreefd worden naar een bestuurlijke en staatsrechtelijke eenheid: een structuur die ergens op lijkt en niet dat gedrocht dat we nu hebben in de Europese Unie. Jürgen Habermas schrijft in zijn Zur Verfassung Europas over hoe de Europese democratie eruit zou moeten zien. Hij blijft daarbij heel sterk op het idee van een soevereine staat leunen, want deze zorgt voor de burgerlijke vrijheden, politie, et cetera in een land, maar hij weet een systeem te bedenken waarin statelijke soevereiniteit alle ruimte laat voor Europese wetgeving en vice versa. Een van de dingen die hij voorstelt, is de zogenaamde dubbele soevereiniteit. In dit systeem zal een Europees parlement aanwezig zijn dat uit twee kamers zal bestaan. Eén kamer met vertegenwoordigers van het Europese volk en waar dus ook Europese Kamerleden zetelen die geen banden meer met nationale partijen onderhouden. Verkiezingen voor deze kamer zullen worden gehouden op één dag door de hele Europese Unie. Europeanen, of het nu Grieken of Finnen zijn, hebben evenveel stemrecht en kunnen ook op verschillende nationaliteiten stemmen. Deze kamer wordt de Tweede Kamer van het Europees parlement. De Eerste Kamer bestaat uit vertegenwoordigers van de afzonderlijke soevereine lidstaten. Deze kamers kiezen samen een regering die het vertrouwen van het parlement heeft en kan krijgen. Die regering kan aan de slag met de problemen van Europa. Habermas brengt een scheiding aan tussen soevereiniteit en wetgeving. De lidstaten blijven soeverein en daarmee worden hun particulariteiten geëerbiedigd, maar zij kunnen de wetgeving naar het supranationale niveau delegeren. U heeft eerder gezegd in de Groene Amsterdammer van 10 november 2011 dat politieke systeem, zowel op nationaal als Europees niveau, zich zo zal ontwikkelen dat de regering een meer zelfstandige technocratische rol zal spelen en zich alleen door volksopstanden laat corrigeren. Op dit moment heeft de bevolking een dusdanig niveau van welvaart dat de interesse van de bevolking voor politiek sterk afgenomen is. Heeft de Nederlandse bevolking wel de interesse om tot een ‘corrigerende opstand’ te komen? Een revolutie is op dit moment in Nederland volledig ondenkbaar. Maar kijk naar Griekenland, daar zijn grote problemen en staan de mensen op straat. Er moeten pijnlijke keuzes worden gemaakt en een deel van de bevolking pikt deze niet meer. Er is geen sprake van revolutie, maar er zijn opstootjes. Zo’n land wordt dan toch wel op zijn uiterste beproefd. Het is niet ondenkbaar dat meerdere landen in soortgelijke grote problemen raken en Nederland vormt daarbij geen uitzondering.

55


Volonté Générale 2012 - n°1

Circa tien jaar geleden werd gesteld dat de inwoners van een land in grofweg drie sociale groepen van gelijke grootte kunnen worden verdeeld. De eerste groep verhoudt zich heel behoorlijk tot de moderne globaliserende wereld. De tweede groep houdt zich sterk, maar de derde groep beent de ontwikkelingen niet meer bij en die valt af, zoals in de Verenigde Staten al gebeurd is. In de VS wordt gesteld dat het werkeloosheidspercentage tien procent is. Echter, het is in de VS zo dat als je langer dan drie maanden werkloos bent, je niet meer meegerekend wordt in dat percentage. Het werkeloosheidspercentage ligt dus in feite veel hoger. Deze groep, die uit ongeveer dertig procent van de bevolking bestaat, zie ik echter niet tot een opstand komen. Ze heeft niet de kracht om als een Marxistisch proletariaat de spreuk ‘als uw machtige hand het wil, staat gans het radarwerk stil’ tot uitvoering te brengen. Er zullen wel wat relletjes uitbreken, net zoals vorig jaar in Engeland het geval was, maar het is niet zo dat het gaat om iets wat de fundamenten van een samenleving bedreigt. Daarnaast wordt deze opstand niet geleid door een voorhoede, want er is geen sprake groep die deze opstandjes op gang brengt.

Ziet u in deze voorhoeden een plek in voor intellectuelen? In Frankrijk is het bijvoorbeeld veel normaler om als filosoof in het publieke debat te treden dan in Nederland het geval is. Dat is waar en zeer betreurenswaardig. Het gaat niet alleen om onze eigen toekomst, maar ook die van onze kinderen en kleinkinderen. Europa zal een heleboel geld kosten, maar daar ligt de toekomst. Het zou mooi zijn als intellectuelen vaker prikkelende artikelen in de krant plaatsen en dat het daardoor een publiek item wordt. Vaak wordt gedacht dat Nederland maar een klein landje is en er niet veel toe doet. Dat is onzin en het loont zich om een avond achter het bureau te gaan zitten en een stuk te schrijven. Is het voor u als liberaal ‘in hart en nieren’ wel wenselijk om mensen een conceptie van het goede op te leggen? Je moet mensen niet voorschrijven wat ze moeten denken, maar je kunt mensen heel goed het soort zaken voorleggen waarover ze moeten denken. Het ministerie van onderwijs beslist immers welke vakken er onderwezen moeten worden. Om jonge mensen meer politiek betrokken te maken, is het mogelijk om de politiek inzichtelijk te maken. Zo zou het ministerie bijvoorbeeld kunnen zeggen dat er meer gedaan moet worden aan vakken als staatsinrichting en zelfs een beetje politieke filosofie. Op die manier kan het hele spectrum aan politieke posities dat in de loop van de 20e eeuw is ingenomen inzichtelijk worden gemaakt en krijgen de scholieren zicht op de uitgebreide waaier van alle politieke standpunten. Zo zou je de politieke participatie kunnen bevorderen. Op dit moment is onze democratie zuiver voluntaristisch en dat blijkt bijvoorbeeld wanneer je in een stemhokje staat. Tijdens het stemmen hoef je niet aan te geven waarom je op een bepaalde partij stemt. In de logica van ons politieke systeem is het waarom van je keuze irrelevant. Ik zeg niet dat dit voluntaristisch systeem verloren moet gaan, 56


Volonté Générale 2012 - n°1

maar dat de cognitieve kant, de kennis kant, versterkt zou moeten worden. De communis opinio zal veranderen van ‘ik stem op partij X en ik hoef daar toch geen argumenten voor te hebben’ naar het idee dat je toch wel behoorlijk goed moet kunnen uitleggen hoe je tot bepaalde keuzes gekomen bent. Maar om dit te kunnen bereiken, is een hele mentaliteitsverandering nodig.

De rol van de intellectueel in de samenleving is net al even ter sprake gekomen. U bent als wetenschapper binnen de Telderstichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD, werkzaam geweest. Wij vragen ons af in hoeverre de wetenschappelijke input vanuit het onderzoek binnen dit soort wetenschappelijke bureaus in de praktijk wordt ingezet. Het is bekend dat de Kuyperstichting, het wetenschappelijk bureau van het CDA, van oudsher grote invloed heeft op het beleid van het CDA. Een goed voorbeeld hiervan is de neergang van de partij in 1994, toen de partij als het ware in de woestijn verdween. Vanuit de Kuyperstichting, met Balkenende en Klink, is een nieuwe koers uitgezet voor het CDA. De partij is toen uit haar dal gekropen. Ik denk toch dat de invloed van het wetenschappelijk bureau op de politieke praktijk bij de andere partijen veel minder is. Naar mijn ervaring was dat bij de VVD in ieder geval zo. Mensen binnen de partij vroegen zich wel eens hardop af waar de Telderstichting mee bezig was, want over het algemeen had men de indruk dat de stichting dingen deed waar de politici weinig aan hadden. Het moge duidelijk zijn dat de ‘wisselwerking’ tussen bureau en politieke partij weinig vruchtbaar was. Dit had ook te maken met de directeur van de Telderstichting, Patrick van Schie. Hij bedacht een aantal onderwerpen en daarover zou dan een rapport moeten worden opgesteld. Deze thema’s waren vaak wel verstandig, maar kwamen ook een beetje uit de lucht vallen. Echter, niemand had de behoefte om dat tegen te spreken. Het resultaat was dat als er zo’n rapport gepubliceerd werd, men zich kon afvragen of de partij zich hiermee wel op de kaart gezet had. Heeft het wetenschappelijk bureau wel invloed op de partij en de partijleiding? Bij de VVD is het duidelijk dat de Telderstichting een aparte verantwoordelijkheid heeft en geen onderdeel is van het partijbestuur. Het is namelijk niet zo dat een wetenschappelijk bureau moet zeggen wat de partij vindt, maar het moet zeggen wat het zelf vindt. Ik vind het ook belangrijk dat een wetenschappelijk bureau zo veel ruimte heeft. Onlangs heeft u uw lidmaatschap van de VVD opgezegd. Brengt het rust? Jazeker! Het is lekker rustig om geen lid van een politieke partij te zijn. Het geeft me ook een zekere bewegingsvrijheid. Voorheen was het zo dat mensen vaak dachten bij mijn stukken, ‘o, dat zal wel een typisch VVDgeluid zijn’, maar nu is duidelijk geworden dat ik mij toch niet helemaal met die partij identificeer. Ik wil graag mijn eigen onafhankelijkheid bewaren. 

57


Volonté Générale 2012 - n°1

Parels voor de zwijnen Johannes Visser In vijftien maanden tijd zijn tweede masters onwaarschijnlijk duur geworden, worden masteropleidingen gezien als studievertraging en wordt studievertraging gezien als doodzonde. Docenten in het middelbaar onderwijs staakten eind januari omdat zij veertig uur meer moeten gaan werken, maar daar niet extra voor betaald krijgen. Het cultuurbudget is bijna gehalveerd. Er is maar één conclusie mogelijk: is Cohen de bedrijfspoedel, dan is Marja van Bijsterveldt het bespaarvarkentje van kabinet Rutte I. In tijden van economische crisis sneuvelen de zwakkeren het eerst. Gehandicapten bijvoorbeeld, en ouderen. Zij kunnen zich toch niet verdedigen en zijn dus eenvoudig weg te bezuinigen. Met een motorische beperking is het moeilijk een spandoek maken. Het Malieveld lijkt een stuk verder weg als je met je kin een karretje moet besturen. Ouderen gaan het huis niet uit, bang de wekelijkse wasbeurt te missen. Daarna zijn de onwetenden aan de beurt. Neem de schoonmakers. Hun overuren worden niet meer uitbetaald, maar zij staken voor een extra koffieautomaat. Marja van Bijsterveldt is allebei. Onwetend en zwak. Onwetend, omdat de enige ervaring die Van Bijsterveldt met het onderwijs heeft, haar eigen schoolperiode is. De basisschool, de middelbare school en een opleiding tot verpleegster. Marten Kircz, bestuurslid van de Algemene onderwijsbond, merkte tijdens de onderwijsstaking niet voor niets op dat Van Bijsterveldt niet het intellectuele niveau heeft om minister van Onderwijs te zijn. En gelijk heeft hij. Alsof je minister van Volksgezondheid wordt omdat je wel eens bij de dokter bent geweest, minister van Defensie omdat je vroeger altijd in elkaar geslagen werd of minister van Sociale Zaken omdat je gezellig bent. En Van Bijsterveldt is zwak. Toen de tweede bezuinigingsronde werd aangekondigd, zat Marja van Bijsterveldt wegens een voetkwetsuur in een rolstoel: varkenspootje. Rutte moet dat door hebben gehad toen hij beloofde 18 miljard te bezuinigen. Hij wist al waar hij het leeuwendeel van die bezuinigingen kon halen. Ze heette Marja van Bijsterveldt en haar mantelpakjes knelden bij de heupen. In haar zou gesneden worden. Corpsknaap Rutte heeft een hekel aan knorren. Een goedkope zet van Rutte. Juist in deze tijden van economische malaise is het tijd om op te komen voor de zwakkeren in onze samenleving. Een daklozenkrant koop je ook alleen om je beter te voelen. Beknibbel op Hans Hillen, beknot Uri Rosenthal, zet de snoeischaar in Henk Kamp, maar kom niet aan Marja van Bijsterveldt. Geef haar tonnen extra om te investeren in het speciaal onderwijs, het middelbaar onderwijs, de universiteiten. Om van Nederland een kenniseconomie te maken. Laat haar niet langer door de modder rollen, maar geef haar de middelen om de truffels in de verarmde onderwijsgrond te vinden. Spek Marja van Bijsterveldt.

58


Volonté Générale 2012 - n°1

Pas als zij tevreden knorrend neerkijkt op het Nederlandse onderwijslandschap, als een origamikunstenaar gewoon weer kan leven van de kunstsubsidies, zijn wij waarlijk een sociaal land. Stop de bezuinigingen op Marja van Bijsterveldt. Parels voor de zwijnen.  Johannes Visser (1988) studeerde Nederlandse Taal en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam en was redacteur van Propria Cures (2008-2011).

59


Volonté Générale 2012 - n°1

Stilte na de waarheid Roy Groen Anders dan de grote blokletters prijkend op de omslag doen vermoeden, is Le Courage de la vérité, voor het eerst verschenen in Frankrijk in 2009 en recentelijk in Nederlandse vertaling bij uitgeverij Boom, geen boek dat geschreven is door Michel Foucault. ‘Qu’importe qui parle’ (‘Wat maakt het uit wie er spreekt’) zijn de astrante woorden waarmee Foucault in februari 1969 zijn toedracht Qu’est-ce qu’un auteur? voor de Société française de philosophie opent. Deze retorische vraag, die Foucault op zijn beurt ontleende aan Samuel Beckett, zou in Franse literatuurkritiek van de komende generaties nog vaak herhaald worden. Dat het antwoord op deze vraag misschien wel eens ‘heel veel eigenlijk’ zou kunnen zijn, moet op dat moment niemand van de aanwezigen hebben gedacht. Voor hen die beginnen te lezen aan Le Courage de la vérité, echter, blijkt al snel dat dit antwoord helemaal niet zo vergezocht is. Le Courage de la vérité, 25 jaar na de dood van Foucault verschenen, is, laat ik het nog eens herhalen, niet door Foucault geschreven. Dat wat in boekvorm door een groepje onderzoekers wordt gepresenteerd onder deze noemer, is de transcriptie – en een geenszins letterlijke transcriptie – van een geluidsopname van de laatste collegereeks die Foucault gaf aan het Collège de France in 1984, het jaar van zijn dood. De lezer die bij aanschaf van dit boek rekent op een tekst die zich stilistisch kan meten met de Les Mots et les choses of Histoire de la folie, zal dan ook bedrogen uitkomen. Foucault begon zijn aanstelling bij het prestigieuze Collège de France in januari 1971. We weten dat, ondanks de eer en de glorie die normalerwijs met een dergelijke aanstelling verbonden is, Foucault verre van gelukkig was in zijn rol als een van de grands prêtres de l’université française. De statuten van het Collège de France, een unieke universitaire onderwijsinstelling in Parijs, verplichten dat de hoorcolleges die er gegeven worden vrij toegankelijk zijn voor iedereen. In Foucaults geval betekende dit, dat zijn colleges al vrij snel werden bijgewoond door vele honderden studenten, een groot deel daarvan – bij gebrek aan ruimte – geplaatst in een extra collegezaal die in audio verbinding stond met de zaal waar Foucault college gaf. In een interview met een verslaggever van Nouvel Observateur in 1975 zegt Foucault, eenzaam te midden van de menigte, over zijn optredens bij het Collège de France dan ook: ‘J’ai un rapport d’acteur ou d’acrobate avec les gens qui sont là. Et lorsque j’ai fini de parler, une sensation de solitude totale.’1 Dit gevoel van ‘volledige eenzaamheid’ lijkt vreemd genoeg afwezig wanneer Foucault op 1 februari 1984, al lachend en grappend over het ruimtegebrek zijn collegereeks over Le Courage de la vérité begint. Hij legt uit dat zijn collegereeks van dit jaar moet worden beschouwd als een continuering van de reeks van het jaar daarvoor, Le gouvernement de soi et des autres. Het te bestuderen concept, net als vorig jaar, is dat van de                                                                                                            

Vertaling: ‘Ik verhoud me tot de mensen in de zaal als een acteur, of een acrobaat. En wanneer ik klaar ben met spreken, bevangt mij een gevoel van complete eenzaamheid.’ 1

60


Volonté Générale 2012 - n°1

parrêsia – door Foucault vertaald, soms als ‘le dire-vrai’, soms als ‘le francparler.’ Vanaf dit moment is het over met de grappen en het gelach, en zal er gefilosofeerd worden. Al snel blijkt dat Foucault hier niet de intentie heeft voor een ‘algemeen publiek’ te spreken; zijn discours wordt technisch, steeds technischer, en de lezer (of toehoorder) zal snel doorhebben dat hij hier te maken heeft met de hoorcolleges van een ervaren filosoof, voor ervaren filosofen. De parrèsiaste (zij die de kunst van de parrêsia verstaat), is meer dan iemand die slechts ‘juiste’ beweringen doet. De parrêsia (le dire-vrai) impliceert namelijk een bepaalde vorm van moed die niet aanwezig is bij hen die slechts ‘een waarheid verkondigen.’ Wat de parrèsiaste namelijk onderscheidt van andere sprekers van de waarheid is dat zij in haar spreken niet slechts een waarheid aan de Ander ter beoordeling geeft, maar tegelijkertijd ook zichzelf volledig blootstelt aan het oordeel van de Ander. Dat wil zeggen: niet alleen haar proposities zijn kwetsbaar voor (mogelijke) kritiek van de Ander, ook zijzelf is dat. Dit maakt dat in de act van de parrêsia een risico geïmpliceerd is, een risico dat uitgedrukt is als de mogelijkheid van een onherstelbare breuk tussen de persoon die spreekt en de persoon die luistert. De spreker is geïmpliceerd in de inhoud van dat wat zij zegt. In zodanige mate zelfs, dat het gehele zijn, het leven van de spreker op het spel kan komen te staan – en dat verreist een zekere vorm van moed: le courage de la vérité, de moed tot waarheid. De parrèsiaste onderscheidt zich daarom van de leraar (l’enseignant), de profeet (le prophète), of de wijze (le sage): de leraar spreekt bij monde van de traditie, de profeet spreekt bij monde van een hoger zijnde en de wijze spreekt uiteindelijk niet meer. De parrèsiaste spreekt oprecht vanuit haarzelf en kan, wanneer in gevaar gebracht door haar waarheid, niet terugvallen op de traditie, het woord van een hogere entiteit of een zwijgen. Wat volgt is een beschrijving van de historische ontwikkeling van de parrêsia, van een democratische parrêsia – gerepresenteerd door Solon en Perikles – tot een ethische parrêsia, waarvan Socrates en Diogenes Laertius de grote voorbeelden zijn. Foucaults analyse van Solon en Perikles is interessant, maar bij lange na niet zo vernieuwend als de analyses van Socrates en Diogenes, de twee grote kampioenen van de ethische parrêsia. Veel meer dan in het geval van Solon en Perikles, lijkt Foucault bezeten te zijn van een oprechte fascinatie voor Diogenes en Socrates. Zijn analyses van beide denkers als parrèsiasten zijn origineel en levendig, en beogen de geaccepteerde geschiedenis van hun levens radicaal te herzien. Zo beoogt Foucault in zijn colleges over Socrates de geaccepteerde interpretatie van diens laatste woorden (de vraag aan Krito of hij ‘een haan wil offeren aan Asklepios’) te herzien. Daar waar men deze laatste woorden voorheen las als een vorm van dankbaarheid voor de dood bij Socrates, die zijn imminente dood als bevrijding van het leven zou hebben gezien, probeert Foucault te betogen dat in werkelijkheid Socrates’ laatste woorden veeleer een dankbetuiging gericht aan de filosofie zijn, en dat de verlossing waar hij naar uitziet niet een verlossing van het leven, maar een verlossing van de doxa is. In deze laatste ultieme

61


Volonté Générale 2012 - n°1

geste, de opoffering van het zelf ten behoeve van de waarheid, toont Socrates zich een ware parrèsiaste. Diogenes van Laertius is een doorgeslagen Socrates. De socratische parrêsia is in het geval van Diogenes doorgeslagen naar een vlerkerige, cynische vorm van parrêsia. Daar waar Socrates de heersende vormen van doxa binnen zijn maatschappij bevroeg door zich in te nestelen in het discours van de doxa en haar al vragend van binnenuit op te blazen, plaatst Diogenes zich tegenover de maatschappij en bekritiseert hij haar van een radicale buitenpositie. De cynicus is geen nare betweter, maar een vlerk die choqueert. Socrates stelt vragen, Diogenes masturbeert op het marktplein. De latere vertegenwoordigers van Socrates zijn de filosofen, die van Diogenes de moderne kunstenaars. Veel, veel meer kan gezegd worden over deze collegereeks, die, voor wie zich niet laat afschrikken door de hoge dichtheid aan Grieks jargon en de karakteristieke mate van abstractie die Foucaults denken meer dan eens bereikt, ook verrassend veel concreet denkplezier oplevert. Wanneer men in de verleiding is deze collegereeks in boekvorm aan te schaffen is mijn advies echter negatief. Het grote, en naar mijn mening onoverkomelijke, minpunt van de huidige editie is namelijk de tussenkomst van Frédéric Gross en zijn ensemble van redacteuren: door structureel Foucaults meanderende zinnen te herschrijven is een groot deel van Foucaults bevlogenheid, die wordt overgebracht wanneer men luistert naar de audio opnames,2 verloren gegaan. Wie deze collegereeks leest en vertrouwend op de naam die op de voorkant staat, rekent op ‘een boek van Foucault’ stevent af op een teleurstelling. Dit is geen boek van Foucault en de toevoeging van zijn naam op het titelblad brengt daar geen verandering in. Enkel zij die deze collegereeks zullen beluisteren, zullen de essentie van Foucaults laatste woorden begrijpen: ‘Voilà, écoutez, j’avais des choses à vous dire sur le cadre général de ces analyses. Mais enfin, il est trop tard. Alors, [voilà], merci.’3 Terwijl het bandje afloopt en het applaus van de vertrekkende studenten plotseling onderbroken wordt door een waas van ijzig mechanisch geluid, beseffen we opeens wat Foucault bedoelde toen hij sprak over ‘volledige eenzaamheid.’ Stilte na de waarheid.  | Michel Foucault, De moed tot waarheid (Amsterdam Boom Uitgeverij, 2011). Paperback € 29,90. ISBN 9789461050250. Roy Groen (1987) is promovendus aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

                                                                                                           

Vrij toegankelijk in het digitale archief van het IMEC, beschikbaar via: http://michelfoucault-archives.org/?Cours-au-college-de-France-1984-Le (geraadpleegd op 20 februari 2012). 3 Vertaling: ‘Voilà, luister, ik had nog dingen te zeggen over het algemene kader waarin deze analyses geplaatst dienen te worden. Maar enfin, het is te laat. Dus, voilà, dankuwel.” Eén van de veelzeggende blunders van de redacteuren is dat zij de tweede “voilà’ – zo beladen met betekenis in dit geval, weglaten, zie M. Foucault, Le Courage de la vérité (Parijs 2009) 309. 2

62


Volonté Générale 2012 - n°1

Tussen onderzoek en debat Coen Pouls De website Socialevraagstukken.nl is inmiddels een jaar in de lucht. Het doel van het project is het terugbrengen van de feiten in het maatschappelijk debat. Dit is nodig omdat volgens de makers zowel politici als media steeds harde taal gebruiken en in ‘de heisa meegaan’. Op de website wordt naar eigen zeggen dan ook op basis van data en empirie door onderzoekers gepubliceerd en gedebatteerd. De site kent een onafhankelijke redactie en opereert met steun van zogenaamde ‘dragers van het maatschappelijk debat’. Wat is het idee achter de site? En hoe wordt dit idee met de website tot uitvoering gebracht? Volgens hoofdredacteur Marcel Ham zijn de feiten in de maatschappelijke discussie steeds minder belangrijk. Socialevraagstukken.nl wil die trend tegengaan en zelfs ombuigen: feiten en expertise moeten weer het uitgangspunt worden van het politieke en maatschappelijke debat. Zelf proberen ze het goede voorbeeld te geven. Het is echter niet het enige waar de site zich mee profileert.Socialevraagstukken.nl profileert zich ook als platform voor intellectuele deliberatie, of - zoals de ondertitel van de website aangeeft een plek van maatschappelijk debat voor wetenschappers en denkers. De website is een gezamenlijk initiatief van verschillende partijen: TSS tijdschrift voor sociale vraagstukken, de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, het Sociaal en Cultureel Planbureau, de Universiteit van Tilburg en MOVISIE. Bovendien wordt er nauw samengewerkt met Trouw, dat wekelijks artikelen van de site overneemt. Maandelijks wordt de site twintigduizend keer bezocht. Volgens Socialevraagstukken.nl behoren 45 personen tot de dragers van het maatschappelijk debat. Een paar voorbeelden: Amerikaans geschiedkundige James Kennedy, SCP-directeur en socioloog Paul Schnabel, voormalig hoogleraar Strafrecht en inmiddels lid van de Hoge Raad Ybo Buruma, filosoof Hans Achterhuis, bestuurskundige Paul Frissen, financieel geograaf Ewald Engelen en antropoloog Francio Guadeloupe. Er is vooral gekozen voor wetenschappelijk opgeleiden, veelal als hoogleraar werkzame personen. Daarnaast is geprobeerd vele disciplines te vertegenwoordigen. De gewone burger, de doorsnee student, mensen uit het bedrijfsleven of de publieke sector, zelfs politici, ze worden allen niet gezien als drager van debat. De site staat echter wel toe dat een ieder zijn eigen bijdrage instuurt, mits aan enkele voorwaarden wordt voldaan: stukken dienen tussen de 800 en 1200 woorden lang te zijn en onderbouwd te zijn met onderzoek of gedocumenteerde argumenten. Als we de proef op de som nemen en bekijken of Socialevraagstukken.nl de pretenties waarmaakt, valt een aantal dingen op. Het merendeel van de recente artikelen bleek gebaseerd op (nieuw) onderzoek, maar verschillende stukken bleken opiniërend van aard en gingen niet uit van wetenschappelijke data of onderzoek. Zo betoogt een welzijnswerker op Socialevraagstukken.nl dat haar werk meer

63


Volonté Générale 2012 - n°1

gewaardeerd zou moeten worden. Het is een redelijk betoog dat onderbouwd is met eigen ervaringen en als reactie fungeert op een krantenartikel van een politicus, maar het voldoet niet aan de criteria die de site stelt. De auteurs van de recente artikelen op de site blijken vooral wetenschappers te zijn, die graag hun eigen ideeën en onderzoeken (voor)publiceren in de vorm van een artikel. Er staan echter ook artikelen tussen van gewone burgers, redacteuren van dagbladen die een ander doel hebben. Zij ventileren sterker een opinie waar vaak geen onderzoek aan ten grondslag ligt. Het lijkt erop dat Socialevraagstukken.nl nog zoekende is naar een goede verhouding tussen beide. Wellicht moeten daartoe de uitgangspunten worden bijgesteld. Wat de rol is van de zogenaamde dragers van het debat blijft onduidelijk. Geen van de tien meest recente artikelen is geschreven door één van de 45 ‘uitverkorenen’. De dragers zeggen steun te verlenen aan het project, maar spelen in feite slechts een beperkte rol. De centrale plek die de dragers op de site krijgen, lijkt dan ook misplaatst. Bovendien is de informatie over de dragers niet altijd up to date. Ybo Buruma is volgens de site nog steeds hoogleraar Strafrecht; in feite is hij echter al maanden lid van de Hoge Raad en mengt hij zich vanwege die nieuwe functie juist minder in het maatschappelijk debat. De artikelen zijn goed geschreven en bieden tegenwicht aan gangbare opvattingen. In dat laatste ligt de kracht van de website. Auteurs laten zien dat er tegenover heersende opvattingen andere legitieme ideeën geplaatst kunnen worden. Ze zetten je aan tot nadenken en dwingen je om je eigen standpunt te heroverwegen. Vaak gebeurt dat op basis van eigen onderzoek, noodzakelijk is dat echter niet. Een herbezinning op de uitgangspunten lijkt dan ook op zijn plaats. Een goed advies voor een discussie over die herbezinning zou zijn: kijk vooral naar dat wat Socialevraagstukken.nl goed doet, wees pragmatisch en blijf de verbinding tussen wetenschappelijk onderzoek en maatschappelijk debat aanmoedigen.  | Sociale vraagstukken, http://www.socialevraagstukken.nl Coen Pouls (1988) is parlementair historicus en volgt momenteel de Master Bestuurskunde/Public Administration aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

64


Volonté Générale 2012 - n°1

U vraagt, wij draaien Joep Willemsen Het CDA heeft onlangs een nieuwe koers bepaald. De partij van de christendemocraten moet weer warmte uitstralen en een partij zijn die openstaat voor iedereen die de universele waarden als respect, vrijheid en rechtvaardigheid ondersteunt. Wat vooral duidelijk moet worden volgens het Strategisch Beraad, is dat het CDA geen VVD-light of een machtspartij is die op slinkse wijze dingen wil ritselen. Het partijbestuur van het CDA gaf de opdracht aan het Strategisch Beraad om de nieuwe koers te bepalen. Ze waren ontevreden over de koers van de partijtop; lees Maxime Verhagen. De slechte positie van de partij in de peilingen zal daar een grote rol in hebben gespeeld. Het CDA en zijn voorgangers hebben altijd het stempel ‘machtspartij’ gehad. Dit is niet vreemd wanneer je kijkt naar het verleden: met uitzondering van de periode Paars heeft het CDA vanaf de Duitse bezetting (mede) het land geregeerd. ’Machtspartij’ is echter een loze benaming: in principe zitten alle partijen in de politiek om macht te vergaren. Dat is het hele idee van het Nederlandse politieke stelsel en de voorwaarde van het bestaansrecht van de partijen. Echter, met dit principe van macht in het achterhoofd komen we op een interessant onderwerp: de strijd in een partij tussen ideologie en electoraat. Welke van de twee is doorslaggevend voor de koers van de partij? Veel partijen zijn tijdens de verzuiling ontstaan uit de scheidslijnen in de maatschappij. Voor het gemak zaten de katholieken bij de KVP, de arbeiders bij de PvdA en de liberalen bij de VVD. De partijen hadden duidelijke ideologieën en deden weinig concessies aan hun partijprogram. Na de jaren 1960 werden de kiezers echter steeds kritischer, kwamen er meer partijen bij en heeft men afstand genomen van de grote ideologieën. Waar vroeger voornamelijk de ideologie bepalend was om op een politieke partij te stemmen, is die ideologie veel minder belangrijk geworden in het stemgedrag. Wat we de laatste jaren zien, is dat partijen steeds meer naar de vox populi neigen in het vaststellen van hun programma. We horen nu politiek breed dat ‘theedrinken’ en ‘de zachte hand’ uit den boze zijn. Hoe het CDA ineens van middenpartij naar rechtse partij schoof om daarna weer terug te willen naar middenpartij, is alleen te verklaren vanuit een drang naar electoraat. De gedachte erachter is: ‘Dit werkt niet, laten we dat dan maar proberen.’ Het is niet voor niets dat de commissie van het CDA het Strategisch Beraad heet: wanneer het binnen het CDA om de goede ideeën te doen was, dan had de commissie wel Visionair Beraad geheten. Het is vanzelfsprekend dat de drang bestaat om een zo groot mogelijk electoraat achter je te krijgen, maar wat bij het CDA – en bijna alle partijen – het geval is, is dat ze nieuwe standpunten bedenken om maar zoveel mogelijk kiezers te trekken. Het devies is ‘u vraagt, wij draaien’. Het socialisme vormt nog wel het startpunt bij de PVDA en de SP, net zoals het liberalisme bij de VVD, maar uit zelfbehoud vormen de meningen zich naar de stem van de straat.

65


Volonté Générale 2012 - n°1

Is dit een kwalijke ontwikkeling? Je zou kunnen zeggen dat het goed is dat de politici de gevoelens van het land vertolken, want voortschrijdend inzicht is immers een goede eigenschap. Echter, het gaat nu te snel en te grootschalig. Hele verkiezingsprogramma’s worden ingeruild voor nieuwe ideeën. Je zou er ook voor kunnen kiezen om voor je mening te blijven staan. Juist nu er in deze tijden behoefte is aan duidelijke toekomstvisies. Dan verlies je maar enkele zetels, of komt er een nieuwe partij die wel de gevoelens van de straat vertolkt. Dit vereist gedegen uitleg en goede onderbouwing van de standpunten van de politici; het is moeilijker dan roepen dat je niet aan de hypotheekrente komt, of dat alle moslims het land uit moeten, maar het schept wel enige integriteit. Wanneer er alleen maar op de dagelijkse waan gereageerd wordt met nieuwe partijkoersen, worden de beloftes in de verkiezingen inderdaad loze beloftes. Dan is het woord niets meer dan gebakken lucht. U vraagt, wij draaien.  Joep Willemsen (1985) is parlementair historicus.

66



Volonté Générale 2012-1