Issuu on Google+


Volonté Générale 2011 - n°2

                                                                                       

‘Als de wereld begrijpelijk was, zou er geen kunst bestaan.’ Albert Camus, De myte van Sisyfus (Amsterdam 1985) 118.

 

Inhoudsopgave Hoofdredactioneel

3

Reacties

Ingezonden brief Martin Pragt

5

Over staatsburgerschap anno 2011 Peter Kerris

6

Het postmodernisme is onontkoombaar Remy Maessen

8

Niet de mensen, maar het systeem Rigo Heldoorn

12

Discussieartikelen ‘Tussen kunst en cash’

Tussen kunst en cash: commercialisering van de kunst Anna Tilroe

14

Kunst vacuüm verpakt Marijke Goeting

16

Kunst, het publieke en het private voorbij Michelle Franke

22

Artikelen

Homofobie neemt toe: feit en fictie Joris Blaauw

30


Volonté Générale 2011 - n°2

 

 

Arabische Lente is (nog) geen feest van 36 democratie Mike van de Weijer Nadenken en politiek bedrijven Interview met Niels Spierings

42

Recensies & column

Volonté Génerale is een tijdschrift voor jonge intellectuelen waarin debat centraal staat. Het doel van dit tijdschrift is de wereld te analyseren en mensen aan het denken te zetten over maatschappij, (wereld)politiek, filosofie, economie, kunst en universiteit. Colofon

‘Try again. Fail again. Fail better.’ Jordy Geerlings

47

Hoofd- en eindredactie Martijn van den Boom Gaard Kets Jan Maas

Zwierig walsen door Spiegelpaleis Europa Lieke van Deinsen

50

Het succesrecept van Huffington Post Nynke Tans

52

Medewerkers aan dit nummer Joris Blaauw, Lieke van Deinsen, Michelle Franke, Jordy Geerlings, Marijke Goeting, Rigo Heldoorn, Peter Kerris, Remy Maessen, Martin Pragt, Nynke Tans, Anna Tilroe, Mike van de Weijer en Joep Willemsen.

Het failliet van Europa Joep Willemsen

54

Contactgegevens email: vlntgnrl@gmail.com internet: www.volontegenerale.nl Aanmelden abonnement Voor gratis digitale toezending kunt u zichzelf via het bovengenoemde email-adres aanmelden. Aanleveren stukken Uitsluitend per email onder vermelding van contactgegevens en een korte persoonsbeschrijving. De hoofdredactie houdt zich het recht voor zonder opgaaf van reden stukken te weigeren. Sluitingsdatum voor nummer 3: 31 oktober 2011. Copyright © Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd op welke manier dan ook voor commerciële doeleinden, vraag hiervoor eerst toestemming van de hoofdredactie en de auteur(s). Afbeeldingen De hoofdredactie heeft getracht alle rechthebbenden van de afbeeldingen te achterhalen. Indien iemand meent als rechthebbende in aanmerking te komen, kan hij of zij zich wenden tot de hoofdredactie.


Volonté Générale 2011 - n°2

 

Hoofdredactioneel

 

Op 15 mei jongstleden hebben wij met trots het eerste nummer van Volonté Générale gepubliceerd. Velen reageerden enthousiast op het eerste nummer. Zij waren te spreken over de doelstellingen en de inhoud van het tijdschrift. Daarnaast hebben bijdragen uit het eerste nummer tot reacties geleid. Deze zijn opgenomen in het nummer dat voor u ligt. Naast lovende woorden hebben we ook kritische reacties ontvangen. Deze richten zich hoofdzakelijk op de term ‘intellectuelen’ in de ondertitel. Door het gebruik van deze term werd de redactie verweten ‘elitair’ te (willen) zijn en mensen buiten te sluiten. Dit vraagt om verheldering! Voor de publicatie van het eerste nummer is door de redactie gesproken over een ondertitel. ‘Tijdschrift voor jonge intellectuelen’ had onze voorkeur, omdat een andere mogelijkheid, ‘Tijdschrift voor academici’, een groot aantal mensen bij voorbaat buitensluit: de term ‘academici’ is alleen van toepassing op mensen die universitair zijn opgeleid. In tegenstelling tot ‘academici’ is de term ‘intellectueel’ volgens ons niet verbonden aan een bepaald opleidingsniveau. Het betreft iemand die zich wil inspannen om na te denken en te discussiëren over de toekomst van de maatschappij in het algemeen en bepaalde aspecten van die maatschappij in het bijzonder. Hoewel we ons met het blad voornamelijk op studenten, pas afgestudeerden en jonge wetenschappers richten, kan eenieder zich bij ons melden om mee te doen aan het debat. Elitair is een term die niet bij deze insteek past! Zoals u misschien al gezien heeft, prijkt ‘Tijdschrift voor jonge intellectuelen’ niet langer op het titelblad. Hoewel wij van mening waren dat de ondertitel ‘intellectuelen’ een goede keuze was, stootte deze mensen tegen de borst en anderen vonden het, zoals gezegd, rieken naar elitisme. Om mensen niet af te schrikken, hebben we gekozen voor de meer neutrale titel ‘Debat. Visie. Toekomst.’. De nieuwe ondertitel sluit aan bij de doelstellingen van Volonté Générale en vat ons streven in drie kernbegrippen krachtig samen. Dat betekent echter niet dat we de doelgroepuit het oog verliezen: onze invulling van ‘jonge intellectuelen’ blijft de focus van dit tijdschrift. In dit tweede nummer zullen de kernwoorden alledrie prominent aanwezig zijn. In het discussiestuk zullen Marijke Goeting en Michelle Franke hun visie geven op het thema ‘de commercialisering van de kunst’. Gaat het tegenwoordig nog om kunst an sich of praten we liever over de commerciele waarde? Joris Blaauw schrijft over het homobeleid van het huidige kabinet en laat zien dat het debat over homo-emancipatie nog lang niet ten einde is. Daarnaast wordt er door auteurs met verschillende achtergronden niet alleen gefundeerd kritiek geleverd op artikelen uit het eerste nummer van Volonté Générale, maar ook op het tijdschrift als geheel. Niels Spierings, een jonge wetenschapper, vertelt in het interview over zijn visie op de huidige maatschappij en de universitaire wereld. Kortom, dit tweede nummer zit boordevol intellectueel gedachtegoed en    

3

 


Volonté Générale 2011 - n°2

    aanleiding voor debat. Wij wensen u veel leesplezier en roepen u op om een reactie op een artikel, column of bespreking naar ons te sturen!

Martijn van den Boom Gaard Kets Jan Maas

   

4

 


Volonté Générale 2011 - n°2

 

Ingezonden brief

 

Volonté Générale, Met belangstelling heb ik jullie initiatief voor het creëren van een platform voor mensen die betrokken zijn bij de samenleving gevolgd. Ook het interview1 over jullie initiatief had mijn warme belangstelling. Ik geniet over het algemeen wanneer mensen zich betrokken voelen bij de samenleving, vooral in tijden dat de samenleving het moeilijk heeft. Toch was er mijnerzijds ook enige terughoudendheid te bespeuren als het gaat om de status die jullie toekennen aan intellect en intellectuelen, waartoe jullie je kennelijk rekenen. Jullie stellen dat intellectuelen de kar zullen moeten trekken. Welke kar? Zijn het niet de intellectuelen die kernwapens ontwikkelden, de Endlösung vergoelijkten en zijn het niet juist de intellectuelen die aanleiding hebben gegeven om rassenseparatie en geloofsongelijkheid mogelijk te maken? Intellectuelen zijn bezig het eeuwige leven te creëren, maar zijn ze ook in staat voor ons geluk te zorgen? Is verbondenheid, liefde en trouw een kwaliteit die toe te kennen is aan intellectuelen? Ooit zei een filosoof: ‘Ik denk, dus ik besta.’ Wellicht had hij beter kunnen zeggen: ‘Ik besta, denk ik!’ denken is een groot goed, niet alleen voor intellectuelen, denk ik. Letterlijk zullen intellectuelen de kar nooit trekken. Ze bedenken een systeem om hem te laten trekken. Hartelijke groeten en veel succes, Martin Pragt Martin Pragt (1955) is communicatietrainer, acteur en kunstenaar. Tevens is hij oprichter en eigenaar van PragtProdukties.

                                                                                                           

Campus in Beeld, seizoen 2 (2010-2011) afl. 28, beschikbaar via: http://www.youtube.com/watch?v=kiAzTGgRicA (geraadpleegd op 2 september 2011). 1

5


Volonté Générale 2011 - n°2

 

 

Het onderstaande is een reactie op het artikel ‘Diplomademocratie: Dilemma’s van een Elite’ van Dieuwertje ten Brinke in Volonté Générale (2011-1). In dit artikel stelt Ten Brinke dat er een nieuwe kloof is ontstaan in de samenleving, namelijk die tussen hoog- en laagopgeleiden. Zij pleit voor het doorbreken van het taboe dat nu nog rust op het aanstellen van hoogopgeleiden die deze kloof moeten overbruggen, bijvoorbeeld door de oprichting van een (jong) Wetenschappelijk Bureau.

Over het staatsburgerschap anno 2011 Peter Kerris In het vorige nummer van Volonté Générale schrijft Dieuwertje ten Brinke een boeiend artikel over de zogenaamde ‘diplomademocratie’. In het stuk vraagt zij zich af of er een foutje geslopen is in de democratie. Ze heeft het over een nieuwe kloof in de samenleving, die bepaald is door het opleidingsniveau. Maar is deze kloof wel zo nieuw? En is dit daadwerkelijk de belangrijkste scheidslijn die zich heden ten dage aftekent? Hoewel ik het eens ben met eerste deel van haar conclusie – dat het maatschappelijke debat interessanter is dan ooit tevoren door het grote aantal perspectieven en de participatie van vele bevolkingsgroepen –, roept het doorbreken van het ‘taboe’ op het benoemen van een clubje hoogopgeleiden als eerste stap op weg naar het dichten van de maatschappelijke kloof weerstand bij me op. Het artikel gaat inderdaad over de dilemma’s van een zogenaamde elite, maar in plaats van de vraag te stellen of je als partij die het gelijkwaardigheidsideaal predikt een organisatie mag oprichten die puur gericht is op jonge hoogopgeleiden – een vraag die Ten Brinke met een volmondig ‘ja’ beantwoordt –, zou ondergetekende het antwoord op dit dilemma niet zoeken in het oprichten van debatclubjes. De dilemma’s van de elite die Ten Brinke schetst hebben te maken met (de toon van) het politieke en maatschappelijke debat. Het zou waanzin zijn wanneer politieke partijen die zich afkeren van het hedendaags populisme zich louter zouden richten op de ivoren toren van de wetenschap. Goede politiek staat altijd op twee benen: degelijke wetenschappelijke en ideologische kaders enerzijds, ingevuld door de directe noodzaak van alledag anderzijds. Niet het taboe op een instituut voor louter hoger opgeleiden, maar het taboe dat leeft ónder veel van deze hoger opgeleiden – namelijk dat burgers die hier niet bij horen niet zouden kunnen bijdragen aan het debat – moet worden doorbroken. De Nederlandse parlementaire geschiedenis kenmerkt zich door een steeds groter wordende cirkel van participatie waarin jaartallen als 1848, 1917 en 1919 centraal staan. Laat ik derhalve woorden van J.R. Thorbecke, de vader van de moderne Nederlandse constitutie aanhalen: Doch wanneer in een Staat, waarin de nijverheid, door de bezitters van groote kapitalen beheerd, meer en meer maatschappelijke hoofdmagt wordt, negentig van de honderd vruchteloos zwoegen om door eigen vlijt den prijs der stemgeregtigdheid goed te maken, is er strijd tusschen stoffelijke huishouding en Staatsbeginsel. Terwijl het laatste zich in steeds

6


Volonté Générale 2011 - n°2

 

 

wijder kring tracht te doen gelden, verkleint de eerste steeds het aantal der bezitters. Het eene vordert gelijkheid, en de andere maakt de ongelijkheid steeds grooter. Twee tegen elkander inloopende reeksen van ontwikkeling. Eene hand steeds bezig af te breken hetgeen de andere oprigt.1

Wanneer men al Thorbecke’s verwijzingen naar censuskiesrecht, kapitaal en bezit vervangt door kennis, de belangrijke hedendaagse motor van de economie, lijkt er in anderhalve eeuw weinig veranderd. Als we de lijn van politicologen Bovens en Wille, aangehaald als auteurs van ‘Diplomademocratie’, geloven, zijn het allengs de bezitters van kennis die de dienst uitmaken ten koste van de ‘nieuwe onderklasse’. Dat de kloof tussen hoger en lager opgeleiden meer dan in eerdere decennia aanwezig is in het publieke debat, valt niet te ontkennen. Echter, we moeten ons niet opsluiten in de ivoren toren van de wetenschap, maar de kloof blijven overbruggen door de dialoog voort te zetten. Dit moet gebeuren zonder dat we de zaken simpeler voorstellen dan ze zijn, zonder populisme te bedrijven, maar met wederzijds respect. Dat is niet het doorbreken van taboes, maar het gebruiken van gezond verstand. Peter Kerris (1985) is voorzitter van de Jonge Socialisten afdeling Arnhem/Nijmegen en volgt de masteropleiding Politiek en Parlement aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

                                                                                                           

J. R. Thorbecke, Historische schetsen (Den Haag 1872) 95, beschikbaar via: http://www.dbnl.org/tekst/thor003hist01_01/thor003hist01_01_0007.php (geraadpleegd op 2 september 2011). 1

7


Volonté Générale 2011 - n°2

 

 

Het onderstaande is een reactie op het artikel ‘Het einde van het postmodernisme?’ van Jordy Geerlings in Volonté Générale (2011-1). In dit artikel betoogt Geerlings dat het postmodernisme in de filosofie als stroming veel invloed heeft verloren in de laatste jaren. Hij wijst erop dat vooral in Frankrijk, dat een grote impuls leverde aan dit gedachtegoed, nu steeds meer wordt gesproken van een omwenteling, zelfs een terugkeer naar de voorheen verguisde idealen van de Verlichting en de moderniteit.

Het postmodernisme is onontkoombaar Remy Maessen In de vorige editie van dit tijdschrift hield Jordy Geerlings een betoog waarin hij de hoop uitsprak dat de filosofie in de toekomst niet slechts veroordeeld zal zijn door de postmoderne tendensen.1 Sterker nog, hij constateerde dat het postmodernisme al op zijn retour is en dat er antwoorden worden gevonden op postmodernistische vraagstukken. Het artikel voorzag mij geenszins van deze antwoorden, het riep eerder vragen bij mij op. Waarom is het zo moeilijk om antwoorden te vinden vanuit een postmodernistisch perspectief? Om de problemen die hierbij komen kijken te illustreren, wordt een overzicht geboden van een tweetal filosofische tradities. De eerste traditie heb ik de ‘Augustiniaanse’ genoemd en de tweede de ‘Nietzscheaanse’. Essentieel voor de vraag die ik in dit artikel stel, is het verschillende tijds- en geschiedbeeld binnen deze filosofische tradities. Immers, de manier waarop naar het verleden wordt gekeken, is van grote invloed op de reactie daarop in het heden. Oftewel: de vraagstukken uit het verleden vinden andere antwoorden in het heden, wanneer we anders naar de relatie tussen verleden en heden kijken.

De Augustiniaanse traditie De Augustiniaanse traditie dankt zijn naam aan Kerkvader Augustinus van Hippo, die leefde tussen 354 en 430. In zijn werk De Civitate Dei (vermoedelijk geschreven tussen 413 en 426) maakte hij een einde aan de opvatting dat geschiedenisverloop cyclisch was: er is geen doelmatigheid en gebeurtenissen uit het verleden keren, wellicht in een wat andere verschijningsvorm, terug in het heden.In De Civitate Dei verruilde hij deze cirkel voor de lijn: geschiedenis was volgens Augustinus het grote verhaal, een groot proces met een duidelijk begin en einde. Alle gebeurtenissen die zich daartussen bevinden, hebben iets met deze lijn te maken.2 Het begin zag Augustinus in de Schepping zoals beschreven in Genesis en het einde zag hij in het Laatste Oordeel. Met dit Laatste Oordeel zorgde Augustinus er inderdaad voor dat het lijn van het tijdsverloop een einde kreeg: alle geschiedenis zou in het vervolg in het teken staan van deze gebeurtenis in de toekomst, waarvan we het tijdstip echter niet kunnen kennen. De, op dogmatische leest geschoeide geschiedenis gaat doelmatig                                                                                                            

J. Geerlings, ‘Het einde van het postmodernisme’, Volonté Generale n°1 (2011) 9-15, beschikbaar via: http://www.volontegenerale.nl/post/5543334625/volonte-generale-20111 (geraadpleegd op 2 september 2011). 2 A. Augustinus, De Stad van God (Amsterdam 2007) 43, 673-681. 1

8


Volonté Générale 2011 - n°2

    op dit punt af. Op deze wijze beschrijft én introduceert Augustinus een geschiedenis waarin niet teruggekeken wordt, maar op een punt in de toekomst gefocust wordt. In de Middeleeuwen was dit het dominante tijdsmodel. Met de Verlichting wordt vaak aan een breuk in denktradities gedacht waarin een nieuwe, meer rationele manier van denken een einde maakt aan de dominante Christelijke denktraditie. In de Verlichting werd de geschiedenis als proces ‘ontdekt’. De geschiedenis was volgens moderne filosofen een causaal verband geworden en kreeg daarom een bepaalde waarde.3 Ik wil echter laten zien dat ook verlichte denkers in de Augustiniaanse traditie geplaatst kunnen worden. Invloedrijke verlichte denkers zijn Immanuel Kant en Georg Wilhelm Hegel. Kant formuleerde in zijn Idee zur einer allgemeinen Geschichte in weltbürgerlicher Absicht (1784) het bestaan van een algemeen plan in de geschiedenis. Kant zag dat dit algemeen plan gestuurd werd door zogenaamde natuurwetten, waaraan ook de individuele mens onderhevig was.4 Deze natuurwetten zorgden er dan ook voor dat de geschiedenis een bepaald verloop kreeg: de natuur ontplooide zich continu, totdat de mens de volmaakte redelijkheid bereikte. 5 Op die manier was er in Kants geschiedenis een heilsplan vergelijkbaar met dat van Augustinus aanwezig. Echter, in plaats van de sturende kracht van de weg naar het Laatste Oordeel was nu de sturende kracht de continue ontplooiing van redelijkheid. Net als Kant, nam ook Hegel het heilsplan van Augustinus over. In Vorlesungen über die Philosophie der Geschichte, een reeks lezingen van de filosoof die plaatsvond tussen 1822 en 1830, doopte hij het ontplooiingsproces van Kant om en noemde hij het een dialectisch proces. Daarbinnen is geschiedenis een ordelijk verlopend proces dat geen toevalligheden kent, maar waarin juist alle incidentele gebeurtenissen te plaatsen zijn.6 Hegel formuleerde dit proces als volgt: eerst wordt er een these geponeerd, waartegen een antithese wordt ingebracht. Uiteindelijk zullen beide begrippen opgaan in de synthese, die een these wordt op het moment dat er weer een antithese wordt geformuleerd. Zodoende ontwikkelt de geest – en daarmee de geschiedenis – zich continu, zodat er een steeds betere waarheid kan worden gevonden. Karl Marx gaf het ontplooiingsdenken van Hegel en Kant een politieke lading. Ook hij beschreef in zijn Das Kapital (1867) een proces van continue ontwikkeling, waarin het proletariaat zich probeerde vrij te vechten van de bourgeoisie. 7 Alle opstanden die de geschiedenis ooit gekend had – een Hegeliaans dialectisch proces – zouden in het teken staan van een ‘Dag des Oordeels’: de ultieme vrijheid zou kunnen worden bereikt met de proletarische revolutie. Marx kopieerde het proces van de voortschrijdende geschiedenis en maakte er een politieke variant van.                                                                                                            

H. Arendt, Between Past and Future. Six exercises in Political Thought (New York 1961) 68. I. Kant, ‘Idee zur eine allgemeinen Geschichte in weltbürgerlicher Absicht’, (1784); beschikbaar via: http://gutenberg.spiegel.de/buch/3506/1 (geraadpleegd op 2 september 2011). 5 R. Arons, De zin der geschiedenis (Utrecht 1963) 11. 6 G. Hegel, Vorlesungen über die Philosophie der Geschichte (1822-1830), Beschikbaar via: http://www.lrz.de/~hgvm/Hegel-PhG.pdf (geraadpleegd op 28 juli 2011). 7 K. Marx, Das Kapital (Washington 1996). 3 4

9


Volonté Générale 2011 - n°2

    Vanuit dit perspectief kan Marx in de traditie van Augustinus geplaatst worden.

De Nietzscheaanse traditie Na eeuwenlang de leidende traditie te zijn geweest, ontstonden er scheuren in dit Augustiniaanse model met de komst van de filosoof Friedrich Nietzsche aan het einde van de negentiende eeuw. In Vom Nutzen und Nachteil der Historie für das Leben (1874)8 ontkende Nietzsche de doelmatigheid die Augustinus, Kant, Hegel en Marx hadden bepleit. Hij deed dat met de uitvinding van perspectiviteit van het geschiedverhaal: doordat er van dezelfde geschiedenis meerdere verhalen op te tekenen zijn, wordt het kennen van het grote historische plan ondermijnd. Elk geschiedverhaal was gepolitiseerd. De herinnering beschouwde hij als een bij uitstek particulier fenomeen. Volgens Nietzsche was het leven juist ahistorisch en stond het geenszins in het teken van een groots heilsplan. Met de ontkenning van de doelmatigheid van de geschiedenis ontkende hij het bestaan van een drijvende kracht in de geschiedenis. Hij maakte daarmee dus niet alleen God dood, maar hij ontkende ook de drijvende krachten in de geschiedenis die Kant, Hegel en Marx beschreven. De geschiedenis was geen lineair verband meer, maar een wirwar aan herinneringen, toevalligheden. Het heden was geen logisch gevolg van de geschiedenis, maar stond op zichzelf. De wetenschap die nog probeerde het proces van geschiedenis te kennen, hield zichzelf voor de gek: ze bestudeerde slechts het door zichzelf geconstrueerde beeld van die geschiedenis. De ontdekking van perspectiviteit maakte dat de filosofie op een nieuw, groot probleem stuitte waarmee moest worden omgegaan. Filosofen na Nietzsche werden dan ook bij uitstek door hem beïnvloed, waarmee het gerechtvaardigd is aan zijn naam de nieuwe traditie op te hangen. In deze traditie is, zoals Geerlings aangeeft, Martin Heidegger (1889-1976) te plaatsen, maar ook Jacques Derrida (1930-2004) en met name Michel Foucault (1926-1984). Foucault zette in deze traditie zelfs een nieuwe, verstrekkendere stap. Hij stelde dat niet alleen het geschiedverhaal, maar ook de taal an sich aan lease-activiteit onderworpen was. Ieder geschiedverhaal en iedere wetenschap zou beginnen met een talige constructie die slechts gevormd werd door het perspectief van de auteur. Elke auteur kon dus zijn eigen waarheid vinden, die op haar beurt een talige constructie is. De zoektocht naar die waarheid zelf werd dan óók een constructie die aan perspectief onderhevig was en daarmee werd dus ook het dialectisch proces van Hegel met these, antithese en synthese simpelweg als een ‘manier van denken’ weggezet. De noodzaak tot argumenteren verdween en het argumenteren als denkwijze op zich was aan perspectief onderhevig. Met deze manier van denken was het postmodernisme uitgevonden. Met de nadruk op perspectiviteit en gepolitiseerdheid van het geschiedverhaal, opende de Nietzscheaanse traditie eigenlijk helemaal                                                                                                             F. Nietzsche, ‘On the Use and Abuse of History for Life’ (1874, herz. 2010), beschikbaar via: http://records.viu.ca/~johnstoi/Nietzsche/history.htm (geraadpleegd op 2 september). 8

10


Volonté Générale 2011 - n°2

    geen aanval op de Augustiniaanse traditie. Het deed iets dat een groter gevolg had: het zou de traditie wegzetten als ‘een manier van denken’. Dat dit bij uitstek in strijd was met de manier van de doelmatigheid in het grote verhaal, die de filosofen in deze traditie hadden beschreven, is waarschijnlijk pijnlijk voor henzelf, maar niet voor de postmodernisten. Zodoende geschiedt het ‘neutraliseren van postmoderne denkers’, aldus Geerlings, door middel van het ‘op dialectische wijze meenemen naar een volgend stadium van denken.’9 Met deze zin legt Geerlings precies de pijn bloot van het debat, namelijk: wanneer er wordt gesuggereerd dat het postmodernisme een stap is in het dialectisch proces van denken, moet je jezelf verplichten om het postmodernisme te ontkennen. Immers, wanneer je niet gelooft dat er iets bestaat als een dialectisch proces of een voortschrijdende geschiedenis, maar dat elke geschiedenis onderhevig is aan perspectief, dan kun je het postmodernisme niet als een stap in datzelfde dialectisch proces zien. De strijd tegen de bestaande machtsverhoudingen die het postmodernisme heeft gevoerd, is mislukt, aldus Geerlings.10 Ik ben van mening dat deze strijd nog altijd bezig is. Wanneer alle meningen even zwaar wegen en daarmee geen enkele mening hoger kan worden gewaardeerd dan anderen, omdat ze simpelweg een andere invalshoek hebben, verdwijnen moraal en ethiek uit de samenleving. Met de recente opkomst van populisme in Europa, wordt de laatste jaren een aanval gepleegd op elke politieke autoriteit. Met de recente twijfel over rechterlijke macht in Nederland, wordt een aanval gepleegd op rechters, die vanaf nu dus ook slechts hun mening verkondigen. Met het toenemende secularisme in West-Europa wordt de autoriteit van de Kerk bediscussieerd en met het gebrek aan vertrouwen in de wetenschap, verdwijnt ook de autoriteit van Wetenschap met een hoofdletter ‘W’ uit de samenleving. Maar kan het postmodernisme autoriteit laten verdwijnen uit de samenleving? Kan autoriteit verdwijnen? Is het deconstrueren zélf niet een constructie op zich? Uiteindelijk kan het postmodernisme niet verslagen worden door een andere manier van denken, omdat het andere stromingen simpelweg wegzet als denkmanieren met een perspectief. Het postmodernisme kan alleen aan zichzelf ten onder gaan: als je alle stromingen wegzet als perspectivistisch geneuzel, moet je ook jezelf niet serieus nemen. Op het moment dat het postmodernisme over het postmodernisme gaat oordelen, krijg je een Droste-effect. Waar een proces wordt gedestructureerd, is ook deze destructie een perspectivistische taalconstructie. Het zorgt ervoor dat er geen mogelijkheid is om antwoorden te vinden op vragen. Het postmodernisme in de meest radicale vorm heeft immers helemaal geen behoefte aan antwoorden of argumentering. En wat blijft dan over? Remy Maessen (1987) volgt de masteropleiding Politiek en Parlement aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

                                                                                                            9

Geerlings, ‘Het einde van het postmodernisme’, 14. Ibidem.

10

11


Volonté Générale 2011 - n°2

 

 

Het onderstaande is een reactie op het artikel ‘Educatie en Piramides’ van Martijn van den Boom in Volonté Générale (2011-1). In dit artikel gaf Van den Boom twee aanbevelingen om democratie te kunnen verbeteren: allereerst betere educatie omtrent het democratische systeem en burgerplicht; en ten tweede een nieuw gedecentraliseerde opbouw van de besluitvorming op basis van subsidiariteit.

Niet de mensen, maar het systeem Rigo Heldoorn Van den Boom constateert in zijn artikel ‘Educatie en piramides’ in het eerste nummer van Volonté Générale twee problemen: Ten eerste zouden burgers meer inspraak moeten krijgen. Ten tweede zou het systeem anders georganiseerd moeten worden. Naar mijn mening is dit eerste probleem niet aan de orde, maar het tweede wel. Van den Boom concludeert in zijn essay dat de onkunde van de bevolking ten aanzien van politieke zaken door educatie kan worden opgeheven en/of verminderd. Hij schrijft dat hij de bevolking (nog) meer wil betrekken bij het besluitvormingsproces door haar meer inspraak te geven. Hij redeneert dat de bevolking over kennis dient te beschikken om besluiten te kunnen nemen. In deze redenering wordt in mijn ogen een verkeerde oorzaak-gevolg-relatie gelegd: meer kennis leidt niet tot betere besluitvorming. Daarbij komt dat burgers totaal geen behoefte hebben aan allerlei politiek geneuzel over de kleinste zaakjes. In mijn optiek is het probleem niet de representatieve democratie an sich, maar de wijze waarop deze ingevuld is. Niet de mensen, maar het systeem moet veranderen! De essentie van mijn betoog richt zich op bestuurskracht. Onder bestuurskracht versta ik de mate waarin een overheidsorgaan in staat is om zijn maatschappelijke opgaven effectief, efficiënt en democratisch gelegitimeerd te vervullen.1 Uit deze definitie kan worden opgemaakt dat democratie in één adem wordt genoemd met efficiëntie en effectiviteit en vooral over die laatste punten is de bevolking gefrustreerd. De overheid is nou eenmaal niet efficiënt en niet effectief, nog meer democratische inspraak zal daar niet bij helpen. Het probleem zit hem in het feit dat maatschappelijke problemen niet efficiënt en effectief worden opgelost. Voordat een besluit genomen wordt, is het door compromissen alweer uit elkaar gevallen. Mensen zijn daar gefrustreerd over. Vandaar het volgende: er moet een goede balans worden gezocht tussen democratie, efficiëntie en effectiviteit. In Nederland is die balans er niet, want de besluitvorming duurt te lang en de maatschappelijke oplossingen zijn vaak halfbakken. In Syrië is die balans er ook niet, want daar verliest men het democratische aspect uit het oog. Waar is die balans wel aanwezig? In mijn ogen vind je die in Duitsland. Daar hebben ze een kiessysteem voor de Bundestag waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen districtszetels en lijstzetels. Het gaat er om dat in het systeem                                                                                                            

Handreiking Bestuurskracht Onderzoek (Overheidspublicatie 2010), beschikbaar via: http://www.vng.nl/Documenten/Extranet/Bestuur/Handreiking_Bestuurskrachtonderzoe k_def.pdf (geraadpleegd op 2 september 2011). 1

 

12


Volonté Générale 2011 - n°2

    gewaarborgd is dat het land van onderaf gevoed wordt: door de Bundesländern die een grote autonomie hebben en door de verkozen districtpolitici. Anderzijds komen er over het algemeen niet te veel partijen in de Bundestag, vanwege de kiesdrempel van 5% waardoor het mogelijk is om sneller tot besluiten te komen. Uiteraard zullen er nog wel compromissen gesloten moeten worden, maar die zullen lang niet zoveel afwijken van de verkiezingsprogramma’s van de compromis sluitende partijen zoals dat in Nederland het geval is. Duitsland is een voorbeeld daar waar het gaat om een efficiëntie, effectieve en democratische inrichting van een staat. Wat mij betreft hoeft daar geen deliberatieve democratische invulling bij en het is ook een belangrijk vraagstuk of de bevolking dat wel zou willen. Rigo Heldoorn (1988) heeft Bestuurskunde gestudeerd aan de Saxion Hogeschool te Enschede. Momenteel studeert hij Vergelijkende Politicologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen en is hij onderdeel van de D66-fractie in de raad van de gemeente Oude IJsselstreek.

 

13


Volonté Générale 2011 - n°2

 

 

Tussen kunst en cash: commercialisering van de kunst Anna Tilroe De rancuneuze stemming die nu in Nederland rond kunst hangt, heeft de kunstsector totaal overvallen. Verbijsterd vraagt ze zich af hoe het komt dat een zo rijke en gevarieerde culturele infrastructuur door een groot deel van de bevolking zo weinig wordt gewaardeerd en gerespecteerd. Bij alle verklaringen die worden gegeven, is er één die te weinig in ogenschouw wordt genomen en dat is een algemeen, diep geworteld gevoel van teleurstelling. Teleurstelling over de niet waargemaakte belofte die ooit door de politiek en de kunst samen is uitgedragen: de belofte van een Nieuwe Wereld met een Nieuwe Mens. We weten het nu, het modernistisch-socialistische idee van een universele wereld, een maakbare samenleving en een vrije, creatieve, communale mens is een fictie gebleken, een droombeeld dat nu in de ogen van velen vooral tot rampspoed heeft geleid: kunst voor insiders, imponeer-architectuur naast onpersoonlijke woonblokken, massa-immigratie, moskeeën, pedofilie en ‘een rond neukende, met hasj wolken omgeven’ jeugd. De desillusie is misschien in Nederland wel harder aangekomen dan in de meeste andere westerse landen, juist doordat het linkse, modernistische gedachtegoed zich zo stevig heeft genesteld in de hele culturele infrastructuur. Het uitgebreide subsidiestelsel zoals zich dat na de Tweede Wereldoorlog heeft ontwikkeld en dat vertrok vanuit het principe van volksverheffing, is gaandeweg steeds meer de nadruk gaan leggen op experiment en vernieuwing. Een verschuiving die volkomen in overeenstemming was met de avantgardistische ontwikkelingen in de kunsten zelf, maar die tot op bepaalde hoogte ook dezelfde deconfiture doormaakte. Zoals het de avantgardes niet is gelukt om een nieuw menselijk wezen te scheppen dat hun fijngevoeligheden deelde en de wereld door hun idealistische ogen zag, zo is de kunstsector er niet in geslaagd om een breed publiek voldoende voor die revolutie ontvankelijk te maken. Kunst was, bleef en is nog steeds in de eerste plaats iets van de kunstwereld. Die kunstwereld is de laatste jaren zichtbaar geworden als een knoop van wilde tegenstellingen, een arena waarin een enorme machtsstrijd wordt gevoerd over wie bepaalt welke kunst het beste de tijd en de cultuur waarin wij leven weerspiegelt. In die strijd lijken diegenen die zich de duurste, grootste, meest sensationele kunst kunnen veroorloven, aan het langste eind te gaan trekken. In zekere zin is dat altijd zo geweest. Maar de inzet is nu hoger dan ooit: de culturele alomtegenwoordigheid van het globale kapitalisme Heeft het wel zin om tegen een dergelijke overmacht in opstand te komen? Steeds meer stemmen pleiten ervoor om maar met de stroom mee te bewegen en te erkennen dat de markt een beslissende macht heeft. Het spreekt vanzelf, vinden zij, dat als de tijd en de sociale orde veranderen, ook de kunstopvatting moet veranderen.  

14


Volonté Générale 2011 - n°2

 

  Met dat laatste ben ik het hartgrondig eens. Het idee dat kunst radicaal, vernieuwend en progressief moet zijn, hoort bij een tijd die allang voorbij is. Het is een reclameslogan geworden voor een meedogenloos economisch systeem dat zichzelf nu via de kunst presenteert als een humane, democratische en progressieve kracht die het beste met de mensheid voor heeft. Maar de markt een beslissende macht toekennen, aan zo’n nederlaag ben ik nog lang niet toe. Ik denk nog altijd dat kunst niet de taak heeft om de werkelijkheid zoals die zich aan ons voordoet, te bevestigen, maar om deze open te breken, zodat ruimte komt voor andere denkbeelden en onvermoede perspectieven. Maar daarvoor moeten wel eerst intern theoretische en kunsthistorische muren en schuttingen worden geïnventariseerd en gesloopt die een brede discussie over de positie van kunst binnen de samenleving in de weg staan. Want als er iets is wat wij van de huidige ontwikkelingen kunnen leren, dan is het dat er dringend gezocht moet worden naar nieuwe antwoorden op de vraag naar de betekenis van kunst voor de huidige samenleving en de wereld die komt. De twee artikelen die volgen, geschreven naar aanleiding van een door ondergetekende geleide mastercursus aan de Radboud Universiteit Nijmegen, zijn een aanzet daartoe. Prof. Anna Tilroe (1946) is buitengewoon hoogleraar Kunst & Cultuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Daarnaast is zij kunstcriticus en curator, gespecialiseerd in hedendaagse beeldende kunst en cultuur.

 

15


Volonté Générale 2011 - n°2

 

 

Kunst vacuüm verpakt Marijke Goeting

De markt voor hedendaagse kunst is de afgelopen decennia flink gegroeid. Galeries, biënnales, kunstbeurzen en veilinghuizen zijn als paddenstoelen uit de grond geschoten en hebben de zichtbaarheid van hedendaagse kunst vergroot. Verzamelaars uit Rusland, China en de Verenigde Arabische Emiraten zijn toegetreden tot de markt en hebben haar globaler gemaakt. Online databases waar prijzen worden bepaald hebben ervoor gezorgd dat kunst, net als handelswaar, in real time kan worden gekocht en vérkocht. Niet alleen de kunstmarkt is fors gegroeid, ook de prijs die voor hedendaagse kunst wordt betaald, is tot ongekende hoogte gestegen. Het kunstwerk Hanging Heart (Magenta/Gold) van de Amerikaanse kunstenaar Jeff Koons werd in november 2007 bij veilinghuis Sotheby’s verkocht voor $23,6 miljoen. Datzelfde jaar werd For the Love of God, de diamanten schedel van de Britse kunstenaar Damien Hirst, bij de White Cube Gallery verkocht voor maar liefst $100 miljoen. Veilinghuizen zelf vallen zich ook geen buil aan de verkoop van hedendaagse kunst: zowel Sotheby’s als Christie’s verkopen per jaar voor meer dan een miljard dollar aan hedendaagse kunst alleen, waardoor het de meest winstgevende sector van de kunstmarkt is geworden. Kunst, en vooral hedendaagse kunst, is big business. Aan populariteit dus geen gebrek en er lijkt weinig reden voor kritiek. Echter, critici klagen dat kunstwerken in toenemende mate veranderen in speculatieve objecten; in producten waarvan de waarde slechts is gebaseerd op de economische verhandelbaarheid. Terecht wordt door velen de vraag gesteld hoe deze situatie is ontstaan: verschilt de hedendaagse kunstmarkt dusdanig van die uit het verleden dat we ons in een compleet nieuwe en onvergelijkbare situatie bevinden? Wat zijn de oorzaken van de radicale uitbreiding van de markt voor hedendaagse kunst? Hoe wordt waarde aan kunst toegekend? En de vraag die velen bezighoudt: door wie? In verschillende artikelen worden de belangrijke spelers in het veld geïdentificeerd en hun invloed geanalyseerd. We hebben het over de kunstenaar, de curator, de museumdirecteur, de galeriehouder, de veilingmeester, de verzamelaar, de kunsthistoricus, de criticus en het publiek. Door deze nadruk op individuen en instanties wordt echter een belangrijke en misschien wel één van de meest bepalende factoren over het hoofd gezien: de ruimte waarin en de manier waarop kunst wordt gepresenteerd. Ik stel voor eens niet te kijken naar wie de economische waarde en verhandelbaarheid van hedendaagse kunst bepaalt, maar wat.

De smetteloze witte ruimte In musea, galeries, biënnales en beurzen over de hele wereld wordt hedendaagse kunst hoofdzakelijk tentoongesteld in steriele witte ruimtes.

 

16


Volonté Générale 2011 - n°2

    Deze klinische tentoonstellingsruimte, ook wel de white cube genoemd,1 isoleert de kunst en snijdt haar los van elke referentie naar de buitenwereld. In het vacuüm van de smetteloze witte ruimte kan de kunst uitsluitend naar zichzelf verwijzen, naar haar visuele en materiële kwaliteit, waardoor ze in een esthetisch en begeerlijk object verandert. Het vermogen van de ruimte om het tentoongestelde te isoleren, te esthetiseren en daarmee geschikt te maken voor consumptie, vindt haar oorsprong in de jaren 20 en 30 van de vorige eeuw. Toen het Museum of Modern Art (MoMA) in New York zijn eerste tentoonstellingen maakte, werd er gekeken naar de commerciële architectuur van die tijd: naar de etalages van warenhuizen waar consumptiegoederen op geïsoleerde en geësthetiseerde wijze aan voorbijgangers werden getoond. Door moderne kunst op dezelfde wijze te presenteren, associeerde het MoMA niet alleen de kunst met koopwaar, maar ook de museumbezoeker met consument.2 De nadruk die de smetteloze witte tentoonstellingsruimte legt op esthetiek, op de visuele en materiële kwaliteit, heeft de kunst niet alleen aantrekkelijker, maar ook toegankelijker gemaakt. Deze toegankelijkheid vindt haar apotheose in de abstracte kunst, die zich gelijktijdig met het tentoonstellingsmodel van de white cube ontwikkelde en hier meer dan elke andere kunst thuishoort. Hoewel abstracte kunst door de ogenschijnlijke afwezigheid van inhoud (versterkt door titels als Zonder titel) aanvankelijk als moeilijk en ontoegankelijk werd ervaren, heeft zij voor de consumptie van en handel in kunst een ware bevrijding betekend. Had de koper eerst nog kennis nodig van het handschrift van de kunstenaar om de echtheid van een werk te bepalen, kennis van materiaal om een werk te dateren en kennis van het kunsthistorisch discours om de relevantie van een werk te beoordelen, nu hoeft de koper alleen nog maar open te staan voor visuele prikkels, voor het effect van het werk, en af te gaan op zijn of haar intuïtie.3 Volgens criticus Robert Pincus-Witten is de naamloze abstractie één van de grootste prestaties van de kapitalistische democratie. 4 Wanneer alleen de formele eigenschappen van kunst er toe doen – de kleuren, de materialen, de grootte – kan iedereen met enig esthetisch en financieel vermogen deelnemen aan de kunstmarkt.5 Hoe meer kunst wordt geïsoleerd en losgemaakt van haar relatie tot de maatschappij – van een specifieke, plaatsgebonden historische en politieke betekenis – hoe beter ze te verkopen valt. De handel en economische waarde van kunst is gebaat bij abstrahering. Net zoals de waarde van geld – sinds deze werd losgekoppeld van de waarde van goud – in een onrealistische verhouding tot de werkelijkheid kon gaan staan, zo heeft de abstrahering van kunst het mogelijk gemaakt dat haar                                                                                                            

B. O’Doherty, Inside the White Cube. The Ideology of the Gallery Space (Berkeley 1999); Origineel gepubliceerd als een serie essays in het tijdschrift Artforum in 1976. 2 C. Grunenberg, ‘The Politics of Presentation: The Museum of Modern Art, New York’ in: Marcia Pointon, Art apart: art institutions and ideology across England and North America (Manchester 1994) 192-211. 3 A. Cappellazzo, I. Graw en R. Pincus-Witten ‘Art and its Markets: A Roundtable Discussion’, Artforum (april 2008) 293-303. 4 Ibidem. 5 In dit licht is de hernieuwde belangstelling voor ambachtelijkheid niet moeilijk te verklaren. Per slot van rekening draait het bij ambachtelijkheid om de visuele en materiële kwaliteit. 1

 

17


Volonté Générale 2011 - n°2

    economische waarde explosief kon stijgen. Meer dan 80 jaar geleden heeft het tentoonstellingsmodel van de white cube de basis gelegd voor een vergaande decontextualisering en abstrahering van kunst, en vandaag de dag is dit model nog steeds grondig gevestigd in de kunstwereld. Hier is het echter niet bij gebleven, want recente ontwikkelingen bouwen voort op wat de white cube in gang zette. Zo is er tegenwoordig de drijvende kunstbeurs. SeaFair’s megajacht Grand Luxe van 40 miljoen dollar verleent onderdak aan 28 vooraanstaande galeries en vaart de wereld rond om aan te meren bij de meest kapitaalkrachtige verzamelaars. Was de steriele witte tentoonstellingsruimte eerst nog verbonden aan een fysieke locatie (hoe moeilijk waarneembaar ook), nu is ze mobiel en op geen enkele wijze meer verbonden aan een specifieke plaats. Ook is er de online kunstbeurs. Op www.openartcollection.com worden digitale reproducties in een virtuele ruimte getoond en worden kunstwerken verhandeld middels een sociaal netwerk dat kunstenaars, galeries, veilinghuizen, musea en verzamelaars over de hele wereld met elkaar verbindt. Waren kunst en publiek in de witte tentoonstellingsruimte tenminste nog fysiek aanwezig, met de online kunstbeurs bevinden beiden zich in de onbegrensde virtuele ruimte van het net. De immaterialiteit die de hedendaagse kunst kenmerkt, neemt een nog grotere vlucht wanneer we bedenken dat kunstenaars als Jeff Koons hun werk al voor miljoenen verkopen voordat het überhaupt gemaakt is. Het superluxe drijvende warenhuis, de online winkel en art on demand: het mag duidelijk zijn dat hedendaagse kunst de conditie van speculatieve handelswaar bijzonder dicht genaderd is. De vrees van iedere koper en verkoper is echter dat kunst daadwerkelijk als handelswaar wordt gezien. De associatie met inwisselbaarheid moet koste wat kost worden voorkomen, want juist de veronderstelde onvergelijkbaarheid van kunstwerken komt de economische waarde ten goede. Ook hier speelt de ruimte waarin en de manier waarop kunst wordt gepresenteerd een belangrijke rol. De decontextualisering die de steriele tentoonstellingsruimte bewerkstelligt, bevordert namelijk niet alleen de consumptie van en handel in kunst, het verhult deze eveneens. Het is de scheiding van kunst en wereld die de indruk wekt dat kunst niets te maken heeft met de banale realiteit van geld en commercie, maar behoort tot de universele en tijdloze wereld van de geest. 6 De witte tentoonstellingsruimte is een sacrale ruimte – vergelijkbaar met religieuze gebouwen – waar elke afleiding wordt geëlimineerd opdat intense concentratie, spirituele contemplatie en verering mogelijk worden. Maar waar kerken, tempels en moskeeën tenminste nog ruimte laten voor architectonische expressie en het spel van natuurlijk licht, worden ook deze elementen uit de white cube verbannen.7 Kunst wordt in de witte tentoonstellingsruimte niet alleen een vorm van seculiere religie, maar vooral een vorm van seculiere idolatrie. Door de vergaande abstrahering en decontextualisering van                                                                                                             6 7

 

O’Doherty, Inside the White Cube. C. Duncan, Civilizing Rituals. Inside Public Art Museums (Londen 1995). 18


Volonté Générale 2011 - n°2

    kunst komt de nadruk op haar visuele en materiële aanwezigheid te liggen en niet op de ideeënwereld die achter haar schuilgaat.8

Alternatieve tentoonstellingsruimtes Hoewel de decontextualisering die de white cube bewerkstelligt een positieve uitwerking heeft op de verhandelbaarheid van kunst, heeft zij een minder gunstig effect voor de museumbezoeker die op zoek is naar de betekenis van kunst en de inzichten die kunst verschaft over de wereld waarin we leven. Voor deze groep wordt de hedendaagse kunst niet toegankelijker, maar juist ontoegankelijker. Doordat de witte tentoonstellingsruimte elk aanknopingspunt om de kunst in een maatschappelijke, politieke of historische context te plaatsen verhindert, wordt de kunst volkomen hermetisch. Terwijl de klinische tentoonstellingsruimte de kunst dus economisch gezond maakt, maakt ze haar tegelijkertijd in termen van maatschappelijke relevantie ziek. Het is niet, zoals de theoreticus Boris Groys schrijft, dat de kunst ziek is en de curator haar moet genezen.9 Het is de tentoonstellingsruimte, het ziekenhuis, die kunst ziek doet lijken en de curator de machtige positie van geneesheer toebedeelt. Wanneer er meer belang wordt gehecht aan de context waarin en de manier waarop kunst wordt gepresenteerd, kunnen er alternatieven worden ontwikkeld die de kunst minder tot inwisselbare handelswaar maken en meer tot een uniek object dat een levendige verbintenis aangaat met maatschappij, politiek en geschiedenis. Eén van die alternatieven is ontwikkeld door de Duitse verzamelaar Christian Boros. In Berlijn heeft hij een oude nazi bunker omgetoverd tot een tentoonstellingsruimte voor hedendaagse kunst, waar onder andere werk van de Duitse kunstenaar Anselm Reyle te zien is. Reyle is een bijzonder succesvol kunstenaar: hij wordt omarmd door de markt, gretig verzameld door superrijken als Charles Saatchi en François Pinault en vertegenwoordigd door de gerenommeerde galeriehouder Larry Gagosian. In de historische ruimte van de Berlijnse bunker wordt zijn werk Heuwagen (2001/2008) echter losgekoppeld van het spectaculaire formalisme (het spel van vorm, kleur en materiaal) waarom zijn werk doorgaans wordt geroemd. In plaats daarvan krijgt het historische betekenis en een traumatische lading. Het ultraviolette licht, dat Reyle in de bunker installeerde, licht namelijk niet alleen zijn werk op (de fluorescerend gele hooiwagen), maar ook de fosforescerende strepen op de wand die de bewoners van de bunker tijdens een stroomuitval de weg moesten wijzen. Daarnaast herinnert de zwarte verflaag op de muren, het ultraviolette licht en de fluorescerende gele verf aan de obscure gabber, techno en fetisj feesten die in de jaren 1990 op dezelfde plek werden gehouden. In de context van de bunker, omringd door de sporen van het verleden, verwijst Reyles landwerktuig naar de Duitse identiteit en de ideologie van Blut und Boden die tot de gruwelen van de holocaust heeft                                                                                                            

T. Crow, ‘Historical Returns’, Artforum (april 2008) 284-291, aldaar 287. B. Groys, ‘Politics of Installation’, E-flux journal afl. 2 (2009), beschikbaar via: http://www.e-flux.com/journal/view/31 (geraadpleegd op 2 september 2011). 8 9

 

19


Volonté Générale 2011 - n°2

    geleid. Tegelijkertijd toont de Heuwagen, door te herinneren aan de hardcore feesten die in dezelfde bunker plaatsvonden, hoe het Duitse volk met dit traumatische verleden worstelt en poogt het een plek te geven.

Afbeelding 1. Anselm Reyle, Heuwagen, 2001/2008. Gevonden voorwerp, fluorescerende verf, black lights. Boros Collectie, Bunker Berlijn.

Afbeelding 2. Anselm Reyle, Heuwagen, 2001. Gevonden voorwerp, fluorescerende verf. Boros Collectie.

In het vacuüm van de steriele witte tentoonstellingsruimte daarentegen wordt alles, Reyles Heuwagen inclusief, begeerlijke koopwaar. Dat is wat de ruimte doet. Zoals de filosoof en econoom Karl Marx al wist: hoe meer koopwaar wordt losgekoppeld (in tijd en ruimte) van het proces en de omstandigheden van productie, hoe meer het zich voordoet als zelfstandig object met een ‘inherente’ waarde.10 Meer nog dan bij elk                                                                                                             10

 

K. Marx, Capital. A Critique of Political Economy (New York 1990). 20


Volonté Générale 2011 - n°2

    ander product levert dit bij kunst een fundamenteel probleem op, want kunst wordt gemaakt vanuit een reactie op de maatschappij. Het proces en de omstandigheden van het maken vormen daarmee de kern, de betekenis, van kunst en juist die worden in de abstracte tentoonstellingsruimte aan het oog onttrokken. Gevolg hiervan is dat kunst zich begint te vervreemden van de maatschappij waaruit zij voortkomt. Omdat de relatie tussen kunst en haar maatschappelijke, politieke en historische context in de white cube wordt verbroken, begint ze zich in een sfeer van vluchtigheid, vormloosheid en willekeur af te spelen. De vraag die kunstcritica Anna Tilroe terecht stelt is wat het museum daar tegenover zou kunnen stellen. Haar antwoord luidt: ‘Tonen dat alles niet alleen ís, maar ook gewórden is. Dat een kunstwerk niet op zichzelf staat, maar dat er altijd iets aan is voorafgegaan wat raakt aan andere opvattingen, andere ontwikkelingen, andere culturele uitingen, andere tijden.’ 11 De cruciale vraag die zich vervolgens opdringt, is hoe het museum dit zou kunnen tonen. Wat het verschil tussen Reyles Heuwagen in de white cube en de bunker aantoont, is het buitengewone effect van de ruimte op de ervaring en betekenis van kunst en het belang dat we aan de ruimte en de presentatie van kunst zouden moeten hechten. Het museum zal nooit de bovenstaande wensen kunnen vervullen als het blijft vasthouden aan de generieke witte tentoonstellingsruimte. Een specifieke ruimte daarentegen heeft de kracht, zoals Groys beargumenteert, om de kunst het aura terug te geven dat ze in onze contextloze tijd is kwijtgeraakt.12 Een specifieke ruimte kan de kunst namelijk verankeren in de maatschappij en de geschiedenis en haar zodoende de uniciteit en duurzaamheid verschaffen die ze zo begeert. Door veel schrijvers, waaronder kunsthistorica Isabelle Graw, is geobserveerd dat juist de museale context met haar kunsthistorische narratieven het prestige en daarmee de marktwaarde van kunst uiteindelijk verhoogt.13 Maar is dit ook zo als de maatschappelijke en historische betekenis van kunst alleen in een specifieke context of ruimte van kracht is? Wanneer betekenis is verbonden aan een specifieke plek, kan een kunstwerk dan nog aanspraak maken op die betekenis als het zich er niet meer bevindt? De vraag die we onszelf vandaag zouden moeten stellen is hoe lang betekenis, uniciteit en duurzaamheid nog kunnen worden toegekend aan kunst die zich in een vacuüm bevindt. Het wordt tijd dat er alternatieven komen voor de steriele witte tentoonstellingsruimte. Vandaag, als 80 jaar geleden, wordt kunst vacuüm verpakt. Of ze daardoor ook langer houdbaar is, is zeer de vraag. Marijke Goeting (1984) studeerde Graphic Design aan ArtEZ Hogeschool voor de Kunsten Arnhem. Ze volgt op dit moment de onderzoeksmaster Kunst en Visuele Cultuur in Historisch Perspectief aan de Radboud Universiteit Nijmegen en is daarnaast als docent Kunstgeschiedenis werkzaam op ArtEZ Hogeschool voor de Kunsten Arnhem.

                                                                                                           

A. Tilroe, De ja-sprong. Naar een nieuwe vitaliteit in de kunst (Amsterdam 2010) 63. B. Groys, ‘Topology of the Aura’ in: Boris Groys, Art Power (Cambridge Massachusetts, Londen 2008) 60-65; Groys, ‘Politics of Installation’, 5-6. 13 I. Graw, High Price: Art between the Market and Celebrity Culture (Berlijn, New York 2010). 11 12

 

21


Volonté Générale 2011 - n°2

 

 

Kunst, het publieke en het private voorbij1 Michelle Franke

Op 10 juni 2011 maakte Halbe Zijlstra, staatssecretaris van onderwijs, cultuur en wetenschap, zijn plannen voor de bezuinigingen op kunst en cultuur bekend. Ondanks het advies van de Raad voor Cultuur om de bezuinigingen over een aantal jaren te spreiden, kondigde Zijlstra in zijn brief aan in één keer 200 miljoen euro te willen bezuinigen. In reactie op deze plannen is een flink aantal acties ondernomen. Er zijn onder andere petities opgesteld met titels als: ‘Stop de culturele kaalslag’ en ‘Waar is de kunst in de openbare ruimte gebleven?’ Daarnaast is er op 27 juni jl. op het Malieveld in Den Haag de eerste grote actiedag gehouden. Meer acties zullen volgen.2 Om te bezuinigen moet de overheid keuzes maken, ook in het financieel steunen van kunstprojecten. Echter, bij het maken van deze keuze lijkt de overheid de internationale bekendheid van een kunstwerk als het enige criterium te hanteren. De grote, gevestigde instellingen zoals het Rijksmuseum worden gespaard, in tegenstelling tot de kleinere instellingen die vaak experimenteel zijn en een progressief karakter hebben. Het zijn juist de laatstgenoemde organisaties die niet voorbereid zijn op het werven van financiers in de particuliere sector of het bedrijfsleven. Bovendien zijn de meeste bedrijven na de economische crisis ook niet (voor)bereid om kleine kunstinstellingen te steunen. Het gevolg is dat het voor deze organisaties lastig wordt om overeind te blijven. Wat deze overheidsplannen problematisch maakt, is dat ze in de eerste plaats ideologische van aard zijn. Ze worden moeiteloos verantwoord vanuit een neoliberaal perspectief. Neoliberalisme wordt hier verstaan als een specifieke vorm van kapitalisme die gebaseerd is op een aantal onderling gerelateerde maatregels dat tot doel heeft de overheid te verkleinen, de privatisering van staatsbedrijven aan te moedigen en de handelsgrenzen te doorbreken. Geloof in de competitieve en zelfregulerende markt vormt de ideologische kern van het neoliberale gedachtegoed. Dus, de aangekondigde bezuinigingen in de Nederlandse culturele sector komen niet zozeer voort uit economische noodzaak, maar uit de wil om een nieuw regime te vestigen. In deze context is kunst onderdeel van een verzorgingsstaat die ontmanteld moet worden. In Nederland openen deze gebeurtenissen een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van het nationale cultuurbeleid: een hoofdstuk dat meer in lijn staat met de wereldwijde ontwikkelingen richting privatisering van publieke functies en diensten. 3 Kunst en culturele instellingen worden geacht minder afhankelijk te worden van overheidssubsidies. Zoals staatsecretaris Zijlstra onlangs uitlegde, zijn kunstenaars momenteel                                                                                                            

Dit artikel is vertaald uit het Engels. Ik ben Karel Oostervink dankbaar voor zijn hulp bij de vertaling. 2 Meer informatie en een overzicht van alle acties zijn te vinden op: http://www.schadekaart.nl/ (geraadpleegd op 2 september 2011). 3 M. Hardt en A. Negri, Empire (Cambridge 2000) 300-303. 1

 

22


Volonté Générale 2011 - n°2

    nog aan het overheidsinfuus verbonden: het huidige systeem is ‘niet gezond en het moet veranderen. Daarom is een cultuuromslag nodig.’4

Afbeelding 1. Aníbal López / A-1 53167, El Prestamo, 2000, tekst van de actie, Galerie Contexto, Guatemala-stad. Courtesy prometeogallery di Ida Pisani, Milano/Lucca.

Het uitgangspunt van dit artikel is dat deze ontwikkelingen teruggebracht kunnen worden tot veranderingen in de relatie tussen het publieke en het private domein. Hoewel deze relatie een culturele en politieke productie is, kan het rechtssysteem buitengewoon bruikbaar zijn om ons inzicht te geven in de veranderende waarden en functies die aan beide domeinen worden toegekend. We zouden zelfs kunnen zeggen dat het rechtssysteem juist bestaat omwille van private eigendommen. Volgens dit argument, als eigendommen niet zouden bestaan, zou de wet niet nodig zijn. In dit artikel wordt een performance bestudeerd waar de kunstenaar ideeën rondom publieke en private bezittingen ondermijnd door de wet te overtreden. Hoewel het kunstwerk niet direct aan de hedendaagse Nederlandse situatie refereert, is het thema zeer actueel.                                                                                                            

De Volkskrant (zaterdag 11 Juni) 4; zie ook interview met Staatssecretaris Zijlstra: ‘Gezellig was het niet, nodig wel. Staatssecretaris Zijlstra blikt terug op zijn eerste jaar met ingrijpende keuzes’, NRC Handelsblad (vrijdag 8 juli 2011) 17. 4

 

23


Volonté Générale 2011 - n°2

    Het gaat om de Guatemalteekse kunstenaar A-1 53167 en zijn werk uit 2000: El Prestamo (De Lening). Dit controversiële werk werd uitgevoerd op 29 september in het zogeheten district 10 van Guatemala-stad. Gewapend met een pistool viel A-1 53167 een willekeurige, 44 jarige JanModaal aan met de woorden: ‘Dit is geen overval, dit is een lening. Het zal terugbetaald worden aan je kinderen in visuele taal.’ 5 (afb.1). De geschrokken man stond 874,35 quetales af (wat ongeveer gelijk staat aan 77 euro). 6 Het gestolen geld werd gebruikt om de opening van de solotentoonstelling van de kunstenaar Contexto (2000, Guatemala-stad) te financieren. In de tentoonstellingsruimte was een tekst geëxposeerd met daarin een beschrijving van de ‘lening’. In dit artikel wil ik laten zien hoe het werk El Prestamo de tegenstelling tussen het publieke en het private compliceert door het idee van het gemeenschappelijke te introduceren. Dit concept is afkomstig uit de filosofieën van Micheal Hardt en Antonio Negri.7 Zij beschrijven dit in publicaties als Empire (2000), Multitude: War and Democracy in the Age of Empire (2004) en, meer recentelijk, Commonwealth (2009). In deze drie boeken is het gemeenschappelijke een sleutelbegrip om te refereren aan alles wat vrij toegankelijk en gedeeld is, zoals het water, de lucht enzovoorts. Echter, in onze huidige samenleving is het gemeenschappelijke niet alleen het geheel aan natuurlijke bronnen dat voor allen beschikbaar zou moeten zijn; het omvat al die producten van menselijke interactie en verwerking die tot iedereen behoren, zoals kennis, talen, codes, informatie, affecten.8 Het vergt actieve participatie.9 Het zijn met name deze tweede, culturele ‘gemeenschappelijke’ producten die centraal staan. Zij verschillen van zowel het publieke als het private: het zou weinig nut hebben om een gemeenschappelijk goed zoals een taal te beschouwen als een particulier bezit of te onderwerpen aan de autoriteit van de staat.10 De filosofen Hardt en Negri leggen uit dat de productie van het gemeenschappelijke in toenemende mate bepalend is voor onze economische en sociale realiteit: communicatie, sociale netwerken en interactieve diensten vormen de kern van het zogeheten cognitief- of immaterieel kapitalisme. Tegelijkertijd heeft het gemeenschappelijke de                                                                                                            

Originele Spaanse tekst: ‘Esto no es un asalto, es un préstamo, y lo divolveré en lenguaje visual para sus hijos.’ Zie omschrijving van de actie, afbeelding 1. 6 Juni 2011. 7 In de publicaties van Hardt en Negri staat deze categorie bekend als: the common. 8 Brian Massumi —een van de meest bekende denkers als het gaat om affecten— omschrijft affecten als de manier waarop het lichaam zich voorbereid op actie door het activeren van onbewuste ervaringen en intensiteiten. Het zijn momenten van ongevormd en ongestructureerd potentieel. Ze spelen een belangrijke rol in de manier waarop we reageren en omgaan met onze omgeving. Omdat ze ongevormd en ongestructureerd zijn, kunnen ze gemakkelijk als impulsen onbewust worden doorgegeven. In deze zin behoren ze niet tot de persoonlijke emoties of gevoelens, maar tot de gemeenschappelijke intensiteiten. Onze hedendaagse maarschappij kent een overdaad aan deze vluchtige en makkelijk manipuleerbare affecten. In het artikel ‘Fear (The Spectrum Said)’ beschrijft Massumi hoe de manipulatie van affecten (door angst bijvoorbeeld) in de politiek een steeds centralere plaats inneemt in het beinvloeden van sociaal gedrag. Populisme is hier een voorbeeld van. Het artikel is te vinden in: Position: East Asia Cultures Critique 13 (2005) 31-48. 9 M. Hardt en E. Negri, ‘The Becoming Prince of the Multitude’, Artforum (oktober 2009) 178-179. 10 Hardt en Negri, Empire, 300-303. 5

 

24


Volonté Générale 2011 - n°2

    mogelijkheid zich te onttrekken aan de huidige kapitalistische handelswijze. Hardt en Negri noemen de opkomende orde Empire en refereren daarmee aan het toenemend belang van de globale neoliberale markt ten koste van de afzonderlijke naties. Voor hen is het ontstaan van Empire altijd gepaard gegaan met een zekere tegenstrijdigheid: de elementen die ervoor hebben gezorgd dat het systeem zich kon vestigen (zoals internationale communicatie) zijn dezelfde factoren die de macht van het systeem in gevaar brengen door zich te onttrekken aan de markteconomie. In deze zin levert het kapitalisme de kiemen van zijn eigen destructie door de disseminatie van non-profit, niet-particuliere, niet-kapitalistische goederen en diensten: het gemeenschappelijke. Toch zullen we zien dat El Prestamo het idee van het gemeenschappelijke ook in twijfel trekt door te verwijzen naar hoe deze vorm van collectieve en immateriële productie in de tijd van het cognitieve kapitalisme een economisch strijdtoneel is geworden. Zoals Keti Chukhrov recentelijk schreef in een artikel voor het tijdschrift e-flux: Although it is true that post-industrial capitalism has blurred the boundary between consumption, information, cognition, and communication, this doesn’t mean that post-Fordist capitalims automatically generates a post-capitalism utopia. On the contrary, when corporations vie for control over the power of knowledge objectified, the space of the common becomes a real battleground.11

Een recent voorbeeld van dit strijdtoneel is het debat dat ontstond rond het toenemende gebruik van gratis internet-communicatiediensten op mobiele telefoons om de telecomproviders te omzeilen. Het gebruik van Skype en andere gelijksoortige internetdiensten brengt de verdiensten van bedrijven als KPN, Vodafone en T-Mobile in gevaar. Het wetsvoorstel om het gebruik van deze applicaties op mobiele telefoons in rekening te brengen is echter weggestemd door de Tweede Kamer die, in naam van de liberale markt, de vrije toegang en het neutrale karakter van het internet wilt garanderen.12

De Lening A-1 53167 is het paspoortnummer van Aníbal Asdrubal López Jures, geboren in 1964 in Guatemala-stad. Vanaf 1997 gebruikt deze kunstenaar dit nummer als pseudoniem. In een land waar de bevolking grotendeels van Maya-oorsprong is, wil de kunstenaar met dit gebaar eventuele etnische associaties uit de weg gaan. Deze actie, die bekend staat als El Prestamo, is de meest controversiële performance van A-1 53167, die internationale bekendheid verwierf met zijn gevaarlijke acties in de                                                                                                            

K. Chukhrov, ‘Towards the Space of the General: On the Labour beyond Materiality and Immateriality’ e-flux Journal afl. 20 (2010), beschikbaar via: http://www.eflux.com/journal/view/180 (geraadpleegd op 2 september 2011). 12 Voor meer informatie over dit debat en de ‘Telecomwet’ in Nederland, zie bijvoorbeeld: ‘Verhagen: verbod op extra tarief webtoegang’, NRC Handelsblad (donderdag 9 juni 2011) of ‘Neutraal Sheila Sitalsing’, De Volkskrant (maandag 6 juni 2011) 4. 11

 

25


Volonté Générale 2011 - n°2

    publieke ruimtes van Guatemala-stad. Herhaaldelijk weten zijn werken de culturele, economische en sociaal-politieke codes onder een vergrootglas te houden. De extreme actie in El Prestamo verwijst naar de —meestal onduidelijke— positie van de kunst tussen het publieke en het private. Het is opmerkelijk om dit onderwerp aan te snijden in een tijd waarin het publieke en het private worden geherdefinieerd. De afgelopen decennia hebben neoliberale (overheid)maatregels over de hele wereld getracht het publieke te privatiseren —kunst inbegrepen— door zijn producten tot private eigendommen te maken. Het gevolg is dat de tweedeling publiek - privaat problematisch wordt. Dit wordt bovenal duidelijk aan de hand van de status van het kunstwerk. Een zogenaamd Untitled werk van A-1 53167 dat in 2002 in de galerie Espacio 0-27 in Guatemala-stad tentoongesteld is, slaat de spijker op zijn kop. Het werk bestaat uit vier olieverf schilderijen op doek. Op ieder schilderij kunnen we een korte zin lezen: ‘Te Koop’, ‘Te Leen’, ‘Te Huur’, ‘Te doneren’.13 Deze handelingen zijn enkel toepasbaar op private eigendommen en daarmee weet A-1 53167 op scherpzinnige wijze te verwijzen naar de economische dimensies waarmee kunstwerken doordrongen zijn — goederen die overigens vaak als publiek worden beschouwd. Tegenwoordig is zelfs het publieke een domein geworden dat gebaseerd is op eigendom en waar de goederen kunnen worden verkocht, geleend, gehuurd of gedoneerd, ongeacht de mate waarin ze toegankelijk zijn voor het brede publiek en ongeacht het feit dat ze beheerd worden door de staat. De gevolgen werden samengevat door de directeur van het Museo Nacional Centro de Arte Reina Sofia toen hij zei dat het publieke en het private nog enkel denkbeeldig zijn gescheiden.14 Op Robin Hood-achtige wijze steelt A-1 53167 van de gegoede middenklasse om te geven aan de gemeenschap. Hij verandert particulier geld in een gemeenschappelijk goed. Deze bedoeling komt duidelijk naar voren in de woorden die de kunstenaar uitsprak tijdens de overval: ‘Dit is geen overval, dit is een lening. Het zal terugbetaald worden aan je kinderen in visuele taal.’ Deze mededeling heeft diepe en verstrekkende gevolgen als het gaat om de rol van kunst: de kunstenaar eist een positie op die niet publiek noch privaat is. Niet voor exclusief gebruik, noch gecontroleerd door het gezag van de staat. Bovendien is het publieke in toenemende mate gebaseerd op particulier bezit: een scheiding tussen de twee domeinen lijkt daarmee overbodig. We moeten voorbij aan de schijntegenstelling tussen het publieke en het private. El Prestamo posteert zich midden in deze problematiek en is er op uit om het tegengestelde proces van liberalisering in gang te zetten. A-1 53167 wil van kunst iets maken dat in gelijke mate tot iedereen behoort. In plaats van het privatiseren en bezitten van kunst, wil A-1 53167 deze tot een ‘visuele taal voor jullie kinderen’ maken. Het is noemenswaardig dat de kunstenaar expliciet spreekt van kunst als een taal: immers, taal is bij uitstek het gemeenschappelijke. Onttrokken aan status van handelsartikel en geplaatst in de context van het gemeenschappelijke is El Prestamo geen waar dat geproduceerd is om gekocht, geleend, verhuurd of                                                                                                             13 14

 

Originele Spaanse teksten: ‘Se Vende’, ‘Se Presta’, ‘Se Alquila’, ‘Se Regala’. M. Borja-Villel, ’The Museum Revisited’ Artforum (zomer 2010) 282-283. 26


Volonté Générale 2011 - n°2

    gedoneerd te worden. Noch valt het onder de jurisdictie van de staat. Wat het werk eerder doet, is de kijker te produceren als medeplichtige. De bezoeker die de ruimte van de Contexto tentoonstelling binnenkomt, voelt zich medeschuldig aan de overtreding die gemaakt is in de naam van de kunst. Hij wordt gedwongen zich af te vragen of kunst wel een afdoende excuus is om een misdrijf te verantwoorden. Met andere woorden: het kunstwerk wordt niet enkel iets waar iedereen recht toe heeft, maar ook iets waar ieder individu verantwoordelijk voor is. En dit is precies wat Hardt en Negri omschrijven als de nieuwe politieke ruimte die geopend wordt door het gemeenschappelijke. De politieke ruimte van het gemeenschappelijke houdt verband met het feit dat in onze hedendaagse maatschappij producten niet meer geproduceerd worden als artikelen om direct te consumeren. Integendeel, producten bestaan tegenwoordig in de vorm van kennis, taal en nieuwe manieren van communiceren; ze bestaan door de productie van het gemeenschappelijke. De consument wordt gevraagd op een creatieve wijze —door communicatie en interactie—met de producten om te gaan. Hierdoor krijgt subjectiviteit een centrale positie in het hedendaagse kapitalisme en de markteconomie. 15 In deze context wordt vaak opgemerkt dat het voornaamste product dat door internationale corporaties wordt verkocht niet het materiële artikel is. Bedrijven zoals Apple verkopen in de eerste plaats een bepaald imago, concept of zelfs lifestyle verbonden aan hun producten. De productie van het materiële handelswaar wordt overgedragen aan andere bedrijven — vaak ‘oneerlijk’ (niet Fair Trade, denk aan kinderarbeid en onderbetaling) – en gevestigd in zogenaamde ontwikkelingslanden. 16 Consumptie is onlosmakelijk verbonden met creativiteit en de productie van subjectiviteit. Het gevolg, zoals Hardt en Negri toelichten, is dat de productie van subjectiviteit het hoofdtoneel wordt van politieke strijd en dat het gemeenschappelijke een veld wordt om weerstand te bieden. Als onderdeel van het gemeenschappelijke heeft kunst de mogelijkheid om tegendruk te geven door nieuwe subjectiviteiten te creëren. Deze zouden een alternatief moeten vormen voor het systeem dat opgelegd wordt door het hedendaagse neoliberalisme. In het domein van het gemeenschappelijke kan kunst optreden als een niet-kapitalistisch, niet-privaat goed. El Prestamo functioneert in deze processen door kunst te presenteren als iets waar iedereen openlijke en gelijke toegang tot zou moeten hebben, zowel in het heden als in de toekomst.

Het bevragen van het gemeenschappelijke

Voor Hardt en Negri kan het gemeenschappelijke de mens bevrijden in de hedendaagse wereldorde die gebaseerd is op globale marktwerking, privatisering, winst en individualisme. Maar al plaatsen we El Prestamo binnen dit discours, het werk voelt niet lekker. Dit zou te maken kunnen hebben met onze normen en waarden die bepaald worden door een verregaande bescherming van particuliere eigendommen. We beschermen                                                                                                             15 16

 

Hardt en Negri, ‘The Becoming Prince of the Multitude’, 179. Chukhrov, ‘Towards the Space of the General’. 27


Volonté Générale 2011 - n°2

    zelfs ideeën tegen ‘diefstal’ door het opzetten van verschillende licenties en patenten. We voelen allemaal mee met de nietsvermoedende pechvogel die op 29 september 2000 door de straten van district 10 van Guatemala Stad liep. Het was zijn geld en hij had er waarschijnlijk hard voor gewerkt. Bovendien voelt El Prestamo niet juist, omdat het de vinger op de zere plek legt en de valkuilen en tekortkomingen van het idee van het gemeenschappelijke blootlegt. Allereerst moeten we erkennen dat het Marxistische idee dat het kapitalisme vernietigd zal worden vanuit het systeem zelf, uitblijft. Maar geeft dit genoeg reden om sceptisch te zijn ten opzichte van het gemeenschappelijke? Misschien zouden we Luc Boltanski en Eve Chiapello moeten volgen in hun idee dat het kapitalisme het ongelofelijke vermogen bezit om kritiek in zich op te nemen en zich er zelfs mee te voeden. Dit betekent dat door toe-eigening, de ‘kritische’ tegenbewegingen gereduceerd worden tot een nieuw fetisj voor de markt —denk bijvoorbeeld aan de huidige aantrekkingskracht van ‘politieke kunst’. Iets vergelijkbaars is te zien bij het gemeenschappelijke. Het kapitalisme is geen autoriteit is die opgelegd wordt, maar het is een sociale relatie. Als zodanig heeft dit systeem het gemeenschappelijke en de productie van antagonistische subjectiviteiten nodig om te kunnen voortbestaan, ook al lijken ze op het eerste gezicht het functioneren van het systeem in gevaar te brengen. Dorothea von Hantelmann behandelde dit onderwerp in een lezing in de Serpentine Gallery in Londen. Kunst heeft vaak een kritisch karakter, maar deze kritiek kan onschadelijk blijken of zelfs als voorbeeld dienen. Hantelmann stelt: [The artwork] becomes a kind of role model for most of today’s products as it embodies in an almost exemplary way, the idea of a product that is low in material expense and high on subjectivity production. It is thus no coincidence that ‘experience’ has also become a central aesthetic paradigm in visual arts since Minimalism.17

De status van El Prestamo als gemeenschappelijk goed is tegenstrijdig. Het gaat immers om geld, of het gestolen of geleend geld is. De extreme actie in El Prestamo verwijst naar de —meestal verborgen— economische dimensies die de kunstwereld reguleren. Het laat zien dat het gemeenschappelijke helemaal geen belangeloze, utopische sfeer is die vrij is van winstbejag. Het is daarentegen tot stand gekomen door middel van geld en misschien wordt het zelfs gebruikt voor het witwassen van gestolen geld. In beide gevallen functioneert het gemeenschappelijke in de economische circuits waartegen het weerstand zou moeten bieden. Is het gemeenschappelijke nog wel echt gemeenschappelijk wanneer het tegen geld kan worden geruild, geleend of gekocht? Door het geld van de man uit Guatemala-stad te gebruiken om de uitnodigingen en drank voor de opening te bekostigen, bewijst El Prestamo een actieve speler te zijn in een economie die gebaseerd is op de circulatie en accumulatie van                                                                                                             D. von Hantelmann, geciteerd in: T. Sehgal, ‘The Museum Revisited’, Artforum (zomer 2010) 281, 380. 17

 

28


Volonté Générale 2011 - n°2

    kapitaal. Het legt de nadruk op het feit dat kunst in werkelijkheid altijd verwikkeld is in economische processen. Echter, niet alleen is kunst verwikkeld, want dit zou een te passieve positie impliceren. Zoals Hantelmann, Chiapello en Boltanski betogen kan kunst zelfs als een model of blauwdruk functioneren voor de hedendaagse vormen van post-Fordistische productie en arbeidsverhoudingen die gebaseerd zijn op creativiteit, flexibiliteit, passie. Dit in tegenstelling tot het Fordistische prototype (zoals fabriekswerk) met een baas en vaste werktijden. A-1 53167 heeft met El Prestamo een eigenzinnige manier gevonden om aan geld te komen voor de opening van zijn tentoonstelling. Echter, deze ‘oplossing’ versterkt de wet door die te breken. Het benadrukt particulier bezit door het te stelen. Vanuit een hoogst tegenstrijdige positie weet deze performance de aandacht te vestigen op interessante zaken rondom het karakter van kunst in de hedendaagse maatschappij. Gedachten en beleidslijnen over kunst en cultuur verraden vaak een zekere verwarring: moet deze een particuliere zaak of publiek goed zijn? Enerzijds moet het door de private sector gefinancierd worden; anderzijds moet het het grote publiek aanspreken. Enerzijds moeten kunstenaars kritisch zijn en provoceren; anderzijds moeten ze de sociale verbintenis versterken. El Prestamo weet de spanning bloot te leggen die bestaat tussen kunst als algemeen erfgoed (voor toekomstige generaties) en kunst als een commerciële, creatieve industrie die door individuen wordt gefinancierd door middel van verkoop, huur, leningen of donaties. Door de recente ontwikkelingen in het Nederlandse cultuurbeleid kan gevreesd worden dat kunst uiteindelijk een particulier luxeartikel zal worden dat als zodanig moet worden gefinancierd. Meer dan ooit wordt het belangrijk deze processen van privatisering van de cultuursector tegen te gaan. Dit is niet om voor de kunsten een neutrale, onschuldige en onschadelijke positie buiten de economische krachten na te streven. Integendeel, juist door hun tegenstrijdige positie zijn deze artistieke praktijken belangrijk om debatten over het publieke en het private in onze hedendaagse maatschappij aan te snijden. Werken zoals El Prestamo van A-1 53167 kunnen een belangrijke rol spelen door ons eraan te herinneren dat kunst geheel met de economie en de markt verweven is. Gemeenschappelijk goed is ieders recht en verantwoordelijkheid. Michelle Franke (1986) volgt de onderzoeksmaster Kunst en Visuele Cultuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Daarnaast is ze als curatorial assistant werkzaam bij Stichting Kunst en Openbare Ruimte.

 

29


Volonté Générale 2011 - n°2

 

 

Homofobie neemt toe: feit en fictie Joris Blaauw

Homoseksualiteit is algemeen geaccepteerd in Nederland, althans dat is wat doorgaans gedacht wordt. De werkelijkheid is minder rooskleurig en bevat nog veel scherpe randjes waaraan geschaafd dient te worden. Het feit dat veel lesbische en homoseksuele stellen niet hand-in-hand durven te lopen en er nog ambtenaren bestaan die een gelijk geslachtelijk paar weigeren te huwen, is voor homobelangenorganisaties een reden om de politieke lobby nog niet te staken. Onlangs presenteerden de ministeries van Veiligheid en Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dat het percentage homogerelateerde geweldsincidenten nationaal met 54 procent is toegenomen tussen 2009 en 2010 1 . Uiteraard zijn er methodische op- en aanmerkingen te plaatsen bij een dergelijk bericht; zo zijn er campagnes gestart die gericht zijn op aangiftebereidheid en wordt geweld met een discriminatoir karakter pas sinds kort als zodanig geregistreerd. Echter, het bericht past in een lange reeks geluiden over toenemend homogeweld en afnemende acceptatie. Binnen de Nederlandse homobeweging is het inmiddels gemeengoed om te spreken over deze zaken alsof ze door talloze onderzoeken worden ondersteund. In werkelijkheid laat nog geen enkel onderzoek onomstotelijk zien dat er in Nederland een trendbreuk is opgetreden van meer naar juist minder tolerantie. Hier zijn drie redenen voor te bedenken: allereerst kan er daadwerkelijk niets aan de hand zijn; Nederland staat nog steeds aan de top als het gaat om homo-emancipatie en daarin gaat niets veranderen. Ten tweede zou er een omkering van de trend gaande kunnen zijn, die door het gebruik van verouderde data nog niet is opgemerkt. Ten derde zou het zo kunnen zijn dat de algemeen tolerante houding van de Nederlander al jarenlang overdreven positief is uitgelicht. In dit korte essay wordt gezocht naar het antwoord op de vraag of het recent gerezen idee dat de acceptatie van lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen en transgenders, kortweg LHBT’s, aan het afnemen is, of dat deze ‘waanbeelden’ voortkomen uit een door de media aangezwengelde hysterie. Vervolgens zal worden ingegaan op de vraag welke handelingen nodig zijn om de acceptatie van LHBT’s te vergroten en of de stappen die de overheid neemt de juiste zijn.

Land van andersdenkenden Nederlanders hebben van oudsher de naam dat zij een tolerante houding aannemen jegens andersdenkenden. Al in de zeventiende eeuw waren                                                                                                            

Kamerbrief Ministerie van Veiligheid en Justitie, Aanscherping bestrijding discriminatie (2011), beschikbaar via: http://www.rijksoverheid.nl/documenten-enpublicaties/kamerstukken/2011/07/08/brief-tweede-kamer-aanscherping-bestrijdingdiscriminatie.html (geraadpleegd 25 juni 2011); W. de Wit, & E. Sombekke, Poldis 2010, criminaliteitsbeeld discriminatie. Het landelijk ExpertiseCentrum Diversiteit van de politie (2011), beschikbaar via: http://www.rijksoverheid.nl/documenten-enpublicaties/rapporten/2011/07/08/poldis-2010-criminaliteitsbeeld-discriminatie.html (geraadpleegd 25 juni 2011). 1

 

30


Volonté Générale 2011 - n°2

    joden en katholieken welkom in het welvarende Nederland. De Calvinistische volksaard, die vooral oog had voor praktische nut en noodzaak, zou daarvoor verantwoordelijk zijn geweest. De werkelijkheid bleek uiteraard weerbarstiger. Joden waren ‘welkom’ in Nederland, maar mochten geen deel uitmaken van gilden en vonden derhalve geen baan. Katholieken beleden hun geloof over het algemeen in het verborgene. Acceptatie bleek geen acceptatie, maar tolerantie: het door de vingers zien van afwijkingen. Is het nu anders? Nederland is wel degelijk voorloper op het gebied van rechten voor LHBT’s. Zo was Nederland het eerste land ter wereld dat paren van het gelijke geslacht toestond te huwen en is de gelijkberechting van LHBT’s bijna nergens zo ver als hier. Alleen Spanje schiet Nederland voorbij, aangezien daar werkelijk alle fiscale en juridische verschillen tussen hetero’s en homo’s verdwenen zijn. Slechts een aantal landen is het voorbeeld van Nederland gevolgd.2 Dit cijfer ligt schrikbarend dicht bij het aantal landen waar homoseksualiteit met de dood bestraft kan worden.3 Internationaal vergelijkbare cijfers laten zien dat Nederland ook hoog scoort als het gaat om acceptatie van homoseksualiteit. In de World Value Survey scoort Nederland steevast het hoogst op de vraag: how justifiable is homosexuality? Nederlandse respondenten scoren gemiddeld een 7,8. Het gemiddelde in vergelijkbare landen ligt op ongeveer 6,9. Ook het homohuwelijk en adoptie door paren van het gelijke geslacht kunnen op veel steun van de Nederlandse bevolking rekenen. De European Social Survey laat zien dat Nederland, samen met Zweden, het hoogste scoort. Het homohuwelijk rekent op steun van ruim 70 procent van de samenleving en het adoptievraagstuk krijgt van 56 procent van de ondervraagden een positief antwoord. Deze cijfers ondersteunen het verhaal van Nederland als internationale voorloper, maar stroken in het geheel niet met de recente berichtgeving over toenemend homogeweld en toenemende gevoelens van angst en onveiligheid onder LHBT’s. Deze discrepantie heeft deels te maken met de tekortkomingen van genoemde onderzoeken. Zowel de World Value Survey als de European Social Survey bevragen algemene houdingen ten aanzien van homoseksualiteit. Allereerst bestaat er een kloof tussen houdingen en gedragingen. Respondenten beantwoorden vragen bijvoorbeeld sociaal wenselijk. Ten tweede wordt er geen rekening gehouden met de verschillende dimensies van homofobie. De onderzoekers Aldofsen, Iedema en Keuzenkamp4 vinden, in navolging                                                                                                            

In chronologische volgorde van openstellen: België, Spanje, Canada, Zuid-Afrika, Noorwegen, Zweden, Portugal, IJsland en Argentinië; Informatie verkregen via de website van International Lesbian, Gay, Bisexual, Trans and Intersex Association, http://www.ilga.org (geraadpleegd op 2 september 2011). 3 Iran, Jemen, Mauritanië, Saoedi-Aurabië, Soedan en de Verenigde Arabische Emiraten; Informatie verkregen via de website van International Lesbian, Gay, Bisexual, Trans and Intersex Association, http://www.ilga.org (geraadpleegd op 2 september 2011). 4 A. Adolfsen, J. Iedema & S. Keuzenkamp ‘Multiple Dimensions of Attitudes about Homosexuality: Development of a Multifaceted Scale Measuring Attitudes toward Homosexuality’, Journal of Homosexuality 57 (2010) 1237-1257. 2

 

31


Volonté Générale 2011 - n°2

    van Van de Meerendonk5 en Yang6, vijf dimensies van homofobie. Deze dimensies verschillen vooral in graden van nabijheid. Zo vallen vragen over homoseksualiteit in het algemeen in de categorie ‘general accepation of homosexuality’ en vragen over gelijke rechten in de gelijknamige categorie, daarnaast bestaan er echter ook nog categorieën die vragen over ‘homoseksuality at close quarters’ of ‘non-heterosexual behaviour in the public domain’ bevatten. In tegenstelling tot de meer algemene dimensies wordt op deze laatste categorieën veel lager gescoord. Weliswaar blijven de gangbare verklaringsmechanismen overeind, maar het negatieve effect van bijvoorbeeld opleidingsniveau op homofobie wordt aanzienlijk zwakker. Tot slot is de validiteit van de vragen in deze internationale surveys twijfelachtig. Homoseksualiteit in Nederland wordt waarschijnlijk anders bezien dan homoseksualiteit in Tanzania. De identiteitsbeleving die in Nederland wordt toegedicht aan homoseksualiteit is in veel landen in de wereld afwezig. Hierdoor rijst de legitieme vraag wat een wereldwijde rangschikking in homofobie feitelijk zegt. Hetzelfde geldt overigens voor longitudinaal onderzoek. Door de jaren heen verandert de betekenis van een begrip. Iedere vergelijking over de tijd die daar geen rekening mee houdt, gaat mank. De beantwoording van de vraag of de acceptatie van LHBT’s tanende is, wordt hierdoor extra bemoeilijkt. In de jaren 1980 waren homoseksuelen mannen die leefden op de grenzen van de samenleving; ze gingen zich te buiten aan seks en drugs, waren artistiek en waren vooral alles wat de burgerlijke heterobevolking niet was. Tegenwoordig kunnen ook homoseksuelen met elkaar in het huwelijksbootje treden, waarmee de spanning van de jaren 1980 definitief is verdwenen.7 Deze, wellicht ongenuanceerde, definities zitten onbewust in iedereen ingebakken en maakt derhalve een vergelijking over de tijd vrij onzinnig. De vraag of de acceptatie van homoseksuelen tanende is, is lastig te beantwoorden. Uit onderzoek blijkt zelfs het tegenovergestelde. Of de gehanteerde onderzoekstechnieken valide zijn om vergelijkingen te maken, is echter de vraag. Een tweede onderwerp in de recent gestarte discussie is de toename van geweld. In hoeverre er daadwerkelijk sprake is van een toename is lastig vast te stellen. Zowel campagnes gericht op aangiftebereidheid, als een nieuwe wijze van registeren maakt een vergelijking over de tijd ingewikkeld. Echter, uit lokale registraties van anti-discriminatievoorzieningen blijkt wel degelijk een stijging van geweld en discriminatie.8 Of dit beeld representatief is voor heel Nederland is echter maar de vraag. De aandacht voor het onderwerp is er nu en dat maakt dat de cijfers de komende tijd meer accuraat verzameld zullen gaan worden. Over enkele jaren zal duidelijk worden of het wegpesten van homostellen en gay bashing in de grote steden op zichzelf staande                                                                                                            

B. van de Meerendonk, Dutch Attitudes Toward Homosexuality 1966-2000: Questions, Scores and Trends. (Radboud University Nijmegen 2005). Het betreft een ongepubliceerde samenvatting van onderzoeken en vragenlijsten in de genoemde periode. 6 A.S. Yang, ‘The polls-trends. Attitudes Toward Homosexuality’, Public Opinion Quarterly, 61 (2005) 477-507. 7 D.M. Halperin & V. Traub, Gay Shame (Chicago 2006). 8 Artikel 1 (landelijke vereniging voor anti-discriminatiebureaus), http://www.art1.nl (geraadpleegd op 28 juni 2011). 5

 

32


Volonté Générale 2011 - n°2

    incidenten zijn, of behoren tot een nieuwe trend. Tot slot kan worden opgemerkt dat verschillende landelijke en lokale onderzoeken laten zien dat LHBT’s zich onveiliger zijn gaan voelen.9 Hoewel deze gevoelens uiteraard deels samenhangen met berichtgeving op televisie, geven ook veel LHBT’s aan (indirect) te maken hebben gehad met homofobe incidenten. Kort gezegd: in het algemeen is homoseksualiteit redelijk geaccepteerd, maar wanneer het dichterbij komt, blijkt hoe dun het laagje sociale acceptatie werkelijk is. De vraag die dan rest is; wat is er nodig om de positie van LHBT’s te verbeteren?

Gericht op de wortels Homo-emancipatie moet zich richten op de onderliggende structuren in de samenleving. Symptoombestrijding moet worden vermeden. Ergens in het denken van de mens wordt een onderscheid gemaakt tussen algemene morele opvattingen en meer specifieke morele opvattingen. Bogardus constateerde dit al in 1926. 10 De afstand tot ‘het object’ bepaalt de houding. Directe confrontatie wekt meer gevoelens van ongenoegen op dan wanneer het onderwerp in zijn algemeenheid wordt besproken. Juist daarom is voorlichting door ervaringsdeskundigen op scholen zo belangrijk. Zij nemen vooroordelen weg, beschrijven het proces van zelfacceptatie en coming out, en kunnen uit persoonlijke ervaring vertellen hoe het is om lesbisch, homo, bi of transgender te zijn in Nederland anno 2011. Nederland loopt voorop waar het die preventieve activiteiten betreft. 11 Nergens ter wereld wordt zo openlijk gesproken over seksualiteit in het algemeen en homoseksualiteit in het bijzonder. Deze voorlichtingen vinden onder andere plaats op onderwijsinstellingen, in buurtcentra, bij de scouting, op het werk. Toch komt maar zo’n 25 procent van de Nederlandse jongeren in aanraking met voorlichting.12 Dit geringe relatieve aantal is zorgelijk wanneer men weet hoe groot het effect is van voorlichting. In de gemeente Nijmegen loopt al ruim vijftien jaar het traject ‘voortgezet onderwijs en homoseksualiteit’. Middels een convenant hebben scholen zich verplicht homoseksualiteit te integreren in het lesprogramma. Uit cijfers van de GGD blijkt dat leerlingen op scholen die zich intensiever bezig houden het onderwerp, significant positiever zijn over LHBT’s. Een oplettende lezer zal opmerken dat deze scholen wellicht een hoger aanvangsniveau hadden, maar daar is controle voor uitgevoerd. De GGD toonde zowel een direct effect als een interacterend effect aan. De voorlichtingsprogramma’s dragen op twee                                                                                                            

Hand in Hand, veiligheidsnota Nijmegen 2008/2009. E.S. Borgardus, ‘Social distance in the city’, Proceedings and Publications of the American Sociological Society 20 (1926) 40-46. 11 M. Heemelaar, Seksuele vorming en voorlichting (Houten 2008). 12 Zie onder andere: P. Dankmeijer, De organisatie van voorlichtingen over homoseksualiteit in Nederland. Verslag van een landelijk enquête over productformulering (Amsterdam 1994); Inspectie van het onderwijs, Weerbaar en divers. Een onderzoek naar seksuele diversiteit en weerbaarheid in het onderwijs (Utrecht 2009); M. Schouten & J. Blaauw , De LHBT voorlichtersgroepen van Nederland. Rapport 2010 in kader van het project “Meer voorlichters, scholen, effect en inbedding” (nog niet gepubliceerd). 9

10

 

33


Volonté Générale 2011 - n°2

    manieren bij aan een veiligere school: enerzijds kweken ze begrip bij de heteroseksuele, wellicht homofobe, leerling en anderzijds laten ze aan de LHBT-leerling zien dat ‘er licht schijnt aan het einde van de tunnel’. Naast bewustwording is zichtbaarheid bijzonder belangrijk. Zonder zichtbaarheid is er geen sprake van emancipatie. Men kan twijfelen over het bereik en succes van de Amsterdamse Canal Parade, maar als LHBT’s niet zichtbaar zijn in de samenleving, is er niets te emanciperen.

Wat de overheid (niet) doet Cijfers en onderzoeken tonen het belang van voorlichting aan. Het is juist daarom dat belangenorganisatie COC Nederland zich hard maakt voor verplichte voorlichting op scholen. Het huidige kabinet wil daar niet aan beginnen. De minister onderstreept het belang van de voorlichting, maar acht het niet wenselijk scholen te verplichten deze voorlichting aan te bieden. De minister lijkt bang te zijn dat een dergelijke regeling indruist tegen de vrijheid van onderwijs. Een school met de bijbel wil uiteraard geen voorlichting waarin leerlingen te horen krijgen dat homoseksualiteit geen afwijking is. 13 Juist om die reden is voorlichting van belang. Daarnaast bieden de christelijke homo-organisaties een eigen lesmethode aan.14 Het kabinet zet echter in op veiligheid en bestaande structuren.15 Veiligheid is een typisch voorbeeld van symptoombestrijding. Zolang de onderliggende structuren niet worden aangepakt, blijven mensen LHBT’s als afwijkend zien en zullen er gewelddadigheden blijven plaatsvinden. Uiteraard moeten geweldplegers worden aangepakt, maar zwaarder straffen heeft nauwelijks effect. Straffen werkt pas als de dader snel gepakt en snel veroordeeld wordt en dan nog is het afschrikwekkende effect minimaal.16 Beleid dat zich op de eerste plaats richt op veiligheid en strafverzwaring, schiet duidelijk zijn doel voorbij. Verder maakt het kabinet weinig harde beslissingen. De minister wil de structuur versterken (door het aantal subsidies te verminderen) en de verantwoordelijk bij de mensen zelf leggen. Deze pro-actieve empowerment strategie klinkt mooi en werkt in praktijk soms ook erg goed. Op veel scholen zijn tegenwoordig Gay & Straight Allianties. In deze allianties werken homo- en heteroleerlingen samen om het klimaat op hun school te verbeteren. Zo’n opzet werkt, mits de school een veilige omgeving faciliteert. In de sport en op het                                                                                                            

Er zijn geen wereldwijde instanties meer die homoseksualiteit aanmerken als ziekte of afwijking. De Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties heeft onlangs zelfs een resolutie aangenomen tegen de schending van mensenrechten van LHBT’s. 14 Website Homo in de klas, beschikbaar via: www.homoindeklas.nl (geraadpleegd op 4 juli 2011). 15 Hoofdlijnenbrief Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen: Hoofdlijnen emancipatiebeleid: vrouwen- en homo-emancipatie 2011-2015 (2011), beschikbaar via: http://www.rijksoverheid.nl/documenten-enpublicaties/kamerstukken/2011/04/08/hoofdlijnen-emancipatiebeleid---vrouwen--enhomo-emancipatie-2011-2015.html (geraadpleegd 2 september 2011). 16 E Onraet, Streng, maar ook efficiënt?: Het effect van straffen op normen en gedrag in sociale dilemma’s (Gent 2008). 13

 

34


Volonté Générale 2011 - n°2

    werk zijn de allianties eveneens in opkomst en ook daar geldt dat het bestuur van de club of de werkgever moet zorgen voor een situatie waarin de emancipatie veilig kan verlopen.

Wat opvallend is aan de hoofdlijnenbrief van het kabinet, is de toon. Het kabinet lijkt te kiezen voor heteronormativiteit. Zo stelt de brief dat jonge homo’s gesteund moeten worden in het wegnemen van vooroordelen. Jonge homo’s zouden zich storen aan de heersende stereotypen en deze willen vervangen door een “gewoon beeld van de homopopulatie”. De eerste vraag die rijst, is wat een ‘gewoon beeld’ is en wie dat beeld bepaalt. Ten tweede rijst de legitieme vraag waarom zo’n eenzijdig beeld van homoseksualiteit gepropageerd moet worden. Waarom maakt het kabinet zich niet hard om homoseksualiteit in al haar diversiteit geaccepteerd te krijgen? Alvorens deze vragen te beantwoorden moet het kabinet nadenken over wat het echt wil. Kiest het voor halfslachtige oplossingen die vooral gericht zijn op symptoombestrijding? Of kiest het voor een aanpak die weliswaar meer tijd en energie vergt, maar die op lange termijn blijvend effect sorteert? Joris Blaauw (1987) volgt de masteropleiding Social and Cultural Sciences aan de Radboud Universiteit Nijmegen en is voorzitter van COC Nijmegen.

 

35


Volonté Générale 2011 - n°2

 

 

De Arabische Lente is (nog) geen feest van de democratie Mike van de Weijer

Het rommelt in het Midden-Oosten. En dit keer gaat het niet om Nederlandse politici of Deense cartoonisten. Het gaat, zo zegt men, om datgene wat wij tegenwoordig in de Westerse wereld wel als onze grootste verworvenheid beschouwen: vrijheid. Het recht van een bevolking om zijn eigen toekomst te kiezen en om de eigen machthebbers te kiezen en ze naar huis te sturen als ze hun boekje te buiten gaan, worden gezien als standaardkenmerken van moderne staten. Landen die (nog) niet democratisch zijn, zouden achterlopen. Impliciet is deze opvatting ook een onderdeel van het buitenlands beleid van Nederland en andere Westerse landen. Doordat zij democratisering in andere landen steunen wordt duidelijk dat ze van mening zijn dat landen die de democratie nog niet toepassen hulp nodig hebben om op hetzelfde (hoge) niveau als West-Europa te belanden. Dat er mensen zijn die op de pleinen van Tunesië en Egypte en in de openlijke strijd in Libië en Syrië opkomen voor een vrijheid waar zij voorheen alleen van konden dromen is inderdaad toe te juichen, maar laten we onszelf niet voorbij lopen. In de laatste maanden is te vaak geroepen dat de activisten uit de Arabische Lente de laatste (of de enige) echte democraten zouden zijn. Een goed voorbeeld van deze bejubeling is de column van Joep Willemsen in de vorige Volonté Générale (2011-1). Hij stelt voor het Vredespaleis te verplaatsen naar ‘Cairo, Benghazi of Tunis. Daar weten ze wat democratie en vrijheid waard zijn.’ 1 Het bewieroken van de Lente-Arabieren is begrijpelijk (hier sterven immers mensen voor wat zij democratie noemen), maar is gebaseerd op een onjuiste, incomplete en geromantiseerde analyse. Het is nog maar de vraag in welke richting de politieke ontwikkelingen in het Midden-Oosten zich zullen bewegen. Nieuwe 'echte' democratieën zijn er echter nog niet ontstaan en weinig wijst erop dat de landen waar de lente is uitgebroken dat op eigen kracht snel zullen worden.

Symbolische verkiezingen Democratieën zijn er in alle soorten en maten. Al in 1997 signaleerde Fareed Zakaria echter dat er buiten West-Europa en Noord-Amerika weliswaar veel democratieën bestonden, maar dat deze meestal niet het toonbeeld van constitutionalisme waren. Hoewel de macht in de zogenaamde illiberal democracies wel vergeven en bevestigd wordt door middel van verkiezingen en referenda, staan rechtsorde, corruptie, mensen- en minderhedenrechten er meestal niet op de eerste plaats. Zakaria stelt dat in Latijns-Amerika,Afrika en het Midden-Oosten democratie heeft geleid tot meer onvrijheid. De internationale gemeenschap heeft zich, net zoals de staten in transitie zelf, teveel blind                                                                                                             1

 

J. Willemsen, ‘Arabische lente en Westerse winterslaap’, Volonté Générale n°1 (2011) 38. 36


Volonté Générale 2011 - n°2

    gestaard op verkiezingen als symbool voor de nieuwe democratische orde, zonder zich te bekommeren om daadwerkelijke vrijheden.2 Natuurlijk is democratie meer dan alleen maar het op gezette tijden organiseren van een verkiezing. In het veld van post-conflict resolution realiseren steeds meer wetenschappers zich dat de focus op verkiezingen als de afsluiting van een conflict onterecht is.3 Verkiezingen worden in staten die een gewelddadig conflict te verduren hebben gehad gebruikt als moment waarop buitenlandse troepen zich terug kunnen trekken, maar in feite is het werk voor de internationale gemeenschap nog lang niet gedaan. Donoren in het Westen zien na de triomfantelijke foto's van de verkiezingen meestal weinig meer van de wederopbouw van een conflictgebied, en zodoende droogt de geldstroom op. Verkiezingen verkopen, abstracte waarden zoals minderhedenrechten niet, omdat ze niet op een foto passen en niet op één dag te organiseren zijn.

De lokroep van de meerderheid In de meeste niet-Westerse 'democratieën' wordt politiek meer bedreven op basis van groepsidentiteiten dan enig ander concept. Er zijn in deze 'systemen' partijen voor elke etnische of religieuze groep. Voor voorbeelden van dergelijke systemen hoeven we niet ver voorbij de landen waar de Arabische Lente zich voltrekt te kijken: in Libanon en Irak bloeit de democratie, maar is de coalitievorming helaas eerder een studie naar de verhoudingen tussen sjiieten en soennieten dan een weerspiegeling van de volkswil. Op nationaal niveau houden de verschillende religieuze en etnische stromingen in Irak en Libanon elkaar op het moment aardig in balans, hoewel een (her)uitbarsting van geweld op elk moment dreigt. Het probleem van de meeste andere Arabische staten is dat ze etnisch en religieus veel homogener zijn dan Irak en Libanon. De bevolkingen van de landen van Noord-Afrika, maar ook Syrië en Jordanië, bestaan voor meer dan twee derde uit Arabische soennieten.4 Deze meerderheden zijn zo groot dat het onwaarschijnlijk is dat minderheden hier tegenop kunnen. Daarnaast is het onwaarschijnlijk dat de activisten die nu de democratie verwezenlijkt denken te hebben van plan zijn de almacht van de Arabische soennitische meerderheid te beperken ten behoeve van minderheden. Zij hebben immers voor het eerst in decennia het gezag terug in de handen van de meerderheid gelegd. Deze macht nu beperken door voorbehouden te maken in het voordeel van groepen die in de samenleving slechts een marginale rol spelen zou slecht zijn voor de eigen legitimiteit van de activisten als voorvechters van de democratie en waarschijnlijk zelfs regelrechte politieke zelfmoord.                                                                                                            

F. Zakaria, ‘The Rise of Illiberal Democracy’, Foreign Affairs 76 (1997) 22-43, 26-29. R. Lyons, 'Peacebuilding, democratization, and transforming the institutions of war' in: B.W. Dayton en L. Kriesberg (ed.), Conflict Transformation and Peacebuilding (New York 2009) 91-106, 91-93. 4 CIA World Factbook; Hoewel ongeveer de helft van de Marokkaanse bevolking een Berbertaal spreekt is een eventueel etnisch onderscheid tussen Berbers en Arabieren moeilijk aan te geven. Om uitputtend op de discussie rond zelfidentificatie van Berbers in te gaan zou waarschijnlijk zelfs een heel nummer van Volonté Générale niet voldoende zijn. 2 3

 

37


Volonté Générale 2011 - n°2

 

 

De stagnerende werking van een smeermiddel De monarchieën in de Golf, 5 waarvan sommigen dromen dat ze de volgende landen zullen zijn waar de democratie gevonden wordt, hebben er nog een specifiek probleem bij. De staat keert in deze landen de rijkdom die verdiend wordt aan de verkoop van grondstoffen uit aan de bevolking. Dat gebeurt via subsidies, lucratieve overheidsbanen of sociale programma's die alleen open staan voor de eigen burgers. Als deze staten democratisch worden, zal vooruitgang nog meer dan voorheen tegengehouden worden. Wij gebruiken olie in het Westen misschien als smeermiddel, maar in de Golf zal de politieke machine erdoor vastlopen. In Koeweit, een staat die in politiek opzicht wel als voorbeeld voor de rest van de regio wordt gezien omdat het bijna een echte parlementaire democratie is, heeft dit scenario zich voltrokken. Degenen die aan de staat verdienen hebben een stem gekregen. Vervolgens zullen zij dus tegen elk voorstel stemmen dat het electoraat uitbreidt. Als bijvoorbeeld vreemdelingen de Koeweitse nationaliteit krijgen, moet het oliegeld over een grotere groep verdeeld worden. Als permanente bewoners met een andere nationaliteit ook mogen stemmen, zullen hun vertegenwoordigers proberen geld los te krijgen voor hun achterban, waardoor opnieuw meer mensen profiteren van de olierijkdom. Ook andere uitgaven die uit de staatskas betaald moeten worden, worden tegengehouden: investeringen in de infrastructuur komen alleen ten goede aan buitenlandse bedrijven en niet aan de publieke sector waarin het grootste deel van de Koeweiti's werkzaam is en worden daarom niet goedgekeurd door het parlement.6 Alles is anders in Qatar, een land dat in veel opzichten wel op Koeweit lijkt: de emir heeft alle macht zelf gehouden en de autocraat blijkt juist de motor te zijn achter hervormingen. Hij kan min of meer eigenhandig beslissen waaraan het geld uit de verkoop van grondstoffen heen gaat. Als de emir besluit de uitkeringen aan zijn burgers te beperken en in plaats daarvan te investeren in infrastructuur of het oprichten van een tv-zender, is er geen parlement dat hem dwars zit. De economie wordt hervormd om meer buitenlandse investeringen te trekken en diverse politieke en sociale rechten worden uitgebreid om een positief zakenklimaat en imago te behouden. Qatar heeft de positie van front runner in de Golf overgenomen van Koeweit, dat alleen nog maar als voorbeeld dient van de stelling dat democratie stagnerend werkt in een oliemonarchie.7

                                                                                                           

De benamingen 'Perzische Golf' en 'Arabische Golf' zijn politiek geladen, dus ik volsta hier met 'de Golf.' 6 M. Herb, 'A Nation of Bureaucrats: Political Participation and Economic Diversification in Kuwait and the United Arab Emirates', International Journal of Middle East Studies 41 (2009) 375-395, 387-391. 7 J. Crystal, 'Political Reform and the Prospects for Democratic Transition in the Gulf' in: FRIDE Working Papers 11 (2005) 2-11. 5

 

38


Volonté Générale 2011 - n°2

 

 

Wat nu?

Wat moeten wij in het Westen nu met de Arabische revoluties aan, als ze onvolledige en illiberale democratieën gaan opleveren? Om te beginnen moeten we het niet zo ver laten komen. Dat wil niet zeggen dat we de revoluties tegen moeten houden. In plaats daarvan moeten we de transities naar democratie zo goed mogelijk begeleiden. Verdachtmakingen dat dit bevoogdend zou zijn, of een moderne variant van het imperialisme, moeten van de hand gewezen worden: als deze Lente-Arabieren echt democratie willen, dan moeten ze de hele democratie nemen, en niet alleen majority rule. Europa kan hier een unieke positieve rol spelen: het werelddeel heeft niet alleen eeuwen ervaring met het ontwikkelen van democratie, maar telt ook tal van voorbeelden van staten die in de periode na de Tweede Wereldoorlog eenzelfde transitie doorgemaakt hebben als de verandering waar de Arabische wereld nu voor kan kiezen: Griekenland, Portugal, Spanje en zo goed als alle landen van het voormalige Warschau-pact zijn erin geslaagd om vanuit een vorm van dictatuur een democratisch systeem te ontwikkelen dat door de Europese gemeenschap als voldoende ontwikkeld werd gezien.8 Er is ook een precedent voor (technische) hulp bij democratisering. In 1990, na de val van de Berlijnse Muur en het ene communistische regime na het andere, stond een groot deel van Oost- en Centraal-Europa op precies hetzelfde punt als enkele Arabische staten nu: er was weinig tot geen (recente) democratische traditie en men wist alleen maar wat men niet meer wilde. De op dat moment nog veel kleinere Europese Gemeenschap schoot te hulp. Hoewel post-communistisch Europa zeker nog problemen heeft, zijn er wat betreft de bijstand in de democratisering wel succesverhalen aan te wijzen. Het Phareprogramma, 9 dat in 1989 werd opgericht om Polen en Hongarije te ondersteunen, had als één van haar doelen het versterken van bestuursorganen en instituties om ze op EU-niveau te brengen. Langzaam werd het aantal landen dat met het programma ondersteund werd uitgebreid. Polen en Hongarije hebben het langst profijt gehad van het Phare-programma en zijn dan ook van de post-communistische staten degene die zich het meest naar West-Europees model hebben ontwikkeld. Tegelijk met Phare bestonden in een aantal West-Europese landen soortgelijke programma's. In Nederland was dat bijvoorbeeld het MaTrafonds, dat een Maatschappelijke Transformatie in Centraal- en OostEuropa probeerde te bewerkstelligen. In Duitsland en Groot-Brittannië bestonden of bestaan soortgelijke programma's.

                                                                                                           

In het geval van de Zuid-Europese staten gaat het om de Europese Economische Gemeenschap. De Oost-Europese staten zijn voor hun toetreding beoordeeld door de Europese Unie. 9 'Phare' stond in 1989 voor 'Poland Hungary Aid for the Reconstruction of the Economy,' maar nadat het programma ook andere landen ging ondersteunen werd weinig aandacht meer besteed aan de precieze betekenis van deze afkorting. 'Phare' is ook Frans voor vuurtoren. 8

 

39


Volonté Générale 2011 - n°2

 

 

Waarom niet?

Een aantal landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten bevinden zich in een positie die in veel opzichten lijkt op die waarin Oost-Europa zich in 1989 en 1990 bevond. Echter, het politieke klimaat in Europa verschilt wezenlijk van dat van 1989. Europa kampt met problemen die ervoor zorgen dat intensieve ondersteuning van andere staten onwaarschijnlijk wordt. Ten eerste heeft de economische crisis de meeste Europese landen onder druk gezet om hun uitgaven in te krimpen. Als de hele overheid moet bezuinigen is het heel gemakkelijk om hulp aan andere staten te beperken, vooral als het niet gaat om humanitaire hulp na een oorlog of natuurramp. Door dit te doen geeft een regering ook een signaal naar de eigen bevolking: 'jullie zijn belangrijker voor ons dan mensen elders.' In deze context moet ook de beslissing van het kabinetRutte om de het budget voor ontwikkelingssamenwerking te verminderen gezien worden. Een uitzondering op deze algemene Europese tendens vormt de Britse regering, die weigert te korten op hulp aan andere landen, omdat zij haar beschavingsmissie niet wil laten varen. In veel EUlidstaten is de steun aan derde landen echter één van de eerste slachtoffers geworden van bezuinigingsdrang. Ten tweede is het politieke klimaat in heel Europa op dit moment niet meer te vergelijken met dat van tien jaar geleden. Nederland was tien jaar geleden een gidsland, samen met Zwitserland en Scandinavië. In de tussentijd is er in Zwitserland een minarettenverbod ingesteld en hebben in Denemarken en Nederland expliciet moslim-vijandige partijen een serieuze plek aan de onderhandelingstafel gekregen. Het is daarom onwaarschijnlijk dat er in de nabije toekomst veel geld in de richting van staten met een islamitische meerderheid gaat stromen. De islam zal een essentieel element blijven van de politieke ordening van Noord-Afrika en het Midden-Oosten en het zal voor de anti-Islampartijen onmogelijk zijn om toe te staan dat geld besteed wordt aan politieke partijen die de Islam als inspiratie zien. Dit geldt temeer als een deel van dit geld terecht zou kunnen komen bij islamisten, hoe gematigd ook.

Slot De vooruitzichten voor echte democratische ontwikkeling in de Arabische wereld zijn voor de korte termijn niet goed. De democratieën die ontstaan zullen waarschijnlijk gekenmerkt worden door een almachtige meerderheid die zich weinig zal bekommeren om de rechten en noden van minderheden. In de staten van het Arabisch Schiereiland is het wellicht beter als een onvolledig democratisch systeem gebaseerd op alleen maar vertegenwoordiging voor de kleine groep staatsburgers niet toegepast wordt: hun economieën komen vast te zitten en de democratie wordt niet verder uitgebreid. Europa kan nu helpen en een unieke positieve bijdrage leveren, maar de economische crisis en een sterk anti-islamitisch politiek klimaat in veel landen maken een grootschalig programma dat te vergelijken is met de steun aan Oost-Europa na 1989 onwaarschijnlijk. Het is te hopen  

40


Volonté Générale 2011 - n°2

    dat de Europese Commissie en de VN, organen waar ironisch genoeg weinig direct democratisch toezicht op is, de staten in Noord-Afrika en het Midden-Oosten gaan ondersteunen in hun transitie naar democratie. Het is onwaarschijnlijker dan ooit tevoren dat de landen van de EU veel gaan betekenen. Zij zullen zich slechts in beperkte mate bekommeren om de vorm die democratie krijgt in de Arabische wereld. Ze zouden zich het lot van de Lente-Arabieren juist meer moeten aantrekken. Anders is het een kwestie van tijd voor de onechte democratieën aan de randen van Europa de liberale en democratische waarden (opnieuw) zullen overtreden. Een mogelijkheid zoals we die nu hebben om de revoluties ten goede te beïnvloeden zal dan echter niet meer voorhanden zijn. Mike van de Weijer (1985) is politiek historicus. Tijdens zijn tweede studie Conflict Studies heeft hij onderzoek gedaan in Koeweit. Over enkele weken begint hij aan de Leergang Buitenlandse Betrekkingen aan het Instituut Clingendael te Den Haag.

 

41


Volonté Générale 2011 - n°2

 

 

Nadenken en politiek bedrijven Interview met Niels Spierings

Niels Spierings (1983) is een gedreven wetenschapper en docent, verbonden aan de Faculteit der Managementwetenschappen van Radboud Universiteit te Nijmegen. Als docent geeft hij met name cursussen over politicologische methoden van onderzoek. In zijn onderzoek richt Spierings zich op ongelijkheid en de positie van (minderheids)groepen binnen verschillende samenlevingen. Volonté Générale sprak met hem over zijn loopbaan en zijn drijfveren.

Naast uw werk op de universiteit als onderzoeker en docent heeft u vaak meerdere (bestuurs)functies gehad, zo bent u nog verbonden aan het Nederlands Genootschap Vrouwenstudies en Stichting Beheer Homohuis Nijmegen. Valt dit te verenigen met uw werk en heeft u nog wel vrije tijd over? Het is een kwestie van plannen. Ik reken het studenten wel eens voor: er zitten 168 uur in een week en in die uren kun je best veel doen. Het is af en toe best druk, dat geef ik toe. Een voordeel is dat ik mijn tijd zelf kan indelen. Als onderzoeker is het mogelijk om flexibel met mijn tijd om te gaan. Hierdoor is het mogelijk om soms de universiteit eerder te verlaten voor iets anders. Daarnaast zijn de extra functies niet altijd tijdrovend. Voor het Nederlands Genootschap Vrouwenstudies vergaderen we eens per paar maanden en organiseren we af en toe een activiteit. Het maken van de jaarrekening is het meeste werk, maar dat kan, weten we inmiddels, ook met een laptop in de kroeg. De functie van voorzitter van het Stichting Beheer Homohuis Nijmegen kostte me meer tijd. De reden hiervoor is dat het traject van bezuinigingen, ontslagen en de verkoop van het pand Villa Lila niet gemakkelijk ging. Dit laatste was het LGBT-huis (Lesbians, Gays, Bisexuals, Transgenders, red.) in Nijmegen, waarin COC Nijmegen, DITO! (homojongerenorganisatie, red.), het Lesbisch Archief Nijmegen en andere kleine groepen gehuisvest waren. De verkoop van Villa Lila kostte me soms 20 tot 30 uur per week met tal van overleggen, conflicten en praktisch geregel.

Ook tijdens uw studententijd heeft u veel extracurriculaire activiteiten uitgevoerd, zoals vrijwilligerswerk, bestuurswerk bij de studievereniging en het volgen extra vakken. Ondanks dit drukke programma bent u cum laude afgestudeerd. Waar haalde u de motivatie en energie vandaan?

Ik kan slecht stilzitten. Hierdoor wil ik de tijd die ik over heb, benutten om iets extra’s te doen. Op het moment dat ik merkte dat ik weer ruimte had in mijn agenda, wilde ik meteen iets inplannen. Tijdens mijn studie resulteerde dit in verschillende activiteiten.

Maar de activiteiten waren zeer verschillend van aard.

Voor mijn gevoel passen ze allemaal in een groter kader. Alles wat ik doe en heb gedaan, heeft iets te maken met diversiteit, emancipatie en het  

42


Volonté Générale 2011 - n°2

    opkomen voor zwakkeren of uitgesloten groepen. Het bestuur van een studievereniging valt hier misschien niet direct onder, maar het feit dat ik Politicologie heb gestudeerd en me gespecialiseerd heb in genderissues valt wel te verenigen met het eerdergenoemde kader. Ik kan er slecht tegen als mensen niet respectvol worden behandeld. Daarnaast vind ik dat je zelf actie moet ondernemen als je iets nastreeft. Mijn bijdrage is echter onderdeel van een groter proces. Dit is geen gestructureerde beweging, want er zijn vele los van elkaar functionerende organisaties bij betrokken. Deze groepen zijn allemaal op een andere manier bezig met het verbeteren van de positie van vrouwen, LGBT’s of vluchtelingen. Dit verbindt deze groepen en maakt het tot een grotere beweging. Door mijn activiteiten binnen dit grotere fenomeen zal ik niet direct invloed uitoefenen op het regeringsbeleid, maar hopelijk help ik hierdoor mensen of inspireert het anderen om zich ook in te zetten. Op deze manier wil ik zin geven aan mijn tijd en leven.

Heeft u geen spijt voor uw keuze voor Politicologie? Had u niet liever Genderstudies willen studeren?

Los van het punt dat je in Nijmegen helaas geen bachelor- of masteropleiding Genderstudies kunt volgen, wel masters aan andere universiteiten, doe ik niet aan spijt. Ik heb gedaan wat ik heb gedaan en ik ben blij met de opleiding die ik heb gevolgd. Politicologie is een mooie opleiding waar je veel leert over de dingen waar ik dol op ben: methoden van onderzoek; ongelijkheidsvraagstukken; en vraagstukken van participatie en beleid. Dit zou ik bij een andere studie niet geleerd hebben.

Wanneer raakte u voor het onderzoek geïnteresseerd? Was dat al voor dat u in het collegejaar 2004/2005 student-assistent werd?

Professor Mieke Verloo, een van de meest slimme en inspirerende personen die ik ken, vroeg in het derde jaar van mijn studie of ik mee wilde werken aan een aantal projecten, waaronder het in kaart brengen van emancipatieorganisaties binnen ministeries van verschillende landen. Ik vond het een interessant onderwerp en ik deed dat graag. Voor dat moment had ik er niet over nagedacht of ik de wetenschap in wilde of wat ik überhaupt na mijn studie wilde doen. Het was al vrij bijzonder dat ik ging studeren aan een universiteit, aangezien ik niet uit een academisch milieu kom. Ik wist tijdens de eerste jaren van mijn studie niet wat ‘promoveren’ inhield. Door het studentassistentschap kwam ik meer in aanraking met het doen van onderzoek als werk. Dit bleef ik fascinerend vinden, waardoor ik uiteindelijk ben gaan promoveren.

Na uw student-assistentschap werd u onderzoeksmedewerker, junioronderzoeker en promovendus. Wat is het verschil tussen deze functies en volgen zij elkaar logisch op?

In mijn geval wel. Er was niet voldoende geld beschikbaar om mij direct te laten promoveren. Wel was er wat geld over uit een onderzoeksbudget, waardoor ik na mijn afstuderen als onderzoeksmedewerker aan de  

43


Volonté Générale 2011 - n°2

    universiteit kon blijven werken en een nieuwe onderzoeksaanvraag kon schrijven. In 2006 werd er binnen de faculteit der Managementwetenschappen een nieuw fonds opgericht, het Witte Raven Fonds. Uit dit fonds konden veelbelovende jonge wetenschappers betaald worden. Ik kreeg op basis hiervan een aanstelling voor twee jaar als junioronderzoeker. In deze twee jaar kreeg ik opnieuw de mogelijkheid om een aanvraag voor de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) te schrijven. Deze aanvraag werd gehonoreerd en sinds 2008 ben ik promovendus. Het is een bizarre mix geweest, waarin veel dingen door elkaar lopen: naast heel veel les geven, schreef ik artikelen, een onderzoeksaanvraag en werkte ik aan mijn proefschrift.

Wanneer hoopt u uw promotie af te ronden?

Mijn contract loopt tot augustus 2013, maar ik denk dat ik eerder zal promoveren. Op dit moment heb ik negen van de elf hoofdstukken geschreven en de opzet voor de laatste twee is al grotendeels klaar. Aan het eind van dit jaar lever ik het hopelijk in bij mijn begeleiders. Zij lezen het door en zullen suggesties geven ter verbetering. In 2012 hoop ik de definitieve versie in te leveren.

Wat is het onderwerp van uw proefschrift en op welke bronnen baseert u zich?

In één zin gaat het over de vraag: Waarom welke vrouwen wel of niet betaalde, niet-agrarische arbeid verrichten in moslimlanden? Vaak wordt er maar één factor aangewezen als verklaring voor een lage arbeidsparticipatie van vrouwen: de Islam. Ik laat zien dat er een grote diversiteit bestaat onder en in Moslimlanden betreffende de arbeidsparticipatie van vrouwen. Er zijn veel meer factoren die een rol spelen, zoals onderwijs, gezinssamenstelling en de invloed van de Islam op normen of de wetgeving. Ik maak met name gebruik van Demographic and Health Surveys en het Pan-Arab Project for Family Health. De surveys zijn gigantische datasets die zich vooral richten op gezondheidsvraagstukken, maar die ook veel sociaal-economische informatie bevatten. De datasets van het PanArabische project bevatten veel resultaten van enquêtes die gehouden zijn door verschillende groepen in de landen zelf. Op basis van deze datasets voer ik mijn onderzoek uit. Ik doe zelf geen fieldwork. Ik maak wel gebruik van antropologisch onderzoek en vind dit ook zeer interessant om te lezen, maar de vragen die ik wil beantwoorden zijn meer generaliserend: ze gaan over algemene verbanden. Deze vragen zijn zonder veldwerk te beantwoorden. Daarnaast is het niet mogelijk om al het onderzoek zelf te doen. Ik zou dat graag willen, maar het kost te veel tijd en geld om op deze schaal fieldwork te doen.

Uw onderzoek is kwantitatief van aard. Ziet u uzelf als een puur kwantitatief onderzoeker?  

44


Volonté Générale 2011 - n°2

    Nee, hoewel veel mensen dat wel zullen denken. Ik doe nu zelf voornamelijk kwantitatief onderzoek, daar heb ik een comparatief voordeel in. Ik geef er tevens les in en ik vind het leuk. Echter, ik ben ook gespecialiseerd in kwalitatief onderzoek en feministisch onderzoek. Omdat ik het meest bezig ben met kwantitatief onderzoek komen er vaak vanuit een dataset nieuwe vragen bij mij op die aansluiten bij mijn kwantitatieve vaardigheden. Daarnaast zijn er op de afdeling Politicologie weinig onderzoekers die voornamelijk met kwantitatief onderzoek bezighouden. Aan het begin van mijn carrière zochten ze iemand die iets met gender, ongelijkheid én cijfers had, vandaar dat ze bij mij terecht kwamen. In mijn proefschrift combineer ik statistisch met feministisch onderzoek. Door deze combinatie onderscheidt mijn onderzoek zich van andere kwantitatieve onderzoeken. Ik ben bijvoorbeeld goed thuis in de debatten over sociaal wenselijke antwoorden en wat de bewijslast is van bepaalde statistische analyses. Door dit te combineren krijg je een ander beeld dan als je louter number-crunching statistisch onderzoek zou doen.

Vindt u het ook interessanter om methodologische vakken te geven dan inhoudelijke?

Het maakt me niet zoveel uit. Inhoudelijke vakken zijn interessant om te geven. Echter, in mijn inhoudelijke colleges zal ik altijd ook methodologie behandelen. Je kunt onderzoek van anderen alleen maar beoordelen door te kijken naar de methodologie die ze gebruiken: de definities, de concepten, causale mechanismen, de theorie, enzovoorts. Maar collegegeven over methodologie is ook leuk: het is niet voor niets mijn specialisme. Iedereen denkt aan het begin dat er niet veel aan is; het is dan voor mij dan een uitdaging om te laten zien dat het ontzettend leuk en interessant is, onder andere omdat het een hoog abstractieniveau heeft. Het is nuttig en draagt bij aan ontwikkelen van een kritische houding.

Heeft u zelf inspraak bij de verdeling van vakken of wordt dit vanuit hoger hand bepaald?

Het gaat in harmonie. Er wordt gekeken waar je geschikt voor bent en wat je zelf interessant vindt en daar wordt rekening mee gehouden. Echter, uiteindelijk hakt degene die het totaalpakket aan onderwijs voor zich heeft liggen de knoop door. Er zijn relatief weinig mensen voor het aantal uren dat er onderwijs gegeven moet worden, dus er moeten soms compromissen gesloten worden. Gelukkig is mijn specialisme een soort van niche, hierdoor mag ik vaak doen wat ik het allerleukst vind.

Promovendi zien het vaak als een plicht of een noodzakelijk kwaad dat ze college moeten geven. Bij u is dat duidelijk niet het geval, u heeft zelfs een prijs gewonnen voor Jonge Docent van het Jaar in 2010. Wat zijn uw kwaliteiten als docent?

Ik ben jong en enthousiast. Ik vind college geven leuk en dat straalt er vanaf denk ik. Daarnaast gebruik ik voorbeelden uit de actualiteit of het alledaagse leven, ik kan me nog enigszins verplaatsen in studenten. Het zijn voorbeelden waar mensen iets mee kunnen, die dingen verduidelijken,  

45


Volonté Générale 2011 - n°2

    hierdoor wordt mijn uitleg helder. Deze factoren spreken studenten aan, denk ik. Uiteraard spelen er ook nog kans- en toevalsfactoren mee: mensen vinden mij als docent wel leuk en daardoor worden de ratings vanzelf hoger.

Ziet u uzelf in de eerste plaats als wetenschapper of docent?

In de eerste plaats zie ik mezelf als mens, maar om terug te komen op de vraag: ik zou geen van beide kwijt willen. Ik ben heel blij dat ik onderwijs ben gaan geven. Onderwijs breekt je werk. Vijf dagen lang op een kantoor zitten, daar word ik moe van. Hetzelfde geldt voor het onderwijs. Daarbij versterken beide functies elkaar. Je wordt als docent beter als je ook onderzoek doet, je bent dan ook met de praktijk bezig. Ik weet uit ervaring waar je tegenaan loopt als je met een dataset werkt. Als onderzoeker word je beter als je onderwijs geeft, omdat je leert complexe zaken zo helder mogelijk uiteen te zetten. Onderwijs geven werkt ook prikkelend, want soms stellen studenten vragen waar je geen antwoord op hebt of ze komen met een visie waar je niet eerder aan hebt gedacht.

Leeft u voor de wetenschap?

Je kan toch niet leven voor de wetenschap? Ik vind het leuk, maar leven omdat ik iets leuk vind, dat snap ik niet. Als je de wetenschap als onderdeel ziet om de wereld beter te begrijpen of om handvaten te maken om de wereld te veranderen in goede zin, dan wil ik er wel in mee gaan. Hiermee wil ik niet zeggen dat wetenschap dit per se doet.

U wilt de wereld veranderen. Wilt u zich hiervoor inzetten door middel van de wetenschap of sluit u een politieke carrière niet uit?

Wederom geldt voor mij: het hoeft elkaar niet uit te sluiten. De wetenschap is geen politiek bedrijf, dat niet, maar het geeft inzichten die kunnen bijdragen aan verandering. Ik onderzoek waarom er bepaalde ongelijkheden zijn en hoe deze kunnen veranderen. Door deze patronen te ontwaren, kan ik bijdragen aan inzichten voor verandering. Dit is echter wel een langzaam proces. Ik kan niet lang stilzitten en daarom doe ik ook dingen in de politiek. Ik ben lid van GroenLinks, maar politiek is breder dan partijpolitiek. Ook in andere politieke bewegingen ben ik actief. Hier kan ik concreet dingen veranderen, iets wat met de wetenschap moeilijker of langzamer gaat. Een voorbeeld hiervan is de ‘Homonota’ van de gemeente Nijmegen enkele jaren geleden. Het was een goede nota, maar er stond niets in over transgenderbeleid. In samenwerking met de voorzitter van COC Nijmegen heb ik destijds de wethouder hiermee geconfronteerd. Deze werd erdoor overtuigd en startte een onderzoek naar mogelijke verbeteringen op dit gebied. De oprichting van het transgendercafé is hier een goed voorbeeld van. Door na te denken en het bedrijven van politiek gebeurt er iets. Dat maakt echt verschil in het leven van mensen. Daar wil ik me als mens, en als wetenschapper, voor inzetten: het verbeteren van levens van mensen.  

 

46


Volonté Générale 2011 - n°2

 

 

'Try again. Fail again. Fail better.' Jordy Geerlings

Eén van de centrale kenmerken van onze tijd is het wantrouwen onder politici en intellectuelen voor elke vorm van utopisch denken. Of het nu gaat om de democratische idealen van de Verlichting of de revolutionaire ideologie van het Marxisme, de neiging is sterk om de status quo van het globale kapitalisme te accepteren, en slechts mondjesmaat verbeteringen door te voeren. Elk plan dat grotere ambities heeft, moet in de praktijk namelijk wel falen, waarschijnlijk met een herhaling van alle horreurs van de twintigste eeuw als gevolg. De geschiedenis staat vol van aanvankelijk welwillende pogingen om de menselijke conditie te verbeteren, maar al snel eindigden in rampzalig falen, politieke onderdrukking en terreur. De lijst van denkers die een dergelijke mening zijn toegedaan, is groot. Geïnspireerd door Karl Popper, Max Horkheimer en Theodor Adorno waarschuwen naast vele historici ook filosofen zoals John Gray, JeanFrançois Lyotard voor de gevaren van plannen voor radicale verandering. Ook in Nederland is deze attitude sterk aanwezig, bijvoorbeeld in de werken van Paul Cliteur, Andreas Kinneging, en Ton Lemaire. In een dergelijk intellectueel klimaat vormt de Sloveense cultuurfilosoof Slavoj Žižek een verbazingwekkende uitzondering. Terwijl andere linkse denkers zich omzichtig in middenposities vestigen, omarmt hij met een diep gevoel van urgentie de noodzaak tot radicale verandering in zijn boek In Defense of Lost Causes. Wars van een verstikkende politieke correctheid benadrukt Žižek dat we ondanks alles opnieuw moeten proberen via politieke actie het lot van de mensheid te verbeteren. De onvoorspelbaarheid van politiek handelen en de geringe slagingskans van dergelijke initiatieven zijn voor hem geen excuus voor passiviteit. De centrale gedachte van zijn boek ontleent hij dan ook aan Thomas Beckett: 'Try again. Fail again. Fail better.' Tot zo ver is de boodschap duidelijk. Toch zal In Defense of Lost Causes door de essayistische vorm en uitgebreid gebruik van jargon uit de filosofie en de psycho-analyse echter voor menig lezer slechts moeizaam een duidelijke intellectuele agenda prijs geven. Žižek haalt zijn inspiratie voornamelijk uit het werk van de Duitse filosoof Georg Wilhelm Friedrich Hegel en de Franse psychoanalyst Jacques Lacan, terwijl hij tevens schatplichtig is aan Karl Marx en het 'cultureel materialisme' dat nog steeds paradigmatisch is voor de cultuurstudies/algemene cultuurwetenschappen. Aan deze achtergrond ontleent Žižek een losse methode van ideologiekritiek die hij toepast in lange, ietwat chaotische hoofdstukken die steeds een zelfstandig essay vormen. In deze hoofdstukken zoekt Žižek binnen een breed scala aan cultuuruitingen - waaronder filmkritieken, controversiële onderwerpen uit de actualiteit en filosofische werken - naar de mechanismen waarmee de mens de mogelijkheid tot radicaal revolutionair denken en handelen buiten spel zet. Zo is er de 'family myth of ideology', oftewel de neiging van vooral filmmakers om economisch-sociale conflicten, grootschalige rampen en allerlei andere grote gebeurtenissen parallel te laten lopen aan  

47


Volonté Générale 2011 - n°2

    de verhoudingen tussen de hoofdpersonen, die het ware onderwerp van het verhaal verbergen. Žižek analyseert Mary Shelley's roman Frankenstein (1818) bijvoorbeeld als een verhaal over de (uit Frankrijk afkomstige) revolutionaire terreur en de groeiende, soms desastreuze impact van wetenschap op het leven.1 Ondertussen laten de ontwikkelingen tussen de hoofdpersonen een tweestrijd zien tussen de wil bevrijd te worden uit een verstikkende, repressieve familiesituatie en de vrees voor de onvermijdelijk moorddadige consequenties die een dergelijke bevrijding heeft. Volgens Žižek probeert Shelley via het familieverhaal haar sterk ambigue houding ten opzichte van de Franse Revolutie te neutraliseren.2 'Ideologie' is volgens Žižek niet te reduceren tot de doctrinaire kenmerken van bepaalde bewegingen, maar veel beter te typeren als een serie intellectuele operaties waarin we zoals Shelley met mentale gymnastiek een andere werkelijkheid proberen te creëren, een werkelijkheid die ons ontslaat van de verschrikkelijke mogelijkheid zelf te handelen. De intellectuele operaties van ideologie, die qua functie vergelijkbaar zijn met Sartre's mauvaise foi, manifesteren zich in Žižeks cultuurkritiek ook op vele andere manieren, waaronder de kritiek op de vergissingen van utopistische intellectuelen. In een erg gewaagd hoofdstuk getiteld 'Radical intellectuals, or why Heidegger took the right step (albeit in the wrong direction) in 1933' behandelt hij het besluit van Martin Heidegger om zich bij de nazisme aan te sluiten als een welwillende vergissing. Dit besluit, dat geldt als een van de grootste schandalen in de westerse filosofie, was namelijk gemotiveerd door zijn geloof in het 'historische potentieel' van het fascisme als kracht die de decadente burgerlijke orde omver zou werpen. Het probleem was echter dat Hitler niet radicaal genoeg was, en dat het fascisme vanwege haar onvermogen de burgerlijke orde te vernietigen overging tot geweld, als een impotente passage a l'acte. Een auteur die een dergelijke analyse van Heidegger voltrekt en bovendien geen boodschap heeft aan argumenten tegen revolutionaire terreur zal de lezer ongetwijfeld alarmeren, maar dat zou onterecht zijn. Žižek is ondanks zijn afwijkende visie op Hitler geen voorstander van fascisme, en probeert deze beweging ook niet te rechtvaardigen. Žižek streeft er juist naar om de 'utopische opening' in politieke bewegingen te detecteren, oftewel de vinger te leggen op de momenten waarop de bestaande orde volledig buiten spel staat en er een open mogelijkheid is voor radicale vernieuwing. Het centrale probleem van het fascisme was dat het nooit 'open' was in die zin: het was geen 'Event.' Bovendien pakt Žižek even verderop in zijn boek het antisemitisme aan als een ideologie met een zogenaamde 'gebrekkige betekenaar,' een lege ruimte waarin een bepaalde ideologische orde de walging over het eigen falen en de eigen hypocrisie projecteert. The antisemitic figure of the Jew takes from great capitalists their wealth and social control, from the hedonists sexual                                                                                                             1 2

 

Slavoj Žižek, In Defense of Lost Causes (London 2008) 74. Žižek, In Defense of Lost Causes, 76. 48


Volonté Générale 2011 - n°2

 

  debauchery, from commercialized popular culture and the yellow press their vulgarity, from the lower classes their flight and bad smell, from intellectuals their corrupted sophistry and from Jews their name.3

Žižek is dus geenszins te associëren met het fascisme, maar hij blijft niettemin in hoge mate controversieel. Niet alleen strijdt hij op verhitte wijze tegen Yannis Stavrakakis en anderen om de erfenis van de psycho-analyse, ook wordt hij beschuldigd van medeplichtigheid bij de opdeling van Joegoslavië en van een opportunistische houding ten opzichte van het socialisme. Wat echter waardevol blijft in Žižek's werk is het bewustzijn van de urgente noodzaak avontuurlijk te denken en politiek te handelen. | Slavoj Žižek, In Defense of Lost Causes (Londen, Verso 2008). Paperback €20,99, ISBN 9781844674299. Jordy Geerlings (1988) volgde de onderzoeksmaster Historische Wetenschappen aan de Radboud Universiteit Nijmegen en was als student-assistent werkzaam bij het Onderzoeksinstituut voor Geschiedenis en Cultuur van de Universiteit Utrecht. Op dit moment is hij docent Historische Praktijk aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

                                                                                                            3

 

Žižek, In Defense of Lost Causes, 318. 49


Volonté Générale 2011 - n°2

 

 

Zwierig walsen door Spiegelpaleis Europa Lieke van Deinsen Europa ligt onder vuur: financiële crisis in Griekenland, instabiele stand van de euro en angst voor het verlies van de ‘eigen’ nationale identiteit. Vooral de gruwelijke terreuraanslagen in Oslo enkele weken geleden staan nog op het netvlies gegrift. Dat de dader zegt te hebben gehandeld om Europa te redden van de ondergang, maakt de zaak er allerminst beter op. De druk op Europa lijkt alsmaar toe te nemen. In zijn nieuwste boek biedt Joep Leerssen, hoogleraar Moderne Europese Letteren aan de Universiteit van Amsterdam, tegenwicht aan deze negatieve beeldvorming: ‘Er is een Europa (een Europabetekenis) dat beter verdient’. Met Spiegelpaleis Europa wil Leerssen de ‘cultuurtraditie’ die ‘Europa’ (bewust door hem tussen aanhalingstekens geplaatst) heeft voortgebracht redden als een kind uit het steeds troebeler wordende badwater. Echter, ‘Europa bestaat niet’, zo luidt de stellige openingsfrase: ‘Europa is een construct’, een cultuurhistorisch gegeven net als ‘Nederland’ of ‘Amsterdam’. Wie evenwel zonder schroom zijn lokale of nationale identiteit accepteert, maar Europa ‘vanwege zijn verscheidenheid problematisch vindt’, meet volgens Leerssen met twee maten. Naast Nederlander, Griek of Noor zijn we daarmee ook ontegenzeggelijk Europeaan. Om zijn lezers te overtuigen van dit gedeeld Europeaanschap wil Leerssen geen uitputtend of sluitend betoog afsteken, maar vertelt hij sterk vanuit zijn eigen perspectief wanneer hij het over ‘Europees’ heeft. Het belooft daarmee een interessante en leerzame tocht te worden met een gids die op de hoogste versnelling door een labyrint schiet en geregeld een onverwachte of – schijnbaar – willekeurige afslag neemt. Leerssen meent daarbij zichzelf niet te zien als een ‘intellectuele messias’ die alle onderbelichte plekken van Europa in het zonnetje wil zetten, maar stelt zijn lezers mee te nemen op een ‘dwaaltocht met een kaarsvlammetje in een schemerig spiegelpaleis’, waarbij onvermijdelijk veel zaken vooral onbelicht zullen blijven. Hiermee raken we aan zowel de grote kracht als zwakte van het boek. Spiegelpaleis Europa moet door de auteur gekozen inslag gelezen worden als een uitgestrekt essay met een grote informatiedichtheid waarin de verteller steeds van het ene punt naar het ander raast. Leerssen schrijft: ‘Het geheel is te groot om in zijn volledigheid te behandelen: de greep is gebaseerd op wat ik beeldbepalend acht in de vorming van een palet aan identificatie en referentiepunten over hoe wij ons “Europa” voorstellen.’ Hoewel hij zegt vanuit zijn eigen perspectief te redeneren, is het opvallend dat vooral de canonieke werken het hebben gehaald. Maar zelfs met deze focus blijft er een indrukwekkend aantal werken over dat in de kleine tweehonderd pagina’s de revue passeert. Moeiteloos schiet Leerssen dus een spervuur aan canonieke kogels af die min of meer chronologisch een tijdsspanne van ruim twintig eeuwen beslaan. Van de avonturen van de mannetjesputter Odysseus via de excentrieke Engelse

 

50


Volonté Générale 2011 - n°2

    dichter Lord Byron om uiteindelijk uit te komen in de twintigste-eeuwse cinema’s waar Humphrey Bogart en Ingrid Bergman van het scherm spatten. Zelfs een postkoloniale lezing van Conrads Heart of Darkness ontbreekt niet. Het moet gezegd worden: het Spiegelpaleis van Leerssen herbergt grote, voor het merendeel bekende, schatten die het zeker waard zijn nog een keer te bekijken. Toch had ik graag een inkijkje willen krijgen in Leerssens ‘privécollectie’, waarin ongetwijfeld onbekendere juwelen te vinden zijn. Leerssen leidt ons langs deze culturele hoogtepunten met een vlotte pen en een flinke dosis humor. Hij licht de klimaattheoretische verschillen tussen Noord en Zuid Europa uit aan de hand van de frase: ‘Het Zuiden is één grote Bertolli-reclame’ en trekt een beeldende vergelijking tussen de gevolgen van Europees imperialisme en een gedesillusioneerde Hollandse boer die dertig jaar nadat hij voor het eerst tot over zijn oren verliefd was, vanuit zijn familieboerderij terugdenkt aan deze episode uit zijn geschiedenis terwijl zijn vrouw (dezelfde vrouw!) en zijn onhebbelijke kinderen samen een bami goreng speciaal van de plaatselijke afhaalchinees verorberen. Het moge duidelijk zijn dat Leerssen niet slechts simpelweg de highlights uit zijn Europese canon laat passeren. Spiegelpaleis Europa is geen verheerlijking van Europa, maar bevat evenwel een kritische noot en reëele kijk op de Europese geschiedenis. Misstanden worden daarbij niet onder tafel geschoven. Bovendien stoelt het boek op een altijd op de achtergrond aanwezig (en in de appendix geëxpliciteerd en nader toegelicht) theoretisch framework van imagologie: de wetenschap die bestudeert hoe in en door de letterkunde beeldvorming omtrent nationale eigenaardigheden is geformuleerd en verspreid en waarvoor Leerssen in 2008 de prestigieuze Spinozapremie ontving. Toch blijft deze reis met wetenschappelijke wortels toch vooral een reis zonder kaart, TomTom of ANWB-gids, om al rondrijdend de mooiste plekjes te ontdekken en vooral te herontdekken. | Joep Leerssen, Spiegelpaleis Europa (Nijmegen, Van Tilt, 2011). Paperback €19,95, ISBN 9789460040696. Lieke van Deinsen (1987) volgde de onderzoeksmaster Letterkunde & Literatuurwetenschap aan de Radboud Universiteit Nijmegen en specialiseerde zich in vroegmoderne Nederlandse letterkunde. Momenteel is zij werkzaam als promovenda aan dezelfde universiteit binnen het onderzoeksproject ‘Proud to be Dutch’.

 

51


Volonté Générale 2011 - n°2

 

 

Het succesrecept van Huffington Post Nynke Tans

De van oorsprong Amerikaanse nieuwswebsite Huffinton Post werd in de jaren '90 opgericht door columniste Arianna Huffington en mediamagnaat Kenneth Lerer. Zij wilden een progressiever en liberaler geluid de wereld in brengen. De website groeide uit tot een wereldwijd succes, wat er voor zorgde dat de site ook een Britse en Canadese afdeling kreeg. Onderscheiden met onder andere de Webby Award voor beste politieke blog in 2006 en 2007 en de benoeming van machtigste blog ter wereld door The Observer in 2008, geniet de site wereldwijd aanzien. Maar waardoor is deze website zo succesvol? Als je de site van de Huffington Post opent, valt in eerste instantie de zakelijke, misschien zelfs wat saaie, lay-out op. Toch maakt deze layout de website vrij overzichtelijk en past het ook bij het progressief liberale karakter van de nieuwssite. De site is onderverdeeld in een Britse, Amerikaanse en Canadese afdeling. Daarnaast zijn de vele blogs en columns waar de site uit bestaat verdeeld per thema, bijvoorbeeld: Politics, 'Green', Entertainment, Lifestyle en Technology. Daarnaast hebben ze ook een apart gedeelte 'blogs' waar onder andere Barack Obama, Hillary Clinton en Michael Moore columns schrijven. Niet de minste namen. Ondanks het zakelijke uiterlijk, zijn de schreeuwerige in grote kapitale geschreven koppen op de frontpage storend. Dit is typerend voor Amerikaans/Britse nieuwssites, die zijn hier dol op. Hierdoor lijkt het echter erg op de (website van de) Telegraaf en deze vergelijking doet geen recht aan een kwaliteitsnieuwssite als de Huffington Post. Het 'green’gedeelte van de site bevat bijzonder mooie en indrukwekkende fotoreportages, die te vergelijken zijn met de reportages van National Geographic. Verder bevat dit gedeelte blogs over de klimaatverandering en achtergrondverhalen over alles wat met het milieu en de natuur te maken heeft. Dit maakt het tot een gedeelte van de site dat bezoekers niet mogen missen, al was het alleen maar voor de prachtige fotoreportages. Naast de columns en blogs biedt de website een overzicht van het nieuws doormiddel van links naar andere nieuwswebsites. Zo trekt bijvoorbeeld een grote kop over de strijd tussen de Democraten en de Republikeinen in aanloop naar de presidentsverkiezingen de aandacht van de lezer , maar op de website zelf verder geen artikel over dit onderwerp. In plaats daarvan staan er links naar andere nieuwspagina’s die hier wel een bericht over hebben geplaatst over dit onderwerp. Dat klinkt misschien wat makkelijk. Het kan gezien worden als luiheid of als het ‘jatten’ van nieuws van andere websites en misschien zit daar ook wel een kern van waarheid in. Toch is het ook handig, hierdoor ontstaat er voor de lezer namelijk wel meteen een compleet overzicht met het belangrijkste wat over een bepaald onderwerp is geschreven. Daarbij profileert de Huffington Post zich voornamelijk als een site met columns en blogs over nieuws en niet zozeer als een site die zelf veel scoops binnen wil halen. Het is daarom niet vreemd dat ze links naar andere nieuwssites plaatsen.

 

52


Volonté Générale 2011 - n°2

 

  De succesfactor van de Huffington Post ligt waarschijnlijk juist in het feit dat de site veel ruimte biedt aan columns en blogs en niet zozeer aan harde nieuwsberichten. Wie puur het laatste nieuws wil, is bij de Huffington Post niet op de juiste plek. Voor wie meer achtergronden, meningen en prachtige fotoreportages zoekt, is een bezoek aan deze website zeker de moeite waard. | The Huffington Post, http://www.huffingtonpost.com/ Nynke Tans (1988) is freelance journalist en eigenaar van Anno Nu Tekstbureau.

 

53


Volonté Générale 2011 - n°2

 

 

Het failliet van Europa Joep Willemsen

In de tijd van de Oude Grieken was Europa vooral wat Azië niet was. Al het gebied ten westen van Griekenland werd Europa genoemd en de Griekse poleis hielden als bewakers van de beschaving dapper stand tegen het Oosten. Op die manier werd Europa als geografische eenheid min of meer geboren. In de tweeduizend jaar die volgden was Europa vooral een strijdtoneel voor vorsten, religies en naties. De verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog en de angst voor het communisme leidden uiteindelijk tot een drang naar vreedzame eenwording. Van een balance of powers naar een power of balance. Solidair samenzijn van de Europese landen om de uitwassen van de moderne tijd te voorkomen én een verenigd Europa dat zich ook economisch kon handhaven en meten met Amerika en China. In het streven naar een transnationale overheid begon Europa als economische eenheid. In navolging van de ware nation building kreeg Europa een volkslied, een vlag en steeds meer instituten en symbolen om de eenheid te illustreren. Europa groeide en na de val van het Sovjetregime complementeerde delen van het Oostblok het plaatje. Het idee Europa is veel bediscussieerd. Wat is Europa eigenlijk? De politiek heeft ons lang willen laten denken dat Europa een vaststaande entiteit is. Geen geografisch, maar een door de geschiedenis verbonden culturele eenheid. De politiek heeft er baat bij dat het volk Europa als een geheel ziet om wetten en verdragen door het parlement te krijgen. Het idee van één Europa komt dus voornamelijk van bovenaf. De politiek wil Europa, maar het volk is minder enthousiast. Dit werd schitterend geïllustreerd door het referendum over de Europese grondwet. Alleen met een volmondig ‘ja’ hadden we inspraak kunnen verkrijgen. Minister Donner dreigde niet voor niets met oorlog als we tegen de grondwet zouden stemden. De oplossing voor het massale ‘nee’ in Nederland was de grondwet een verdrag te noemen en dit zonder tussenkomst van het volk te ratificeren. De euro speelde in het proces van eenwording een grote rol. Het was niet alleen praktisch om één munt te hebben, maar voor de symboliek van eenheid ontzettend krachtig. In navolging van de Verenigde Staten van Amerika zouden wij de Verenigde Staten van Europa worden: uit velen één. Voor de beeldvorming was het daarom van belang dat er zoveel mogelijk staten, niet alleen de economisch krachtige staten, maar ook de middenmoters en de zwakken, de euro als munteenheid kregen. In tijden van economische voorspoed waren er weinig bezwaren tegen deze plannen. De zwakkere staten zouden meeliften op het succes van de sterkere. De afweging wat voor een gevolgen dit zou kunnen hebben voor landen die op de rand van een faillissement stonden, zijn ten onder gegaan aan de drang naar eenheid. Historisch gezien is Griekenland van groot belang voor Europa. Het idee van democratie, de weerstand tegen de ‘oosterse barbaren’ en de moderne filosofie vinden hun oorsprong in het nu zo getergde land, de

 

54


Volonté Générale 2011 - n°2

    bakermat van onze beschaving. Destijds was de kwetsbare financiële positie van Griekenland al bekend, maar de ‘stichter’ van Europa diende ingesloten te worden en kwam zo bij de Eurolanden. Europa moest één worden en in die drang gaat ze ten onder. Het economische failliet van Griekenland tekent zo het failliet van Europa. De politiek schreeuwt nu moord en brand en de meningsverschillen tussen de verenigde landen waren nog nooit zo groot. Door de misleidende berichtgeving worden de Grieken afgeschilderd als luie profiteurs. Verdeeldheid tekent Europa, waar eenheid het doel was. Europa wil de Grieken niet meer en de Grieken willen Europa niet meer. Ondertussen is Griekenland aan handen en voeten gebonden. Ze kunnen de euro niet devalueren en dienen miljarden te bezuinigen. Europa dicteert en zelfs het cultureel erfgoed mag in de verkoop. Europa is geen solidaire eenheid, maar een autocratische boekhouder, die zijn ideaal verkracht na een economisch debacle. Het is een Griekse tragedie geschreven door falend leiderschap. Joep Willemsen (1985) is parlementair historicus.

 

55



Volonté Générale