Page 1


VLAAMSE ARMOEDEMONITOR

Studiedienst van de Vlaamse Regering April 2013


Samenstelling Diensten voor het Algemeen Regeringsbeleid Studiedienst van de Vlaamse Regering Jo Noppe Verantwoordelijke uitgever JosĂŠe LemaĂŽtre Administrateur-generaal Boudewijnlaan 30 bus 23 1000 Brussel Depotnummer D/2013/3241/088 http://www.vlaanderen.be/svr


VOORWOORD

Beste lezer,

Ook dit jaar biedt de Vlaamse Armoedemonitor van de Studiedienst van de Vlaamse Regering weerom een schat aan informatie. Dankzij deze nieuwe cijfers kunnen we de vinger aan de pols houden en ervoor zorgen dat we vanuit het beleid kort op de bal spelen. De

Vlaamse

Armoedemonitor

2013

bevestigt

de

hardnekkigheid

van

armoede,

toont

probleemgebieden aan maar levert ook een aantal hoopgevende elementen. De bevolking in Vlaanderen die onder de armoederisicodrempel leeft, daalde van 650.000 personen in 2010 naar 610.000 in 2011 en het percentage arme werkenden nam lichtjes af van 3,5% in 2010 naar 3,1% in 2011. Anderzijds zien we een stijging van het percentage van de bevolking dat leeft in een situatie van ernstige materiĂŤle deprivatie van 1,6% naar 2,9% en blijft het aantal personen met betalingsachterstand verder toenemen. De gevolgen van de moeilijke socio-economische situatie van vandaag laten zich dus nog steeds voelen en tonen aan dat er verder moet ingezet worden op de prioriteiten van het Vlaamse armoedebeleid. Deze situeren zich op die terreinen waar mensen echt nood hebben aan ondersteuning: werk, huisvesting, welzijn en onderwijs. De nieuwe Vlaamse Armoedemonitor laat ons duidelijk zien dat Vlaanderen het in Europees perspectief redelijk goed doet, maar dat neemt niet weg dat er nog heel wat werk aan de winkel is. Zo geeft de gezondheidssector reden tot bezorgdheid, want uit de cijfers blijkt dat 250.000 mensen in Vlaanderen gezondheidszorgen hebben moeten uitstellen om financiĂŤle redenen. Dat aandeel is tegenover de voorgaande jaren sterk gestegen. Extra inspanningen zijn hier aan de orde. In deze Vlaamse Armoedemonitor focussen we eveneens sterk op de doelgroep die mij het nauwst aan het hart ligt, namelijk onze kinderen. Vanuit Vlaanderen hebben we er duidelijk en onomwonden voor gekozen om van kinderarmoede een absolute prioriteit te maken, die we blijven aanhouden. Ook al zijn we wat kinderarmoede betreft de beste leerling van de Europese klas, toch vinden we het onaanvaardbaar dat vandaag in Vlaanderen 130.000 kinderen en jongeren onder de armoederisicodrempel leven. Tegelijk zien we dat het aantal geboorten in kansarme gezinnen blijft stijgen naar bijna 1 op de 10 geboorten in Vlaanderen. Nog sterker inzetten op de vroegste levensjaren ĂŠn op jonge toekomstige ouders is dan ook de boodschap. Ons Actieplan Kinderarmoede moet hier soelaas bieden, evenals de verdere uitrol in heel Vlaanderen van een lokale aanpak van kinderarmoede in de cruciale fase van nul tot drie jaar. Het wetenschappelijk onderzoek is hier duidelijk: niet investeren in kinderarmoede is een gemiste kans, niet alleen voor 1


de kinderen zelf maar zeker ook voor de samenleving als geheel. Er moet werk worden gemaakt van een brede maatschappelijke mobilisatie rond dit thema. We hopen met deze Vlaamse Armoedemonitor iedereen ervan te overtuigen dat wij de strijd tegen armoede moeten blijven voortzetten vanuit alle beleidsniveaus en op alle beleidsdomeinen. Enkel via een integrale aanpak maken we kans op slagen. Het is en blijft een werk van lange adem maar we weigeren er ons bij neer te leggen en werken dus naarstig verder aan een structurele armoedebestrijding met respect voor de mensen in armoede zelf. Wij hopen hierbij iedereen te kunnen mobiliseren.

Ingrid Lieten Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding

2


Inleiding Dit is de derde editie van de Vlaamse Armoedemonitor. Deze monitor wordt jaarlijks opgemaakt ter ondersteuning van het Vlaamse armoedebeleid. De bedoeling is om op een bevattelijke en overzichtelijke manier de armoedesituatie en –evolutie in Vlaanderen in kaart te brengen en op te volgen. Waar mogelijk wordt de Vlaamse armoedesituatie vergeleken met de situatie in de 27 lidstaten van de Europese Unie. De Vlaamse Armoedemonitor is een omgevingsmonitor. Dat betekent dat niet de maatregelen van het armoedebeleid zelf in beeld worden gebracht, maar wel de bestaande armoedesituatie waaraan dat beleid iets wil veranderen. Op inhoudelijk vlak wordt uitgegaan van de multi-aspectualiteit van de armoedeproblematiek. Armoede is meer dan een tekort aan inkomen. Het verwijst naar een geheel van onderling verbonden vormen van uitsluiting op verschillende domeinen van het individuele en sociale leven. Financiële moeilijkheden zijn tegelijk vaak oorzaak en gevolg van achterstelling op het vlak van tewerkstelling, onderwijs, huisvesting, gezondheid en maatschappelijke participatie. Voor elk van deze levensdomeinen zijn indicatoren opgenomen. Aangezien de strijd tegen armoede bij kinderen een belangrijke prioriteit vormt van het Vlaamse armoedebeleid, bevat deze monitor ook een aantal indicatoren die specifiek focussen op de armoedesituatie van deze groep. De Vlaamse Armoedemonitor brengt verschillende armoede-indicatoren samen die gebruikt worden in Europese, federale of andere Vlaamse monitorrapporten. Het gaat onder meer om indicatoren uit het Pact 2020, de EU2020-strategie, de Interfederale Armoedebarometer en de Armoedebarometer van Decenniumdoelen 2017. Deze worden aangevuld met eigen accenten en aandachtspunten gebaseerd op de prioriteiten van het Vlaamse armoedebeleid. Dat uit zich onder meer in de visualisering en bespreking van de verschillende armoededoelstellingen die door de Vlaamse Regering in het kader van het Pact 2020 en het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie werden geformuleerd. De indicatoren in de Vlaamse Armoedemonitor zijn deels gebaseerd op gegevens uit administratieve databanken. Het gaat om gegevens van de VREG over energiearmoede, van de Nationale Bank van België over betalingsachterstand, van de FOD Sociale Zekerheid en POD Maatschappelijke Integratie over sociale bijstandsuitkeringen, van de VDAB over niet-werkende werkzoekenden, van het Steunpunt Studie en Schoolloopbanen over ongekwalificeerde uitstroom en van Kind en Gezin over geboorten in kansarme gezinnen. De meeste indicatoren zijn echter gebaseerd op de resultaten van enquêtes. Het gaat ten eerste om de ‘European Union Statistics on Income and Living Conditions’ (EU-SILC). De EU-SILC is een door Eurostat gecoördineerde jaarlijkse enquête die sinds 2004 in alle lidstaten van de Europese Unie de inkomenssituatie en levensomstandigheden in kaart brengt. De EU-SILC wordt voor België uitgevoerd door de Algemene Directie Statistiek (ADSEI) van de FOD Economie.

3


Voor de indicatoren over tewerkstelling en onderwijs wordt daarnaast gebruik gemaakt van de ‘Enquête naar de Arbeidskrachten – Labour Force Survey’ (EAK-LFS) en het ‘Programme for International Student Assessment’ (PISA) van de OESO. Net als de EU-SILC is de EAK een door Eurostat gecoördineerde en voor België door ADSEI uitgevoerde enquête die erop gericht is om op Europees vlak vergelijkbare indicatoren te generen. PISA is een internationaal gestandaardiseerde beoordeling van de cognitieve vaardigheden van 15-jarigen. Voor de indicatoren rond maatschappelijke participatie wordt ten slotte gebruik gemaakt van de resultaten van de ‘Survey Sociaal-Culturele Verschuivingen in Vlaanderen’ (SCV-survey) van de Studiedienst van de Vlaamse Regering die jaarlijks afgenomen wordt bij de Nederlandstalige inwoners van het Vlaamse en Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Wij willen hierbij uitdrukkelijk SVR-collega Guy Pauwels bedanken voor de berekening van de indicatoren gebaseerd op de SCVsurvey. Hierbij dient opgemerkt te worden dat in surveyonderzoek bepaalde kwetsbare bevolkingsgroepen (zoals personen in collectieve huishoudens, personen zonder wettige verblijfsvergunning of daken thuislozen) niet of nauwelijks vertegenwoordigd zijn. Daarmee moet rekening gehouden worden bij de interpretatie van de armoedecijfers in deze monitor. De surveyresultaten zijn eveneens onderhevig aan de gebruikelijke statistische foutenmarge. Deze foutenmarge is groter naarmate de steekproef waarop de cijfers berekend worden, kleiner is. Daarom worden in deze Vlaamse Armoedemonitor enkel de gegevens voor de gehele Vlaamse bevolking tot op 1 cijfer na de komma weergegeven. De gegevens per bevolkingsgroep worden afgerond tot op het procentpunt. Wanneer de percentages worden geëxtrapoleerd naar bevolkingsaantallen wordt om dezelfde reden afgerond op het niveau van 10.000 eenheden. Alle opmerkingen en suggesties over deze monitor kan u kwijt via jo.noppe@dar.vlaanderen.be.

4


Vlaamse armoedesituatie en -evolutie De Vlaamse Regering heeft van de strijd tegen armoede een topprioriteit gemaakt. Zij wil de inkomenssituatie van de armste gezinnen verbeteren en ervoor zorgen dat alle Vlamingen volwaardig aan alle domeinen van de samenleving kunnen participeren. Er wordt in deze Vlaamse Armoedemonitor achtereenvolgens aandacht besteed aan de inkomensarmoede, de materi毛le deprivatie en inkomensverdeling, de betalingsachterstand en de sociale bijstand. Daarna komt de sociale uitsluiting aan bod op het vlak van tewerkstelling, huisvesting, onderwijs, gezondheid en maatschappelijke participatie. Tot slot wordt ingezoomd op de armoede bij kinderen.

1.

Financi毛le armoede en inkomensverdeling

1.1

Bevolking onder de armoederisicodrempel

Om zicht te krijgen op de armoedesituatie van een land of regio wordt traditioneel aangegeven hoeveel mensen moeten rondkomen met een inkomen onder de armoederisicodrempel. Deze drempel is bepaald op 60 procent van het mediaan netto beschikbare gestandaardiseerde huishoudinkomen in het land. Er wordt vanuit gegaan dat personen die leven in een huishouden dat moet rondkomen met een inkomen onder de armoederisicodrempel een verhoogd risico op armoede lopen. Door het huishoudinkomen te standaardiseren wordt rekening gehouden met de grootte en samenstelling van het huishouden. De Belgische armoederisicodrempel lag volgens de EU-SILC-survey van 2011 voor een alleenstaande op 12.005 euro per jaar of 1.000 euro per maand. Omgerekend is dat voor een gezin met 2 volwassenen en 2 kinderen 2.101 euro per maand. Iets minder dan 1 op de 10 Vlamingen (9,8%) moest in 2011 zien rond te komen met een inkomen onder deze armoederisicodrempel (zie indicator I1). Dat komt overeen met ongeveer 610.000 personen. Het armoederisicopercentage (= het aandeel personen onder de armoederisicodrempel) is de afgelopen jaren vrij stabiel gebleven, al lijkt er sprake van een lichte daling tussen 2010 en 2011. Ook tussen 2006 en 2008 is het percentage personen onder de armoederisicodrempel licht afgenomen. Een vergelijking met de periode v贸贸r 2004 is moeilijk wegens een wijziging in de databron. Wel is het zo dat tussen 1994 en 1997 het armoederisicopercentage licht daalde, waarna het tussen 1997 en 2001 stabiel bleef. In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering zich ertoe verbonden om het aantal personen met een inkomen onder de armoederisicodrempel tussen 2008 en 2020 met 30% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het aantal personen met een huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel gedaald moet zijn tot maximaal 430.000 personen. Het verschil in armoederisico tussen vrouwen en mannen blijft beperkt (zie indicator I2). Naar leeftijd scoren de leeftijdsgroepen tussen 18 en 64 jaar het best. Vooral personen ouder dan

5


65 jaar scoren opvallend minder goed dan het gemiddelde. De minder goede positie van de Vlaamse ouderen blijkt tegelijk uit het feit dat 31% van het totale aantal personen onder de armoederisicodrempel 65 jaar of ouder is. Dit kan deels verklaard worden door het feit dat het armoederisicopercentage enkel rekening houdt met het ontvangen huishoudinkomen uit arbeid, vermogen, eigendom en sociale transfers, niet met de volledige waarde van eventueel beschikbare spaartegoeden of eigendommen of met de eventuele afwezigheid van woonuitgaven doordat de eigen woning al is afbetaald. Maar ook in Europees opzicht scoren de Vlaamse ouderen niet goed. Terwijl Vlaanderen bij de leeftijdsgroepen tot 50 jaar telkens de top haalt van de Europese rangschikking, zakt ze bij de personen van 65 jaar en ouder naar een 17de plaats in de ranglijst (zie indicator I5). Alleenstaanden, personen in eenoudergezinnen en oudere koppels lopen een hoger risico op armoede dan gemiddeld (zie indicator I2). Van de personen in eenoudergezinnen moet goed een vijfde zien rond te komen met een inkomen onder de armoederisicodrempel. Naar aantal vormen de oudere koppels de grootste groep bij de personen onder de armoederisicodrempel, kort gevolgd door de alleenstaanden. Werk vormt een belangrijke buffer tegen armoede. Het armoederisicopercentage ligt bij werkenden een pak lager dan bij werklozen, gepensioneerden en andere niet-actieven (zie indicator I2). Naar aantal vormen de gepensioneerden de grootste groep onder de armoederisicodrempel, kort gevolgd door de andere niet-actieven. Als gekeken wordt naar de werkintensiteit op gezinsniveau blijkt het risico op armoede het hoogst te liggen bij leden van gezinnen waar niet of slechts zeer beperkt wordt gewerkt (werkintensiteit < 0,2). Liefst 4 op de 10 personen in deze gezinnen lopen een verhoogd risico op armoede. Een job vormt echter geen sluitende bescherming tegen armoede. Dat blijkt uit het feit dat 80.000 Vlamingen

die

werken

toch

moeten

rondkomen

met

een

huishoudinkomen

onder

de

I2).

Het

armoederisicodrempel. Naast

tewerkstelling

beperkt

ook

scholing

het

armoederisico

(zie

indicator

armoederisicopercentage van personen met een diploma hoger onderwijs ligt meer dan 4 keer lager dan dat van personen met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs. Het armoederisicopercentage ligt bij huurders 3 keer hoger dan bij eigenaars. Ten slotte ligt het armoederisico bij niet-EU-burgers (personen die niet over de Belgische nationaliteit of over de nationaliteit van één van de andere EU-lidstaten beschikken) goed 5 keer hoger dan bij EU-burgers (inclusief Belgen). Het Vlaamse armoederisicopercentage (10%) lag in 2011 duidelijk lager dan het EU27-gemiddelde (17%) (zie indicator I4). Vlaanderen haalde daarmee in 2011 een met Tsjechië gedeelde eerste plaats in de EU27-rangschikking. In het Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering zich als doelstelling gesteld dat het aandeel inwoners in Vlaanderen dat leeft in armoede in 2020 laag moet liggen in vergelijking met de best presterende EU27-landen. Die doelstelling is vandaag al gehaald. Het is opvallend dat verschillende Oost- en Centraal-Europese landen (Tsjechië, Slovakije, Hongarije en Slovenië) niet beduidend slechter scoren dan de West- en Noord-Europese landen, 6


terwijl de levensstandaard in die eerste groep landen toch lager ligt. Dat heeft te maken met het feit dat het hier gaat om een relatieve armoedemaat, berekend op basis van het mediaaninkomen in elk land afzonderlijk. Dat gebeurt vanuit de redenering dat een minimaal aanvaardbare levensstandaard - en dus ook de armoederisicodrempel - afhankelijk is van de specifieke sociaaleconomische situatie van het land in kwestie. Als de inkomenssituatie van de bevolkingsgroepen die in het Vlaamse Gewest een hoger risico lopen op armoede (minstens 1,5 keer het gemiddelde armoederisicopercentage) vergeleken wordt met de situatie van deze groepen in de 27 EU-lidstaten, dan blijkt een diffuus beeld (zie indicator I5). Bij de meeste groepen haalt Vlaanderen een plaats binnen de top 5 van de EU-rangschikking. Bij de oudere bevolkingsgroepen (65-plussers, leden van koppels waarvan minstens 1 partner ouder is dan 65 jaar en gepensioneerden) zakt Vlaanderen met een score onder het EUgemiddelde weg naar de (lagere) middenmoot. Ook bij de niet-EU-burgers valt Vlaanderen ver terug in de Europese rangschikking. Bij de berekening van het armoederisicopercentage wordt traditioneel gebruik gemaakt van een armoederisicodrempel

van

60%

van

het

mediaan

gestandaardiseerde

netto

beschikbare

huishoudinkomen. Dat is een arbitraire keuze. Wie net boven deze 60%-drempel zit, komt hierdoor niet in beeld. Tegelijk is het zo dat wie beschikt over een inkomen dat maar net onder de armoederisicodrempel ligt, zich in een andere positie bevindt dan zij die moeten rondkomen met een inkomen dat een pak lager ligt dan de 60%-drempel. Om zicht te krijgen op de spreiding van de inkomens rond de armoederisicodrempel kan men daarom de hoogte van de drempel laten variëren. In 2011 bleek 19% van de Vlamingen te beschikken over een inkomen lager dan 70% van het nationaal mediaaninkomen, 5% over een inkomen lager dan 50% van het mediaaninkomen en 2% over een inkomen lager dan 40% van het mediaaninkomen (zie indicator I6). Die aandelen bleven de laatste jaren vrij stabiel. In Europees opzicht scoort Vlaanderen steeds op het niveau van de best presterende lidstaten (zie indicator I7). Terwijl het aandeel personen met een inkomen onder de armoederisicodrempel tussen 2008 en 2010 min of meer stabiel is gebleven in Vlaanderen, is het aandeel personen in langdurige armoede in die periode wel duidelijk gestegen. Doordat de EU-SILC-survey werkt met een roterend panel – gezinnen worden verschillende jaren na elkaar bevraagd –, is het mogelijk om de inkomenssituatie van gezinnen over een aantal jaren heen te volgen. In 2010 (cijfers voor 2011 zijn nog niet beschikbaar) leefde 7% van de Vlamingen in een gezin met een inkomen onder de armoederisicodrempel in 2010 en in minstens 2 van de 3 voorgaande jaren (zie indicator I8). Dat komt overeen met ongeveer 420.000 personen. Als dat vergeleken wordt met het totale aandeel personen onder de armoederisicodrempel in 2010 dan blijkt dat 64% van de personen onder de armoederisicodrempel in Vlaanderen zich in een positie van langdurige armoede bevindt. Zoals gezegd haalt Vlaanderen inzake het totale aandeel personen onder de armoederisicodrempel samen met Tsjechië een gedeelde eerste plaats in de EU27-rangschikking. Wat het aandeel personen in langdurige armoede betreft, zakt het met een 7de plaats iets terug in de rangschikking (zie indicator I9). Opvallend is wel dat het procentueel aandeel van de langdurige 7


armoede in de totale armoede in Vlaanderen relatief hoog ligt, zeker als vergeleken wordt met landen met een relatief lage score op het aandeel personen in langdurige armoede.

1.2

Subjectieve armoede

In bovenstaande cijfers wordt op een objectieve manier nagegaan of het inkomen waarover mensen beschikken al dan niet boven een bepaalde drempel ligt. Maar de inkomensgerelateerde verwachtingen en behoeften verschillen van mens tot mens. De objectieve vergelijking van het beschikbare inkomen met de armoederisicodrempel wordt daarom best aangevuld met een subjectieve inschatting van het inkomen door de betrokkenen zelf. In 2011 leefde 15% van de Vlamingen in een huishouden dat zelf aangeeft (zeer) moeilijk rond te komen met het beschikbare inkomen (zie indicator I10). Dat komt overeen met ongeveer 930.000 personen. Deze cijfers liggen de laatste jaren duidelijk hoger dan in de periode 2006-2007. De evolutie op het vlak van subjectieve armoede wijkt dus enigszins af van de evolutie van het percentage personen met een inkomen onder de armoederisicodrempel. Vrouwen leven vaker in huishoudens die zelf aangeven (zeer) moeilijk rond te komen (zie indicator I11). In tegenstelling tot de objectieve armoederisicopercentages zijn de verschillen tussen de leeftijdsgroepen bij deze indicator niet zo groot. Alleenstaanden en zeker leden van eenoudergezinnen geven vaker dan andere huishoudtypes aan (zeer) moeilijk rond te komen. Wat socio-economische positie, opleiding en nationaliteit betreft, lopen de resultaten van deze indicator grotendeels gelijk met de resultaten van de objectieve armoederisicopercentages. Personen die niet werken (zonder gepensioneerden) en leden van gezinnen waar niet of beperkt wordt gewerkt, hebben het moeilijker om rond te komen, net als laagopgeleiden, huurders en niet-EU-burgers. Het is weinig verwonderlijk dat het aandeel personen in subjectieve armoede afneemt naarmate het inkomensniveau stijgt. Tegelijk geven de scores per inkomenskwintiel aan dat subjectieve armoede niet beperkt blijft tot de personen onder de armoederisicodrempel (die allen in het laagste inkomenskwintiel zitten). Ook in het 2de kwintiel geeft een relatief grote groep aan (zeer) moeilijk rond te komen. Er zijn in Vlaanderen relatief gezien minder personen die hun inkomenssituatie negatief beoordelen dan in de meeste EU-landen (zie indicator I13). Het Vlaamse Gewest haalt in de Europese rangschikking een 8ste plaats na de Scandinavische landen, Luxemburg, Duitsland, Nederland en Oostenrijk. De verschillen tussen de lidstaten zijn opvallend groter dan bij de objectieve armoederisicopercentages. In Finland leeft maar 7% van de inwoners in een huishouden dat moeite heeft om financieel rond te komen. In Griekenland en Bulgarije loopt dat op tot meer dan 60%. De Zuid-, Centraal- en Oost-Europese landen scoren op deze indicator, in tegenstelling tot bij de objectieve armoederisicopercentages, wel duidelijk minder goed dan de West- en Noord-Europese landen.

8


1.3

Ernstige materiële deprivatie

Op Europees niveau werd enkele jaren geleden een armoede-indicator ontwikkeld die niet zozeer focust op het inkomen zelf, maar op het feit of men mede dankzij dit inkomen kan genieten van een minimale levensstandaard. Dat gebeurt door na te gaan hoeveel items uit een lijst van 9 basisitems elk gezin moet missen omwille van financiële redenen. Vervolgens wordt per land of regio het percentage individuen berekend dat leeft in een gezin dat niet beschikt over minstens 4 van de 9 items. Volgens de EU-SILC van 2011 leefde slechts 3% van de Vlamingen in een ernstig materieel gedepriveerd gezin (mist minstens 4 van 9 basisitems om financiële redenen) (zie indicator I14). Dat komt overeen met ongeveer 180.000 personen. Het aandeel ernstig gedepriveerden is tegenover 2010 iets gestegen. In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering zich ertoe verbonden om het aantal personen in een ernstige materieel gedepriveerd gezin tussen 2008 en 2020 met 30% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het aantal personen dat leeft in een ernstig materieel gedepriveerd gezin moet dalen tot maximaal 120.000 personen. Als wordt gekeken naar de afzonderlijke items van de deprivatiemaat dan blijkt dat de items ‘een week vakantie buitenshuis per jaar kunnen betalen’ en ‘een onverwachte uitgave aankunnen,’ voor de meeste problemen zorgen (zie indicator I18). Groepen die minder goed scoren bij de objectieve armoederisicopercentages en de subjectieve armoede, doen dat ook op vlak van ernstige materiële deprivatie (zie indicator I15). Het gaat om alleenstaanden, leden van eenoudergezinnen en grote gezinnen, werklozen, gezinnen waar niet of slechts beperkt wordt gewerkt, huurders, de laagste inkomensgroepen en niet-EU-burgers. In Europees opzicht scoort Vlaanderen op het vlak van ernstige materiële deprivatie behoorlijk goed (zie indicator I17). Het haalt samen met Nederland, Denemarken en Finland een gedeelde 2de plaats na Luxemburg. De hoogste deprivatiescores worden opgetekend in de EU-lidstaten uit Centraal- en Oost-Europa.

1.4

Armoede volgens de EU2020-definitie

In de loop van 2010 werd door de Europese Unie een plan op tafel gelegd om van de Unie tegen 2020 een slimme, duurzame en inclusieve economie te maken: de zogenaamde EU2020-strategie. Daarbij werden 5 centrale doelstellingen naar voor geschoven op 5 verschillende domeinen. Eén van die doelstellingen heeft betrekking op armoede en sociale inclusie. De bedoeling is om tegen 2020 het aantal armen of sociaal uitgeslotenen in de hele Unie met 20 miljoen te verminderen.

9


Daarvoor werd ook een nieuwe armoede-indicator uitgewerkt. Deze indicator beschouwt iemand als arm of sociaal uitgesloten als hij voldoet aan minstens 1 van volgende voorwaarden: 1. hij of zij leeft in een gezin met een inkomen onder de nationale armoederisicodrempel; 2. hij of zij leeft in een gezin met ernstige materiële deprivatie (het gezin mist minstens 4 items uit een lijst van 9 basisitems omwille van financiële redenen); 3. hij of zij is jonger dan 60 jaar en leeft in een gezin met een zeer lage werkintensiteit. Gemeten aan de hand van deze samengestelde EU2020-indicator leefde in 2011 15% van de Vlaamse bevolking in armoede of sociale uitsluiting (zie indicator I19). Dat komt neer op ongeveer 940.000 personen. Daarmee haalt Vlaanderen een met Tsjechië gedeelde 1ste plaats in de Europese rangschikking (zie indicator I20). In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering zich ertoe verbonden om het aantal personen in armoede of sociale uitsluiting volgens de EU2020definitie tussen 2008 en 2020 met 30% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het aantal personen in armoede of sociale uitsluiting in Vlaanderen moet gedaald zijn tot maximaal 650.000 personen. Tegelijk gaat de Vlaamse Regering voor een 30%-reductie tegen 2020 op de 3 subindicatoren van de EU2020-indicator afzonderlijk. Dat betekent dus een 30%-reductie van het aantal personen met een huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel (zie indicator I1), een 30%-reductie van het aantal personen in ernstige materiële deprivatie (zie indicator I14) en een 30%-reductie van het aantal personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit (zie indicator A9).

1.5

Inkomensverdeling

Bovenstaande gegevens hebben vooral betrekking op de situatie van de minst gegoede groepen maar zeggen weinig over de wijze waarop het beschikbare inkomen verdeeld is over de gehele bevolking. Een vaak gebruikte maat om de inkomensverdeling in een land of regio in kaart te brengen, is de inkomenskwintielverhouding die het aandeel van het inkomen van de 20% rijksten in het totale inkomen vergelijkt met dat van de 20% armsten. Deze verhouding lag in Vlaanderen in 2011 op 3,5 (zie indicator I23). Dat betekent dat het totale inkomen van de 20% rijksten 3,5 keer hoger ligt dan het totale inkomen van de 20% armsten. Een andere maat voor de inkomensongelijkheid is de gini-coëfficiënt. Deze coëfficiënt kijkt niet enkel naar de inkomens van de 20% rijksten en armsten, maar brengt de inkomens van de gehele bevolking in rekening. De maat geeft een waarde tussen 0 en 100 waarbij 0 staat voor een samenleving waar iedereen een gelijk inkomen heeft en 100 voor een samenleving waar al het inkomen toekomt aan 1 persoon. Vlaanderen haalde in 2011 een waarde van 24,5 (zie indicator I25).

10


In

het

Pact

2020

inkomensongelijkheid

heeft tegen

de

Vlaamse 2020

Regering

merkbaar

zich

moet

als

dalen.

doelstelling Sinds

gesteld

2004

is

dat

de

noch

de

inkomenskwintielverhouding, noch de gini-coëfficiënt significant gestegen of gedaald. In Europees perspectief blijft de Vlaamse inkomensongelijkheid beperkt. Vlaanderen haalt zowel op basis van de inkomenskwintielverhouding als op basis van de gini-coëfficiënt een plaats in de top 5 van best presterende EU-landen (zie indicatoren I24 en I26).

1.6

Betalingsproblemen en schulden

Betalingsproblemen en schuldoverlast vormen vaak een belangrijk probleem voor mensen met een laag inkomen. Eind 2012 stonden 127.732 Vlamingen met afbetalingsmoeilijkheden geregistreerd bij de Centrale voor Kredieten aan Particulieren van de Nationale Bank van België (zie indicator S1). Deze Centrale registreert alle kredieten die door natuurlijke personen worden afgesloten en de eventuele wanbetalingen met betrekking tot deze kredieten. Het aantal geregistreerde personen met betalingsachterstand is de afgelopen jaren duidelijk toegenomen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat in deze cijfers enkel rekening wordt gehouden met kredieten (voor consumptie of hypotheek), maar niet met andere schulden zoals schulden voor huur, energiefacturen, gezondheidskosten, telefoon/internet of fiscale schulden. In de EU-SILC-survey wordt jaarlijks gevraagd naar achterstallige betalingen voor huur of hypotheek, elektriciteit, water of gas of aankopen op afbetaling of een andere lening. In 2011 leefde bijna 5% van de Vlamingen in een gezin met minstens 1 achterstallige betaling in het afgelopen jaar (zie indicator S2). Dat komt overeen met ongeveer 320.000 personen. In tegenstelling tot de bovenstaande cijfers van de Nationale Bank wordt hier niet alleen rekening gehouden met kredieten maar ook met andere mogelijke schulden. Het percentage personen in een huishouden met achterstallen is de laatste jaren nagenoeg stabiel gebleven. Het aandeel personen met achterstallige betalingen verschilt nauwelijks naar geslacht (zie indicator S3). Betreffende leeftijd is er een opvallende afname naarmate de leeftijd stijgt. Personen in eenoudergezinnen en grote gezinnen hebben vaker achterstallige betalingen dan personen uit andere huishoudgroepen. Werklozen en niet-actieven (exclusief gepensioneerden) hebben vaker achterstallen dan gepensioneerden. Personen in gezinnen waar niet of beperkt wordt gewerkt, hebben vaker achterstallen dan personen in andere gezinnen, laagopgeleiden vaker dan hoogopgeleiden, huurders vaker dan eigenaars, de lagere inkomensgroepen vaker dan de hogere inkomensgroepen, niet-EU-burgers vaker dan EU-burgers. In vergelijking met de andere Europese landen blijft het aandeel personen met betalingsproblemen in Vlaanderen beperkt (zie indicator S4). Enkel Luxemburg scoort nog iets beter dan Vlaanderen. Sinds 1999 bestaat de juridische procedure van collectieve schuldenregeling. Deze procedure werd in het leven geroepen om mensen die hun schulden niet meer de baas kunnen, de kans te geven om in de mate van het mogelijke hun schulden te betalen en tegelijk een menswaardig leven te

11


leiden. Eind 2012 stonden er in Vlaanderen (inclusief het gerechtelijke arrondissement BrusselHalle-Vilvoorde) in totaal 59.096 berichten van 'toelaatbaarheid van collectieve schuldenregeling' uit (zie indicator S1). Dat aantal is de voorbije jaren telkens met ongeveer 3.000 tot 5.000 eenheden toegenomen. De cijfers kunnen gezien worden als een aanwijzing van de meest extreme vorm van overmatige schuldenlast.

1.7

Sociale bijstandsuitkeringen

Naast de klassieke sociale uitkeringen (pensioenen, werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, ziekte- en invaliditeitsuitkeringen en kinderbijslag), probeert de overheid via de sociale bijstandsuitkeringen de inkomenssituatie van de minst gegoede groepen te verbeteren. Het gaat in eerste instantie om het leefloon dat men ontvangt in het kader van het Recht op Maatschappelijke Integratie (RMI) en het equivalent leefloon in het kader van het Recht op Maatschappelijke Hulp (RMH). Het RMH is er voor mensen die niet in aanmerking komen voor het RMI omdat ze niet voldoen aan bepaalde voorwaarden betreffende leeftijd, nationaliteit en arbeidsbereidheid. In de praktijk gaat het vooral om kandidaat-vluchtelingen en vreemdelingen met een verblijfsvergunning die niet ingeschreven zijn in het bevolkingsregister. In 2011 ontvingen in Vlaanderen per maand gemiddeld 24.069 personen een leefloon (zie indicator U1). Dat aantal is na een duidelijke stijging in 2009 en 2010 in 2011 weer iets gedaald. Nog eens gemiddeld 9.934 personen per maand ontvingen in 2011 een equivalent leefloon. In 2010 en 2011 is dat aantal duidelijk gestegen. Naast het (equivalent) leefloon kan het RMI en het RMH ook ingevuld worden via een tewerkstellingsmaatregel met tussenkomst van het OCMW. Het aantal tewerkstellingsmaatregelen is de voorbije jaren gestaag gestegen tot gemiddeld 5.426 per maand in 2011. Het aantal leefloontrekkers ligt bij vrouwen iets hoger dan bij mannen (zie indicator U2). Het aantal 18-24-jarigen met een leefloon ligt niet veel lager dan het aantal leefloontrekkers bij de 45- tot 64-jarigen, ondanks het grote verschil in omvang van de 2 leeftijdsgroepen. Naar huishoudtype valt het grote aantal alleenstaande leefloontrekkers op. Dat is ook het geval bij het equivalent leefloontrekkers. De cijfers bevestigen ten slotte dat het equivalent leefloon vooral toegekend wordt aan niet-EU-burgers. Slechts een beperkt aantal 65-plussers ontvangt een leefloon omdat zij aparte regelingen kennen: het Gewaarborgd Inkomen voor Bejaarden (GIB) dat sinds 2002 geleidelijk vervangen wordt door de Inkomensgarantie voor Ouderen (IGO). Meestal gaat het om een toeslag bovenop het pensioen, zodat men een bedrag bekomt dat vergelijkbaar is met het leefloon. Het wordt toegekend aan personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt maar die door omstandigheden geen of geen voldoende loopbaan hebben kunnen opbouwen. Begin 2012 ging het samen om 56.902 ouderen (zie indicator U3). Het aantal GIBâ&#x20AC;&#x2122;s gaat sinds 2002 elk jaar achteruit. Het aantal IGOâ&#x20AC;&#x2122;s schommelde tot 2007 rond 40.000, maar gaat sinds 2008 in stijgende lijn.

12


Personen

met

een

handicap

kunnen

een

beroep

doen

op

een

Inkomensvervangende

Tegemoetkoming (IVT) indien zij geen arbeid kunnen verrichten, en/of een Integratietegemoetkoming (IT) indien zij bijkomende kosten te dragen hebben vanwege een vermindering van hun zelfredzaamheid. Eind 2011 werd in Vlaanderen aan 77.158 personen een IVT en/of een IT uitgekeerd (zie indicator U3). Het aantal personen met een IVT en/of IT neemt de laatste jaren opvallend toe. Factoren die hierin mogelijk een rol spelen zijn de vergrijzing van de bevolking, een betere bekendheid van het stelsel en een snellere behandeling van de aanvragen. De gewaarborgde gezinsbijslag ten slotte is bedoeld voor gezinnen die op basis van hun beroepsactiviteit geen enkel recht kunnen doen gelden op kinderbijslag, of slechts een recht genieten op een bedrag dat lager ligt dan de gewaarborgde gezinsbijslag. Eind 2011 ging het om 4.971 rechtgevende kinderen (zie indicator U3).

2.

Sociale uitsluiting

Armoede uit zich niet alleen op financieel vlak maar gaat veelal gepaard met uitsluiting en achterstelling op heel wat andere domeinen. Er wordt achtereenvolgens ingegaan op de bestaande achterstelling

op

het

vlak

van

tewerkstelling,

huisvesting,

gezondheid,

onderwijs

en

maatschappelijke participatie.

2.1

Achterstelling op de arbeidsmarkt

Werk vormt ontegensprekelijk een belangrijke buffer tegen armoede. Het risico om in armoede terecht te komen, ligt bij personen met een job beduidend lager. Dat bleek al uit de armoederisicopercentages van werkenden en niet-werkenden (zie indicator I2). De Vlaamse werkzaamheidsgraad schommelt sinds 2007 rond 72% (zie indicator A1). Positief is wel dat de werkloosheidsgraad tegenover 2010 duidelijk is afgenomen (zie indicator A3). Toch blijven bepaalde groepen â&#x20AC;&#x201C; vooral ouderen, niet-EU-burgers en personen met een handicap â&#x20AC;&#x201C; moeilijk toegang vinden tot de arbeidsmarkt. De lage werkzaamheidsgraad bij ouderen blijft een probleem. De Vlaamse arbeidsmarkt wordt gekenmerkt door een specifiek leeftijdsgebonden arbeidspatroon. Een erg hoge arbeidsdeelname tussen 25 en 49 jaar zorgt in combinatie met een beperkte deelname bij jongeren en ouderen voor sterk samengedrukte loopbanen. De arbeidsdeelname van de 55- tot 64-jarigen is de voorbije jaren wel duidelijk gestegen, waardoor nu bijna 4 op de 10 personen in deze groep aan het werk is. Ook de arbeidsdeelname van vrouwen gaat er gestaag op vooruit. Bij de laaggeschoolden is er eerder sprake van een afname. Bij de nietEU-burgers en de personen met een handicap ging de arbeidsdeelname er in 2011 na een afname in de voorbije jaren weer op vooruit.

13


Uit de Europese vergelijking blijkt duidelijk dat de lage werkzaamheidsgraad bij ouderen en nietEU-burgers de voornaamste pijnpunten blijven op de Vlaamse arbeidsmarkt (zie indicator A2). De beperkte arbeidsdeelname van deze groepen vertaalt zich niet alleen in een lagere werkzaamheidsgraad, maar veelal ook in een hogere ILO-werkloosheidsgraad (zie indicator A4). Het verschil tussen de vrouwelijke en de totale werkloosheidsgraad is in 2011 echter volledig verdwenen. Bij de laaggeschoolden is er wel nog steeds sprake van een behoorlijk verschil. Het grootste verschil is echter te vinden bij de niet-EU-burgers. De werkloosheidsgraad lag in 2011 bij deze laatste groep bijna 5 keer hoger dan de totale werkloosheidsgraad. De werkloosheidsgraad van jongeren tussen 15 en 24 jaar is in 2011 na een sterke stijging in 2009 en 2010 weer gedaald. Ook de werkzaamheidsgraad van deze groep is relatief laag (29% in 2011), maar dat hangt voornamelijk samen met de lange schoolloopbaan van de jonge Vlamingen en is dus niet echt problematisch. De werkloosheidsgraad van jongeren is dat wel. Gebrek aan werkervaring speelt de jongeren parten. Daarenboven worden ze vaker aangeworven met een tijdelijk contract of als uitzendkracht zodat ze geregeld weer in de werkloosheid terechtkomen. De ouderen die niet werken, zitten voornamelijk in de inactiviteit en dus minder in de werkloosheid. Daardoor ligt de werkloosheidsgraad bij de 55- tot 64-jarigen - ondanks hun beperkte arbeidsdeelname - niet hoger dan de totale werkloosheidsgraad. Door de relatief lage totale werkloosheidsgraad in Vlaanderen ligt ook de werkloosheidsgraad van de verschillende groepen met een lagere arbeidsdeelname veelal ver onder het EU-gemiddelde (zie indicator A5). De enige uitzondering hierop is de werkloosheidsgraad van personen met een nationaliteit van buiten de Europese Unie. Daar ligt de werkloosheidsgraad op hetzelfde niveau als het EU-gemiddelde. Wat de langdurige werkloosheidsgraad betreft, scoort Vlaanderen zeer behoorlijk in vergelijking met de EU-lidstaten en duidelijk beter dan het EU-gemiddelde (zie indicator A6). De administratieve gegevens van de VDAB over het aantal niet-werkende werkzoekenden (NWWZ) bevestigen grotendeels bovenstaande bevindingen (zie indicatoren A7 en A8). Onder invloed van de economische crisis liep het aantal NWWZ in 2009 en 2010 aanzienlijk op. In 2011 nam het aantal NWWZ weer af. Maar in 2012 is dat aantal toch weer iets gestegen. In 2011 leefde 9% van de Vlamingen tot 60 jaar in een gezin met een zeer lage werkintensiteit (zie indicator A9). Dat komt overeen met ongeveer 410.000 personen. Dat aandeel is tussen 2004 en 2008 duidelijk gedaald maar tussen 2010 en 2011 weer iets gestegen. Net bij de gezinnen waar niet of slechts beperkt wordt gewerkt, worden de hoogste armoederisicopercentages gemeten. In 2011 beschikte 43% van de leden van gezinnen met een zeer lage werkintensiteit over een inkomen onder de armoederisicodrempel (zie indicator I2). In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering zich ertoe verbonden om het aantal personen in een gezin met zeer lage werkintensiteit tussen 2008 en 2020 met 30% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 dat aantal gedaald moet zijn tot maximaal 250.000 personen. 14


Bij het percentage personen in gezinnen met een zeer lage werkintensiteit bezet Vlaanderen in de Europese rangschikking een plaats in de betere middenmoot (zie indicator A10). Tewerkstelling mag dan wel een belangrijke buffer vormen tegen armoede, toch is het geen sluitende bescherming. Dat blijkt uit het feit dat 3% van de werkende Vlamingen – ongeveer 80.000

personen

in

2011

moest

rondkomen

met

een

huishoudinkomen

onder

de

armoederisicodrempel (zie indicator A11). Dat aandeel ligt in Europees opzicht wel laag (zie indicator A13). Het armoederisicopercentage ligt duidelijk hoger bij laaggeschoolde werkenden, bij werkenden met een tijdelijk contract, bij deeltijds werkenden (minder dan 30 uur per week) en bij zelfstandigen (zie indicator A12).

2.2

Huisvestingsproblemen

Door Eurostat wordt de grens voor een te zware woonkost gelegd op 40% van het beschikbare huishoudinkomen. In 2011 leefde 7% van de Vlamingen in een huishouden met een te zware woonkost. Dat komt overeen met ongeveer 440.000 personen. Het aandeel en aantal personen met te zware woonkosten is sinds 2009 weer licht gestegen en ligt daarmee opnieuw op het niveau van vóór 2008 (zie indicator H1). Te zware woonkosten komen relatief vaker voor bij ouderen, alleenstaanden en leden van eenoudergezinnen,

werklozen,

leden

van

gezinnen

met

zeer

lage

werkintensiteit,

laaggeschoolden, huurders, de laagste inkomensgroepen en niet-EU-burgers (zie indicator H2). In Europees perspectief haalt Vlaanderen voor het probleem van te zware woonkosten een plaats in de middenmoot (zie indicator H3). Dat de woonkost behoorlijk kan doorwegen op het gezinsbudget blijkt ook uit het feit dat een aanzienlijke groep gezinnen problemen heeft met het betalen van de elektriciteits- of gasfactuur (zie indicator H4). Een klant die zijn energiekosten niet tijdig betaalt, krijgt een herinneringsbrief in de bus. Wie daarop binnen een bepaalde termijn niet reageert, krijgt een aangetekende ingebrekestelling. Reageert de klant ook hier niet op of komt hij de in een afbetalingsplan gemaakte afspraken niet na, dan mag de commerciële leverancier het contract met zijn klant opzeggen. Als de klant geen nieuwe commerciële leverancier vindt, dan neemt de netbeheerder in zijn rol van sociale leverancier de levering van elektriciteit en/of gas over. Eind 2012 ging het om 80.320 huishoudens voor elektriciteit en 57.804 voor gas (voorlopige cijfers). Het aantal door de netbeheerders van elektriciteit en gas voorziene huishoudens nam in 2012 voor het eerst in lange tijd weer af. Bij wanbetaling bij de sociale leverancier plaatst de netbeheerder een budgetmeter die de klant verplicht om vooraf te betalen voor de levering van elektriciteit en/of gas. Indien de klant niet vooraf betaalt, valt de stroomlevering terug op een minimale levering van 10 ampère. Het wordt dan moeilijk om meerdere toestellen tegelijk te gebruiken. Bij gas wordt in het geval van nietbetaling via de budgetmeter de levering helemaal afgesloten.

15


Het aantal budgetmeters voor elektriciteit lag in 2012 op hetzelfde niveau als in 2011. Eind 2012 verbruikte iets meer dan 44.000 huishoudens stroom via een budgetmeter. In de loop van 2009 werden ook de eerste budgetmeters geplaatst voor de levering van gas. Eind 2012 ging het om 27.125 huishoudens. Dat aantal nam de voorbije jaren duidelijk toe. Bij blijvende wanbetaling kan een vraag tot volledige afsluiting voorgelegd worden aan de Lokale Adviescommissie (LAC) van de gemeente. In de wintermaanden worden in dergelijke situatie elektriciteit en gas niet afgesloten. In de loop van 2011 werden 1.165 afnemers volledig afgesloten van de elektriciteitsvoorzieningen en 1.850 gezinnen van aardgastoevoer. Het aantal afgesloten afnemers voor elektriciteit en gas is in 2011 afgenomen. Het aantal gezinnen waarvan na wanbetaling de watertoevoer is afgesloten, steeg de afgelopen jaren sterk. In 2011 ging het om 4.886 gezinnen. Bijna een kwart van de Vlaamse bevolking leefde in 2011 in een huis met structurele gebreken aan het dak, de ramen, deuren en muren, zonder adequate verwarming, met een gebrek aan elementair comfort of met een gebrek aan ruimte (zie indicator H5). Dat komt overeen met bijna 1,5 miljoen personen. In het Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering zich ertoe verbonden om het aantal personen dat woont in een huis met een gebrekkige kwaliteit tussen 2006 en 2020 met 50% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het aantal bewoners van dergelijke huizen gedaald moet zijn tot maximaal 690.000 personen. Na een duidelijke daling van de cijfers in 2008 en 2009 is er in 2010 en 2011 echter weer sprake van een stijging. Het aandeel personen met huisvestingsproblemen neemt af met de leeftijd (zie indicator H6). Daarnaast zijn er meer problemen bij groepen die ook minder goed scoren op de andere indicatoren: de eenoudergezinnen, grote gezinnen en alleenstaanden, de werklozen en nietactieven (exclusief de gepensioneerden), de gezinnen waar slechts beperkt wordt gewerkt, de laaggeschoolden, de huurders, de laagste inkomensgroepen en de niet-EU-burgers.

2.3

Onderwijs

Opleiding speelt een belangrijke rol in de strijd tegen armoede. Dat bleek al herhaaldelijk uit de uiteenlopende scores van hoog- en laagopgeleiden op de verschillende armoede-indicatoren. Het is dan ook belangrijk de onderwijsprestaties van jongeren op te volgen. Uit de resultaten van het grootschalige PISA-onderzoek van de OESO blijkt in eerste instantie dat Vlaanderen in vergelijking met andere Europese landen behoorlijk scoort als het gaat om leesvaardigheid en wiskundige prestaties van 15-jarigen. Wel nam het aantal laaggeletterde leerlingen tot 2006 toe waarna het tussen 2006 en 2009 licht daalde (zie indicator O1). Bovendien valt een groot verschil op tussen meisjes en jongens: meisjes scoren beter dan jongens. Bij wiskundige geletterdheid draait de verhouding tussen jongens en meisjes helemaal om. Hier scoren jongens het beste. 16


Het

totale

aandeel

schoolverlaters

zonder

diploma

in

Vlaanderen

daalde

volgens

de

administratieve SSL-gegevens de afgelopen jaren gestaag. De gegevens van de EAK-enquĂŞte tonen een iets ander beeld (zie indicator O2). Beide bronnen maken wel duidelijk dat mannen beduidend minder goed scoren dan vrouwen als het gaat om het vroegtijdig verlaten van de schoolbanken. In Europees opzicht haalt Vlaanderen een 8ste plaats in de EU-ranking (zie indicator O3).

2.4

Gezondheid en zorg

Het aandeel Vlamingen van 16 jaar en ouder dat zijn gezondheid als (zeer) slecht omschrijft, ligt de laatste jaren iets hoger dan in de periode 2006-2008 (zie indicator G1). In 2011 ging het om 7% van de Vlaamse bevolking. Bepaalde groepen zijn duidelijk minder tevreden over de eigen gezondheid (zie indicator G2). Dat de gezondheidssituatie verslechtert met de leeftijd lijkt voor de hand te liggen. Daaruit volgt ook een mindere score bij oudere koppels en gepensioneerden. De slechtere situatie van alleenstaanden houdt ten dele verband met leeftijd aangezien er in deze groep relatief veel ouderen zitten. Andere groepen die de eigen gezondheid als (zeer) slecht omschrijven, zijn niet-actieven, leden van gezinnen met een zeer lage werkintensiteit, laaggeschoolden, huurders en personen uit de laagste inkomensgroep. Het geeft aan dat de gezondheidssituatie van een individu samenhangt met diens sociaaleconomische situatie. In de Europese rangschikking scoort Vlaanderen met een 6de plaats relatief goed (zie indicator G3). Er bestaat voor een beperkt deel van de bevolking nog steeds een probleem van toegang tot de gezondheidszorg. In 2011 leefde 4% van de Vlamingen in een gezin dat in het voorbije jaar minstens 1 keer een bezoek aan de arts of tandarts heeft moeten uitstellen omwille van financiĂŤle redenen. Dat komt overeen met ongeveer 250.000 personen (zie indicator G4). Dat aandeel is tegenover de voorgaande jaren sterk gestegen. Ook hier scoren enkele groepen opvallend minder goed: leden van eenoudergezinnen, werklozen, leden van gezinnen met lage werkintensiteit, huurders en personen uit de laagste inkomensgroep (zie indicator G5).

2.5

Maatschappelijke participatie

Armoede en bestaansonzekerheid gaan ten slotte ook gepaard met achterstelling op het vlak van maatschappelijke integratie en participatie. Zo participeren de meest kwetsbare groepen minder aan cultuur, aan sport en aan het verenigingsleven.

17


In 2012 nam bijna een kwart van de volwassen Vlamingen niet deel aan culturele activiteiten (zie indicator M1). Dat komt overeen met goed 1,1 miljoen Vlamingen. Het aandeel niet-participanten ligt in 2012 op hetzelfde niveau als in 2011, maar is sinds 2006 wel duidelijk gestegen. De nietparticipatie aan cultuur ligt beduidend hoger bij ouderen en gepensioneerden, werklozen, alleenstaanden, samenwonenden zonder kinderen, laaggeschoolden en personen uit de laagste inkomensgroepen (zie indicator M2). Een gelijkaardige situatie doet zich voor op het vlak van sportparticipatie. Ook daar zijn het vooral de

ouderen

en

gepensioneerden,

werklozen,

alleenstaanden

en

alleenstaande

ouders,

laaggeschoolden en personen uit de laagste inkomensgroepen die minder participeren (zie indicator M4). Nochtans wordt sport hier ruim opgevat en omvat het ook ontspanningsactiviteiten zoals wandelen en fietsen. Het totale aandeel Vlamingen dat niet sport, lag in 2012 op 45% van de volwassen bevolking (zie indicator M3). Het gaat om ongeveer 2,2 miljoen Vlamingen. Het aandeel niet-sporters is na een duidelijke stijging in de voorbije jaren tussen 2011 en 2012 iets afgenomen. Op het vlak van actieve deelname aan het verenigingsleven zien we min of meer hetzelfde beeld: ouderen, werklozen, laagopgeleiden en personen uit de laagste inkomensgroepen zijn minder actief (zie indicator M6). In totaal blijkt iets minder dan de helft van de volwassen Vlamingen geen actief lid van 1 of meer verenigingen (zie indicator M5). Dat komt overeen met 2,4 miljoen personen. Het aandeel niet-participanten lag de voorbije jaren steeds net iets onder de helft van de Vlamingen, uitgezonderd in 2009 en 2011. De verschillen tussen groepen zijn minder uitgesproken - of lopen in een aantal gevallen zelfs in de andere richting - bij de intensiteit van sociale contacten met buren, familie en vrienden of kennissen (zie indicator M8). Het zijn niet de 65-plussers die het hoogste risico lopen op sociale isolatie, wel de 50- tot 64-jarigen. Er blijkt ook geen duidelijk verschil te zijn naar opleidings- en inkomensniveau. Bijna 11% van de volwassen Vlamingen had in 2012 minder dan wekelijks contact met buren, familie, vrienden of kennissen (zie indicator M7). Het gaat om ongeveer 540.000 personen. Het aandeel Vlamingen dat risico loopt op sociale isolatie is sinds 2010 opvallend gestegen. Het aandeel Vlamingen dat geen of zeer zelden gebruik maakt van internet daalt de laatste jaren behoorlijk snel. Maar in 2012 gaat het toch nog om een kwart van de volwassen Vlamingen (zie indicator M9). Dat komt overeen met ongeveer 1,2 miljoen personen. Het verschil naar leeftijd is zeer groot (zie indicator M10). Bij de jongste groep gaat het om een te verwaarlozen aandeel, bij de oudste groep om 67%. Daarmee verbonden is ook de hoge score van gepensioneerden en alleenstaanden.

Er

zijn

daarnaast

duidelijke

verschillen

naar

geslacht,

opleiding

en

inkomensniveau. De niet-participatie ligt bij mannen lager dan bij vrouwen, bij hoogopgeleiden lager dan bij laagopgeleiden en bij de hogere inkomensgroepen lager dan bij de lagere inkomensgroepen.

18


3.

Kinderarmoede

Aangezien kinderen een belangrijke aandachtsgroep vormen voor het Vlaamse armoedebeleid, zijn in de Vlaamse Armoedemonitor een aantal indicatoren opgenomen die specifiek focussen op de situatie van deze groep. Als het huishoudinkomen afgezet wordt ten opzichte van de Belgische armoederisicodrempel, blijkt de situatie van de Vlaamse kinderen slechts beperkt af te wijken van de situatie van de totale bevolking (zie indicator K1). In 2011 woonde 10% van de Vlamingen van 0 tot 17 jaar in een huishouden met een inkomen onder de armoederisicodrempel. Dat komt overeen met ongeveer 130.000 kinderen. Dat aandeel schommelt de voorbije jaren tussen 10% en 11%. In Europees opzicht scoort Vlaanderen op dit vlak zeer goed (zie indicator K3). In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering er zich toe verbonden om het aantal kinderen in een gezin met een inkomen onder de armoederisicodrempel tussen 2008 en 2020 met 50% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het aantal kinderen onder de armoederisicodrempel gedaald moet zijn tot maximaal 60.000 kinderen. Om een opdeling te kunnen maken binnen de groep kinderen naar onder meer leeftijd, huishoudsamenstelling, werkintensiteit van het huishouden en nationaliteit en opleidingsniveau van de ouders, wordt gebruik gemaakt van een dataset waarin de 3 meeste recente edities van de EU-SILC-survey (EU-SILC 2009, EU-SILC 2010 en EU-SILC 2011) werden samengevoegd. Dat verhoogt het aantal kinderen opgenomen in de steekproef en vergroot de betrouwbaarheid van de resultaten voor kleinere subgroepen. Uit deze oefening blijkt er op vlak van armoederisicopercentages bij de Vlaamse kinderen geen verschil naar geslacht en leeftijd (zie indicator K2). Naar huishoudtype zijn vooral de kinderen in eenoudergezinnen er minder goed aan toe. Dat geldt zeker ook voor kinderen in gezinnen waar niemand werkt of slechts beperkt wordt gewerkt . Ook kinderen die leven in een gezin dat de eigen woning huurt, kinderen in een gezin waarvan minstens 1 volwassen lid een nationaliteit heeft van een land van buiten de Europese Unie en kinderen in een gezin waar geen van de volwassenen minstens een diploma hoger secundair onderwijs heeft, scoren duidelijk minder goed. Ook als de drempel op 40%, 50% of 70% van het mediaaninkomen wordt gezet, wijkt de inkomenssituatie van de Vlaamse kinderen weinig af van de situatie van de totale bevolking (zie indicator K4).

19


Het aandeel kinderen in een gezin dat zelf aangeeft moeilijk rond te komen, ligt wel beperkt hoger dan bij de totale bevolking (zie indicator K5). Het zijn dezelfde groepen kinderen als bij de objectieve armoederisicopercentages die minder goed scoren: kinderen in eenoudergezinnen, kinderen in gezinnen waar niet of slechts beperkt wordt gewerkt, kinderen in gezinnen die huren, kinderen in niet-EU-gezinnen en kinderen in laagopgeleide gezinnen. Ook bij de cijfers over ernstige materiële deprivatie gaat het om dezelfde groepen kinderen die zich in een mindere positie bevinden (zie indicator K6). Het aandeel Vlaamse kinderen dat leeft in een gezin in ernstige materiële deprivatie blijft beperkt. Het gaat om 3% van de Vlaamse kinderen. Dat komt overeen met ongeveer 40.000 kinderen. De totaalscore op de samengestelde ernstige materiële deprivatiemaat mag dan wel relatief laag liggen, toch leven 270.000 Vlaamse kinderen in een gezin dat zich geen week vakantie kan veroorloven of dat een onverwachte uitgave van 850 euro niet aankan (zie indicator K7). Bij de woonsituatie valt vooral op dat kinderen vaker in huizen wonen van mindere kwaliteit dan de totale bevolking (zie indicator K9). Op het vlak van woonkosten blijft het verschil met de totale bevolking beperkt (zie indicator K8). Betreffende woonkosten en kwaliteit van de huisvesting zijn het weer dezelfde groepen kinderen die minder goed scoren: kinderen in eenoudergezinnen, kinderen in gezinnen waar niet of slechts beperkt wordt gewerkt, kinderen in gezinnen die huren, kinderen in niet-EU-gezinnen en kinderen in laagopgeleide gezinnen. Ten slotte blijkt er weinig verschil tussen het aandeel kinderen en het aandeel in de totale bevolking dat leeft in een gezin dat medische zorg moet uitstellen omwille van financiële redenen (zie indicator K10). Ook hier duiken weer dezelfde groepen kinderen op die zich in een mindere positie bevinden. Een alternatieve indicator die verschillende van de hierboven behandelde aspecten van de armoedesituatie bij kinderen tegelijk in rekening tracht te brengen, werd begin jaren 1990 ontwikkeld door Kind en Gezin (zie indicator K11). Aan de hand van het maandinkomen van het gezin, de opleiding en de arbeidssituatie van de ouders, de ontwikkeling van de kinderen, de huisvesting en de gezondheidssituatie van het gezin, wordt nagegaan hoeveel kinderen geboren worden in een kansarm gezin. Een gezin wordt als kansarm beschouwd als het op minstens 3 van de voorgenoemde criteria zwak scoort. Sinds 2010 wordt niet meer gewerkt met jaarcijfers maar met het gemiddelde van het jaar en de 2 voorgaande jaren. Dat zorgt voor robuustere resultaten. Ook worden geen absolute aantallen meer vrijgegeven, enkel procentuele aandelen ten opzichte van het totaal aantal geboorten. Om de verandering in de berekening te accentueren, spreekt Kind en Gezin nu van een kansarmoedeindex. In 2011 haalde de index een score van 9,7. Dat betekent dat 9,7% van de geboorten in de periode 2009-2011 in het Vlaamse Gewest plaatsvond in een kansarm gezin. Ook voor de voorgaande jaren werd een indexscore berekend volgens de nieuwe formule. Daaruit blijkt dat de kansarmoede-index sinds 2005 behoorlijk sterk is toegenomen.

20


In het Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering zich ertoe verbonden om het aantal kinderen dat geboren wordt in armoede tussen 2008 en 2020 met 50% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het percentage geboorten in kansarme gezinnen gedaald moet zijn tot maximaal 4%.

21


22


INDICATOREN

23


24


Indicator I1

Bevolking onder de armoederisicodrempel: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel na sociale transfers

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2004-2011, doelstelling 2020

14

12 800.000 10 600.000

8

6

400.000

4

% personen onder armoederisicodrempel

aantal personen onder armoederisicodrempel

1.000.000

200.000 2

0

2004

Aantal personen 640.000 % personen 10,8

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2020

670.000

690.000

660.000

610.000

620.000

650.000

610.000

430.000

11,3

11,4

10,9

10,0

10,1

10,4

9,8

0

Toelichting De Belgische armoederisicodrempel (= 60% van het mediaan gestandaardiseerde huishoudinkomen) lag volgens de EU -SILC-survey van 2011 voor een alleenstaande op 12.005 euro per jaar of 1.000 euro per maand. Voor elke bijkomende volwassene in het huishoude n wordt dat bedrag verhoogd met een factor 0,5, voor elk kind met een factor 0,3. Voor een gezin met 2 volwassenen en 2 kinderen (1 + 0,5 + 0,3 + 0,3) ligt de armoederisicodrempel zo op 2.101 euro per maand (= 1.000 euro x 2,1). Er wordt vanuit gegaan dat personen die le ven in een huishouden dat moet rondkomen met een inkomen onder die drempel, een verhoogd risico lopen op armoede. Iets minder dan 1 op de 10 personen moest volgens de cijfers van de EU-SILC-survey van 2011 in Vlaanderen zien rond te komen met een inkomen onder deze armoederisicodrempel. Dat komt overeen met ongeveer 610.000 personen. Deze indicator wordt berekend op basis van het beschikbare huishoudinkomen in het jaar voor de survey. De cijfers van de survey van 2011 hebben dus eigenlijk betrek king op het huishoudinkomen van 2010. Het armoederisicopercentage is de afgelopen jaren vrij stabiel gebleven, al lijkt er tussen 2010 en 2011 sprake van een lich te daling. Ook tussen 2006 en 2008 is het percentage personen onder de armoederisicodrempel licht afgenomen. De vergelijking maken met de pe riode voor 2004 is moeilijk wegens een breuk in de tijdreeks (overgang van de ECHP-survey naar de EU-SILC-survey). Wel is het zo dat tussen 1994 en 1997 het armoederisicopercentage licht is gedaald waarna het tussen 1997 en 2001 min of meer stabiel is gebleven. In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering er zich toe verbonden om het aantal personen met een inkomen onder de armoederisicodrempel tussen 2008 en 2020 met 30% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 h et aantal personen met een huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel gedaald moet zijn tot maximaal 430.000 personen.

25


Indicator I2

Bevolking onder de armoederisicodrempel: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage en aantal personen met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel na sociale transfers

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2011

Percentage personen met huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel

% personen onder armoederisicodrempel 0

10

Totaal

10

Man Vrouw

9 10

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

10 5 8 7 18

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

15 6 21 22 5 5 9

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

3 23 15 16

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

43 13 11 5 2

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

18 7 4

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

7 21

niet EU-burger EU-burger

47 9

20

30

40

50

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85).

26


Aantal personen met huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel aantal personen onder armoederisicodrempel x 1.000 0

100

Man

290

Vrouw

320

0-17 jaar

130

18-24 jaar

30

25-49 jaar

170

50-64 jaar

190

Alleenstaande

120

Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar

70 40

Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen

50

Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

60

Werkend

80 60

Gepensioneerd

170

Anders niet-actief

160

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit *

170

met lage werkintensiteit

30

met middelmatige werkintensiteit

70

met hoge werkintensiteit

50

met zeer hoge werkintensiteit

40

Laaggeschoold

260

Middengeschoold

140 70

Lid van gezin dat huis bezit

330

Lid van gezin dat huis huurt

290

EU-burger

440

niet-EU-burger

500

50

Lid van eenoudergezin

Hooggeschoold

400

140

Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind

Werkloos

300

90

65 jaar en ouder

Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar

200

40

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85).

27


Indicator I3

Bevolking onder de armoederisicodrempel: evolutie situatie risicogroepen

Omschrijving

Percentage personen met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel na sociale transfers, bij die groepen waarvan het armoederisicopercentage minstens 1,5 keer hoger ligt dan het algemene armoederisicopercentage

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2008-2011

% personen onder armoederisicodrempel 0

10

20

30

40

50

10

Totaal 10

2008 2009

19

65 jaar en ouder

2010

18

2011 19

Alleenstaande 15 19

Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar 21 29

Lid van eenoudergezin 22

20

Werkloos 23 17

Gepensioneerd 15 16

Anders niet-actief 16

35

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit 43

17

Laaggeschoold 18

20

Lid van gezin dat huis huurt 21

28

niet-EU-burger 47

28


Indicator I4

Bevolking onder de armoederisicodrempel: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de nationale armoederisicodrempel en hoogte van de nationale armoederisicodrempel voor een alleenstaande in euro (bedrag per jaar)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 27 lidstaten van de Europese Unie 2011

50.000

20

15

10

13 13 13 10 10

14 14 14 14 14 14

15 15 15

16 16 16

17

18 18 18

19

20 20

21

22 22 22 40.000

30.000

11 20.000

% personen onder armoederisicodrempel (linkse as)

Spanje

Bulgarije

Roemenië

Litouwen

Griekenland

Italië

Letland

Polen

Portugal

EU27

Estland

Ierland*

Verenigd Koninkrijk

Malta

Duitsland

België

Cyprus

Zweden

Slovenië

Hongarije

Luxemburg

Finland

Frankrijk

Slovakije

Oostenrijk

Denemarken

0 Tsjechië

0 Nederland

10.000

Vlaams Gewest

5

hoogte van de armoederisicodrempel in euro

% personen onder armoederisicodrempel

25

hooge van de armoederisicodrempel in euro (rechtse as)

* Cijfer voor 2010.

Toelichting Het Vlaamse armoederisicopercentage (10%) lag in 2011 duidelijk lager dan het EU27-gemiddelde (17%). Vlaanderen haalde daarmee in 2011 zelfs een met Tsjechië gedeelde eerste plaats in de EU27-rangschikking. In het Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering zich als doelstelling gesteld dat het aandeel inwoners in Vlaanderen dat leeft in armoede in 2020 laag moet liggen in vergelijking met de best presterende EU27-landen. Die doelstelling is vandaag al gehaald. Het is opvallend dat verschillende Oost- en Centraal-Europese landen (Tsjechië, Slovakije, Hongarije en Slovenië) niet beduidend slechter scoren dan de West- en Noord-Europese landen, terwijl de levensstandaard in die eerste groep landen toch lager ligt. Dat heeft t e maken met het feit dat het hier gaat om een relatieve armoedemaat, berekend op basis van het mediaaninkomen in elk land afzonderlij k. Dat gebeurt vanuit de redenering dat een minimaal aanvaardbare levensstandaard - en dus ook de armoederisicodrempel - afhankelijk is van de specifieke sociaaleconomische situatie van het land in kwestie. In de grafiek is op de rechteras de hoogte van de armoederisicodrempel in elk land af te lezen. Daaruit blijkt dat de armoederisicodrempel sterk verschilt van land tot land. Daarmee moet bij de i nterpretatie van de armoederisicopercentages zeker rekening gehouden worden.

29


Indicator I5

Bevolking onder de armoederisicodrempel: Europese vergelijking risicogroepen

Omschrijving

Percentage personen met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de nationale armoederisicodrempel na sociale transfers, bij die groepen waarvan het armoederisicopercentage in het Vlaamse Gewest minstens 1,5 keer hoger ligt dan het algemene armoederisicopercentage

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 27 lidstaten van de Europese Unie 2011

65-plussers

Alleenstaanden 60

50

50

40

40 30 30 20

20 10

0

0 HU LU SK NL CZ LV FR IE* LT EE RO DE PL EU27 DK AT IT VL MT SE FI PT BE ES SI UK GR BG CY

VL LU HU NL CZ SK FR LV BE IE* MT RO IT AT ES GR UK PL EU27 EE LT DK PT SE CY DE FI SI BG

10

Leden van gezin met 2 volw., minstens 1 > 65 jaar 40

Leden van een eenoudergezin 60 50

30 40 20

30 20

10 10 0

CY DK VL FI AT SK PT PL HU IE* SI UK FR NL EE EU27 BG CZ IT SE DE BE ES LV RO LT GR LU MT

LU HU SK NL FI SE FR LT EE IE* RO DE SI LV DK AT PL EU27 IT UK PT VL MT ES BE GR BG CY

0

Werklozen 70

Gepensioneerden 40

60 30

50 40

20

30 20

10

10 0

LU HU SK NL CZ FR IE* LV RO IT PL DE EU27 DK VL LT EE AT ES BE FI MT PT SI SE GR UK BG CY

VL IE* DK NL PT CY FR BE SE ES AT LU SK MT FI PL GR SI EU27 CZ HU UK IT RO LV EE BG LT DE

0

* Cijfer voor 2010. EE AT

30


ES BE

Leden van een gezin met zeer lage werkintensiteit

Niet-actieven excl. werklozen en gepensioneerden

FI MT

40 30 20

80

PT

70

SI

60

SE

50

GR UK

40

BG

30 10

CY

20 10

0

IE* LU DK VL NL UK CY RO GR FR AT PT HU PL IT EU27 FI SI CZ ES MT BE SE LT SK LV DE EE BG

CZ CY VL LU SI SK MT HU NL AT IE* DE PL BE LV EU27 FR BG IT PT UK LT FI ES GR SE EE RO DK

0 CZ SK VL

Leden van gezin dat huis huurt

Laaggeschoolden

NL DK

50

50

40

40

30

30

20

20

10

10

0

0

PL CY MT UK IE* DE BG HU FR

NL DK LU VL FR MT CZ IE* PT SK FI AT HU IT SE EU27 BE DE LV ES EE UK SI LT PL CY GR RO BG

CZ SK VL AT NL DK PL CY MT UK IE* DE BG HU FR GR RO EU27 LU FI PT SE EE SI IT LV BE ES LT

GR RO EU27 LU FI PT

Niet-EU-burgers**

SE EE

60

SI

50

IT

40

LV BE

30

ES

20

LT

10 BG CZ HU LT LV IE* EE UK MT AT DE IT NL DK EU27 SI PT CY FI VL ES LU GR FR SE BE

0

* Cijfer voor 2010. ** Hier gaat het om 18-plussers, bij indicator I2 en I3 om 16-plussers.

Toelichting Als de inkomenssituatie van de bevolkingsgroepen die in het Vlaamse Gewest een hoger risico lopen op armoede (minstens 1,5 keer het gemiddelde armoederisico) vergeleken wordt met de situatie van deze groepen in de 27 EU-lidstaten, dan blijkt een diffuus beeld. Bij de meeste groepen haalt Vlaanderen een plaats binnen de top 5 van de EU-rangschikking. Bij de oudere bevolkingsgroepen (65-plussers, leden van koppels waarvan minstens 1 partner ouder is dan 65 jaar en gepensioneerden) zakt Vlaanderen met een score onder het EU gemiddelde weg naar de (lagere) middenmoot. Ook bij de niet-EU-burgers valt Vlaanderen ver terug in de Europese rangschikking.

31


Indicator I6

Diepte van de inkomensarmoede: evolutie

Omschrijving

Percentage personen met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder 40%, 50% en 70% van het nationaal mediaan gestandaardiseerd huishoudinkomen na sociale transfers

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Aantal personen 25 % personen

Vlaams Gewest 2006-2011

2004

2005

2006

2007

2008

2009

758.000

822.000

813.000

807.000

777.000

725.000

12,6

13,7

13,6

13,4

12,8

11,8

% personen onder drempel

20

15

10

5

0

Onder 40% van het mediaaninkomen

Onder 50% van het mediaaninkomen

Onder 70% van het mediaaninkomen

2006

2,3

5,9

18,9

2007

2,6

5,3

17,8

2008

2,0

4,9

17,9

2009

2,5

4,8

18,2

2010

2,6

4,9

18,4

2011

1,8

5,0

18,5

Toelichting Om zicht te krijgen op de spreiding van de inkomens rond de armoederisicodrempel en dus de diepte van de inkomensarmoede kan men de hoogte van de armoederisicodrempel (normaal 60% van het nationaal mediaaninkomen) laten variĂŤren. In 2011 bleek 19% van de Vlamingen te beschikken over een inkomen lager dan 70% van het nationaal mediaaninkomen, 5% over een inkomen lager dan 50% va n het mediaaninkomen en 2% lager dan 40% van het mediaaninkomen. Die aandelen bleven de laatste jaren vrij stabiel. Net als bij de klassieke armoededrempel (60% van het nationaal mediaanikomen) scoort Vlaanderen ook bij de 40% -, bij de 50%- en bij de 70%-drempel op hetzelfde niveau als de best presterende EU-landen (zie indicator I7).

32


Indicator I7

Diepte van de inkomensarmoede: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder 40%, 50% en 70% van het nationaal mediaan gestandaardiseerd huishoudinkomen na sociale transfers

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 27 lidstaten van de Europese Unie 2011

30

4

4

5

SI

BE

SE

DE

SK

5

5

5

7

EE

4

6

PL

3

6

EU27

3

PT

3

UK

3

6

DK

3

MT

CZ

3

FR

NL

3

AT

3

HU

3

CY

2

LU

2

FI

10

IE*

20

VL

% personen onder 40%

40

8

8

9

9

10 10 11

ES

RO

LV

BG

LT

GR

IT

0

30

8

8

8

9

10 10 11 11 11

DE

SI

8

BE

SE

8

UK

8

IE*

8

MT

8

SK

7

CY

7

DK

5

7

HU

5

7

AT

5

6

FR

10

LU

20

FI

% personen onder 50%

40

15 16 16 13 14 14 14

BG

RO

ES

GR

LT

LV

IT

PT

PL

EE

EU27

NL

VL

CZ

0

% personen onder 70%

40 30 20

30 28 29 29 29 26 26 26 27 27 25 25 24 24 24 24 22 22 22 23 23 20 21 21 21 19 19 17 18

10

33

BG

RO

ES

GR

IT

LT

EE

LV

PL

PT

IE*

EU27

BE

UK

DE

* Cijfer voor 2010.

MT

CY

LU

SE

HU

FI

FR

DK

SI

AT

SK

VL

CZ

NL

0


Indicator I8

Bevolking in langdurige armoede: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel na sociale transfers tijdens jaar x en tijdens minstens 2 van de 3 voorgaande jaren

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2007-2010

600.000

8

6 400.000 5 300.000

4 3

200.000

% personen in langdurige armoede

aantal personen in langdurige armoede

7 500.000

2 100.000 1 0 Aantal personen % personen

2007

2008

2009

2010

300.000

290.000

360.000

420.000

5,0

4,7

5,9

6,7

0

Toelichting Terwijl het aandeel personen met een inkomen onder de armoededrempel tussen 2008 en 2010 min of meer constant is gebleven in Vlaanderen (zie indicator I1), is het aandeel personen in langdurige armoede wel gestegen. Doordat de EU-SILC-survey een panelsurvey is â&#x20AC;&#x201C; gezinnen worden verschillende jaren na elkaar bevraagd â&#x20AC;&#x201C; is het mogelijk om de inkomenssituatie van gezinnen over een aantal jaren heen te volgen. In 2010 (cijfers voor 2011 zijn nog niet beschikbaar) leefde 7% van de Vlamingen in een gezin met een inkomen onder de armoededrempel in 2010 en in minstens 2 van de 3 voorgaande jaren. Dat komt overeen met ongeveer 420.000 personen. Als dat vergeleken wordt met het totale aandeel personen onder de armoededrempel in 2010 dan blijkt dat 64% van de personen in armoede in Vlaanderen zich in een positie van langdurige armoede bevinden.

34


Indicator I9

Bevolking in langdurige armoede: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage en aantal personen met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel na sociale transfers tijdens jaar x en tijdens minstens 2 van de 3 voorgaande jaren

DIMENSIES

Ruimte

Vlaams Gewest en 27 lidstaten van de Europese Unie (Geen cijfers beschikbaar voor Frankrijk en Ierland) 2010

Tijd BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/245.htm

20

100

% personen in langdurige armoede

16

90 80

15 70

13 12

60

11 11 11 10 10 10

10

9 8 7 6

5

6

6

6

7

7

8

9

50

9

8

40

7

6

30

5

20 10

Roemenië

Bulgarije

Griekenland

Portugal

Italië

Spanje

Polen

Letland

EU27

Estland

Cyprus

Malta

Duitsland

België

Nederland

Finland

% personen in langdurige armoede (linkse as)

Litouwen

Verenigd Koninkrijk

Slovenië

Oostenrijk

Tsjechië

Vlaams Gewest

Slovakije

Luxemburg

Hongarije

Zweden

0 Denemarken

0

Procentueel aandeel langdurige armoede in totale armoede

18 18

Procentueel aandeel langdurige armoede in totale armoede (rechtse as)

Toelichting Terwijl Vlaanderen inzake het totale aandeel personen onder de armoededrempel samen met Tsjechië een gedeelde eerste plaats h aalt in de EU27-rangschikking (zie indicator I4), zakt het met een 7de plaats iets terug in de rangschikking als het gaat om het aandeel personen in langdurige armoede. Opvallend is ook dat het procentueel aandeel van de langdurige armoede in de totale armoede in Vlaanderen relatief hoog ligt, zeker als vergeleken wordt met landen met een relatief lage score op het aandeel personen in langdurige armoede.

35


Indicator I10

Subjectieve beoordeling van de inkomenssituatie: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen dat leeft in een huishouden dat volgens de referentiepersoon (zeer) moeilijk rondkomt met het beschikbare inkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/245.htm

Vlaams Gewest 2004-2011

1.200.000

16 14 12

800.000 10 600.000

8 6

400.000 4

% personen dat (zeer) moeilijk rondkomt

aantal personen dat (zeer) moeilijk rondkomt

1.000.000

200.000 2 0 aantal personen % personen

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

790.000

750.000

710.000

580.000

900.000

930.000

870.000

930.000

13,1

12,5

11,7

9,6

14,9

15,2

14,1

15,0

0

Toelichting Bij de indicatoren I1 tot I9 wordt op een objectieve manier nagegaan of het inkomen waarover mensen beschikken al dan niet on der een bepaalde drempel ligt. Maar de inkomensgerelateerde verwachtingen en behoeften verschillen van mens tot mens. De objectieve vergelijking van het beschikbare inkomen met de armoederisicodrempel wordt daarom best aangevuld met een subjectieve inschatt ing van het inkomen door de betrokkenen zelf. In 2011 leefde 15% van de Vlamingen in een huishouden dat zelf aangeeft (zeer) moeilijk rond te komen met het beschikbare ink omen. Dat komt overeen met ongeveer 930.000 personen. Deze cijfers liggen de laatste jaren duidelijk hoger dan in de periode 2006 -2007. In tegenstelling tot het percentage personen onder de armoederisicodrempel dat berekend wordt op basis van het totale huishou dinkomen in het jaar voorafgaand aan de survey (bij de EU-SILC-survey van 2011 gaat het dus om het inkomen uit 2010), heeft de subjectieve armoedemaat betrekking op de situatie op het moment waarop de survey wordt afgenomen (de EU-SILC-survey van 2011 werd afgenomen medio 2011).

36


Indicator I11

Subjectieve beoordeling van de inkomenssituatie: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage en aantal personen dat leeft in een huishouden dat volgens de referentiepersoon (zeer) moeilijk rondkomt met het beschikbare inkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/245.htm

Vlaams Gewest 2011

Percentage personen dat (zeer) moeilijk rondkomt

% personen dat (zeer) moeilijk rondkomt 0

10

Totaal

15

Man Vrouw

13 17

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

17 15 14 14 15

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

20 11 12 39 13 8 13

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

10 29 15 20

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

41 35 24 14 7

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

23 14 7

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

10 33

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel Hoogste kwintiel

33 24 10 5 3

EU-burger niet-EU-burger

14 35

20

30

40

50

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

37


Aantal personen dat (zeer) moeilijk rondkomt

aantal personen dat (zeer) moeillijk rondkomt x 1.000 0

100

Man Vrouw

410 520

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

220 80 310 170 160

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

170 110 80 120 90 80 100

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

260 80 160 200

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

160 90 140 150 180

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

320 270 110

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

480 460

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel Hoogste kwintiel

410 290 120 60 40

EU-burger niet-EU-burger

200

300

400

500

600

700

800

690 30

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

38


Indicator I12

Subjectieve beoordeling van de inkomenssituatie: evolutie situatie risicogroepen

Omschrijving

Percentage personen dat leeft in een huishouden dat volgens de referentiepersoon (zeer) moeilijk rondkomt met het beschikbare inkomen, bij die groepen waarvan het subjectieve armoedepercentage minstens 1,5 keer hoger ligt dan het algemene subjectieve armoedepercentage

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/245.htm

Vlaams Gewest 2008-2011

% personen dat (zeer) moeilijk rondkomt 0

10

20

30

40

50

15

Totaal 15

2008 2009

40

Lid van eenoudergezin 2010

39

2011 22

Werkloos 29 23

Anders niet-actief 20

37

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit 41 31

met lage werkintensiteit 35 24

met middelmatige werkintensiteit 24

20

Laaggeschoold 23

27

Lid van gezin dat huis huurt 33

37

Lid van gezin in laagste inkomenskwintiel 33 19

Lid van gezin in 2de inkomenskwintiel 24

27

niet-EU-burger 35

39

60


Indicator I13

Subjectieve beoordeling van de inkomenssituatie: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen dat leeft in een huishouden dat volgens de referentiepersoon (zeer) moeilijk rondkomt met het beschikbare inkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/245.htm

Vlaams Gewest en 27 lidstaten van de Europese Unie 2011

62 63 60 54

56 57

49

50 42 40 30

7

8

9

9

Zweden

Duitsland

Denemarken

10

10

Luxemburg

20

Finland

15 13 14

17

20 21

24

28 26 27

30 30

33 33

35

38 38

* Cijfer voor 2010.

40

Griekenland

Bulgarije

Hongarije

Letland

Cyprus

Roemenië

Portugal

Italië

Malta

Ierland*

Litouwen

Polen

Slovenië

Slovakije

Tsjechië

EU27

Spanje

Estland

België

Frankrijk

Verenigd Koninkrijk

Oostenrijk

Vlaams Gewest

0 Nederland

% personen in huishouden dat (zeer) moeilijk rondkomt

70


Indicator I14

Ernstige materiële deprivatie: evolutie samengestelde maat

Omschrijving

Percentage en aantal personen dat leeft in een huishouden dat minstens 4 van volgende 9 items mist omwille van financiële redenen: 1 week vakantie per jaar, een maaltijd met vis, vlees, kip of vegetarisch alternatief om de 2 dagen, een wasmachine, een kleuren-tv, een telefoon, een auto, de rekeningen voor huur, hypotheek, nutsvoorzieningen of andere aankopen kunnen betalen, het huis degelijk kunnen verwarmen, beperkte onverwachte financiële uitgave (850 euro) kunnen doen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Aantal personen600.000

2004

2005

2006

2007

2008

2009

758.000

822.000

813.000

807.000

777.000

725.000

12,6

13,7

13,6

13,4

12,8

11,8

6

500.000

5

400.000

4

300.000

3

200.000

2

100.000

1

0

2004

Aantal personen 130.000 % personen 2,2

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2020

160.000

180.000

130.000

170.000

130.000

100.000

180.000

120.000

2,6

2,9

2,0

2,7

2,1

1,6

2,9

% personen in ernstige materiële deprivatie

aantal personen in ernstige materiële deprivatie

% personen

Vlaams Gewest 2004-2011, doelstelling 2020

0

Toelichting Op Europees niveau werd enkele jaren geleden een armoede-indicator ontwikkeld die niet zozeer focust op het inkomen zelf, maar op het feit of men mede dankzij dit inkomen kan genieten van een minimale levensstandaard. Dat gebeurt door na te gaan hoeveel items uit een lijst van 9 basisitems elk gezin moet missen omwille van financiële redenen. Vervolgens wordt per land of regio het percentag e individuen berekend dat leeft in een gezin dat niet beschikt over minstens 4 van de 9 items. Volgens de EU-SILC van 2011 leefde slechts 3% van de Vlamingen in een ernstig materieel gedepriveerd gezin (mist minstens 4 van 9 basisitems om financiële redenen). Dat komt overeen met ongeveer 180.000 personen. Het aandeel ernstig gedepriveerden is tege nover 2010 iets gestegen. In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering zich ertoe verbonden om het aantal personen in een ernstige materieel gedepriveerd gezin tussen 2008 en 2020 met 30% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het aantal personen dat leeft in een ernstig materieel gedepriveerd gezin moet dalen tot maximaal 120.000 personen.

41


Indicator I15

Ernstige materiële deprivatie: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen dat leeft in een huishouden dat minstens 4 van volgende 9 items mist omwille van financiële redenen: 1 week vakantie per jaar, een maaltijd met vis, vlees, kip of vegetarisch alternatief om de 2 dagen, een wasmachine, een kleuren-tv, een telefoon, een auto, de rekeningen voor huur, hypotheek, nutsvoorzieningen of andere aankopen kunnen betalen, het huis degelijk kunnen verwarmen, beperkte onverwachte financiële uitgave (850 euro) kunnen doen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2011

Percentage personen in huishouden in ernstige materiële deprivatie % personen in ernstige materiële deprivatie 0

5

Totaal

3

Man Vrouw

3 3

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

4 3 3 2 2

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

10

15

20

6 1 1 11 <1 1 6 1 8 2 4 12 8 5 4 1 4 2 1

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

1 10

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel Hoogste kwintiel

8 4 1 <1 <1

EU-burger niet-EU-burger

2 15

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieën: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

42


Aantal personen in huishouden in ernstige materiĂŤle deprivatie

aantal personen in ernstige materiĂŤle deprivatie x 1.000 0 Man Vrouw 0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

25

50

75

100

125

150

80 100 50 10 70 30 20 50 10 10 30 < 10 < 10 40

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

40 20 20 40

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

50 20 30 40 20

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

60 40 20

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

40 130

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel Hoogste kwintiel

100 60 20 < 10 < 10

EU-burger niet-EU-burger

110 10

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

43


Indicator I16

Ernstige materiële deprivatie: evolutie situatie risicogroepen

Omschrijving

Percentage personen dat leeft in een huishouden dat minstens 4 van volgende 9 items mist omwille van financiële redenen: 1 week vakantie per jaar, een maaltijd met vis, vlees, kip of vegetarisch alternatief om de 2 dagen, een wasmachine, een kleuren-tv, een telefoon, een auto, de rekeningen voor huur, hypotheek, nutsvoorzieningen of andere aankopen kunnen betalen, het huis degelijk kunnen verwarmen, beperkte onverwachte financiële uitgave (850 euro) kunnen doen, bij die groepen waarvan het percentage minstens 1,5 keer hoger ligt dan het algemene percentage

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2008-2011

% personen in ernstige materiële deprivatie 0

5

10

15

20

3

Totaal 3

2008 2009

4

2010

Alleenstaande 6

2011

11

Lid van eenoudergezin 11 5

Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen 6

4

Werkloos 8

11

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit 12 9

met lage werkintensiteit 8 3

met middelmatige werkintensiteit 5

7

Lid van gezin dat huis huurt 10

9

Lid van gezin in laagste inkomenskwintiel 8

10

niet-EU-burger 15

44


Indicator I17

Ernstige materiële deprivatie: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen dat leeft in een huishouden dat minstens 4 van volgende 9 items mist omwille van financiële redenen: 1 week vakantie per jaar, een maaltijd met vis, vlees, kip of vegetarisch alternatief om de 2 dagen, een wasmachine, een kleuren-tv, een telefoon, een auto, de rekeningen voor huur, hypotheek, nutsvoorzieningen of andere aankopen kunnen betalen, het huis degelijk kunnen verwarmen, beperkte onverwachte financiële uitgave (850 euro) kunnen doen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 27 lidstaten van de Europese Unie 2011

50

40

29

30

31

23 19

Spanje

Oostenrijk

Verenigd Koninkrijk

Frankrijk

Duitsland

België

Tsjechië

Slovenië

9

9

EU27

Finland

6

8

Estland

5

8

Portugal

5

Denemarken

1

3

5

6

3

4

6

3

4

6

3

Nederland

10

Ierland*

20

Vlaams Gewest

% personen in ernstige materiële deprivatie

44

11 11 11

13

15

* Cijfer voor 2010.

45

Letland

Bulgarije

Roemenië

Litouwen

Hongarije

Griekenland

Polen

Italië

Cyprus

Slovakije

Malta

Zweden

0


Indicator I18

Ernstige materiële deprivatie: score op afzonderlijke items

Omschrijving

Percentage en aantal personen dat leeft in een huishouden: 1. dat zich per jaar geen week vakantie buitenshuis kan veroorloven 2. dat zich geen maaltijd met vlees, kip, vis of vegetarisch alternatief kan veroorloven om de 2 dagen 3. dat niet beschikt over een wasmachine omwille van financiële redenen 4. dat niet beschikt over een kleuren-tv omwille van financiële redenen 5. dat niet beschikt over een telefoon omwille van financiële redenen 6. dat niet beschikt over een auto omwille van financiële redenen 7. dat tijdens het afgelopen jaar minstens 1 achterstallige betaling had inzake hypotheek/huur, nutsvoorzieningen (gas, elektriciteit, water) en leningen (aankopen op afbetaling of andere leningen) 8. dat het huis niet degelijk kan verwarmen omwille van financiële redenen 9. dat een onverwachte noodzakelijke uitgave (850 euro) niet uit eigen middelen kan betalen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2011

Percentage personen % personen 0 Geen week vakantie per jaar

5

10

15

20

25

20

Geen vis, vlees, kip of vegetarisch om de 2 dagen

3

Geen wasmachine

1

Geen TV

1

Geen telefoon

<1

Geen auto

5

Achterstallige betalingen

5

Geen degelijke verwarming

4

Geen onverwachte uitgave aankunnen

16

Aantal personen aantal personen x 1.000 0 Geen week vakantie per jaar Geen vis, vlees, kip of vegetarisch om de 2 dagen Geen wasmachine Geen TV

200 1.120 160 60 30

Geen telefoon

20

Geen auto

310

Achterstallige betalingen

320

Geen degelijke verwarming

240

Geen onverwachte uitgave aankunnen

970

46

400

600

800

1000

1200


Indicator I19

Bevolking in armoede of sociale uitsluiting volgens EU2020-definitie: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen dat voldoet aan minstens 1 van 3 onderstaande voorwaarden: 1. leeft in een gezin met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de nationale armoederisicodrempel (zie indicator I1) 2. leeft in een gezin dat ernstig materieel gedepriveerd is (= mist minstens 4 van lijst van 9 items* omwille van financiĂŤle redenen) (zie indicator I14) 3. is niet ouder dan 59 jaar en leeft in een gezin waarvan de totale werkintensiteit lager ligt dan 0,20. De werkintensiteit is de verhouding van het aantal gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden van 18 tot 59 jaar tot het aantal maanden dat alle volwassen leden van het huishouden van 18 tot 59 jaar zouden kunnen werken (zie indicator A9) * 1 week vakantie per jaar, een maaltijd met vis, vlees, kip of vegetarisch alternatief om de 2 dagen, een wasmachine, een kleuren-tv, een telefoon, een auto, de rekeningen voor huur/hypotheek en nutsvoorzieningen kunnen betalen, het huis degelijk kunnen verwarmen, beperkte onverwachte financiĂŤle uitgave (850 euro) kunnen doen.

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2004-2011, doelstelling 2020

18 16

1.200.000

14 1.000.000 12 800.000

10

600.000

8 6

400.000 4 200.000

0

2

2004

2005

2006

Aantal personen 1.000.00 1.010.00 990.000 % personen 16,6 17,0 16,5

2007

2008

2009

2010

2011

2020

970.000

930.000

900.000

910.000

940.000

650.000

15,9

15,2

14,6

14,8

15,0

47

0

% personen in armoede of sociale uitsluiting

aantal personen in armoede of sociale uitsluiting

1.400.000


Toelichting De Europese Unie stelt zich in haar EU2020-strategie tot doel om het aantal personen in armoede of sociale uitsluiting tegen 2020 met 20 miljoen te verminderen. Het gaat om de personen die leven in een huishouden met een gestandaardiseerd inkomen onder de nation ale armoederisicodrempel en/of leven in een huishouden dat ernstig materieel gedepriveerd is en/of jonger zijn dan 60 jaar en lev en in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit. Voor elke inwoners wordt dus eerst gekeken naar zijn of haar huishoudinkomen. Dat wordt vergeleken met de nationale armoederisicodrempel: zie indicator I1. Tegelijk wordt nagegaan of de persoon al dan niet leeft in een ernstig materieel gede priveerd huishouden. Dat heeft te maken met de levensstandaard van het huishouden. Een huishouden is ernstig materieel gedepriveerd al s het minstens 4 items uit een lijst van 9 basisitems moet missen omwille van financiĂŤle redenen: zie indicator I14. Ten slotte wordt voor alle personen jonger dan 60 jaar ook gekeken naar de werkintensiteit van het huishouden. Het gaat om he t aantal gewerkte maanden in het afgelopen jaar door alle volwassen leden van het huishouden tegenover het totaal aantal maanden dat z ij gewerkt konden hebben. Is die verhouding kleiner dan 0,2, dan is er sprake van een huishouden met zeer lage werkintensiteit: zie indicator A9. Volgens de EU2020-definitie wordt iemand beschouwd als arm of sociaal uitgesloten als aan minstens 1 van deze 3 voorwaarden is voldaan. In 2011 ging het om 15% van de Vlamingen. Dat komt overeen met ongeveer 940.000 personen. Tussen 2005 en 2009 is het aantal personen in armoede of sociale uitsluiting licht gedaald. Daarna is dat aantal min of meer constant gebleven. In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering er zich toe verbonden om het aantal personen in armoede of sociale uitsluiting tussen 2008 en 2020 met 30% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 in Vlaanderen het aantal personen in armoede of sociale uitsluiting volgens de EU2020-definitie gedaald moet zijn tot maximaal 650.000 personen. Tegelijk gaat de Vlaamse Regering voor een 30%-reductie tegen 2020 op de 3 subindicatoren van de EU2020-indicator afzonderlijk. Dat betekent dus een 30%-reductie van het aantal personen met een huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel (zie indicator I1), een 30% -reductie van het aantal personen in ernstige materiĂŤle deprivatie (zie indicator I14) en een 30%-reductie van het aantal personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit (zie indicator A9).

48


Indicator I20

Bevolking in armoede of sociale uitsluiting volgens EU2020-definitie: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage en aantal personen in armoede of sociale uitsluiting (zie definitie indicator I19)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2011

Percentage personen in armoede of sociale uitsluiting volgens EU2020-definitie % personen in armoede of sociale uitsluiting 0

20

Totaal

15

Man Vrouw

15 16

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

15 11 13 17 19

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

24 11 22 39 8 6 12

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

5 44 18 32

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

40

60

80

100

100 21 14 7 3

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

26 13 8

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

11 31

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel Hoogste kwintiel

59 10 4 2 1

EU-burger niet-EU-burger

14 59

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

49


Aantal personen in armoede of sociale uitsluiting volgens EU2020-definitie

aantal personen in armoede of sociale uitsluiting x 1.000 0

100

200

300

400

500

600

700

800

Man Vrouw

450 490

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

190 60 270 210 210

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

200 110 160 120 50 60 90

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

120 120 200 290

met la

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

390 50 90 70 60

Laagg

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

370 240 120

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

510 430

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel Hoogste kwintiel

730 130 50 20 10

EU-burger niet-EU-burger

700 50

Werk

Werk

Gepen

Ander

Lid va

met m

met h

met z

Midde

Hoogg

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

50


Indicator I21

Bevolking in armoede of sociale uitsluiting volgens EU2020-definitie: evolutie situatie risicogroepen

Omschrijving

Percentage personen in armoede of sociale uitsluiting (zie definitie indicator I19) bij die groepen waarvan het percentage minstens 1,5 keer hoger ligt dan het algemene percentage* * Personen in een gezin met zeer lage werkintensiteit halen per definitie een score van 100% op deze indicator

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2008-2011

% personen in armoede of sociale uitsluiting 0

20

40

60

80

15

Totaal 15

2008

28

Alleenstaande

2009

24 39

2010

Lid van eenoudergezin 39

2011

41

Werkloos 44 31

Anders niet-actief 32

24

Laaggeschoold 26

27

Lid van gezin dat huis huurt 31

59

Lid van gezin in laagste inkomenskwintiel 59

41

niet-EU-burger 59

51

100


Indicator I22

Bevolking in armoede of sociale uitsluiting volgens EU2020-definitie: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen in armoede of sociale uitsluiting (zie definitie indicator I19)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 27 lidstaten van de Europese Unie 2011

49

% personen in armoede of sociale uitsluiting

50

40 40

40

27 27 28

30

20

21 21 21 19 19 19 20 18 17 17 15 15 16 16

30 31 31

33

23 23 24 24 24

10

* Cijfer voor 2010.

52

Bulgarije

Roemenië

Letland

Litouwen

Hongarije

Ierland*

Griekenland

Italië

Polen

Spanje

EU27

Portugal

Cyprus

Estland

Verenigd Koninkrijk

Malta

België

Slovakije

Slovenië

Duitsland

Frankrijk

Finland

Denemarken

Oostenrijk

Zweden

Luxemburg

Nederland

Tsjechië

Vlaams Gewest

0


Indicator I23

Inkomenskwintielverhouding (S80/S20): evolutie

Omschrijving

Verhouding van het aandeel van het inkomen ontvangen door de 20% van de bevolking met het hoogste inkomen (hoogste kwintiel) in het totale inkomen, tot het aandeel van het inkomen ontvangen door de 20% van de bevolking met het laagste inkomen (laagste kwintiel) in het totale inkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/240.htm

Vlaams Gewest 2004-2011

5

inkomenskwintielverhouding

4 3,6

3,7 3,5

3,5

3,6

3,5

3,6

3,5

3

2

1

0 2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

Toelichting Er bestaan verschillende maten om de inkomensverdeling in een land of regio in kaart te brengen. Een in de Europese armoedepl annen vaak gebruikte maat is de inkomenskwintielverhouding (S80/S20) die het totale inkomen van de 20% rijksten vergelijkt met dat van de 20% armsten. Deze verhouding lag in Vlaanderen in 2011 op 3,5. Dat betekent dat het inkomen van de 20% rijksten 3,5 keer hoger li gt dan het inkomen van de 20% armsten. Dat cijfer is nagenoeg stabiel gebleven sinds 2004.

53


Indicator I24

Inkomenskwintielverhouding (S80/S20): Europese vergelijking

Omschrijving

Verhouding van het aandeel van het inkomen ontvangen door de 20% van de bevolking met het hoogste inkomen (hoogste kwintiel) in het totale inkomen, tot het aandeel van het inkomen ontvangen door de 20% van de bevolking met het laagste inkomen (laagste kwintiel) in het totale inkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/240.htm

Vlaams Gewest en 27 lidstaten van de Europese Unie 2011

10

inkomenskwintielverhouding

8

6 5,0 5,1

4

4,1 3,9 3,9 4,0 3,7 3,8 3,8 3,8 3,5 3,5 3,5 3,6

5,3 5,3 5,3

5,8 5,6 5,7

6,0

6,2

6,5 6,6

6,8

4,5 4,6 4,3 4,4

2

* Cijfer voor 2010.

54

Spanje

Letland

Bulgarije

Roemenië

Griekenland

Portugal

Litouwen

Italië

Ierland*

Verenigd Koninkrijk

Estland

EU27

Polen

Frankrijk

Duitsland

Denemarken

Cyprus

Malta

Luxemburg

België

Hongarije

Slovakije

Oostenrijk

Nederland

Finland

Zweden

Slovenië

Tsjechië

Vlaams Gewest

0


Indicator I25

Gini-coëfficiënt: evolutie

Omschrijving

Synthetische maat van het cumulatieve aandeel van het equivalent inkomen dat opgenomen wordt door de cumulatieve percentages van het aantal individuen. De waarde van de coëfficiënt varieert van 0 (volledige inkomensgelijkheid) tot 100 (volledige ongelijkheid).

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/239.htm

Vlaams Gewest 2004-2011

30

25

24,9

24,5

24,9

2004

2005

2006

25,3 23,9

24,4

24,9

24,5

2009

2010

2011

gini-coëfficient

20

15

10

5

0 2007

2008

Toelichting De gini-coëfficiënt is een maat die inzicht geeft in de wijze waarop het inkomen verdeeld is tussen de inwoners van een land of regio. Deze maat varieert van 0 (volledige inkomensgelijkheid) tot 100 (volledige ongelijkheid). De gini-coëfficiënt is de voorbije jaren niet significant gestegen of gedaald in Vlaanderen. In het Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering zich als doelstelling gesteld dat de inkomensongelijkheid en dus de gini -coëfficiënt tegen 2020 merkbaar zou dalen. Voorlopig is er in de cijfers echter geen sprake van een duidelijke daling.

55


Indicator I26

Gini-coëfficiënt: Europese vergelijking

Omschrijving

Synthetische maat van het cumulatieve aandeel van het equivalent inkomen dat opgenomen wordt door de cumulatieve percentages van het aantal individuen. De waarde van de coëfficiënt varieert van 0 (volledige inkomensgelijkheid) tot 100 (volledige ongelijkheid).

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/239.htm

Vlaams Gewest en 27 lidstaten van de Europese Unie 2011

50

gini-coëfficient

40

31 31 31 30 24 24

25 25

26 26 26 26 26

27 27 27

28

32 32

33 33 33 33

34 34 34

35 35

29 29

20

10

56

Letland

Bulgarije

Spanje

Portugal

Griekenland

Ierland*

Roemenië

Verenigd Koninkrijk

Italië

Litouwen

Estland

Polen

Frankrijk

EU27

Cyprus

* Cijfer voor 2010.

Duitsland

Denemarken

Malta

Luxemburg

België

Hongarije

Oostenrijk

Finland

Nederland

Slovakije

Tsjechië

Vlaams Gewest

Zweden

Slovenië

0


Indicator S1

Betalingsachterstand en collectieve schuldenregeling: evolutie

Omschrijving

Aantal geregistreerde personen met betalingsachterstand en aantal uitstaande berichten van toelaatbaarheid van collectieve schuldenregeling, telkens op 31 december

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Nationale Bank van België www.nbb.be

Vlaams Gewest 2007-2012

160.000

aantal personen en berichten

140.000 120.000 100.000 80.000 60.000 40.000 20.000 0

Personen met betalingsachterstand

Berichten van collectieve schuldenregeling*

2007

107.421

38.315

2008

110.258

41.197

2009

116.284

45.595

2010

119.619

50.909

2011

124.066

55.425

2012

127.732

59.096

* Cijfers inclusief het gerechtelijke arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde.

Toelichting Schuldoverlast is vaak een belangrijk probleem voor mensen in armoede. Eind 2012 stonden 127.732 Vlamingen met afbetalingsmoeilijkheden geregistreerd bij de Centrale voor Kredieten aan Particulieren van de Nationale Bank van België. Dez e Centrale registreert alle kredieten die door natuurlijke personen (voor privé doeleinden) worden afgesloten evenals de eventuele wanbe talingen met betrekking tot deze kredieten. Kredietgevers zijn verplicht de centrale te raadplegen vooraleer ze een krediet toekennen. Het aantal geregistreerde personen met betalingsachterstand is de afgelopen jaren duidelijk toegenomen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat in deze cijfers enkel rekening wordt gehouden met kredieten (voor consumptie of hypothe ek), maar niet met andere schulden zoals schulden voor huur, energiefacturen, gezondheidskosten, telefoon/internet of fiscale schulden. Wie geconfronteerd wordt met overmatige schuldenlast of ernstige financiële moeilijkheden kan een beroep doen op de procedure van collectieve schuldenregeling. Eind 2012 stonden er in Vlaanderen (inclusief het gerechtelijke arrondissement Brussel -Halle-Vilvoorde) in totaal 59.096 berichten van 'toelaatbaarheid van collectieve schuldenregeling' uit. Dit cijfers kan gezien worden als een aan wijzing voor de meest extreme vorm van overmatige schuldenlast.

57


Indicator S2

Achterstallige betalingen voor wonen, nutsvoorzieningen en leningen: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen dat leeft in een huishouden met minstens 1 achterstallige betaling inzake hypotheek/huur, nutsvoorzieningen (gas, elektriciteit, water) en leningen (aankopen op afbetaling of andere leningen) tijdens het afgelopen jaar

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2004-2011

500.000

6

5

4 300.000 3 200.000 2

100.000

0 Aantal personen % personen

% personen met achterstallen

aantal personen met achterstallen

400.000

1

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

290.000

270.000

290.000

250.000

290.000

270.000

290.000

320.000

4,8

4,5

4,7

4,1

4,8

4,5

4,7

5,2

0

Toelichting In 2011 leefde goed 5% van de Vlamingen in een gezin met minstens 1 achterstallige betaling in het afgelopen jaar voor huur o f hypotheek, elekticiteit, water of gas of een andere lening. Dat komt overeen met ongeveer 320.000 personen. In tegenstelling tot de cijfers van de Centrale voor Krediet aan Particulieren van de Nationale Bank over het aantal geregist reerde personen met betalingsachterstand (zie indicator S1) wordt hier niet alleen rekening gehouden met kredieten maar ook met andere mogeli jke schulden (huur, nutsvoorzieningen...).

58


Indicator S3

Achterstallige betalingen voor wonen, nutsvoorzieningen en leningen: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen dat leeft in een huishouden met minstens 1 achterstallige betaling inzake hypotheek/huur, nutsvoorzieningen (gas, elektriciteit, water) en leningen (aankopen op afbetaling of andere leningen) tijdens het afgelopen jaar

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2011

Percentage personen met achterstallen

% personen met achterstallen 0

5

Totaal

5

Man Vrouw

5 5

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

8 7 6 3 1

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

5 3 2 16 7 3 9

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

4 10 2 7

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

10 12 12 7 3

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

10

15

20

25

7 5 2

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

2 15

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel Hoogste kwintiel

12 8 4 2 1

EU-burger niet-EU-burger

4 18

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

59


Aantal personen met achterstallen

aantal personen met achterstallen x 1.000 0 Man Vrouw 0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

50

250

40 20 10 50 50 30 60 110 30 20 60

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

90 90 30

EU-burger niet-EU-burger

200

100 40 130 40 10

40 30 70 80 80

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel Hoogste kwintiel

150

160 160

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

100

110 210 140 100 40 30 10 210 20

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

60


Indicator S4

Achterstallige betalingen voor wonen, nutsvoorzieningen en leningen: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen dat leeft in een huishouden met minstens 1 achterstallige betaling inzake hypotheek/huur, nutsvoorzieningen (gas, elektriciteit, water) en leningen (aankopen op afbetaling of andere leningen) tijdens het afgelopen jaar

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 27 lidstaten van de Europese Unie 2011

35 30 25

25

26

32

27

19

20 17 15 9

9

9

Verenigd Koninkrijk

Malta

7

8

België

7

8

Slovakije

6

Oostenrijk

6

Denemarken

5

Tsjechië

5

Zweden

5

Duitsland

5

4

Nederland

10

Spanje

13

Vlaams Gewest

% personen met achterstallen

30

31

10 10

14 14 14

11 11

* Cijfer voor 2010.

61

Griekenland

Bulgarije

Roemenië

Cyprus

Letland

Hongarije

Slovenië

Polen

Ierland*

Italië

Estland

Litouwen

EU27

Finland

Portugal

Frankrijk

Luxemburg

0


Indicator U1

Recht op Maatschappelijke Integratie en Maatschappelijke Hulp: evolutie

Omschrijving

Gemiddeld maandelijks aantal begunstigden van het (equivalent) leefloon en van tewerkstellingsmaatregelen in het kader van het Recht op Maatschappelijke Integratie (RMI) en het Recht op Maatschappelijke Hulp (RMH)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

POD Maatschappelijke Integratie http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2685.htm

Vlaams Gewest 2006-2011

30.000

aantal begunstigden

25.000 20.000 15.000 10.000 5.000 0

leefloon

equivalent leefloon

tewerkstellingsmaatregelen

2006

22.230

13.940

4.312

2007

21.854

11.403

4.395

2008

22.346

7.701

4.207

2009

24.912

7.471

4.450

2010

25.816

9.382

5.038

2011

24.069

9.934

5.426

Toelichting Naast de klassieke sociale uitkeringen (pensioenen, werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, ziekte- en invaliditeitsuitkeringen en kinderbijslag), probeert de overheid via de sociale bijstand de armoedesituatie van de minst gegoede groepen te verbeteren . Het gaat vooreerst om het leefloon dat men ontvangt in het kader van het Recht op Maatschappelijke Integratie (RMI) en het eq uivalent leefloon dat men ontvangt in het kader van het Recht op Maatschappelijke Hulp (RMH). Het RMH is er voor mensen die niet in aa nmerking komen voor het RMI omdat ze niet voldoen aan bepaalde voorwaarden inzake leeftijd, nationaliteit en arbeidsbereidheid. In de praktijk gaat het vooral om kandidaat-vluchtelingen en vreemdelingen met een verblijfsvergunning die niet ingeschreven zijn in het bevolkingregister. In 2011 ontvingen in Vlaanderen per maand gemiddeld 24.069 personen een leefloon. Dat aantal is na een duidelijke stijging in 2009 en 2010 weer iets gedaald. Nog eens gemiddeld 9.934 personen per maand ontvingen in 2011 een equivalent leefloon. In 2010 en 201 1 is dat aantal duidelijk gestegen. Het gaat hier niet om het aantal personen dat recht heeft op het (equivalent) leefloon maar om het aantal personen dat het (e quivalent) leefloon effectief ontvangt. Om uiteenlopende redenen maakt een bepaald deel van de personen die recht hebben op het (equival ent) leefloon in de praktijk geen gebruik van dat recht. Hoe groot dat aandeel is, is echter moeilijk te schatten. Naast het (equivalent) leefloon kan het RMI en het RMH ook ingevuld worden via een tewerkstellingsmaatregel met tussenkomst v an het OCMW. Het aantal tewerkstellingsmaatregelen is de voorbije jaren gestaag gestegen.

62


Indicator U2

Recht op Maatschappelijke Integratie en Maatschappelijke Hulp: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Gemiddeld maandelijks aantal begunstigden van het (equivalent) leefloon in het kader van het Recht op Maatschappelijke Integratie (RMI) en het Recht op Maatschappelijke Hulp (RMH)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

POD Maatschappelijke Integratie http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2685.htm

Vlaams Gewest 2011

aantal (equivalent) leefloners aantal 5.000uitkeringstrekkers 10.000

0 0

5.000

Man

10.094 5.801

Vrouw

13.975 4.132

0-17 jaar

102 119

18-24 jaar

6.483 1.986

25-44 jaar

9.161 5.143

45-64 jaar

7.425 2.247

65 jaar en ouder

898 440

Alleenstaande

10.557 4.244

Samenwonende

6.856 2.707

Persoon met gezin ten laste

6.655 2.938

Onbekend

Belg

10.000

niet-EU-burger

5.166 9.761

20.000

leefloon equivalent leefloon

16.653 35 2.239 151

15.000

1

45

EU-burger (excl. Belg)

15.000

63

20.000 25.000


Indicator U3

Uitkeringen voor ouderen, personen met een handicap en kinderen: evolutie

Omschrijving

Aantal begunstigden van de Inkomensgarantie voor Ouderen (IGO), het Gewaarborgd Inkomen voor Bejaarden (GIB), de Inkomensvervangende Tegemoetkoming aan Personen met een Handicap (IVT), de Integratietegemoetkoming voor Personen met een Handicap (IT) en het aantal op de gewaarborgde gezinsbijslag rechtgevende kinderen, op 1 januari (of waar aangegeven op 31 december van voorgaande jaar)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON

Rijksdienst voor Pensioenen, FOD Sociale Zekerheid Directie-generaal Personen met een Handicap, Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/254.htm http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/256.htm

Voor meer informatie

Vlaams Gewest 2007-2012

aantal begunstigden

80.000

60.000

40.000

20.000

0

IGO

GIB

IVT-IT*

Gewaarborgde gezinsbijslag*

2007

40.846

9.382

64.369

4.469

2008

44.754

8.433

66.188

4.087

2009

48.016

7.391

68.534

3.673

2010

48.636

6.442

73.280

3.973

2011

50.552

5.679

76.229

4.914

2012

51.893

5.009

77.158

4.971

* Cijfers op 31 december van het voorgaande jaar.

Toelichting Slechts een beperkt aantal 65-plussers ontvangt een leefloon omdat zij aparte regelingen kennen: het Gewaarborgd Inkomen voor Bejaarden (GIB) dat sinds 2002 geleidelijk vervangen wordt door de Inkomensgarantie voor Ouderen (IGO). Meestal gaat het om e en toeslag bovenop het pensioen, zodat men een bedrag bekomt dat vergelijkbaar is met het leefloon. Het wordt toegekend aan pers onen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt maar die door omstandigheden geen of geen voldoende loopbaan hebben kunnen opbouwen. Op 1 januari 2012 ging het samen om 56.902 ouderen. Het aantal uitgekeerde GIBâ&#x20AC;&#x2122;s gaat sinds 2002 elk jaar achteruit . Het aantal IGOâ&#x20AC;&#x2122;s schommelde tot 2007 rond 40.000, maar gaat sinds 2008 in stijgende lijn. Personen met een handicap kunnen een beroep doen op een Inkomensvervangende Tegemoetkoming (IVT) indien zij geen arbeid kunne n verrichten en/of een Integratietegemoetkoming (IT) indien zij bijkomende kosten te dragen hebben vanwege een vermindering van hun zelfredzaamheid. Eind 2011 werd in Vlaanderen aan 77.158 personen een IVT en/of een IT uitgekeerd. Het aantal personen met ee n IVT en/of IT neemt de laatste jaren opvallend toe. Factoren die hierin mogelijk een rol spelen zijn de vergrijzing van de bevolki ng, een betere bekendheid van het stelsel en een snellere behandeling van de aanvragen. De gewaarborgde gezinsbijslag ten slotte is bedoeld voor gezinnen die op basis van hun beroepsactiviteit geen enkel recht kun nen doen gelden op kinderbijslag, of slechts een recht genieten op een bedrag dat lager ligt dan de gewaarborgde gezinsbijslag. Eind 2 011 ging het om 4.971 rechtgevende kinderen.

64


Indicator A1

Werkzaamheidsgraad: evolutie en situatie van bevolkingsgroepen met lagere arbeidsdeelname

Omschrijving

Percentage werkenden (= personen die in de referentieweek van de bevraging minstens 1 uur arbeid hebben verricht) in de totale bevolking van 20 tot 64 jaar en in verschillende bevolkingsgroepen met een lagere arbeidsdeelname

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EAK, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/3456.htm http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/3461.htm

Vlaams Gewest 2006-2011

80 70

% werkenden

60 50 40 30 20 10 0

Personen met handicap***

Totaal

Vrouwen

55 tot 64 jaar

Laaggeschoolden*

Niet-EU-burgers**

2006

70,6

63,4

31,4

52,5

45,0

2007

71,9

64,9

34,2

54,3

44,5

2008

72,3

66,1

34,3

53,4

47,2

2009

71,5

65,7

35,8

52,6

47,0

37,5

2010

72,1

66,7

38,2

53,3

44,4

33,5

2011

71,8

66,4

38,9

52,0

46,3

38,6

42,7

* Personen met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs. ** In 2005 en 2006 gaat het om EU25, vanaf 2007 EU27. *** Personen die hinder ondervinden in dagelijkse bezigheden door handicap, langdurige ziekte of aandoening. In 2007 cijfers voor 2de kwartaal, in 2009, 2010 en 2011 jaarcijfers.

Toelichting Sinds 2007 schommelt de totale werkzaamheidsgraad in Vlaanderen rond 72%. Een aantal groepen blijft echter ondervertegenwoord igd op de Vlaamse arbeidsmarkt: ouderen, personen met een handicap, personen met een nationaliteit van buiten de EU, laaggeschoolden en vrouwen. De lage werkzaamheidsgraad bij ouderen vormt een van de voornaamste pijnpunten op de arbeidsmarkt. De Vlaamse arbeidsmarkt wo rdt gekenmerkt door een specifiek leeftijdsgebonden arbeidspatroon. Een erg hoge arbeidsdeelname tussen 25 en 49 jaar zorgt in co mbinatie met een beperkte deelname bij jongeren en ouderen voor sterk samengedrukte loopbanen. De arbeidsdeelname van de 55 - tot 64-jarigen is de voorbije jaren wel duidelijk gestegen, waardoor nu bijna 4 op de 10 personen in deze groep aan het werk is. Ook de arbe idsdeelname van vrouwen gaat er gestaag op vooruit. Bij de laaggeschoolden is er eerder sprake van een afname. Bij de niet -EU-burgers en de personen met een handicap ging de arbeidsdeelname er in 2011 na een afname in de voorbije jaren weer op vooruit.

65


Indicator A2

Werkzaamheidsgraad: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage werkenden (= personen die in de referentieweek van de bevraging minstens 1 uur arbeid hebben verricht) in de bevolking van 20 tot 64 jaar naar verschillende bevolkingsgroepen met een lagere arbeidsdeelname

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EAK - LFS, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/3456.htm http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/3461.htm

Vlaams Gewest en 27 lidstaten van de Europese Unie 2011

Vrouwen

55- tot 64-jarigen 85

75

75

65

65

55

55

45

45

35

35

25

25 SE DK FI NL DE AT UK EE CY LT VL LV PT SI FR EU27 LU CZ BE BG IE PL SK RO ES HU IT GR MT

SE DE DK EE FI UK NL CY LV LT IE PT CZ EU27 ES BG AT FR SK RO GR LU VL BE IT PL HU MT SI

85

Laaggeschoolden*

Niet-EU-burgers 85

75

75

65

65

55

55

45

45

35

35

25

25 CY CZ PT IT EE GR AT UK LV LU IE EU27 DE ES DK NL HU FI FR SE VL BE

PT CY SE NL DK LU DE AT UK FR FI GR EU27 VL ES MT RO IT LV EE BE SI IE CZ PL BG HU LT SK

85

* Personen met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs.

Toelichting Bij de vrouwen ligt de werkzaamheidsgraad in Vlaanderen hoger dan het EU-gemiddelde en bij de laaggeschoolden op nagenoeg hetzelfde niveau als het EU-gemiddelde waardoor Vlaanderen voor deze groepen een plaats in de middenmoot van de EU-lidstaten inneemt. Bij de andere groepen blijkt een ander beeld. Dat de lage werkzaamheidsgraad bij ouderen een van de voornaamste pijnpunten is op de Vlaamse arbeidsmarkt is, blijkt duidelijk uit de vergelijking met de scores van de EU-lidstaten. Vlaanderen scoort met een werkzaamheidsgraad van 39% heel wat minder dan de meeste EU-lidstaten en het EU-gemiddelde. Hetzelfde geldt voor de situatie van de personen met een nationaliteit van buiten de Europese Unie. Ook bij deze groep scoort Vlaanderen niet goed in vergelijking me t de EUlidstaten waarvoor cijfers beschikbaar zijn.

66


Indicator A3

Werkloosheidsgraad (ILO): evolutie van totale en (zeer) langdurige werkloosheid

Omschrijving

Percentage werklozen in de beroepsbevolking (= werkenden en werklozen) van 15 tot 64 jaar gemeten volgens de criteria van de International Labour Organization (ILO) (geen werk hebben, de afgelopen 4 weken specifieke stappen hebben ondernomen om werk te vinden en binnen de 2 weken beschikbaar zijn voor werk), percentage langdurige werklozen (langer dan 1 jaar) in de beroepsbevolking, percentage zeer langdurige werklozen (langer dan 2 jaar) in de beroepsbevolking

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EAK, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/394.htm

Vlaams Gewest 2002-2011

7

6

% werklozen

5

4

3

2

1

0

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

Werkloosheidsgraad

4,9

5,7

5,4

5,5

5,0

4,4

3,9

5,0

5,2

4,3

Langdurige werkloosheidsgraad

1,7

2,0

2,2

2,3

2,1

1,6

1,4

1,5

1,9

1,7

Zeer langdurige werkloosheidsgraad

1,1

1,2

1,4

1,5

1,5

1,1

1,0

1,3

1,1

0,9

Toelichting De afgelopen jaren kende de ILO-werkloosheidsgraad in Vlaanderen een fluctuerend verloop. De werkloosheidsgraad lag het hoogst i n de periode 2003-2005. Het laagste niveau werd bereikt in 2001 en in 2008. In 2009 en 2010 steeg de werkloosheidsgraad sterk ten opz ichte van 2008. In 2011 daalde de werkloosheidsgraad weer. De langdurige werkloosheidsgraad volgt met enige vertraging grotendeels hetzelfde patroon als de totale werkloosheidsgraad en lag het hoogst in 2005. In 2011 ging het om 1,7% van de Vlaamse beroepsbevolking. Hetzelfde geldt voor de zeer langdurige werklooshei d zij het dat de vertraging hier nog groter is. De zeer langdurige werkloosheidsgraad zakte in 2011 onder 1%.

67


Indicator A4

Werkloosheidsgraad (ILO): situatie van bevolkingsgroepen met lagere arbeidsdeelname

Omschrijving

Percentage werklozen in de beroepsbevolking (= werkenden en werklozen) van 15 tot 64 jaar gemeten volgens de criteria van de International Labour Organization (ILO) (geen werk hebben, de afgelopen 4 weken specifieke stappen hebben ondernomen om werk te vinden en binnen de 2 weken beschikbaar zijn voor werk) en in verschillende bevolkingsgroepen met een lagere arbeidsdeelname

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EAK, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/393.htm http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/395.htm

Vlaams Gewest 2006-2011

30

% werklozen

25 20 15 10 5 0

Totaal

Vrouwen

15 tot 24 jaar

55 tot 64 jaar

Laaggeschoolden*

Niet-EU-burgers**

2006

5,0

5,8

12,5

4,6

8,1

25,2

2007

4,4

5,1

11,7

3,5

6,7

21,4

2008

3,9

4,2

10,5

3,6

6,6

23,3

2009

5,0

5,0

15,7

4,3

7,7

21,6

2010

5,2

5,1

15,6

4,0

9,0

24,7

2011

4,3

4,4

12,7

3,4

8,0

19,9

* Personen tussen 20 en 64 jaar met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs. ** In 2005 en 2006 gaat het om EU25, vanaf 2007 EU27.

Toelichting De mindere arbeidsdeelname van vrouwen, laaggeschoolden en personen met een nationaliteit van buiten de EU vertaalt zich niet alleen in een lagere werkzaamheidsgraad (zie indicator A1), maar ook in een hogere ILO-werkloosheidsgraad. Het verschil tussen de vrouwelijke en de totale werkloosheidsgraad is in 2011 echter volledig verdwenen. Bij de laaggeschoold en is er wel nog steeds sprake van een behoorlijk verschil. Het grootste verschil is echter te vinden bij de niet -EU-burgers. De werkloosheidsgraad lag in 2011 bij deze laatste groep bijna 5 keer hoger dan de totale werkloosheidsgraad. De werkloosheidsgraad van jongeren tussen 15 en 24 jaar is in 2011 na een sterke stijging in 2009 en 2010 weer gedaald. Ook d e werkzaamheidsgraad van deze groep is relatief laag (29% in 2011), maar dat hangt voornamelijk samen met de lange schoolloopba an van de jonge Vlamingen en is dus niet echt problematisch. De werkloosheidsgraad van jongeren is dat wel. Gebrek aan werkervaring speelt de jongeren parten. Daarenboven worden ze vaker aangeworven met een tijdelijk contract of als uitzendkracht zodat ze geregeld we er in de werkloosheid terechtkomen. De ouderen die niet werken, zitten voornamelijk in de inactiviteit en dus minder in de werkloosheid. Daardoor ligt de werkloo sheidsgraad bij de 55- tot 64-jarigen - ondanks hun beperkte arbeidsdeelname - niet hoger dan de totale werkloosheidsgraad.

68


Indicator A5

Werkloosheidsgraad (ILO): Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage werklozen in de beroepsbevolking (= werkenden en werklozen) gemeten volgens de criteria van de International Labour Organization (ILO) (geen werk hebben, de afgelopen 4 weken specifieke stappen hebben ondernomen om werk te vinden en binnen de 2 weken beschikbaar zijn voor werk) en in verschillende bevolkingsgroepen met een lagere arbeidsdeelname

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EAK - LFS, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/393.htm http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/395.htm

Vlaams Gewest en 27 lidstaten van de Europese Unie 2011

Totaal

Vrouwen 50

40

40

30

30

20

20

10

10

0

0 VL NL AT DE LU MT RO FI BE UK DK SE CY CZ SI IT EU27 FR BG PL IE HU EE LT LV PT SK GR ES

AT VL NL LU DE MT CZ BE DK RO SE CY FI UK SI IT FR EU27 PL HU BG EE PT SK IE LV LT GR ES

50

15- tot 24-jarigen

55- tot 64-jarigen 50

40

40

30

30

20

20

10

10

0

0 AT VL RO IT BE NL SE CY UK DK CZ FI DE FR EU27 PL GR HU BG IE SK PT EE LT LV ES

NL AT DE VL MT DK SI CZ BE FI UK EU27 FR EE CY SE RO PL HU BG IT LV IE PT LT SK GR ES

50

Laaggeschoolden*

Niet-EU-burgers 50

40

40

30

30

20

20

10

10

0

0 NL CY LU MT VL RO AT DK IT UK SE FI BE PT DE FR SI EU27 GR PL CZ IE HU EE BG LV ES LT

CY AT UK IT NL DE IE DK VL EU27 LV FI EE GR PT FR BE SE ES

50

* Personen tussen 20 en 64 jaar met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs.

Toelichting Door de relatief lage totale werkloosheidsgraad in Vlaanderen in vergelijking met de lidstaten van de EU ligt ook de werkloosheidsgraad van de verschillende groepen met een lagere arbeidsdeelname veelal (ver) onder het EU-gemiddelde. De enige uitzondering hierop is de werkloosheidsgraad van personen met een nationaliteit van buiten de Europese Unie. Daar ligt de werkloosheidsgraad op hetzelfde niveau als het EU-gemiddelde.

69


Indicator A6

Langdurige werkloosheidsgraad (ILO): Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage langdurige werklozen (langer dan 1 jaar) in de beroepsbevolking

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Vlaams Gewest en 27 lidstaten van de Europese Unie 2011

EAK - LFS, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2290.htm

9

9

9

Ierland

Griekenland

Letland

10

8

8

6

6

Portugal

Bulgarije

6

Malta

Roemenië

4

4

Italië

Duitsland

4

EU27

3

4

Frankrijk

3

4

Slovenië

3

4

Polen

3

Verenigd Koninkrijk

2

3

Tsjechië

2

Denemarken

Zweden

2

Finland

1

2

Cyprus

1

2

Nederland

1

Luxemburg

2

Vlaams Gewest

4

België

5

Oostenrijk

70

Litouwen

Estland

0 Hongarije

% langdurig werklozen

7


Indicator A7

Niet-werkende werkzoekenden (VDAB): evolutie van totale en (zeer) langdurige werkloosheid

Omschrijving

Gemiddeld maandelijks aantal bij de VDAB ingeschreven niet-werkende werkzoekenden (NWWZ) van 18 tot 65 jaar, aantal langdurige NWWZ (langer dan 1 jaar) en aantal zeer langdurige NWWZ (langer dan 2 jaar)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

VDAB http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2171.htm

Vlaams Gewest 2002-2012

250.000

aantal NWWZ

200.000

150.000

100.000

50.000

0

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

NWWZ

187.023

207.806

225.633

235.344

216.762

180.397

168.889

202.809

208.242

195.008

204.437

Langdurige NWWZ

65.578

77.231

92.761

101.318

104.049

84.121

71.683

79.003

89.734

85.534

86.207

Zeer langdurige NWWZ

38.113

39.919

48.840

57.851

62.207

57.663

48.536

47.618

51.300

52.536

52.641

Toelichting Net als de ILO-werkloosheidsgraad (zie indicator A3) kende ook het aantal niet-werkende werkzoekenden (NWWZ) ingeschreven bij de VDAB de laatste 10 jaar een fluctuerend verloop. Het totale aantal NWWZ lag het hoogst in 2005 en het laagst in 2008. Onder i nvloed van de economische crisis liep het aantal NWWZ in 2009 en 2010 aanzienlijk op. In 2011 nam het aantal NWWZ weer af. Maar in 2012 is dat aantal toch weer iets gestegen. Het aantal langdurige en zeer langdurige NWWZ lag in 2012 nagenoeg even hoog als in 2011.

71


Indicator A8

Niet-werkende werkzoekenden (VDAB): situatie van bevolkingsgroepen met lagere arbeidsdeelname

Omschrijving

Gemiddeld maandelijks aantal bij de VDAB ingeschreven niet-werkende werkzoekenden (NWWZ) van verschillende bevolkingsgroepen met een lagere arbeidsdeelname

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

VDAB - Arvastat http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/433.htm http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/421.htm

Vlaams Gewest 2007-2012

150.000

125.000

aantal NWWZ

100.000

75.000

50.000

25.000

0

Arbeidsgehandicapten

Vrouwen

Jonger dan 25 jaar

Ouder dan 50 jaar

Laaggeschoolden*

Allochtonen**

2007

96.402

36.842

45.592

93.531

35.447

2008

88.144

34.868

45.315

88.903

34.926

28.488

2009

97.257

45.344

49.323

103.651

43.768

30.788

2010

100.086

45.349

52.439

105.131

47.514

29.880

2011

95.129

41.090

51.788

97.693

47.405

27.858

2012

96.702

44.940

50.919

100.098

52.287

26.623

* Personen met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs. ** Het gaat om personen met een huidige of vorige nationaliteit van buiten de EU27.

Toelichting Bij alle groepen is het aantal NWWZ gestegen tussen 2008 en 2009. Deze groepen volgen daarmee de daling van het totaal aantal NWWZ in dezelfde periode (zie indicator A7). In 2010 lag het aantal NWWZ bij alle groepen nagenoeg op hetzelfde niveau als in 2009. I n 2011 nam het aantal NWWZ bij alle groepen af, al is die daling niet bij alle groepen even groot. Vooral bij de vrouwen, jongeren en la aggeschoolden nam het aantal NWWZ duidelijk af. Bij de ouderen en de allochtonen gaat het slechts om een (zeer) beperkte daling. In 2012 is er bij de meeste groepen weer sprake van een stijging, behalve bij de ouderen en bij de personen met een arbeidshandicap.

72


Indicator A9

Zeer lage werkintensiteit: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen dat niet ouder is dan 59 jaar en leeft in een gezin waarvan de totale werkintensiteit lager ligt dan 0,20. De werkintensiteit is de verhouding van het aantal gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden van 18 tot 59 jaar tot het aantal maanden dat alle volwassen leden van het huishouden van 18 tot 59 jaar zouden kunnen werken.

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Aantal personen800.000

2004

2005

2006

2007

2008

2009

758.000

822.000

813.000

807.000

777.000

725.000

12,6

13,7

13,6

13,4

12,8

11,8

12

10 600.000 8

400.000

6

4 200.000 2

0

2004

Aantal personen 500.000 % personen 10,4

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2020

470.000

460.000

470.000

360.000

380.000

370.000

410.000

250.000

10,0

9,7

9,9

7,7

8,0

7,7

8,6

% personen in gezin met zeer lage werkintensiteit

aantal personen in gezin met zeer lage werkintensiteit

% personen

Vlaams Gewest 2004-2011, doelstelling 2020

0

Toelichting In 2011 leefde bijna 9% van de Vlamingen tot 60 jaar - goed voor ongeveer 410.000 personen - in een gezin met een zeer lage werkintensiteit. Dat aandeel is tussen 2004 en 2008 duidelijk gedaald maar tussen 2010 en 2011 weer iets gestegen. In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering er zich toe verbonden om het aantal personen in een gezin met zeer lage werkintensiteit tussen 2008 en 2020 met 30% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 dat aantal personen gedaald moet zijn tot maximaal 250.000 personen.

73


Indicator A10

Zeer lage werkintensiteit: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage en aantal personen dat niet ouder is dan 59 jaar en leeft in een gezin waarvan de totale werkintensiteit lager ligt dan 0,20. De werkintensiteit is de verhouding van het aantal gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden van 18 tot 59 jaar tot het aantal maanden dat alle volwassen leden van het huishouden van 18 tot 59 jaar zouden kunnen werken.

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 27 lidstaten van de Europese Unie 2011

25

23

20

14

8

8

8

Malta

9

Nederland

8

9

Vlaams Gewest

8

Portugal

7

Oostenrijk

7

Slovenië

7

Polen

5

7

Zweden

5

6

Roemenië

10

Slovakije

15

Tsjechië

% personen in gezin met zeer lage werkintensiteit

30

9

10 10 10 10

11 11 11

12 12 12 12 12 12

* Cijfer voor 2010.

74

België

Ierland*

Litouwen

Spanje

Letland

Hongarije

Griekenland

Verenigd Koninkrijk

Duitsland

Denemarken

Bulgarije

Italië

EU27

Estland

Finland

Frankrijk

Cyprus

Luxemburg

0


Indicator A11

Arme werkenden: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen dat als werkend wordt beschouwd met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2004-2011

5

125.000

4

100.000 3 75.000 2 50.000

1

25.000

0 Aantal werkenden % werkenden

% werkenden onder armoederisicodrempel

aantal werkenden onder armoederisicodrempel

150.000

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

80.000

70.000

90.000

80.000

100.000

80.000

90.000

80.000

3,3

3,0

3,8

3,1

3,9

3,2

3,5

3,1

0

Toelichting Uit de armoederisicopercentages bleek al dat werk een belangrijke buffer vormt tegen armoede (zie indicator I2). Het risico o p armoede ligt bij personen met een job beduidend lager dan bij werklozen, gepensioneerden en andere niet -actieven. Maar al lijkt het hier te gaan om een laag percentage (3% in 2011), dit komt overeen met een behoorlijk grote groep: ongeveer 80.000 Vlamingen moeten ondanks het feit dat ze aan het werk zijn toch zien rond te komen met een huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel. Omgekeerd betekent dit dat een vrij grote groep van de personen onder de armoederisicodrempel al aan he t werk is.

75


Indicator A12

Arme werkenden: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen dat als werkend wordt beschouwd met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2011

Percentage werkenden met huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel

0

2

Totaal

3

Man Vrouw

3 3

18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar

4 3 2

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

6 4 2

Permanent arbeidscontract Tijdelijk arbeidscontract

% werkenden onder de armoederisicodrempel 4 6 8

10

12

2 10

Werkweek van 30 uur of meer Werkweek van minder dan 30 uur

3 7

Werknemer Zelfstandige

2 8

Aantal werkenden met huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel

aantal werkenden onder de armoederisicodrempel x 1.000 20 40 60

0 Man Vrouw

50 30

18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar

10 60 10

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

20 40 20

Permanent arbeidscontract Tijdelijk arbeidscontract

30 20

Werkweek van 30 uur of meer Werkweek van minder dan 30 uur

50 20

Werknemer Zelfstandige

60 20

76

80


Indicator A13

Arme werkenden: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen dat als werkend wordt beschouwd met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de nationale armoederisodrempel

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 27 lidstaten van de Europese Unie 2011

19

20

8

8

Bulgarije

Ierland*

9

9

EU27

8

Letland

8

Verenigd Koninkrijk

7

8

Estland

7

8

Duitsland

7

Cyprus

6

Zweden

6

Denemarken

6

Hongarije

4

6

Malta

4

6

Slovenië

4

5

Nederland

3

België

5

Finland

10

Frankrijk

15

Tsjechië

% werkenden onder armoederisicodrempel

25

10 10 10

11 11

12 12

* Cijfer voor 2010.

77

Roemenië

Spanje

Griekenland

Italië

Polen

Portugal

Litouwen

Luxemburg

Slovakije

Oostenrijk

Vlaams Gewest

0


Indicator H1

Te zware woonkost: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen dat leeft in een huishouden waar de totale woonkost (huur of aflossing van de lening, verzekering, taksen, onderhoud en nutsvoorzieningen) meer dan 40% bedraagt van het beschikbare huishoudinkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2004-2011

12

10

800.000

8 600.000 6 400.000 4

200.000

0 aantal personen % personen

% personen met te zware woonkosten

aantal personen met te zware woonkosten

1.000.000

2

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

570.000

370.000

420.000

420.000

580.000

360.000

400.000

440.000

9,9

6,6

7,5

7,3

9,5

5,9

6,5

7,1

0

Toelichting Door het Europese statistiekbureau Eurostat wordt de grens voor een te zware woonkost gelegd op 40% van het beschikbare huishoudinkomen. Daarbij wordt niet alleen rekening gehouden met de 'naakte' woonkosten (betalingen voor de lening en huur) maar ook met uitgaven voor verzekeringen, verplichte lasten, regulier onderhoud en herstellingen, belastingen en betalingen voor nutsvoorzieningen (water, elektriciteit, gas en verwarming). In 2011 leefde 7% van de Vlamingen in een huishouden met een te zware woonkost. Dat komt overeen met ongeveer 440.000 personen. Het aandeel en aantal personen met te zware woonkosten is sinds 2009 weer licht gestegen en ligt daarmee opnieuw op het niveau van voor 2008.

78


Indicator H2

Te zware woonkost: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage en aantal personen dat leeft in een huishouden waar de totale woonkost (huur of aflossing van de lening, verzekering, taksen, onderhoud en nutsvoorzieningen) meer dan 40% bedraagt van het beschikbare huishoudinkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2011

Percentage personen met te zware woonkosten

% personen met te zware woonkosten 0

10

Totaal

7

Man Vrouw

7 8

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

6 5 7 7 11

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

24 5 6 19 3 3 3

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

5 14 10 10

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

26 9 4 4 5

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

11 7 5

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

2 24

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel Hoogste kwintiel

25 8 2 1 <1

EU-burger niet-EU-burger

7 15

20

30

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

79


Aantal personen met te zware woonkosten

aantal personen met te zware woonkosten x 1.000 0

100

Man Vrouw

210 240

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

70 30 150 80 110

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

200 40 40 60 20 30 20

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

120 40 110 90

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

100 20 20 40 110

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

160 130 70

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

120 330

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel Hoogste kwintiel

310 100 20 20 < 10

EU-burger niet-EU-burger

360 10

200

300

400

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

80


Indicator H3

Te zware woonkost: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen dat leeft in een huishouden waar de totale woonkost (huur of aflossing van de lening, verzekering, taksen, onderhoud en nutsvoorzieningen) meer dan 40% bedraagt van het beschikbare huishoudinkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 27 lidstaten van de Europese Unie 2011

24

25 20

20 15

7

7

Estland

8

8

Italië

7

Portugal

4

6

Vlaams Gewest

4

5

Frankrijk

3

5

Slovenië

3

5

Oostenrijk

5

Finland

10

Zweden

15

Luxemburg

% personen in huishouden met te zware woonkosten

30

8

9

10 10 10

11 11

12 12 12

16 16

13

* Cijfer voor 2010.

81

Griekenland

Denemarken

Verenigd Koninkrijk

Duitsland

Letland

Nederland

EU27

Spanje

Hongarije

België

Litouwen

Polen

Tsjechië

Roemenië

Bulgarije

Slovakije

Ierland*

Malta

Cyprus

0


Indicator H4

Energiearmoede - klanten sociale leveranciers, budgetmeters en afsluitingen: evolutie

Omschrijving

Het aantal huishoudelijke afnemers van elektriciteit en gas dat wordt beleverd door de netbeheerders in hun rol van sociale leverancier, het aantal ingeschakelde budgetmeters en stroombegrenzers, telkens op 31 december en het aantal van de elektriciteit-, gas- en watertoevoer afgesloten huishoudelijke afnemers in de loop van het jaar

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

VREG en SERV-rapport 'Sociale aspecten waterbeleid' (november 2012) www.vreg.be www.serv.be

Vlaams Gewest 2007-2012

Elektriciteit

Ga s

100.000 80.000 60.000 40.000 20.000 0

Klanten sociale leverancier

Budgetmeters

Stroombegrenzers

Klanten sociale leverancier

2007

52.170

34.300

3.424

36.127

2008

60.026

36.059

2.728

41.521

2009

72.978

40.341

2.509

50.721

4.488

2010

76.575

41.200

2.790

54.680

18.190

2011

82.287

43.999

1.661

59.069

24.220

2012*

80.320

44.006

57.804

27.125

Budgetmeters

* Voorlopige cijfers.

Afgesloten huishoudelijke afnemers 10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0

Elektriciteit

Gas

2006

749

1.222

2007

1.445

3.335

2008

1.429

3.387

2009

923

3.122

791

2010

1.857

2.836

2.362

2011

1.165

1.850

4.886

82

Water


Toelichting Het aantal door de netbeheerders van elektriciteit en gas voorziene huishoudens nam in 2012 voor het eerst in lange tijd weer af. Het gaat enkel om klanten van wie het leveringscontract werd opgezegd door de commerciÍle leverancier omwille van wanbetaling en die z oals wettelijk bepaald verder worden beleverd door de netbeheerders in hun rol van sociale leverancier. Eind 2012 ging het om 80.3 20 huishoudens voor elektriciteit en 57.804 voor gas (voorlopige cijfers). Bij de meeste van de door de netbeheerder van elektriciteit voorziene huishoudens werd een budgetmeter geplaatst. Tot en met 2006 vereiste de regelgeving dat bij klanten van de netbeheerder dadelijk een budgetmeter geïnstalleerd werd. Begin 2007 werd de w etgeving aangepast waardoor enkel nog een budgetmeter geplaatst wordt bij afnemers die hun facturen ook bij de netbeheerders niet corr ect betalen. Het aantal budgetmeters voor elektriciteit lag in 2012 op hetzelfde niveau als in 2011. Eind 2012 verbruikte iets me er dan 44.000 huishoudens stroom via een budgetmeter. In de loop van 2009 werden ook de eerste budgetmeters geplaatst voor de levering van gas. Eind 2012 ging het om 27.125 huishoudens. Dat aantal nam de voorbije jaren duidelijk toe. Na de kleine toename tussen 2009 en 2010 nam het aantal stroombegrenzers in 2011 sterk af. Die afname heeft te maken met het feit dat de netbeheerders tegenwoordig de voorkeur geven aan budgetmeters. Eind 2011 verbruikten nog 1.661 Vlaamse gezinnen elektricit eit via een stroombegrenzer. Hun verbruik werd daardoor begrensd tot een vermogen van 10 ampère. Bij wanbetaling bij de netbeheerder dient een vraag tot afsluiting van een klant voorgelegd te worden aan de Lokale Adviescom missie van de gemeente (LAC). Het aantal afgesloten afnemers voor elektriciteit en gas is in 2011 afgenomen. Het aantal na wanbetaling van de watertoevoer afgesloten gezinnen daarentegen is in 2011 wel sterk gestegen.

83


Indicator H5

Kwaliteit van de huisvesting: evolutie

Omschrijving

Percentage personen dat leeft in een huis met ĂŠĂŠn of meerdere van volgende problemen: gebrek aan elementair comfort (bad of douche, warm stromend water, een toilet met waterspoeling in de woning zelf), gebrek aan ruimte (minder dan 1 kamer per lid van het gezin), minstens 1 van 4 mogelijke structurele problemen (lekkend dak, geen adequate verwarming, schimmel en vocht, rottende ramen en deuren)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2004-2011, doelstelling 2020

28

24 1.500 20

16 1.000 12

8 500

% personen met huisvestingsproblemen

aantal personen met huisvestingsproblemen x 1.000

2.000

4

0

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2020

aantal personen x 1.000

1.130

1.320

1.370

1.460

1.310

1.100

1.410

1.480

690

% personen

18,8

22,0

22,9

24,7

21,4

19,5

22,9

23,8

0

Toelichting Bijna een kwart van de bevolking in het Vlaamse Gewest (24%) leefde in 2011 in een huis met structurele problemen, een gebrek aan basiscomfort en/of een gebrek aan ruimte. Dat aandeel is na een stijging tussen 2004 en 2007 en een daling tussen 2007 en 200 9, in 2010 en 2011 weer iets gestegen. In het Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering er zich toe verbonden om het aantal personen dat woont in een huis met een gebrekk ige kwaliteit tussen 2006 en 2020 met 50% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het aantal bewoners van dergelijke huizen geda ald moet zijn tot maximaal 690.000 personen.

84


Indicator H6

Kwaliteit van de huisvesting: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen dat leeft in een huis met één of meerdere van volgende problemen: gebrek aan elementair comfort (bad of douche, warm stromend water, een toilet met waterspoeling in de woning zelf), gebrek aan ruimte (minder dan 1 kamer per lid van het gezin), minstens 1 van 4 mogelijke structurele problemen (lekkend dak, geen adequate verwarming, schimmel en vocht, rottende ramen en deuren)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2011

Percentage personen met huisvestingsproblemen

% personen 0

10

Totaal

24

Man Vrouw

23 25

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

28 27 24 20 21

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

28 20 17 49 18 15 29

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

22 28 19 28

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

38 49 31 26 18

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

28 22 18

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

19 42

Laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel Hoogste kwintiel

37 31 20 16 15

EU-burger niet-EU-burger

22 46

20

30

40

50

60

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieën: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

85


Aantal personen met huisvestingsproblemen

aantal personen x 1.000 0

200

Man Vrouw

700 790

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

350 140 520 250 220

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

230 180 120 150 120 150 210

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

560 80 220 250

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

150 130 190 270 450

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

400 410 290

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

900 590

Laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel Hoogste kwintiel

470 390 250 200 180

EU-burger niet-EU-burger

400

600

800

1000

1200

1090 40

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

86


Indicator O1

Laaggeletterdheid en zwakke wiskundige prestaties bij jongeren: evolutie

Omschrijving

Percentage leerlingen van 15 jaar die niveau 1 of lager scoren op de gecombineerde leesvaardigheidschaal en de gecombineerde wiskundige geletterdheidschaal van het Programme for International Student Assessment (PISA)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

PISA, OESO http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/992.htm

Vlaams Gewest 2000, 2003, 2006, 2009 (resultaten 2012 beschikbaar in december 2013)

Leesvaardigheid

% leerlingen met niveau 1 of lager

20

15

10

5

0

Totaal

Meisjes

Jongens

2000

11,6

8,0

14,8

2003

12,4

9,8

14,8

2006

14,1

9,8

18,0

2009

13,4

9,7

16,9

Wiskundige geletterdheid

% leerlingen met niveau 1 of lager

20

15

10

5

0

Totaal

Meisjes

Jongens

2000 2003

13,0

2006

11,9

12,5

11,4

2009

13,5

15,3

11,9

Toelichting Hoewel Vlaanderen in vergelijking met andere Europese landen behoorlijk scoort qua geletterdheid van 15 -jarigen, nam het aantal laaggeletterde leerlingen (leerlingen met niveau 1 of lager op de gecombineerde leesvaardigheidsschaal) tot 2006 toe waarna h et tussen 2006 en 2009 licht daalde. Bovendien valt het grote verschil op tussen meisjes en jongens: meisjes scoren beter dan jongens. Bij wiskundige geletterdheid draait de verhouding tussen jongens en meisjes helemaal om. Hier scoren jongens het best.

87


Indicator O2

Ongekwalificeerde uitstroom: evolutie

Omschrijving

Percentage jongeren (18-24 jaar) met maximaal een diploma lager secundair onderwijs dat geen verder onderwijs volgt en tijdens de afgelopen 4 weken niet deelgenomen heeft aan een opleiding (EAK-gegevens) en percentage 22-jarigen dat niet beschikt over een kwalificatie van het niveau secundair onderwijs en zich niet meer in het leerplichtonderwijs bevindt (SSL-gegevens)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON

EAK, Algemene Directie Statistiek Steunpunt Studie en Schoolloopbanen (SSL) http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2290.htm http://www.steunpuntloopbanen.be

Voor meer informatie

Vlaams Gewest 2006-2011

EAK-gegevens

% jongeren

20

15

10

5

0

Totaal

Vrouwen

Mannen

2006

10,0

8,1

11,9

2007

9,3

7,6

10,9

2008

8,5

7,5

9,6

2009

8,6

7,2

9,9

2010

9,6

7,7

11,4

2011

9,6

7,0

12,1

SSL-gegevens

% jongeren

20

15

10

5

0

Totaal

Vrouwen

Mannen

2006

14,1

10,5

17,6

2007

14,4

10,6

17,9

2008

14,1

10,4

17,6

2009

13,4

10,2

16,4

2010

12,7

9,9

15,5

88


Toelichting Het aandeel vroegtijdige schoolverlaters kan worden gemonitord op basis van surveygegevens (EAK-gegevens) of administratieve gegevens (SSL-gegevens). De EAK-gegevens geven aan dat het aandeel schoolverlaters zonder diploma in Vlaanderen in 2011 op hetzelfde niveau ligt als in 2010. Het gaat om 10% van 18- tot 24-jarigen. De kloof tussen mannen en vrouwen is wel nog toegenomen. Vrouwen scoorden al duidelijk beter dan mannen. En terwijl het aandeel schoolverlaters bij de vrouwen nog is afgenomen, is dat aandeel bij de mannen toegenomen. De administratieve gegevens verzameld door het Steunpunt Studie en Schoolloopbanen (SSL) geven hogere cijfers. Dat is mogelijk een gevolg van het feit dat bij de SSL-gegevens geen rekening wordt gehouden met opleidingen buiten het leerplichtonderwijs en dat er in tegenstelling tot bij de EAK-gegevens niet gewerkt wordt met een bevraging van de betrokkene zelf maar met gegevens gebaseerd op administratieve databanken. Volgens de SSL-gegevens is er in 2010 sprake van 13% vroegtijdige schoolverlaters in Vlaanderen. Dat aandeel neemt de laatste jaren beperkt af. Net als bij de EAK-gegevens valt ook hier het grote verschil op tussen vrouwen en mannen.

89


Indicator O3

Ongekwalificeerde uitstroom: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage jongeren (18-24 jaar) met maximaal een diploma lager secundair onderwijs dat geen verder onderwijs volgt en tijdens de afgelopen 4 weken niet deelgenomen heeft aan een opleiding

DIMENSIES

Ruimte

Vlaams Gewest en 27 lidstaten van de Europese Unie (geen cijfers voor Luxemburg en Slovenië) 2011

Tijd BRON Voor meer informatie

EAK - LFS, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2290.htm

Totaal 40 34 27 18

18

Italië

Bulgarije

15

VK

België

14

EU27

12

13

Griekenland

12

Frankrijk

Estland

12

Letland

Ierland

12

Duitsland

Finland

11

Hongarije

Denemarken

11

13

Cyprus

Vlaams Gewest

Zweden

10

Nederland

6

10

Litouwen

5

10

11

8

9

11

8

Oostenrijk

5

7

Polen

10

Slovakije

20

Roemenië

23

Tsjechië

% jongeren

30

Malta

Spanje

Portugal

0

Vrouwen 40 28 18

Portugal

15

Italië

EU27

14

VK

Duitsland

14

Bulgarije

Hongarije

8

11

Frankrijk

8

10

Griekenland

8

10

België

8

10

Ierland

Zweden

7

Finland

Slovakije

7

Cyprus

Tsjechië

7

Oostenrijk

5

Letland

5

Nederland

4

Denemarken

4 Polen

10

10

12

9

17

Roemenië

22 20

Vlaams Gewest

% jongeren

30

Mannen

Malta

Spanje

0

39

40 31 28

12

Bulgarije

Denemarken

Hongarije

Duitsland

Ierland

Frankrijk

België

Cyprus

EU27

Letland

16

16

VK

12

Vlaams Gewest

Oostenrijk

12

Finland

9

12

Nederland

8

15

11

Litouwen

7

Zweden

5

Polen

5

Slovakije

10

15

11

13

15

11

12

14

16

Griekenland

19

20

Tsjechië

21

90

Malta

Spanje

Portugal

Italië

0 Roemenië

% jongeren

30


Indicator G1

Subjectieve beoordeling van de gezondheidssituatie: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 16 jaar en ouder dat zijn of haar gezondheidstoestand als slecht tot zeer slecht omschrijft

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2004-2011

8

500.000 6 400.000

300.000

4

200.000 2

% personen met (zeer) slechte gezondheid

aantal personen met (zeer) slechte gezondheid

600.000

100.000

0 Aantal personen % personen

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

320.000

280.000

270.000

270.000

280.000

330.000

310.000

340.000

6,6

5,7

5,4

5,4

5,5

6,5

6,2

6,7

0

Toelichting In 2011 omschreven bijna 7% van de Vlamingen van 16 jaar en ouder hun gezondheidstoestand als slecht of zeer slecht. Dat komt overeen met ongeveer 340.000 personen. Dat aandeel ligt in de periode 2009-2011 iets hoger dan in de periode 2006-2008.

91


Indicator G2

Subjectieve beoordeling van de gezondheidssituatie: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen van 16 jaar en ouder dat zijn of haar gezondheidstoestand als slecht tot zeer slecht omschrijft

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2011

Percentage personen met (zeer) slechte gezondheid

% personen met (zeer) slechte gezondheid 0

5

Totaal

7

Man Vrouw

6 7

16-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

1 4 9 15

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

10 5 12 3 3 2 2

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

2 6 12 14

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

19 10 7 4 1

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

14 4 3

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

5 11

Laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel Hoogste kwintiel

13 1 5 4 1

EU-burger niet-EU-burger

7 10

10

15

20

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

92


Aantal personen met (zeer) slechte gezondheid

aantal personen x 1.000 0

100

Man Vrouw

150 190

16-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

< 10 70 110 160

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

80 50 80 10 20 10 10

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

40 20 140 140

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

60 20 30 30 10

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

210 80 40

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

210 130

Laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel Hoogste kwintiel

130 110 50 40 10

EU-burger niet-EU-burger

330 10

200

300

400

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

93


Indicator G3

Subjectieve beoordeling van de gezondheidssituatie: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen van 16 jaar en ouder dat zijn of haar gezondheidstoestand als slecht tot zeer slecht omschrijft

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 27 lidstaten van de Europese Unie 2011

20

19 18 17 16 16 15

15

14 13 13 13 12

8

8

8

8

8

Spanje

Finland

Luxemburg

Duitsland

Denemarken

9

9

Oostenrijk

8

Cyprus

9

Griekenland

10 10 10

10 6

6

Nederland

7

Verenigd Koninkrijk

% personen met (zeer) slechte gezondheid

25

5

5

4 3

* Cijfer voor 2010.

94

Portugal

Litouwen

Letland

Estland

Hongarije

Polen

Slovenië

Slovakije

Italië

Tsjechië

Bulgarije

EU27

België

Roemenië

Frankrijk

Vlaams Gewest

Zweden

Malta

Ierland*

0


Indicator G4

Uitstel gezondheidszorg om financiële redenen: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen dat leeft in een huishouden waarvan één van de leden in het voorbije jaar een bezoek aan de arts of tandarts heeft moeten uit- of afstellen om financiële redenen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2004-2011

5

4 300.000

3 200.000 2

100.000 1

0 Aantal personen % personen

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

150.000

90.000

80.000

70.000

110.000

110.000

120.000

250.000

2,5

1,5

1,3

1,2

1,8

1,7

1,9

4,0

% personen in gezin dat zorg heeft moeten uitstellen

aantal personen in gezin dat zorg heeft moeten uitstellen

400.000

0

Toelichting In 2011 leven 4% van de Vlamingen (ongeveer 250.000 personen) in een huishouden dat gezondheidszorgen heeft moeten uitstellen om financiële redenen. Dat aandeel is tegenover de voorgaande jaren sterk gestegen.

95


Indicator G5

Uitstel gezondheidszorg om financiële redenen: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen dat leeft in een huishouden waar één van de leden in het voorbije jaar een bezoek aan de arts of tandarts heeft moeten uit- of afstellen om financiële redenen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2011

Percentage personen in gezin dat zorg heeft moeten uitstellen

% personen in gezin dat zorg heeft moeten uitstellen 0

5

Totaal

4

Man Vrouw

4 4

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

6 4 5 3 3

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

6 2 2 8 2 1 5

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

2 10 3 7

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

15 17 7 3 1

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

15

20

6 4 2

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

2 11

Laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel Hoogste kwintiel

10 7 2 1 <1

EU-burger niet-EU-burger

10

4 8

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieën: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

96


Aantal personen in gezin dat zorg heeft moeten uitstellen

aantal personen in gezin dat zorg heeft moeten uitstellen x 1.000 0

20

Man Vrouw

120 130

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

70 20 100 30 30

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

50 20 10 30 20 10 40

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

60 30 30 60

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

60 40 40 40 30

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

80 70 30

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

90 160

Laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel Hoogste kwintiel

120 90 20 10 < 10

EU-burger niet-EU-burger

10 170

40

60

80

100

120

140

160

180

* * Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

97


Indicator M1

Niet-participatie aan cultuur: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 18 jaar tot 85 jaar dat niet participeert aan cultuur. Het gaat om personen die niet minstens 1 keer per jaar 1 van volgende cultuuractiviteiten ondernemen: het bijwonen van een opera of klassiek concert, een pop- of rockconcert, een jazz- of bluesconcert, een folkoptreden of traditioneel concert, een dans- of balletvoorstelling, een theatervoorstelling, museumbezoek, bibliotheekbezoek en bioscoopbezoek.

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/629.htm

Vlaamse Gemeenschap 2004-2012

2.000.000

25

15 1.000.000 10

500.000 5

0 Aantal personen % personen

2004

2005

2006

2007

2008

920.000

930.000

850.000

910.000

950.000

19,4

19,7

17,8

19,0

19,6

2009

2010

2011

2012

1.040.000 1.010.000 1.130.000 1.130.000 21,4

20,6

22,9

22,7

Toelichting In 2012 namen 23% van de Vlamingen van 18 tot 85 jaar (ongeveer 1,1 miljoen personen) niet deel aan culturele activiteiten. Het aandeel niet-participanten ligt in 2012 op hetzelfde niveau als in 2011, maar is sinds 2006 wel duidelijk gestegen.

98

0

% niet-cultuurparticipanten

aantal niet-cultuurparticipanten

20 1.500.000


Indicator M2

Niet-participatie aan cultuur: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 18 tot 85 jaar dat niet participeert aan cultuur. Het gaat om personen die niet minstens 1 keer per jaar 1 van volgende cultuuractiviteiten ondernemen: het bijwonen van een opera of klassiek concert, een pop- of rockconcert, een jazz- of bluesconcert, een folkoptreden of traditioneel concert, een dans- of balletvoorstelling, een theatervoorstelling, museumbezoek, bibliotheekbezoek en bioscoopbezoek.

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/629.htm

Vlaamse Gemeenschap 2012

% niet-cultuurparticipanten 0

10

Totaal

23

Man

24

Vrouw

21

18-24 jaar

3

25-49 jaar

12

50-64 jaar

25

65 jaar en ouder

46

Met partner en kinderen

14

Met partner zonder kinderen

32

Alleenstaande ouder

23

Alleenstaand Inwonend bij ouders

33

Werkend

13 31

Gepensioneerd

42

Anders niet-actief

22

Laaggeschoold

48

Hooggeschoold

30

6

Werkloos

Middengeschoold

20

14 5

Eigenaar

22

Huurder

27

Laagste kwintiel*

43

2de kwintiel

35

3de kwitiel

21

4de kwintiel

12

Hoogste kwintiel

11

* Laagste kwintiel: 20% armste gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste gezinnen.

99

40

50

60


Indicator M3

Niet-participatie aan sport: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 18 tot 85 jaar dat niet aan sport doet (sport wordt hier ruim opgevat, omvat ook fietsen en wandelen)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2515.htm

Vlaamse Gemeenschap 2004-2012

3.500.000

60

50

2.500.000 40 2.000.000 30 1.500.000

% personen dat niet sport

aantal personen dat niet sport

3.000.000

20 1.000.000 10

500.000

0

2004

2005

2006

Aantal personen 1.810.000 2.000.000 2.010.000 % personen 38,3 42,1 42,1

2007*

2008

2009

2010

2011

2012

0

2.050.000 2.340.000 2.310.000 2.470.000 2.230.000 42,4

48,2

47,3

50,0

44,9

* Niet bevraagd in 2007.

Toelichting In 2012 deed 45% van de Vlamingen van 18 tot 85 jaar (ongeveer 2,2 miljoen personen) niet aan sport. Sport wordt hierbij ruim opgevat: ook wandelen en fietsen wordt als sportbeoefening beschouwd. Het aandeel niet-sporters is na een duidelijke stijging in de voorbije jaren tussen 2011 en 2012 iets afgenomen.

100


Indicator M4

Niet-participatie aan sport: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen van 18 tot 85 jaar dat niet aan sport doet (sport wordt hier ruim opgevat, omvat ook fietsen en wandelen)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2515.htm

Vlaamse Gemeenschap 2012

% personen dat niet sport 0

10

Totaal

45

Man

39

Vrouw

50

18-24 jaar

36

25-49 jaar

41

50-64 jaar

44

65-85 jaar

57

Met partner en kinderen

44

Met partner zonder kinderen

45

Alleenstaande ouder

58

Alleenstaand

52

Inwonend bij ouders

31

Werkend

39

Werkloos

55

Gepensioneerd

54

Anders niet-actief

47

Laaggeschoold

59

Middengeschoold

41

Hooggeschoold

33

Eigenaar

42

Huurder

54

Laagste kwintiel*

61

2de kwintiel

55

3de kwitiel

38

4de kwintiel

41

Hoogste kwintiel

32

20

30

* Laagste kwintiel: 20% armste gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste gezinnen.

101

40

50

60

70


Indicator M5

Niet-participatie aan verenigingen: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 18 tot 85 jaar dat van geen enkele vereniging actief lid is

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/634.htm

Vlaamse Gemeenschap 2004-2012

60

3.000.000

50

2.500.000 40 2.000.000 30 1.500.000 20 1.000.000 10

500.000

0

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

0

Aantal personen 2.230.000 2.340.000 2.240.000 2.390.000 2.290.000 2.450.000 2.260.000 2.640.000 2.370.000 % personen 47,2 49,4 46,9 49,8 47,4 50,5 46,1 53,6 47,7

Toelichting In 2012 was 48% van de Vlamingen van 18 jaar tot 85 jaar (ongeveer 2,4 miljoen personen) van geen enkele vereniging actief li d of bestuurslid. Het aandeel Vlamingen dat niet participeert aan verenigingen schommelde de voorbije jaren tussen 47% en 51%, met uitzondering van 2011.

102

% personen dat van geen enkele verenigng actief lid is

aantal personen dat van geen enkele vereniging actief lid is

3.500.000


Indicator M6

Niet-participatie aan verenigingen: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen van 18 tot 85 jaar dat van geen enkele vereniging actief lid is

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/634.htm

Vlaamse Gemeenschap 2012

% personen dat van geen enkele vereniging actief lid is 0

10

Totaal

48

Man

42

Vrouw

54

18-24 jaar

38

25-49 jaar

43

50-64 jaar

54

65-85 jaar

53

Met partner en kinderen

44

Met partner zonder kinderen

49

Alleenstaande ouder

56

Alleenstaand

52

Inwonend bij ouders

38

Werkend

42

Werkloos

63

Gepensioneerd

54

Anders niet-actief

52

Laaggeschoold

59

Middengeschoold

48

Hooggeschoold

35

Eigenaar

44

Huurder

61

Laagste kwintiel*

67

2de kwintiel

52

3de kwitiel

42

4de kwintiel

44

Hoogste kwintiel

37

20

30

* Laagste kwintiel: 20% armste gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste gezinnen.

103

40

50

60

70

80


Indicator M7

Risico op sociale isolatie: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 18 tot 85 jaar dat minder dan wekelijks contact heeft met buren, met nietinwonende familie of met vrienden/kennissen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1069.htm

Vlaamse Gemeenschap 2004-2012

aantal personen met risico op sociale isolatie

800.000

12

10

8

400.000

6

4 200.000

% personen met risico op sociale isolatie

600.000

2

0 Aantal personen % personen

2004*

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

370.000

390.000

320.000

310.000

370.000

340.000

440.000

540.000

7,9

8,2

6,7

6,5

7,7

6,9

8,9

10,8

0

* Niet bevraagd in 2004.

Toelichting In 2012 had 11% van de Vlamingen van 18 tot 85 jaar (ongeveer 540.000 personen) minder dan wekelijks contact met zijn of haar buren, niet-inwonende familie en/of vrienden of kennissen. Deze groep loopt een verhoogd risico op sociale isolatie. Het aandeel Vlamin gen dat risico loopt op sociale isolatie is sinds 2010 opvallend gestegen.

104


Indicator M8

Risico op sociale isolatie: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen van 18 tot 85 jaar dat minder dan wekelijks contact heeft met buren, met nietinwonende familie of met vrienden/kennissen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1069.htm

Vlaamse Gemeenschap 2012

% personen met risico op sociale isolatie 0

3

Totaal

11

Man

11

Vrouw

11

18-24 jaar

9

25-49 jaar

11

50-64 jaar

15

65-85 jaar

7

Met partner en kinderen

12

Met partner zonder kinderen

10

Alleenstaande ouder

14

Alleenstaand

12

Werkend

13

Werkloos

13 5

Anders niet-actief

11

Laaggeschoold

10

Middengeschoold

10

Hooggeschoold

12

Eigenaar

11

Huurder

9

Laagste kwintiel* 2de kwintiel

9

9

Inwonend bij ouders

Gepensioneerd

6

10 9

3de kwitiel

9

4de kwintiel

12

Hoogste kwintiel

13

* Laagste kwintiel: 20% armste gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste gezinnen.

105

12

15

18


Indicator M9

Geen internetgebruik: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 18 tot 85 jaar dat tijdens de laatste 3 maanden geen internet heeft gebruikt

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2915.htm

Vlaamse Gemeenschap 2004-2012

50

2.500.000

40

2.000.000 30 1.500.000 20 1.000.000

10

500.000

0 Aantal personen % personen

% personen dat geen internet gebruikt

aantal personen dat geen internet gebruikt

3.000.000

2004*

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

0

1.850.000 1.900.000 1.660.000 1.610.000 1.380.000 1.340.000 1.300.000 1.230.000 39,1

39,9

34,7

33,3

28,5

27,4

26,3

24,7

* Niet bevraagd in 2004.

Toelichting In 2012 had 25% van de Vlamingen van 18 tot 85 jaar en ouder (ongeveer 1,2 miljoen personen) in de laatste 3 maanden voor de bevraging geen gebruik gemaakt van het internet. Het aandeel niet-internetgebruikers neemt de voorbije jaren duidelijk af.

106


Indicator M10

Geen internetgebruik: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen van 18 tot 85 jaar dat tijdens de laatste 3 maanden geen internet heeft gebruikt

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2915.htm

Vlaamse Gemeenschap 2012

% personen dat geen internet gebruikt 0

10

Totaal

25

Man

22

Vrouw

28

18-24 jaar

6

50-64 jaar

24

65-85 jaar

67

Met partner en kinderen

10

Met partner zonder kinderen

38

Alleenstaande ouder

26

Alleenstaand

41

Inwonend bij ouders

6

Werkend

6

Werkloos

25

Gepensioneerd

60

Anders niet-actief

29

Laaggeschoold

51

Middengeschoold

15 6

Eigenaar

25

Huurder

25

Laagste kwintiel*

47

2de kwintiel

38

3de kwitiel

24

4de kwintiel

13

Hoogste kwintiel

30

2

25-49 jaar

Hooggeschoold

20

8

* Laagste kwintiel: 20% armste gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste gezinnen.

107

40

50

60

70

80


Indicator K1

Kinderen onder de armoederisicodrempel: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 17 jaar met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel na sociale transfers

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

300.000 Aantal personen % personen

Vlaams Gewest 2004-2011, doelstelling 2020

2004

2005

2006

2007

2008

2009

758.000

822.000

813.000

807.000

777.000

725.000

12,6

13,7

13,6

13,4

12,8

11,8

16

aantal kinderen onder armoederisicodrempel

12 200.000

150.000

8

100.000 4

%personen onder armoederisicodrempel

250.000

50.000

0 Aantal kinderen % kinderen % totale bevolking

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

130.000 140.000 120.000 140.000 120.000 120.000 140.000 130.000 10

12

10

11

10

10

11

10

10,8

11,3

11,4

10,9

10,0

10,1

10,4

9,8

2020

0

60.000

Toelichting In 2011 leefde 10% van de Vlaamse kinderen van 0 tot 17 jaar in een gezin met een huishoudinkomen onder de armoederisicodremp el. Dat komt overeen met ongeveer 130.000 kinderen. Dat aandeel schommelt de voorbije jaren tussen 10% en 11%. In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering er zich toe verbonden om het aantal kinderen in een gezin met een inkomen onder de armoederisicodrempel tussen 2008 en 2020 met 50% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het aantal kinderen met een huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel gedaald moet zijn tot maximaal 60.000 kinde ren.

108


Indicator K2

Kinderen onder de armoederisicodrempel: situatie per groep

Omschrijving

Percentage en aantal kinderen (0 tot 17 jaar) met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel na sociale transfers

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Gepoolde dataset EU-SILC 2009-2011, Algemene Directie Statistiek (berekeningen SVR) http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2009-2011

% kinderen onder de armoederisicodrempel

% personen onder armoederisicodrempel 0

10

0-99 jaar

10

0-17 jaar

10

Jongens

10

Meisjes

11

0-2 jaar

13

3-5 jaar

13

6-11 jaar

12

12-17 jaar

12

Kind in eenoudergezin

6

Kind bij koppel met 2 kinderen

4

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

12

Kind in ander huishouden

18

Kind in gezin met W=0*

74

Kind in gezin met 0<W<0,5

36

40

50

60

10

Kind in gezin met W=1

3

Kind in gezin dat woning bezit

5

Kind in gezin dat woning huurt

29

Kind in EU-gezin**

30

25

Kind bij koppel met 1 kind

Kind in gezin met 0,5≤W<1

20

8

Kind in niet-EU-gezin

53

Kind in laagopgeleid gezin***

53

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

10

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden in een jaar door de volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal maanden dat de volwassen leden zouden kunnen werken. ** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin hebben EU-nationaliteit; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene heeft nationaliteit van buiten de EU. *** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs.

109

70

80


Aantal kinderen onder de armoederisicodrempel

aantal kinderen onder armoederisicodrempel x 1.000 0

20

0-17 jaar

130

Jongens

60

Meisjes

70

0-2 jaar

30

3-5 jaar

20

6-11 jaar

40

12-17 jaar

40

Kind in eenoudergezin

30

Kind bij koppel met 1 kind

10

Kind bij koppel met 2 kinderen

20

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

50

Kind in ander huishouden

20

Kind in gezin met W=0*

30

Kind in gezin met 0<W<0,5

20

Kind in gezin met 0,5≤W<1

40

Kind in gezin met W=1

20

Kind in gezin dat woning bezit

50

Kind in gezin dat woning huurt

80

Kind in EU-gezin**

40

60

80

100

120

140

100

Kind in niet-EU-gezin

30

Kind in laagopgeleid gezin***

50

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

80

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden in een jaar door de volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal maanden dat de volwassen leden zouden kunnen werken. ** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin hebben EU-nationaliteit; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene heeft nationaliteit van buiten de EU. *** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs.

Toelichting Om een opdeling te kunnen maken binnen de groep kinderen naar onder meer leeftijd, huishoudsamenstelling, werkintensiteit van het huishouden en nationaliteit en opleidingsniveau van de ouders, wordt gebruik gemaakt van een dataset waarin de 3 meeste recen te edities van de EU-SILC-survey (EU-SILC 2009, EU-SILC 2010 en EU-SILC 2011) werden samengevoegd. Dat verhoogt het aantal kinderen opgenomen in de steekproef en vergroot zo de betrouwbaarheid van de resultaten voor kleinere subgroepen.

110


Indicator K3

Kinderen onder de armoederisicodrempel: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 17 jaar met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de nationale armoederisicodrempel

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 27 lidstaten van de Europese Unie 2011

% kinderen onder armoederisicodrempel

40 33 29

30

20

18 15 15 15 15

20 20 20

19 19

21 21 21

22 22

23

24 24

25

26

27

16 16

12 12 10

10 10

111

Roemenië

Spanje

Bulgarije

Italië

Letland

Litouwne

Hongarije

Griekenland

Polen

Portugal

Malta

Slovakije

EU27

Luxemburg

Estland

* Cijfer voor 2010.

Ierland*

België

Frankrijk

Duitsland

Verenigd Koninkrijk

Oostenrijk

Nederland

Tsjechië

Slovenië

Cyprus

Zweden

Finland

Denemarken

Vlaams Gewest

0


Indicator K4

Diepte van de inkomensarmoede bij kinderen

Omschrijving

Percentage kinderen (0 tot 17 jaar) en percentage in de totale bevolking (0 tot 99 jaar) met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder 40%, 50% en 70% van het nationaal mediaan gestandaardiseerd huishoudinkomen na sociale transfers

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2011

Aantal personen

% personen onder drempel

% personen

25

20

15

10

5

0

Inkomen onder de 40%-drempel

Inkomen onder de 50%-drempel

Inkomen onder de 70%-drempel

Kinderen

2

6

18

Totale bevolking

2

5

19

Toelichting Om zicht te krijgen op de spreiding van de inkomens rond de armoederisicodrempel en dus de diepte van de inkomensarmoede kan men de hoogte van de armoederisicodrempel (normaal 60% van het nationaal mediaaninkomen) laten variĂŤren. In 2011 bleek 18% van de Vl aamse kinderen te leven in een gezin met een inkomen lager dan 70% van het nationaal mediaaninkomen, 6% over een inkomen lager dan 50% van het mediaaninkomen en 2% lager dan 40% van het mediaaninkomen. Die aandelen wijken weinig of niet af van de situatie van de totale bevolking.

112


Indicator K5

Kinderen in subjectieve armoede

Omschrijving

Percentage en aantal kinderen (0 tot 17 jaar) dat leeft in een huishouden dat volgens de referentiepersoon (zeer) moeilijk rondkomt met het beschikbare inkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Gepoolde dataset EU-SILC 2009-2011, Algemene Directie Statistiek (berekeningen SVR) http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2009-2011

% kinderen in subjectieve armoede

% personen in subjectieve armoede 0

10

0-99 jaar

15

0-17 jaar

17

Jongens

17

Meisjes

17

0-2 jaar

16

3-5 jaar

17

6-11 jaar

17

12-17 jaar

17

Kind in eenoudergezin

39

Kind bij koppel met 1 kind Kind bij koppel met 2 kinderen

40

50

11 18

Kind in ander huishouden

32

Kind in gezin met W=0*

54

Kind in gezin met 0<W<0,5

53

Kind in gezin met W=1

30

7

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

Kind in gezin met 0,5≤W<1

20

18 8

Kind in gezin dat woning bezit

11

Kind in gezin dat woning huurt

40

Kind in EU-gezin**

16

Kind in niet-EU-gezin

40

Kind in laagopgeleid gezin***

61

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

20

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden in een jaar door de volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal maanden dat de volwassen leden zouden kunnen werken. ** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin hebben EU-nationaliteit; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene heeft nationaliteit van buiten de EU. *** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs.

113

60

70


Aantal kinderen in subjectieve armoede

aantal kinderen in subjectieve armoede x 1.000 0

50

0-17 jaar

210

Jongens

110

Meisjes

100

0-2 jaar

40

3-5 jaar

40

6-11 jaar

60

12-17 jaar

70

Kind in eenoudergezin

50

Kind bij koppel met 1 kind

20

Kind bij koppel met 2 kinderen

30

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

70

Kind in ander huishouden

40

Kind in gezin met W=0*

20

Kind in gezin met 0<W<0,5

30

Kind in gezin met 0,5≤W<1

80

Kind in gezin met W=1

50

Kind in gezin dat woning bezit

100

Kind in gezin dat woning huurt

110

Kind in EU-gezin**

100

150

200

250

180

Kind in niet-EU-gezin

20

Kind in laagopgeleid gezin***

50

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

80

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden in een jaar door de volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal maanden dat de volwassen leden zouden kunnen werken. ** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin hebben EU-nationaliteit; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene heeft nationaliteit van buiten de EU. *** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs.

Toelichting Om een opdeling te kunnen maken binnen de groep kinderen naar onder meer leeftijd, huishoudsamenstelling, werkintensiteit van het huishouden en nationaliteit en opleidingsniveau van de ouders, wordt gebruik gemaakt van een dataset waarin de 3 meeste recen te edities van de EU-SILC-survey (EU-SILC 2009, EU-SILC 2010 en EU-SILC 2011) werden samengevoegd. Dat verhoogt het aantal kinderen opgenomen in de steekproef en vergroot zo de betrouwbaarheid van de resultaten voor kleinere subgroepen.

114


Indicator K6

Kinderen in ernstige materiële deprivatie

Omschrijving

Percentage en aantal kinderen (0 tot 17 jaar) dat leeft in een huishouden dat minstens 4 van volgende 9 items mist omwille van financiële redenen: 1 week vakantie per jaar, een maaltijd met vis, vlees, kip of vegetarisch alternatief om de 2 dagen, een wasmachine, een kleuren-tv, een telefoon, een auto, de rekeningen voor huur, hypotheek, nutsvoorzieningen of andere aankopen kunnen betalen, het huis degelijk kunnen verwarmen, beperkte onverwachte financiële uitgave (850 euro) kunnen doen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Gepoolde dataset EU-SILC 2009-2011, Algemene Directie Statistiek (berekeningen SVR) http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2009-2011

% kinderen in ernstige materiële deprivatie

% personen in ernstige materiële deprivatie 0

5

0-99 jaar

2

0-17 jaar

3

Jongens

3

Meisjes

3

0-2 jaar

3

3-5 jaar

3

6-11 jaar

5

12-17 jaar

4

Kind in eenoudergezin

9

Kind bij koppel met 1 kind

2

Kind bij koppel met 2 kinderen

1

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

5

Kind in ander huishouden

2

Kind in gezin met W=0*

10

15

20

25

25

Kind in gezin met 0<W<0,5

5

Kind in gezin met 0,5≤W<1

3

Kind in gezin met W=1

1

Kind in gezin dat woning bezit

1

Kind in gezin dat woning huurt

11

Kind in EU-gezin**

3

Kind in niet-EU-gezin

7

Kind in laagopgeleid gezin***

9

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

2

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden in een jaar door de volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal maanden dat de volwassen leden zouden kunnen werken. ** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin hebben EU-nationaliteit; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene heeft nationaliteit van buiten de EU.

*** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs.

115

30


Aantal kinderen in ernstige materiĂŤle deprivatie

aantal kinderen in ernstige materiĂŤle deprivatie x 1.000 0

10

0-17 jaar

40

Jongens

20

Meisjes

20

0-2 jaar

10

3-5 jaar

10

6-11 jaar

10

12-17 jaar

10

Kind in eenoudergezin

10

Kind bij koppel met 1 kind

10

Kind bij koppel met 2 kinderen Kind bij koppel met 3 of meer kinderen Kind in ander huishouden

Kind in gezin met W=0*

20

30

40

50

< 10 20 < 10

10

Kind in gezin met 0<W<0,5

< 10

Kind in gezin met 0,5â&#x2030;¤W<1

10

Kind in gezin met W=1

10

Kind in gezin dat woning bezit

10

Kind in gezin dat woning huurt

30

Kind in EU-gezin**

30

Kind in niet-EU-gezin

10

Kind in laagopgeleid gezin***

10

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

30

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden in een jaar door de volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal maanden dat de volwassen leden zouden kunnen werken. ** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin hebben EU-nationaliteit; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene heeft nationaliteit van buiten de EU.

*** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs.

Toelichting Om een opdeling te kunnen maken binnen de groep kinderen naar onder meer leeftijd, huishoudsamenstelling, werkintensiteit van het huishouden en nationaliteit en opleidingsniveau van de ouders, wordt gebruik gemaakt van een dataset waarin de 3 meeste recen te edities van de EU-SILC-survey (EU-SILC 2009, EU-SILC 2010 en EU-SILC 2011) werden samengevoegd. Dat verhoogt het aantal kinderen opgenomen in de steekproef en vergroot zo de betrouwbaarheid van de resultaten voor kleinere subgroepen.

116


Indicator K7

Kinderen in ernstige materiële deprivatie: score op afzonderlijke items

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 17 jaar dat leeft in een huishouden: 1. dat zich per jaar geen week vakantie buitenshuis kan veroorloven 2. dat zich geen maaltijd met vlees, kip, vis of vegetarisch alternatief kan veroorloven om de 2 dagen 3. dat niet beschikt over een wasmachine omwille van financiële redenen 4. dat niet beschikt over een kleuren-tv omwille van financiële redenen 5. dat niet beschikt over een telefoon omwille van financiële redenen 6. dat niet beschikt over een auto omwille van financiële redenen 7. dat tijdens het afgelopen jaar minstens 1 achterstallige betaling had inzake hypotheek/huur, nutsvoorzieningen (gas, elektriciteit, water) en leningen (aankopen op afbetaling of andere leningen) 8. dat het huis niet degelijk kan verwarmen omwille van financiële redenen 9. dat een onverwachte noodzakelijke uitgave (850 euro) niet uit eigen middelen kan betalen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2011

Percentage kinderen

% personen 0

5

10

15

22 20 3 3 1 1 1 1 1 <1 5 5 8 5 5 4 22 16

Geen week vakantie per jaar Geen vis, vlees, kip of vegetarisch om de 2 dagen Geen wasmachine Geen TV Geen telefoon Geen auto Achterstallige betalingen Geen degelijke verwarming Geen onverwachte uitgave aankunnen

20

25

Kinderen Totale bevolking

Aantal kinderen aantal kinderen x 1.000 0 Geen week vakantie per jaar Geen vis, vlees, kip of vegetarisch om de 2 dagen

100 270 40

Geen wasmachine

10

Geen TV

10

Geen telefoon

10

Geen auto Achterstallige betalingen Geen degelijke verwarming Geen onverwachte uitgave aankunnen

70 100 70 270

117

200

300

400


Indicator K8

Kinderen in een gezin met te zware woonkost

Omschrijving

Percentage en aantal kinderen (0 tot 17 jaar) dat leeft in een huishouden waar de totale woonkost (huur of aflossing van de lening, verzekering, taksen, onderhoud en nutsvoorzieningen) meer dan 40% bedraagt van het beschikbare huishoudinkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Gepoolde dataset EU-SILC 2009-2011, Algemene Directie Statistiek (berekeningen SVR) http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2009-2011

% kinderen met te zware woonkost

% personen met te zware woonkost 0

10

0-99 jaar

7

0-17 jaar

5

Jongens

5

Meisjes

5

0-2 jaar

7

3-5 jaar

7

6-11 jaar

6

12-17 jaar

2

Kind in eenoudergezin Kind bij koppel met 1 kind

4 3

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

3

Kind in ander huishouden

6

Kind in gezin met W=0*

31

Kind in gezin met 0<W<0,5

15

Kind in gezin met 0,5≤W<1

3

Kind in gezin met W=1

2

Kind in gezin dat woning bezit

2

Kind in gezin dat woning huurt

16 4

Kind in niet-EU-gezin

19

Kind in laagopgeleid gezin***

12

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

30

16

Kind bij koppel met 2 kinderen

Kind in EU-gezin**

20

4

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden in een jaar door de volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal maanden dat de volwassen leden zouden kunnen werken. ** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin hebben EU-nationaliteit; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene heeft nationaliteit van buiten de EU. *** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs.

118

40


Aantal kinderen met te zware woonkost

aantal kinderen met te zware woonkost x 1.000 0

20

0-17 jaar

60

Jongens

30

Meisjes

30

0-2 jaar

20

3-5 jaar

10

6-11 jaar

20

12-17 jaar

10

Kind in eenoudergezin

20

Kind bij koppel met 1 kind

10

Kind bij koppel met 2 kinderen

10

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

10

Kind in ander huishouden

10

Kind in gezin met W=0*

10

Kind in gezin met 0<W<0,5

10

Kind in gezin met 0,5≤W<1

20

Kind in gezin met W=1

10

Kind in gezin dat woning bezit

20

Kind in gezin dat woning huurt

40

Kind in EU-gezin**

50

Kind in niet-EU-gezin

10

Kind in laagopgeleid gezin***

20

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

40

40

60

80

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden in een jaar door de volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal maanden dat de volwassen leden zouden kunnen werken. ** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin hebben EU-nationaliteit; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene heeft nationaliteit van buiten de EU. *** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs.

Toelichting Om een opdeling te kunnen maken binnen de groep kinderen naar onder meer leeftijd, huishoudsamenstelling, werkintensiteit van het huishouden en nationaliteit en opleidingsniveau van de ouders, wordt gebruik gemaakt van een dataset waarin de 3 meeste recen te edities van de EU-SILC-survey (EU-SILC 2009, EU-SILC 2010 en EU-SILC 2011) werden samengevoegd. Dat verhoogt het aantal kinderen opgenomen in de steekproef en vergroot zo de betrouwbaarheid van de resultaten voor kleinere subgroepen.

119


Indicator K9

Kinderen met slechte woningkwaliteit

Omschrijving

Percentage en aantal kinderen (0 tot 17 jaar) dat leeft in een huis met één of meerdere van volgende problemen: gebrek aan elementair comfort (bad of douche, warm stromend water, een toilet met waterspoeling in de woning zelf), gebrek aan ruimte (minder dan 1 kamer per lid van het gezin), minstens 1 van 4 mogelijke structurele problemen (lekkend dak, geen adequate verwarming, schimmel en vocht, rottende ramen en deuren)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Gepoolde dataset EU-SILC 2009-2011, Algemene Directie Statistiek (berekeningen SVR) http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2009-2011

% kinderen met huisvestingsproblemen

% personen met huisvestingsproblemen 0

10

0-99 jaar

22

0-17 jaar

28

Jongens

26

Meisjes

29

0-2 jaar

29

3-5 jaar

29

6-11 jaar

28

12-17 jaar

26

Kind in eenoudergezin

37

Kind bij koppel met 1 kind

19

Kind bij koppel met 2 kinderen

14

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

34

Kind in ander huishouden

58

Kind in gezin met W=0*

55

Kind in gezin met 0<W<0,5

74

Kind in gezin met 0,5≤W<1

33

Kind in gezin met W=1

16

Kind in gezin dat woning bezit

21

Kind in gezin dat woning huurt

50

Kind in EU-gezin**

26

Kind in niet-EU-gezin

64

Kind in laagopgeleid gezin***

53

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

24

20

30

40

50

60

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden in een jaar door de volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal maanden dat de volwassen leden zouden kunnen werken. ** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin hebben EU-nationaliteit; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene heeft nationaliteit van buiten de EU. *** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs.

120

70

80


Aantal kinderen met huisvestingsproblemen

aantal kinderen met huisvestingsproblemen x 1.000 0

100

0-17 jaar

340

Jongens

160

Meisjes

180

0-2 jaar

60

3-5 jaar

60

6-11 jaar

110

12-17 jaar

110

Kind in eenoudergezin

50

Kind bij koppel met 1 kind

30

Kind bij koppel met 2 kinderen

60

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

300

400

140

Kind in ander huishouden

60

Kind in gezin met W=0*

20

Kind in gezin met 0<W<0,5

50

Kind in gezin met 0,5≤W<1

150

Kind in gezin met W=1

100

Kind in gezin dat woning bezit

210

Kind in gezin dat woning huurt

130

Kind in EU-gezin**

300

Kind in niet-EU-gezin

40

Kind in laagopgeleid gezin***

70

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

200

270

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden in een jaar door de volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal maanden dat de volwassen leden zouden kunnen werken. ** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin hebben EU-nationaliteit; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene heeft nationaliteit van buiten de EU. *** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs.

Toelichting Om een opdeling te kunnen maken binnen de groep kinderen naar onder meer leeftijd, huishoudsamenstelling, werkintensiteit van het huishouden en nationaliteit en opleidingsniveau van de ouders, wordt gebruik gemaakt van een dataset waarin de 3 meeste recen te edities van de EU-SILC-survey (EU-SILC 2009, EU-SILC 2010 en EU-SILC 2011) werden samengevoegd. Dat verhoogt het aantal kinderen opgenomen in de steekproef en vergroot zo de betrouwbaarheid van de resultaten voor kleinere subgroepen.

121


Indicator K10

Kinderen in gezin dat gezondheidszorg moet uitstellen om financiële redenen

Omschrijving

Percentage en aantal kinderen (0 tot 17 jaar) dat leeft in een huishouden waarvan één van de leden in het voorbije jaar een bezoek aan de arts of tandarts heeft moeten uit- of afstellen om financiële redenen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Gepoolde dataset EU-SILC 2009-2011, Algemene Directie Statistiek (berekeningen SVR) http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2009-2011

% kinderen in gezin dat zorg heeft moeten uitstellen

% personen 0

5

0-99 jaar

3

0-17 jaar

3

Jongens

3

Meisjes

4

0-2 jaar

4

3-5 jaar

5

6-11 jaar

3

12-17 jaar

3

Kind in eenoudergezin

5

Kind bij koppel met 1 kind

2

Kind bij koppel met 2 kinderen

1

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

5

Kind in ander huishouden

9

Kind in gezin met W=0*

15

20

25

26

Kind in gezin met 0<W<0,5

17

Kind in gezin met 0,5≤W<1

3

Kind in gezin met W=1

10

<1

Kind in gezin dat woning bezit

1

Kind in gezin dat woning huurt

12

Kind in EU-gezin**

3

Kind in niet-EU-gezin

9

Kind in laagopgeleid gezin***

7

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

2

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden in een jaar door de volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal maanden dat de volwassen leden zouden kunnen werken. ** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin hebben EU-nationaliteit; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene heeft nationaliteit van buiten de EU. *** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs.

122

30


Aantal kinderen in gezin dat zorg heeft moeten uitstellen

aantal kinderen x 1.000 0

10

0-17 jaar

40

Jongens

20

Meisjes

20

0-2 jaar

10

3-5 jaar

10

6-11 jaar

10

12-17 jaar

10

Kind in eenoudergezin

10

Kind bij koppel met 1 kind

< 10

Kind bij koppel met 2 kinderen

< 10

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

20

Kind in ander huishouden

10

Kind in gezin met W=0*

10

Kind in gezin met 0<W<0,5

10

Kind in gezin met 0,5≤W<1

10

Kind in gezin met W=1

20

30

40

50

< 10

Kind in gezin dat woning bezit

10

Kind in gezin dat woning huurt

30

Kind in EU-gezin**

30

Kind in niet-EU-gezin

10

Kind in laagopgeleid gezin***

10

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

30

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden in een jaar door de volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal maanden dat de volwassen leden zouden kunnen werken. ** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin hebben EU-nationaliteit; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene heeft nationaliteit van buiten de EU. *** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs.

Toelichting Om een opdeling te kunnen maken binnen de groep kinderen naar onder meer leeftijd, huishoudsamenstelling, werkintensiteit van het huishouden en nationaliteit en opleidingsniveau van de ouders, wordt gebruik gemaakt van een dataset waarin de 3 meeste recen te edities van de EU-SILC-survey (EU-SILC 2009, EU-SILC 2010 en EU-SILC 2011) werden samengevoegd. Dat verhoogt het aantal kinderen opgenomen in de steekproef en vergroot zo de betrouwbaarheid van de resultaten voor kleinere subgroepen.

123


Indicator K11

Kansarmoede-index van Kind en Gezin: evolutie

Omschrijving

Aantal kinderen geboren in een kansarm gezin volgens de criteria van Kind en Gezin in jaar X en de jaren X-1 en X-2 en die wonen in het Vlaams Gewest op 31 december van jaar X, gedeeld door het totaal aantal kinderen geboren in die 3 jaar en die wonen in het Vlaams Gewest op 31 december van jaar X (in percentages)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Kind en Gezin http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/259.htm

Vlaams Gewest 2001-2011, doelstelling 2020

12

9,7

10

kansarmoede-index

8,6 7,9

8

8,2

7,4 6,0

6,3

6,4

6,4

6,5

6,9

6

4,0

4

2

0 2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2020

Toelichting Kind en Gezin ontwikkelde begin jaren 1990 een indicator die verschillende aspecten van de sociaaleconomische situatie van pa sgeborenen tegelijk in rekening tracht te brengen. Aan de hand van het maandinkomen van het gezin, de opleiding en de arbeidssituatie van de ouders, de ontwikkeling van de kinderen, de huisvesting en de gezondheidssituatie van het gezin, wordt nagegaan hoeveel kinderen gebo ren worden in een kansarm gezin. Een gezin wordt als kansarm beschouwd als het op minstens 3 van de voorgenoemde criteria zwak sc oort. Sinds 2010 wordt niet meer gewerkt met jaarcijfers maar met het gemiddelde van het jaar en de 2 voorgaande jaren. Dat zorgt v oor robuustere resultaten. Ook worden geen absolute aantallen meer vrijgegeven, enkel procentuele aandelen ten opzichte van het t otaal aantal geboorten. Om de verandering in de berekening te accentueren, spreekt Kind en Gezin nu van een kansarmoede -index. In 2011 haalde de index een score van 9,7. Dat betekent dat 9,7% van de geboorten in de periode 2009-2011 in het Vlaamse Gewest plaatsvond in een kansarm gezin. Ook voor de voorgaande jaren werd een indexscore berekend volgens de nieuwe formule. Daaruit blijkt dat de kansarmoede-index sinds 2005 behoorlijk sterk is toegenomen. In het Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering zich ertoe verbonden om het aantal kinderen dat geboren wordt in armoede tussen 20 08 en 2020 met 50% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het percentage geboorten in kansarme gezinnen gedaald moet zijn tot max imaal 4%.

124


Vlaamse Armoedemonitor 2013