Page 1

r nito mo 20 ed e a rmo Vla se A to r am on i Vla r em nito ed or mo rmo e A oed mse a Vla

r e s o t i m n a o a l V dem e o m r A

5 1 20


VLAAMSE ARMOEDEMONITOR Studiedienst van de Vlaamse Regering Juni 2015


Samenstelling Diensten voor het Algemeen Regeringsbeleid Studiedienst van de Vlaamse Regering Jo Noppe Verantwoordelijke uitgever JosĂŠe LemaĂŽtre Administrateur-generaal Boudewijnlaan 30 bus 23 1000 Brussel Depotnummer D/2015/3241/184 http://www.vlaanderen.be/svr


VOORWOORD Geachte lezer, Voor u ligt de vijfde editie van de Vlaamse Armoedemonitor. Die monitor is een belangrijk instrument vol actuele cijfergegevens die op een bevattelijke en overzichtelijke manier de armoedesituatie en evolutie in Vlaanderen in kaart brengen. De monitor is een belangrijke ondersteuning van ons Vlaams armoedebeleid en vormt daarom ook de informatiebron voor de omgevingsanalyse van het nieuwe Vlaams Actieplan Armoedebestrijding 2015-

2019. Ter volledigheid heb ik de monitor integraal als bijlage aan het actieplan toegevoegd. De Vlaamse Armoedemonitor brengt verschillende armoede-indicatoren samen, aangevuld met eigen accenten en aandachtspunten gebaseerd op de prioriteiten van het Vlaamse armoedebeleid. Dat uit zich onder meer in de visualisering en bespreking van de verschillende armoededoelstellingen die door de Vlaamse Regering in het kader van het Pact 2020 en het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie werden geformuleerd. Aangezien de strijd tegen armoede bij kinderen een belangrijke prioriteit vormt van het Vlaamse armoedebeleid, bevat de monitor ook een aantal indicatoren die specifiek focussen op de armoedesituatie van die groep. Het cijfer dat jaar na jaar het meest in het oog springt is het cijfer dat het armoederisico duidt. Volgens de EU-SILC-survey 2013 heeft 10,8% van de Vlaamse bevolking na sociale transfers een netto beschikbaar inkomen onder de Belgische armoedegrens. En ondanks het feit dat we in vergelijking met andere Europese landen nog relatief lage armoedecijfers halen, gaat dat nog altijd over 680.000 Vlaamse medeburgers. Zowat 2 op de 3 daarvan bevindt zich in een positie van langdurige armoede. Onze hoofdstad is koploper wat betreft de armoedecijfers. Ongeveer ĂŠĂŠn derde van de Brusselse bevolking leeft met een inkomen onder de armoedegrens. Vier procent van de Brusselse meerderjarige bevolking is afhankelijk van een (equivalent) leefloon. In het Vlaamse Gewest ligt dat aandeel onder 1%. Wat betreft de cijfers inzake kinderarmoede stel ik vast dat anno 2013 zich 12% van de kinderen in Vlaanderen onder de armoederisicodrempel bevindt. Als ik de kansarmoede-index van Kind&Gezin er op nasla, zie ik een verontrustende tendens. Sinds 2005 wijzen die cijfers op een stijging van het aantal kinderen dat in een gezin in armoede geboren wordt. Een jaarlijkse toename met 0,7 procentpunten zou in 2020 een kansarmoede-index van 16,1% betekenen. De prioriteit die ik geef aan het thema kinderarmoede is dus noodzakelijk.

1


Armoede is niet enkel een kwestie van inkomen, maar ook een netwerk van sociale uitsluitingen op verschillende levensdomeinen, die intens met elkaar verweven zijn. Armoedebestrijding moet dan ook gericht zijn op een volwaardige participatie aan de samenleving, zodat iedereen ten volle kan genieten van alle sociale grondrechten. Vlaanderen heeft zich in het kader van de Europese EU2020 groeistrategie in het Pact 2020 tot doel gesteld het aantal personen in armoede in Vlaanderen tegen 2020 met 30 % te verminderen en het aantal kinderen dat in armoede geboren wordt, te halveren. Elk lid van de Vlaamse Regering zal hiertoe, binnen het kader van zijn of haar beleidsdomeinen, een steentje moeten bijdragen. Ik heb mijn collega-ministers gevraagd hierbij versterkt in te zetten op gezinnen in armoede met jonge kinderen. De bestrijding van kinderarmoede is immers de sleutel om de vicieuze cirkel van generatiearmoede te doorbreken. Het beleid op dat vlak stoelt op vier pijlers, namelijk de participatie versterken van gezinnen in armoede met jonge kinderen aan de samenleving, de toegang tot kwaliteitsvolle diensten voor gezinnen met jonge kinderen, de inkomenssituatie van die gezinnen verbeteren en het sterker maken van kinderen, jongeren en ouders. We kiezen hierbij resoluut voor een structureel en participatief beleid waarbij we de Vlaamse Armoedemonitor verder als instrument zullen gebruiken.

Liesbeth Homans Viceminister-president van de Vlaamse regering en Vlaams minister van Armoedebestrijding, Inburgering, Binnenlands Bestuur, Wonen en Gelijke Kansen

2


Inleiding Dit is de vijfde editie van de Vlaamse Armoedemonitor. Deze monitor wordt opgemaakt ter ondersteuning van het Vlaamse armoedebeleid en wil op een bevattelijke en overzichtelijke manier de armoedesituatie en –evolutie in Vlaanderen in kaart brengen en opvolgen. Waar mogelijk wordt de Vlaamse armoedesituatie vergeleken met de situatie in de 28 lidstaten van de Europese Unie. De Vlaamse Armoedemonitor is een omgevingsmonitor. Dat betekent dat niet de maatregelen van het armoedebeleid zelf in beeld worden gebracht, maar wel de bestaande armoedesituatie waaraan dat beleid iets wil veranderen. Op inhoudelijk vlak wordt uitgegaan van de multi-aspectualiteit van de armoedeproblematiek. Armoede is meer dan een tekort aan inkomen. Het verwijst naar een geheel van onderling verbonden vormen van uitsluiting op verschillende domeinen van het individuele en sociale leven. Financiële moeilijkheden zijn tegelijk vaak oorzaak en gevolg van achterstelling op het vlak van tewerkstelling, onderwijs,

huisvesting,

gezondheid

en

maatschappelijke

participatie.

Voor

elk

van

deze

levensdomeinen zijn indicatoren opgenomen. Aangezien de strijd tegen armoede bij kinderen een belangrijke prioriteit vormt van het Vlaamse armoedebeleid, bevat deze monitor ook een aantal indicatoren die specifiek focussen op de armoedesituatie van deze groep. De Vlaamse Armoedemonitor brengt verschillende armoede-indicatoren samen die gebruikt worden in Europese, federale of andere Vlaamse monitorrapporten. Het gaat onder meer om indicatoren uit het Pact 2020, de EU2020-strategie, de Interfederale Armoedebarometer en de Armoedebarometer van Decenniumdoelen 2017. Die worden aangevuld met eigen accenten en aandachtspunten gebaseerd op de prioriteiten van het Vlaamse armoedebeleid. Dat uit zich onder meer in de visualisering en bespreking van de verschillende armoededoelstellingen die door de Vlaamse Regering in het kader van het Pact 2020 en het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie worden geformuleerd. De indicatoren in de Vlaamse Armoedemonitor zijn deels gebaseerd op gegevens uit administratieve databanken. Het gaat om gegevens van de VREG over energiearmoede, van de Nationale Bank van België over betalingsachterstand, van de FOD Sociale Zekerheid en POD Maatschappelijke Integratie over sociale bijstandsuitkeringen, van de VDAB over niet-werkende werkzoekenden, van het departement Onderwijs over ongekwalificeerde uitstroom en van Kind en Gezin over geboorten in kansarme gezinnen. De meeste indicatoren zijn echter gebaseerd op de resultaten van enquêtes. Het gaat ten eerste om de ‘European Union Statistics on Income and Living Conditions’ (EU-SILC). De EU-SILC is een door Eurostat gecoördineerde jaarlijkse enquête die sinds 2004 in alle lidstaten van de Europese Unie de

3


inkomenssituatie en levensomstandigheden in kaart brengt. De EU-SILC wordt voor België uitgevoerd door de Algemene Directie Statistiek (ADS) van de FOD Economie. Voor de indicatoren over tewerkstelling en onderwijs wordt daarnaast gebruik gemaakt van de ‘Enquête naar de Arbeidskrachten – Labour Force Survey’ (EAK-LFS), het ‘Programme for the International Assessment of Adult Competencies’ (PIAAC) en het ‘Programme for International Student Assessment’ (PISA). Net als de EU-SILC is de EAK een door Eurostat gecoördineerde en voor België door ADS uitgevoerde enquête die erop gericht is om op Europees vlak vergelijkbare indicatoren te generen. PIAAC en PISA zijn door de OESO opgezette internationaal gestandaardiseerde beoordelingen van de cognitieve vaardigheden van respectievelijk de totale volwassen bevolking en de 15-jarigen. Voor de indicatoren rond maatschappelijke participatie wordt ten slotte gebruik gemaakt van de resultaten van de ‘Survey Sociaal-Culturele Verschuivingen in Vlaanderen’ (SCV-survey) van de Studiedienst van de Vlaamse Regering. Deze survey wordt jaarlijks afgenomen bij een representatief staal van de meerderjarige Nederlandstalige inwoners van het Vlaamse en Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Wij willen hierbij SVR-collega Guy Pauwels bedanken voor de berekening van de indicatoren gebaseerd op de SCV-survey. Ten slotte dient opgemerkt te worden dat in surveyonderzoek bepaalde kwetsbare bevolkingsgroepen (zoals personen in collectieve huishoudens, personen zonder wettige verblijfsvergunning of dak- en thuislozen) niet of nauwelijks vertegenwoordigd zijn. Daarmee moet rekening gehouden worden bij de interpretatie van de armoedecijfers in deze monitor. De surveyresultaten zijn eveneens onderhevig aan de gebruikelijke statistische foutenmarge. Deze foutenmarge is groter naarmate de steekproef waarop de cijfers berekend worden, kleiner is. Daarom worden in deze Vlaamse Armoedemonitor enkel de gegevens voor de gehele Vlaamse bevolking tot op 1 cijfer na de komma weergegeven. De gegevens per bevolkingsgroep worden afgerond tot op het procentpunt. Wanneer de percentages worden geëxtrapoleerd naar bevolkingsaantallen wordt om dezelfde reden afgerond op het niveau van 10.000 eenheden. Voor de belangrijkste armoedeindicatoren

en

voor

de

meest

recente

jaren

worden

ten

slotte

ook

de

bijhorende

betrouwbaarheidsintervallen gevisualiseerd. Alle opmerkingen en suggesties over deze monitor kan u kwijt via jo.noppe@dar.vlaanderen.be.

4


Vlaamse armoedesituatie en -evolutie De Vlaamse Regering heeft van de strijd tegen armoede een topprioriteit gemaakt. Zij wil de inkomenssituatie van de armste gezinnen verbeteren en ervoor zorgen dat alle Vlamingen volwaardig aan alle domeinen van de samenleving kunnen participeren. Er wordt in deze Vlaamse Armoedemonitor achtereenvolgens aandacht besteed aan de inkomensarmoede, de materi毛le deprivatie en inkomensverdeling, de betalingsachterstand en de sociale bijstand. Daarna komt de sociale uitsluiting aan bod op het vlak van tewerkstelling, huisvesting, onderwijs, gezondheid en maatschappelijke participatie. Tot slot wordt ingezoomd op de armoede bij kinderen.

1.

Financi毛le armoede en inkomensverdeling

1.1.

Bevolking onder de armoederisicodrempel

Om zicht te krijgen op de armoedesituatie van een land of regio wordt traditioneel aangegeven hoeveel mensen moeten rondkomen met een inkomen onder de armoederisicodrempel. Deze drempel is bepaald op 60% van het mediaan netto beschikbare gestandaardiseerde huishoudinkomen in het land. Er wordt vanuit gegaan dat personen die leven in een huishouden dat moet rondkomen met een inkomen onder de armoederisicodrempel een verhoogd risico op armoede lopen. Door het huishoudinkomen te standaardiseren wordt rekening gehouden met de grootte en samenstelling van het huishouden. De Belgische armoederisicodrempel lag volgens de EU-SILC-survey van 2013 voor een alleenstaande op 12.890 euro per jaar of 1.074 euro per maand. Omgerekend is dat voor een gezin met 2 volwassenen en 2 kinderen 2.255 euro per maand. Iets meer dan 1 op de 10 Vlamingen (11%) moest in 2013 zien rond te komen met een inkomen onder deze armoederisicodrempel (zie indicator I1). Dat komt overeen met ongeveer 680.000 personen. Het armoederisicopercentage (= het aandeel personen onder de armoederisicodrempel) is de afgelopen jaren vrij stabiel gebleven, al lijkt er na een beperkte daling tussen 2010 en 2011 weer sprake van een stijging tussen 2011 en de periode 2012-2013. Deze schommelingen zijn echter statistisch niet significant. Een vergelijking met de periode v贸贸r 2004 is moeilijk wegens een wijziging in de databron. Wel is het zo dat tussen 1994 en 1997 het armoederisicopercentage licht daalde, waarna het tussen 1997 en 2001 stabiel bleef. In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering zich ertoe verbonden om het aantal personen met een inkomen onder de armoederisicodrempel tussen 2008 en 2020 met 30% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het aantal personen met een huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel gedaald moet zijn tot maximaal 430.000 personen.

5


Het verschil in armoederisico tussen vrouwen en mannen blijft beperkt (zie indicator I2). Naar leeftijd scoren de leeftijdsgroepen tussen 18 en 64 jaar het best. Vooral personen ouder dan 65 jaar scoren opvallend minder goed. De minder goede positie van de Vlaamse ouderen blijkt tegelijk uit het feit dat bijna 1 op de 3 van het totale aantal personen onder de armoederisicodrempel 65 jaar of ouder is. Dit kan deels verklaard worden door het feit dat het armoederisicopercentage enkel rekening houdt met het ontvangen huishoudinkomen uit arbeid, vermogen, eigendom en sociale transfers, niet met de volledige waarde van eventueel beschikbare spaartegoeden of eigendommen of met de eventuele afwezigheid van woonuitgaven doordat de eigen woning al is afbetaald. Maar ook in Europees opzicht scoren de Vlaamse ouderen niet goed. Terwijl Vlaanderen bij de leeftijdsgroepen tot 50 jaar telkens de top haalt van de Europese rangschikking, zakt ze bij de personen van 65 jaar en ouder naar een 19de plaats in de ranglijst (zie indicator I5). Personen in eenoudergezinnen, alleenstaanden en oudere koppels lopen een hoger risico op armoede dan gemiddeld (zie indicator I2). Bij deze groepen moet ongeveer een vijfde rond zien te komen met een inkomen onder de armoederisicodrempel. Naar aantal vormen de alleenstaanden de grootste groep bij de personen onder de armoederisicodrempel, gevolgd door de oudere koppels. Werk vormt een belangrijke buffer tegen armoede. Het armoederisicopercentage ligt bij werkenden een pak lager dan bij werklozen, gepensioneerden en andere niet-actieven (zie indicator I2). Naar aantal vormen de gepensioneerden en de niet-actieven de grootste groepen onder de armoederisicodrempel. Als gekeken wordt naar de werkintensiteit op gezinsniveau blijkt het risico op armoede het hoogst te liggen bij leden van gezinnen waar niet of slechts zeer beperkt wordt gewerkt (werkintensiteit <0,2). Bijna de helft van de personen in deze gezinnen loopt een verhoogd risico op armoede. Maar ook bij de personen in een gezin met lage werkintensiteit (werkintensiteit tussen 0,2 en 0,45) loopt het armoederisicopercentage behoorlijk hoog op. Een job vormt echter geen sluitende bescherming tegen armoede. Dat blijkt uit het feit dat 90.000 Vlamingen

die

werken

toch

moeten

rondkomen

met

een

huishoudinkomen

onder

de

armoederisicodrempel. Naast tewerkstelling beperkt ook scholing het armoederisico (zie indicator I2). Het armoederisicopercentage van personen met een diploma hoger onderwijs ligt 4 keer lager dan dat van personen met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs. Het armoederisicopercentage ligt bij huurders goed 3 keer hoger dan bij eigenaars. Ten slotte ligt het armoederisico bij personen geboren buiten de EU 4 keer hoger dan bij personen geboren in de EU (inclusief BelgiĂŤ). De jongste jaren lijkt de situatie van 3 kwetsbare groepen er duidelijk op achteruitgegaan: zowel bij de werklozen, als bij de personen in een gezin met zeer lage werkintensiteit en bij de personen geboren 6


buiten de EU is het aandeel onder de armoederisicodrempel sinds 2008 opvallend gestegen (zie indicator I3). Bij de andere groepen is de evolutie minder uitgesproken. Het Vlaamse armoederisicopercentage (11%) lag in 2013 duidelijk lager dan het EU28-gemiddelde (17%) (zie indicator I4). Vlaanderen haalt daarmee een derde plaats in de EU-rangschikking na Tsjechië en Nederland. In het Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering zich als doelstelling gesteld dat het aandeel inwoners in Vlaanderen dat leeft in armoede, in 2020 laag moet liggen in vergelijking met de best presterende EU-landen. Die doelstelling wordt op basis van de meest recente gegevens gehaald. Het is opvallend dat verschillende Oost- en Centraal-Europese landen (Tsjechië, Slovakije, Hongarije en Slovenië) niet beduidend slechter scoren dan de West- en Noord-Europese landen, terwijl de levensstandaard in die eerste groep landen toch lager ligt. Dat heeft te maken met het feit dat het hier gaat om een relatieve armoedemaat, berekend op basis van het mediaaninkomen in elk land afzonderlijk. Dat gebeurt vanuit de redenering dat een minimaal aanvaardbare levensstandaard - en dus ook de armoederisicodrempel - afhankelijk is van de specifieke sociaaleconomische situatie van het land in kwestie. Als de inkomenssituatie van de bevolkingsgroepen die in het Vlaamse Gewest een hoger risico lopen op armoede vergeleken wordt met de situatie van deze groepen in de 28 EU-lidstaten, dan blijkt een diffuus beeld (zie indicator I5). Bij de meeste groepen haalt Vlaanderen een plaats in de top 10 van de best presterende landen. Bij de oudere bevolkingsgroepen (65-plussers en leden van koppels waarvan minstens 1 partner ouder is dan 65 jaar) zakt Vlaanderen met een score onder het EU-gemiddelde weg naar de (lagere) middenmoot. Ook bij de personen geboren buiten de EU valt Vlaanderen ver terug in de Europese rangschikking. Bij de berekening van het armoederisicopercentage wordt traditioneel gebruik gemaakt van een armoederisicodrempel

van

60%

van

het

mediaan

gestandaardiseerde

netto

beschikbare

huishoudinkomen. Dat is een arbitraire keuze. Wie net boven deze 60%-drempel zit, komt hierdoor niet in beeld. Tegelijk is het zo dat wie beschikt over een inkomen dat maar net onder de armoederisicodrempel ligt, zich in een andere positie bevindt dan zij die moeten rondkomen met een inkomen dat een pak lager ligt dan de 60%-drempel. Om zicht te krijgen op de spreiding van de inkomens rond de armoederisicodrempel kan men daarom de hoogte van de drempel laten variëren. In 2013 bleek 19% van de Vlamingen te beschikken over een inkomen lager dan 70% van het nationaal mediaaninkomen, 5% over een inkomen lager dan 50% van het mediaaninkomen en 2% over een inkomen lager dan 40% van het mediaaninkomen (zie indicator I6). Die aandelen bleven de laatste jaren vrij stabiel. In Europees opzicht scoort Vlaanderen in de 3 gevallen telkens op het niveau van de best presterende lidstaten (zie indicator I7).

7


Doordat de EU-SILC-survey werkt met een roterend panel â&#x20AC;&#x201C; dezelfde gezinnen worden verschillende jaren na elkaar bevraagd â&#x20AC;&#x201C; is het mogelijk om de inkomenssituatie van gezinnen over een aantal jaren heen te volgen. In 2013 leefde 7% van de Vlamingen in een gezin met een inkomen onder de armoederisicodrempel en in minstens 2 van de 3 voorgaande jaren (zie indicator I8). Dat komt overeen met ongeveer 430.000 personen. Als dat vergeleken wordt met het totale aandeel personen onder de armoederisicodrempel in 2013, dan blijkt dat 2 op de 3 personen onder de armoederisicodrempel in Vlaanderen zich in een positie van langdurige armoede bevinden. Het aandeel personen in langdurige armoede is na een afname tussen 2010 en 2011, sinds 2011 opnieuw gestegen. Net als bij het totale aandeel personen onder de armoederisicodrempel haalt Vlaanderen ook bij het aandeel personen in langdurige armoede een 3de plaats in de EU-rangschikking (zie indicator I9). Het procentueel aandeel van de langdurige armoede in de totale armoede ligt in Vlaanderen wel hoger dan in de meeste andere landen met een relatief lage score op het aandeel personen in langdurige armoede.

1.2.

Subjectieve armoede

In bovenstaande cijfers wordt op een objectieve manier nagegaan of het inkomen waarover mensen beschikken al dan niet boven een bepaalde drempel ligt. Maar de inkomensgerelateerde verwachtingen en behoeften verschillen van gezin tot gezin. De objectieve vergelijking van het beschikbare inkomen met de armoederisicodrempel wordt daarom best aangevuld met een subjectieve inschatting van het inkomen door de betrokkenen zelf. In 2013 leefde 14% van de Vlamingen in een huishouden dat zelf aangeeft (zeer) moeilijk rond te komen met het beschikbare inkomen (zie indicator I10). Dat komt overeen met ongeveer 850.000 personen. Deze cijfers lagen tussen 2008 en 2012 duidelijk hoger dan in de jaren daarvoor, maar zijn tussen 2012 en 2013 weer iets gedaald. De evolutie op het vlak van subjectieve armoede wijkt dus enigszins af van de evolutie van het percentage personen met een inkomen onder de armoederisicodrempel. In tegenstelling tot de objectieve armoederisicopercentages zijn de verschillen tussen de leeftijdsgroepen bij deze indicator beperkt (zie indicator I11). Naar huishoudtype zijn het de personen in eenoudergezinnen en de alleenstaanden die het vaakst aangeven (zeer) moeilijk rond te komen. Wat socio-economische positie, opleiding en geboorteland betreft, lopen de resultaten van deze indicator grotendeels gelijk met de resultaten van de objectieve armoederisicopercentages. Werklozen en nietactieven (zonder gepensioneerden) en leden van gezinnen waar niet of beperkt wordt gewerkt, hebben het moeilijker om rond te komen, net als laagopgeleiden, huurders en personen geboren buiten de EU. Het is tenslotte weinig verwonderlijk dat het aandeel personen in subjectieve armoede afneemt naarmate het inkomensniveau stijgt. Tegelijk geven de scores per inkomenskwintiel aan dat

8


subjectieve armoede niet beperkt blijft tot de personen onder de armoederisicodrempel (die allen in het laagste inkomenskwintiel zitten). Ook in de andere inkomenskwintielen geeft telkens een (beperkte) groep aan (zeer) moeilijk rond te komen. Net als bij de objectieve armoederisicopercentages is de situatie van vooral werklozen en personen in een gezin met zeer lage werkintensiteit er sinds 2008 op achteruitgegaan (zie indicator I12). Bij de andere groepen is de evolutie minder uitgesproken. Er zijn in Vlaanderen relatief gezien minder personen die hun inkomenssituatie negatief beoordelen dan in de meeste EU-landen (zie indicator I13). Het Vlaamse Gewest haalt in de Europese rangschikking een 6de plaats na de Scandinavische landen, Duitsland en Luxemburg. De verschillen tussen de lidstaten zijn opvallend groter dan bij de objectieve armoederisicopercentages. In Zweden en Finland leeft maar 7% van de inwoners in een huishouden dat moeite heeft om financieel rond te komen. In Griekenland loopt dat op tot bijna 80% van de bevolking. De Zuid-, Centraal- en Oost-Europese landen scoren op deze indicator, in tegenstelling tot bij de objectieve armoederisicopercentages, wel duidelijk minder goed dan de West- en Noord-Europese landen.

1.3.

Ernstige materiële deprivatie

Op Europees niveau werd enkele jaren geleden een armoede-indicator ontwikkeld die niet zozeer focust op het inkomen zelf, maar op het feit of men mede dankzij dit inkomen kan genieten van een minimale levensstandaard. Dat gebeurt door na te gaan hoeveel items uit een lijst van 9 basisitems elk gezin moet missen omwille van financiële redenen. Vervolgens wordt per land of regio het percentage individuen berekend dat leeft in een gezin dat niet beschikt over minstens 4 van deze 9 items. Volgens de EU-SILC van 2013 leefde 3% van de Vlamingen in een ernstig materieel gedepriveerd gezin (mist minstens 4 van 9 basisitems om financiële redenen) (zie indicator I14). Dat komt overeen met ongeveer 170.000 personen. Het aandeel ernstig gedepriveerden is na een duidelijke stijging tussen 2010 en 2012, tussen 2012 en 2013 weer iets gedaald. In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering zich ertoe verbonden om het aantal personen in een ernstig materieel gedepriveerd gezin tussen 2008 en 2020 met 30% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het aantal personen dat leeft in een ernstig materieel gedepriveerd gezin moet dalen tot maximaal 120.000 personen. Als wordt gekeken naar de afzonderlijke items van de deprivatiemaat dan blijkt dat de items ‘een week vakantie per jaar kunnen betalen’ en ‘een onverwachte uitgave aankunnen,’ voor de meeste problemen zorgen (zie indicator I18).

9


Groepen die minder goed scoren bij de objectieve armoederisicopercentages en de subjectieve armoede, doen dat ook op vlak van ernstige materiële deprivatie (zie indicator I15). Het gaat om leden van eenoudergezinnen en alleenstaanden, werklozen, gezinnen waar niet of slechts beperkt wordt gewerkt, huurders, personen in het laagste inkomenskwintiel en personen geboren buiten de EU. In Europees opzicht scoort Vlaanderen op het vlak van ernstige materiële deprivatie goed (zie indicator I17). Het haalt een 3de plaats na Zweden en Luxemburg. De hoogste deprivatiescores worden opgetekend in de EU-lidstaten uit Zuid-, Centraal- en Oost-Europa.

1.4. Armoede volgens de EU2020-definitie In 2010 werd door de Europese Unie een plan opgesteld om van de Unie tegen 2020 een slimme, duurzame en inclusieve economie te maken: de zogenaamde EU2020-strategie. Daarbij werden 5 centrale doelstellingen naar voor geschoven op 5 verschillende domeinen. Een van die doelstellingen heeft betrekking op armoede en sociale inclusie. De bedoeling is om tegen 2020 het aantal armen of sociaal uitgeslotenen in de hele Unie met 20 miljoen te verminderen. Daarvoor werd ook een nieuwe armoede-indicator uitgewerkt. Deze indicator beschouwt iemand als arm of sociaal uitgesloten als hij of zij voldoet aan minstens 1 van volgende voorwaarden: 1.

leeft in een gezin met een inkomen onder de nationale armoederisicodrempel;

2. leeft in een gezin met ernstige materiële deprivatie (het gezin mist minstens 4 items uit een lijst van 9 basisitems omwille van financiële redenen); 3. is jonger dan 60 jaar en leeft in een gezin met een zeer lage werkintensiteit. Gemeten aan de hand van deze samengestelde EU2020-indicator leefde in 2013 15% van de Vlaamse bevolking in armoede of sociale uitsluiting (zie indicator I19). Dat komt neer op iets minder dan 1 miljoen personen. Daarmee haalt Vlaanderen een gedeelde 1ste plaats in de Europese rangschikking (zie indicator I22). Een deel van de personen in armoede of sociale uitsluiting voldoet tegelijk aan 2 of 3 van de genoemde voorwaarden. Bijna 1% van de Vlamingen (50.000 personen) scoort negatief op alle 3 de criteria (zie indicator I23). Dat wil zeggen dat ze leven in een huishouden met een inkomen onder de armoededrempel, dat ernstig materieel gedepriveerd is en waar sprake is van een zeer lage werkintensiteit. In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering zich ertoe verbonden om het aantal personen in armoede of sociale uitsluiting volgens de EU2020-definitie tussen 2008 en 2020 met 30% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het aantal personen in armoede of sociale uitsluiting in Vlaanderen moet gedaald zijn tot maximaal 650.000 personen.

10


Tegelijk gaat de Vlaamse Regering voor een 30%-reductie tegen 2020 op de 3 subindicatoren van de EU2020-indicator afzonderlijk. Dat betekent dus een 30%-reductie van het aantal personen met een huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel (zie indicator I1), een 30%-reductie van het aantal personen in ernstige materiële deprivatie (zie indicator I14) en een 30%-reductie van het aantal personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit (zie indicator A9).

1.5. Inkomensverdeling Bovenstaande gegevens hebben vooral betrekking op de situatie van de minst gegoede groepen maar zeggen weinig over de wijze waarop het beschikbare inkomen verdeeld is over de gehele bevolking. Een vaak gebruikte maat om de inkomensverdeling in een land of regio in kaart te brengen, is de inkomenskwintielverhouding die het aandeel van het inkomen van de 20% rijksten in het totale inkomen vergelijkt met dat van de 20% armsten. Deze verhouding lag in Vlaanderen in 2013 op 3,4 (zie indicator I24). Dat betekent dat het totale inkomen van de 20% rijksten 3,4 keer hoger ligt dan het totale inkomen van de 20% armsten. Een andere maat voor de inkomensongelijkheid is de ginicoëfficiënt. Deze coëfficiënt kijkt niet enkel naar de inkomens van de 20% rijksten en armsten, maar brengt de inkomens van de gehele bevolking in rekening. De maat geeft een waarde tussen 0 en 100 waarbij 0 staat voor een samenleving waar iedereen een gelijk inkomen heeft en 100 voor een samenleving waar al het inkomen toekomt aan 1 persoon. Vlaanderen haalde in 2013 een waarde van 24 (zie indicator I26). In het Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering zich als doelstelling gesteld dat de inkomensongelijkheid tegen 2020 merkbaar moet dalen. Sinds 2004 is noch de inkomenskwintielverhouding, noch de ginicoëfficiënt significant gestegen of gedaald. In Europees perspectief blijft de Vlaamse inkomensongelijkheid beperkt. Vlaanderen scoort zowel op basis van de inkomenskwintielverhouding als op basis van de ginicoëfficiënt op hetzelfde niveau als de best presterende EU-landen (zie indicatoren I25 en I27).

1.6.

Betalingsproblemen en schulden

Betalingsproblemen en schuldoverlast vormen vaak een belangrijk probleem voor mensen met een laag inkomen. Eind 2014 stonden 132.962 Vlamingen met afbetalingsmoeilijkheden geregistreerd bij de Centrale voor Kredieten aan Particulieren van de Nationale Bank van België (zie indicator S1). Dat komt overeen met bijna 3% van de meerderjarige bevolking. Deze Centrale registreert alle kredieten die door natuurlijke personen worden afgesloten en de eventuele wanbetalingen met betrekking tot deze kredieten. Het aantal geregistreerde personen met betalingsachterstand is de afgelopen jaren duidelijk

11


toegenomen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat in deze cijfers enkel rekening wordt gehouden met kredieten (voor consumptie of hypotheek), maar niet met andere schulden zoals schulden voor huur, energiefacturen, gezondheidskosten, telefoon/internet of fiscale schulden. In de EU-SILC-survey wordt jaarlijks gevraagd naar achterstallige betalingen voor huur of hypotheek, elektriciteit, water of gas, aankopen op afbetaling of een andere lening. In 2013 leefde 5% van de Vlamingen in een gezin met minstens 1 achterstallige betaling in het afgelopen jaar (zie indicator S2). Dat komt overeen met ongeveer 300.000 personen. In tegenstelling tot de bovenstaande cijfers van de Nationale Bank wordt hier niet alleen rekening gehouden met kredieten maar ook met andere mogelijke schulden. Het percentage personen in een huishouden met achterstallen is na een stijging tussen 2009 en 2012, tussen 2012 en 2013 weer iets gedaald. Het aandeel personen met achterstallige betalingen verschilt niet naar geslacht (zie indicator S3). Naar leeftijd is er een opvallende afname naarmate de leeftijd stijgt. Naar huishoudtype hebben leden van eenoudergezinnen het vaakst achterstallige betalingen. Werklozen hebben vaker achterstallen dan gepensioneerden, werkenden en niet-actieven. Personen in gezinnen waar niet of beperkt wordt gewerkt, hebben vaker achterstallen dan personen in andere gezinnen, laagopgeleiden vaker dan hoogopgeleiden, huurders vaker dan eigenaars, de lagere inkomensgroepen vaker dan de hogere inkomensgroepen en personen geboren buiten de EU vaker dan personen geboren binnen de EU. In vergelijking met de andere Europese landen blijft het aandeel personen met betalingsproblemen in Vlaanderen beperkt (zie indicator S4). Enkel het Verenigd Koninkrijk scoort nog iets beter dan Vlaanderen.

1.7.

Sociale uitkeringen

Sociale transfers spelen een belangrijke rol bij de bestrijding van armoede. Zonder sociale uitkeringen zou 37% van de Vlaamse bevolking onder de armoederisicodrempel terechtkomen (zie indicator U1). Als de pensioenen gezien worden als primaire inkomens en niet als transfers, gaat het nog steeds om 20% van de bevolking. Die aandelen blijven de laatste jaren min of meer stabiel. De sociale zekerheid zorgt onder meer voor een vervangingsinkomen bij loonverlies door oppensioenstelling, werkloosheid of arbeidsongeschiktheid. Begin 2014 ontvingen bijna 1,2 miljoen Vlamingen een pensioenuitkering (zie indicator U3). Het is gezien de vergrijzing van de bevolking weinig verwonderlijk dat dit aantal jaarlijks gestaag toeneemt. Het aantal door de RVA vergoede werklozen ligt begin 2015 net onder de 300.000 personen. In de voorgaande jaren lag dat aantal telkens iets boven die grens. Begin 2013 ontvingen goed 110.000 Vlamingen een uitkering voor

12


arbeidsongeschiktheid (inclusief arbeidsongevallen en beroepsziekten). Dat aantal neemt de afgelopen jaren gestaag toe. Naast de klassieke sociale uitkeringen (pensioenen, werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, ziekte- en invaliditeitsuitkeringen en kinderbijslag), probeert de overheid via de sociale bijstandsuitkeringen de inkomenssituatie van de minst gegoede groepen te verbeteren. Het gaat in eerste instantie om het leefloon dat men ontvangt in het kader van het Recht op Maatschappelijke Integratie (RMI) en het equivalent leefloon in het kader van het Recht op Maatschappelijke Hulp (RMH). Het RMH is er voor mensen die niet in aanmerking komen voor het RMI omdat ze niet voldoen aan bepaalde voorwaarden

betreffende leeftijd,

nationaliteit en

arbeidsbereidheid. In de praktijk gaat het vooral om kandidaat-vluchtelingen en vreemdelingen met een verblijfsvergunning die niet ingeschreven zijn in het bevolkingsregister. In 2014 ontvingen in Vlaanderen per maand gemiddeld bijna 25.000 personen een leefloon (zie indicator U4). Dat aantal is na een beperkte daling tussen 2010 en 2012, in de jaren daarna weer iets gestegen. Nog eens gemiddeld goed 6.000 personen per maand ontvingen in 2014 een equivalent leefloon. Dat aantal neemt de laatste jaren duidelijk af. Naast het (equivalent) leefloon kan het RMI en het RMH ook ingevuld worden via een tewerkstellingsmaatregel met tussenkomst van het OCMW. In 2014 ging het om gemiddeld bijna 5.500 tewerkstellingsmaatregelen per maand. Het aantal leefloontrekkers ligt bij vrouwen duidelijk hoger dan bij mannen (zie indicator U5). Naar leeftijd vormen de personen tussen 25 en 44 jaar de grootste groep leefloontrekkers. Opvallend is wel dat het aantal 18-24-jarigen met een leefloon iets hoger ligt dan het aantal leefloontrekkers bij de 45tot 64-jarigen, ondanks het feit dat deze laatste groep een veel groter aandeel uitmaakt van de totale bevolking. Naar huishoudtype valt het grote aantal alleenstaande leefloontrekkers op. De cijfers bevestigen ten slotte dat het equivalent leefloon vooral toegekend wordt aan niet-EU-burgers. Slechts een beperkt aantal 65-plussers ontvangt een leefloon omdat zij aparte regelingen kennen: het Gewaarborgd Inkomen voor Bejaarden (GIB) dat sinds 2002 geleidelijk vervangen wordt door de Inkomensgarantie voor Ouderen (IGO). Meestal gaat het om een toeslag bovenop het pensioen, zodat men een bedrag bekomt dat vergelijkbaar is met het leefloon. Het wordt toegekend aan personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt maar die door omstandigheden geen of geen voldoende loopbaan hebben kunnen opbouwen. Begin 2014 ging het samen om bijna 60.000 ouderen (zie indicator U6). Personen met een handicap kunnen een beroep doen op een Inkomensvervangende Tegemoetkoming (IVT) indien zij geen arbeid kunnen verrichten en/of een Integratietegemoetkoming (IT) indien zij 13


bijkomende kosten te dragen hebben vanwege een vermindering van hun zelfredzaamheid. Begin 2014 werd in Vlaanderen aan goed 80.000 personen een IVT en/of een IT uitgekeerd (zie indicator U6). Het aantal personen met een IVT en/of IT neemt de laatste jaren duidelijk toe. Factoren die hierin mogelijk een rol spelen zijn de vergrijzing van de bevolking, een betere bekendheid van het stelsel en een snellere behandeling van de aanvragen. De gewaarborgde gezinsbijslag ten slotte is bedoeld voor gezinnen die op basis van hun beroepsactiviteit geen enkel recht kunnen doen gelden op kinderbijslag of slechts een recht genieten op een bedrag dat lager ligt dan de gewaarborgde gezinsbijslag. Begin 2014 ging het om bijna 4.400 rechtgevende kinderen (zie indicator U6).

2.

Sociale uitsluiting

Armoede uit zich niet alleen op financieel vlak: inkomensarmoede gaat veelal gepaard met uitsluiting en achterstelling op heel wat andere domeinen. Er wordt achtereenvolgens ingegaan op de bestaande achterstelling op het vlak van tewerkstelling, huisvesting, gezondheid, onderwijs en maatschappelijke participatie.

2.1.

Achterstelling op de arbeidsmarkt

Werk vormt ontegensprekelijk een belangrijke buffer tegen armoede. Het risico om in armoede terecht te komen, ligt bij personen met een job beduidend lager. Dat bleek al uit de armoederisicopercentages van werkenden en niet-werkenden (zie indicator I2). De Vlaamse werkzaamheidsgraad schommelt sinds 2007 rond 72% (zie indicator A1). Bepaalde groepen â&#x20AC;&#x201C; vooral ouderen, personen met een handicap, personen geboren buiten de EU en laaggeschoolden â&#x20AC;&#x201C; blijven echter moeilijk toegang vinden tot de arbeidsmarkt. De lage werkzaamheidsgraad bij ouderen blijft een probleem. De Vlaamse arbeidsmarkt wordt gekenmerkt door een specifiek leeftijdsgebonden arbeidspatroon. Een erg hoge arbeidsdeelname tussen 25 en 49 jaar zorgt in combinatie met een beperkte deelname bij jongeren en ouderen voor sterk samengedrukte loopbanen. De arbeidsdeelname van de 55- tot 64-jarigen is de voorbije jaren wel duidelijk gestegen, waardoor nu 44% van deze groep aan het werk is. Ook de arbeidsdeelname van personen met een handicap gaat er gestaag op vooruit. Bij de laaggeschoolden en personen geboren buiten de EU is er de laatste jaren eerder sprake van een stagnatie van de arbeidsdeelname. Uit de Europese vergelijking blijkt duidelijk dat de lage werkzaamheidsgraad bij ouderen en personen geboren buiten de EU de voornaamste pijnpunten blijven op de Vlaamse arbeidsmarkt (zie indicator A2).

14


De afgelopen jaren kende de ILO-werkloosheidsgraad in Vlaanderen een fluctuerend verloop (zie indicator A3). De werkloosheidsgraad lag het hoogst in de periode 2004-2005. Het laagste niveau werd bereikt in 2008. In 2009 en 2010 steeg de werkloosheidsgraad sterk ten opzichte van 2008. In 2011 daalde de werkloosheidsgraad weer waarna hij in 2012 en 2013 opnieuw steeg. In 2014 stagneerde de werkloosheidsgraad net boven de 5%. De beperkte arbeidsdeelname van bovengenoemde kansengroepen vertaalt zich niet alleen in een lagere werkzaamheidsgraad, maar veelal ook in een hogere ILO-werkloosheidsgraad (zie indicator A4). Het verschil tussen de vrouwelijke en de totale werkloosheidsgraad is sinds 2009 nagenoeg volledig verdwenen. Bij de laaggeschoolden is er wel nog steeds sprake van een behoorlijk verschil. Maar het grootste verschil is te vinden bij de personen geboren buiten de EU. De werkloosheidsgraad lag in 2014 bij deze laatste groep 3 keer hoger dan de totale werkloosheidsgraad. De werkloosheidsgraad van jongeren tussen 15 en 24 jaar is na een duidelijke daling in 2011, in 2013 weer gestegen. Ook de werkzaamheidsgraad van deze groep is relatief laag (27% in 2014), maar dat hangt voornamelijk samen met de lange schoolloopbaan van de jonge Vlamingen. Als enkel gekeken wordt naar de niet-studenten in deze leeftijdsgroep stijgt de werkzaamheidsgraad naar 74% in 2014, wat hoger is dan de totale werkzaamheidsgraad. De werkzaamheidsgraad van deze leeftijdsgroep is dus niet problematisch, de werkloosheidsgraad is dat wel. Gebrek aan werkervaring speelt de jongeren parten. Daarenboven worden ze vaker aangeworven met een tijdelijk contract of als uitzendkracht zodat ze geregeld weer in de werkloosheid terechtkomen. De ouderen die niet werken, zitten voornamelijk in de inactiviteit en dus minder in de werkloosheid. Daardoor ligt de werkloosheidsgraad bij de 55- tot 64-jarigen - ondanks hun beperkte arbeidsdeelname - niet hoger dan de totale werkloosheidsgraad. Door de relatief lage totale werkloosheidsgraad in Vlaanderen ligt ook de werkloosheidsgraad van de verschillende groepen met een lagere arbeidsdeelname veelal ver onder het EU-gemiddelde (zie indicator A5). De enige uitzondering hierop is de werkloosheidsgraad van personen geboren buiten de EU. Daar ligt de werkloosheidsgraad maar beperkt lager dan het EU-gemiddelde. Wat de langdurige werkloosheidsgraad betreft, scoort Vlaanderen zeer behoorlijk in vergelijking met de EU-lidstaten. Het haalt na Zweden een gedeelde 2de plaats in de EU-rangschikking (zie indicator A6). De administratieve gegevens van de VDAB over het aantal niet-werkende werkzoekenden (NWWZ) bevestigen grotendeels bovenstaande bevindingen (zie indicatoren A7 en A8). Onder invloed van de economische crisis liep het aantal NWWZ in 2009 en 2010 aanzienlijk op. Na een kleine daling in 2011 is het aantal NWWZ in de periode 2012-2014 verder opgelopen tot net onder het hoge niveau van 2005. In 2013 leefde 9% van de Vlamingen tot 60 jaar in een gezin met een zeer lage werkintensiteit (zie indicator A9). Dat komt overeen met ongeveer 430.000 personen. Dat aandeel lijkt tussen 2004 en 15


2008 gedaald maar tussen 2010 en 2012 weer iets gestegen. Deze schommelingen in de meest recente jaren zijn echter statistisch niet significant. Net bij de gezinnen waar niet of slechts beperkt wordt gewerkt, worden de hoogste armoederisicopercentages gemeten. In 2013 beschikte 48% van de leden van gezinnen met een zeer lage werkintensiteit over een inkomen onder de armoederisicodrempel (zie indicator I2). In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering zich ertoe verbonden om het aantal personen in een gezin met zeer lage werkintensiteit tussen 2008 en 2020 met 30% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 dat aantal gedaald moet zijn tot maximaal 250.000 personen. Bij het percentage personen in gezinnen met een zeer lage werkintensiteit bezet Vlaanderen in de Europese rangschikking een plaats in de middenmoot (zie indicator A11). Tewerkstelling mag dan wel een belangrijke buffer vormen tegen armoede, toch is het geen sluitende bescherming. Dat blijkt uit het feit dat 3% van de werkende Vlamingen (ongeveer 90.000 personen) in 2013 moest rondkomen met een huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel (zie indicator A12). Dat aandeel ligt in Europees opzicht wel laag (zie indicator A14). Het armoederisicopercentage ligt duidelijk hoger bij laaggeschoolde werkenden, bij zelfstandigen en bij werkenden met een tijdelijk contract (zie indicator A13).

2.2. Huisvestingsproblemen Door Eurostat wordt de grens voor een te zware woonkost gelegd op 40% van het beschikbare huishoudinkomen. In 2013 leefde 7% van de Vlamingen in een huishouden met een te zware woonkost (zie indicator H1). Dat komt overeen met ongeveer 420.000 personen. Het aandeel en aantal personen met te zware woonkosten is na een stijging tussen 2009 en 2012 weer licht gedaald. Te zware woonkosten komen relatief vaker voor bij alleenstaanden en leden van eenoudergezinnen, werklozen, leden van gezinnen met (zeer) lage werkintensiteit, huurders, de laagste inkomensgroep en personen geboren buiten de EU (zie indicator H2). In Europees perspectief haalt Vlaanderen voor het probleem van te zware woonkosten een plaats in de betere middenmoot (zie indicator H3). Dat de woonkost behoorlijk kan doorwegen op het gezinsbudget blijkt ook uit het feit dat een aanzienlijke groep gezinnen problemen heeft met het betalen van de elektriciteits- of gasfactuur (zie indicator H4). Een klant die zijn energiekosten niet tijdig betaalt, krijgt een herinneringsbrief in de bus. Wie daarop binnen een bepaalde termijn niet reageert, krijgt een aangetekende ingebrekestelling. Reageert de klant ook hier niet op of komt hij de in een afbetalingsplan gemaakte afspraken niet na,

16


dan mag de commerciÍle leverancier het contract met zijn klant opzeggen. Als de klant geen nieuwe commerciÍle leverancier vindt, dan neemt de netbeheerder in zijn rol van sociale leverancier de levering van elektriciteit en/of gas over. Eind 2013 ging het om goed 80.000 huishoudens voor elektriciteit en bijna 58.500 voor gas. Dat komt overeen met respectievelijk 3,0% en 3,4% van het totaal aantal huishoudelijke afnemers. Het aantal door de netbeheerders van elektriciteit en gas voorziene huishoudens is de jongste jaren iets afgenomen. Bij wanbetaling bij de sociale leverancier plaatst de netbeheerder een budgetmeter die de klant verplicht om vooraf te betalen voor de levering van elektriciteit en/of gas. Indien de klant niet vooraf betaalt, valt de stroomlevering terug op een minimale levering van 10 ampère. Het wordt dan moeilijk om meerdere toestellen tegelijk te gebruiken. Bij gas wordt in het geval van niet-betaling via de budgetmeter de levering helemaal afgesloten. Het aantal budgetmeters voor elektriciteit lag in 2013 iets lager dan in 2012. Eind 2013 verbruikte bijna 43.000 huishoudens stroom via een budgetmeter. In de loop van 2009 werden ook de eerste budgetmeters geplaatst voor de levering van gas. Eind 2013 ging het om iets meer dan 27.500 huishoudens. Dat aantal lag ongeveer op hetzelfde niveau als in 2012. Bij blijvende wanbetaling kan een vraag tot volledige afsluiting voorgelegd worden aan de Lokale Adviescommissie (LAC) van de gemeente. In de wintermaanden worden in dergelijke situatie elektriciteit en gas niet afgesloten. In de loop van 2013 werden na LAC-advies 1.150 afnemers volledig afgesloten van de elektriciteitsvoorzieningen en 1.695 gezinnen van aardgastoevoer. Het aantal afgesloten afnemers voor elektriciteit en gas lag in 2013 respectievelijk beperkt hoger en iets lager dan in 2012. Het aantal gezinnen waarvan de watertoevoer is afgesloten na LAC-advies, is tussen 2012 en 2013 beperkt gestegen. In 2013 ging het in totaal om 3.137 gezinnen. Een vijfde van de Vlaamse bevolking leefde in 2013 in een huis van mindere kwaliteit. Het gaat om huizen met woningdeprivatie (zonder elementair comfort, met structurele gebreken aan het dak, de ramen, deuren en muren of te donkere huizen) of met een gebrek aan ruimte (zie indicator H5). Dat komt overeen met goed 1,2 miljoen personen. Dat aandeel is na een stijging tot 2011, in de meest recente jaren weer iets gedaald. In het Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering zich ertoe verbonden om het aantal personen dat woont in een huis met een gebrekkige kwaliteit, tussen 2006 en 2020 met 50% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het aantal bewoners van dergelijke huizen gedaald moet zijn tot maximaal 620.000 personen. Het aandeel personen met huisvestingsproblemen neemt af met de leeftijd (zie indicator H6). Daarnaast zijn er meer problemen bij groepen die ook minder goed scoren op de andere indicatoren:

17


de eenoudergezinnen en alleenstaanden, de werklozen, de gezinnen waar slechts beperkt wordt gewerkt, de huurders, de laagste inkomensgroepen en de personen geboren buiten de EU. In Europees opzicht scoort Vlaanderen vooral goed op vlak van het percentage personen dat leeft in een huis met een gebrek aan ruimte. Wat betreft het percentage personen in een huis met woningdeprivatie haalt Vlaanderen een plaats in de betere middenmoot van de EU-rangschikking (zie indicator H7).

2.3. Onderwijs Opleiding speelt een belangrijke rol in de strijd tegen armoede. Dat bleek al herhaaldelijk uit de uiteenlopende scores van hoog- en laagopgeleiden op de verschillende armoede-indicatoren. Uit de resultaten van het grootschalige PISA-onderzoek van de OESO blijkt dat Vlaanderen in vergelijking met andere Europese landen behoorlijk scoort als het gaat om leesvaardigheid en wiskundige prestaties van 15-jarigen. Wel nam het aantal laaggeletterde leerlingen tussen 2000 en 2012 licht toe (zie indicator O2). Bovendien valt een groot verschil op tussen meisjes en jongens: meisjes scoren beter dan jongens. Bij wiskundige geletterdheid draait de verhouding tussen jongens en meisjes om. Hier scoren jongens net iets beter dan meisjes. Ook het percentage laagpresteerders aangaande wiskundige geletterdheid is de voorbije jaren toegenomen. De OESO volgt niet alleen de lees- en cijfervaardigheid van 15-jarigen op maar ook de lees- en cijfervaardigheid van de volledige bevolking van 16 tot 65 jaar. Dat gebeurt via de PIAAC-survey. Uit de resultaten van 2012 blijkt dat 15% van de Vlamingen van 16 tot 65 jaar beschouwd kan worden als laaggeletterd (zie indicator O1). Als vergeleken wordt met het IALS-onderzoek uit 1996 blijkt dat de laaggeletterdheid in Vlaanderen sindsdien nagenoeg stabiel gebleven is. In het Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering er zich toe verbonden om de laaggeletterdheid in Vlaanderen tegen 2020 te doen dalen tot 3% van de bevolking. Zowel de gegevens van de EAK-enquĂŞte als de administratieve gegevens van het departement Onderwijs geven aan dat het aandeel vroegtijdige schoolverlaters in Vlaanderen de jongste jaren gestaag daalt (zie indicator O3). Beide bronnen maken wel duidelijk dat mannen beduidend minder goed scoren dan vrouwen. In Europees opzicht haalt Vlaanderen een 7de plaats in de EU-rangschikking (zie indicator O4).

18


2.4. Gezondheid en zorg Het aandeel Vlamingen van 16 jaar en ouder dat zijn gezondheid als (zeer) slecht omschrijft, ligt de laatste jaren iets hoger dan in de periode 2006-2008 (zie indicator G1). In 2013 ging het om 7% van de Vlaamse bevolking. Bepaalde groepen zijn duidelijk minder tevreden over de eigen gezondheid (zie indicator G2). Dat de gezondheidssituatie verslechtert met de leeftijd lijkt voor de hand te liggen. Daaruit volgt ook een mindere score bij oudere koppels en gepensioneerden. De slechtere situatie van alleenstaanden houdt ten dele verband met leeftijd aangezien er in deze groep relatief veel ouderen zitten. Andere groepen die de eigen gezondheid vaker als (zeer) slecht omschrijven, zijn werklozen, niet-actieven, leden van gezinnen met een (zeer) lage werkintensiteit, laaggeschoolden, huurders, personen uit de laagste inkomensgroep en personen geboren buiten de EU. In de Europese rangschikking scoort Vlaanderen met een 5de plaats relatief goed (zie indicator G3). Er bestaat voor een beperkt deel van de bevolking nog steeds een probleem van toegang tot de gezondheidszorg. In 2013 leefde 4% van de Vlamingen in een gezin dat in het voorbije jaar minstens 1 keer een bezoek aan de arts of tandarts heeft moeten uitstellen omwille van financiĂŤle redenen. Dat komt overeen met ongeveer 230.000 personen (zie indicator G4). Dat aandeel is tegenover de periode tot 2010 duidelijk gestegen. Ook hier scoren enkele groepen opvallend minder goed: leden van eenoudergezinnen, werklozen, leden van gezinnen met lage werkintensiteit, huurders, personen uit de laagste inkomensgroep en personen geboren buiten de EU (zie indicator G5).

2.5. Maatschappelijke participatie Armoede en bestaansonzekerheid gaan ten slotte ook gepaard met achterstelling op het vlak van maatschappelijke integratie en participatie. Zo participeren de meest kwetsbare groepen minder aan cultuur, aan sport en aan het verenigingsleven. In 2014 nam goed een vijfde van de volwassen Vlamingen niet deel aan culturele activiteiten (zie indicator M1). Dat komt overeen met goed 1,1 miljoen Vlamingen. Het aandeel niet-participanten is na een duidelijke stijging tussen 2006 en 2011, in de meest recente jaren weer iets gedaald. De nietparticipatie aan cultuur ligt beduidend hoger bij ouderen, alleenstaanden, samenwonenden zonder kinderen, gepensioneerden, werklozen, laaggeschoolden en personen uit de laagste inkomensgroepen (zie indicator M2). Een gelijkaardige situatie doet zich voor op het vlak van sportparticipatie. Ook daar zijn het vooral de ouderen, alleenstaanden en alleenstaande ouders, gepensioneerden en werklozen, laaggeschoolden en personen uit de laagste inkomensgroepen die minder participeren (zie indicator M4). Nochtans wordt sport hier ruim opgevat en omvat het ook activiteiten zoals wandelen en fietsen. Het totale aandeel

19


Vlamingen dat niet sport, lag in 2014 op 44% van de volwassen bevolking (zie indicator M3). Het gaat om ongeveer 2,3 miljoen Vlamingen. Het aandeel niet-sporters is na een duidelijke stijging tot 2011 sinds 2012 weer afgenomen. Op het vlak van actieve deelname aan het verenigingsleven zien we min of meer hetzelfde beeld: alleenstaande

ouders,

werklozen,

laagopgeleiden,

huurders

en

personen

uit

de

laagste

inkomensgroepen zijn minder actief (zie indicator M6). In totaal blijkt iets minder dan de helft van de volwassen Vlamingen geen actief lid van 1 of meer verenigingen (zie indicator M5). Dat komt overeen met 2,5 miljoen personen. Het aandeel niet-participanten lag de voorbije jaren steeds net onder de helft van de Vlamingen, uitgezonderd in 2009 en 2011. De verschillen tussen groepen zijn minder uitgesproken bij de intensiteit van sociale contacten met buren, familie en vrienden of kennissen (zie indicator M8). 65-plussers lopen geen hoger risico op sociale isolatie dan de andere leeftijdsgroepen. Bij alleenstaande ouders, samenwonenden zonder kinderen, huurders en de laagste inkomensgroep ligt het risico op sociale isolatie wel iets hoger dan het gemiddelde. Bijna 1 op de 10 volwassen Vlamingen had in 2014 minder dan wekelijks contact met buren, familie, vrienden of kennissen (zie indicator M7). Het gaat om ongeveer 470.000 personen. Het aandeel Vlamingen dat risico loopt op sociale isolatie ligt na een opvallende stijging tussen 2010 en 2012, in 2013 en 2014 weer iets lager. Het aandeel Vlamingen dat geen of zeer zelden gebruik maakt van internet daalt de laatste jaren behoorlijk snel. Maar in 2014 maakt toch nog steeds goed 1 op de 5 volwassen Vlamingen niet regelmatig gebruik van internet (zie indicator M9). Dat komt overeen met ongeveer 1,1 miljoen personen. Het verschil naar leeftijd is zeer groot (zie indicator M10). Bij de jongste groep gaat het om een te verwaarlozen aandeel, bij de oudste groep om bijna 60%. Daarmee verbonden is de hoge score van gepensioneerden en alleenstaanden. Er zijn daarnaast ook verschillen naar geslacht, opleiding en inkomensniveau: de niet-participatie ligt bij mannen lager dan bij vrouwen, bij hoogopgeleiden veel lager dan bij laagopgeleiden en bij de hogere inkomensgroepen lager dan bij de lagere inkomensgroepen.

20


3.

Kinderarmoede

Aangezien kinderen een belangrijke aandachtsgroep vormen voor het Vlaamse armoedebeleid, zijn in deze Vlaamse Armoedemonitor een aantal indicatoren opgenomen die specifiek focussen op de situatie van deze groep. Als het huishoudinkomen afgezet wordt ten opzichte van de Belgische armoederisicodrempel, blijkt de situatie van de Vlaamse kinderen niet opvallend af te wijken van de situatie van de totale bevolking (zie indicator K1 en indicator I1). In 2013 woonde 12% van de Vlamingen van 0 tot 17 jaar in een huishouden met een inkomen onder de armoederisicodrempel. Dat komt overeen met ongeveer 150.000 kinderen. Dat aandeel lijkt sinds 2011 iets gestegen, maar deze stijging is statistisch niet significant. In Europees opzicht haalt Vlaanderen op dit vlak een plaats in de top 5 van de best presterende EU-landen (zie indicator K3). In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering er zich toe verbonden om het aantal kinderen in een gezin met een inkomen onder de armoederisicodrempel tussen 2008 en 2020 met 50% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het aantal kinderen onder de armoederisicodrempel gedaald moet zijn tot maximaal 60.000 kinderen. Om een opdeling te kunnen maken binnen de groep kinderen naar onder meer leeftijd, huishoudsamenstelling, werkintensiteit van het huishouden en geboorteland en opleidingsniveau van de ouders, wordt gebruik gemaakt van een dataset waarin de 3 meeste recente edities van de EU-SILCsurvey (EU-SILC 2011, EU-SILC 2012 en EU-SILC 2013) werden samengevoegd. Dat verhoogt het aantal kinderen opgenomen in de steekproef en vergroot de betrouwbaarheid van de resultaten voor kleinere subgroepen. Uit deze oefening blijken er op vlak van armoederisicopercentages bij de Vlaamse kinderen geen grote verschillen naar geslacht en leeftijd (zie indicator K2). Naar huishoudtype zijn vooral de kinderen in eenoudergezinnen er minder goed aan toe. Dat geldt zeker ook voor kinderen in gezinnen waar niet of slechts beperkt wordt gewerkt. Ook kinderen die leven in een gezin waar geen van de ouders minstens een diploma hoger secundair onderwijs heeft behaald, kinderen in een gezin dat de eigen woning huurt en kinderen in een gezin waarvan minstens 1 ouder geboren is buiten de EU, scoren duidelijk minder goed. Het aandeel kinderen in een gezin dat zelf aangeeft moeilijk rond te komen, ligt beperkt hoger dan bij de totale bevolking (zie indicator K4). Het zijn dezelfde groepen kinderen als bij de objectieve armoederisicopercentages die minder goed scoren: kinderen in eenoudergezinnen, kinderen in gezinnen waar niet of slechts beperkt wordt gewerkt, kinderen in laagopgeleide gezinnen, kinderen in gezinnen die huren en kinderen in niet-EU-gezinnen.

21


Ook bij de cijfers over ernstige materiële deprivatie gaat het om dezelfde groepen kinderen die zich in een mindere positie bevinden (zie indicator K5). Het aandeel Vlaamse kinderen dat leeft in een gezin in ernstige materiële deprivatie blijft beperkt. Het gaat om 4% van de Vlaamse kinderen. Dat komt overeen met ongeveer 50.000 kinderen. De totaalscore op de samengestelde ernstige materiële deprivatiemaat mag dan wel relatief laag liggen, toch leven in 2013 bijna 300.000 Vlaamse kinderen in een gezin dat zich geen week vakantie buitenshuis kan veroorloven of dat een onverwachte uitgave van 1.000 euro niet aankan (zie indicator K6). Bij de woonsituatie blijken kinderen iets vaker in huizen te wonen van mindere kwaliteit dan de totale bevolking (zie indicator K8). Op het vlak van woonkosten blijft het verschil met de totale bevolking beperkt (zie indicator K7). Betreffende woonkosten en kwaliteit van de huisvesting zijn het weer dezelfde groepen kinderen die minder goed scoren: kinderen in eenoudergezinnen, kinderen in gezinnen waar niet of slechts beperkt wordt gewerkt, kinderen in laagopgeleide gezinnen, kinderen in gezinnen die huren en kinderen in niet-EU-gezinnen. Ten slotte blijkt er weinig verschil tussen het aandeel kinderen en het aandeel in de totale bevolking dat leeft in een gezin dat medische zorg moet uitstellen omwille van financiële redenen (zie indicator K9). Ook hier zijn het weer dezelfde groepen kinderen die zich in een mindere positie bevinden. Een alternatieve indicator die verschillende van de hierboven behandelde aspecten van de armoedesituatie bij kinderen tegelijk in rekening tracht te brengen, werd begin jaren 1990 ontwikkeld door Kind en Gezin (zie indicator K10). Aan de hand van het maandinkomen van het gezin, de opleiding en de arbeidssituatie van de ouders, de ontwikkeling van de kinderen, de huisvesting en de gezondheidssituatie van het gezin, wordt nagegaan hoeveel kinderen geboren worden in een kansarm gezin. Een gezin wordt als kansarm beschouwd als het op minstens 3 van de genoemde criteria zwak scoort. Sinds 2010 wordt niet meer gewerkt met jaarcijfers maar met het gemiddelde van het jaar en de 2 voorgaande jaren. Dat zorgt voor robuustere resultaten. Om de verandering in de berekening te accentueren, spreekt Kind en Gezin nu van een kansarmoede-index. In 2014 haalde de index een score van 11,4. Dat betekent dat 11,4% van de geboorten in de periode 2012-2014 in het Vlaamse Gewest plaatsvond in een kansarm gezin. Ook voor de voorgaande jaren werd een indexscore berekend volgens de nieuwe formule. Daaruit blijkt dat de kansarmoede-index sinds 2005 behoorlijk sterk is toegenomen, maar dat de toename tussen 2013 en 2014 relatief beperkt is. In het Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering zich ertoe verbonden om het aantal kinderen dat geboren wordt in armoede tussen 2008 en 2020 met 50% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het percentage geboorten in kansarme gezinnen gedaald moet zijn tot maximaal 4%. 22


INDICATOREN

23


24


INDICATORENSET VLAAMSE ARMOEDEMONITOR Inkomensarmoede en inkomensverdeling I 1-5 Bevolking onder de armoederisicodrempel I 6-7 Diepte van de inkomensarmoede I 8-9 Bevolking in langdurige armoede I 10-13 Subjectieve beoordeling van de inkomenssituatie I 14-18 Ernstige materiële deprivatie I 19-23 Bevolking in armoede of sociale uitsluiting volgens EU2020-definitie I 24-25 Inkomenskwintielverhouding (S80/S20) I 26-27 Ginicoëfficiënt Schulden en betalingsachterstand S1 Betalingsachterstand S 2-4 Achterstallige betalingen voor wonen, nutsvoorzieningen en leningen Uitkeringen sociale zekerheid en bijstand U 1-2 Impact sociale transfers op armoederisicopercentage U3 Sociale zekerheid: vervangingsinkomens U 4-6 Sociale bijstand Arbeid A 1-2 A 3-5 A6 A 7-8 A 9-11 A 12-14

Werkzaamheidsgraad Werkloosheidsgraad (ILO) Langdurige werkloosheidsgraad (ILO) Niet-werkende werkzoekenden (VDAB) Zeer lage werkintensiteit Arme werkenden

Huisvesting H 1-3 Te zware woonkost H4 Energiearmoede: klanten sociale leveranciers, budgetmeters en afsluitingen H 5-7 Kwaliteit van de huisvesting Onderwijs O1 Laaggeletterdheid bij de totale bevolking O2 Laaggeletterdheid en zwakke wiskundige prestaties bij jongeren O 3-4 Ongekwalificeerde uitstroom Gezondheid en zorg G 1-3 Subjectieve beoordeling van de gezondheidssituatie G 4-5 Uitstel gezondheidszorg om financiële redenen Maatschappelijke participatie M 1-2 Niet-participatie aan cultuur M 3-4 Niet-participatie aan sport M 5-6 Niet-participatie aan verenigingen M 7-8 Risico op sociale isolatie M 9-10 Geen internetgebruik Kinderarmoede K 1-3 Kinderen onder de armoederisicodrempel K4 Kinderen in subjectieve armoede K 5-6 Kinderen in ernstige materiële deprivatie K7 Kinderen in een gezin met te zware woonkost K8 Kinderen met huisvestingsproblemen K9 Kinderen in gezin dat gezondheidszorg moet uitstellen om financiële redenen K 10 Kansarmoede-index van Kind en Gezin

25 25


26


Indicator I1

Bevolking onder de armoederisicodrempel: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 99 jaar met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel na sociale transfers

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2004-2013, doelstelling 2020

1.600.000

18

15 1.200.000

1.000.000

10,8

11,3

11,4

11,0

10,9 10,0

10,1

10,4

12

10,8

9,8

680.000

6 430.000

690.000

610.000

650.000

620.000

400.000

610.000

660.000

690.000

670.000

600.000

9

640.000

800.000

% personen onder armoederisicodrempel

Aantal personen onder armoederisicodrempel

1.400.000

3

200.000

0

0 2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2020

Toelichting De Belgische armoederisicodrempel (= 60% van het mediaan gestandaardiseerde huishoudinkomen) lag volgens de EU-SILC-survey van 2013 voor een alleenstaande op 12.890 euro per jaar of 1.074 euro per maand. Voor elke bijkomende volwassene in het huishouden wordt dat bedrag verhoogd met een factor 0,5, voor elk kind met een factor 0,3. Voor een gezin met 2 volwassenen en 2 kinderen (1 + 0,5 + 0,3 + 0,3) ligt de armoederisicodrempel zo op 2.255 euro per maand (= 1.074 euro x 2,1). Er wordt vanuit gegaan dat personen die leven in een huishouden dat moet rondkomen met een inkomen onder die drempel, een verhoogd risico lopen op armoede. Iets meer dan 1 op de 10 personen (11%) moest volgens de cijfers van de EU-SILC-survey van 2013 in Vlaanderen zien rond te komen met een inkomen onder deze armoederisicodrempel. Dat komt overeen met ongeveer 680.000 personen. Deze indicator wordt berekend op basis van het beschikbare huishoudinkomen in het jaar v贸贸r de survey. De cijfers van de survey van 2013 hebben dus eigenlijk betrekking op het huishoudinkomen van 2012. Het armoederisicopercentage is de afgelopen jaren vrij stabiel gebleven, al lijkt er na een beperkte daling tussen 2010 en 2011 weer sprake van een stijging tussen 2011 en 2012-2013. Deze schommelingen zijn echter statistisch niet significant (zie de betrouwbaarheidsintervallen aangegeven in de figuur). De vergelijking maken met de periode v贸贸r 2004 is moeilijk wegens een breuk in de tijdreeks (overgang van de ECHP-survey naar de EU-SILC-survey). Wel is het zo dat tussen 1994 en 1997 het armoederisicopercentage licht is gedaald waarna het tussen 1997 en 2001 min of meer stabiel is gebleven. In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering er zich toe verbonden om het aantal personen met een inkomen onder de armoederisicodrempel tussen 2008 en 2020 met 30% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het aantal personen met een huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel gedaald moet zijn tot maximaal 430.000 personen.

27


Indicator I2

Bevolking onder de armoederisicodrempel: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage en aantal personen met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel na sociale transfers, naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus (16+), werkintensiteit van het huishouden (0-59), opleiding (18+), bewonerstitel en geboorteland (18+)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2013

Percentage personen met huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel

% personen onder armoederisicodrempel 0

10

Totaal

11

Man

10

Vrouw

11

0-17 jaar

12

18-24 jaar

8

25-49 jaar

8

50-64 jaar

9

65 jaar en ouder Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw., jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin

23

14

Werkend

3

Werkloos

35

Gepensioneerd

15

Anders niet-actief

20

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit*

48

met lage werkintensiteit

37 15

met hoge werkintensiteit

2

met zeer hoge werkintensiteit

2 21

Middengeschoold

8

Hooggeschoold

5

Lid van gezin dat huis bezit

7

Lid van gezin dat huis huurt

24

Geboren in EU

60

17

6

Geboren buiten EU

50

19

Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen

Laaggeschoold

40

5

6

met middelmatige werkintensiteit

30

18

Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

20

9 37

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85).

28


Aantal personen met huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel

Aantal personen onder armoederisicodrempel x 1.000 0

100

Man

320

Vrouw

360

0-17 jaar

150

18-24 jaar

40

25-49 jaar

170

50-64 jaar

110

65 jaar en ouder

200

Alleenstaande

160

Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar

80 50

Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen

60

Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

90

Werkend

90 190

Anders niet-actief

190

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit *

210

met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

70 100 10 50

Laaggeschoold

310

Middengeschoold

140

Hooggeschoold

500

70

Gepensioneerd

met middelmatige werkintensiteit

400

40

Lid van eenoudergezin

met lage werkintensiteit

300

140

Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind

Werkloos

200

90

Lid van gezin dat huis bezit

360

Lid van gezin dat huis huurt

320

Geboren in EU

430

Geboren buiten EU

110

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85).

29


Indicator I3

Bevolking onder de armoederisicodrempel: evolutie situatie risicogroepen

Omschrijving

Percentage personen met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel na sociale transfers, bij die groepen waarvan het armoederisicopercentage in 2013 minstens 1,5 keer hoger ligt dan het algemene armoederisicopercentage

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2008-2013

% personen onder armoederisicodrempel

0

10

20

30

40

50

10

Totaal 11

2008 2009 19

2010

65 jaar en ouder

2011

18

2012 2013 19

Alleenstaande 19 19

Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar 17

29

Lid van eenoudergezin 23

20

Werkloos 35

16

Anders niet-actief 20

37

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit 48

22

Lid van gezin met lage werkintensiteit 37

17

Laaggeschoold 21

20

Lid van gezin dat huis huurt 24

25

Geboren buiten EU 37

30

60


Indicator I4

Bevolking onder de armoederisicodrempel: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 99 jaar met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de nationale armoederisicodrempel na sociale transfers en hoogte van de nationale armoederisicodrempel voor een alleenstaande in euro (bedrag per jaar)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2013

50.000

20 19 19 19 19

15

10 9

10

11

12 12

13

14 14 14 14

15 15 15 15

16 16 16 16

20 20

21 21

22

23

40.000

17 17

30.000

20.000

% personen onder armoederisicodrempel (linkse as)

Griekenland

Bulgarije

Roemenië

Spanje

Litouwen

Kroatië

Italië

Letland

Estland

Portugal

EU28

Polen

VK

Duitsland

Malta

Luxemburg

België

Cyprus

Zweden

Slovenië

Oostenrijk

Ierland

Hongarije

Frankrijk

Slovakije

Finland

Denemarken

0 Vlaams Gewest

0 Tsjechië

10.000

Nederland

5

Hoogte van de armoederisicodrempel in euro

% personen onder armoederisicodrempel

25

Hoogte van de armoederisicodrempel in euro (rechtse as)

Toelichting Het Vlaamse armoederisicopercentage (11%) lag in 2013 duidelijk lager dan het EU28-gemiddelde (17%). Vlaanderen haalde daarmee in 2013 een derde plaats in de EU-rangschikking, na Tsjechië en Nederland. In het Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering zich als doelstelling gesteld dat het aandeel inwoners in Vlaanderen dat leeft in armoede in 2020 laag moet liggen in vergelijking met de best presterende EUlanden. Die doelstelling wordt op basis van de meest recente gegevens gehaald. Het is opvallend dat verschillende Oost- en Centraal-Europese landen (Tsjechië, Slovakije, Hongarije en Slovenië) niet beduidend slechter scoren dan de West- en Noord-Europese landen, terwijl de levensstandaard in die eerste groep landen toch lager ligt. Dat heeft te maken met het feit dat het hier gaat om een relatieve armoedemaat, berekend op basis van het mediaaninkomen in elk land afzonderlijk. Dat gebeurt vanuit de redenering dat een minimaal aanvaardbare levensstandaard - en dus ook de armoederisicodrempel - afhankelijk is van de specifieke sociaaleconomische situatie van het land in kwestie. In de grafiek is op de rechteras de hoogte van de armoederisicodrempel in elk land af te lezen. Daaruit blijkt dat de armoederisicodrempel sterk verschilt van land tot land. Daarmee moet bij de interpretatie van de armoederisicopercentages zeker rekening gehouden worden.

31


50

40

30

Denemarken Nederland Finland Vlaams Gewest Cyprus VK Oostenrijk Tsjechië Polen Slovenië Slovakije Roemenië Bulgarije Kroatië EU28 Portugal België Hongarije Frankrijk Duitsland Italië Ierland Zweden Griekenland Spanje Letland Estland Malta Litouwen

Hongarije Tsjechië Slovakije Luxemburg Frankrijk Vlaams Gewest Spanje Nederland Malta Portugal Oostenrijk Polen Griekenland Italië België EU28 Roemenië VK Ierland Cyprus Denemarken Letland Finland Duitsland Kroatië Zweden Slovenië Litouwen Estland Bulgarije

10

0

30

0

80

20

10

0

32 14 15 16 16 18 19 19 20 21 22 22 22 22 23 25 25 26 26 26 27 28 31 31 32 32 33 33 34

20

40

30

20

10

10 20 21 23 23 25 27 28 30 30 30 31 32 32 32 33 34 34 35 35 36 37 37 37 38 38 40 42 43

30

13

9 10 12 12 13 14 14 14 14 15 15 15 15 16 16 16 16 17 17 18 19 19 19 19 20 20 21 21 22 23

30

30

20

16 18 20 20 20 21 22 22 22 24 24 24 25 25 25 26 26 26 28 28 28 29 29 29 29 30 31 34 36

Tsjechië Nederland Finland Denemarken Slovakije Frankrijk Ierland Hongarije Oostenrijk Slovenië Zweden België Cyprus Malta Luxemburg VK Duitsland EU28 Polen Vlaams Gewest Estland Portugal Italië Letland Kroatië Spanje Litouwen Bulgarije Roemenië Griekenland 40 39 41

40

13

60

Tsjechië Slovenië Slovakije Vlaams Gewest Luxemburg Cyprus Ierland Oostenrijk Hongarije Malta Nederland Finland Spanje Duitsland Bulgarije Litouwen Polen Italië EU28 Letland Denemarken Frankrijk Kroatië België VK Portugal Griekenland Estland Zweden Roemenië

10 2 4 4 5 5 5 6 6 7 8 8 8 10 10 10 10 12 12 12 12 13 13 14 15 17 17 19 19 21 21

20

69

Tsjechië Slovakije Hongarije Luxemburg Nederland Finland Frankrijk Zweden Denemarken Polen Ierland Roemenië Estland Litouwen EU28 Duitsland Griekenland Oostenrijk Slovenië Italië VK Portugal Letland Spanje Vlaams Gewest België Cyprus Malta Bulgarije Kroatië

10

34 34 34 35 36 36 38 40 43 43 44 44 44 44 45 46 46 46 46 46 47 48 49 51 51 52 55 56 61

20

Cyprus Ierland Nederland Vlaams Gewest Frankrijk Denemarken Finland Portugal Zweden Kroatië VK Polen Slovakije Tsjechië Spanje Oostenrijk België Slovenië EU28 Griekenland Italië Bulgarije Malta Hongarije Roemenië Luxemburg Estland Letland Litouwen Duitsland

Indicator I5

Bevolking onder de armoederisicodrempel: Europese vergelijking risicogroepen

Omschrijving Percentage personen met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de nationale armoederisicodrempel na sociale transfers, bij die groepen waarvan het armoederisicopercentage in het Vlaamse Gewest in 2013 minstens 1,5 keer hoger ligt dan het algemene armoederisicopercentage

DIMENSIES Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2013

65-plussers Alleenstaanden

50

0

Leden van gezin met 2 volw., minstens 1 > 65 jaar Leden van een eenoudergezin

60

50

0

Werklozen Niet-actieven excl. werklozen /gepensioneerden

70

50

40

0

Polen Portuga Frankri België Spanje


50

40 40

20

10

0 30

20

33 17 18 20 21 21 23 23 23 24 24 25 27 28 29 30 30 31 31 32 32 33 37

10 42 46

54

60

50

40 43

60

10 13 13

30

17 21 21 22 22 23 23 23 23 24 24 24 24 24 26 26 27 28 28 30 30 30 31 31 33 34 34 35

Nederland Tsjechië Denemarken Ierland Frankrijk Malta Finland Vlaams Gewest Luxemburg Oostenrijk Portugal Slovakije VK Italië EU28 Spanje Cyprus Duitsland Zweden België Polen Hongarije Griekenland Letland Estland Slovenië Litouwen Roemenië Kroatië Bulgarije

Nederland Denemarken Ierland VK Vlaams Gewest Roemenië Oostenrijk Finland Luxemburg Cyprus Tsjechië EU28 Slovenië Italië Griekenland Hongarije Polen Portugal Frankrijk België Spanje Duitsland Kroatië Malta Litouwen Letland Bulgarije Slovakije Zweden Estland

10

40 41 41 41

48 49 50 51 52 52 54 56 57 58 58 59 59 59 61 61 61 64 64 65 66 68 72 74 74 78

90 80 70 60 50 40 30 20 10 0

Hongarije Tsjechië Polen Ierland Letland Malta Portugal Nederland Duitsland VK Litouwen Denemarken Estland Slovenië Finland Oostenrijk Italië EU28 Kroatië Cyprus Frankrijk Luxemburg Zweden Bulgarije Vlaams Gewest Spanje België Griekenland Roemenië* Slovakije*

Tsjechië Roemenië Nederland Ierland Oostenrijk Polen Bulgarije Malta Hongarije Vlaams Gewest VK Denemarken Slovakije Finland Duitsland Frankrijk EU28 Kroatië Estland Griekenland Italië Cyprus Zweden Letland Portugal Luxemburg Slovenië België Spanje Litouwen

30

20

10

18 18 18 18 19 20 21 21 21 21 22 22 23 24 24 25 26 26 26 26 27 27 29 29 30 33 35 35

40 43

Leden van gezin met zeer lage werkintensiteit Laaggeschoolden

60

50

Leden van gezin dat huis huurt

Duitsla Kroatië Malta Litouwe Letland Bulgari Slovaki Zweden Estland

0

Personen geboren buiten de EU

0

* Geen gegevens beschikbaar.

Toelichting

Als de inkomenssituatie van de bevolkingsgroepen die in het Vlaamse Gewest een hoger risico lopen op armoede (minstens 1,5 keer het gemiddelde armoederisico) vergeleken wordt met de situatie van deze groepen in de 28 EU-lidstaten, dan blijkt een diffuus beeld. Bij de meeste groepen haalt Vlaanderen een plaats binnen de top 10 van de EU-rangschikking. Bij de oudere bevolkingsgroepen (65-plussers en leden van koppels waarvan minstens 1 partner ouder is dan 65 jaar) zakt Vlaanderen met een score onder het EU-gemiddelde weg naar de (lagere) middenmoot. Ook bij de personen geboren buiten de EU valt Vlaanderen ver terug in de Europese rangschikking.


Indicator I6

Diepte van de inkomensarmoede: evolutie

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 99 jaar met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder 40%, 50% en 70% van het nationaal mediaan gestandaardiseerd huishoudinkomen na sociale transfers

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2006-2013

25

% personen onder drempel

20

15

10

5

0

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Onder 70%-drempel

18,9

17,8

17,9

18,2

18,4

18,5

19,1

19,1

Onder 50%-drempel

5,9

5,3

4,9

4,8

4,9

5,0

5,7

5,1

Onder 40%-drempel

2,3

2,6

2,0

2,5

2,6

1,8

2,8

2,2

Toelichting Om zicht te krijgen op de spreiding van de inkomens rond de armoederisicodrempel en dus de diepte van de inkomensarmoede kan men de hoogte van de armoederisicodrempel (normaal 60% van het nationaal mediaaninkomen) laten variĂŤren. In 2013 bleek 19% van de Vlamingen te beschikken over een inkomen lager dan 70% van het nationaal mediaaninkomen, 5% over een inkomen lager dan 50% van het mediaaninkomen en 2% lager dan 40% van het mediaaninkomen. Die aandelen bleven de laatste jaren vrij stabiel. Net als bij de klassieke armoededrempel (60% van het nationaal mediaanikomen) scoort Vlaanderen ook bij de 40%-, bij de 50%- en bij de 70%-drempel op hetzelfde niveau als de best presterende EU-landen (zie indicator I7).

34


Tsjechië

Finland

35

Roemenië

Roemenië

Zweden Denemarken Oostenrijk Slovakije

Roemenië

Bulgarije

Spanje

Italië

Kroatië

Portugal

Letland

Litouwen

Estland

Polen

9

Bulgarije

VK

% personen onder 40% 10

Spanje

Letland

Duitsland

8

Spanje

Kroatië

Ierland Hongarije

8

Litouwen

Litouwen

Letland

België

8

Bulgarije

9

6 8

Italië

10 6

Portugal

5 7

Estland

5

Italië

5 7

Kroatië

5

Polen

4

Luxemburg

4

EU28

4

Estland

4

Portugal

4

EU28

9

Duitsland

Slovenië

9

VK

België Luxemburg

4

Slovenië

Malta 4

Luxemburg

3

Malta

VK

Polen

Cyprus Zweden

9

Malta

Ierland

9

Hongarije

8

EU28

8

België

8

Oostenrijk

8

Cyprus

Duitsland

Ierland

Zweden

Frankrijk

Hongarije

8

Slovakije

Cyprus

Frankrijk 3

Slovenië 7

Frankrijk 3

Oostenrijk

7

Denemarken

Tsjechië

Finland

3

Nederland

Vlaams Gewest

2

Denemarken

5 7 9

5

Finland

5

Nederland

2

Slovakije

Tsjechië

% personen onder 50%

0 2

Nederland

20 Vlaams Gewest

0 4

Vlaams Gewest

% personen onder 70%

Indicator I7

Diepte van de inkomensarmoede: Europese vergelijking

Omschrijving Percentage personen van 0 tot 99 jaar met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder 40%, 50% en 70% van het nationaal mediaan gestandaardiseerd huishoudinkomen na sociale transfers

DIMENSIES Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2013

40

30

20

10 11

40

30

20

16 14 14 15 12 13 13 13 11 11 10

40

30

30 28 28 28 29 26 26 26 27 27 25 25 25 25 23 23 24 24 21 21 22 22 22 22 19 19 19 20

10

16

0


Indicator I8

Bevolking in langdurige armoede: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 99 jaar met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel na sociale transfers tijdens jaar x en tijdens minstens 2 van de 3 voorgaande jaren

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2007-2013

600.000

8 7,2 6,7

7

5,9

270.000

200.000

280.000

300.000

4,9

290.000

340.000

4,7

320.000

5,0

400.000

400.000

430.000

6 5,4

5

4

3

% personen in langdurige armoede

Aantal personen in langdurige armoede

500.000

2 100.000 1

0

0 2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Toelichting Doordat de EU-SILC-survey een panelsurvey is â&#x20AC;&#x201C; gezinnen worden verschillende jaren na elkaar bevraagd â&#x20AC;&#x201C; is het mogelijk om de inkomenssituatie van gezinnen over een aantal jaren heen te volgen. In 2013 leefde 7% van de Vlamingen in een gezin met een inkomen onder de armoededrempel in 2013 en in minstens 2 van de 3 voorgaande jaren. Dat komt overeen met ongeveer 430.000 personen. Als dat vergeleken wordt met het totale aandeel personen onder de armoededrempel in 2013 dan blijkt dat 2 op de 3 personen in armoede in Vlaanderen zich in een positie van langdurige armoede bevinden.

36


Indicator I9

Bevolking in langdurige armoede: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 99 jaar met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de nationale armoederisicodrempel na sociale transfers tijdens jaar x en tijdens minstens 2 van de 3 voorgaande jaren en procentueel aandeel van de langdurige armoede in het totaal aantal personen onder de armoederisicodrempel in jaar x

DIMENSIES

Ruimte

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie (geen cijfers beschikbaar voor Ierland, Kroatië en Zweden) 2013

Tijd BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/245.htm

20

90 80 70

15

60

14 13 13 12 12 12

50

11

10 10 10 9 8 7

7

7

8

9

9

9

9

9

9

40

9

8

30

7

5

20

5

Procentueel aandeel in totale armoede

% personen in langdurige armoede

18

4

10

% personen in langdurige armoede (linkse as)

Roemenië*

Griekenland*

Italië

Bulgarije*

Spanje

Letland

Portugal

Duitsland

Cyprus

Litouwen

Estland

Luxemburg

EU28

Polen

België

Oostenrijk

Malta

Frankrijk

Hongarije

VK

Slovenië

Finland

Slovakije

Nederland

Vlaams Gewest

Tsjechië

0 Denemarken

0

Procentueel aandeel in totale armoede (rechtse as)

* Cijfers voor 2012.

Toelichting Net als bij aandeel personen onder de armoededrempel (zie indicator I4) haalt Vlaanderen ook bij het aandeel personen in langdurige armoede een derde plaats in de EU28-rangschikking. Het procentueel aandeel van de langdurige armoede in de totale armoede ligt in Vlaanderen wel hoger dan in de andere landen met een relatief lage score op het aandeel personen in langdurige armoede.

37


Indicator I10

Subjectieve beoordeling van de inkomenssituatie: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 99 jaar dat leeft in een huishouden dat volgens de referentiepersoon (zeer) moeilijk rondkomt met het beschikbare inkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/245.htm

Vlaams Gewest 2004-2013

1.400.000

18

14,9

15,2

15,0

15,5 13,5

13,1

14

850.000

930.000

870.000

12 10 8

580.000

710.000

750.000

790.000

400.000

930.000

9,6

800.000

900.000

11,7

970.000

12,5

1.000.000

600.000

16

14,1

6

% personen dat (zeer) moeilijk rondkomt

Aantal personen dat (zeer) moeilijk rondkomt

1.200.000

4 200.000

2

0

0 2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Toelichting Bij de indicatoren I1 tot I9 wordt op een objectieve manier nagegaan of het inkomen waarover mensen beschikken al dan niet onder een bepaalde drempel ligt. Maar de inkomensgerelateerde verwachtingen en behoeften verschillen van mens tot mens. De objectieve vergelijking van het beschikbare inkomen met de armoederisicodrempel wordt daarom best aangevuld met een subjectieve inschatting van het inkomen door de betrokkenen zelf. In 2013 leefde 14% van de Vlamingen in een huishouden dat zelf aangeeft (zeer) moeilijk rond te komen met het beschikbare inkomen. Dat komt overeen met ongeveer 850.000 personen. Dit aandeel is tussen 2012 en 2013 duidelijk gedaald. In tegenstelling tot het percentage personen onder de armoederisicodrempel dat berekend wordt op basis van het totale huishoudinkomen in het jaar voorafgaand aan de survey (bij de EU-SILC-survey van 2013 gaat het dus om het inkomen uit 2012), heeft de subjectieve armoedemaat betrekking op de situatie op het moment waarop de survey wordt afgenomen (de EU-SILC-survey van 2013 werd afgenomen medio 2013).

38


Indicator I11

Subjectieve beoordeling van de inkomenssituatie: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage en aantal personen dat leeft in een huishouden dat volgens de referentiepersoon (zeer) moeilijk rondkomt met het beschikbare inkomen, naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus (16+), werkintensiteit van het huishouden (0-59), opleiding (18+), bewonerstitel, huishoudinkomen en geboorteland (18+)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/245.htm

Vlaams Gewest 2013

Percentage personen dat (zeer) moeilijk rondkomt

% personen dat (zeer) moeilijk rondkomt 0

10

Totaal

14

Man Vrouw

13 14

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

15 13 14 12 13

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

22 8 11 30 13 8 16

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

9 42 13 21

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

43 35 21 13 6

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

21 13 7

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

9 31

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel

38 16 10 3 2

Geboren in EU Geboren buiten EU

12 37

20

30

40

50

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

39


Aantal personen dat (zeer) moeilijk rondkomt

Aantal personen dat (zeer) moeillijk rondkomt x 1.000 0

100

Man Vrouw

400 450

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

190 70 280 160 150

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

180 70 90 100 90 90 110

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

230 80 160 200

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

180 70 140 90 170

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

310 240 130

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

450 400

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel Geboren in EU Geboren buiten EU

200

300

400

500

600

480 200 120 40 20 570 110

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

40


Indicator I12

Subjectieve beoordeling van de inkomenssituatie: evolutie situatie risicogroepen

Omschrijving

Percentage personen dat leeft in een huishouden dat volgens de referentiepersoon (zeer) moeilijk rondkomt met het beschikbare inkomen, bij die groepen waarvan het subjectieve armoedepercentage in 2013 minstens 1,5 keer hoger ligt dan het algemene subjectieve armoedepercentage

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/245.htm

Vlaams Gewest 2008-2013

% personen dat (zeer) moeilijk rondkomt 0

10

20

30

40

50

15

Totaal 14

2008 2009

21

Alleenstaande

2010 22

2011

40

Lid van eenoudergezin 2012

30

2013 22

Werkloos 42

23

Anders niet-actief 21

35

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit 43

31

Lid van gezin met lage werkintensiteit 35

24

Lid van gezin met middelmatige werkintensiteit 21

20

Laaggeschoold 21

27

Lid van gezin dat huis huurt 31

37

Lid van gezin in laagste inkomenskwintiel 38

41

Geboren buiten EU 37

41


Indicator I13

Subjectieve beoordeling van de inkomenssituatie: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 99 jaar dat leeft in een huishouden dat volgens de referentiepersoon (zeer) moeilijk rondkomt met het beschikbare inkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/245.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2013

80 78

70 60

63

65

59

50

51

40 37 37 37

30 29

20

21 21 21

39

42

32 33 33 33

23

42

Griekenland

Kroatië

Bulgarije

Cyprus

Letland

Hongarije

Portugal

Roemenië

Italië

Spanje

Ierland

Malta

Slovakije

Slovenië

Litouwen

Polen

EU28

Tsjechië

VK

Estland

België

Frankrijk

16

Nederland

Oostenrijk

Vlaams Gewest

9

Luxemburg

Finland

7

Duitsland

7

14 14 12 13

Denemarken

10 0

54 54

47

Zweden

% personen in huishouden dat (zeer) moeilijk rondkomt

90


Indicator I14

Ernstige materiële deprivatie: evolutie samengestelde maat

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 99 jaar dat leeft in een huishouden dat minstens 4 van volgende 9 items mist omwille van financiële redenen: 1 week vakantie buitenshuis per jaar, een maaltijd met vis, vlees, kip of vegetarisch alternatief om de 2 dagen, een wasmachine, een kleuren-tv, een telefoon/GSM, een auto, de rekeningen voor huur, hypotheek, nutsvoorzieningen of andere aankopen kunnen betalen, het huis degelijk kunnen verwarmen, beperkte onverwachte financiële uitgave (1.000 euro) kunnen doen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Aantal personen 600.000

2004

2005

2006

2007

2008

2009

758.000

822.000

813.000

807.000

777.000

725.000

12,6

13,7

13,6

13,4

12,8

11,8

% personen

6

500.000

5

400.000

4 3,4 2,9

2,9 2,7

2,2

2,1

110.000

130.000

170.000

130.000

180.000

160.000

130.000

180.000

1,8

2

120.000

2,0 200.000

100.000

3

2,7

170.000

2,6

210.000

300.000

0

% personen in ernstige materiële deprivatie

Aantal personen in ernstige materiële deprivatie

Vlaams Gewest 2004-2013, doelstelling 2020

1

0 2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2020

Toelichting Op Europees niveau werd enkele jaren geleden een armoede-indicator ontwikkeld die niet zozeer focust op het inkomen zelf, maar op het feit of men mede dankzij dit inkomen kan genieten van een minimale levensstandaard. Dat gebeurt door na te gaan hoeveel items uit een lijst van 9 basisitems elk gezin moet missen omwille van financiële redenen. Vervolgens wordt per land of regio het percentage individuen berekend dat leeft in een gezin dat niet beschikt over minstens 4 van de 9 items. Volgens de EU-SILC van 2013 leefde 3% van de Vlamingen in een ernstig materieel gedepriveerd gezin (mist minstens 4 van 9 basisitems om financiële redenen). Dat komt overeen met ongeveer 170.000 personen. Het aandeel ernstig gedepriveerden is na een duidelijke stijging tussen 2010 en 2012 weer iets gedaald. In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering zich ertoe verbonden om het aantal personen in een ernstige materieel gedepriveerd gezin tussen 2008 en 2020 met 30% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het aantal personen dat leeft in een ernstig materieel gedepriveerd gezin moet dalen tot maximaal 120.000 personen.

43


Indicator I15

Ernstige materiële deprivatie: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen dat leeft in een huishouden dat minstens 4 van 9 items mist omwille van financiële redenen (zie indicator I14), naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus (16+), werkintensiteit van het huishouden (0-59), opleiding (18+), bewonerstitel, huishoudinkomen en geboorteland (18+)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2013

Percentage personen in huishouden in ernstige materiële deprivatie % personen in ernstige materiële deprivatie 0

5

Totaal

3

Man Vrouw

3 3

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

3 4 3 3 1

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

7 2 1 9 2 1 1

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

1 19 1 5

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

15 8 5 3 1

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

5 2 1

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

1 9

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel

10 3 1 1 <1

Geboren in EU Geboren buiten EU

2 12

10

15

20

25

30

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieën: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

44


Aantal personen in huishouden in ernstige materiĂŤle deprivatie

Aantal personen in ernstige materiĂŤle deprivatie x 1.000 0

50

Man Vrouw

90 80

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

40 20 60 40 10

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

60 10 10 30 10 10 10

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

40 40 10 40

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

60 20 30 20 10

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

70 40 20

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

50 120

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel

120 30 10 10 < 10

Geboren in EU Geboren buiten EU

110 30

100

150

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

45


Indicator I16

Ernstige materiële deprivatie: evolutie situatie risicogroepen

Omschrijving

Percentage personen dat leeft in een huishouden dat minstens 4 van 9 items mist omwille van financiële redenen (zie indicator I14) bij die groepen waarvan het percentage in 2013 minstens 1,5 keer hoger ligt dan het algemene percentage

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2008-2013

% personen in ernstige materiële deprivatie 0

5

10

15

20

3

Totaal 3

2008 2009 4

2010

Alleenstaande

2011

7

11

2012

Lid van eenoudergezin 9

2013

4

Werkloos 19

6

Anders niet-actief 5

10

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit 15

9

Lid van gezin met lage werkintensiteit 8

2

Lid van gezin met middelmatige werkintensiteit 5

3

Laaggeschoold 5

7

Lid van gezin dat huis huurt 9

9

Lid van gezin in laagste inkomenskwintiel 10

21

Geboren buiten EU 12

46

25


Indicator I17

Ernstige materiële deprivatie: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 99 jaar dat leeft in een huishouden dat minstens 4 van volgende 9 items mist omwille van financiële redenen: 1 week vakantie buitenshuis per jaar, een maaltijd met vis, vlees, kip of vegetarisch alternatief om de 2 dagen, een wasmachine, een kleuren-tv, een telefoon, een auto, de rekeningen voor huur, hypotheek, nutsvoorzieningen of andere aankopen kunnen betalen, het huis degelijk kunnen verwarmen, beperkte onverwachte financiële uitgave (900 euro) kunnen doen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2013

43

40

30 29 27 24

20 20 15

10

11

16 16

12 12

47

Bulgarije

Hongarije

Roemenië

Letland

Griekenland

Cyprus

Kroatië

Litouwen

Italië

Polen

Portugal

Slovakije

EU28

Ierland

8

VK

8

Malta

7

Estland

7

Tsjechië

6

Slovenië

5

Spanje

4

5

Duitsland

4

5

België

3

Oostenrijk

3

Finland

3

Denemarken

Zweden

0

Nederland

2

Vlaams Gewest

1

Frankrijk

10 10 10 10

Luxemburg

% personen in ernstige materiële deprivatie

50


Indicator I18

Ernstige materiële deprivatie: score op afzonderlijke items

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 99 jaar dat leeft in een huishouden: 1. dat zich per jaar geen week vakantie buitenshuis kan veroorloven 2. dat zich geen maaltijd met vlees, kip, vis of vegetarisch alternatief kan veroorloven om de 2 dagen 3. dat niet beschikt over een wasmachine omwille van financiële redenen 4. dat niet beschikt over een kleuren-tv omwille van financiële redenen 5. dat niet beschikt over een telefoon of GSM omwille van financiële redenen 6. dat niet beschikt over een auto omwille van financiële redenen 7. dat tijdens het afgelopen jaar minstens 1 achterstallige betaling had inzake hypotheek/huur, nutsvoorzieningen (gas, elektriciteit, water) en leningen (aankopen op afbetaling of andere leningen) 8. dat het huis niet degelijk kan verwarmen omwille van financiële redenen 9. dat een onverwachte noodzakelijke uitgave (1.000 euro) niet uit eigen middelen kan betalen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2013

Percentage personen % personen 0 Geen week vakantie per jaar

5

10

15

20

19

Geen vis, vlees, kip of vegetarisch om de 2 dagen

3

Geen wasmachine

1

Geen TV

<1

Geen telefoon of GSM

<1

Geen auto

4

Achterstallige betalingen

5

Geen degelijke verwarming

4

Geen onverwachte uitgave aankunnen

15

Aantal personen Aantal personen x 1.000 0 Geen week vakantie per jaar Geen vis, vlees, kip of vegetarisch om de 2 dagen Geen wasmachine

200 1.190 170 40

Geen TV

20

Geen telefoon of GSM

< 10

Geen auto

270

Achterstallige betalingen

300

Geen degelijke verwarming

230

Geen onverwachte uitgave aankunnen

970

48

400

600

800

1.000

1.200

1.400


Indicator I19

Bevolking in armoede of sociale uitsluiting volgens EU2020-definitie: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 99 jaar dat voldoet aan minstens 1 van 3 onderstaande voorwaarden: 1. leeft in een gezin met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de nationale armoederisicodrempel na sociale transfers (zie indicator I1) 2. leeft in een gezin dat ernstig materieel gedepriveerd is (= mist minstens 4 van 9 items omwille van financiĂŤle redenen) (zie indicator I14) 3. is niet ouder dan 59 jaar en leeft in een gezin waarvan de totale werkintensiteit lager ligt dan 0,20 (zie indicator A9)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2004-2013, doelstelling 2020

1.400.000

20

16,6

17,0

18 16,5

16,0

15,9 15,2

1.200.000

14,6

14,8

15,0

15,4

16

12

970.000

1.000.000

940.000

910.000

900.000

930.000

970.000

990.000

800.000

1.000.000

1.000.000

1.010.000

14

650.000

600.000

10 8 6

% personen in armoede of sociale uitsluiting

Aantal personen in armoede of sociale uitsluiting x 1.000

1.600.000

400.000 4 200.000

2

0

0 2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2020

Toelichting De Europese Unie stelt zich in haar EU2020-strategie tot doel om het aantal personen in armoede of sociale uitsluiting tegen 2020 met 20 miljoen te verminderen. Het gaat om personen die leven in een huishouden met een gestandaardiseerd inkomen onder de nationale armoederisicodrempel en/of leven in een huishouden dat ernstig materieel gedepriveerd is en/of jonger zijn dan 60 jaar en leven in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit. In 2013 ging het om 15% van de Vlamingen. Dat komt overeen met bijna 1 miljoen personen. Tussen 2005 en 2009 is het aantal personen in armoede of sociale uitsluiting licht gedaald. Tot 2011 is dat aantal min of meer constant gebleven. Na een lichte stijing in 2012 lijkt er in 2013 weer sprake van een stijging. Deze schommelingen zijn echter statistisch niet significant. In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering er zich toe verbonden om het aantal personen in armoede of sociale uitsluiting tussen 2008 en 2020 met 30% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 in Vlaanderen het aantal personen in armoede of sociale uitsluiting volgens de EU2020-definitie gedaald moet zijn tot maximaal 650.000 personen. Tegelijk gaat de Vlaamse Regering voor een 30%-reductie tegen 2020 op de 3 subindicatoren van de EU2020-indicator afzonderlijk. Dat betekent dus een 30%-reductie van het aantal personen met een huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel (zie indicator I1), een 30%-reductie van het aantal personen in ernstige materiĂŤle deprivatie (zie indicator I14) en een 30%-reductie van het aantal personen in een huishouden met zeer lage werkintensiteit (zie indicator A9).

49


Indicator I20

Bevolking in armoede of sociale uitsluiting volgens EU2020-definitie: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage en aantal personen in armoede of sociale uitsluiting (zie indicator I19), naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus (16+), werkintensiteit van het huishouden (0-59), opleiding (18+), bewonerstitel, huishoudinkomen en geboorteland (18+)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2013

Percentage personen in armoede of sociale uitsluiting volgens EU2020-definitie % personen in armoede of sociale uitsluiting 0

20

Totaal

15

Man Vrouw

15 16

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

15 14 13 18 19

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

27 14 18 38 10 6 16

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

5 62 18 33

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

40

60

80

100

100 39 19 5 2

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

27 13 8

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

10 34

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel

62 10 2 1 1

Geboren in EU Geboren buiten EU

13 47

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

50


Aantal personen in armoede of sociale uitsluiting volgens EU2020-definitie

Aantal personen in armoede of sociale uitsluiting x 1.000

0

100

Man

460

Vrouw

510

0-17 jaar

190

18-24 jaar

70

25-49 jaar

260

50-64 jaar

230

65 jaar en ouder

210

Alleenstaande

230

Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar

120

Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar

140

Lid van eenoudergezin

130

200

300

400

500

600

700

800

900

Li

Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind

70

Werk

Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen

70

Werk

Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

110

Gepe

Ander

Werkend

120

Werkloos

120

met la

Gepensioneerd

230

met m

Anders niet-actief

320

met h

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit*

430

Lid va

met z

met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

80 120 30 60

Laaggeschoold

410

Middengeschoold

250

Hooggeschoold

140

Lid van gezin dat huis bezit

520

Lid van gezin dat huis huurt

450

Lid van gezin in laagste kwintiel**

780

2de kwintiel

130

3de kwintiel 4de kwintiel

30 20

hoogste kwintiel

10

Geboren in EU

650

Geboren buiten EU

140

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

51


Indicator I21

Bevolking in armoede of sociale uitsluiting volgens EU2020-definitie: evolutie situatie risicogroepen

Omschrijving

Percentage personen in armoede of sociale uitsluiting (zie definitie indicator I19) bij die groepen waarvan het percentage in 2013 minstens 1,5 keer hoger ligt dan het algemene percentage (personen in een gezin met zeer lage werkintensiteit halen per definitie een score van 100% op deze indicator)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2008-2013

% personen in armoede of sociale uitsluiting 0

20

40

60

80

15

Totaal 15

2008 2009 28

2010

Alleenstaande

2011

27 39

2012

Lid van eenoudergezin

2013

38

41

Werkloos 62 31

Anders niet-actief 33

27

Lid van gezin met lage werkintensiteit 39

24

Laaggeschoold 27

27

Lid van gezin dat huis huurt 34

59

Lid van gezin in laagste inkomenskwintiel 62

46

Geboren buiten EU 47

52

100


Indicator I22

Bevolking in armoede of sociale uitsluiting volgens EU2020-definitie: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 99 jaar in armoede of sociale uitsluiting (zie indicator I19)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2013

50

40 40 34

30 30 30 24 24

20 18 15 15

19 19 19

20 20 20

25 25

26

27

35

36

31

28 28 28

21

16 16 16

10

53

Bulgarije

Roemenië

Griekenland

Letland

Hongarije

Kroatië

Litouwen

Italië

Ierland

Cyprus

Portugal

Polen

Spanje

VK

EU28

Malta

Estland

België

Slovenië

Duitsland

Slovakije

Luxemburg

Oostenrijk

Denemarken

Zweden

Frankrijk

Finland

Nederland

Tsjechië

0 Vlaams Gewest

% personen in armoede of sociale uitsluiting

48


Indicator I23

Bevolking in armoede of sociale uitsluiting volgens EU2020-definitie: diagram

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 99 jaar dat voldoet aan slechts 1 of tegelijk aan 2 of 3 van de voorwaarden om te behoren tot de groep personen in armoede of sociale uitsluiting (zie indicator I19)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2013

Armoederisico Ernstige materiĂŤle deprivatie 7,0% 440.000

0,6% 40.000

2,5% 160.000

0,8% 50.000

1,1% 70.000

0,2% 20.000

3,3% 210.000 Zeer lage werkintensiteit

Toelichting In het Vlaamse Gewest leefden in 2013 volgens de EU2020-definitie 15% van de Vlamingen in armoede of sociale uitsluiting (zie indicator I19). Dat komt overeen met bijna 1 miljoen personen. Het gaat om de personen die leven in een huishouden met een gestandaardiseerd inkomen onder de nationale armoederisicodrempel en/of leven in een huishouden dat ernstig materieel gedepriveerd is en/of jonger zijn dan 60 jaar en leven in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit. Een deel van deze personen voldoen tegelijk aan 2 of 3 van de genoemde criteria. Bijna 1% van de Vlamingen (50.000 personen) scoort negatief op alle 3 de criteria. Dat wil zeggen dat ze leven in een huishouden met een inkomen onder de armoededrempel, dat ernstig materieel gedepriveerd is en waar sprake is van een zeer lage werkintensiteit.

54


Indicator I24

Inkomenskwintielverhouding (S80/S20): evolutie

Omschrijving

Verhouding van het aandeel van het inkomen ontvangen door de 20% van de bevolking met het hoogste inkomen (hoogste kwintiel) in het totale inkomen tot het aandeel van het inkomen ontvangen door de 20% van de bevolking met het laagste inkomen (laagste kwintiel) in het totale inkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/240.htm

Vlaams Gewest 2004-2013

6

Inkomenskwintielverhouding

5

4 3,6

3,7 3,5

3,5

3,6

3,5

3,6

3,5

3,6 3,4

3

2

1

0 2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Toelichting Er bestaan verschillende maten om de inkomensverdeling in een land of regio in kaart te brengen. Een in de Europese armoedeplannen vaak gebruikte maat is de inkomenskwintielverhouding (S80/S20) die het totale inkomen van de 20% rijksten vergelijkt met dat van de 20% armsten. Deze verhouding lag in Vlaanderen in 2013 op 3,4. Dat betekent dat het inkomen van de 20% rijksten 3,4 keer hoger ligt dan het inkomen van de 20% armsten. Dat cijfer blijft de voorbije jaren nagenoeg stabiel.

55


Indicator I25

Inkomenskwintielverhouding (S80/S20): Europese vergelijking

Omschrijving

Verhouding van het aandeel van het inkomen ontvangen door de 20% van de bevolking met het hoogste inkomen (hoogste kwintiel) in het totale inkomen tot het aandeel van het inkomen ontvangen door de 20% van de bevolking met het laagste inkomen (laagste kwintiel) in het totale inkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/240.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2013

8

6

4 3,4 3,4

3,8 3,6 3,6 3,6 3,6 3,7

4,3 4,1 4,1 4,2

4,5 4,5 4,6 4,6 4,6

4,9 4,9 5,0

5,3

5,5

5,7

6,0 6,1

6,3 6,3

6,6 6,6 6,6

2

Roemenië

Bulgarije

Griekenland

Spanje

Letland

Litouwen

Italië

Portugal

Kroatië

Estland

EU28

Polen

VK

Cyprus

Duitsland

56

Luxemburg

Ierland

Frankrijk

Hongarije

Denemarken

Malta

Oostenrijk

België

Zweden

Finland

Slovenië

Slovakije

Tsjechië

Nederland

0 Vlaams Gewest

Inkomenskwintielverhouding

10


Indicator I26

Gini-coëfficiënt: evolutie

Omschrijving

Synthetische maat van het cumulatieve aandeel van het equivalent inkomen dat opgenomen wordt door de cumulatieve percentages van het aantal individuen. De waarde van de coëfficiënt varieert van 0 (volledige inkomensgelijkheid) tot 100 (volledige ongelijkheid).

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/239.htm

Vlaams Gewest 2004-2013

40

35

Gini-coëfficient

30

25 24,9

24,5

24,9

2004

2005

2006

25,3 23,9

24,4

24,9

24,5

24,8

2009

2010

2011

2012

24,0

20

15

10

5

0 2007

2008

2013

Toelichting De gini-coëfficiënt is een maat die inzicht geeft in de wijze waarop het inkomen verdeeld is tussen de inwoners van een land of regio. Deze maat varieert van 0 (volledige inkomensgelijkheid) tot 100 (volledige ongelijkheid). De gini-coëfficiënt is de voorbije jaren niet significant gestegen of gedaald in Vlaanderen. In het Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering zich als doelstelling gesteld dat de inkomensongelijkheid en dus de gini-coëfficiënt tegen 2020 merkbaar zou dalen. Voorlopig is er in de cijfers geen sprake van een duidelijke daling.

57


Indicator I27

Gini-coëfficiënt: Europese vergelijking

Omschrijving

Synthetische maat van het cumulatieve aandeel van het equivalent inkomen dat opgenomen wordt door de cumulatieve percentages van het aantal individuen. De waarde van de coëfficiënt varieert van 0 (volledige inkomensgelijkheid) tot 100 (volledige ongelijkheid).

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/239.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2013

50

30 30 30 30 30 30 24 24 24

25 25 25 25

26

27

31 31 31

32

33 33

34 34 34 34

35 35 35

28 28 28

20

10

58

Bulgarije

Letland

Litouwen

Portugal

Griekenland

Roemenië

Spanje

Estland

Italië

Cyprus

Polen

Kroatië

EU28

Luxemburg

VK

Frankrijk

Ierland

Duitsland

Malta

Hongarije

Oostenrijk

Denemarken

België

Finland

Nederland

Zweden

Tsjechië

Slovenië

Slovakije

0 Vlaams Gewest

Gini-coëfficient

40


Indicator S1

Betalingsachterstand: evolutie

Omschrijving

Aantal geregistreerde personen met betalingsachterstand en % meerderjarige personen met betalingsachterstand, telkens op 31 december

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Nationale Bank van BelgiĂŤ, bewerking SVR www.nbb.be

Vlaams Gewest 2007-2014

250.000

3,5

3,0

2,2

2,3

2,4

2,5

2,5

2,6 2,5

150.000 132.962

130.848

127.732

124.066

119.619

116.284

110.258

100.000

2,0

107.421

Aantal personen met betatlingsachterstand

2,2

2,4

1,5

1,0 50.000 0,5

0

% meerderjarige personen met betalingsachterstand

200.000

0,0 2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014*

* Percentage berekend ten opzichte van bevolkingsaantal op 1 januari 2014 in plaats van 31 december 2014.

Toelichting Schuldoverlast is vaak een belangrijk probleem voor mensen in armoede. Eind 2014 stonden 132.962 Vlamingen met afbetalingsmoeilijkheden geregistreerd bij de Centrale voor Kredieten aan Particulieren van de Nationale Bank van BelgiĂŤ. Dat komt overeen met 2,6% van de meerderjarige bevolking in het Vlaamse Gewest. Deze kredietcentrale registreert alle kredieten die door natuurlijke personen (voor privĂŠ doeleinden) worden afgesloten evenals de eventuele wanbetalingen met betrekking tot deze kredieten. Kredietgevers zijn verplicht de centrale te raadplegen vooraleer ze een krediet toekennen. Het aantal geregistreerde personen met betalingsachterstand is de afgelopen jaren duidelijk toegenomen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat in deze cijfers enkel rekening wordt gehouden met kredieten (voor consumptie of hypotheek), maar niet met andere schulden zoals schulden voor huur, energiefacturen, gezondheidskosten, telefoon/internet of fiscale schulden.

59


Indicator S2

Achterstallige betalingen voor wonen, nutsvoorzieningen en leningen: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 99 jaar dat leeft in een huishouden met minstens 1 achterstallige betaling inzake hypotheek/huur, nutsvoorzieningen (gas, elektriciteit, water) en leningen (aankopen op afbetaling of andere leningen) tijdens het afgelopen jaar

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2004-2013

600.000

8

7 6,1 6

4,5

4,8

4,7

4,5

4,7

290.000

270.000

290.000

250.000

290.000

270.000

290.000 200.000

320.000

4,1 300.000

4,7

300.000

4,8

390.000

400.000

5,2 5

4

3

% personen met achterstallen

Aantal personen met achterstallen

500.000

2 100.000 1

0

0 2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Toelichting In 2013 leefde 5% van de Vlamingen in een gezin met minstens 1 achterstallige betaling in het afgelopen jaar voor huur of hypotheek, elekticiteit, water of gas of een andere lening. Dat komt overeen met ongeveer 300.000 personen. In tegenstelling tot de cijfers van de Centrale voor Krediet aan Particulieren van de Nationale Bank over het aantal geregistreerde personen met betalingsachterstand (zie indicator S1) wordt hier niet alleen rekening gehouden met kredieten maar ook met andere mogelijke schulden (huur, nutsvoorzieningen...).

60


Indicator S3

Achterstallige betalingen voor wonen, nutsvoorzieningen en leningen: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen dat leeft in een huishouden met minstens 1 achterstallige betaling (zie indicator S1), naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus (16+), werkintensiteit van het huishouden (0-59), opleiding (18+), bewonerstitel, huishoudinkomen en geboorteland (18+)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2013

Percentage personen met achterstallen

% personen met achterstallen 0

5

Totaal

5

Man Vrouw

5 5

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

8 6 5 3 1

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

5 3 1 10 7 3 8

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

4 13 1 7

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

12 19 9 5 3

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

10

15

20

25

30

6 5 2

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

2 14

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel

13 5 4 1 1

Geboren in EU Geboren buiten EU

3 16

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

61


Aantal personen met achterstallen

Aantal personen met achterstallen x 1.000 0

50

Man Vrouw

150 150

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

90 30 110 40 20

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel Geboren in EU Geboren buiten EU

100

150

200

40 20 10 30 50 30 50 110 30 10 60 50 40 60 40 100 90 90 30 120 180 160 60 50 20 10 160 50

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

62


Indicator S4

Achterstallige betalingen voor wonen, nutsvoorzieningen en leningen: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 99 jaar dat leeft in een huishouden met minstens 1 achterstallige betaling inzake hypotheek/huur, nutsvoorzieningen (gas, elektriciteit, water) en leningen (aankopen op afbetaling of andere leningen) tijdens het afgelopen jaar

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2013

50 45 45

% personen met achterstallen

40 39

35

36 34

30

31 31

25

26

20

21

22

23

15 10

5

5

5

Duitsland

Luxemburg

Tsjechië

6

7

7

7

Oostenrijk

5

Denemarken

5

Nederland

4

Vlaams Gewest

5

België

11 8

12 12 12 12

13

14 14

15

9

63

Griekenland

Bulgarije

Griekenland

Cyprus

Kroatië

Roemenië

Ierland

Hongarije

Letland

Slovenië

Italië

Polen

Litouwen

Malta

Estland

EU28

* Cijfer voor 2010.

Spanje

Portugal

Finland

Frankrijk

Slovakije

Zweden

VK

0


Indicator U1

Impact sociale transfers op armoederisicopercentage: evolutie

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 99 jaar met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel voor alle sociale transfers, na pensioenen en voor andere sociale transfers, na alle sociale transfers

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2004-2013

50

% personen onder armoederisicodrempel

40

30

20

10

0

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Voor alle sociale transfers

37,5

37,7

36,7

36,0

36,9

36,5

36,9

37,7

38,0

37,0

Na pensioenen, voor andere transfers

22,6

23,1

21,7

21,2

21,0

21,2

20,8

21,9

22,2

20,4

Na alle sociale transfers

10,8

11,3

11,4

10,9

10,0

10,1

10,4

9,8

11,0

10,8

Toelichting Sociale transfers spelen een belangrijke rol bij de bestrijding van armoede. Zonder sociale uitkeringen zou 37% van de Vlaamse bevolking onder de armoederisicodrempel terecht komen. Als de pensioenen gezien worden als primaire inkomens en niet als transfers, gaat het nog steeds om 20% van de bevolking. Die aandelen blijven de laatste jaren min of meer stabiel.

64


Indicator U2

Impact sociale transfers op armoederisicopercentage: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 99 jaar met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de nationale armoederisicodrempel voor alle sociale transfers, na pensioenen en voor andere sociale transfers, na alle sociale transfers (zie indicator I4)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2013

% personen onder armoederisicodrempel

60 50

53 50 50

40

44 45

42 42 38

37 37 37

44 45 45 43 44

42 42 42

45

47

45 46 42

40

38

37

43

47 48

30 20 10

Griekenland

Litouwen

Roemenië

Spanje

Bulgarije

Kroatië

Italië

Portugal

Letland

EU28

Estland

Polen

VK

Luxemburg

Malta

Voor alle sociale transfers

Duitsland

Zweden

België

Slovenië

Cyprus

Ierland

Hongarije

Frankrijk

Slovakije

Oostenrijk

Finland

Denemarken

Vlaams Gewest

Tsjechië

Nederland

0

Na alle sociale transfers

50 40 39

30 24

21 20

26 27 24 25 23 24

26 26

29 30

30 30 23

26 25 25 26 26

30 27

28 28

Roemenië

20

28

Bulgarije

26

20

17

10

Na pensioenen, voor andere transfers

65

Griekenland

Litouwen

Spanje

Kroatië

Letland

Estland

Na alle sociale transfers

Portugal

Italië

EU28

Polen

VK

Luxemburg

Duitsland

Malta

Zweden

België

Slovenië

Cyprus

Ierland

Hongarije

Oostenrijk

Frankrijk

Slovakije

Finland

Denemarken

Vlaams Gewest

Tsjechië

0 Nederland

% personen onder armoederisicodrempel

60


Indicator U3

Sociale zekerheid: vervangingsinkomens

Omschrijving

Aantal personen met een pensioenuitkering (inclusief IGO/GIB), aantal door de RVA vergoede werklozen en aantal begunstigden van een uitkering voor arbeidsongeschiktheid, telkens bij het begin van het jaar

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA), Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (KSZ) http://www.rva.be https://www.ksz-bcss.fgov.be/

Vlaams Gewest 2007-2015

1.500.000

Aantal begunstigden

1.250.000

1.000.000

750.000

500.000

250.000

0 Pensioentrekkenden

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

1.056.206 1.067.572 1.084.081 1.088.715 1.103.437 1.123.849 1.146.652 1.169.062

Door RVA vergoede werklozen

335.457

304.341

304.961

333.929

321.799

309.189

302.298

Arbeidsongeschiktheid

88.582

92.923

95.906

99.194

104.237

107.686

111.792

308.764

292.663

Toelichting Sociale transfers spelen een belangrijke rol bij de bestrijding van armoede. Zo zorgt de sociale zekerheid voor een vervangingsinkomen bij loonverlies door pensionering, werkloosheid of arbeidsongeschiktheid. Begin 2014 ontvingen bijna 1,2 miljoen Vlamingen een pensioenuitkering. Het is gezien de vergrijzing van de bevolking weinig verwonderlijk dat dit aantal jaar na jaar toeneemt. Het aantal door de RVA vergoede werklozen lag begin 2015 net onder de grens van 300.000 personen. Dat aantal is sinds 2010 iets gedaald. Naast de vergoede werklozen keert de RVA ook nog uitkeringen uit voor de ondersteuning van werknemers bij tijdelijke werkloosheid, opleiding of deeltijdse tewerkstelling met behoud van rechten en uitkeringen voor werknemers die met de steun van de RVA de werktijd aanpassen via loopbaanonderbreking of tijdskrediet (in de figuur zijn enkel de door de RVA vergoede werklozen opgenomen). Begin 2013 ontvingen bijna 112.000 Vlamingen een uitkering voor arbeidsongeschiktheid (incl. arbeidsongevallen en beroepsziekten). Dat aantal neemt de afgelopen jaren gestaag toe.

66


Indicator U4

Sociale bijstand: Recht op Maatschappelijke Integratie en Maatschappelijke Hulp - evolutie

Omschrijving

Gemiddeld maandelijks aantal begunstigden van het (equivalent) leefloon en van tewerkstellingsmaatregelen in het kader van het Recht op Maatschappelijke Integratie (RMI) en het Recht op Maatschappelijke Hulp (RMH)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

POD Maatschappelijke Integratie http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2685.htm

Vlaams Gewest 2007-2014

30.000

25.000

Aantal begunstigden

20.000

15.000

10.000

5.000

0

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Leefloon

21.863

22.349

24.934

25.864

24.184

23.254

23.928

24.873

Equivalent leefloon*

11.411

7.708

7.480

9.400

9.967

8.906

7.080

6.038

Tewerkstelling

4.395

4.217

4.460

5.079

5.484

5.602

5.530

5.401

* Cijfer voor 2014 gebaseerd op eerste 9 maanden van het jaar.

Toelichting Naast de klassieke sociale uitkeringen (pensioenen, werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, ziekte- en invaliditeitsuitkeringen en kinderbijslag), probeert de overheid via de sociale bijstand de armoedesituatie van de minst gegoede groepen te verbeteren. Het gaat vooreerst om het leefloon dat men ontvangt in het kader van het Recht op Maatschappelijke Integratie (RMI) en het equivalent leefloon dat men ontvangt in het kader van het Recht op Maatschappelijke Hulp (RMH). Het RMH is er voor mensen die niet in aanmerking komen voor het RMI omdat ze niet voldoen aan bepaalde voorwaarden inzake leeftijd, nationaliteit en arbeidsbereidheid. In de praktijk gaat het vooral om kandidaat-vluchtelingen en vreemdelingen met een verblijfsvergunning die niet ingeschreven zijn in het bevolkingregister. In 2014 ontvingen in Vlaanderen per maand gemiddeld 24.873 personen een leefloon. Dat aantal is sinds 2012 weer iets gestegen. Nog eens gemiddeld 6.038 personen per maand ontvingen in 2014 een equivalent leefloon, een duidelijke daling tegenover 2011. Het gaat hier niet om het aantal personen dat recht heeft op het (equivalent) leefloon maar om het aantal personen dat het (equivalent) leefloon effectief ontvangt. Om uiteenlopende redenen maakt een bepaald deel van de personen die recht hebben op het (equivalent) leefloon in de praktijk geen gebruik van dat recht. Hoe groot dat aandeel is, is echter moeilijk te schatten. Naast het (equivalent) leefloon kan het RMI en het RMH ook ingevuld worden via een tewerkstellingsmaatregel met tussenkomst van het OCMW. In 2014 ging het gemiddeld om 5.401 tewerkstellingsmaatregelen per maand.

67


Indicator U5

Sociale bijstand: Recht op Maatschappelijke Integratie en Maatschappelijke Hulp - situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Gemiddeld maandelijks aantal begunstigden van het (equivalent) leefloon in het kader van het Recht op Maatschappelijke Integratie (RMI) en het Recht op Maatschappelijke Hulp (RMH), naar geslacht, leeftijd, huishoudtype en nationaliteit

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

POD Maatschappelijke Integratie http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2685.htm

Vlaams Gewest 2014

Aantal uitkeringstrekkers

0

5.000

Man

10.993 3.569

Vrouw

13.880 2.469

0-17 jaar

10.000

15.000

85 109

18-24 jaar

7.156 1.701

25-44 jaar

10.158 2.526

Leefloon

6.679

Equivalent leefloon*

45-64 jaar

65 jaar en ouder

Alleenstaande

Samenwonende

Persoon met gezin ten laste

Belg

1.322 794 380

10.730 3.051 6.972 1.385 7.216 1.559

17.266 35

EU-burger (excl. Belg)

1.718 98

Niet-EU-burger

5.888 5.937

* Cijfers gebaseerd op eerste 9 maanden van het jaar.

68

20.000


Indicator U6

Sociale bijstand: uitkeringen voor ouderen, personen met een handicap en kinderen

Omschrijving

Aantal begunstigden van de Inkomensgarantie voor Ouderen (IGO) of het Gewaarborgd Inkomen voor Bejaarden (GIB), de Inkomensvervangende Tegemoetkoming aan Personen met een Handicap (IVT) en/of de Integratietegemoetkoming voor Personen met een Handicap (IT) en het aantal op de gewaarborgde gezinsbijslag rechtgevende kinderen (tot 24 jaar), telkens bij het begin van het jaar

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON

Rijksdienst voor Pensioenen, FOD Sociale Zekerheid - DG Personen met een Handicap, Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/254.htm http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/256.htm

Voor meer informatie

Vlaams Gewest 2007-2014

100.000

Aantal begunstigden

80.000

60.000

40.000

20.000

0

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

IGO-GIB

50.228

53.187

55.407

55.078

56.231

56.902

58.096

59.897

IVT en/of IT

64.369

66.188

68.534

73.280

76.229

77.158

79.102

81.139

Gezinsbijslag

4.469

4.087

3.673

3.973

4.914

4.971

4.838

4.368

Toelichting Slechts een beperkt aantal 65-plussers ontvangt een leefloon omdat zij aparte regelingen kennen: het Gewaarborgd Inkomen voor Bejaarden (GIB) dat sinds 2002 geleidelijk vervangen wordt door de Inkomensgarantie voor Ouderen (IGO). Meestal gaat het om een toeslag bovenop het pensioen, zodat men een bedrag bekomt dat vergelijkbaar is met het leefloon. Het wordt toegekend aan personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt maar die door omstandigheden geen of geen voldoende loopbaan hebben kunnen opbouwen. Op 1 januari 2014 ging het samen om 59.897 ouderen. Het aantal uitgekeerde GIBâ&#x20AC;&#x2122;s gaat sinds 2002 elk jaar achteruit. Het aantal IGOâ&#x20AC;&#x2122;s schommelde tot 2007 rond 40.000, maar gaat sinds 2008 in stijgende lijn. Personen met een handicap kunnen een beroep doen op een Inkomensvervangende Tegemoetkoming (IVT) indien zij geen arbeid kunnen verrichten en/of een Integratietegemoetkoming (IT) indien zij bijkomende kosten te dragen hebben vanwege een vermindering van hun zelfredzaamheid. Begin 2014 werd in Vlaanderen aan 81.139 personen een IVT en/of een IT uitgekeerd. Het aantal personen met een IVT en/of IT neemt de laatste jaren opvallend toe. Factoren die hierin mogelijk een rol spelen zijn de vergrijzing van de bevolking, een betere bekendheid van het stelsel en een snellere behandeling van de aanvragen. De gewaarborgde gezinsbijslag ten slotte is bedoeld voor gezinnen die op basis van hun beroepsactiviteit geen enkel recht kunnen doen gelden op kinderbijslag, of slechts een recht genieten op een bedrag dat lager ligt dan de gewaarborgde gezinsbijslag. Begin 2014 ging het om 4.368 rechtgevende kinderen.

69


Indicator A1

Werkzaamheidsgraad: evolutie en situatie van bevolkingsgroepen met lagere arbeidsdeelname

Omschrijving

Percentage werkenden (= personen die in de referentieweek van de bevraging minstens 1 uur arbeid hebben verricht) in de totale bevolking van 20 tot 64 jaar en in verschillende bevolkingsgroepen met een lagere arbeidsdeelname

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EAK, Algemene Directie Statistiek, bewerking Steunpunt WSE/Departement WSE http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/3456.htm http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/3461.htm

Vlaams Gewest 2004-2014

80 70 60

% werkenden

50 40 30 20 10 0

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Totaal

69,7

70,4

70,6

71,9

72,3

71,5

72,1

71,8

71,5

71,9

71,9

Vrouwen

61,5

62,8

63,4

64,9

66,1

65,7

66,7

66,4

66,2

66,9

67,6

55 tot 64 jaar

29,5

30,7

31,4

34,2

34,3

35,8

38,2

38,9

40,5

42,9

44,3

Laaggeschoolden*

52,4

52,3

52,2

54,2

53,4

52,6

53,3

52,0

51,7

52,0

51,8

49,2

51,2

51,4

56,3

53,4

53,4

53,0

51,8

54,9

53,3

37,5

33,5

38,6

38,7

40,4

42,7

Geboren buiten EU** Personen met handicap

* Personen met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs. ** In 2005 en 2006 gaat het om EU25, vanaf 2007 EU27. Geen gegevens beschikbaar voor Duitsland.

Toelichting Sinds 2007 schommelt de totale werkzaamheidsgraad in Vlaanderen rond 72%. Een aantal groepen blijft echter ondervertegenwoordigd op de Vlaamse arbeidsmarkt: ouderen, personen met een handicap, personen geboren buiten de EU, laaggeschoolden en vrouwen. De lage werkzaamheidsgraad bij ouderen vormt een van de voornaamste pijnpunten op de arbeidsmarkt. De Vlaamse arbeidsmarkt wordt gekenmerkt door een specifiek leeftijdsgebonden arbeidspatroon. Een erg hoge arbeidsdeelname tussen 25 en 49 jaar zorgt in combinatie met een beperkte deelname bij jongeren en ouderen voor sterk samengedrukte loopbanen. De arbeidsdeelname van de 55- tot 64-jarigen is de voorbije jaren wel duidelijk gestegen, waardoor nu 44% van deze groep aan het werk is. Ook de arbeidsdeelname van vrouwen en personen met een handicap gaat er gestaag op vooruit. Bij de laaggeschoolden en personen geboren buiten de EU is er eerder sprake van een stagnatie.

70


Indicator A2

Werkzaamheidsgraad: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage werkenden (= personen die in de referentieweek van de bevraging minstens 1 uur arbeid hebben verricht) in de bevolking van 20 tot 64 jaar: totaal en naar verschillende bevolkingsgroepen met een lagere arbeidsdeelname

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EAK - LFS, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/3456.htm http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/3461.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2014

Totaal 100

80

80

60 40

80 78 76 76 76 74 74 74 73 72 72 72 71 70 69 68 68 68 67 67 67 67 66 66 66 65 60 60 59 53

100

60 40 20

0

0 Zweden Duitsland Denemarken Finland Nederland Litouwen VK Estland Oostenrijk Letland Vlaams Gewest Frankrijk Luxemburg Tsjechië Portugal Cyprus Slovenië EU28 België Bulgarije Ierland Hongarije Polen Slowakije Roemenië Spanje Kroatië Malta Italië Griekenland

Zweden Duitsland VK Nederland Denemarken Estland Oostenrijk Tsjechië Finland Vlaams Gewest Luxemburg Litouwen Letland Frankrijk EU28 Slovenië Cyprus Portugal België Ierland Hongarije Polen Malta Slovakije Roemenië Bulgarije Spanje Italië Kroatië Griekenland

20

78 73 72 72 71 71 71 71 70 69 68 66 66 65 64 64 64 63 63 62 61 60 59 59 57 55 54 52 50 44

Vrouwen

55-64-jarigen

80

40 20

60

66 64 63 61 61 59 56 56 54 53 52 50 48 47 47 46 45 45 44 44 43 43 43 42 42 38 36 35 34

60

74

100

80

40 20

0

62 61 60 59 59 59 58 57 55 55 53 53 53 52 52 52 50 49 48 48 47 47 46 44 42 42 39 38 38 32

Laaggeschoolden*

100

Portugal Zweden Denemarken Estland Nederland VK Duitsland Luxemburg Roemenië Cyprus Frankijk Malta Oostenrijk Vlaams Gewest EU28 Finland Letland Italië Spanje Slovenië België Griekenland Ierland Hongarije Litouwen Tsjechië Bulgarije Kroatië Polen Slovakije

Zweden Duitsland Estland Denemarken VK Nederland Finland Letland Litouwen Tsjechië Ierland EU28 Bulgarije Portugal Frankrijk Cyprus Italië Oostenrijk Slowakije Vlaams Gewest Spanje Roemenië België Luxemburg Polen Hongarije Malta Kroatië Slovenië Griekenland

0

Personen geboren buiten de EU** 100

60 40

78 73 72 69 68 68 68 67 67 66 65 65 63 61 61 61 61 60 60 59 59 58 56 56 54 54 53 52 48

80

20

Tsjechië Cyprus Slowakije Litouwen Estland Portugal VK Hongarije Malta Luxemburg Polen Letland Zweden Oostenrijk Bulgarije Italië Slovenië EU28 Denemarken Nederland Ierland Roemenië Finland Frankrijk Vlaams Gewest Spanje Kroatië Griekenland België Duitsland

0

* Personen met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs. ** In 2005 en 2006 gaat het om EU25, vanaf 2007 EU27. Geen gegevens beschikbaar voor Duitsland.

Toelichting Algemeen genomen haalt het Vlaamse Gewest inzake werkzaamheidsgraad net de top 10 van de EU-lidstaten. Bij de vrouwen ligt de werkzaamheidsgraad in Vlaanderen iets hoger dan het EU-gemiddelde en bij de laaggeschoolden op hetzelfde niveau als het EU-gemiddelde waardoor Vlaanderen voor deze groepen een plaats in de middenmoot van de EU-lidstaten inneemt. Bij de andere groepen blijkt een ander beeld. Dat de lage werkzaamheidsgraad bij ouderen een van de voornaamste pijnpunten is op de Vlaamse arbeidsmarkt is, blijkt duidelijk uit de vergelijking met de scores van de EU-lidstaten. Vlaanderen scoort met een werkzaamheidsgraad van 44% heel wat minder dan de meeste EU-lidstaten en het EU-gemiddelde. Hetzelfde geldt voor de situatie van de personen geboren buiten de Europese Unie. Ook bij deze groep scoort Vlaanderen niet goed in vergelijking met het gros van de EUlidstaten.

71


Indicator A3

Werkloosheidsgraad (ILO): evolutie van totale en (zeer) langdurige werkloosheid

Omschrijving

Percentage werklozen in de beroepsbevolking (= werkenden en werklozen) van 15 tot 64 jaar gemeten volgens de criteria van de International Labour Organization (ILO) (geen werk hebben, de afgelopen 4 weken specifieke stappen hebben ondernomen om werk te vinden en binnen de 2 weken beschikbaar zijn voor werk), percentage langdurige werklozen (langer dan 1 jaar) in de beroepsbevolking, percentage zeer langdurige werklozen (langer dan 2 jaar) in de beroepsbevolking

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EAK, Algemene Directie Statistiek, bewerking Steunpunt WSE/Departement WSE http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/394.htm

Vlaams Gewest 2004-2014

7

6

ILO-werkloosheidsgraad

5

4

3

2

1

0

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Totaal

5,4

5,5

5,0

4,4

3,9

5,0

5,2

4,3

4,6

5,1

5,1

Langdurig

2,2

2,3

2,1

1,6

1,4

1,5

1,9

1,6

1,5

1,7

1,9

Zeer langdurig

1,4

1,5

1,5

1,1

1,0

1,3

1,1

0,9

0,9

0,8

Toelichting Het afgelopen decennium kende de ILO-werkloosheidsgraad in Vlaanderen een fluctuerend verloop. De werkloosheidsgraad lag het hoogst in de periode 2004-2005. Het laagste niveau werd bereikt in 2008. In 2009 en 2010 steeg de werkloosheidsgraad sterk ten opzichte van 2008. In 2011 daalde de werkloosheidsgraad weer waarna hij in 2012 en 2013 opnieuw steeg. In 2014 stagneerde de werkloosheidsgraad net boven de 5%. De langdurige werkloosheidsgraad volgt met enige vertraging grotendeels hetzelfde patroon als de totale werkloosheidsgraad en lag het hoogst in 2005. In 2013 ging het om 1,7% van de Vlaamse beroepsbevolking. De zeer langdurige werkloosheidsgraad ligt sinds 2011 net onder de 1%.

72


Indicator A4

Werkloosheidsgraad (ILO): situatie van bevolkingsgroepen met lagere arbeidsdeelname

Omschrijving

Percentage werklozen in de beroepsbevolking (= werkenden en werklozen) van 15 tot 64 jaar gemeten volgens de criteria van de International Labour Organization (ILO) (geen werk hebben, de afgelopen 4 weken specifieke stappen hebben ondernomen om werk te vinden en binnen de 2 weken beschikbaar zijn voor werk) en in verschillende bevolkingsgroepen met een lagere arbeidsdeelname

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EAK, Algemene Directie Statistiek, bewerking Steunpunt WSE/Departement WSE http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/393.htm http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/395.htm

Vlaams Gewest 2004-2014

25

ILO-werkloosheidsgraad

20

15

10

5

0

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Totaal

5,4

5,5

5,0

4,4

3,9

5,0

5,2

4,3

4,6

5,1

5,1

Vrouwen

6,6

6,3

5,8

5,1

4,2

5,0

5,1

4,4

4,5

5,0

5,0

15 tot 24 jaar

13,6

14,2

12,5

11,7

10,5

15,7

15,6

12,7

12,8

16,6

16,1

55 tot 64 jaar

3,5

3,8

4,6

3,5

3,6

4,3

4,0

3,4

3,0

3,8

3,3

Laaggeschoolden*

7,0

7,9

7,5

6,3

6,0

6,9

8,0

7,1

7,1

7,3

7,7

19,9

19,2

15,7

14,8

16,9

17,7

15,0

17,4

16,0

15,6

Geboren buiten EU**

* Personen van 25 tot 64 jaar met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs. ** In 2005 en 2006 gaat het om EU25, vanaf 2007 EU27.

Toelichting De mindere arbeidsdeelname van vrouwen, laaggeschoolden en personen geboren buiten de EU vertaalt zich niet alleen in een lagere werkzaamheidsgraad (zie indicator A1), maar ook in een hogere ILO-werkloosheidsgraad. Het verschil tussen de vrouwelijke en de totale werkloosheidsgraad is sinds 2009 nagenoeg volledig verdwenen. Bij de laaggeschoolden is er wel nog steeds sprake van een behoorlijk verschil met de totale werkloosheidsgraad. Het grootste verschil is echter te vinden bij de personen geboren buiten de EU. De werkloosheidsgraad lag in 2014 bij deze laatste groep 3 keer hoger dan de totale werkloosheidsgraad. De werkloosheidsgraad van jongeren tussen 15 en 24 jaar is na een duidelijke daling in 2011, in 2013 weer gestegen. Ook de werkzaamheidsgraad van deze groep is relatief laag (27% in 2014), maar dat hangt voornamelijk samen met de lange schoolloopbaan van de jonge Vlamingen. Als enkel gekeken wordt naar de niet-studenten in deze leeftijdsgroep stijgt de werkzaamheidsgraad naar 74% in 2014, wat hoger is dan de totale werkzaamheidsgraad. De werkzaamheidsgraad van deze leeftijdsgroep is dus niet problematisch, de werkloosheidsgraad is dat wel. Gebrek aan werkervaring speelt de jongeren parten. Daarenboven worden ze vaker aangeworven met een tijdelijk contract of als uitzendkracht zodat ze geregeld weer in de werkloosheid terechtkomen. De ouderen die niet werken, zitten voornamelijk in de inactiviteit en dus minder in de werkloosheid. Daardoor ligt de werkloosheidsgraad bij de 55- tot 64-jarigen niet hoger dan de totale werkloosheidsgraad.

73


30

20

10

10

0

74 20 24

20

20

19

19

30

15 16 17 20

15 18

26

20

36

35

9 10 11 11 12 12 14

10

19

18

17

16

14

40

14

15-24-jarigen

14

30

Totaal

14

50

14

5

13

0

13

20

12

25

50

12

5

11

0 5 5 5 6 6 6 6 7 7 7 8 8 8 8 8 9 10 10 10 10 10 10 11 14 14 15 15

10

9

Vlaams Gewest Duitsland Malta Oostenrijk Luxemburg VK Roemenië Nederland Denemarken Estland Tsjechië Zweden België Hongarije Finland Litouwen Ierland Frankrijk Polen Letland EU28 Bulgarije Slovenië Slovakije Italië Portugal Cyprus Kroatië Spanje Griekenland

25

3 3 4 4 4 5 5 5 5 5 5 6 6 7 7 7 7 7 7 8

30

25

25 27

35

30

10

Vlaams Gewest Roemenië Oostenrijk VK Luxemburg Denemarken Tsjechië Duitsland België Estland Zweden Italië Hongarije Malta Polen Nederland EU28 Frankrijk Finland Slovenië Ierland Letland Slovakije Litouwen Kroatië Bulgarije Portugal Cyprus Griekenland Spanje

60

52 53

5 5 6 6 6 6 6 7 7 7 8 8 8 9 9 9 10 10 10 11 11 12 12 13 13 15 16 18

35

8

10 43 46

40

5

20

39

30

30 35 36

Vlaams Gewest Duitsland Oostenrijk Luxemburg Malta Tsjechië VK Denemarken Nederland Roemenië Estland Hongarije Zweden België Finland Polen Frankrijk Slovenië EU28 Litouwen Letland Bulgarije Ierland Italië Slovakije Portugal Cyprus Kroatië Spanje Griekenland

5

8 10 11 12 13 15 16 16 17 19 20 20 20 21 22 23 23 23 23 24 24 24 24

10

Duitsland Oostenrijk Nederland Malta Denemarken Estland Vlaams Gewest Tsjechië VK Litouwen Letland Slovenië Hongarije Finland EU28 Luxemburg Zweden België Frankrijk Bulgarije Ierland Polen Roemenië Slovakije Portugal Cyprus Italië Kroatië Griekenland Spanje

15

6 8 8 8 8 8 10 11 12 12 13 14 14 14 15 15 15 17 17 18 19 19 21 24 24 28 28 29 31

20

Tsjechië VK Malta Estland Litouwen Letland Oostenrijk Polen Cyprus Slovenië Denemarken Nederland Ierland Luxemburg Vlaams Gewest Italië Portugal Frankrijk EU28 Zweden Kroatië Finland België Spanje Griekenland

Roemenië Vlaams Gewest Luxemburg Malta Denemarken VK Nederland Oostenrijk Estland Duitsland Finland Frankijk Zweden België Portugal Italië Slovenië Hongarije EU28 Polen Ierland Cyprus Tsjechië Letland Kroatië Bulgarije Griekenland Litouwen Spanje Slovakije

Indicator A5

Werkloosheidsgraad (ILO): Europese vergelijking

Omschrijving Percentage werklozen in de beroepsbevolking (= werkenden en werklozen) van 15 tot 64 jaar gemeten volgens de criteria van de International Labour Organization (ILO) (geen werk hebben, de afgelopen 4 weken specifieke stappen hebben ondernomen om werk te vinden en binnen de 2 weken beschikbaar zijn voor werk) en in verschillende bevolkingsgroepen met een lagere arbeidsdeelname

DIMENSIES Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie EAK - LFS, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/393.htm http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/395.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2014

Vrouwen

0

55-64-jarigen

0

Laaggeschoolden* Personen geboren buiten de EU**

40

0

* Personen van 25 tot 64 jaar met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs. ** In 2005 en 2006 gaat het om EU25, vanaf 2007 EU27. Geen cijfers beschikbaar voor Bulgarije, Duitsland, Hongarije, Roemenië en Slovakije.

Toelichting Door de relatief lage totale werkloosheidsgraad in Vlaanderen in vergelijking met de lidstaten van de EU ligt ook de werkloosheidsgraad van de verschillende groepen met een lagere arbeidsdeelname veelal (ver) onder het EU-gemiddelde. De enige uitzondering hierop is de werkloosheidsgraad van personen geboren buiten de Europese Unie. Daar ligt de werkloosheidsgraad maar beperkt lager dan het EUgemiddelde.


Indicator A6

Langdurige werkloosheidsgraad (ILO): Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage langdurige werklozen (langer dan 1 jaar) in de beroepsbevolking van 15 tot 64 jaar

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2014

EAK - LFS, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2290.htm

20 20

15 13

10 9

Slovakije

8

Italië

Bulgarije

8

9

Portugal

7

Cyprus

7

Ierland

10

5

5

5

5

Letland

Litouwen

EU28

Slovenië

3

4

Polen

3

4

Frankrijk

3

4

Hongarije

3

Estland

Finland

3

Roemenië

2

Malta

2

Nederland

2

Tsjechië

2

Duitsland

2

Luxemburg

2

Denemarken

1

Oostenrijk

5

Vlaams Gewest

4

2

75

Griekenland

Spanje

Kroatië

België

VK

0 Zweden

% langdurig werklozen in beroepsbevolking

25


Indicator A7

Niet-werkende werkzoekenden (VDAB): evolutie van totale en (zeer) langdurige werkloosheid

Omschrijving

Gemiddeld maandelijks aantal bij de VDAB ingeschreven niet-werkende werkzoekenden (NWWZ) van 18 tot 65 jaar, aantal langdurige NWWZ (langer dan 1 jaar) en aantal zeer langdurige NWWZ (langer dan 2 jaar)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

VDAB - Arvastat http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2171.htm

Vlaams Gewest 2004-2014

250.000

Aantal NWWZ

200.000

150.000

100.000

50.000

0

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

NWWZ

225.633

235.344

216.762

180.396

168.890

202.808

208.242

195.008

204.437

221.901

233.349

Langdurige NWWZ

92.761

101.318

104.049

84.121

71.683

79.003

89.734

85.534

86.207

92.619

102.640

Zeer langdurige NWWZ

48.840

57.851

62.207

57.663

48.536

47.618

51.300

52.536

52.641

54.198

60.522

Toelichting Net als de ILO-werkloosheidsgraad (zie indicator A3) kende ook het aantal niet-werkende werkzoekenden (NWWZ) ingeschreven bij de VDAB de laatste 10 jaar een fluctuerend verloop. Het totale aantal NWWZ lag het hoogst in 2005 en het laagst in 2008. Onder invloed van de economische crisis liep het aantal NWWZ in 2009 en 2010 aanzienlijk op. Na een kleine daling in 2011 is het aantal NWWZ in de jaren 2012, 2013 en 2014 verder opgelopen tot net onder het hoge niveau van 2005. Ook het aantal langdurige en zeer langdurige NWWZ lag in 2014 slechts beperkt lager dan in de periode 2005-2006.

76


Indicator A8

Niet-werkende werkzoekenden (VDAB): situatie van bevolkingsgroepen met lagere arbeidsdeelname

Omschrijving

Gemiddeld maandelijks aantal bij de VDAB ingeschreven niet-werkende werkzoekenden (NWWZ) van verschillende bevolkingsgroepen met een lagere arbeidsdeelname

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

VDAB - Arvastat http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/433.htm http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/421.htm

Vlaams Gewest 2004-2014

150.000

125.000

Aantal NWWZ

100.000

75.000

50.000

25.000

0

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Vrouwen

120.211

126.563

116.008

96.402

88.144

97.257

100.086

95.129

96.702

102.655

108.176

Jonger dan 25 jaar

57.971

56.373

47.335

36.842

34.868

45.344

45.349

41.090

44.940

49.140

48.284

Ouder dan 50 jaar

27.435

39.988

45.962

45.592

45.315

49.323

52.439

51.788

50.919

52.910

58.863

Laaggeschoolden*

115.064

120.789

111.563

93.531

88.903

103.651

105.131

97.693

100.098

104.483

106.587

36.372 Arbeidsgehandicapten 24.172

38.310

36.004

35.447

34.926

43.768

47.514

47.405

52.287

56.767

58.833

27.788

28.022

27.520

28.488

30.788

29.880

27.858

26.623

29.220

31.411

Allochtonen**

* Personen met hoogstens een diploma lager secundair onderwijs. ** V贸贸r 2007 gebaseerd op nationaliteit, vrijwillige registratie en een door de VDAB ontwikkeld naamherkenningsprogramma; na 2007 gaat het om personen met een huidige of vorige nationaliteit van buiten de EU27.

Toelichting Na een daling tussen 2005 en 2008 is het aantal NWWZ bij alle groepen gestegen tussen 2008 en 2009. Deze groepen volgen daarmee de daling van het totaal aantal NWWZ in dezelfde periode (zie indicator A7). In 2010 lag het aantal NWWZ bij alle groepen nagenoeg op hetzelfde niveau als in 2009. In 2011 nam het aantal NWWZ bij alle groepen af, al is die daling niet bij alle groepen even groot. Vooral bij de vrouwen, jongeren en laaggeschoolden nam het aantal NWWZ duidelijk af. Bij de ouderen en de allochtonen gaat het slechts om een (zeer) beperkte daling. In de periode 2012-2014 is er bij de meeste groepen weer sprake van een stijging, behalve bij de ouderen en bij de personen met een arbeidshandicap.

77


Indicator A9

Zeer lage werkintensiteit: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 59 jaar dat leeft in een gezin waarvan de totale werkintensiteit lager ligt dan 0,20. De werkintensiteit is de verhouding van het aantal gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden van 18 tot 59 jaar tot het aantal maanden dat alle volwassen leden van het huishouden van 18 tot 59 jaar zouden kunnen werken.

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Aantal personen 800.000

Vlaams Gewest 2004-2013, doelstelling 2020

2004

2005

2006

2007

2008

2009

758.000

822.000

813.000

807.000

777.000

725.000

12,6

13,7

13,6

13,4

12,8

11,8

% personen

12

9,9 10 8,5

600.000

8

410.000

6

4 250.000

370.000

380.000

360.000

8,9

7,7

470.000

460.000

470.000

400.000

500.000

7,7

8,0

8,8

430.000

9,7

420.000

10,0

200.000

% personen in gezin met zeer lage werkintensiteit

Aantal personen in gezin met zeer lage werkintensiteit

10,4

2

0

0 2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2020

Toelichting In 2013 leefde 9% van de Vlamingen tot 60 jaar - goed voor ongeveer 430.000 personen - in een gezin met een zeer lage werkintensiteit. Dat aandeel lijkt tussen 2010 en 2013 weer licht gestegen. Deze schommelingen zijn echter statistisch niet significant. In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering er zich toe verbonden om het aantal personen in een gezin met zeer lage werkintensiteit tussen 2008 en 2020 met 30% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 dat aantal personen gedaald moet zijn tot maximaal 250.000 personen.

78


Indicator A10

Zeer lage werkintensiteit: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 59 jaar dat leeft in een gezin waarvan de totale werkintensiteit lager ligt dan 0,20 (zie indicator A9), naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus (16+), opleiding (18+), bewonerstitel, inkomen en geboorteland (18+)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2013

Percentage personen in gezin met zeer lage werkintensiteit

% personen in gezin met zeer lage werkintensiteit 0

10

Totaal

9

Man

8

Vrouw

9

0-17 jaar

7

18-24 jaar

7

25-49 jaar

7

50-59 jaar

17

Alleenstaande

24

Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar

14

Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind

28 4

Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

2 5

Werkend

<1

Werkloos

59

Anders niet-actief

26

Laaggeschoold

22

Middengeschoold

8

Hooggeschoold

5

Lid van gezin dat huis bezit

5

Lid van gezin dat huis huurt

22

Lid van gezin in laagste kwintiel*

37

2de kwintiel

12

3de kwintiel

2

4de kwintiel

1

hoogste kwintiel

1

Geboren in EU Geboren buiten EU

20

8 28

* Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

79

30

40

50

60

70

80


Aantal personen in gezin met zeer lage werkintensiteit

Aantal personen in gezin met zeer lage werkintensiteit x 1.000 0

100

Man

200

Vrouw

220

0-17 jaar

80

18-24 jaar

40

25-49 jaar

150

50-59 jaar

160

Alleenstaande

110

Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar

100

Lid van eenoudergezin

90

Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind

30

Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen

30

Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

30

Werkend

< 10

Werkloos

100

Anders niet-actief

210

Laaggeschoold

160

Middengeschoold

110

Hooggeschoold

80

Lid van gezin dat huis bezit

200

Lid van gezin dat huis huurt

220

Lid van gezin in laagste kwintiel*

280

2de kwintiel

100

3de kwintiel

20

4de kwintiel

10

hoogste kwintiel

10

Geboren in EU Geboren buiten EU

280 80

* Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

80

200

300


Indicator A11

Zeer lage werkintensiteit: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 59 jaar dat leeft in een gezin waarvan de totale werkintensiteit lager ligt dan 0,20. De werkintensiteit is de verhouding van het aantal gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden van 18 tot 59 jaar tot het aantal maanden dat alle volwassen leden van het huishouden van 18 tot 59 jaar zouden kunnen werken.

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2013

25 24

20 18

15

9

9

9

Vlaams Gewest

Malta

Finland

8

Estland

Polen

8

Cyprus

7

8

Slovenië

7

8

Frankrijk

7

8

Oostenrijk

7

8

Slovakije

6

Zweden

5

Tsjechië

10

Luxemburg

9

10 10

11 11 11

12

13 13 13 13

14

15

16

81

Ierland

Spanje

Griekenland

België

Kroatië

VK

Bulgarije

Hongarije

Denemarken

Portugal

Litouwen

Italië

EU28

Letland

Duitsland

Nederland

0 Roemenië

% personen in gezin met zeer lage werkintensiteit

30


Indicator A12

Arme werkenden: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 16 jaar en ouder dat als werkend wordt beschouwd met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel na sociale transfers

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2004-2013

200.000

5

3,9

3,8

4

150.000

3,5 3,3 3,1

3,0

125.000

3,3

3,1

90.000

90.000

80.000

90.000

80.000

80.000

90.000 70.000

80.000

50.000

100.000

3

100.000

75.000

3,3

3,2

2

1

% werkenden onder armoederisicodrempel

Aantal werkenden onder armoederisicodrempel

175.000

25.000

0

0 2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Toelichting Uit de armoederisicopercentages bleek al dat werk een belangrijke buffer vormt tegen armoede (zie indicator I2). Het risico op armoede ligt bij personen met een job beduidend lager dan bij werklozen, gepensioneerden en andere niet-actieven. Maar al lijkt het hier te gaan om een laag percentage (3% in 2013), dit komt overeen met een behoorlijk grote groep: ongeveer 90.000 Vlamingen moeten ondanks het feit dat ze aan het werk zijn toch zien rond te komen met een huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel. Dat betekent ook dat een vrij grote groep van de personen onder de armoederisicodrempel al aan het werk is.

82


Indicator A13

Arme werkenden: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen van 16 jaar en ouder dat als werkend wordt beschouwd met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel na sociale transfers, naar geslacht, leeftijd, opleiding, aantal werkuren per week, statuut en type contract

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2013

Percentage werkenden met huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel % werkenden onder de armoederisicodrempel 0

2

Totaal

3

Man Vrouw

3 3

16-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar

2 3 3

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

7 4 2

Werkweek van 30 uur of meer Werkweek van minder dan 30 uur

3 5

Werknemer Zelfstandige

4

6

8

10

12

2 11

Vast arbeidscontract Tijdelijk arbeidscontract

2 8

Aantal werkenden met huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel Aantal werkenden onder de armoederisicodrempel x 1.000 0

20

Man Vrouw

50 40

16-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar

10 60 30

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

20 40 20

Werkweek van 30 uur of meer Werkweek van minder dan 30 uur

50 30

Werknemer Zelfstandige

50 30

Vast arbeidscontract Tijdelijk arbeidscontract

40 10

40

83

60

80


Indicator A14

Arme werkenden: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen van 16 jaar en ouder dat als werkend wordt beschouwd met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de nationale armoederisodrempel na sociale transfers

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2013

20 18

15 13 11 11 11 11

10 9

9

9

Litouwen

VK

9

Cyprus

Frankrijk

9

Letland

8

EU28

8

Duitsland

8

Estland

7

8

Oostenrijk

België

7

Zweden

Denemarken

5

7

Bulgarije

Finland

Tsjechië

5

7

Slovenië

4

6

Hongarije

4

Ierland

4

Nederland

4

6

Malta

6

5

Kroatië

10

3

84

Roemenië

Luxemburg

Griekenland

Italië

Polen

Spanje

Portugal

Slovakije

0 Vlaams Gewest

% werkenden onder armoederisicodrempel

25


Indicator H1

Te zware woonkost: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 99 jaar dat leeft in een huishouden waar de totale woonkost (huur of aflossing van de lening, verzekering, taksen, onderhoud en nutsvoorzieningen) meer dan 40% bedraagt van het beschikbare huishoudinkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2004-2013

1.000.000

12

9,9 10

9,5 8,2 7,1

6,6

360.000

510.000

5,9

440.000

580.000 420.000

370.000

420.000

570.000 400.000

6,7

6,5

400.000

600.000

8

7,3

6

420.000

7,5

4

% personen met te zware woonkosten

Aantal personen met te zware woonkosten

800.000

200.000 2

0

0 2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Toelichting Door het Europese statistiekbureau Eurostat wordt de grens voor een te zware woonkost gelegd op 40% van het beschikbare huishoudinkomen. Daarbij wordt niet alleen rekening gehouden met de 'naakte' woonkosten (betalingen voor de lening en huur) maar ook met uitgaven voor verzekeringen, verplichte lasten, regulier onderhoud en herstellingen, belastingen en betalingen voor nutsvoorzieningen (water, elektriciteit, gas en verwarming). In 2013 leefde 7% van de Vlamingen in een huishouden met een te zware woonkost. Dat komt overeen met ongeveer 420.000 personen. Het aandeel en aantal personen met te zware woonkosten is na een stijging tussen 2009 en 2012 weer licht gedaald.

85


Indicator H2

Te zware woonkost: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage en aantal personen dat leeft in een huishouden waar de totale woonkost (huur of aflossing van de lening, verzekering, taksen, onderhoud en nutsvoorzieningen) meer dan 40% bedraagt van het beschikbare huishoudinkomen, naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus (16+), werkintensiteit van het huishouden (0-59), opleiding (18+), bewonerstitel en geboorteland (18+)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2013

Percentage personen met te zware woonkosten % personen met te zware woonkosten 0

10

Totaal

7

Man Vrouw

6 8

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

6 5 7 6 9

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

23 4 5 17 5 2 5

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

4 19 8 10

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

27 13 8 2 3

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

20

30

9 6 6

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

2 24

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel

24 7 2

Geboren in EU Geboren buiten EU

6 17

1 <1

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

86


Aantal personen met te zware woonkosten

Aantal personen met te zware woonkosten x 1.000 0

100

Man Vrouw

180 240

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

70 20 140 80 100

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

190 30 40 60 40 20 30

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

110 40 110 90

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

110 30 50 10 80

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

140 110 100

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

110 310

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel

300 90 20 10 < 10

Geboren in EU Geboren buiten EU

300 50

200

300

400

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

87


Indicator H3

Te zware woonkost: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 99 jaar dat leeft in een huishouden waar de totale woonkost (huur of aflossing van de lening, verzekering, taksen, onderhoud en nutsvoorzieningen) meer dan 40% bedraagt van het beschikbare huishoudinkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2013

37

35 30 25 20 19

88

Griekenland

Denemarken

16 16

Duitsland

Bulgarije

13

15

Roemenië

Tsjechië

12

Hongarije

EU28

11 11

Letland

Polen

10 10 10

Spanje

9

Italië

8

België

Portugal

8

Kroatië

8

Slovakije

8

Litouwen

7

8

VK

7

8

Zweden

Slovenië

7

Estland

6

Oostenrijk

6

Vlaams Gewest

5

Frankrijk

3

5

Ierland

3

5

Finland

0

Malta

5

Luxemburg

10

14

Nederland

15

Cyprus

% personen in huishouden met te zware woonkosten

40


Indicator H4

Energiearmoede - klanten sociale leveranciers, budgetmeters en afsluitingen: evolutie

Omschrijving

Het aantal huishoudelijke afnemers van elektriciteit en gas dat wordt beleverd door de netbeheerders in hun rol van sociale leverancier, het aantal ingeschakelde budgetmeters en stroombegrenzers, telkens op 31 december en het aantal van de elektriciteit-, gas- en watertoevoer na LAC-advies afgesloten huishoudelijke afnemers in de loop van het jaar

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

VREG en Vlaamse Milieumaatschappij www.vreg.be

Vlaams Gewest 2008-2013

www.vmm.be

Elektriciteit

Gas

100.000

80.000

60.000

40.000

20.000

0

Klanten sociale leverancier

Budgetmeters

Stroombegrenzers

Klanten sociale leverancier

2008

60.026

36.059

2.728

41.521

2009

72.978

40.341

2.509

50.721

4.488

2010

76.575

41.200

2.790

54.680

18.190

2011

82.287

43.999

1.661

59.069

24.220

2012

80.571

44.039

2.081

58.028

27.232

2013

80.295

42.891

2.175

58.421

27.554

Budgetmeters

Afgesloten huishoudelijke afnemers 10.000

8.000

6.000

4.000

2.000

0

Elektriciteit

Gas

1.429

3.387

2009

923

3.122

2010

1.857

2.836

2011

1.169

1.865

2012

981

1.809

2.989

2013

1.150

1.695

3.137

2008

Toelichting

89

Water


Toelichting Het aantal door de netbeheerders van elektriciteit en gas voorziene huishoudens is de jongste jaren iets afgenomen. Het gaat enkel om klanten van wie het leveringscontract werd opgezegd door de commerciële leverancier omwille van wanbetaling die geen nieuwe commerciële leverancier hebben gevonden en die zoals wettelijk bepaald verder worden beleverd door de netbeheerders in hun rol van sociale leverancier. Eind 2013 ging het om 80.295 huishoudens voor elektriciteit en 58.421 voor gas. Dat komt overeen met respectievelijk 3,0% en 3,4% van het totaal aantal huishoudelijke afnemers. Bij de meeste van de door de netbeheerder van elektriciteit voorziene huishoudens werd een budgetmeter geplaatst. Tot en met 2006 vereiste de regelgeving dat bij klanten van de netbeheerder dadelijk een budgetmeter geïnstalleerd werd. Begin 2007 werd de wetgeving aangepast waardoor enkel nog een budgetmeter geplaatst wordt bij afnemers die hun facturen ook bij de netbeheerders niet correct betalen. Het aantal budgetmeters voor elektriciteit lag in 2013 iets lager dan in 2012. Eind 2013 verbruikte 42.891 huishoudens stroom via een budgetmeter. In de loop van 2009 werden ook de eerste budgetmeters geplaatst voor de levering van gas. Eind 2013 ging het om 27.554 huishoudens. Dat aantal lag ongeveer op hetzelfde niveau als in 2012. Eind 2013 verbruikten nog 2.175 Vlaamse gezinnen elektriciteit via een stroombegrenzer. Hun verbruik werd daardoor begrensd tot een vermogen van 10 ampère. Bij wanbetaling bij de netbeheerder dient een vraag tot afsluiting van een klant voorgelegd te worden aan de Lokale Adviescommissie van de gemeente (LAC). Het aantal na LAC-advies afgesloten afnemers voor elektriciteit en gas lag in 2013 respectievelijk beperkt hoger en iets lager dan in 2012. Het aantal gezinnen waarvan de watertoevoer is afgesloten na LAC-advies, is tussen 2012 en 2013 beperkt gestegen. In 2013 ging het in totaal om 3.137 gezinnen. Cijfers over waterafsluitingen na LAC-advies voor de jaren vóór 2012 zijn niet beschikbaar.

90


Indicator H5

Kwaliteit van de huisvesting: evolutie

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 99 jaar dat leeft in een huis met woningdeprivatie (= gebrek aan basiscomfort (bad/douche en toilet met waterspoeling in de woning zelf), structureel probleem (lekkend dak, schimmel en vocht, rottende ramen en deuren) of een te donkere woning) of met een gebrek aan ruimte (afgezet tegenover de grootte en samenstelling van het gezin)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2004-2013, doelstelling 2020

2.000.000

28

1.380.000

1.240.000

1.280.000

1.240.000

19,7

19,5

20

1.230.000

20,2

19,0

1.460.000

21,0

20,4

16

12

620.000

1.150.000

1.180.000

1.310.000

1.000.000

19,7

1.230.000

1.500.000

24

500.000

8

% personen met huisvestingsproblemen

Aantal personen met huisvestingsproblemen x 1.000

23,4 22,3

21,7

4

0

0 2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2020

Toelichting Bijna een vijfde van de bevolking in het Vlaamse Gewest (20%) leefde in 2013 in een huis van mindere kwaliteit. Het gaat om huizen met woningdeprivatie (zonder elementair comfort, met structurele gebreken aan het dak, de ramen, deuren en muren of te donkere huizen) of met een gebrek aan ruimte. Dat aandeel is na een duidelijke stiiging tot 2011 in de meest recente jaren weer iets gedaald. In het Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering er zich toe verbonden om het aantal personen dat woont in een huis met een gebrekkige kwaliteit tussen 2006 en 2020 met 50% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het aantal bewoners van dergelijke huizen gedaald moet zijn tot maximaal 620.000 personen.

91


Indicator H6

Kwaliteit van de huisvesting: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen dat leeft in gezin met huisvestingsproblemen (zie indicator H5), naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus (16+), werkintensiteit van het huishouden (0-59), opleiding (18+), bewonerstitel, inkomen en geboorteland (18+)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2013

Percentage personen met huisvestingsproblemen

% personen 0

10

Totaal

20

Man Vrouw

19 20

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

21 23 23 17 14

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

27 18 12 30 17 18 18

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

19 31 14 23

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

35 29 19 25 18

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

21 19 17

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

16 32

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel

29 20 20 16 12

Geboren in EU Geboren buiten EU

18 32

20

30

40

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

92


Aantal personen met huisvestingsproblemen

Aantal personen x 1.000 0

200

Man Vrouw

620 610

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

270 120 470 220 160

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

220 160 90 100 130 200 120

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

510 60 180 220

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

150 60 130 170 490

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

310 360 300

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

810 420

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel

370 250 250 200 150

Geboren in EU Geboren buiten EU

890 100

400

600

800

1.000

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

93


Indicator H7

Kwaliteit van de huisvesting: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 99 jaar dat leeft in een huis met woningdeprivatie (= gebrek aan basiscomfort (bad/douche en toilet met waterspoeling in de woning zelf), structureel probleem (lekkend dak, schimmel en vocht, rottende ramen en deuren) of een te donkere woning) of met een gebrek aan ruimte (afgezet tegenover de grootte en samenstelling van het gezin)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2013

Woningdeprivatie 45 42

35

37

38

33

30 29 29

25 25

20 15

16 16 16

10 9

9

Finland

12

Slovakije

% personen met huisvestingsproblemen

40

17

18 18 18

19 19

20 20

26

30 30

27

21 21 21 21

13

5

Letland

Roemenië

Cyprus

Portugal

Slovenië

Litouwen

Bulgarije

Hongarije

Italië

Estland

België

Spanje

Denemarken

EU28

Ierland

VK

Luxemburg

Frankrijk

Vlaams Gewest

Nederland

Griekenland

Malta

Kroatië

Polen

Oostenrijk

Duitsland

Zweden

Tsjechië

0

Gebrek aan ruimte

53

50 45 46 43 44

40 38

40

30 27 27 28

20

21 21 17 15 16

94

Hongarije

Roemenië

Polen

Bulgarije

Kroatië

Slovakije

Letland

Litouwen

Italië

Griekenland

Estland

EU28

Tsjechië

Slovenië

Duitsland

Oostenrijk

Luxemburg

Zweden

Malta

11 11

Portugal

6

9

VK

5

8

Denemarken

4

8

Finland

3

7

Frankrijk

3

Spanje

Cyprus

0

7

Ierland

2

Nederland

1

2

België

10

Vlaams Gewest

% personen met huisvestingsproblemen

60


Indicator O1

Laaggeletterdheid bij de totale bevolking: evolutie

Omschrijving

Percentage personen van 16 tot 65 jaar die onder niveau 2 scoren op de geletterdheidsschaal van de International Adult Literacy Survey (IALS 1996) en het Programme for the International Assessment of Adult Competencies (PIAAC 2012)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

IALS & PIAAC, OESO http://www.piaac.ugent.be/over-piaac

Vlaams Gewest 1996-2012, doelstelling 2020

20

15 % laaggeletterden

15,0

14,8

10

5

3,0

0 IALS 1996

PIAAC 2012

2020

Toelichting In 2012 is in Vlaanderen 15% van de volwassenen tussen 16 en 65 jaar laaggeletterd. Het gaat om personen die scoren onder niveau 2 op de PIAAC-geletterdheidsschaal. Dat niveau wordt beschouwd als de drempel voor functionele geletterdheid. Volwassenen die onder dit niveau presteren, beschikken niet over de vaardigheden om volwaardig deel te nemen aan de moderne maatschappij. Recentere cijfers zijn niet beschikbaar: een volgende editie van de PIAAC-survey is voorzien voor de periode 2016-2017. Het opnemen van vragen uit eerdere geletterdheidsonderzoeken in de PIAAC-testen maakt het mogelijk om de Vlaamse PIAAC-resultaten van 2012 te vergelijken met die van IALS uit 1996. De verdeling van de Vlaamse bevolking overheen de leesvaardigheidsniveaus veranderde niet tussen beide onderzoeken: zowel in 1996 als in 2012 bereikt 15% van de ondervraagden de benchmark van niveau 2 niet en kan dus beschouwd worden als laaggeletterd. In het Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering er zich toe verbonden om de laaggeletterdheid in Vlaanderen tegen 2020 te doen dalen tot 3% van de bevolking.

95


Indicator O2

Laaggeletterdheid en zwakke wiskundige prestaties bij jongeren: evolutie

Omschrijving

Percentage leerlingen van 15 jaar die onder niveau 2 scoren op de gecombineerde leesvaardigheidschaal en de gecombineerde wiskundige geletterdheidschaal van het Programme for International Student Assessment (PISA)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

PISA, OESO http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/992.htm

Vlaams Gewest 2000-2012

% leerlingen onder niveau 2

Leesvaardigheid 20 15 10 5 0

2000

2003

2006

2009

2012

Totaal

11,6

12,4

14,1

13,4

13,7

Meisjes

8,0

9,8

9,8

9,7

9,9

Jongens

14,8

14,8

18,0

16,9

17,4

Wiskundige geletterdheid*

% leerlingen onder niveau 2

20 15 10 5 0

2003

2006

2009

2012

Totaal

11,4

11,9

13,5

15,4

Meisjes

11,8

12,5

15,3

15,9

Jongens

11,1

11,4

11,9

14,8

* Geen cijfers voor 2000 beschikbaar.

Toelichting Hoewel Vlaanderen in vergelijking met andere Europese landen behoorlijk scoort qua geletterdheid van 15-jarigen, nam het aantal laaggeletterde leerlingen (leerlingen onder niveau 2 op de gecombineerde leesvaardigheidsschaal) tussen 2000 en 2012 licht toe. Bovendien valt het grote verschil op tussen meisjes en jongens: meisjes scoren beter dan jongens. Bij wiskundige geletterdheid draait de verhouding tussen jongens en meisjes om. Hier scoren jongens het best. Ook het percentage laagpresteerders inzake wiskundige geletterdheid is de voorbije jaren toegenomen. De meest recente cijfers zijn afkomstig van de PISA 2012 survey. De resultaten van de PISA 2015 survey worden verwacht eind 2016.

96


Indicator O3

Ongekwalificeerde uitstroom: evolutie

Omschrijving

Percentage jongeren van 18 tot 24 jaar met maximaal een diploma lager secundair onderwijs dat geen verder onderwijs volgt en tijdens de afgelopen 4 weken niet deelgenomen heeft aan een opleiding (EAK-gegevens) en percentage leerlingen dat het secundair onderwijs heeft verlaten zonder voldoende kwalificatie (administratieve data departement Onderwijs)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON

EAK, Algemene Directie Statistiek Departement Onderwijs (OND) http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2290.htm http://onderwijs.vlaanderen.be/vroegtijdig-schoolverlaten-in-het-vlaams-secundair-onderwijs

Voor meer informatie

EAK-gegevens: Vlaams Gewest, administratieve data dep OND: Vlaamse Gemeenschap 2005-2014

EAK-gegevens

% jongeren

20

15

10

5

0

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Totaal

10,7

10,0

9,3

8,6

8,6

9,6

9,6

8,7

7,5

7,0

Mannen

13,2

11,9

10,9

9,6

9,9

11,4

12,1

10,5

9,3

8,3

Vrouwen

8,0

8,1

7,6

7,5

7,2

7,7

7,0

6,8

5,7

5,7

2014

Administratieve gegevens departement OND

% jongeren

20

15

10

5

0

2010

2011

2012

2013

Totaal

2005

2006

2007

2008

2009

12,9

12,7

12,0

11,7

Mannen

15,3

15,5

14,2

13,8

Vrouwen

10,4

9,7

9,7

9,4

Toelichting Het aandeel vroegtijdige schoolverlaters kan worden gemonitord op basis van surveygegevens (EAK-gegevens) of administratieve gegevens van het departement Onderwijs. De EAK-gegevens geven aan dat het aandeel schoolverlaters zonder diploma in Vlaanderen tussen 2011 en 2014 is gedaald. Het gaat in 2014 om 7% van de 18- tot 24-jarigen. Vrouwen scoren duidelijk beter dan mannen. De administratieve gegevens van het departement Onderwijs geven iets hogere cijfers. Dat is mogelijk een gevolg van het feit dat bij de administratieve gegevens geen rekening wordt gehouden met opleidingen buiten het leerplichtonderwijs en dat er in tegenstelling tot bij de EAK-gegevens niet gewerkt wordt met een bevraging van de betrokkene zelf maar met gegevens gebaseerd op administratieve databanken. Volgens de administratieve gegevens is er in 2013 sprake van 12% vroegtijdige schoolverlaters in Vlaanderen. Dat aandeel nam tussen 2010 en 2013 beperkt af. Net als bij de EAK-gegevens valt ook hier het grote verschil op tussen vrouwen en mannen.

97


7

7

8

8

Vlaams Gewest

Oostenrijk

8

8

9

98 Spanje

Malta

Roemenië

Portugal

Italië

Bulgarije

VK

Hongarije

Estland

EU28

België

Finland

20

Malta

Nederland Griekenland

20

Spanje

Spanje

Roemenië

Letland

17 18

Malta

18

Portugal

20 Portugal

Frankrijk

15

Roemenië

Bulgarije

Italië

VK

Hongarije

Oostenrijk

12 13 10 10 10 11 11 11

Italië

12 12 12 12 13 13 13 13 10 10 10 11

Estland

9

VK

8

Bulgarije

8

Duitsland

10

EU28

7

België

9

Duitsland

9

Hongarije

7

Estland

7

Finland

9

EU28

10 7

Frankrijk

9

Finland

7

Oostenrijk

8

België

7

Griekenland

7

Denemarken

10

Letland

6

Griekenland

6

Nederland

6

Zweden

Zweden Cyprus

Slovakije

Ierland

Vlaams Gewest

7

Cyprus

6

Ierland

Litouwen Luxemburg

7

Slovakije

5

Denemarken

7

Nederland

5

Vlaams Gewest

7

Frankrijk

5

Tsjechië

7

Duitsland

4

Letland

3

Litouwen

6

Denemarken

7

Polen

6

Ierland

7

Zweden

3

Polen

6

Luxemburg

5

Polen

3

Tsjechië

4

Cyprus

3

Slovenië

Kroatië Slovenië

% jongeren

BRON Voor meer informatie

Luxemburg

6

Slovakije

0

6

Litouwen

3

Tsjechië

0 2

Kroatië

% jongeren 0

Slovenië

Kroatië

% jongeren

Indicator O4

Ongekwalificeerde uitstroom: Europese vergelijking

Omschrijving Percentage jongeren (18-24 jaar) met maximaal een diploma lager secundair onderwijs dat geen verder onderwijs volgt en tijdens de afgelopen 4 weken niet deelgenomen heeft aan een opleiding

DIMENSIES Ruimte Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie

Tijd 2014

EAK - LFS, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2290.htm

40

Totaal

30

22

40

Vrouwen

30

20

14 12 13 10 10 11 17 18 18

40

Mannen

30

22 20 21

26

15


Indicator G1

Subjectieve beoordeling van de gezondheidssituatie: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 16 jaar en ouder dat zijn of haar gezondheidstoestand als slecht of zeer slecht omschrijft

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2004-20123

600.000

8

6,7

6,5

6,5

6,7

6,2 5,7 5,4

5,4

6

5,5

340.000

330.000

340.000

310.000

330.000

280.000

270.000

270.000

200.000

280.000

300.000

320.000

400.000

4

2

% personen met (zeer) slechte gezondheid

Aantal personen met (zeer) slechte gezondheid

6,6 500.000

100.000

0

0 2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Toelichting In 2013 omschreven bijna 7% van de Vlamingen van 16 jaar en ouder hun gezondheidstoestand als slecht of zeer slecht. Dat komt overeen met ongeveer 340.000 personen. Dat aandeel ligt in de periode 2009-2013 iets hoger dan in de periode 2006-2008.

99


Indicator G2

Subjectieve beoordeling van de gezondheidssituatie: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen van 16 jaar en ouder dat zijn of haar gezondheidstoestand als slecht tot zeer slecht omschrijft, naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus (16+), werkintensiteit van het huishouden (0-59), opleiding (18+), bewonerstitel, inkomen en geboorteland (18+)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2013

Percentage personen met (zeer) slechte gezondheid

% personen met (zeer) slechte gezondheid 0

5

Totaal

7

Man Vrouw

5 8

16-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

1 4 7 15

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

12 5 12 8 3 2 4

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

1 10 12 13

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

25 12 5 2 1

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

13 5 3

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

5 14

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel

15 8 5 3 2

Geboren in EU Geboren buiten EU

6 14

10

15

20

25

30

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

100


Aantal personen met (zeer) slechte gezondheid

Aantal personen x 1.000 0

100

Man Vrouw

140 210

16-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

< 10 80 90 160

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

100 40 90 20 10 10 10

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

40 20 160 120

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

90 20 20 10 20

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

190 100 50

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

200 140

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel

150 90 50 30 20

Geboren in EU Geboren buiten EU

300 40

200

300

400

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

101


Indicator G3

Subjectieve beoordeling van de gezondheidssituatie: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen van 16 jaar en ouder dat zijn of haar gezondheidstoestand als slecht tot zeer slecht omschrijft

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2013

25 25

20 19 19

15

16 16

Luxemburg

Spanje

8

9

Roemenië

8

9

België

8

9

Oostenrijk

8

9

Frankrijk

8

Duitsland

7

Denemarken

4

7

Cyprus

4

7

Finland

4

Malta

5

Vlaams Gewest

10

Ierland

10

11 11

12 12

13 13

17

14

5

102

Kroatië

Litouwen

Letland

Portugal

Estland

Hongarije

Polen

Tsjechië

Italië

Slovakije

Bulgarije

Slovenië

Griekenland

EU28

VK

Zweden

0 Nederland

% personen met (zeer) slechte gezondheid

30


Indicator G4

Uitstel gezondheidszorg om financiële redenen: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 99 jaar dat leeft in een huishouden waarvan één van de leden in het voorbije jaar een bezoek aan de arts of tandarts heeft moeten uit- of afstellen om financiële redenen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2004-2013

6

5 400.000 4,0 3,6

4

300.000

1,9 1,7

1,5

2

110.000

2008

2009

120.000

110.000

1,2

70.000

80.000

1,3 90.000

100.000

150.000

1,8

230.000

200.000

3

200.000

2,5

250.000

3,1

% personen in gezin dat zorg heeft moeten uitstellen

Aantal personen in gezin dat zorg heeft moeten uitstellen

500.000

1

0

0 2004

2005

2006

2007

2010

2011

2012

2013

Toelichting In 2013 leven 4% van de Vlamingen (ongeveer 230.000 personen) in een huishouden dat gezondheidszorgen heeft moeten uitstellen om financiële redenen. Dat aandeel is tegenover de periode tot 2010 duidelijk gestegen.

103


Indicator G5

Uitstel gezondheidszorg om financiële redenen: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen dat leeft in een huishouden waar één van de leden in het voorbije jaar een bezoek aan de arts of tandarts heeft moeten uit- of afstellen om financiële redenen, naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus (16+), werkintensiteit van het huishouden (0-59), opleiding (18+), bewonerstitel, inkomen en geboorteland (18+)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2013

Percentage personen in gezin dat zorg heeft moeten uitstellen

% personen in gezin dat zorg heeft moeten uitstellen 0

5

Totaal

4

Man Vrouw

4 4

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

5 4 4 3 2

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

4 3 1 9 5 3 3

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

2 20 1 6

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

18 10 6 3 2

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

10

15

20

25

6 3 2

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

2 11

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel

10 5 2 1 <1

Geboren in EU Geboren buiten EU

3 15

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieën: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

104


Aantal personen in gezin dat zorg heeft moeten uitstellen

aantal personen in gezin dat zorg heeft moeten uitstellen x 1.000 0 Man Vrouw

20

40

60

80

100

120

140

160

110 110

0-17 jaar 18-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar 65 jaar en ouder

60 20 90 40 20

Alleenstaande Lid van gezin met 2 volw. jonger dan 65 jaar Lid van gezin met 2 volw., minstens 1 ouder dan 65 jaar Lid van eenoudergezin Lid van gezin met 2 volw. en 1 kind Lid van gezin met 2 volw. en 2 kinderen Lid van gezin met 2 volw. en 3 of meer kinderen

30 30 10 30 40 30 20

Werkend Werkloos Gepensioneerd Anders niet-actief

60 40 20 50

Lid van gezin met zeer lage werkintensiteit* met lage werkintensiteit met middelmatige werkintensiteit met hoge werkintensiteit met zeer hoge werkintensiteit

80 20 40 20 50

Laaggeschoold Middengeschoold Hooggeschoold

80 50 30

Lid van gezin dat huis bezit Lid van gezin dat huis huurt

80 140

Lid van gezin in laagste kwintiel** 2de kwintiel 3de kwintiel 4de kwintiel hoogste kwintiel

130 60 20 10 < 10

Geboren in EU Geboren buiten EU

110 50

* * Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Laagste kwintiel: 20% armste Vlaamse gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste Vlaamse gezinnen.

105


Indicator M1

Niet-participatie aan cultuur: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 18 jaar tot 85 jaar dat niet participeert aan cultuur. Het gaat om personen die niet minstens 1 keer per jaar 1 van volgende cultuuractiviteiten ondernemen: het bijwonen van een opera of klassiek concert, een pop- of rockconcert, een jazz- of bluesconcert, een folkoptreden of traditioneel concert, een dans- of balletvoorstelling, een theatervoorstelling, museumbezoek, bibliotheekbezoek en bioscoopbezoek.

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/629.htm

Vlaamse Gemeenschap 2004-2014

2.000.000

30

22,9 21,4 19,4

19,7

19,0

22,7

21,9

20,6

19,6

20

1.130.000

1.130.000

1.130.000

1.130.000

1.040.000

950.000

910.000

850.000

930.000

920.000

1.000.000

1.010.000

17,8

15

10

% niet-cultuurparticipanten

Aantal niet-cultuurparticipanten

1.500.000

25 22,7

500.000 5

0

0 2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Toelichting In 2014 namen 22% van de Vlamingen van 18 tot 85 jaar (ongeveer 1,1 miljoen personen) niet deel aan culturele activiteiten. Het aandeel niet-participanten ligt in 2014 weer iets lager dan in de jaren 2011 tot 2013, maar nog duidelijk hoger dan in de pe riode tot 2010.

106


Indicator M2

Niet-participatie aan cultuur: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 18 tot 85 jaar dat niet participeert aan cultuur (zie indicator M1), naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus, opleiding, bewonerstitel en inkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/629.htm

Vlaamse Gemeenschap 2014

% niet-cultuurparticipanten 0

10

Totaal

22

Man

23

Vrouw

21

18-24 jaar

4

25-49 jaar

10

50-64 jaar

23

65 jaar en ouder

46

Alleenstaand

30

Met partner zonder kinderen

29

Alleenstaande ouder

22

Met partner en kinderen

14

Inwonend bij ouders

9

Werkend

12

Werkloos

28

Gepensioneerd

42

Anders niet-actief

20

Laaggeschoold

46

Middengeschoold

15

Hooggeschoold

4

Eigenaar

19

Huurder

31

Lid van gezin in laagste kwintiel*

39

2de kwintiel

31

3de kwitiel

24

4de kwintiel

12

hoogste kwintiel

20

6

* Laagste kwintiel: 20% armste gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste gezinnen.

107

30

40

50


Indicator M3

Niet-participatie aan sport: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 18 tot 85 jaar dat niet aan sport doet (inclusief fietsen en wandelen)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2515.htm

Vlaamse Gemeenschap 2004-2014

3.500.000

60

50,0 50

47,3 44,9

40 2.230.000

2.310.000

2.340.000

2.050.000

2.010.000

1.500.000

1.810.000

2.000.000

2.000.000

38,3

43,1

30

% personen dat niet sport

Aantal personen dat niet sport

42,4

42,1

2.470.000

42,1

2.500.000

44,4

2.290.000

48,2

2.150.000

3.000.000

20 1.000.000

10

500.000

0

0 2004

2005

2006

2007*

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

* Niet bevraagd in 2007.

Toelichting In 2014 deed 44% van de Vlamingen van 18 tot 85 jaar (ongeveer 2,3 miljoen personen) niet aan sport. Sport wordt hierbij ruim opgevat: ook wandelen en fietsen wordt als sportbeoefening beschouwd. Het aandeel niet-sporters is na een duidelijke stijging tot 2011 in de jaren daarna weer afgenomen.

108


Indicator M4

Niet-participatie aan sport: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen van 18 tot 85 jaar dat niet aan sport doet (inclusief fietsen en wandelen), naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus, opleiding, bewonerstitel en inkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2515.htm

Vlaamse Gemeenschap 2014

% personen dat niet sport 0

10

Totaal

44

Man

40

Vrouw

49

18-24 jaar

29

25-49 jaar

37

50-64 jaar

45

65-85 jaar

62

Alleenstaand

54

Met partner zonder kinderen

47

Alleenstaande ouder

58

Met partner en kinderen

42

Inwonend bij ouders

28

Werkend

37

Werkloos

51

Gepensioneerd

58

Anders niet-actief

45

Laaggeschoold

62

Middengeschoold

43

Hooggeschoold

27

Eigenaar

42

Huurder

52

Lid van gezin in laagste kwintiel*

58

2de kwintiel

53

3de kwitiel

46

4de kwintiel

39

hoogste kwintiel

26

20

* Laagste kwintiel: 20% armste gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste gezinnen.

109

30

40

50

60

70


Indicator M5

Niet-participatie aan verenigingen: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 18 tot 85 jaar dat van geen enkele vereniging actief lid is

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/634.htm

Vlaamse Gemeenschap 2004-2014

3.500.000

60

48,8

48,8

2.510.000

2.260.000

2.450.000

2.290.000

2.390.000

2.240.000

2.340.000

2.230.000

2.500.000

2.000.000

47,7

46,1

2.430.000

47,4

46,9

2.370.000

49,8

49,4 47,2

2.640.000

3.000.000

50

40

30

1.500.000 20 1.000.000

10

500.000

0

% personen dat van geen enkele verenigng actief lid is

Aantal personen dat van geen enkele vereniging actief lid is

53,6 50,5

0 2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Toelichting In 2014 was 49% van de Vlamingen van 18 jaar tot 85 jaar (ongeveer 2,5 miljoen personen) van geen enkele vereniging actief lid of bestuurslid. Het aandeel Vlamingen dat niet participeert aan verenigingen lag de voorbije jaren steeds net onder de 50%, uitgezonderd in 2009 en 2011.

110


Indicator M6

Niet-participatie aan verenigingen: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen van 18 tot 85 jaar dat van geen enkele vereniging actief lid is, naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus, opleiding, bewonerstitel en inkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/634.htm

Vlaamse Gemeenschap 2014

% personen dat van geen enkele vereniging actief lid is 0

10

Totaal

49

Man

45

Vrouw

53

18-24 jaar

43

25-49 jaar

47

50-64 jaar

52

65-85 jaar

52

Alleenstaand

54

Met partner zonder kinderen

49

Alleenstaande ouder

61

Met partner en kinderen

47

Inwonend bij ouders

42

Werkend

47

Werkloos

61

Gepensioneerd

53

Anders niet-actief

47

Laaggeschoold

61

Middengeschoold

47

Hooggeschoold

39

Eigenaar

46

Huurder

56

Lid van gezin in laagste kwintiel*

58

2de kwintiel

53

3de kwitiel

47

4de kwintiel

41

hoogste kwintiel

41

20

30

* Laagste kwintiel: 20% armste gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste gezinnen.

111

40

50

60

70


Indicator M7

Risico op sociale isolatie: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 18 tot 85 jaar dat minder dan wekelijks contact heeft met buren, met nietinwonende familie of met vrienden/kennissen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1069.htm

Vlaamse Gemeenschap 2004-2014

800.000

12

9,2

8,9 8,5

8,2 7,7 6,5

200.000

340.000

370.000

310.000

320.000

390.000

370.000

400.000

470.000

6,9

420.000

6,7

8

540.000

7,9

440.000

600.000

10

6

4

% personen met risico op sociale isolatie

Aantal personen met risico op sociale isolatie

10,8

2

0

0 2004*

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

* Niet bevraagd in 2004.

Toelichting In 2014 had 9% van de Vlamingen van 18 tot 85 jaar (ongeveer 470.000 personen) minder dan wekelijks contact met zijn of haar buren, niet-inwonende familie en/of vrienden of kennissen. Deze groep loopt een verhoogd risico op sociale isolatie. Het aandeel Vlamingen dat risico loopt op sociale isolatie schommelt na een opvallende stijging tussen 2010 en 2012, in 2013 en 2014 rond de 9%.

112


Indicator M8

Risico op sociale isolatie: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen van 18 tot 85 jaar dat minder dan wekelijks contact heeft met buren, met nietinwonende familie of met vrienden/kennissen, naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus, opleiding, bewonerstitel en inkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1069.htm

Vlaamse Gemeenschap 2014

% personen met risico op sociale isolatie 0

3

Totaal

9

Man

9

Vrouw

9

18-24 jaar

9

25-49 jaar

9

50-64 jaar

10

65-85 jaar

8

Alleenstaand

5

Met partner zonder kinderen

11

Alleenstaande ouder

12

Met partner en kinderen

9

Inwonend bij ouders

8

Werkend

10

Werkloos

6

Gepensioneerd

8

Anders niet-actief

9

Laaggeschoold

10

Middengeschoold

10

Hooggeschoold

7

Eigenaar

8

Huurder

13

Lid van gezin in laagste kwintiel*

12

2de kwintiel

7

3de kwitiel

9

4de kwintiel hoogste kwintiel

6

5 10

* Laagste kwintiel: 20% armste gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste gezinnen.

113

9

12

15


Indicator M9

Geen internetgebruik: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 18 tot 85 jaar dat tijdens de laatste 3 maanden geen internet heeft gebruikt

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2915.htm

Vlaamse Gemeenschap 2004-2014

3.000.000

50

39,1

39,9 40 34,7

33,3

1.610.000

28,5

27,4

30 26,3

24,7

24,5

20 1.100.000

1.220.000

1.230.000

1.300.000

1.000.000

1.340.000

21,3

1.380.000

1.660.000

1.500.000

1.900.000

1.850.000

2.000.000

% personen dat geen internet gebruikt

Aantal personen dat geen internet gebruikt

2.500.000

10 500.000

0

0 2004*

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

* Niet bevraagd in 2004.

Toelichting In 2014 had 21% van de Vlamingen van 18 tot 85 jaar en ouder (ongeveer 1,1 miljoen personen) in de laatste 3 maanden voor de bevraging geen gebruik gemaakt van het internet. Het aandeel niet-internetgebruikers neemt de voorbije jaren duidelijk af.

114


Indicator M10

Geen internetgebruik: situatie per bevolkingsgroep

Omschrijving

Percentage personen van 18 tot 85 jaar dat tijdens de laatste 3 maanden geen internet heeft gebruikt, naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, activiteitenstatus, opleiding, bewonerstitel en inkomen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

SCV-survey, Studiedienst van de Vlaamse Regering http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/2915.htm

Vlaamse Gemeenschap 2014

% personen dat geen internet gebruikt 0

10

Totaal

21

Man

18

Vrouw

25

18-24 jaar

2

25-49 jaar

4

50-64 jaar

21

65-85 jaar

57

Alleenstaand

38

Met partner zonder kinderen

31

Alleenstaande ouder

20

Met partner en kinderen

9

Inwonend bij ouders

3

Werkend

6

Werkloos

11

Gepensioneerd

51

Anders niet-actief

23

Laaggeschoold

46

Middengeschoold

14

Hooggeschoold

4

Eigenaar

21

Huurder

24

Lid van gezin in laagste kwintiel*

32

2de kwintiel

35

3de kwitiel

25

4de kwintiel

13

hoogste kwintiel

20

5

* Laagste kwintiel: 20% armste gezinnen; hoogste kwintiel: 20% rijkste gezinnen.

115

30

40

50

60


Indicator K1

Kinderen onder de armoederisicodrempel: evolutie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 17 jaar met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel na sociale transfers

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

300.000 Aantal personen

Vlaams Gewest 2004-2013, doelstelling 2020

2004

2005

2006

2007

2008

2009

758.000

822.000

813.000

807.000

777.000

725.000

12,6

13,7

13,6

13,4

12,8

11,8

% personen

16

12

12 11

200.000

10

10

11 10

10

12

11 10

150.000

140.000

130.000

140.000

120.000

120.000

140.000

120.000

140.000

100.000

8 130.000

150.000

60.000

4

%kinderen onder armoederisicodrempel

Aantal kinderen onder armoederisicodrempel

250.000

50.000

0

0 2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2020

Toelichting In 2013 leefde 12% van de Vlaamse kinderen van 0 tot 17 jaar in een gezin met een huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel. Dat komt overeen met ongeveer 150.000 kinderen. Dat aandeel schommelt de voorbije jaren tussen 10% en 12%. Deze schommelingen zijn statistisch niet significant. In het Vlaamse Hervormingsprogramma voor de EU2020-strategie heeft de Vlaamse Regering er zich toe verbonden om het aantal kinderen in een gezin met een inkomen onder de armoederisicodrempel tussen 2008 en 2020 met 50% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het aantal kinderen met een huishoudinkomen onder de armoederisicodrempel gedaald moet zijn tot maximaal 60.000 kinderen.

116


Indicator K2

Kinderen onder de armoederisicodrempel: situatie per groep

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 17 jaar met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de Belgische armoederisicodrempel na sociale transfers, naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, werkintensiteit van het huishouden, bewonerstitel, opleidingsniveau en geboorteland van de ouders

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Gepoolde dataset EU-SILC 2011-2013, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2011-2013

% kinderen onder de armoederisicodrempel

% personen onder armoederisicodrempel 0

10

0-99 jaar

11

0-17 jaar

11

Jongens

11

Meisjes

11

0-2 jaar

12

3-5 jaar

12

6-11 jaar

10

12-17 jaar

12

Kind in eenoudergezin

25

Kind bij koppel met 1 kind

8

Kind bij koppel met 2 kinderen

5

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

13

Kind in gezin met zeer lage werkintensiteit*

69

met lage werkintensiteit

39

met middelmatige werkintensiteit

23

met hoge werkintensiteit

30

40

50

60

70

80

5

met zeer hoge werkintensiteit

Kind in laagopgeleid gezin**

20

2

45

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

8

Kind in gezin dat woning bezit

5

Kind in gezin dat woning huurt

33

Kind in EU-gezin***

7

Kind in niet-EU-gezin

35

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. *** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin zijn geboren binnen de EU; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene is geboren buiten de EU.

117


Aantal kinderen onder de armoederisicodrempel

Aantal kinderen onder armoederisicodrempel x 1.000 0

20

0-17 jaar

140

Jongens

70

Meisjes

70

0-2 jaar

30

3-5 jaar

30

6-11 jaar

40

12-17 jaar

50

Kind in eenoudergezin

40

Kind bij koppel met 1 kind

10

Kind bij koppel met 2 kinderen

20

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

50

Kind in gezin met zeer lage werkintensiteit*

60

met lage werkintensiteit

20

met middelmatige werkintensiteit

40

met hoge werkintensiteit

10

met zeer hoge werkintensiteit

10

Kind in laagopgeleid gezin**

50

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

90

Kind in gezin dat woning bezit

50

Kind in gezin dat woning huurt

90

Kind in EU-gezin***

70

Kind in niet-EU-gezin

70

40

60

80

100

120

140

160

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. *** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin zijn geboren binnen de EU; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene is geboren buiten de EU.

Toelichting Om een opdeling te kunnen maken binnen de groep kinderen naar onder meer leeftijd, huishoudsamenstelling, werkintensiteit van het huishouden en opleidingsniveau en geboorteland van de ouders, wordt gebruik gemaakt van een dataset waarin de 3 meeste recente edities van de EU-SILC-survey (EU-SILC 2011, EU-SILC 2012 en EU-SILC 2013) werden samengevoegd. Dat verhoogt het aantal kinderen opgenomen in de steekproef en vergroot zo de betrouwbaarheid van de resultaten voor kleinere subgroepen.

118


Indicator K3

Kinderen onder de armoederisicodrempel: Europese vergelijking

Omschrijving

Percentage personen van 0 tot 17 jaar met een gestandaardiseerd beschikbaar huishoudinkomen onder de nationale armoederisicodrempel na sociale transfers

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Eurostat en Algemene Directie Statistiek http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest en 28 lidstaten van de Europese Unie 2013

32

30 27 22

20

15 15 15

10

11 9

12

16 16

17

18 18

19 19

23 23 23

24 24 24

28 28

29

25

20 20

13

9

Roemenië

Griekenland

Spanje

Bulgarije

Litouwen

Italië

Malta

Portugal

Luxemburg

Polen

Letland

Kroatië

Hongarije

Slovakije

VK

119

EU28

Oostenrijk

Estland

België

Frankrijk

Cyprus

Ierland

Zweden

Slovenië

Duitsland

Nederland

Vlaams Gewest

Finland

Tsjechië

0 Denemarken

% kinderen onder armoederisicodrempel

40


Indicator K4

Kinderen in subjectieve armoede

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 17 jaar dat leeft in een huishouden dat volgens de referentiepersoon (zeer) moeilijk rondkomt met het beschikbare inkomen, naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, werkintensiteit van het huishouden, bewonerstitel, opleidingsniveau en geboorteland van de ouders

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Gepoolde dataset EU-SILC 2011-2013, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2011-2013

% kinderen in subjectieve armoede

% personen in subjectieve armoede 0

10

0-99 jaar

15

0-17 jaar

17

Jongens

17

Meisjes

18

0-2 jaar

16

3-5 jaar

16

6-11 jaar

16

12-17 jaar

19

Kind in eenoudergezin

40

Kind bij koppel met 1 kind

14

Kind bij koppel met 2 kinderen

30

40

50

60

8

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

18

Kind in gezin met zeer lage werkintensiteit*

56

met lage werkintensiteit

46

met middelmatige werkintensiteit

27

met hoge werkintensiteit

18

met zeer hoge werkintensiteit

20

8

Kind in laagopgeleid gezin**

49

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

14

Kind in gezin dat woning bezit

10

Kind in gezin dat woning huurt

42

Kind in EU-gezin***

14

Kind in niet-EU-gezin

36

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. *** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin zijn geboren binnen de EU; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene is geboren buiten de EU.

120


Aantal kinderen in subjectieve armoede

Aantal kinderen in subjectieve armoede x 1.000 0

50

0-17 jaar

220

Jongens

110

Meisjes

110

0-2 jaar

40

3-5 jaar

30

6-11 jaar

60

12-17 jaar

80

Kind in eenoudergezin

60

Kind bij koppel met 1 kind

30

Kind bij koppel met 2 kinderen

30

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

70

Kind in gezin met zeer lage werkintensiteit*

50

met lage werkintensiteit

20

met middelmatige werkintensiteit

50

met hoge werkintensiteit

40

met zeer hoge werkintensiteit

60

Kind in laagopgeleid gezin**

50

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

160

Kind in gezin dat woning bezit

100

Kind in gezin dat woning huurt

120

100

150

200

250

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden in een jaar door de volwassen leden van het huishouden ten opzichte Kind in EU-gezin*** 150 van het aantal maanden dat de volwassen leden zouden kunnen werken. ** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van hebben EU-nationaliteit; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene heeft Kindhet in gezin niet-EU-gezin 70 nationaliteit van buiten de EU. *** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. * Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. *** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin zijn geboren binnen de EU; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene is geboren buiten de EU.

Toelichting Om een opdeling te kunnen maken binnen de groep kinderen naar onder meer leeftijd, huishoudsamenstelling, werkintensiteit van het huishouden en opleidingsniveau en geboorteland van de ouders, wordt gebruik gemaakt van een dataset waarin de 3 meeste recente edities van de EU-SILC-survey (EU-SILC 2011, EU-SILC 2012 en EU-SILC 2013) werden samengevoegd. Dat verhoogt het aantal kinderen opgenomen in de steekproef en vergroot zo de betrouwbaarheid van de resultaten voor kleinere subgroepen.

121


Indicator K5

Kinderen in ernstige materiële deprivatie

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 17 jaar dat leeft in een huishouden dat minstens 4 van 9 items mist omwille van financiële redenen (zie indicator I14), naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, werkintensiteit van het huishouden, bewonerstitel, opleidingsniveau en geboorteland van de ouders

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Gepoolde dataset EU-SILC 2011-2013, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2011-2013

% kinderen in ernstige materiële deprivatie

% personen in ernstige materiële deprivatie 0

5

0-99 jaar

3

0-17 jaar

4

Jongens

4

Meisjes

4

0-2 jaar

3

3-5 jaar

5

6-11 jaar

3

12-17 jaar

4

Kind in eenoudergezin

15

20

11

Kind bij koppel met 1 kind

2

Kind bij koppel met 2 kinderen

1

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

5

Kind in gezin met zeer lage werkintensiteit*

19

met lage werkintensiteit

12

met middelmatige werkintensiteit

7

met hoge werkintensiteit

4

met zeer hoge werkintensiteit

1

Kind in laagopgeleid gezin**

10

17

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

3

Kind in gezin dat woning bezit

1

Kind in gezin dat woning huurt

15

Kind in EU-gezin***

3

Kind in niet-EU-gezin

9

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieën: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. *** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin zijn geboren binnen de EU; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene is geboren buiten de EU.

122


Aantal kinderen in ernstige materiĂŤle deprivatie

Aantal kinderen in ernstige materiĂŤle deprivatie x 1.000 0

10

0-17 jaar

50

Jongens

30

Meisjes

20

0-2 jaar

10

3-5 jaar

10

6-11 jaar

10

12-17 jaar

20

Kind in eenoudergezin

20

Kind bij koppel met 1 kind

20

30

40

50

60

< 10

Kind bij koppel met 2 kinderen

10

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

20

Kind in gezin met zeer lage werkintensiteit*

20

met lage werkintensiteit

10

* Werkintensiteit (W): het aantal gewerkte maanden in een met werkelijk middelmatige werkintensiteit 10 jaar door de volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal maanden dat de volwassen leden zouden kunnen werken. metvan hoge 10 ** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden hetwerkintensiteit gezin hebben EU-nationaliteit; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene heeft nationaliteit van buiten de EU. met zeer hoge werkintensiteit 10

*** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. Kind in laagopgeleid gezin**

20

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

30

Kind in gezin dat woning bezit

10

Kind in gezin dat woning huurt

40

Kind in EU-gezin***

30

Kind in niet-EU-gezin

20

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. *** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin zijn geboren binnen de EU; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene is geboren buiten de EU.

Toelichting Om een opdeling te kunnen maken binnen de groep kinderen naar onder meer leeftijd, huishoudsamenstelling, werkintensiteit van het huishouden en opleidingsniveau en geboorteland van de ouders, wordt gebruik gemaakt van een dataset waarin de 3 meeste recent e edities van de EU-SILC-survey (EU-SILC 2011, EU-SILC 2012 en EU-SILC 2013) werden samengevoegd. Dat verhoogt het aantal kinderen opgenomen in de steekproef en vergroot zo de betrouwbaarheid van de resultaten voor kleinere subgroepen.

123


Indicator K6

Kinderen in ernstige materiële deprivatie: score op afzonderlijke items

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 17 jaar dat leeft in een huishouden: 1. dat zich per jaar geen week vakantie buitenshuis kan veroorloven 2. dat zich geen maaltijd met vlees, kip, vis of vegetarisch alternatief kan veroorloven om de 2 dagen 3. dat niet beschikt over een wasmachine omwille van financiële redenen 4. dat niet beschikt over een kleuren-tv omwille van financiële redenen 5. dat niet beschikt over een telefoon of GSM omwille van financiële redenen 6. dat niet beschikt over een auto omwille van financiële redenen 7. dat tijdens het afgelopen jaar minstens 1 achterstallige betaling had inzake hypotheek/huur, nutsvoorzieningen (gas, elektriciteit, water) en leningen (aankopen op afbetaling of andere leningen) 8. dat het huis niet degelijk kan verwarmen omwille van financiële redenen 9. dat een onverwachte noodzakelijke uitgave (1.000 euro) niet uit eigen middelen kan betalen

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

EU-SILC, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2013

Percentage kinderen

% personen 0

5

10

15

22 19 2 3 <1 1 <1 <1 <1 <1 4 4 8 5 5 4 21 15

Geen week vakantie per jaar Geen vis, vlees, kip of vegetarisch om de 2 dagen Geen wasmachine Geen TV Geen telefoon of GSM Geen auto Achterstallige betalingen Geen degelijke verwarming Geen onverwachte uitgave aankunnen

20

25

Kinderen Totale bevolking

Aantal kinderen Aantal kinderen x 1.000 0 Geen week vakantie per jaar Geen vis, vlees, kip of vegetarisch om de 2 dagen

100 270 30

Geen wasmachine

< 10

Geen TV

< 10

Geen telefoon

< 10

Geen auto

50

Achterstallige betalingen

90

Geen degelijke verwarming

60

Geen onverwachte uitgave aankunnen

260

124

200

300

400


Indicator K7

Kinderen in een gezin met te zware woonkost

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 17 jaar dat leeft in een huishouden waar de totale woonkost (huur of aflossing van de lening, verzekering, taksen, onderhoud en nutsvoorzieningen) meer dan 40% bedraagt van het beschikbare huishoudinkomen, naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, werkintensiteit van het huishouden, bewonerstitel, opleidingsniveau en geboorteland van de ouders

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Gepoolde dataset EU-SILC 2011-2013, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2011-2013

% kinderen met te zware woonkost

% personen met te zware woonkost 0

10

0-99 jaar

7

0-17 jaar

6

Jongens

6

Meisjes

6

0-2 jaar

6

3-5 jaar

7

6-11 jaar

7

12-17 jaar

4

Kind in eenoudergezin Kind bij koppel met 1 kind

5 2

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

5

met lage werkintensiteit

40

33 12

met middelmatige werkintensiteit

5

met hoge werkintensiteit

3

met zeer hoge werkintensiteit

3

Kind in laagopgeleid gezin**

30

21

Kind bij koppel met 2 kinderen

Kind in gezin met zeer lage werkintensiteit*

20

16

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

5

Kind in gezin dat woning bezit

2

Kind in gezin dat woning huurt

18

Kind in EU-gezin***

5

Kind in niet-EU-gezin

10

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. *** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin zijn geboren binnen de EU; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene is geboren buiten de EU.

125


Aantal kinderen met te zware woonkost

Aantal kinderen met te zware woonkost x 1.000 0

20

0-17 jaar

70

Jongens

30

Meisjes

40

0-2 jaar

10

3-5 jaar

10

6-11 jaar

30

12-17 jaar

20

Kind in eenoudergezin

30

Kind bij koppel met 1 kind

10

Kind bij koppel met 2 kinderen

10

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

20

Kind in gezin met zeer lage werkintensiteit*

30

met lage werkintensiteit

10

met middelmatige werkintensiteit

10

met hoge werkintensiteit

10

met zeer hoge werkintensiteit

20

Kind in laagopgeleid gezin**

20

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

50

Kind in gezin dat woning bezit

20

Kind in gezin dat woning huurt

50

Kind in EU-gezin***

50

Kind in niet-EU-gezin

20

40

60

80

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. *** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin zijn geboren binnen de EU; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene is geboren buiten de EU.

Toelichting Om een opdeling te kunnen maken binnen de groep kinderen naar onder meer leeftijd, huishoudsamenstelling, werkintensiteit van het huishouden en opleidingsniveau en geboorteland van de ouders, wordt gebruik gemaakt van een dataset waarin de 3 meeste recente edities van de EU-SILC-survey (EU-SILC 2011, EU-SILC 2012 en EU-SILC 2013) werden samengevoegd. Dat verhoogt het aantal kinderen opgenomen in de steekproef en vergroot zo de betrouwbaarheid van de resultaten voor kleinere subgroepen.

126


Indicator K8

Kinderen met huisvestingsproblemen

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 17 jaar dat leeft in een huis met een gebrekkige kwaliteit (zie indicator H5), naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, werkintensiteit van het huishouden, bewonerstitel, opleidingsniveau en geboorteland van de ouders

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Gepoolde dataset EU-SILC 2011-2013, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2011-2013

% kinderen met huisvestingsproblemen

% personen met huisvestingsproblemen 0

10

0-99 jaar

21

0-17 jaar

24

Jongens

24

Meisjes

24

0-2 jaar

25

3-5 jaar

24

6-11 jaar

24

12-17 jaar

23

Kind in eenoudergezin

37

Kind bij koppel met 1 kind

18

Kind bij koppel met 2 kinderen

18

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

24

Kind in gezin met zeer lage werkintensiteit*

41

met lage werkintensiteit

45

met middelmatige werkintensiteit

28

met hoge werkintensiteit

29

met zeer hoge werkintensiteit

18

Kind in laagopgeleid gezin**

41

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

22

Kind in gezin dat woning bezit

19

Kind in gezin dat woning huurt

42

Kind in EU-gezin***

22

Kind in niet-EU-gezin

37

20

30

40

50

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. *** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin zijn geboren binnen de EU; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene is geboren buiten de EU.

127


Aantal kinderen met huisvestingsproblemen

Aantal kinderen met huisvestingsproblemen x 1.000 0

100

0-17 jaar

300

Jongens

150

Meisjes

150

0-2 jaar

60

3-5 jaar

50

6-11 jaar

100

12-17 jaar

100

Kind in eenoudergezin

60

Kind bij koppel met 1 kind

30

Kind bij koppel met 2 kinderen

80

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

90

Kind in gezin met zeer lage werkintensiteit*

30

met lage werkintensiteit

20

met middelmatige werkintensiteit

50

met hoge werkintensiteit

70

met zeer hoge werkintensiteit

Kind in laagopgeleid gezin**

200

300

400

130

40

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

260

Kind in gezin dat woning bezit

180

Kind in gezin dat woning huurt

120

Kind in EU-gezin***

230

Kind in niet-EU-gezin

70

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. *** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin zijn geboren binnen de EU; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene is geboren buiten de EU.

Toelichting Om een opdeling te kunnen maken binnen de groep kinderen naar onder meer leeftijd, huishoudsamenstelling, werkintensiteit van het huishouden en opleidingsniveau en geboorteland van de ouders, wordt gebruik gemaakt van een dataset waarin de 3 meeste recente edities van de EU-SILC-survey (EU-SILC 2011, EU-SILC 2012 en EU-SILC 2013) werden samengevoegd. Dat verhoogt het aantal kinderen opgenomen in de steekproef en vergroot zo de betrouwbaarheid van de resultaten voor kleinere subgroepen.

128


Indicator K9

Kinderen in gezin dat gezondheidszorg moet uitstellen om financiële redenen

Omschrijving

Percentage en aantal personen van 0 tot 17 jaar dat leeft in een huishouden waarvan één van de leden in het voorbije jaar een bezoek aan de arts of tandarts heeft moeten uit- of afstellen om financiële redenen, naar geslacht, leeftijd, huishoudtype, werkintensiteit van het huishouden, bewonerstitel, opleidingsniveau en geboorteland van de ouders

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Gepoolde dataset EU-SILC 2011-2013, Algemene Directie Statistiek, bewerking SVR http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/1319.htm

Vlaams Gewest 2011-2013

% kinderen in gezin dat zorg heeft moeten uitstellen

% personen 0

5

0-99 jaar

4

0-17 jaar

5

Jongens

5

Meisjes

5

0-2 jaar

5

3-5 jaar

7

6-11 jaar

5

12-17 jaar

5

Kind in eenoudergezin

15

20

25

30

10

Kind bij koppel met 1 kind

4

Kind bij koppel met 2 kinderen

3

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

5

Kind in gezin met zeer lage werkintensiteit*

24

met lage werkintensiteit

21

met middelmatige werkintensiteit

8

met hoge werkintensiteit

4

met zeer hoge werkintensiteit

2

Kind in laagopgeleid gezin**

10

15

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

4

Kind in gezin dat woning bezit

2

Kind in gezin dat woning huurt

16

Kind in EU-gezin***

4

Kind in niet-EU-gezin

10

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieën: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. *** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin zijn geboren binnen de EU; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene is geboren buiten de EU.

129


Aantal kinderen in gezin dat zorg heeft moeten uitstellen

Aantal kinderen x 1.000 0

10

0-17 jaar

60

Jongens

30

Meisjes

30

0-2 jaar

10

3-5 jaar

10

6-11 jaar

20

12-17 jaar

20

Kind in eenoudergezin

10

Kind bij koppel met 1 kind

10

Kind bij koppel met 2 kinderen

10

Kind bij koppel met 3 of meer kinderen

20

Kind in gezin met zeer lage werkintensiteit*

20

met lage werkintensiteit

10

met middelmatige werkintensiteit

10

met hoge werkintensiteit

10

met zeer hoge werkintensiteit

10

Kind in laagopgeleid gezin**

20

Kind in midden- of hoogopgeleid gezin

50

Kind in gezin dat woning bezit

20

Kind in gezin dat woning huurt

40

Kind in EU-gezin***

40

Kind in niet-EU-gezin

20

20

30

40

50

60

70

* Werkintensiteit (W): het aantal werkelijk gewerkte maanden door alle volwassen leden van het huishouden ten opzichte van het aantal werkbare maanden tijdens het referentiejaar (gehanteerde categorieĂŤn: W<0,2/W tussen 0,2 en 0,45/W tussen 0,45 en 0,55/W tussen 0,55 en 0,85/W>0,85). ** Kind in laagopgeleid gezin: geen van de volwassen leden van het gezin heeft een diploma hoger secundair onderwijs. *** Kind in EU-gezin: alle volwassen leden van het gezin zijn geboren binnen de EU; kind in niet-EU-gezin: minstens 1 volwassene is geboren buiten de EU.

Toelichting Om een opdeling te kunnen maken binnen de groep kinderen naar onder meer leeftijd, huishoudsamenstelling, werkintensiteit van het huishouden en opleidingsniveau en geboorteland van de ouders, wordt gebruik gemaakt van een dataset waarin de 3 meeste recente edities van de EU-SILC-survey (EU-SILC 2011, EU-SILC 2012 en EU-SILC 2013) werden samengevoegd. Dat verhoogt het aantal kinderen opgenomen in de steekproef en vergroot zo de betrouwbaarheid van de resultaten voor kleinere subgroepen.

130


Indicator K10

Kansarmoede-index van Kind en Gezin: evolutie

Omschrijving

Aantal kinderen geboren in een kansarm gezin volgens de criteria van Kind en Gezin in jaar X en de jaren X-1 en X-2 en die wonen in het Vlaams Gewest op 31 december van jaar X gedeeld door het totaal aantal kinderen geboren in die 3 jaar en die wonen in het Vlaams Gewest op 31 december van jaar X (in percentages)

DIMENSIES

Ruimte Tijd

BRON Voor meer informatie

Kind en Gezin http://aps.vlaanderen.be/sgml/largereeksen/259.htm

Vlaams Gewest 2001-2014, doelstelling 2020

15

12

Kansarmoede-index

11,2

11,4

10,5 9,8

9 7,9

8,2

8,6

7,4

6

6,0

6,3

6,4

6,4

6,5

6,9

4,0

3

0 2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2020

Toelichting Kind en Gezin ontwikkelde begin jaren 1990 een indicator die verschillende aspecten van de sociaaleconomische situatie van pasgeborenen tegelijk in rekening tracht te brengen. Aan de hand van het maandinkomen van het gezin, de opleiding en de arbeidssituatie van de ouders, de ontwikkeling van de kinderen, de huisvesting en de gezondheidssituatie van het gezin, wordt nagegaan hoeveel kinderen geboren worden in een kansarm gezin. Een gezin wordt als kansarm beschouwd als het op minstens 3 van de voorgenoemde criteria zwak scoort. Sinds 2010 wordt niet meer gewerkt met jaarcijfers maar met het gemiddelde van het jaar en de 2 voorgaande jaren. Dat zorgt voor robuustere resultaten. Om de verandering in de berekening te accentueren, spreekt Kind en Gezin nu van een kansarmoede-index. In 2014 haalde de index een score van 11,4. Dat betekent dat 11,4% van de geboorten in de periode 2012-2014 in het Vlaamse Gewest plaatsvond in een kansarm gezin. Ook voor de voorgaande jaren werd een indexscore berekend volgens de nieuwe formule. Daaruit blijkt dat de kansarmoede-index sinds 2005 behoorlijk sterk is toegenomen, maar dat de toename tussen 2013 en 2014 relatief beperkt is. In het Pact 2020 heeft de Vlaamse Regering zich ertoe verbonden om het aantal kinderen dat geboren wordt in armoede tussen 2008 en 2020 met 50% te verminderen. Dat betekent dat in 2020 het percentage geboorten in kansarme gezinnen gedaald moet zijn tot maximaal 4%.

131


r nito mo 20 ed e a rmo Vla se A to r am on i Vla r em nito ed or mo rmo e A oed mse a Vla

r e s o t i m n a o a l V dem e o m r A

5 1 20

Vlaamse armoedemonitor 2015