Page 1

ACADEMIEJAAR 2013 - 2014

UNIVERSITEIT ANTWERPEN FACULTEIT TOEGEPASTE ECONOMISCHE WETENSCHAPPEN

DE IMPACT VAN AUTEURSLEZINGEN OP DE SOCIOECONOMISCHE SITUATIE VAN DE AUTEUR: EEN EMPIRISCH ONDERZOEK TREES ACCOU

MASTERSCRIPTIE VOORGEDRAGEN TOT HET BEKOMEN VAN DE GRAAD VAN:

PROMOTOR: PROF. DR. RITA DE GRAEVE

MASTER IN HET CULTUURMANAGEMENT PRAKTIJKBEGELEIDER: MARIEKE ROELS


1. Dankwoord Dit onderzoek en deze thesis had ik niet op mijn eentje tot een goed einde kunnen brengen. Eerst en vooral wil ik dan ook mijn promotor prof. Rita De Graeve en mijn praktijkbegeleider Marieke Roels bedanken voor de ideeën, de hulp en niet in het minst de steun bij dit project. Ook de volledige staf van het Vlaams Fonds voor de Letteren, van waaruit ik dit onderzoek voerde, wil ik bedanken voor hun bijdragen, groot en klein. Carlo van Baelen, Natalie Ariën van de Vlaamse Auteursvereniging, het Kunstenloket, Kirsten Janssens van de Stadsbibliotheek van Sint-Niklaas, Erik Vlaminck, Rein Janssens van WPG Uitgevers en Rudy Vanschoonbeek van Uitgeverij Vrijdag wil ik graag bedanken om tijd vrij te maken voor mij en mij een inzicht te bieden in de dagelijkse praktijk van het boekenvak en de auteurslezingen. De overige auteurs, bibliotheken en boekhandels die mij als respondenten hielpen bij dit onderzoek zijn te talrijk om op te noemen, maar desalniettemin ben ik hen even dankbaar. Als laatste wil ik hier ook nog de professoren en docenten van de master Cultuurmanagement vermelden. Het is niet voor mogelijk te houden hoeveel iemand in één jaar bij kan leren, maar dankzij jullie ben ik er wonderwel in geslaagd het cultuurmanagement onder de knie te krijgen. Na deze eerder professionele bedankingen, wil ik ook nog enkele personen bedanken die mij op persoonlijk vlak ondersteunden. Eerste en vooral mijn vriend Jasper, die bij tijd en wijlen ook wel voor technische ondersteuning moest zorgen. Verder moeten hier ook Siel, Jackie, “de vrienden”, Carlien en mijn familie geprezen worden voor de aandacht en het begrip tijdens een jaar waarin ik meer dan eens ‘geen tijd, thesis’ moest zeggen. Ten slotte wil ik voor de laatste keer mijn dankwoord eindigen met enkele woorden van lof voor mijn ouders; dit is dan ook de afsluiter van mijn academische carrière. Doorheen mijn traject aan de universiteit hebben jullie mij altijd gesteund en de nodige aandacht gegeven. Ook dit jaar, toen dit iets minder vanzelfsprekend was. We hebben allemaal een beetje meer voor elkaar moeten zorgen, maar kijk, we zijn er weer geraakt. Bedankt voor de kansen die jullie mij gegeven hebben.

ii


2. Abstract Deze scriptie handelt over het veld van de auteurslezingen in Vlaanderen. Auteurslezingen winnen aan populariteit en zijn een belangrijke pijler in het inkomen van Vlaamse auteurs. Het doel van het onderzoek is dan ook om na te gaan wat de impact precies is van auteurslezingen op de socio-economische positie van de auteur en hoe die impact versterkt kan worden. De ondersteuning van auteurslezingen gebeurt sinds twee jaar door het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL). Deze organisatie wil dan ook een beter zicht op de impact van de lezingen. Het onderzoek naar die impact gebeurt kwantitatief en kwalitatief en focust zowel op organisatoren – bibliotheken en boekhandels – als auteurs. Naast de impact van lezingen, wordt ook gekeken naar de tevredenheid over de ondersteuning vanuit het VFL en wordt er gezocht naar manieren om auteurslezingen beter te maken en hun impact sterker. Uit het onderzoek dat voor deze scriptie gevoerd werd, bleek dat meer dan de helft van de auteurs lezingen ziet als een onderdeel van zijn inkomen. Daarnaast zorgen lezingen ook voor een betere verkoop van hun boeken en zorgt het indirect voor promotie en is het een hefboom voor andere lezingen. Zowel de directe als de indirecte gevolgen van lezingen voor auteurs worden gedetailleerd belicht in deze scriptie. In het algemeen is er tevredenheid over de manier waarop het VFL deze lezingen ondersteunt. De aanbevelingen proberen dan ook niet om frustraties aan te pakken, maar om lezingen nog beter te maken, zodat ook hun impact sterker is, zowel voor auteurs als voor organisatoren. Deze scriptie wil door de impact van auteurslezingen te onderzoeken en aanbevelingen te doen, de impact van lezingen versterken en zo een positieve invloed hebben op de socio-economische positie van de Vlaamse auteur.

iii


3. Executive Summary This master thesis deals with the impact of author talks on the socio-economic situation of the Flemish author. In Flanders, author talks are regarded both as a means to enhance reading among people and a way to improve the socio-economic situation of authors. The second interpretation is the one that the Flemish Literature Fund supports in its mission, and as it is the FLF who has requested this research, it will be the latter of the two that will be explored in this thesis. The popularity of author talks has grown over these last few years, as the experience economy has kicked in. Recent research into the income of Flemish authors has shown that authors are for a substantial part of their income dependent on these talks. The growing popularity is good news for them. Not all authors however agree on the necessity of giving these talks. Some prefer to stick to writing alone. This thesis does not want to prove anyone wrong, but would like to answer the question whether author talks really have an impact. The impact I would like to measure here is the impact on the income of the author, on the sales at the bookshop and on the amount of books that are checked out in libraries after these talks. When the impact is known, I will also explore ways to increase the impact, thus further improving the socio-economic situation of the authors and of the libraries and bookshops. Before we can improve however, it is important to know if the respondents of the research are content with the way the FLF supports the author talks. That is the third aspect of the research question: impact, satisfaction, improvement. I have already mentioned that this thesis is based on research. The goal of this thesis is to empirically prove that author talks do have an impact. To do so, both quantitative as qualitative methods are used. The research draws on interviews with authors (29), bookshops (20) and libraries (31), and on data of sales and books checked out of libraries. To answer the question about improvement, I also interviewed publishers and other important institutions in the field of literature. In the literature study we explore the concepts that make up this thesis and the ways in which the FLF supports author talks. There is also attention for previous research and a short exploration of the figures of which the field of author talks in Flanders is made up. Budgets, incomes, and subsidies are all discussed here. So far the thesis has been dealing with secondary sources. After this chapter, the research is based on primary information, collected with this thesis in mind.

iv


The results of the research confirm there is indeed an impact observable. More than half of the interviewed authors say that the fees they get for giving talks are a substantial part of their income. Moreover, author talks are a way of promoting themselves and their books, to get in touch with their audience and to know how their books are perceived. By giving talks, they are also invited to give talks in other places, because there is a lot of word of mouth. So these talks have an impact, directly as well as indirectly. When bookshops organise a talk, they feel they sell more of the books of the author in question. They put those books in a visible spot to attract more attention to it. They also order more books from the publisher, new and old, so the offer in the shop is differentiated. Older books can stay on the shelves longer as well. Analysing the data showed that in the month following the talk, up to four times as many books of the author in question are sold as in the month before the talk. The impact here is clear. Libraries were a bit more difficult to research. Initially, they had some problems providing me with the data, but in the end the response was acceptable. The librarians, like the bookshops, felt there was a definite impact. As such, they too buy extra books before talks and give the author extra attention in the physical space, though less so than bookshops do. Analysis of their data showed that there was no difference between the amount of books checked out three months before the talk and three months after the talk. This was strange, as the libraries proclaimed they most certainly felt an impact. This discrepancy between fact and feeling can be explained by the fact that a lot of libraries organise their talks for local schools. Part of the event is that the schools get a set of books beforehand, so they can prepare the students for the talk. Checking out these books probably puts the balance in the figures. This thesis will not be able to give a definite answer on the question of the impact of author talks on libraries, but there are some suggestions for further research mentioned in the conclusion. There is a reasonable level of satisfaction among the respondents of the research about the support of the FLF. Some frustrations are voiced and some recommendations are made. Most unanimously content are the authors. They too have some suggestions, but less so than the libraries and bookshops, who are a bit more critical, though not discontent. Based on the results of the research, I looked for some case studies to further explore the field of author talks and discover how the author talks could be made better and their impact stronger. Firstly, the practice of authors selling their own books after talks is explored. There is no agreement whether or not this practice is legal. By consulting the model contract of the Flemish Authors Association and by going into the VAT obligations, I try to answer this question. If

v


authors can sell their own books, the impact of their talks can definitely be strengthened. Secondly, some good practices are explained to see on what basis their success is build. The recommendations proposed are based on the answers on the three posed research questions on impact, satisfaction and improvement. Most recommendations are formulated to the FLF. They are one of the most important players in the field of literature and they are where change begins. First of all, they should spread the information about the practice of the book sales by the author himself. Secondly, they should stimulate cooperation and solidarity, among organisations, but also among authors. The recommendations for the authors, the bookshops and the libraries are of a more practical nature. It is the task of the FLF to spread these recommendations among these different players. Overall, this research has shown that author talks definitely have a positive influence on the socio-economic situation of the author and on the sales and diversity of bookshop. Libraries should be studied further, but they too benefit from the talks. Apart from that, authors enjoy giving these talks and it brings ever new audiences to the bookshops and libraries. As such, it is beyond doubt that these talks must continue to be supported by the FLF.

vi


Inhoudstafel 1. Dankwoord .....................................................................................................................................ii 2. Abstract ......................................................................................................................................... iii 3. Executive Summary ....................................................................................................................iv 4. Lijst van grafieken ...................................................................................................................... ix 5. Inleiding .......................................................................................................................................... 1 6. Probleemstelling .......................................................................................................................... 6 7. Methodologie ................................................................................................................................. 8 7.1. Inleiding ................................................................................................................................................. 8 7.2. De steekproef ....................................................................................................................................... 9 7.2.1. Populatie .........................................................................................................................................................9 7.2.2. Steekproefkader........................................................................................................................................ 10 7.2.3. Steekproefgrootte .................................................................................................................................... 12 7.2.4. Steekproefmethode ................................................................................................................................. 13 7.2.5. De respondenten....................................................................................................................................... 13 7.3. Het interview ..................................................................................................................................... 15 7.3.1. het kwalitatieve interview .................................................................................................................... 16 7.3.2. De kwalitatieve vragenlijst ................................................................................................................... 17 7.3.3. Verwerking van de interviews ............................................................................................................ 18 7.4. Dataverwerking ................................................................................................................................ 18 7.4.1. Algemene dataverwerking.................................................................................................................... 19 7.4.2. Dataverwerking auteurs ........................................................................................................................ 19 7.4.3. Dataverwerking boekhandels ............................................................................................................. 20 7.4.4. Dataverwerking bibliotheken ............................................................................................................. 21

8. Literatuurstudie ........................................................................................................................ 22 8.1. Conceptueel kader ........................................................................................................................... 22 8.1.1. de auteurslezing ........................................................................................................................................ 22 8.1.2. de bibliotheek ............................................................................................................................................ 24 8.1.3. de A-boekhandel ....................................................................................................................................... 25 8.1.4. Het Vlaams Fonds voor de Letteren ................................................................................................. 26 8.2. Auteurslezingen in Vlaanderen .................................................................................................. 27 8.2.1 Auteurslezingen: van hot naar her ..................................................................................................... 27 8.2.2. Auteurslezingenreglement ................................................................................................................... 32 8.2.3. Auteurslezingenreglement voor A-boekhandels......................................................................... 35 8.2.4. Het auteurslezingenveld in cijfers ..................................................................................................... 36 8.2.5. Eerder onderzoek ..................................................................................................................................... 40

9. Resultaten .................................................................................................................................... 44 9.1 Auteurs.................................................................................................................................................. 44 9.1.1. Auteurslezingen als aanvulling op het inkomen.......................................................................... 44 9.1.2. Het aandeel van auteurslezingen in het inkomen van de auteur ......................................... 47 9.1.3. Impact van auteurslezingen op boekenverkoop in de boekhandel ..................................... 49 9.1.4. Impact van auteurslezingen op uitleningen in de bibliotheek .............................................. 50 9.1.5. Eigen boekenverkoop n.a.v. de lezing .............................................................................................. 51 9.1.6. Het belang van een plaats op de auteurslijst ................................................................................ 52 9.1.7. Mond-aan-mond reclame ...................................................................................................................... 53 9.2. Bibliotheken ...................................................................................................................................... 54 9.2.1. De auteurslijst ............................................................................................................................................ 55 9.2.2. De impact van auteurslezingen op ontlening ............................................................................... 55

vii


9.2.3 De lezing als gelegenheid om de collectie aan te vullen ............................................................ 56 9.2.4. Aandacht voor de auteur ....................................................................................................................... 57 9.2.5. Wisselwerking tussen uitlening en auteurkeuze ........................................................................ 58 9.3. Boekhandels ...................................................................................................................................... 59 9.3.1. De auteurslijst ............................................................................................................................................ 60 9.3.2. De impact van auteurslezingen op de boekenverkoop ............................................................. 61 9.3.3. De lezing als gelegenheid om de collectie aan te vullen ........................................................... 62 9.3.4. Aandacht voor de auteur ....................................................................................................................... 62 9.3.5. Algemene meerverkoop......................................................................................................................... 63 9.3.6. Een nieuw publiek.................................................................................................................................... 63 9.4. De objectieve impact van auteurslezingen ............................................................................. 64 9.4.1. De bibliotheken ......................................................................................................................................... 65 9.4.2. De Boekhandels ......................................................................................................................................... 67 9.5. Analyse ................................................................................................................................................. 67 9.5.1 Het belang van de auteurslijst .............................................................................................................. 67 9.5.2. De impact van auteurslezingen op de verkoop in boekhandels............................................ 68 9.5.3. De impact van auteurslezingen op de uitlening in bibliotheken .......................................... 69 9.5.4. Verkoop vs. uitlening .............................................................................................................................. 70 9.6. Conclusie: wat is de impact van auteurslezingen? ............................................................... 70

10. Tevredenheid ........................................................................................................................... 74 10.1. De auteurs ........................................................................................................................................ 74 10.2. De bibliotheken .............................................................................................................................. 75 10.3. De boekhandels .............................................................................................................................. 77 10.4. Tevredenheid .................................................................................................................................. 77

11. Casestudies ............................................................................................................................... 79 11.1. Boekenverkoop door auteurs: kan dat? ................................................................................ 79 11.1.1. Het modelcontract ................................................................................................................................. 80 11.1.2. Btw-plichtig, quoi?................................................................................................................................. 81 11.2. De impact van auteurslezingen versterken, maar hoe? .................................................. 85 11.2.1. Het richthonorarium ............................................................................................................................ 86 11.2.2. De mening van de auteur: Erik Vlaminck .................................................................................... 87 11.2.3. A good practice: de meest auteursvriendelijke bibliotheek................................................. 88 11.2.4. Een vierde speler: de uitgeverij ....................................................................................................... 91

12. Conclusie.................................................................................................................................... 94 12.1. Vlaams Fonds voor de Letteren ................................................................................................ 96 12.2. Auteurs .............................................................................................................................................. 99 12.3. Bibliotheek.....................................................................................................................................100 12.4. Boekhandel ....................................................................................................................................101 12.5 Suggesties voor verder onderzoek.........................................................................................102

13. Bibliografie .............................................................................................................................103 14. Bijlagen ........................................................................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.

viii


4. Lijst van grafieken graf. 1: Auteurslezingen als een aanvulling op het inkomen als auteur.................................. 45 graf. 2: Aandeel van auteurslezingen in het inkomen .................................................................... 48 graf. 3: Aandeel van auteurslezingen in het inkomen (alle respondenten) ........................... 48 graf. 4: Boekenverkoop naar aanleiding van een auteurslezing ................................................ 49 graf. 5: Uitlening naar aanleiding van een auteurslezing .............................................................. 50 graf. 6: Eigen boekenverkoop naar aanleiding van een lezing.................................................... 51 graf. 7: Belang van een plaats op de auteurslijst (subsidie) ........................................................ 52 graf. 8: Belang van een plaats op de subsidie (gemak van de organisator) ........................... 53 graf.9: Mond-aan-mond reclame ............................................................................................................ 54 graf. 10: Het belang van de auteurslijst voor bibliotheken .......................................................... 55 graf. 11: De invloed van lezingen op ontlening ................................................................................. 56 graf. 12: Extra aankoop boeken naar aanleiding van een lezing ................................................ 57 graf. 13: Fysieke aandacht voor de auteur in de bibliotheek ...................................................... 58 graf. 14: Invloed van uitleencijfers op auteurkeuze........................................................................ 59 graf. 15: Belang van de auteurslijst voor de boekhandel .............................................................. 60 graf. 16: Impact van auteurslezingen op de boekenverkoop ...................................................... 61 graf. 17: Fysieke aandacht voor de auteur in de boekhandel ...................................................... 62 graf. 18: Algemene meerverkoop naar aanleiding van een lezing ............................................ 63 graf. 19: Nieuw publiek naar aanleiding van een lezing................................................................ 64

ix


5. Inleiding Het lijkt wel of literaire activiteiten, of dat nu auteurslezingen zijn of de iets glamoureuzer klinkende literaire manifestaties, de laatste jaren aan een opmars bezig zijn. Lezers willen niet alleen lezen, maar ook auteurs ontmoeten en horen spreken over hun boeken. Polemieken over het groeiende belang van die literaire manifestaties en onheilsberichten over een dalende boekenverkoop sluiten misschien niet altijd op elkaar aan, maar maken wel duidelijk dat het het literaire veld zich in een tijd van verandering bevindt. Een korte, selectieve samenvatting van de recentste berichtgeving over auteurs en hun activiteiten in de pers:1 Volgens Ivo Victoria schoten ‘de voorbije twee jaar de literaire avonden in Nederland als paddenstoelen uit de grond. Zij verkopen lachend uit, de zalen gevuld met jonge twintigers die hippe looks combineren met respect voor traditie en kennis van zaken’ (Ivo Victoria, 2013). Dat zou allemaal te maken hebben met de focus die in alle domeinen van de samenleving op ‘beleving’ is komen te liggen. De hedendaagse cultuurconsument wil graag iets unieks beleven, iets waar hij of zij vervolgens mee kan uitpakken in de uitgebreide kennissenkring. Stilletjes met een boek in de sofa zitten, is dus niet langer het ideaalbeeld van de literatuurliefhebber. Beleving wordt dan ook als hét middel gezien om de literatuur uit het slop te redden, waar ze deze 21e eeuw in beland is. Zo moeten boekhandels om zich te beschermen tegen de opmars van het ebook, nog één van de belangrijke veranderingen in het literaire veld, volgens Jef Maes ‘vooral gaan inzetten op genot en beleving’ en dat kunnen ze doen ‘door het rijkelijk geïllustreerde, mooi vormgegeven boek meer zichtbaarheid te geven, of door zich meer toe te leggen op het organiseren van evenementen’ (Michael Ilegems, 2012). In het verleggen van de focus van de drager naar het gebeuren, de beleving, is dan ook de analogie met de muziekindustrie duidelijk: In de muziekindustrie stortte de platenverkoop in elkaar en gingen groepen meer optreden. Ook in de literatuur zie je dat het belang van lezingen en literaire manifestaties toeneemt. Vlaanderen heeft daarin een achterstand tegenover Nederland (Karl Van den Broeck, 2012).

Ook bibliotheken hebben het belang van beleving ingezien. Bij hen is, misschien niet onlogisch, vooral de leesbevorderende kracht van zo’n literaire activiteit van belang. Leen Van Dijck merkt dan ook op dat ‘in de bib het leesplezier centraal [staat]. Het is er niet van ‘moeten’, maar van ‘mogen’, van proeven en proberen’ (Leen van Dijck e.a., 2013). Ze zegt hierover ook dat ‘bibliotheken al lang geen uitleenfabriekjes meer [zijn]. De beleving staat centraal. Dat blijkt ook uit de praktijk. De Vlaamse bibliotheken bereiken jong en oud, onder meer met een ruim aanbod aan voorleessessies en auteurslezingen in alle delen van het land. Ze zijn daarmee een belangrijke speler als het om leesbevordering gaat’ (Leen van Dijck e.a., 2013). Dat de 1

Het gaat om een selectiviteit die aansluit op het onderwerp van dit onderzoek. Zaken die niet van belang zijn, komen hier dan ook niet aan bod.

1


bibliotheek belangrijk is als het gaat over literatuur, en dan meer specifiek over literaire activiteiten en auteurslezingen, is onmiskenbaar. Net daarom zijn de recente besparingen een ontwikkeling om rekening mee te houden in het gehele veld; ‘besparen op bibliotheken leidt ten slotte ook tot besparen bij auteurs die het al niet breed hebben’ (Leen van Dijck e.a., 2013). De auteur is dan ook waar het allemaal om draait bij een literaire activiteit. Zo’n activiteit is dé manier om auteur en lezer in contact met elkaar te brengen. Dat er onder die auteurs echter geen eensgezindheid is over het al dan niet geven van literaire optredens of lezingen, werd afgelopen najaar pijnlijk duidelijk, toen zich een polemiek ontwikkelde tussen auteurs Marnix Peeters en Christophe van Gerrewey, waar zich al gauw ook andere auteurs in mengden. De polemiek is niet terug te brengen tot de tegenstelling optreden – niet optreden, maar die tegenstelling is er wel een belangrijk aspect van. De discussie begon met een artikel van Marnix Peeters dat naar aanleiding van zijn eenjarig auteurschap in de Morgen verscheen op 24 augustus 2013 en dat als titel had ‘Schrijven is helemaal niet lastig’. Op 27 augustus 2013 verscheen als antwoord, ook in de Morgen, een artikel van de hand van Christophe van Gerrewey met als titel ‘U verdient beter dan een toogroman’. De inleiding van het artikel zet de toon: ‘Over een van de slechtste boeken die ooit bij een literaire uitgeverij zijn verschenen. Polemiek met Marnix Peeters’. Een literaire polemiek is geboren. Peeters stelt zich voor als een onverbeterlijke realist-pragmaticus die zich aanpast aan elke situatie: ‘als het crisis is in het boekenvak, zouden we dan eens niet beter wat minder Vaticaans tegen de dingen gaan aankijken? Gaan we mensen niet veel meer verlekkeren op een goed boek als we er eens wat minder somber en stuurs over staan te doen’ (Marnix Peeters, 2013). Hij is een echte voorstander van het geven van lezingen, niet alleen om het extra inkomen dat het kan betekenen, maar ook om mensen te overtuigen opnieuw boeken te gaan kopen én te gaan lezen. Dat er auteurs zijn die liever geen lezingen geven, laat staan literaire optredens doen, staat haaks op zijn filosofie. Hij legt ons dan ook ironiserend uit waarom bepaalde schrijvers ‘niet wensen voor te lezen uit eigen werk, voor een levend publiek’: Omdat hun werk daar niet voor bedoeld is. Hun werk is bedoeld om in stilte te worden gesavoureerd door een individuele, aandachtige lezer, ik vermoed bij voorkeur in het schijnsel van een knappend haardvuur en als het even kan met een premier grand cru classé erbij, zodat de smaken in elkaar overvloeien (Marnix Peeters, 2013).

Samengevat: auteurs die niet uit hun werk wensen voor te lezen zijn elitisten. Een reactie van één van die ‘elitisten’, die zonder naam vermeld werd in het eerste artikel van Peeters, liet niet lang op zich wachten. In het artikel waarin hij de recentste roman van Peeters ‘vreselijk’ noemt, raakt Christophe van Gerrewey het onderwerp van literaire activiteiten maar even aan. Het is vooral in enkele interviews in oktober dat hij zich uitlaat over het onderwerp. In een interview met Sarah Vankersschaever zegt hij over zichzelf ‘ik fulmineer graag tegen de “platte

2


commercie” en het entertainment waaraan auteurs vandaag moeten deelnemen’ (2013). Hij is dus duidelijk de tegenpool van Peeters. Waar Peeters optredens ziet als een essentiële manier om literatuur aan de man te brengen, gelooft Van Gerrewey dat ze net het omgekeerde bewerkstelligen: ‘Ik vind niet dat een auteur moet doen wat anderen beter kunnen, zoals optreden. Want die zogenaamd spectaculaire activiteiten duwen de literatuur naar de achtergrond’ (Christophe Van Gerrewey in een interview met Sarah Vankersschaever, de Standaard, 2013). Dat hij zou moeten optreden om meer boeken te verkopen, vindt hij helemaal van de pot gerukt: ‘Misschien is het naïef, maar waarom kunnen we er niet voor zorgen dat goede boeken gewoon beter verkopen, zodat schrijvers er een loon van overhouden’ (Christophe Van Gerrewey in een interview met Sofie Mulders, de Morgen, 2013). Desondanks vroeg en kreeg Christophe Van Gerrewey onlangs een plaats op de auteurslijst2 van het Vlaams Fonds voor de Letteren, waarmee hij toch te kennen geeft iets minder Vaticaans tegen de dingen aan te kijken dan hij eerder aangaf.3 Deze uitgelichte discussie toont aan dat auteurs het onderling niet eens zijn over het nut en de wenselijkheid van literaire optredens, of deze nu sober of spectaculair zijn. Het duurde ook niet lang voor enkele anderen zich erover uitspraken. Ivo Victoria sluit zijn bijdrage aan de polemiek als volgt af: De literaire auteur van vandaag kan niet langer volstaan met alleen maar schrijven, hopen dat hij gelezen zal worden, en klagen wanneer dat niet gebeurt. Onze functieomschrijving is gewijzigd. Ik heb besloten dat een goeie zaak te vinden (Ivo Victoria, de Standaard, 2013).

Rudi Vanschoonbeek kiest een middenweg, die uiteindelijk toch meer naar de strategie van Peeters doorleunt: Laat er kortom evenwicht zijn. Laat er aandacht zijn voor zowel fun als form, voor klasse én plezier in de piste van het boek. De een met een intiem kunstje, de ander uitbundig: het aanbod is weelderig genoeg (Rudi Vanschoonbeek, de Standaard, 2013).

Iedereen mag doen wat hij wil, maar of het nu om een intiem kunstje of een uitbundig optreden gaan, in het toekomstbeeld van Vanschoonbeek wordt door de auteur wel aan literaire activiteiten gedaan. Uiteindelijk komt de discussie ook neer op de vraag of een auteur enkel van zijn boeken zou moeten kunnen leven, dan wel of hij aan mulitjobholding moet doen, en er dus ook literaire activiteiten moet bijnemen. Het is een manier van overleven die recent ook aan de oppervlakte verscheen met de publicatie van ‘Acteurs in de spotlight. Onderzoek naar de 2

De auteurslijst is een lijst die uitgaat van het Vlaams Fonds van de Letteren. Als je als auteur op die lijst staat, kan de organisator van een lezing een aanvraag indienen voor een subsidie voor die lezing (infra). 3 Een nuance die niet uit de polemiek voortkwam, maar die ik er hier bij vermeld, is ook dat auteurslezingen niet hetzelfde zijn als literaire optredens. Ze zijn meestal iets ingetogener en soms ook metaliterair. Er wordt niet alleen voorgelezen, maar ook gepraat over de manier waarop de auteur te werk gaat en over zijn oeuvre. Dat kan ook verklaren waarom Van Gerrewey optredens afkeurt, maar toch kiest om lezingen te geven.Het zijn deze auteurslezingen die het onderwerp zijn van dit onderzoek (infra).

3


inkomens en de sociaaleconomische positie van professionele Vlaamse acteurs’ van Jessy Siongers & Astrid Van Steen (2014). Ook acteurs moeten er andere activiteiten, acteergerelateerd of niet, bijnemen om financieel te overleven. Het is dan ook iets dat eigen is aan artistieke beroepen (p. 71). Omdat auteurs er voor een deel van hun inkomen van afhankelijk zijn en omdat het publiek het kan smaken, ziet het er dus naar uit dat die literaire activiteiten aan belang zullen blijven winnen, ondanks de fulminaties over platte commercie van enkelen. Daarom wil ik met dit onderzoek graag nagaan wat de impact precies is van de literaire activiteiten, specifiek de auteurslezingen. Om van een impact van lezingen te kunnen spreken, vooral op de situatie van de auteur, is het belangrijk dat die auteur voor zijn lezingen een correct honorarium ontvangt. Het voorbije jaar pleitten zowel Els Snick als Marc Reugebrinck voor een correcte verloning. Reugebrinck deed dat in een kort interview in de Morgen samen met Patrick De Rynck, op 28 maart 2013. Hij heeft het over auteurslezingen als een belangrijke inkomstenbron voor de auteur en vindt dat auteurs in de sector meer respect moet krijgen; ‘en dat wordt niet uitgedrukt in een flesje wijn na een optreden, maar in een fatsoenlijk honorarium’ (Leyman, 2013). Dat lezingen vaak als een vriendendienst of hobby worden gezien in de sector is een oud zeer, dat ook Snick als een heikele kwestie ziet. Zij haalt in een artikel uit de Morgen van 10 december 2013 aan dat de honorariumkwestie voor beide partijen, organisator én auteur, moeilijk ligt, omdat er geen vaste prijzen zijn (2013). Zij stelt dan ook voor om met de hele sector altijd minstens het richthonorarium van de Vlaamse Auteursvereniging te vragen of aan te bieden, dat volgens haar 200 euro bedraagt.4 Uiteraard is de scope die hier net kort besproken is te breed om in één masterscriptie uit te diepen. Ik neem uit deze exploratie van de Vlaamse pers wel enkele aspecten mee om te bekijken of de focus op literaire activiteiten, in dit geval auteurslezingen, gegrond is, door na te gaan of we kunnen spreken van een impact van die auteurslezingen. Die impact is waar het Vlaams Fonds voor de Letteren, van waaruit ik dit onderzoek voer, graag een duidelijker zicht op wil. Zij engageren zich om de auteurslezingen in Vlaanderen te ondersteunen en willen graag weten in hoeverre ze kunnen spreken van een invloed van auteurslezingen op de werking van de organisatoren van de lezingen, specifiek boekhandels en bibliotheken, en op de socioeconomische situatie van de auteurs, waar Marnix Peeters en Ivo Victoria al op alludeerden.5 Om die stelling te onderzoeken, ga ik in het volgende hoofstuk dieper in op mijn probleemstelling en formuleer ik de onderzoeksvraag van dit onderzoek. Daarna stel ik de 4

De Vlaamse Auteursvereniging hanteert verschillende tarieven voor verschillende soorten lezingen, maar dat wordt verderop besproken. 5 Het gaat hier om een objectieve impact. De kwaliteit van auteurslezingen staat niet ter discussie.

4


methodologie voor die ik in dit onderzoek zal volgen. Het wordt een onderzoek dat deels kwalitatief en deels kwantitatief is, omdat ik een antwoord zoek op een onderzoeksvraag, maar tegelijk ook aanbevelingen wil doen naar de toekomst toe. Ik zal voor het onderzoek dus zowel met cijfermateriaal als interviews, kwalitatief en kwantitatief, aan het werk gaan. Na de methodologie, presenteer ik in een korte literatuurstudie het conceptuele kader waarmee ik aan de slag ga, de huidige staat van het veld en een beknopte samenvatting van het eerdere onderzoek dat in Vlaanderen al gebeurd is naar auteurslezingen. Na deze eerder theoretische uiteenzettingen, waarvoor ik mij baseer op secundaire bronnen, ga ik in de hieropvolgende hoofdstukken aan de slag met informatie die ik zelf empirisch verzamelde. De resultaten van het onderzoek worden na de literatuurstudie besproken. Met die resultaten wil ik graag een antwoord bieden op de vraag wat de impact is van auteurslezingen. Als die vraag beantwoord is, ga ik nog even kort in op de tevredenheid van diegenen die gebruik maken van de ondersteuning van auteurslezingen van het Vlaams Fonds voor de Letteren. Het is immers belangrijk een zicht te hebben op de tevredenheid over de huidige situatie vooraleer besloten wordt om eraan te sleutelen. Nadat de resultaten van het initiĂŤle onderzoek besproken zijn, ga ik nog in op enkele casestudies. Deze casestudies helpen mij bij het formuleren van aanbevelingen voor de werking van de auteurslezingen in het daaropvolgende hoofdstuk. In een conclusie wordt alles nog eens samengenomen en wordt een ultiem antwoord gegeven op de geformuleerde onderzoeksvragen. Kort gesteld, ziet mijn scriptie er zo uit: 1. Dankwoord 2. Abstract 3. Executive Summary 4. Lijst van grafieken, tabellen en figuren 5. Inleiding 6. Probleemstelling 7. Methodologie 8. Literatuurstudie 9. De resultaten 10. Tevredenheid 11. Casestudies 12. Conclusie 13. Bibliografie

5


6. Probleemstelling Zoals ik al aangaf zijn auteurslezingen van (groeiend) belang voor het hele literaire veld. Daarom wil ik nagaan wat precies de impact is van die auteurslezingen. Dat onderwerp werd mij aangereikt door Marieke Roels, stafmedewerker auteurslezingen bij het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL) en de praktijkbegeleider van deze scriptie. Aanvankelijk had het vooropgestelde onderzoek twee pijlers, namelijk een onderzoek naar de impact van auteurslezingen op leesbevordering en één naar het socio-economische succes van de auteur als gevolg van de auteurslezing. Die twee pijlers zijn twee verschillende benaderingen van de auteurslezingen, die er de laatste decennia ook toe geleid hebben dat de ondersteuning van auteurslezingen in Vlaanderen bij verschillende organisaties werd ondergebracht (infra). Na een korte reflectie werd duidelijk dat de onderzoeksvragen die gebaseerd waren op de twee verschillende pijlers, te ruim waren. Marieke en ik hebben er daarom voor gekozen om de vragen die meer met leesbevordering te maken hebben over te laten voor later onderzoek. Voor mijn onderzoek vertrek ik dus van auteurslezingen als middel om de socio-economische situatie van Vlaamse auteurs te verbeteren, een kerntaak van het VFL, eerder dan van de, niettemin valide, opvatting dat auteurslezingen bijdragen aan leesbevordering. Dat ik kies om onderzoek te doen naar de socio-economische situatie van auteurs heeft als implicatie dat dit geen zuiver kwalitatief, maar een gemengd kwalitatief en kwantitatief onderzoek wordt (infra). De hoofdvraag van dit onderzoek is dichotoom – is er nu wel of geen impact – maar ik wil ook genuanceerd stellen wat de staat van het veld en de aard van de impact is en enkele aanbevelingen doen. Die hoofdvraag is ‘wat is de impact van auteurslezingen op de socio-economische positie van de auteur en de organisatoren van de lezing – specifiek boekhandels en bibliotheken – en hoe kunnen we die impact versterken’. De vraag kan duidelijk in twee gedeeld worden. Om het eerste deel van die vraag te beantwoorden, wordt de vraag opgedeeld in verschillende subvragen, namelijk de volgende:

1. Welke directe en indirecte gevolgen hebben auteurslezingen voor de auteur? a. Is een auteurslezing een hefboom voor de auteur op het vlak van verkoop (zowel in de winkel als persoonlijk na een lezing)? b. Zorgt het ervoor dat de auteur meer aanvragen krijgt voor andere auteurslezingen? c. Hoe belangrijk zijn auteurslezingen voor het inkomen van de auteur? d. Wat is de invloed van een plaats op de auteurslijst op de aanvragen voor auteurslezingen die een auteur ontvangt?

6


2. Is er een verband tussen de verkoopcijfers van een bepaalde auteur en een auteurslezing in de boekhandel? a. Is er een relevant verschil in verkoop voor en na de auteurslezing? b. Denkt de boekhandelaar dat auteurslezingen een impact hebben? c. Gaat de boekhandel een auteur meer onder de aandacht brengen na een auteurslezing? 3. Merken bibliotheken een stijging in de uitleencijfers van boeken van de betrokken auteur na een auteurslezing? a. Is er een relevant verschil in de uitleencijfers voor en na de auteurslezing? b. Denkt de bibliotheek dat auteurslezingen een impact hebben? c. Gaat de bibliotheek een auteur meer onder de aandacht brengen na een auteurslezing? Als de impact van de lezingen vastgesteld is, wil ik graag een antwoord formuleren op de vraag hoe we die impact kunnen versterken en daarmee natuurlijk de socio-economische situatie van de auteurs kunnen versterken, een belangrijk deel van de missie van het VFL (infra). De invulling van deze vraag zal natuurlijk sterk afhankelijk zijn van de resultaten die bekomen werden in het eerste deel van het onderzoek naar de impact van de lezingen, maar een vraag waar ik zeker in deze context een antwoord op zoek, is of die impact versterkt kan worden doordat auteurs zelf hun boeken verkopen. Een vraag die hierbij aansluit is of dat dan zomaar kan. Deze vragen worden beantwoord in een aantal aanbevelingen die ik doe op het eind van deze scriptie. Voor ik echter aanbevelingen kan of wil doen, lijkt het me ook interessant te weten hoe het staat met de tevredenheid over de huidige ondersteuning van de auteurslezingen. Deze vraag is een impliciet onderdeel van de onderzoeksvraag. De auteurslezingen kunnen pas versterkt worden als er een zekere mate van tevredenheid bereikt wordt over de huidige ondersteuning van die lezingen. De onderzoeksvraag heeft dus drie verschillende onderdelen – impact, tevredenheid, versterking – die eerst elk apart behandeld worden, om dan samengenomen te worden in de conclusie van dit onderzoek.

7


7. Methodologie 7.1. Inleiding Met dit onderzoek wil ik er achter komen wat de impact is van auteurslezingen op de boekenverkoop in boekhandels, op de uitleningen in bibliotheken en op de socio-economische situatie van auteurs in Vlaanderen en hoe we die impact kunnen versterken. In dit onderzoek probeer ik ook na te gaan in hoeverre de respondenten tevreden zijn over de ondersteuning van de auteurslezingen door het VFL. Zoals al aangegeven zal ik hiervoor gebruik maken van zowel kwantitatieve als kwalitatieve onderzoeksmethoden. De twee zijn voor mij dan ook geen tegenpolen, maar uiteindes van één continuüm. De ene keer leunen mijn onderzoek en de methoden die ik daarvoor gebruik meer naar het kwalitatieve, de andere keer meer naar het kwantitatieve uiteinde. Kwantitatief onderzoek wordt meestal omschreven als ‘een onderzoek met cijfers’ en zorgt voor resultaten die, door het gebruik van statistiek ‘makkelijk te veralgemenen’ zijn. Prof. Patrick De Pelsmacker (2014) zegt dan ook dat er bij kwantitatief onderzoek gewerkt wordt met ‘kwantitatieve gegevens en veralgemeenbare resultaten’. Kwantitatief onderzoek geeft volgens hem het antwoord op een wat- of een hoeveel-vraag en is dus het iets drogere uiteinde van het onderzoekscontinuüm. Bij kwalitatief onderzoek denkt men vaak aan ‘diepgaand’ onderzoek, dat werkt met interviews en teksten. De Pelsmacker omschrijft het als onderzoek naar ‘onderliggende redenen en motivaties’ en het is volgens hem zoeken naar het antwoord op een waarom-vraag (2014). D.P. Baarda en M.P.M. De Goede omschrijven kwalitatief onderzoek als volgt: Onderzoek waarbij problemen in en van situaties, gebeurtenissen en personen beschreven en geïnterpreteerd worden met behulp van gegevens van kwalitatieve aard, zoals belevingen, ervaringen, betekenisverleningen die verzameld zijn via open interviews en/of participerende observatie en/of gebruik van bestaande documenten (2006, p. 353).

Kwalitatief onderzoek is volgens De Pelsmacker vooral geschikt om een eerste inzicht te verkijgen in een onderwerp (2014). In mijn geval is dat eerste inzicht al verkregen door eerder onderzoek te lezen en te verwerken in de literatuurstudie, ook een vorm van kwalitatief onderzoek. Kwalitatief onderzoek zal verder vooral ingezet worden om nuance aan te brengen in de onderzoeksresulaten en om tot nieuwe ideeën met betrekking tot aanbevelingen te komen. Het kwantitatief onderzoek wordt vooral gebruikt om een duidelijk antwoord op mijn eerste onderzoeksvragen te formuleren. Een eerste onderzoek gebeurt dus in de literatuurstudie. Op basis van de informatie die ik verzamel uit secundaire bronnen voer ik zelf verder onderzoek naar primaire bronnen. Om dat onderzoek te doen, heb ik respondenten nodig die aansluiten bij mijn onderzoeksvraag. Omdat er in Vlaanderen heel wat boekhandels, bibliotheken en auteurs zijn, werk ik voor mijn onderzoek met een steekproef, met de bedoeling dat deze ‘zo veel mogelijk lijkt op de populatie als geheel’ en dus representatief is (Baarda & De Goede, 2006, p. 144). Om deze steekproef correct uit te voeren maak ik gebruik van het Basisboek Methoden en Technieken van Baarda en De Goede (2006). De respondenten die uit die steekproef komen, worden, desnoods een aantal

8


keer, aangeschreven om hen uit te nodigen voor een kort, telefonisch interview. De interviews worden afgenomen, uitgeschreven en de informatie wordt deels kwantitatief, deels kwalitatief verwerkt. Een deel van die kwantitatieve verwerking gebeurt statistisch. Om deze gegevens aan te vullen, verder uit te werken en om aanbevelingen te formuleren, worden ook nog enkele casestudies onderzocht. Deze casestudies worden bepaald door de resultaten van de tweede fase van het onderzoek, de resultaten van de interviews. Om deze interviews en casestudies correct aan te pakken werk ik met het Handboek Kwalitatieve Methoden van Dimitri Mortelmans (2009). In wat volgt, ga ik dieper in op de verschillende fasen van het onderzoek.

7.2. De steekproef Volgens Baarda en de Goede bepaal en omschrijf je bij een steekproef eerst de populatie. Dat is een ‘afbakening van de onderzoekseenheden die je in een onderzoek wil betrekken’ (p. 152). In dit onderzoek zullen dat dus de boekhandels, bibliotheken en auteurs zijn. Eens de populatie bepaald is, kun je een steekproefkader vaststellen. Het steekproefkader is ‘een vorm van administratie waarin de onderzoekseenheden zijn geregistreerd’ (Baarda & De Goede, 2006, p. 151). Een steekproefkader heeft als voordeel dat de kans van elk element uit het steekproefkader om in de steekproef terecht te komen, gekend is (De Pelsmacker, 2014). Na de gepaste grootte van de steekproef bepaald te hebben, wordt de methode gekozen waarmee de steekproef wordt getrokken. De keuze voor de methode wordt bepaald door twee factoren, waarvan de eerste is of ‘ieder element van de populatie een op voorhand gekende kans heeft, die niet nul is, om in de steekproef te zitten’ (De Pelsmacker, 2014). Als ieder element een gekende kans heeft, dan wordt er een probalistische of toevalsteekproef gebruikt. Zo niet, dan gaat het om een niet-probalistische steekproef. De tweede factor is of je ‘beperkingen oplegt aan het proces’ van de steekproef, bijvoorbeeld door de populatie onder te verdelen in verschillende groepen (De Pelsmacker, 2014). Zijn er beperkingen, dan gaat het om een restrictieve steekproef. Zo niet, dan is het een niet-restrictieve steekproef. De steekproef die ik gekozen heb voor dit onderzoek wordt verderop besproken. Als het steekproefkader, de steekproefgrootte en de steekproefmethode bepaald zijn, kan de steekproef getrokken worden. In deze methodologie beschrijf ik eerst hoe ik tot de respondenten van mijn onderzoek gekomen ben door gebruik te maken van een steekproef. Na het steekproefproces besproken te hebben, ga ik in op de manier waarop het onderzoek uitgevoerd is en hoe de verschillende data werden verwerkt.

7.2.1. Populatie De populatie van dit onderzoek bestaat uit drie verschillende groepen, die aansluiten bij de drie geformuleerde onderzoeksvragen. Het zijn de organisatoren, boekhandels en bibliotheken, en de auteurs. De eerste behandelde populatie is die van de boekhandels. De boekhandels die we in dit

9


onderzoek willen betrekken zijn alle A-boekhandels in Vlaanderen die auteurslezingen organiseren. Het voordeel van het gebruik van het A-label, is dat onze populatie volledig gekend is.6 Het steekproefkader van de boekhandels wordt verderop besproken. De tweede populatie is die van de gesubsidieerde Vlaamse bibliotheken die auteurslezingen organiseren. Dat bibliotheken gesubsidieerd zijn, houdt in dat ze een forfaitaire personeelssubsidie ontvangen van het Agentschap Sociaal Cultureel werk (Sociaal Cultureel, 2014). Een Vlaamse bibliotheek is een bibliotheek die gevestigd is in een Vlaamse of Brusselse gemeente. De derde populatie ten slotte is die van de auteurs. Dit is een onderzoek naar de impact van auteurslezingen op Vlaamse auteurs. Nederlandse auteurs die in Vlaanderen een lezing geven, komen voor dit onderzoek niet in aanmerking, omdat de context van auteurslezingen erg verschillend is in Nederland, lees: meer geprofessionaliseerd.7 Dat geeft ook al aan dat de populatie van auteurs beperkt wordt tot de auteurs die auteurslezingen geven. Het is niet mijn ambitie om mij uit te spreken over auteurs die zich daarvan wensen te onthouden. Deze drie groepen zijn de groepen waarover ik uitspraken wil doen op basis van dit onderzoek. De groepen worden verder conceptueel uitgediept in de literatuurstudie. Verdere beperkingen opgelegd aan de drie groepen zijn eerder methodologisch en praktisch van aard en worden in het volgende deel besproken.

7.2.2. Steekproefkader Mijn onderzoek heeft drie grote groepen respondenten; de boekhandels, de bibliotheken en de auteurs. Op basis van interne documenten van het VFL, stel ik een steekproefkader op en trek ik voor elke groep een zo representatief mogelijke steekproef, zodat de onderzochte groep zoveel mogelijk lijkt op de populatie als geheel (Baarda & De Goede, 2006, p. 144). Hiervoor maak ik gebruik van twee documenten (verkregen via persoonlijke correspondentie), namelijk de lijst met door het VFL gesubsidieerde auteurslezingen van 2013 (VFL, 2013e) – hierin staan alle organisatoren die subsidies ontvangen voor auteurslezingen behalve de boekhandels omdat deze onder regeling van A-boekhandels vallen (infra) – en de lijst met A-boekhandels die in 2013 een subsidie ontvingen voor een auteurslezing (VFL, 2013c). Op basis van de twee vermelde documenten stelde ik drie verschillende steekproefkaders op in de vorm van lijsten, die

6

Wat het A-label precies inhoudt, wordt besproken in de literatuurstudie. Voor het deel van het onderzoek naar verkoop- en uitleencijfers: als er Nederlandse, of andere buitenlandse, auteurs een lezing zijn komen geven in een Vlaamse boekhandel of bibliotheek, dan worden de verkoop- en uitleencijfers van hun boek op dezelfde manier verwerkt als die van Vlaamse auteurs. Ik ga er immers van uit dat hun nationaliteit geen significante invloed heeft op de onderzochte data. Enkel de auteurs die werkelijk aangeschreven worden voor een interview moeten Vlaams zijn of hoofdzakelijk in Vlaanderen actief (bijvoorbeeld doordat ze op de auteurslijst staan van het VFL en niet van het Nederlandse SSS).

7

10


aansluiten

bij

de

onderzoeksgroepen

waarvan

sprake

in

de

drie

geformuleerde

onderzoeksvragen. Boekhandels Het opstellen van het steekproefkader voor boekhandels was afwijkend van de andere kaders, omdat het hier specifiek om de A-boekhandel gaat, waarvan er maar 64 erkend zijn (infra). Daar komt nog bij dat enkel de boekhandels waarvan het VFL weet dat ze auteurslezingen organiseren, doordat ze een subsidie aangevraagd hebben, in aanmerking komen voor het steekproefkader. Dit doe ik zodat de non-respons van boekhandels die geen auteurslezingen organiseren, beperkt blijft. Uit het document VFL 2013c bleek dat in 2013 22 boekhandels subsidie vroegen en kregen voor literaire activiteiten. Uit die beperkte groep hoeft geen steekproef meer getrokken te worden, dus bestaat mijn respondentengroep uit het volledige steekproefkader van de boekhandels. Aangezien het hier toch om een derde van de populatie gaat, die tegelijk voldoende geografisch gespreid is over Vlaanderen, meen ik te kunnen zeggen dat het om een op zijn minst indicatieve steekproef gaat. Bibliotheken Het steekproefkader voor de bibliotheken werd uit het document VFL 2013e gegenereerd. In dat document staan zowel bibliotheken als scholen en socioculturele verenigingen die lezingen organiseren. Na deze andere organisaties uit het document te hebben gehaald en dubbels eruit te filteren, kwam ik aan 180 verschillende bibliotheken die in 2013 een gesubsidieerde auteurslezing organiseerden. Om een representatieve weergave te hebben van grotere en kleinere bibliotheken, werd een onderscheid gemaakt tussen bibliotheken van centrumsteden en van kleinere gemeentes. Dat onderscheid bepaalde ik op 300.000 euro forfaitaire personeelssubsidie, de subsidie die bibliotheken ontvangen van het Agentschap SociaalCultureel werk (Sociaal Cultureel, 2014).8 Bibliotheken die een subsidie krijgen van meer dan 300.000 euro worden in dit onderzoek behandeld als centrumbibliotheken. Zij worden apart bovenaan geplaatst in het bibliothekendocument. Omdat de steekproef systematisch is en begint vanaf een toevalsgetal, zullen er dus verhoudingsgewijs een gelijk aandeel centrumbibliotheken in de steekproef zitten als er in het steekproefkader zitten.9

8

Ik koos voor een drempel van 300.000 euro op aanraden van mijn praktijkbegeleidster Marieke Roels. In het document zie je ook dat centrumsteden steeds boven dat bedrag zitten en kleinere gemeenten er onder. 9 In het steekproefkader is 12% van de bibliotheken een centrumbibliotheek. In de uiteindelijke steekproef is dat 22 %. Als we rekenen per stad (er zijn drie bibliotheken uit dezelfde stad in de steekproef van de bibliotheken) dan is dat 17%. Het is niet exact hetzelfde aandeel, maar het is niet zo dat de representativiteit hier in het gedrang komt.

11


Auteurs Het steekproefkader van de auteurs werd eerst opgesteld met behulp van het document VFL 2013e en het document VFL 2013c. Zo wilde ik een zo divers mogelijke auteurspoel om de steekproef uit te trekken. Doordat de auteurs in het boekhandeldocument echter vaker gelegendheidslezingen gaven en slechts een keer in het document voorkwamen, was de steekproef die hieruit getrokken werd minder representatief.10 Daarom besloot ik het steekproefkader van de auteurs enkel op basis van het document VFL 2013e te maken. Elke auteur die drie lezingen of meer gaf in 2013 kwam in mijn steeksproefkader terecht. Zo kwam ik tot een lijst van 194 verschillende Vlaamse auteurs, waaruit ik mijn steekproef kon trekken. Door niet met de auteurslijst te werken, maar met de werkdocumenten van het fonds, verzeker ik me ervan dat het hier om actieve auteurs gaat, die nog steeds auteurslezingen geven.

7.2.3. Steekproefgrootte Volgens Baarda & De Goede moet een steekproef voor kwantitatief onderzoek zeker uit minimum 30 respondenten bestaan (2006, p. 166). Om mijn onderzoek behapbaar te houden en omdat de onderzochte populatie ook relatief klein is, is dit dan ook mijn streefcijfer. Zoals al aangegeven kan dit streefcijfer niet bereikt worden in het geval van de boekhandels, waar ik 22 respondenten vooropstel. Voor auteurs en bibliotheken kan ik wel telkens 30 respondenten zoeken. Hierbij moet ik wel voorzichtig zijn met non-respons. Op een kleine steekproef kan nonrespons snel een invloed hebben. Dat probeer ik op te vangen door bij non-respons het volgende element uit de lijsten van de steekproefkaders aan te spreken.11 Mortelmans geeft aan dat een kwalitatieve steekproef volledig is ‘wanneer theoretische saturatie bereikt is’ (2009, p. 164). Die theoretische saturatie is bereikt wanneer er niet langer nieuwe relevante data of invalshoeken gevonden worden. Het gaat hier natuurlijk over kwalitatief onderzoek en met dit soort steekproef wordt niet naar representativiteit gezocht, maar is het de bedoeling om alle relevante aspecten van het onderwerp in te dekken (p. 150). Centraal staat voor Mortelmans ‘het selecteren van informatierijke cases’ (p. 150). Voor het kwalitatieve deel van dit onderzoek werk ik dan ook met dit criterium voor de steekproefgrootte. Om de resultaten van het kwantitatief onderzoek aan te vullen en dus theoretische saturatie te bereiken, ga ik in een later stadium van het onderzoek op zoek naar cases die verdiepend zijn voor het onderzoek.

10

Mijn praktijkbegeleider Marieke Roels, stafmedewerker auteurslezingen bij het VFL, gaf vanuit haar ervaring aan dat een aantal auteurs mij maar weinig zouden kunnen vertellen. Deze werden er dan uit gefilterd. 11 Dit heb ik uiteindelijk slechts één keer moeten doen.

12


7.2.4. Steekproefmethode Aan de steekproef van de boekhandels is geen steekproefmethode te pas gekomen. Deze groep wordt hier dan ook buiten beschouwing gelaten. Op het steekproefkader van de auteurs werd een systematische steekproef met aselect begin toegepast (Baarda & De Goede, 2006, p. 155). Hierbij hebben alle elementen een even grote, op voorhand gekende kans om uit de steekproef te komen. Die kans was 1/6,5, omdat er 30 elementen gezocht werden uit een groep van 194 elementen. Alle elementen werden volgens hun achternaam, een arbitraire karakteristiek, in alfabetische volgorde geplaatst in een lijst, waarna elk zesde element vanaf het toevalsgetal één in de steekproef terecht kwam.12 Daarbij kwam ik op 33 verschillende auteurs uit. Dat waren er drie te veel. Op die manier konden de minder interessante auteurs – lees: auteurs die minder lezingen gaven – uit de steekproef gehaald worden. Hierbij bestaat de kans dat er onder meer inzake tevredenheid een vertekend beeld bestaat, omdat auteurs die minder lezingen geven minder vertegenwoordigd zijn, maar ik ga uit van de these dat auteurs die meer lezingen geven en dus meer thuis zijn in het lezingenveld, mij meer informatie kunnen geven over dat veld vanuit hun ervaringen, die talrijker zijn. Ik neem die eventuele vertekening er dus bij. Zoals al aangegeven werd er in het steekproefkader van de bibliotheken wel een onderscheid gemaakt tussen centrumbibliotheken en kleinere bibliotheken. De elementen uit beide strata stonden wel nog steeds in dezelfde lijst; eerst de centrumbibliotheken en daarna de kleinere, zodat de kans om uit de steekproef voort te komen voor beide groepen nog steeds ongeveer even groot was. Door geen steekproef te trekken uit twee aparte groepen vermijd ik dat de steekproef disproportioneel wordt. Het gaat hier dus om een deels gestratificeerde steekproef (Baarda & De Goede, 2006, 156). Op basis van de twee verschillende strata werd ook hier een systematische steekproef met aselect begin getrokken. De kans van een bibliotheek om in de steekproef te zitten was opnieuw 1/6, omdat er 30 elementen gezocht werden in een groep van 180 elementen. Deze trekking begon vanaf het toevalsgetal twee.

7.2.5. De respondenten In totaal nam ik voor de tweede fase van dit onderzoek 81 interviews af bij de verschillende onderzoeksgroepen. Ik bespreek eerst de responsgraad van de respondenten en daarna de samenstelling van de onderzoeksgroepen. Responsgraad Volgens de steekproefgrootte die ik eerder bepaalde, zou ik 82 respondenten interviewen. Dat dat er uiteindelijk 81 geworden zijn, is een onverhoopt succes. Deze hoge responsgraad van 99% is vooral te verklaren door de vele e-mails en telefoontjes waarmee ik de respondenten opriep te

12

Dit toevalsgetal werd bekomen door één keer met een digitale dobbelsteen te gooien.

13


participeren.13 De responsgraad is hoger voor de interviews die ik afnam dan voor de data (verkoopcijfers en uitleencijfers) die ik ontving. Het opzoeken van de data vergde voor de respondent iets meer moeite, terwijl de interviews geen voorbereiding vergden. Vooral de auteurs reageerden enthousiast op het onderzoek en boden gemakkelijk hun medewerking aan. Bibliotheken en boekhandels moest ik vaker meerdere keren contacteren. Uiteindelijk heb ik voor elke onderzoeksgroep een aanvaardbare responsgraad. Van de auteurs kon één respondent niet meewerken vanwege een deadline. Zij werd vervangen door de auteur die op haar volgde in het steekproefkader. Een andere auteur liet niets van zich horen en was ook telefonisch onbereikbaar. Deze laatste is niet vervangen. Ik kon uiteindelijk 29 van de 30 uitverkoren auteurs interviewen. Dat is een responsgraad van 97%. Van de 22 gecontacteerde boekhandels lieten er twee weten niet te kunnen meewerken, omdat de lezing waarvoor ze subsidie hadden aangevraagd eenmalig was geweest. De overige twintig boekhandels werkten allemaal mee door een interview te geven. Dat is een responsgraad van 91% en daarmee de laagste van de drie onderzoeksgroepen. De responsgraad voor het geven van verkoopcijfers is 45 %, lager dus dan die voor de interviews, net omdat dit veel meer inzet vergde. Hoewel ik 30 bibliotheken contacteerde, heb ik er uiteindelijk 32 geïnterviewd. Doordat deze interviews initieel traag op gang kwamen, contacteerde ik enkele extra bibliotheken via bibliothecarissen die ik wel al aan de lijn kreeg. Uiteindelijk kreeg ik toch elke bibliotheek uit het originele steekproefkader aan de lijn, waardoor ik iets meer bibliotheken kon interviewen dan voorzien. De responsgraad is hier dan ook 107%. Voor het geven van uitleencijfers halen de bibliotheken een responsgraad van 50%. Ook hier ligt dat aandeel dus lager dan de responsgraad voor interviews, omdat bibliotheken met verschillende computersystemen werken en sommige van deze systemen, zoals Vubis en Brocade, geen gebruiksvriendelijke manier hebben om de gevraagde cijfers op te zoeken. Auteurs Van de 29 ondervraagde auteurs koos 35% ervan anoniem te blijven. De namen van de auteurs die er wel voor kozen met naam bekend te zijn, vindt u terug in de bijlage. Alle auteurs die ondervraagd werden, staan op de auteurslijst. De auteurs vertegenwoordigen verschillende genres. Liefst 71% van hen houdt zich, uitsluitend of niet, bezig met kinder- en jeugdliteratuur. Hierin zitten ook jeugdpoëzie, prentenboeken en romans voor adolescenten vervat. Het is opvallend dat veel auteurs ook kinder- en jeugdliteratuur publiceren naast bijvoorbeeld proza of non-fictie. 17% van de auteurs publiceert non-fictie. Poëzie wordt eveneens door 17% van hen 13

De procenten die hier gebruikt worden, zijn afgerond tot op een eenheid.

14


beoefend. Proza is iets populairder met 24% van de auteurs. Een kleine groep van 7% schrijft theater. Over het algemeen lijkt de vertegenwoordiging van de genres in de steekproef representatief tegenover de auteurslijst. Er zijn veel auteurs van kinder- en jeugdliteratuur, omdat de meeste lezingen nu eenmaal in (lagere) scholen worden gegeven. Bibliotheken Bij bibliotheken werd er vooral op gelet zowel bibliotheken van centrumsteden als van kleinere gemeenten aan bod te laten komen. Als we een centrumbibliotheek definiëren als een bibliotheek die meer dan 300.000 euro subsidie ontvangt van het agentschap sociaal-cultureel werk, dan is 22% van de ondervraagde bibliotheken een centrumbibliotheek. In dat aandeel zitten drie verschillende bibliotheken uit het district Antwerpen; de hoofdbibliotheek, bibliotheek Permeke en de bibliotheek van Deurne. Als we dit bekijken als één centrumbibliotheek, dan is het aandeel van de centrumbibliotheken 17%.14 Boekhandels De twintig ondervraagde boekhandels zijn verspreid over Vlaanderen en zijn gevestigd in zowel grote als kleine steden. 25% van de boekhandels is gespecialiseerd in kinder- en jeugdliteratuur. Dit is iets meer dan het aandeel van 17% dat kinderboekhandels innemen in de volledige lijst van A-boekhandels, maar het is ook geen grote discrepantie. De overige boekhandels hebben het uitgebreide aanbod dat bij het A-label hoort.

7.3. Het interview Mortelmans omschrijft interviewen als ‘informatierijke data verzamelen bij een geïnterviewde’ (2009, p. 208). Hij maakt een onderscheid tussen kwantitatief en kwalitatief interviewen: ‘In kwantitatief onderzoek worden antwoordmogelijkheden aangereikt [...]. In kwalitatief onderzoek “hoor” je data, vorm je data’ (p. 208). De interviews die afgenomen worden in het kader van dit onderzoek vallen net tussen de twee. Ik kies ervoor om de interviews die ik afneem in het kader van dit onderzoek te klasseren naar graad van formalisering (p. 209).15 Geformaliseerde of gestructureerde interviews worden in een continuüm aan de kant van het kwantitatief onderzoek geplaatst (p. 209). Open of vrije-attitude interviews staan aan de kant van het kwalitatief onderzoek. Daartussenin zit het semi-gestructureerde interview en onder die classificatie vallen ook de interviews die ik afnam voor dit onderzoek. Het voordeel van het semi-gestructureerde interview is dat er flexibiliteit is in de vraagstelling, maar ook enige standaardisering over de verschillende respondenten heen. Dat maakt de vergelijking tussen

14

Om te bekijken wat het aandeel van de bibliotheken van Antwerpen zou zijn als één bibliotheek, deel ik het aantal centrumbibliotheken, 5, door het totaal aantal bibliotheken als de bibliotheken van Antwerpen één bibliotheek zouden zijn, 30. 15 Mortelmans klasseert interviews verder ook volgens inhoud, type respondent of type interviewer, maar die klasseringen zijn meer toegespitst op sociologisch onderzoek (p. 209 – 211).

15


respondenten zeker makkelijker. De aard van de afgenomen interviews en de interviewtechniek worden verder in dit onderdeel besproken, waarna ik iets dieper inga op de gebruikte vragenlijsten. Na de methode van dataverzameling besproken te hebben, ga ik in het volgende deel dieper in op de methode van dataverwerking.

7.3.1. het kwalitatieve interview Volgens Mortelmans heeft het kwalitatieve interview vier belangrijke kenmerken (p.213 – 214). Dat zijn flexibiliteit in aanpak, interactiviteit, een non-directieve interviewstijl en het feit dat het interview face-to-face gebeurt. Vooral dat eerste kenmerk is voor mijn interviews van belang. Die flexibiliteit is zowel intern als extern. Externe flexibiliteit houdt in dat de structuur en de inhoud van het interview aangepast worden aan de resultaten van de analyses. Als één fase van het onderzoek afgerond is, worden de data geanalyseerd en kunnen de interviews die in de volgende fase plaatsvinden daaraan aangepast worden. Zo kan er dan een andere invalshoek gebruikt worden. Na de eerste fase waarin ik telefonische interviews afneem bij verschillende respondenten die via een steekproef geselecteerd werden, werk ik in een tweede fase verder met die gegevens door enkele casestudies uit te werken. De interne flexibiliteit vindt plaats op microschaal en houdt in dat, hoewel het interview voorbereid werd door de interviewer, de volgorde van thema’s en vragen inwisselbaar is tijdens het interview (p. 213). Op die manier kan er gemakkelijk ingepikt worden op de antwoorden van de respondent. De interviewer past zich dus aan aan de geïnterviewde en laat het gesprek zijn natuurlijke gang gaan. De interactiviteit die van belang is voor kwalitatieve interviews houdt in dat de geïnterviewde het gesprek stuurt en dat de interviewer ervoor zorgt dat deze niet te ver afdwaalt (p. 213). In deze interactiviteit probeer ik niet te ver te gaan, om de antwoorden op mijn vragen vergelijkbaar te houden. De non-directieve interviewstijl leunt hier m.i. bij aan, omdat het de bedoeling is dat de interviewer zo weinig mogelijk ingrijpt in het verhaal van de respondent en zo het verhaal van die respondent centraal zet (p. 214). Dit wordt in beperkte mate ook gedaan in mijn interviews, in die zin dat de respondent telkens de ruimte wordt gegeven alles te zeggen wat hem of haar van het hart moet over een bepaald onderwerp. Als wat ze zeggen echter niets te maken heeft met het aangereikte onderwerp, zal ik het gesprek weer de juiste richting op sturen. De laatste belangrijke eigenschap van het kwalitatieve interview is dat het face-to-face gebeurt, of toch zeker “live” (p. 214). Het overgrote deel van de interviews die ik afneem vinden niet faceto-face plaats, maar telefonisch. Dat is m.i. te verantwoorden door het aantal interviews dat nodig was en de aard van de informatie die ik via de interviews zocht te vinden. Die informatie

16


was niet diepgaand of persoonlijk, dus was het opbouwen van een vertrouwensband met de respondent van inferieur belang aan de behoefte om veel data te verzamelen. De interviewtechniek die ik voor dit onderzoek toegepast heb, is dus wel enigzins kwalitatief, maar door beperkingen in de tijd en het specifieke soort informatie waar ik naar op zoek was, leunt het ook bij het kwantitatieve aan. Zoals ik al zei, zit het semigestructureerde interview dus tussen de twee in.

7.3.2. De kwalitatieve vragenlijst Voor een semigestructureerd interview kan er zowel met een vragenprotocol als met een topiclijst gewerkt worden. Een topiclijst is zoals de naam het zegt, ‘een lijst van onderwerpen die de interviewer in de loop van het interview aan bod moet laten komen’ (Mortelmans, 2009, p. 217). Het vragenprotocol werkt met meer uitgeschreven interviewvragen. De interviewer stelt aan iedereen ongeveer dezelfde vragen, maar de respondent krijgt ook ‘voldoende ruimte om zelf zijn verhaal te vertellen’ (p. 218). Een voordeel hiervan is dat de antwoorden meer vergelijkbaar zijn door de gelijkaardige vraagstelling. Als interviewer moet je echter wel oppassen dat de vraagstelling niet kunstmatig wordt. Omwille van het grote aantal interviews, waarvan bepaalde gegevens met elkaar vergeleken moeten worden, wordt in dit onderzoek met een kwalitatief vragenprotocol gewerkt. Een kwalitatieve vragenlijst kan doorheen het onderzoek naar vorm en inhoud veranderingen ondergaan en voldoet daarom idealiter aan drie belangrijke eigenschappen: ze moet flexibel zijn, iteratief en continu (p. 219). Dat een vragenlijst in een kwalitatief onderzoek flexibel moet zijn spreekt voor zich. Na een literatuurstudie kan een eerste vragenlijst opgesteld worden, maar door interviews af te nemen, weet een onderzoeker misschien beter waar hij naar op zoek is, of hoe hij sommige vragen beter verwoordt. Naarmate hij dus ‘meer interviews doet en hij een beter inzicht krijgt in de belangrijke concepten en hun relaties, moet de vragenlijst aangepast kunnen worden’ (p. 219). Met iteratief wordt bedoeld dat er een ‘bepaalde structuur in de opbouw van je interview zit’. Om de flexibiliteit van het interview toch enigszins in te tomen, benadrukt Mortelmans dat ook continuïteit van belang is voor het kwalitatieve interview. De vragenlijst moet dus ook continu zijn doorheen het onderzoek. Het is opnieuw vooral de flexibiliteit van het kwalitatieve interview die bij mijn interviewtechniek aansluit. Er is tijdens het proces ruimte voor verbetering van de vragenlijst. Bij het opstellen van de vragenlijst had ik natuurlijk al de secundaire literatuur doorgenomen, maar tijdens het interviewen zelf halen respondenten zaken aan waar ik niet eerder over nagedacht had, of bleek dat ik vragen beter op een andere manier verwoordde om het relevante antwoord te bekomen. Daarnaast hield ik natuurlijk de continuïteit in het achterhoofd. Mijn

17


vragenlijst was ook iteratief, in die zin dat telkens dezelfde opbouw werd gehanteerd. Voor de interviews waarmee in fase 2 van het onderzoek data werden verzameld, hanteerde ik voor elke onderzoeksgroep een aparte vragenlijst. Elke vragenlijst begon met de vraag of het geen probleem was dat het interview opgenomen werd en, bij de auteurs, of ze hun gegevens liever anoniem verwerkt zagen. Deze vraag werd gevolgd door enkele algemene vragen over het organiseren of geven van een auteurslezing. Bij de organisatoren werd dit gevolgd door te vragen naar verkoopcijfers of uitleencijfers waar ik ook in een e-mail naar gevraagd had. Bij bibliotheken en boekhandels werden deze vragen dan ook nog gevolgd door vragen naar de manier waarop ze promotie maken voor hun lezingen. Bij auteurs werden de algemene vragen gevolgd door vragen naar hun motivatie voor het geven van lezingen, waarbij dan ook gevraagd werd naar hun financiĂŤle motivatie en het aandeel dat de honoraria voor lezingen vormen in hun inkomen als auteur. Hierna wordt er gepolst of ze denken dat hun lezingen zorgen voor hogere verkoop- en uitleencijfers en of ze zelf boeken verkopen voor of na een lezing. Na deze vraag wordt er telkens gepolst naar hun motivatie om het wel of niet te doen. Daarna gaan we dieper in op het belang van de auteurslijst in het krijgen van aanvragen voor lezingen. Na deze vragen sluit ik elk interview af door te vragen naar de tevredenheid, of eventueel ontevredenheid, van de respondent, over (de werking van) het VFL. Op die manier ga ik ook op zoek naar manieren waarop de werking van het VFL rond de auteurslezingen nog verbeterd kan worden. De volledige vragenlijsten zijn te vinden in de bijlage.

7.3.3. Verwerking van de interviews De interviews werden opgenomen met een digitale recorder en getranscribeerd met behulp van het programma F5. Interviews die verliepen via een mobiele telefoon aan de kant van de respondent, konden door een verminderde geluidskwaliteit niet opgenomen worden. Bij deze interviews schreef ik in kernwoorden mee met wat de respondent vertelde, om dat alles zo snel mogelijk na het interview in meer gedetailleerde tekst om te zetten. Nadat de interviews zelf verwerkt waren, ging ik over tot de verwerking van de data uit de interviews, een proces dat in het volgende onderdeel besproken wordt.

7.4. Dataverwerking Eens de interviews uitgeschreven zijn, is het belangrijk dat de informatie uit de interviews op de meest efficiĂŤnte en heldere manier verwerkt wordt, om zo duidelijke conclusies te kunnen trekken uit het onderzoek. Aangezien dit onderzoek zowel kwalitatief als kwantitatief is, worden de interviews ook op deze beide manieren verwerkt. Dat houdt in dat de data uit de interviews zowel via tabellen verwerkt worden op een meer cijfermatige manier, als op een meer

18


kwalitatieve manier op basis van de tekst. De gegevens over uitlening en verkoop worden ook op een kwantitatieve manier verwerkt. Hieronder beschrijf ik eerst hoe de verwerking in het algemeen gebeurt, om dan in te gaan op de specifieke manier waarop dat gebeurt voor de drie onderzoeksgroepen.

7.4.1. Algemene dataverwerking De data worden op basis van uitgeschreven interviews en mailverkeer verwerkt. Eerst werd de informatie uit de interviews verwerkt. Dit gaat om meer algemene informatie en gaat ook wat vaker uit van het buikgevoel van de respondent. Interessant wordt om dit buikgevoel af te toetsen aan concrete cijfers. Uit die interviews worden eerst de dichotome, ja/nee-vragen gedistilleerd. De antwoorden op deze vragen worden in tabellen opgenomen. In een later stadium worden ook de kwalitatieve waarom-vragen verwerkt. Dit gebeurt nadat de kwantitatieve resultaten uit de interviews bekend zijn en indien zij duiding behoeven. De tabellen waarmee gewerkt wordt, zijn verschillende werkbladen die opgesteld worden in Excel. Elke onderzoeksgroep – auteurs, bibliotheken en boekhandels – heeft zijn eigen werkboek, dat uit verschillende werkbladen bestaat. Een werkblad toont telkens de antwoorden van de respondenten op vragen of rond onderwerpen uit de interviews. Door de gegevens op die manier voor te stellen, zie je al snel wat het zwaarste doorweegt en is het ook makkelijker om cijfermatig te berekenen wat het meest voorkomende antwoord is. Deze werkbladen worden ook gebruikt om respondenten te classificeren. De werkboeken kunnen in de bijlage geconsulteerd worden. Naast data uit interviews, worden ook de verkoop- en uitleencijfers van boekhandels en bibliotheken bestudeerd. Deze komen zowel uit interviews als uit e-mailverkeer; het medium dat de respondent verkoos. Niet elke respondent heeft ervoor gekozen om deze cijfers met mij te delen. Degenen die dat wel deden, gaven cijfers van 3 tot 5 auteurs of boeken. Zo komen we dus wel aan genoeg cijfers om over relevante tendensen te kunnen spreken. Deze data worden in databoeken bijgehouden en met het programma IBM SPSS Statistics verwerkt.

7.4.2. Dataverwerking auteurs Voor de onderzoeksgroep van de auteurs kunnen enkel data uit de afgenomen interviews verwerkt worden. De ondervraagde auteurs beschikten immers niet over consistente, kwantitatieve data over de boekenverkoop in boekhandels of over de eigen verkoop na lezingen. De informatie die ze mij hierover geven, gaat dus veelal uit van hun buikgevoel. Informatie over de eigen verkoop houden ze om verschillende redenen niet bij. Die eigen verkoop is vaak iets dat ze er maar bijnemen op vraag van de organisatoren of het publiek, en waarvoor ze dus niet altijd zelf het initiatief nemen. Het gaat vaak ook om verwaarloosbare aantallen, of het gebeurt maar

19


erg sporadisch; twee redenen die aangehaald worden als ik om cijfers vraag. Sommige auteurs geven aan dat ze volgens hun contract geen boeken mogen verkopen en dat het daarom ook niet vaak gebeurt. Een laatste reden die vaak aangegeven wordt, is dat auteurs vrezen btw-plichtig te worden als ze zelf hun boeken gaan verkopen.16 Er zijn dus verschillende redenen waarom auteurs geen overzicht bijhouden van de eigen verkoop voor of na hun lezingen. Als gevolg hiervan spreken ze vooral in veralgemeningen over de praktijk. Er is dus weinig concrete informatie, maar dit wordt samen met de resultaten van het onderzoek naar de auteurs, verderop in deze thesis besproken. Omdat ik dus niet over verkoopgegevens beschik, stel ik voor de auteurs enkel een werkboek op en geen databoek. Enkele zaken worden meer kwalitatief verwerkt. Voor de auteurs zijn dat de motivatie van de auteurs om lezingen te geven, de redenen die de auteurs aanhalen voor hun tevredenheid of ontevredenheid over de samenwerking met het Vlaams Fonds voor de Letteren en de punten van verbetering die ze aanhalen.

7.4.3. Dataverwerking boekhandels Bij de onderzoeksgroep van de boekhandels worden zowel interviews als gegevens, namelijk verkoopcijfers, gebruikt. Interviews worden zoals bij de auteurs in een werkboek en kwalitatief verwerkt. De verkoopcijfers worden apart verwerkt in een databoek. Het gaat om de verkoopcijfers van de auteur van één maand voor de lezing en één maand erna. Ik vroeg de boekhandelaren om mij de verkoopcijfers van vijf auteurs van recente lezingen te bezorgen. Er werd telkens gewerkt met de verkoopcijfers van het recentste boek van de auteur. Dit is een makkelijkheidsoplossing, omdat de boekhandelaar zich anders verplicht zag van elke auteur telkens de verkoopcijfers op te zoeken van elk boek en dit op te tellen. Er werd gekozen voor het recentste boek, omdat dit normaliter toch ook het boek is dat het best verkoopt, maar desalniettemin kan dit voor een vertekend beeld zorgen. Toch denk ik dat deze beperking ervoor zorgde dat de boekhandelaar niet zou afhaken. Desondanks heb ik de verkoopcijfers niet van alle boekhandelaren gekregen. Sommigen hadden de tijd niet om het op te zoeken, anderen zagen het nut van het onderzoek niet in. De verkoopcijfers worden met het programma IBM SPSS Statistics verwerkt. De data worden in twee tabellen geplaatst; de verkoop voor de lezing en de verkoop na de lezing. Met behulp van het programma wordt de gemiddelde meerverkoop berekend en wordt ook door middel van de paired samples t-test nagegaan of we kunnen spreken van een significant verschil tussen de cijfers voor en na de lezing. De paired samples t-test vergelijkt twee gemiddelde variabelen en toont aan of je de nulhypothese kan aanvaarden dan wel moet verwerpen. Als de nulhypothese 16

Of het klopt dat auteurs geen boeken mogen verkopen volgens hun contract en dat ze door boeken te verkopen btw-plicht worden, ga ik verder in dit onderzoek na.

20


aanvaard wordt, dan is er geen significant verschil tussen de gemiddelden. Als de hypothese verworpen wordt, dan is er wel een significant verschil. Met dit programma ga ik dus kijken wat de gemiddelde verkoop is voor en na de lezing en of we kunnen zeggen dat die lezing een impact heeft gehad op de verkoop van het recentste boek van de betrokken auteur.

7.4.4. Dataverwerking bibliotheken Bij de bibliotheken zijn er opnieuw zowel interviews als gegevens te verwerken. In dit geval gaat het om uitleencijfers. Voor bibliotheken was het iets meer werk om de cijfers te bekomen. Bibliotheken gebruiken onderling verschillende systemen om hun uitleningen te beheren. Sommige van deze systemen laten niet meer dan de laatste vijf uitleningen van een boek zien. Bibliotheken die hier mee werkten, konden mij dan ook geen uitleencijfers bezorgen. Een andere moeilijkheid is dat uitleencijfers steeds per exemplaar van een boek getoond worden en niet per boek. Sommige bibliotheken hebben me de uitleencijfers van alle exemplaren van een boek bezorgd. Andere bibliotheken hebben besloten dat dit te tijdrovend was en hebben we de uitleencijfers van ĂŠĂŠn exemplaar bezorgd. Desalniettemin worden alle gegevens samen verwerkt in de hoop dat het totale volume van de gegevens opweegt tegen enkele individuele afwijkingen. Hier worden overigens opnieuw de uitleencijfers van voor de lezing vergeleken met deze van na de lezing. Omdat het om uitleningen van steeds dezelfde boeken gaat, en niet om verkoop van verschillende exemplaren, heb ik ervoor gekozen met een tijdspanne van drie maanden voor de lezing en drie maanden na de lezing te werken. Ik vroeg opnieuw naar de gegevens van vijf auteurs van recente lezingen en verwerkte deze op dezelfde wijze als bij de boekhandels. De resultaten uit deze werkboeken en databoeken worden besproken in 9. De Resultaten.

21


8. Literatuurstudie Omdat de aard van dit onderzoek empirisch is en er tot op vandaag nog maar weinig onderzoek naar het onderwerp van deze scriptie gebeurd is, is het niet mijn bedoeling hier een uitgebreide literatuurstudie

op

te

zetten.

Daarom

schets

ik

kort

de

achtergrond

van

de

auteurslezingenproblematiek. Dit doe ik zowel conceptueel, historisch, beleidsmatig als cijfermatig. Ik sluit deze literatuurstudie af met een opsomming en een evaluatie van het onderzoek dat in Vlaanderen wel al gebeurd is naar mijn onderzoeksonderwerp en de manier waarop ik dat onderzoek graag wil aanvullen met mijn eigen scriptie. Voor deze literatuurstudie maak ik vooral gebruik van secundaire bronnen, zoals beleidsdocumenten, eerdere scripties en andere onderzoeken. Die vul ik aan met informatie uit interviews die ik afnam in de organisatie van waaruit ik mijn onderzoek voerde, het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL).

8.1. Conceptueel kader Voor ik dieper inga op de manier waarop auteurslezingen georganiseerd worden, vroeger en nu, stel ik eerst duidelijk wat ik versta onder de verschillende elementen van mijn onderzoeksvraag; een blow-up van die onderzoeksvraag, zo je wil. Die elementen zijn de auteur, de auteurslezingen, de bibliotheek, de A-boekhandel en de organisatie van waaruit ik opereer en die ook belangrijk is voor de ontwikkeling van de werking van de auteurslezingen, het Vlaams Fonds voor de Letteren.

8.1.1. de auteurslezing a. de auteur ‘Auteur’ is op het eerste zicht een eenduidig begrip. Van Dale (2014a) geeft echter zeven betekenissen voor het woord ‘auteur’, waarvan er één juridisch is en twee verouderd.17 De overige vier betekenissen zijn de volgende:

4. schrijver, schrijfster, opsteller van een boek of verhandeling 5. (in beperkende betekenis) schrijver of schrijfster van een letterkundig werk 6. schrijver of schrijfster van muziek 7. (metonymisch) literair werk Het auteursbegrip dat in dit onderzoek gehanteerd wordt, ligt vooral in de lijn van de beperkende betekenis van definitie 5. Het gaat dus om schrijvers van boeken, die van literaire aard zijn. Als we afgaan op wie volgens het VFL in aanmerking komt voor een plaats op de 17

De verwijzing naar de betekenis in Vandale gebeurt naar analogie met de scriptie van Marieke Roels (2012, p. 15).

22


auteurslijst, waarmee je een subsidie kan aanvragen voor 15 lezingen (infra), dan zijn auteurs: auteurs van proza, poëzie, essay, strips, literaire non-fictie, kinder- en jeugdliteratuur en theaterteksten, vertalers en illustratoren (VFL, 2014c, p. 1). Dan worden naast de klassieke schrijvers van proza, poëzie en theater, onder meer ook illustratoren en essayisten als auteurs beschouwd. Het VFL hanteert dus een breed auteursbegrip. Omdat ik voor dit onderzoek onder meer aan het werk ga met werkdocumenten van het VFL lijkt het mij belangrijk datzelfde auteursbegrip ook toe te passen. Zo wordt onduidelijkheid vermeden. b. de (gesubsidieerde) auteurslezing Auteurslezingen zijn momenten waarop auteurs samenkomen met een publiek, hun lezers, om het te hebben over literatuur, meestal over hun eigen werk. Die lezingen kunnen overal doorgaan. Ze worden vaak georganiseerd door scholen of verenigingen en kunnen zowel over fictie als non-fictie gaan. Voor het VFL is een auteurslezing een ‘ontmoeting tussen één of meer auteurs en lezers. Een lezing vertrekt vanuit de eigen publicatie(s) van de auteur, met name bestaande literaire boeken, teksten, illustraties of selecties van literair werk’ (VFL, 2014c, p.1). Deze benadering is iets strikter, wat niet zo opmerkelijk is, aangezien het VFL duidelijk wil afbakenen wat voor lezingen ze wil ondersteunen. Het VFL wil deze ontmoetingen aanmoedigen, omdat een lezing de drempel kan verlagen om te gaan lezen (VFL, 2014d, p. 1). Het werkt met andere woorden leesbevorderend. Daarom kunnen organisatoren subsidies aanvragen voor auteurslezingen. Die lezingen moeten dan minimum één (les)uur duren en kunnen creatief ingevuld worden (VFL, 2014c, p. 1). Criteria om in aanmerking te komen voor subsidie hangen samen met de aard van de organisator en of de gevraagde auteur wel of niet op de auteurslijst van het VFL staat. Deze criteria worden verder besproken (8.2 Auteurslezingenreglement). Sommige lezingen komen door de aard van de activiteit of de aard van de organisator niet in aanmerking voor een subsidie (infra). Deze lezingen vallen onder de noemer ‘ongesubsidieerde lezingen’. Deze lezingen zijn niet gesubsidieerd omdat ze gegeven worden door een auteur die niet op de auteurslijst staat of georganiseerd worden door een organisator die niet in aanmerking komt voor subsidie, omdat het om non-fictie gaat die geen literair karakter heeft, omdat de auteur of organisator al aan zijn maximaal aantal gesubsidieerde lezingen zit of omdat er simpelweg geen subsidie is aangevraagd. Deze korte opsomming van mogelijke oorzaken van het niet subsidiëren van lezingen toont al aan dat heel wat lezingen niet gesubsidieerd zijn. Deze komen wel aan bod in het onderzoek, maar er is geen cijfermateriaal voorhanden om een duidelijke schets te maken van deze lezingen. Dit heeft er vooral mee te maken dat er geen eenduidige manier is om een zicht te krijgen op die ongesubsidieerde lezingen. Er is bijvoorbeeld geen centraal informatiepunt waar informatie te vinden is over alle auteurslezingen, gesubsidieerd en

23


ongesubsidieerd. Om een uitgebreide veldtekening van alle auteurslezingen te maken, zou bijkomend onderzoek nodig zijn. In dit onderzoek worden enkel de ‘klassieke’ auteurslezingen meegenomen, gesubsidieerd of ongesubsidieerd, en niet de literaire optredens. De lezingen die in deze scriptie besproken worden, zijn lezingen waarbij een Nederlandstalig literair werk centraal staat. Hier kan wel creatief mee omgegaan worden. Zo kan er eventueel met muzikanten of attributen gewerkt worden, of een illustrator kan de lezing combineren met een creatieve opdracht, zolang de focus literair is. De lezing rond een literair werk of een auteur is dan ook de enige soort lezing die als auteurslezing gesubsidieerd kan worden, hetzij via de regeling van de auteurslezingen waarmee organisatoren een subsidie van 100 euro kunnen aanvragen, hetzij via de A-boekhandelregeling (infra).

8.1.2. de bibliotheek Volgens Van Dale (2014b) is een bibliotheek een:

1. plaats waar een verzameling boeken opgesteld is, hetzij als vertrek in een gebouw of als zelfstandig gebouw 2. verzameling boeken 3. (pregnant voor) uitleenbibliotheek 4. groot aantal boeken 5. als titel van een reeks uitgaven op een bepaald gebied bij eenzelfde uitgever, of althans als één onderneming verschijnend

De term bibliotheek zal in dit onderzoek gebruikt worden in de betekenis van definitie 1 en 3. Daarbij komen nog de basisvereisten waaraan een bibliotheek moet voldoen volgens het decreet Lokaal Cultuurbeleid. Die basisvereisten hangen samen met de subsidie die de bibliotheek ontvangt en zijn de volgende:

1. inspelen op maatschappelijke uitdagingen zoals de digitalisering van de samenleving; 2. een onafhankelijk en pluriform informatieaanbod ter beschikking stellen, breed en zorgvuldig samengesteld, aangepast aan de behoeften van het doelpubliek en in een niet-commerciële omgeving; 3. een online-catalogus aanbieden vanuit een bibliotheeksysteem, gebaseerd op de gegevens van het centraal bibliografisch achtergrondbestand Open Vlacc; 4. de raadpleging in de bibliotheek van alle informatiedragers en de uitlening van materialen en

24


bestanden zo laagdrempelig mogelijk maken, in het bijzonder voor moeilijk bereikbare doelgroepen en voor mensen met een beperkt inkomen; 5. een optimale publieke dienstverlening garanderen op klantvriendelijke uren; 6. van de middelen, bestemd voor de aankoop van gedrukte materialen, jaarlijks minstens 75 percent van het vastgestelde budget besteden aan Nederlandstalige publicaties; 7. met het oog op monitoring, naast de door de gemeenteraad goedgekeurde jaarrekening, één keer per jaar algemene beleidsrelevante gegevens ter beschikking stellen over de openbare bibliotheek in de vorm en volgens de procedure die de Vlaamse Regering bepaalt (Schauvliege, 2013, p. 12).

Aan deze basisvereisten zijn dus subsidies verbonden van de Vlaamse Gemeenschap. Voor dit onderzoek worden enkel bibliotheken onderzocht die aan deze basisvereisten voldoen en daarvoor subsidies ontvangen. Deze bibliotheken zijn terug te vinden op de website van het Decreet Sociaal-Cultureel Volwassenenwerk (Sociaal Cultureel, 2014). Chiara de Caluwé heeft het in haar onderzoek naar het literaire middenveld van Vlaanderen over bibliotheken als ‘een logische plaats waar literatuur op lokaal niveau een rol kan spelen’ (2009, p. 66). Het is dan ook in die hoedanigheid dat ik de bibliotheken behandel, als lokale spelers met een literair activiteitenaanbod. De Caluwé geeft ook aan dat er een verschil merkbaar is tussen de bibliotheken van centrumsteden en van kleinere gemeentes, als het op er op aan komt een echt letterenbeleid uit te tekenen. Op lokaal niveau zou er maar weinig gebeuren op gebied van literatuur, terwijl er in de centrumsteden een ‘meer bloeiend literair klimaat’ is (p. 67). Ik zorg er dan ook voor dat beide soorten bibliotheken aan bod komen in dit onderzoek.

8.1.3. de A-boekhandel De A-boekhandel of kwaliteitsboekhandel wordt sinds 2008 ondersteund door het VFL, in samenwerking met de Vereniging Vlaamse Boekverkopers en Boek.be, in opdracht van de Vlaamse minister van Cultuur (VFL, 2013a, p. 1). Met de ondersteuningsregeling willen de partners ‘kwaliteitsboekhandels ondersteunen die een ruim, divers en kwalitatief assortiment nastreven, extra aandacht besteden aan informatie en dienstverlening aan de lezer en literaire activiteiten ondersteunen’ (p. 1). A-boekhandels kunnen gratis exemplaren krijgen van boeken die literair en kwalitatief waardevol, maar economisch kwetsbaar zijn, en ondersteuning krijgen voor literaire activiteiten in de boekhandel. Deze laatste steunmaatregel is van belang voor dit onderzoek. Om aanspraak te maken op het label van A-boekhandel, moet de boekhandel aan enkele criteria voldoen.

25


- Gevestigd in het Vlaams of Brussels Gewest. - Een titelvoorraad van minimaal 5.000 boeken, waarvan minimaal 2.500 in het literaire en/of culturele segment volgens de overeenstemmende NUR-codes die aan elk boek door de uitgeverij worden toegekend. Voor boekhandels gespecialiseerd in kinder- en jeugdliteratuur of kunst en cultuur volstaat een aanbod van minimaal 1.500 titels binnen de specialisatie. - Het aandeel van de boekenverkoop op de omzet exclusief school- en studie-boeken van de boekhandel, maakt 70 % uit voor boekhandels in de centrumsteden en 65 % voor boekhandels in kleine steden. - De boekhandel heeft een publiek toegankelijke fysieke winkelruimte, die minimaal 20 uur per week open is. - De boekhandel biedt een bestel- en opzoekmogelijkheid en heeft daarvoor de nodige informatiebronnen ter beschikking. Het personeel in de boekhandel kan de klanten kwalitatief informeren over de aanwezige titels. - De boekhandelaar heeft oog voor samenwerking met plaatselijke culturele, literaire, educatieve organisaties. - De bedrijfsleider beschikt over de autonomie om te beslissen over aankoop en assortimentsbepaling (VFL, 2013a, p. 1-2). Boekhandels kunnen het A-label aanvragen via een aanvraagformulier op de VFL-website (p. 2). Momenteel zijn er 64 boekhandels door het VFL erkend als A-boekhandel. De details van de ondersteuning voor A-boekhandels voor literaire activiteiten worden verderop besproken.

8.1.4. Het Vlaams Fonds voor de Letteren Het Vlaams Fonds voor de Letteren is een Vlaamse Openbare instelling sui generis die instaat voor het Vlaamse letterenbeleid en die sinds 1 januari 2000 actief is (VFL, 2014b). De missie van het VFL luidt: Het VFL steunt de Nederlandstalige letteren en de vertaling in en uit het Nederlands van literair werk in de brede zin van het woord. Op die manier helpt het de sociaaleconomische positie van Vlaamse auteurs en vertalers te verbeteren. (VFL, 2014b)

Alles wat in Vlaanderen met letteren te maken heeft, heeft op een of andere manier ook met het VFL te maken. Het VFL zorgt voor de ‘ondersteuning van creatie, productie, presentatie en omkadering’ van de Vlaamse literatuur (VFL, 2014b). Dit doet ze door subsidies, informatie en documentatie te verlenen. In 2012 sloot het VFL een nieuwe beheersovereenkomst met de Vlaamse regering, waarin haar een sleutelrol werd gegeven in het geïntegreerd letterenbeleid (Kunsten en erfgoed, 2012). Met dat geïntegreerd letterenbeleid wil minister van Cultuur Joke

26


Schauvliege ‘de versnippering in de subsidiëring voorkomen en bewaken dat de Letteren als volwaardig

meedraaien

in

de

kunstensector’

(Schauvliege,

2009,

p.

38).

In

de

beheersovereenkomst van het VFL wordt er gesproken over ‘de versterking van het literair middenveld, zowel organisatorisch, inhoudelijk als qua samenwerking en afstemming’ (Beheersovereenkomst, 2012). Hiertoe werd de bevoegdheid over een aantal organisaties – concreet: Passa Porta, Het Beschrijf, het Poëziecentrum en Strip Turnhout – al aan het VFL overgedragen (Kusten en Erfgoed, 2012). Op 1 januari 2014 werden ook Stichting Lezen en Leesweb overgebracht naar het VFL (Advies Sectorraad Kunsten en Erfgoed, 2013). Zij worden nu vanuit het VFL gesubsidieerd. Op die manier wordt het VFL ‘als sleutelspeler voor het gesubsidieerde letterenveld’ bevestigd (Beheersovereenkomst, 2012). Een ander aspect van het geïntegreerd letterenbeleid is dat de subsidies voor auteurslezingen sinds 2012 aan de opdrachten van het VFL werden toegevoegd, en dus niet meer behandeld worden door Stichting Lezen Vlaanderen (infra). Met deze overdracht kwamen enkel veranderingen mee, die verderop besproken worden.

8.2. Auteurslezingen in Vlaanderen 8.2.1 Auteurslezingen: van hot naar her Auteurslezingen worden nu al zo’n 30 jaar gesubsidieerd in Vlaanderen en in die tijd werden ze al bij verschillende instanties ondergebracht. Ik bespreek eerst de voorgeschiedenis van de auteurslezingen, aan de hand van onderzoek van Sofie Couwenbergh (2010, p. 30 – 51), aangezien zij de meest uitgebreide uiteenzetting neerzette over de geschiedenis van de gesubsidieerde auteurslezingen. Daarna bespreek ik de recente veranderingen in de werking van auteurslezingen sinds de overheveling van de subsidiewerking op 1 januari 2013 van SL naar VFL, aan de hand van een interviews met Marieke Roels, stafmedewerker auteurslezingen bij het VFL, en Lara Rogiers, coördinator binnenland bij het VFL, en aan de hand van een vergelijking die ik gemaakt heb tussen verschillende, opeenvolgende reglementen van het VFL. a. Voorgeschiedenis Sinds 1983 is er sprake van een Vlaamse subsidieregeling voor auteurslezingen, maar omdat hier maar weinig informatie over bestaat, begint Sofie Couwenbergh haar overzicht in 1995 (2010, p. 30). In dat jaar komt er een subsidieregeling voor scheppende kunstenaars, waartoe ook auteurs behoren. Die subsidieregeling van de Vlaamse Gemeenschap wordt via een lijst georganiseerd, gelijkaardig aan de auteurslijst die nu gebruikt wordt, waarop kunstenaars staan die in aanmerking komen voor het geven van gesubsidieerde lezingen. Bij de oprichting van het VFL in 2000, neemt deze nieuwe organisatie de auteurslezingenwerking op zich en voorziet er een apart luik voor in de subsidieregeling (p. 33). Vanaf nu wordt er met een lijst ‘gesubsidieerde lezingen’ gewerkt, die ook wel de auteurslijst genoemd wordt. Om een subsidie

27


te krijgen voor een auteurslezing moest een auteur op die lijst, die regelmatig werd aangepast, staan. Auteurs die op die lijst wilden komen, moesten niet aan kwaliteitscriteria, maar formele criteria voldoen (p. 34). De auteurslezingen resideerden bij het VFL van 2000 tot 2004. Op 1 januari 2005 werd de subsidiëring van de auteurslezingen overgeheveld naar Stichting Lezen Vlaanderen (vanaf nu SLV), die als algemene doelstelling had ‘op een structurele, consistente en coherente wijze de leescultuur, het leesklimaat en de leesomgeving te stimuleren in Vlaanderen’ (p. 35 – 37). Vandaag luidt het dat het hun opdracht is om: brede bevolkingsgroepen het plezier en het nut van lezen te laten ontdekken en beleven om zo hun persoonlijke ontwikkeling en maatschappelijke participatie te bevorderen. Daartoe zet Stichting Lezen structureel een ononderbroken lijn van initiatieven, projecten, methodieken en campagnes op, gebaseerd op ervaringen uit het werkveld en/of inzichten uit onderzoek naar lezen. (Stichting Lezen, 2014)

De missie is nu dus iets uitgebreider, en misschien iets wolliger, maar de opdracht van SLV is in wezen niet veranderd door de terugkeer van de auteurslezingen naar het VFL in 2013. Over de redenen voor de initiële overheveling van de auteurslezingen van het VFL naar SLV is geen eensgezindheid (Couwenbergh, 2010, p. 36). Volgens Couwenbergh beweerde SLV dat auteurslezingen door het VFL gezien werden als een instrument voor leesbevordering, waardoor dit thuishoorde bij SLV, die leesbevordering als deel van haar opdracht ziet. Volgens het VFL kwam die visie op auteurslezingen als instrument voor leesbevordering vooral van de auteurs zelf, omdat ze, uit angst voor een budgetverlaging voor auteurslezingen bij het VFL, liever hun subsidies wilden behouden door onder SLV te resideren. Feit is dat de auteurslezingen van 1 januari 2005 tot 31 december 2012 door SLV gesubsidieerd werden en daarna terugkeerden naar het VFL. Bij de overheveling van het budget voor die subsidies van het VFL naar SLV in 2005 werden geen afspraken gemaakt over hoe het subsidiebedrag door SLV aangewend zou worden (Couwenbergh, 2010, p. 35). Bij het VFL ging het budget voor auteurslezingen volledig naar de subsidies die uitgedeeld werden (p. 42). Er werd met andere woorden geen overhead mee gefinancierd. Bij SLV lijkt dit wel zo geweest te zijn. SLV kreeg in 2005 hetzelfde budget als dat waar het VFL in 2004 mee te werk ging, namelijk 330.000 euro. Er ging in dat jaar echter maar 287.250 euro naar de subsidiëring van lezingen (p. 41). Dat bedrag ging de volgende jaren nog naar beneden. Gedurende de tijd dat de subsidies door SLV uitgedeeld werden, daalde ook de toegekende subsidie per lezing van 125 naar 100 euro, met het idee dat het budget zo over meer lezingen verdeeld kon worden en de subsidiepot niet in het midden van het jaar al leeg was (p. 39). Desondanks blijkt uit cijfers dat SLV jaarlijks minder lezingen subsidieerde dan het VFL deed in 2004 (p. 41). De overheveling naar SLV lijkt het beoogde doel, meer gesubsidieerde

28


lezingen, voorbij te zijn geschoten, door de beperkte middelen die SLV zelf maar ter beschikking had. Enkele andere zaken die veranderden toen de auteurslezingen onder SLV resideerden zijn dat SLV organisatoren verplichtte een minimumbijdrage van 25 euro bij te dragen aan het honorarium van de auteur van de lezing, zodat de organisatoren zich meer zouden inzetten om van de lezing een succes te maken (Couwenbergh, 2010, p. 39). Er werden ook vaste aanvraagmomenten voor organisatoren ingesteld, om te voorkomen dat het subsidiebudget te snel zou opdrogen (p. 39). Een laatste belangrijke wijziging die door SLV werd doorgevoerd op het vlak van auteurslezingen, is dat ze een ongeschreven kwaliteitscriterium hanteerden voor auteurs die op de auteurslijst wilden (p. 45). Volgens Couwenbergh betreft het ‘een zekere standaard waaraan het werk van een auteur moet beantwoorden en die beoordeeld wordt door de door SLV aangestelde Commissie Auteurslezingen’ (p. 45). Het kwaliteitscriterium werd niet in het reglement opgenomen en er werd ook niet geëxpliciteerd waaruit het criterium bestond en aan welke voorwaarden een auteur moest voldoen om opgenomen te worden op de auteurslijst. Het leidde dan ook tot frustratie bij verschillende auteurs. Volgens Lara Rogiers dreigde SLV er ook het doel van de auteurslezingen mee voorbij te schieten (Rogiers & Roels, 2014). Een auteur die boeken schrijft die literair misschien minder kwaliteitsvol zijn, kan wel heel enthousiasmerend zijn over literatuur en zo aan leesbevordering doen. Omgekeerd kan een auteur van goede boeken soms minder goede lezingen geven, waardoor deze een averechts effect zullen hebben en niet leesbevorderend zijn. Eind 2008 startte het VFL, los van de werking van de auteurslezingen, met een speciale ondersteuningsregeling voor A-boekhandels (p. 50; supra). Een onderdeel van die regeling was dat A-boekhandels ook subsidies konden aanvragen voor het organiseren van literaire activiteiten (p. 51). Deze regeling zit nog steeds bij het VFL en op haar auteurslezingenluik wordt verder in deze literatuurstudie nog ingegaan. b. Recente ontwikkelingen Op 1 januari 2013 werden de auteurslezingen opnieuw ondergebracht bij het VFL, onder meer omdat er na enkele jaren toch frustraties waren ontstaan over de werking van SLV bij auteurs (Roels, 2014). Deze terugkeer gebeurt na de scripties van Couwenbergh, De Caluwé en Roels. Over de periode sinds 1 januari 2013 is dus nog geen samenhangend overzicht gemaakt. Om dit overzicht toch aan te kunnen bieden in dit onderzoek, werk ik met enkele beleidsdocumenten en interviews met Marieke Roels en Lara Rogiers. Zoals al aangegeven waren er na enkele jaren frustraties ontstaan over de manier waarop SLV de auteurslezingen subsidieerde. De drie belangrijkste klachten waren volgens Marieke Roels dat het aanvraagproces voor organisatoren te traag was, dat SLV het budget voor

29


auteurslezingen verlaagd had – zowel het totale budget als het subsidiebedrag per lezing – en dat auteurs die wel uitgegeven werden door professionele uitgeverijen door het kwaliteitscriterium toch niet op de auteurslijst geraakten. De Caluwé gaf ook al voor de overheveling plaatsvond aan dat er ongenoegen was omdat er maar drie aanvraagmomenten per jaar waren, een rigide planning die niet strookte met de agenda van de auteurs en de organisatoren, die liever korter op de bal spelen (2009, p. 54). Ook het verschil tussen de auteurs en SLV in hun opvatting van de finaliteit van de auteurslezingen begon voor frustratie te zorgen; auteurs zagen auteurslezingen als een bron van inkomsten, terwijl SLV ze, niet onlogisch vanuit hun missie, zag als een instrument voor leesbevordering (2009, p. 105). Lara Rogiers beaamt dat de rigiditeit van de aanvraagprocedure leidde tot frustratie bij auteurs en organisatoren (2014). Dat is één van de redenen waarom de Vlaamse Auteursvereniging (VAV) de verschillende spelers van het veld in 2011 samenriep om te overleggen over de auteurslezingen. Een andere reden waarom ze de auteurslezingen hervormd wilden zien, was de verloning van auteurs voor lezingen; deze moest omhoog. Daarnaast kadert deze overheveling ook in het geïntegreerd letterenbeleid. Na een versplintering van het literaire middenveld onder Minister van Cultuur Bert Anciaux, wilde de huidige Minister van Cultuur Joke Schauvliege tijdens haar legislatuur het literaire middenveld weer verenigen onder de vleugels van het VFL (Rogiers, 2014). Tegelijk met de gesprekken tussen de VAV en het VFL over auteurslezingen, vonden dus ook gesprekken plaats over het geïntegreerd letterenbeleid, wat uiteindelijk leidde tot onder meer de overheveling van de auteurslezingen van SLV naar het VFL in 2013. Sindsdien ondernam het VFL enkele eenvoudige stappen om de opgesomde pijnpunten weg te werken, zowel voor auteurs als voor organisatoren. Auteurs De belangrijkste wijziging voor auteurs is dat er niet meer met een kwaliteitscriterium wordt gewerkt voor de auteurslijst, maar enkel met formele criteria. De Adviescommissie Auteurslezingen kijkt wel nog naar het literaire karakter van een werk, bijvoorbeeld bij nonfictie, maar niet naar de literaire kwaliteit (Roels, 2012, p. 3). De Adviescommissie vertrouwt erop dat de uitgeverijen die kwalitatieve selectie doen, door het werk in eerste instantie uit te geven (Roels, 2014). Verschillende auteurs die niet op de auteurslijst van SLV geraakten, staan nu dus wel op de auteurslijst van het VFL, wat voor veel tevredenheid zorgde bij de betrokken auteurs.18 Er is sinds 2013 ook een extra aanvraagronde bijgekomen voor auteurs. Nu kunnen ze vier keer per jaar een aanvraag indienen om op de auteurslijst te komen.

Dat is één

aanvraagronde meer dan bij SLV. Een laatste verandering voor de auteurs is dat nu ook 18

De huidige criteria om op de auteurslijst te komen worden verderop nog besproken.

30


debutanten in aanmerking komen voor de auteurslijst (Roels, 2012, p. 3). Zij kunnen jaarlijks acht gesubsidieerde lezingen geven, waar andere auteurs met minimum twee publicaties jaarlijks vijftien gesubsidieerde lezingen kunnen geven. Organisatoren Ook voor de organisatoren van de auteurslezingen werden er enkele veranderingen doorgevoerd. Zo zijn er voor aanvragen van organisatoren geen aanvraagrondes meer, maar kan een organisator het hele jaar door een subsidie aanvragen voor een lezing (Roels, 2012, p. 2). Dit moet minimaal twee maanden en maximaal twaalf maanden op voorhand gebeuren (VFL, 2014d, p. 3). De bedragen die een organisator verplicht bijdraagt aan het honorarium van de auteur zijn verhoogd, maar ook gedifferentieerd. Zo moet een school doorgaans een lagere minimum-bijdrage doen dan een leesclub. Een laatste verandering die in 2013 werd doorgevoerd, is dat de organisator de dag na een auteurslezing een mailtje ontvangt met de vraag om een kort verslag in te dienen over de lezing (Roels, 2012, p. 2). Hiervoor heeft hij vijf dagen de tijd. Pas nadat het verslag ingediend is, betaalt het VFL de auteur uit. Met die verslagen wil het VFL een zicht krijgen op de manier waarop de lezingen verlopen. Veranderingen 1 januari 2014 In 2014 kwamen er nog enkele veranderingen bij die zowel voor de auteurs als de organisatoren van belang zijn. Sinds 1 januari 2014 bemiddelt het VFL financieel voor gesubsidieerde auteurslezingen, dit om te garanderen dat auteurs correct vergoed worden voor hun lezing (VFL, 2014a). Het VFL int het honorarium en de onkostenvergoeding rechtstreeks bij de organisator van de lezing en stort dit samen met de subsidie als ĂŠĂŠn totaalhonorarium door naar de auteur. Zo neemt het VFL een deel van het administratieve werk op zich. Daarnaast werd er ook een nieuwe website gelanceerd, die dienst doet als een online platform waarop organisatoren en auteurs hun gesubsidieerde lezingen kunnen beheren. Via deze website kunnen organisatoren en auteurs eveneens hun verslagen van de lezing voor elkaar zichtbaar maken. Zo hebben ze beiden een beter zicht op hoe de lezing verlopen is en waar er eventueel nog plaats is voor verbetering. Ook in het subsidiereglement werden enkele wijzigingen aangebracht. In 2013 konden organisatoren maximum acht maanden voor de lezing gepland stond hun subsidie aanvragen (VFL, 2013d, p. 2). Voor lezingen in 2013 konden aanvragen maar ingediend worden vanaf 1 oktober 2012. Dit veranderde in 2014 naar een aanvraagtermijn van maximum twaalf maanden (VFL, 2014d, p. 3). Het aantal organisatoren dat een subsidie kan aanvragen voor een lezing is ook uitgebreid in 2014. In 2013 waren die organisatoren nog beperkt tot scholen, bibliotheken,

31


leesclubs en het verenigingsleven (VFL, 2013d, p.1). In 2014 is dat verenigingsleven uitgebreid naar

socio-culturele verenigingen, bewegingen en vormingsinstellingen; zorginstellingen,

organisaties uit de welzijnssector; cultuur- en gemeenschapscentra; kunstenorganisaties en organisaties voor kunsteducaties en sociaal-artistieke werking (VFL, 2014d, p. 1). Specifieke leesbevorderingsprojecten die in 2013 hun aanvraag indienden bij het participatiedecreet (VFL, 2013d, p. 4), kunnen dat vanaf 2014 doen bij het VFL, waar er nu een subsidieregeling ‘leesbevordering’ is (VFL, 2014c, p. 5). Een nieuwe regel is dat er voor lezingen met auteurs die een honorarium vragen dat hoger is dan 500 euro, geen subsidie aangevraagd kan worden (VFL, 2014c, p. 2). Een laatste wijziging is dat auteurs zich niet meer moeten beperken tot twee gesubsidieerde lezingen per dag, maar er drie gesubsidieerd mogen geven (VFL, 2013d, p. 2 & VFL, 2014c, p. 2).

8.2.2. Auteurslezingenreglement Aan de subsidies voor auteurslezingen zijn enkele voorwaarden verbonden. Er zijn criteria om op de auteurslijst te geraken, voorwaarden voor organisatoren om een subsidie aan te vragen en er zijn ook de voorwaarden waaraan een boekhandel moet voldoen om A-boekhandel te worden en op die manier ook steun aan te vragen voor auteurslezingen. De voorwaarden om subsidie te ontvangen in de regeling ‘auteurslezingen’ en het aanvraag- en uitbetalingsproces worden hier besproken, waarna ik in het volgende onderdeel dieper inga op de regeling ‘A-boekhandels’. a. De auteurslijst Om een subsidie aan te vragen voor een auteurslezing, of dat nu door een ‘gewone’ organisator of een A-boekhandel is, moet de gevraagde auteur op de auteurslijst staan.19 Zowel auteurs van proza, poëzie, essay, strips, literaire non-fictie, kinder- en jeugdliteratuur en theaterteksten, als vertalers en illustratoren komen in aanmerking voor opname op de auteurslijst (VFL, 2014c, p. 1). Hiervoor moeten ze aan enkele voorwaarden voldoen: □

De auteur schrijft Nederlandstalig literair werk: proza, poëzie, essay, kinder- en jeugdliteratuur (inclusief geïllustreerde boeken), literaire non-fictie (dus geen boeken over huis, tuin en keuken, vrije tijd of wetenschappelijke publicaties), theaterteksten, vertalingen in het Nederlands en strips.

De auteur heeft een woonplaats in België.

De auteur schreef/maakte/vertaalde minimaal twee literaire werken die verschenen bij een professionele uitgeverij. Bibliofiele uitgaven komen niet in aanmerking. De professionaliteit van de uitgeverij(en) van de gerealiseerde publicaties moet aan minimumvoorwaarden voldoen en wordt beoordeeld in relatie met de boekhandel en in relatie met de auteur. De voorgestelde publicaties hebben een ISBN-nr. en zijn opgenomen in Boekenbank, CB Online en in de catalogus van

19

Een A-boekhandel kan ook een subsidie krijgen voor een auteur die niet op de auteurslijst staat, maar indien hij een auteur uitnodigt die wel op de auteurslijst staat, krijgt hij een hogere subsidie (infra).

32


bibliotheek.be. De uitgeverij verzorgt een aanbieding aan de boekhandel, hanteert de gebruikelijke leveringsvoorwaarden en maakt minstens één keer per jaar een fondslijst. Om deze voorwaarden te toetsen, kan het Vlaams Fonds voor de Letteren informatie inwinnen bij de Vereniging Vlaamse Boekverkopers. Voor de desbetreffende uitgaven bestaat bovendien een uitgavecontract tussen uitgeverij en auteur, dat voldoet aan de eisen van het ‘Modelcontract voor oorspronkelijk Nederlandstalige algemene uitgaven’ van de Vlaamse Auteursvereniging en de Groep Algemene Uitgevers van de Vlaamse Uitgevers Vereniging, of bij een Nederlandse uitgever aan de eisen van het ‘Modelcontract voor de uitgave van oorspronkelijk literair werk’ van de Nederlandse Vereniging van Letterkundigen en de Groep Algemene Uitgevers. Er wordt een regulierauteurshonorarium aan de auteur betaald. De auteur wordt door de uitgever redactioneel begeleid. Titels waarvoor de auteur zelf in de productie-, promotie-of distributiekosten participeert of waarvan de auteur een bepaald aantal exemplaren afneemt tegen betaling, komen niet in aanmerking. Om de voorwaarden te toetsen, kan het VFL het auteurscontract opvragenbij de auteur. Dezelfde principes gelden ook voor vertalers, illustratoren en stripauteurs in afwachting van een modelcontract voor deze specifieke beroepsgroepen. □

Debutanten kunnen opgenomen worden op de auteurslijst indien zij minimaal één literair werk hebben dat verschenen is bij een professionele uitgeverij (definitie zie vorige alinea). Debutanten kunnen maximaal 8 gesubsidieerde lezingen geven per jaar. Debutanten blijven maximaal vier jaar na het verschijnen van hun debuut opgenomen op de auteurslijst. Indien er na vier jaar geen tweede boek verschenen is, wordt de auteur geschrapt van de lijst. Zodra er een tweede boek verschenen is dat voldoet aan de voorwaarden, kan de auteur opnieuw opgenomen worden op de auteurslijst.

Fraude en contractbreuk kunnen leiden tot schrapping van de auteurslijst (VFL, 2014c, p. 1-2).

Daarnaast kan de Adviescommissie Auteurslezingen ook beslissen om ‘literatuurspecialisten, recensenten of mensen met een speciale verdienste in de promotie van literatuur op te nemen op de auteurslijst’ (VFL, 2014c, p. 2). Om een aanvraag in te dienen om opgenomen te worden op de auteurslijst, stelt de auteur een dossier samen, dat aantoont dat hij aan de voorgenoemde voorwaarden voldoet (p. 2). Dat dossier kan de auteur dan indienen via de website van www.auteurslezingen.be.

De

aanvragen

worden

gescreend

door

de

medewerker

Auteurslezingen en de Adviescommissie, die vier keer per jaar samenkomt. Bij die screening wordt nagegaan in hoeverre de aanvraag voldoet aan de voorwaarden voor de auteurslijst. Na de commissiebijeenkomst worden de auteurs schriftelijk op de hoogte gebracht van de beslissing (p. 3). Dit gebeurt normaliter binnen de twee maanden na de indiendatum van de aanmelding. Als de aanvraag niet goedgekeurd is, kan er een bezwaarprocedure opgestart worden bij de Beroepscommissie van het VFL.

33


Eens de auteur opgenomen is op de auteurslijst van het VFL, kan hij per jaar vijftien gesubsidieerde lezingen geven. Een debutant die op de lijst staat, kan er acht geven. Op het aantal niet-gesubsidieerde lezingen staat uiteraard geen limiet. b. Organisatoren De organisatoren die een reguliere auteurslezingensubsidie van 100 euro kunnen aanvragen, zijn scholen, bibliotheken, leesclubs, socio-culturele organisaties, zorginstellingen, cultuur- en gemeenschapscentra, kunstenorganisaties en organisaties voor kunsteducatie en sociaalartistieke werking (VFL, 2014d, p. 3). Hun lezingen worden enkel gesubsidieerd als het om auteurs gaat van op de auteurslijst van het VFL (p. 1). Lezingen die georganiseerd worden door uitgevers, die commerciële doeleinden hebben, die georganiseerd worden door literaire organisaties die reeds een structurele VFL-subsidie ontvangen of een VFL-subsidie voor een literaire manifestatie, of schrijfworkshops, opnames voor voorleessessies en lezingen in boekhandels, komen niet in aanmerking voor dit soort subsidiëring (p. 1-2). Een organisatie kan maximaal 15 gesubsidieerde lezingen per jaar organiseren. Een subsidie wordt enkel toegekend indien het honorarium dat de auteur vraagt lager ligt dan 500 euro. c. Aanvraagprocedure Zoals al aangegeven kunnen organisatoren het hele jaar door een aanvraag indienen. De organisator contacteert de auteur via de contactgegevens die vermeld staan op de website, en maakt vervolgens inhoudelijke, praktische en financiële afspraken met de auteur (VFL, 2014d, p. 3). Zodra deze gemaakt zijn, kan de organisator een subsidie aanvragen. Deze aanvraag wordt ingediend via www.auteurslezingen.be of, als de aanvrager niet over internet beschikt, via een schriftelijk aanvraagformulier dat de organisator op verzoek wordt toegestuurd. Als de organisator een Nederlandse auteur wil uitnodigen, kan hij een apart aanvraagformulier invullen op de website (VFL, 2014d). Het is hiervoor wel belangrijk dat de auteur op de Nederlandse Schrijverslijst staat. Als de aanvraag ingediend is, wordt deze beoordeeld door het VFL. Hierbij houden ze rekening met de volgende criteria: □

Inhoud, opzet en kwaliteit van de lezing;

Leesbevorderend karakter van de lezing;

Literaire karakter van de reeds dor de auteur gepubliceerde boeken;

Goede promotie voor de lezing;

Voorbereiding van de doelgroep voor de lezing;

Duidelijke afspraken tussen auteur en organisator over duur, inhoud en vorm van de

34


lezing alsook over praktische benodigdheden; □

Een degelijke vergoeding voor de auteur (VFL, 2014d, p. 3 – 4).

Als het VFL de aanvraag goedkeurt, stellen de drie partijen zich akkoord met de gemaakte afspraken. Of het VFL de aanvraag goedkeurt, wordt de organisator en de auteur uiterlijk twee maanden na de aanvraag meegedeeld. d. Uitbetaling Eén van de veranderingen sinds 1 januari 2014 is dat het VFL de eigen bijdrage van de organisator en de vervoersonkosten rechtstreeks int, en in zijn totaal, aangevuld met 100 euro subsidie, uitbetaalt aan de auteur (VFL, 2014d, p.4). Dit bedrag wordt gestort, van zodra de organisator een verslag heeft ingevuld over de lezing. Na de lezing ontvangt de organisator een mail met de vraag een verslag in te vullen op de website, waarna hij vijf dagen heeft om het in te vullen en in te dienen. Zonder dat verslag betaalt het VFL de subsidie niet uit. Ook de auteur kan een verslag invullen over de lezing, maar voor hen is dit vrijblijvend.

8.2.3. Auteurslezingenreglement voor A-boekhandels Ook A-boekhandels kunnen steun ontvangen voor literaire activiteiten. Hier zijn opnieuw enkele voorwaarden aan verbonden: □

De activiteit wordt georganiseerd door een A-boekhandel.

Het gaat om een literaire activiteit met een inhoudelijk luik.

Er is een actieve publiekswerving met een programma.

De activiteit vindt bij voorkeur plaats in de boekhandel.

De activiteit is voor iedereen toegankelijk.

Samenwerking (ook financieel) met andere partners is een toegevoegde waarde.

Indien er een of meerdere auteurs deelnemen aan de activiteit, moet elke deelnemende auteur een honorarium ontvangen van minimaal 130 euro (VFL, 2013a, p. 3).

Om een subsidie te bekomen, moet een boekhandel na de activiteit een minimaal rapporteringsformulier invullen en opsturen naar het VFL (p. 4). Op voorhand moet dus geen aanvraag ingediend worden, maar de boekhandel kan vooraf wel advies inwinnen over de ontvankelijkheid van de activiteit voor subsidiëring bij het VFL-secretariaat (p.3). Voor een activiteit kan een boekhandel een basissubsidie krijgen van 200 euro (p. 3). Als hij een activiteit organiseert met minstens één auteur die op de auteurslijst van het VFL staat, bedraagt 35


de subsidie 350 euro. Gaat het om een poëzieactiviteit, dan kan hij een subsidie verkrijgen van 500 euro. Per jaar kan een boekhandel maximum 3.500 euro aan subsidies ontvangen, tenzij hij minstens één poëzie-activiteit organiseert (p. 3). In dat geval wordt zijn maximale totale activiteitensubsidie opgetrokken naar 4.000 euro.20 Deze regeling wordt binnen het VFL blijvend onderzocht, kritisch bekeken en waar nodig bijgesteld.

8.2.4. Het auteurslezingenveld in cijfers Het veld van de auteurslezingen in Vlaanderen is nog niet eerder in kaart gebracht. Er is wel al een onderzoek verschenen naar het literaire middenveld door Chiara de Caluwé, maar dit is algemener van aard en intussen ook al verouderd door de invoering van het geïntegreerde letterenbeleid (supra). De – overigens uiterst beperkte – veldtekening die ik hier opstel, is gebaseerd op beleidsdocumenten, het inkomensonderzoek naar de literaire auteur van de Vlaamse AuteursVereniging, de Participatiesurvey uit 2011 en interne documenten van het VFL. Het is mijn bedoeling om een kort, cijfermatig overzicht te geven van wat er gaande is in de sector van de auteurslezingen. Daarom worden eerst de auteurs en de auteurslezingen besproken, ga ik daarna iets dieper in op het geld dat in het veld omgaat en eindig ik door kort het publiek van de auteurslezingen te bespreken. Op dit laatste is er zonder bijkomend onderzoek echter weinig zicht. Auteurs Om lezingen te subsidiëren werkt het VFL met een auteurslijst. Wanneer een auteur op de auteurslijst staat, kan hij jaarlijks vijftien lezingen geven, acht voor debutanten, waarvoor het VFL telkens 100 euro subsidie geeft (supra). Op die auteurslijst van het VFL stonden begin 2014 ruim 500 verschillende auteurs (VFL, 2014a). Dat zijn er bijna honderd meer dan toen de auteurslezingen overkwamen van Stichting Lezen naar het VFL, op 1 januari 2013. Er dienden 131 auteurs een aanvraag in in 2013, waarvan er 108 op de lijst terecht zijn gekomen (VFL, 2013c, p.18). Dat er in één jaar tijd 108 auteurs zijn bijgekomen op de lijst heeft te maken heeft met versoepelingen in het auteurslezingenreglement, die eerder al besproken werden. Die 500 auteurs zijn van allerlei slag: ‘veel kinder- en jeugdauteurs en illustratoren, maar ook dichters, proza-auteurs, schrijvers van theaterteksten, striptekenaars en literatuurspecialisten’ (VFL, 2014a). Uit het inkomensonderzoek naar literaire auteurs van de Vlaamse Auteursvereniging, dat gepubliceerd is in 2011 op basis van enquêtes uitgestuurd in 2010, blijkt dat 96% van de ondervraagde auteurs literaire nevenactiviteiten beoefent (VAV, 2011, p. 4, p. 24). Die nevenactiviteiten worden omschreven als ‘die werkzaamheden die gelinkt zijn aan de literaire 20

Of dit ervoor zorgt dat er effectief meer auteurslezingen zijn met dichters is nog niet geweten, maar kan een interessant startpunt zijn voor verder onderzoek.

36


schrijfwerkzaamheden. Dit omvat activiteiten die gelinkt zijn aan het schrijverschap, maar die niet rechtstreeks bij het schrijfproces horen, zoals optredens, lezingen, redactiewerk, etc’ (VAV, 2011, p. 24). Van alle bevraagde auteurs geeft 85% lezingen in Vlaanderen, 27 % geeft lezingen in Nederland en 17% daarbuiten. 17% van de auteurs geeft dagelijks een lezing. 17% doet dit wekelijks en 15% enkele keren per maand. 16% van de auteurs geeft maandelijks een lezing en 32% enkele keren per jaar. Slechts 4% van de auteurs geeft nooit een lezing. De auteurslezing is dus een zaak die bijna alle auteurs aanbelangt. Auteurslezingen In 2013 werden bij het VFL subsidies aangevraagd voor 2.101 lezingen via de auteurslezingensubsidie (VFL, 2013c). Dat waren er 100 meer dan in 2012. Via de Aboekhandelregeling werden in 2013 nog eens 90 lezingen gesubsidieerd (VFL, 2013b). Per dag subsidieerde het VFL dus zo’n 6 lezingen. Op de niet-gesubsidieerde lezingen is het veel moeilijker om een zicht te krijgen. Lezingen zijn niet gesubsidieerd omdat de auteur in het betreffende jaar al voor 15 lezingen gesubsidieerd is geweest, omdat hij een honorarium vraagt dat hoger is dan €500 of omdat er simpelweg geen subsidie is aangevraagd (VFL, 2014d). Deze lezingen worden nergens aangegeven en ook de promotie is vooral lokaal. Zonder een uitermate uitvoerig onderzoek, dat buiten de grenzen van mijn onderzoek gaat, is het dus moeilijk het totaal aantal auteurslezingen in Vlaanderen te bepalen. Ik beperk me voor de veldbespreking dan ook tot de gesubsidieerde auteurslezingen. In het onderzoek worden ook nietgesubsidieerde lezingen meegenomen. Financiën a. Budget VFL In 2013 ging van de totale dotatie van het VFL 230.400 euro naar subsidies voor auteurslezingen (VFL, 2013c). In totaal ging dat naar 2.101 lezingen en enkele kleinere projecten.21 Het gaat hierbij om de 100 euro subsidies van de auteurslezingenregeling. Naar de gesubsidieerde activiteiten van A-boekhandels ging in 2013 29.850 euro (VFL, 2013b). Aangezien er 90 activiteiten georganiseerd werden, kreeg elke activiteit gemiddeld 331,66 aan subsidie van het VFL. De dotatie die het VFL in 2013 van de Vlaamse Gemeenschap kreeg, bedroeg € 4.659.000

21

Deze kleinere projecten hebben te maken met auteurslezingen, maar hebben als project een groter budget dan een eenmalige lezing. Deze projecten waren in 2013: het Project Luisterpuntbibliotheek, het Scholenproject PEN Vlaanderen en het Scholenproject Boekenbeurs.

37


(VFL, 2013c).22 5.7 % van de totale dotatie van het VFL ging dus rechtstreeks naar auteurslezingen en aanverwante literaire activiteiten.23 b. Inkomen auteur Gemiddeld genomen beschikken auteurs over een kleiner gezinsinkomen dan de modale vlaming (VAV, 2011). Volgens het inkomensonderzoek van de VAV vindt 52 % van de auteurs zijn literaire nevenactiviteiten dan ook noodzakelijk om financieel rond te komen (p. 25). 46% van de ondervraagde auteurs haalt ook voldoening uit deze activiteiten die financieel noodzakelijk zijn. Auteurs die lezingen geven enkel omdat het hen voldoening verschaft, maken 38 % uit van de onderzochte auteurs (p. 26). Op basis van die gegevens zou besloten kunnen worden dat het financiële aspect erg belangrijk is bij lezingen, en in enkele gevallen zelfs belangrijker dan de voldoening van de auteur. Wat ook opvalt in het inkomensonderzoek is dat hoewel 85 % van de auteurs aangeeft lezingen te geven, dit slechts bij 75 % van alle auteurs geld in het laatje brengt (p. 40). 10 % van de auteurs vraagt dus geen (geldelijke) vergoeding voor een auteurslezing. 39 % van de auteurs ontving in 2008 en 2009 meer dan 1.000 euro voor het geven van auteurslezingen. Het onderzoek toont ook aan dat lezingen vooral van belang zijn voor auteurs die geen andere beroepsinkomsten hebben (p. 47). In het inkomensonderzoek wordt ook nog benadrukt dat een goed draaiend lezingencircuit essentieel is voor de professionalisering van de sector (p. 48), iets waar het VFL graag zijn schouders onder wil zetten. Tot slot zouden, volgens een voorpublicatie van het inkomensonderzoek in de Standaard, lezingen goed zijn voor ongeveer één vijfde van het schrijversinkomen (Seis, 2011). Daaruit wordt dan ook geconcludeerd dat het lezingencircuit een populaire, alternatieve inkomstenbron is voor auteurs die van hun pen wensen te leven. De professionalisering van de literatuur en zijn auteurs hangt dus samen met de professionalisering van de auteurslezingen. Publiek De recentste cijfers met betrekking tot publieksparticipatie, onder meer aan literaire evenementen, zijn te vinden in de neerslag van het Participatiesurvey 2009, die gepubliceerd werden in 2011 (Lievens, 2011). Voor dit onderzoek is vooral het hoofdstuk ‘Van kaft tot kaft: leesgedrag en bezoek aan literaire evenementen’ van Peggy De Laet, Ignace Glorieux en Theun Pieter Van Tienhoven van belang (Lievens, 2011, p. 197 – 217). Onder literaire evenementen wordt door de onderzoekers verstaan ‘zowel de klassieke literaire evenementen zoals Saint

22

Met latere toevoegingen erbij, bedroeg de dotatie € 4.818.075 (VFL, 2013c). Als we dit verrekenen met de totale dotatie inclusief latere toevoegingen, zoals bijvoorbeeld een terubetaling van een project en andere projecten die het VFL er in 2013 heeft bijgenomen, dan maken de directe steunmaatregelen voor auteurslezingen 5.4 % van de totale dotatie. 23

38


Amour als de veeleer populaire evenementen zoals poëzienamiddagen, boekenbeurzen, lezingen of voorstellingen van boeken of leesclubs ‘ (p. 197). Volgens de survey had in 2009 13,5 % van de respondenten in de afgelopen 12 maanden een literair evenement bezocht, waarvan iets meer vrouwen dan mannen (p. 203). Dat was een lichte afname sinds de vorige survey in 20032004. De aanwezigheid van de Boekenbeurs in Antwerpen in de verzameling van literaire evenementen kan de onderzoeksresultaten dan nog vertekenen. Naar auteurslezingen zal misschien minder dan 13,5% van de bevolking komen. Toch bevestigt dit niet dat auteurslezingen een niche zijn. Auteurslezingen vinden vaak plaats op school en jongeren van 14 tot 17 jaar zijn dan ook de groep die het vaakst een auteurslezing bijwonen (p. 203). Dit is een gevolg van de opvatting dat auteurslezingen leesbevorderend zijn en leerlingen dus kunnen aanzetten tot lezen. Toch is het opvallend dat het leerlingen uit de middelbare school zijn die het vaakst een literaire activiteit bijwonen, terwijl het vooral lagere scholen zijn die subsidies aanvragen voor auteurslezingen. Deze discrepantie is te verklaren door het feit dat de Participatiesurvey slechts personen vanaf 14 jaar heeft ondervraagd. We hebben dus geen zicht op de participatie van jongere kinderen aan literaire activiteiten, hoewel de participatie hier vermoedelijk nog iets hoger ligt, afgaand op het groot aantal gesubsidieerde lezingen in de lagere scholen. Over het algemeen geeft in de participatiesurvey telkens minder dan de helft van de respondenten aan deel te nemen aan kunsten- en erfgoedactiviteiten. Dit wordt besproken in hoofdstuk 9 ‘Louter een kwestie van voorkeur en goesting? Over kunsten- en erfgoedparticipatie, bekeken door een cultuursociologische bril’ door Jef Vlegels en John Lievens in Participatie in Vlaanderen 2. Zo is 46% van de respondenten ‘minstens incidenteel’ naar een podiumvoorstelling geweest; dat is dan theater, dans, musical, revue, show, straattheater of circus (Lievens, 2011, p. 241-242). 40% is minstens incidenteel naar de bioscoop geweest. 46,8% heeft minsten incidenteel aan erfgoed geparticipeerd. 27,5% ging minstens incidenteel naar een museum of tentoonstelling en 29,7% woonde minstens incidenteel een festival of concert bij. Als we de literaire activiteiten niet vergelijken met algemene verzamelingen maar met een andere niche, dan zien we dat 8,9% van de respondenten een klassiek concert bijwoonde, enkele procenten minder dus. Dit onderzoek is echter geen publieksonderzoek, maar wil nagaan of auteurslezingen er inderdaad voor zorgen dat er meer boeken uitgeleend of verkocht worden. De vraag of auteurslezingen werkelijk leesbevorderend zijn, is er één voor een volgend onderzoek. Eerst bekijken we kort het eerdere onderzoek.

39


8.2.5. Eerder onderzoek Voor dit onderzoek, en dan vooral om de achtergrond te schetsen van auteurslezingen in Vlaanderen en Brussel, bouw ik deels verder op eerder onderzoek. Dat onderzoek bestaat uit vier verschillende masterscripties uit opeenvolgende jaren, waarvan er drie uitgevoerd werden onder de vleugels van het Vlaams Fonds van de Letteren, van waaruit ook ik opereer. Deze drie scripties kwamen er ook met het oog op het behalen van de graad van Master in het Cultuurmanagement. De scripties worden in chronologische volgorde besproken. Dat is belangrijk omdat er bepaalde beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, waarvan ik de belangrijkste al besprak. De belangrijkste wijzigingen zijn doorgevoerd na het verschijnen van de laatste scriptie uit 2012, in 2013 en 2014. Dit onderzoek is dus het eerste dat plaatsvindt onder begeleiding van het VFL in de vernieuwde context. De vierde scriptie die ik hier bespreek, is die van Daisy Hombroeckx, een onderzoek naar literaire agentschappen in Vlaanderen. Deze scriptie werd niet geschreven onder begeleiding van, maar wel met hulp van het VFL, en werd voorgelegd voor het behalen van de graad van Master in de Culturele Studies. a. Chiara de Caluwé Het onderzoek van Chiara de Caluwé was het eerste in een reeks van drie onderzoeken die uitgevoerd werden bij het VFL. Haar onderzoek uit 2008 – 2009, ‘Van versnippering naar visie: onderzoek naar de uitdagingen van het Vlaams Fonds voor de Letteren rond het literaire middenveld’, is het breedste onderzoek van de drie en heeft als onderwerp het literaire middenveld in Vlaanderen. Haar onderzoeksvraag was ‘welke acties kan of moet het VFL ondernemen om de ontwikkelingen in het literaire middenveld meer te integreren respectievelijk te stimuleren’ (2009, p. 11). Haar onderzoek is, net als de overige vier onderzoeken die hier besproken worden, kwalitatief van aard en is gebaseerd op literatuur, vooral beleidsdocumenten, en gesprekken met belangrijke spelers. Zo verkent ze onder meer het volledige werkterrein van het VFL en maakt ze een vergelijkende studie met Nederland. Hiermee stelt ze enkele knelpunten vast – voornamelijk de versnippering uit de titel van haar onderzoek – en biedt ze ook oplossingen aan, door nieuwe strategische doelstellingen te formuleren voor het VFL. Die doelstellingen zijn: 1. Het Vlaams Fonds voor de Letteren ontwikkelt een diversiteit aan middelen en methodieken om literaire organisaties en striporganisaties en manifestaties optimaal te laten ontplooien en te ondersteunen in hun werking. 2. Het Vlaams Fonds voor de Letteren beoogt een verscheidenheid aan literaire initatieven ter bevordering van een nieuwe dynamiek in het literaire middenveld (p. 124).

40


De Caluwé had het in haar onderzoek over het geïntegreerd letterenbeleid en sinds de invoering daarvan in 2012, al dan niet een gevolg van haar onderzoek, is haar scriptie verouderd. Ik maakte er dan ook vooral gebruik van om de historische veranderingen van de auteurslezingen te schetsen. b. Sofie Couwenbergh De masterscriptie van Sofie Couwenbergh (2009-2010) ‘Mag het wat meer zijn? Een onderzoek naar de ondersteuning van auteurslezingen in Vlaanderen’ gaat via exploratief en emancipatorisch onderzoek na ‘op welke wijze de organisatie van auteurslezingen in Vlaanderen geoptimaliseerd [kan] worden’; een erg open onderzoeksvraag dus (2010, p. 15). Haar onderzoek is vooral gebaseerd op een grondige literatuurstudie en kwalitatieve interviews met verschillende stakeholders. Uit dat onderzoek blijkt dat er zeker nood was aan extra ondersteuning voor auteurslezingen, ‘maar ook aan een optimalisatie van de bestaande middelen’ (p. 108). Die extra ondersteuning zagen haar respondenten het liefst niet ondergebracht bij een onafhankelijk bureau, maar eerder als een onderdeel van Stichting Lezen, dat op het moment van het onderzoek nog verantwoordelijk was voor de auteurslezingen. Daarnaast raadt Couwenbergh ook aan om een centraal online informatiepunt op te richten waarin de verschillende stakeholders betrokken zijn, zodat informatie omtrent auteurslezingen toegankelijk is en makkelijk geüpdatet kan worden door iedereen (p. 122). Verder doet Couwenbergh nog enkele concrete aanbevelingen tot het optimaliseren van de bestaande middelen om auteurslezingen te ondersteunen, maar aangezien deze gebaseerd zijn op het oude systeem van auteurslezingen zijn deze minder relevant voor mijn onderzoek en worden ze hier ook niet besproken. c. Marieke Roels Het onderzoek van Marieke Roels (2010-2011) ‘Tekort of overbodige luxe? Onderzoek naar het draagvlak van een bemiddelingsbureau voor auteurslezingen in Vlaanderen’ is een vervolgonderzoek op dat van Couwenbergh. Waar dat vorige onderzoek eerder exploratief was, gaat het onderzoek van Roels concreet na of ‘er in Vlaanderen een draagvlak [is] voor een managementbureau dat bemiddelt tussen een auteur en een organisator van een literaire manifestatie of auteurslezing’ (2011, p. 18). De onderzoeksvraag wordt verder uitgesplitst en aan de hand van een literatuurstudie en casestudies beantwoord. Ook hier gaat het dus om een kwalitatief onderzoek. Roels bespreekt onder meer uitgebreid de algemene situering van de auteurslezing, die in mijn onderzoek beknopter aan bod komt, en stelt een modelstudie op voor een bemiddelingsbureau voor auteurslezingen. Die modelstudie wordt uitgewerkt aan de hand van casestudies, die gebaseerd zijn op interviews met enkele spelers uit het veld, zoals SSS in Nederland en Witsand Uitgevers. Op basis van die modelstudie wordt nagegaan wat het

41


draagvlak is voor zo’n bemiddelingsbureau, zowel bij auteurs als bij organisatoren. Roels gaat ook na binnen welke structuur dit bemiddelingsbureau het beste wordt opgericht en werkt ook hier verschillende modellen uit. Op basis van haar onderzoek raadt Roels alleerst aan dat het bemiddelingsbureau gekoppeld wordt aan de subsidiërende instantie, om verdere versnippering tegen te gaan (p. 187). Zo is er ook geen extra bureaucratische last voor de organisatoren. Deze toonden zich geen voorstander van het bemiddelingsbureau, maar als hun subsidie vast hangt aan de samenwerking met zo’n bureau zullen ze zeker kiezen voor deze samenwerking, als het alternatief het verlies van de subsidie is. Volgens Roels wordt dat bemiddelingsbureau het best ondergebracht bij het VFL, vanwege hun centrumpositie in het literaire veld. Zoals al aangegeven, verzorgt het VFL sinds 2014 inderdaad de bemiddeling voor auteurslezingen, in het kader waarvan de masterproef van Marieke Roels destijds werd opgezet. Nu is het de bedoeling om met dit onderzoek onder meer na te gaan in hoeverre de overheveling van auteurslezingen van SLV naar het VFL effectief geweest is en of het inzetten op de invloed van auteurslezingen op de sociaal-economische positie van de auteur, eerder dan op, maar niet in plaats van, leesbevordering, een gegronde zet is geweest. d. Daisy Hombroeckx Met haar masterscriptie ‘Literaire agentschappen in Vlaanderen’ wou Daisy Hombroeckx in 2012 het Nederlandstalige landschap van literaire agentschappen in kaart brengen. De onderzoeksvraag die ze wou beantwoorden was ‘waarom er hier in Vlaanderen weinig of geen literaire agentschappen [zijn], en dat vooral in vergelijking met Nederland, aangezien ze eerder één geheel vormen op vlak van de boekenindustrie’ (2012, p. 12). Voor haar scriptie werkte Hombroeckx voornamelijk met interviews. Om een antwoord te vinden op haar vraag, kadert Hombroeckx de literaire agentschappen eerst in de uitgeverswereld en de cultural industries, waarna ze dieper ingaat op de werking van de boekensector als boekenindustrie. Hierin omschrijft ze de waardeketen van auteur tot lezer. Hierna worden uiteraard de literaire agentschappen grondig besproken, zowel het begrip, de plaats en de functie ervan. Hombroeckx duidt de volgens haar twee belangrijkste veranderingen in de boekenindustrie, namelijk concernvorming en digitalisering en gaat na hoe deze veranderingen kansen kunnen bieden voor literaire agentschappen. Tot slot zoomt ze nog in op specifieke literaire agentschappen in Vlaanderen en Nederland, om de vraag te beantwoorden of er mogelijkheden zijn voor literaire agentschappen in Vlaanderen en wat die mogelijkheden dan zijn. Hombroeckx concludeert dat er door enkele veranderingen potentieel is voor literaire agentschappen in Vlaanderen, maar dat deze niet mogen vergeten dat het veld zich niet tot Vlaanderen beperkt.

42


Het onderwerp van Hombroeckx’ studie ligt, binnen het literaire veld natuurlijk, iets verder van mijn onderzoek dan de drie voorgaande scripties. Het is dan ook vooral haar schets van het literaire veld die ik meegenomen heb in het opzetten van dit onderzoek. Overigens merkte Hombroeckx in haar onderzoek ook op dat het Vlaanderen vooral aan literaire agenten ontbreekt om auteurs te vertegenwoordigen inzake hun auteurslezingen (p. 46). Kort na het verschijnen van haar scriptie in 2012 werden de eerste stappen gezet om dit op te lossen, door de auteurslezingen opnieuw onder te brengen bij het VFL en er een bemiddelingsbureau op te starten voor gesubsidieerde lezingen; een eerste stap dus in een traject dat binnen het VFL blijvend geëvalueerd wordt. e. Evaluatie eerder onderzoek De scripties die hier besproken zijn, zijn, hoewel recent, toch al verouderd. Voor de verschillende pijnpunten die aangehaald werden, zijn intussen oplossingen gezocht, voornamelijk door de invoering van het geïntegreerde letterenbeleid en de overheveling van de auteurslezingen naar het VFL. Met het deel van mijn onderzoek dat verder gaat op deze eerdere scripties, wil ik nagaan of dit een goed idee is geweest. Ik wil weten of de verschillende spelers tevreden zijn over de aangepaste werking, en vooral of het een goed idee was om met auteurslezingen in te zetten op de socio-eoconomische positie van de auteur, eerder dan op leesbevordering. Met andere woorden, wat is de impact van de auteurslezingen op de socio-economische positie van de auteur? Zoals al aangegeven heb ik van de voorgaande scripties vooral gebruik gemaakt om het veld en de geschiedenis van de auteurslezingen te schetsen. De manier waarop het onderzoek eerder al gevoerd werd, heeft me deels geïnspireerd voor mijn onderzoeksmethode, hoewel deze zowel kwalitatief als kwantitatief is, en het eerdere onderzoek enkel kwalitatief gevoerd werd. In zekere zin gaat het hier dus om een vervolgonderzoek: ik haal informatie en ideeën uit het eerdere onderzoek en evalueer beleidsbeslissingen die genomen werden onder meer op basis van deze scripties.

43


9. Resultaten Om een antwoord te kunnen bieden op het eerste deel van de onderzoeksvraag, wat is de impact van auteurslezingen, moeten de resultaten van het onderzoek eerst verwerkt en besproken worden. Zoals uitgelegd in de methodologie worden de interviews eerst getranscribeerd en vervolgens in tabellen geplaatst. Hier plaats ik de antwoorden uit de tabellen in grafieken. Daarvoor is het nodig dat ik ze in categorieën plaats. Doordat ik de interviews tussenin kwalitatief verwerk, is er zeker ook plaats voor nuance. Ik verwerk de resultaten eerst per onderzoeksgroep, waarna ik ze op elkaar betrek om tot een volledige analyse van het verworven materiaal te komen en een antwoord te formuleren op de onderzoeksvraag die hier centraal staat.

9.1 Auteurs Via de ondervraging van de auteurs wil ik graag te weten komen wat de directe en indirecte gevolgen zijn van het geven van auteurslezingen voor de auteur. Kunnen (gesubsidieerde) auteurslezingen gezien worden als een hefboom voor de verkoop, zowel in de winkel als via persoonlijke verkoop na een lezing? Kan de ene lezing leiden tot de volgende, via mond-aanmond reclame? Hoe belangrijk zijn auteurslezingen voor het inkomen van de auteur? Hoe kan een plaats op de auteurslijst en de subsidie die erbij hoort het aantal aanvragen dat een auteur krijgt beïnvloeden? Deze vragen probeer ik hier eerst apart te beantwoorden, waarna ik in het volgende onderdeel de directe en indirecte gevolgen van auteurslezingen voor auteurs probeer te duiden.

9.1.1. Auteurslezingen als aanvulling op het inkomen Zoals ik al aangaf in de literatuurstudie, is volgens het inkomensonderzoek van de VAV voor 52% van de auteurs het geven van literaire activiteiten noodzakelijk om financieel rond te komen (VAV, 2011, p. 25). In mijn onderzoek wou ik ook nagaan in hoeverre auteurs hun lezingen zien als een aanvulling op hun inkomen. Dat ze het zien als een aanvulling op hun inkomen, hoeft niet te betekenen dat ze ervan afhankelijk zijn om te overleven, maar wel dat het gezien wordt als een substantieel onderdeel van hun inkomen. Belangrijk hierbij is dat niet alle auteurs van hun pen leven, maar een ander hoofdberoep uitoefenen. Zij moeten natuurlijk een dag vrijaf nemen voor een lezing en willen vooral geen ‘verlies’ maken. Bij hen kunnen we niet echt van een aanvulling op, maar eerder van een vervanging van het inkomen spreken.

44


Ziet u auteurslezingen als een aanvulling op uw inkomen als auteur?

7% 10%

ja nee 52%

31%

een extraatje ander

graf. 1: Auteurslezingen als een aanvulling op het inkomen als auteur

Deze grafiek toont duidelijk aan dat auteurslezingen financieel van belang zijn voor de ondervraagde auteurs. Iets meer dan de helft van de auteurs, 52%, geeft aan de lezingen die ze geven als een aanvulling te zien op hun inkomen als auteur.24 Dat is hetzelfde getal dat we ook zien terugkeren bij het inkomensonderzoek van de VAV en is op zijn minst opvallend. Des te meer omdat hier enkel auteurs ondervraagd worden die zeker lezingen geven, terwijl de VAV zijn volledige klantenbestand bevroeg, waar dus ook auteurs bij zaten die zich onthouden van het geven van lezingen. Het inkomensonderzoek dateert ook al van enkele jaren geleden. Misschien is dat aandeel gegroeid, met het groeiende belang dat aan lezingen gehecht wordt. 10 % van de ondervraagde auteurs ziet lezingen als een extraatje en 31 % beschouwt het niet als een aanvulling op het inkomen. Twee auteurs, of 7% van de ondervraagde auteurs, geven nog een ander antwoord. De ene zegt het vroeger wel als een aanvulling gezien te hebben, toen hij nog voltijds auteur was. Een andere auteur geeft aan het eerder als een eerlijke tegemoetkoming te beschouwen; voor zijn lezingen moet hij niet per se geld ontvangen, maar als hij het gratis deed, zou het oneerlijke concurrentie zijn ten opzichte van auteurs die wel van hun pen leven. Deze twee auteurs kunnen we dus nog verdelen als een positief en een negatief antwoord op de vraag. Dan komen we op 55% van de auteurs die lezingen zien als een aanvulling op hun inkomen als auteur en 34% die dat niet zo zien. Ook auteurs die de lezingen zien als een extraatje houden er financieel iets aan over. Zo komen we op een totaal van 65% voor wie lezingen financieel iets opleveren. Vanuit deze invalshoek kunnen lezingen dus zeker al gezien worden als een manier om de socio-economische positie van de auteur te versterken.

24

Het gaat dus niet om het volledige inkomen van de auteur, maar enkel wat hij of zij uit zijn of haar schrijversactiviteiten haalt.

45


Auteurs hebben echter niet alleen financiële motieven voor het geven van auteurslezingen. Een andere belangrijke motivatie die de meeste auteurs aanhalen, is het graag doen. Het spelplezier of de tevredenheid over het feit dat ze hun verhaal kunnen doen in een lezing druipt er vaak van af. Koen D’haene zegt hierover dat ‘het geven van lezingen een beetje het logische gevolg [is] van graag een boek schrijven. Als je van een boek houdt, je hebt het heel graag geschreven, dan is het ook wel leuk om daarover te kunnen vertellen’. Naast financiële redenen en het plezier, zijn er nog verschillende andere motivaties. Die extra motivaties kunnen ook indirect een invloed hebben op het werk van de auteur en daarmee op zijn socio-economische situatie. Ik haal kort de motivaties van de verschillende auteurs aan. Feedback van en contact met lezers zijn twee belangrijke redenen om lezingen te gaan geven en sluiten in zekere zin ook op elkaar aan. Zo haalt een auteur aan dat schrijven een eenzaam beroep is, en dat je door lezingen te geven toch kan horen wat je publiek van je boeken vindt (anoniem, auteur 4). Dit wordt door verschillende auteurs bevestigd. Ook Ludo Abicht zegt: Je schrijft alleen, je publiceert en dat ligt dan in een boekhandel of in een tijdschrift, maar het is ook goed om feedback te krijgen van lezers, van mensen die geïnteresseerd zijn.

Een andere auteur zegt hierover: Als je schrijft, dat doe je alleen. Die boeken worden verkocht, maar dat is allemaal redelijk anoniem. Normaal ben ik actrice van beroep en dan heb je feedback van je publiek, maar als je schrijft heb je dat niet en oké, dan ga je signeren op de boekenbeurs, dan kom je al eens met je publiek in aanraking, maar als je naar een school stapt of een bib waar je lezers zitten, of waar de juf met de kinderen samen je boeken heeft gelezen, dan krijg je toch een beetje meer feedback, dat is wel fijn (anoniem, auteur 7).

Die feedback vindt ook een weerslag in het werk van de auteur. Een lezing is een manier om te zien hoe het publiek reageert op bepaalde zaken. Een auteur zegt hierover: Dat contact doet mij goed en ook de reacties. Ge merkt heel snel, zeker bij kinderen, wat ze leuk vinden en wat niet, dus dat beïnvloedt mij zeker, ja (anoniem, auteur 3).

Lezingen brengen auteurs dus in contact met hun publiek, waar ze horen wat dat publiek vindt van hun boeken. Hier kunnen ze dan na de lezing mee aan de slag. Lezingen hebben dus ook een invloed op het schrijfproces en de voortdurende ontwikkeling van de auteur. Ook promotie kan een belangrijke motivatie zijn voor een auteur om lezingen te gaan geven. Eén auteur zegt lezingen te geven ‘omdat het eigenlijk de beste reclame voor je werk is. ik vind dat dat promotie voor je werk is ten eerste en ten tweede is dat dé manier om je publiek op te bouwen’ (anoniem, auteur 1). Je maakt dus zowel promotie voor je boeken op korte termijn, als voor jezelf als auteur op lange termijn. Sommige auteurs willen verder gaan dan promotie voor hun eigen werk en geven auteurslezingen om aan leesbevordering te doen. Deze auteurs vinden we vooral terug in de jeugdliteratuur. Zo zegt Claire De Lombaert dat ze het belangrijk vindt ‘om het lezen bij

46


kinderen te stimuleren. Het hoeft daarom niet om mijn boek te gaan. Ik wil veel verder gaan dan mijn boeken alleen’. Katrien Van Hecke zegt hierover: Mijn eerste uitgangspunt is eigenlijk leesplezier aanwakkeren, zowel bij volwassenen als bij kinderen, omdat ik, de achterliggende gedachte of de drive is dat ik zelf zeer veel leesplezier ondervind als ik zelf lees en ik wil dat doorgeven. Dat is eigenlijk een enorme stimulans.

Een laatste reden die enkele keren terugkeerde, maar wel minder dan de voorgaande, is dat lezingen een gelegenheid zijn om je boeken toe te lichten. Zo zegt Ina Vandewijer dat ‘als jongeren dingen niet begrijpen uit mijn boeken of zo, dan wil ik dat eigenlijk wel graag toelichten, als ze zelf vragen hebben [...] dan kan ik daar een antwoord op geven’. Ook Geert van Istendael zegt dat je ‘toch altijd [merkt] dat je door toe te lichten, dingen voor te lezen, mensen ze beter begrijpen’. Verschillende auteurs halen steeds verschillende redenen aan waarom ze auteurslezingen geven; ieder zijn eigen zingeving dus. Als we auteurslezingen zien als promotie, dan hebben ze zeker ook indirecte gevolgen voor de socio-economische situatie van de auteur, maar belangrijk is ook het plezier dat auteurs er uit halen. Enkel een koude motivator zoals geld is nooit genoeg om iets vol te houden, zeker niet als het om iets gaat dat toch enige inspanning en creativiteit vergt van de auteur.

9.1.2. Het aandeel van auteurslezingen in het inkomen van de auteur Niet alle auteurs konden het aandeel dat de auteurslezingen innemen in hun inkomen als auteur inschatten. Vooral diegenen die lezingen niet als een aanvulling op hun inkomen zagen of het slechts als een extraatje beschouwden, moesten mij een antwoord schuldig blijven. De volgende grafiek is opgemaakt op basis van de antwoorden van de 18 auteurs die mijn vraag wel konden beantwoorden. De percentages die mij door hen gegeven werden, zijn slechts een inschatting. De ondervraagde auteurs hadden geen uitgebreide boekhouding die ze hieromtrent konden raadplegen of als ze deze al hadden, dan kozen ze ervoor om mij hier geen deelgenoot van te maken.

47


Hoe groot schat u het aandeel van auteurslezingen in uw inkomen in? 1 - 25

19%

26 - 50

44%

rond de 50

12%

51 - 75 12%

76 - 100

13%

graf. 2: Aandeel van auteurslezingen in het inkomen

Voor iets meer dan de helft van de auteurs, 57%, maken lezingen dus minder dan de helft van het inkomen als auteur uit. Voor de overige 43% zorgt het voor de helft of meer van het inkomen als auteur. Als we dit bekijken in verhouding tot alle ondervraagde auteurs, dan komen we tot de volgende grafiek:

Hoe groot schat u het aandeel van auteurslezingen in uw inkomen in? (alle respondenten) 1 - 25 26 - 50

24%

rond de 50

45% 7% 7% 10%

7%

51 - 75 76 - 100 vraag niet beantwoord

graf. 3: Aandeel van auteurslezingen in het inkomen (alle respondenten)

Op een totaal van 29 auteurs zien we dat toch 10% van de auteurs voor meer dan 75% van zijn inkomen als auteur afhankelijk is van het geven van auteurslezingen. Net geen kwart haalt er tot een vierde van zijn inkomen als auteur uit. Verschillende auteurs merken overigens op dat het aandeel van die lezingen erg schommelt. Als ze bijvoorbeeld net een nieuw boek uit hebben en royalty’s ontvangen, dan maken auteurslezingen tijdelijk een kleiner aandeel uit van het

inkomen. Als ze al even niets 48


gepubliceerd hebben, dan zijn er minder royalty’s en maken de auteurslezingen een belangrijker deel uit. Vaak vinden de lezingen ook plaats rond een bepaalde periode, zoals de bibliotheekweek, de gedichtendag of de jeugdboekenweek. Dan is het aandeel van de lezingen tijdelijk heel hoog, om de daaropvolgende maanden weer te zakken. Een definitieve uitspraak doen over het aandeel van de auteurslezingen in het inkomen van de auteur is dus moeilijk, maar met deze empirische cijfers en gegevens uit het inkomensonderzoek van de VAV wordt aangetoond dat het geven van lezingen belangrijk is voor de socio-economische situatie van de auteurs.25

9.1.3. Impact van auteurslezingen op boekenverkoop in de boekhandel Op de impact van hun auteurslezingen op de verkoop van hun boeken bij de boekhandel heeft geen enkele auteur een duidelijk zicht. De informatie wordt hen niet meegedeeld en ze vragen er zelf ook niet naar. Het is voor hen dan ook moeilijk om hier op in te spelen. De gegevens in de tabel zijn gebaseerd op de vermoedens van de auteurs.

Zorgen auteurslezingen ervoor dat u meer boeken verkoopt in de boekhandel? 3% 14%

ja 28%

ja, maar beperkt nee

24%

geen idee 31%

ander

graf. 4: Boekenverkoop naar aanleiding van een auteurslezing

De grafiek toont dat de meeste auteurs, samengeteld 59%, wel geloven in de positieve gevolgen van hun auteurslezingen voor de verkoop van hun boeken, hoewel meestal slechts in beperkte mate. EĂŠn auteur geeft aan dat lezingen er vooral indirect voor zullen zorgen dat hij meer boeken verkoopt in de boekhandel, omdat lezingen een manier zijn om jezelf als auteur in de

25

Uit het inkomensonderzoek blijkt dat auteurs gemiddeld een vijfde van hun inkomen uit het geven van lezingen halen. Op basis van de inschattingen die ik verkreeg van de auteurs kan ik echter geen gemiddelde berekenen. Toch denk ik dat we die lijn hier kunnen doortrekken omdat het grootste aantal auteurs voor een vierde of minder afhankelijk is van de auteurslezingen. 31% van de auteurs is zelfs voor meer dan een kwart afhankelijk van de auteurslezingen die ze geven. Het gemiddelde kan hier dus ook hoger liggen, wat niet onlogisch is, aangezien het hier enkel om auteurs gaat die lezingen geven, terwijl het inkomensonderzoek van de VAV ook navraag deed bij auteurs die geen lezingen gaven.

49


markt te zetten. Deze auteur gelooft dus ook, zij het indirect, in de impact van zijn lezingen op zijn boekenverkoop. We kunnen dus zeggen dat 62%, bijna twee derde van de auteurs, gelooft dat ze meer boeken verkopen omdat ze erover gaan vertellen. Het gaat vaak meer om een vermoeden of een hopen, want niemand heeft, of vraagt, inzage in de cijfers. Zonder zicht op de gevolgen van de verkoop, is het moeilijk voor de auteurs om een strategie uit te werken om hun auteurslezingen te koppelen aan een verhoogde boekenverkoop en zo twee vliegen in een klap te slaan. Als ze bijvoorbeeld weten hoeveel boeken er gemiddeld na een lezing verkocht worden, kunnen ze manieren bedenken om dit aantal omhoog te krijgen.

9.1.4. Impact van auteurslezingen op uitleningen in de bibliotheek Tijdens de interviews leken de auteurs een beter zicht te hebben op de impact van hun lezingen in bibliotheken. Dit was echter misleidend, omdat ze hun zekerheid halen uit het buikgevoel van de bibliothecarissen die hen na hun lezingen vaak nog laten weten dat hun boeken vlot uitgeleend worden. In deze grafiek zien we dat een groter deel van de auteurs aangeeft geen idee te hebben over de impact van hun lezingen bij bibliotheken, dan bij de impact van hun lezingen in boekhandels. Maar als ze wel een idee hadden, brachten ze dat wel veel duidelijker naar voren dan bij de vorige vraag, waardoor ik er initieel vanuit ging dat hierover een duidelijkere communicatie tussen de auteurs en de bibliotheken was.

Zorgen auteurslezingen ervoor dat uw boeken vaker uitgeleend worden? 7%

ja ja, maar beperkt

21%

nee 7% 3%

62%

geen idee ander

graf. 5: Uitlening naar aanleiding van een auteurslezing

65% van de auteurs denkt dat zijn auteurslezingen ervoor zorgen dat zijn boeken vaker uitgeleend worden in de bibliotheek. Het aandeel van auteurs dat denkt dat dit slechts in beperkte mate zo is, is vele malen groter bij het verkoopcijfer van boekhandels dan bij het uitleencijfer van bibliotheken. Auteurs geloven dus sterker in een impact bij bibliotheken, dan

50


bij boekhandels. Helaas brengt dit de auteurs financieel veel minder op, aangezien er nog steeds geen werk gemaakt is van een correcte leenvergoeding in Vlaanderen. De vraag is natuurlijk in hoeverre de auteurs de impact van hun lezingen op uitlening en verkoop kunnen inschatten. Hier wordt verder in het onderzoek op ingegaan, na de analyse van de verkoop- en uitleencijfers.

9.1.5. Eigen boekenverkoop n.a.v. de lezing Boeken verkopen voor, tijdens of na een lezing blijft een taboe voor veel auteurs. Sommigen geven aan dat het in hun contract met de uitgever verboden wordt. Vreemd is dat enkele van deze auteurs wel boeken met schrijverskorting aankopen bij hun uitgever om zelf te verkopen. Volgens anderen worden ze btw-plichtig door de boekenverkoop op zich te nemen. Nog anderen vinden het gewoon te veel rompslomp. Het is dan ook in het belang van de auteur dat deze onduidelijke situatie uitgeklaard wordt, waartoe ik een poging zal ondernemen verder in het onderzoek.

Verkoopt u zelf boeken tijdens een lezing?

27%

28% ja nee in sommige situaties 45%

graf. 6: Eigen boekenverkoop naar aanleiding van een lezing

45% van de auteurs geeft aan nooit zelf boeken te verkopen. De redenen die ze hiervoor aanhalen zijn hierboven vermeld. Daar komt nog bij dat de meeste auteurs ook geen boeken willen of kunnen verkopen bij lezingen aan kinderen en dat veel van de ondervraagde auteurs jeugdauteurs zijn (supra). Van de 27% auteurs die enkel in bepaalde situaties boeken verkopen, doen de meeste dat vooral als er expliciet naar gevraagd wordt, door het publiek of bijvoorbeeld door de organiserende bibliotheek of school. Deze auteurs geven meestal ook aan dat ze enkel zelf boeken verkopen als er geen boekhandelaar aanwezig kan zijn. 28% van de auteurs zegt geregeld boeken te verkopen. Dit gaat zowel om nieuwe boeken als om oudere boeken die vrijgegeven zijn door de uitgeverij.

51


Er is absoluut geen zicht op wat het aandeel van de boekenverkoop is op het inkomen van de auteur. Omdat auteurs niet zeker zijn of ze wel zelf boeken mogen kopen, houden ze er geen boekhouding van bij. Komt daar nog bij dat die verkoop niet bij elke lezing plaatsvindt – denk aan lezingen in scholen of in boekhandels – en dat niet iedereen de boekhandelprijs aanrekent. Het is dus moeilijk om er een algemeen cijfer op te kleven, laat staan te kunnen zeggen wat het aandeel ervan is in het inkomen van de auteur.

9.1.6. Het belang van een plaats op de auteurslijst Een plaats op de auteurslijst kan op twee manieren belangrijk zijn voor de organisator van een auteurslezing. De eerste is de mogelijkheid tot subsidie. Als tweede is het een manier om een auteur te vinden die bij je organisatie past of kan het ook functioneren als een keurmerk; een auteur die op de lijst staat, zal het wel goed doen. Deze twee invalshoeken worden hier apart besproken. A. Subsidie Deze grafiek toont de antwoorden op de vraag of auteurs dachten dat de mogelijkheid tot subsidie belangrijk was voor de organisatoren van auteurslezingen. Om de vraag te verduidelijken werd soms gevraagd of de auteur al eens gevraagd werd een lezing met een jaar uit te stellen als er geen subsidie meer was, of als organisaties er specifiek naar vroegen voor er een afspraak gemaakt werd. In extreme gevallen werd een lezing soms afgezegd als de subsidie op was. Sommige auteurs proberen dit overigens tegen te gaan door organisatoren telkens maar één gesubsidieerde lezing aan te bieden. Zo kunnen ze hun subsidie verspreiden over meerdere organisatoren. Dit geldt natuurlijk vooral voor scholen, die vaak meerdere lezingen op één dag vragen.

Denkt u dat een plaats op de auteurslijst belangrijk is om aanvragen te krijgen voor lezingen door de subsidie? 7% 3%

ja

10%

soms nee 80%

geen idee

graf. 7: Belang van een plaats op de auteurslijst (subsidie)

52


80% van de auteurs geeft aan te denken dat subsidies belangrijk zijn voor de organisatoren van auteurslezingen. Dit betekent niet dat ze nooit gevraagd worden zonder subsidie, maar dat het naar hun gevoel voor bepaalde organisatoren wel degelijk een rol speelt. De 10% auteurs die aangeven dat het niet van belang is, zijn bekendere auteurs die het niet van de subsidie maar van de naamsbekendheid moeten hebben om lezingen binnen te halen. Volgens de meeste auteurs zijn subsidies wel degelijk van belang voor de organisatoren. Sommige auteurs geven aan dat dit in toenemende mate zo is voor scholen, omdat deze getroffen worden door besparingen. B. Bekendheid Met deze grafiek wil ik niet aantonen dat de auteurslijst de enige manier is waarop auteurs geselecteerd worden om een lezing te geven. Er zijn verschillende manieren waarop organisaties beslissen om voor een bepaalde auteur te gaan. Deze grafiek toont de antwoorden op de vraag of auteurs denken dat het feit dat ze op de auteurslijst staan, ervoor kan zorgen dat organisatoren hen uitnodigen, of dat deze organisatoren hun plaats op de auteurslijst eventueel zien als een keurmerk.

Denkt u dat een plaats op de auteurslijst belangrijk is om aanvragen te krijgen voor lezingen omdat organisatoren u op deze manier vinden? 10%

ja

14%

soms

10% 66%

nee geen idee

graf. 8: Belang van een plaats op de subsidie (gemak van de organisator)

De meeste auteurs, samen zo’n 76%, denken dat ze wel eens gevonden worden via de auteurslijst. 14% denken dat zij of hun onderwerp bij organisatoren bekend genoeg zijn, om niet te hoeven rekenen op de auteurslijst. De subsidie en de lijst zijn dus ongeveer even belangrijk voor organisatoren, en dus ook voor auteurs, om lezingen te organiseren.

9.1.7. Mond-aan-mond reclame Veel auteurs geven aan te denken gevraagd te worden voor een lezing omdat een organisator hen vindt op de auteurslijst. Daarnaast krijgen organisatoren hun naam ook vaak via via te

53


pakken, door een tip van een bevriende organisator bijvoorbeeld. Of ze door mond-aan-mond reclame gevraagd worden, is iets waar auteurs wel een zicht op hebben. Ze weten bijvoorbeeld wel wanneer ze vaak in dezelfde streek gevraagd worden of wanneer ze door mensen uit het publiek van een lezing gevraagd worden om een lezing te geven bij een andere organisator. Vaak geven organisatoren het ook wel aan aan de auteur wanneer hij gevraagd wordt op aanraden van een andere organisator.

Denkt u dat u door lezingen te geven nieuwe lezingen genereert? 14% 7%

ja nee geen idee 79%

graf.9: Mond-aan-mond reclame

De meeste auteurs, 79%, denken dat ze door lezingen te geven kunnen bouwen aan hun reputatie en aanvragen zullen krijgen voor andere lezingen. Een minderheid gelooft niet in die werking of heeft er geen zicht op. Verschillende auteurs geven ook aan dat het vooral bibliotheken zijn die elkaar tips doorspelen en dat scholen zich sneller tot de auteurslijst zullen wenden. Dergelijke conclusies liggen buiten de scope van dit onderzoek, maar kunnen toch een vertrekpunt zijn voor volgend onderzoek.

9.2. Bibliotheken De bevraging van de bibliotheken had als doel er achter te komen of bibliotheken een stijging merken in de uitleencijfers van auteurs die een lezing zijn komen geven. De objectieve uitleencijfers worden verder in dit onderdeel verwerkt, maar ik wil hier nagaan of de bibliotheek inschat dat er een stijging is, alsook op basis van welke criteria ze een bepaalde auteur uitnodigen, en hoe ze de uitlening van zijn werk proberen te stimuleren. Dit kan bijvoorbeeld door het werk extra aandacht te geven in de bibliotheek, maar ook door extra boeken aan te kopen. Deze zaken worden opnieuw eerst apart behandeld, om dan later een volledige analyse te maken van mijn bevindingen.

54


9.2.1. De auteurslijst In hoeverre laten bibliotheken zich leiden door de namen die op de auteurslijst te vinden zijn, of in hoeverre is de subsidie belangrijk voor bibliotheken? Als bibliotheken aangeven de lijst enkel te bekijken om contactgegevens van auteurs te vinden, dan is hun antwoord op bovenstaande vraag natuurlijk ‘nee’. Van bibliotheken die de lijst consulteren om inspiratie op te doen, op thema te zoeken of om een auteur te zoeken voor een specifieke leeftijdsgroep, ga ik er van uit dat ze zich soms laten leiden door de lijst en soms ook niet. Als bibliotheken ‘ja’ antwoorden op de vraag, dan houdt dat in dat de organiserende bibliotheek echt rekening houdt met het feit dat aan sommige auteurs een subsidie vast zit, hoewel dit niet betekent dat ze enkel gesubsidieerde lezingen organiseren. De auteurslijst is één van de opties die ze bekijken om een lezing te organiseren.

Houdt u rekening met de auteurslijst als u een auteur vraagt? 19% ja 50% 31%

nee soms

graf. 10: Het belang van de auteurslijst voor bibliotheken

De helft van de bibliotheken bekijkt de auteurslijst voor ze een lezing organiseren en houdt ook rekening met wat ze op die lijst vinden. 19% van de bibliotheken bekijkt de lijst soms. 31% van de bibliotheken houdt nooit rekening met de namen op de auteurslijst. Een plaats op de lijst is voor auteurs dus niet zaligmakend, maar kan vaak wel een extra impuls betekenen voor hun lezingenpraktijk, aangezien 81% van de bibliotheken aangeeft de lijst te bekijken, geregeld of niet. Er is geen correlatie tussen de grootte en het budget van de bibliotheken en het feit of bibliotheek enkel of vooral gesubsidieerde lezingen organiseert.

9.2.2. De impact van auteurslezingen op ontlening Omdat veel bibliotheken maar moeilijk uitleencijfers kunnen opvragen, is vooral hun buikgevoel belangrijk in het inschatten van de impact van auteurslezingen op uitleningen. De grafiek toont dat de meeste bibliotheken hier een goed gevoel over hebben:

55


Hebben auteurslezingen een invloed op ontlening? 13%

ja geen idee/misschien 87%

graf. 11: De invloed van lezingen op ontlening

Liefst 87% van de bibliotheken is ervan overtuigd dat lezingen ervoor zorgen dat de boeken van de betrokken auteur intensiever uitgeleend worden na, en eventueel ook kort voor, de lezing. 13% heeft geen idee of zegt dat dat misschien wel zo is. Opvallend is dat geen enkele bibliotheek aangeeft dat er geen effect is op de uitleningen. Sommige bibliotheken hebben er geen zicht op of willen er geen uitspraken over doen zonder het bekeken te hebben. Anderen zien de impact vooral bij ĂŠĂŠn bepaalde groep en minder bij andere groepen, maar geen enkele bibliotheek geeft aan van een impact niets te merken. Een tweede opvallende zaak is dat veel bibliotheken opmerken dat het meestal kinderen zijn die na een lezing massaal boeken komen lenen en dat dit effect bij volwassenen beperkter is. 31% van de bibliotheken maakt hier expliciet een opmerking over, maar het is mogelijk dat nog meer bibliotheken dit merken in hun dagelijkse praktijk. Deze tendens kan te verklaren zijn door het feit dat er voor kinderen vaak ook een leesopdracht verbonden is aan een auteurslezing en ook door het feit dat kinderen meestal geen budget hebben om zelf boeken te kopen, waardoor ze dus gemakkelijker naar de bibliotheek trekken als ze een boek willen lezen. Volwassenen zullen na een lezing misschien eerder naar de boekhandel stappen om het boek van de auteur te kopen.

9.2.3 De lezing als gelegenheid om de collectie aan te vullen Aangezien veel bibliotheken ervan overtuigd zijn dat auteurslezingen leiden tot intensiever uitleengedrag, is het belangrijk na te gaan of ze zich hier ook op voor bereiden. Lezingen kunnen een ideale gelegenheid zijn om de collectie opnieuw te bekijken en te zien wat er eventueel nog ontbreekt.

56


Koopt u extra boeken in van een auteur die een lezing komt geven? 3%

19%

ja soms

16%

nee 62%

geen idee

graf. 12: Extra aankoop boeken naar aanleiding van een lezing

62% van de bibliotheken geven aan extra boeken in te kopen van een auteur die een lezing komt geven. Dit betekent niet dat ze telkens blindelings vijf exemplaren van de nieuwste roman van de betrokken auteur bestellen, maar wel dat ze de collectie bekijken en aanvullen waar nodig. Van het recentste werk worden meestal een paar exemplaren voorzien, maar vaak wordt ook opnieuw wat ouder werk aangekocht. Op deze manier wordt de verschraling van het bibliotheekaanbod in beperkte mate tegengegaan. Verschillende bibliotheken geven ook aan, uitsluitend of niet, gebruik te maken van InterBibliothecair Leenverkeer (IBL) om te zorgen dat er genoeg boeken zijn van een auteur die een lezing komt geven. Een vierde van de ondervraagde bibliotheken vraagt hiervoor boeken aan bij collega-bibliotheken. Dat 63% van de bibliotheken extra boeken aankoopt en 25% van de bibliotheken boeken aanvraagt voor een lezing, toont aan dat een intensievere uitlening een factor van auteurslezingen is waar actief rekening mee gehouden wordt. Het zorgt ook voor een stijging in de boekenverkoop van de betrokken auteur en zo hebben lezingen in bibliotheken ook indirect een invloed op het inkomen van de auteur.

9.2.4. Aandacht voor de auteur Lezingen zijn een goede manier om een auteur in de kijker te zetten. Daarnaast werken de meeste bibliotheken ook met themastanden. Dit houdt in dat op daarvoor bestemde tafels of rekjes enkele boeken van eenzelfde auteur of rond een bepaald onderwerp worden geĂŤtaleerd, met de bedoeling dat deze door de bezoekers uitgeleend kunnen worden. Themastanden zijn een eenvoudige manier om de mensen aan het lezen te krijgen rond een bepaald thema.

57


Krijgen auteurs die een lezing komen geven ook fysiek meer aandacht in de bibliotheek? 3% 6% ja 16%

soms nee 75%

geen idee

graf. 13: Fysieke aandacht voor de auteur in de bibliotheek

Deze grafiek toont ook aan dat de themastand een tactiek is die veel bibliotheken gebruiken. Maar liefst 75% van de bibliotheken geeft aan er een te plaatsen en zo de auteur die een lezing komt geven extra in de kijker te zetten. Dit kan natuurlijk enkel als de boeken aanwezig zijn in de bibliotheek. Als de boeken al uitgeleend zijn, is er maar weinig uit te stallen. Volgens de bibliotheken vinden bezoekers ook gemakkelijk de themastanden. Deze versterken zeker de impact die lezingen hebben op uitleengedrag. Mensen die de lezing gezien hebben, worden hieraan herinnerd en zullen het boek sneller meenemen, maar ook mensen die niet aanwezig waren op de lezing kunnen geïntrigeerd raken en beslissen het boek uit te lenen. Zo’n themastand wordt soms al geplaatst voor de lezing plaatsvindt, zodat de mensen nieuwsgierig worden. Een auteur fysieke aandacht geven in de bibliotheek kan dus zowel een impuls voor de auteurslezing zelf zijn, als voor de uitleningen in de bibliotheek. De 25% van de bibliotheken die geen of slechts sporadisch gebruik maken van themastanden zouden dit dus kunnen heroverwegen.

9.2.5. Wisselwerking tussen uitlening en auteurkeuze We weten al dat 81% van de bibliotheken, sporadisch of systematisch, de auteurslijst consulteert. Daarnaast wou ik ook weten of er een wisselwerking is tussen boeken van auteurs die populair zijn in de bibliotheek en die dus veel uitgeleend worden, en de auteurs die gevraagd worden voor een lezing. Met deze vraag wil ik nagaan in hoeverre de bibliotheken een bestaand systeem in stand houden, door telkens auteurs te vragen die al populair zijn in hun bibliotheek en hen door een lezing opnieuw bekender te maken bij het vaste publiek dat eigenlijk al met hen bekend is. Omgekeerd kan de bibliotheek door rekening te houden met de voorkeuren van haar publiek, een groter publiek naar zijn lezingen lokken. We moeten er natuurlijk rekening mee houden dat veel bibliotheken geen zicht hebben op hun uitleencijfers en dus niet op basis van

58


objectieve cijfers kunnen beslissen welke auteur ze zouden moeten uitnodigen. Ik wil ook benadrukken dat het gaat om boeken of auteurs die lokaal populair zijn in de betrokken bibliotheek en niet om boeken die bijzondere aandacht krijgen in de media.

Als jullie een auteur kiezen, houden jullie dan rekening met de populariteit van de auteur in de eigen bibliotheek? 16% 28%

ja nee geen idee

56%

graf. 14: Invloed van uitleencijfers op auteurkeuze

De meerderheid van de bibliotheken, 56%, houdt geen rekening met de plaatselijke populariteit van de auteur. Zoals ik al zei, kan dit zijn omdat ze geen objectief zicht hebben op de populariteit van auteurs. Komt daar nog bij dat boeken die vaak uitgeleend worden ook vertalingen kunnen zijn van buitenlandse auteurs. Vaak zijn de populaire auteurs ook duurder voor een lezing. Voor kleine bibliotheken is het bijna onmogelijk om deze auteurs uit te nodigen voor een lezing. 28% zegt hier wel rekening mee te houden, maar vaak is dat dan op een negatieve manier: auteurs worden niet per se uitgenodigd omdat ze populair zijn, maar soms worden auteurs bewust niet uitgenodigd, net omdat ze niet populair zijn.

9.3. Boekhandels Omdat boekhandels net als bibliotheken aan de kant van de organisator staan in het verhaal van de auteurslezingen, wil ik hier eigenlijk ongeveer dezelfde zaken te weten komen als in het vorige onderdeel. Ik wil weten hoe boekhandelaars de impact van een auteurslezing inschatten op de verkoop, niet alleen van de betrokken auteur, maar ook op de algemene verkoop. Ik wil graag weten in hoeverre boekhandels rekening houden met de auteurslijst, aangezien zij dit nog maar sinds september 2013 kunnen doen om op die manier een hogere subsidie te krijgen (supra). Ik wil ook graag een zicht krijgen op hoe boekhandels de lezing voorbereiden en of ze met die lezingen een nieuw publiek aantrekken. Het is dus hetzelfde verhaal als bij de bibliotheken, maar met een grotere focus op de commerciĂŤle impact.

59


9.3.1. De auteurslijst Een vraag die zowel bij boekhandels als bibliotheken werd gesteld, is in hoeverre er rekening gehouden wordt met de namen op de auteurslijst als er een auteur uitgenodigd wordt voor een lezing. Deze grafiek toont aan dat hier verschillen in zijn:

Houdt u rekening met de auteurslijst als u een auteur vraagt voor een lezing?

25%

ja niet altijd

60%

15%

nee

graf. 15: Belang van de auteurslijst voor de boekhandel

Slechts een kwart van de boekhandels geeft aan de lijst te bekijken voor ze een keuze maken. Dit houdt nog niet in dat ze dan ook effectief een auteur van de lijst uitnodigen. 60% van de boekhandels bekijkt de auteurslijst nooit. Op zich hoeft dit niet te verwonderen, aangezien boekhandels zoals gezegd nog maar sinds september 2013 een hogere subsidie kunnen krijgen als ze een auteur van op de lijst kiezen. Dit is ook een maatregel die voor enige ontevredenheid zorgde bij de boekhandels. Het aandeel van boekhandels dat geen gebruik maakt van de auteurslijst is dan ook dubbel zo groot als het aandeel bibliotheken dat dit nalaat. Zoals ik al aanhaalde kunnen A-boekhandels een hogere subsidie krijgen van het VFL als ze een auteur uitnodigen die op de auteurslijst staat; 350 euro in plaats van 200. Enkele boekhandels gaven aan deze maatregel ‘totaal achterhaald’ en ‘ambtelijk’ te vinden. Boekhandelaars zien het nut van de lijst niet in, maar hebben ook geen zicht op hoe de lijst werkt of wie de lijst samenstelt. Zo merkt een boekhandelaar op: Dat is een criterium dat vroeger niet gold. Dat is pas sinds eind vorig jaar en dat we merken dat een aantal mensen die wij vragen eigenlijk gewoon niet op die lijst staan, omdat de lijst niet up to date is of om ik weet niet welke reden.

Uit gesprekken blijkt ook dat sommige boekhandels de lijst niet op voorhand consulteren. Pas na de lezing zien ze dan dat hun auteur niet gesubsidieerd is. Zo gaf een andere boekhandel aan een bekende auteur gevraagd te hebben, om dan achteraf te ontdekken dat ze niet op de lijst stond

60


‘omdat ze een of ander formuliertje niet had ingevuld’. Het is voor boekhandels dan ook moeilijk te begrijpen dat niet alle gevestigde waarden een plaats op de auteurslijst hebben, simpelweg omdat ze dit niet aangevraagd hebben. Dit zou naar bureaucratie ruiken. Aan de andere kant zou, als het VFL zomaar gevestigde waarden op de auteurslijst zet, het systeem waarschijnlijk beschuldigd worden van subjectivisme en favoritisme, waar een andere boekhandel de auteurslijst van verdenkt: Die auteurslijst is ook zoiets zo subjectief en achterhaald, ik bedoel, wie bepaalt dat in godsnaam [...] Dat is een handvol mensen é. Ge kunt niet voorbij de subjectiviteit van die mensen, hoe goed en degelijk ze ook zijn, dat is heel moeilijk, maar iemand moet beslissen é. Maar ik denk dat als je op een bepaald moment een A-label geeft aan een boekhandel, dan moet je zorgen dat die in de meest brede zin van het woord mensen, klanten kan lokken om die met dat brede aanbod te confronteren.

De koppeling van de auteurslijst aan de A-boekhandelregeling is dus nog niet perfect. Zoals ik al zei wordt deze door het VFL kritisch bekeken en geëvalueerd, zodat er meer evenwicht kan komen in de regel en de frustraties van de boekhandels hopelijk weggewerkt kunnen worden.

9.3.2. De impact van auteurslezingen op de boekenverkoop Zoals bij de bibliotheken gaat het hier om het buikgevoel van de boekhandelaar. De werkelijke verkoopcijfers worden verder besproken.

Heeft een auteurslezing een impact op de boekenverkoop van de betrokken auteur? 5%

ja

5%

ja, maar beperkt 40% 25%

25%

afhankelijk van de auteur nee geen idee

graf. 16: Impact van auteurslezingen op de boekenverkoop

De meningen zijn duidelijk verdeeld, maar meer dan de helft van de boekhandelaars, 65%, geeft wel aan dat de verkoop van de boeken van de betrokken auteur stijgt, zij het misschien in beperkte mate. Nog eens een vierde van de boekhandels geeft aan dat de impact afhankelijk is van lezing tot lezing. Sommige auteurs weten hun publiek te begeesteren en zij zijn dan ook diegenen die tot een meerverkoop zullen leiden. Ook een kort signeermoment na de lezing zou

61


tot een meerverkoop van de auteur leiden. Eén boekhandel zegt geen meerverkoop te ondervinden na een lezing.

9.3.3. De lezing als gelegenheid om de collectie aan te vullen Bij twee boekhandels ben ik niet aan de vraag toe gekomen, maar de overige 18 ondervraagde boekhandels kochten allemaal extra boeken in van de gevraagde auteurs. De helft van die boekhandels gaf aan die boeken aan te kopen met een overeenkomst van recht van retour met de uitgever, wat inhoudt dat ze voor een kleine premie hun boeken toch opnieuw kwijt kunnen aan de uitgever indien ze niet verkocht geraken. Dat aandeel is waarschijnlijk groter dan 50%, aangezien ik hier niet expliciet naar gevraagd heb. Hoewel de onverkochte boeken dus terug naar de uitgever gaan, hebben ze even in de spotlight gestaan in de boekhandel. Boekhandels geven ook aan dat ze vaak verschillende titels van een auteur bestellen naar aanleiding van een lezing, zowel nieuwer als ouder werk. Ook hier zorgen auteurslezingen er dus voor dat er in het boekenaanbod gediversifieerd wordt. Bijkomend zorgt het er ook voor dat boeken langer dan de gebruikelijke zes maanden in de boekhandel blijven. Auteurs kunnen door lezingen te geven dus de houdbaarheidsdatum van hun boeken verlengen.

9.3.4. Aandacht voor de auteur In een boekhandel kan aandacht gegeven worden aan een boek of een auteur door het in de etalage te leggen, op de toonbank of door het simpelweg uit te stallen op een tafeltje. Deze manier van promotie is erg gelijk aan die van de bibliotheken.

Krijgt een auteur die een lezing komt geven fysiek meer aandacht in de boekhandel? 5%

ja nee 95%

graf. 17: Fysieke aandacht voor de auteur in de boekhandel

95% van de ondervraagde boekhandels, allemaal behalve één dus, geeft aan de auteur die een lezing komt geven en zijn boeken meer aandacht te geven in de periode rond de lezing. Voor de lezing kan het als promotie voor de auteur en zijn lezing dienen. Na de lezing herinnert het de

62


klanten aan een hopelijk boeiende avond en kunnen ze geneigd zijn zich alsnog een exemplaar aan te schaffen. Deze extra promotie versterkt natuurlijk de impact van de auteurslezing op de verkoop van de betrokken auteur, zorgt ervoor dat deze na de lezing ook nog even nawerkt en kan er eventueel ook voor zorgen dat die verkoop al begonnen is nog voor de lezing plaatsvindt.

9.3.5. Algemene meerverkoop Een activiteit organiseren is ook een manier om mensen naar je winkel te lokken. Een lezing kan er dus voor zorgen dat er naast een meerverkoop van de betrokken auteur, ook een algemene meerverkoop is in de boekhandel. Dit kan zijn doordat er mensen op zo’n lezing afkomen die je anders niet in de winkel ziet, of doordat de winkel op een ander moment open is, bijvoorbeeld ’s avonds. De gemoedelijke sfeer kan er ook voor zorgen dat mensen meer tijd nemen om tussen de boeken te snuisteren en gemakkelijker met een boek, al dan niet van de auteur die een lezing komt geven, naar huis gaan.

Als lezingen doorgaan in de boekhandel, verkoopt u dan over het algemeen meer boeken? 5%

ja

15%

25%

ja,maar beperkt 55%

geen idee de lezingen gaat niet door in de boekhandel

graf. 18: Algemene meerverkoop naar aanleiding van een lezing

80% van de boekhandelaars denkt dat wanneer de lezingen doorgaan in de winkelruimte, dit ertoe leidt dat ze meer boeken gaan verkopen. 25% daarvan gelooft wel dat die algemene meerverkoop maar beperkt is. 15% van de boekhandelaars heeft hier geen zicht op. Lezingen kunnen ook indirect voor een meerverkoop zorgen als ze onderdeel zijn van de algemene promotie van de boekhandel. Activiteiten zorgen immers altijd indirect voor meer naambekendheid.

9.3.6. Een nieuw publiek Als auteurslezingen een manier zijn om promotie te maken voor de boekhandel, is het belangrijk dat je er ook nieuwe mensen mee bereikt. Zoals ik eerder al aangaf, is het bereiken van een

63


nieuw publiek één van de mogelijke oorzaken van de algemene meerverkoop in de boekhandel na een lezing.

Trekt u een nieuw publiek aan met uw auteurslezingen? 10% 10%

ja hopelijk nee 80%

graf. 19: Nieuw publiek naar aanleiding van een lezing

80% van de boekhandels denkt een nieuw publiek aan te trekken door lezingen, of literaire activiteiten in het algemeen, te organiseren. Ook op deze manier kunnen auteurslezingen zorgen voor een impact op de socio-economische situatie van de boekhandel. Verschillende boekhandelaars merken wel op dat je vooral een nieuw publiek aantrekt met lezingen als je die lezingen regelmatig organiseert. Door slechts één keer of heel af en toe een activiteit te organiseren, bouw je geen instroom van nieuwe klanten in. Als je echter met een duidelijke agenda of formule werkt, kun je gestaag bouwen aan naamsbekendheid en een groeiend klantenbestand.

9.4. De objectieve impact van auteurslezingen Zoals ik al aangaf in de methodologie lag de responsgraad voor het geven van verkoop- en uitleencijfers lager dan voor de interviews. Ik heb besloten om deze cijfers toch te verwerken om zo een indicatie te hebben van het effect van een auteurslezing. De uitleencijfers van de bibliotheken werden allemaal samen in één lijst verwerkt in het programma IBM SPSS Statistics, om zo te komen tot een gemiddeld verschil tussen de uitleningen van de betrokken auteur voor de lezing en de uitleningen na de lezingen. Dat verschil werd absoluut en procentueel uitgedrukt. Bij de boekhandels werd op dezelfde manier te werk gegaan. Voor bibliotheken heb ik de cijfers

64


van 16 bibliotheken en 75 auteurs.26 Voor boekhandels zijn dat negen boekhandels en 42 auteurs.

9.4.1. De bibliotheken De impact van auteurslezingen op uitleningen in bibliotheken werd berekend door de uitleencijfers van de betrokken auteur voor en na de lezing te bekijken. Er werd hiervoor gewerkt met een termijn van drie maanden, zowel voor als na de lezing, omdat van een boek telkens maar enkele exemplaren ontleend kunnen worden en er dus ook boeken gereserveerd worden die later ontleend worden. Toch kan deze onderzoeksmethode nog verder verfijnd worden, door de uitlening op nog langere termijn te bekijken. Dit was binnen het bestek van dit onderzoek niet meer mogelijk, maar kan een aanbeveling zijn naar verder onderzoek. De boeken van een auteur die een lezing kwam geven, werden bij de bibliotheken voor de lezing gemiddeld 12,5 keer uitgeleend en na de lezing gemiddeld 11,7 keer. Er is dus een miniem verschil van 0,8 boeken of een daling in uitlening van 16 %. Het verschil tussen voor en na blijkt na een paired samples t-test met 95% betrouwbaarheid niet significant (supra; Methodologie). Het kan dus op toeval berusten, maar er is in ieder geval over de verschillende bibliotheken heen geen duidelijke impact op de uitlening na een auteurslezing. Dit kan betekenen dat auteurslezingen niet leesbevorderend zijn, maar dat is niet het gevoel dat bibliothecarissen zelf hebben (supra). Een andere, meer waarschijnlijke hypothese is dat er weinig verschil is tussen de uitlening voor en na een lezing doordat de boeken van de betrokken auteur ook al voor de lezing enthousiast uitgeleend worden of in boekenpakketten naar de scholen gestuurd worden, maar dat er wel een algemene stijging is. Zo zei onder meer de bibliothecaris van Tienen mij dat ‘die cijfers ook wel gekleurd [zijn] omdat ik boeken heb uitgeleend aan de klassen. Ik heb elke klas een boek bezorgd van de schrijver die komt als voorbereiding. Dat zit er natuurlijk wel bij’. De bibliothecaris van Lichtervelde duidde de cijfers door niet enkel te kijken naar uitleencijfers voor en na de lezing, maar ook de cijfers van het voorafgaande jaar ernaast te leggen. Van de betrokken auteurs werden in een periode van zes maanden (drie maanden voor en drie maanden na de lezing) in het jaar van de lezing gemiddeld 47 boeken uitgeleend. In dezelfde periode een jaar later of een jaar vroeger waren dit gemiddeld 22 boeken. SPSS zegt dat het hier wel om een significant verschil gaat. Een randopmerking hierbij is dat recente boeken natuurlijk tot meer uitlening leiden dan oudere boeken, maar het feit dat hier zowel cijfers van een jaar voor de lezing als een jaar na de lezing bekeken werden, zou dit effect moeten neutraliseren. Dit is natuurlijk slechts één voorbeeld van een bibliotheek die sterk inzet op schoollezingen en waar boekenpakketten een duidelijke impact hebben, maar het toont wel aan dat er sprake is van een

26

Enkele auteurs komen verschillende keren terug in de cijfers in verschillende bibliotheken en boekhandels. Dit heb ik zo gelaten.

65


stijging in uitlening hoewel er geen verschil is tussen uitlening drie maanden voor en drie maanden na de lezing. Het nulresultaat kan dus veroorzaakt zijn door het feit dat er zowel een stijging is voor de lezing als na de lezing. Het kan ook het resultaat zijn van bibliotheken die een stijging kennen en andere bibliotheken die een daling kennen. Door alles samen te verwerken, neutraliseren de effecten van verschillende bibliotheken elkaar. Uitspraken doen over individuele bibliotheken levert ons hier niet veel op omdat de ene bibliotheek cijfers kon geven van één lezing en de andere van vijf, maar de spreiding van de effecten van de 75 verschillende onderzochte lezingen tonen dat deze hypothese toch waarschijnlijk is. Dan zien we namelijk dat na 33,3 % van de lezingen minder boeken uitgeleend worden van de betrokken auteur Bij 13,4 % blijft het uitleencijfer gelijk. Na meer dan de helft van de lezingen, 53,3 %, worden meer boeken uitgeleend in de bibliotheek. Die meeruitleen gaat dan van één tot 33 boeken. Er zijn dus lezingen waarbij er een duidelijk effect is en lezingen waarbij een averechts effect is. Of deze lezingen gegroepeerd zijn in bepaalde bibliotheken kan uit de cijfers niet afgeleid worden. Het kan dus zijn dat sommige bibliotheken altijd een groot effect kennen en andere nooit. Het kan ook zijn dat het verschil tussen uitleencijfers veroorzaakt wordt door een discrepantie tussen goede lezingen en minder goede lezingen. Een derde mogelijkheid hier is dat bij sommige lezingen veel boeken op voorhand uitgeleend worden. Zo staan er in de cijfers twee uitschieters waarbij na de lezing 77 en 74 boeken minder uitgeleend worden dan voor de lezing. Hier moet dan wel sprake zijn van een sterk verhoogde uitlening voor de lezing. Als het zo is dat er zowel voor als na de lezing een verhoogde uitlening is in alle bibliotheken, kunnen we wel degelijk spreken van een impact op de uitlening. Zolang de boeken gelezen worden, bereiken de auteurslezingen hun doel. Als er veel boeken gelezen worden voor de lezing, is dat des te aangenamer voor de auteur, omdat zijn publiek weet waarover hij het heeft. Als de tweede hypothese correct is, dan is er nog werk aan de winkel voor de bibliotheken waar geen impact is en de lezingen niet meer uitleningen op gang brengen. Zij kunnen bijvoorbeeld werken aan de zichtbaarheid van de boeken van de betrokken auteur of aan de opkomst voor de lezing. Hiervoor worden verder in deze scriptie enkele aanbevelingen geformuleerd. Waarschijnlijk bestaan beide trends naast elkaar en zijn er bibliotheken met een algemene stijging, met een stijging na de lezing en ook bibliotheken waar er niet zo heel veel gebeurt op het vlak van uitlening. Om een volledig beeld te krijgen van de precieze stijging van uitleningen in bibliotheken na het plaatsvinden van een auteurslezing, zou het onderzoek een onderscheid moeten gemaakt hebben tussen lezingen voor scholen en voor volwassenen en lezingen waarbij op voorhand

66


boekenpakketten verstuurd worden naar scholen. Dit vereist niet alleen meer kennis aan de kant van de onderzoeker, maar ook meer tijd, goodwill en betere software bij bibliotheken. Ondanks de beperkingen van dit onderzoek in de tijd, hebben we wel een indicatie van de impact van auteurslezingen op de ontlening in bibliotheken.

9.4.2. De Boekhandels Boekhandels hebben een andere motivatie om lezingen te geven dan bibliotheken en de promotie van een auteur en zijn boeken is daar een onderdeel van. Er wordt dus ook meer ingezet op de verkoop van die boeken en dat levert op. Vòòr een lezing worden van de betrokken auteur gemiddeld 5 boeken verkocht. Na een lezing zijn dat gemiddeld 24 boeken, een stijging van maar liefst 19 boeken en bijna een vervijfvoudiging. Een stijging die volgens SPSS dan ook significant is. Ook hier verkopen bepaalde boekhandels na een lezing meer boeken dan andere. Een gemiddelde kan geen volledig veld vatten, maar er is zeker een aanduiding dat het geven van lezingen goed is voor boekhandel en auteur, hoewel de marge op het verkopen van 25 boeken de kosten van een lezing niet volledig kan dekken. Daarvoor is nog steeds ondersteuning nodig vanuit het VFL, klinkt het ook vanuit de boekhandels. Het is dan ook niet de bedoeling dat boekhandels zich bij lezingen volledig gaan focussen op het verkopen van boeken en andere motivaties zoals promotie voor de auteur, bredere bekendmaking van de boekhandel en service naar de klanten gaan vergeten.

9.5. Analyse Voor ik een antwoord bied op de onderzoeksvraag van dit onderdeel, wat is de impact van auteurslezingen, wil ik hier nog enkele resultaten op elkaar betrekken en tendensen aan elkaar verbinden. Door middel van deze analyse wil ik wat dieper in gaan op enkele zaken, en niet enkel een oppervlakkig antwoord geven op de gestelde vragen.

9.5.1 Het belang van de auteurslijst Hier wil ik kort vergelijken welk belang de verschillende onderzoeksgroepen hechten aan de auteurslijst. Hiervoor betrek ik de resultaten van het vorige onderdeel op elkaar, om een antwoord te formuleren op de vraag wat het belang is van een plaats op de auteurslijst om aanvragen te krijgen voor auteurslezingen. De ondervraagde auteurs zien twee manieren waarop een plaats op de auteurslijst belangrijk kan zijn. De eerste manier is door de subsidie die aan zo’n plaats vast hangt. Een auteur kan jaarlijks vijftien gesubsidieerde lezingen geven, waarbij het VFL 100 euro van zijn honorarium betaalt. Voor debutanten zijn dat acht lezingen. Een tweede voordeel is het gemak van de lijst: organisatoren kunnen enkele criteria invullen en dan krijgen ze een lijst met namen van auteurs die passen bij hun organisatie of thema. Sommige organisatoren zouden de auteurslijst ook als

67


een keurmerk zien, maar dat is niet hoe de lijst is opgevat door het VFL. 80% van de auteurs denkt dat de auteurslijst belangrijk is voor organisatoren doordat ze op die manier subsidie kunnen krijgen. Als we daar de auteurs bij rekenen die denken dat de auteurslijst soms belangrijk is door de subsidie, dan komen we aan 83%. Het aandeel van auteurs dat denkt dat de auteurslijst belangrijk is door het gemak en door zijn keurmerk is iets kleiner en komt op 66%; 76% als we daar ook de auteurs bij rekenen die denken dat de auteurslijst soms belangrijk kan zijn voor het gemak en als keurmerk. Dit zijn natuurlijk slechts vermoedens van de auteurs. Van de bibliotheken kijkt de helft altijd op de auteurslijst als ze een auteur zoeken voor een lezing. 19% doet dat soms. Dat komt op 69% die af en toe de lijst consulteert. Dit betekent niet noodzakelijk dat ze een auteur van de auteurslijst vragen. Enkele bibliotheken geven aan niet meer op de lijst te kijken omdat ze er veel te vroeg bij moeten zijn om nog subsidies te krijgen voor de auteurs die ze willen uitnodigen. Van de boekhandels kijkt 25% op de auteurslijst voor, maar meestal pas na, de lezing. 15% geeft aan soms te kijken. Het grootste deel van de boekhandels laat de lijst dus aan zich voorbij gaan. Dat is niet verwonderlijk omdat het hier om een relatief nieuwe maatregel gaat, waarover ook enige ontevredenheid heerst bij de boekhandels (supra). De onderzochte organisaties houden dus minder rekening met de auteurslijst dan de auteurs zelf dachten. Ongeveer de helft van de organisatoren bekijkt de lijst. Natuurlijk hadden de auteurs het over alle organisatoren, als hen gevraagd werd naar het belang van hun plaats op de auteurslijst. Sommige auteurs merkten ook op dat het vooral scholen waren die naar subsidie vroegen. Zeker voor lezingen bij boekhandels is het niet per se nodig dat auteurs op de auteurslijst staan. Als ze daarentegen graag bij bibliotheken – of scholen of verenigingen, al is daar hier nu geen onderzoek naar gebeurd – lezingen willen geven, dan is een plaats op de auteurslijst toch aangeraden.

9.5.2. De impact van auteurslezingen op de verkoop in boekhandels 28% van de auteurs denkt dat zijn lezingen ervoor zorgen dat er meer van zijn boeken verkocht worden in de boekhandel. 31% denkt dat dit wel zo is, maar in beperkte mate. Samen denkt dus 59% dat we van een impact kunnen spreken. Een kanttekening hierbij is dat het hier gaat om alle lezingen die de auteurs brengen, niet enkel om de lezingen die in boekhandels plaatsvinden. 59% denkt dus dat hun publiek na een lezing misschien een boek gaat aankopen, ongeacht waar die lezing plaatsvond. 40% van de boekhandelaren denken dat er na een lezing meer boeken van de betrokken auteur zullen verkocht worden. 25% denkt dat dit zo is, maar beperkt. Nog eens een vierde van de

68


boekhandels denkt dat de meerverkoop afhankelijk is van lezing tot lezing, of concreet van auteur tot auteur. Een goede lezing leidt tot meer verkoop. Alles samen denken de meeste boekhandels dus wel dat lezingen tot een meerverkoop leiden, zij het misschien beperkt. Uit een vergelijking van verkoopcijfers van voor en na een lezing van negen verschillende boekhandels bleek dat er een significant verschil is in de verkoopcijfers en dat we dus van een duidelijke impact kunnen spreken. Dit wordt dus correct aangevoeld door de meerderheid van de auteurs en de boekhandels. Dat er gemiddeld genomen een verschil is, sluit niet uit dat dit verschil ook afhankelijk is van lezing tot lezing zoals sommige boekhandels aanvoelen, met andere woorden dat sommige lezingen meer succesvol zijn dan andere en dat sommige lezingen geen meerverkoop op gang brengen. Om dit te counteren is het natuurlijk belangrijk dat er enkel lezingen gebracht worden die leesbevorderend werken. Dit kan onder meer door (debuterende) auteurs meer te coachen bij het geven van lezingen. Deze mogelijkheid wordt verder in deze scriptie nog belicht.

9.5.3. De impact van auteurslezingen op de uitlening in bibliotheken Van de auteurs denkt 62 % dat ze door lezingen te geven ervoor kunnen zorgen dat hun boeken vaker ontleend worden in de bibliotheek. Met auteurs die geloven in een beperkt effect erbij, wordt dat 65%. Ook hier gaat het over lezingen bij verschillende soorten organisatoren, maar schoollezingen gebeuren ook vaak in samenwerking met bibliotheken. Er zijn vermoedelijk meer lezingen waar bibliotheken bij betrokken zijn, dan lezingen waar boekhandels bij betrokken zijn. De uitspraken van de auteurs liggen dus iets meer in lijn met die van de bibliotheken dan van de boekhandels. Van de bibliotheken gelooft 87% dat auteurslezingen een impact hebben op ontlening. Dit zou dan vooral zo zijn bij jeugdlezingen. Het is overigens niet zo dat vooral jeugdauteurs denken dat hun boeken vaker uitgeleend worden na een lezing. Met 65% en 87% zijn de respondenten iets optimistischer over uitlening dan over verkoop. Spijtig genoeg is aan die uitlening een lager geldbedrag, de omstreden leenvergoeding, verbonden voor de auteurs. Dat optimisme lijkt ook niet gegrond als we de resultaten van het onderzoek ernaast leggen. Ik wil hier echter de nuance herhalen die ik eerder al aanbracht. Mogelijk leiden lezingen tot een stijging zowel voor als na de lezing. Dat de bibliotheken denken dat de stijging gebeurt na een lezing kan verklaard worden doordat bij een boekenpakket voor de lezing alle boeken in ĂŠĂŠn keer de bibliotheek verlaten. Er is dus niet het gevoel van uitlening. Als de boeken na de lezing dan afzonderlijk uitgeleend worden, lijkt het alsof er sprake is van veel meer uitleningen, terwijl dit objectief niet het geval is.

69


9.5.4. Verkoop vs. uitlening De wereld van de boekhandel verschilt natuurlijk van de wereld van de bibliotheek. Ook de manier waarop hun auteurslezingen ondersteund worden door het VFL is anders. Toch wil ik hier een kleine vergelijking maken tussen de impact van de auteurslezingen die ze organiseren. Bij de boekhandelaar gelooft 40% in een impact en 25% in een beperkte impact. Bibliotheken zijn overtuigder van hun zaak. Daar denkt 87% van de respondenten dat auteurslezingen ervoor zorgen dat er meer uitgeleend wordt van de betrokken auteur. De vraag of dat terecht is, werd al beantwoord. Bij de boekhandels zien we een duidelijk verschil in verkoopcijfers voor en na een lezing. Bij de bibliotheken is dit niet het geval, hoewel dit niet noodzakelijk betekent dat er niet meer uitleningen zijn naar aanleiding van de lezing. Bij bibliotheken kan de uitlening meer verspreid zijn, onder meer omdat er met boekenpakketten gewerkt wordt. Het verschil in finaliteit tussen de twee organisatoren uit zich evenwel in een verschil in impact. Voor de auteur is het natuurlijk het gunstigst als er bij allebei de organisatoren een sterke impact is naar aanleiding van de lezing, maar als dit slechts bij één organisator kan, dan zijn ze financieel natuurlijk het beste af met een stijging in verkoop eerder dan in uitlening, aangezien royalty’s hoger zijn dan de Belgische leenvergoeding. Allebei de onderzoeksgroepen doen hun best om de auteur in de kijker te zetten. Boekhandels hebben als commercieel bedrijf echter iets meer te verliezen als de lezing geen succes wordt. Dat vertaalt zich niet in meer aandacht voor de auteurslijst, maar wel in iets meer aandacht voor de auteur. 95% van de boekhandels geeft aan de auteur extra aandacht te geven in de winkel.27 Bij de bibliotheken is dat 75%.

9.6. Conclusie: wat is de impact van auteurslezingen? In dit onderdeel werden interviews en data op verschillende manieren verwerkt en samengebracht om uiteindelijk een antwoord te bieden op de vraag wat de impact is van auteurslezingen. Ik beantwoord die vraag hier voor de verschillende spelers die ondervraagd werden. Ik bekijk eerst de gevolgen voor boekhandel en bibliotheek, ga daarna even dieper in op de gevolgen voor het boek zelf om uiteindelijk te bekijken wat de impact is van auteurslezingen op de socio-economische positie van de auteur zelf. A. Meerverkoop in de boekhandel: algemeen en specifiek Een boekhandel is een commerciële organisatie en wil logischerwijs dus iets overhouden aan een lezing. Uit dit onderzoek blijkt dat dit ook het geval is. Er worden gemiddeld 19 boeken meer verkocht van een auteur die een lezing komt geven naar aanleiding van die lezing. 80 % van de boekhandels denkt ook van een algemene meerverkoop te kunnen spreken op het moment van 27

De overige 5% staat voor één boekhandel, waarvan de handelaar aangeeft niet genoeg georganiseerd te zijn om op tijd aan themastanden en etalages te denken.

70


de lezing, hoewel 25% aangeeft dat die meerverkoop maar beperkt is. Door de algemene en specifieke meerverkoop draait de lezing voor de meeste boekhandels uit op een kleine winst of op een nuloperatie, omdat er ook veel kosten verbonden zijn aan zo’n lezing.28 Die lezing zorgt echter ook voor publiciteit en een nieuw publiek. Het toont dat de boekhandel actief aan literatuur doet. Het heeft dus ook een indirecte commerciële impact. Dat die publiciteit er komt zonder dat de boekhandelaar daarvoor verlies moet draaien, is een mooie zaak en een extra motivatie om auteurslezingen te organiseren. B. Uitleningen in de Bibliotheek Hoewel de bibliotheken er zelf een goed gevoel over hebben, blijkt uit de cijfers niet dat er gemiddeld meer boeken uitgeleend worden na een lezing. Vaak wordt het uitleencijfer genivelleerd omdat er niet alleen na maar ook voor de lezing veel wordt uitgeleend, uit enthousiasme van de particuliere bibliotheekbezoeker of doordat er boekenpakketten uitgeleend worden aan scholen. De methode die ik gebruikte voor dit onderzoek was niet voorbereid op die balans. Als er verder onderzoek gebeurt, kan er gekeken worden naar uitleningen over een langere periode. Naar uitleningen bij bibliotheken kan meer onderzoek gedaan worden in het kader van leesbevordering, om een antwoord te bieden op de vraag hoe de bibliotheek kan zorgen voor nog meer uitleningen naar aanleiding van auteurslezingen. Ik doe hier al een aanzet toe in mijn aanbevelingen. C. Eigen verkoop van de auteur 65 % van de ondervraagde auteurs geeft aan soms zijn eigen boeken te verkopen naar aanleiding van een lezing. De meeste doen dit occasioneel en als er aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Vanzelfsprekend zal een auteur zijn boeken niet zelf verkopen als er een boekhandelaar aanwezig is. Ook bij lezingen voor kinderen of jongeren vinden auteurs het onkies om boeken te gaan verkopen. Wel worden er dan soms boeken verkocht aan de (klas)bibliotheek. Meestal verkoopt de auteur pas boeken als daar vanuit het publiek naar gevraagd wordt. Over het precieze aantal boeken dat een auteur verkoopt tijdens lezingen kan ik geen cijfer kleven, omdat de auteurs dit zelf niet bijhouden. Er is in het veld nogal wat onzekerheid over de legaliteit van de praktijk. Ik probeer de situatie verder in dit onderzoek nog uit te klaren. Wel zeker is dat de eigen verkoop van de auteur ertoe leidt dat zijn boeken langer in de handel blijven, zowel de nieuwere als de oudere boeken. D. Differentiatie in het boekenaanbod Bibliotheken en boekhandels merken op dat door de aandacht voor een auteur die een lezing komt geven niet alleen zijn recente werk in the picture komt, maar ook het oudere werk. Dit kan een gevolg zijn van het gebruik van een themastand, want een hele tafel kun je niet vullen met 28

Als zo’n lezing gesubsidieerd wordt door het VFL, kan de boekhandel er iets meer aan over houden.

71


alleen maar recente boeken. Vaak komt zo ouder werk weer aan het licht. Ook gaan lezingen meestal niet over slechts één boek, maar komt het hele oeuvre van een auteur aan bod, ook al gebeurt dit dan slechts zijdelings. Lezingen zorgen er in ieder geval voor dat het oudere werk niet alleen meer aandacht krijgt, maar ook opnieuw verkocht of uitgeleend wordt. Ook de auteur zelf gaat soms ouder werk verkopen, als zijn uitgeverij bijvoorbeeld te kennen geeft dat ze de boeken niet meer zelf gaan bijhouden en dat de auteur ze kan overkopen. De boeken worden dan niet verder verdeeld door de uitgeverij, maar zijn soms wel nog te vinden in de boekhandel, mogelijk wel slechts in het magazijn. Door zelf deze verramsjte boeken te gaan verkopen, verzekert de auteur er zich van dat ze niet uit de handel geraken. Deze differentiatie van het boekenaanbod heeft de auteur dus deels ook zelf in de hand. Als hij ervoor zorgt dat hij zelf boeken voorradig heeft, praat over zijn hele oeuvre en op voorhand de bibliotheek of boekhandel consulteert over de aanwezigheid voor zijn boeken, kan hij zorgen dat ook zijn ouder werk nog gelezen wordt en dat de houdbaarheid van dat oudere werk verlengd wordt. E. Verlengen van de houdbaarheidsdatum van het boek Zoals ik al aangaf zorgen de organisatoren van auteurslezingen er in de meerderheid van de gevallen voor dat er toch enkele boeken van de betrokken auteur aanwezig zijn op de plaats waar de lezing doorgaat. Auteurs die niet alleen lezingen geven als er een nieuw boek uitkomt, maar het regelmatig doen ook als ze hun laatste publicatie al een tijdje achter zich hebben, kunnen er dus voor zorgen dat hun boek langer in de belangstelling blijft. Dat oudere boeken door lezingen te geven een tweede leven krijgen, past ook in dit effect. Boeken blijven langer in de handel door lezingen te geven en ook door ze zelf te gaan verkopen. Dit effect is natuurlijk maar plaatselijk. Door één lezing te geven in een bepaalde boekhandel, zal het boek niet overal in de etalage blijven staan. Door echter geregeld lezingen te geven en de organisator ook te vragen of het boek nog te koop is of beschikbaar om uit te lenen, kan het publiek langer van de boeken van de betrokken auteur genieten. F. Het hefboomeffect van lezingen De financiële gevolgen van het geven van auteurslezingen zijn voor auteurs zowel direct als indirect. Ik som ze hier kort nog eens op: DIRECT -

Het aandeel dat de honoraria van lezingen innemen in het inkomen van de auteur;

-

De boekenverkoop die ten gevolge van de lezing op gang komt. Het gaat hier zowel om de boekenverkoop via de boekhandelaar als door de auteur zelf;

72


-

De directe promotie voor een auteur en zijn boeken. Hiermee bedoel ik de promotie die gemaakt wordt door de organisator en die op gang komt doordat er een lezing gegeven wordt.

INDIRECT -

De bibliotheken kopen meer boeken aan van de auteur (dat er meer boeken uitgeleend worden van de auteur zou ook een gunstige financiĂŤle impact kunnen hebben, maar hiervoor is de leenvergoeding in Vlaanderen te laag. Dat zijn boeken vaker uitgeleend zouden worden na een lezing kan dus wel leuk zijn voor een auteur, maar hij houdt er eigenlijk niets aan over);

-

Lezingen zijn ook een hefboom voor het geven van andere lezingen. Veel organisatoren zoeken via via een auteur voor een lezing, dus kan er uit elke lezing een volgende voortkomen;

-

Bekendheid als auteur en (als alles goed zit) ook faam als performer. Dit is dus een ander soort bekendheid dan die die bij de directe promotie komt kijken. De auteur verwerft de bekendheid door verschillende lezingen te geven. Dit kan ook indirect voor een meerverkoop zorgen;

-

Door lezingen te geven bouw je een publiek op;

-

Lezingen kunnen ook een hefboom zijn in het schrijfproces. Als auteur kan je bijleren van lezingen en beter worden in je vak of je publiek beter begrijpen. Dit resulteert dan ook in betere boeken, die meer aansluiten op je publiek.

Deze indirecte gevolgen op de socio-economische positie van de auteur zijn niet te meten en werken op een lange termijn, maar net voor deze indirecte gevolgen is het belangrijk dat de auteur van elke lezing een goede lezing maakt.

73


10. Tevredenheid Naast de impact van de auteurslezingen, wou ik bij de respondenten ook eens polsen naar de tevredenheid over de regeling van de auteurslezingen en over de samenwerking met het VFL. Net als de overige resultaten van dit onderzoek, verwerk ik ook hier de antwoorden van de respondenten per onderzoeksgroep. Daarna breng ik de opmerkingen die terugkeren samen en zie ik wat de werkpunten zijn en waar de respondenten wel collectief tevreden over zijn. Voor die werkpunten verwijs ik graag door naar de aanbevelingen of suggesties voor verder onderzoek. Een kritische noot bij dit onderdeel is dat de interviews waarin onder meer gevraagd werd naar de tevredenheid van de respondenten, afgenomen werden vanuit het VFL zelf. Respondenten wisten immers dat ik mijn onderzoek voerde vanuit het VFL. Alle ondervraagde respondenten ontvangen ook op één of andere manier steun van het VFL. Dit kan ertoe leiden dat sommige van hen zich iets gunstiger uitdrukken over het VFL dan ze zouden gedaan hebben tegenover een onafhankelijke ondervrager. Ik reken er wel op dat de echt grote frustraties wel komen bovendrijven.

10.1. De auteurs Alle auteurs geven aan tevreden te zijn over hun samenwerking met het VFL, behalve één auteur die het nog te vroeg vindt om zich er al over uit te spreken omdat de werking nog maar net veranderd is. Deze auteur geeft echter op geen enkele manier aan ontevreden te zijn over de samenwerking. De meeste auteurs hebben wel enkele opmerkingen, positief en negatief. We beginnen zoals altijd met het minder goede nieuws. Het meeste klachten zijn er over de website. Die zou te traag zijn en er zouden te veel foutmeldingen optreden. Dit probleem is eerder van een praktische aard, waar het VFL al eerder op gewezen werd en dat dus al in behandeling is. Enkele auteurs geven ook dat vijftien gesubsidieerde lezingen per jaar te beperkt is; niet per se voor hen, maar vooral voor de organisaties die geen ongesubsidieerde lezing kunnen financieren en dus niet altijd de auteurs van hun keuze kunnen boeken. Hierbij sluit een andere opmerking aan, dat de lezingen te vroeg aangevraagd moeten worden als je als organisatie nog een subsidie wil voor een populaire auteur, wat eigen is aan een systeem met maar een beperkt aantal subsidies. Een andere opmerking die terugkeert, maar intussen ook al werd opgelost, is dat er bij de uitbetaling van de auteurs door het VFL niet vermeld staat voor welke activiteit de auteur betaald wordt.29 Op die manier kan hij of zij niet bijhouden welke organisatoren al betaald hebben. Eén auteur merkt 29

Dit probleem werd opgelost door een gestructureerde mededeling in te stellen.

74


nog op dat er te veel verslagen ingevuld moeten worden, zowel aan de kant van de auteur als aan de kant van de organisator, hoewel de verslagen voor auteurs niet verplicht zijn (supra). Hij zou het vlotter vinden als je enkel bij problemen iets moet laten weten. Een laatste opmerking is dat het VFL het systeem van subsidies voor auteurslezingen meer zou moeten promoten, vooral bij scholen en verenigingen. Zij weten niet dat er subsidies zijn, en als ze het al weten, panikeren ze bij de woorden ‘aanvragen indienen’. Volgens de auteur kan hier nog wat gebeuren op het vlak van promotie en vereenvoudiging. Auteurs hebben ook enkele punten waarop ze vinden dat het VFL het goed doet. Zo merken veel auteurs op de goede communicatie en persoonlijke benadering van de stafmedewerker auteurslezingen te appreciëren. Als iets fout gaat, wordt dat snel telefonisch of via e-mail rechtgezet. Veel auteurs geven ook aan erg tevreden te zijn dat er door de nieuwe regeling minder rompslomp is en dat ze de verschillende delen waaruit hun honorarium bestaat in één keer ontvangen van het VFL. Nu moeten ze minder bijhouden wie hen nog geld moet. Er kruipt minder tijd in en er gaat minder geld verloren. Ook lezingen zonder subsidie kunnen via het VFL geregeld worden, als ze bij dezelfde organisator gebeuren en op dezelfde dag als een gesubsidieerde lezing. Dit neemt de auteur ook veel werk uit handen. Auteurs vinden het ook interessant dat ze nu zelf de verslagen van de organisator van hun lezing kunnen lezen en dat ze hun verslag zichtbaar kunnen maken voor de organisator. Op die manier kunnen ze er allebei iets uit leren. Als laatste zien auteurs de subsidie van het VFL als een belangrijke stimulans voor kleinere organisatoren met een beperkter budget. Ook zij kunnen lezingen organiseren dankzij de subsidie. De meningen over de samenwerking tussen het VFL en de auteurs zijn positief. Er zijn enkele opmerkingen, die ik ook meeneem in dit onderzoek, maar er is ook veel tevredenheid.

10.2. De bibliotheken Twee bibliotheken geven niet aan tevreden te zijn, maar nemen het woord ‘ontevreden’ ook niet in de mond. Eén bibliotheek is wel tevreden dat er subsidies zijn, maar vindt de auteurslezingenregeling zoals ze nu is moeilijker dan voorheen. De rest van de bibliotheken is tevreden, maar heeft, net als de auteurs en boekhandels enkele opmerkingen, die opnieuw zowel positief als negatief zijn. Ook hier vallen enkele opmerkingen over de trage website. Een andere opmerking over de website, is dat deze nogal rigide is. Eens je iets hebt ingegeven en het goedgekeurd is door de auteur, is het moeilijk om het zonder hulp van het VFL weer aan te passen. Dit is ook logisch, omdat op deze manier verhinderd wordt dat de organisator zonder medeweten van de auteur nog zaken kan veranderen. Over een flexibeler aanpak kan misschien wel nagedacht worden.

75


Eén bibliotheek merkt ook op dat de informatie over sommige auteurs op de website intussen verouderd zou zijn. Een laatste opmerking over de website, is dat het handig zou zijn als je als organisator kan zien hoeveel gesubsidieerde lezingen een auteur nog op overschot heeft. Zo hoef je geen tijd te investeren in het contacteren van auteurs die je dan toch niet kan betalen. De meeste klachten zijn er over het feit dat er opnieuw geleerd moet worden om de formulieren correct in te vullen. Volgens enkele bibliotheken verliep de overgang van de oude naar de nieuwe regeling nogal stroef. Zo zou er onduidelijkheid geweest zijn over de uitbetaling van de auteur. Eén bibliotheek omschrijft de overgang in 2014 zelfs als een ‘verrassing’. Een enkele bibliotheek vindt de nieuwe regeling moeilijker dan de oude en een andere geeft aan dat de nieuwe regeling meer rompslomp met zich mee brengt. Er wordt ook gevreesd dat auteurs nu langer zullen moeten wachten op hun geld van de lezing, omdat dat geld via een extra speler moet. Twee bibliotheken geven ook aan dat het teveel rompslomp is voor de schamele honderd euro die je maar krijgt. Dan zijn er ook nog enkele opmerkingen over het auteurslezingenreglement. Ook bibliotheken vinden het lastig dat een lezing zo vroeg aangevraagd moet worden om van de subsidie te genieten. De vijftien gesubsidieerde lezingen van populaire auteurs zijn snel uitgedeeld en bibliotheken moeten hier dan ook op inspelen door op tijd hun lezingen te organiseren.30 Ook het feit dat zaken zoals reiskosten nu zoveel op voorhand vastgelegd moeten worden, is een factor die ze liever zagen verdwijnen. Eén bibliotheek merkt op dat vijf dagen nogal weinig is om het verslag in te dienen, maar voegt daar zelf aan toe dat het anders misschien niet meer ingevuld zou geraken. Dat een lezing minimum een uur moet duren, vindt één bibliotheek te lang, zeker als het over lezingen voor kinderen gaat. Sommige bibliotheken willen dus dat er iets losser omgegaan kan worden met het reglement. De bibliotheken hebben duidelijk meer klachten dan de auteurs, maar ook zij zijn heel tevreden over de persoonlijke service van het VFL. Dat de mening over de samenwerking subjectief is, tonen enkele andere opmerkingen van bibliotheken aan. Zo geven enkele bibliotheken aan dat de overgang van 2013 naar 2014 vlot verliep en dat de regeling nu eenvoudiger is dan vroeger. Bibliotheken merken ook op het fijn te vinden dat de auteurslijst nu uitgebreider is dan vroeger en dat er ook debutanten op de lijst staan. Ook de verslagen van auteurs lezen, vinden ze fijn. Zo weet je nu beter wat je aan elkaar hebt.

30

Hiermee wordt overigens niet bedoeld dat aanvragen te vroeg ingediend moeten worden om van een subsidie te genieten, maar om bij sommige auteurs nog een gesubsidieerde lezing te kunnen krijgen.

76


10.3. De boekhandels Eén boekhandel geeft aan ‘niet altijd even gelukkig’ te zijn over de samenwerking met het VFL. De overige boekhandels zijn wel tevreden dat ze steun krijgen van het VFL, maar hebben toch ook enkele bedenkingen. De boekhandels zijn iets mondiger dan bibliotheken, en vooral dan de auteurs, hoewel die laatste misschien gewoon tevredener zijn. De kritiek op de auteurslijst werd al eerder behandeld in 9.3.1. De auteurslijst. Een opmerking die enkele keren terugkeerde, was dat er aan de subsidies voor literaire activiteiten te veel regeltjes vast hangen. Boekhandels zijn gesteld op hun onafhankelijkheid van handelen en daarin worden ze niet graag gedwarsboomd door een subsidieverstrekker. In deze ontevredenheid schuilen ook de frustraties over de auteurslijst, die te rigide gehanteerd zou worden. Andere opmerkingen zijn van een specifieker aard en gaan over het reglement en niet over de toepassing ervan. Zo merkt één boekhandel op dat een deel van het subsidiebedrag naar de gage van de auteur moet gaan, terwijl zij liever het hotel van de auteur zouden betalen, omdat de gage van de auteur al door de uitgever betaald wordt. Ook het feit dat de subsidie niet gebruikt kan worden voor de gage van de interviewer, vindt die boekhandel spijtig. Een laatste opmerking is dat het interessant zou zijn als ook mensen die iets met boeken doen, zoals voorlezen, een subsidie zouden kunnen krijgen. Deze activiteiten kunnen minstens even leesbevorderend zijn, maar worden nu minder gedaan omdat er geen geld voor is. Ook hier wordt het VFL vooral gecomplimenteerd voor de goede service en persoonlijke behandeling van problemen. Twee boekhandels merken ook op dat de recente veranderingen in de A-boekhandel ten goede zijn. Natuurlijk zijn de boekhandels ook tevreden dat ze ondersteuning kunnen aanvragen voor het organiseren van activiteiten.

10.4. Tevredenheid Over het algemeen leven er geen grote, massaal terugkerende frustraties onder de respondenten. De meerderheid is tot op zekere hoogte tevreden over de samenwerking. Sommige punten van kritiek keren terug. Andere zijn eigen aan een bepaalde onderzoeksgroep. We kunnen wel zeggen dat de auteurs en bibliotheken meer aansluiten bij elkaars opmerkingen dan de boekhandels. Dit is niet onlogisch, aangezien de boekhandels een aparte Aboekhandelregeling

hebben

en

de

auteurs

en

bibliotheken

beiden

onder

de

auteurslezingenregeling vallen. Auteurs en bibliotheken klagen vooral over de nieuwe website www.auteurslezingen.be, die traag is en vaak vast loopt op foutmeldingen. Dit is echter een praktisch en, hopelijk, tijdelijk probleem, dat ik verder niet mee neem in dit onderzoek. Een interessante suggestie is wel om aan te geven hoeveel gesubsidieerde lezingen een auteur nog te geef heeft, zodat organisatoren

77


onmiddellijk weten of ze, financieel, nog voor een bepaalde auteur kunnen gaan of niet. Een andere opmerking die veel gemaakt is, is dat 15 lezingen per auteur te beperkt is. Het leidt ertoe dat je er voor populaire auteurs altijd vroeg bij moet zijn als je één van hun gesubsidieerde lezingen wil. Dit is enerzijds lastig, zowel voor auteurs als voor organisatoren, in dit geval bibliotheken. Auteurs moeten ruim op voorhand al weten wanneer ze beschikbaar zullen zijn en bibliotheken moeten al weten wie ze willen vragen voor een lezing. Anderzijds is dit een kans voor jonge en onbekende auteurs om ook lezingen te geven, en voor organisatoren om nieuwe ontdekkingen te doen. Een andere opmerking die samenhangt met het budget van het VFL en waar het dus zelf weinig over te zeggen heeft, is dat de subsidie voor auteurslezingen van 100 euro te laag zou zijn voor de moeite die organisatoren ervoor moeten doen. Er waren ook enkele opmerkingen over problemen die er waren bij de overgang van de oude regeling naar de nieuwe, maar deze zijn intussen opgelost. Organisatoren merkten voorts vooral op dat het reglement iets losser gehanteerd zou mogen worden. De vraag die we ons hierbij moeten stellen is echter waar het dan stopt. Hierin tegemoet komen zal moeilijk zijn, en moeilijker worden naarmate meer organisatoren subsidie vragen voor lezingen. Wat de auteurs en de organisatoren heel erg appreciëren is de goede service van het VFL en de hulp op maat. Iedereen weet dat ze altijd kunnen bellen of mailen als ze ergens mee zitten en dat hun probleem dan zo snel en efficiënt mogelijk wordt opgelost.

78


11. Casestudies In dit onderdeel wil ik iets dieper ingaan op zaken die uit het voorafgaande onderzoek naar boven kwamen en verdieping of uitklaring nodig hebben. Ik doe dit aan de hand van enkele casestudies. Ik sprak hier voor met verschillende instellingen en personen over de auteurslezingen en manieren om die lezingen beter te maken en de impact ervan te versterken. Allereerst ga ik op zoek naar een antwoord op de vraag of auteurs zelf hun boeken mogen verkopen. Auteurs tasten hierover in het duister en ook het VFL zelf had geen pasklaar antwoord op deze vraag. Door hier een duidelijk antwoord op te bieden, weten auteurs of ze nu zelf boeken mogen verkopen en kunnen ze misschien meer inzetten op dit onderdeel van hun inkomen. Het tweede onderdeel van de casestudies is algemener en wil een antwoord bieden op de vraag hoe we de impact van auteurslezingen kunnen versterken.

11.1. Boekenverkoop door auteurs: kan dat? Zoals al aangetoond, biedt 55% van de auteurs al eens een boek te koop aan tijdens of na een lezing. Dit gebeurt meestal op vraag van, of toch minstens in overleg met, de organisator van de auteurslezing. Enkele auteurs geven ook aan dat ze altijd eerst de lokale boekhandel zullen uitnodigen. Pas wanneer er geen boekhandel is of deze laat de lezing liever aan zich voorbij gaan, neemt de auteur het heft in eigen handen. Wat niemand echter weet, is of dat wel zomaar kan, een auteur die zijn eigen boeken verkoopt aan het publiek tijdens een lezing. Op de platforms die auteurs raadplegen zijn geen juridische of belastingtechnische richtlijnen te vinden over deze praktijk. Met behulp van enkele spelers, specialisten en officiĂŤle documenten probeer ik de zaak voor eens en altijd, of tot de wetgeving verandert, uit te klaren. Om tot een antwoord te komen op de vraag of auteurs zelf hun boeken mogen verkopen, ging ik praten met Carlo van Baelen, Natalie AriĂŤn van de Vlaamse Auteursvereniging en het Kunstenloket.31 Carlo van Baelen was tot eind 2011 directeur van het VFL en is thuis in die kant van de letteren die de meeste literatuurliefhebbers liever links laten liggen, de kleine lettertjes. Natalie AriĂŤn zorgt bij de VAV voor antwoorden op de vragen van auteurs, die meestal van praktische aard zijn. Zij gaven mij vooral tips over waar ik het best begon te zoeken naar een antwoord op mijn vraag. Ik ga eerst in op de juridische kant van de zaak, aan de hand van het modelcontract dat gepromoot wordt door de VAV en het VFL, en daarna op de belastingtechnische kant.

31

Het gesprek met het Kunstenloket gebeurde telefonisch.

79


11.1.1. Het modelcontract Het modelcontract voor literaire uitgaven is ‘het resultaat van gezamenlijke onderhandelingen tussen de Vlaamse Auteursvereniging, de Vlaamse uitgevers (VUV) en de groep Algemene Uitgevers (GAU) (VAV, 2014b). Door met verschillende vertegenwoordigers van het veld samen te zitten, is het een aanvaardbaar contract geworden, zowel voor auteurs als voor uitgevers. Er is in het contract ruimte voor een persoonlijke invulling zonder dat er misbruik kan worden gemaakt van de juridische ongeletterdheid van de Vlaamse auteur. Het contract wordt aangeboden op de website van de VAV en ook het VFL maakt er gebruik van (VAV, 2014a). Zo moet je om een werkbeurs aan te vragen of om op de auteurslijst te komen een modelcontract afgesloten hebben met je uitgever. Uitgevers die hun auteurs geen goed contract aanbieden, kunnen dus geen extra middelen krijgen voor die auteurs van het VFL.32 Het is een manier van het VFL om de markt te corrigeren. Voor ons is vooral belangrijk wat het modelcontract zegt over auteurs die hun eigen boeken verkopen aan particulieren. Artikel 8.5 dat handelt over auteursexemplaren zegt dat de auteur, naast een X aantal exemplaren van zijn boek dat hij krijgt van de uitgever, ook het recht heeft om exemplaren van de uitgever te kopen (VAV, 2014a, p. 8). Hiervoor krijgt hij een korting, die ook wel de schrijverskorting genoemd wordt. Hoe groot die korting is, wordt niet bepaald in het modelcontract, maar uit gesprekken met Marieke Roels, Carlo van Baelen, Natalie Ariën en verschillende auteurs die meehielpen met het onderzoek, haal ik dat die korting normaliter 40% is. Het zou daarmee dezelfde korting zijn als die die boekhandels krijgen op hun aankopen. Artikel 8.5 zegt ook dat de auteur ‘deze exemplaren echter niet in de handel [mag] brengen, verkopen of doen verkopen zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van de Uitgever’ (VAV, 2014a, p. 8). De boeken worden dus verondersteld voor vrienden en familie te zijn, tenzij anders afgesproken met de uitgever. Er zijn echter situaties waarin de auteur zijn boeken wel zelf mag verkopen. Deze worden geëxpliciteerd in artikel 8.10:

32

Ook voor het aanvragen een productiesubsidie is werken met het modelcontract als uitgever noodzakelijk (VFL, 2014e).

80


In de volgende gevallen heeft de Auteur het recht om de resterende exemplaren van het Werk in een welbepaalde materiële exploitatievorm aan te kopen van de Uitgever tegen een prijs die in onderling akkoord zal worden vastgesteld door Partijen en, bij gebrek aan akkoord, door de rechter. [...] (1) uitoefening door de Auteur van zijn terugnamerecht (8.9.); (2) ontbinding van de Overeenkomst ten laste van de Uitgever (11); (3) prijsopheffing en ramsj (9.8, onder de aldaar bepaalde modaliteiten).33 De Auteur mag de exemplaren die hij aldus opkoopt verder verkopen tegen de door hem vrij te bepalen voorwaarden, zonder dat de Uitgever op deze grond evenwel tot enige vergoeding van de Auteur gehouden is (VAV, 2014a, p. 10).

Als het modelcontract strikt gevolgd wordt, dan mag de auteur dus enkel zijn verramsjte boeken verkopen zonder toestemming. Om recente exemplaren van zijn boek te verkopen, zou hij de schriftelijke toestemming moeten verkrijgen van zijn uitgever. Uit gesprekken met uitgevers voor het volgende onderdeel bleek echter dat over die toestemming niet moeilijk wordt gedaan (Janssens, 2014b; Vanschoonbeek, 2014). Hoe meer boeken er verkocht worden, hoe beter, zolang dit niet via de kanalen gebeurt waar ook de uitgever gebruik van maakt, zoals bijvoorbeeld de boekhandel. Hieraan wil ik nog toevoegen dat het modelcontract normatief is, maar dat het ‘uitgever en auteur vrij [staat] om individuele of aanvullende afspraken te maken’ (VAV, 2014b). Een auteur kan hier dus een aanpassing in laten aanbrengen, met goedkeuring van de uitgever.

11.1.2. Btw-plichtig, quoi? Over de btw-plichtigheid die samenhangt met het verkopen van boeken hangt zo mogelijk nog meer onduidelijkheid dan over het modelcontract. Ik ga hier kort in op wat btw precies is, wat de implicaties zijn als auteurs btw-plichtig worden en of de verkoop van boeken hen al dan niet btwplichtig maakt. Voor dit onderdeel was de hulp en raad van Carlo van Baelen en van het Kunstenloket onmisbaar. A. Wat is btw? Volgens Jan Souvereyns is btw, voluit ‘belasting op de toegevoegde waarde’, ‘een omzetbelasting die enkel door de eindgebruiker, de consument wordt gedragen’ (2011, p. 365):

33

Ramsj houdt in dat ‘wanneer na verloop van 12 maanden na het verschijnen van enige materiële exploitatievorm van het Werk blijkt dat het restant van de oplage bij de Uitgever naar diens redelijke oordeel onverkoopbaar is tegen normale marktvoorwaarden of wanneer minder dan X exemplaren in de betreffende vorm zijn verkocht, de Uitgever gerechtigd [is] om de prijs van het Werk substantieel te verlagen of de voorraad geheel of ten dele te vernietigen’ (VAV, 2014b, p. 12).

81


Een btw-belastingplichtige ondernemer moet bij elke levering van een goed of dienstverrichting nagaan of er (Belgische) btw verschuldigd is en hoeveel btw er moet worden aangerekend. Een btwplichtige mag evenwel de btw die hij heeft betaald op zijn eigen aankopen en investeringen in mindering brengen van de door hem ontvangen btw van zijn klanten (Souvereyns, 2011, p. 365).

Het voordeel van btw is dat je de btw die je zelf betaald hebt, kunt recupereren. Het nadeel is dat er wel wat administratieve verplichtingen en formaliteiten bij komen kijken. B. Wat zijn de implicaties van btw voor auteurs? Financieel maakt het niet zoveel uit voor auteurs of ze nu btw-plichtig zijn of niet. Als je meer btw ontvangt dan je betaald hebt, dan stort je het verschil door naar de Belgische staat. Als je minder btw ontvangt dan je betaald hebt, dan krijg je dat verschil terug van de Belgische staat. De btw is dus neutraal voor de btw-plichtige (Souvereyns, 2011, p. 366). Doordat de btw-plichtige zijn voorafbetaalde btw kan recupereren, ligt de kostprijs van goederen en investeringen lager (p. 367). Organisatorisch heeft zo’n btw-plicht wel ernstige implicaties voor de auteur. Omdat auteurs op hun auteursrechten en voor hun lezingen geen btw moeten aanrekenen, zouden ze als ze btw-plichtige in een systeem van gemengde btw-plichtigheid terecht komen (p. 382; 385): Gemengde btw-plicht ontstaat wanneer een btw-plichtige in zijn economische activiteit zowel handelingen verricht die zijn onderworpen aan btw en recht geven op aftrek, als handelingen die zijn vrijgesteld van btw. […] Gemengde btw-plichtigen mogen slechts de btw aftrekken in de mate dat deze betrekking heeft op de belastbare activiteit (p. 412).

In werkelijkheid wordt er meestal met een algemeen verhoudingsgetal gewerkt om te weten hoeveel btw er afgetrokken kan worden (p. 412). Toch zou dit veel tijd, kennis en administratie vragen van de betrokken auteur en discussie met de BTW-ambtenaar die zijn akkoord moet geven over dit verhoudingsgetal. Een laatste belangrijke implicatie is dat als de auteur btw-plichtig is en geen btw aanrekent en geen btw-administratie bijhoudt, hij ‘in het zwart’ aan het werken is, wat natuurlijk strafbaar is. De praktijk leert ons dat hier zelden op gecontroleerd wordt (Ariën, 2014), maar een situatie waarin de auteur niet weet hoe de vork precies in de steel zit, lijkt ons onhoudbaar bij controle. Daarom ga ik na of de auteur nu wel of niet btw-plichtig wordt, als hij zijn eigen boeken verkoopt. C. Maakt de verkoop van boeken auteurs btw-plichtig? Het wetboek btw beschrijft een btw-belastingplichtige als volgt: Eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit Wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend (Wetboek BTW, art. 4).

82


Deze definitie bestaat uit verschillende elementen die cumulatief zijn (Souvereyns, 2011, p. 369). Dat houdt in dat aan alle voorwaarden voldaan moet zijn voor de auteur btw-plichtig is: "eenieder" dus ongeacht het sociaal statuut van de betrokkene; "een economische activiteit" dus er gaat geld mee gepaard; "geregeld" en "zelfstandig" dus er zit enige organisatie en regelmaat achter en het gebeurt niet in opdracht; en "levering van goederen of diensten". De voorwaarden "met of zonder winstoogmerk" en "hoofdzakelijk of aanvullend" zijn niet essentieel. Of de auteur er werkelijk geld aan overhoudt en of hij dit in hoofd- of bijberoep doet, is voor de afhandeling van btw niet van belang. Het gaat dus om de vier voorwaarden die ik eerst opsomde. De voorwaarde die voor auteurs in dit geval meestal niet voldaan is, is “geregeld”. Zoals ik al aangaf in hoofdstuk 9 is de verkoop van boeken voor bijna alle auteurs occasioneel. Het gebeurt als er geen boekhandel aanwezig is, als het gepast is en toegelaten door de organisator van de lezing – bijvoorbeeld niet bij lezingen op scholen – en als er naar gevraagd wordt. De verkoop van boeken maakt dan ook geen vast onderdeel uit van de professionele activiteiten van de auteur. Wat echter occasioneel en wat geregeld is, is zoals Souvereyns zegt een feitenkwestie (p. 370). Het wordt dus geval per geval bekeken. Dat auteurs zelf boeken aankopen om dan occasioneel te verkopen, kan wel tegen hen pleiten. Er zit wel degelijk een planning achter, anders zouden ze de boeken niet bij hebben. Zelfs indien auteurs echter iets vaker dan toevallig boeken verkopen, hangt het nog steeds van hun jaarlijkse omzet af of ze al dan niet btw-plichtig worden. Kleine ondernemingen kunnen namelijk een btw-vrijstelling krijgen. De voordelen daarvan zijn dat de ondernemingen: o geen btw moeten aanrekenen aan haar klanten; o geen btw moeten doorstorten aan de Schatkist; o geen periodieke btw-aangiften moeten indienen (Financiën Belgium, 2014). Ondernemingen die in aanmerking komen voor de btw-vrijstelling voor kleine ondernemingen verrichten leveringen van goederen en diensten en hebben een jaarlijks omzetcijfer dat niet meer dan 15.000 euro bedraagt (Financiën Belgium - aangepast cijfer sinds 01.04.2014). Het omzetcijfer wordt gevormd door: het bedrag, exclusief btw, van de handelingen die plaatsvinden in België en die aan de belasting zouden zijn onderworpen indien ze zouden zijn verricht door een belastingplichtige onder toepassing van de normale of forfaitaire btw-regeling (Financiën Belgium, 2014).

Dit houdt in dat de auteur de uitbetaling van zijn auteursrechten op basis van zijn uitgavecontract (roerende rechten onderworpen aan roerende voorheffing) en de honoraria die hij ontvangt voor het geven van lezingen niet bij dit omzetcijfer hoeft te rekenen, omdat dit allemaal handelingen zijn die vrijgesteld zijn van btw (Souvereyns, 2011, p. 382; 385). Enkel de eigen verkoop van boeken en eventuele ander vergoede opdrachten die wel onderworpen zijn aan btw (redactiewerk,

83


journalistieke bijdragen, freelance schrijfopdrachten...) en door de auteur gefactureerd worden, maken deel uit van het omzetcijfer. Binnen deze realiteit zal een auteur dus uiterst zelden de drempel van 15.000 euro halen en wellicht eenmalig in een bepaald jaar (bijvoorbeeld van verschijning van meerdere nieuwe boeken). De onderneming kan om het even welke juridische vorm hebben, dus ook auteurs die zelfstandig in hoofd- of bijberoep zijn, komen als natuurlijke persoon - de facto dus een eenmanszaak - in aanmerking voor de vrijstelling (Financi毛n Belgium, 2014). Als de auteur zijn boekenverkoop niet meer als occasioneel kan omschrijven en er een echte beroepsactiviteit van gemaakt heeft, kan hij dus zeker opteren voor de btw-vrijstelling voor kleine ondernemingen, zolang zijn omzetcijfer onder de 15.000 euro blijft. Deze vrijstelling brengt wel enkele verplichtingen inzake administratie met zich mee, maar deze zijn toch beperkter dan als de auteur werkelijk btw-plichtig zou worden en een volledige boekhouding moet voeren:

- een aangifte indienen bij aanvang, wijziging of stopzetting van de werkzaamheid; - facturen (of als zodanig geldende stukken) opmaken volgens dezelfde regels die gelden voor andere btw-plichtigen, weliswaar zonder btw in rekening te brengen maar met de volgende vermelding: "Bijzondere vrijstellingsregeling kleine ondernemingen" - v贸贸r 31 maart van ieder jaar een klantenlisting indienen met de afnemers-belastingplichtigen aan wie in de loop van het voorgaande kalenderjaar goederen werden geleverd of diensten werden verstrekt. Deze opgave moet aangevuld worden met: -

het totaalbedrag van de omzet gerealiseerd in de loop van het voorgaande jaar het tijdvak waarin de activiteit werd uitgeoefend als die werd aangevangen in de loop van dat jaar

- de uitgereikte facturen bewaren en nummeren. De onderneming moet geen uitgaand factuurboek houden; - de ontvangen facturen bewaren en nummeren. De onderneming moet geen inkomend factuurboek houden; - een dagboek van ontvangsten bijhouden; - een tabel van bedrijfsmiddelen bijhouden als de kleine onderneming zich dat soort van goederen heeft aangeschaft; - haar BE-identificatienummer meedelen aan haar klanten en leveranciers (vermelden op de

84


contracten, facturen, bestelbons, …) [...] - eventueel een opgave van haar intracommunautaire handelingen indienen;

34

- een bijzondere btw-aangifte indienen uiterlijk de 20ste dag van de maand volgend op het kalenderkwartaal waarin zij een goed of een dienst heeft ontvangen en waarvoor zij als 35 medecontractant de btw verschuldigd is (Financiën Belgium, 2014).

Als de auteur dus geregeld boeken verkoopt, maar met zijn omzetcijfer onder de drempel van 15.000 euro blijft, dan hoeft hij geen btw aan te rekenen. Als hij echter geen btw aanrekent, dan zou hij zijn boeken eigenlijk aan een lagere prijs moeten aanbieden dan aan de boekhandelsprijs. De vraag is dan of de auteur eventueel aan concurrentievervalsing doet. Dit is een zaak die zeker binnen de sector bekeken moet worden. Als de auteur volgens de btw-vrijstelling voor kleine ondernemingen werkt, moet hij dus wel een vorm van administratie bijhouden. Deze is echter beperkt. De klantenlisting die vermeld wordt, zal de facto leeg zijn, omdat de auteur enkel verkoopt aan particulieren. Dit leidt er ook toe dat hij geen facturen zal uitreiken. De auteur zal wel een dagboek van ontvangsten moeten bijhouden, waarin hij telkens noteert hoeveel contant geld hij ontvangen heeft. Als de auteur dit allemaal een beetje bijhoudt, is dit betrekkelijk eenvoudig. Ook de ‘tabel van bedrijfsmiddelen’ kan hij achterwege laten, aangezien hiermee gedoeld wordt op ‘de lichamelijke goederen […] en diensten die bestemd zijn om op een duurzame wijze te worden gebruikt als werkinstrumenten en exploitatiemiddelen’ (KB nr. 3, art. 6, § 1, geciteerd in de Handleiding BTW, 2013, p. 1118). De boeken die bestemd zijn voor de verkoop zijn geen duurzame werkingsmiddelen, dus hoeft de auteur ze ook niet bij te houden in een tabel. Als de auteur onder het btw-regime van de kleine ondernemingen valt, moet hij dus enkel aangifte doen van de aanvang, wijziging of stopzetting van de activiteit, de facturen van zijn leverancier, hier zijn uitgever, bijhouden en een dagboek voor ontvangsten bijhouden. Zijn sociaal statuut is hiervoor niet van belang. Hij kan dus zowel zelfstandig in bij- of hoofdberoep zijn of werken vanuit een vennootschap. Als de auteur deze drempel van 15.000 euro dan toch overschrijdt, dan dient hij een volledige boekhouding te voeren, wordt hij gemengd btw-plichtig en moet hij voor boeken een verlaagd btw-tarief van 6% aanrekenen (Souvereyns, 2011, p. 404). De auteur doet er om deze complexiteit te vermijden dus goed aan om deze drempel in het oog te houden.

11.2. De impact van auteurslezingen versterken, maar hoe? Dat auteurslezingen een impact hebben op de socio-economische situatie van auteurs is intussen duidelijk. Voor 52% van de auteurs maak het deel uit van hun inkomen als auteur. Ook de 34

Het gaat hier om leveringen in het buitenland, een praktijk die hier niet van toepassing is. De opgave moet dan ook niet ingediend worden. 35 Een medecontract is vooral een courante praktijk in de bouwsector en in dit geval dus onbestaande. De bijzondere btw-aangifte zal dus ook nooit ingediend moeten worden door de auteur.

85


verkoop die gebeurt naar aanleiding van zo’n lezing is belangrijk voor de auteur en de boekhandel en in de bibliotheek zorgen lezingen voor meer beweging. In dit onderdeel wil ik nagaan hoe deze effecten van lezingen versterkt kunnen worden. Hiervoor ging ik in gesprek met Natalie Ariën van de VAV, auteur Erik Vlaminck, bibliothecaris Kirsten Janssens van de bibliotheek van Sint-Niklaas, uitgevers Rein Janssens van WPG Uitgevers en Rudy Vanschoonbeek van Uitgeverij Vrijdag. Deze interviews zijn opgenomen in de bijlage.

11.2.1. Het richthonorarium Een goede manier om de impact van auteurslezingen op de socio-economische positie van de auteur te versterken, is door te zorgen voor betere honoraria en daardoor het inkomen van de auteur te verhogen. Naast het modelcontract dat eerder besproken werd, stelde de VAV ook enkele richttarieven op voor auteurs. In een document op de website – dat intussen al dateert van 2012 – bekijken ze over de verschillende genres wat auteurs kunnen vragen voor verschillende diensten. Er is ook een stuk aan auteurslezingen gewijd. De bedoeling van de richttarieven is om auteurs die niet weten wat voor honorarium ze kunnen vragen een houvast te bieden. Zoals al aangehaald in de inleiding is de betaling van auteurs voor lezingen een oud zeer in het literaire veld. Natalie Ariën van de VAV bevestigt in ons interview ook dat nog al te vaak auteurs na een lezing naar huis gaan met niet meer in handen dan een fles wijn. Het document zegt ook: Bovendien mogen organisatoren er niet van uitgaan dat ze geen opleg meer hoeven te betalen aan de auteur als Stichting Lezen [sic] de lezing subsidieert (VAV, 2014c).36

Tijdens de laatste jaren dat de auteurslezingen bij SLV ondergebracht waren en ook nu de auteurslezingen weer bij het VFL zijn ondergebracht, zijn de organisatoren verplicht zelf een minimale opleg te doen. Die opleg is verhoogd en gedifferentieerd sinds 2013 (supra). Toch zijn die honoraria nog steeds aan de magere kant. De tarieven die de VAV voorstelt zijn de volgende: - schoollezingen: minimaal 150 euro per lezing; indien een lezing twee lesuren duurt, is 200 euro een minimum; - lezingen uit/over eigen werk in bibliotheken, leesclubs, boekhandels of op literaire manifestaties: minimaal 200 euro per lezing (prijzen tussen 200 en 400 euro zijn gebruikelijk); - themalezingen op aanvraag: minimaal 300 euro per lezing (prijzen tussen 250 en 600 euro zijn gebruikelijk). De vervoerskosten van en naar een lezing worden supplementair door de organisator betaald. Wie met het openbaar vervoer reist, legt het ticket voor; wie met de wagen komt, vraagt de gangbare kilometervergoeding (VAV, 2014c). 36

Uiteraard worden lezingen nu vanuit het VFL gesubsidieerd.

86


Die richttarieven werden opgesteld na raadpleging van de leden van de VAV en er werd ook gekeken naar wat in Nederland de gangbare tarieven zijn, omdat auteurslezingen daar al iets meer geprofessionaliseerd zijn (VAV, 2013c; Ariën, 2014). In de realiteit werken veel Vlaamse auteurs voor een bedrag onder die richttarieven. Het richttarief wordt dan ook gebruikt om te sensibiliseren. Tussen de 300 euro die er staat voor themalezingen en een fles wijn zit veel verschil. Natalie Ariën hoopt dan ook dat dat grote verschil daartussen auteurs én organisatoren aan het denken zal zetten. De richttarieven zijn echter niet bekend bij organisatoren. Het is naar mijn aanvoelen dan ook vooral deze groep die gesensibiliseerd moet worden. Sommige organisaties hebben uiteraard slechts een klein budget, maar andere zullen mits een kleine aanmoediging misschien toch beseffen dat een goede lezing ook vraagt om een goed honorarium.

11.2.2. De mening van de auteur: Erik Vlaminck Erik Vlaminck is auteur, ex-voorzitter van de Vlaamse Auteursvereniging en succesvol in het geven van lezingen (VAV, 2013a). Verschillende contactpersonen verwezen naar Vlaminck en naar een voordracht die hij gaf op het werkcongres van de VAV in 2014. Die voordracht was ‘Lezingen voor gevorderden: best practices’ en was eigenlijk een panelgesprek met Gerda Dendooven en Do van Ranst. Zoals de titel al zegt, ging die voordracht over wat van een lezing een goede lezing maakt. Zijn kennis van en ervaring in het veld van auteurslezingen, maken van Vlaminck de geknipte man om om tips te vragen om lezingen beter te maken en zo hun impact te versterken. De aanbevelingen die hij gaf waren praktisch en niet beleidsmatig, maar daarom des te gemakkelijker toe te passen door de individuele auteur. De aanbevelingen van Vlaminck zijn in te delen in twee duidelijke tips: maak meer werk van je lezing en zorg voor meer solidariteit onder auteurs: a. Maak meer werk van je lezing Lezingen kunnen op verschillende manieren beter voorbereid worden. Zo is het belangrijk dat de auteur op voorhand goed overweegt welke teksten hij voorleest tijdens de lezing en die teksten zo nodig aanpast: ‘het is niet omdat de tekst goed is om in een boek te staan, dat die ook goed is om voor te lezen’ (Vlaminck, 2014). Ook bij poëzie kunnen er betere selecties gemaakt worden. Vlaminck is er ook voorstander van dat er meer begeleiding zou zijn van debutanten die lezingen gaan geven. Dit kan eventueel in de vorm van een workshop waarin hen getoond wordt hoe ze zich best gedragen op het podium en wat ze wel en niet kunnen doen. Hij ziet de begeleiding als een taak voor de uitgever van de auteur, in de veronderstelling dat zij ook (een deel van) de organisatie van lezingen op zich nemen. Voor zijn eigen lezingen verwijst Vlaminck naar zijn achtergrond als theatermaker. Verschillende van de vaardigheden die hij in het theater

87


verworven heeft, past hij toe tijdens zijn lezingen. Hij betwijfelt wel of veel auteurs een boodschap hebben aan begeleiding, maar is van mening dat als de begeleiding georganiseerd wordt door de uitgever, auteurs zich misschien wel meer aangesproken kunnen voelen. Een laatste tip die hierin past, is om de boekenverkoop bij de lezing niet aan het toeval over te laten. Zorg er altijd voor dat er een boekhandelaar uitgenodigd is. Dit neemt je als auteur werk uit handen, maar auteurs hebben ook de boekhandel nodig en doen er dus goed aan deze te steunen. Als er geen boekhandelaar aanwezig kan zijn, neem dan zelf een voorraad boeken mee. Vlaminck merkt hierover nog op dat boekhandels in Vlaanderen nog actiever moeten worden in het lezingencircuit. In Nederland is het volgens hem ondenkbaar dat er geen boekhandelaar aanwezig zou zijn op een lezing. b. Solidariteit onder auteurs Schrijven is een eenzaam beroep, maar dat geldt niet voor het geven van lezingen. Meer solidariteit onder auteurs zou volgens Vlaminck een sterker lezingenveld opleveren. Dit kan op verschillende manieren. Een eerste is door samen op te treden. Dat is veel interessanter voor het publiek, omdat er meer interactie is. Je deelt op die manier ook je bekendheid met elkaar en steekt misschien wel iets van elkaar op. Een andere variant hierop is om als bekende auteur een debutant uit te nodigen, bijvoorbeeld als voorprogramma. Hier zien we een analogie met de muziekwereld, waar minder bekende muzikanten een podium en een publiek krijgen door voor de headliner op te treden. Het levert de debutant bekendheid en ervaring op, en het zorgt opnieuw voor afwisseling voor het publiek. Een laatste tip die hierin past, is om als auteur ook lezingen bij te wonen van andere auteurs. Het betreft hier een zekere voorbereiding op de eigen lezingen, omdat de auteur ziet hoe anderen het doen en er dus ook iets van opsteekt. Tegelijk is het ook een steunbetuiging aan de auteur die een lezing geeft.

11.2.3. A good practice: de meest auteursvriendelijke bibliotheek EĂŠn van de organisaties die ik bezocht om meer te weten te komen over het succesvol organiseren van auteurslezingen was de stadsbibliotheek van Sint-Niklaas, waar ik een interview afnam met de bibliothecaris Kirsten Janssens. Op 24 januari 2014 werd de bibliotheek verkozen tot meest auteursvriendelijke bibliotheek, een actie die uitging van de VAV (SintNiklaas, 2014). De bibliotheek won de onderscheiding voor een groot voorleesproject dat ze in 2013 ondernam, de Voorleestour. Bij dat project werden er lezingen georganiseerd voor alle leerlingen uit het tweede jaar secundair uit Sint-Niklaas, een totaal van 1.300 leerlingen; een groots opgezette voorleestour dus, met 36 auteurs, die zijn effect niet miste (Janssens, 2014). Hoewel de tour plaatsvond in oktober, worden de boeken van alle betrokken auteurs nog steeds vlot uitgeleend. Het project legde ook een basis voor de verdere onderlinge samenwerking tussen de scholen en de bibliotheek van de stad, ook voor andere (literaire) projecten. De

88


bibliotheek zet ook in op andere leeftijds- en doelgroepen. De bibliothecaris heeft het op de website van de stad Sint-Niklaas over ‘een mooie pluim voor onze werking waarbij we zowel kinderen, jongeren, ouderen, laag- en hooggeschoolden, met andere woorden een zo ruim mogelijk publiek, willen aanspreken’ (2014). Hoe de bibliotheek dat publiek zo succesvol aanspreekt, wil ik hier graag bespreken. De bibliotheek zorgt voor een combinatie van verschillende factoren die van een lezing een succeslezing kunnen maken. Een succeslezing is altijd goed voor auteur en organisator. De bibliotheek van Sint-Niklaas is natuurlijk een centrumbibliotheek, maar ook kleinere bibliotheken kunnen iets van hun praktijk leren. Ik som hier kort de verschillende succesfactoren van de meest auteursvriendelijke bibliotheek op: a. Samen werken = versterkend werken Een groot project levert meer aandacht op en kan meer mensen betrekken, maar het vergt natuurlijk veel meer organisatie. De oplossing voor de overbelasting van de bibliotheek is het samenwerken over de grenzen van de organisatie heen. Zo werd in Sint-Niklaas samen gewerkt met verschillende scholen. Ook organisaties zoals CANON Cultuurcel, Stichting Lezen en het VFL ondersteunden het voorleesproject. Door samen te werken creëer je een groter draagvlak en een groter publiek, maar vele handen maken ook licht werk. Door taken te verdelen en extra steun te zoeken bij subsidieverstrekkers, niet alleen budgettair maar ook door gebruik te maken van hun expertise, kan een groots project opgezet worden zonder dat de eigen organisatie er al te sterk onder gebukt gaat. Natuurlijk weegt zoiets op de organisatie, maar het is de bedoeling dat ze door hulp te zoeken er niet onderdoor gaat. b. Think big Eén groot project kan soms meer betekenen dan meerdere, minder ambitieuze lezingen. Bij dit project, de voorleestour, waren alle leerlingen van één jaar van het middelbaar betrokken, alsook 36 verschillende auteurs die lezingen gaven op 36 verschillende locaties. Hierdoor was er veel actie; er waren telkens drie korte lezingen gevolgd door vragenrondes waarna de leerlingen weer op pad gingen. Door deze strakke opeenvolging hadden de lezingen meer effect dan als de leerlingen drie auteurs verspreid over het schooljaar hadden gezien. Ook publiciteitsgewijs kan het bij volwassenen meer opleveren om een keer een grote lezing te geven die ze zich nog lang zullen herinneren dan verschillende, matige kleintjes. Kirsten Janssens gaf ook aan dat je ‘af en toe eens iets [moet] doen dat er bovenuit steekt’. c. Twee vliegen in één klap Om zo’n groot project te organiseren, kan het opleveren om verschillende projecten of gelegenheden samen te nemen om een lezing te geven. Zo kaderde de Voorleestour in een jaarlijks terugkerende lezingendag Letterengebroed, maar ook in het Jaar van het Voorlezen. Op

89


die manier kunnen ook extra subsidies aangevraagd worden. Voor een andere recente lezing werd het thema van de Grote Oorlog, waar ook mee gewerkt wordt in Sint-Niklaas, samengenomen met een lezing voor leeskringen van Sint-Niklaas en met Wereldboekendag. Op die manier creëer je een groter draagvlak en een groter publiek. Door verschillende segmenten van je doelgroep samen te brengen, creëer je ook een eigen energie. Het wordt een heel andere lezing. d. Nodig eens een boekhandelaar uit Een boekhandelaar uitnodigen is het ijzer smeden als het heet is. Voor lezingen voor volwassenen is het jammer als er geen boekhandelaar aanwezig is, omdat de mensen net op dat moment hun boek willen kopen. Ze staan in vuur en vlam door de lezing en willen graag ook nog een handtekening van de auteur terwijl het kan. Als ze het boek nu niet aanschaffen is de kans groot dat niet iedereen het boek achteraf gaat kopen. Ook voor de boekhandel is zo’n lezing interessant, omdat hij op korte tijd veel boeken kan verkopen en precies weet welke boeken hij op voorraad moet hebben.37 Hiermee snijdt de bibliotheek zeker niet in eigen vel, aangezien er meestal niet genoeg exemplaren zijn om aan alle aanwezigen een boek uit te lenen. e. Inkleding en het publiek soigneren Een succesvolle lezing kan in een klein hoekje schuilen. Een hapje of drankje in thema klinkt misschien knullig, maar het zijn net die dingen die het voor de mensen speciaal maken en die ze zich veel later nog zullen herinneren. Ook een correcte nazorg naar het publiek kan veel doen. Een mailtje om de mensen te bedanken achteraf zorgt voor veel goodwill en interesse voor de werking. Die mensen zie je achteraf vaak nog terug. Ook het uitnodigen van een boekhandelaar valt onder die inkleding. Het maakt van de lezing nog net iets meer een beleving. f. Durf op lange termijn denken Literaire activiteiten kunnen nog lang na datum nawerken. Ontlening kan bijvoorbeeld pas een piek kennen in de vakantie, als mensen de tijd hebben of nemen om te lezen. Het grote publiek komt misschien pas bij je derde of vierde lezing opdagen. Door lezingen of andere activiteiten te organiseren ga je niet (alleen) voor onmiddellijk succes, maar bouw je ook op lange termijn aan het imago van de bibliotheek. g. Verklein de afstand tussen spreker en publiek Hoe kleiner de afstand tussen de auteur die komt spreken en zijn publiek hoe meer plaats er is voor direct contact. Zo worden er gemakkelijker vragen gesteld en is er achteraf ook een sterkere herinnering aan de lezing. Zo waren er tijdens de Voorleestour verschillende locaties waar leerlingen bijna bij de auteur op schoot zaten. Zeker voor jongeren maakt dat een 37

Volgens mijn onderzoek is er een gemiddelde meerverkoop van 19 boeken. Boekhandels kunnen vanuit hun ervaring boeken bestellen of eventueel werken met dit richtcijfer.

90


hemelsbreed verschil en zorgt het voor een veel sterkere wisselwerking. Hoe intenser het contact, hoe gemakkelijker ze achteraf naar de boeken grijpen van de betrokken auteur. h. Omkadering Niet alleen de lezing, maar ook het voor- en natraject is belangrijk, zeker bij schoollezingen, waar interesse voor literatuur niet altijd evident is. Het VFL benadrukt dit ook bij elke lezing. Op voorhand werken rond de betrokken auteur is fijner voor iedereen. De leerlingen kunnen meer betrokken worden bij de lezing omdat ze weten waarover het gaat en naar de auteur is het ook een kwestie van beleefdheid. Ook een natraject kan zorgen dat de auteur meer gelezen wordt. De interesse van de leerlingen is gewekt, omdat het om iemand gaat die ze in levende lijve gezien hebben. Ze kunnen zich dus veel makkelijker vinden in de keuze van de auteur en in zijn boeken. Enkele belangrijke vragen die je je als leerkracht kan stellen voor een lezing zijn volgens Kirsten Janssens: ‘hoe kunnen we dat op voorhand doen? Hoe kunnen we dat omkaderen? Hoe kunnen we dat inkleden? Hoe kunnen we daar nazorg aan geven’. Een succesvolle lezing stopt dus niet als het laatste woord gezegd is, maar gaat daarna verder in de klas. i. Verandering van spijs doet eten Zeker bij grote projecten met meerdere auteurs is het interessant als er verschillende auteurs zijn, als er echt afwisseling is, bijvoorbeeld tussen genres. Zo kreeg elke klas tijdens de voorleestour ook een lezing van een illustrator. Ook dit is een interpretatie van literatuur. Ook de verschillende insteken van auteurs zijn interessant voor leerlingen. Dat de lezingen doorgingen op verschillende locaties past ook hier in.

11.2.4. Een vierde speler: de uitgeverij Uitgeverijen kwamen in dit onderzoek nog niet aan bod. Ze spelen dan ook niet in elke lezing en voor elke auteur een rol. Toch hebben zij ook ervaring in en meningen over het veld van de auteurslezingen. Ik interviewde voor dit onderzoek zowel een kleine als een grotere uitgeverij, om een bredere blik te krijgen op hoe uitgeverijen omgaan met en inspelen op auteurslezingen. Als grote uitgeverij koos ik voor WPG Uitgevers België. WPG Uitgevers is een groep van uitgevers die actief is in Nederland en België (WPG, 2014). De Belgische afdeling, WPG Uitgevers België, overkoepelt drie uitgeverijen, namelijk Manteau, De Bezige Bij Antwerpen en Standaard Uitgeverij. Het is ook een van de grootste importeurs van boeken en tijdschriften in het Nederlandse taalgebied. Ze vertegenwoordigen zowel Vlaamse als Nederlandse auteurs in Vlaanderen. Bij WPG Uitgevers had ik een gesprek met marketing verantwoordelijke Rein Janssens. De tweede uitgeverij waarmee ik ging praten, is Uitgeverij Vrijdag; een kleinere uitgeverij die zes jaar geleden opgericht werd en nu mikt op 25 publicaties per jaar (Boekenvak, 2014). Via

91


Elkedag Boeken verdeelt eigenaar Rudy Vanschoonbeek, met wie ik in gesprek ging, ook boeken van Nederlandse fondsen in Vlaanderen. De twee uitgeverijen kennen gelijkenissen en verschillen, maar desalniettemin bespreek ik hieronder van beide uitgeverijen samen hoe ze precies de auteurslezingen aanpakken. Lezingen worden door uitgeverijen vooral georganiseerd of aangeboden aan organistoren wanneer een auteur een nieuw boek uit heeft. Ook auteurs die net een belangrijke literaire prijs gewonnen hebben, komen in aanmerking voor een tournee, omdat je het ijzer nu eenmaal moet smeden als het heet is. Vooral met de meer gevestigde waarden wordt dan gekeken om een soort van tournee te houden, waarbij de uitgever de bemiddeling op zich neemt. Hier gaat WPG Uitgevers iets verder in dan Uitgeverij Vrijdag, want zij nemen ook de onderhandeling over honoraria en vervoerskosten op zich. Dat het hier vooral grotere namen betreft, heeft daar natuurlijk veel mee te maken. De meeste lezingen die door of met uitgeverijen georganiseerd worden, zijn in samenwerking met grote literaire organisaties zoals Passa Porta of Uitgelezen, of vinden plaats in boekhandels. Auteurs voelen zelf ook aan dat het geven van lezingen belangrijk is voor hun bekendheid en die van hun boek, en bijgevolg ook de verkoop van dat boek: Elke auteur heeft vandaag de dag toch begrepen dat het schrijven van een boek ĂŠĂŠn ding is, het mediagebeuren een ander en de stappen naar het publiek toe, de optredens, zijn toch een belangrijk facet van hun hele bekendheid (Janssens, 2014b).

Rudy Vanschoonbeek haalt aan dat die promotie zowel op lange als op kortere termijn kan werken: Onbekend maakt onbemind, dus als je dan iemand ontmoet en daar [...] een zekere match mee kunt hebben, denk ik dat dat werkt aan de loyalisering tussen lezer en auteur (Vanschoonbeek, 2014).

Lezingen zorgen ervoor dat het recente boek, dat de aanleiding was voor de lezing, goed verkoopt, maar volgens Vanschoonbeek zorgt het ook voor een heropleving van de verkoop van het oudere werk van een auteur. Uit de gesprekken met de twee uitgeverijen haal ik enkele punten waar zij belang aan hechten. Het eerste is niet onlogisch de boekenverkoop bij een auteurslezing. De uitgeverijen gaan ook altijd in eerste instantie op zoek naar een boekhandelaar die de lezing kan organiseren of met een boekenstand aanwezig kan zijn tijdens de lezing. Vanschoonbeek raadt auteurs daarnaast ook aan zelf altijd een voorraad boeken bij te hebben, voor het geval er geen boekhandelaar aanwezig is of als deze niet genoeg exemplaren bij heeft. Je weet dat die mensen die van plan zijn dat boek te kopen niet per se de dag nadien naar de boekhandel gaan. Ze vergeten dat, of de euforie is een beetje over of dergelijke meer dus moet je die toch op het moment zelf kunnen aanbieden om het hen te koop te stellen (Vanschoonbeek, 2014).

92


Zoals ik al aangaf, vermeldt het modelcontract dat auteurs schriftelijke toestemming nodig hebben van hun uitgever om zelf hun boeken te gaan verkopen. Beide uitgeverijen geven echter aan dat dit niet gebeurt: Hoe meer boeken er verkocht worden, hoe beter, dus dat is geen probleem, zeker niet (Janssens, 2014b).

Vanschoonbeek heeft het hier over een gentleman’s agreement. Ik denk dat het contract het zo bedoelt dat de auteur niet [...] achter onze rug om boeken gaat verkopen in dezelfde kanalen als die waar wij komen (Vanschoonbeek, 2014).

Voor uitgeverijen staat de boekenverkoop dus centraal bij een lezing, in welke vorm het ook gebeurt. Een tweede belangrijk aspect is zorgen voor een goede lezing. Zo is het voor auteurs die geen rasechte performers zijn beter om te zorgen voor een publieksinterview. Dit zorgt voor meer afwisseling en de auteur hoeft het evenement niet alleen te dragen. Hierbij mag de auteur niet vergeten dat de interviewer een ander doel heeft dan de auteur. De interviewer wil een goed interview, de auteur wil publiciteit voor zijn boeken. Over het algemeen zijn de uitgeverijen het erover eens dat geen lezing beter is dan een slechte lezing. Auteurs die er niet voor gemaakt zijn, laten het beter aan zich voorbij gaan. Uitgeverij Vrijdag probeert zijn auteurs hier enigszins in te coachen door hen enkele aanbevelingen te doen. De belangrijkste daarvan zijn; laat het verloop van de avond niet aan het toeval over, maar zorg voor een kleine regie; zorg voor afwisseling, anders haakt het publiek af; en praat enkel over jezelf en niet over je collega’s, het is immers jouw lezing. WPG geeft geen concrete aanbevelingen aan zijn auteurs. Het gaat hier ook iets vaker om gevestigde namen. Het is ook belangrijk dat de promotie van de auteurslezingen vanuit de uitgeverij zelf ook ondersteund worden. Dit gebeurt meestal via de website van de uitgeverij en de social media. Er wordt ook gewerkt met flyers. De uitgeverij kan op die manier het promotieplatform van de organisator aanvullen en opentrekken. Ten slotte raadt Uitgeverij Vrijdag zijn auteurs ook altijd aan hun licht op te steken bij het VFL en zich in te schrijven op de auteurslijst. WPG Uitgevers gaf aan dat ze hierover niet genoeg informatie hadden en niet wisten hoe ze hun debutanten het beste konden helpen. Het subsidiereglement werd hen intussen al bezorgd, zodat ze in de toekomst ook hun auteurs op de auteurslijst kunnen inschrijven. Door middel van deze cases heb ik geprobeerd om de succesfactoren van een lezing vast te pinnen, om ze zo reproduceerbaar te maken in andere lezingen. Welke tips ik zelf aanbeveel, bespreek ik in de Conclusie.

93


12. Conclusie Met dit onderzoek wou ik een antwoord formuleren op de vraag wat de impact is van auteurslezingen en hoe deze impact versterkt kan worden met het zicht op de socioeconomische positie van de auteur. Met kwalitatieve en kwantitatieve onderzoeksmethoden ben ik er in geslaagd die vraag te beantwoorden. Uit het literatuuronderzoek bleek al dat veel auteurs lezingen zien als een deel van hun inkomen. Bevraging van een dertigtal auteurs bevestigde dit nog eens. Precieze cijfers over het aandeel dat die lezingen innemen in het inkomen van de auteur heb ik niet in handen kunnen krijgen. Dat is dan ook de grootste handicap geweest bij dit onderzoek. Veel organisatoren en auteurs houden simpelweg geen cijfers bij. Het gaat dan ook om een sector, die van de letteren, die op verschillende vlakken terugdeinst van cijfers en de ongenuanceerde objectiviteit die ze met zich meebrengen. Slechts een deel van dit onderzoek was gebaseerd op concreet cijferwerk. Voor het overige ging ik ook op zoek naar motivaties en frustraties. Van die laatste heb ik er niet veel aangetroffen. Over het algemeen was er tevredenheid en werden er enkele suggesties gedaan naar de toekomst. Zoals ik al zei, vormen voor iets meer dan de helft van de ondervraagde auteurs de inkomsten voor het geven van lezingen een substantieel deel van hun inkomen als auteur. Voor een kwart van die auteurs maken lezingen tot 25 % uit van hun inkomen als auteur. Voor iets meer dan een kwart maakt het zelfs meer dan 25 % uit. De helft van de auteurs verkoopt soms boeken na een lezing, hoewel niemand weet of dat zomaar kan. Die situatie wordt uitgeklaard in hoofdstuk 11, wat er hopelijk toe leidt dat auteurs gemakkelijker de stap zullen zetten om zelf hun boeken te verkopen, als er geen boekhandelaar aanwezig is bij hun lezing. Wat de impact is van die eigen boekenverkoop op het inkomen van de auteur kon ik niet bepalen, omdat hier opnieuw geen cijfers over bijgehouden worden. Uit de opmerkingen van de auteurs kon ik wel uitmaken dat dit niet bijster veel is. Als auteurs hiervoor openstaan, kunnen ze hier dus nog verder in groeien. Verder zien auteurs lezingen ook als een hefboom naar meer lezingen. Ze worden vaak via via aangesproken om een lezing te komen geven. Elke lezing kan zo indirect naar een volgende leiden. Ook de auteurslijst zorgt ervoor dat auteurs aanvragen krijgen voor lezingen. Bibliotheken houden hier meer rekening mee dan boekhandels. Als auteurs in boekhandels lezingen willen geven, doen ze er beter aan om via hun uitgever te werken. Voor die organisaties die een subsidie aanvragen via het auteurslezingenreglement en voor wie deze subsidie belangrijk is om de lezing financieel te kunnen dragen, doen ze er wel goed aan om op de auteurslijst te staan. Een belangrijk neveneffect van het geven van lezingen is dat nieuw, maar ook ouder werk van de auteur in de kijker staat. De houdbaarheidsdatum van de boeken gaat omhoog en er is een ruimer aanbod van de betrokken auteur aanwezig op de plaats waar hij een lezing geeft. Dit neveneffect zou nog iets meer aangemoedigd kunnen worden.

94


We kunnen niet spreken over een eenzijdige impact van de auteurslezingen bij organisatoren. Bij de bibliotheken zien we opvallend genoeg geen verschil in de cijfers tussen de uitlening van de betrokken auteur voor de lezing en na de lezing, terwijl de bibliotheken wel heel duidelijk aanvoelen dat er een impact is. Dit kan vier dingen betekenen. Ten eerste dat de lezing daadwerkelijk geen impact heeft op de ontlening van de boeken van de auteur die een lezing kwam geven en dat bibliotheken dit verkeerd aanvoelen. Een tweede hypothese is dat er zowel voor als na de lezing een verhoogde uitlening is; ervoor door middel van boekenpakketten of omdat enthousiaste lezers zich voorbereiden op de lezing, erna omdat de mensen geĂŤnthousiasmeerd zijn door de auteur. Een derde hypothese is dat de lezingen bij sommige bibliotheken wel een impact hebben en bij andere niet. Waarschijnlijk gaat het om een mix van deze twee hypotheses. Onderling zijn er namelijk wel grote verschillen tussen bibliotheken. Een vierde mogelijkheid is dat er een lange termijnimpact is op de uitlening. Deze zou over verschillende jaren kunnen gemeten worden per auteur. Dit is iets dat via verder onderzoek uitgemaakt kan worden. Bij de boekhandels is er wel een duidelijke impact. Er is sprake van een bijna vervijfvoudiging van de verkoop van boeken van de betrokken auteur. Zo worden er na de lezing gemiddeld 24 boeken verkocht van de auteur. De ondersteuning die boekhandels krijgen van het VFL bij het organiseren van lezingen is wel nog steeds van belang om de investering in de lezing rendabel te maken. Deze resultaten zijn door de beperkte data waarmee ik aan het werk moest misschien niet volledig representatief, maar wel indicatief dat auteurslezingen in Vlaanderen een impact hebben op de verkoop van boeken van de betrokken auteur in de boekhandel. De meeste organisatoren van de auteurslezingen geven aan de auteur die op bezoek komt ook extra aandacht te geven in de fysieke ruimte, meestal in de vorm van een themastand. Het is enerzijds een beleefdheid naar de auteur toe. Anderzijds versterkt het de impact van de auteurslezing. Het is een vorm van promotie voor de lezing en na de lezing vindt het publiek sneller de weg naar de boeken van de auteur wanneer deze uitgestald zijn. Nog niet alle organisaties gebruiken deze simpele vorm van promotie. Nu wordt hier al specifiek naar gepolst door het VFL, maar de bibliotheken kunnen hier nog wat meer in aangemoedigd worden, bijvoorbeeld door nog eens te verwijzen naar de positieve gevolgen ervan. Over de ondersteuning vanuit het VFL was er over het algemeen tevredenheid bij de respondenten. Vooral de auteurs waren positief. De boekhandels hadden iets meer opmerkingen, maar zij vallen dan ook onder een andere regeling dan de auteurs en de bibliotheken. Een opmerking die regelmatig terugkeert, is dat vijftien gesubsidieerde lezingen te beperkt is. Vooral bibliotheken zouden graag zien dat auteurs wat meer lezingen met subsidie kunnen doen, omdat zij er vaak vroeg bij moeten zijn om de auteur van hun keuze te strikken. De

95


beperking aan het aantal gesubsidieerde lezingen is echter een garantie dat niet alleen populaire auteurs gevraagd worden voor lezingen, maar dat ook debutanten een kans krijgen. Over de website www.auteurslezingen.be komen ook een aantal klachten. Dit is echter een praktisch probleem waar het VFL al op gewezen werd en waar aan gewerkt is en wordt. Verder zijn de meeste respondenten lovend over de persoonlijke en minder bureaucratische aanpak van de lezingen, hoewel sommige organisatoren nog steeds vinden dat het VFL losser zou kunnen omgaan met het reglement. De vernieuwingen in het reglement van 2014, onder meer de facturering die via het VFL gaat, zijn door de meeste respondenten positief ontvangen. Ook het feit dat auteurs en organisatoren elkaars verslagen kunnen lezen, wordt gezien als een positieve stap. Doorheen dit onderzoek werden al enkele tendensen aangewezen, pijnpunten aangeraakt en er werden hier en daar ook al aanbevelingen gedaan. Om een antwoord te vinden op de vraag hoe we de impact van auteurslezingen kunnen versterken, ben ik met verschillende spelers uit het veld gaan praten. Op basis van die gesprekken heb ik voor elke speler een aantal aanbevelingen geformuleerd. Dit doe ik door per speler te bekijken hoe ze auteurslezingen beter kunnen maken en hoe ze de impact ervan kunnen versterken, zowel voor auteurs als bibliotheken en boekhandels. Deze aanbevelingen zijn zowel van praktische als van beleidsmatige aard en zullen naargelang hun aard makkelijk toepasbaar zijn, dan wel gepaard gaan met overleg binnen de organisatie of binnen het veld. De aanbevelingen aan auteurs, bibliotheken en boekhandels worden natuurlijk het best verspreid door het VFL.

12.1. Vlaams Fonds voor de Letteren Het VFL ondersteunt de auteurslezingen en werkt hiervoor met een reglement. Als ĂŠĂŠn van de belangrijkste spelers in het veld van de auteurslezingen zijn veel van mijn aanbevelingen aan hen gericht, opdat zij ze over het hele veld kunnen verspreiden. De tevredenheid over de huidige ondersteuning van de auteurslezingen door de organisatie is er en dus kan het VFL die werking m.i. enigszins uitbreiden. Zowel dit onderzoek als het inkomensonderzoek dat de VAV enkele jaren geleden uitvoerde, bevestigen dat auteurslezingen een belangrijke inkomenspost zijn voor auteurs. Het is dan ook belangrijk dat het VFL blijft inzetten op die auteurslezingen als een manier om de socio-economische positie van de auteur te versterken. Hiertoe doe ik hen enkele aanbevelingen. 1. Boekenverkoop A. Zorg dat de auteur op de hoogte is van zijn rechten en plichten inzake de eigen boekenverkoop naar aanleiding van een lezing, zodat hij zijn mannetje kan staan in een confrontatie met de fiscus. In dit onderzoek ben ik nagegaan hoe de vork precies in de

96


steel zit en ik denk dat het VFL, of eventueel de VAV, de geknipte instantie is om deze informatie over te brengen naar de auteurs zelf. B. Nodig altijd eerst een boekhandelaar uit op een auteurslezing, tenzij het om een lezing voor de jeugd gaat.38 Op die manier worden twee schakels versterkt van de keten van de auteurslezingen. Zowel de boekhandelaar als de auteur houdt er iets aan over. C. Stimuleer de auteurs om altijd een voorraadje van hun boeken bij te hebben als ze een lezing geven, want het is belangrijk dat ze het ijzer smeden als het heet is. Als de boekhandelaar het laat afweten, kan de auteur dan nog altijd zelf zijn boeken gaan verkopen. D. Zorg voor overleg met de Vlaamse uitgeverijen inzake de eigen boekenverkoop, zodat er eensgezindheid is over de toepassing van artikel 8.5 uit het Modelcontract dat zegt dat de auteur de voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever nodig heeft voor hij boeken mag gaan verkopen. Uit gesprekken met WPG Uitgevers en Uitgeverij Vrijdag bleek dat dit in de praktijk niet gebeurt, maar misschien zit dat bij andere uitgeverijen wel anders. E. Bekijk binnen de sector of de btw-vrijstelling betekent dat de auteur zijn boeken iets goedkoper moet aanbieden. Dit moet natuurlijk pas bekeken worden als er beslist wordt om meer in te zetten op de eigen boekenverkoop van de auteur. Dit leidt al tot verregaande

standaardisering

van

de

praktijk

en

is

voorlopig

misschien

toekomstmuziek. 2. Betere lezingen A. Begeleid auteurs niet enkel administratief maar bied hen ook coaching aan voor ze lezingen gaan geven. Dit zou vooral beginnende auteurs ten goede komen en hoeft van het VFL geen te grote inspanning te vereisen. Dit kan bijvoorbeeld door twee keer per jaar een workshop te organiseren met ervaren auteurs die vooral praktische tips gaan geven. Eventueel kan er zelfs met een peter- of meterschap gewerkt worden. Zo’n begeleiding kan ook in samenwerking met de uitgeverijen of de VAV opgezet worden of geheel aan het VAV overgedragen worden, samen met de nodige middelen. De VAV ontvangt zijn subsidies namelijk van het VFL en staat ook in voor onder meer het informeren van auteurs. Met uitgeverijen kan er dan nagedacht worden over manieren om auteurs naar die begeleiding te lokken. Het VFL, de VAV en de uitgeverijen hebben samen wel enkele incentives aan te bieden. B. Zet meer in op solidariteit en samenwerking tussen auteurs. Gezamenlijke lezingen en kansen bieden aan debutanten, bijvoorbeeld in voorprogramma’s van gevestigde 38

Bij lezingen voor kinderen en jongeren worden normaliter geen boeken verkocht. Zij hebben meestal geen geld bij, en er wordt ook rekening gehouden met de maximumfactuur in het onderwijs.

97


waarden, zouden via een projectwerking meer aangemoedigd kunnen worden. Die projectwerking kan mogelijkheden bieden voor een correct honorarium voor de verschillende auteurs. Eén projectsubsidie kan dan de verschillende honoraria bundelen. Er kunnen natuurlijk ook verschillende subsidies aangevraagd worden voor de verschillende honoraria. Hier is de analogie met de muziekwereld niet ver weg. Door samen te werken en kansen te bieden aan jonge auteurs verrijk je het hele veld en bied je ook meer afwisseling aan je publiek. Ik heb het dan niet over literaire festivals, maar over kleinschaliger initiatieven, bijvoorbeeld een lezing met drie verschillende auteurs die het over hetzelfde thema hebben, of een lezing met één gevestigde waarde, maar waar een debutant eerst een halfuurtje zijn kunnen kan demonstreren. Ook hier zou dan vanuit het VFL gezorgd kunnen worden voor een subsidie die de verschillende honoraria bundelt. C. Stimuleer ook tussen organisatoren meer samenwerking, inhoudelijk en praktisch, bij het organiseren van lezingen. Op die manier kunnen ze hun lezingen grootser aanpakken. Vooral voor samenwerkingsverbanden tussen de commerciële boekhandels en non-profit organisaties zoals bibliotheken en scholen kan er voor wat meer soepelheid gezorgd worden in het reglement. Enkele van de ondervraagde boekhandels waren van mening dat er argwaan bestond tegenover hun organisaties, waardoor deze samenwerkingen soms moeilijk van de grond komen. Sommige boekhandels en bibliotheken vinden ook dat er losser omgegaan moet worden met bepaalde delen van het reglement (supra), maar dit lijkt mij niet aan te moedigen, omdat je bij zoiets niet kan voorspellen waar het gaat eindigen. 3. Kleinere aanbevelingen A. Communiceer duidelijk over het hoe en het waarom van het gebruik van de auteurslijst naar de boekhandels om misverstanden en frustratie in de toekomst te vermijden. Bij het evalueren van de regeling, die nu aan de gang is, moet overleg met de boekhandels misschien nog meer gestimuleerd worden. Vorige wijzigingen in het reglement gebeurden in overeenstemming met vertegenwoordigers van de boekhandels, maar toch is niet iedereen nu tevreden. B. Denk na over de optie om op de website www.auteurslezingen.be weer te geven hoeveel gesubsidieerde lezingen een bepaalde auteur nog te geef heeft. Ongetwijfeld heeft deze optie voor- en nadelen. Het feit dat aanvragen het hele jaar door ingediend kunnen worden, bemoeilijkt het vastleggen van een cijfer, maar het kan kleinere bibliotheken en scholen met een beperkt budget wel helpen. Als ze het budget niet hebben om auteurs te vragen zonder een subsidie, dan verliezen ze ook geen tijd met onderhandelingen met

98


auteurs die geen subsidie meer hebben. Voor veel kleine organisatoren staat tijd namelijk ook gelijk aan geld, waar ze al een gebrek aan hebben. C. Er is nog steeds nood is aan sensibilisering rond een correct honorarium voor de auteur, ook bij de auteurs zelf. De impact van auteurslezingen en het aandeel dat zij vormen in het inkomen van de auteur kan pas echt voelbaar versterkt worden als zij voor elke lezing een correct honorarium krijgen. Dit is al enigszins verbeterd nu het VFL zelf de honoraria uitbetaalt en op die manier verzekerd ziet dat alle organisatoren ook hun eigen opleg betalen, maar door de richttarieven van de VAV meer bekendheid te geven, kan hier misschien nog iets meer rond gesensibiliseerd worden. Ik wil de frustratie over het beperkt aantal lezingen per auteur hier ook nog eens vermelden, maar in se geloof ik dat het VFL hier weinig aan kan of moet veranderen. Ten eerste is het aantal lezingen dat voor elke auteur gesubsidieerd kan worden natuurlijk verbonden aan het budget dat het VFL zelf krijgt van de Vlaamse Gemeenschap. Ten tweede is die beperking nodig om te vermijden dat een handvol populaire auteurs met alle subsidie gaat lopen. Door het aantal lezingen waarvoor een auteur subsidie kan aanvragen te beperken krijgen ook nieuwe en onbekende auteurs kansen om lezingen te gaan geven. Zoals duidelijk bleek uit het onderzoek naar de tevredenheid van de respondenten, worden de hulp op maat en persoonlijke aanpak van de stafmedewerker auteurslezingen heel erg geapprecieerd en moet dit dus zeker verder ondersteund worden. De aanbevelingen voor de auteurs en organisatoren van lezingen zijn van een iets praktischer aard en worden hieronder besproken.

12.2. Auteurs De aanbevelingen die ik hier aan het adres van de auteurs doe, zijn gemakkelijk toepasbaar in de praktijk van hun lezingen: A. Dien een aanvraag in om op de auteurslijst terecht te komen. Uit het onderzoek blijkt dat niet alle organisatoren de lijst bekijken, maar het aandeel dat de lijst wel bekijkt, is nog steeds groter. Als de organisator van de lezing de lijst niet bekeken heeft, is het wel zo fijn voor de organisator als de auteur deze er op wijst dat hij subsidie kan ontvangen. Het is ook belangrijk dat de auteur op tijd op de lijst staat, omdat zijn dossier eerst nog goedgekeurd moet worden. Eerst een lezing vastleggen en daarna pas kijken voor de subsidie is iets moeilijker. Er kunnen misschien nog verdere acties ondernomen worden om auteurs uit te nodigen een aanvraag in te dienen voor de auteurslijst.

99


B. Ga op een doordachte wijze om met je beperkt aantal gesubsidieerde lezingen. Zo bieden bepaalde auteurs telkens maar één van die lezingen aan per organisator. Dit is vooral het geval bij schoollezingen. Zo kunnen meer organisatoren genieten van je subsidie. C. Bezorg de bibliotheek of boekhandel waar je als auteur een lezing gaat geven ook op voorhand een lijst van je volledige oeuvre, zodat je oudere werk ook de nodige aandacht krijgt in het boekenaanbod. Geef desnoods op voorhand al aan over welke boeken je het zal hebben in je lezing. Zo kan ervoor gezorgd worden dat de boeken aanwezig zijn en uitgeleend of gekocht kunnen worden. Dit is zowel voor het publiek als voor de auteur fijn. D. Nodig voor elke lezing, behalve lezingen in scholen of voor kinderen, een boekhandelaar uit. Zoals ik al zei, is dat fijn voor het publiek, voor de boekhandelaar en uiteindelijk ook voor de auteur.

12.3. Bibliotheek Bibliotheken hoeven de manier waarop ze lezingen geven niet volledig om te gooien. Ze kunnen enkele kleine aanpassingen doen, maar zo ze willen kunnen ze ook de organisatiestructuur van hun lezingen veranderen. Verdere samenwerking van het VFL met de koepelverenigingen Bibnet en Locus lijkt hier aangewezen. Zij kunnen zowel instaan voor het verspreiden van de informatie uit dit onderzoek, als de aanbevelingen verder uitwerken en aanvullen: A. Monitor je uitleencijfers. Momenteel bekijken maar weinig bibliotheken hun uitleencijfers, of die nu verbonden zijn aan een auteurslezing of niet. Door die cijfers te bekijken en bij te houden, weet je wat werkt en wat niet werkt en waar je auteurslezingen eventueel kan bijsturen. Uitleencijfers kunnen ook veel zeggen over de populariteit van bepaalde auteurs, zodat je ook hen eens kan uitnodigen. B. Lezingen organiseren hoef je niet alleen te doen. Door samen te werken met verschillende partners zoals boekhandels, scholen en verenigingen zorg je niet alleen voor een spreiding van de kosten en de organisatielast, maar ook voor een breder draagvlak en een nieuw, diverser publiek. C. Neem verschillende projecten samen in één lezing, zoals actualiteit en leesbevordering. Dit kunnen voor elke stad andere projecten zijn die zorgen voor een nieuwe wind door de bibliotheek. D. Zorg voor omkadering, voor, tijdens en na de lezing. Dit is vooral belangrijk bij scholen. Als er op voorhand al naar een lezing toegewerkt wordt, is er veel meer interactie tijdens de lezing en is het contact met de auteur veel intenser. Op die manier heeft een lezing veel meer impact.

100


E. Geef de auteur fysiek aandacht in de bibliotheek. Door enkele weken voor de lezing al een themastand in te richten in de bibliotheek wordt het publiek nieuwsgierig naar de auteur en kan er een grotere opkomst zijn voor de lezing. Na de lezing worden mensen herinnerd aan de lezing en zullen ze gemakkelijker een boek meenemen als ze uitgestald zijn dan als ze zelf de boeken moeten gaan zoeken. F. Nodig altijd een boekhandelaar uit op een lezing. Net na de lezing, als het enthousiasme het hoogst is, dan moeten de mensen zich een boek aanschaffen. Als er dan geen boekhandelaar aanwezig is, dooft de euforie uit en vergeten de mensen de auteur, waardoor de impact van zijn lezing enigszins verloren gaat. Het is natuurlijk van belang dat hierover op voorhand overlegd wordt met de auteur, zodat er niet twee boekhandels opdagen. Ook uitgevers kunnen een voorkeur hebben voor een bepaalde boekhandel. Duidelijke afspraken hierover zijn de boodschap. G. Zie lezingen als een gelegenheid om de collectie te herbekijken, oud en nieuw. Door te zorgen dat het werk van de auteur die een lezing komt geven aanwezig is, zorg je voor een sterkere impact van de lezing, steun je de auteur die je uitnodigt en in wie je dus ook gelooft en werk je aan de differentiatie van je boekenaanbod. Dat zijn drie vliegen in ĂŠĂŠn klap.

12.4. Boekhandel De aanbevelingen aan de boekhandels zijn in dit onderdeel bijna allemaal al aan bod gekomen, omdat het aanbevelingen zijn die ik aan alle organisatoren van lezingen doe. De belangrijkste herhaal ik hier even. A. Werk als organisator van een lezing altijd met verschillende partners samen. De voordelen daarvan vermeldde ik hierboven al. Als boekhandel kun je jezelf ook gaan aanbieden bij andere organisatoren van lezingen. Boeken gaan verkopen op een lezing hoeft, op het bestellen van de boeken na, maar weinig voorbereid te worden en het werkt aan je naamsbekendheid bij het publiek. Samenwerkingen met andere organisatoren kunnen ook iets inhoudelijker ingericht worden. Zoals ik al aangaf, ervaren boekhandels in die samenwerkingen soms argwaan en vinden ze dat het VFL iets losser kan zijn in verstrekken van subsidie voor deze samenwerkingen. Een projectwerking lijkt hiervoor aangewezen, omdat hierin flexibeler kan worden omgegaan met de beschikbare subsidie. B. Zorg voor het soort lezing die het beste past bij de auteur. Niet alle auteurs zijn geboren performers. Sommige zijn meer gebaat bij een simpel publieksinterview dan bij een avondvullend programma met voorlezen en muziek. Een bijkomende kost is dan natuurlijk het honorarium van de interviewer. Nu betalen boekhandels deze kost soms al

101


vanuit de lezingensubsidie. Als het VFL deze praktijk echter wil stimuleren, zullen ze daar ook financieel iets tegenover moeten stellen, zoals een verhoging van de subsidie. Overleg als boekhandel op voorhand met de auteur over wat jullie beiden van de lezing verwachten. Een slechte lezing kan schadelijker zijn voor de auteur dan geen lezing. Deze opmerking maak ik niet bij de bibliotheken omdat lezingen daar naar mijn gevoel vaker in een reeks, met opgesteld format, georganiseerd worden

12.5 Suggesties voor verder onderzoek Een lacune in dit onderzoek is zoals gezegd de resultaten van de bibliotheken. Over de impact van auteurslezingen op uitleningen in bibliotheken heb ik met dit onderzoek geen duidelijk beeld kunnen schetsen. Ik heb er wel enkele zaken kunnen uithalen, zoals de differentiatie van het boekenaanbod en de aandacht voor de auteur, maar op basis van de cijfers kan ik niet zeggen of lezingen ervoor zorgen dat er meer boeken uitgeleend worden van de betrokken auteur. Hier kan dus verder onderzoek naar gebeuren, waarbij de onderzoeker van in het begin rekening zal moeten houden met de beperkte uitleencijfers waarover bibliotheken maar beschikken. Dit kan een onderdeel zijn van het meer omvattende onderzoek naar leesbevordering, dat initieel ook een onderdeel zou zijn van deze scriptie. Bibliotheken houden zich zowel bezig met de socioeconomische positie van de auteur als met de leesbevordering van hun publiek. Verder onderzoek kan dus uitwijzen of die leesbevordering bereikt wordt door middel van auteurslezingen. Ondanks de beperkingen van dit onderzoek, blijkt dat auteurslezingen een positieve impact hebben op het inkomen van de auteur en op de verkoop in boekhandels. Over de positieve impact in bibliotheken bestaat een sterk vermoeden. De auteurs hebben er plezier in en ook boekhandels en bibliotheken ervaren indirecte gevolgen van het organiseren van lezingen, zoals meer bekendheid en een nieuw publiek. Dat er in Vlaanderen blijvend ge誰nvesteerd moet worden in de auteurslezingen staat dus buiten kijf.

102


13. Bibliografie AUTEURSLEZINGEN, 2014 Auteurslezingen (2014). Een Nederlandse auteur uitnodigen. Geraadpleegd op http://www.auteurslezingen.be/organisatoren/een-nederlandse-auteur-uitnodigen op 28 april 2014. ARIËN, 2014 Ariën, N. (2014). Interview afgenomen op 6 mei 2014. Transcriptie te vinden in bijlage. BAARDA & DE GOEDE, 2006 Baarda, D.G., de Goede, M.P.M. (2006). Basisboek methoden en technieken: handleiding voor het opzetten en uitvoeren van kwantitatief onderzoek. Groningen: Wolters-Noordhoff. BEHEERSOVEREENKOMST, 2012 Beheersovereenkomst (2012). Beheersovereenkomst. Overeenkomst gesloten tussen de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaams Fonds voor de Letteren op 27 juli 2012 te Brussel. BOEKENVAK, 2014 Boekenvak (2014). Uitgeverij Vrijdag scoort dikke omzetplus in eerste lustrumjaar. Geraadpleegd op http://www.boekenvak.be/nieuws/uitgeverij-vrijdag-scoort-dikke-omzetplus-eerste-lustrumjaar op 17 mei 2014. COUWENBERGH, 2010 Couwenbergh, S. (2010). Mag het wat meer zijn? Een onderzoek naar de ondersteuning van auteurslezingen in Vlaanderen (ongepubliceerde masterproef). Uantwerpen, Antwerpen, België. DE CALUWÉ, 2009 De Caluwé, C. (2009). Van versnippering naar visie: onderzoek naar de uitdagingen van het Vlaams Fonds voor de Letteren rond het literaire middenveld (ongepubliceerde masterproef). Uantwerpen, Antwerpen, België. DE PELSMACKER, 2014 De Pelsmacker, P. (11 – 13 februari 2014). College Onderzoeksmethoden. Gedoceerd aan studenten Cultuurmanagement, Uantwerpen, Antwerpen, België. Financiën Belgium, 2014 Financiën Belgium (2014). Btw-vrijstellingsregeling kleine ondernemingen. Geraadpleegd op http://financien.belgium.be/nl/ondernemingen/btw/btw-plicht/vrijstellingsregeling/ op 12 mei 2014. HANDLEIDING BTW, 2013 Handleiding BTW (2012). Btw-handleiding bijwerking 2012. Gepubliceerd op 11 mei 2012 op http://fiscus.fgov.be/interfaoifnl/identification_tva/PDF/2012-11-05-btw-handleiding-bijwerking-2012nl.pdf, geraadpleegd op 14 mei 2014. HOMBROECKX, 2012

103


Hombroeckx, D. (2012). Literaire agentschappen in Vlaanderen (ongepubliceerde masterproef). KUL, Leuven, België. ILEGEMS, 2012 Ilegems, M. (2012, 2 mei). ‘E-Boekenmarkt in stroomversnelling’. Knack. P. 88, geraadpleegd via Gopress Academic. JANSSENS, 2014A Janssens, K. (2014). Interview afgenomen op 8 mei 2014. Transcriptie te vinden in bijlage. JANSSENS, 2014B Janssens, R. (2014). Interview afgenomen op 14 mei 2014. Transcriptie te vinden in bijlage. KUNSTEN EN ERFGOED, 2014 Kunsten en Erfgoed (2014). Jaarverslag 2012: Vlaams Fonds Voor de Letteren. Geraadpleegd op http://2012.kunstenenerfgoedjaarverslag.be/jaarverslag-2012/kunsten/nominatim-nietgereglementeerde-toelagen/vlaams-fonds-voor-de-letteren op 26 maart 2014. KUNSTENLOKET, 2014 Kunstenloket (2014). Interview afgenomen op 12 mei 2014. Transcriptie te vinden in bijlage. LEYMAN, 2013 Leyman, D. (2013, 28 maart). ‘Respect voor de auteur druk je niet uit met een fles wijn’. De Morgen. P. 29, geraadpleegd via Gopress Academic. LIEVENS, 2011 Lievens, J. (2011). Eerste analyses van de participatiesurvey 2009. Leuven: Acco. MORTELMANS, 2009 Mortelmans, D. (2009). Handboek Kwalitatieve Onderzoeksmethoden. Leuven: Acco. MULDERS, 2013 Mulders, S. (2013, 30 oktober). ‘Schrijven is oorlogvoering’. De Morgen. P. 38, geraadpleegd via Gopress Academic. PEETERS, 2013 Peeters, M. (2013, 24 augustus). ‘Schrijven is helemaal niet lastig’. De Morgen. P. 42, geraadpleegd via Gopress Academic. ROELS, 2011 Roels, M. (2011). Tekort of overbodige luxe? Onderzoek naar het draagvlak van een bemiddelingsbureau voor auteurslezingen in Vlaanderen (ongepubliceerd eindwerk). Uantwerpen, Antwerpen, België. ROELS, 2012

104


Roels, M. (2012). VAV Werkcongres. Infosessie Auteurslezingen. Neerslag van een uiteenzetting op 22 december 2012. ROELS, 2014 Roels, M. (2014). Interview afgenomen op 13 maart 2014. Transcriptie te vinden in bijlage. ROGIERS & ROELS, 2014 ROGIERS, L., ROELS, M. (2014). Interview afgenomen op 15 mei 2014. Transcriptie te vinden in bijlage. SCHAUVLIEGE, 2009 Schauvliege,

J.

(2009).

Beleidsnota

Cultuur.

Gepubliceerd

in

juni

2009

op

http://www.vlaanderen.be/sites/default/files/documents/27_cultuur_beleidsnota_2009_2014.pdf, geraadpleegd op 26 maart 2014. SCHAUVLIEGE, 2013 Schauvliege, J. (2013). De openbare bibliotheek van morgen: inspiratie bij de implementatie van de Vlaamse beleidsprioriteiten Lokaal Cultuurbeleid. Gepubliceerd in juni 2013, geraadpleegd op http://www.locusnet.be/portaal/Locus/LokaalCultuurmanagement/Bib%202020/Inspiratienota%20De %20openbare%20bibliotheek%20van%20morgen_juni%202013_webversie.pdf op 26 maart 2014. SECTORRAAD KUNSTEN EN ERFGOED, 2013 Sectorraad Kunsten en Erfgoed (19 november 2013). Advies over de wijziging van het oprichtingsdecreet

van

het

VFL.

Geraadpleegd

op

http://www.cjsm.vlaanderen.be/raadcjsm/SR_ke/adviezen/20131119-advies-wijziging-decreet-VFL.pdf op 21 april 2014. SEIS, 2011 Seis, G. (2011, 25 maart). ‘Schrijver verdient 300 euro per maand’. De Standaard. P. 24, geraadpleegd via Gopress Academic. SINT-NIKLAAS, 2014 Sint-Niklaas (2014). Meest auteursvriendelijke bibliotheek ligt in Sint-Niklaas. Verschenen op 24 januari 2014, geraadpleegd op http://bib.sint-niklaas.be/nieuws/meest-auteursvriendelijke-bibliotheekligt-in-sint-niklaas op 9 mei 2014. SIONGERS & VAN STEEN, 2014 Siongers, J., Van Steen, A. (2014). Acteurs in de spotlight: onderzoek naar de inkomens en de sociaaleconomische positie van professionele Vlaamse acteurs (onderzoeksrapport). Ugent, Gent, België. SNICK, 2013

105


Snick, E. (2013, 10 december). ‘Evenveel als Geert Mak, graag’. De Standaard. P. 44, geraadpleegd via Gopress Academic. SNIJDERS, 2014 Snijders, S. (12 februari 2014). ‘Goede schrijvers komen altijd bovendrijven’. Knack. P. 84, geraadpleegd via Gopress Academic. SOCIAAL CULTUREEL, 2014 Sociaal Cultureel (2014). Gesubsidieerde bibliotheken. Geraadpleegd http://sociaalcultureel.be/volwassenen/bib_gesubsidieerd.aspx#5 op 14 maart 2014.

op

SOUVEREYNS, 2011 Souvereyns, J. (2011). Hoofdstuk ‘BTW’ uit Sociale en fiscale spelregels voor kunstenaars, ed. door G. Souvereyns en E. Vanheusden, Kortrijk: UGA. STICHTING LEZEN VLAANDEREN, 2014 Stichting Lezen Vlaanderen (2014). Missie. http://www.stichtinglezen.be/content.aspx?l=001.002.009 op 8 april 2014.

Geraadpleegd

op

VANDALE, 2014A Vandale (2014). Definitie Auteur. Geraadpleegd http://www.vandale.be/zoeken/zoeken.do?crowd.token_key=ypsIoW6YbVD9uC03uVTaXA00 maart 2014.

op

op 31

VANDALE, 2014B Vandale (2014). Definitie Bibliotheek. Geraadpleegd https://www.vandale.nl/zoeken/zoeken.do?pattern=bibliotheek&hackField=# op 31 maart 2014.

op

VANKERSSCHAEVER, 2013 Vankersschaever, S. (2013, 9 oktober). ‘Auteurs moeten niet optreden’. De Standaard. P. 5, geraadpleegd via Gopress Academic. VANSCHOONBEEK, 2013 Vanschoonbeek, R. (2013, 9 november). ‘Een beetje circus maakt je nog geen clown’. De Standaard. P. 62, geraadpleegd via Gopress Academic. VANSCHOONBEEK, 2014 Vanschoonbeek, R. (2014). Interview afgenomen op 14 mei, transcriptie te vinden in bijlage. VAN BAELEN, 2014 Van Baelen, C. (2014). Interview afgenomen op 30 april, transcriptie te vinden in bijlage. VAN DEN BROECK, 2012

106


Van den Broeck, K. (2012, 18 februari). ‘Top-50 is te dominant in de bib’. De Morgen. P. 56, geraadpleegd via Gopress Academic. VAN DIJCK, 2013 Van Dijck, L. (2013, 12 november). ‘Leen van Dijck e.a. Besparen op bibliotheken: niet zo pijnloos als het lijkt’. De Morgen. P. 30, geraadpleegd via Gopress Academic. VAN GERREWEY, 2013 Van Gerrewey, C. (2013, 27 augustus). ‘U verdient beter dan een toogroman’. De Morgen. P. 30, geraadpleegd via Gopress Academic. VAV, 2011 Vlaamse Auteursvereniging (2011). Inkomensonderzoek bij literaire auteurs in Vlaanderen Geraadpleegd

op

http://www.auteursvereniging.be/wp-content/uploads/2013/01/VAV-1-Rapport-

inkomensonderzoek-auteurs.pdf, op 11 maart 2014. VAV, 2013A Vlaamse Auteursvereniging (2013). Voorzitterswissel bij Vlaamse Auteursvereniging is een feit. Gepubliceerd op 27 maart 2013 op http://www.auteursvereniging.be/voorzitterswissel-bij-vlaamseauteursvereniging-is-een-feit/ (geraadpleegd op 16 mei 2014). VAV, 2013B Vlaamse Auteursvereniging (2013). 3 januari – VAV Werkcongres: het programma. Gepubliceerd op 8 december 2013 op http://www.auteursvereniging.be/3-januari-vav-werkcongres-het-programma/ (geraadpleegd op 16 mei 2014). VAV, 2014A Vlaamse Auteursvereniging (2014). Modelcontracten. http://www.auteursvereniging.be/informatie/modelcontracten/ op 8 mei 2014.

Geraadpleegd

op

VAV, 2014B Vlaamse Auteursvereniging (2014). Toelichting Modelcontract Algemene Uitgaven. Geraadpleegd op

http://www.auteursvereniging.be/wp-content/uploads/2013/01/Toelichting-modelcontract-

algemene-uitgaven.pdf op 8 mei 2014. VAV, 2014C Vlaamse Auteursvereniging (2014). Gangbare tarieven voor auteurs. Geraadpleegd via guestaccount op de website www.auteursvereniging.be op 8 mei 2014. VLF, 2013A Vlaams Fonds voor de Letteren (2013). Ondersteuningsregeling A-Boekhandels. In voege sinds 1 september 2013. Geraadpleegd op http://www.fondsvoordeletteren.be/nl/177/content/328/boekhandels.html op 26 maart 2014. VFL, 2013B

107


Vlaams Fonds voor de Letteren (2013). Overzicht activiteiten A-boekhandel 2013. Verkregen via persoonlijke correspondentie. VFL, 2013C Vlaams Fonds voor de Letteren (2013). Jaarrekening 2013. Verkregen via persoonlijke correspondentie. VFL, 2013D Vlaams Fonds voor de Letteren (2013). Subsidiereglement 2013. Verkregen via persoonlijke correspondentie. VFL, 2013E Vlaams Fonds voor de Letteren (2013). Overzicht gesubsidieerde auteurslezingen 2013. Verkregen via persoonlijke correspondentie. VFL, 2014A Vlaams Fonds voor de Letteren (2014). Persmededeling: VFL lanceert nieuwe website auteurslezingen. Verstuurd op 10 januari 2014. VFL, 2014B Vlaams Fonds voor de Letteren (2014). Over het VFL. Geraadpleegd http://www.fondsvoordeletteren.be/nl/1/content/141/over-het-vfl.html op 25 maart 2014.

op

VFL, 2014C Vlaams Fonds voor de Letteren (2014). Auteurslijst Subsidies Auteurslezingen. Geraadpleegd op http://www.fondsvoordeletteren.be/nl/194/content/571/auteurslezingen.html op 26 maart 2014. VFL, 2014D Vlaams Fonds voor de Letteren (2014). Subsidiereglement Auteurslezingen. Geraadpleegd op http://www.fondsvoordeletteren.be/nl/194/content/571/auteurslezingen.html op 26 maart 2014. VFL, 2014E Vlaams Fonds voor de Letteren (2014). Productiesubsidies voor uitgevers van literair werk en strips. Geraadpleegd op http://www.vfl.be/_uploads/Downloads/downloads/Reglement_productiesubsidies_voor_uitgevers_201 4__nieuw_.pdf op 26 mei 2014. VICTORIA, 2013 Victoria, I. (2013, 5 november). ‘Niet zeuren, maar poetsen’. De Standaard. P. 44, geraadpleegd via Gopress Academic. WETBOEK BTW, 2012 Wetboek BTW (2012). Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde. Laatst bijgewerkt op 1 augustus 2012, geraadpleegd op http://ccff02.minfin.fgov.be/KMWeb/document.do?method=view&id=324ef837-4965-4c5d-84b25424431bab51#findHighlighted op 12 mei 2014. WPG, 2014 WPG (2014). Over WPG. Geraadpleegd op http://www.wpg.be/over-wpg op 17 mei 2014.

108


109

Auteurslezingen in Vlaanderen  

Over de impact van auteurslezingen op de socio-economische positie van de Vlaamse auteur

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you