Page 1

Vergeten Jappenkamp: Nederlanders vast in China • 1785: drama op Zeeuws slavenschip

www.geschiedenismagazine.nl

magazine

Cold case (1907) moord op Indische verzetsleider

Jaargang 52 • jan. 2017 • nr. 1 Nieuwe de kw serie estie

'Sorry zeg voor h gen et verle den is onz in'

Mata Hari was wél een spion

Byzantium: keizer moest luisteren naar het volk

lutheR elTEGEN AP

losse verkoop e 7,95

eb rROME

Special


INHOUD

6 Special: De mens Luther • 7 Rebelse stellingen? 10 Spotprenten • 14 In Nederland • 19 Luther & de vrouw(en) In 2017 is het vijf eeuwen geleden dat de jonge theoloog Maarten Luther met zijn 95 stellingen de knuppel in het hoederhok van de katholieke kerk gooide. Hij werd uit de kerk gezet, trouwde met een ex-non en inspireerde velen om zijn voorbeeld te volgen en luthers te worden. Hoe rebels was de man die tegen Rome in opstand kwam en de Reformatie op gang bracht?

24 Jappenkamp

38 Byzantium

45 Mata Hari

52 Indische verzetsleider

De Indische ‘jappenkampen’ kennen we. Maar Japanse gevangenkampen waren er ook in het door Japan bezette deel van China. Hier zaten tussen 1943 en 1945 westerlingen vast, waaronder Nederlanders.

Margaretha Zelle, beter bekend als Mata Hari, werd een eeuw geleden ter dood veroordeeld voor spionage. Ze stierf voor een Frans vuurpeloton. Onschuldig, beweren velen. Maar Mata Hari was wel degelijk een spion.

2

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

Byzantijnse keizers dragen op afbeeldingen een aureool. Zij waren immers Gods vertegenwoordiger op aarde. Toch had de keizer geen almacht, hij moest luisteren naar zijn volk. Geliefd inspraakmoment: de paardenrennen.

In 1907 kwam een Batakse verzetsleider op Sumatra om het leven. Hij werd gedood door de marechaussee. Was het zelfverdediging of moord? In deze cold case is recent een ontbrekend puzzelstukje ontdekt.


4 Sorry zeggen Moeten we excuses aanbieden voor slavernij en voor buitenproportioneel geweld tijdens de oorlog in Indië? Of voor uitbuiting van arbeiders? In onze nieuwe rubriek DE KWESTIE geven twee historici hun mening over de stelling: ‘Sorry zeggen voor het verleden is onzin’.

28 Slavenschip 1785 In 1785 kwamen de gevangen slaven op een Zeeuws schip in opstand, kort voor het naar West-Indië zou wegvaren. Ze vermoordden de bemanning, maar de volgende dag vloog het schip met opstandelingen en al de lucht in.

34 Een dode stad Lviv, in het westen van Oekraïne, raakte tussen 1939 en 1945 zijn twee grootste bevolkingsgroepen kwijt. De Poolse inwoners werden gedeporteerd door de Sovjets en de Joodse werden vermoord door de Duitsers en Oekraïense nationalisten.

40 Achter de toonbank Overal stonden vrouwen tussen 1920 en 1970 achter de toonbank, zo toont een nieuw boek aan. Maar hoeveel? Dat is slecht bijgehouden. De benepen spruitjeslucht die het begrip kleine ondernemers omgeeft, is deels snobisme, deels marxisme.

Bij dit nummer

De zinnelijke Luther Het is misschien gek, maar ik stond er nooit zo bij stil dat Maarten Luther getrouwd was. Natuurlijk wist ik welke invloed hij op de Reformatie heeft gehad, en hoe ingrijpend de daaropvolgende godsdienstoorlogen waren. En hoe revolutionair zijn beroemde wapenfeit van 1517 was: het verkondigen van zijn 95 stellingen tegen morele en financiële corruptie in de kerk door ze op de deur van de slotkapel in Wittenberg te timmeren. Dat hij ze daar ook echt vastspijkerde, staat nog te bezien trouwens. Maar opzienbarend waren zijn ideeën zeker. En iets anders wat ik me vroeger ook nooit zo realiseerde: die publiciteitsstunt met de stellingen maakte nog geen kerk. De gelovigen die met Rome braken, moesten hun regels nog bedenken. Of hun geestelijk leiders mochten trouwen bijvoorbeeld. Dat lag gevoelig, expriesters die een vrouw namen. Luther zelf trouwde pas nadat keurvorst Frederik III (De Wijze) van Saksen, zijn beschermheer die hier niet zo liberaal over dacht, overleden was. Maar toen nam hij binnen een maand Katharina von Bora als zijn bruid, een pittige ex-non met een eigen mening. Ze hoorde tot de twaalf nonnen die met zijn hulp uit het klooster ontsnapten omdat ze in zijn nieuwe baanbrekende ideeën geloofden. Maarten en Käthe werden zo in 1525 de eerste bewoners van een pastorie. Ze zijn nog altijd een rolmodel voor gelovige bruidsparen als je de internetsites moet geloven die Luthers uitspraken over de heilzaamheid van het huwelijk mooi versierd opdienen en uitleggen. Luther was een Bijbelvertaler, een kerkhervormer die met andere theologen discussieerde over Gods genade. Welke associaties krijgt u? Vast niet van iemand die er geen geheim van maakte dat hij met plezier de liefde bedreef. Toch was sensualiteit ook een kant van Luther. Hij had het er aan tafel over met gasten. Hij stelde per brief aan een vriend die pas getrouwd was, ook met een Katharina, een synchrone vrijpartij voor: ‘Als je vanavond jouw Katharina in je bed hebt, en haar liefdevol omarmt en kust, bedenk dan dat God haar aan jou gegeven heeft. Ik heb uitgerekend wanneer je deze brief krijgt, en ik zal op die avond mijn vrouw op dezelfde manier liefhebben.’ Deze brief werd lang weggelaten uit Luthers gepubliceerde briefwisselingen. Hij paste niet in het verheven beeld van de protestant die immoraliteit bij priesters op de korrel nam. Maar Luthers waardering voor seks – binnen het huwelijk! – was juist heel logisch. Trouwen bood immers bescherming tegen de onkuisheid waar het celibaat onherroepelijk toe leidde, en lust was een geschenk van God. Of hij geloofde dat ook vrouwen dat geschenk in ontvangst mochten nemen, waag ik alleen te betwijfelen. Ontdek in dit nummer hoe rebels Luther eigenlijk was, hoe hij over vrouwen dacht, hoe zijn beweging zich verbreidde met behulp van de boekdrukkunst en hoe zijn kerk in de Lage Landen groot werd. Marianne Mooijweer, hoofdredacteur

En verder 23 Column: Mineke Bosch 33 Rubriek: Turkije 45 aankondiging Geschiedenis Magazine LIVE 56 Boeken 64 Agenda

Op de cover: Luther in 1528 door Lucas Cranach de Oudere, collectie Veste Coburg. Onderin: Luther op de Rijksdag in Worms, 19de eeuwse gravure. Alamy.

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

3


‘Sorry zeggen voor het verleden is onzin’ de kwestie Remco Raben: ‘Nee, daar ben ik het niet mee eens. Het is uiteraard onzinnig persoonlijk schuld te bekennen voor misdaden die Nederlanders in het verleden hebben gepleegd. Maar we hebben het hier niet over een persoonlijke schuldbetuiging. Het gaat er mij om dat je als samenleving de zwarte bladzijden uit ons nationale verleden onder ogen durft te zien en erkent dat zij nog altijd negatief kunnen doorwerken in het heden. “Sorry” zeggen kan dan de eerste stap zijn in een proces van erkenning van dat verleden en van de Nederlandse rol daarin, en kan een opening bieden voor een gesprek met die Nederlanders voor wie dat verleden nog altijd deel uitmaakt van de actualiteit. Wij zijn in Nederland niet goed in de erkenning van onze koloniale verantwoordelijkheden. Dat zag je bijvoorbeeld in 2002, bij de viering van 400 jaar VOC. Sommigen vonden die viering te triomfalistisch. Zo vroegen leden van de Molukse gemeenschap zich af waarom de massamoord op de Banda-eilanden, in 1621, niet werd aangehaald. Je kunt erover twisten of de Molukse gemeenschap zich die historische gebeurtenis kan toe-eigenen, feit is dat veel Molukkers het als een onderdeel van hun geschiedenis beschouwen. Dat kun je als maatschappij niet zomaar negeren. Dat geldt nog veel sterker voor het Nederlandse slavernijverleden. Als Nederlandse kinderen op school iets leren over het slavernijverleden, dan gaat het toch meestal heel traditioneel over de slavernij in de Verenigde Staten. Terwijl Nederlandse handelaren zo’n 600.000 slaven over de Atlantische Oceaan hebben vervoerd. Dat was ook in die tijd volstrekt geen gewone zaak. De Afrikaanse slaven raakten volledig ontworteld en werden onder vaak verschrikkelijke omstandigheden tewerkgesteld. En hoewel de slavernij in 1863 is afgeschaft, werkt zij tot op de dag van de vandaag op negatieve wijze in onze samenleving door. Ten eerste natuurlijk in de aanwezigheid van Creools-Surinaamse gemeenschappen in ons land. Voor hen is het slavernijverleden zeker geen verleden tijd. Zo leggen veel Creolen een rechtsreeks verband tussen het Nederlandse slavernijverleden en het gevoel dat ze hier nog steeds niet welkom zijn. Daar komt bij dat het slavernijverleden lang negatief heeft doorgewerkt op de presta-

4

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

ties van Creools-Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders. Denk aan de vele Creoolse eenoudergezinnen. Dat is geen traditioneel Afrikaans verschijnsel, maar een gevolg van de doorwerking van de gebroken gezinsrelaties onder de slavernij. Hoewel er meer meespeelt, is er genoeg bewijs voor het bestaan van transgenera-

Slavenhandel was ook destijds volstrekt geen gewone zaak tionele problematiek om dit serieus te nemen. Het zou helpen wanneer Nederland eindelijk officieel excuses maakt voor het slavernijverleden. Mits daar vervolgens ook een concreet vervolg aan wordt gegeven. Je moet ervoor zorgen dat het Nederlandse slavernijverleden – inclusief de doorwerking ervan in het heden, en de noodzakelijke historische context – daadwerkelijk onderdeel gaat uitmaken van ons collectieve bewustzijn. Dat zou een enorm positieve uitwerking hebben op de positie van Surinaamse Nederlanders, omdat het wederzijdse begrip erdoor zal toenemen. Maar het biedt ook anderen inzicht in de uitwassen van de Nederlandse koloniale geschiedenis.’

Remco Raben is universitair hoofddocent bij de afdeling Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen en bijzonder hoogleraar koloniale en postkoloniale literatuur- en cultuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Hij doet onder meer onderzoek naar de dekolonisatie van Nederlands-Indië/Indonesië, met bijzondere aandacht voor de postkoloniale herinneringsculturen. Hij is co-auteur van meerdere boeken over de Nederlandse (post-) koloniale geschiedenis, waaronder De wereld volgens Nederland (2015), Van Indië tot Indonesië (2007), De Oude Indische Wereld 1500-1920 (2003) en De Geschiedenis Van Indische Nederlanders (1999).


Historici houden zich bezig met het verleden. Toch is het in actuele kwesties soms ook nodig om stelling te nemen. In elk nummer vraagt Maurice Blessing namens Geschiedenis Magazine aan twee professionals om open kaart te spelen.

Piet Emmer: ‘Ja, daar ben ik het mee eens, maar ik wil het wel kwalificeren. Wanneer de generatie die het onrecht heeft begaan zich verontschuldigt tegenover hen die het onrecht lijfelijk hebben ondergaan, dan vind ik dat zinvol en begrijpelijk. Het bekendste voorbeeld is de spijtbetuiging van de toenmalige Duitse Bondspresident Richard von Weizsäcker, in 1985. Zijn rede maakte onder de Nederlanders grote indruk, omdat hij erkende dat zijn generatie zich niet kon onttrekken aan de collectieve Duitse verantwoordelijkheid voor de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog. West-Duitsland was naar mijn weten ook de eerste natie die slachtoffers van het nazi-regime en de Duitse bezetting opriep een financiële claim bij de Duitse staat in te dienen. Ook dat vind ik zinvol en terecht. Dat geldt evengoed voor de nabestaanden van de slachtoffers van oorlogsmisdaden begaan door het Nederlandse leger tijdens de Indonesische dekolonisatie-oorlog. De daders mogen dan in veel gevallen al zijn overleden, veel we-

En de nazaten van de slachtoffers van kinderarbeid dan? duwen en kinderen leven nog. Excuses en een schadevergoeding lijkt mij hier een kwestie van “beter laat dan nooit”. Maar ik vind het zeer discutabel om je te excuseren tegenover de verre nazaten van slachtoffers uit het verleden. Zo zouden we onze excuses kunnen aanbieden aan Creoolse Surinamers wier voorvaderen ooit door Nederlanders naar de Nieuwe Wereld zijn vervoerd. Maar wat betekent zo’n excuus? Je zegt dan in feite dat je, met de kennis en de moraal van 2016, 300 jaar geleden geen slaven zou mogen hebben vervoerd en geëxploiteerd. Dat lijkt me een nogal nietszeggende bekentenis. En stel dat je daar vervolgens een financiële genoegdoening aan zou moeten vastknopen. Hoe zou je ooit kunnen vaststellen wie daar precies voor in aanmerking komt? Geen enkel onderzoek kan overtuigend aantonen dat de Ne-

derlandse nazaten van slaven nog altijd de negatieve gevolgen ondervinden van de slavernij. Zo is het een fabeltje dat het huidige probleem van verscheurde Creoolse families het gevolg is van het slavernijverleden, omdat de opbouw van stabiele gezinsverbanden onder de slavernij onmogelijk zou zijn geweest. Onderzoek wijst uit dat het juist de gezinnen van vrije, Europese migranten waren die uiteen werden gescheurd. De vrije jongemannen trokken er namelijk vaak op hun eentje op uit om fortuin te zoeken. Terwijl de slavenfamilies doorgaans na aankomst op één plek gevestigd bleven. Maar stel dat de staat desalniettemin tot excuses en een financiële genoegdoening aan alle Nederlandse nazaten van slaven zou besluiten. Hoe zit het dan met de nazaten van de slachtoffers van kinderarbeid? In de Nederlandse geschiedenis zijn over een veel langere periode kinderen tewerkgesteld dan slaven. Naar de huidige maatstaven moesten deze kinderen ontstellend zwaar werk doen, kregen ze niet of nauwelijks betaald, werden ze mishandeld en werd hun een fatsoenlijke opleiding ontzegd. Toch zouden we het absurd vinden als de overheid besluit de meeste Nederlanders – want daar hebben we het dan over – op grond van deze misstanden in het verleden excuses en een schadevergoeding aan te bieden.’

Piet Emmer was hoogleraar in de geschiedenis van de Europese expansie en migratie aan de Universiteit van Leiden. Hij is specialist op het gebied van de slavernij en migratie en publiceert regelmatig kritische opiniestukken over de in zijn ogen te moralistische benadering van de onderwerpen slavernij en de ‘Derde Wereld’ in de mainstream media. Hij is de auteur van populaire boeken als Rijk aan de rand van de wereld. De geschiedenis van Nederland overzee 1600-1800 (2012) en De Nederlandse slavenhandel 1500-1850 (2011). Samen met Leonard Blussé verzorgde hij de 10-delige cd-set Koloniale geschiedenis : hoorcollege over Nederland en de Europese expansie overzee (2012).

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

5


Luther, door Lucas Cranach, 1546. Catharaijneconvent Utrecht.

De mens Luther Hij staat bekend als een rebel, een man die verbeten vocht tegen misstanden en het winstbejag van de katholieke kerk, de verpersoonlijking van een andere levenswijze, de stichter van een ‘nieuwe’ kerk en een public-relationsgenie die de boekdrukkunst handig gebruikte om zijn boodschap over te brengen. Wie is de mens achter deze bewonderde maar ook gehate figuur?

M

aarten Luther leefde in een tijd die zich laat kenmerken door onzekerheid en angst voor een god die alles zag – vooral je zonden – en na de dood zou oordelen. Hij werd in 1483 geboren in Eisleben. De angst voor de hel en het vagevuur was diepgeworteld, ook bij Luther zelf. Hij was een worstelende, zoekende monnik, die steeds meer vragen ging stellen bij de manier van geloven die de kerk voorschreef. Hij had kritiek op de paus, de mis, het geloof in het vagevuur en op het idee dat ‘goede werken’ en het kopen van aflaten een garantie voor toegang tot de hemel waren. Over zijn twijfels, onder andere geformuleerd in de 95 stellingen, ging hij in gesprek met bisschoppen, professoren en zelfs de keizer. Hoewel hij graag

6

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

de kerk van binnenuit wilde veranderen, leek dit niet mogelijk en vormde hij een nieuwe kerk. Maakt dit Luther tot een rebel? Francis Boer behandelt de twee kanten van Luthers optreden. Luther schreef ontzettend veel, lang niet alleen over theologische kwesties. Hij is beroemd door zijn Bijbelvertaling, maar misschien werd hij mede zo succesvol omdat hij over het leven in het algemeen schreef. Hoe dien je om te gaan met geld en met macht? Hoe ga je om met je naaste? In zijn brieven, pamfletten en boeken rees een geheel nieuwe levenswijze op. Ook over het huwelijk – en specifiek de vrouw – heeft hij zich veel uitgelaten. Niet altijd even genuanceerd, zo laat Herman Selderhuis zien. Luther had ook hier twee gezichten. Bij sommigen was hij berucht om zijn lompe optreden, zijn grove taalgebruik en

woede-uitbarstingen. Anderen genoten juist van zijn humor, zijn gastvrijheid en zijn schitterende, rijke woordenschat. Als een slimme PR-man wist Luther zijn boodschap over te brengen. De net uitgevonden boekdrukkunst kwam heel goed van pas. Geschriften werden door kooplieden en reizigers tot in de uithoeken van het rijk gebracht – de sociale media van die tijd. Maar Luther begreep dat niet alleen tekst, maar juist ook beeld een duidelijke boodschap overbrengt. Henk Slechte houdt de invloed van spotprenten op de verspreiding van de Reformatie tegen het licht. Het nieuwe gedachtegoed verspreidde zich mede hierdoor tot ver buiten de rijksgrenzen. In de 17de eeuw kende zelfs de overwegend calvinistische Republiek een hechte Lutherse gemeenschap, laat Erika Kuijpers zien.


DIT JAAR 1517 BEGIN VAN DE REFORMATIE

xxx

Francis Boer

Luther op de Rijksdag in Worms, 19de eeuwse gravure.

Maarten Luther: een rebel?

M

aarten Luther schreef: ‘Laat ieder die daartoe in staat is hem doodslaan, afmaken of doorsteken. Er is niets giftiger of duivelser dan een rebel.’ Toch staat de hervormer zelf te boek als rebel. Was het niet Luther die het kerkelijk gezag aanklaagde in 95 stellingen die hij opstandig vastspijkerde op de deuren van de slotkerk in Wittenberg? En was het ook niet Luther die een pauselijke bul verbrandde, koppig tegen de keizer standhield op de Rijksdag in Worms en trouwde met een gevluchte non?

Straffeloos commentaar leveren Het jaar 2017 staat in het teken van 500 jaar Reformatie. Zo komt er deze maand de familiefilm STORM van Dennis Bots uit over de reformatie in de Lage Landen, zijn er talloze themareizen naar het ‘land van Luther’, staan er boeken op stapel (zie ook onze Boekenrubriek, p. 56), is er een ‘Groot Reformatiekoor’ in het leven geroepen en viert Museum Catharijneconvent de invloed van de hervormer in Nederland met een grote tentoonstelling.

Startpunt van de Reformatie is het aanslaan van de 95 stellingen op 31 oktober 1517. Of ze echt zijn aangeslagen, is overigens onderwerp van onderzoek geweest (zie kader). Dit demonstratief verkondigen van de stellingen heet een rebelse daad, die het begin van de vorming van een nieuwe kerk betekende. Maar hoe rebels was het eigenlijk? De aflaathandel – waar de stellingen kritiek op leverden – was destijds nog niet officieel kerkelijk ‘gedefinieerd’, wat betekende dat academici er nog straffeloos commentaar op mochten leveren. De slotkerk in Wittenberg deed in Luthers tijd dienst als een soort aula van de universiteit. Op de deur werd wel vaker een verzameling stellingen gespijkerd. Over zo’n disputatie (letterlijk: redetwist) wilde een geleerde dan met andere academici van gedachten wisselen. Tijdgenoten keken dus waarschijnlijk echt niet op van deze theoloog uit Wittenberg die een perkament met wat stellingen aan de kerkdeur vastmaakte. Toch was Luther méér van plan dan er alleen met collega’s over praten. Waarom zou hij anders een exemplaar van de 95 stellingen naar de aartsbisschop Albrecht van Mainz en bisschop Hieronymus van Brandenburg sturen? In de begeleidende brief

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

7


protesteerde hij tegen de verkoop van aflaten. Luthers stellingen ademen bovendien niet puur een academische wil tot discussiëren, maar weerspiegelen ook een licht kritische geest. Neem bijvoorbeeld stelling 86. Hierin vraagt Luther zich af: ‘Waarom bouwt de paus nu niet liever de Sint-Pieterskerk van zijn eigen geld in plaats van dat van de arme christenen, terwijl toch zijn vermogen groter is dan dat van de rijkste Crassus?’ Hier is de rebelse ondertoon onmiskenbaar.

Op één lijn met Hus en Wycliff Luther wilde in 1517 helemaal niet rebels uit de moederkerk stappen. Je kunt dit ook al opmaken uit de tamelijk voorzichtige toon van zijn stellingen, die eerder de kerk waarschuwen dan dat ze er echt tegenaan schoppen. Hij dacht zelfs dat de kerkelijke machthebbers hem hiervoor dankbaar zouden zijn. Toch bleek de praktijk weerbarstiger: Rome zag niets in zijn protesten en Luther distantieerde zich steeds meer van deze kerk die aan heel andere zaken waarde hechtte dan hijzelf. Steeds openlijker keerde hij zich tegen de kerk met haar aflaathandel, haar heiligenverering en haar veel te machtige paus. In 1519 vond een dispuut plaats tussen Luther en zijn collega-theoloog Johannes van Eck over de onfeilbaarheid van de paus. Van Eck stelde Luther hier gelijk aan ketters uit eerdere eeuwen, John Wycliff en Johannes Hus, waarop Luther toegaf dat hun leer inderdaad veel christelijke en evangelische elementen bevatte. Met deze uitspraak keerde hij zich publiekelijk tegen de kerk die Hus als ketter naar de brandstapel had gestuurd. Deze theologische discussie tussen geleerden bleek het begin van een keten van gebeurtenissen die Luther uiteindelijk buiten de kerk deden belanden. In 1520 volgde een pauselijke bul, die Luther opdroeg om 41 van zijn uitspraken te herroepen. Zijn reactie? Hij verbrandde de bul, samen met het pauselijk wetboek. Een daad van een rebel, maar wel één tegen wil en dank. Hij zou over deze ontwikkelingen hebben gezegd: ‘Ik vrees dat het liedje wel eens te hoog zou kunnen worden voor mijn stem.’ Het tegendeel bleek waar, Luther hield vol en werd hét gezicht van een beweging die zich fel afzette tegen de gevestigde kerkelijke orde. In 1521, toen de kerkelijke ban inmiddels over hem was uitgesproken, verdedigde een koppige Luther eerst zijn leer tegenover de keizer op de Rijksdag in Worms. Keizer Karel V vroeg hem om twintig van zijn boeken te herroepen. Dit weigerde de hervormer, waarop een rijksban volgde. Luther verdween toen voor

een korte periode van het toneel. Na een jaar te zijn ondergedoken op de Wartburg, keerde hij terug naar Wittenberg, de plek waar hij eerder de stellingen had aangeslagen en hoogleraar Bijbelse theologie was. Hij schreef, reisde en disputeerde in de daaropvolgende jaren wat af en had vele aanhangers, met name onder de lagere klassen van de Duitse samenleving.

Müntzer en de Duitse Boerenoorlog Een van deze aanhangers was de theoloog Thomas Müntzer. Aanvankelijk was Müntzer een bewonderaar en uitdrager van Luthers gedachtegoed, maar in de jaren ’20 brak hij met die ideeën omdat hij ervan overtuigd was dat een christen met geweld moet opstaan tegen een overheid die mensen onderdrukt. Luther was er juist van overtuigd dat je altijd de wereldlijke overheid moet respecteren. Hij geloofde op grond van een gedeelte uit het Bijbelboek Romeinen dat regeerders (hoe slecht ook) niet mochten worden aangevallen, ze zijn immers aangesteld door God. Christenen hebben geen strijd te leveren tegen wereldlijke machten, zoals koningen en andere adellijke lieden, maar tegen geestelijke machten (de duivel en het kwaad). Deze Thomas Müntzer voegde de daad bij het woord. Hij was een van de leiders in wat later de Duitse Boerenoorlog (15241525) zou gaan heten. Deze oorlog kwam voort uit verschillende losse opstanden in het zuiden en midden van Duitsland, die al vanaf 1518 plaatsvonden en gericht waren tegen de overheid, grondbezitters en de adellijke stand. Boeren weigerden herendiensten uit te voeren of hun tienden (belasting) te betalen. Vanaf het voorjaar van 1524 vonden zulke oproeren steeds vaker plaats. Groepen horigen, boeren en enkele (protestantse) leden van de lage adel streden voor meer rechten en vrijheden, die ze samenvatten in de Twaalf Artikelen van Zwaben.

‘Niets giftiger of duivelser dan een rebel’ Aanvankelijk begreep Luther het standpunt van Müntzer en de onderdrukte boeren. Hij leefde mee met hun ellende en wilde ook een eind aan het onrecht, alleen zocht hij de oplossing niet in een opstand tegen het gezag. Ook hier was hij dus niet zo rebels als hij in latere geschiedenisverhalen gemaakt is. In zijn pamflet ‘Ermahnung zum Frieden’ riep hij de boeren op niet te vechten, maar vrede te sluiten, want God zelf zou in opstand komen tegen het onrecht. Toch verspreidden de opstanden zich in 1525 over heel Duitsland en gedeelten van Oostenrijk. Kastelen werden in brand gestoken en bloedige aanvallen ingezet,

Zijn ze echt aangeslagen?

Luther slaat de stellingen aan op de deur van de slotkerk in Wittenberg. Ferdinand Pauwels, 1872.

8

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

Of de stellingen écht aan de kerkdeur van de slotkerk in Wittenberg zijn genageld, blijft een vraag. Luther zelf heeft het nooit specifiek zo genoemd, terwijl hij anderen wel vertelde dat hij op 31 oktober brieven (met bijgevoegde stellingen) naar aartsbisschop Albrecht van Mainz en de bisschop van Brandenburg had gestuurd. Het verhaal dat hij ze werkelijk heeft opgehangen heeft ons bereikt via Melanchthon en via Luthers secretaris Georg Rörer, die beiden op dat moment niet in Wittenberg aanwezig waren. Het is daarnaast ook de vraag of de stellingen niet zijn vastgeplakt met was of lijm in plaats van – meer heroïsch – te zijn aangeslagen. Het mysterie houdt de Duitse gemoederen al vanaf 1962 bezig, toen de katholieke historicus Erwin Iserloh voor het eerst de ‘Thesenanschlag’ in twijfel trok.


Luther verbrandt de pauselijke bul en het pauselijk wetboek op 10 december 1520, vlak buiten de poorten van Wittenberg. Karl Aspelin, 1885.

Een aflaatbrief uit Leiden, ca 1500 door paus Julius II uitgegeven voor 6000 jaar. Afgebeeld zijn Christus als de Man van Smarten en de Heilige Birgitta. Rijksmuseum Amsterdam.

hoewel veel boeren geen enkele militaire ervaring hadden en nauwelijks over wapens beschikten. Om te vechten gebruikten ze voornamelijk zeisen en dorsvlegels. Op 16 april 1525 vond het Weinbergse Bloedbad plaats. Een grote groep boeren bezette het kasteel van Weinberg, waar ze de graaf van Helfenstein en nog zeventig andere edelen gevangennamen en op gruwelijke wijze om het leven brachten. Andere groepen opstandelingen verwierpen deze moordactie echter, en de verantwoordelijke aanvoerder werd vervangen. Ook Luther vond het veel te ver gaan. Dergelijke ongereguleerde rebellie tegen de zittende overheid was uit den boze! Hij schreef een stuk tot vermaning, ‘Wider die räuberischen und mörderischen Bauern’, waarin hij de vorsten van de deelstaten opriep om hard tegen hen op te treden: ‘Laat ieder die daartoe in staat is hen doodslaan, afmaken of doorsteken. Er is niets giftiger of duivelser dan een rebel.’ Luther was – naast zijn persoonlijke afkeer gebaseerd op de Bijbel – bang voor een bloedige revolutie in heel Duitsland. Hij koos hier dus duidelijk de kant van de adel en de vorsten. Dit verwarde veel boeren en maakte ze boos. Velen van hen waren aanhangers van de Reformatie. Zij hadden verwacht dat Luther als boegbeeld van die beweging hen in de strijd tegen de onderdrukking zou steunen.

Een rebel? Mogen we Luther een rebel noemen? De term lijkt te passen bij de figuur die tekeerging tegen Johannes van Eck, een pauselijke bul verbrandde, de keizer trotseerde en een eigen kerk begon waarin predikers mochten trouwen. Maar als we Luther zelf de

term uit laten leggen, krabbelen we terug: een rebel is volgens hem iemand die fysieke strijd levert tegen de wereldlijke overheid. Luther vocht zeker, maar dan tegen de ‘geestelijke overheid’. Ook leverde hij geen fysieke strijd, maar één in woord en beeld. Luther vond zichzelf dus absoluut geen rebel. Maar is hij het daarom ook niet?

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

 9


Spotten met de paus Dat de Reformatie in de 16de eeuw een succes werd, was mede te danken aan de recente uitvinding van de boekdrukkunst. Vooral spotprenten bleken doeltreffend om de boodschap in weer te geven. Die raakte op papier bovendien gemakkelijk verspreid. Er brak een ware ‘Bilderkampf ’ uit. Henk Slechte loodst ons langs pausezels, zinkende narrenschepen en een Luther met zeven hoofden.

D

rukkers speelden een verrassend essentiële rol in de Hervorming. De standpunten van Maarten Luther en andere reformatoren kwamen op papier en raakten via kooplieden over een groot gebied verspreid. Zij trokken langs de handelswegen, bezochten de marktsteden. Hier ontmoetten ze andere kooplieden en legden ze contact met de burgers, want ze verbleven vaak wekenlang in herbergen op één plaats. Wat zij bij zich droegen waren niet alleen

gedrukte teksten, maar ook satirische prenten waarop de tegenstander in een voor de tijdgenoten herkenbare beeldtaal werd beschuldigd van laakbaar gedrag. De hervormers verzetten zich er onder meer tegen dat geestelijken zichzelf verrijkten door middel van de handel in aflaten en zij beschuldigden priesters van seksuele uitspattingen. Deze wandaden waren op vele prenten terug te vinden. De kerk antwoordde daarop dat Luther een dwaalleer verkondigde en leugens verspreidde, en liet dit standpunt

uiteindelijk ook in prenten zien. Dit was een effectieve strijdmethode, hoewel wij nu de gebruikte beeldtaal als moeilijk ervaren. De tekeningen waren destijds echter beslist toegankelijk. Veel stedelingen konden lezen en waren door de prominente rol van de kerk en de kerkelijke rituelen vertrouwd met christelijke kunst en symboliek. Ze herkenden de allegorische voorstellingen en begrepen de bedoeling. De prentenstrijd duurde in Duitsland van 1521 tot na de godsdienstvrede van Augsburg in 1555, en heeft de naam Bilderkampf gekregen.

Zelfportret van Cranach, 1531, collectie Schloss Stolzenfels Koblenz. Daarnaast: ingekleurde prent door Cranach van zijn vriend Luther, uit diens sterfjaar 1546. Het is een van de vele afbeeldingen van Luther waarop ook zijn uitspraak uit 1537 staat: Pestis Eram Vivus Moriens Ero Mors Tua, Papa (In leven ben ik uw pest, stervend ben ik uw dood, Paus). In prentvorm bereikten beeltenis en boodschap van Luther vele mensen, ook na zijn overlijden. 

10

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017


Luther/ spotprenten

Ingekleurde prent van de paus als de Hoer van Babylon, door Lucas Cranach, in een Bijbelvertaling van Luther uit 1534. De prent illustreert een passage uit de Openbaringen van Johannes. Die gaat over een vrouw op een scharlaken beest met hoorns en zeven koppen, met godslasterlijke namen. De aanhangers van de Reformatie beschouwden dit als omschrijving van de kerk in Rome.

de paus. De spot zit niet in de manier waarop Cranach personen verbeeldde, maar in de navrante tegenstelling tussen de goede Christus, voorbeeld voor elke gelovige, en de paus die dit voorbeeld met voeten treedt.

Misgeboorten en ezels

Cranach helpt mee Een grote rol in de verspreiding van Luthers boodschap via satirische prenten speelde zijn vriend Lucas Cranach (14721553), een van de belangrijkste kunstenaars van zijn tijd. Hij woonde net als Luther in Wittenberg en deelde diens kritiek op de kerk. In het Cranachjaar 2015 – 500 jaar na de geboorte van zijn zoon, ook schilder – is terecht veel aandacht

ther en Cranach maakten dat jaar de Passional Christi und Antichristi, een boekje in de stijl van een middeleeuws heiligenof martelaarsboek. De Passional werd in Wittenberg gedrukt en geldt als het eerste reformatorische ‘prentenboek’. De 26 houtsneden vertonen 13 scènes uit het leven van Christus tegenover een vergelijkbare scène van de Antichrist, gepersonifieerd door de paus. Zo

De visuele aanval begon in 1521: de paus had Luther geëxcommuniceerd en keizer Karel V had de ban over hem uitgesproken besteed aan vader Cranachs bijdragen aan de Bilderkampf. De visuele aanval op de paus en daarmee op de kerk begon nadat de paus Luther had geëxcommuniceerd en keizer Karel V in 1521 op de Rijksdag van Worms de rijksban over hem had uitgesproken. Lu-

jaagt Christus de geldhandelaren uit de tempel, terwijl de paus zich op de prent ertegenover verrijkt met de verkoop van aflaten aan gelovigen. Christus gaat op de laatste prent triomfantelijk naar de hemel, de paus gemarteld naar de hel. De Passional tekent geen karikatuur van

De kunstenaars lieten de paus en zijn geestelijken hun verdiende straf niet ontlopen. Behalve voor corruptie moesten ze ook naar de hel, volgens Luther en zijn tekenaars, om hun seksuele losbandigheid. Om die te laten zien gebruikten de tekenaars het toen populaire thema van de misgeboorte, een als tegennatuurlijk beschouwd fenomeen. Twee houtsneden in het pamflet Deutung der zwo grewlichen Figuren Bapstesel zu Rom und Munchkalb zu Freyberg jn Meyssen funden (Betekenis van twee gruwelijke figuren die zijn gevonden, de ‘pausezel’ in Rome en het ‘monnikskalf’ in Freyberg bij Meissen) van Luther en medehervormer Philipp Melanchthon uit 1523 zijn de opvallendste prenten met misgeboorten als onderwerp. Ze moesten bewijzen dat de macht van de paus tegennatuurlijk was. Cranach maakte ze. De ene vertoont een kalf dat door zijn ‘menselijke’ misvorming aandacht had getrokken. Het had geen haar op zijn gevlekte lijf, en op zijn achterhoofd een kale plek die de indruk van een tonsuur wekte, terwijl de huid op zijn rug op de capuchon van een monnik leek. Omdat het dier – met enige fantasie – op een monnik leek, noemde Luther deze houtsnede Mönchkalb. De Papstesel maakte Cranach naar een gravure van een monster dat dood uit de Tiber was gevist. Het staat levend aan de rivier, met op de achtergrond de Engelenburcht in Rome met het wapen van de paus. Het heeft de kop van een ezel en het gladde lichaam lijkt door twee borsten op dat van een vrouw. De ezelskop symboliseert de paus met zijn materialistische leer en het vrouwelijke lijf de kerk waarvan hij het hoofd is. De andere lichaamsdelen staan voor de fouten en ondeugden van zijn kerkelijke ondergeschikten. Het oude hoofd op het

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

11


Het narrenschap was een bekend thema toen Brants zijn gedicht schreef. Ook Jeroen Bosch gebruikte het. Dit schilderij stamt uit ca 1491 (Louvre, Parijs). Ernaast: houtsnede bij Brants van Albrecht Dürer 1494.

Het narrenschip

In de late Middeleeuwen bestond grote ongerustheid over het menselijk kwaad. Sebastian Brant laat in zijn lange gedicht Das Narrenschiff een schip met 111 narren, voorzien van alle denkbare menselijke gebreken, naar het denkbeeldige eiland Narragonië varen. Het gezelschap dwazen vaart doel- en stuurloos rond en bereikt het Land van de Dwaasheid nooit. De nar is immers een zondaar die nooit rust vindt. Brants Narrenschip is een vroeg voorbeeld van een zedenspiegel, een satirische kijk op de samenleving. Hij schreef het niet in het Latijn maar in de volkstaal, het Duits, om een groot publiek te bereiken. Het is wel vertaald en staat aan het begin van de populaire narren- en dwazenliteratuur van de 15de en 16de eeuw. Brant wilde zijn tijdgenoten wijsheid, goede zeden en vooral ook rede bijbrengen en hen voor dwaasheid en dwalingen behoeden. Het boek is geïllustreerd met schitterende houtsneden, die worden toegeschreven aan Albrecht Dürer. Hij laat op iedere prent een nar het slechte voorbeeld geven; op bijgaande afbeelding bespot de nar Christus en staat zo symbool voor blasfemie.

12

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017


Luther/ spotprenten

achterwerk kondigt het einde van het pausdom aan. De tekenaars hadden nog andere pijlen op hun boog. Een anonieme prent verbeeldt paus Julius II als lijder aan syfilis. Hij zou zich hebben overgegeven aan sodomie en is daarom na zijn dood in 1513 door protestanten op prenten gebruikt om te bewijzen dat het pausschap was gedegenereerd. Tijdgenoten begrepen heel goed dat dit soort prenten vernietigende oordelen over het pausdom inhielden. Dit blijkt wel uit de talloze herdrukken en reproducties van vooral het monnikskalf en de pausezel en het hergebruik in geloofspolemieken na de 16de eeuw.

Schepen vergaan Een andere bekende metafoor was het schip van de kerk. Deze was afgeleid van het Narrenschiff van Sebastian Brant uit 1494 (zie kader p. 12). Vóór de Reformatie was het schip ook al gebruikt in satirische prenten en gedichten van Thomas Murner, een Franciscaner monnik, dichter en grafisch kunstenaar. Zijn satires op de geestelijkheid waren keihard, maar na de Reformatie koos hij onvoorwaardelijk voor de katholieke kerk. De protestantse spotprenten die na de Reformatie het narrenschip verbeelden, stellen het schip van de paus voor als duivels; het scheepje van de Reformatie is daarentegen veilig voor vijandelijke – lees katholieke – aanvallen, omdat Christus het beschermt. Zo maakte

Een ‘pausezel’ en een Luther met zeven hoofden.

andere tekenaars volgden. Maar ook het katholieke kamp liet zich niet onbetuigd. Er was wel degelijk sprake van een polemiek. Zo schreef Thomas Murner in 1522 het gedicht Von dem großen lutherischen Narren, waarin hij Luther en zijn aanhangers in 4800 verzen en op 52 houtsneden belachelijk maakt. Op de titelpagina personifieert hij zichzelf als kat in een monnikspij naast een dikke Luther met een narrenkap, wiens keel hij zo dicht trekt dat narretjes uit zijn mond ontsnappen. De bekendste katholieke spotprent van de Bilderkampf is de karikatuur van Lu-

De katholieke spotten terug: Luther kreeg zeven apocalyptische hoofden die met elkaar redetwisten Matthias Gerung in 1545 de Schiffbruch der katholischen Kirche: het schip van de kerk is half gezonken. De paus, een kardinaal, een bisschop en een monnik zitten rond een tafel met een kostbare maar nutteloze bokaal, die de kardinaal de paus aanbiedt. Even nutteloos zijn de aflaatbrieven in de handen van twee kardinalen op de brug van het zinkende schip. In het midden nadert een zeemonster dat zijn vlammende adem al rond het hoofd van de paus heeft.

Het andere kamp slaat terug Het zwaartepunt van de Bilderkampf lag aan de protestantse kant. Luther en Cranach openden de strijd met de Passional Christi und Antichristi en

ther met zeven apocalyptische hoofden die Hans Brosamer in 1529 maakte voor een katholiek traktaat. Deze prent toont Luther als het monster van de apocalyps, en daarmee als product van de duivel, wiens heerschappij de voorbode is van het Laatste Oordeel. Luther draagt een habijt en leest een van zijn boeken. Volgens het traktaat bevat het tegenstrijdige meningen. Dit is verbeeld door Luther te laten discussiëren met zijn eigen hoofden. Elk hoofd staat voor een facet van Luther waartegen Rome protesteerde, en versterkt de kritiek op deze geleerde maar ook autoritaire man die met zijn paradoxen wanorde en onrust veroorzaakt binnen het christendom.

Rome was te laat Het was de Hervorming die het meest van de Bilderkampf profiteerde. Rome reageerde te laat om de prentenstrijd nog in een offensief te kunnen ombuigen. Het lukte evenmin om de verspreiding van de reformatorische prenten te verhinderen. Omdat de gedrukte vlugschriften, pamfletten en prenten bedoeld waren voor de ontwikkelde leken in de steden, is het logisch dat de Reformatie hier eerder en meer succes had dan op het platteland, waar de mensen ongeletterd waren. De prentkunst van Lucas Cranach en anderen bleek een doeltreffend communicatie- en strijdmiddel om de aandacht te vestigen op de slechte intenties van de tegenstander en het eigen gelijk. Daarmee was de Bilderkampf niet alleen een belangrijke bijdrage aan het slagen van Luthers hervorming van de kerk, maar ook het begin van het gebruik van de spotprent als wapen in maatschappelijke conflicten.

Henk Slechte is historicus en publicist. Hij is mederedacteur van het in april bij Walburg Pers te verschijnen boek De Reformatie. Breuk in de Europese geschiedenis en cultuur. Hierin verschijnt van hem een geïllustreerde bijdrage over de Bilderkampf.

Verder lezen

 Bild und Botschaft. Cranach im Dienst von Hof und Reformation (catalogus expositie Slot Friedenstein, Gotha ),Taschenbuch, 2015

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

13


Luthers in de Lage Landen [te lang? Dan:] Lutheranen in Nederland

Immigrantenkerk Lutheranen bleven trouw aan de koning van Spanje en hadden het eerst moeilijk in de calvinistische Republiek. Erika Kuijpers legt uit hoe de kerk halverwege de 17de eeuw toch de derde religie van het land kon worden.

D

e nieuwe leescultuur die opkwam in de 15de eeuw speelde een grote rol in wat Luther, zijn voorgangers en medestanders dreef. Dat was niet louter protesteren tegen misstanden: de eigen vroomheid stond centraal. Mensen waren op zoek naar de ware weg tot God en naar nieuwe manieren om hun religieuze leven vorm te geven. In de verstedelijkte Nederlanden was door de hoge dichtheid van scholen en boekverkopers de geletterdheid hoog. Mensen lazen en bespraken zelf thuis en in kleine kring religieuze werken. De Bijbel werd al in 1477 in het Nederlands gedrukt. Het Bijbels humanisme, dat ook door Erasmus werd uitgedragen, vond niet alleen weerklank onder de geestelijkheid maar ook onder ontwikkelde leken. Geen wonder dat ook de werken van Luther een heel belangstellend publiek vonden in de Noord- en Zuid-Nederlandse steden. Antwerpen vervulde daarin een spilfunctie. Luther was in de kloosterorde van de augustijnen geweest en zijn ideeën werden verspreid via zijn vrienden en leerlingen binnen diezelfde orde. Het augustijnenklooster in Antwerpen werd geleid door een serie priors die allemaal persoonlijk bevriend waren met Luther en die al snel zijn hervormingsideeën begonnen toe te passen en uit te dragen. Antwerpen was ook een belangrijk centrum van lutherse aanhang omdat deze grote handelsstad nauwe commerciële betrekkingen had met Duitse steden. Er was een omvangrijke gemeenschap van Duitse kooplieden, en bovendien was het aantal drukkers en boekhandels er uitzonderlijk hoog. Al vanaf het voorjaar van 1518 kwamen de geschriften van Luther hier

14

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

De lutherse gemeenten in de Republiek telden veel immigranten onder hun leden, zoals de Salzburger geloofsvluchtelingen op de zwart-wit prent (1732). Na verloop van tijd maakten lutherse nieuwkomers gewoon deel uit van de Nederlandse cultuur, getuige het ‘lutherse weesmeisje van ’s-Gravenhage’. Ze maakte deel uit van een boek met karakterschetsen, beroepen en klederdrachten van Nederlandse volkstypen uit 1841. Alle afbeeldingen tenzij anders vermeld: Rijksmuseum Amsterdam.

in omloop en in 1523 verscheen een lutherse Bijbelvertaling in het Nederlands. Intussen had de paus in 1520 Luthers leer verboden, waren zijn geschriften in het openbaar verbrand en werd Luther zelf op de Rijksdag in Worms in 1521 veroordeeld. Ook de stadsbesturen in Nederlandse steden namen allerlei maatregelen maar zonder al te veel succes. Juist heterodoxe boeken


Lutherse kerk in Woerden, als schuilkerk gebouwd in 1644-46. (Foto Anton van Daal 2015.) De zwaan op veel lutherse kerken verwijst naar dit verhaal: de Tsjechische hervormer Johannes Hus (wat gans betekent) zei vlak voor zijn dood op de brandstapel wegens ketterij in 1415, een eeuw voor Luthers 95 stellingen: ‘Gij zult nu een gans braden, maar over honderd jaar zult gij een zwaan horen zingen, die zult gij moeten verdragen.’

vonden onder de toonbank gretig aftrek. In 1523 werden twee Antwerpse augustijner broeders wegens ‘luterije’ op de Grote Markt in Brussel verbrand. Luther schreef daarop een ballade gericht tot de geloofsbroeders van deze eerste twee lutherse martelaren. Overheden in de Habsburgse Nederlanden gebruikten de term ‘luterie’ in de eerste halve eeuw van de Reformatie voor alle protestantse stromingen. Naast Luthers geschriften kwamen ook die van Zwingli, Melanchton, Calvijn en anderen in omloop. Van echte gemeenschapsvorming – een kerkelijke gemeente met een predikant en een bestuur en een vastgelegde geloofsbelijdenis – kwam het pas veel later, zeker bij de lutheranen omdat Luther zijn volgelingen gehoorzaamheid gebood aan de wettige overheid. Wie leefde onder een katholieke vorst moest geduld hebben of eventueel emigreren, clandestiene kerken waren uit den boze. Lutheranen in de Nederlanden kwamen dus wel bij elkaar om te lezen en te bidden, maar gingen naar de katholieke kerk om hun kinderen te laten dopen en voor de eucharistie.

De Beeldenstorm van 1566 Calvijn dacht anders over overheden. Volgens hem kwam gehoorzaamheid aan God op de eerste plaats wanneer de vorst een tirannieke onderdrukker van goede christenen was, en hen verhinderde Gods geboden te gehoorzamen. Rond 1560 was het calvinisme in Vlaanderen en Brabant uitgegroeid tot een grote beweging. In de onvrede over de repressie door de Habsburgse vorst gingen zij wèl over tot gemeentevorming. Ze stelden predikanten aan, doopten kinderen en vierden het avondmaal. Gereformeerde predikanten trokken in het open veld ongehoorde massa’s toehoorders die uiteindelijk in het ‘wonderjaar’ 1566, al dan niet gewelddadig, vrijheid van geloof en het gebruik van kerkgebouwen opeisten: de Beeldenstorm. De lutheranen moesten machteloos toezien hoe de gereformeerden de macht grepen en hun ‘marktaandeel’ geleidelijk inpikten. Alleen in Antwerpen, waar Willem van Oranje burggraaf was, hielden de lutheranen met toestemming van Oranje en het stadsbestuur echte kerkdiensten in de zomer van 1566 en hebben ze ook een kerkbestuur gekozen en in heel korte tijd een kerkgebouw neergezet. De komst van Alva maakte daar een eind aan. De Opstand brak uit, militante calvinisten sloten zich aaneen in geuzenlegers en anderen moesten vluchten. De lutheranen kozen echter de kant van Alva. Op korte termijn was dat een verstandige zet – weinig lutheranen zijn door de Raad van Beroerten vervolgd en geëxecuteerd – maar later kwam hun dit duur te staan. In de Nederlandse Republiek werd het calvinisme uiteindelijk de publieke godsdienst. De gereformeerden wezen het lutheranisme niet alleen om religieuze redenen af, lutheranen golden ook als politiek onbetrouwbaar en werden

soms zelfs regelrecht van verraad beschuldigd. De aanzienlijke lutherse gemeentes in Woerden en Bodegraven, die waren aangevuld met na 1585 uit Antwerpen gevluchte lutheranen, werden systematisch dwarsgezeten in het uitoefenen van hun geloof. Ook mochten lutheranen daar onder druk van de gereformeerden niet langer in het stadsbestuur zitten. Het duurde een generatie of twee, drie voordat dat wantrouwen echt was weggezakt.

Schuilkerken Toch verdwenen deze twee kleine lutherse gemeentes in de Noordelijke Nederlanden niet echt van de kaart. Sterker, er kwamen er meer bij. Het idee van schuilkerken raakte ook onder lutheranen geaccepteerd: in de Republiek bestond gewetensvrijheid, dus al mochten lutheranen (of katholieken) niet in het openbaar kerken, zij konden niet om hun geloofsovertuiging worden vervolgd. Door de komst van een nieuwe stroom lutheranen uit het Zuiden na 1585 ontstonden er ook in steden als Middelburg, Utrecht, Amsterdam, Dordrecht, Haarlem en Zwolle lutherse gemeentes. Zij huurden pakhuizen en stelden predikanten aan. In de meeste plaatsen waren de kerkbesturen samengesteld uit ambachtslieden en een enkele koopman, maar in de Amsterdamse kerkenraad hadden geleerden en zeer invloedrijke kooplieden zitting, van deels Antwerpse en Duitse herkomst. Zij onderhielden nauwe banden met lutherse gemeenten, vorsten en universiteiten in Duitsland en konden daar ook financiering regelen voor de opbouw van de gemeenten ‘onder het kruis’ in de Nederlanden. Terwijl in de begintijd de verhoudingen tussen lutheranen, gereformeerden en overheden nog heel erg verzuurd waren, kreeg de kerk geleidelijk een meer geaccepteerde status, mede

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

15


dankzij bemiddeling van de vorsten van Brunswijk en Brandenburg en de koning van Denemarken in de jaren ’20 en ’30 van de 17de eeuw. Zo mocht de Amsterdamse gemeente een groot kerkgebouw neerzetten aan het Spui (tegenwoordig ook in gebruik als aula van de Universiteit van Amsterdam); in 1633 werd deze eerste officiële lutherse kerk ingewijd.

Migrantenkerk Dat de lutherse kerk in de 17de eeuw zelfs uitgroeide tot de derde religie in de Republiek kwam vooral door de gestage stroom van eerst Noord-Duitse en daarna ook Scandinavische migranten. Zij waren van huis uit luthers. De handel, de scheepvaart, de textielnijverheid en tal van toeleveranciers van de havens boden werk voor duizenden jonge mensen die in het westen hun geluk kwamen beproeven. Ook de Amsterdamse gemeente groeide uit tot een echte migrantenkerk. Van de 5000 nieuwe lidmaten die tussen 1626 en ongeveer 1635 werden geregistreerd was maar 15 % in Amsterdam geboren. De meeste nieuwe communicanten kwamen uit de noordelijke kustregio’s van het Duitse Rijk en Sleeswijk-Holstein: ambachtslieden en winkeliers, knechten en arbeiders, hun vrouwen en volwassen kinderen, en een groot aantal ongehuwde jongedochters die waarschijnlijk in meerderheid werkten als dienstmeisje. De kerk werd in deze periode door Duitsers gedomineerd, en de predikanten preekten in het Hoogduits.

Groeiende kloof De migratie betekende enorme groei – in de jaren ’60 waren er volgens een stadsbeschrijving meer dan 30.000 lidmaten en toehoorders – maar ook een groeiende sociale en culturele kloof tussen de eerste generaties lutheranen en de nieuwkomers. De Nederlandse en Duitse handwerkslieden en kooplieden van het begin waren geletterde stedelingen die uit overtuiging luthers waren geworden of gebleven in een tijd waarin de hele samenleving zich geleidelijk bekende tot een geloofsrichting. De grote schare nieuwkomers waren berooide oorlogsvluchtelingen en arme laagopgeleide arbeiders. Zíj waren luthers omdat de lutherse kerk in hun land van herkomst nu eenmaal de publieke kerk was. Volgens de Amsterdamse predikanten die hun de catechismus overhoorden alvorens zij mochten deelnemen aan het avondmaal, hadden zij vaak weinig benul van de geloofsleer. Veel Duitse immigranten waren bovendien aanzienlijk conservatiever dan de ‘vernederlandste’ tweede en volgende generaties nazaten van de eerste gemeenteleden. In de 17de eeuw raakte de lutherse kerk in de Republiek geleidelijk verdeeld in een Nederlandse en Duitse richting. Een voornaam

16

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

strijdpunt tussen die twee richtingen was de opleiding van predikanten. Per traditie hadden de predikanten hier allemaal gestudeerd aan Duitse universiteiten. De Nederlandse richting wilde graag zelf predikanten gaan opleiden, de Duitse hield vast aan theologische leiding vanuit een Duitse universiteit, bij voorkeur die van Wittenberg, die als orthodox te boek stond. Ook de voertaal in de kerk was een heikel punt. De groeiende groep Scandinaviërs, Ost- en Nordfriezen en Nederduits dialectsprekende groepen verstonden het Hoogduits van de predikanten slecht of helemaal niet. Deze mensen waren veelal laaggeschoold en vaak zelfs analfabeet, dus anders dan via de preken konden ze niet leren over het geloof. Ondertussen hadden de progressieve kerkbestuurders van de Nederlandse richting de indruk dat hun vernederlandste lidmaten wegbleven uit de diensten, ook vanwege de taal. Zij trouwden met gereformeerden en luisterden liever naar een Nederlandse preek dan naar zo’n conservatieve Duitser uit Wittenberg. Het kerkbestuur zag met lede ogen aan hoe deze economisch gevestigde en relatief draagkrachtige middengroepen vertrokken, terwijl de


Lutherse kerken in Amsterdam. Hiernaast de eerste lutherse kerk aan het Spui (door Jan Ekels, ca 1750.) In het hierboven afgebeelde panorama uit de 18de eeuw, gezien vanaf het IJ (door P. van der Meulen), staat rechts de nieuwe Koepelkerk. Hiernaast geheel links het orgel van die nieuwe kerk en in het midden het gebouw tijdens de brand in 1822.

logsvluchtelingen tijdens de Dertigjarige Oorlog – klopten ze aan bij de lutherse diaconie. Daarnaast was een aanzienlijk deel van de lutherse lidmaten zeevarend. Varensgezellen kwamen nogal eens om of bleven weg en dan moest de lutherse diaconie zich ontfermen over achtergebleven kraamvrouwen, weduwen en wezen. Omdat de armenkas niet toereikend was om al deze mensen te ondersteunen stonden velen van hen ook nog wekelijks in de rij bij de stedelijke aalmoezeniers. De stad Amsterdam riep de lutherse kerkbestuurders hierover regelmatig op het matje. In de tweede helft van de 17de eeuw ging het in de Republiek economisch minder. De Duitse immigratie stagneerde en daarmee liep ook de groei van de lutherse kerken geleidelijk terug. Maar in een laatste gebaar van internationale allure bouwde de Amsterdamse lutherse gemeente een imposante nieuwe kerk aan het Singel, die in 1671 gereedkwam. De kerkelijke armenkas was voortdurend uitgeput, maar het wijde netwerk van de lutherse elite leverde de financiële middelen. Met het koperen dak dat werd betaald door de koning van Zweden is deze Koepelkerk een prachtig symbool voor de vergane glorie van de lutheranen in Nederland. instroom van nieuwe lidmaten van een steeds proletarischer karakter werd. In 1646 werd daarom opdracht gegeven voor een Nederlandse vertaling van de lutherse Bijbel (uit het Hoogduits); in 1648 werd Nederlands de voertaal in de kerk. Felle protesten waren het gevolg en een groepje lutheranen uit Noorwegen en Denemarken begon een eigen kerk in een pakhuis met een Deens sprekende predikant. Zij verstonden Nederlands noch Duits en voelden zich niet thuis in de kerk. De kerkenraad liep naar het Amsterdamse stadsbestuur met het argument dat de Deense predikant niet rechtzinnig was in de leer. De stad stuurde inderdaad de schout om het pakhuis weer te sluiten. Er volgde een langlopend conflict tussen kerkenraad en de ‘Noorse Natie’, uitgevochten via brieven aan het stadsbestuur.

Varensgezellen Het lastigste probleem waar de lutherse kerk mee kampte was misschien wel de toenemende armoede en sociale kwetsbaarheid van de lidmaten. Als zij door ziekte of om andere redenen niet in hun onderhoud konden voorzien – zoals veel oor-

Erika Kuijpers doceert cultuurgeschiedenis van de middeleeuwen en vroegmoderne tijd aan de Vrije Universiteit en is redacteur van Geschiedenis Magazine. Zij schreef onder andere Migrantenstad. Immigratie en sociale verhoudingen in zeventiende-eeuws Amsterdam (Hilversum 2005).

 Kosterus Gerard van Manen (red), Lutheranen in de Lage Landen. Geschiedenis van een godsdienstige minderheid (ca. 1520-2004), Boekencentrum, 2011  Kuijpers, Erika, ‘Een Zeventiende-Eeuwse Migrantenkerk : De Lutheranen in Amsterdam’, in: Leo Lucassen (red.), Amsterdammer worden. Migranten, hun organisaties en inburgering,1600-2000, Vossiuspers, 2004.  Guido Marnef, ‘Een Ongemakkelijke Relatie. Calvinisten en lutheranen in Antwerpen en Brussel (1566-1585)’, in: Violet Soen en Paul Knevel (red.), Religie, Hervorming en controverse in de zestiende-eeuwse Nederlanden, Shaker Publishing, 2013

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

17


Luther / vrouwen

Luther & de vrouw(en) Al decennialang woedt er een strijd over de vraag of Luthers visie op de vrouw nu positief of negatief is. Heeft de Reformatie de positie van de vrouw bevorderd of is zij er juist op achteruit gegaan omdat vrouwen van de regen in de drup, dat wil zeggen: van het klooster in het huishouden terechtkwamen? De hervormer zelf deed stellige uitspraken over het andere geslacht: ‘Onkruid groeit snel; daarom groeien meisjes sneller dan jongens.’ Aan de andere kant sprak hij zijn eigen vrouw aan met ‘mijn bazin, mijn Mozes, mijn predikante’. Herman Selderhuis onderzoekt Luthers – behoorlijk ambivalente – ideeën over de vrouw en haar positie.

Dubbelportret van Maarten Luther en zijn vrouw, Katharina von Bora. Gemaakt vier jaar na hun bruiloft in het atelier van hun vriend Lucas Cranach de Oude in 1529. Hessisches Landesmuseum.

 GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

19


E

nkele jaren geleden lazen we thuis aan tafel een paar stukjes uit Luthers fameuze ‘Tafelgesprekken’, gesprekken die Luther aan zijn eigen eettafel voerde, opgetekend door studenten (zie kader). Dit werd ook door onze kinderen gewaardeerd tot we aankwamen bij de onkruid-opmerking. De vier dochters hadden het wel even gehad met Luther. En zij waren niet de enigen. De negatieve waardering van Luther rond dit thema is vooral op gang gebracht door een meer feministische benadering van de Reformatie en met name van het denken van Luther. De hervormer zou patriarchaal zijn en het

oude beeld dat de man de baas is over de vrouw alleen maar versterkt hebben. Zijn visie op het huwelijk sloot de vrouw op in het huishouden en maakte haar slechts geschikt voor het baren van kinderen en het dienen van de man. Daartegenover staat het reeds lang gekoesterde beeld dat Luther voor een bevrijding van de vrouw heeft gezorgd. Hij heeft haar nagenoeg aan de man gelijkgesteld en ervoor gezorgd dat zij zich via het huwelijk kon ontplooien.

‘Vrouwen ontbreekt het aan kracht en aan verstand’ Zoals zo vaak bij extreme posities kloppen zij geen van tweeën en toch

Luthers ‘Tafelgesprekken’

In 1566, twintig jaar na de dood van de hervormer, verschijnt in Eisleben een verzameling Lutherteksten. Ze bestaat uit zes lijvige delen en is eindeloos ver- en hertaald en opnieuw uitgegeven. Het is een bonte verzameling van ernstige beschouwingen, maar ook persoonlijke ontboezemingen, maatschappijkritische uitspraken en – soms ongenuanceerde – grappen. Deze Tischreden (Tafelgesprekken) zijn tussen 1531 en 1544 opgetekend door (vaak inwonende) studenten. Dit gebeurde meestal thuis, aan de gastvrije maaltijd in het ‘zwarte klooster’ in Wittenberg, waar Luther als gastheer ontspannen lange gesprekken voerde over allerlei thema’s. Maar ook gesprekken op reis of tijdens een wandeling door de tuin zijn genoteerd. Vaak gaan ze over theologische kwesties, maar ook over levensstijl. Zo merkt hij ergens op over het gebruik van alcohol: ‘Mij dunkt elk land heeft zijn eigen duivel. (…) Onze Duitse duivel zal wel een flinke wijnzuiper zijn.’ Wel is er de vrijheid van elke christen: ‘Dat ik af en toe eens een goede dronk doe, Hem ter ere, de wereld legge dat uit, wat mij betreft, zoals zij wil.’ Luther behandelt ook vragen over het leven van alledag, over het huishouden, muziek, het huwelijk en over de natuur. Twee onderwerpen komen opvallend vaak terug: predikanten en hun preken, en het sterven van de gelovige. Wellicht heeft dit iets te maken met het feit dat Luther zelf al op gevorderde leeftijd was: hij verkeerde in de laatste dertien jaar van zijn leven.

De tafel in de ‘huiskamer’ van het Augustijner klooster in Wittenberg waar de familie Luther woonde. Onder andere aan deze tafel voerde Luther vele gesprekken die in de Tischreden zijn opgenomen (Lutherhaus Wittenberg). Inzet: een uitgave van de Tischreden uit 1571.

20

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

ook allebei een beetje. Beide stellingen gaan uit van bepaalde vooronderstellingen waarbij in de ene positie alles wat man of mannelijk is bij voorbaat verdacht is, terwijl in de andere positie Luther altijd gelijk heeft en er geen kwaad woord van hem gezegd mag worden. Probleem is dat Luther vooral gelezen wordt om te vinden wat voor het eigen standpunt bruikbaar is. Dat dit weinig met een zo zuiver mogelijke historische benadering van het thema te maken heeft, mag duidelijk zijn, maar het blijft wel merkwaardig dat beide kampen met een arsenaal van Luthercitaten aan kunnen komen om het eigen standpunt te onderbouwen. Zijn visie op de vrouw blijkt al duidelijk uit het citaat over het onkruid maar nog uitvoeriger liet hij zich uit toen hij vanuit de lichaamsbouw van een vrouw conclusies trok over haar vermogens: ‘Vrouwen ontbreekt het aan sterkte en aan lichaamskracht, en aan verstand. Mannen hebben een brede borst en kleine heupen en daarom hebben ze ook meer verstand dan vrouwen, die een smalle borst hebben, brede heupen en een breed achterste. Daarom moeten ze thuis blijven, stil in huis zitten, de huishouding doen, kinderen baren en opvoeden.’ Samen met het citaat over de vrouw die is als een spijker in de muur, waarmee Luther erop doelt dat vrouwen niet veel meer doen dan thuiszit-


Luther / vrouwen

De familie Luther musicerend; aan tafel een van hun gasten, medehervormer Philip Melanchton. Katharina en Luther kregen samen zes kinderen, van wie twee meisjes nooit de volwassen leeftijd bereikten, tot groot verdriet van hun ouders. Door Gustav Spangenberg, 1875.

onder de beschuldiging heks te zijn en niet weinigen dit met de dood moesten bekopen. Evenals veel tijdgenoten geloofde Luther in heksen en toverij. Vrouwen die met behulp van tovermiddelen melk, boter en eieren probeerden te stelen, moesten volgens hem verbrand worden. Hij was ervan overtuigd dat heksen voor slecht weer konden zorgen en dat duivelse figuren geslachtsverkeer konden hebben met mannen en vrouwen. Luther had hiermee ook een aandeel in de verschrikkelijke vervolging van vrouwen die als heks gezien werden.

Maria als voorbeeld ten, worden deze woorden steeds weer herhaald om te tonen hoe laatdunkend hij over vrouwen dacht. Zijn uitspraak dat vrouwen heel goed zijn in mannen bespelen door te huilen, schreeuwen en liegen, versterkt dit negatieve beeld van de misogyne Luther. In zijn ‘Tafelgesprekken’ laat hij met enige regelmaat

Luther: Maria is voorbeeldig in haar nederigheid, geloof en offervaardigheid

een spottend geluid over vrouwen horen, zoals dat vrouwen veel praten maar weinig zeggen. Daarbij komt nog wat Luther over heksen heeft gezegd. In de loop van de tijd waren Bijbelse gegevens over de duivel en zijn engelen vermengd geraakt met allerlei angstaanjagende volksverhalen en legenden. Deze verhalen zorgden ervoor dat tal van vrouwen zwaar leden

Houten Mariabeeld uit Duitsland, omstreeks 1520, Rijksmuseum Amsterdam.

Luther heeft echter zeker ook waarderende woorden over vrouwen gesproken. Die gaan meestal terug op zijn uitleg van de Bijbel. Zo wijst hij erop dat God er niet voor terugschrikt zich in de Bijbel met een vrouw en met een moeder te vergelijken als Hij duidelijk wil maken hoe Hij voor Zijn kinderen zorgt. Vanuit die Bijbel komt hij tot de slotsom dat een vrouw geschapen is als hulp voor haar man in alle dingen, en in het bijzonder om kinderen voort te brengen. Tegelijk merkt hij op dat het krijgen van kinderen voor vrouwen een zware weg is. De man moet wel beseffen dat het verkrijgen van nageslacht hem lichamelijk niets kost, maar dat zijn vrouw er veel pijn en moeite om moet lijden. Toch lijkt in Luthers teksten de traditie vaak zwaarder te wegen dan de Schrift. Dat de satan zich in het paradijs bijvoorbeeld niet tot Adam maar tot Eva richt, is omdat zij het zwakkere deel is van dit duo. In zijn commentaar op Genesis 1:18 zegt hij dat de man de zon en de vrouw de maan is. Bij de geschiedenis van Gods bezoek aan Abraham vindt Luther in de beschrijving van Abrahams vrouw Sara aanleiding te stellen dat vrouwen het liefst in huis zijn, graag in de keuken redderen en er goed aan doen hun man te gehoorzamen. Dan is er nog Maria. Ook al verliest

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

21


Katharina von Bora (ca 1499-1552) Wie was Luthers vrouw? Het meeste over Katharina von Bora weten we uit notities van haar man. Hieruit komt ze naar voren als de ideale predikantsvrouw: ze weet in het huishouden van aanpakken, knoopt zonodig de eindjes aan elkaar, voedt de kinderschare op, verzorgt moestuin en veestapel, is gastvrij en praat verstandig mee over geloofszaken maar blijft bescheiden. Gegevens over haar leven voor hun huwelijk en na zijn overlijden zijn schaars. Historici denken dat ze in ergens bij Leipzig geboren is. Het is zeker dat haar vader haar op haar vijfde naar een Saksisch klooster stuurde voor haar opvoeding en dat ze in 1414 in het cisterciënzer vrouwenklooster Marienthron bij Grimma haar gelofte aflegde en non werd. Het was een groot klooster, Katharina leerde er hoe je landerijen beheert. Ze raakte net als andere kloosterlingen begeesterd door Luthers traktaten over hun duivelse celibataire leven dat niet volgens Gods bedoeling met de mensheid zou zijn en dat onkuisheid (zoals onzedelijke gedachten) in de hand werkte. Op 7 april 1523 ontsnapten twaalf nonnen uit Marienthron onder wie Katharina, verborgen onder tonnetjes haring. Negen

van hen vluchtten naar Wittenberg, waar de aanstichter van dit alles woonde. Luther had de viskar geregeld en hielp nu met het vinden van onderdak – bij hun eigen familie of bij een

zij bij de hervormer haar status als medeverlosseres, zij komt zeker niet in de verdachtenhoek zoals bij velen in de latere reformatorische traditie. Maria is bij Luther een voorbeeldige vrouw in haar nederigheid, geloof en offervaardigheid. Hij stelt haar, een vrouw, zo tot voorbeeld voor mannen die zeggen christen te zijn. Dit past bij zijn preek uit 1544 waarin hij zegt dat vrouwen en mannen voor God gelijk zijn en dat mannen vooral niet moeten denken dat ze beter zijn dan vrouwen. Elders verzet hij zich tegen de visie uit de Oudheid dat vrouwen een noodzakelijk kwaad zijn. Wie dat denkt, gaat voorbij aan het feit dat man en vrouw door God als gelijkwaardig geschapen zijn, zo meent Luther. Hij voegt er wel aan toe dat als vrouwen boeken zouden schrijven, zij waarschijnlijk hetzelfde over mannen zouden zeggen.

eigen vrouw vertelde. Katharina von Bora – niet Katharina Luther dus – had zelf het initiatief tot een huwelijk met de bekende professor te Wittenberg genomen. Zij was om zijn leer het klooster uit gevlucht. Luther moest eerst niet aan trouwen denken: ‘Lieve God, gaan onze Wittenbergers nu ook aan monniken vrouwen geven? Mij zullen ze in ieder geval geen echtgenote opdringen!’

‘Mijn liefje, mijn morgenster, mijn rib’ Zij die menen dat Luther juist positief over vrouwen sprak, betrekken hier steevast al het moois bij dat hij over zijn

22

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

nieuwe echtgenoot. Dit lukte alleen voor Katharina niet. Zij woonde enige tijd als vrijgezel bij Luthers vriend Lucas Cranach in huis.

Volgens de overlevering heeft zij zelf Luther een zetje gegeven: ze wilde óf met hem of met een vriend van hem trouwen, en anders maar niet. Ze huwden op 13 juni 1525, betrokken samen het leeggelopen augustijner klooster en kregen zes kinderen. Katharina beheerde huis en hof en maakte ze welvarend. Hoe Luther haar waardeerde, blijkt uit brieven en zijn ‘Tafelgesprekken’, maar ook uit het feit dat hij haar zijn enige erfgenaam maakte (hij stierf in 1546). Dit testament was weliswaar onwettig, maar het werd na ingrijpen van de keurvorst van Saksen Johan Frederik I goedgekeurd. Katharina raakte toch in de financiële problemen omdat haar bezittingen in oorlogen werden beschadigd. Ze vluchtte, verarmd, in 1552 voor de pest uit Wittenberg, maar viel onderweg door een ongeluk van de wagen en brak haar bekken. Drie weken later overleed ze in Torgau.

Portret door Lucas Cranach de Oude, ca 1525, Gemäldegalerie Berlijn De trouwring van Katharina, Stadtgeschichtlichtes Museum Leipzig.

heb mijn vrouw lief en waardeer haar zeer.’ Eenmaal getrouwd gaf Luther toe in Katharina een uitstekende vrouw te hebben gevonden over wie hij met respect en liefde sprak. Toen Katharina voor zichzelf een stuk land had gekocht, sprak Luther haar in zijn brieven aan als ‘Hare Majesteit, jonkvrouw Katharine Lutherine von Bora en Zuhlsdorf, mijn liefje’. Of, in een andere brief: ‘Aan

‘Aan de domineese, bierbrouwster, tuinierster en wat ze al niet meer kan’ (Luther aan zijn vrouw) Toen men hem beschuldigde dat hij de boel in de kerk helemaal op de kop had gezet om te kunnen trouwen, wees hij dit meteen terug: ‘Ik hoop (…) dat God mij de genade geeft om te blijven zoals ik nu ben.’ Achteraf was hij waarschijnlijk blij dat zij hem een huwelijk had voorgesteld, ook al was er van romantiek aanvankelijk weinig sprake. ‘Ik ben niet hartstochtelijk verliefd, maar ik

de domineese, bierbrouwster, tuinierster en wat ze al niet meer kan.’ En zo lovend begonnen meer van zijn brieven. Zijn waardering voor Katharina is het best af te lezen aan de aanhef, die onder andere luidde: ‘Mijn Käthe, mijn ketting, mijn rib, mijn Eva, mijn bazin, mijn Mozes, mijn varkenshandelaar, mijn predikante, mijn bierbrouwster, mijn morgenster.’ Duidelijk is dat wat


Mineke Bosch

Vernieuwing én conservatisme Luthers visie lijkt dus te bestaan uit een mix van vernieuwing en conservatisme. Deze mix is kenmerkend voor Luthers denken en dat is niet verwonderlijk voor iemand die de sleutelfiguur is in de overgang van de Middeleeuwen naar de nieuwe tijd. Luther kreeg het niet voor elkaar om ineens op elk gebied voor verandering te zorgen. Opvallend is verder dat als Luther op de praatstoel zit en zich ondoordacht laat gaan, vooral de negatieve woorden te horen zijn. De positie van de vrouw wordt er bij hem een stuk beter op als hij zich bedachtzaam uit, in een preek of in een geschrift. Bovendien was voor hem de Bijbel de leidraad in alles, ook in zijn (theoretische) visie op de vrouw. Wat de Bijbel over de man-vrouw relatie zegt, vinden sommigen nu eenmaal patriarchaal en vrouwonvriendelijk. Ook op andere punten is er bij Luther een zekere ambivalentie die als inconsistentie en zelfs tegenstrijdigheid kan overkomen. Het past bij het karakter van deze man en ook dat maakt hem zo boeiend. Wie toch een beoordeling van Luthers visie wil, is wellicht geholpen met de volgende conclusie: Luther heeft wel de rol en de betekenis van de vrouw met name in huwelijk en gezin versterkt, maar nauwelijks bijgedragen aan de waardering van de vrouw als mens en als individu. Hier moesten mensen na hem aan te pas komen.

Herman Selderhuis is hoogleraar kerkgeschiedenis aan de Theologische Universiteit Apeldoorn en directeur van het internationale platform Refo500. Hij publiceerde vorig jaar de biografie Luther. Een mens zoekt God (Uitgeverij Banier).

 Robert Grimm, Luther et l´expérience sexuelle, Labor et Fides, 1998

 Michael Parsons, Reformation Marriage. The Husband and Wife Relationship in the Theology of Luther and Calvin, Rutherford House, Edinburgh 2005

Een dezer dagen houdt Donald Trump zijn Inaugural Speech. Er waren meer kiezers die Hillary Clinton op 20 januari de eed wilden zien en horen afleggen, maar het electorale systeem besliste anders. In haar Concession Speech afgelopen november legde zij zich waardig neer bij de feiten. Opvallend daarbij was het commentaar dat zij oogstte met haar kleding. Nu worden vrouwen wel vaker eerst en vooral op hun uiterlijk beoordeeld, maar dit keer was het anders. Vooral het uitgesproken paars van de top onder het jasje dat al een even paars revers had trok de aandacht, een kleur die terugkwam in de das van echtgenoot Bill. Het ging er niet om of paars haar flatteerde, maar wat die kleur betekende. Velen zagen er een verzoeningsgebaar in: blauw (Democraten) samen met rood (Republikeinen) wordt paars – een hoopvol gebaar na een zo ontluisterende campagne. Anderen geloofden dat de kleur verwees naar de historische vrouwenkiesrechtbeweging. Deze heeft zeker, door Clintons campagne en het naderende eeuwfeest van het 19de amendement op de Amerikaanse grondwet dat vrouwen kiesrecht gaf, een prominentere plaats in het nationale geheugen dan een decennium geleden. Zo stelde een groep vrouwen van boven de 96 via de blog iwaited96years.com zich achter Clinton. Geboren voor 1920, dus voordat vrouwen voor het eerst hun stem konden uitbrengen, spraken zij de verwachting uit nog net bij leven op een vrouw te kunnen stemmen. Veel jonge vrouwen brachten uitgedost in het wit, een hint naar de kiesrechtcampagnes van weleer, in november hun stem uit op Clinton. Als Hillary Clinton met het paars in haar outfit inderdaad naar de kiesrechtbeweging verwees, dan bewijst dit in de eerste plaats dat dit soort symboliek niet statisch is. In de Verenigde Staten was namelijk geel of goud aanvankelijk de kleur van de beweging; de ‘yellow ribbon’ werd voor het eerst in 1876 door vrouwenrechtenactivisten gedragen tijdens de viering van

Foto: Chris Keulen

Hillary Clinton en The Color Purple

Luther zei over de positie van de vrouw (zoals de Bijbel er volgens hem over spreekt), bij hem thuis in ieder geval niet zo werkte.

Verder lezen

Column

honderd jaar Amerikaanse republiek. Pas later kwamen daar paars en wit bij, volgens sommige historici geïnspireerd door de Britse militante vrouwenkiesrechtorganisatie WSPU. Anderen denken dat de kleur al eerder meekwam, met de vrouwen van de Amerikaanse Temperance-beweging. Zij streden tegen alcoholgebruik en ondersteunden vanaf ca 1880 de beweging voor vrouwenkiesrecht. Ik zou willen suggereren dat de kleuren geel en paars ook kunnen zijn overgenomen van de International Woman Suffrage Alliance (IWSA), in 1904 opgericht door de Amerikaanse Carrie Chapman Catt. Een Nederlandse deelneemster aan het afsluitend diner van het grote congres van de IWSA in het Amsterdamse Concertgebouw in 1908 schreef in elk geval daags na de feestelijkheden dat de hoofdtafel ‘was gehouden in de kleuren der Alliance, lila en geel door een arrangement van goudkleurige chrysanten en paarsche irissen’. Clinton als president zou niet de revolutie hebben gebracht die Amerika misschien wel nodig heeft, zoals Alice Walker, schrijfster van de wonderschone roman The Color Purple herhaaldelijk heeft betoogd. Maar de manier waarop zij haar overwinning opgaf was wat mij betreft geheel in lijn met Walkers symbolisch gebruik van de kleur paars: koninklijk en bevrijdend.

Velen zagen een verzoeningsgebaar in Clintons kledingkleur

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

23


Nederlanders in China 1920-1945

Een onbekend jappenkamp Shanghai en Tientsin waren twee van de vele mondaine Chinese steden tussen de twee wereldoorlogen. Hier leidden de westerlingen die werkten bij buitenlandse firma’s een luxe expat-leventje. Tot 1943. Toen kwamen ze in een ‘jappenkamp’ terecht, in Noordoost-China. Over dit kamp, waar ook Nederlanders zaten, hoor je niet zoveel. Mieke Melief vond allerlei gegevens in oude familiepapieren.

De Japanners interneerden burgers in heel het door hen bezette gebied tijdens de Tweede Wereldoorlog. In China sloten ze zo’n 14.000 buitenlanders op in 14 burgerkampen. Het grootste was Weihsien (provincie Shantung), een voormalige kostschool van de Prebyteriaanse zending op een ommuurd terrein. Op de foto een van de bewakers net na de bevrijding. Het aantal bewoners wisselde, gemiddeld zaten er 1800. 2% was Nederlander.

S

hanghai, jaren ’20 van de vorige eeuw: een swingende stad met een bloeiende economie, waar het leven dag en nacht doorging. De Lichtstad van China bood een bruisend uitgaansleven, had een grote internationale haven en een indrukwekkende stedelijke infrastructuur. Shanghai oefende een grote aantrekkingskracht uit op West-Europese (voornamelijk Britse) en Amerikaanse jongemannen. Zij werkten bij de vele westerse bedrijven en handelsfirma’s die hier gevestigd waren sinds China de 19de-eeuwse Opiumoorlogen verloren had. Vanaf 1860 moest het land toestaan dat verdragshavens een soort minikoloniën werden, waar allerlei nationaliteiten hun eigen concessies hadden en vrijwel geen belasting betaalden dankzij de bij de Chinezen bedongen extraterritorialiteit. Buitenlandse troepen en kanonneerboten beschermden deze enclaves, die onder het gezag van westerse consuls vielen en later ook gemeenteraden kregen. De handel verliep via Chinese tussenpersonen, compradores genaamd. Deze manier van handeldrijven vergde veel geduld en fingerspitzengefühl voor de ongeschreven Chinese regels.

24

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

De jongemannen moesten sterk in hun schoenen staan om niet te bezwijken voor de verleidingen. Het wemelde er van de nachtclubs, waar je kon dansen met elegante Chinese dames en voor de Oktoberrevolutie gevluchte Russische singsong- of dansmeisjes, maar ook van de bordelen, casino’s en opiumtenten. Iedereen zette geld in bij de paardenraces. Alle denkbare westerse luxe was te koop en er werd betaald met chits, een briefje dat getekend werd, dus schulden liepen snel op. De vrijgezellen woonden in een mess, een huis waar bedienden hen verzorgden, en verplaatsten zich met hun eigen riksja of de tram. Het leven in Shanghai en andere grote verdragshavens als Hong Kong, Kanton en Tientsin was veel grootsteedser dan in Nederlands-Indië. Ook ging het hier met name om bedrijfspersoneel en niet om planters. Men werkte en leefde in de stad, het achterland was bijzaak. De taipans (CEO’s van grote westerse bedrijven) die het gemaakt hadden, bewoonden met hun gezin elk een grote villa-annex-kantoor met daarachter een compound voor het personeel. Ze dansten in chique hotels of gingen naar de club voor borrels en partijen en beoefenden hartstochtelijk de Britse sporten. Een aanpassing aan de omstandigheden was de paper hunt: er was geen wild rond Shanghai, gewoon jagen ging niet. Geen nood, men zette een parcours uit met reepjes papier; wie het eerst op zijn paard bij de finish was, had gewonnen.

Er kwam een rode armwikkel In 1912 had de Chinese keizer afstand gedaan van de troon, al bleef Puyi in naam nog keizer van China. In 1932 riepen de Japanners in noordelijk Mantsjoerije het keizerrijk Mantsjoekwo in het leven met Puyi als staatshoofd. In 1934 kwam hij zelfs als marionet op de troon (Bertolucci verfilmde in 1987 zijn


leven in The last emperor). De Japanners hadden het hier, zeer tegen Chinese zin, sinds hun overwinning in de Russisch-Japanse Oorlog voor het zeggen. Dit was internationaal bevestigd na de Eerste Wereldoorlog, alleen ging de nieuwe Japanse bemoeienis verder. Mantsjoekwo was een vazalstaat en de Japanse invloed strekte zich steeds zuidelijker uit. De westerlingen staken hun kop in het zand. In Tientsin in het noorden bijvoorbeeld, de tweede grote verdragshaven in China, bleef het business as usual, zelfs na het uitbreken van de Chinees-Japanse Oorlog in 1937 en de bezetting van Nanking en Peking. Ook de echtgenotes verhuisden hiervandaan nog iedere zomer voor twee maanden naar Peitaiho aan zee, naar luxe vakantievilla’s en hotels, met kinderen en personeel. Na de Japanse aanval op Pearl Harbor (7 december 1941) was het echter afgelopen met het beschermde welvarende leven. Tussen de concessies werden versperringen aangebracht en controleposten neergezet. De inwoners mochten hun concessies niet meer zonder toestemming verlaten. Burgers van de vijandelijke landen moesten een rode armwikkel dragen met daarop hun nationaliteit in Chinese karakters geborduurd. De zaken vielen stil en het spaargeld werd aangesproken. Op aanraden van de consuls kwam een repatriëringsbeweging op gang; Nederlanders konden door de Duitse bezetting niet naar het vaderland maar nog wel naar Indië.

Geallieerde burgers geïnterneerd In maart 1943 worden alle dragers in Tientsin van de gehate rode wikkel geïnterneerd. Ze moeten naar een ‘jappenkamp’ voor geallieerde burgers in Weihsien, in de noordoostelijke provincie Shantung. Per trein worden ze naar een verlaten kostschool gebracht, een vervallen en vervuilde bedoening met rijen lage en piepkleine kamertjes (de voormalige studentenslaapkamers). Een gezin per kamer, grote gezinnen twee kamers. Ook alle zendelingen en missionarissen uit heel NoordChina worden er ondergebracht. Een maand later komen na een dagenlange reis stoere paters uit Mongolië het kamp binnenmarcheren, gekleed in beren- en schapenvachten. De omstandigheden zijn milder dan in de beruchte Indische jappenkampen. Een aantal vrolijke Belgische en Nederlandse geestelijken organiseren meezingavonden. Er is ook cabaret; de Japanners lachen hard mee, waarschijnlijk omdat ze niet alles verstaan en niet snappen dat de satirische liedjes over hen gaan. Er worden lezingen georganiseerd en concerten of avonden waarop men grammofoonplaten afspeelt. In Kitchen no. 2 wordt iedere zaterdag gedanst door de verliefde paartjes, die er kunnen zwijmelen bij de muziek van een combo bestaande uit een zwarte Amerikaanse jazzmuzikant en een De westerse levensstijl in de verdragshavens in 1924. Op de foto Kanton (foto) en op de tekening Shanghai.

 GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

25


Shanghai stond bekend om zijn nachtleven en de verleidelijke vrouwen. Hier een coverafbeelding van het blad Shanghai Manhua (Schets), dat tussen 1928 en 1930 uitkwam. De rode buitenlandersarmband uit het familiearchief van de auteur.

taipans blijkt geen geboren leider. Er is niets, alles moet zelf gemaakt worden, gereedschappen, meubels, een operatietafel. Spijkers worden gezocht en hergebruikt, er zijn een paar meegebrachte naaimachines. Voedsel is schaars. Er komen schooltjes en gezondheidszorg, ook wordt er zoveel mogelijk gesport. De Amerikanen introduceren honkbal. De Schot Eric Liddell, voormalig Olympisch kampioen atletiek, die hier zonder zijn gerepatrieerde gezin zit, organiseert hardloopwedstrijden zolang de bewoners nog fit genoeg zijn. Hij sterft overigens een paar maanden voor de bevrijding aan een hersentumor. Het verblijf in het kamp is loodzwaar door het gebrek aan geneesmiddelen, voedsel, brandstof en door het extreme klimaat (bloedhete zomers en ijskoude winters). Een groep leerlingen van een kostschool voor kinderen van missionarissen heeft het extra moeilijk. Hun meegekomen leraren schermen hen af van de rest van het kamp. Ze zijn jarenlang gescheiden van hun ouders, die wonen en werken op afgelegen missies ver in het binnenland. De meeste kampbewoners slagen er echter in hun kinderen te ontzien en een relatief onbekommerde tijd te bezorgen. Zelf herinneren ze zich later de grote solidariteit en het bijzondere van de spontane religieuze oecumene.

Ontsnapping en bevrijding

gitarist die Hawaiiaanse muziek speelt. De kampen zijn in handen van de Kempetai, de militaire politie van de keizerlijke Japanse strijdkrachten, maar anders dan in Indië zijn kampleiding en bewakers geen militairen, maar maken ze deel uit van de consulaire politie. Ze zijn trots en streng – ze straffen hard – maar schappelijk en rechtvaardig. Ze laten de organisatie van het kamp geheel en al over aan de geïnterneerden. Zolang iedereen zich aan de regels houdt, gaat alles goed. Tot groot verdriet van de gevangenen moeten de paters en nonnen drie maanden later vertrekken. Hun nationaliteit is die van Vaticaanstad, meent de nuntius in Peking, en zij maken dus geen deel uit van de geallieerden. De Japanners gaan akkoord. Later blijkt dat de nuntius vooral de prille en ongewenste romances tussen jonge paters en jongedames in de kiem wilde smoren. Een klein groepje zielzorgers mag blijven.

Taipans vallen door de mand Het kamp is geïsoleerd, het ligt ver van de bewoonde wereld en de geallieerden weten eerst niet dat er een kamp is en later niet waar het ligt. Eromheen heerst een enorme chaos, overal zwerven groepjes communistische, nationalistische en Japanse guerrilla’s. Desondanks gaan de angstige geïnterneerden energiek aan de slag. Het kamp wordt democratisch, door middel van allerlei gekozen commissies, zeer efficiënt bestuurd. De meest capabele mensen krijgen de leiding, hetgeen leidt tot een genivelleerde sociale structuur, want een aantal

26

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

In 1944 wordt de Nationalistische Chinese regering in Chungking, die gesteund wordt door de Amerikanen, op de hoogte gebracht van de ligging van Weihsien door twee ontsnapte geïnterneerden die Chungking te voet weten te bereiken. Na deze ontsnapping worden de kampbewoners gestraft met allerlei maatregelen en eindeloze appèls. De Japanners verdragen zulk gezichtsverlies maar moeilijk. De twee zorgen er niettemin voor dat er medicijnen het kamp in worden gesmokkeld en bereiden samen met de Amerikanen de bevrijding voor. Op 17 augustus 1945 dropt een B24-vliegtuig een klein team Amerikaanse parachutisten. De Japanners worden door hun komst overrompeld en de bevolking stormt als één uitzinnige massa de poort uit, het platteland op. De plichtsgetrouwe Japanners blijven het kamp bewaken, op bevel van de gecapituleerde Japanse keizer, tot er Amerikaanse versterkingen komen. Dat de bewoners jegens hen geen wrok koesteren, ondanks alle ontberingen, blijkt na de oorlog. Een paar geïnterneerden pleiten op het Tokio-tribunaal (19461948) kampcommandant Izu vrij. * De vooroorlogse spelling van plaatsnamen is aangehouden

Mieke Melief was docente Frans. Ze publiceerde in 2016 het boek Hier in het Oosten alles wel. Een Amsterdamse familie in China, over de belevenissen van haar familie in China en het verblijf in het kamp. Aanvullende informatie vindt u op www.hierinhetoostenalleswel.nl en http://www.weihsien-paintings.org

Verder lezen

 Greg Leck, Captives of Empire. The Japanese Internment of Allied Civilians in China, 1941-1945, Shandy Press, 2006


2017 - 500 jaar Reformatie VERSCHIJNT 28 FEBRUARI

HERMAN J. SELDERHUIS

TIM DOWLEY

KATHARINA KUNTER

Luther Verzameld Atlas van de Refor- 500 jaar (deel 1+2) matie in Europa Protestantisme

SABINE HIEBSCH & MARTIN VAN WIJNGAARDEN (RED.)

De Reformatie van Luther

Luther Verzameld bestaat uit twee delen Verzameld Werk van Maarten Luther, geselecteerd door Herman Selderhuis. In deze ruime, representatieve selectie, die de volle breedte van Luthers oeuvre beslaat, zijn geschriften te vinden die niet eerder in het Nederlands verschenen zijn. De reformator uit Wittenberg werd in de Nederlanden al heel vroeg gelezen en dat is de eeuwen door zo gebleven. Deze tweedelige editie helpt het werk van Luther toegankelijk te maken vanuit de overtuiging dat hij ons ook nu nog steeds veel te zeggen heeft.

De Atlas van de Reformatie in Europa maakt de kerkgeschiedenis van Europa inzichtelijk. Tussen 1350 en 1650 ging de kerk in West-Europa door een proces van bestuurlijke, ethische en dogmatische hervormingen die ons continent wezenlijk veranderd hebben. Dit boek toont in 60 kaarten hoe de beweging van de Reformatie opkwam en zich daarna in Europa voltrok, met alle impact op de rest van de wereld. Naast bondige teksten ter toelichting geeft een tijdlijn van 1302 tot 1689 een chronologisch overzicht van gebeurtenissen. Een unieke uitgave.

In haar boek 500 jaar Protestantisme geeft Katharina Kunter een prachtig overzichtswerk van de geschiedenis van de Reformatie. 500 jaar protestantisme in één boek, met heldere tekst en treffende illustraties, waarin het protestantisme in al zijn breedte en variatie gepresenteerd wordt. Katharina Kunter neemt de lezer mee op een boeiende reis van 1517 naar vandaag. Ze laat zien dat het aanstaande jubileum van de Reformatie geen kwestie is van herdenking, maar van actief staan in een levende traditie.

Een geïllustreerd standaardwerk over Martin Luther (14831546). De biografie en theologie van Luther worden in een chronologische lijn geschetst. Luther komt naar voren als iemand die geworteld was in de late middeleeuwen en van daaruit zijn eigen theologie ontwikkelde. Een breed spectrum van afbeeldingen uit verschillende archieven en musea geeft een indruk van het Nederlandse erfgoed op het gebied van de Lutherana. Luther hervormde niet alleen de kerk Hij veranderde de

€ 59,99

€ 19,99

€ 35,00

€ 29,99

gebonden | 160 blz. | 9789043526531

9789043526425

2 gebonden | 1360 blz. | 9789043526340

gebonden | 240 blz. |

www.kok.nl ! "

wereld.

gebonden | 288 blz. | 9789043528054


Nieuw boek over slavenverzet 18de eeuw

De ontploffing van de Neptunus in 1785

We kennen de verhalen over de Afrikanen die als slaaf naar de overkant van de Atlantische Oceaan werden gebracht en er een vreselijk leven tegemoet gingen. Heel soms verzetten zij zich al tijdens de reis tegen dat lot. Spectaculair was het oproer aan boord van het Zeeuwse slavenschip de Neptunus in 1785. Een belangrijke bron voor deze geschiedenis zijn de brieven van Louis Rheeder, commandant van het fort Nassau te MourĂŠe aan de Goudkust (het huidige Ghana), aan Adolph Thierens, WIC-gouverneur in Elmina. Ruud Paesie onderzocht de ware toedracht en schreef er onlangs een boek over.

28

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017


O

p maandagavond 17 oktober rond zeven uur hoorde commandeur Rheeder vier ‘nootschoten’, afkomstig van de Neptunus. Hij gaf direct orders en zond manschappen met kano’s ter assistentie naar het in nood verkerende slavenschip. Een paar uur later keerden zij onverrichterzake terug, gevolgd door de bemanningsleden van het Nederlandse slavenschip. Uit hun relaas bleek dat de opstand vroeg

in de avond was uitgebroken, nadat enkele slaven kans hadden gezien om zich van hun hand- en voetboeien te bevrijden. Daarna braken zij het ijzeren rooster open, klommen aan dek en vielen de toegeschoten bemanningsleden met slag- en steekwapens aan. De kok en bootsmansmaat raakten daarbij gewond en verscheidene slaven zagen kans om overboord te springen. Ondanks alle commotie slaagde het scheepsvolk erin de andere opstandelingen weer terug in de ruimen te drijven, maar het kon niet verhinderen dat zij daar de palissaden en houten schotten van de slavenverblijven afbraken. Zo kregen de slaven toegang tot de kruit- en wapenkamer. In daaropvolgende vuurgevechten, waarbij de bemanning met ‘kogels, zout, en wat ze maar hadden’ op de slaven schoot, werd een matroos gedood. Inmiddels waren de te hulp geschoten kano’s met Afrikanen van Mourée gearriveerd en die trachtten de muiters tot rust te manen. Tevergeefs. Schreeuwend antwoordden die dat zij zich niet wilden overgeven en zouden doorvechten tot alle blanken gedood waren. Bovendien dreigden zij het schip op te blazen en raadden de ‘vrijneegers [aan], zoo ze niet haar leeve wilden verliezen’, om zich zo snel mogelijk uit de voeten te maken. Na deze woorden sprongen die onmiddellijk in hun kano’s en roeiden weg. De bemanningsleden verloren daarna de controle over het schip en waren genoodzaakt om het voorbeeld van de Afrikanen te volgen. Ook zij zochten een goed heenkomen en brachten zich met de sloep in veiligheid. Daarna kapten de opstandelingen de ankerkabels van de Neptunus en dreven stuurloos weg. Alleen ‘den Heemel’ zal weten wat er met hen zal gebeuren, schreef de commandant van Nassau in zijn eerste brief.

Opstand slavenschip

De slavenhandel, mezzotint van John Raphael Smith naar een schilderij van George Morland uit 1791. Rijksmuseum, Amsterdam. Inzet: voetboeien. Zonder voeten handboeien was geen slavenschip compleet.

De kapitein was nog aan wal Zijn vertwijfeling zal niet bepaald zijn weggenomen toen hij bovendien vernam dat kapitein Vervenne niet aan boord was geweest. Die bevond zich aan wal, in het nabij liggende Engelse Cape Coast Castle, en was zodoende nog onwetend over de gebeurtenissen op zijn schip. Met spoed zond Rheeder hem twee brieven. Daarna schreef hij zijn verslag aan Thierens, dat hij rond middernacht verstuurde. De weergave van de beschreven gebeurtenissen in fort Nassau wordt door Carel Rühle, de passagier van de Neptunus die op de bewuste avond bij zijn vriend Rheeder op bezoek was, in grote lijnen onderschreven. Het verschil zit hem in de details. Zo noemde Rühle half acht als tijdstip van de opstand, zouden er twee schoten vanaf de Neptunus zijn gelost en zond Rheeder drie kano’s met ‘vrijnegers’ ter assistentie. In de daaropvolgende twaalf uur volgden de gebeurtenissen elkaar snel op en door de toenemende betrokkenheid van buitenstaanders kwamen ze in een stroomversnelling. De verzonden brieven waren op de bestemde plaatsen afgegeven en Vervenne had zich naar Mourée gehaast, waar hij zich met de rest van zijn bemanning herenigde. Vandaar voeren zij in het donker naar de Neptunus om hun schip te ontzetten. Of Vervenne ook daadwerkelijk aan boord is geweest, werd door Rheeder later in twijfel getrokken.

Engelse en Afrikaanse plunderaars Het bericht over de slavenopstand verspreidde zich als een lopend vuurtje. Vooral het nieuws dat het slavenschip door de bemanning was verlaten. Dit bood perspectief voor bergers en velen grepen de gelegenheid aan om uit de chaotische situatie voordeel te behalen. Zo ook kapitein James Charles, gezagvoerder van het Engelse slavenschip Africa, die op dinsdagmorgen Vervenne te ‘hulp’ schoot. Aangestuurd door dezelfde drijfveren doken tientallen kano’s met bewapende Afrikanen uit Mourée, Cormantijn, Anamabo en andere kustdorpen op bij de schepen. Volgens de

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

 29


In kleur: een WestIndiëvaarder onder zeil, ca 1780 getekend door Jan Brandes (Rijksmuseum Amsterdam). Op de zwart-wit gravure: Vervoer van slaven in kano’s naar voor anker liggende slavenschepen. Op de gravure is zowel Elmina (Mina) als Cape Coast Castle (C. Corso) afgebeeld. Het fort rechts zonder naam is fort Nassau te Mourée. De afgebeelde schepen liggen op de rede van Mourée, dezelfde plaats waar op 17 oktober 1785 de slavenopstand op de Neptunus uitbrak. Particuliere collectie.

eerste zwarte anglicaanse missionaris Philip Quaque, die al bijna twintig jaar in Cape Coast Castle werkte, kwamen zij van heinde en verre om het schip te plunderen. Motieven waarover hij zijn weerzin uitsprak. Quaque had overigens ook geen goed woord over voor het ‘brutish behaviour’ van Vervenne, die hij waarschijnlijk persoonlijk in het Engelse fort had ontmoet. Hij noemt als een belangrijke reden voor de slavenopstand de ‘ill treatment of the unfeeling Captain [which] incensed the poor captives’. Rondom de Neptunus ontstonden hevige vuurgevechten die uren duurden. Aanvankelijk speelden die zich af tussen de vaartuigen, maar nadat de aanvallers het Nederlandse schip hadden geënterd, verplaatsten de gevechten zich naar het dek van het schip. Weldra was de overmacht voor de opstandelingen te groot en werden zij opnieuw het ruim ingedreven, verder in het nauw.

Het schip vliegt de lucht in Intussen had gouverneur Thierens op

30

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017


opstand slavenschip

dinsdagmorgen 18 oktober Anthony Jan van Volbergen, de kapitein van het Nederlandse admiraliteitsschip de Pollux dat voor Elmina lag, over de stand van zaken geïnformeerd en hem verzocht om Vervenne bijstand te verlenen. Van Volbergen gaf daarop direct bevel om alles in gereedheid te brengen om uit te

atie beoordelen. Mocht het slavenschip zijn verdwenen, dan zou hij verder tot Accra zeilen en daar tot 1 november de brieven van de Compagnie afwachten. Om half twaalf, precies op het moment dat Van Volbergen aan boord stapte, zag hij ‘een sterke vlam’ in de verte opgaan, gevolgd door twee zware donderslagen,

De kapitein zag een 'sterke vlam’ in de verte opgaan, gevolgd door twee zware donderslagen zeilen. In de tussentijd stelde hij samen met de gouverneur een plan op. Eerst zou hij naar Mourée zeilen en de situ-

Een schip ontploft op zee, eind 18de eeuw. Rijksmuseum Amsterdam.

wat hem ‘niet veel goeds voorspelde’. Eenmaal onderzeil kwamen ze een Portugese schoener tegen en de gezagvoerder liet de schipper aan boord brengen. Die verklaarde dat hij het slavenschip na een hevig vuurgevecht, waarbij over en weer met musketten en kanonnen was geschoten, boven Anamabo de lucht in had zien vliegen. Na de explosie was van het snauwschip niets meer te zien, alsof het van de aardbodem was verdwenen. Vergelijkbare rapporten kreeg hij van fort Nassau en nu het ‘genoegzaam zeeker zijnde’ dat hij niets meer kon doen, besloot Van Volbergen om naar Elmina terug te keren.

Ten minste 150 doden De opstand had een hoge tol geëist. Zelfs dagen later dreven nog stoffelijke overschotten in zee, soms op flinke afstand van de plaats waar het schip geëxplodeerd was. Zo noteerde Van Volbergen drie dagen na de ramp in zijn journaal dat er verscheidene lijken langs zijn schip voorbij waren gedreven. Over het totale dodental kan slechts bij benadering iets worden gezegd. Omdat er veel zieke slaven aan boord waren, kon Vervenne het precieze aantal omgekomen gevangenen niet noemen. Wel wist hij te melden dat er ten minste 57 bij de explosie de dood hadden gevonden en dat 150 ounce goud en 5.000 pond ivoor verloren waren gegaan. Quaque, de anglicaanse missionaris, noemde een aantal van ongeveer 150 slaven. Op basis van het aantal ingekochte slaven, dat rond de 200 schommelde, mogen we ervan uitgaan dat aan de zijde van de opstandelingen ten minste 150 doden te betreuren zijn geweest. Gezien het geringe aantal overlevenden,

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

31


De route van de Neptunus van juli 1784 tot en met 18 oktober 1785.

slechts achttien slaven werden uiteindelijk uit het water gevist, zijn er waarschijnlijk zo’n 170 omgekomen. Aan de andere zijde vielen achttien doden onder de Europeanen en sneuvelden er volgens de dorpsoudsten 240 Afrikaanse kustbewoners. Om onderhandelingstechnische redenen zullen zij het aantal slachtoffers vermoedelijk iets hebben overdreven. Uitgaande van ruim 200 verongelukte Afrikanen zal het totale dodental de 400 zeer dicht genaderd hebben.

Rampspoed of wanhoopsdaad Na de reconstructie van de opstand en de tragische afloop resteert de vraag: waardoor vloog de Neptunus de lucht in? Was het een ongelukkige treffer in de kruitkamer of een wanhoopsdaad van de in het nauw gedreven opstandelingen? Vervenne noch Rühle, de twee opvarenden die bij terugkomst in Nederland een beëdigde verklaring aflegden, spraken zich daarover uit. Ook Johan Black, een scheepsjongen die jaren later een verklaring aflegde, moest daarop een antwoord schuldig blijven en verklaarde slechts dat hij de oorzaak van het ongeluk niet had kunnen ontdekken. De journalen van de Pollux geven evenmin uitsluitsel. Daarentegen was commandant Rheeder ervan overtuigd dat de opstandige slaven zich zelf hadden opgeblazen. Over de explosie schrijft hij namelijk dat die ‘zeeker door de slaven die meester van ’t polver waaren is geschiet’. Ook Thie-

32

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

rens, die niet alleen de brieven van Rheeder had gelezen, maar ook Vervenne en de bemanningsleden van de Neptunus had gesproken, berichtte in vergelijkbare woorden aan de bewindhebbers van de West-Indische Compagnie: Vervenne ‘heeft een opstand onder zijn slaaven gekregen, hetgeen van gevolg is geweest dat de slaaven het polver in brand hebben gestoken, en de slaaven met het schip in de lugt zijn gesprongen’.

De slaven bliezen de Neptunus bewust op – wellicht als collectieve zelfmoord Dat Thierens ook daadwerkelijk met ooggetuigen gesproken heeft, blijkt uit het verslag van zes voormalige bemanningsleden van de Neptunus. Zij verklaarden op 21 oktober 1785 te Elmina dat de slaven niet alleen kort na de opstand al gedreigd hadden om het schip op te blazen, maar de volgende dag de daad bij het woord hadden gevoegd. De woorden die de secretaris van Elmina uit hun mond optekende, laten aan duidelijkheid niets te wensen over: ‘De slaven ziende dat er zooveel van hun dood geschooten wierden, gingen beneeden naar ’t polver en lieten ’t schip springen.’ Eenzelfde

soort bericht werd door de Engelse zeelieden verspreid en kreeg op 29 april 1786 aandacht in de Independent Journal. Twee weken later bereikte het nieuws de Republiek. Ook op de kust van Guinea deed dit verhaal de ronde. Paul Erdmann Isert, een Duitse botanicus die als opperchirurgijn op het Deense fort Christiansborg werkte, schreef hierover het volgende: ‘In het jaar 1785 regtten de slaaven van een Hollandsch schip een oproer aan, ten zelfden dage, dat ze na Westindien vervoerd zouden worden. Zij overwonnen de Europeërs, en sloegen ze alle dood, uitgenomen een kleinen scheepsjongen, die in den top van den grooten mast was geweeken. Voor dat de blanken te eenemaal verwonnen waren, hadden deeze verscheiden noodschooten gedaan, welke men in het land had gehoord, en hen daarom eene menigte kano’s met gewapende vrijnegers te hulpe zond. Zodra als dezen het schip naderden, en de oproerige slaaven zagen, dat ze te kort zouden schieten, overleiden zij, dat ze zig zelv van kant wilden helpen. Tot dat einde liep er één met een brandend hout in de kruidkamer, en deed dus het schip in de lugt springen.’ Op basis van al deze bronnen lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat de opstandige slaven de Neptunus met opzet de lucht in hebben laten vliegen. Blijft echter de vraag of dit de daad was van één wanhopige Afrikaan, die zonder instemming van de overigen handelde, of dat er daadwerkelijk sprake was van een collectief besluit tot suïcide. De verklaringen lijken wel sterk op dit laatste te wijzen.

Ruud Paesie is historicus. Dit artikel bestaat uit fragmenten uit zijn boek Slavenopstand op de Neptunus. Kroniek van een wanhoopsdaad (Walburg Pers 2016). Verdere informatie over boek en auteur is te vinden op www.paesie.nl


TURKIJE

Erik Jan Zürcher

Turkije maakt roerige tijden door. Europa heeft al eeuwen een complexe relatie met dit land. Wat beweegt en bewoog de Turken?

Iedereen boetseert zijn eigen favoriete Atatürk

I

n Turkije is de figuur van Mustafa Kemal Atatürk, de stichter van de republiek, alomtegenwoordig. Zijn beeltenis siert vliegvelden, stations en postkantoren, maar ook winkels, restaurants en taxi’s. Zijn uitspraken – echt dan wel verzonnen – zijn te vinden op en in ministeries en belastingkantoren. Iedere school heeft een Atatürk-buste op de binnenplaats en een Atatürk-hoek in elke klas. De alomtegenwoordigheid van de eerste president is niet alleen het gevolg van een door de Turkse staat opgelegde cultus van persoonsverheerlijking. Die is er, en hij is al oud: de eerste standbeelden van – toen nog– Mustafa Kemal Pasja (de naam Atatürk of ‘Vader Turk’ kreeg hij pas in 1934 van het parlement) werden al in 1926 opgericht. Nog tijdens zijn leven werd hij door de staat neergezet als held, als vaderfiguur en als leraar van de natie. Na zijn dood in 1938 werd hij uitgeroepen tot de Eeuwige Leider. Tegelijk is de liefde en eerbied voor Atatürk door vele decennia van indoctrinatie via het onderwijs en de media inmiddels ook diepgeworteld bij het

Turkse publiek en is er – los van de staatscultus – ook een burgerlijke Atatürkverering ontstaan, waarbij verschillende stromingen ieder hun eigen favoriete Atatürk boetseren. Voor politiek links is hij de anti-imperialistische held, voor de seculiere middenklasse de voorvechter van moderniteit en vrouwenrechten en voor nationalisten de Grootste Turk. Zelfs de conservatieve islamisten die sinds vijftien jaar in Turkije aan de macht zijn, hebben hem tegenwoordig omarmd, al gebruiken ze uiterst zelden de naam Atatürk. Ze geven de voorkeur aan ‘Gazi’ Mustafa Kemal, de man die in de jaren na de Eerste Wereldoorlog de Europeanen versloeg. ‘Gazi’ is een term voor iemand die overwinningen heeft geboekt in de strijd voor de verbreiding van de islam. Kortom: voor iedereen is er de Atatürk naar zijn of haar keuze. Het is inmiddels de langst bestaande politieke persoonlijkheidscultus ter wereld en als we ons afvragen hoe dat komt, komen we terecht bij een andere Turkse eigenschap: een diepgewortelde onzekerheid over het voortbestaan van het land. In Turkije wordt dit vaak aangeduid als het Sèvres-syn-

Xxxx

Sculptuur bij Amasra aan de

Zwarte Zee.

droom, naar het vredesverdrag van Sèvres uit 1920 waarbij de restanten van het Osmaanse Rijk grotendeels werden opgedeeld door de overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog en er voor de Turken zelf heel weinig overbleef. Het lijkt erop dat de verering voor de Vader des Vaderlands ook een houvast biedt in een onzekere wereld waarin Turken zich constant bedreigd voelen. Of de islamisten van Erdoğan zullen vasthouden aan de cultus is de vraag, maar er gebeurde onlangs wel iets heel

opmerkelijks. Direct na de mislukte staatsgreep van 15 juli werd de oudste brug over de Bosporus omgedoopt in Brug van de Martelaren van 15 Juli. Niemand had het daarbij over de oude naam van deze brug uit 1973. Dat was, jawel, de Atatürkbrug. Daarmee was dit kabinetsbesluit een absoluut novum: de eerste keer in de moderne geschiedenis van Turkije dat iets dat naar Atatürk vernoemd was, die naam ook weer verloor. Een eerste teken van een naderend einde van de Atatürkverering?

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

33


Na de Tweede Wereldoorlog kreeg het oude Lviv een nieuwe bevolking.

Alleen de stenen bleven in Lviv Lviv ligt tegenwoordig in het westen van Oekraïne. In de Habsburgse tijd stond deze stad bekend als Lemberg, of Lwów voor de Polen. Marc Jansen vertelt hoe Lviv tussen 1939 en 1945 zijn twee grootste bevolkingsgroepen kwijtraakte. De Poolse inwoners werden gedeporteerd door de Sovjets, de Joodse werden vermoord door de Duitsers en Oekraïense nationalisten. Intussen bleef de stenen stad vrijwel intact.

34

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017


Pogroms Op 22 juni 1941 viel Hitler, ondanks het pact, de Sovjet-Unie aan. Zijn legers bezetten een groot stuk van het Europese deel van het land, waaronder het gehele hedendaagse Oekraïne. De Organisatie van Oekraïense Nationalisten (OOeN) hoopte dat Hitlers opmars de gedroomde onafhankelijkheid naderbij zou brengen. Twee Oekraïense bataljons rukten met de Duitse Wehrmacht op en de nationalisten in Lviv riepen op 30 juni een onafhankelijke staat uit. Het kon op zijn best een vazalstaat van Duitsland worden, zo was van meet af aan duidelijk. Alvorens de stad te ontvluchten, schoot Stalins geheime dienst al zijn gevangenen dood die niet konden worden geëvacueerd. Toen de Duitsers met in hun kielzog de Oekraïense nationalisten Lviv en omgeving bezetten, troffen ze duizenden lijken aan. Ze gaven de ‘Joodse bolsjewieken’ de schuld van de moord. Joden werden met grof geweld gedwongen de lijken op te graven. Ze moesten de lichamen wassen en herbegraven. Er brak een pogrom uit met opnieuw duizenden slachtoffers. De schuld hiervoor lag voornamelijk bij de Duitsers, die de omstandigheden creëerden waaronder de moordpartijen konden plaatsvinden. Soms moordden zij zelf, soms lieten ze anderen het vuile werk opknappen en keken ze toe. Ook Nederlandse oostfrontstrijders van de divisie Wiking van de Waffen-SS deden mee aan de wreedheden tegen Joden. De Oekraïense nationalisten en een deel van de niet-Joodse lokale bevolking waren medeverantwoordelijk.

Lviv

‘S

chokzone van de imperia’, zo heten Oekraïne en omringende landen wel in de historische literatuur. Van tijd tot tijd wisselde het gebied van eigenaar. De schokzone ving de botsingen tussen de omringende rijken op en hun ondergang ging gepaard met uitbarstingen van geweld, zoals de aarde beeft als tektonische platen op elkaar stoten. De naschokken zijn in de stad Lviv nog steeds voelbaar. De zwaarste ‘aardbeving’ begon er in 1939. Toen was de stad Pools en heette Lwów. In september van dat jaar viel het Sovjetleger Oost-Polen binnen, een uitvloeisel van het niet-aanvalsverdrag dat Adolf Hitler en Jozef Stalin een paar weken eerder hadden gesloten. Duitsland en de Sovjet-Unie spraken af elkaar te ontzien en verdeelden in een geheim protocol het tussenliggende gebied. Polen werd van twee kanten aangevallen. Het westen werd bij Duitsland, het oosten bij de Sovjet-Unie gevoegd. Lwów ging Lviv heten, ook al vormden Oekraïners er slechts een minderheid. De nieuwe Sovjetmachthebbers begonnen met deportaties van Poolse inwoners – ruim de helft van de stadsbevolking.

Lebensraum door Jodenmoord

gress. n 1920. Foto Library of Con

Straatbeeld Lviv in de jare

Spoedig bleek dat de Duitsers Oekraïne hoegenaamd geen onafhankelijkheid wilden toestaan, ook niet als collaboratiestaat. Lviv en omgeving werden bij het Generalgouvernement für die besetzten polnischen Gebiete gevoegd en hoge functionarissen van de OOeN gingen de gevangenis in, hun leider

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

 35


Stepan Bandera achterna. Vandaag de dag voeren sommige Oekraïeners dit aan als bewijs dat de nationalisten helemaal niet zouden hebben gecollaboreerd. Maar ook na Bandera’s gevangenneming vormden zijn volgelingen geenszins de motor van het anti-Duitse verzet. Bovendien rekenden zij af met tienduizenden in ‘hun’ gebied woonachtige Polen. De Duitsers zagen het veroverde gebied als Lebensraum voor Duitsers. Het gros van de lokale Slavische bevolking diende te verdwijnen, terwijl de rest genoegen moest nemen met een slavenrol. Aan deze doelstelling kwamen de bezetters slechts ten dele toe. Prioriteit had de vernietiging van de Joden. In heel Oekraïne werden rond anderhalf miljoen Joden vermoord, de meesten ter plekke in wat tegenwoordig de ‘Holocaust door kogels’ wordt genoemd. Schattingen van het totale aantal dodelijke oorlogsslachtoffers onder alle bevolkingsgroepen in Oekraïne liggen tussen de 5,3 en 6,5 miljoen. Lviv (nu weer Lemberg geheten) telde in 1939 333.500 inwoners, onder wie 104.000 Joden. Hier kwamen nog eens vele duizenden Joodse vluchtelingen bij. Eind 1942 was tachtig procent van hen dood en zat de rest gevangen in het concentratiekamp Janowska. Een jaar later werd de stad volledig ‘Jodenvrij’ verklaard. Toen de Sovjets Lviv in de zomer van 1944 heroverden, waren er nog maar zo’n 1300 Joden in leven.

Stad van Lev

Lviv werd in 1256 gesticht door vorst Daniël van Galicië als vesting voor zijn zoon Lev, die er in 1272 zijn hoofdstad van maakte. Gelegen nabij de waterscheiding tussen de Zwarte Zee en de Oostzee werd het een belangrijke handelsplaats met begin 15de eeuw zo’n 10.000 inwoners. In 1340 veroverde koning Casimir de Grote van Polen de stad, die nu Lwów ging heten. De stad bleef Pools tot deze in 1772 bij de eerste Poolse deling aan het Habsburgse Rijk toeviel. Lemberg, zoals de officiële naam nu luidde, had een etnisch gemengde bevolking van onder meer Polen, Joden, Armeniërs, Duitsers, Roethenen (Oekraïners) en Russen. Begin 19de eeuw was Lemberg met ongeveer

36

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

Etnische bevolkingsruil De beurt was nu aan de Polen. Lviv en omgeving werden geannexeerd door de Sovjet-Unie. De stadsbevolking was gehalveerd tot zo’n 150.000 zielen, van wie twee derde Pools was. In september 1944 kwamen

50.000 inwoners na Wenen, Budapest en Praag de vierde stad van de Oostenrijkse monarchie. In 1861 kreeg het een spoorverbinding met Wenen, zodat deze metropool voortaan in dertien uur te bereiken was. Na de Eerste Wereldoorlog en een kortstondig, mislukt experiment met Oekraïense onafhankelijkheid waren de Polen tot 1939 opnieuw de baas in Lwów. Tegenwoordig is Lviv met tegen de 750.000 inwoners de zevende stad van Oekraïne. De architectuur is Midden-Europees, de meeste inwoners spreken Oekraïens en de belangrijkste godsdienst is de – in de Sovjettijd verboden – Grieks-katholieke tak van het christendom.

Lviv heette vroeger Léopole of Leopolis. Panorama uit de 18de eeuw, foto erboven uit 2016.

de Sovjetautoriteiten met de nieuwe communistische machthebbers in Polen een bevolkingsruil overeen. Eind 1945 was al driekwart van de Polen ‘vrijwillig’ gerepatrieerd en in de zomer van 1946 hadden circa 800.000 Polen West-Oekraïne verlaten. Uit Lviv verdwenen bij deze etnische ‘ontmenging’ bijna 105.000 mensen: voornamelijk Polen, maar ook tegen de 3500 – veelal na de zomer van 1944 teruggekeerde – Poolse Joden. Van de autochtone Oekraïense minderheid had een deel te lijden van de felle oorlog die de Sovjets tot begin jaren '50 uitvochten tegen het Oekraïense nationalisme. De stenen stad bleef overeind, maar de naoorlogse stadsbevolking was, met enkele uitzonderingen, volkomen nieuw. Zij bestond deels uit Oekraïners van het omringende platteland, uit Polen en uit Oost-Oekraïne. Maar er kwamen ook veel Russen die, met de Oost-Oekraïners, de beste banen kregen. Veel Polen uit Lviv werden gedeporteerd


Lviv

Standbeeld van Stepan Bandera(foto auteur) in Kiev en een demonstratie daar vanwege zijn 106de geboortedag op 1 januari 2015. Organisator was de rechts-nationalistische partij Svoboda.

Streamer

voor ‘banderist’ werden uitgemaakt, werd dit een geuzennaam. Toen Oekraïne in 1991 onafhankelijk werd, kreeg de straat die van het station van Lviv naar het centrum leidt en die tot 1961 Stalinstraat en daarna Vredesstraat heette, de naam Banderastraat. In 2007 verrees er een meer dan levensgroot standbeeld van Stepan Bandera. Oekraïners zien hem niet zozeer als collaborateur, maar als een vrijheidsstrijder.

Beelden uit het vooroorlogse getto.

naar het voormalige Breslau. Deze voorheen Duitse stad had de Poolse staat gekregen ter compensatie voor het verloren gebied in het oosten en heette nu Wrocław. De Duitse inwoners waren weggetrokken. Professoren van de Poolse Jan Casimir-universiteit sloten het academische jaar voor de zomer van 1945 af in Lviv en openden het nieuwe jaar in de kapotgeschoten aula van de universiteit van het vroegere Breslau.

Stenen geërfd zonder de menselijke geschiedenis De Oekraïense tak van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie zag het nu als zijn taak het ‘eeuwige Oekraïense karakter’ van Lviv en zijn ‘onverbreekbare band met Oekraïne’ te herstellen. Poolse monumenten maakten plaats voor nieuwe gedenktekens voor Oekraïense historische helden, Oekraïense culturele en onderwijsinstellingen werden geopend en het Oekraïens werd de officiële taal. ‘De Oekraïners hebben de stenen van Lwów geërfd zonder zijn menselijke geschiedenis,’ schreef Milo Anstadt, die er als kind van geassimileerde Joden voor

de Tweede Wereldoorlog had gewoond, in zijn boek Kind in Polen (1982). ‘Hun stad is gisteren ontstaan en vandaag hebben zij er bezit van genomen. De breuk met het verleden is grondig. Niet alleen bestaan er tussen de huidige en de vroegere bewoners geen banden van afkomst, de immigranten spreken een andere taal, gebruiken een ander schrift en geven de straten andere namen.’ In de nieuwe Sovjetorde maakten de Oekraïners deel uit van een multinationaal geheel met het Russische broedervolk in de leidende rol. Weigeraars kregen het etiket van ‘banderist’ opgeplakt. Maar op den duur creëerde dit Sovjetbeleid een eigen regionale West-Oekraïense identiteit. Vormden de Russen direct na de oorlog haast een derde van de bevolking van Lviv, tegenover bijna de helft Oekraïners, eind jaren tachtig was de verhouding danig veranderd: 79 % Oekraïners tegenover 16 procent Russen. Juist doordat Oekraïners die niet in het Sovjetstramien pasten

Marc Jansen was tot 2011 docent Russische en Oost-Europese studies aan de Universiteit van Amsterdam. Hij publiceerde onder andere Grensland: Een geschiedenis van Oekraïne (Van Oorschot de zesde, bijgewerkte druk verschijnt februari 2017) en Een geschiedenis van Rusland: Van Rurik tot Poetin (Van Oorschot 2015 10 samen met J.W. Bezemer).

Verder lezen

 Jan Paul Hinrichs, Lemberg-Lwów-Lviv, Uitgeverij Bas Lubberhuizen, 2009

 William Jay Risch, The Ukrainian West. Culture and the fate of empire in Soviet Lviv, Harvard Historical Studies, 2011  Heleen Zorgdrager e.a., De Joden van Lemberg. Een reis naar lege plekken, Uitgeverij Boekenbent, 2012  Dolph Kessler e.a., Lviv, stad van paradoxen, Mauritsheech Publishers, 2014  Tarik Cyril Amar, The paradox of Ukrainian Lviv. A borderland city between Stalinists, Nazis, and Nationalists, Cornell University Press, 2015

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

37


RECENSIE

De macht van de Byzantijnse keizer

Op de beroemde mozaĂŻeken in de basiliek van San Vitale in Ravenna uit de jaren 540 staan ze pontificaal: de Byzantijnse keizer Justinianus I en zijn vrouw Theodora, omringd door hovelingen, geestelijken en soldaten. De gouden aureolen om het hoofd van de keizer en keizerin maken duidelijk: dit zijn de oppermachtige vertegenwoordigers van God op aarde. Weerspiegelde dit hun werkelijke macht? Bert Overbeek verkent nieuwe boeken over de macht van de keizers van het Oost-Romeinse Rijk.

D 38

e keizer was een autocraat die zowel de staat als de kerk met een beroep op zijn goddelijke missie op absolutistische wijze regeerde. Dit is de gangbare visie op de politiek van het Oost-Romeinse Rijk; er hoorde bij dat die werd bedisseld in de achterka-

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

mertjes van het paleis, met een belangrijke rol voor eunuchen en vrouwen (de moeders, zusters en echtgenotes van de keizer). Zo liet keizerin Irene in 797 haar zoon Constantijn VI blind maken om vervolgens zelf te regeren. Het meest tot de verbeelding spreekt ongetwijfeld Theodora, de echtgenote van Justini-


anus. De geschiedschrijver Procopius tekende haar leven in zijn Anekdota op als schandaalkroniek. Toch wordt ze in de oostersorthodoxe kerk nog altijd als heilige vereerd. David Potter geeft in zijn recente biografie Theodora. Actress, Empress, Saint een zorgvuldig afgewogen portret van deze omstreden keizerin. Hein van Dolen brengt een aantal al te summiere portretjes van keizerinnen samen in zijn boekje met de kenmerkende hoofdtitel Passie, intriges en politiek. Met zijn nadruk op het paleis en het keizerlijke ceremonieel bevestigt hij het traditionele beeld dat de Oost-Romeinse keizer ongelimiteerde macht bezat. Anthony Kaldellis stelt deze opvatting fundamenteel ter discussie in The Byzantine Republic. Met ‘republiek’ doelt Kaldellis op de Romeinse res publica, een begrip dat niet zozeer republiek in de moderne zin betekent, maar de ‘gemeenschappelijke zaak’ van de Romeinse burgerij. De magistraten die Rome bestuurden sinds de heerschappij van Augustus dienden deze zaak. Aan hun hoofd stond de keizer, die zijn bevoegdheden formeel kreeg van senaat en burgerij. Hij was weliswaar niet aan de wet gebonden, maar werd wel geacht het belang van de burgerij te dienen. Wie dat niet deed, verloor zijn populariteit en liep het risico door een revolutie ten val te worden gebracht. Het volk was soeverein.

Eisen stellen op de renbaan De abstracte opvatting van de res publica kreeg concreet gestalte in het petitierecht van de burgers bij de keizer. In Rome kon dit de vorm aannemen van door grote menigten gescandeerde eisen, vooral tijdens de paardenrennen in de Circus Maximus. Mede doordat de keizers bij tijd en wijle gehoor gaven aan de wensen die hier klonken, verzekerden ze zich van de volksgunst. Kaldellis laat overtuigend zien dat dit niet tot Rome beperkt bleef. Ook de politieke cultuur in Constantinopel koesterde de oude Romeinse opvatting van de res publica. En ook hier was de paardenrenbaan de belangrijkste plaats van de dialoog tussen keizer en volk. Nadat keizer Zeno in 491 was overleden, kwamen zijn weduwe Ariadne, de magistraten, de senaat en de patriarch samen in het paleis om te overleggen over de opvolging. Voordat een beslissing genomen werd, verscheen de keizerin in de hippodroom, waar volk en soldaten zich verzameld hadden. Zij lieten haar weten dat de nieuwe keizer orthodox diende te zijn en een Romein; bovendien werd het ontslag van de onpopulaire stadsprefect geëist, een eis die meteen werd ingewilligd. Vervolgens koos Ariadne de al wat oudere Anastasius tot nieuwe keizer (en haar nieuwe echtgenoot). Hij werd enkele dagen later door de burgerij in de hippodroom als keizer gehuldigd en beloofde toen de publieke zaak te zullen dienen.

De ruïne van de hippodroom in Constantinopel. Tekening 1625.

van de hoofdstad en het leger de keizer accepteren en kwam er stabiliteit. En juist hierin ziet Kaldellis de praktische werking van het principe van de volkssoevereiniteit. Kaldellis negeert evenwel het feit dat de keizer vanaf de late 4de eeuw min of meer permanent in Constantinopel verbleef. Dit maakte de bevolking van deze stad (die in de 5de eeuw naar schatting zo’n 300.000 à 400.000 inwoners had) een niet te onderschatten machtsfactor. In hoeverre haar concrete politieke eisen zoals een regimewisseling gemanipuleerd werden, is vaak moeilijk vast te stellen. Neem de Nika-opstand die Justinianus in 532 bijna zijn troon kostte. Die begon als een conflict tussen de stedelijke overheid en twee supportersgroepen op de renbaan. Justinianus weigerde de eis in te willigen dat enkele ter dood veroordeelde leden van beide groepen amnestie kregen. Er kwam oproer van, en dat liep uit de hand. De opstandelingen riepen Hypatius, een neefje van de vroegere keizer Anastasius, uit tot keizer. Kaldellis ziet hierin de volkssoevereiniteit in actie, maar David Potter maakt in een zorgvuldige reconstructie van de gebeurtenissen aannemelijk dat de pretendent het keizerschap niet passief aangeboden kreeg, maar actief betrokken moet zijn geweest bij de voorbereiding.

Publieke opinie telt Dit betekent niet dat Kaldellis’ interpretatie niet klopt. Zijn verdienste is dat hij een wezenlijk element van de Byzantijnse politieke cultuur weer nadrukkelijk onder de aandacht heeft gebracht. Het politieke bestel was veel minder stabiel dan het traditionele beeld van een star theocratisch keizerschap suggereert. En de burgerij van Constantinopel speelde dikwijls een belangrijke rol bij machtswisselingen. Keizer en hof waren echter wezenlijke factoren in het politieke besluitvormingsproces van de Oost-Romeinse staat ook inzake de troonopvolging. Dit gold ook in het geval van Anastasius. Maar zij dienden daarbij rekening te houden met de publieke opinie. De politieke dynamiek van het Byzantijnse rijk kwam voor een belangrijk deel voort uit dit spanningsveld tussen paleis en volk.

Volkssoevereiniteit in actie? Hoe valt deze politieke cultuur waarin burgers macht hebben, te rijmen met de claim van keizers als Justinianus dat zij regeerden als plaatsvervangers van God op aarde? Deze theocratische ideologie is opgekomen in de tweede helft van de derde eeuw, toen Romeinse keizers elkaar in een hoog tempo afwisselden, steeds door (een deel van) het leger aan de macht gebracht. Keizers waren helemaal niet zo onaantastbaar. Om hun heerschappij te bestendigen probeerden zij het ambt en zijn bekleder van een ‘goddelijk aureool’ te voorzien. Vanaf Constantijn (4de eeuw) was het de christelijke god die de rol van beschermgod kreeg toebedeeld. Met zo’n goddelijk aureool zouden de bevolking

De besproken boeken David Potter, Theodora. Actress, Empress, Saint (Oxford 2016) Oxford University Press, 278 blz., €28,95 Anthony Kaldellis, The Byzantine Republic. People and Power in New Rome (Cambridge/Mass. en Londen 2015) Harvard University Press, 290 blz., €36,95 Hein L. van Dolen, Passie, intriges en politiek. Spraakmakende keizerinnen in Byzantium (Amsterdam 2015) Athenaeum, 176 blz., €12,50 Bert Overbeek is historicus gespecialiseerd in de Oudheid

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

 39


Vrouw achter de toonbank

Kruidenierszaak jaren ’50.

40

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017


W

at is er zo erg aan kleinburgerlijkheid? Aan het begrip kleeft iets benepens. Een kleinburger, zei men vaak, is bekrompen, reactionair, suf en op bespottelijke wijze gesteld op fatsoen. Wie kleinburgerlijk is, is bang voor wat ‘de mensen’ wel van je zullen zeggen, afkerig van vrouwenemancipatie, opkijkend naar boven en bang ‘af te zakken’ naar beneden. Dit was en is het geringschattende oordeel van wetenschappers, journalisten, schrijvers, vakbondsmensen en linkse politici over de kleine burgerij, een vast begrip sinds omstreeks 1880. De laagopgeleide witteboordenwerkers horen erbij, en de kleine middenstand. Deze laatste groep is het onderwerp van mijn boek. Kleine ondernemers werkten met maximaal tien mensen, eigen volk inbegrepen. Ze hadden een bakkerij, slagerij, kruidenierszaak, melkzaak, smederij, timmerwinkel, naaiatelier, tuinderij, boekhoudkantoor-

Kleine ondernemers

Bij de bakker, de melkhandel en de kruidenier, overal stonden vrouwen tussen 1920 en 1970 achter de toonbank. Maar hoeveel werkten er precies in die kleine winkels en bedrijven? Het tekortschieten van de statistiek was een van de problemen waar Tessel Pollmann tegenaan liep toen ze haar boek Liever kleine baas dan grote knecht schreef over deze kleine ondernemers. En wanneer werd het eigenlijk mode om meesmuilend over de slager en de drogist te doen, met hun kleinburgerfatsoen?

tje, kapperszaak of een ander bedrijfje. Hier werkte de man in, maar ook de zoon, de vrouw, de dochter. De kinderen vaak al als ze nog op school zaten.

Grote supermarkten bezorgen weer levensmiddelen aan huis, net als vroeger de kleine winkelier. Foto van bakkersknecht in de Amsterdamse nieuwbouwwijk Slotermeer, uit Het Grote Jaren 50 Boek (www.wbooks.com).

Afgeschreven als revolutionairen

sionele werkliedenvereniging dan van de rode bonden. Maar ook de verdeling van mensen in arbeidersklasse en kleine burgerij kende rafelranden, al kwam het niet goed uit dat te erkennen voor wie belang had bij de klassenstrijd. De arbeidersklasse was helemaal niet zo’n scherp omschreven groep mensen. Vele echtparen leefden van twee inkomens: arbeidsloon én de verdiensten van een kleine onderneming. De vrouw deed overdag het dorpscafé, de man was zandkruier. De vrouw had een werkhuis, de man ventte groenten. De man had in de winter geen werk; zij ging met borstels langs de huizen en tegen Sinterklaas met speculaas. Zulke echtparen waren er vele. Of mensen deden op hun eentje twee dingen: overdag werken bij de boer, ’s avonds in de aardappelenhandel. Of de kruidenierster was ook vroedvrouw, en dan moesten de kinderen de winkel maar even doen.

Wat hadden deze mensen toch verkeerd gedaan dat ze zo smalend werden beschreven? Deels was dit snobisme van de hogere burgerij, maar er was ook een andere reden. De communistische denker Karl Marx (1818-1883) en zijn compagnon Friedrich Engels zetten na de mislukte revolutie van 1848 de arbeiders op een voetstuk: de arbeider was per definitie revolutionair, en alle arbeiders hoorden tot één machtige, solidaire, linkse klasse. Daartegenover zetten ze de kleine burgerij die zich politiek terugtrok of overhelde naar de heersende bezittersklasse. Marx en Engels schreven de kleine burger af wat betreft steun aan de komende revolutie. Deze scherpe scheiding tussen de arbeidersklasse en kleine burgerij was een marxistische constructie, een gedachtespinsel, zeker in Nederland. De unieke, solidaire, hecht vereende, strijdbare felrode arbeidersklasse bestond vast wel in de grote industrieën, maar die had Nederland niet zo veel. En lang niet alle arbeiders waren ‘rood’. Er waren altijd meer arbeiders lid van een confes-

Schreven wetenschappers elkaar over? De arbeiders en de ‘burgerlijke’ kleine ondernemers waren niet altijd van elkaar te onderscheiden. Nu hebben

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

 41


wetenschappers hier oog voor, vroeger veel minder. Het kan heel goed zijn dat onderzoekers en journalisten vroeger nauwelijks kennis hadden van de kleine onderneming en elkaar vlijtig overschreven. Spraken ze, behalve met hun kapper, ooit met de kleine middenstanders? Ik denk van niet. Die schrijvers waren meestal mannen en die hoefden dat ook niet. Boodschappen werden zeker tot in de jaren '60 thuisbezorgd, waar ze werden aangepakt en afgerekend door echtgenote of dienstbode. Gelukkig hebben kleine ondernemers en hun kinderen veel van vroeger verhaald. Heel vaak waren dat onze vaders, moeders, grootouders, ooms, tantes, neven en nichten. Veel levensverhalen van hardwerkende, bekwame zakenvrouwen/ moeders en hun mannen zijn, al dan niet door hun kinderen, opgetekend. Zo schreef Geertje Schipper-Moll een

gen. Mensen halen er herinneringen in op aan het helpen in de zaak van vader en moeder en oudere ondernemers vertellen hun eigen geschiedenis.

Er moest brood op de plank Een opvallende rol speelden de vrouwen. In mijn eigen familie was er overgrootvader Noten, een dagloner. Zijn vrouw had een stalhouderijtje met een of twee huurpaarden. Mijn grootmoeder Anne Maria Noten, geboren in 1878, kon al vroeg paardrijden, maar vooral mennen: het paard werd verhuurd aan welgestelde mensen die wel een koetsje maar geen paard bezaten. Mijn grootmoeder mende het huurpaard; ze was twaalf. Als de dokter in de nacht het platteland op moest om een bevalling te doen,

Er moest brood op de plank, en zij zette een winkel in kachels en gereedschappen op aandoenlijk boekje: 1918-1930. Herinneringen aan mijn jeugdjaren. Ze hielp haar ouders, vanaf haar zevende jaar: ze maakte schoon in werkhuizen, stond in de winkel, ventte met vader op de groentekar, ging met moeder langs de deuren met schuiers en borstels als moeder er al een halve werkdag in de bokkingrokerijen op had zitten. Andere verhalen staan in de tijdschriften en boeken van honderden lokaal-historische verenigin-

42

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

paste het kleine koetsiertje de hele nacht op het paard, buiten. ‘Want, kind, een paardje’ – mijn grootmoeder sprak nooit van paarden, maar alleen van paardjes – ‘mag je behalve in de wei en in de stal nooit alleen laten.’ Anne Maria Noten trouwde met een man die failliet ging. Er moest brood op de plank, en zij zette een winkel in kachels en gereedschappen op. Daar stond ze zelf in, met de meesterknecht, en de

boel draaide als een tierelier. Ze wist wat werken was. Mijn andere overgrootmoeder had een kruidenierszaakje, want het inkomen van haar man, een geschoold textielarbeider, was bescheiden en er waren dertien kinderen. Vanwege zijn scholing en haar winkeltje rekende de familie zich tot de kleine burgerij. De kleine burgerij liet de kinderen tot hun dertiende of veertiende doorleren. Dat ze moesten helpen sprak vanzelf, net zoals de kinderen van de weduwen zonder pensioen die zelf onderneemster werden. Zo begon de betovergrootmoeder van mijn kinderen, de arbeidersweduwe Maria Gall-Wentink, in 1884 de slijterij de Weduwe H. Gall. Haar twee zoons maakten er de solide, maar bescheiden onderneming Gall & Gall van.

Thuis én in het bedrijf onmisbaar Wie een bloeiende zaak had, kon behalve een meisje voor het huishouden (ook veel kleine ondernemers hadden zo’n hulp) een knecht inhuren. In de heel kleine onderneming kon dat niet. Hier stond in de regel de vrouw in de winkel; man of kinderen bezorgden. Zonder bezorging geen klandizie. De vrouw die de winkel deed, stond niet de hele dag op de dichtbij wonende klanten te wachten. Zij deed de administratie, de onderhandelingen met vertegenwoordigers, het aanvullen van de voorraad, het verpakken van wat in bulk werd aangeleverd. Dit alles deed ‘mijn moeder uiteraard,’ zoals een winkelierszoon vertelt. Een


Kleine ondernemers

Streamer

Op al deze foto’s van winkels uit ca 1920, afkomstig uit een fotoalbum uit de collectie van het Rijksmuseum Amsterdam, staan vrouwen achter de toonbank. Zij waren meer dan eens de motor van het bedrijf.

kleine ondernemer trouwde met een vrouw die wist waar ze aan begon: ze moest hem steunen in de zaak, of zelfs, als zij krachtiger was dan hij, de onderneming runnen. Soms werden de vrouwen de drijvende kracht in de onderneming. Bij tuinderszoon Jan Visser, geboren in 1929, was moeder zowel thuis als in het bedrijf onmisbaar. ‘Mijn moeder was wel zakelijk. Zij deed de boekhouding en ze was eigenlijk de motor van het bedrijf. Ik ken die vrouw niet anders dan dat ze aan het werk was. Ze bakte brood, ze waste of ze zat achter de naaimachine. Dan kwamen er gedragen kleren van de vrouw van de dominee en daar werd dan weer wat anders van gemaakt. Ze werkte ook nog in de tuin.’

De cijfers kloppen niet Ik wilde ook weten hoevéél vrouwen samenwerkten met hun man of hem met regelmaat hielpen. Tot 1947 werden ze door het Centraal Bureau voor de Statis-

tiek (CBS) niet apart geteld, maar gerekend tot de zelfstandigen, en die waren niet verdeeld in mannen en vrouwen. Daarna werden ze wel apart geteld, met zonen en dochters samen, als meewerkende gezinsleden. Wie minder dan 15 uur werkte, telde niet mee. De detailhandel zou in 1947 volgens deze telling 71.000 meewerkende vrouwelijke gezinsleden (moeders en dochters) kennen, plus nog een 20.000 in de horeca. Van de toen bijna 4.800.000 Nederlandse vrouwen werkte 26 % in een beroep, dat wil zeggen omstreeks 1,25 miljoen vrouwen. Van hen werkte weer ruim 20 %, bijna 200.000 vrouwen, ook tijdens het huwelijk. Vele vrouwen stopten als het eerste kind kwam, maar de vrouw van de middenstander deed dit niet. Het CBS vertelt alleen niet hoeveel er bleven werken. Gelukkig is er nóg een bron: het Economisch Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf. Dit berekende dat in 1953 bij 55 % van alle winkels en ambachtelijke bedrijven de echtgenote in de zaak meewerkte. In 1950 waren er 380.000 middenstandsbedrijven, dus dan komen we aan weer zo’n 200.000 vrouwen, maar nu vrouwen die bleven werken als er kinderen kwamen. Dat zijn veel meer werkende

vrouwen dan het CBS dacht. Die cijfers kloppen dus niet. Zoals het CBS zelf zegt: ‘De volkstellingen zijn weinig betrouwbaar met betrekking tot de arbeid van (gehuwde) vrouwen.’ Dit roept veel vragen op. Waarom verzamelde het CBS die cijfers niet met meer zorg? Namen de volkstellers die van deur naar deur ging, genoegen met de mededeling van de winkelierster dat ze niet werkte en dus beroeploos was? Ze konden toch zien dat ze werkte? Of deed ze gauw haar schort af als de volksteller kwam? En waarom zou ze het verzwijgen? Omdat werken voor een getrouwde vrouw en/of moeder niet als echt netjes gold? Omdat ze bang was dat er straks loonbelasting of zoiets geheven zou worden? We weten het niet. Het aantal kleine bedrijfjes neemt na 1950 hoe dan ook af, en daarom werken er minder vrouwen in de eigen zaak. Enkele onderzoekers stellen dat ook los daarvan het aantal vrouwen dat met de man samen in de zaak werkt, afneemt. Kwam dit omdat de tijdgeest de moeder opriep meer voor haar kroost te zorgen? Of omdat huishoudelijke hulp schaars en zeer duur geworden was? Er blijven door het ontoereikende cijfermateriaal meer vragen dan antwoorden.

Tessel Pollmann werkte als redacteur bij Vrij Nederland en schreef eerder Mussert & Co. Zij is geassocieerd onderzoeker bij het NIOD. Van haar verscheen najaar 2016 bij Boom Uitgevers Liever kleine baas dan grote knecht. De Nederlandse middenstand 1920-1970.

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

43


Geschiedenis Magazine live | THEMA: Helden Op 10 juni organiseren we in hartje Utrecht Geschiedenis Magazine live. Het wordt een middag boordevol lering én vermaak met Els Kloek (auteur van 1001 vrouwen), Ronald Prud’homme van Reine (biograaf van o.m. Michiel de Ruyter en Maarten en Cornelis Tromp), Jaap Cohen (NIOD) en Henk Slechte (historicus en maker van tentoonstellingen over o.m. koning Willem II). Plus: spraakmakend theater van theatergroep Aluin en natuurlijk kunt u ook kennismaken met de redactie. Het thema van de middag is: Helden.

THEMA: HELDEN Een heldenstatus komt je niet aanwaaien. Een held steekt zijn nek uit, toont moed, brengt offers voor een hoger doel. Helden blinken moreel of militair uit, zijn bereid hun reputatie en soms hun leven te verliezen, hebben lak aan gevestigde meningen of durven machthebbers te trotseren. Voor helden komen er standbeelden, films en musicals. We kennen ze allemaal: middeleeuwse geloofsheldin Jeanne d’Arc. Robin Hood. Kenau Simonsdochter van Hasselaer, die tijdens het beleg van Haarlem de Spanjaarden bestookte met kokende pek. Zeehelden zoals Michiel de Ruyter, verzetshelden en oorlogshelden zoals Jan van Speijk, over wiens ‘nobele zelfmoordaanslag’ u zojuist hebt kunnen lezen. Een held is echter een mens van vlees en bloed. Wie de heldenstatus eenmaal heeft bereikt, heeft niet de garantie dat die eeuwig is. Er komt altijd wel een historicus aan de achterkant van het imago kijken en aan het verguldsel krabben. Dan blijkt er soms een duistere kant aan het verhaal te zitten en vallen vertrouwde helden door de mand en van hun voetstuk. Maar gelukkig hoeven we het niet helemaal zonder helden te doen. Historici vertellen steeds nieuwe verhalen, over bescheiden mannen die ten onrechte vergeten zijn, heroïsche vrouwen die nooit de waardering kregen die ze verdienden. En wat Michiel de Ruyter betreft: wie was eigenlijk de ware zeeheld: hij? Of toch de soldaten en matrozen in het schootsveld die het zware werk deden?

Bestel nu met korting! Voor abonnees: € 19,95 i.p.v. € 25,-

inclusief een rijk gevulde

goodiebag!

zine/helden www.geschiedenismaga

Voor niet-abonnees: € 27,95 i.p.v. € 32,95

inclusief een rijk gevulde

goodiebag!

www.geschiedenismagazine.nl/helden Geschiedenis Magazine live | 4 boeiende sprekers over heldendom Ronald Prudhomme van Reine is een bekend biograaf van zeehelden zoals Michiel de Ruyter, Maarten en Cornelis Tromp en Piet Hein. Hij schreef kortgeleden het verrassende levensverhaal van Jan van Speijk. Jaap Cohen was verbonden aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie NIOD. Hij was onder meer redacteur van de bundel Moedige mensen. Helden in oorlogstijd . Deze wilde tegenwicht bieden aan de huidige neiging de bijdrage van het verzet in de Tweede Wereldoorlog te minimaliseren.

44

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

Henk Slechte is museumspecialist, historicus en publicist. Hij maakte onder andere de tentoonstelling over ‘Willem II Kunstkoning’ in Dordrecht en de Hermitage St. Petersburg en sprak daar over Anna Paulowna en haar verering van de held van Waterloo, haar man koning Willem II. Els Kloek is historica. Ze schreef over allerlei vrouwen, onder andere Kenau. De heldhaftige zakenvrouw uit Haarlem, en publiceerde het prijswinnende boek 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis. Ze werkt aan een vervolg over de 20ste eeuw.


Spionnes

Franse politiefoto van Mata Hari, 1917. Jessie Jordan rond haar arrestatie.

Verraden

Dit jaar gaat het Franse militaire archief open met de stukken van Mata Hari’s proces. Wellicht wordt dan duidelijk of ze in de Eerste Wereldoorlog ten onrechte is geëxecuteerd wegens spionage voor Duitsland, wat sommige mensen denken. Rhodri Jeffreys-Jones vergelijkt Mata Hari met de Schotse Jessie Jordan, die in 1938 gearresteerd werd voor hetzelfde vergrijp. Zij bekende schuld en ging naar de gevangenis. Wat dreef deze vrouwen?

T

oen Mata Hari in 1917 in Vincennes tegenover een Frans executiepeloton stond, weigerde ze een blinddoek. Ze wilde geen hulp en begroette quasi achteloos haar beulen. Volgens één verslag probeerde ze de soldaten af te leiden door haar met bont afgezette mantel op de grond laten glijden, haar prachtige naakte lichaam onthullend. Anderen beweren dat Mata Hari verwachtte op het laatste moment gered te worden door een van haar minnaars. Het meest geloofwaardig zijn de ooggetuigen die beschreven hoe haar door kogels doorzeefde lijf neerplofte alvorens ze volgens protocol een schot door het hoofd kreeg van de bevelvoerend officier.

Mata Hari, in 1876 in Leeuwarden geboren als Margaretha Zelle, is en was ’s werelds beroemdste spion, afgezien misschien van de (fictieve) James Bond. Ze toerde sinds het begin van de eeuw langs Europese steden als exotische danseres en liet zich als chique prostituee onderhouden. Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren er officieren van het Duitse én Franse kamp onder haar betalende minnaars; de Franse minister van Oorlog was één van hen. De Britten en Fransen vonden het verdacht dat deze courtisane zoveel naar Berlijn ging: ze moest wel een Duitse spionne zijn. Bij ondervraging door de Britten hield ze vol dat ze voor haar werk reisde en dat ze als geheim agente voor de Franse geheime dienst werkte. In februari 1917 betrapten

de Fransen haar naar eigen zeggen op spionage voor de Duitsers. Ze werd veroordeeld voor hoogverraad en ter dood gebracht. Toen werd de mythe van Mata Hari geboren. Verhalen gingen dat ze eigenlijk een Javaanse prinses was met een passiemoord op haar geweten, dat ze een onschuldig slachtoffer was of juist een dubbelspion. Romans, films en andere media verbreidden haar mysterieuze faam. Greta Garbo vertolkte haar in 1931 in de eerste biopic als femme fatale en dat bleef lang het beeld. Mata Hari hield de gemoederen bezig en dit maakt het moeilijk om tot een onthecht oordeel te komen, maar ze verdient wel degelijk serieuze studie als spion en als vrouw met haar eigen motieven.

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

 45


Mata Hari in Parijs als danseres (1905) en op de renbaan (1911). Collectie Fries Museum.

Geen schuldeloze martelaar De eerste vraag is dan: was Zelle werkelijk een spion? De Britse geheime dienst ondervroeg haar tweemaal maar liet haar beide keren vrij. Het dossier over Mata Hari in de National Archives bevat geen belastend bewijs. Basil Thompson, haar ondervrager bij Scotland Yard, zei alleen later nogal slap dat hij ‘dacht’ dat ze voor de Duitsers spioneerde, maar niet tegen het Verenigd Koninkrijk. Wat vreemd is, want dan hadden de Britten haar aan hun bondgenoot Frankrijk moeten uitleveren. Mata Hari’s eerste serieuze biograaf, Sam Wagenaar, die meegewerkt had aan de film met Greta Garbo en gefascineerd

46

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

was geraakt door het onderwerp, beweerde in zijn boek Sie nannte sich Mata Hari (1964) dat ze geen Duitse spion was. Mata Hari zelf zei aan Thompson dat ze spioneerde voor de Fransen. Als ze een imago cultiveerde voor het nageslacht, dan was het zeker niet dat van een schuldeloze martelaar. De tweede vraag: was ze een competente spion? Basil Thomson was er slechts één in een rij van Engelse inlichtingenofficieren die dachten dat dit überhaupt onmogelijk was. ‘Het is geen geringschatting van het vrouwelijk geslacht als ik zeg dat vrouwen geen goede spionnen zijn,’ schreef hij in zijn memoires Queer People (1922). Opmerkelijk is wel dat

hij een paar zinnen verderop vertelt dat Mata Hari van alle mensen die hij als contraspionagespecialist gesproken had, het snedigst reageerde. Heeft ze deze ondervrager soms onder haar betovering gebracht en zo om de tuin geleid? Was ze beter dan hij dacht? Hoewel Mata Hari bij het proces werd neergezet als een onbeholpen vrouwtje, hielden haar Franse vervolgers haar verantwoordelijk voor de dood van 50.000 man – sommige historici spreken zelfs over 200.000. Die aantallen lijken echter absurd. Wellicht was die beschuldiging een poging de aandacht af te leiden van de werkelijke oorzaak van de slachtingen in de loopgraven: de incompetentie van de militaire leiders. Het is het meest waarschijnlijk dat Mata Hari geld aannam van zowel Fransen als Duitsers voor 'pillow talk'. Maar of ze echt spioneerde voor de Duitsers? Een Duitse cheque aan haar, te betalen via een Franse bank, diende als sleutelbewijs tijdens het proces in 1917. Maar daar zit een luchtje aan.


Spionage gaf een kick Ten derde: waarom werd een vrouw uit de middenklasse van Leeuwarden spion? We weten het niet precies, maar er valt voldoende te speculeren. Haar achtergrond gaf haar een gevoel van vervreemding (zie kader). Al op jonge leeftijd op eigen benen moest ze zich zien te redden als alleenstaande moeder in Parijs. Ze moet het idee gehad hebben dat ze niemand iets verschuldigd was. Het populaire beeld is van de verleidster die mannen uitbuit, maar we moeten niet vergeten dat de belangrijke mannen in haar leven, haar vader en haar echtgenoot, haar lelijk in de steek lieten. Het ene verraad kan het andere uitlokken. En ten slotte: Mata Hari was gesteld op het exotische, op sluike oosterse kleding en buitenissige

sieraden, sierlijke ‘hindoe’-dansen, het esthetische leven van de courtisane. Ze was verslaafd aan spanning en spionage gaf waarschijnlijk een kick.

Een Schotse in Hamburg Bij Jessie Jordan is er geen twijfel: zij was zeker een spion. Ze werd geboren in 1887 in het Schotse Glasgow en hier groeide ze

en stuurde die door naar Hamburg. Dit was vlak voor de Tweede Wereldoorlog en het ging niet om triviale zaken. Hitler stond op het punt Tsjechoslowakije binnen te vallen. In de Verenigde Staten hadden de Duitsers een belangrijk spionagenetwerk dat grote hoeveelheden gevoelige geheime militaire gegevens doorseinde over de Amerikanen, zoals

spionnes

De Duitsers stuurden haar een brief met een verwijzing naar de cheque, terwijl ze wisten dat de Franse geheime dienst die zou onderscheppen. Het is heel goed denkbaar dat de Duitsers wilden dat Mata Hari gearresteerd werd en terechtgesteld als spion, omdat ze haar uit de weg wilden hebben. Mata Hari werd hun te gevaarlijk omdat ze spioneerde voor Frankrijk. En dat is ook wat ze zelf heeft toegegeven in haar ondervragingen bij Scotland Yard.

Jordans kapsalon in Dundee werd een 'postbus': ze ontving er brieven van Duitse agenten in Praag en New York en stuurde die door naar Hamburg ook op, een meisje uit de arbeidersklasse met Noord-Ierse voorouders. Ze trouwde in 1912 met een Duitse ober, Frederick Jordan, waardoor zij ook de Duitse nationaliteit kreeg. Hij sneuvelde in de Eerste Wereldoorlog, zij leefde in de jaren ’20 en ’30 in Hamburg, waar het hoofdkwartier was van de Abwehr, de Duitse buitenlandse inlichtingendienst. Ze hertrouwde, met Fredericks neef, maar in 1937 kwam ze gescheiden naar Schotland terug, als spion voor de Abwehr. Ze was kapster en schoonheidsspecialiste en haar salon in Dundee werd een postbus voor de Duitsers: ze ontving er brieven van Duitse agenten in Praag en New York

ontwerpen van bommenrichters. Jordan stuurde de Abwehr ook zelfverzamelde informatie over de Engelse legerbasis in Aldershot en de marinebasis in het Schotse Rosyth.

Mediacircus De Britse contraspionagedienst MI5 had Jessie Jordan in de gaten en tipte de Amerikanen, die in New York de Duitse spion Günther Rumrich arresteerden. FBI-agent Leon Turrou wist zeventien trawanten van Rumrich te achterhalen. De kranten wemelden van de sensationele berichten en de sfeer werd nog verhitter toen veertien aangeklaagde

Tentoonstelling Mata Hari

De in 1876 geboren Margaretha Geertruida Zelle – haar vader had een hoedenwinkel in Leeuwarden – kende veel tegenslag in haar jeugd. De winkel ging failliet, haar ouders scheidden, haar moeder stierf jong waardoor de jonge Gretha haar jeugd op logeeradressen doorbracht. Toen haar vader hertrouwde, nam hij zijn dochter niet in huis. Rudolph MacLeod, de man met wie ze in 1895 trouwde, was een alcoholist. Wellicht stoelt zijn negatieve imago deels op een boek dat Zelles vader in 1906 schreef (hij wilde een slaatje slaan uit haar faam). Op zeker moment werd Zelle zich bewust van haar immense seksuele aantrekkingskracht en die maakte ze te gelde. Tijdens een verblijf in Nederlands-Indië ontwikkelde ze haar podiumpersoonlijkheid: een exotische danseres genaamd Mata Hari, Oog van de Dageraad in het Maleis. Ze keerde in 1902, gescheiden van tafel en bed, terug naar Europa met haar enige kind – het andere was al vroeg gestorven. Ze bouwde vanaf 1905 een reputatie op met haar ‘oosterse dansen’ in pikante kleding dan wel min of meer naakt, eerst in Parijs, later ook in andere steden. Ze liet zich onderhouden door verschillende mannen, tijdens de Eerste Wereldoorlog zowel Franse als Duitse officieren, waarmee ze de verdenking van spionage op zich laadde. In de zomer van 1917 is ze veroordeeld en op 15 oktober stierf ze voor het vuurpeloton. Het Fries Museum heeft van 14 oktober 2017 t/m 2 april 2018 een tentoonstelling over Mata Hari. Wilhelminaplein Leeuwarden, www.friesmuseum.nl Mata Hari in Milaan, 1911/1912, Collectie Fries Museum, Leeuwarden.

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

47


spionnen naar Duitsland vluchtten. Dit betekende het einde van de Amerikaanse neutraliteit. President Franklin D. Roosevelts regering begon het land voor te bereiden op oorlog. Jordan was een betrekkelijk klein radertje in de Duitse oorlogsmachine, maar haar bijdrage aan de geschiedenis was aanzienlijk. Hoewel Jordans activiteiten bekend waren, aarzelde MI5 haar te laten arresteren. Liever hield de dienst de zaak stil om de Abwehr in onzekerheid te houden over wat de Britten precies wisten. De media-aandacht in de Verenigde Staten gooide echter roet in het eten en in maart 1938 werd ze opgepakt. Er werden plannen gemaakt voor een soortgelijk mediacircus in Edinburgh. Er stond een proces met camera’s erbij op stapel, er waren 50 getuigen opgetrommeld en honderden bewijsstukken waren gereed, waaronder foto’s van vijfpondsbiljetten waarmee Jordan betaald werd voor haar diensten. Maar het proces werd afgelast: in ruil voor haar bekentenis kwam ze er met

48

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

Foto van het dossier over Jessie Jordan in The National Archives (TNA) in Londen. Onderaan Jessie Jordan zelf in 1938, bovenaan Jessie Jordans dochter Marga met haar Duitse echtgenoot. Ze kreeg geen werk meer als operazangeres toen ze niet kon bewijzen dat ze van moederszijde ‘Arisch’ was.

Geallieerd affiche uit de Tweede Wereldoorlog tegen Duitse spionnen. De Duitse spionage was minder knullig dan de Britten lang geloofden. Op de foto: Duitse soldaat luistert in 1939 buitenlandse radio-uitzendingen af voor de Abwehr in 1939.

gevangenisstraf vanaf. Vlak na de oorlog werd ze gedeporteerd naar Duitsland waar ze in 1954 in Hamburg overleed.

omdat ze een vrouw was maar vanwege patriottische vooringenomenheid. De Britten hebben altijd de neiging gehad om hun eigen inlichtingendiensten en -personeel op te hemelen en de Duitse spionnen als incompetent weg te zetten. Ook de Amerikanen deden dat. Hoe meer historici echter te weten komen over de Duitse inlichtingendiensten, des ongeloofwaardiger die oude beeldvorming uit de koker van hun tegenstanders wordt. Neem de kring rond Rumrich in New York: het lukte de meeste sleutelfiguren om naar Duitsland te ontkomen en vervolging te ontlopen. De Duitse spionage ging er voorlopig dan ook gewoon door. Waarom spioneerde Jessie Jordan? Niet omdat ze de nazi-idealen deelde. Waar-

Amateur, maar niet irrelevant De beide spionnes verschilden. Mata man die haar het meest ondervroeg voor MI5, contraspionagespecialist Hinchley Cooke, beschreef Jordan als amateur. Hij had grotendeels gelijk. De man die haar het meest ondervroeg voor MI5, contraspionagespecialist Hinchley Cooke, beschreef Jordan als amateur. Hij had grotendeels gelijk. Net als Zelle was Jordan een agent, geen getrainde inlichtingenofficier. Jordan is echter in het verleden al te gemakkelijk terzijde geschoven als irrelevant – niet zozeer


halverwege de jaren ’30 in Hamburg toen de klandizie voor haar salon terugliep; ze had eerder veel Joden als klant. Beiden hadden in hun leven een verstikkende episode gekend en verwelkomden een vleugje vrijheid en ook een dosis spanning. Jessie Jordan was voor zover nu bekend een serieuzere spion dan de frivole Mata Hari. Jordan wilde wel graag beroemd worden: ze verwerkte in 1938 haar levensverhaal in feuilletonvorm voor de populaire krant Sunday Mail. Hierin schreef ze onomwonden dat ze spioneerde uit zucht naar avontuur.

Protesten in de gevangenis Het bulletin met de terdoodveroordeling van Margaretha Zelle. Of die terecht was, zal dit jaar blijken als de archieven opengaan.

Nog een overeenkomst: mannen wisten zich met hen geen raad. In die zin waren ze feministen. Beiden protesteerden in

de gevangenis tegen de manier waarop zij en hun vrouwelijke medegevangenen behandeld werden. Mata Hari zat in Saint-Lazare, waar ze de dood in het gezicht keek maar evengoed haar beklag deed dat het bestaan daar ‘verloederd, vuil en vernederend’ was: de vrouwen kregen geen schone kleren, er was geen goede badkamer en brieven schrijven of ontvangen was verboden. Jessie Jordan klaagde 22 jaar later in de gevangenis van Aberdeen over vocht en kou en dat vrouwen het er slechter hadden dan mannen. Hoewel ze zich volgens een officieel rapport uitstekend gedroeg, had ze er met de bekende verwachtingspatronen jegens vrouwen te kampen. De gevangenisdirecteur vond haar ‘brutaal’ en een ambtenaar laakte haar ‘bedriegersmentaliteit en berekenende aard’. Opvallend is ten slotte dat geen van tweeën een gevoel van nationale loyaliteit bezat. Jordans advocaat zei in zijn pleidooi voor strafvermindering dat zijn cliënte het gevoel had alsof ze geen enkel land toebehoorde. We kunnen dit vrij gemakkelijk wegredeneren: Jessie Jordan was als Ierse het product van de getroebleerde geschiedenis van het Britse rijk en had door haar huwelijken ook wortels in Duitsland. Mata Hari spioneerde niet tegen haar geboorteland – dus is het geen kwestie van ontbrekende vaderlandsliefde. Maar is dat alles? Of waren zij misschien voorlopers van onze moderne tijd met grotere transnationale verbanden? Zeker is dat we niet hun ‘gebrek aan patriottisme’ kunnen veroordelen en tegelijkertijd de globalisering omarmen. * Vertaling: Geschiedenis Magazine.

spionnes

schijnlijk speelde er ongeveer hetzelfde als bij Mata Hari: mannen hadden haar in de steek gelaten. Haar vader reageerde op het nieuws van haar geboorte door naar Amerika te vertrekken. Haar eerste man correspondeerde met een minnares toen hij aan het westelijk front zat in de oorlog; Jessie ontdekte de brieven. Haar tweede man was haar evenmin trouw. Zij kreeg het gevoel zelf ook niemand en niets trouw verschuldigd te zijn. Wat Jordan ook met Mata Hari gemeen had: beide vrouwen waren alleenstaande moeders die een inkomen nodig hadden. De geldproblemen van Jordan begonnen

Rhodri Jeffreys-Jones was verbonden aan de University of Edinburgh. Hij is gespecialiseerd in de geschiedenis van spionage en inlichtingendiensten en publiceert in april 2017 We Know All About You: The Story of Surveillance in Britain and America (Oxford University Press). Hij schreef dit artikel speciaal voor Geschiedenis Magazine.

Verder lezen

 Marijke Huisman, Mata Hari. De levende legende, Verloren, 1998

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

49


Pierre Wind

FOTO: MINISTERIE VAN BEELD

FOTO: SJOERD GEUKE

dr. Mathijs Bouman

FOTO: SUITABLE IMAGES

FOTO: JORGEN CARIS

Ylva Poelman

prof. dr. Victor Lamme

prof. dr. Herman Pleij

Anne-Marie Rakhorst

FOTO: ROY BEUSKER

FOTO: WALTER KALLENBACH

Inspirerende sprekers en dagvoorzitters boekt u bij Europa’s grootste sprekersinstituut

speakersacademy.nl | 010-4333322

prof. dr. Dick Swaab

prof. dr. Jan Peter Balkenende

FOTO: DANNY SCHWARZ

dr. André Kuipers

FOTO: WALTER KALLENBACH

FOTO: SPEAKERS ACADEMY® - WALTER KALLENBACH

FOTO: MET DANK AAN PATRICK VAN VEEN

FOTO: STEPHAN VANFLETEREN

FOTO: SPEAKERS ACADEMY® - WALTER KALLENBACH

Arjan Postma

FOTO: YPE DRIESSEN

FOTO: JORIS DEN BLAAUWEN

FOTO: NICK VAN ORMONDT

drs. Femke Halsema

FOTO: SUITABLE IMAGES

Diederik Jekel

drs. Patrick van Veen

FOTO: SUITABLE IMAGES

FOTO: CHARLOTTE HEMMENS

dr. Bernard Bot

FOTO: EVERT-JAN DANIELS

FOTO: MET DANK AAN ERIK SCHERDER FOTO: MET DANK AAN MIDAS DEKKERS

FOTO: HEIDI DE GIER

prof. dr. Vincent Icke Helga van Leur

FOTO: MET DANK AAN ANNE-MARIE RAKHORST

Vivianne Bendermacher

FOTO: KAREN SCHEFFENS

dr. ir. Koert van Mensvoort Midas Dekkers

FOTO: SPEAKERS ACADEMY® - WALTER KALLENBACH

prof. dr. Maarten van Rossem FOTO: SUITABLE IMAGES

prof. dr. Bas Haring

FOTO: JEROEN BROEKMANS

prof. dr. Erik Scherder prof. dr. ir. Mathieu Weggeman

prof. dr. Damiaan Denys

Charles Groenhuijsen

Pedro De Bruyckere

prof. dr. ir. Ionica Smeets

ir. Thomas Rau


GENGHIS KHAN VEROVERT NEDERLAND

VANAF EIND FEBRUARI 2017


Hoe stierf de laatste Batakkoning? Wat is er precies gebeurd in Indonesië? Foto’s en verhalen van ooggetuigen vormen een belangrijke bron om de waarheid te achterhalen over de onafhankelijkheidsstrijd na 1945. Dit is ook zo bij een veel vroeger geval: de dood van een verzetsleider van de Bataks op Sumatra in 1907. Is hij in koelen bloede vermoord door de koloniale marechaussee? Het was lang een cold case. John Klein Nagelvoort ontdekte een ontbrekend puzzelstukje.

Militairen van het KNIL bezetten een Batakdorp in juni 1906. Op de voorgrond dwangarbeiders met hun last. Inzet rechts: kapitein Christoffel, 1907. Foto Museum Bronbeek.

52

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017


De achtergrond: Bataks in opstand

De Bataks woonden verdeeld in clans op noordelijk Sumatra. De groepen rond het Tobameer sloten zich pas aaneen toen

door Duitse zendelingen verspreid werd, kregen de Bataks een gemeenschappelijke vijand. In 1883 kwam het tot een opstand. Ruim 9000 Toba-Bataks verzetten zich met geweld tegen de indringers. Alles wat westers was ging in rook op. Ook kampongs die tot het christendom waren bekeerd, moesten het ontgelden. Dit lokte een vier maanden durende strafexpeditie uit en een klopjacht om de man te vinden die het Nederlandse gouvernement als rebellenleider beschouwde. Dit was Ompoe Pulo Batu, de in 1849 geboren koning van de Bataks. Hij gold voor zijn volk als heilige. Door de sfeer van mystiek die om hem heen hing en zijn hiërarchische positie in de lijn van de offerpriesters, kreeg hij in de westerse wereld de benaming priestervorst. Zijn eigen volk noemde hem de Leeuwenvorst, Si Singamangaraja. Hij wist te ontkomen, maar zijn residentie Bakara ten zuidwesten van het Tobameer werd door het Koninklijk NederlandschIndisch Leger KNIL ‘getuchtigd’: geheel verwoest.

2

ze zich bedreigd voelden. Dit gebeurde eind 19de eeuw: met het steeds verder opdringen van het Nederlandse koloniale gouvernement en de groeiende invloed van het christendom, dat vooral Er bestaan geen afbeeldingen van de Leeuwenvorst. Wel bewaart het Nationaal Museum van Wereldculturen Amsterdam een zeldzame brief van hem in de Batakse taal, met zijn zegel (op p. 52 afgebeeld). Hij is gericht aan de heer ‘overste generaal, leider van de oorlog van de kompenie’. De Batakse vorst bezweert hem, te stoppen met zijn agressie en het gebied van de Bataks te verlaten omdat hem is toegezegd dat er geen oorlog komt: ‘De brief is aan u gericht omdat u oorlog voert in het land van de Bataks en mijn onderdanen gevangen heeft genomen. Maar ik heb ook woorden ontvangen van de grote heer van Medan en de resident van Tampanoeli en van de controleur, zij zeggen geen oorlog te zullen voeren tegen mij en degene waar ik over regeer.’ De brief is gedateerd 3 november, drie jaar voor het fatale treffen met de marechaussee.

De reactie van de koloniale overheid

De Leeuwenvorst bleef ondanks nieuwe zoektochten jarenlang onvindbaar, al ging er onder andere in 1904 onder leiding van overste G.C.E. van Daalen een golf van geweld door de Gajo-, Alas- en Bataklanden om het verzet daar te smoren. Al die expedities veroorzaakten wel veel onrust onder de Bataks. Op 1 maart 1907 deed de plaatselijke Nederlandse bestuurder, de assistent-resident der Bataklanden, dan ook een oproep aan het gouvernement in Batavia om nu eens effectief in te grijpen: ‘De buitengewone toestand eischt daarom buitengewone maatregelen: tydelijke verwydering van alle ongewenste elementen en de beschikbaarstelling van eenige flinke marechaussee onder een beproefde aanvoerder b.v. de kapitein Christoffel, aan wien zooveel mogelyk de vrye hand moet worden gelaten (...).’ Christoffel, een doorgewinterde officier van de marechaussee die met Van Daalen in de Bataklanden was geweest, ging inderdaad op zoek naar de schuilplaats van Si Singamangaraja. Hij had vier marechausseebrigades bij zich – geen halve maatregelen. Het uiterste werd van de troepen gevraagd in de ruim

Batakkoning

1

tweeënhalve maand durende expeditie door hoge bergen en dichte oerwouden. Ze wisten de vorst te vinden. Bij een eerste treffen werd onder anderen zijn zoon ‘onschadelijk gemaakt’. Op 17 juni 1907 kwam de overval op zijn schuilplaats. Si Singamangaraja vluchtte weg, werd in het ravijn ingehaald, omsingeld door vier marechaussees en doodgeschoten. Zijn lichaam werd naar de markt van het plaatsje Balige gebracht. Zo kon de bevolking zien dat hun vorst was omgekomen en dat verder verzet zinloos was.

3

Was het zelfverdeding?

Van twee van de vier aanwezige marechaussees is meer bekend. Zij zijn later onderscheiden voor hun aandeel in het vinden en onschadelijk maken van de Leeuwenvorst en zijn zoon. De Ambonese marechaussee Adranoes Lohij, sinds 1896 in dienst, toonde toen volgens de toelichting bij het koninklijk besluit van 7 maart 1908, No 55 dat hem de Militaire Willemsorde verleende, ‘grooten moed, veel beleid, voortvarendheid en trouwe plichtbetrachting’. Johannes Rotikan maakte in 1907 net als Adranoes al enkele jaren deel uit van het korps marechaussee en was door de Atjehoorlog inmiddels een geharde militair. Rotikan werd in 1908 eveneens benoemd tot ridder in de Militaire Willemsorde 4e klasse. De inschrijving in het register vermeldt dat hij zich had onderscheiden op 17 juni 1907: ‘Overval van eene schuilplaats van Si Singamangaradja nabij Pea Radja. Blijken te geven van buitengewoon moed door den priestervorst Si Singamangaradja met behulp van 3 andere marechaussees te omsingelen, onversaagd stand te houden, toen de vorst hem met een rentjong [steekwapen] onverwacht aanviel en dezen daarop kalm neer te schieten.’ Dit relaas komt grotendeels overeen met wat de eerste-luitenant J.H. van Temmen in zijn dagboek vermeldt. Delen hieruit zijn in 1944 geciteerd in een artikel over het sneuvelen van Si Singamangaraja in het Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap. Van Temmen maakte de expeditie in 1907 mee als ondercommandant. Hij beschrijft hoe één marechaussee de vorst inhaalt en hem toeroept: ‘tarok rentjong, tarok rentjong’, dat wil zeggen dat de ma-

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

53


rechaussee hem beval ‘de rentjong neer te leggen’. Dat er geschoten is, kortom, was zelfverdediging.

4

Waren er meer ooggetuigen?

Het Tijdschrift citeert echter ook een andere ooggetuige: Rinsan, de oudste dochter van Si Singamangaraja en de nicht van de schrijver van het artikel, Radja Tempoebolon. Haar verhaal staat haaks op de officiële versie. Ze was net als haar vader op de vlucht geslagen toen de overval begon. Ze liep een aantal meters voor hem uit, totdat het bevel klonk te blijven staan. Ze keek om en besefte dat dit commando niet voor haar was bedoeld, maar voor haar vader. Rinsan hoorde haar vader zeggen ‘Ahoe Si Singa Mangaraja’ (ik ben Si Singamangaraja). Een marechaussee riep ‘tarik rentjong, tarik rentjong’ (trek je wapen uit, trek je wapen uit). Haar vader herhaalde ‘Ahoe Si Singa Mangaraja’. Daarna hoorde Rinsan slechts geknal en geschreeuw. Toen ze zich terug haastte, zag ze een militair met een lange snor die haar levenloze vader fouilleerde. Ze begreep niet dat haar vader, die zich wilde overgeven, toch werd neergeschoten.

5

Een onthullende foto

Na 1907 verdween de hele affaire uit het zicht. Ook in de literatuur over Atjeh en de marechaussee wordt de dood van de mystieke vorst niet genoemd. Het lijkt op een doofpot. Was het zelfverdediging of werd de Leeuwenvorst in koelen

54

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

De grote foto is kortgeleden ontdekt door de auteur. Op de achterste rij, tweede van rechts, staat Adranoes Lohij. Foto’s Universiteitsbibliotheek Leiden, KITLV. Op de onderste foto ontbreekt hij. Rechtsboven: een foto van hem uit 1914, met zijn onderscheidingen.

bloede ‘neergelegd’ zoals dat heette in de Atjehoorlog? Dat kapitein Christoffel voor deze ‘klus’ is ingezet doet het laatste vermoeden, maar hij heeft zijn persoonlijke aantekeningen verbrand. Wat ook in de richting van een bewuste moord wijst, en wat tot nu toe altijd over het hoofd werd gezien, is het feit dat twee marechaussees hiervoor beloond zijn met een Willemsorde, én dat er blijkbaar nog twee andere marechaussees bij waren. Het was min of meer een overmacht. Si Singamangaraja maakte geen kans. Er zijn allerlei hypothesen te bedenken over de ware toedracht, maar er is ook nog een foto. Bij het artikel in het genoemd tijdschrift stond een foto die beschikbaar was gesteld uit de collectie van controleur W.K.H. Ypes. Deze Nederlandse bestuurder in Batakgebied nam deel aan de expeditie van Christoffel. De foto is gemaakt in de week na de dood van de ‘priestervorst’. Centraal zit

een oude vrouw – zijn moeder – in een rotanstoel, rechts en links van haar zijn voornaamste vrouwen en de rest van zijn naaste familieleden. Op de achtergrond militairen van het korps marechaussee. Dergelijke foto’s zijn veel vaker geschoten: ze tonen overwinning en golden later als het toonbeeld van het Nederlands kolonialisme. Een bijna identieke foto van Ypes die tot voor kort in het archief een verborgen bestaan leidde, vertoont echter een interessant detail dat op de andere foto ontbreekt. Hier staat namelijk Adranoes Lohij op, een van de marechaussees die later geridderd zijn. Hoe moeten we dit uitleggen? Deze foto toont dus de marechaussee die volgens ooggetuigen en het register van de Militaire Willemsorde medeverantwoordelijk was voor de dood van de verzetsman en zijn zoon. Moest hij voor de officiële versie toch snel uit beeld, net als de andere leidinggevende personen van deze actie? Zeer waarschijnlijk moest de gepubliceerde foto het officiële verhaal weergeven: de ‘priestervorst’ was gesneuveld omdat hij weigerde zich over te geven en hiervoor waren geen individuele militairen aansprakelijk. Honderd procent zekerheid is er niet over hoe de laatste Batakkoning stierf. Voor de bevolking van Midden-Sumatra leeft zijn geest in elk geval voort.

John Klein Nagelvoort is verbonden aan Museum Bronbeek in Arnhem.

Verder lezen

 Harm Stevens, De Laatste Batakkoning, koloniale kroniek in documenten 1883-1911, Museum Bronbeek, 2008


Alphen aan den Rijn, wereldstad aan de Limes

We komen terug!

Van nov. t/m maart ieder weekeinde open kijk op:

www.archeon.nl

De Zwammerdamschepen

Aankomst op het Rijnplein De Romeinse schepen zijn tussen 1971 en 1974 opgegraven in Zwammerdam. Er zijn drie boomstamkano’s en drie platbodems gevonden. De kano’s zijn vissersboten, twee van de drie platbodems zijn voor het vervoer van goederen en de laatste is waarschijnlijk een veerboot. De langste is de Zwammerdam 6 en is 36 meter lang. Een replica is in Archeon te zien. De echte 1700 jaar oude vis kanoligt in de Villa Rijswijk in Archeon Onze voormalige Koningin Juliana is twee maal naar de opgraving komen kijken.

Gratis naar Archeon met de museumkaart Of 50% korting als vriend van Archeon

ED ROME

R

WE

SE LIMES

RELDER

GO

IN

F

De Schepen worden de komende tijd gerestaureerd en zullen dan tentoongesteld worden in een nieuw museum in Archeon Nl. Nationaal Romeins Scheepvaart Museum.

OP

De Reformatie

r Voo

,95 € 4v.9€ 69,95 i.p.

Breuk in de Europese geschiedenis en cultuur

Rijk geïllustreerde geschiedenis van de Reformatie door vijftien Nederlandse en Vlaamse vooraanstaande kerk- en cultuurhistorici. De Reformatie. Breuk in de Europese geschiedenis en cultuur verschijnt in mei 2017. Indien u nú bestelt, profiteert u van de speciale prijs van € 49,95. Vanaf 1 januari 2018 wordt de prijs van het boek € 69,95. U bestelt door deze bon op te sturen naar: • Walburg Pers, Antwoordnummer 87, 7200 VB Zutphen of • door te mailen naar: verkoop@walburgpers.nl.

M NAAM ADRES POSTCODE

PLAATS

V

W EG N A

A


BOEKEN

De Reformatie Tim Dowley, Atlas van de Reformatie in Europa (Utrecht 2016), Kok, 160 blz., €19,99 Hoe kun je de verspreiding, betekenis en omvang van de Reformatie goed uitleggen? Het gebeurt vaak in lijvige boeken vol tekst, met hier en daar een afbeelding Dit is niet zo vreemd, de Reformatie betekende een (her)waardering voor het woord in het bijzonder. De Atlas van de Reformatie in Europa kiest voor een andere methode: de schrijver Tim Dowley neemt de lezer langs 60 gedetailleerde kaarten met uitgebreide, duidelijke legenda’s mee naar de tijd van het Grote Schisma, de Reformatie en haar verspreiding tot en met het begin van deze religieuze revolutie in Nederland. Een prachtig geïllustreerd boek dat de omvang en invloed van de Reformatie in heel Europa in beeld brengt.

Lyndal Roper, Luther, Een biografie (Amsterdam 2016) Ambo Anthos, 556 blz., €39,99 De meeste biografieën van Luther zijn geschreven door kerkhistorici en besteden vooral aandacht aan zijn betekenis voor de Reformatie. Lyndal Roper vormt hierop een uitzondering. Ze is religiehistoricus en kiest er in haar levensbeschrijving van Luther bewust voor om niet zijn theologische ontwikkeling tot in detail te traceren. Ze beschrijft de actieve kerkhervormer aan de hand van zijn individuele ontwikkeling en zijn persoonlijke relaties. Waarom kreeg hij bijvoorbeeld keer op keer ruzie met diegenen met wie hij het nauwst had samengewerkt? Zoals Roper zelf zegt: ‘Het waren Luthers levendige vriendschappen en vijandschappen die mij ervan overtuigden dat men hem moest proberen te begrijpen vanuit zijn relaties met anderen en niet als de eenzame held van de reformatorische mythe.’

Herman J. Selderhuis, Luther. Een mens zoekt God (Apeldoorn 2016), De Banier, 336 blz., €24,99 Hoogleraar kerkgeschiedenis Selderhuis schreef de eerste Nederlandse Lutherbiografie sinds lange tijd. De titel verklapt al de insteek van zijn boek: de mens Luther laten zien die worstelt en zoekt. Net als bij de biografie van Roper ligt de nadruk niet op Luthers theologische ontwikkeling. Selderhuis schildert de hervormer (chronologisch) af in tien verschillende ‘rollen’: Luther als kind, later als student en weer later bijvoorbeeld als exegeet, reformator en vader. Daarbij laat hij vaak Luther zelf aan

56

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

Francis Boer het woord. Hij citeert uit zijn briefwisselingen, Tafelgesprekken en bekendste boeken. Selderhuis heeft gekozen voor een biografie die toegankelijk is voor een breed publiek, maar de lezer ook ‘bepaalt bij de wezenlijke vragen van het leven’. Luthers antwoorden op deze vragen zijn relevant voor een hedendaagse gelovige, daar is de schrijver van overtuigd.

Andrew Pettegree, Het merk Luther (Amsterdam 2016), Atlas Contact, 432 blz., €29,99 Hoe kon 500 jaar geleden, toen de communicatielijnen totaal anders waren dan nu, een theologisch geschil uitgroeien tot een enorme publieke kwestie waarin zowel geestelijken als leken betrokken werden? Dat is de vraag die in dit boek centraal staat. Binnen vijf jaar nadat Luther de 95 stellingen op schrift had gesteld was hij de meest gepubliceerde auteur die Europa tot dan toe gekend had. Pettegree geeft niet een levensbeschrijving van de hervormer maar onderzoekt hoe een monnik en hoogleraar aan een kleine, onbetekenende universiteit de beroemdste man van Europa werd. Zijn machtige vrienden en tegenstanders komen uitvoerig aan bod, maar ook de aflatenhandel die aanleiding vormde tot de religieuze revolutie, evenals de vorming van de protestantse kerk.

Huib Leeuwenberg e.a., red, De Reformatie (Zutphen 2017), Walburg Pers (verschijnt april) Vijftien kerk- en cultuurhistorici behandelen in dit overzichtswerk de Reformatie en haar gevolgen. Er is een duidelijke nadruk op de Reformatie in de Lage Landen, met daarnaast aandacht voor de aanleidingen tot de Reformatie en haar belangrijkste voorgangers, de verschillende (godsdienst)twisten en -oorlogen en voor de vervolging van ketters. De leer van Luther zowel als Calvijn wordt besproken; de samenstellers gingen een controversieel onderwerp als ‘lutheranisme en de joden’ niet uit de weg. Veel kunsthistorische thema’s komen ook aan bod, zoals muziek in de 16de eeuw, spotprenten als wapen en de beeldende kunst in de Nederlandse 16de eeuw. Al met al een rijk boek, dat een genuanceerd, toegankelijk beeld biedt van een gecompliceerd tijdperk.

Websites www.luther2017.de www.lutheranreformation.org www.refo500.nl/calendars/62/de-reformatie.html

Francis Boer is bureauredacteur van Geschiedenis Magazine en was betrokken bij de voorbereidingen van de komende Luther-tentoonstelling in Museum Catharijneconvent.


In de boekwinkel Daniele Tasca, 1001 Italianen, Vijf eeuwen immigratie in de Nederlanden (Amsterdam 2016), Uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep, 223 blz., € 19,99 De Italiaanse immigratie in Nederland is een betrekkelijk begrip, want Italië bestaat pas sinds 1861 en Nederland in zijn huidige vorm sinds 1830. Het boek doet daar gelukkig niet moeilijk over. De eerste immigranten waren bankiers uit Lombardije die zich vanaf de 13de eeuw in Nederlandse (en Belgische) steden vestigden en tegen onderpand geld uitleenden. Aan hen danken we dan ook het woord lommerd. En we danken nog veel meer aan de Italianen die om avontuurlijke, economische of politieke redenen naar onze streken kwamen. Denk bijvoorbeeld aan de eerste beschrijving van de Nederlandse steden uit 1567: die was van Lodovico Guicciardini. Of aan de ambachtslieden die in de 17de en 18de eeuw naar het noorden kwamen: schoorsteenvegers en terrazzowerkers, maar ook majolicabakkers, sierstucwerkers, glasblazers en instrumentmakers. In de 19de eeuw volgden ijsbereiders. Een ander interessant facet van de Italiaanse immigratie noemt de auteur slechts terloops: de kiek- of illuminatiekasten die Italianen maakten en waarmee ze voorstellingen gaven. Fotohistoricus Sjaak Boone heeft hun verhaal in 2016 verteld in het Photohistorisch Tijdschrift. Na de Tweede Wereldoorlog werd de immigratie uit Italië door overheid en bedrijfsleven georganiseerd om de vele vacatures in te vullen. Dat gebeurde door middel van wervingsakkoorden, zoals die met meer mediterrane landen werden gesloten. Aan het wedervaren van deze ‘gastarbeiders’ besteedt het boek ruime aandacht, in woord maar ook in beeld. De rij van Italianen die een bijdrage leverden aan de Nederlandse economie en cultuur is lang en bevat interessante namen, al laat de auteur helaas na de opmerkelijke integratie te behandelen van Fred Carasso (1899-1969) en zijn familie. Hij vluchtte als communist naar Nederland en werd hier hoogleraar en een belangrijk beeldhouwer; hij maakte onder meer het monument De Boeg voor Nederlandse Koopvaardij in Rotterdam. De Carasso's werden zo Nederlands dat zijn zoon expert in de Amsterdamse geschiedenis werd en conservator van het Amsterdams Historisch Museum en diens dochter nu directeur is van het Stedelijk Museum Schiedam. 1001 Italianen is een kostelijk boek; onbegrijpelijk echter dat de uitgever juist in een boek met zoveel voor de lezer onbekende namen geen namenindex heeft opgenomen.

René W.Chr. Dessing, Haagse en Leidse buitenplaatsen. Over landelijke genoegens van adel en burgerij (Heemstede 2016), Kantoor Verschoor Boekmakers Heemstede 232 blz., € 19,95   Nederland heeft nog 552 erkende buitenplaatsen. Daarvan staan er 56 in Zuid-Holland, de meeste op de oude duinenrij tussen Haarlem en Monster en rond Leiden en Den Haag.

Henk Slechte Dat verklaart de titel van dit boek over verleden en heden van deze buitenplaatsen dat de lezer tevens informeert over de (on)mogelijkheden van een bezoek aan dit historische erfgoed. Die titel zet de lezer wel op een twijfelachtig been, want het boek bespreekt ook buitenplaatsen die niet bij Leiden of Den Haag liggen, zoals het Huys ten Donck van de familie Groeninx van Zoelen bij Ridderkerk. De buitenplaatsen worden individueel beschreven na een eerste hoofdstuk over de historische context. Zuid-Holland had veel kastelen die na het vertrek van de Spanjaarden zijn verbouwd tot buitenplaatsen, en in het bezit kwamen van adellijke families en rijke burgers. De eerste huizen die als buitenplaats werden ontworpen dateren in ZuidHolland uit de vroege 17de eeuw. De Zuid-Hollandse buitenplaatsen waren vaker dan elders in Nederland eigendom van mensen die een plek hebben gekregen in de geschiedenisboeken, zoals de Oranjes met buitenplaatsen in en rond Wassenaar. Daarnaast hebben veel buitenplaatsen zoals Huis ten Bosch en Clingendael een eigen plek in de vaderlandse geschiedenis. Dessing schreef eerder een boek over de Amsterdamse buitenplaatsen en trekt interessante vergelijkingen. De buitenplaatsen rond Amsterdam waren vooral van kooplieden die in de 17de en 18de eeuw rijk waren geworden. Die rond Leiden waren vaak van hoogleraren (Herman Boerhaave bijvoorbeeld bezat Oud-Poelgeest bij Oegstgeest) en die rond Den Haag van hovelingen van de Oranjes en Haagse regenten maar ook van leden van de Hoge Colleges van Staat uit andere gewesten. Een bijzonder verschil is dat langs de Vecht en het Gein geloofsgenoten als doopsgezinden en Joden elkaar opzochten, maar dat daarvan in Zuid-Holland geen sprake was. Na 1850 tenslotte zijn rond Amsterdam nog nauwelijks nieuwe buitenplaatsen gebouwd, maar rond Den Haag ging dat door tot in de 20ste eeuw. De auteur slaagt in zijn bedoeling om lezers enthousiast te maken voor bekende maar ook onbekende buitenplaatsen in Zuid-Holland. Zijn boek geeft veel (kunst)historische informatie, is functioneel geïllustreerd en heeft zinnige kaderteksten. Deze combinatie van serieuze geschiedschrijving en vrolijke bezoektips is charmant maar ook effectief.

Martin van den Broeke, ‘Het pryeel van Zeeland’. Buitenplaatsen op Walcheren 16001820 (Hilversum 2016), Verloren, 517 blz., € 49,Op Walcheren bestonden omstreeks 1750 tenminste 139 buitenplaatsen. Volgens Martin van den Broeke was hun hoogtij tussen 1600 en 1820. Hij geeft met dit proefschrift de buitenplaatscultuur van Walcheren de sociaaleconomische, landschappelijke en culturele context die de buitenplaats als individueel object nog niet had. Hij beschrijft waarom mensen buitenplaatsen lieten aanleggen, welke functie ze hadden en hoe de relatie tussen stad en platteland verliep. Hoe begon het? In de vroege 17de eeuw was Walcheren economisch zeer actief; dit blijkt wel uit het feit dat bij de intekening op de Verenigde Oost-Indische Compagnie in 1602 een vierde van het kapitaal uit Zeeland kwam. Deelname aan VOC, WIC en de Commercie Compagnie in Middelburg in 1720 zorgden voor

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

57


financiële voorspoed bij kooplieden, die als eersten buitenplaatsen stichtten; later in de 17de eeuw gingen ook regenten meedoen: vanwege de belegging, de representatieve mogelijkheden en het buitenleven. Welk motief de boventoon voerde, verschilde echter per groep en wisselde nogal eens. Vanaf 1725 kwam er een derde contingent kopers: de rijke boeren waarin Zeeland grossierde in de 18de eeuw. Ze kochten buitenplaatsen en hofsteden op om ze vervolgens te slopen en hun landbouwgrond uit te breiden. Dit betrof vooral kooplieden, die verkochten omdat er geen opvolger was. Dit gebeurde minder in de regentenklasse, die de buitenplaats als familiebezit beschouwde en als teken van aanzien. Veel speelhoven langs de singels in de steden waren daarnaast het recreatieve bezit van de stedelijke middenklasse; deze verdwenen in de late 18de en vroege 19de eeuw of kwamen in gebruik als herberg. Van den Broeke heeft eerder gepubliceerd over tekenaar Jan Arends (1738-1805) en diens onvoltooide project Het Arkadisch Walcheren. Hij heeft de bewaarde tekeningen terecht gebruikt. Het boek is historisch indrukwekkend en prachtig uitgegeven, maar behoeft ook enkele kanttekeningen. De lezer die geïnteresseerd is in een individuele buitenplaats kan de geschiedenis daarvan wel volgen dankzij een speciale index op de buitenplaatsen, maar de informatie is verspreid over en toegespitst op de periodes en de thema’s die Van den Broeke gebruikt. Het is jammer dat hij vaak niet vertelt hoe het na 1820 is gelopen. Zo is Steenhove in Kouderkerke al in 1867 gesloopt. De lezer moet deze relevante informatie elders zoeken. In de overvloed van bijlagen had dat er nog best bij gekund.

Catherine Bolkestein, Gisbert Cuper. Deventer burgemeester en geleerde (1644-1716), (Deventer 2016), Corps 9 Publishers, 79 blz., € 13,95 Gisbert Cuper werd in 1668 op zijn 24ste benoemd tot hoogleraar in de geschiedenis en de welsprekendheid aan het Deventer Athenaeum, een universiteit zonder promotierecht. Hij bleef er tot zijn dood. In 1672, toen de Republiek in oorlog was met Frankrijk, Engeland, Münster en Keulen, werd hij rector van het Athenaeum, vlak voordat de staatsgezinde regenten de stad overgaven aan de Duitse bisschoppen. Dat stuitte de prinsgezinde en calvinistische Cuper, die door zijn huwelijk in regentenkringen verkeerde, tegen de borst, en hij liet het merken. Toen stadhouder Willem III in 1675 in Deventer de wet verzette gaf hij zijn medestander Cuper een plek in de stadsregering. Die bleef professor, zat ook voor Overijssel in de Staten-Generaal en was in 1706 gedeputeerde te velde in de Spaanse Successieoorlog. Cuper hield toen een dagboek bij dat is uitgegeven en was actief in een Europees netwerk van geleerde correspondenten, die zich verdiepten in de klassieke manieren van schrijven en in de oudheidkunde van Klein-Azië. Die correspondentie is nog steeds een rijke bron voor de klassieke archeologie. Het wapenfeit dat Cuper recent aan de vergetelheid heeft ontrukt is zijn opdracht aan de schilder Gerard Hofstede van Essen voor een enorm schilderij van Syrische ruïnestad Palmyra, nu door IS verwoest. Het schilderij is van Museum Allard Pierson en is tot 12 maart voor

58

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

een expositie terug in Deventer. Catherine Bolkestein geeft Cuper in dit mooie en prettig leesbare boekje de plaats die hem toekomt in de geschiedenis maar relativeert ook zijn talenten en noemt hem ijdel en pedant. Zijn bemoeienis met het Palmyra-schilderij heeft helaas geen eigen hoofdstuk gekregen. Hoe interessant die niettemin is, kan men lezen bij A. Hotz ‘Over afbeeldingen van Persepolis en Palmyra door Nederlanders’ in Oud-Holland/ jrg 1911. Dit artikel staat online: brill. com/oud-holland-quarterly-dutch-art-history

Rebecca Rideal, 1666. Pest, hellevuur & de Engels-Nederlandse oorlogen, (Houten 2016) Uitgeverij Spectrum, 304 blz., € 24,99 Eigenlijk begon het Londense rampjaar al in 1665 met de ontploffing van het oorlogsschip De London en de uitbraak van de pest. Die maakte duizenden slachtoffers per week en bleef afnemend actief in 1666. De grote brand brak uit op 2 september 1666, legde een groot deel van Londen plat en maakte tienduizenden dakloos. De Tweede EngelsNederlandse oorlog in 1665 begon voor de Engelsen gunstig met de overwinning bij Lowestoft, maar eindigde in 1667 rampzalig met de tocht naar Chatham van Michiel de Ruyter. Een uitzondering was een aanval door Robert Holmes op Nederlandse schepen en de eilanden Vlieland en Terschelling, augustus 1666. In de Nederlandse geschiedschrijving kreeg dit pas recent aandacht maar als ‘Holmes’s Bonfire’ is het in Londen uitbundig gevierd. Over de pest, de brand en de oorlog is vaker gepubliceerd, maar niet eerder samen in één monografie. Dit nieuwe boek is een feest voor de lezer. De empatische auteur baseert zich wel op bronnen maar komt niet met nieuwe analyses. Ze plaatst alles mooi in één context en gebruikt de geschriften van bekende Londenaars van toen, zoals de hoge marineambtenaren en dagboekaniers Samuel Pepys en John Evelyn, schrijvers en dichters als Margareth Cavendish en John Milton, geleerden als Christopher Wren, maar ook een gewone dokter en een bakker uit Pudding Lane. De lezer ervaart aan de hand van hun dagelijkse handel en wandel hoe de Londenaren de rampen ervoeren en ermee omgingen en hoe het rampjaar de aanzet bleek tot politieke, economische en intellectuele creativiteit. Een paar dingen vallen op. Onder de getuigen die Rebecca Rideal opvoert zijn interessante vrouwen die een opmerkelijk belangrijke rol speelden in het openbare leven. Interessant is ook dat het denken over leven en dood nog zo doordrenkt was van religie dat niemand het raar vond om de samenloop van zulke rampen te beschouwen als een straf van God. En het is voor Nederlandse lezers interessant hoe Londenaren de oorlog met Nederland beleefden en hoe een Engelse historica die oorlog in 2016 een plaats geeft in een overzicht van het rampjaar 1666. Twee opmerkingen: gelukkig worden alle hoofdrolspelers voor in het boek aan de lezer voorgesteld en vertelt een epiloog hoe het ze na 1666 is vergaan; het is wel jammer dat de inhoudsopgave zo eendimensionaal is, waardoor het boek moeilijk bruikbaar is als naslagwerk.

Henk Slechte is historicus en publicist.


Internationale Betrekkingen Daniel Beer, Het huis van de dood. De Siberische strafkampen in de tijd van de tsaren (Houten 2016), Spectrum, 488 blz., € 39,99 In dit goed geschreven boek staat de geschiedenis van de Siberische strafkampen onder de Romanovs centraal. Siberië was al lang voor het ontstaan van de beruchte kampen onder Stalin ‘één grote openluchtgevangenis’. Het dunbevolkte Siberië werd eeuwenlang gezien als een gebied van kansen en mogelijkheden door de schijnbaar onuitputtelijke natuurlijke rijkdommen, maar het was ook een strafkolonie, een soort continentale gevangenis, zo schrijft Beer. Tussen 1803 en1917 werden meer dan 1 miljoen onderdanen verbannen, veelal revolutionairen uit alle lagen van de bevolking afkomstig. Rusland overtrof de Britten en Fransen ruimschoots in aantallen mensen die ze uitwezen. Een verschil met de Britse ballingen naar Australië was dat de Russische ballingen veelal zonder vorm van rechterlijke uitspraak werden uitgezet en dat zij de lange reis naar Siberië meestal zelfstandig, dus te voet, moesten afleggen. Veel van de informatie over ballingschap is op papier gezet door bekende schrijvers als Tolstoj, Tsjechov (In Ballingschap) en bekend uit Dostojevski ’s autobiografische roman, waaraan de titel van het boek is ontleend. Uit deze literatuur en de aanzienlijke hoeveelheid archiefmateriaal, politierapporten, rechtbankverslagen en ambtelijke correspondentie reconstrueert de auteur de ervaringen van politieke ballingen en misdadigers in Siberië, én de lokale bevolking.

Martin Bossenbroek, Fout in de Koude Oorlog, Nederland in tweestrijd, 1945-1989 (Amsterdam 2016), Prometheus, 380 blz., € 19,95 Het beeld van Nederland als een tevreden natie ten tijde van de Koude Oorlog dat sommige historici ons voorschotelen, is onjuist. De Koude Oorlog werkte hier namelijk als een morele splijtzwam. Om dit te illustreren schetst Bossenbroek de levenslijnen van twee tegenpolen ten tijde van de Koude Oorlog: de KVP’er Joseph Luns en de filmer Joris Ivens. Ze zijn tegenpolen in de ideologische keuzes die ze in de jaren ’30 maakten. Maar er zijn ook overeenkomsten: beiden waren ervaren reizigers en koesterden de camera – elk op hun eigen manier, dat wel. Luns was bijna twintig jaar minister van Buitenlandse Zaken. Daarna, van 19711984, was hij secretaris-generaal van de NAVO. Tijdens zijn ministerschap kon hij rekenen op een positieve pers: men vond hem over het algemeen bekwaam, opkomend voor het Nederlandse belang

Bram Boxhoorn

én geestig. Aan de linkerzijde van het politieke spectrum werd daar natuurlijk anders over geoordeeld. Zijn ‘val’ werd ingeluid door de onthulling dat hij in de jaren ’30 kortstondig lid was geweest van de NSB. De ‘superpatriot’ Luns was aan het eind van zijn leven van Nederland vervreemd, terwijl Luns’ tegenpool en wereldrevolutionair Ivens als poëtisch filmer juist in hoog aanzien stond. Over dit raadsel gaat deze fascinerende studie van Bossenbroek.

Cees Wiebes, Samen met de CIA. Operaties achter het IJzeren Gordijn (Amsterdam 2016), Boom, 367 blz., € 24,90 Wiebes bespreekt de invloed van de Amerikaanse inlichtingendienst op de Nederlandse inlichtingendiensten tijdens de Koude Oorlog. Hij toont met vele voorbeelden aan dat de inlichtingendiensten nauw met elkaar samenwerkten, ook met gezamenlijke acties achter het IJzeren Gordijn. Het doel van de diensten was in vrijwel alle gevallen zeer ambitieus: het omverwerpen of destabiliseren van de Oost-Europese communistische regimes. Het resultaat? Duizenden onnodige doden. De overgrote meerderheid van de gedropte agenten (geen Nederlanders) overleefden namelijk de geheime operaties niet. De oorzaken ervan zijn velerlei, maar er was vooral een onthutsend gebrek aan betrouwbare informatie over de lokale omstandigheden. Daarnaast was er communistische infiltratie en een gebrekkige samenwerking tussen de verschillende Westerse inlichtingendiensten. Over de resultaten van twee gezamenlijke operaties tussen de Binnenlandse Veiligheidsdienst en de CIA, operatie ‘Tom’ (een Nederlandse kerngeleerde werkzaam in Scandinavië) en operatie ‘Leunstoel’ (afluisterpraktijken van buitenlandse ambassades in Nederland), velt de auteur een aanmerkelijk positiever oordeel. Ook de banden tussen de Buitenlandse Inlichtingendienst (BID) en de CIA waren nauw, maar de auteur spreekt tegen dat de BID aan de leiband liep van de CIA, zoals Edward Snowden beweerde. Frans Verhagen, Founding Fathers, De grondleggers van de Verenigde Staten (Utrecht 2016), Omniboek, 368 blz., € 19,99 Frans Verhagen is geen onbekende in het wereldje van Nederlandse amerikanisten. Hij combineert uitgebreide kennis met een aanstekelijke schrijftrant. In zijn laatste boek snelt hij door de belangrijke beginjaren van de geschiedenis van de

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

59


VS, waarin de zeven Founding Fathers zich op cruciale momenten deden gelden. Toch vormen deze zeven geen ‘band of brothers’, zo stelt Verhagen. Zij hielden er verschillende opvattingen en ideeën op na over de inrichting van de jonge Amerikaanse staat. Alle bekende thema’s uit de beginjaren van de Amerikaanse geschiedenis passeren in zeer korte hoofdstukjes de revue. Wat dit betreft is het boek niet zozeer vernieuwend, als wel compleet en toegankelijk te noemen. Bovendien excelleert Verhagen in de persoonlijke biografieën van de Founding Fathers: hij weet als geen ander veel en relevante details te vermelden over deze ‘Amerikaanse helden’. Verhagen maakt duidelijk hoe soms toeval een grote rol kan spelen in de geschiedenis. Tijdens het presidentschap van Thomas Jeffer-

son (1800-1804) wist de VS zijn grondgebied zowat te verdubbelen door de aankoop van het Louisiana Territorium in 1803, een reusachtige oppervlakte tussen de Mississippi en de Rocky Mountains. Dit enorme gebied werd Jefferson als het ware door Frankrijk onder Napoleon in de schoot geworpen. Het enige minpuntje aan het boek is het ontbreken van een personenregister.

Bram Boxhoorn is historicus, gespecialiseerd in internationale betrekkingen. Hij is directeur van de Atlantische Commissie (Den Haag) en doceert aan Webster University Leiden.

Niet-westerse geschiedenis Rémy Limpach, De brandende kampongs van generaal Spoor (Amsterdam 2016) Boom, 870 blz, €49,90 De studie van Rémy Limpach naar extreem oorlogsgeweld tijdens de Indonesische dekolonisatieoorlog was al geruchtmakend voordat ze gepubliceerd werd. De afgelopen jaren heeft de discussie over Nederlandse oorlogsmisdaden een nieuw niveau bereikt. Veteranen spraken openlijker dan ooit met de pers over hun herinneringen, de overheid heeft claims van de weduwen van het Zuid-Sulawesische dorpje Rawagede toegekend en daarmee de deur opengezet voor meer van dergelijke claims. Niet gek dus dat er uitgekeken werd naar deze Nederlandstalige bewerking van Limpachs lijvige Zwitserse proefschrift. In 870 pagina’s zet Limpach uiteen hoe extreem geweld een structureel onderdeel vormde van de Nederlandse militaire operaties in Indonesië in de periode 1945-49. Limpach is zich ervan bewust dat hij door zijn keuze om in te zoomen op Nederlands extreem geweld wellicht een vertekend beeld geeft van de oorlog en benadrukt dat het structureel voorkomen van dit geweld niet betekende dat alle betrokkenen in de oorlog op dergelijk misdadige wijze te werk gingen. Hoewel het boek een uitvoerige opsomming geeft van gewelddaden èn van het wegkijken en sanctioneren van dit geweld van hogerhand, toont Limpach zich empathisch ten opzichte van het militaire personeel en leest zijn boek geenszins als aanklacht tegen de veteranen. Limpach bouwt zijn betoog zorgvuldig op. Aan de hand van herinneringen van veteranen, ego-documenten, vergeten overheidsrapporten en officiële correspondentie reconstrueert hij een wereld van geweld. De kracht en tegelijkertijd de zwakte van dit boek is hoe Limpach te werk gaat: niet statistisch maar anekdotisch,

60

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

alicia Schrikker

via casestudies zoals het ontluisterende ‘geval’ Bali. Geweld ging er hand in hand met fraude, verkrachting en andere misdaden. Limpach laat overtuigend zien hoe diep het geweld geworteld zat in het systeem. De hoofdstukken over interne bestraffing en de verhulling zijn razend interessant, omdat Limpach de focus verlegt van het slagveld naar de militaire leiding. Wat gebeurde er als geweldsmisdaden aanhangig gemaakt werden? Bestraffing kwam wel voor, maar lijkt sporadisch te zijn geweest. Daarmee gaat de auteur in tegen het zelfbeeld van de militaire leiding indertijd. Maar hoewel Limpach overtuigt door de veelheid aan voorbeelden, ontbreekt helaas een werkelijke statistische onderbouwing. Nu weten we niet hoeveel misdaden aangegeven werden, wat voor misdaden dat precies waren en hoeveel er daarvan bestraft werden. Ook de vraag of in het bestraffen en niet-straffen een patroon valt te ontdekken, kan nog niet worden beantwoord. Een heel belangrijke verdienste van dit boek is de analyse van de rol van de legerleiding. Treffend laat Limpach de verschillende gezichten zien van mannen zoals generaal Spoor, die aan de ene kant publiekelijk schande spraken van het geweld, en tegelijkertijd intern nauwelijks actie ondernamen. Limpach toont hoe het instellen van onderzoekscommissies een middel was om in het openbaar te reageren en tegemoet te komen aan politieke vragen en tegelijkertijd de misdaden intern onder het tapijt te vegen. De continuïteit in gebrek aan werkelijke aandacht voor het militair optreden en de manier waarop de legerleiding daarmee omging, is opvallend. Dit continuüm lijkt pas nu, 70 jaar na dato, onderbroken door de steun van de minister van Defensie naar een diepgravend gezamenlijk onderzoek naar de Nederlandse oorlogsmisdaden door NIOD, NIMH en KITLV. Net als toen is ook nu de echte vraag wat er met de uitkomsten van dat onderzoek gaat gebeuren.

Alicia Schrikker is universitair docent koloniale en wereldgeschiedenis aan de universiteit Leiden.


Cultuurgeschiedenis John Jansen van Galen, De gouden jaren van het linkse levensgevoel. Het verhaal van Vrij Nederland (Amsterdam 2016), Balans, 494 blz., € 27,50 In 2012 ontving John Jansen van Galen van de toenmalige hoofdredacteur Frits van Exter het verzoek om een geschiedenis te schrijven van de hoogtijdagen van Vrij Nederland. Jansen van Galen was zelf lang als (hoofd-)redacteur verbonden geweest aan de concurrerende Haagse Post. Hij kreeg voor dit onderzoek vrij toegang tot het archief van de voormalige verzetskrant en de persoonlijke archieven van veel oud-medewerkers. Zijn boek kwam net te laat voor het 75-jarig jubileum van het in zwaar weer verkerende blad. Jansen van Galens verhaal houdt begin jaren ‘80 op en wie zijn klassieke opkomst-enondergangsgeschiedenis leest zou denken dat het daarna alleen nog kommer en kwel is geweest. Dat lijkt gezien de hoge oplagecijfers in de jaren ‘90 wat gechargeerd maar het maakt zijn verhaal er niet minder boeiend om. Het is opgezet rondom de verschillende medewerkers, die door het boek verspreid geportretteerd worden; velen komen ook zelf aan het woord. De redactie was een linkse gideonsbende die progressief Nederland de weg wees. Naar buiten toe vormde ze een hechte eenheid, intern vlogen de redacteurs elkaar steeds heftiger in de haren en was er veel alcoholmisbruik, niet in de laatste plaats door hoofdredacteur Matthieu Smedts. Diens opvolger Rinus Ferdinandusse liet conflicten sluimeren maar creëerde ook een unieke mix van onthullingen, ontboezemingen en amusement. Onder zijn leiding werd Vrij Nederland spraakmakend zoals een tijdschrift dat tegenwoordig niet meer kan zijn.

Tessel Pollmann, Liever kleine knecht dan grote baas. De Nederlandse middenstand 1920-1970 (Amsterdam 2016), Boom, 256 blz., € 22,50 Tessel Pollmann was lang een van de gezichtsbepalende redacteurs van Vrij Nederland. Haar journalistieke belangstelling voor het leven van alledag heeft haar nu op het spoor gezet van het slecht onderzochte midden- en kleinbedrijf. Over middenstanders doet een hardnekkige mythe de ronde: hun

Joris Oddens

vrees af te glijden naar de arbeidersklasse en hun afgunst jegens de bovenklasse zou ze massaal in de armen hebben gedreven van de NSB. Volgens Pollmann waren kleine zelfstandigen doorgaans trouwe kerkgangers die de plaatselijke dominee of pastoor boven Mussert verkozen. Zij hielden zich politiek op de vlakte uit angst klanten te verliezen. En minachting van arbeiders was niet aan de orde: die kochten net zo goed zuivel of rookwaar en bovendien kluste menige winkelier bij als dagloner of andersom. Pollmanns project is uniek omdat zij zich baseert op amateurhistorici die dorpsgenoten hebben geïnterviewd en burgers die hun eigen herinneringen hebben opgetekend. Voormalige ondernemers of hun kinderen leggen bijvoorbeeld uit hoe kleine bedrijven binnen een lokale gemeenschap gevangen zaten in een web van dienst en wederdienst. Zo deden de uitbaters van een lingeriezaak in Joure hun boodschappen op zaterdag bij drie bakkers, drie kruideniers en vier slagers, omdat die allemaal ondergoed bij hen kochten.

Erna E. Kok, Netwerkende kunstenaars in de Gouden Eeuw. De succesvolle loopbanen van Govert Flinck en Ferdinand Bol (Hilversum 2016), Verloren, 108 blz., € 15,De loopbaanstrategieën van beeldend kunstenaars uit de Gouden Eeuw staan de laatste jaren volop in de belangstelling. In dit boekje van Erna E. Kok, een publieksbewerking van haar proefschrift, wordt het handelen van Govert Flinck en Ferdinand Bol afgezet tegen dat van hun leermeester Rembrandt. Uit eerder onderzoek kwam naar voren dat Rembrandt aan het einde van zijn carrière failliet ging omdat hij zich niet schikte naar de mores van zijn tijd: hij was roekeloos, niet van onbesproken gedrag en weigerde zijn werk af te stemmen op de wensen van zijn opdrachtgevers. Kok laat zien dat zijn leerlingen het slimmer aanpakten. Flinck zocht afnemers binnen zijn eigen doopsgezinde milieu en bekwaamde zich in verschillende stijlen. Bol trouwde omhoog en nam afscheid van de rembrandtieke stijl toen die minder populair werd. Beiden investeerden veel in het opbouwen van een netwerk van ‘magen ende vrienden’. Kok is het oneens met kunsthistorici die Flinck en Bol nadragen dat zij artistieke vrijheid niet vooropstelden. Terwijl deze aanhangers van een autonome kunstopvatting in de trotse, onaangepaste Rembrandt een vroege geestverwant herkennen, lijkt zij zich sterker verbonden te voelen met het cultureel ondernemerschap van diens leerlingen.

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

61


Annelies NoordhofHoorn, De stem van de student. Nederlandse studentenbladen in de negentiende eeuw (Hilversum 2016), Verloren, 382 blz., € 39,Het aan A.S. Byatt ontleende motto van De stem van de student komt erop neer dat dingen waarover niet geschreven wordt toch bepalend kunnen zijn voor toekomstige gebeurtenissen. Bij het lezen van dit proefschrift kon ik me niet aan de indruk onttrekken dat voor 19de-eeuwse studentenbladen nogal eens het omgekeerde gold: er werd wel veel in opgeschreven, maar dit oversteeg slechts af en toe het actuele belang. De voor het boek gekozen opzet werkt deze indruk in de hand. Annelies Noordhof-Hoorn bespreekt de bladen één voor één en is sterk gericht op de rol die de redacteurs voor zichzelf weggelegd zagen en hun kinnesinne met andere redacties en universiteitsbesturen. Haar onderzoeksvraag in hoeverre studentenbladen ontwikkelingen in de universitaire wereld niet alleen weerspiegelden maar deze ook mede in gang zetten was beter te beantwoorden geweest als ze in plaats van de bladen de ontwikkelingen centraal had gesteld. Noordhof-Hoorn laat nu weliswaar zien dat de macht van de corpora, het Latijn als collegetaal en de afstand tussen student en professor in de bladen aan de orde werden gesteld, maar had ook andere bronnen moeten raadplegen om te kunnen vaststellen of veranderingen ook echt kwamen doordat dit gebeurde.

Mathijs Sanders, Europese papieren. Intellectueel grensverkeer tijdens het interbellum (Nijmegen 2016), Vantilt, 235 blz., € 19,95 Alweer een boek over Europese denkers en dichters in het interbellum, al is het dit keer bij nader inzien een bundeling van eerder geschreven artikelen. Matthijs Sanders behandelt verschillende aspecten van de verspreiding en receptie van buitenlands werk in het Nederland van tussen de twee wereldoorlogen. Er werd veel vertaald, vooral bestsellers, maar Sanders’ aandacht gaat vooral uit naar hoe Nederlandse intellectuelen zich verhielden tot leidende literatoren en critici van dat moment. De

62

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

oudere Albert Verwey koesterde een Europees eenheidsideaal en stelde zijn literaire activiteiten – bijvoorbeeld als bloemlezer van Europese gedichten – daarvan in dienst. De jongere generatie van Menno ter Braak en E. du Perron had een pessimistischer wereldbeeld, maar wilde het in haar ogen provincialistische Nederland uit zijn isolement halen en in aanraking brengen met hetgeen de buitenlandse literatuur te bieden had. Anderen verenigden zich in clubjes die toenadering zochten tot de literaire traditie van Frankrijk of juist Duitsland en daarover beleefd met elkaar in debat gingen. Europese papieren heeft een appendix waarin Sanders, achteraf dus, zijn methode toelicht en kritiek levert op de dominantie van Pierre Bourdieu in het hedendaagse literatuuronderzoek. Hij had wat beter zijn best kunnen doen om deze tekst in het boek te integreren.

Carel van Schaik en Kai Michel, Het oerboek van de mens. De evolutie en de Bijbel (Amsterdam 2016), Balans, 447 blz., € 27,50s De Duitse historicus Kai Michel en de biologisch antropoloog Carel van Schaik verkondigen (in dit oorspronkelijk Engelstalige boek) dat de Bijbel gaat over de immense uitdagingen waarvoor de mens zich gesteld zag nadat hij het jagers-verzamelaarsleven had verruild voor de landbouwsamenleving. De Bijbel ontstond duizenden jaren na de landbouwrevolutie, maar volgens de auteurs bleken de problemen zo hardnekkig dat ze toen nog niets van hun urgentie hadden verloren. Zij zien het verhaal over het verlies van het paradijs als een verbeelding van de verslechterde leefomstandigheden die het afscheid van het nomadisme met zich meebracht. Gods wetten over zaken als seks tussen mannen, poepen in legerkampen en schimmel op de muur lezen ze als pogingen om het hoofd te bieden aan besmettelijke ziektes die de grootste bedreiging vormden voor de mens sinds deze had gekozen voor het sedentaire bestaan. Hun frisse blik zet aan tot denken, maar niet alles overtuigt: zo gaat het misschien wat ver om in Jezus die met zijn volgelingen door Gallilea zwerft een jagers-verzamelaarsgroep te zien. Naarmate het boek vordert gaat het naar mijn idee moeizamer lezen, doordat veel gebruik wordt gemaakt van onvertaald gelaten jargon.

Joris Oddens doceert geschiedenis aan de Universiteit Leiden.


Uitgeverij Verloren maakt geschiedenis

Ontvoerd of gevlucht? Religieuze spanningen in Brabant en de zaak Sophia Alberts (1700-1710) HENK ROOSENBOOM

Nederlandse kruisvaarders naar Damiate aan de Nijl Acht eeuwen geschiedenis en fantasie in woord en beeld JAAP

VAN

MOOLENBROEK

Vragen voor Eckhart De Dialoog tussen Eckhart en de leek als kritische zoektocht naar een veertiende-eeuwse lekenspiritualiteit YVES VAN DAMME

Na een ruzie vluchtte de dochter van een protestantse notaris uit Helmond de grens van de Republiek over en werd katholiek. Harde maatregelen tegen de roomse ‘ontvoerders’ leidden niet tot de terugkeer van Sophia.

Duizenden bewoners van huidig Nederlands grondgebied gingen op kruistocht naar Jeruzalem. Hun rol bij de belegering van Damiate werd in latere eeuwen opgeblazen tot een heldenrol. Dit boek beschrijft historie en verbeelding.

In dit pamflet staat de moeilijke relatie tussen vrijgevochten leken en een meer behoudsgezinde clerus centraal. Naast striemende maatschappijkritiek is er echter ook ruimte voor twijfel over de juiste levenswijze.

233 blz. | ISBN 978-90-8704-628-6 | € 25,–

400 blz. | ISBN 978-90-8704-606-4 | € 35,–

296 blz. | ISBN 978-90-8704-618-7 | € 29,–

House of Memories

‘Het humanitaire moment’

Dienstbaar onder vuur

Uncovering the Past of a Dutch Jewish Family

Nederlandse intellectuelen, de Eerste Wereldoorlog en het verlangen naar een regeneratie van de Europese cultuur (1914-1930)

Religieuzen en de Tweede Wereldoorlog

ARNOUD-J AN BIJSTERVELD Bertam Polak, son of the Jewish couple who once lived in Bijsterveld’s house, was killed in Auschwitz. This book relates his history and also shows the effects uncovering it on later generations and the historian involved.

488 pp with dvd | ISBN 978-90-8704-604-0 | € 39,–

MARJET BROLSMA Brolsma analyseert de wisselwerking tussen cultuurkritiek en politiek en de grensoverschrijdende contacten van Nederlandse humanitair-idealisten. Zij speelden een hoofdrol in de Europese culturele heroriëntatie. 418 blz. | ISBN 978-90-8704-627-9 | € 39,–

Redactie CHRIS DOLS, JOEP VAN GENNIP en LENNERT SAVENIJE De oorlogs- en bezettingssituatie drong ook in kloosters en missieposten door. Deze bundel beschrijft de geschiedenis en beleving van Nederlandse religieuzen tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog.

224 blz. | ISBN 978-90-8704-617-0 | € 22,–

www.verloren.nl | Torenlaan 25, 1211 JA Hilversum | tel. 035-6859856 | bestel@verloren.nl


AGENDA

Vroege kleurenfoto’s

Hans Rooseboom & Ileen Montijn, Nederland in kleur 1907 - 1935, Uitgeverij Bas Lubberhuizen, €19,99

Moederliefde Het geheim van Ella & Audrey 27 januari t/m 31 augustus, Airborne Museum Arnhem, www.airbornemuseum.nl Veel is er al gezegd en geschreven over de verzetsactiviteiten van Audrey Hepburn in de Tweede Wereldoorlog, met name in de Slag om Arnhem. Het Airborne Museum komt met een tentoonstelling over moeder en dochter Hepburn, die een ‘andere kant’ van het ver-

haal laat zien. Het heeft alles te maken met de contacten die Ella (de moeder van) had overgehouden aan de tijd dat ze lid was van een fascistische partij en hoe ze deze contacten inzette voor haar dochter met danstalent.

De verrassing is groot als je voor het eerst een kleurenfoto uit 1907 ziet. Zo vroeg al in kleur? De uitvinding van de autochrome maakte foto’s in heldere, frisse kleuren mogelijk. In de jaren ’30 werd de productie van de glasplaatjes gestaakt. Net als bij een dia moest je de autochrome tegen het licht houden om hem goed te kunnen bekijken. In dit boek heeft het Rijksmuseum zijn mooiste autochromes verzameld en biedt zo een zeldzaam gekleurd beeld van ons land aan het begin van de 20ste eeuw.

Station van de verandering

Utrecht Centraal t/m 5 februari 2017, Het Spoorwegmuseum, Maliebaanstation Utrecht, 030 2306206, www.spoorwegmuseum.nl

Schoonheidsideaal van de Romeinse vrouw

Timeless Beauty 17 december 2016 t/m 30 juni 2017, GalloRomeins Museum Tongeren, www.galloromeinsmuseum.be Was het schoonheidsideaal van de Romeinse vrouw zoveel anders dan dat van de moderne vrouw? Het Gallo-Romeins museum beantwoordt deze vraag niet direct, maar legt met de nieuwe tentoonstelling Timeless Beauty wel verrassende linken tussen schoonheid in het heden en klassieke verleden. Zo worden foto’s van sensuele schoonheden (gemaakt door kunstfotograaf Marc Lagrange) gecombineerd met antieke teksten over de schoonheid van de Romeinse vrouw. Ook via objecten als kleine sculpturen en vazen met afbeeldingen van vrouwen kom je als bezoeker meer te weten over het antieke schoonheidsideaal.

64

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

Het eerste stationsgebouw in Utrecht werd in 1843 gebouwd, toen de stad nog maar zo’n 50.000 inwoners had. Sindsdien heeft het station vele gedaanteverwisselingen ondergaan, van het ontwerp van architect Sybold met z’n golvende voorgevel, tot de bouw van Hoog Catharijne en het kenmerkende ratelende

blauwe bord in de stationshal. De expositie toont met filmfragmenten, foto’s en objecten de grote veranderingen die het station door de jaren heen heeft doorgemaakt. De afbeelding toont het Centraal Station in 1912, ver voor de bouw van Hoog Catharijne in de jaren ‘70.


Gezichten van de Gouden Eeuw

Portretten van Jan van Ravesteyn 26 november t/m 9 april 2017, Haags Historisch Museum, www. haagshistorischmuseum.nl

Gezicht op Palmyra

Palmyra, Stad van Duizend Zuilen t/m 12 maart 2017, Museum De Waag Deventer, deventerverhaal.nl/palmyrastad-duizend-zuilen-deventer/ Meer dan drie eeuwen geleden liet de Deventer burgemeester Gisbert Cuper het kolossale schilderij Gezicht op Palmyra maken, dat het begin markeert van een eeuwenlange fascinatie. Het is de oudste verbeelding van de Syrische oase-stad en staat aan het begin van de ontdekking in de 17de eeuw van Palmyra door de Westerse wereld. De tentoonstelling laat een voortdurend veranderend Palmyra zien: de Stad van Duizend Zuilen heeft vele gezichten.

Huygens

Kees van der Leer e.a., Huygens’ Hofwijck. De buitenplaats van Constantijn & Christaan, Vereniging Howijck, 240 blz., € 27,50 Een buitenplaats in de vorm van een menselijk lichaam – dat past heel goed bij de wetenschappelijke belangstelling van een der beroemdste bewoners van Hofwijck bij Voorburg: Christiaan Huygens. Zijn vader

Hij was ooit de meest gewilde portretschilder van Den Haag, maar tegenwoordig is deze 17deeeuwse schilder bij het grote publiek onbekend. Het gaat om Jan van Ravesteyn (ca 1572-1657), die in zijn tijd opdrachten ontving

van onder meer prins Maurits, het stadsbestuur, de schutterij en rijke particulieren uit de stad. Afgebeeld is een ontmoeting tussen de magistraat en de officieren van de St. Sebastiaansdoelen, geschilderd door Van Ravensteyn in 1618.

Constantijn was zo’n 375 jaar geleden de bouwheer. De familie woonde in Den Haag want daar verdiende vader zijn geld als diplomaat en hoveling. Dit aantrekkelijke boek is een rijk geïllustreerde inkijk in het leven van de familie, hun bedoelingen met Hofwijck en wat er na de dood van Christiaan in 1695 mee gebeurde. Het is nu een museum.

Gesplitste schilderijen

Linking Pieces t/m 5 maart 2017, Museum Bredius Den Haag, www.museumbredius.nl Door de eeuwen heen zijn schilderijen van elkaar gescheiden: ze werden gesplitst in twee of meer delen. Zo is bijvoorbeeld de Allegorie op de Dood uit 1602 van Aerts gesplitst. Het rechterdeel kwam in 1931 in het bezit van Abraham Bredius. Het toen onbekende linkerdeel bevond zich al 100 jaar in de privécollectie van een Zweedse familie. Sinds kort is dit deel ook eigendom van Museum Bredius, het doek is weer compleet. Reden genoeg om een tentoonstelling te maken over dit soort ‘gesplitste schilderijen’. Naast het werk van Aerts zijn bijvoorbeeld het al eerder samengevoegde De Bruidsnacht van Tobias en Sara

van Jan Steen en het kapitale Portret van een negenjarige jongen en een zevenjarig meisje te zien. Wat kunnen redenen zijn geweest van het opdelen? Wat was de waarde van een opge-

deeld doek? Moet de samenvoeging omkeerbaar zijn? Met dit soort vragen houdt de expositie zich bezig. Ook niet-complete schilderijen – die op zichzelf een afgerond geheel lijken – maken

er deel van uit. Neem bijvoorbeeld het Damesportret van Willem Drost, waarvan het andere deel (een portret van een man) in het bezit is van het Metropolitan Museum in New York.

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017

65


VOLGEND NUMMER magazine

Vitaal in de Middeleeuwen Gezond en vitaal oud worden is dé uitdaging van onze tijd. Alleen: dit is helemaal niet zo modern. Ook vroeger zochten velen hun heil in diëten en leefregels. Het gouden opvoedprincipe ‘Rust, reinheid en regelmaat’ bijvoorbeeld gaat terug op de middeleeuwse leefregelkunde. Die verstrekte adviezen op het gebied van gezondheid én geluk. Het oudste voorbeeld van zulke adviezen zijn de kloosterregels.

Het Wilde Westen Het Wilde Westen was wild omdat de bewoners aan zichzelf waren overgeleverd, maar we moeten het niet overdrijven. Zo was alcohol op grote veedrijftochten verboden. Toch werden comboys beroemd als vrije jongens: door de uitgevers van tijdschriften en door prentmakers die beseften dat de aangedikte avonturen uit het Wilde Westen het grote publiek zouden aanspreken.

Paul Krüger Het standbeeld van de Zuid-Afrikaanse president Paul Krüger in Pretoria moet met hekken worden beschermd tegen activisten. Zij zien hem als een koloniale onderdrukker. In Nederland daarentegen wordt Krüger herinnerd als de charismatische leider van de Zuid-Afrikaanse Boeren, die voor hun onafhankelijkheid streden tegen de Britten. Wie was ‘Oom Paul’ werkelijk?

Correcties op nr 8/2016: De NSB bestond in 2016 85 jaar (p. 3, 26, 27); Piet Leupen schreef de rubriek Middeleeuwse toestanden (p. 24); de foto onderin op p. 28 is uit 1933; Piet Vink was geen Hagenees maar een Hagenaar (p.57). Aanvulling op nr 8/2016: Degene die in 1965 het initiatief nam tot een historisch tijdschrift voor het grote publiek was Henk Dijkstra. Al snel raakte ook A.G. van der Steur bij de plannen betrokken. Beiden werden in 1966 lid van de eerste redactie van het nieuwe blad Spiegel Historiael. Links de eerste cover. Het blad werd in 2006 omgedoopt tot Geschiedenis Magazine.

Nummer 1, jan./feb. 2017, jaargang 52 Hoofdredactie Dr. Marianne L. Mooijweer Redactie prof.dr. M.L.M. van Berkel, dr. H.M.E.P. Kuijpers, Prof.dr. O.M. van Nijf, Prof.dr. G. Oonk, prof. dr. J. Pekelder, dr. D.E.J. Smit Bureauredactie Francis Boer MA. Aan deze uitgave werkten mee: Maurice Blessing, Mineke Bosch, Bram Boxhoorn, Marc Jansen, Rhodri Jeffreys-Jones, Erika Kuijpers, Mieke Melief, John Klein Nagelvoort, Joris Oddens, Bert Overbeek, Ruud Paesie, Tessel Pollmann, Alicia Schrikker, Herman Selderhuis, Henk Slechte, Erik-Jan Zürcher.

Klantenservice en abonnementen Voor vragen over abonnementen en (na)bestellingen van boeken en oude nummers: Ten Brink Abonnementenservice Postbus 1064, 7940 KB Meppel (085) 01 60 077 geschiedenis@tenbrinkuitgevers.nl Redactieadres Molukkenstraat 200 1098 TW Amsterdam tel (020) 66 527 59 redactie@geschiedenismagazine.nl www.geschiedenismagazine.nl Ontwerp & Vormgeving FIZZ marketing en communicatie, Meppel Druk Ten Brink, Meppel Distributie VMBpress, www.vmbpress.nl Uitgever Spiegel historiael BV in samenwerking met Virtùmedia Pepijn Dobbelaer tel (030) 6920677 pdobbelaer@virtumedia.nl Bladmanagement David Veldman Tel (030) 6920677 dveldman@virtumedia.nl Advertenties Albert van Kuijk (030) 693 38 22 avankuijk@virtumedia.nl Abonnementen Geschiedenis Magazine verschijnt 8 keer per jaar. Prijs jaarabonnement Nederland: € 63,50 (bij machtiging: € 62,50). Binnen Europa: € 76,80. Buiten Europa: € 79,90. Studentenabonnement binnen Nederland: € 37,50. Abonnementsgeld dient bij vooruitbetaling te worden voldaan. Abonnementen kunnen per nummer ingaan en worden automatisch verlengd, tenzij een maand voor het verstrijken van de abonnementsperiode bericht van opzegging is ontvangen. Opzeggingen worden onzerzijds schriftelijk of via mail bevestigd. © Geschiedenis Magazine. Niets uit deze uitgave mag op welke wijze dan ook worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. ISSN 1872-0625

Geschiedenis Magazine is de voortzetting van Spiegel Historiael, opgericht in 1966. www.geschiedenismagazine.nl

66

GESCHIEDENIS MAGAZINE • nr 1 jan./feb. 2017


VÊRLANDER w e e s k i n d e r e n

v a n

d e

V O C

De VOC, Nederlands eerste en grootste multinational, bood 200 jaar lang werk aan bijna 1 miljoen Europeanen. Overal in Azië ontstonden Nederlandse handelsposten. Wat is er vier eeuwen later over van de contacten tussen de mannen van de VOC en de inheemse bevolking? Hoe verging het de overlevenden van de schepen die voor de kust van West-Australië schipbreuk leden? Hoe keek de oorspronkelijke bevolking naar de families Wouthuyzen en Joostensz, die zich rond 1650 op Kisar vestigden als de ogen en oren van de VOC? Wat is er over van de taal bij de Koranna die in Zuid-Afrika leefden toen Jan van Riebeek daar landde ? Dankzij de Nederlandse fotograaf Geert Snoeijer krijgen deze weeskinderen van de VOC voor het eerst een gezicht en een stem. Bijna twee jaar lang reisde Snoeijer langs de randen van het VOC-imperium. Door Zuidelijk Afrika, West-Australië en naar het Indonesische eilandje Kisar in de Zuid-Molukken. Op zoek naar mensen voor wie het gedeeld verleden nog altijd onderdeel is van hun identiteit. Tot en met 9 april zijn in het Westfries Museum 30 indringende portretten te zien. In een audiotour komen de geportretteerden zelf aan het woord en brengen zij de gedeelde geschiedenis tot leven. www.wfm.nl

“Ik deel wat met jou ...” Westfries Museum Hoorn 17 december 2016 | 9 april 2017 www.wfm.nl


Beleef 500 jaar Reformatie! Reis terug in de tijd en ontdek hoe Maarten Luther met zijn stellingen de geschiedenis veranderde. Bezoek indrukwekkende Luthermusea in het hart van Duitsland en geniet van de weergaloze kerkmuziek van Johann Sebastian Bach. Ga ook naar een van de drie grote Luthertentoonstellingen in Berlijn, Wittenberg of Eisenach

www.germany.travel/luther

_Luthers Luthers sporen

Š DZT, Christof Herdt

in het Lutherjaar. Kijk voor meer informatie op:

Geschiedenis magazine 01 2017  
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you