De Levende Natuur 1 2021

Page 1

jaargang 122 | nummer 1 januari 2021

Aanvalsplan Grutto Weer toekomst voor weidevogels?

Nauwe korfslak dupe van duinherstel Brede orchis komt en gaat


www.delevendenatuur.nl

TIJDSCHRIFT VOOR NATUURBEHOUD EN NATUURBEHEER

opgericht in maart 1896

4

De Levende Natuur informeert over onderzoek, beheer en beleving van de natuur in Nederland en België. De artikelen zijn vooral gebaseerd op eigen onderzoek, observatie en ervaring van de auteurs. Het magazine wordt uitgegeven door stichting De Levende Natuur in samenwerking met uitgeverij Virtùmedia. Tarieven (6 nummers per jaar) Tarieven (6 nummers per jaar) € 60,- per jaar voor instellingen en bedrijven, € 38,- per jaar voor particulieren; € 13,50 per jaar voor studenten en promovendi; € 13,- proefabonnement (3 nummers), los nummer € 9,- (regulier nummer), themanummer € 15,-. Genoemde prijzen gelden voor abonnees in Nederland en België die betalen via incasso of een factuur ontvangen via e-mail. Voor abonnementen buiten Nederland en België en voor abonnees die een papieren factuur willen ontvangen, gelden andere tarieven. Een abonnement heeft een looptijd van 12 maanden en kan bij elk nummer ingaan. Abonnementen worden automatisch verlengd. U kunt uw abonnement op elk moment opzeggen, maar er geldt wel een opzegtermijn van tenminste 2 maanden. Abonnementenadministratie Virtùmedia, Huis ter Heideweg 13, 3705 MA Zeist, administratie@delevendenatuur.nl Voor een abonnement ga naar www.delevendenatuur/ abonnementen.php of mail naar administratie@delevendenatuur.nl Losse nummers zijn te verkrijgen via www.delevendenatuur/nabestellen.php Overname artikelen alleen met bronvermelding en uitsluitend na toestemming van de auteurs en de redactie Richtlijnen voor auteurs: www.delevendenatuur.nl Advertenties: advertenties@delevendenatuur.nl Bestuur stichting De Levende Natuur Karin Albers, voorzitter Marjolein van Os, secretaris Matthijs Courbois, penningmeester Anton van Haperen, Rik Huiskes, Theo Verstrael Hoofdredacteur Rik Nijland Redactiesecretaris Melchior van Tweel redactie@delevendenatuur.nl Kadeneterkamp 44, 8014 CA Zwolle Redactie Maaike de Graaf, Jos Hooijmeijer, Piet van der Reest, Piet Schipper, Wouter van Steenis, Jan van Uytvanck, Philippine Vergeer. Eindredactie Mischa Brendel, Virtùmedia Vormgeving Marije van der Linde, Twin Media Druk Veldhuis Media

pag. 5

5

Aanvalsplan Grutto; is het genoeg? Rob Buiter De Nederlandse gruttopopulatie bevindt zich in een nagenoeg vrije val. Tijd voor drastische maatregelen. Het Aanvalsplan Grutto moet het tij keren voor onze nationale vogel. Maar is het genoeg? “Opgeven is geen optie.”

8

Dilemma: ‘Wie kan er tegen een grasland zijn dat weer vol staat met margrieten?’ Bart van Tooren Begin jaren negentig werd natuurontwikkeling slechts spaarzaam toegepast. Herintroductie van soorten was nauwelijks aan de orde. Inmiddels is er veel veranderd en is herintroductie bij natuurbeheerders een veelgebruikt instrument. Maar is dat wel een goede zaak?

10

Natuurbeheer voor de nauwe korfslak Arno Boesveld, Sylvia van Leeuwen, Tello Neckheim & Adriaan Gmelig Meyling De afgelopen jaren hebben beheerders veel tijd en geld gestoken in het herstel van het Natura 2000-habitatype Grijze duinen. Dat gebeurt vaak op locaties die het leefgebied zijn van de nauwe korfslak. En dit beschermde dier ondervindt juist hinder van de herstelmaatregelen. Een andere aanpak is nodig om de pag. 10 populaties nauwe korfslakken in ons land te beschermen.

19

Papier ISSN 0024-1520 Foto omslag: Gruttokuiken zoekt insecten. (Foto: Astrid Kant)

2 | De Levende Natuur | jaargang 122 - nummer 1

Column: Het succes van de Maasheggen Noelle Aarts

Opinie: Exoten, altijd een probleem? Piet Schipper Exoten kunnen een plaag vormen, vooral in ecosystemen die al uit balans zijn. Snel ingrijpen is geboden om de schade te beperken. Vroeger pakte de boswachter zijn spade; nu wordt gekozen voor een langdurige voorbereiding met rapporten, bestekken en uitvoeringsplannen.


jaargang 122 | nummer 1 januari 2021

20

Herstelmaatregelen Natuurnetwerk vooral positief voor natte ecosystemen Dirk-Jan van der Hoek, Bart de Knegt & Paul Giesen Met name natte ecosystemen profiteren van de herstelmaatregelen die provincies financieren om de biodiversiteit in het Natuurnetwerk te verbeteren; droge ecosystemen veel minder. Herstelmaatregelen moeten daarom op grotere oppervlaktes en in hogere dichtheden worden toegepast, zodat er aan het gewenste natuurherstel kan worden voldaan.

Accent

Wadbodem krijgt eindelijk rust Erik Jansen, boswachter ecologie van Natuurmonumenten op Schiermonnikoog, is blij dat de bodemberoerende mosselzaadvisserij wordt afgebouwd.

pag. 20 Duur en start van verschraling bepalen dynamiek van brede orchis Jan Bakker, Yzaak de Vries, Heinz Düttmann, Eeuwe Dijk & Henk Everts In 1965 was de brede orchis een zeldzaam verschijnsel in het Stroomdallandschap Drentsche Aa; inmiddels doet de soort het beter. Toch zijn er verschillen in het herstel van de brede orchis. Waar kunnen die verschillen mee samenhangen?

26

34

Werk in uitvoering: Afgraven en zeven van grond besmet met Japanse duizendknoop Martijn van de Loo & Janneke van der Loop In Valkenswaard werd een brandhaard van de Japanse duizendknoop pag. 34 geëlimineerd. Daarvoor is de groeiplaats van deze hardnekkige woekeraar diep afgegraven, waarna de vrijgekomen grond zorgvuldig werd gezeefd. Hierop volgden jarenlange controles op hergroei.

37 39

Boeken

LandschappenNL Samengesteld en gefinancierd door de twaalf provinciale Landschappen. Deze keer berichten van Het Zeeuwse Landschap en Het Drentse Landschap.

“In december hebben LNV, natuurorganisaties en de mosselvissers een convenant gesloten over stapsgewijze vermindering van het opvissen van mosselen in de westelijke Waddenzee. De vissers gaan het duurzamere alternatief, het vangen van mosselzaad met gebruik van zogeheten mosselzaad-invanginstallaties, uitbreiden waardoor ze de bodem van de Waddenzee met rust kunnen laten. “Nu is 30 % van de bodem al gevrijwaard. Over vijf jaar krijgt 65 % rust en in 2029 wordt dat 100 %. Dat duurt nog even, maar het is een flinke stap in de goede richting. Het zou mooi zijn als bijvoorbeeld de garnalenvissers dit voorbeeld volgen. Bij Schiermonnikoog zien we dat rust op de bodem leidt tot een voorzichtig herstel van natuurlijke mosselbanken. Die zijn erg belangrijk voor de biodiversiteit op het wad. Er groeien wieren en zeeanemonen zoals de weduweroos, er leven onder meer zeenaalden en zeepaardjes en het is de plek voor bijvoorbeeld opgroeiende schar en bot om zich te verschuilen. Maar eerlijk gezegd tasten we in het duister over wat we op termijn kunnen verwachten. We weten eigenlijk niet meer hoe een ongestoorde wadbodem zonder bodemberoering en intensieve visserij eruitziet. “De afspraken gaan overigens alleen over de bodemzaadvisserij, niet over de kweek van mosselzaad tot consumptiemossel op de kweekpercelen, bijvoorbeeld rondom Griend. Dat is nog een aandachtspunt.”

Wie moet de Heimans en Thijsse Prijs krijgen? Kent u iemand die een zich vol overgave inzet voor de natuurbescherming in Nederland? Of wilt u een organisatie in het zonnetje zetten die mensen enthousiast maakt voor natuur? Nomineer hem, haar of hen dan voor de Heimans en Thijsse Prijs 2021. Deze prijs – de Bronzen Spreeuw en een oorkonde – wordt om de twee jaar uitgereikt als erkenning van het werk van personen, groepen of organisaties die zich in de geest van Eli Heimans en Jac. P. Thijsse richten op natuurbeleving, natuurstudie en natuurbescherming. Kandidaten nomineren kan tot 15 maart. Zie voor de procedure en eerdere prijswinnaars: www.heimansenthijssestichting.nl/heimans-en-thijsse-prijs/

De Levende Natuur | januari 2021 | 3


Column

Het succes van de Maasheggen Noelle Aarts

D

e Maasheggen vormen het oudste cultuurlandschap van Nederland. Het betreft een klein gebied aan de Maas op de grens van Noord-Brabant en Limburg met meidoorn- en sleedoornheggen die in het voorjaar met hun weelderige bloei het landschap sieren. Dit heggenlandschap met weilandjes, drinkpoelen en oude knotbomen vormt bovendien een bron van biodiversiteit. Er is volop nestgelegenheid voor holtebroeders zoals steenuilen; bunzingen, vleermuizen, dassen, oeverzwaluwen, ijsvogels en tal van insecten gedijen hier. Ook dragen de heggen bij aan een gezonde, levende bodem. Waar in Nederland natuur en landbouw al gauw op gespannen voet staan met elkaar, is dat in de Maasheggen niet het geval. Hier werken boeren en natuurbeschermers samen aan het onderhoud van de heggen. Eline Koelman, biologiestudente aan de Radboud Universiteit, deed er onderzoek naar. Ze vroeg zich af waardoor de Maasheggen behouden zijn gebleven en wie op dit moment betrokken zijn bij het beheer ervan. Vroeger stonden er veel meer heggen in ons land. Hun belangrijkste functie was het binnenhouden van het vee. De meeste zijn in de loop der tijd verdwenen en vervangen door het veel goedkopere prikkeldraad, dat in de Eerste Wereldoorlog werd uitgevonden. Na de Tweede Wereldoorlog droegen schaalvergroting, toenemende intensivering van de landbouwproductie en bijbehorende ruilverkaveling er toe bij dat nagenoeg alle heggen werden gerooid. Zo niet in het Maasheggengebied. Daar ontstond al in de jaren vijftig van de vorige eeuw een lokale beweging van mensen die zich, met oog voor het cultuurhistorisch en ecologisch belang, inzetten om de nog bestaande heggen te redden. Ook de boeren waren in die tijd gecharmeerd van de heggen. Omdat ze tegelijkertijd een struikelblok vormden voor een efficiënte bedrijfsvoering en de heggen zich zonder onderhoud dood zouden groeien, werd in de jaren tachtig een beheerplan opgesteld met subsidieregelingen voor de boeren om de heggen te behouden en te verzorgen. Zo kreeg de aloude cultuur van heggenvlech-

ten een nieuwe impuls, met als hoogtepunt het in 2006 gestarte jaarlijkse Nederlandse Kampioenschap heggenvlechten waar alle bewoners uit het gebied, inclusief de burgemeester, aan bijdragen. De kroon op deze inmiddels unieke traditie is de toekenning in 2018 van de UNESCO Man and Biosphere-status aan de Brabantse zijde van het gebied. Dat is een eerbetoon aan gebieden waar mens en natuur hand in hand gaan. Op dit moment werken boeren, burgers en beleidsmakers samen aan nieuwe initiatieven en ontwikkelingen in de Maasheggen,

‘Versterken van de lokale cultuur is essentieel voor natuurbehoud’ ieder vanuit een eigen perspectief en belang. Voor natuurbeschermers geldt de ecologische waarde van de heggen. Burgers koesteren de heggen, omdat ze zich verbonden voelen met het gebied. Zij spreken er met genegenheid over en vertellen verhalen over hoe de kunst van het heggenvlechten van generatie op generatie is doorgegeven. Voor de vrijwilligers die helpen bij het onderhoud is hun werk bovendien een belangrijke sociale activiteit: lekker met zijn allen buiten bezig zijn. Ondernemers zien mogelijkheden

4 | De Levende Natuur | jaargang 122 - nummer 1

voor recreatie en streekproducten. De betrokken gemeenten doen er alles aan om de status van UNESCO te blijven verdienen en ondersteunen dit alles. Voor boeren vormen de heggen een mogelijkheid tot natuur-inclusieve landbouw. Al met al is de geschiedenis van het Maasheggengebied een verhaal van samenlopen van omstandigheden, van meevallers en tegenslagen, van vele ambities en van beleid, zo is de conclusie van Koelman. In dit samenspel is een zichzelf versterkend proces ontstaan, met als resultaat een veerkrachtige basis voor een gebied waarin moderne landbouw samengaat met de ontwikkeling en instandhouding van de biodiversiteit. Dit proces wordt gevoed met een gevoel van trots van de hele gemeenschap, trots op de schoonheid van de heggen, trots op het ambacht van heggenvlechten, trots op de geschiedenis van het landschap. De sleutel van het succes van het Maasheggengebied ligt in het feit dat verschillende belanghebbenden zich vanuit verschillende motivaties verantwoordelijk voelen om de heggen in stand te houden en samenwerken om nieuwe mogelijkheden te verkennen en te realiseren. Er is sprake van een groot besef van wederzijdse afhankelijkheid: alleen door samen te werken kunnen belangrijke stappen worden gezet en kan het unieke landschap worden behouden. Op dit moment hebben de naburige gemeenten Gennep, Mook en Bergen het plan om € 3,8 miljoen te investeren om ook de Limburgse Maasheggen de UNESCO-allure te geven die het gebied op de Brabantse oever al heeft. De heggen aldaar worden op dit moment in kaart gebracht. Gebruikers van grond waarop Maasheggen staan, kunnen binnenkort een gesprek verwachten met de betrokken gemeenten. Het onderzoek van Koelman bevestigt nog eens dat het versterken van de lokale cultuur essentieel is voor het behoud van de natuur. Dat lokale initiatieven waar mensen om diverse redenen graag aan bijdragen het verschil maken. Dat die initiatieven door overheden worden erkend en gewaardeerd. En dat goede voorbeelden navolging verdienen.


Aanvalsplan Grutto; is het genoeg?

Voldoende grote gebieden met een hoge grondwaterstand moeten het tij voor de grutto en andere weidevogels doen keren. (Foto: Astrid Kant)

De Boerenlandvogelbalans van Sovon Vogelonderzoek Nederland laat er geen misverstand over bestaan: vogels als grutto, tureluur en scholekster verkeren in een nagenoeg vrije val. Met een Aanvalsplan Grutto proberen onder andere Vogelbescherming Nederland en de Haagse netwerker Pieter Winsemius het tij te keren. “Opgeven is geen optie.” Rob Buiter De krakeend: 7 % per jaar erbij gedurende dertig jaar! De putter: idem dito. De roodborsttapuit: bijna 8 % per jaar in de plus. Maar daarmee is het goede nieuws uit de Boerenlandvogelbalans van Sovon Vogelonderzoek Nederland ook wel zo’n beetje op. Naast nog een handjevol bescheiden stijgers, telt de balans die Sovon afgelopen najaar uitbracht eigenlijk vooral verliezers. De index voor de algemene boerenlandvogels staat in de afgelopen veertig jaar zelfs op een min van bijna 60 %. Het beeld voor de subgroep van vogels van het open boerenland, zoals onze ‘nationale’ grutto, is zelfs nóg dramatischer: die complete populatie

nam in vier decennia met 70 % af! Met de gedachte dat de aanval de beste verdediging is, werd eind 2020 een Aanvalsplan Grutto gepresenteerd. Dit plan, een initiatief van oud-milieuminister Pieter Winsemius, oud-burgervader van Leeuwarden en senator Ferd Crone, It Fryske Gea, de Friese Milieu Federatie en Vogelbescherming Nederland, werd in november aangeboden aan landbouwminister Schouten, die beloofde werk te maken van dit plan.

Kansgebieden Centraal in het plan van Winsemius c.s. staan zogenoemde kansgebieden: gebie-

den die voldoende groot zijn om een serieuze populatie weidevogels te kunnen herbergen. De opstellers denken daarbij aan dertig gebieden van tenminste 1.000 ha extensief beheerde landbouwgrond, met een donkergroene kern van tenminste 200 ha weidevogelreservaat, waar nóg later wordt gemaaid en waar het grondwater nóg hoger staat. Het waterpeil in de omliggende 1.000 ha moet ook fors omhoog – in het broedseizoen maximaal 20 cm onder het maaiveld – mestinjectie moet worden vervangen door het opbrengen van ruige stalmest en de veedichtheid moet worden beperkt tot maximaal één rund per hectare. Mede door deze maatregelen moet de kruidenrijkdom in het gras ook toenemen. Bovendien, zo zeggen de plannenmakers, zal er predatorenbeheer moeten worden gevoerd: minder ‘schuilbosjes’ en ‘uitkijkbomen’ voor predatoren in weidevogelgebied, elektrische rasters plaatsen tegen bijvoorbeeld vossen en ook daadwerkelijk ver- en bejaging van predatoren. De uiteindelijke keuze voor de dertig gebieden laten de opstellers van het

De Levende Natuur | januari 2021 | 5


Aanvalsplan aan de provincies, maar met name in Friesland, Noord- en Zuid-Holland en nog enkele andere ‘lage delen’ van Nederland in Utrecht, Groningen en Overijssel, zien zij kansen genoeg. De kosten voor het Aanvalsplan lopen op van € 25 miljoen in het eerste jaar tot € 50 miljoen in het vijfde en laatste jaar van de aanpassingen, ter compensatie voor productieverlies, bijvoorbeeld door later maaien. Uiteindelijk zouden de kosten beperkt moeten worden door een betere melkprijs voor ‘weidevogelmelk’, lagere waterschapslasten en ook een vergoeding voor de vermeden CO2-uitstoot uit veen door de hogere waterstand.

Weidevogeldirecteur Egbert van der Velde, weidevogelonderzoeker in Zuidwest-Friesland namens de Rijksuniversiteit Groningen, is op zichzelf enthousiast over het Aanvalsplan van Winsemius c.s. “Het is goed dat dit plan benadrukt dat weidevogelbescherming alleen op een voldoende grote schaal zinvol is. Dat laten de paar relatief goede gebieden in ons land, zoals de polder Rondehoep en Eemland wel zien. Daar moet dan ook wel maatwerk worden geleverd, bijna met een centrale coördinator, een ‘weidevogeldirecteur’ per gebied.” Tegelijk heeft Van der Velde ook wel bedenkingen. “Uit onze eigen jaarlijkse Gruttomonitor blijkt dat zelfs het beste nog niet goed genoeg is voor de grutto. In Skriezekrite Idzegea bijvoorbeeld, een weidevogelgebied van bijna 2.000 ha, komen ondanks kruidenrijke weilanden, nauwkeurig grondwaterbeheer én een groot areaal zoals in het Aanvalsplan wordt voorgesteld, toch niet voldoende jongen groot om de populatie op peil te houden. Alleen door intensief predatoren te ‘beheren’ kan je daar op korte termijn wat bereiken, anders blijft het dweilen met de kraan open.” Een fundamenteler probleem ziet Van der

Niet alleen de grutto zal profiteren van weidevogelbescherming op grote schaal. (Foto: Astrid Kant)

Velde in het gebrek aan voedsel; insecten dus. “Wil je serieus iets doen aan bescherming en stimulering van weidevogels, dan zal je het probleem van de insecten moeten aanpakken. Het wordt steeds duidelijker dat ons land wordt bedekt door een sluier van bestrijdingsmiddelen. Dan kun je wel zorgen voor meer kruidenrijke weiden, zoals in het Aanvalsplan staat, maar als die onder een continue druk staan van met name insecticiden, dan schiet het nog niet op.” Weidevogelonderzoeker Jelle Loonstra lijkt zelfs nog wat cynischer. Samen met collega promovendus Mo Verhoeven, met wie hij in december een gezamenlijk proefschrift verdedigde aan de Rijksuniversiteit Groningen, deed Loonstra meer dan vier jaar veldonderzoek aan Friese grutto’s, onder andere door ze van kleine zendertjes te voorzien. “Overal vonden we die zenders terug”, herinnert Loonstra zich. “Op plukplaatsen van bruine kiekendieven, bij havikshorsten en regelmatig ook onder dakpannen waar steenmarters hun onderkomen hadden. Op veel momenten waren we vooral bezig de dood van de weidevogels te onderzoeken in plaats van de rest van hun ecologie.” De vos lijkt als predator in grote delen van Friesland al uitgeschakeld. “Maar”, zegt Loonstra, “een heel scala van andere predatoren staat natuurlijk klaar om dat gat te vullen. Het uitrasteren van waardevolle broedgebiedjes met stroomdraad is voor grotere predatoren dan misschien een uitkomst. Maar roofvogels, kraaien en reigers en ook kleine grondpredatoren als wezeltjes hou je daarmee niet weg. En we moeten ook niet vergeten wat voor gigantische inspanning dit vraagt van

6 | De Levende Natuur | jaargang 122 - nummer 1

beheerders. Dus wat kan je doen? Haviken afschieten als je bij hun nesten de zenders van de grutto’s terugvindt? Ik dacht het niet!” “Het enige dat nog een beetje helpt tegen predatie”, weet Loonstra, “is een luchtmacht van weidevogels die groot genoeg is om rovers af te schrikken. Als er twintig of dertig weidevogels in de lucht hangen boven een perceel, dan heeft een bruine kiek of een havik geen schijn van kans! Dan heb ik het even niet over de predatoren die ’s nachts hun slag slaan, zoals marterachtigen. Maar zo’n grote verdedigingsmacht van weidevogels hoort inmiddels bij een landbouw van jaren geleden.” Dé sleutel om de weidevogels weer in de lift te krijgen, schuilt volgens Loonstra niet alleen in predatorenbeheer, maar in drie andere cruciale factoren: tijd, voedsel en ruimte. “Het aanvalsplan van Winsemius geeft dat ook aan. Voldoende tijd om de eieren uit te broeden en de jongen groot te krijgen en voldoende voedsel, insecten dus, om de kuikens in een goede conditie groot te krijgen. Het probleem zit hem zeker ook in de schaal die we daar met z’n allen voor willen vrijmaken. Soms krijg je het idee dat we de weidevogels alleen nog in een paar afgeschermde ‘dierentuinen’ in de benen kunnen houden.”

Zondebok Ook Jos Hooijmeijer, coördinator van het Friese weidevogelonderzoek van de RUG, ziet de focus op intensivering van het predatorenbeheer als een enorm zwaktebod. “Intensieve landbouw en weidevogels gaan al járen niet meer samen. Dan is het natuurlijk raar om nu ineens de predatoren als dé zondebok aan te wijzen, omdat


zij wel overweg kunnen met het landschap dat wij gemaakt hebben.” “Het cynische van de discussie”, stelt Hooijmeijer, “is dat er altijd is gekeken vanuit de mogelijkheden van de landbouw, niet vanuit de behoeften van de natuur. ‘Wat is nog inpasbaar in de bedrijfsvoering van de ondernemer?’ in plaats van ‘Wat wil de grutto?’ Het is in ieder geval duidelijk dat de maatregelen die tot nu toe zijn genomen in het kader van agrarisch natuurbeheer in het overgrote deel van de gevallen de achteruitgang hooguit hebben vertraagd.” Tegelijk ziet Hooijmeijer wel een professionalisering bij de boeren die zich hebben aangesloten bij de collectieven, die vereist zijn om nog in aanmerking te komen voor financiële steun voor agrarisch natuurbeheer. “Subsidie voor een stukje kansloos weidevogelland aan de rand van een bos, dat zie je gelukkig niet meer. Maar ook de succesvolle maatregelen worden genomen op basis van vrijwilligheid en inpasbaarheid in de bedrijfsvoering en dat is gewoon te mager.” Ondanks zijn licht pessimistische kijk op de toekomst van de biodiversiteit in het agrarisch landschap, hoopt Hooijmeijer op succes voor Winsemius en de zijnen. “Het zal nog een hele kluif worden, zeker als je ziet hoe de landbouworganisaties meteen al de hakken in het zand zetten toen dit plan werd gepresenteerd. Maar ook als het wel slaagt, zal het plan voor dertig ‘kansgebieden’ het effect hebben op de verschillende predatoren als dertig spreekwoordelijke honingpotten op een volk bijen. Vanuit de wijde omgeving zullen buizerds, kraaien, vossen en marterachtigen de weidevogelsnacks

weten te vinden, bij gebrek aan alternatieve prooien in het sterk verarmde omliggende landbouwgebied. Die predatoren zal je dus moeten bestrijden, wil het enige kans van slagen hebben. En ja, dat is een bijzonder wrange, oneerlijke conclusie.” Toch ziet Hooijmeijer ook nog wel een lichtpunt in dit vergezicht. “Als je deze dertig gebieden weet te realiseren, gebruik ze dan ook als een soort Living Labs om op praktijkschaal te kijken hoe je rendabele landbouw zou kunnen bedrijven met behoud van biodiversiteit. Daarmee zouden deze dertig ‘kansgebieden’ niet alleen een laatste redding kunnen bieden voor weidevogels, maar ook een mooie leerschool voor de landbouwtransitie.”

Optimisme Het pessimisme van de weidevogelonderzoekers is aan Kees de Pater van Vogelbescherming Nederland nog niet besteed. “Opgeven is in ieder geval geen optie. Ik weiger tenminste om nu al te concluderen dat het allemaal geen zin heeft. Natuurlijk, er is de afgelopen decennia een enorme disbalans in het agrarisch landschap ontstaan. Naast de dekens van stikstof en fosfaat, komen er ook steeds meer signalen over de sluier van bestrijdingsmiddelen die het land dreigt te verstikken. De plannen met het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid van de EU stemmen wat dat betreft niet hoopvol. Daar hoeven we vooralsnog geen drastische hervormingen van te verwachten. Maar tegelijk laten de ervaringen in gebieden als Eemland en de polder Rondehoep in Amstelland zien dat het wel degelijk mogelijk is om ook onder de huidige omstandigheden betekenis-

volle bescherming te bieden aan weidevogels. De drie sleutels uit het aanvalsplan – schaalgrootte, extensief beheer, predatorenbeheer – zijn daar al redelijk op orde.” De echte bestríjding van predatoren is volgens De Pater niet meer dan een laatste optie in het plan. “In de schaarse succesvolle gebieden wordt inderdaad ook op vossen gejaagd. Maar vóór je tot bejagen overgaat, is er nog heel veel te doen op het gebied van de inrichting van het landschap en het buitenhouden van boerderijkatten en vossen door middel van rasters. Onderzoek van onder andere Sovon heeft laten zien dat dat zogeheten ‘uitrasteren’ van percelen een groot effect geeft op de predatie van nesten met eieren door grotere grondpredatoren.” Zijn relatieve optimisme laat De Pater wel vergezeld gaan van een stevige waarschuwing aan het adres van landbouwminister Schouten, die ‘aan de slag’ zegt te gaan met het plan. “Alleen als dit plan integraal wordt opgepakt, maakt het kans van slagen. Voor de langere termijn is echt een transitie van de landbouw nodig, zoals Frans Timmermans en de Europese Commissie onlangs hebben voorgesteld in hun ‘van Boer tot Bord-principe’. Pas dan gaan we echt een verschil maken.”

Meer planten, meer insecten Het codewoord in de meeste initiatieven die weidevogels beschermen, is – naast hoger grondwater – ‘kruidenrijke weiden’. En dat is niet voor niets, zo blijkt uit een vingeroefening van entomoloog Frans van Alebeek, van Vogelbescherming Nederland. “Als ik kijk welke insecten kunnen leven op een monocultuur van Engels raaigras, dan kom ik op maximaal vijf soorten: wat rupsen en een paar insecten die galletjes maken op de blaadjes. Bloeien doet al dat raaigras in de Nederlandse weiden niet, dus nectar- en stuifmeeleters vind je er sowieso niet. Maar voeg ik vijf plantensoorten toe aan mijn virtuele weiland, gewoon simpele soorten als weegbree, margriet, pinksterbloem en wat klavers, dan kom je meteen al op 200 potentiële soorten insecten, die ook op stuifmeel en nectar van de kruiden afkomen. Ga je nog verder: een mengsel van inheemse kruiden zoals dat tegenwoordig in ‘weidevogelmengsels’ wordt verkocht, dan loopt dat aantal al snel op tot meer dan 500 soorten vlinders, bijen en andere insecten. En insecten, dat is – onder andere – vogelvoer!”

Voldoende insecten zijn cruciaal voor gruttokuikens. (Foto: Astrid Kant)

De Levende Natuur | januari 2021 | 7


Dilemma

(Foto: Pezibear)

‘Wie kan er tegen een grasland zijn dat weer vol staat met margrieten?’ In deze eerste aflevering van een nieuwe rubriek belicht oud-hoofdredacteur Bart van Tooren een dilemma in het natuurbeheer: wel of niet actief herintroduceren? Hij stuit op een generatiekloof. In 1991 bracht De Levende Natuur een themanummer uit over herintroductie. De slotboodschap van de redacteuren van dit themanummer was dat het inbrengen van soorten de signaalfunctie van de natuur verstoort: Hoe kun je nu zien of het goed of slecht gaat met de natuur als je soorten bewust inbrengt (Verkaar & Van Wirdum, 1991)? Natuurontwikkeling werd begin jaren negentig slechts spaarzaam toegepast; de EHS was nog maar net gestart. Veel landbouwgronden waren nog niet verworven om te dienen voor het vergroten of verbinden van natuurgebieden. Herintroductie was niet of nauwelijks aan de orde. Inmiddels hebben we in ons land duizenden hectares door natuurontwikkeling ‘teruggegeven’ aan de natuur. In veel natuurgebieden wordt voor herstel van bijzondere graslandtypen herintroductie van plantensoorten via het opbrengen van maaisel uit soortenrijk ‘donorgebied’ toegepast. Het is een regulier instrument

van de beheerder geworden. Een recent grootschalig voorbeeld is het Vlijmens Ven bij Den Bosch, waar soortenrijk maaisel met bijvoorbeeld vlozegge en blonde zegge uit het blauwgrasland de Bruuk bij Nijmegen is opgebracht (Janssen, 2020). Maar in elke provincie zijn er wel voorbeelden te vinden. Bij dieren is de herintroductie van raven, bevers en otters succesvol geweest. Inzaaien om snel een bloemrijker grasland te verkrijgen, waarbij zeldzame planten niet direct het hoofddoel zijn, is al onderdeel van de gangbare advisering over graslandherstel (Eichhorn et al., 2020). Eigenlijk is de motivatie bij de recente voorbeelden van herintroductie van plantensoorten verrassend simpel: de maatschappij steekt enorm veel geld in aankoop van deze gronden, dan moet er toch ook snel resultaat zijn? En bijzondere soorten zijn de maatstaf voor succes; een redenatie waar weinig tegenin te brengen is.

8 | De Levende Natuur | jaargang 122 - nummer 1

Als jong ecoloogje leerde ik het belang van gradiënten in het landschap. Ik zag nog subtiele overgangen van droge naar natte heide, zelfs naar blauwgrasland, hoewel heel veel al verloren was gegaan en nog veel meer verloren zou gaan. Gelukkig werden later, onder meer in Stroothuizen en de Lemselermaten in Twente, bij zorgvuldig herstelbeheer vroegere gradiënten weer blootgelegd. De waterhuishouding kon hersteld worden en soorten als moeraskartelblad en parnassia keerden terug of breidden zich uit (Jansen et al., 2007). Ook veel huidige groeiplaatsen van vetblad zijn te danken aan geslaagd herstelbeheer. Het is fantastisch dat al die natuurbeheerders van aanpakken weten, terwijl je zelf zodanig vol zou zitten met twijfels over de juiste aanpak dat er geen spa de grond in zou gaan. Er waren de sterke staaltjes van soorten die na een halve eeuw weer terugkeerden. In Twente was dat bijvoorbeeld zwart hauwmos (een levermos), dat in Nederland alleen van daar bekend was. Halverwege de vorige eeuw verdween het, nadat op die plek een halve meter zand was opgebracht om het land te verbeteren en die nu weer terugkeerde nadat er weer was afgegraven tot de oorspronkelijke laag (During et al., 1996).


In afgegraven landbouwgrond staan nu steeds vaker bijzondere planten. Maar je weet niet of die daar spontaan verschijnen, of dat ergens maaisel vandaan is gehaald. Ik verbaas me soms over het gemak waarmee maaisel van elders wordt opgebracht, want het is juist zo interessant om te zien wat er spontaan terugkeert. Dat aspect van de ecologie van soorten is blijkbaar alleen wetenschappelijk nog interessant, maar heeft geen betekenis in het natuurbeheer. Alleen herintroduceren als soorten het gebied niet zelfstandig kunnen bereiken, vergt te veel geduld en we willen snel resultaat zien. De regel dat je alleen herintroduceert met lokaal materiaal is in de praktijk zeer rekbaar. Want wat als dat er gewoon niet meer is? En dan hebben we het nog niet eens over het inzaaien van bermen of akkerranden, een heel ander onderwerp. Het inzaaien van kleurrijke akkerranden is al heel lang gangbare praktijk, zoek hier maar eens op internet naar. Het alleen laten gebruiken van inheemse plantensoorten (zonder cultivars!) lijkt daarbij een verloren strijd. Critici vertelden vroeger dat je niet van natuurontwikkeling moest spreken, maar van ‘natuurtechnische milieubouw’ (Westhoff, 1985). Bij die eerste natuurontwikkelingsprojecten vond ik dat een beetje overdreven: er werd toch hersteld wat er vroeger ook was geweest? Maar dat is nu lang niet meer altijd zo. Er wordt flink afgegraven, er worden overal in het land poelen aangelegd en het resultaat is soms heel fraai. Maar herstel van de vroegere, subtiele gradiënten in het landschap zit er zelden meer bij. Soms wordt er gewoon een nieuw landschap geschapen.

Kritische depositiewaarden niet meer van belang? “Hoe kun je nu zien of het goed of slecht gaat met de natuur als je soorten bewust inbrengt?”, schreven we in 1991 al in De Levende Natuur. De aanpak van de stikstofdepositie is tot op heden volstrekt onvoldoende. In ons ecologenjargon: de kritische depositiewaarden zullen ook in 2030 op veel plaatsen nog overschreden worden, het uitsterven van soorten is onvermijdelijk, bijvoorbeeld in blauwgraslanden die op veel plaatsen in een deplorabele staat zijn. Is het dan goed nieuws dat je gewoon kunt graven tot je bij het grondwater bent en daar maaisel op kunt brengen? Succes gegarandeerd als je het goed doet. Misschien niet altijd heel duurzaam, maar je

kunt de maatregel weer herhalen. Het kost wat, maar dan kun je blijven boeren en de stikstofdepositie te hoog laten zijn. Jammer genoeg is de fauna meestal nog veel kritischer dan de planten en is hun herintroductie veel minder succesvol. De insectenpopulaties blijven dramatisch achteruitgaan. Wij bepalen in hoge mate als land zelf hoeveel ruimte we geven aan weidevogels; evenzo geldt dat voor bijvoorbeeld de akkerfauna. Dat is tot nu toe heel weinig, maar dat komt simpelweg doordat de overheid toch blijft kiezen voor het huidige landbouwbeleid en je bij weidevogels met pappen en nathouden niets bereikt. Maar anders dan grutto’s, kun je planten wel herhaald zaaien. Blauwgraslanden of vochtige heide kun je wel in een ‘gunstige staat van instandhouding’ (Natura 2000-jargon) krijgen en houden, zelfs met een te hoge stikstofdepositie. Naarmate je als overheid minder bereid bent om gunstige uitgangssituaties te creëren, moet je alleen vaker maaisel opbrengen of inzaaien. We hebben de afgelopen 30 jaar geleerd hoe dat moet, maar hoe ver gaan we daarin? De bovengenoemde signaalfunctie van de natuur is duidelijk een achterhaald idee, maar waar leggen we de grens nu en in welke mate zal die de komende decennia nog verschuiven? Waar houdt natuurbeheer op en waar begint tuinieren? Daarbij gaat het wel om het herstel van heel bijzondere graslandtypen, met een internationale verplichting tot instandhouding. En waar ligt de grens bij het inzaaien van bermen, akkerranden, of ‘gewone’ bloemrijke graslanden? Wie kan er tegen een grasland zijn dat weer vol staat met margrieten en waar bijen zoemen? Iedereen blij, behalve menig karteerder van plantensoorten die zich steeds meer

afvraagt wat hij of zij eigenlijk aan het doen is. Maar dat terzijde. Eerlijk is eerlijk, dank aan de beheerder die kleur in ons steeds legere landschap terug heeft gekregen en ons een vrolijke wandeling bezorgt. En mag dat dan wel en het helpen van bijzondere soorten in blauwgraslanden niet?

Generatiekloof Er is klaarblijkelijk sprake van een generatiekloof. Het is immers vooral een jongere generatie natuurbeheerders die zo vanzelfsprekend en voortvarend aan de gang gaat met herintroductie. “Wij willen toch ook bijzondere natuur zien, natuur herstellen, dat is toch onze taak? Sterker nog, het is onze plicht.” En ze hebben gelijk, al zou het wel fijn zijn als ze ook ergens in een hoekje ruimte lieten voor spontane ontwikkeling. Alle argumenten van vooral de oudere generatie om heel terughoudend te zijn met herintroductie zijn waar, maar het zijn andere tijden. De signaalfunctie van de natuur is geen issue meer; niemand wil een leeg landschap. Soms denk ik met weemoed terug aan de vroegere gradiënten in het landschap, resultaat van subtiele ontwikkelingen gedurende vele decennia. Literatuur During, H.J., A.T.W. Eysink & C. Sérgio, 1996. Anthoceros caucasicus Steph. Found in The Netherlands. Lindbergia 21: 97-100. Eichhorn, K., E. Brouwer, E. Dorland, R. Ketelaar & T. van den Broek, 2020. Kruidenrijke natuurgraslanden ontwikkelen op fosfaatrijke grond: wat is er mogelijk? DLN 121: 92-95. Jansen, A.J.M., C.J.S. Aggenbach, A.T.W. Eysink & D. van der Hoek, 2007. Herstel van natte schraallanden op minerale gronden. DLN 108: 96-102. Janssen, J., 2020. Is het vegetatie? Stratiotes 55: 3-5. Verkaar, H.J.P.A. & G. van Wirdum, 1991. (Her-) introductie: redding of face-lift van de natuur? DLN 92: 196-200. Westhoff, V., 1985. Natuurtechnische milieubouw of natuurbouw? DLN 86: 136-138.

In deze rubriek wordt een dilemma in het natuurbeheer aan de orde gesteld. Hebt u een suggestie, of wilt u zelf een dilemma belichten? Neem dan contact op met redactie@delevendenatuur.nl. Parnassia. (Foto: Anton van Haperen)

De Levende Natuur | januari 2021 | 9


Natuurbeheer voor de nauwe korfslak Door stikstofneerslag en instorting van de konijnenstand zijn open duingraslanden verruigd en begroeid geraakt met struweel. De afgelopen decennia is veel geld en energie gestoken in maatregelen om het Natura 2000-habitatype Grijze duinen te herstellen. De locaties waar deze maatregelen zijn uitgevoerd zijn echter bij uitstek het leefgebied van de nauwe korfslak (eveneens beschermd op grond van de Habitatrichtlijn). Door op grote schaal te plaggen, begrazen, maaien en klepelen zijn de nauwe korfslak en ook de meeste andere soorten landslakken in deze gebieden sterk achteruit gegaan. Wij vragen aandacht voor deze zorglijke ontwikkeling en laten zien wat nodig is om het tij voor de nauwe korfslak te keren. Arno Boesveld, Sylvia van Leeuwen, Tello Neckheim & Adriaan Gmelig Meyling De nauwe korfslak (Vertigo angustior) is een huisjesslak met een maximale hoogte van 2,2 mm hoog. De stevige, roodbruine huisjes zijn linksgewonden en lijken qua vorm op een bijenkorfje (foto 1). In Nederland leeft de nauwe korfslak vooral in de kalkrijke kustduinen, van het Zwin in Zeeland tot Bergen in Noord-Holland. Boven het Noordzeekanaal zijn de populaties klein, zowel qua oppervlakte leefgebied als qua aantallen. Op enkele dynamische kwelders in het oostelijk Waddengebied komen plaatselijk individurijke populaties voor; in het binnenland is de soort alleen zeer plaatselijk en in lage dichtheden aangetroffen in rivierduinen in de Gelderse Poort en in enkele kalkrijke kwelgebiedjes in gras- en zeggevegetaties in Limburg (Boesveld et al., 2010; Keulen & Majoor, 2017; Neckheim, 2018).

Foto 1. De nauwe korfslak is een huisjesslak van zo’n 2 mm hoog. (Foto: Adriaan Gmelig Meyling)

Verborgen in de strooisellaag De slakjes leven in uiteenlopende vegetaties, verborgen in de strooisellaag. Ze hebben een voorkeur voor luchtige, voedselrijke, kalkrijke, ongestoorde bodems met bodemstrooisel en een relatief warm, vochtig microklimaat. De grootste dichtheden komen voor in half open tot driekwart dichte vegetaties, in duindoornstruwelen en populierenbosjes (foto 2). In randzones van struwelen zijn de dichtheden vaak aanmerkelijk hoger dan in de struwelen zelf. Onder optimale omstandigheden kan de dichtheid oplopen tot meer dan 1.500 exemplaren per m2. Vegetaties van duindoorn en populier zijn zo geschikt omdat het bladstrooisel daarvan veel kalk bevat en snel verteert, waardoor continu kalk vrijkomt. Ook duinrietvegetaties en

10 | De Levende Natuur | jaargang 122 - nummer 1

andere vegetaties van langhalmige grassen zijn geschikt, met name varianten met duinsnavelmos die in het midden- en buitenduin onder vochtige omstandigheden groeien. Vegetaties met eenstijlige meidoorn, wilde liguster, wegedoorn, kardinaalsmuts en gewone vlier zijn matig geschikt: de soort komt er wel voor, maar de gemiddelde dichtheden zijn lager. In eiken- en naaldbossen is de nauwe korfslak niet aanwezig. Het strooisel is hier te zuur. Ook ongeschikt zijn droge, strooiselarme vegetatietypen waar de temperaturen in de zomermaanden hoog kunnen oplopen, zoals buntgras- en groot duinsterretje-typen (Boesveld et al., 2010; Boesveld, 2013a). Voor de nauwe korfslak is bodemrust belangrijk. Op plaatsen met sterke betreding door ingeschaard vee worden


veel lagere dichtheden aangetroffen of is de soort afwezig. Ook op locaties waar de zon volledig tot de bodem doordringt, is de soort minder of niet aanwezig (Boesveld et al., 2010). Dagelijkse overstroming met zout water verdraagt de soort niet. Op dynamische kwelders leeft de soort bijvoorbeeld op wat hoger gelegen duintjes. De nauwe korfslak is dus best een kieskeurig diertje. Dat maakt hem extra kwetsbaar voor ingrepen zoals plaggen en begrazen, die de afgelopen jaren op grote schaal hebben plaatsgevonden.

Sterke afname in Nederland De nauwe korfslak is overal in Europa zeldzaam en is sinds 1992 opgenomen in bijlage II van de Europese Habitatrichtlijn. Nederland heeft daarom voor deze soort twaalf speciale beschermingszones (Natura 2000-gebieden) aangewezen, waarvan elf gebieden met kustduinen en één gebied in het binnenland. Binnen deze gebieden moet de landelijke instandhoudingsdoelstelling gerealiseerd worden. Deze luidt: “Behoud omvang en kwaliteit leefgebied ten behoeve van behoud populatie”. Streefbeeld daarbij is instandhouding van natuurlijk voorkomen in 38 10x10 km-hokken en 165 1x1 km-hokken (Ministerie van Economische Zaken, 2008). Binnen deze Natura 2000-gebieden moeten ook tal van andere soorten beschermd worden. Hoewel de staat van instandhouding van nauwe korfslak al in 2008 als ‘matig ongunstig’ werd beoordeeld, is niet gekozen voor een verbeterdoelstelling, onder meer omdat het ministerie verwachtte dat het habitatverlies uit het verleden tot stilstand was gekomen en het resterende duinhabitat goed beschermd was. Ook veronderstelde het Rijk dat de soort zou profiteren van de toenmalige plannen om duingebieden meer gevarieerd te maken (Ministerie van LNV, 2008). De instandhoudingsdoelstelling op gebiedsniveau in de aanwijzingsbesluiten van deze gebieden is gelijk aan de landelijke doelstelling (Ministerie van LNV, 2020). Het Rijk vond het toelaatbaar dat de oppervlakte duindoornstruwelen (habitattype H2160) zou afnemen ten gunste van meer bedreigde duinhabitattypen, zoals grijze duinen (habitattype H2130) (Ministerie van LNV, 2006). Uit CBS-analyses op basis van monitoringonderzoek van Stichting Anemoon

Kader 1:

Monitoringonderzoek naar de nauwe korfslak

Sinds 2004 verricht Stichting Anemoon systematisch verspreidingsonderzoek naar de nauwe korfslak ten behoeve van de rapportages in het kader van de Habitatrichtlijn. Deze monitoring is onderdeel van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM). In de periode 2004-2010 zijn in opdracht van de Rijksoverheid de actuele en de potentiële verspreiding in kaart gebracht op een schaalniveau van 10x10 km. Daarbij zijn niet alleen gebieden onderzocht waarvan het voorkomen van de soort al bekend was, maar ook gebieden met potentieel geschikt leefgebied voor de nauwe korfslak. Per hok van 10x10 km zijn meerdere monitoringlocaties (plots) op gestandaardiseerde wijze bemonsterd door het verzamelen van bodemstrooisel. Dit wordt gedroogd en gezeefd, waarna de grove fractie op zicht wordt uitgezocht en de fijne fractie onder een binoculair. Per monster wordt het aantal nauwe korfslakken vastgesteld. Sinds 2010 worden elke zes jaar minimaal 300 plots onderzocht, verspreid over actueel en potentieel leefgebied. Op die manier kunnen veranderingen in het verspreidingsgebied en relatieve veranderingen in de populatieomvang worden vastgesteld. Door ook potentieel leefgebied te monitoren kan uitbreiding naar nieuwe gebieden ontdekt worden. De monitorgegevens van 2004 t/m 2017 zijn door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) geanalyseerd en de resultaten zijn gepubliceerd op het Compendium voor de Leefomgeving (indicator 1415). Dit artikel betreft hoofdzakelijk de waarnemingen in 2004 t/m 2017, en een eerste indruk op basis van de voorlopige monitorgegevens voor de periode 2018-2023.

Foto 2. Vochtige ruigten in oevers van infiltratiekanalen zoals deze in de Amsterdamse Waterleidingduinen zijn gunstige habitats voor de nauwe korfslak. (Foto: Arno Boesveld)

(zie kader 1) blijkt dat de nauwe korfslak in de periode 2004 tot en met 2017 sterk is afgenomen (CBS et al., 2018; CBS, 2018a; CBS, 2018b), zowel in verspreiding als in populatieomvang. Het aantal 10x10 km-hokken waar de soort voorkomt, is gedaald van 27 naar 23. Ondanks zeer uitgebreid onderzoek is de soort dus in vier 10x10 km-hokken niet meer teruggevonden, terwijl er geen vestiging in nieuwe hokken heeft plaatsgevonden (fig. 1). Minstens zo zorgelijk is dat de aantallen per locatie ten opzichte van de periode 2004-2009 gemiddeld met meer dan de helft zijn afgenomen (fig. 2). In sommige 10x10 km-hokken zijn de populaties zo in omvang verminderd dat een reëel risico bestaat dat de soort daar in de toekomst geheel verdwijnt (Keulen & Majoor, 2017; Neckheim, 2018; Boesveld & Gmelig Meyling, 2020a). Vanwege de sterk verslechterde situatie

moest Nederland in 2019 over de nauwe korfslak een zeer ongunstige staat van instandhouding en een zeer ongunstige trend aan de EU rapporteren (Wageningen University & Research, 2020). Dit betekent dat de instandhoudingsdoelen van Natura 2000 niet worden gehaald. Deze afname heeft zich vrijwel volledig afgespeeld in de ‘speciale beschermingszones’ die voor de nauwe korfslak zijn aangewezen en in andere Natura 2000-gebieden. Daarbuiten komt deze soort slechts sporadisch voor. Uit de voorlopige monitor-resultaten in de periode 2018-2020 ontstaat de indruk dat de achteruitgang zich nog verder doorzet (nog ongepubliceerde waarnemingen Stichting Anemoon). Omdat het overgrote deel van de populaties in de duinen leeft en in elk biotoop andere factoren een rol spelen (zie Keulen en Majoor, 2017), is de rest van dit artikel

De Levende Natuur | januari 2021 | 11


120 100

INDEX

80 60 40 20 0 2004-2009 Figuur 1. Ontwikkeling verspreiding van de nauwe korfslak op basis van 10x10 km-hokken. Lichtgroen vierkant: actueel en potentieel leefgebied, soort aanwezig in de periode 2004-2011. Wit bolletje: vanaf 2012 niet meer aanwezig. Donkergroen bolletje: aanwezig in de periode 2012-2017. In een hok (Rottum) kon monitoring in de periode 2012-2017 niet plaatsvinden.

gericht op de duinen. Onder meer in de Natura 2000-gebieden Kop van Schouwen en Manteling van Walcheren is de situatie zorgwekkend. Op de Kop van Schouwen is de soort in één 10x10 km-hok, ondanks zeer uitgebreid onderzoek op 80 monsterlocaties, sinds 2012 niet meer aangetroffen (wit rondje in fig. 1; CBS, 2018; Stichting Anemoon, 2018). Op Walcheren is het onderzoek in opdracht van de Provincie Zeeland nog niet helemaal afgerond, maar uit tussentijdse analyses blijkt dat de soort tussen 2005 en 2020 sterk is afgenomen. De grootste afname heeft plaatsgevonden tussen 2014 en 2020 (Boesveld & Gmelig Meyling, 2020a). Als het beheer niet wordt aangepast, is de kans aanzienlijk dat de soort daar in de toekomst gaat verdwijnen. De Provincie Zeeland is voornemens maatregelen te nemen. Ook in het Noordhollands Duinreservaat is de situatie kwetsbaar. De nauwe korfslak-populaties waren er al klein, zowel qua oppervlakte leefgebied als qua aantallen. In 2018 bleek dat de soort op zes van de acht monsterpunten was verdwenen of achteruitgegaan. De kans is groot dat een deel van deze populaties op termijn verdwijnt (Neckheim, 2018). In november 2018 is de achteruitgang van de nauwe korfslak besproken tijdens een bijeenkomst met de provincies, BIJ12, duinbeheerders, het CBS, Stichting Anemoon, Stichting Bargerveen en Wageningen University & Research. Alleen de provincie Zeeland is sindsdien gestart met het nauwkeurig in kaart brengen van populaties en concrete beschermingsplannen voor de nauwe korfslak.

2010-2014

2015-2017

Figuur 2. Trend van de landelijke populatie nauwe korfslak. Indexcijfers op basis van gemiddeld aantal levende dieren in gestandaardiseerde monsters verzameld op monitoringlocaties (N = 182). Bron: CBS, 2018b (data Stichting Anemoon, berekening CBS). De veranderingen zijn statistisch significant (betrouwbaarheid > 95 %).

Afname van andere soorten landslakken De nauwe korfslak is net als veel andere soorten landslakken en kleine bodem- en strooiselorganismen gebonden aan specifieke micro-klimatologische omstandigheden die niet of beperkt van belang zijn voor grotere organismen. Het is daarom logisch dat de afname van de nauwe korfslak niet op zichzelf staat. Ook de meeste andere soorten landslakken die voorkomen in de biotoop van deze soort zijn sterk afgenomen (tabel 1). Maar liefst 24 van de 31 soorten landslakken die daarin leven zijn afgenomen in areaal (1x1 km-hokken) en/of in populatieomvang. Drie soorten zijn stabiel en alleen vier zuidelijke, warmteminnende soorten zijn toegenomen. Naast de intrinsieke waarde van elke soort voor de biodiversiteit, hebben landslakken een belangrijke rol in het ecosysteem. Ze dragen bij aan de compostering van de bodem doordat veel soorten bladafval, detritus, schimmels en aas eten. Ze zijn ook voedsel voor vogels, insecten (o.a.

slakkendoders), egels en andere kleine zoogdieren. Voor diverse dieren zijn de huisjes een bron van kalk.

Achteruitgang hangt samen met beheer De geconstateerde afname was geen complete verrassing. Al in 2010 waarschuwde Stichting Anemoon dat de herstelmaatregelen in de duinen negatieve gevolgen konden hebben voor de nauwe korfslak (Boesveld et al., 2010). In gebieden waar al geruime tijd begrazing plaatsvond werden namelijk lage dichtheden of geheel geen nauwe korfslakken meer aangetroffen, terwijl deze buiten de begraasde gebieden wel in grote dichtheden werden gevonden (Boesveld et al., 2010). Soms letterlijk net buiten het raster (foto 3). De slakjes kwamen toen nog talrijk voor in veel duingebieden. In de jaren daarna werd steeds duidelijker hoezeer de nauwe korfslak te lijden had van het toenemende aantal maatregelen om Grijze duinen te herstellen, met name

Foto 3. De invloed van begrazing op de vegetatie is duidelijk zichtbaar, zoals hier in het gebied de Bierlap, een duinvallei in Meijendel die sinds 1990 begraasd wordt. In het begraasde deel ontbreken levende landslakken vrijwel geheel, terwijl achter het raster meerdere soorten in hoge aantallen voorkomen waaronder de nauwe korfslak (Boesveld, 2013b). (Foto: Arno Boesveld)

12 | De Levende Natuur | jaargang 122 - nummer 1


Aantal levende exemplaren per monster

Aanwezigheid in 1x1 km-hokken

Legenda

Soortnaam/Periode

2004-2018

2004-2018

--

Sterke afname

Plompe dwergslak

--

--

-

Matige afname

Slanke dwergslak

0

--

0

Geen significante verandering

Nauwe korfslak

--

--

+

Matige toename

Kleine korfslak

--

0

++

Sterke toename

Dwerg-korfslak

--

-

Gestreepte korfslak

--

0

Mostonnetje

--

--

Geribde jachthorenslak

--

-

Scheve jachthorenslak

--

-

Vale clausilia

--

0

Grote barnsteenslak

0

0

Langwerpige barnsteenslak

--

-

Dwergpuntje

--

-

Boerenknoopje

0

--

Doorschijnende glasslak

-

--

Bruine blinkslak

--

0

Ammonshorentje

--

--

Look-glansslak

--

--

Kelder-glansslak

0

0

Grote glansslak

0

0

Donkere glimslak

0

--

Gladde tolslak

--

--

Haarslak

--

-

Heesterslak

--

-

Zwartgerande tuinslak

--

0

Agaathoren

--

0

Ruwe korfslak

--

--

Duintolletje

++

0

Grofgeribde grasslak

++

0

Grote kartuizerslak

++

0

Genaveld tonnetje

+

0

Tabel 1. Trends van andere landslaksoorten in Nederland in potentieel leefgebied van de nauwe korfslak in de kustduinen, periode 2004 t/m april 2018. Bron: data Stichting Anemoon, berekening CBS. Trends berekend met programma TRIM, multiplicatieve slope (aantal per monster) en occupancy-model, multiplicatieve slope (aanwezigheid in kilometerhokken). Alleen statistisch significante trends (betrouwbaarheid > 95 %) zijn weergegeven.

Foto 4. In veel duingebieden worden beheermethoden als plaggen, klepelen en begrazen gecombineerd, waardoor de achteruitgang van aantallen nauwe korfslakken extra snel verloopt. (Foto: Arno Boesveld)

grootschalig plaggen, begrazen, klepelen en maaien (Anemoon, 2018). Door al deze ingrepen ging geschikt biotoop met langhalmige grassen en duindoornstruweel voor de slakken verloren. Vaak werden meerdere van deze maatregelen gecombineerd en was het effect nog sterker (foto 4). Ook zijn in meerdere duingebieden populieren verwijderd of geringd, zodat ze afsterven. De habitat werd daardoor abrupt of geleidelijk minder geschikt of uiteindelijk ongeschikt voor nauwe korfslakken, doordat de bodem te kaal en de vegetatie te open wordt. Daardoor dringt meer zonlicht door tot de bodem en wordt het microklimaat te droog. Ook neemt de hoeveelheid strooisel op de bodem af. Het gebruik van zware machines en de betreding door vee zorgen voor verdichting van de bodem (foto 5). Nauwe korfslakken hebben een open luchtige bodem met strooisel nodig en beschutting van de vegetatie. Ze zijn ook weinig mobiel en kunnen op eigen kracht niet zomaar migreren naar plekken met een gunstiger habitat. Met de afvoer van plaggen, geklepeld materiaal en maaisel wordt bovendien ook een groot deel van de slakkenpopulatie uit het gebied verwijderd. Het verdwijnen van duindoornstruwelen en populieren (de belangrijkste habitats voor nauwe korfslak in de duinen) is extra nadelig, omdat dit leidt tot een verminderde toevoer van kalkhoudend strooisel in de bodem waardoor deze sneller verzuurt. Deze verzuring vindt het eerst plaats in de toplaag van de bodem waar de slakken leven. In fig. 3 is te zien dat de nauwe korfslak gemiddeld veel sterker achteruit is gegaan in begraasde gebieden (-86 %) en in gebieden met overig beheer zoals plaggen, periodiek maaien, klepelen en populieren verwijderen (-70 %) dan in gebieden zonder beheer (-20 %). In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat een natuurvergunning nodig is voor activiteiten die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de aangewezen soorten (de instandhoudingsdoelen) in een Natura 2000-gebied. PAS-maatregelen in de duinen werden echter vrijgesteld van deze vergunningplicht. Daardoor

De Levende Natuur | januari 2021 | 13


120 100

-20%

werden de gevolgen voor de nauwe korfslak vooraf onvoldoende onderzocht en meegewogen. Het negatieve effect van deze beheermaatregelen op nauwe korfslak kan zeer fors en langdurig zijn. Op monitoringlocaties waar circa 1-5 jaar geleden geklepeld is en voordien vitale populaties leefden, is de soort niet meer teruggevonden. Het negatieve effect van plaggen is extra groot als dat grootschalig gebeurt en gevolgd wordt door begrazing. Uit het onderzoek van Stichting Anemoon blijkt dat de nauwe korfslak zelfs na zeer lange tijd (ca. 25 jaar) niet in staat is zich in dergelijke gebieden opnieuw te vestigen. Voorbeelden daarvan zijn de Kikkervalleien in Meijendel (in 1996 geplagd) en de Jan Boeredel-vallei in Berkheide (in 2001 geplagd), waar de nauwe korfslak op de geplagde delen nog altijd niet is teruggekeerd, terwijl de soort ook aanwezig was in direct aangrenzende niet geplagde delen. In Meijendel zijn bij de grootschalige plagwerkzaamheden potentieel geschikte gebiedjes voor nauwe korfslak gespaard, zodat de soort zich vanuit deze refugia weer in het omliggende gebied zou kunnen verspreiden. In de praktijk heeft dit echter niet goed uitgepakt, doordat gespaarde refugia klein waren en later alsnog onder het zand verdwenen door overstuiving (foto 6). In Waterbos (Voornes Duin) hebben refugia in de geplagde vlaktes niet goed gewerkt, omdat ze niet beschermd werden tegen het vee, dat juist in de refugia ging grazen omdat er op de geplagde delen onvoldoende te eten was. De les hieruit is dat bij de locatiekeuze voor grootschalig plaggen en refugia rekening gehouden moet worden met de overheersende windrichting in relatie tot de locaties van nauwe-korfslakpopulaties en de aard van het vervolgbeheer. Hoe groot refugia moeten zijn is nog niet systematisch onderzocht. Dit hangt af van de omvang van het plaggebied, de mate van verstuiving en de aanwezige vegetatie. Als globale orde van grootte denken we bij grootschalig plaggen aan refugia van minimaal enkele hectaren. Een positief voorbeeld is Ter Heijde, waar twee geplagde valleien juist beschermd zijn tegen begrazing. Uit de monitoring is gebleken dat deze geplagde delen na circa acht jaar opnieuw gekoloniseerd zijn door de nauwe korfslak uit aangrenzende delen. Het effect van begrazing verloopt logischerwijs sneller bij drukbegrazing dan bij extensieve begrazing. Bij intensief

INDEX

80 60 40 20

geen beheer (n=58)

-70%

begraasd (n=47)

-86%

overig beheer (n=29) 0 2004-2009

2010-2014

2015-2017

Figuur 3. Ontwikkeling van het gemiddeld aantal nauwe korfslakken per monster in gebieden met verschillende soorten beheer, 2004-2017. De ogenschijnlijke toename in begraasd gebied gedurende de tweede periode is niet significant. Vooral in de derde periode werd begrazing grootschalig toegepast en trad een significant negatief effect op. Plots waar de soort nooit is aangetroffen maken wel deel uit van de monitoring, maar zijn in deze grafiek buiten beschouwing gelaten. Bron: CBS, 2018 (data Stichting Anemoon, berekening CBS).

Foto 5. Na plaggen en begrazen is het gebied ongeschikt geworden voor de nauwe korfslak. De vegetatie is te kort en te open, de strooisellaag is minimaal en de bodem verdicht door tred van het vee. (Foto: Arno Boesveld)

begraasde gebieden zien we binnen enkele jaren een zeer sterke afname van nauwe korfslakken en andere soorten landslakken. Bij extensieve begrazing verloopt de achteruitgang meer geleidelijk, maar kan de nauwe korfslak op den duur toch volledig verdwijnen. Een voorbeeld hiervan is De Bierlap, een duinvallei in Meijendel die sinds 1990 begraasd wordt. In het begraasde deel werden in 2013 geen nauwe korfslakken gevonden en er leven ook vrijwel geen andere landslakken, terwijl in één monster direct buiten het raster zestien soorten landslakken werden aangetroffen met ruim 500 exemplaren (Boesveld, 2013b). Het effect van een grote populatie damherten is vergelijkbaar met dat van begrazing door vee.

14 | De Levende Natuur | jaargang 122 - nummer 1

Het verwijderen van populierachtigen (ratelpopulier, witte abeel) in de duinen is een andere belangrijke factor geweest die heeft bijgedragen aan de achteruitgang van de nauwe korfslak. Hoewel voor discussie vatbaar, beschouwen terreinbeheerders populieren als ongewenste exoot. Hiermee komt een einde aan een al decennialange (soms zelfs eeuwenlange) jaarlijkse toevoer van kalkrijk strooisel ter plaatse (foto 7). Met name in de kalkarmere midden- en binnenduinen is dat niet alleen voor de nauwe korfslak funest, maar ook voor vrijwel alle soorten huisjesslakken. In het Noordhollands duinreservaat leeft de grootste resterende populatie in de zoomvegetatie van een oud populierenbos (Neckheim, 2018).


Aaneengroeien van struwelen ook nadelig De nauwe korfslak doet het vooral goed in randzones van struwelen. Naarmate struwelen verder dichtgroeien door natuurlijke successie, nemen de dichtheden van de nauwe korfslak geleidelijk af (fig. 4, foto 8). Struweel van meidoorn/ wegedoorn is al minder geschikt dan struweel van duindoorn, maar de soort kan daar in lagere dichtheden nog steeds standhouden. Wanneer struweel zich doorontwikkelt tot hardhoutbos, wordt de humuslaag dikker en zuurder, en wordt de habitat voor de kalkminnende slakjes

geleidelijk ongeschikt. Deze successie wordt versneld en versterkt door de te hoge stikstofdepositie. Andere nadelige ontwikkelingen voor de nauwe korfslak zijn de toename van bosbraamsoorten Rubus fruticosus (het strooisel daarvan bevat veel tannine en heeft zo een verzurende invloed op de bodem) en de explosieve uitbreiding van de exoot Amerikaanse vogelkers in sommige duingebieden, bijvoorbeeld in het duingebied Oranjezon. Gunstigere vegetaties zoals duindoornstruweel, voedselrijke ruigten en vegetaties van langhalmige

Foto 6. Na grootschalige ingrepen zoals in Meijendel in de Helmduinen zijn de geplagde delen ongeschikt geworden voor de nauwe korfslak. De duinen verkeren negen jaar na de ingreep nog steeds in de ‘stuiffase’, waarbij ook omliggende nauwe korfslak-habitats zijn ondergestoven. Het uitsparen van refugia voor de nauwe korfslak heeft hier niet gewerkt doordat alle refugia ondergestoven zijn geraakt. (Foto: Arno Boesveld)

Foto 7. Bladstrooisel van populieren, zoals in dit zwarte populierenbos in het binnenduin in Meijendel nabij de Vinkenhoek, vormt een heel gunstig microhabitat voor vele soorten huisjesslakken. De nauwe korfslak wordt hier in hoge aantallen gevonden; deze soort profiteert van het snel verterende bladstrooisel, waarbij kalk wordt afgegeven aan de omgeving. (Foto: Arno Boesveld)

grassen kunnen hierdoor worden verdrongen. Helemaal niets doen is op termijn dus ook geen goede optie.

Wat is nodig om het tij te keren? De eerste helft van de vorige eeuw waren de duinen een stuk kaler en opener dan nu het geval is. Vanuit dat ideaalbeeld geredeneerd is het begrijpelijk dat terreinbeheerders de open duinlandschappen willen herstellen, want veel daarvan is in de tweede helft van de vorige eeuw verloren gegaan door natuurlijke successie en bosaanplant. Tal van soorten van kruidenrijke graslanden zijn achteruitgegaan en ook die hebben ruimte nodig. Herstel van Grijze duinen gaat onvermijdelijk ten koste van ruigten en struwelen. De nu gekozen aanpak is echter zo grootschalig, drastisch en snel uitgevoerd, dat de nauwe korfslak en veel andere soorten landslakken die in hetzelfde biotoop leven, zeer sterk zijn afgenomen en zelfs in meerdere duingebieden dreigen te verdwijnen. Gezien de dramatische achteruitgang van de nauwe korfslak in Nederland zijn daarom op korte termijn maatregelen noodzakelijk om deze soort te behouden en de instandhoudingsdoelstelling weer binnen bereik te brengen. Daarom geven wij dit advies aan terreinbeheerders: 1) behoud nauwe korfslakken door zones aan te wijzen waarin een goede habitat voor deze slakkensoort in stand wordt gehouden via kleinschalig beheer; 2) probeer buiten deze zones bij het terugzetten van de struwelen zo te werk te gaan dat het minder nadelige effecten heeft voor de aanwezige nauwe-korfslakpopulaties. Is een nadelig effect niet te vermijden, voer dan mitigerende of compenserende maatregelen elders in het gebied uit. Wij lichten deze oproepen hieronder verder toe. Zones met goede habitat voor de nauwe korfslak Wij pleiten ervoor in elk Natura 2000-gebied dat is aangewezen voor de nauwe korfslak kansrijke gedeelten aan te wijzen waarin de soort daadwerkelijk beschermd en in stand gehouden wordt. Ook andere bodemdieren zullen hiervan profiteren. In deze ‘nauwe-korfslakreservaten’ zijn de volgende elementen van belang: • Zorgvuldige locatiekeuze rond resterende vitale populaties en zodanig dat in de nabije toekomst geen overstuiving te verwachten is.

De Levende Natuur | januari 2021 | 15


120

+3%

100

Vermijden van nadelige effecten Naast het instellen van deze specifieke ‘nauwe korfslak- reservaten’ zijn er ook lessen te trekken voor het beheer van kalkrijke duinen als geheel ten behoeve van de nauwe korfslak: • Beheerplannen niet alleen richten op het herstel van de vegetatie (Grijze duinen), maar ook op het behoud van geschikt leefgebied voor de nauwe korfslak en andere bodemdieren. • Voorafgaand aan werkzaamheden een nulmeting doen om te bepalen waar nauwe korfslakken aanwezig zijn en in welke dichtheden, zodat duidelijker wordt welke deelgebieden gespaard moeten worden. • Bij afplaggen en creëren van stuifduinen voldoende grote refugia met habitat voor de nauwe korfslak behouden, zodat de soort zich van daaruit weer kan verspreiden. Zorg daarbij dat de refugia geen eilandjes in een slakkenwoestijn worden, maar creëer corridors zodat ruimtelijke samenhang behouden blijft. De locaties van de refugia moeten zo gekozen worden dat deze niet zullen onderstuiven en uitgesloten worden van begrazing, zo nodig door ze uit te rasteren. • In leefgebied van de nauwe korfslak na rooi- en plagwerkzaamheden niet direct begrazen als vervolgbeheer, of leefgebieden van de nauwe korfslak uitzonderen van begrazing door afrasteren. • Beheermaatregelen bij ongunstige

INDEX

80

• Niet grootschalig plaggen, maaien of klepelen en na eventueel kleinschalig plaggen geen vee inscharen. Indien de habitat door successie ongunstiger dreigt te worden, kiezen voor kleinschalig uitgevoerd beheer. Een goed voorbeeld is de wijze waarop dit in Voornes Duin door Stichting Het Zuid-Hollands Landschap wordt uitgevoerd met behulp van vrijwilligers. • Geen begrazing door vee of hooguit zeer extensieve begrazing en niet jaarrond. Hiervoor kan het nodig zijn het gebied af te rasteren. • Om de juiste vegetatie in stand te houden, moet ook de damherten-populatie beperkt worden (Amsterdamse Waterleidingduinen, Oranjezon). • Beleid voor populieren aanpassen: de nog aanwezige populieren laten staan en deze de kans geven zich weer uit te breiden.

60

-58%

40 vegetatie verdicht (n=16) 20

vegetatie stabiel (n=42)

0 2004-2009

2010-2014

2015-2017

Figuur 4. Ontwikkeling van het gemiddeld aantal nauwe korfslakken per monster in stabiele biotopen zonder beheer (groen) en in biotopen zonder beheer met struwelen die dichtgegroeid zijn, waardoor er randzones zijn verdwenen (geel), 2004-2017. Plots waar de soort nooit is aangetroffen maken wel deel uit van de monitoring, maar die betreffende plots zijn in deze grafiek buiten beschouwing gelaten. Bron: CBS, 2018 (data Stichting Anemoon, berekening CBS). Door verdichting van de vegetatie neemt de populatie van de nauwe korfslak af.

Foto 8. Verdichting van struweel, waarbij randzones verdwijnen, zorgt in het duin ten zuiden van Ter Heijde voor een geleidelijke achteruitgang van de nauwe korfslak. (Foto: Arno Boesveld)

successie kleinschaliger uitvoeren en meer in ruimte en tijd faseren. Daarbij versnippering van het leefgebied van de nauwe korfslak in het terrein voorkomen (behoud ruimtelijke samenhang van habitat door mozaïekbeheer). Bij begrazing dichtheden aan vee zo laag mogelijk houden. Wisselbeheer door het vee periodiek andere gebieden te laten begrazen is ook minder nadelig voor nauwe korfslak. In droge zomers de begrazingsdruk verminderen. De populatie damherten beperken wanneer deze een te grote druk op de natuurlijke vegetatie veroorzaakt. Stoppen met de bestrijding van populieren, zeker in de kalkarmere (binnen) duinen. Dus geen populieren meer verwijderen of ringen en zelfs overwegen of deze zich lokaal weer mogen uitbreiden op plekken waar zij andere vegetatiedoelen niet in de weg staan. Langdurige monitoring op landelijke, provinciale en lokale schaal om de effecten van de maatregelen en het gevoerde beleid en de gevolgen van de diverse beheeringrepen te kunnen evalueren en te vergelijken met de nulmetingen.

16 | De Levende Natuur | jaargang 122 - nummer 1

Mitigerende of compenserende maatregelen Overweeg of populaties die moeten wijken naar een ander deel van het duingebied verplaatst kunnen worden. In veel duingebieden zijn habitats te vinden die geschikt zijn of met geringe aanpassingen geschikt gemaakt kunnen worden voor nauwe korfslakken. In Hoek van Holland is in 2019 voor het eerst ervaring opgedaan met translocatie van nauwe korfslakken, als mitigerende maatregel vanwege de aanleg van de Hoekse Lijn door de duinen (zie kader 2). Aanpassing natuur- en stikstofbeleid De PAS-maatregelen zoals die in de duinen zijn uitgevoerd, hebben in grote mate bijgedragen aan de snelle achteruitgang van de nauwe korfslak in Nederland. Ingrepen worden ook vaak zonder onderzoek naar de nauwe korfslak vooraf uitgevoerd. De aanname dat PAS-maatregelen en andere herstelmaatregelen voor Grijze duinen niet vergunningsplichtig hoeven te zijn, omdat ze niet nadelig zouden zijn voor de biodiversiteit en de instandhoudingsdoelen, is ongegrond gebleken. Het is daarom dringend nodig dat bij het ontwikkelen en uitvoeren van


Kader 2: Succesvolle verplaatsing nauwe korfslak in het Vinetaduin In 2015 besloot de gemeente Rotterdam om metroverbinding de Hoekse Lijn door te trekken naar het strand. Door dit plan zou een van de belangrijkste populaties van de nauwe korfslak van het Vinetaduin (Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen) bij Hoek van Holland verloren gaan, terwijl het gebied is aangewezen als speciale beschermingszone voor deze soort. Als mitigerende maatregel is het belangrijkste deel van de populatie op het tracé verplaatst naar een aangrenzend deel van het Vinetaduin (Boesveld & Gmelig Meyling, 2020b).

Foto 9. De eerste ervaringen met translocatie van nauwe korfslak in de duinen bij Hoek van Holland zijn positief. Voorafgaand aan de translocatie is de habitat voor de nauwe korfslak geoptimaliseerd door enkele verzurende bomen te verwijderen en schaduwval te verminderen. (Foto Arno Boesveld)

Voorbereidingen In kaart is gebracht op welke delen van het toekomstige spoortracé de hoogste dichtheden nauwe korfslak aanwezig waren. Zo werd het brongebied van circa 1.350 m2 gekozen, waaruit samen met bodemstrooisel het grootste deel van de populatie (circa 40.000 levende dieren) kon worden verplaatst. Verder werd het meest geschikte adoptiegebied bepaald (een tracé langs de rand van duindoornstruwelen met een lengte van circa 150 m) en een plan gemaakt om daar de biotoop voor deze slakken te optimaliseren. De situatie vóór de translocatie werd nauwkeurig onderzocht op 25 meetpunten in het adoptiegebied en op 25 meetpunten in een controlegebied (eveneens een geoptimaliseerd tracé van circa 150 m) waar de soort niet naar toe werd verplaatst, maar dat verder even geschikt was.

Foto 10. Zorgvuldig verzamelde het team van Landschapsonderhoud Rotterdam het strooisel in de ondergroei van struiken en grasvegetaties. Dit strooisel is later verspreid langs het uitgezette adoptietracé in het Vinetaduin. (Foto: Arno Boesveld)

Optimaliseren habitat Om het leefgebied voor de nauwe korfslak te verbeteren, zijn handmatig en kleinschalig, verspreid groeiende, bodemverzurende struiken boomsoorten zoals zomereik en bosbraam verwijderd. Om meer randzones te creëren is een aantal oude duindoornstruiken teruggesnoeid (foto 9). Deze verbeteringen werden zowel in het adoptie- als in het controlegebied uitgevoerd.

verzameld in grote plastic kuipen en meteen in een dunne, luchtige laag in de geoptimaliseerde randzone van het struweel in het adoptiegebied verspreid, zodanig dat het strooisel niet halverwege de struiken bleef hangen maar voldoende contact maakte met de daar aanwezige oude strooisellaag door het met de hand egaal te verspreiden over de bestaande strooisellaag (foto 10). Hier waren circa 50 werkdagen mee gemoeid.

De resultaten uit de monitorronde in september 2020 waren boven verwachting. In

het adoptiegebied was het aantal meetpunten met levende nauwe korfslakken gestegen van 1 naar 16, in het controlegebied was het aantal meetpunten met levende exemplaren gestegen van 0 naar 4. De optimalisatie van het gebied heeft dus voor een geringe toename gezorgd, maar de verplaatsing had een veel groter effect. Ten minste een deel van de slakjes heeft de verplaatsing dus overleefd. Uit de aanwezigheid van jonge dieren blijkt dat er ook voortplanting plaatsvindt. Om na te gaan of het effect ook op langere termijn standhoudt, zal in 2022 een tweede monitoringronde (T2) volgen.

dieren op de Habitatrichtlijn. Vanwege de wens van de overheid om meer ruimte te geven aan economische belangen, staan natuurbeheerders onder druk om de negatieve gevolgen van te hoge stikstofdepositie zo veel mogelijk met maatregelen binnen natuurgebieden “op te lossen”. Daarbij moeten ze bovendien afwegingen maken tussen de ver-

schillende eisen die diverse soorten aan hun habitat stellen. De nauwe korfslak laat zien in welke spagaat natuurbeheerders zijn terechtgekomen en dat behoud van alle biodiversiteit niet haalbaar is met telkens grootschalige ingrepen in de natuurgebieden. Het herhaald grootschalig verwijderen van struwelen en ruigten in de duinen is geen duurzame oplossing

Verzamelen en overzetten Begin 2019 werd circa 11.000 l bodemstrooisel uit het brongebied verplaatst naar het adoptiegebied. Het strooisel werd handmatig

toekomstige stikstofmaatregelen meer aandacht besteed wordt aan het voorkomen van verdere negatieve effecten op de nauwe korfslak en andere soorten die dezelfde habitat delen, maar niet op de Habitatrichtlijn staan. De bescherming van dit deel van de biodiversiteit wordt niet verkregen door maatregelen ter bescherming van planten en grotere

Vervolgmonitoring

De Levende Natuur | januari 2021 | 17


voor het stikstofprobleem. Aanpak van stikstofuitstoot bij de bron is dringend nodig om ervoor te zorgen dat zulke drastische maatregelen minder nodig zijn. Voor de nauwe korfslak en andere bodemdieren zal dat de benodigde bodemrust creëren.

Literatuur Boesveld, A. & A. Gmelig Meyling, 2020a. De Nauwe korfslak in het Natura 2000-gebied ‘De Mantelingen van Walcheren’. Tussenrapportage in het kader van het provinciale onderzoek ‘De Nauwe korfslak in Zeeland’. Rapport Stichting Anemoon & Stichting Bargerveen, 30-5-2020, Bennebroek. Boesveld, A. & A. Gmelig Meyling, 2020b. Monitoring van de Nauwe korfslak in het Vinetaduin na translocatie van populatie ten behoeve van de aanleg van de Hoekse Lijn. Fase 2. Resultaten van de eerste periode in 2020 na de T0-meting in 2019. Rapport Stichting Anemoon & Vertigo Research, Bennebroek. Boesveld, A., 2013a. Onderzoek naar het belang van 15 vegetatietypen voor de Nauwe korfslak in Meijendel en Berkheide en de verspreiding van deze soort in dit Natura 2000-gebied. Rapport Stichting Anemoon, Bennebroek. Boesveld, A., 2013b. Onderzoek naar de gevolgen van oude beheermaatregelen en ‘herstelingrepen’ voor Nauwe korfslak in Meijendel en Berkheide en de bescherming van leefgebieden. Rapport Stichting Anemoon, Bennebroek. Boesveld, A., A. Gmelig Meyling & R. de Bruyne, 2010. Natuurbeheer, bescherming en biotoopeisen van drie bijzondere Nederlandse slakken: de Nauwe korfslak, de Zeggekorfslak en de Platte schijfhoren. De Levende Natuur 112(3): 114-119. CBS, 2018a. Populaties beschermde slakken gaan achteruit. Nieuwsbericht CBS d.d. 9 juli 2018. Beschikbaar op: www.cbs.nl/nl-nl/ nieuws/2018/28/populaties-beschermde-slakken-gaan-achteruit (geraadpleegd 1 december 2020). CBS, 2018b. Trends nauwe korfslak. PowerPointpresentatie door Leo Soldaat (CBS) op 27 november 2018 bij de bijeenkomst georganiseerd door Provincie Noord-Holland met vertegenwoordigers van Provincies, BIJ12, Centraal Bureau voor de Statistiek, Stichting Anemoon, Stichting Bargerveen en Wageningen University & Research. CBS, PBL, RIVM & WUR ,2018. Weekdieren van de Habitatrichtlijn, 2004-2017 (indicator 1415, versie 03, 8 juli 2018 van Compendium voor de Leefomgeving). www.clo.nl/indicatoren/ nl1415-weekdieren-van-de-habitatrichtlijn

(geraadpleegd 27 november 2020). Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), Den Haag; Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Bilthoven; Wageningen University & Research (WUR), Wageningen. Keulen, S. & G. Majoor, 2017. Onderzoek naar de Zegge-korfslak en de Nauwe korfslak in vier Natura 2000-gebieden. Natuurhistorisch Maandblad 106(11): 187-193. Lente, I. van, A.W. Gmelig Meyling & A. Boesveld, 2020. ANEM-2018. Eindrapportage. Verslag van monitoring- en verspreidingsonderzoek met betrekking tot de weekdieren van de Europese Habitatrichtlijn en trendonderzoek naar Typische soorten van de mariene Europese Habitattypen H1110B en H1160. Stichting Anemoon, Bennebroek. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2006. Eindconcept Habitattypen 15 december 2006, Duinen met Hippophae rhamnoides (H2160) Verkorte naam: Duindoornstruwelen (beschikbaar op: www.natura2000. nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_ oud/Profiel_habitattype_2160.pdf, geraadpleegd 13 december 2020). Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2008. Profielen Habitatsoorten, versie 1 september 2008; Habitatrichtlijnsoort Nauwe korfslak (Vertigo angustior) H1014 (beschikbaar op: www.natura2000.nl/sites/ default/files/profielen/Profielen_HRSoorten_ Actueel/Profiel_soort_H1014.pdf, geraadpleegd 27 november 2020). Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2020. Natura 2000-gebieden. Website met informatie over aanwijzingsbesluiten en beheerplannen voor Natura 2000-gebieden (beschikbaar op: www.synbiosys.alterra.nl/ natura2000/gebiedendatabase.aspx?subj=n2k, geraadpleegd 2 juli 2020 en 27 november 2020). Neckheim, T., 2018. Monitoring van Nauwe korfslak Vertigo angustior in het door PWN beheerde Noordhollands Duinreservaat. Inventarisatiejaar 2018. Rapport Stichting Anemoon, Bennebroek. Stichting Anemoon, 2018. Nauwe korfslak afgenomen door natuurbeleid. Natuurbericht via Nature Today d.d. 9 juli 2018 (beschikbaar op: www.naturetoday.com/nl/nl/nature-reports/ message/?msg=24461, geraadpleegd 27 november 2020). Wageningen University & Research, 2020. Vogel- en Habitatrichtlijnrapportage 2019. Brochure. Bijlage bij brief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de Tweede Kamer d.d. 25 mei 2020, kenmerk DGNVLG/20137458. Wageningen University &

18 | De Levende Natuur | jaargang 122 - nummer 1

Research, Wageningen (zie ook https://cdr. eionet.europa.eu/nl/eu/art17/envxuhrwa).

Summary Nature management for the narrow-mouthed whorl snail Unless the narrow-mouthed whorl snail (Vertigo angustior) is included in Annex II of the Habitat Directive, the numbers and distribution of this species in the Netherlands decreased strongly between 2004 and 2017 and this decrease is still going on. An important cause of this decrease are large scale measures to recover the Nature 2000 habitat type ‘gray dunes’, like removing the topsoil, grazing by cattle, mowing, and chopping shrubs. Also, the removal of poplars in the dunes contributed to the negative effect. After these measures the resulting habitat is less or no longer suitable for the narrow-mouthed whorl snail. Systematic monitoring results show that the decrease was much stronger in areas grazed by cattle (-85 %) and with other active nature management (-70 %) than in areas without active nature management (-20 %). The authors plead for immediate measures to turn the tide. They recommend the following measures: 1. Designate specific zones within each Natura 2000 area where the habitat for snails is kept in good condition via small scale management without grazing, chopping, mowing, or removing the topsoil. 2. When limiting shrub growth outside these zones is needed, guidance is given to do it in a way that is less harmful to the remaining populations of the narrow-mouthed whorl snail. Nature management plans should not only focus on vegetation but also on soil fauna. If a negative effect on the remaining population is unavoidable, compensate the effect in another part of the designated Nature 2000 area. Recently good results were realised with the translocation of snails to an area where the habitat was optimised for this species in advance. Arno Boesveld Stichting Anemoon h.dijkstra84@chello.nl Sylvia van Leeuwen Stichting Anemoon fbsylvia@xs4all.nl Adriaan Gmelig Meyling Stichting Anemoon anemoon@cistron.org Tello Neckheim Stichting Anemoon cmneckheim@kpnmail.nl


Opinie

Exoten, altijd een probleem? Piet Schipper Japanse duizendknoop kan uitgroeien tot een plaag die alleen met veel moeite onder de duim te krijgen is, lezen we in dit nummer (Werk in uitvoering, pag. 34). De Japanse duizendknoop begint zijn carrière als exoot, meestal in tuinafval dat in de randen van natuurgebieden gestort wordt. Als de groei van één kloon duizendknoop uit de hand loopt, kunnen de financiële gevolgen en de ecologische schade groot zijn. De laatste tijd verschijnen in de media regelmatig berichten over uitheemse soorten in natuurterreinen die met succes bestreden werden. Voor het woord exoten verschijnt dan steevast het voorzetsel ‘invasieve’. Sommige soorten uit andere werelddelen kunnen inderdaad voor grote problemen in onze natuur zorgen. (DLN 4 2017, thema: exoten). Ze graven en ondermijnen, woekeren, roeien andere soorten uit, verstoppen watergangen, veroorzaken ziekten, brandblaren of allergieën. De nieuwkomers reizen mee met handelswaar, worden uitgestrooid of uitgezet, ontsnappen uit schuur, kooi, tuin, visvijver en aquarium, of lopen simpelweg de landsgrens over en komen uiteindelijk in de natuur terecht. De rode draad in al deze verhalen is dat de verspreiding het gevolg is van menselijk handelen. Het Biodiversiteitsverdrag noemt invasieve exoten als een belangrijke oorzaak van de achteruitgang. Nederland heeft bij het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een Team Invasieve Exoten ingesteld dat zich heeft voorgenomen inschattingen van de risico’s te maken. In België zijn protocollen voor impact- en risicoanalyse beschikbaar, waarmee experts op vrijwillige basis enkele risicoanalyses uitvoerden. Vaak gaat het om uitbraken van exoten in ecosystemen die uit balans zijn door grote menselijke invloed. Grote waternavel bijvoorbeeld kan woekeren in zeer voedselrijk, stilstaand en ondiep water en kan deze watergangen volledig verstoppen.

Maar inheemse soorten zoals brasem, braam en brandnetel kunnen voor vergelijkbare problemen zorgen. Exoten die zich invasief gedragen, zijn vaak een teken van veel fundamentelere problemen. Los die problemen op en de kans dat uitheemse soorten gaan woekeren is veel kleiner. Natuurbeheerders weten welke soorten voor grote problemen kunnen zorgen. Dat gaat om een bescheiden lijstje. De natuurterreinen goed kennen en op tijd ingrijpen zijn belangrijke voorwaarden om te voorkomen dat deze soorten een probleem gaan worden. Snelheid is dus

Japanse duizendknoop, alsemambrosia en rimpelroos. (Foto’s: Melchior van Tweel)

geboden, maar waar de boswachter vroeger zijn spade pakte, wordt nu gekozen voor een langdurige voorbereiding. Er gaat veel tijd verloren met inventarisatie, in kaart brengen en rapporteren van het probleem, waarna nog bestekken en uitvoeringsplannen gemaakt moeten worden en een aanbesteding moet worden doorlopen. Voordat er actief wordt ingegrepen, is het probleem alweer een stuk groter geworden. En als er tot actie wordt overgegaan, moet ook hygiene, zoals met schone machines het natuurterrein ingaan, niet vergeten worden. Beter en preventiever is het verwijderen van de vroegste vestigingen van probleemsoorten en handhaving bij dumping van soorten. Met het geld dat nu besteed is aan het opruimen van één kloon Japanse duizendknoop op één plek, had een hovenier een jaar lang tuinafval in de natuur kunnen opruimen; een veel effectievere aanpak dan een project waarbij de natuur grondig overhoop wordt gehaald. Ook de overheid kan en moet veel meer doen om de markt te reguleren. Japanse duizendknoop staat bijvoorbeeld niet eens op de Europese zwarte lijst van invasieve exoten en mag in Nederland en België nog steeds als tuinplant verkocht worden. Rimpelroos wordt door gemeenten nog vaak aangeplant, ook direct naast waardevolle duingebieden. Alsemambrosia, heel hinderlijk voor hooikoortspatiënten en een potentiële woekeraar, zit gewoon als zaad in vogelvoer. De markt lost dit probleem niet op, want zonder exoten is er geen markt. Vraag aan de praktijk van het natuurbeheer welke soorten voor grote problemen zorgen en geef duidelijke voorlichting aan het publiek. En stel een verbod in op de verkoop van probleemsoorten. Piet Schipper Ecoloog Staatsbosbeheer Redactielid De Levende Natuur p.schipper@staatsbosbeheer.nl

De Levende Natuur | januari 2021 | 19


Herstelmaatregelen Natuurnetwerk vooral positief voor natte ecosystemen Herstelmaatregelen die provincies financieren om de biodiversiteit in het Natuurnetwerk te verbeteren, hebben een significant positief effect. Dit effect treedt vooral op in natte ecosystemen; bij droge ecosystemen is er minder resultaat, waarschijnlijk omdat het effect van de maatregelen nog te kleinschalig en te verspreid is. Uitbreiding (grotere oppervlaktes) en concentratie (hogere dichtheden) van herstelmaatregelen zijn nodig om aan het gewenste natuurherstel te kunnen voldoen. Dirk-Jan van der Hoek, Bart de Knegt & Paul Giesen Het Rijk en de provincies zijn in het Natuur­ pact (Ministerie van EZ & IPO, 2013) overeengekomen de biodiversiteit te verbeteren, de maatschappelijke betrokken­ heid bij de natuur te versterken en de relatie tussen natuur en economie te versterken. In 2020 is de Tweede Lerende Evaluatie van het Natuurpact (PBL & WUR, 2020; Hoek et al., 2020) verschenen. Het PBL heeft de voortgang van de realisatie van deze

ambities geëvalueerd door middel van een lerende evaluatie. Naast een landelijke analyse van hoeveel en waar provincies herstelmaatregelen binnen het Natuurnet­ werk Nederland hebben laten treffen, is ook geanalyseerd of de maatregelen bijdragen aan de realisatie van de hoofdambitie ‘verbeteren van de biodiversiteit’ (zie kader). We kijken daarbij naar de natuur op het land, omdat de provincies daar primair verant­

20 | De Levende Natuur | jaargang 122 - nummer 1

woordelijk voor zijn. In het Natuurpact hebben Rijk en provincies onder andere afge­ sproken het Natuurnetwerk op het land af te ronden voor eind 2027. Provincies zullen daarvoor het bestaande netwerk vergroten door in totaal 80.000 ha nieuwe natuur in te laten richten en maatregelen te laten treffen om de natuurkwaliteit in dit netwerk te behouden en te verbeteren. Zo willen ze een robuust netwerk van onderling verbonden natuurgebieden maken dat tegen een stootje kan. De herstelmaatregelen die provincies in het Natuurnetwerk binnen landnatuur hebben laten treffen, werken voor de natte ecosyste­ men, zoals voedselrijk moeras, natte heide en vochtig natuurlijk bos. Bij herstelmaat­ regelen gaat het om de inrichting van (landbouw)gronden tot realisatie van nieuwe natuur, gericht op de uitbreiding van het Natuurnetwerk én om maatregelen gericht op kwaliteitsverbetering van bestaande natuur, zoals PAS­maatregelen (voormalige Programma Aanpak Stikstof) en maatrege­


Crezeepolder, tussen Hendrik­Ido­Ambacht en Ridderkerk aan de rivier De Noord. Een voorbeeld van inrichting van landbouwgronden tot realisatie van nieuwe natuur. (Foto: Hollandse Hoogte, Siebe Swart)

len vanuit de Kaderrichtlijn Water (KRW). Het gaat hierbij dus om zogenoemde fysieke herstelmaatregelen gericht op het verbeteren van de biodiversiteit, oftewel natuurherstel. Deze maatregelen lopen uiteen van het dempen van een sloot tot het compleet inrichten van een nieuw natuurgebied. Maatregelen waarbij het gaat om regulier natuurbeheer vallen in dit onderzoek buiten beschouwing, omdat deze niet gericht zijn op het herstel van de biodiversiteit, maar op het behoud. Bovendien hebben we geen informatie over de uitvoering hiervan (type maatregel, omvang en locatie). In de praktijk zijn mogelijk meer herstelmaatregelen uitgevoerd dan aangenomen, omdat het onderscheid tussen herstelmaatregelen en regulier natuurbeheer diffuus kan zijn. In natte ecosystemen, zoals natte heide, voedselrijk moeras en vochtig natuurlijk bos, is de trend (verschil tussen de periode 2010­2017 en 2002­2009) van het aantal kwalificerende SNL­soorten vaatplanten, dagvlinders en broedvogels significant positiever dan op vergelijkbare plekken waar geen herstelmaatregelen zijn getroffen (Hoek et al., 2020). Dit aangetoonde, statistisch significante ‘effect’ is weliswaar beperkt van omvang (tabel 1). Bij kwalifi­ cerende soorten gaat het om een per type natuur gedefinieerde set aan soorten die geldt als een indicator om de natuurkwaliteit in beeld te brengen (zie kader; Beek et al., 2018). Daarnaast blijkt dat het waargenomen effect vooral het resultaat is van maatregelen die vóór 2011 zijn uitgevoerd. Effecten van maatregelen die ná 2011 zijn getroffen laten waarschijnlijk nog even op zich wachten, omdat het tijd kost voordat de natuur reageert op veranderingen door zulke ingrepen (time lag effect (Watts et al., 2020)). Bij de overige natte ecosystemen, zoals voedselarm moeras, nat (half) natuurlijk grasland (voedselarm en ­rijk), vochtig productiebos en natte duinen, zien we ook een positief effect van herstelmaatre­ gelen. Deze effecten zijn echter niet signifi­ cant. Voor alle droge ecosystemen, zoals droge heide, droog (half)natuurlijk grasland en droge duinen, hebben we op schaal­ niveau van het Natuurnetwerk nog geen significant positief effect van de getroffen herstelmaatregelen gevonden. Hoewel de uitgevoerde analyse voor het Natuurnetwerk een significant positief effect van herstelmaatregelen laat zien voor natte ecosystemen, kan dat afwijken van de resultaten op gebiedsniveau. Ook voor droge systemen, zoals droge duinen en kalk­

Methode Om de onderzoeksvragen te beantwoorden, hebben we gebruikgemaakt van verschillende typen gegevens en methoden. In de eerste stap gaat het om het bepalen van het type en de omvang van herstelmaatregelen die de provincies binnen het Natuurnetwerk hebben laten treffen. Hierbij gaat het om uitbreiding van gebieden met ingerichte hectares nieuwe natuur en om gebiedsgerichte maatregelen die in het kader van het voormalige PAS en de KRW zijn genomen. De informatie over deze maatregelen hebben we verzameld en op kaart gezet voor de periode 1990­2010 én periode 2011­2018, omdat de informatie niet voor ieder jaar afzonderlijk beschikbaar is. Indien informatie over de omvang en locatie van maatregelen ontbrak, hebben we deze ingeschat bijvoorbeeld op basis van habitattypenkaarten. De kaartbeelden hebben we voorgelegd aan de afzonderlijke provincies. Dit heeft in een aantal gevallen geleid tot aanpassing van deze kaarten. In de tweede stap gaat het om het vaststellen van de ontwikkeling van de biodiversiteit binnen het Natuurnetwerk. Deze analyseren we door te kijken naar de verandering van het aantal soorten broedvogels, dagvlinders en vaatplanten tussen de periode 2010­2017 en 2002­2009 binnen natuur op het land. Hierbij hebben we gekeken naar het voorkomen van kwalificerende soorten ook wel genoemd SNL­soorten, op het land levende soorten waarvan een deel beschermd is door de Europese Vogel­ en Habitatrichtlijnen (VHR). De selectie van kwalifi­ cerende soorten per beheertype staat beschreven in Beek et al., 2018. Er is uitgegaan van de soortgroepen broedvogels, vaatplanten en dagvlinders, omdat zij samen circa 90 % van het totale aantal gedefinieerde kwalificerende soorten uitmaken en omdat van deze soortgroepen voldoende metingen beschikbaar zijn. Bovendien zijn deze drie soortgroepen samen represen­ tatief voor verschillende ecologisch relevante schaalniveaus. Zo zijn in het algemeen vaatplanten indicatief voor het standplaatsniveau, dagvlinders op vegetatieniveau en broedvogels op landschapsniveau. De verspreidingskaarten van soorten hebben de soortenorganisaties SOVON, FLORON en De Vlinderstichting in kaart gebracht op basis van waarnemingen in het veld en modellen om te corrigeren voor waarnemingsinspanning (Swaay, 2019; Sparrius et al., 2020; Sierdsema & Kampichler, 2020). De Nationale Databank Flora en Fauna inclusief gegevens van het Netwerk Ecologische Monitoring geldt daarbij als belangrijke basis. De twee periodes zijn zo gekozen omdat die samenvallen met het van start gaan van de decentralisatie (2011) en het Natuurpact (2013) en het verschil in voorkomen van soorten tussen de perioden een beeld geeft van de ontwikkeling in de tijd. De perioden bestaan uit acht jaren, omdat het samennemen van een aantal jaren rekening houdt met natuurlijke fluctuaties en zorgt voor voldoende waarnemin­ gen en dekking om landsdekkende kaarten van het voorkomen van de soorten voor het Natuur­ netwerk te kunnen maken. Om het verband te onderzoeken tussen de getroffen herstelmaatregelen vanaf het jaar 2011, maar ook in de periode voor 2011 én de verandering in biodiversiteit, heeft Biometris een statistische analyse uitgevoerd. Voor meer achtergrond informatie zie Hoek et al., 2020.

graslanden, tonen studies van het pro­ gramma Ontwikkeling en Beheer Natuurkwaliteit aan dat er lokaal successen voor biodiversiteit zijn geboekt. Zo is in de duinen op enkele plaatsen aangetoond dat na herstelmaatregelen de kleinschalige verstuiving hersteld kan worden, wat een positief effect heeft op de condities en biodiversiteit van droge duingraslanden (Aggenbach, 2018).

Beïnvloeding op grote schaal De getroffen vernattingsmaatregelen, zoals het dempen van watergangen, het aanleggen van bufferzones of het kappen van bossen, zijn waarschijnlijk de verklaring voor het positieve effect in de natte ecosystemen. Vernattingsmaatregelen in natte ecosyste­ men zijn waarschijnlijk effectiever dan

maatregelen in droge ecosystemen, omdat ze op grote schaal tegelijkertijd meerdere problemen (vermesting, verzuring en verdroging) aanpakken. Vernattingsmaat­ regelen hebben bovendien niet alleen een positieve werking op de plek waar ze zijn genomen, maar hebben ook een positief effect op de omgeving, doordat ze een positieve uitstralende werking hebben op de grondwaterstand van het omliggende gebied. Een voorbeeld is het herstel van de aanwezigheid van basenrijk kwelwater, waardoor de zuurgraad van de bodem geschikter is voor veel kwalificerende soorten. Een ander voorbeeld is dat vernat­ ting de afbraak van plantenresten vertraagt, waardoor minder voedingsstoffen zoals stikstof beschikbaar komen. Kanttekening hierbij is dat door bijvoorbeeld de water­

De Levende Natuur | januari 2021 | 21


bo s du in en

at te N

Vo c

ht ig

pr

od uc

tie

bo s lij k ur na tu

Vo c

ht ig

ra sla nd

m

na tg

ra sla nd na tg

Ri jk

m m Ar

Ar

ra s oe

ra s oe m

Ri jk

he id e at te N

stand te verhogen fosfaat uit de bodem beschikbaar kan komen, wat vooral kan optreden bij voormalige landbouwgronden en een risico vormt voor voedselarme ecosystemen (Lamers et al., 2005). Verder blijkt uit de analyses dat provincies in een beperkt deel van het areaal landnatuur binnen het Natuurnetwerk herstelmaatrege­ len hebben laten nemen (circa 10 %, wat circa 45.000 ha betreft). Ze hebben daarbij vooral ingezet op herstel van natte ecosyste­ men (fig. 1). Daarnaast blijkt dat sinds 2011 het areaal aan uitgevoerde herstelmaatrege­ len in zowel natte als droge ecosystemen voor circa 60 % bestaat uit inrichting van (landbouw)gronden tot de realisatie van nieuwe natuur, voor circa 35 % uit PAS­maat­ regelen en verder voor circa 5 % uit overige maatregelen, zoals KRW­maatregelen. Als we inzoomen op de PAS­maatregelen, valt op dat deze voor circa 35 % bestaan uit

Herstelmaatregelen voor 2011 2,0

2,7

1,4

0,3

0,8

0,8

0,2

­2,3

na 2011 1,0

4,4

­2,3

­0,6

0,4

0,4

0,5

­1,5

voor en/of na 2011 1,5

4,2

­0,9

­0,1

1,1

0,6

0,1

­2,4

Tabel 1. In natte ecosystemen, zoals natte heide, voedselrijk moeras en vochtig natuurlijk bos, is het berekende effect van maatregelen significant positiever dan op vergelijkbare plekken waar geen herstel­ maatregelen zijn getroffen (vetgedrukte getallen). Dit statistische aangetoonde ‘effect’ is weliswaar beperkt van omvang en is vooral het resultaat van maatregelen die voor 2011 zijn uitgevoerd.

tijdelijke herstelmaatregelen, zoals extra kappen, plaggen, bekalken en maaien, die een aanvulling zijn op het reguliere natuur­ beheer én met slechts een tijdelijk effect op de natuur. De resterende maatregelen zijn inrichtingsmaatregelen binnen bestaande natuurgebieden.

Te verspreid en te kleinschalig De herstelmaatregelen in droge ecosys­ temen geven voor het Natuurnetwerk geen

De zeldzame witte waterranonkel is een soort die opbloeit na venherstel. (Foto: Anton van Haperen)

22 | De Levende Natuur | jaargang 122 - nummer 1

significant positief effect op vogels, planten en vlinders. Waarschijnlijk omdat het effect van de herstelmaatregelen te verspreid en te klein van omvang is. Een kleine maatregel, zoals maaien van een klein oppervlak, verbe­ tert mogelijk de fysieke condities op een klein deel, terwijl de rest van het gebied verder achteruit kan gaan. Voor dagvlinders en broedvogels is dit onvoldoende om hun omstandigheden te verbeteren. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat herstelmaatre­ gelen wel een effect hebben, maar nog niet leiden tot geschikte condities voor natuur­ herstel. Bijvoorbeeld omdat herstelmaat­ regelen niet in staat zijn om de negatieve effecten van de te hoge stikstofbelasting of het wegvallen van de natuurlijke begrazing (zoals door konijnensterfte in de duinen) volledig tegen te gaan. Een verdiepende analyse door het CBS laat zien dat in heidegebieden waar maatregelen zijn getroffen – in tegenstelling tot de gebieden zonder maatregelen – de bedekking van verruigende soorten zoals grassen niet verder toenemen, maar ook niet afnemen. Voor de houtige soorten zien we dat de bedekking ook op plekken waar maatregelen worden genomen toeneemt, maar wel minder hard in vergelijking met plekken waar geen maatregelen zijn genomen. Een ander voorbeeld van een externe factor die natuurherstel in de weg staat is overbegra­ zing die optreedt binnen zowel droge als natte gebieden, zoals de Amsterdamse Waterleidingduinen en Oostvaardersplas­ sen. Bovendien kan het ontbreken van zaden of het voor soorten onbereikbaar zijn van nieuwe leefgebieden – doordat zij ruimtelijk niet zijn verbonden – een rol spelen in de snelheid van terugkeer van kwalificerende soorten. Tenslotte geldt dat herstel van droge ecosystemen op zand­ gronden bemoeilijkt wordt door de verzu­ ring van de bodem. De bodemmineralen zijn verweerd en sporenelementen zijn verdwenen. Dan kunnen plaggen en begrazing de heide wel paars houden door behoud van de (vegetatie)structuur, maar komen kwalificerende planten en dieren niet


Figuur 1. Natte ecosystemen omvatten circa 30 % van het areaal landnatuur binnen het Natuurnetwerk, terwijl er in oppervlakte gemeten ongeveer evenveel maatregelen zijn genomen als in droge ecosystemen. Bij circa 15 % van de oppervlakte waar sinds 2011 herstelmaatregelen getroffen zijn, gaat het om tijdelijke maatregelen.

Figuur 2. Circa 80 % van het aantal uitgevoerde herstelmaatregelen in de periode 2011­2018 is qua omvang van de ingreep kleiner dan 1 ha; hierbij zijn maatregelen die binnen 25 m van elkaar liggen al samengevoegd. De kleinschaligheid van de getroffen herstelmaatregelen geldt voor zowel droge als natte ecosystemen.

terug, omdat de onderliggende natuurlijke processen van het ecosysteem niet verbete­ ren.

Nog geen gewenst natuurherstel Hoewel voor vooral natte ecosystemen geldt dat plekken waar herstelmaatregelen

zijn getroffen een positievere trend van het aantal soorten hebben dan op vergelijkbare plekken zonder herstelmaatregelen, leidt de inzet van herstelmaatregelen door provin­ cies nog niet tot het gewenste natuurherstel in het Natuurnetwerk. Er treedt nog geen verbetering op van alle ecosystemen en alle

soortgroepen (CBS et al., 2020). Zo daalt de kwaliteit van de open duinen, het stedelijk gebied en het agrarisch gebied nog steeds en is volgens de Rode Lijst meer dan een derde van de soorten in Nederland bedreigd met uitsterven. Voor soorten uit de Habi­ tatrichtlijn is de staat van instandhouding voor driekwart van de soorten ongunstig en de habitattypen verkeren nagenoeg allen in een ongunstige staat van instandhouding. Eveneens blijkt uit de analyses dat de uitgevoerde herstelmaatregelen binnen het Natuurnetwerk grotendeels bestaan uit maatregelen met een klein effect (omvang van de ingreep kleiner dan 1 ha) die ook nog eens ruimtelijk verspreid zijn (fig. 2). Voorbeelden zijn het graven van een stuifkuil, het dempen van enkele sloten, het plaggen van een oever of het verwijderen van boompjes. Slechts 10 % van het aantal maatregelen is grootschalig (minimaal 5 ha) en komt voor in gebieden zoals de Onlanden, Drentsche Aa, Olde Maten, Millingerwaard en De Groote Peel. Het uitblijven van gewenst natuurherstel is niet alleen te wijten aan bijvoorbeeld het beperkte aantal, kleine schaal of time lag van de maatregelen. Er zijn ook andere factoren die niet of onvoldoende door de maatregelen worden beïnvloed en ervoor zorgen dat herstel niet optreedt. Hierbij speelt vooral overbelasting met stikstof van met name de droge ecosystemen een belangrijke rol. Echter, ook andere oorzaken, zoals versnipperde leefgebieden van soorten, overbegrazing, gebrek aan geschikt leefgebied, verdroging en klimaatverande­ ring kunnen een verklaring zijn voor het uitblijven van natuurherstel.

Netto herstel bij bossen Voor de landnatuur binnen het Natuurnet­ werk als geheel geldt netto gezien een toename van de hoeveelheid kwalificerende soorten. Circa 30 % van het areaal aan landnatuur kent een toename van het aantal kwalificerende soorten vaatplanten, dagvlin­ ders en broedvogels en circa 20 % een afname (fig. 3). Er vindt echter geen netto herstel plaats van alle ecosystemen. Bij heide en open duin blijft de hoeveelheid kwalificerende soorten tussen de periode 2010­2017 en 2002­2009 gelijk en in moerassen en grasland neemt die hoeveel­ heid af binnen het Natuurnetwerk. De hoeveelheid kwalificerende soorten in de bossen in het Natuurnetwerk neemt sinds 2011 wel toe, maar dit komt vooral door natuurlijke verouderingsprocessen – zoals

De Levende Natuur | januari 2021 | 23


afbraak van dood hout en blad – waardoor er in bossen meer variatie ontstaat. Verder blijkt uit een vervolganalyse dat met name natuur die een (vrij) lage kwaliteit had, verbetert, terwijl natuur die in de periode 2002­2009 een (vrij) hoge kwaliteit had achteruitgaat (fig. 4). Het is blijkbaar lastig om bestaande kwalitatief goede natuur te behouden. Dit is mogelijk te verklaren omdat in deze natuur ook kwetsbare/ zeldzame soorten voorkomen die extra gevoelig zijn voor veranderingen, zoals een verslechtering van condities, of onvol­ doende beheer. Ook andere beleidsrelevante natuurindicatoren (CBS et al., 2020) geven aan dat er nog geen sprake is van een breed herstel van de biodiversiteit; voor ecosyste­ men en soortgroepen geldt dat er zowel plussen als minnen zijn. Wel zien we dat veel indicatoren na een aanvankelijke daling sinds 1990 de laatste jaren minder hard dalen of vanaf circa de eerste jaren van dit millennium stabiliseren.

Op termijn meer herstel verwacht Door de hogere inzet van herstelmaatrege­ len sinds 2011 valt in de komende jaren meer natuurherstel te verwachten, vooral bij de natte ecosystemen. De inzet is sinds 2011 namelijk groter dan daarvoor omdat in de laatste acht jaar op een vergelijkbaar oppervlak herstelmaatregelen zijn getrof­ fen als in de twintig jaar ervoor. Zo hebben provincies de afgelopen acht jaar 48 % van de beoogde uitbreiding van het Natuurnet­ werk gerealiseerd. Dit betekent dat van 2011 tot en met 2018 (per 1 januari 2020) in totaal circa 41.000 ha van de 80.000 ha nieuwe natuur is gerealiseerd (LNV & IPO, 2020). Bovendien geldt dat zowel in de periode 1990­2010 als in 2011­2018 relatief gezien meer herstelmaatregelen in natte ecosystemen zijn getroffen, waarbij we veronderstellen dat het in beide periodes om effectieve vernattingsmaatregelen gaat. Daar komt bij dat de provincies zich conform de afspraken van het Natuurpact sinds 2011 vooral richten op de uitvoer van herstelmaatregelen binnen de Natura 2000­gebieden. Het gaat hierbij om 90 % (in oppervlakte gemeten) van de herstel­ maatregelen voor de al bestaande natuur. Deze gerichtere inzet op grote oppervlak­ tes zal naar verwachting effectiever zijn dan voorheen. Gezien bovenstaande en het feit dat de natuur pas na enkele tot vele jaren zichtbaar reageert op maatrege­ len, biedt dit perspectief op verbetering van de biodiversiteit op de korte termijn.

Figuur 3. Het landelijk beeld wordt gedomineerd door de toename in bossen. Bos maakt namelijk circa 55 % uit van het totale areaal landnatuur. Voor elk ecosysteemtype zijn er plekken te vinden die verbete­ ren, maar zijn er ook plekken die verslechteren.

Figuur 4. Dat kwalitatief goede natuur verder achteruitgaat, geldt voor alle ecosysteemtypen.

In de vorige evaluatie van het Natuurpact (PBL & WUR, 2017; Hoek et al., 2017) is ingeschat dat bij het volledig realiseren van de voorgenomen uitbreiding en kwaliteitsverbetering van het Natuurnet­ werk het aandeel beschermde soorten op het land volgens de Europese Vogel­ en Habitatrichtlijnen (VHR) met geschikte condities voor landelijk duurzaam voortbe­

24 | De Levende Natuur | jaargang 122 - nummer 1

staan van circa 55 % in 2015 tot maximaal 65 % kan toenemen in 2027.

Meer natuurherstel mogelijk Op korte termijn (vijf tot tien jaar) kunnen provincies meer natuur herstellen door meer in te zetten op (tijdelijke) herstelmaatregelen en het uitvoeren van voldoende regulier natuurbeheer. Uitbreiding (grotere opper­


vlaktes) en concentratie (hogere dichtheden) van de herstelmaatregelen in natte én droge ecosystemen zijn nodig voor meer natuur­ herstel. Uit deze studie blijkt dat waar de natuur kampt met verdroging en te veel stikstof het effectief is om vernattingsmaat­ regelen te treffen. Daarnaast blijkt het belangrijk om herstelmaatregelen met een kleinschalig effect ook op grote oppervlakten en geconcentreerd in te zetten, omdat ze anders te weinig effect sorteren. Deze maatregelen zijn nodig omdat de omstan­ digheden voor de natuur op dit moment nog dusdanig slecht zijn dat zonder deze maatregelen de beschermde natuur achter­ uit dreigt te gaan door een teveel aan stikstof, onvoldoende vocht, versnipperd leefgebied en een tekort aan geschikt leefgebied. Bovendien liggen er op de korte termijn kansen in de gebieden buiten het Natura 2000­deel van het Natuurnetwerk. Daar bevindt zich immers ook natuur (met VHR­soorten en ­habitattypen) die er niet goed voor staat en waar herstel nodig is. Rond de 55 % van het Natuurnetwerk (op land) heeft immers geen Natura 2000­status en voor de bestaande natuur vindt slechts 10 % van de maatregelen sinds 2011 plaats buiten het Natura 2000­deel van het Natuurnetwerk. Tijdelijke herstelmaatregelen die de overbelasting met stikstof bestrijden, bieden – zoals de naam aangeeft – tijdelijk natuurherstel doordat ze stikstof uit de natuur verwijderen met bijvoorbeeld maaien of plaggen. Hiermee kunnen provincies op korte termijn voorkomen dat de natuur achteruitgaat, maar deze maatregelen zijn niet geschikt voor herhaaldelijke inzet omdat door te veel plaggen of maaien juist schade aan de natuur kan ontstaan. Bij te vaak plaggen bestaat bijvoorbeeld het risico dat de zaadbank uitgeput raakt of er een tekort aan fosfor en sporenelementen optreedt (Nijssen et al., 2018). Ook kan de variatie in het gebied verdwijnen, wanneer maatregelen op te grote schaal worden aangepakt. Op de lange termijn moet de stikstofbelasting omlaag met bronbeleid op provinciaal, nationaal en Europees niveau om soorten duurzaam in stand te kunnen houden. Voor duurzaam herstel van biodiversiteit is veelal ook een grootschalige aanpak nodig gericht op systeemherstel waarin gekeken wordt naar de onderliggende oorzaken van de achteruitgang van biodiversiteit en die deze oorzaken probeert aan te pakken. Bij systeemherstel gaat het om de realisatie van robuuste, veerkrachtige ecosystemen (die tegen een stootje kunnen) wat vraagt om

herstel van natuurlijke structuren en natuur­ lijke processen op een hoger ruimtelijk schaalniveau, dat meestal wordt aangeduid met ‘landschapsschaal’. Voorbeelden van zulke natuurlijke structuren zijn ruimtelijke gradiënten (overgangen) van nat naar droog of ecosystemen die onderling verbonden zijn binnen een landschap. Daarnaast gaat het om herstel van natuurlijke processen zoals verstuiving, natuurlijke waterhuishouding en natuurlijke begrazing. Dit zal vragen om een gebiedsaanpak op een hoger schaalniveau dat niet wordt begrensd door grenzen van Natura 2000­gebieden of het Natuurnetwerk.

Sierdsema H. & C. Kampichler, 2020. Verande­ ring Natuurkwaliteit broedvogels, technische rapportage. SOVON, Nijmegen. Sparrius L.B., H. Sierdsema, C. Kampichler & D.D. van der Hak, 2020. Verspreidingskaarten voor het bepalen van veranderingen in de Natuurkwaliteit (flora). FLORON, Nijmegen. Swaay C.A.M. van, 2019. Verandering Natuurkwaliteit Dagvlinders ­ technische rappor­ tage. De Vlinderstichting, Wageningen. Watts, K., R. Whytock, K. Park, E. Fuentes-Montemayor, N. Macgregor, S. Duffield & P. McGowan, 2020. Ecological time lags and the journey towards conservation success. Nature Ecology & Evolution 4: 1­8.

Literatuur Aggenbach, C., S. Arens, Y. Fujita, A. Kooijman, T. Neijmeijer, M. Nijssen, P. Stuyfzand, M. van Til, J. van Boxel & L. Cammeraat, 2018. Herstel grijze duinen door reactiveren kleinschalige dynamiek. VBNE, Driebergen. Beek, J.G. van, R.F. van Rosmalen, B.F. van Tooren & P.C. van der Molen, 2018. Werkwijze Monitoring en Beoordeling Natuurnetwerk en Natura 2000/PAS. BIJ12, Utrecht. CBS, PBL & RIVM, 2020. www.compendium­ voordeleefomgeving.nl, Den Haag. Hoek, D.-J. van der, M. Smit, S. van Broekhoven, A. van Hinsberg, P. Giesen, H. Bredenoord, R. Pouwels, B. de Knegt, F. van Gaalen, A. de Blaeij, S. Mylius & R. Folkert, 2017. Potentiële bijdrage van provinciaal natuurbeleid aan Europese biodi­ versiteitsdoelen. Achtergrondrapport lerende evaluatie van het Natuurpact. PBL, Den Haag. Hoek, D.-J., van der, B. de Knegt & P. Giesen, 2020. Bijdrage van herstelmaatregelen aan ver­ beteren biodiversiteit in het Natuurnetwerk. Achtergrondrapport lerende evaluatie van het Natuurpact. PBL, Den Haag. Lamers, L.P.M., E.C.H.E.T. Lucassen, A.J.P. Smolders & J.G.M. Roelofs, 2005. Fosfaat als adder onder het gras bij “nieuwe natuur”. H2O 17: 28­30. LNV & IPO, 2020. Zesde voortgangsrapportage Natuur, Utrecht. Ministerie van EZ & IPO, 2013. Natuurpact ont­ wikkeling en beheer van natuur in Nederland. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nijssen, M.E., M. Geertsma, J.T. Kuper, G.A. van Duinen & R. Versluijs, 2018. Fauna als randver­ schijnsel: kansen rondom voedselarme natuur­ gebieden. De Levende natuur 119: 190­194. PBL & WUR, 2017. Lerende evaluatie van het Natuurpact. Naar nieuwe verbindingen tussen natuur, beleid en samenleving. PBL, Den Haag. PBL & WUR, 2020. Lerende evaluatie van het Natuurpact 2020. Gezamenlijk de puzzel leg­ gen voor natuur, economie en maatschappij. PBL, Den Haag.

Dankwoord Het PBL heeft het onderzoek samen met WENR uitgevoerd. Een speciaal woord van dank is aan de projectleiding van de Lerende Evaluatie van het Natuurpact Rob Folkert (PBL) en Irene Bouwma (WUR). Biometris, CBS, BIJ12 en de soortenorganisaties SOVON, FLORON en De Vlinderstichting hebben eveneens een bijdrage geleverd aan de studie.

Summary National analysis into the contribution of restoration measures to improving biodiversity in the Nature Network In 2020, PBL Netherlands Environmental Assessment Agency analyzed the Nature Pact. In addition to a national analysis of how many provinces have taken what restoration measu­ res in the Nature Network Netherlands, it also analyzed whether the measures contribute to achieving the ambition of ‘improving biodiver­ sity’. The analysis shows that the restoration measures funded by the provinces to improve biodiversity in the Nature Network have a sig­ nificantly positive impact, particularly in wet ecosystems. The impact is less significant in dry ecosystems, probably because it is still too small and too dispersed. Compliance with the agreements under the Nature Pact calls for expansion and concentration of restoration measures. Dirk­Jan van der Hoek Planbureau voor de Leefomgeving Dirk­jan.vanderhoek@pbl.nl Bart de Knegt Wageningen Environmental Research, WUR bart.deknegt@wur.nl Paul Giesen Planbureau voor de Leefomgeving Paul.Giesen@pbl.nl

De Levende Natuur | januari 2021 | 25


Foto 1. Brede orchis met gestreepte witbol aan het begin van verschraling. (Foto: Henk Everts)

Duur en start van verschraling bepalen dynamiek van brede orchis Het Drentsche Aa-gebied staat bekend om zijn bloemrijke hooilanden. Aansprekende soorten hierin zijn orchideeën. Bij de oprichting van het Stroomdallandschap in 1965 waren er nog maar een paar percelen die paars zagen van de orchideeën, met name van brede orchis. Geleidelijk werden meer percelen door de overheid verworven en kwamen er meer orchideeën, maar niet overal en in dezelfde mate. Waar kunnen die verschillen mee samenhangen? Jan Bakker, Yzaak de Vries, Heinz Düttmann, Eeuwe Dijk & Henk Everts De moeder van de laatste auteur heeft rond 1930 orchideeën geplukt, die toen massaal voorkwamen in de madelanden. Deze schrale, nauwelijks bemeste hooilanden die in de jaren dertig nog op veel plaatsen werden aangetroffen in het beekdal, waren in de jaren vijftig vrijwel verdwenen. Er waren ”geen plekken aan te wijzen waar de moderne bemestingsmethoden niet zijn toegepast” (Schimmel, 1955). Toen het Stroomdallandschap Drentsche Aa, als voorloper van het latere

Nationaal Park, in 1965 werd ingesteld, was er veel aandacht voor bloemrijk hooiland en schraalland met onder andere brede orchis. Omdat verdere intensivering dreigde, werden bemeste percelen verworven en overgedragen aan Staatsbosbeheer. Het hooilandbeheer werd voortgezet, maar zonder bemesting. Langs het Anlooërdiepje (fig. 1) werd in een perceel dat al sinds 1946 jaarlijks wordt gehooid met weinig bemesting, in de jaren vijftig het vegetatietype veldrus-

26 | De Levende Natuur | jaargang 122 - nummer 1

schraalland met brede orchis aangetroffen. Dit perceel werd later het ‘reservaat’ genoemd en geldt als referentie voor dit vegetatietype. Toen de auteurs in 1971 actief werden in het Drentsche Aa-gebied zag het reservaat paars van de orchideeën.

De vegetatie in een verschralingsreeks De percelen langs het Anlooërdiepje zijn geleidelijk bij Staatsbosbeheer in verschralend beheer gekomen en bieden de mogelijkheid een vergelijking te maken in ruimte en tijd. Ze vormen een tijdreeks voor wat betreft het aantal jaren dat ze in beheer zijn en daarmee ook een verschralingsreeks. De plaats in de verschralingsreeks wordt niet alleen bepaald door het aantal jaren dat een perceel in verschralend beheer is; in de oudste percelen begon het verschralend beheer in een tijd dat de bemestingsgraad lager was dan in latere jaren. Bovendien hebben percelen waarin recenter verschralend beheer is gestart een langere historie van bemesting dan de percelen die langer geleden werden


Foto 2. Brede orchis met pinksterbloem in de middenfase van verschraling. (Foto: Henk Everts)

verworven. Met andere woorden: hoe korter geleden verschralend beheer startte, hoe groter de erfenis van opgehoopte meststoffen. Deze suggestie werd in 1995 al gedaan op basis van de toen beschikbare gegevens (Bakker & Olff, 1995). We hebben nu, ruim twintig jaar later, veel langer lopende gegevens om deze gedachte verder uit te werken. Het Veldrusschraalland met brede orchis komt voor in de lager gelegen organisch-vochtige delen van de percelen. Hier spoelen voedingsstoffen niet uit. Er zijn verschillen ten aanzien van hydrologische factoren die tot uiting komen in verschillen in het voorkomen van kwelindicatoren (tabel 1). Deelgebieden 1 en 2 hebben geen ondiepe kwel; deelgebieden 3, 4 en 5 hebben ondiepe kwel; deelgebieden 6 en 7 hebben lokaal of relatief veel diepere kwel. Hierdoor is het oostelijk deel van het beekdal minder goed vergelijkbaar met het westelijk deel (Everts & De Vries, 1984-2017).

Voorkomen van orchideeën in een verschralingsreeks Het voorkomen van brede orchis is in 1955 en 1972 vastgesteld aan de hand van losse waarnemingen. Daarna zijn de waarnemingen gedaan in het kader van vlakdekkende vegetatiekarteringen in 1986, 1994, 2008 en 2015, waarbij ook de mate van voorkomen van individuele soorten als de brede orchis systematisch is vastgelegd. In 1955 kwam de soort alleen voor in het reservaat (perceel 6, fig. 1). In 1972 kwam brede orchis ook voor in één en in 1986 in twee naburige percelen.

Figuur 1. Het Anlooërdiepje met andere hydrologische omstandigheden in deelgebieden 1-7 volgens tabel 1. Percelen in een deelgebied hebben een overeenkomstige kleur. Het startjaar van verschralend beheer is aangegeven (het reservaat bestaat uit twee delen), evenals de nummering van percelen zoals gebruikt in tabel 2, figuren 3 en 4.

6

5

6

4

7

8

9

10

3

13 11 12

2

14

15

1

16

In deze ‘oude’ percelen kwam de soort in 1994 algemeen voor, maar begon deze later af te nemen, terwijl ze voor het eerst in geringe mate voorkwam in een aantal ‘nieuwe’ percelen verder naar het oosten (fig. 2). Deze trend zette door in 2015: enige afname in de ‘oude’ percelen, toename in de ‘nieuwe’ percelen en nog nieuwe vestigingen in een paar percelen in het oosten. Nog verder naar het oosten in het deel van het dal zonder diepe kwel is de soort nog niet waargenomen (Everts & De Vries 1984-2017). Tijdens de opeenvolgende vegetatiekarteringen vanaf 1986 is steeds de mate van voorkomen van brede orchis in de verschillende percelen vastgelegd. Daardoor kon de mate van voorkomen van de brede orchis worden aangegeven in relatie tot het oppervlak van het betreffende perceel: weinig algemeen, algemeen, abundant (Everts & De Vries, 1984-2017). In perceel 6 (het reservaat) was de soort abundant in 1986, werd algemeen in 1994 en het oppervlak algemeen verdubbelde in 2008 en nam af in 2016. In perceel 4 was brede orchis algemeen over een klein oppervlak in 1986, waarna dat oppervlak sterk toenam in 1994, om in 2008 en 2016 weer af te nemen. Een afname is niet te zien in andere percelen. In deelgebied 7 was de eerste waarneming gemiddeld ruim 24 jaar na de start van verschralend beheer. Voor

deelgebied 1

2

3

4

5

6

7

algemeen

lokaal

weinig algemeen

algemeen

dominant

lokaal

algemeen

algemeen

algemeen

lokaal

algemeen

soorten in 1986 Veldrus Holpijp Dotterbloem typering systeem (naar Everts & de Vries 1991) infiltratie bovenloop zonder kwel laagte met ondiepe kwel bovenloop met lokaal ondiepe kwel bovenloop met ondiepe kwel middenloop met ondiepe kwel en lokaal diepere kwel middenloop met ondiepe kwel en relatief veel diepere kwel

xxxx xxxx xxxx xxxx xxxx xxxx xxxx

Tabel 1. Het Anlooërdiepje met hydrologische omstandigheden in verschillende deelgebieden; de mate van voorkomen van enkele soorten die indicatief zijn voor ondiepe en diepe kwel (veldrus en holpijp) en diepe kwel (dotterbloem).

De Levende Natuur | januari 2021 | 27


Foto 3. Brede orchis in het laatste stadium van verschraling, met onder meer veldrus. (Foto: Henk Everts)

deelgebied 6 was dat ruim 30 jaar, voor deelgebied 5 was dat 24 jaar en voor deelgebied 4 was dit 29 jaar (tabel 2). Het verschralingsbeheer leidde niet alleen tot een toename en uitbreiding van de brede orchis, maar past in een breder patroon van successie van voedselrijke graslanden naar voedselarme vegetatietypen. In het kader wordt deze ontwikkeling uitgelicht.

Start van verschralingsbeheer De eerder geformuleerde gedachte ‘hoe korter geleden verschralend beheer startte, hoe groter de erfenis van opgehoopte meststoffen’ kan nu worden getoetst aan de veranderingen in de vegetatie als geheel (fig. 4) en de mate van voorkomen van brede orchis (fig. 5). We vergelijken steeds twee groepen percelen die een vergelijkbaar

aantal jaren verschraald zijn, maar waarbij de verschraling op verschillende tijdstippen is begonnen. Voor de samenstelling van de vegetatie gaan we uit van de kartering die samenvalt met het eind van de beschouwde periode van verschraling. Bijvoorbeeld: staafdiagram A staat voor de start van verschralend beheer 1971-1974 en de

N

1955

vegetatiekartering in 2008; dat levert 34-37 jaar verschralend beheer. Om voor staafdiagram B tot een vergelijkbare periode verschralend beheer te komen bij een tien jaar latere start (namelijk 1982-1985), is de vegetatiekartering van 2016 benut (Everts & De Vries, 1984-2017) (fig. 4). Zo worden de koppels C-D, E-F en G-H ook vergeleken.

N

1994

niet waargenomen zeldzaam - weinig algemeen algemeen abundant

0

100

200

300

400

1972

500 m

0

100

N

2008

200

300

400

500 m

N

niet waargenomen zeldzaam - weinig algemeen algemeen abundant

0

100

200

300

400

500 m

0

100

N

2015

200

300

400

500 m

tel perceel

1986

N

niet waargenomen zeldzaam weinig algemeen algemeen abundant 0

100

200

300

400

500 m

0

100

200

300

400

Figuur 2. Voorkomen van brede orchis langs het Anlooërdiepje in de periode 1955-2015. In 1955 en 1972 is het voorkomen met een rode stip aangeduid.

28 | De Levende Natuur | jaargang 122 - nummer 1

500 m


aantal jaren in beheer

jaar kartering

jaar aankoop

deelgebied

perceelsnummer

jaar kartering

aantal jaren in beheer

deelgebied

jaar aankoop

perceelsnummer

Aandeel oppervlak %

Aandeel oppervlak %

40% 3 6 1967 1986 19 40 48 1994 27 25% 27% 62 2008 41 48% 52% 70 9% 40% 36% 2016 49 7 7 21 2 6 1971 1986 15 33% 47% 29 1994 23 43 geen data 2008 37 51 43% 2016 45 55% 17% 17% 4 7 1971 1986 15 1 6 1984 1986 2 40% 60% 1994 23 1994 10 52% 2008 37 2008 24 22% 2016 45 31% 53% 2016 32 44% 15 5 1984 1986 2 8 7 1971 1986 15 1994 10 1994 23 6% 2008 37 2008 24 2016 45 2016 32 8% 34% 42% 12 5 1984 1986 2 5 7 1974 1986 12 1994 10 1994 20 12% 2008 34 75% 2008 24 8% 25% 2016 42 2016 32 35% 40% 15% 14% 11 5 1985 1986 1 10 7 1982 1986 4 1994 9 1994 12 2008 26 2008 23 55% 47% 19% 2016 34 2016 31 31% 35% 29% 50% 13 in5 percelen 1998 1986 9 7 2. Voorkomen 1985 1986 van 1 brede orchis in de periode 1986-2015 als aandeel oppervlak Tabel in vier- verschillende deelgebieden (tabel 1) met steeds kortere 1994 1994 9 31%met start tussen 1946 en 1985. Zie voor de nummering van de periode van verschralend beheer percelen fig. 2. N.B.: Zes percelen zijn in 2008 beperkt 2008 10 2008 23 gekarteerd, waardoor onvoldoende gegevens beschikbaar zijn. 2016 18 2016 31 36% 62% 25% 16 4 1987 1986 Legenda 1994 7 weinig algemeen 2008 21 algemeen 18% 2016 29 abundant 6

7

1946 1986 1994 2008 2016 1965 1986 1994 2008 2016

Tabel 2. Voorkomen van brede orchis in de periode 1986-2015 als aandeel oppervlak in percelen in vier verschillende deelgebieden (tabel 1) met steeds kortere periode van verschralend beheer met start tussen 1946 en 1985. Zie voor de nummering van de percelen fig. 1. Zes percelen zijn in 2008 beperkt gekarteerd, waardoor onvoldoende gegevens beschikbaar zijn.

Kader 1:

Successie

Tijdens de verschraling worden bemeste voedselrijke graslandtypen geleidelijk vervangen door schralere, voedselarme typen (fig. 3). Brede orchis kan voor het eerst spaarzaam verschijnen in het witbolgrasland en wat vaker ook in bloemarm grasland met pitrus. In de volgende verschralingsstadia (bloemrijk grasland en droog matig schraal grasland) waar in beide ook veldrus verschijnt, komt de orchis het sterkst naar voren en breidt ze zich ook snel uit (foto’s 1, 2 en 3). In deze typen is het areaal en de mate van voorkomen van brede orchis het grootst. Ook in het dotterbloemhooiland (vaak met veldrus) en het veldrusschraalland ontbreekt brede orchis niet, hoewel het areaal hiervan beperkt is. De figuur geeft ook aanwijzingen dat de verschraling afhankelijk is van de hoeveelheid en het type kwel, waardoor het westelijk deel een veel gunstiger beeld laat zien dan het oostelijk deel (tabel 1). De uitgangssituatie verschilde ook: gemiddeld werd west in 1982 al acht jaar verschraald, terwijl oost nog vijf jaar moest wachten met de start (zie fig. 1), wat tot uiting komt in een verschil in de vegetatiesamenstelling. Ondanks dit verschil blijft het resultaat in

oost achter, vooral in de omvang van de arealen bloemrijk grasland, droog matig schraal grasland en dotterbloemhooiland, de optimale vestigingsplekken voor brede orchis. Dat hangt samen met het bekende fenomeen

dat in het Drentsche Aa-gebied (diepe) kwel met calciumcarbonaat (CaCO3) tot een beter verschralingsresultaat leidt (Everts & De Vries, 1991). In oost is kwel beperkt.

100

Schraal

80 J1 Veldrusschraalland I3 Dotterbloemhooiland K1 Bloemrijk grasland K4 Droog matig schraal grasland met Gewoon struisgras en Kamgras K3 Bloemarm grasland met Pitrus e.d. K5 Witbolgrasland L1 Engels raaigrasweide M1 Overstromingsgrasland

60

40

20

0

Zwaar besmet 1982

1996 West

2016

1982

1996 Oost

2016

Figuur 3. Successie van graslandontwikkeling in het westelijk deel (deelgebieden 6 en 7) en oostelijk deel (deelgebieden 2, 4 en 5) van het Anlooërdiepje (zie fig. 1 en tabel 1) bij verschralend beheer in de periode 1982-2016 (naar Everts & de Vries 1984-2017).

De Levende Natuur | januari 2021 | 29


Figuur 4. Percentueel aandeel van verschillende vegetatietypen in percelen met brede orchis in koppels met een vergelijkbaar aantal jaren verschralen per koppel, afnemend van koppel A -B (ruim 30 jaar) naar koppel G -H (bijna 10 jaar), maar met steeds ongeveer tien jaar verschil in startjaar van de verschraling tussen de twee leden van een koppel. De vegetatietypen in de legenda zijn van boven naar beneden geordend van schraal naar matig voedselrijk (zie fig. 3). Zie voor de nummering van de percelen fig. 1.

100 %

80

60

40

I3 Dotterbloemhooiland K1 Bloemrijk grasland K4 Droog matig schraal grasland met Gewoon struisgras en Kamgras K3 Bloemarm grasland met Pitrus ed. K5 Witbolgrasland

20

0 A 1971-1974 34-37 2008 7 4,5

B 1982-1985 31-34 2016 7 9,10

Voor plaatsing in de reeks A-H zijn de percelen gerangschikt naar de indicatie van de bodemvruchtbaarheid op basis van de samenstelling van de vegetatie in volgorde van zeer schraal (A) tot matig voedselrijk (H) op basis van de vegetatietypen in fig. 3. Tussen elk koppel van percelen met vergelijkbaar aantal jaren beheer indiceert de vegetatie in het perceel waarin later is begonnen met verschralingsbeheer voedselrijkere condities (fig. 4). De grote lijn is dat percelen die het langst in verschralend beheer zijn de meest schrale vegetatietypen (dotterbloemhooiland, bloemrijk grasland en droog matig schraal grasland met gewoon struisgras en kamgras; zie fig. 3), veelal met veldrus herbergen, terwijl in de percelen die het kortst in beheer zijn bloemarm grasland en witbolgrasland voorkomt (fig. 3; foto’s 1, 2, 3). Bovendien herbergen percelen met een even lange beheergeschiedenis maar met een latere start ook vegetatietypen van voedselrijkere bodem doordat ze langer bemest zijn geweest (fig. 4). Bij de vergelijking van de eerste twee koppels (A-B en C-D) geldt dat ze in deelgebied 7 liggen met dezelfde hydrologische conditie van relatief veel kwel. Bij de vergelijking van de laatste twee koppels (E-F en G-H) treedt de in het kader beschreven ‘ruisfactor’ van verschillende hydrologische omstandigheden in deelgebieden (zie kader) op

C 1971-1974 20-23 1994 7 4,5,8

D 1982-1985 26 2008 7 10

E 1971 15 1986 7 4

F 1998 18 2016 5 13

doordat een vergelijking wordt gemaakt tussen percelen in deelgebied 7 (staafdiagrammen E en G) en deelgebied 5 (staafdiagrammen F en H) met minder kwel. Desondanks is dit een aanwijzing dat de erfenis van bemestingsgeschiedenis een rol speelt bij de veranderingen in de samenstelling van de vegetatie. De meest veelbelovende ontwikkeling van het Veldrusschraalland is te zien in deelgebied 7 met relatief veel kwel. We vergelijken dezelfde koppels percelen als voor het voorkomen van vegetatietypen voor de mate van voorkomen (weinig algemeen, algemeen, abundant) van brede orchis. Veelal is het zo dat brede orchis vooral algemeen is in percelen waarin het verschralend beheer ruim 30 jaar heeft plaatsgevonden (A en B in fig. 5) en vooral weinig algemeen voorkomt in percelen die rond 10 jaar werden verschraald (G en H in fig. 5). Maar daarbovenop heeft een latere start van verschralend beheer en dus een langere geschiedenis van bemesting, negatieve gevolgen voor de mate van voorkomen van brede orchis (vergelijk A (alleen hier abundant voorkomen) met B, C met D in fig. 5). De vestiging en de mate van voorkomen van deze plantensoort orchis volgt het hierboven beschreven patroon voor de vegetatiesamenstelling. De aanwijzing dat de erfenis van bemes-

30 | De Levende Natuur | jaargang 122 - nummer 1

G 1985 9 1994 7 9

H 1998 10 2008 5 13

Start verschralen Aantal jaren verschralen Vegetatiekartering Deelgebied Perceel

tingsgeschiedenis een rol speelt bij de veranderingen in de vegetatietypen, lijkt dus op dezelfde manier te gelden voor de mate van voorkomen van brede orchis.

Aantallen orchideeën in de verschralingsreeks Naast een analyse van het voorkomen van vegetatietypen waarin brede orchis staat, zijn er alleen anekdotische gegevens over het verloop het aantal orchideeën in de tijd. In perceel 2 in deelgebied 6 (fig. 1) werd vanaf 1971 verschraald en 15 jaar later in 1987 verschenen daar de eerste orchideeën (fig. 6). Het aantal nam toe tot 3.000 in 2007. In 2019 en 2020 was er een sterke vermindering tot minder dan 200 exemplaren. Van de tussenliggende jaren zijn geen tellingen. In de jaren negentig werden in het reservaat (deelgebied 7, perceel 6) tot 12 orchideeën per m2 aangetroffen (Dijk & Olff, 1994). In 2020 zijn dat tot nog maar 2 exemplaren per m2. In perceel 5 in deelgebied 7 zijn tussen 2013 en 2020 lokaal de orchideeën verdwenen (foto’s 4 en 5). Ook hier lijkt dus sprake van een afname in de tijd. Langdurige verschraling lijkt te leiden tot een afname van het aantal brede orchissen. Mogelijke oorzaken voor afname orchideeën De aanvankelijke toename van brede orchis na het stoppen van bemesting gaat klaarblijkelijk niet eindeloos door in


Figuur 5. Relatieve mate van voorkomen van brede orchis (uitgedrukt als percentage van het oppervlak waarin orchis binnen percelen voorkomt) in koppels met een vergelijkbaar aantal jaren verschralen per koppel (afnemend van A en B ruim 30 jaar) naar G en H (bijna 10 jaar), waarbij het tweede lid van een koppel steeds ongeveer tien jaar later is gestart met verschralend beheer. Zie voor de nummering van de percelen fig. 1.

% 60

weinig algemeen algemeen abundant

50 40 30 20 10 0

A 1971-1974 34-37 2008 7 4,5

B 1982-1985 31-34 2016 7 9,10

percelen die al tientallen jaren in verschralend beheer zijn. Er treedt stabilisatie op en er lijkt zelfs afname plaats te vinden. Waar kan de afname mee te maken hebben? In perceel 2 in deelgebied 6 (zie fig. 1) daalde de pH in de periode 1974-1982 van 5,5 tot 4,5 in de laag van 0 tot 5 cm en van 5,0 tot 4,0 in de laag van 5 tot 25 cm (Bakker, 1989). In 2005 hebben we bovendien in een aantal verschillende percelen in deelgebied 7 de zuurgraad gemeten. De pH was 5,3 in nog bemeste percelen (waarschijnlijk inclusief wat kalk) en tussen 4,6 en 4,8 rond 30 jaar na het stoppen met bemesting (ongepubliceerde gegevens). Afnemende zuurgraad is ongunstig voor de

C 1971-1974 20-23 1994 7 4,5,8

D 1982-1985 26 2008 7 10

E 1971 15 1986 7 4

F 1998 18 2016 5 13

ontwikkeling van brede orchis (Everts & De Vries, 1991) en vormt wellicht een verklaring voor de afname. Verzuring kan worden veroorzaakt door NH4 (ammoniak) in atmosferische depositie. Naast bemesting zorgt het ook voor verzuring, maar het kan ook zijn dat de dynamiek in het voorkomen van brede orchis wordt beïnvloed door stikstof. Rond 1900 bedroeg de stikstofdepositie in Nederland 5 kg N/ha/jaar (1 kg stikstof = 71,43 mol N). Er was een geleidelijke stijging tot 1950 met onderbrekingen tijdens WO I en WO II. Van 1960 tot 1980 was de stijging exponentieel tot 45 kg N/ ha/jaar. Vanaf 1990 trad een duidelijke

3000

aantallen

2500 2000 1500 1000 500 0 1985

1990

1995

2000

2005

2010

2015

G 1985 9 1994 7 9

H 1998 10 2008 5 13

Start verschralen Aantal jaren verschralen Vegetatiekartering Deelgebied Perceel

daling op tot 28 kg N/ha/jaar rond 2005 (De Haan et al., 2008). Het bleef licht dalen tot 24 kg N/ha/jaar in 2015 (Wichink Kruit & Van Pull, 2018). Voor aan veldrusschraalland verwant blauwgrasland wordt een kritische depositiewaarde (KDW) van 15 kg N/ha/jaar gehanteerd (Van Dobben et al., 2012). Ondanks de hoge stikstofdepositie nam tussen 1975 en 1999 tijdens verschralingsbeheer de biomassa af en bleef deze laag. Er werd daardoor echter steeds minder stikstof afgevoerd (van 110 naar 40 kg N/ ha/jaar) doordat de concentratie in het gewas (rond 1,5 %) gelijk bleef (Bakker et al., 2013). Hierdoor wordt de hoeveelheid stikstof via atmosferische depositie relatief belangrijker. Voor Drenthe was de stikstofdepositie in 2017 22,4 kg N/ha/jaar, waarvan 15,4 voor NH4 en 7 voor NO2. Voor schraalland habitattypen in Drenthe bedroeg de overschrijding van de KDW 8,7 kg N/ha/ jaar (Gies et al., 2019). Het model AERIUS, gebruikt bij de berekeningen voor de PAS (Programmatische Aanpak Stikstof), geeft voor 2018 tot 24 kg N/ha/jaar (1.800 mol N/ha/jaar) langs het Anlooërdiepje (RIVM). Na 2015 verdubbelde de hoeveelheid ammoniak (ondanks de PAS, maar met het loslaten van de melkquota) in de atmosfeer van gemiddeld 3 µg/m3 in 2005 tot 6,25 µg/m3 in 2019 in het Drentsche Aa-gebied (RIVM-MAN).

2020

jaar Figuur 6. Aantal orchideeën in een strook van 60 m x 10 m vanaf de start van verschralen in 1971 in perceel 2, deelgebied 6 (zie fig. 1). In 2000 en tussen 2007 en 2019 zijn geen tellingen verricht.

Orchideeën en endomycorrhiza-schimmels We vermoeden dat door de hoge stikstofdepositie de ontwikkeling van de bre-

De Levende Natuur | januari 2021 | 31


de-orchispopulatie ook op een andere manier wordt beïnvloed. In de eerste stadia van de levenscyclus, met name tijdens de kieming, zijn orchideeën afhankelijk van de endomycorrhiza-schimmel waarmee ze in symbiose leven. Bij soorten van het geslacht Dactylorhiza zijn de typische orchidee-schimmels van de geslachten Tulasnella, Ceratobasidium en Sebacina aangetroffen (Jacquemyn et al., 2016). Na de kieming vormt een orchidee een jong ondergronds stadium, het protocorm dat in symbiose leeft met een mycorrhiza-schimmel. In gunstige omstandigheden winnen protocormen al hun voedingsstoffen van de mycorrhiza-schimmels: ze hebben nog geen wortels en bladgroen. Uit lab-experimenten blijkt dat bij verhoogde stikstofconcentraties in de vorm van NH4 en NO3 de balans tussen schimmel en protocorm verstoord wordt ten gunste van de mycorrhiza-schimmel (het protocorm krijgt te weinig voedingsstoffen) bij een verhoogde beschikbaarheid van stikstof (Van Dijk & Eck, 1995). Een lab-experiment laat zien dat stikstof in de vorm van NO3 direct de kieming van zaden van witte muggenorchis negatief kan beïnvloeden, hetgeen gerelateerd kan zijn aan de achteruitgang in schraal grasland (Ponert et al., 2013). Specifieke orchideeschimmels kunnen verdwijnen bij verhoogde stikstofbelasting, waardoor het protocorm geen voedingsstoffen kan krijgen. Zo neemt de diversiteit van endomycorrhiza-schimmels in graslanden sterk af boven een depositie van 7,7 kg N/ha/jaar (Ceulemans et al., 2019). Het zou interessant zijn om kiemingsexperimenten uit te voeren in graslanden die sterk verschillen in omgevingskenmerken of een verschillende geschiedenis kennen en tegelijkertijd de schimmeldiversiteit in de bodem in kaart te brengen (meded. Hans Jacquemyn). Het is niet uitgesloten dat de afname van brede orchis langs het Anlooërdiepje te maken heeft met de verstoring van de balans tussen protocorm en endomycorrhiza-schimmels.

Conclusie De mate van voorkomen van brede orchis in de periode 1986-2016 langs het Anlooërdiepje is hoog in percelen die lang in verschralend beheer zijn en laag in percelen die kort in beheer zijn. Naarmate een

Foto’s 4 en 5. Voorkomen van grote aantallen brede orchis in de fase met veldrus in 2013 en afwezigheid in 2020 in perceel 5 in deelgebied 7 (fig. 1). (Foto’s: Henk Everts)

32 | De Levende Natuur | jaargang 122 - nummer 1


perceel langer in verschralend beheer is neemt de mate van voorkomen toe, om daarna weer enigszins af te nemen. Ook de start van het verschralend beheer bepaalt de mate van voorkomen: hoe eerder begonnen, hoe hoger de mate van voorkomen, onafhankelijk van de duur van verschralend beheer. De bemestingsgeschiedenis lijkt nog tientallen jaren een stempel te drukken op de snelheid van verschralen. Door de verschillen in hydrologische factoren geldt dit duidelijker voor percelen met relatief veel kwel (en daardoor meest veelbelovende ontwikkeling van Veldrusschraalland), dan voor percelen met weinig kwel. In de laatste percelen is het eerder afgelopen met brede orchis. Brede orchis neemt bij verschraling aanvankelijk toe ondanks hoge stikstofdepositie, waarschijnlijk doordat de vegetatie opener wordt. De aantallen dalen echter weer na verloop van tijd, terwijl de vegetatie open blijft. Dit kan gerelateerd zijn aan verzuring en de verstoorde balans tussen protocorm en mycorrhiza bij de recent weer toenemende stikstofdepositie. Brede orchis blijft aanwezig tijdens verschraling zolang de volwassen individuen zich handhaven; er komen echter geen nieuwe individuen bij middels verjonging door het achterwege blijven van kieming. Hiermee lijkt de soort op de grutto, die weliswaar oud kan worden, maar er worden te weinig jongen volwassen om de populatie op termijn levensvatbaar te houden (Kentie et al., 2013). De mogelijkheid gedurende decennia de effecten van ongewijzigd beheer in samenhang met verschillen in grondwaterhuishouding te volgen, levert belangrijke inzichten in de dynamiek van de vegetatie en soorten. Ingrijpen om geconstateerde afname van een soort eventueel te herstellen, is hier niet aan de orde.

Literatuur Bakker, J.P., 1989. Nature management by grazing and cutting. Kluwer Academic Publishers, Dordrecht. Bakker, J.P. & H. Olff, 1995. Nutrient dynamics during restoration of fen meadows by hay-making without fertiliser application. In: Wheeler, B.D., S.C. Shaw, W.J. Foyt & R.A. Robertson (Eds.). Restoration of Temperate Wetlands. pp 143-166. Wiley, Chichester. Ceulemans, T., M. van Geel, H. Jacquemyn, M. Boeraeve, J. Plue, L. Saar, G. Peeters, K. van Acker, S. Crauwels, B. Lievens & O. Honnay, 2019. Arbuscular mycorrhizal fungi in European grasslands under nutrient pollution. Global Ecology and Biogeography 28: 1796–1805.

Dijk, E. & H. Olff, 1994. Effects of nitrogen, phosphorus and potassium fertilization on field performance of Dactylorhiza majalis. Acta Botanica Neerlandica 43: 383-392. Dijk, E. & N. Eck, 1995. Effects of mycorrhizal fungi on in vitro nitrogen response of some Dutch indigenous orchid species. Canadian Journal of Botany 73: 1203-1211. Dobben, H.F. van, R. Bobbink, D. Bal & A. van Hindberg, 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Wageningen, Alterra. Alterra rapport 2397. Everts, F.H. & N.P.J. de Vries, 1991. De vegetatieontwikkeling van beekdalsystemen. Een landschapsoecologische studie van enkele Drentse beekdalen. Historische Uitgeverij Groningen. Everts, F.H. & N.P.J. de Vries, 1984-2017. Vegetatiekarteringen Drentsche Aa: 19821986/1994/2008/2015 karteerronden. Rijkuniversiteit Groningen, Bureau Everts & De Vries, Groningen/ Staatsbosbeheer-regio’s Drenthe-Noord en Groningen. Gies, E., H. Kros & J.K.Voogd, 2019. Inzicht stikstofdepositie op natuur. Memo Wageningen University and Research. Haan, B.J. de, J. Kros, R. Bobbink, J.A. van Jaarsveld, W. de Vries & H. Noordijk, 2008. Ammoniak in Nederland. MNP rapport 500125003. Milieu- en Natuurplanbureau, Bilthoven. Jacquemyn, H., M. Waud, V.S.F.T. Merrckx, R. Brys, D. Tyteca, M. Hedrén & B. Lieverns, 2016. Habitat-driven variation in mycorrhizal communities in the terrestrial orchid genus Dactylorhiza. Scientific Reports 6 37182. Kentie, R., J.C.E.W. Hooijmeijer, K.B. Trimbos, N.M. Groen & T. Piersma, 2013. Intensified agricultural use of grasslands reduces growth and survival of precocial shorebird chicks. Journal of Applied Ecology 50: 243–251. Ponert, J., T. Figura, H. Lipavska & J. Jersákova, 2013. Asymbiotic germination of mature seeds and protocorm development of Pseudorchis albida (Orchidaceae) are inhibited by nitrates even at extremely low concentrations. Botany 91: 662-670. RIVM, 2019. AERIUS calculator. RIVM, 2019. Man Interactieve website over ammoniak in natuurgebieden. www.rivm.nl/ nieuws/interactieve-website-over-ammoniak-in-natuurgebieden. Schimmel, H., 1955. De Drentse beken en beekdalen en hun betekenis voor natuurwetenschap en landschapsschoon. Rapport afdeling natuurbescherming en landschap. Staatsbosbeheer, Utrecht. Wichink Kruit, R.J. & W.A.J. van Pull, 2018. Ontwikkelingen in de stikstofdepositie. RIVM Briefrapport 2018-0117R.J.

Summary Duration and start of impoverishment determine dynamics of broad-leaved marsh orchid In an agricultural fen meadow system, haymaking with cessation of fertilizer application was practiced to restore the target Juncus acutiflorus community, including the iconic orchid Dactylorhiza majalis. Comparing various fields with different periods (70-35 years) since the cessation of fertilizer application allowed to use the series of fields as a chronosequence. The abundancy of orchids is higher in fields with long-term cessation of fertilizer application than in fields with a shorter period. Similar periods of cessation of fertilizer application do not imply similar abundancies of orchids. The abundancy is lower in fields in which cessation of fertilizer application started more recently. This phenomenon may be attributed to a legacy of a longer period of fertilizer application and is more visible in fields with relatively much seepage than in fields with little seepage. Orchid individuals established, increased, and decreased again during the past 45 years. The decline of orchids, despite increasing duration of management, may be related to recently increasing atmospheric nitrogen deposition. This might affect the symbiosis between orchid protocorms and endomycorrhizal fungi, hence preventing the establishment of juvenile orchids.

Dankwoord Wij bedanken Staatsbosbeheer voor de toestemming het onderzoek uit te voeren. Dick Visser verfraaide de figuren. Jan Bakker Groningen Institute for Evolutionary Life Sciences (GELIFES), Rijksuniversiteit Groningen j.p.bakker@rug.nl Yzaak de Vries Groningen Institute for Evolutionary Life Sciences (GELIFES), Rijksuniversiteit Groningen yzajou@kpnmail.nl Heinz Düttmann heinz.duettmann@freenet.de Eeuwe Dijk Provincie Drenthe e.dijk@drenthe.nl Henk Everts EGG consult henk everts ecologie evertsfh@kpnplanet.nl

De Levende Natuur | januari 2021 | 33


Werk in uitvoering

Afgraven en zeven van grond besmet met Japanse duizendknoop In Borkel, gemeente Valkenswaard, is in 2016 een Japanse duizendknoopbesmetting geëlimineerd door het afgraven van de besmetting en het zeven van het hierbij vrijgekomen zand. Monitoring gedurende de jaren daarna wees uit dat de bestrijding effectief is geweest. Martijn van de Loo & Janneke van der Loop

Foto 1. De besmette grond wordt afgegraven en vervolgens gezeefd, zodat het afgegraven profiel met het autochtone zand hersteld kan worden. (Foto: Martijn van de Loo)

De negatieve effecten van Japanse duizendknoop zijn bekend. Deze invasieve exoot vormt dankzij sterke woekering en snelle vermeerdering door plantenfragmenten een bedreiging voor de inheemse biodiversiteit. Op de werklocatie in Borkel (fig. 1) waren twee nabijgelegen grote opstanden Japanse duizendknoop aanwezig. Deze besmettingen lagen in een bosperceel tussen de natuurgebieden de Malpie en de Plateaux-Hageven. Door dunningen in het bosperceel en gedeeltelijke kap kregen deze haarden steeds meer ruimte en licht voor uitbreiding. Zowel de eigenaar als de terrein-beherende organisaties van de omliggende natuurgebieden maakten zich zorgen over de verspreiding van de soort naar deze gebieden.

Dit vormde de aanleiding om deze grote haarden aan te pakken. Een ander belangrijk doel was om de praktische haalbaarheid van het elimineren van dergelijke besmettingen in het veld te testen. De eerste opstand betrof een oppervlakte van 400 à 500 m2 aan de voorzijde van een oude boerderij. Aan de achterzijde van deze woning bevond zich een besmetting met een omvang van 1.200 à 1.600 m2 (foto 2). Bij het opstellen van een plan van aanpak zijn in een vroeg stadium meerdere knelpunten opgemerkt. Zo stond er een beeldbepalende eikenboom in de besmetting en groeide de Japanse duizendknoop onder de fundering van de aanwezige boerderij en de bijbehorende schuur. Gekozen is voor het afgraven

Japanse duizendknoop. (Foto: Melchior van Tweel)

34 | De Levende Natuur | jaargang 122 - nummer 1

van de besmetting met een kraan tot 2 m diepte, waarbij dieper wortelende delen zijn nagegraven tot zij volledig waren verwijderd. Hierbij is ervoor zorggedragen dat de eik en de fundering niet zijn aangetast. Het vrijgekomen materiaal is op een wiellader geplaatst. Hierbij is het van belang dat schoon wordt gewerkt middels strikte werkprotocollen, en onder begeleiding van een deskundige om het achterblijven van plantendelen te voorkomen. De afgegraven grond is met een speciaal aangepaste zeef geschoond van delen van Japanse duizendknoop (foto 1). Er zijn meerdere zeven geprobeerd en onder andere met een trommelzeef bleek het, zelfs na aanpassing in rotatiesnelheid en toevoegen van stenen om de verstoppende fractie los te duwen, niet mogelijk om tot een kleinere fractie dan 15 mm te zeven; de zeef raakte te snel verstopt. Voor het gebruiken van de juiste zeef tot een kleinere fractie, van het type Flip Flow-screen met een trampoline-achtig zeefeffect, zijn specialisten uit Duitsland geraadpleegd. Met deze zeef is, na het trommelzeven, gezeefd tot een fijnere fractie van 6 mm. Tussentijds zijn er monsters genomen van het gezeefde materiaal om te beoordelen of er levensvatbare delen van Japanse duizendknoop aanwezig waren om eventuele mankementen aan de zeefopstelling op te merken. Het zeven van de aanwezige grond heeft meerdere voordelen. De transporthoeveelheden van af te voeren materiaal na de eliminatie worden aanzienlijk verminderd (foto 3). Ook is het afgegraven profiel met het


Foto 2. De besmetting met Japanse duizendknoop aan de achterzijde van de boerderij in Borkel. (Foto’s: Martijn van de Loo)

Foto 4. Het terrein in Borkel enkele weken na uitvoering van de graaf- en zeefwerkzaamheden.

autochtone zand te herstellen. Beide voordelen leveren een grote kostenbesparing op en zijn beter voor het milieu. De werkzaamheden duurden vier weken en de kosten hiervan bedroegen circa € 50.000. Er zitten ook nadelen aan deze werkwijze. Het zeven wordt bijvoorbeeld bemoeilijkt wanneer veldcondities lastig zijn, bijvoorbeeld wanneer het te zeven materiaal nat is of de zandfractie van de te zeven bodem laag is. Het uitvoeren in de juiste periode van het jaar en het uitvoeren van een bodemscan van de bodemsamenstelling zijn van belang. De casus die hier beschreven is, is uitgevoerd in een droge periode en op zuiver dekzand. Nazorg belangrijk Een van de grootste fouten die gemaakt worden bij het elimineren van invasieve exoten is het uitblijven van gerichte monito-

Foto 3. Het afgegraven materiaal wordt gezeefd om stukjes duizendknoop te verwijderen.

Foto 5. De met Japanse duizendknoop besmette locatie drie jaar na de uitvoering van de eliminatie.

ring en nazorgmaatregelen. Het is van belang dat het behandelde terrein na uitvoering van de werkzaamheden meerdere keren wordt bezocht om eventuele hergroei van de plaagsoort met kleinschalige ingrepen alsnog te verwijderen. Op de locatie in Borkel is het gebied driemaal per jaar, gedurende drie jaar lang, geïnventariseerd op de aanwezigheid van Japanse duizendknoop. Bij het aantreffen van exemplaren van de soort zijn deze handmatig met een spade uitgestoken. Gedurende het eerste jaar zijn er tien jonge planten van Japanse duizendknoop verwijderd op het afgegraven perceel (foto 4). Tevens zijn er enkele uitlopers verwijderd die rondom de stam van de gespaarde eik en vanuit de fundering opkwamen. Bij de monitoring die in de twee jaar daarna is uitgevoerd – waarbij ter controle een invasieve-exotendeskundige

van het Nederlands Expertise Centrum Exoten aanwezig was – is geen Japanse duizendknoop meer aangetroffen. Deze monitoring en de nazorgmaatregelen kostten in totaal € 5.000. Na drie jaar monitoring, waarbij gedurende twee jaar geen Japanse duizendknoop is aangetroffen op de geschoonde locatie, valt te concluderen dan de eliminatie geslaagd is (foto 5). Mocht er in de toekomst Japanse duizendknoop op het terrein aanwezig zijn dan is dit voortgekomen uit een herintroductie van de soort vanaf een andere locatie. Het bestrijden van Japanse duizendknoop is in de praktijk erg moeilijk en de effectiviteit van getroffen maatregelen blijkt laag. De methode om Japanse duizendknoop eerst te vergraven en dan te zeven is in Borkel effectief gebleken en valt toe te passen in andere projecten waarbij wordt geprobeerd van de soort af te komen. Daarnaast kent elke casus zijn eigen moeilijkheden en daarom vraagt elk van deze eliminaties om maatwerk. De methode is toe te passen in natuurgebieden en bij natuurontwikkeling maar hiervoor moet wel een goed logistiek plan worden uitgedacht, en de inheemse vegetatie moet eveneens mogen wijken ten behoeve van de eliminatie. Martijn van de Loo Soontiëns Ecology info@soontiensecology.nl

Figuur 1. Locatie van de werkzaamheden in Borkel.

Janneke van der Loop Nederlands Expertise Centrum Exoten j.vanderloop@science.ru.nl

De Levende Natuur | januari 2021 | 35


Een scherp oog!

Een scherp oog voor goed ecologisch advies, betrouwbaar onderzoek en vakkundige analyse. Al ruim 30 jaar lang.

Súderwei 2 | 9269 TZ Feanwâlden | Telefoon: (0511) 474764 www.altwym.nl | iso 9001 / lid NGB

bestel uw veldwerkmateriaal op www.veldshop.nl

36 | De Levende Natuur | jaargang 122 - nummer 1


Boeken

Bijna perfect boek over Noordoost-Twente Het landschap van Noordoost-Twente. Harm Smeenge. Uitgeverij Matrijs. 176 pagina’s. Prijs: € 29,95. In oktober promoveerde Harm Smeenge op de historische landschapsecologie van Noordoost-Twente. In zijn proefschrift werkte de auteur acht interdisciplinaire studies uit op het snijvlak van aardkunde, ecologie en cultuurhistorie (vanaf circa 13.000 jaar geleden tot heden). Gebaseerd op deze acht studies is een publieksversie geschreven: Het landschap van Noordoost-Twente. In het publieksboek integreert Smeenge verschillende wetenschapsgebieden tot een analyse over de wording van het huidige landschap: de historie, landschapskunde, ecologie en in wat mindere mate de bodemkunde en hydrologie. De enorme hoeveelheid kennis die de auteur over het gebied heeft, brengt hij over in een rijkelijk geïllustreerd en compact geschreven boek. Landschapsecologen kijken met een gestructeerde bril naar het landschap, met als doel de samenhang tussen levende en dode massa te begrijpen. Van oudsher volgen ze hiervoor een hiërarchische aanpak – die begint met het in beschouwing nemen van de vorming van de ondergrond en reliëf, als basis voor het land-

schap – om vervolgens hydrologie, ondiepe bodem, vegetatie, fauna en als laatste de invloed van de mens te bestuderen. Smeenge zet bij de analyse van het landschap de mens veel prominenter neer; hij laat zien dat de mens vanaf de vroege ijzertijd (ca. 11.700 jaar geleden) het landschap van Twente op velerlei wijzen heeft beïnvloed. Veranderingen in het landschap zijn het gevolg een zich steeds herhalend samenspel tussen mens, klimaat, aardkundige en ecologische processen. Een ‘hoofdschuldige’ voor verandering wordt zelden aangewezen. De kracht van het werk van Smeenge is juist het laten zien van de verbanden tussen de verschillende processen en wetenschappen; hij duikt nadrukkelijk de geschiedenis in om bijvoorbeeld vanuit de middeleeuwse machtstructuren de veranderingen in het landschap te verklaren. Het verhaal over de vorming van Twente volgt dan ook op hoofdlijnen de loop der tijd, beginnend in het Pleistoceen en eindigend met een toekomstbeeld. Af en toe verdiept de auteur door processen als de rivierdynamiek en plaggenlandbouw uitgebreider te beschrijven, of door ecosystemen (zandverstuivingen en het lindewoud) nader toe te lichten. Om de verbeelding van de ecologen verder te prikkelen geeft hij in intermezzo’s aan wat de karakteristieke vegetatie in verschillende perioden in Twente is geweest; een beeld dat hij doortrekt naar de toekomst. Boeiende uitstapjes die het inzicht in het ontstaan van het Twents landschap vergroten. Vervolgens pakt hij de draad

weer op en vervolgt hij zijn weg door de tijd, die eindigt met een hoopgevende blik op de toekomst. Het landschap van Noordoost-Twente is het lezen waard, maar wordt compleet met de rijke en rake illustraties die de uitgever heeft toegevoegd. Om het verhaal letterlijk te verbeelden wordt het volledige arsenaal opengetrokken: foto’s van verre streken, zoals de Tibetaanse hoogvlakte, IJslandse toendra en Poolse Biebzra-vallei laten zien hoe de Dinkelvallei er in de prehistorie uit heeft gezien. Om een beeld te geven van latere perioden, worden afbeeldingen van schilderijen, minaturen en tekeningen gebruikt. En natuurlijk foto’s uit de oude doos, die de lezer bijvoorbeeld de overstromingen van de Dinkel laten zien, iets dat moeilijk in woorden te beschrijven valt. Is dit het perfecte boek? Nét niet… soms is er zoveel te vertellen dat de auteur bijna struikelt over zijn woorden en het verhaal wat onsamenhangend wordt. Dat is met name in het eerste hoofdstuk het geval. Lezers die niet uit Twente komen zullen regelmatig op Google Maps kijken waar een bepaalde beek of gehucht ligt. Een goede kaart met toponiemen was echt welkom geweest. Maar laat u niet ontmoedigen; lees door, het wordt steeds beter. Na afloop wil je twee dingen: naar Twente en naar de boekhandel voor een boek over de landschapshistorie van je eigen streek. Maaike de Graaf

Friesland tegen, maar ook mét het water Waterland, land van de toekomst/Wetterlân, lân fan takomst. Eddy Wymenga & Ysbrand Galama. Uitgeverij Bornmeer, Gorredijk. 56 pagina’s. Prijs: €12,50. Bij Uitgeverij Bornmeer verscheen onlangs een alleraardigst boekje: Wetterlân, lân fan takomst, heel toegankelijk geschreven door ecoloog Eddy Wymenga en rijk geïllustreerd door boer en onderzoeker Ysbrand Galama. Beide auteurs zijn Frysk yn ieren en sinen (Fries in hart en nieren), maar gelukkig is er ook een Nederlandse vertaling: Waterland, land van de toekomst. Het boek vertelt het verhaal van Fryslân, hoe het

zich ontworstelde aan het water, maar daar nooit los van zal komen. Dikke pluim ook voor de vormgeving en afwerking: ingebonden en op mooi papier gedrukt. Een mooi cadeautje om te geven of te krijgen. De indeling is bijzonder: elke bladzijde begint met een aquarel, de onderste helft is begeleidende tekst. Daardoor oogt het zeer aantrekkelijk, de illustratie vertelt het verhaal en nodigt uit om verder te lezen. Of om voor te lezen? Het deed mij denken aan de kinderbijbel uit mijn jeugd, met platen waar je steeds iets nieuws in zag en teksten die ook een leerling van de bovenbouw van de basisschool kan begrijpen. Net als op andere plekken in Nederland moesten ook de Friezen een harde strijd leveren tegen het water, maar dit leverde elke generatie meer voorspoed op dan de voorgaande. Er ontstond een rijke cultuur in een landschap waar de mens zijn

stempel op drukte, maar waar ook ruimte was voor natuur. Vanaf de jaren vijftig sloeg de balans echter door: de auteurs beschrijven hoe de productiviteit van koeien en land steeds verder werd opgejaagd ten koste van biodiversiteit, klimaat en landschap. Totale beheersing van het water speelde daarin een sleutelrol. Het boek illustreert hoe we nu echter tegen de houdbaarheid van dit systeem aan lopen. Hoosbuien, extreme droogte, verzakkende huizen, verarmde bodems en landschapspijn dwingen ons na te denken over een toekomst mét het water in plaats van tegen het water. Als we durven te denken vanuit dat ecologische principe, dan biedt dat perspectief voor boer, burger en biodiversiteit! Jos Hooijmeijer

De Levende Natuur | januari 2021 | 37


Oók NATUURBALANS AKKERFLORA Voor Herstelproject Akkerflora zijn zaden verzameld van een 70-tal bedreigde soorten, van groeiplaatsen in Limburg, Noord-Brabant en Gelderland. In herstelde akkers zijn deze zeldzame akkerplanten ingezaaid tussen het graan. Doel is het behoud van deze soorten, optimalisering van het beheer en de verspreiding naar andere natuurakkers. Peter Verbeek zegt hierover: “binnenkort zullen deze akkerplanten weer kleur geven aan andere natuurakkers.” Meer weten? Bureau Natuurbalans - Limes Divergens BV Adviesbureau voor natuur en landschap Toernooiveld 1 6525 ED Nijmegen info@natuurbalans.nl www.natuurbalans.nl 024 - 352 8801

WANDEL MAGAZINE

Hét vertrekpunt voor iedere wandelaar!

Wandel magazine is al ruim 35 jaar een begrip onder wandelliefhebbers. Lees alles over lange & korte wandelingen dichtbij huis, maar ook over wandelparadijzen elders in Europa. Met veel aandacht voor natuur, landschap, cultuur & geschiedenis.

4

OOK LEUK ALS CADEAU!

1 JAAR

nummers al vanaf

€ 16,95

PROFITEER NU VAN DE INTRODUCTIEAANBIEDING! WANDELMAGAZINE.NU/ABONNEREN 38 | De Levende Natuur | jaargang 122 - nummer 1


Het Zeeuwse Landschap

Kustbroedvogels varen wel bij beheermaatregelen vossenraster nemen de aantallen van kluut, visdief, en De inlagen Koudepolder en Kaarspolder, gelegen aan de kokmeeuw toe. De extra maatregelen in 2018 resulteerOosterschelde tussen Wemeldinge en Yerseke, kenmerken zich door hun zilte vegetatie, brakke plassen en den in een verdere toename van kokmeeuw en visgebieden met zoute kwel. Het gebied is eigendom dief en de vestiging van een kolonie van 40 grote van en in beheer bij Het Zeeuwse Landschap. sterns in 2019. Nooit eerder in de recente historie De gebieden zijn goed te overzien vanaf de aanbroedden er grote sterns op Zuid-Beveland en ook de locatie, ver van de Noordzeekust, is bijzonder. grenzende Breedensedijk en zijn een aantrekkeIn 2020 zijn recordaantallen geteld van zowel lijke broedplaats voor diverse soorten vogels. De kokmeeuw (1.233), visdief (158) als grote stern broedaantallen van weidevogels en sommige kust(96). Daarnaast broeden er sinds 2016 enkele paren broedvogels toonden tot voor kort een afnemende zwartkopmeeuwen en doet de kluut het met 14 tot trend, vermoedelijk als gevolg van een combinatie van verdroging, het wegspoelen van nesten bij extreme 26 broedparen eveneens goed. Het behouden en regenval en predatie door kraaien, roofvogels en beschermen van deze kustbroedvogels is de de laatste jaren ook vossen. hoofddoelstelling voor de komende tijd en hervesKolonie grote sterns. In de Koudepolder liggen enkele eilandjes waar (Foto: Het Zeeuwse Landschap) tiging van soorten als noordse stern, strandplevier sinds de jaren negentig kluten, visdieven en koken bontbekplevier zou een mooie kroon op het werk zijn. Gezien het succes van het vossenraster wordt gekeken of dit meeuwen broeden. In 2015 zijn deze eilandjes afgezet met een – net rond het gehele gebied geplaatst kan worden, waardoor zich naar verboven het water uitstekend – vossenraster en na het broedseizoen van 2018 zijn de omstandigheden voor broedvogels verder geoptimaliseerd. wachting ook elders in het gebied kolonievogels en soorten als scholekEen stuwtje zorgt sindsdien voor vernatting van het oostelijk deel en ster en tureluur vestigen. Voor echte weidevogels als kievit en grutto voorkomt dat de kolonies van kustbroedvogels in het westelijk deel overliggen de kansen eerder in de nabijgelegen Yerseke Moer. stromen; er zijn extra eilanden aangelegd en om het gehele westelijke Jaco Walhout deel is een vossenraster geplaatst. Medewerker kwaliteit en ecologie Genoemde maatregelen blijken zeer effectief. Sinds de plaatsing van het

Het Drentse Landschap

Aandacht voor broekbosherstel in het Drentse landschap primaire belang van ruimte voor typische planten- en dierBroekbossen zijn in de Drentse beekdalen veel algemener geweest dan het huidige veldbeeld doet vermoeden. soorten van broekbossen, speelt daarbij de koppeling Toponiemen geven wat dat betreft een beter idee. met water vasthouden en vastlegging van CO2. Ook Het Scheebroek en het Halkenbroek (Drentsche in de terreinen van Het Drentse Landschap heeft Aa), het Scharrebroek en het Wijsterbroek (Oude broekbosherstel de nodige aandacht. Zo is in de diep), de Uilenbroeken (Hunzedal); zo maar bovenloop van het Reestdal in 2017 het project enkele van de vele verwijzingen naar het voorDrogteropslagen afgerond, waardoor nu een behoorlijke oppervlakte broekbos aan de malige voorkomen van broekbossen in Drenthe. Drentse zijde van de Reest ontstaat. In 2020 In het Reestdal heeft historisch-ecologisch werd samen met waterschap Drents-Overijsonderzoek aan de veenpakketten in het beekdal laten zien dat het aandeel van broekbossen veel selse Delta het Wijsterbroek (beekdal Oude diep) groter is geweest dan het huidige hooilandbeeld ingericht. In het kader van het project Brongebied suggereert. Broekbossen zijn waardevolle leefgebieOude diep zijn hier bestaande broekbosrelicten tot een grotere eenheid broekbos van circa 35 ha ‘aaneenden voor een keur aan plant- en diersoorten. Het is dan ook verheugend dat er aandacht is voor gesmeed’. Met de mogelijkheid water vast broekbosherstel. In de vorm van OBN-onte houden en daarmee afvoerpieken in het Broekbosherstel in het Wijsterbroek. Oude diep te verminderen. Al met al (Foto: Het Drentse Landschap) derzoek naar huidige kwaliteit en herstelmooie aanzetten om de omvang en kwalimogelijkheden, maar ook op diverse plekken in de vorm van concrete herstelprojecten. De inrichting van het teit van broekbossen in de Drentse beekdalen te vergroten! Halkenbroek door Staatsbosbeheer zo’n tien jaar geleden heeft laten zien hoe snel bij herstel van de juiste bodem- en waterhuishoudkundige Uko Vegter omstandigheden broekbossen zich weer kunnen ontwikkelen. Naast het Hoofd Team Natuur en Landschap

De teksten zijn afkomstig van de twaalf provinciale Landschappen. Contact: LandschappenNL, Deborah van Harten, Postbus 31, 3730 AA De Bilt,

tel. 06-51481580, d.vanharten@landschappen.nl, www.landschappen.nl

De Levende Natuur | januari 2021 | 39


INHOUD

119 jaar terug

Column: Het succes van de Maasheggen N. Aarts Aanvalsplan Grutto; is het genoeg? R. Buiter Dilemma: ‘Wie kan er tegen een grasland zijn dat weer vol staat met margrieten?’ B. van Tooren Natuurbeheer voor de nauwe korfslak A. Boesveld, S. van Leeuwen, T. Neckheim & A. Gmelig Meyling Opinie: Exoten, altijd een probleem? P. Schipper Herstelmaatregelen Natuurnetwerk vooral positief voor natte ecosystemen D.-J. van der Hoek, B. de Knegt & P. Giesen Duur en start van verschraling bepalen dynamiek van brede orchis J. Bakker, Y. de Vries, H. Düttmann, E. Dijk & H. Everts Werk in uitvoering: Afgraven en zeven van grond besmet met Japanse duizendknoop M. van de Loo & J. van der Loop LandschappenNL Samengesteld en gefinancierd door de twaalf provinciale Landschappen. Deze keer berichten van Het Zeeuwse Landschap en Het Drentse Landschap.

jaargang

nummer

De Duno – verboden toegang

Graaf, Baron, onbekende bezitter dier goddelijke heerlijkheid, ik heb uw verbod overtreden bij elken waarschuwingspaal. Vergeef het mij in mijn hunkering naar al wat daar mooi is in onze grootsche schepping. Maar ik heb geen takje gekrenkt, geen blaadje gekneusd. Ik heb alleen in vromen eerbied opgeblikt langs de hoogten der ontzaglijke torens van sparren, ik heb in stille verrukking gelegen in den schemer van zilverschilferige berken, starend in zwijgende bewondering over den glans-gerimpelden Rijn, over de wijde vlakke verte van Bat-Ouwe, tot waar de bergen blauwden van Cleef. En ik ben er van wedergekeerd, zooals ik er kwam, rustig en ernstig, als uit een tempel. H. Bouma De Levende Natuur 7 (3) – 1902

januari

122 1 2021