Issuu on Google+

VOM_jaarboek07_TXT

30-07-2007

10:40

Pagina 120

Vereniging Oud Monnickendam

j a a r b o e k

2 0 0 6

Vereniging Oud Monnickendam

secretariaat V. Keesmaat Wendelmoet Claesdochterlaan 15 1141 ja Monnickendam telefoon 0299 655167

penningmeester Rielant 63 1141 re Monnickendam telefoon 0299 651938

Rekeningen ten name van de penningmeester van de Vereniging Oud Monnickendam: Postbank (giro) 4478256 Rabobank Monnickendam 34.28.10.901

Inhoud

Voorwoord

5

Jaarverslag Vereniging Oud Monnickendam 2005

7

De pest in Monnickendam Marten Horjus

13

Het portret van Cornelis Dirckszoon in het voormalige stadhuis Harry Voogel

21

Monnickendammer gevelstenen in den vreemde Harry Voogel

23

Restauratie stoepen Harry Voogel

29

Winterverslag 1995-1996 Ton Meijer

31

Nogmaals op bezoek in Monnickendam Henri Obstfeld

35

Monnickendam in de Doelenzaal van de Universiteitsbibliotheek

40

Joan Blaeus worsteling met de Waterlandse steden Jan W.H. Werner

41

Monnickendam in de Stedenatlas, gerijmd en ongerijmd Addy van Overbeeke

67

De watermolens aan de Kloosterdijk Sieta Duif, Leen Appel, Siem Koerse

79

Stadsvroedvrouwen in Monnickendam (1625-1970) Ds. C.A.E. Groot

87

Verslag van de penningmeester over het jaar 2005

169

Jaarverslag 2005 van de Stadsgidsen

173

Stichting Museum de Speeltoren – jaarverslag 2005

177

Commissie Stads- en Dorpsbeheer Gemeente Waterland 2005

185

3

Voorwoord

Het afgelopen jaar stond geheel in het teken van de viering van 650 jaar stadsfeesten. Velen van ons waren druk bezig met de voorbereidingen in hun buurt. Want het moest vooral een feest worden, gedragen en georganiseerd door de bevolking van de diverse buurten. Wij hebben allen kunnen genieten van dit grandioze feest, dat vanaf het begin tot het eind geslaagd is. Onze vereniging heeft middels de uitgifte van het kinderboek ‘Koen van Monnickendam’ haar steentje bij gedragen aan de festiviteiten. De tekeningen uit het boek van Koen, gemaakt door Herman van Elteren, zijn aan bedrijven voor een jaar verhuurd om te kunnen worden gebruikt in advertenties en andere marketing activiteiten. De opbrengst hiervan is door de vereniging ter beschikking gesteld aan de Stichting Stadsfeesten. Ook stond 2005 in het teken van afscheid nemen van onze zeer gewaardeerde geschiedschrijver Leen Appel. De ziekte van eerst Lise Schokking en daarna van Cees Lagrand begin 2006 heeft een grote impact gehad op het reilen en zeilen binnen de vereniging. Lise is gelukkig weer redelijk hersteld. Maar Cees, onze secretaris, die nauw betrokken was bij de dagelijkse beslommeringen van de vereniging en zeer veel deed voor de vereniging, heeft een zware en onherstelbare hersenbloeding gekregen. De vereniging was zeer ontredderd en ervaart nog steeds het gemis van Cees. Wij wensen Cees, zijn vrouw en kinderen heel veel sterkte toe. Tevens is onze vaste ontwerpster, Margot Clerkx, getroffen door een ernstige ziekte waardoor zij niet in staat is om ons bij te staan. Wij wensen ook haar veel sterkte toe. Ondanks de inzet van de andere bestuursleden zijn wij niet in staat geweest het Jaarboek op tijd klaar te krijgen. Zelfs op de uitgestelde jaarvergadering waren wij niet in staat het u te presenteren en daarom ontvangt u het nu met de mailing van december. Wij hopen dat u begrip heeft voor deze situatie en wij zullen er alles aan doen het Jaarboek in de komende jaren volgens de traditie in het voorjaar te presenteren. 5

Wederom hebben ook dit jaar weer vele leden en niet-leden zich ingespannen om een Jaarboek samen te stellen met vele interessante onderwerpen. Naast de gebruikelijke onderwerpen hebben verscheidene mensen historisch onderzoek gedaan. Wij vertrouwen erop u hiermee een interessant en leesbaar Jaarboek te kunnen presenteren. Dit jaar ligt de coรถrdinatie en samenstelling in handen van Lise Schokking en Vincent Keesmaat. De lay-out wordt verzorgd door Rolf Hermsen (GITS). Wij danken een ieder die een bijdrage heeft verleend aan de totstandkoming van het Jaarboek en wensen u allen een zeer groot leesplezier toe. Met vriendelijke groet, Namens het bestuur van de Vereniging Oud Monnickendam

Jan Konijn, voorzitter Monnickendam, augustus 2006

6

Jaarverslag Vereniging Oud Monnickendam 2005

Jaarvergadering Notulen van de jaarvergadering, gehouden op dinsdag 10 mei 2005. Opening In zijn welkomstwoord aan alle aanwezigen doet de voorzitter de volgende mededelingen: _ In januari jl. is ons erelid, de heer Leendert Appel, overleden. Hij vervulde 30 jaar lang een grote rol in het schrijven van artikelen over de historie van Monnickendam. Zijn overlijden is een groot verlies voor onze vereniging. _ De heer Klaas Roos is op 30 april benoemd tot Lid in de Orde van Oranje Nassau. _ Op 1 mei is de nieuwe plaquette ter nagedachtenis aan de Joodse slachtoffers onthuld. Goedkeuring van de notulen van de jaarvergadering van 9 juni 2004. De notulen staan op blz. 8 t/m 13 van Jaarboek 2005. Naar aanleiding van de notulen vraagt de heer Koerse naar de stand van zaken betreffende het Museum. Hier wordt later in de vergadering op teruggekomen. Mevrouw de Vries vraagt oud-Nederlandse teksten om te laten zetten in hedendaags Nederlands, speciaal waar het de Stadsrechten betreft. Lise Schokking licht toe dat de heer J. Haag van het Waterlands Streekarchief van het Rijksarchief te Den Haag een kopie van het originele document in bezit heeft gekregen. Het streven is deze tekst in begrijpelijk Nederlands om te zetten. Het jaarverslag van de vereniging over 2004 De heer D. Oosterveld mist de vermelding van het aantal leden. N.a.v. het financieel overzicht is hij geschrokken dat het ledental met 100 is gedaald. Hier wordt later in de vergadering op teruggekomen. Voor het overige wordt het jaarverslag goedgekeurd.

7

Het verslag van de penningmeester over 2004 Toelichting door de heer K. Kraak. De vereniging sluit het boekjaar af met een positief saldo van H 3.075. De inkomsten uit contributies liepen terug doordat leden niet tijdig betaalden. In plaats van in augustus is in december een betalingsherinnering verstuurd. Uiteindelijk hebben 13 leden over 2004 niet betaald. Ook zijn er leden die niet de moeite nemen om hun lidmaatschap op te zeggen. Tijdens de lezingen van de Winter Academie zijn aanmeldingsformulieren uitgereikt met een minimale respons als resultaat. Mevrouw De Graaf stelt voor om bij lezingen intekenlijsten neer te leggen. Haar suggestie wordt overgenomen. De voorzitter wil vooral leden werven onder de jongeren. De heer D. Oosterveld vraagt waarom de donatie aan het museum hoger is. Die is besteed aan de vernieuwing/restauratie van de stoelen in het museum. In de begroting zijn de contributies lager begroot. De heer Kraak wijst op de post die voor 650 jaar stadsrechten is opgenomen onder de lasten. Dit verklaart ook het nadelig saldo van H 977. Hoe staat het met de boekenverkoop? Van ‘Koen van Monnickendam’ zijn 1200 exemplaren verkocht. Daarmee is quite gespeeld. De verkoop van de resterende boeken is pure winst. De heer Koerse vraagt waarom drukwerk lager is begroot. Dat komt omdat voor het Jaarboek 100 exemplaren minder zijn besteld. Het verslag van de penningmeester wordt goedgekeurd. Verslag Commissie van Onderzoek van de rekening en verantwoording van het bestuur over 2004 (Kascommissie). Namens de commissie deelt mevrouw Slauerhoff mee dat zij met mevrouw Mulder de boekhouding gecontroleerd en in orde bevonden heeft. De commissie stelt voor de penningmeester décharge te verlenen, hetgeen met applaus wordt beloond. De voorzitter bedankt de commissie voor haar werkzaamheden. Benoeming Commissie van Onderzoek van de rekening en verantwoording van het bestuur. Mevrouw Slauerhoff deelt mee dat zij voor de commissie niet meer beschikbaar zal zijn. Haar plaats zal worden ingenomen door de heer J. Regeling. Mevrouw Mulder en de heer Karmelk blijven aan. De voorzitter bedankt mevrouw Slauerhoff van harte.

8

jaarverslag vereniging oud monnickendam 2005

Verkiezing/samenstelling bestuur De voorzitter deelt mee dat, in tegenstelling tot wat in de agenda staat, er wel iemand aftredend is nl. de heer J. Balvers. Daardoor is de leden geen kans geboden om nieuwe kandidaten voor te dragen. Wanneer de vergadering er geen bezwaar tegen heeft, kan de heer Balvers aanblijven. De vergadering gaat akkoord. In de toekomst zal bij de uitnodiging voor de jaarvergadering een aftredingsschema van de bestuursleden bijgevoegd worden. Mededelingen van het bestuur Voorzitter: de stadsfeesten moeten tot nieuwe ledenaanwas leiden. Er moeten acties gepland worden, met name voor de jeugd. Mevrouw A. van Goor stelt voor mensen tijdens rondleidingen te wijzen op het lidmaatschap. Mevrouw A. Lagrand deelt mee dat dit door de stadsgidsen al wordt gedaan. De heer A. de Graaf (van de vereniging Oud Hoorn) meldt dat het meeste succes wordt bereikt met publicaties op internet. Folders leveren weinig op. Hij stelt voor om een eigen site te maken met een link naar die van de gemeente. Mevrouw Mulder vraagt of het niet mogelijk is om voor Monnickendam een soort ‘combi-pakket’ aan te bieden, waarbij je lid bent van zowel de vereniging als het Museum, de IJsschuiten enz. De heer Roos meldt dat dit in Gouda al gehanteerd wordt en dat wij dit zullen uitwerken. Mevrouw J. Wolf meldt dat veel mensen hoopten op meer leden door de Stadsfeesten. In het Noord-Hollands Dagblad staat het hele programma voor de provincie, behalve Monnickendam. Waar ligt dat aan? De gemeente, de Stichting 650 of het gebrek aan een VVV? De voorzitter zal met de gemeente kontakt opnemen en vragen om een extra bijlage. Rondvraag De heer Koerse stelt vast dat de aankondiging van de Stadsfeesten langs de weg miserabel is. Het blijkt dat er nogal wat schort aan de communicatie tussen de gemeente en de Stichting. Mevrouw C. de Vries vraagt wat het boek ‘Monnickendam in Waterland’ gaat kosten. Voor de leden H 12,95 + evt. verzendkosten. De heer P. Stoffels vraagt om een opvolger te zoeken voor de heer L. Appel. Mevrouw Mulder stelt voor om een stageplaats aan te bieden. De heer Segers stelt voor om de kloosters die in de regio hebben bestaan verder uit te spitten. De Stichting IJsschuiten Gouwzee wil trachten om in 2009 mee te doen aan een groot ijszeilfestijn op de Hudson-baai. Lise Schokking heeft voorgesteld om van Sail 2005 gebruik te maken om sponsors te werven. Het bestuur is bezig met plannen om een bootdienst van de grond te krijgen die vanaf het Noord-Hollands Koffiehuis in Amsterdam vertrekt, in Broek in Water9

land aanlegt om daar rond te wandelen en vervolgens naar Monnickendam te varen als eindpunt. Daar moet dan een aantrekkelijk plan geboden worden om de stad op de kaart te krijgen. Het bestuur heeft besloten de vijfjaarlijkse reünie dit jaar te laten vervallen. Iedereen kan elkaar ontmoeten tijdens de festiviteiten in juli. Gezien het succes van de lezingen (met maaltijd vooraf), zijn voor het komend seizoen drie lezingen gepland i.s.m. Areópagus op 7, 14 en 21 maart 2006. Thema zal zijn de Grote Kerk. Het bestuur beveelt de ledenwerf actie voor de Grote Kerk van harte aan. De heer Roos deelt mee dat groot onderhoud aan de kerk dringend nodig is. Eén dakvlak is slechter dan het andere; er moeten reparaties verricht worden aan het muurwerk. Na de bouwvak komen er steigers rondom de kerk; de buitenkant heeft prioriteit. De werkzaamheden zullen duren van 1 juni tot 2009. Kosten: H 685.000 waarvan 70% subsidie. Op 12 juni is de beiaardiersdag die samenvalt met de open tuinendag. Vanaf 12.00 uur zullen bij toerbeurt vier beiaardiers spelen. Ook kan die dag de Speeltoren beklommen worden met drie personen per keer. De heer Huijskens deelt mee dat er 70 bezwaren zijn ingebracht tegen de nieuwbouw Rozendaal 10 en de linden op de Beestenmarkt. Wat heeft het bestuur gedaan tegen het kappen van de linden? Monumentale linden behoren tot beschermd stadsgezicht. De voorzitter vraagt iedereen alles te melden wat betrekking heeft op de binnenstad. De heer Koerse vraagt hoe de vereniging tegen de bestemming van de Monnikmeer aankijkt. De grond is reeds aangekocht. Wij moeten de ontwikkelingen nauwgezet volgen. De heer D. Oosterveld stelt voor hieraan, afhankelijk van de ontwikkelingen, een aparte vergadering te wijden. Verloting van twee gratis deelnames aan de Najaarsexcursie onder de kring van Vrienden van Museum de Speeltoren: de winnaars zijn: A.P. Veenstra te M’dam en A.I.K. Blanken te Katwoude. Museum de vergadering komt terug op de stand van zaken m.b.t. het museum n.a.v. de vraag van de heer Koerse. 2003: Op 17 juli zijn het beleidsplan, het exploitatieoverzicht, het bouwplan en de begroting ingediend. In augustus kwam het raadsbesluit om de subsidie, die eerder door de raad was toegekend, voor de uitbreiding te heroverwegen. 10

jaarverslag vereniging oud monnickendam 2005

Op 4 december volgt het raadsbesluit om de subsidie voor de uitbreiding te continueren. 2004: Op 12 febr. bijeenkomst burgemeester Jongmans, mw Van Wijngaarden en afvaardiging namens Museum over: toelichting raadsbesluit, status van de plannen ingediend op 17/7/2003, aspecten die met de lokatie samenhangen. Op 9 dec. bijeenkomst burgemeester Jongmans, mw Van Wijngaarden en afvaardi ging namens Museum over: Of het museum wel de gevraagde ruimte nodig heeft, want op basis van bestemmingsplan zou het eenvoudiger zijn geen tussenverdieping te willen realiseren. De ruimte is nodig om de speeltrommel zichtbaar te maken voor publiek. De oorspronkelijke begroting dient aangepast te worden i.v.m. de ontwikkelingen van het prijspeil. Architect inschakelen. Geopperd wordt een eerder plan uit 1996, getekend door Hans Witte, architect te Broek in Waterland. Hier zit een kostenaspect aan. 2005: 21 jan. wordt een brief met de geactualiseerde begroting verzonden, waarna een definitief besluit kan worden genomen. Op 7 april bijeenkomst burgemeester Jongmans, mw Van Wijngaarden, afvaardiging namens Museum + museumconsulent: over de vingboonsgevel (plan Witte 1996) wordt contact gelegd met RDMZ. Overleg heeft inmiddels plaatsgevonden. Afhankelijk van de ontvangst van hun standpunt vindt nader overleg plaats op 12 of 19 mei. Er valt een kentering ten goede te bespeuren! De heer Koerse wil uitzien naar een andere lokatie; Noordeinde 5, de Vriendschap of de Bonte Os? Hij heeft geen vertrouwen meer in de gang van zaken. Mevrouw Krรถner deelt zijn zorg. Hierna sluit de voorzitter de vergadering en wordt onder het genot van een drankje nagepraat.

11

foto: Ria Houweling-Bouwman

12

De pest in Monnickendam Marten Horjus

Inleiding In het afgelopen jaar (2005) vierde Monnickendam dat ze 650 jaar geleden stadsrechten kreeg. Ter gelegenheid van dit feest werd op 16 en 17 juli ‘de pest in Monnickendam’ uitgebeeld. Voor de deelnemers heb ik in het voorjaar van 2005 een reader geschreven met daarin informatie over de pest met de bedoeling hen de achtergronden te schetsen en het historisch karakter van het project op een hoger peil te brengen. De reader vond gretig aftrek, ook buiten de deelnemers. De samenstellers van het Jaarboek van Oud Monnickendam vroegen me het stuk geschikt te maken voor hun uitgave, een uitnodiging die ik bij deze van harte aanneem. Het begin en het einde van de pest in Europa De geschiedenis van de laatmiddeleeuwse pest in Europa begint in 1346 in de havenstad Kaffa, gelegen op de huidige Krim. De stad werd belegerd door een Tartaars leger. Op een goede (of misschien juist kwade) dag merkten de belegerden dat het erg stil was in het kamp van de belegeraars. De Tartaarse aanvoerder aldaar zag zijn mannen bij bosjes sterven aan de pest. Hij gaf in zijn wanhoop bevel om met de werktuigen waarmee normaal stenen richting de stad werden geslingerd, nu de lichamen van dode pestlijders de stad in te projecteren. De inwoners van Kaffa zagen het gevaar en gooiden de lijken zo snel mogelijk in zee, maar het kwaad was geschied: de pest was in de stad. Kaffa was in die dagen een Genovese handelspost. De Genovese handelaren sloegen voor de epidemie op de vlucht, maar het was te laat. Toen hun schip de haven van Messina (ItaliĂŤ) binnen dobberde was er nog slechts een enkele opvarende in leven en was de pestbacil in Europa binnengebracht. 13

De pest verspreidde zich razendsnel vanuit Italië door Europa. In 1349 had de ziekte Nederland bereikt. In 1352 bereikte zij het noorden van Europa. Het effect van de uitbraak was desastreus: 25 miljoen Europeanen, ofwel 40% van de bevolking stierf aan de pest. De epidemieën duurden in Europa tot het einde van de 17e eeuw. Er is veel discussie over de oorzaken van het verdwijnen van de epidemieën. Wellicht ontwikkelde de bevolking afweer tegen de bacil of werd deze minder virulent. Eind 17e eeuw waren er in Europa wel strenge voorschriften tot voorkomen ontwikkeld (met name isolatie van de pesthaarden). Ook werden grenzen zeer streng bewaakt (een ‘cordon sanitaire’ aan de grens van het Oostenrijkse rijk) en zond men zelfs spionnen naar de Balkan om eventuele epidemieën aan te zien komen. In het Turkse rijk woedden de epidemieën nog door tot in de 19e eeuw. Na het nemen van ‘Europese’ maatregelen namen ook daar de epidemieën af. Wel bleven er incidentele gevallen van de pest voorkomen. In 1894 werd de pestbacterie ontdekt. Dit maakte wetenschappelijke bestudering van de ziekte en onderzoek naar behandelwijzen mogelijk. Pest is met antibiotica tegenwoordig goed te behandelen. Jaarlijks worden er bij de WHO (World Health Organisation) nog 1000-3000 gevallen van pest gemeld, meest in Afrika, Azië en de Amerika’s. In die gebieden is onder de knaagdieren nog een ‘reservoir’ van pestbacteriën aanwezig. Wat is de pest eigenlijk? De pest is een besmettelijke ziekte die wordt veroorzaakt door een bacterie: de Yersinia pestis. De bacterie houdt zich op in knaagdieren (ratten, eekhoorns). Deze dieren dragen vlooien bij zich die zich voeden met het bloed van het dier en aldus worden besmet. Als de rat sterft zoekt de vlo een andere gastheer. Als dit een mens is, wordt via een vlooienbeet de pestbacterie overgedragen aan de mens. Door de insectenbeet ontstaat meest de builenpest, de bacterie nestelt zich in het lymfesysteem. Daar veroorzaakt het ei-grote zwellingen gevuld met pus. De ziekte verergert snel; hevige koorts, zwakke en snelle hartslag, ijlen, rusteloosheid. De kans bestaat dat men na 3-5 dagen overlijdt. De builenpest biedt binnen de pestvarianten nog een redelijke kans op overleven. In verslagen wordt 20-40% kans op overleven gemeld. Kwalijker was het als de pestbacterie in de longen terecht kwam. Meest gebeurde dit via het ‘aanhoesten’ door een besmet persoon. In de longen ontstonden bloedingen en slijmvorming. Er werd framboosrood schuim opgehoest, later helder bloed. Binnen twee dagen was de besmette persoon overleden. De kans op het overleven van longpest is nihil. Bij een bloedvergiftiging met de pestbacterie was de overlevingskans eveneens nihil. Het overlijden kwam dan vaak zo snel dat andere verschijnselen de kans 14

de pest in monnickendam

niet kregen zich voor te doen. De onderhuidse bloedingen en het afgestorven weefsel veroorzaakten paars-zwarte vlekken dicht onder de huid. De bijnaam ‘de zwarte dood’ is hiervan afkomstig. De pest is minder actief in koude en droge periodes. Gedurende de winter kon een epidemie uitdoven. De oude kijk op de pest Oorzaken Over de oorzaken van de pestepidemie tastte men in de middeleeuwen in het duister. Er werden veel (serieus bedoelde) pogingen ondernomen om oorzaken aan te duiden. Bij aardbevingen en vulkaanuitbarstingen zouden uit de aarde zwaveldampen vrijkomen die de ziekte veroorzaakten. Een bepaalde stand van de sterren zou de veroorzaker zijn. Uiteraard werd Gods hand, straffend of vermanend, gezien in de pestuitbraak. Ook werd de joden wel de schuld gegeven. Vervolgingen en moordpartijen waren het gevolg (Zwolle 1348; Alkmaar, 1655). 1348-1349 wordt een periode van jodenvervolging die slechts door de Nazi’s in de Tweede Wereldoorlog zou worden geëvenaard. Een belangrijke theorie was die van Galenus: deze veronderstelde dat de gezondheid werd bepaald door de verhouding tussen de vier lichaamsvochten (humoren): bloed, zwarte gal, gele gal en slijm. Door allerlei oorzaken kon deze verhouding verstoord raken en de mens ziek worden: leefgewoonten, bepaald eten, wasemen (uit de aarde of afkomstig van besmette personen), een slechte stemming, een slecht bericht et cetera. In onze taal herinneren nog typeringen aan deze leer: iemand is zwartgallig, iemand is flegmatiek (flegma, slijm), iemand is sanguinisch (volbloed). Behandeling Afhankelijk van wat men als oorzaak meende te kunnen aanwijzen werd een behandeling ingesteld. Als de nadruk lag op de boetedoening dan konden er flagellanten optreden. Deze zelfgeselaars trokken vaak rond, zichzelf tot bloedens toe bewerkend met de zweep. Zo trokken in het najaar van 1349 grote groepen door Vlaanderen. De pastoor van Doornik telde er in die periode liefst 2300. Ongewild droegen ze met hun rondtrekken wellicht zelfs bij aan de verspreiding van de pest. Met hun fanatisme waren de flagellanten vaak de aanjagers van de jodenvervolging. Er werden pestprocessies gehouden. Daarin konden wel 2000 mensen meelopen. Soms duurden deze processies meerdere dagen! De heilige Rochus werd hierbij rondgedragen als beschermheilige van de pestlijders (zijn beeld draagt een buil in de lies), Sint Anthonis-abt was de beschermheilige tegen besmettelijke ziekten (ook bij dieren). Hij is te herkennen aan het varken dat rond zijn benen scharrelt. 15

Op basis van de leer van Galenus werden tal van aanbevelingen ter genezing gedaan. Het mijden van kwalijke ‘wasemen’ was daarvan een belangrijke. Het isoleren van zieken was dan ook een belangrijke maatregel. Besmette huizen werden voorzien van een merkteken: een blikken P, in Amsterdam: een bosje stro (gelieve dit niet te verwarren met luchtend beddenstro!), een ongeschaafde lat, een witkalken P op de gevel. In sommige steden werden patiënten zelfs ingemetseld. Kwalijke wasemen konden ook verdreven worden. In Amsterdam brandden om die reden in De pestdokter met een snavel vol 1655 liefst 180 teertonnen! De pestdoctor droeg geurige kruiden een snavel voor de neus waarin geurige kruiden zaten: boerenwormkruid en jeneverbessen. Aanbevolen werd om in de kelder (als de wasemen van boven kwamen) of juist op zolder te gaan wonen (als de wasemen van beneden kwamen). Het branden van geurkaarsen werd aanbevolen. Mensen die mogelijk besmet waren werd de toegang tot kerken en markten ontzegd. Als er toch buiten de deur gegaan moest worden dan moest men een witte aanwijsstok dragen (om gewenste etenswaren te kunnen aanwijzen zonder deze aan te raken). Afval van pestlijders moest buiten de stad worden verbrand. De bank van lening werd soms gesloten en loslopende honden werden doodgeslagen. Baggeren bij een pesthuis werd verboden. De leer van Galenus maakte allerlei (verondersteld) heilzame therapieën mogelijk: aderlaten (in geval er teveel bloed was), purgeren (klysma’s), zweetkuren. Pestbuilen werden door de pestmeester (een chirurgijn) ingesneden. Het piskijken was overigens een erkende manier om diagnoses te stellen. In het geval van de pest een kleine greep uit de aanbevelingen: handen wassen in azijn, het drinken van de eigen urine, gedroogde pad in azijn gekookt; als kruiden: weegbree en calendula (goudsbloem). Voor pestbuilen: een papje van ui en witte mosterd. Dit drie dagen op de buil leggen en dan insnijden. Ook teriakel werd aanbevolen. Dit was een medicijn met de nodige mystiek omgeven. Het had allerlei vreemde ingrediënten als slangenbloed, bevergeil, allerhande kruiden en opium. Het dragen op het hart van de halfedelsteen hyacinthe werd als beschermend gezien. Na bezoek aan pestlijders of het pesthuis werd het handen wassen in verdunde azijn aanbevolen. 16

de pest in monnickendam

Het werd verboden pestlijders in de kerk te begraven. Zeker in geval van een epidemie gaf dat veel problemen. Mensen waren bang door de lijken besmet te raken. Bovendien gaf de staat waarin de overledenen zich bevonden en hun grote aantal aanleiding tot ernstige stankoverlast. De eerst begraafplaatsen buiten de stad of op de stadswallen ontstonden. Voor schepen uit besmette gebieden bestond een quarantaineplicht. De maatschappelijke gevolgen De sterfte onder de bevolking was enorm. In de eerste jaren na de uitbraak van de pest in de 14e eeuw zouden 25 miljoen Europeanen aan de pest zijn gestorven. Vanuit Italië zijn cijfers uit die tijd bekend: Genua: zeszevende van de bevolking, Venetië: honderdduizend mensen (tweederde van de bevolking), Florence drievijfde van de bevolking Ook bij latere epidemieën bleven de sterftecijfers hoog. Enkele cijfers uit Amsterdam: 1623: 6000 doden, 1636: 17 000 doden, 1665: 24 000 doden (deze laatsten op een bevolking van 200 000 zielen). Pas in de 17e eeuw was de bevolking weer op het niveau van de 13e eeuw! Het maatschappelijk leven moet onder de epidemieën sterk hebben geleden. Bouwwerken moesten soms worden stilgelegd omdat er geen werklui meer voorhanden waren om het werk uit te voeren. Mensen sloegen op de vlucht voor de pest. Vaak lieten ze daarbij hun zieke familieleden achter en verspreidden zo ongewild de ziekte. Wellicht ligt hierin de verklaring voor het feit dat de epidemie zich in de veertiende eeuw zo snel door Europa kon verspreiden. Voedselprijzen wisselden rond pestepidemieën vaak sterk. De vraag kon instorten: niemand durfde te kopen uit angst voor besmetting. Na een epidemie konden de prijzen sterk stijgen: er waren te weinig mensen om de productie op peil te brengen. Maatschappelijke verhoudingen werden gewijzigd. Landheren konden moeilijker pachters krijgen. Nieuwe pachters eisten betere voorwaarden. Overigens konden ook dieren de pest krijgen (koeien, katten, hoenders, honden en varkens). De zorg voor pestlijders, pesthuizen Men stond als genezers machteloos tegenover de pest, maar men moest iets doen. Wat overbleef was ziekenzorg. Pestlijders konden worden opgenomen in de gast17

huizen (als die er waren). Later ging men er toe over hen op te nemen in buiten de stad gelegen pesthuizen. Voor de financiering hiervan werd overigens geregeld een loterij georganiseerd. In 1420 bevond zich boven de Waag het gasthuis. Dit was bedoeld voor ieder die geen dak boven het hoofd had: reizigers, pelgrims, bedelaars en zieken. In het jaar 1451 worden in het klooster Galilea Minor (even buiten Monnickendam aan de Kloosterdijk) twee pestslachtoffer gemeld. Was er in dat jaar ook een epidemie in Monnickendam? Als dat zo was dan zal verzorging van de pestlijders in het gasthuis problematisch zijn geweest. Vormde dit de aanleiding tot het stichten van een apart pesthuis? In 1454 werd buiten Monnickendam op het zogenaamde ‘Pesthuiseiland’ het pesthuis opgericht. Het pesthuiseiland is het stadsdeel dat ligt rondom Niesenoort en Weesenland. Voorheen was dat geheel omgeven door water. Alleen ter hoogte van de Niesenoortsteeg was er een brug die toegang bood tot het eiland. Het zuidelijke deel van het huidige Weeshuis is een overblijfsel van dit pesthuis. Het pesthuis lag ten oosten van de toenmalige stad (de Fluwelen burgwal en het pesthuiseiland zelf waren nog niet bebouwd). De ligging ten oosten van de stad had te maken met de heersende windrichting, zuidwest. Kwalijke, ziekmakende dampen zouden zo van de stad af worden geblazen. Over de gang van zaken in ons Monnickendamse pesthuis uit die jaren is (nog) niets bekend. Wel is bekend hoe het er elders (bijvoorbeeld in Amsterdam) in deze instellingen toeging. De verpleging van de pestlijders was in handen van cellenbroeders en cellenzusters, een lekenorde. Ze waren geheel in het zwart gekleed. Hun noemnaam was de zwarte broeders of zwarte zusters (de stad Kampen kent nog altijd een cellenbroederspoort). Na de reformatie ontstond het probleem dat er geen religieuzen waren om het werk te doen. Toen werden binnen-vaders en binnen-moeders aangesteld (een naam die we overigens voortgezet zien in de organisatie van ons latere Weeshuis). Aanvankelijk werden de mensen in bedsteden verpleegd. Op hoogtijdagen van een epidemie lagen er meerdere mensen in een bed. De hygiënische toestand was schrikbarend. Voor de bezoekende dokter liep een verzorger met een pan gloeiende kolen waarop jeneverbessen om de stank te verdrijven. Bij het opslaan van een dek van een zieke werd men door kwade dampen bedwelmd. Later ging men de patiënten in kribben verplegen. Soms stonden er zoveel kribben in het gasthuis dat er geen plaats meer was om de zieken te verplegen.

18

de pest in monnickendam

Het transport van pestlijders gebeurde veelal per pestschuit. In Amsterdam voer deze van het Binnen-gasthuis naar het Buiten-gasthuis, het pesthuis. De laatste was in 1635 geopend en lag in de stadspolder. Later is op de plaats van het Buitengasthuis het Wilhemina gasthuis gebouwd. Het vervoer van pestlijders was in handen van pestdragers. Dit was een weinig aantrekkelijk beroep. Soms werden gevangenen aangesteld om dit werk te doen. Zij moesten kleding dragen die het mogelijk maakte hen te onderscheiden: gewoonlijk een zwarte mantel. Ook zij moesten bij het aankopen van voedsel hun wensen duidelijk maken met een aanwijsstok. Opmerkelijke figuur in het pesthuis was de ‘geestelijke’. De gangbare priester was vaak niet bereid zijn diensten in het pesthuis te verlenen. Daarom werd er een leek, tegen forse betaling, aangetrokken om zijn taak over te nemen. Naast de priester liep er ook een notaris rond. Mensen die snel zouden sterven moesten vaak in allerijl hun testament nog regelen. De begrafenis van de pestdoden was ten tijde van grote epidemieĂŤn een probleem. Vaak werden de doden in massagraven gelegd, liefst buiten de stad of in enkele gevallen op de stadswallen. Het Monnickendammer pesthuis is in 1554 tot weeshuis verbouwd, hoewel voor het jaar 1664 nog een pestepidemie in Monnickendam wordt gemeld! De overgang tot de prins vond pas plaats in 1572. In 1594 wordt besloten tot huizenbouw op het pesthuiseiland. Kennelijk had men bij de latere gevallen van pestuitbraak in Monnickendam een andere manier om de pestlijders onder te brengen. Dit lijkt me interessant om nog eens uit te zoeken. In 1797 overigens wordt nog melding gemaakt van het gasthuis dat zich bevindt op de bovenverdieping van de Waag. De pest in Monnickendam

De uitvaart van pestlijders, 17 juli 2005 foto: Ria Houweling-Bouwman

Over de pest in Monnickendam zijn weinig directe feiten bekend. Een belangrijk feit is dus dat men het in 1454 nodig achtte een pesthuis te bouwen. Voorts worden er door verschillende bronnen pestuitbraken gemeld: _ in 1451 worden er twee doden door de pest gemeld in klooster Galilea Minor. Uit de lijst van kloosterlingen blijken er in dat jaar inderdaad twee bewoners te betreuren: Gherijt van Monnickendam, een lekenbroeder, en Zyboldus, een priester; 19

_ in 1507 sterft een derde van de Monnickendammer bevolking aan de pest. Pastoor Reinier Geestman schatte in 1514 dat er circa 700 parochianen waren gestorven aan de pest. Een lezing is dat de verloofde van Wendelmoet Claesdochter, ene Jan van Zaanen, hierbij is omgekomen. (bedenk dat de stad in 1499 en 1513 afbrandde! Wat een rampspoed in korte tijd!). In de omgeving van Monnickendam heerste veel pest. Tussen 1469 en 1666 worden in Amsterdam liefst 37 pestjaren geteld. In Hoorn tussen 1493 en 1665 23 pestjaren. Het moet haast een wonder zijn als Monnickendam in die jaren ook niet meerdere malen werd getroffen door de pest. Op grond van pestuitbraken in de nabije omgeving is een lijstje met meest waarschijnlijke pestjaren voor Monnickendam te maken. Het loont, denk ik, archiefstukken uit deze jaren goed na te pluizen op aanwijzingen betreffende pestepidemieĂŤn. 1558 Amsterdam, Hoorn 1566 Waterland 1574 Amsterdam, Ilpendam 1575 Purmerend, Hoorn, Wormer 1599 Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen en Alkmaar 1664 Monnickendam, Edam, Amsterdam (in Amsterdam 20 000 doden dat jaar!) Het zijn wat mij betreft puzzelstukjes. In het bovenstaande artikel heb ik veel landelijke gegevens vertaald naar de Monnickendammer situatie. Kunnen we een helderder beeld krijgen van de situatie van de pest in Monnickendam? Het bovenstaande artikel is wellicht een aanzet om dit verder uit te zoeken. Bronnen De gave Gods, de pest in Holland. Leo Noordergraaf en Gerrit Valk, Octavo, 1988. Het klooster Galilea Minor bij Monnickendam, J.C. Besteman, H.A.Heidinga. In Hollandse studien 8, Dordrecht 1975. Van Monnikenwerk naar Parochiekerk, Dick Brinkkemper e.a., Uitgave parochiebestuur H.H.Nicolaas en Antoniusparochie, Monnickendam 2000. De zwarte dood, D. Turner, Haarlem 1979. Monnickendam in Waterland, Addy van Overbeeke, Matrijs Utrecht, 2005. Lezing van mw. van Sluys over Wijntjes Claes, uit Nieuwe Noordhollandse Courant, 28 oktober 1974. Van pest tot Aids, Annet Mooij, Thoth, Bussum, 1990. Van olie en wijn, geschiedenis van de verpleegkunde, geneeskunde en sociale geschiedenis, A.P.M. van der Meij-de Leur, Agon-Elsevier, 1974. Diverse internet sites.

20

Het portret van Cornelis Dirckszoon in het voormalige stadhuis Harry Voogel

In het voormalige stadhuis van Monnickendam, in het Noordeinde, hangt boven de schouw in de vroegere burgemeesterkamer het portret van Cornelis Dirckszoon, de admiraal die tijdens de Slag op de Zuiderzee in 1573 de Spaanse vloot versloeg. Totdat het Jaarboek 1977 van de Vereniging Oud Monnickendam uitkwam werd algemeen aangenomen dat de geportretteerde figuur inderdaad Cornelis Dirckszoon voorstelt. In dat jaar echter publiceerde de heer L. Appel een uitvoerig gedocumenteerd artikel, waarin hij tot de conclusie kwam dat de afgebeelde persoon niet Cornelis Dirckszoon kon zijn, maar diens kleinzoon Claes Dirckszoon Admiraal. Deze leefde van 1601 tot 1675. Hij was een man met vele bestuurlijke functies en, met onderbrekingen, burgemeester van Monnickendam van 1634 tot 1672. Een belangrijk deel van de ‘bewijsvoering’ was dat, naar het kostuum te oordelen, de beeltenis van iemand moest zijn die omstreeks 1660 leefde. In het kader van 650 jaar stadsrechten hield ik op 14 februari 2005 in de roomskatholieke kerk een diapresentatie over het voormalige stadhuis. Hierin kwam ook het portret aan de orde.

21

Naar aanleiding daarvan heb ik Burgemeester en Wethouders van Waterland voorgesteld om onder het schilderij een plaatje te laten bevestigen met de tekst zoals de heer Appel die in 1977 al had geadviseerd. Claes Dircksz. Admiraal 1601-1675 o.a. Pres. Burgemr. v. M,dam in 1640/45 1650/56 en 1669 kleinzoon van Cornelis Dircksz. , admiraal de overwinnnaar van de Slag op de Zuiderzee in 1573 In mijn schrijven stelde ik dat de aanschouwers van dit schilderij al sinds 1814, na de ingebruikname van het stadhuis, op het verkeerde been worden gezet. Nadat ondergetekende en mevrouw Anne van Wijngaarden, ambtenaar monumentenzorg van de gemeente Waterland, een bezoek aan Noordeinde 5 hadden gebracht, kwam zij op grond van iconologische overwegingen tot de conclusie dat het portret juist wel van Cornelis Dirckszoon moet zijn. De geportretteerde man houdt namelijk een scheepspasser vast: een passend attribuut voor een admiraal, het beroep van Cornelis Dirckszoon. De kleinzoon van Cornelis was daarentegen bierbrouwer en zal daarom niet met een scheepspasser afgebeeld worden, maar eerder met een attribuut dat naar zijn bierbrouwersvak verwijst. Verder is op het portret een brief afgebeeld met een envelop, die deels verborgen gaat onder de brief. De envelop geeft een deel van de naam van de geadresseerde, de geportretteerde, weer; Co boven Dir, dus Cornelis Dirckszoon en niet Claes Dirckszoon, de kleinzoon van Cornelis. Voorts is op de brief een vage Franse tekst te lezen, die waarschijnlijk als volgt luidt: Monsieur est admiral. Dit laatste is in ieder geval een verwijzing naar het ambt van Cornelis Dirckszoon. Vervolgens heeft een taxateur het schilderij bekeken. Deze kwam tot de conclusie dat het waarschijnlijk om een achttiende-eeuws schilderij gaat. Mogelijk betreft het een portret dat na de dood van Cornelis Dirckszoon is geschilderd, naar een prent met zijn portret. De schilder heeft Cornelis Dirckszoon afgebeeld in zeventiende-eeuwse kledij. De lijst is van een latere datum en het doek is opnieuw gespannen. Zowel mevrouw Anne van Wijngaarden als de taxateur kwamen tot de conclusie dat het portret wel een afbeelding van Cornelis Dirckszoon is en dat de vermelding van zijn naam op de schouw correct is. Met dank aan mevrouw van Wijngaarden en de geraadpleegde taxateur mogen we het portret in de voorkamer van het voormalige stadhuis gewoon weer aan admiraal Cornelis Dirckszoon toekennen.

22

Monnickendammer gevelstenen in den vreemde Harry Voogel

Onze binnenstad wordt tegenwoordig opgesierd door zo’n 60 gevelstenen. Mede door het gevelstenenrestauratieproject uit het jaar 2000 en de ‘nieuwbouw’, voornamenlijk door Herman van Elteren, van acht nieuwe stenen, verkeren alle gevelstenen in een uitstekende staat. Helaas moeten we twee van ‘onze’ gevelstenen buiten onze stadsgrenzen dulden. Gelukkig is al jaren bekend dat de ene steen in Laren huist en de andere in Heiloo. In het Jaarboek 1981 van de Vereniging Oud Monnickendam schreef de heer L. Appel een artikel over de tappers nering in Monnickendam. De eerste herberg die hij beschreef, was die buiten de Noordeinderpoort. ‘Even buiten de Noorderpoort tegenover de spuijsluis en aan de suijdkant van ’t kleijne sluijsje off soogenaamde ‘Halsje’. ’n Huijs en erve met sijne stallinge, hoijberg en wagenhuijs genaamt ‘’t Wapen van Monnickendam’’ (vanaf 1725) heette aanvankelijk ‘De Wijnappel’ (1721). Verp. Nr. 67. Op 4 februari 1784 verkocht Dirk van den Berg de herberg voor 14 gulden aan de Stadt Monnikendam. De herberg werd verhuurd tot 1 mei 1784 en werd daarna afgebroken. Bij het artikel liet de heer Appel de gevelsteen ‘’t Waepen van Munckedam’ afdrukken. Deze steen zat dus kennelijk in de gevel van deze herberg. Een artikel in het blad Amstelodanum, van de hand van H.W.Alings, gaat ook over deze gevelsteen. ‘Het is alweer enige tijd geleden, dat we via de heer O.Boers op het spoor kwamen van de hier23

bij afgebeelde gevelsteen ‘’t Waepen van Munckedam’ met als jaartal 1601. Helaas is de herkomst niet bekend en enig onderzoek leidde nog niet tot een resultaat. Elias II 846 noemt een gevelsteen van deze naam op de Nieuwendijk in Amsterdam (red.). De steen, ca. 50x40 cm. groot, staat ingemetseld in het huisje achter een villa aan de Oude Naarderweg, dat vroeger de schilder E.Pieters tot atelier diende, die de steen daar zou hebben ingebracht. Geen aanwijzing is er, dat deze karakteristieke steen ooit in Amsterdam voorkwam. Tenzij het een lang verscholen stuk is geweest. De aandacht vraagt dit bas-reliëf, behalve om de als het ware in steen gedreven figuur van de goed getroffen monnik, zo uitstekend bewaard gebleven na 3 eeuwen, vanwege de voorstelling, die als het wapen van Monnikendam wordt gepresenteerd en ogenschijnlijk daaraan beantwoordt. De overeenkomst is wel de monnik met de knots op de schouder. Evenwel gaat hij barrevoets op het uitgeschulpte met rolwerk versierde schild en is naar links gewend, terwijl hij gebukt gaat onder de knots op zijn linkerschouder. Als typisch element valt op te merken het aarden kannetje in zijn afhangende rechterhand. Niet zoals het officiële wapen, dat de monnik staande naar rechts gewend voorstelt, de knots over de rechterschouder, zonder ook het kannetje.Misschien is het gevelsteenbeeld een vrije verbeelding van het stedewapen van een oudMonnikendammer?’ Aldus het relaas van H.W. Alings uit het jaar 1961.Tot zover ook de geschiedenis van de steen ‘’t Waepen van Munckedam’. De tweede uitsteedse gevelsteen is die van de Lisbonsvarder uit 1610. Het is eveneens de heer L. Appel die over deze steen schrijft in het Jaarboek van 1990, onder de titel, ‘De muntvondst in de Lisbonsvarder te Monnickendam of de gevelsteen die zwerfsteen werd’. Op zaterdag 3 november 1894 staat het volgende bericht in het weekblad ‘de Monnickendammer’: Bij het verschijnen van dit blad zal ‘de Lisbonsvarder’ gesloopt zijn. Och laat men toch voorzichtig zijn en alleen bij uiterste noodzaak tot slopen overgaan, het is de erfenis der vaderen. Het pakhuis ‘in de Lisbonsvarder’ was van 1610 en stond op de zuidelijke hoek van de nieuwe steeg op de haven (wijk 3 nr 121, kad. Nr A 270). De naam doet vermoeden dat degene die het bouwde handelscontacten had te Lissabon in Portugal. Op 14 april had B&W de eigenaresse, de weduwe L.Veltrop, al schriftelijk laten weten, dat de noordelijke muur van het pand (in de steeg), zodanige tekenen van bouwvalligheid vertoonde, dat men het voor voorbijgangers gevaarlijk achtte, zodat zij haar sommeerden binnen 30 dagen tot herstel over te gaan. Kennelijk beschikte de weduwe niet over voldoende middelen, zodat ze besloot het pakhuis 24

monnickendammer gevelstenen in den vreemde

achter haar woning te laten afbreken. Het pakhuis, gelegen op de Haven nr 10, stond op een perceel, dat van het Noordeinde naar de Haven liep langs de zuidkant van de Nieuwe Steeg. In het Noordeinde stond het woonhuis met een verkoopruimte op hetzelfde perceel (Noordeinde nr 14). Lodewijk Gerritsz. Veltrop, winkelier in manufacturen, had het geheel op 16 september 1858 gekocht voor ƒ 1.200,- van Frans Volmar, echtgenoot van Jannetje Bouwes. Een huis en erve in het Noordeinde, kadnr 269 en het pakhuis op de Haven, kadnr A 270, samen met een oppervlakte van 4 a, 68 ca. Lodewijk Veltrop j.m. oud 28 jaar, ned. herv.,scheepstimmermansknecht, trouwde op 13 mei 1855 te Monnickendam met winkelierster Pietje Burga j.d. oud 24 jaar, doopsgezind, geboren te Nes op Ameland. Zij kregen vier kinderen. Wanneer de sloop van het pakhuis in november 1894 plaatsvindt is vader Lodewijk Veltrop al overleden (16 juli 1882). Moeder Pietje Burga, van beroep vleeshouweres, is dan 63 jaar. Volgens het bericht in de ‘Monnickendammer’ van 11 november 1894, zou bij het opgraven van de fundering van het pakhuis ‘de Lisbonsvarder’ een zak met 190 goudstukken gevonden zijn, meest hollandse goudguldens van omstreeks het jaar 1600. De inhoud van het bericht klopt niet helemaal. Volgens het verslag van 25

het Koninklijk Penningkabinet heeft de vrouw aan wie het pakhuis toebehoorde (Pietje Burga), bedachtzaam als zij was, de opdracht tot het slopen gegeven onder de voorwaarde dat, indien daarin munten gevonden zouden worden, zij recht had op de helft. Gelukkig voor haar, want op zekere morgen, toen arbeiders bezig waren met het neerhalen van een dakbalk, viel een regen van gouden rijders op het hoofd van de verbaasde mensen, die blij verrast waren door het onverwachte buitenkansje. Verborgen achter een dun plankje vond men tussen een verbinding van twee balken (dus niet in de fundering) een bijzonder interessante verzameling gouden rijders en ducaten. De muntvondst werd aangeboden aan het Kon. Penn. Kabinet, want in een brief van de directie d.d. 28 november 1894 aan de minister van binnenlandse zaken in ’s Gravenhage, betr. de aankoop van gouden munten onlangs te Monnickendam gevonden, werd geschreven: ‘de aankoopkosten bedragen ƒ 2.400,- (huidige waarde plm. ƒ 240.000,-). Uit de krant van 21 april 1894 weten we, dat het jaarinkomen van de weduwe L.Veltrop plm. ƒ 550,- was; wanneer zij de helft van de muntopbrengst heeft ontvangen, zou dit gelijk zijn aan 21/2 maal haar jaarinkomen. De rest of de andere helft zou vindersloon zijn geweest en men zegt dat Cornelis Bootsman met een collega uit Edam daarvan goede sier zou hebben gemaakt. Volgens ‘de Monnickendammer’ van 15 december 1894 zijn er 190 munten gevonden, terwijl het Kon. Penningkabinet er maar 137 verantwoordt. Werd dan niet de gehele vondst (zoals gerapporteerd) door het K.P.K. aangekocht? Maar nu de gevelsteen ‘IN DE LISBONSVARDER 1610’. De gevelsteen werd zwerfsteen. In de uitgave ‘Noord-hollandsche oudheden’ van G. van Arkel en A.W.Weissman staat: ‘Van het thans gesloopte huis aan de haven, wijk 3 nr 22(men bedoelde 121) werd op het ogenblik van ons bezoek (plm. 1895) nog een gevelsteen met een schip bewaard: In de Lisbonsvarder’. ‘De Monnickendammer’ van 2 november 1894 schrijft: ‘Over de gevelsteen is de sloper in onderhandeling met een buitenlander. Het is een gaaf en fraai exemplaar van gedegen beeldhouwkunst’. In het boek ‘Mijn huis op het water, mijn huis op het land’ van wijlen de heer W.O.J. Nieuwenkamp, verhaalt de bekende tekenaar, dat hij bij het bouwen van zijn huis aan het Marken te Edam, tegenover de Nieuwenhaven, in 1909 een steen boven de voordeur heeft aangebracht. Het was een driemaster met volle zeilen, bewapend met vele kanonnen op een woelige zee. De voorstelling was ‘de Lisbonsvarder’ uit 1610. Heel toevallig kwam de heer Leuw- de Vries (de tweede naam is van zijn vrouw), koopman in antiek in ’t Noordeinde nr 16 (dus op de noordhoek van de nieuwe steeg, naast de weduwe 26

monnickendammer gevelstenen in den vreemde

L. Veltrop) te Monnickendam de heer Nieuwenkamp vertellen, dat die steen te koop was. Een paar uur later stond de gevelsteen, die eerst nog van Monnickendam gehaald moest worden, op de nieuwe plaats, zonder dat het metselen onderbroken werd. Na de eerste wereldoorlog vond Nieuwenkamp, zowel Edam als Volendam minder aantrekkelijk geworden. ‘Kudden dagjesmensen en weinig buitenlandse kunstenaars. Over de eendenboeren was ik ook niet te spreken. Molens afgebroken. Geen vrolijke deuntjes meer uit de ‘speeltoren’. Heel dat schilderachtige gedoe behoorde tot het verleden. Zelfs de bode van het stadhuis draagt geen hoge hoed meer’ schreef Nieuwenkamp en in 1920 verliet hij het ‘morsdode’ stadje en ging naar Italië. Het huis aan het Marken werd nu bewoond door de heer S.W.Eijssen, die getrouwd was met mej. Calkoen, dochter van Edam’s burgemeester. Op 1 augustus 1927 verliet de familie Eijssen Edam, (kwestie over een brugreparatie) om zich in Alkmaar te vestigen. Als souvenir aan de jaren dat hij het huis van W.O.J. Nieuwenkamp bewoonde, kreeg de heer Eijssen de gevelsteen met de ‘Lisbonsvarder’ mee om deze in zijn nieuw gebouwde woning Nassauplein 33 (later23) te Alkmaar te metselen (waar de steen heeft gezeten is nog steeds zichtbaar, H.V.) De familie Eijssen- Wulp (zoon van bovengenoemde heer) vertrok in 1957 naar Heiloo, waar de steen op het ogenblik de gevel siert. Tot zover de verkorte versie van het artikel van de heer Appel. Mocht ik u inmiddels lekker hebben gemaakt met de gedachte dat de hierboven beschreven gevelstenen binnenkort in Monnickendammer gevels staan te pronken, dan moet ik u helaas teleurstellen. Ik heb dit artikel geschreven naar aanleiding van mijn serieuze pogingen om de stenen naar Monnickendam terug te halen. Beide eigenaren hadden zo hun eigen redenen om geen afstand van hun steen te willen doen. We kunnen ons echter nog wel aan enige hoop vastklampen. Van de ene eigenaar kreeg ik de toezegging dat, in geval van verkoop van het pand, de belangstelling uit Monnickendam voor de gevelsteen niet over het hoofd zou worden gezien. Ten aanzien van de andere steen geldt dat de familie nog maar tien jaar in het huis woont, mevrouw meer belangstelling voor de steen heeft dan meneer en in de schriftelijke afwijzing staat dat de steen ‘voorlopig’ blijft waar hij zit.

27

De Zarken 20 (oud)

De Zarken 20 (nieuw)

Middendam 3 (oud)

Middendam 3 (nieuw)

28

Restauratie stoepen Harry Voogel

In de Jaarboeken van 2002 en 2003 deed ik al eens verslag van de restauratie van de stoepen in de binnenstad van Monnickendam. In het Jaarboek van 2004 kwam het daar niet van, maar dit jaar kan ik u het eindverslag aanbieden. Even terug in uw herinnering: alle panden in de binnenstad van Monnickendam hebben een ‘status’. Ze zijn rijksmonument, gemeentelijk monument, hebben geen nadere kwalificatie of zijn ‘beeldbepalend’. De stoepen liggende voor een beeldbepalend pand kwamen, dankzij de zogenoemde cosmeticaregeling van de gemeente Waterland, in aanmerking om met een aantrekkelijke subsidie gerestaureerd te worden. Het zo succesvolle gevelstenenproject van het jaar 2000 had mij geïnspireerd tot dit stoepenproject. Het aanbod tot restauratie ging alleen uit naar de eigenaren van een stoep die bijvoorbeeld kapot (gereden) was, betonranden had, met betontegels of voltrekt niet passende tegels was gelegd of soms geheel van beton was. Lukte het aanvankelijk om slechts zes eigenaren van een beeldbepalende stoep geïnteresseerd te krijgen, aan het einde van het tweede jaar waren er al 22 stoepen gerestaureerd. Het zien van al die nieuwe stoepen werkte kennelijk aanstekelijk, met als gevolg dat het subsidieaanbod daarna bij nog 14 stoepeneigenaren van harte werd verwelkomd. In totaal zijn in vier jaar tijd 36 stoepen met subsidie gerestaureerd. De cosmeticapot van de gemeente stond per jaar een gelimiteerd aantal te subsidiëren stoepen toe en ook Aannemersbedrijf Leguit & Roos kon per jaar slechts voor een beperkt aantal stoepen tijd inruimen. Er zijn echter veel meer dan 36 stoepen gerestaureerd of nieuw aangelegd. Een flink aantal níet subsidiabele stoepen is eveneens door de eigenaren aangepakt. De gemeente heeft inmiddels de subsidie aan te restaureren stoepen beëindigd. Ongetwijfeld zouden nog meer eigenaren van beeldbepalende stoepen voor deze subsidie belangstelling hebben gehad. Laten we ons echter gelukkig prijzen dat we, dankzij de financiële inspanning van zo’n 50 huiseigenaren en de gemeentelijke subsidie, de binnenstad van Monnickendam zo’n opvallende facelift hebben kunnen geven. 29

De huidige ijszeilvloot

30

Winterverslag 1995-1996 Ton Meijer

Wegens gebrek aan winters in de afgelopen jaren zal ik in dit Jaarboekje een verslag doen van de winter van ’95-’96. Deze winter begon op 1 december toen zich een geweldig hogedrukgebied boven Skandinavië vormde en een oostelijke stroming op gang bracht richting ons land. Dit resulteerde erin dat er op Sinterklaasavond een keiharde oostenwind stond en de temperatuur al tot 8 graden onder nul zakte. Op 6 december liep het Hol dicht met grondijs en op 9 december gingen de eerste ijsschuiten nl de Hudson I en III, Stella Maris, Prins Hendrik en de Wintervreugd erop. Ook ging onze nieuwe aanwinst de Roosevelt het ijs op. Deze ijsschuit, die in Marken lag, heeft de Stichting op 14 juni 1995 aangekocht. Hij is gebouwd in Roelofarendsveen en had sinds 1956 niet meer op het ijs gestaan. Martin Verbeek verscheen voor het eerst met zijn Poolster op het ijs. Hij kocht zijn schuit in 1989 en die was toen in bar slechte staat. Vier jaar heeft de restauratie geduurd en nu stond hij dus te pronken op het ijs. Er stond een beetje wind en dus kon er worden gezeild. Op maandag 11 december begon het al weer te dooien met temperaturen tot 6 graden boven nul. Dus toen de schuiten maar op de kant gezet. Omdat de vooruitzichten goed waren hebben we de schuiten op de wal laten staan en dat kwam goed uit want op de 13e viel de winter weer in. En dit keer goed ook. Door deze winterinval heeft het bestuur van de Stichting gauw een vergadering ingelast omdat we een ijszeilwedstrijd wilden gaan houden en deze moest dan op 17 december worden verzeild. Het hele draaiboek voor deze wedstrijd was naar een voorbeeld van een ijszeilwedstrijd uit 1871 op het Makkemermeer, waar toen maar 5 ijsschuiten aan meededen. Op 15 december zijn de IJsvogel en Willem Barentsz II het ijs op gegaan. Het was alleen jammer dat er nog een boot van Rijkswaterstaat door de geul was gegaan omdat er een jacht in het ijs was komen vast te zitten en deze geen water, stroom en verwarming aan boord had. Maar de Gouwzee bevriest snel, dus we konden al snel de hele zee weer overzeilen. Zaterdag 16 december, keiharde noordoosten wind en 5 graden onder nul. Uit het hele land komen de ijszeilers naar Monnickendam. 18 Oudhollandse ijsschuiten staan op de Gouwzee. Eens te meer het bewijs dat Monnickendam de bakermat is voor ijszeilend Nederland. 31

Zondag 17 december, voor de Stichting een belangrijke dag. Het rak werd uitgezet en de ijszeilwedstrijd zou om 14.00 uur plaatsvinden. De laatste ijszeilwedstrijd vond plaats in februari 1954. Winnaar was toen de Poolvos van de familie Van Goor. Maar helaas staat er nu weinig wind en we besluiten om toch de wedstrijd door te laten gaan. Al was het alleen maar om het beeld, dat er 18 ijsschuiten aan de start stonden. Het plaatje van al deze ijsschuiten kon zo 100 jaar oud zijn. Er werd om de twee minuten gestart en het ging om de snelste tijd. Iedere schuit moest door twee man worden bemand. Winnaar van de wedstrijd werd uiteindelijk Hans Visser met de Fram en tweede Ton Meijer met de Wintervreugd. Winnaar van de Stichting werd Jan Schilder met de Willem Barentsz II. Al met al een prachtige dag voor iedereen die mee heeft gedaan. ’s Avonds vond de prijsuitreiking van onze trofee plaats in het Lake Land Hotel waar we tevens met z’n allen een echte wintermaaltijd kregen, snert en roggebrood, die door Mart Leek werd gesponsord. Maandag 18 december: Dooi, tot aan de kerstdagen. 1e Kerstdag: Sneeuw. Een echte witte kerst sinds 1981. Na de kerst begint het opnieuw flink te vriezen tot 10 graden onder nul. Op 27 december alle schuiten weer terug op het ijs gezet en nu staat ook de Maris Stella van Sjef Stallenberg er weer op. Op zondag 31 december zijn een aantal ijsschuiten waaronder de Fram en de Wintervreugd naar het Paard van Marken geweest. Een prachtig gezicht met de hoge ijsriggels, de Vuurtoren en de schuiten ervoor. De maand december werd de koudste decembermaand sinds 1933. 1 Januari: IJzel, maar gelukkig kreeg deze dooiaanval geen vat op de winter en de wind draaide weer naar het noordoosten. De hele week kon er opnieuw fantastisch worden gezeild. Hoogtepunt werd 4 januari 1996. In eerste instantie wilde ik op zaterdag 6 januari met een aantal schuiten vanuit Monnickendam naar Hoorn gaan. Maar omdat de vooruitzichten voor het weekend niet goed waren besloot ik om op deze donderdag te gaan. Voor de meesten een verrassing, maar we gingen. Uiteindelijk gingen er negen schuiten mee naar Hoorn, t.w. Prins Hendrik, Roosevelt, Hudson I en III, IJsvogel, Gouwzee, Willem Barentsz II, Poolster en Wintervreugd. Het was nog niet eerder voorgekomen dat er zo’n vloot vanuit Monnickendam naar Hoorn is gegaan. Eerdere voorgangers waren wel Adrianus Veltrop met de Postiljon in 1890, Piet Gras met de Hudson I in 1940 en Hans Visser met Ed Gerritsen in de Fram in 1985. Het werd een prachtige tocht en ik zal de verbaasde gezichten van de mensen op de kade in Hoorn bij de ‘Jongens van de Bonte Koe’ niet gauw vergeten. Na een opwarmertje te hebben genuttigd in de Volendammer, zijn we weer terug naar Monnickendam gezeild. De zon stond al laag over het ijs en al de schuiten gleden weg uit de haven van Hoorn. Dit geweldig mooie beeld staat in mijn geheugen gegrift. Zaterdag 6 januari, de voorspelde dooi bleef nog even uit en zo werd deze dag weer één om te koesteren. Iedereen ging alle kanten op, en velen gingen weer 32

winterverslag 1995-1996

Voor het Paard van Marken

richting de Vuurtoren. Zelf had ik inmiddels de smaak van het zeilen op het Markermeer goed te pakken en had besloten om naar Enkhuizen te gaan. Onderweg, midden op het Markermeer kwam ik diverse schaatsers en dan weer ganzen tegen, het was geweldig. Er stond een lekker windje en het ging dus niet echt hard waardoor je goed zicht had op ijsrichels, en schotsen goed konden worden gezien. Op zondag 7 januari slaat het weer volledig om en het blijft 10 dagen flink dooien. Maar het ijs in de Gouwzee weet niet van wijken en op 17 januari valt opnieuw de vorst in. Dus op de 20e weer de schuiten erop gezet. Nu komen ook de Bibber, Geshe en de Oranje er nog bij. Maar ondanks de matige tot strenge vorst en de keiharde oosten wind onstonden er steeds grotere wakken in de Gouwzee en het ijs in het Hol werd steeds onbetrouwbaarder. Onbegrijpelijk. Gevolg, de IJsvogel van Gerbrand Tessel ging er door. Met veel man en macht is de zware schuit toch weer op het ijs gekomen. De winter weet van geen wijken en op 26 januari wordt de dijk Enkhuizen-Lelystad afgesloten wegens stuifsneeuwduinen. In Friesland komt alles in het teken te staan van de Elfstedentocht. Nieuwe woorden als: ‘ijstransplantatie’ en ‘wakoloog’ vinden hun intrede in de Nederlandse taal. De IJsvogel van Huub van Goor verschijnt sinds 1979 weer op het ijs. Steeds weer kon er door de ijszeilers worden gezeild. Het ijs op het Markermeer werd steeds beter en betrouwbaarder. Dit resulteerde erin dat Martin en Simon Verbeek met Cor Zonneveld vanuit Edam op de schaats het Markermeer zijn overgestoken en naar Lelystad geschaatst. Op 4 februari 33

werd de schaatstocht Enkhuizen-Stavoren georganiseerd. Deze tocht had sinds 1963 niet meer plaats gevonden en dus door de toeloop van ca 40.000 schaatsliefhebbers liep deze tocht voor velen slecht af. Vanuit Friesland kwam het toch wel onverwachte bericht dat de ‘Tocht der tochten’ voor onbepaalde tijd werd uitgesteld. Teleurstelling alom bij de schaatsers. Wij bedachten om ook naar Lelystad te gaan met de ijsschuiten, en wel op 10 februari. Vrijdag 9 februari vroor het streng, 12 graden onder nul. Ik had met Ed Gerritsen afgesproken om naar Durgerdam te gaan. Dus ’s morgens om 9.00 uur de zeilen gehesen en naar de Vuurtoren gegaan waar Ed op mij stond te wachten met snert. Het was ongelofelijk koud. Ik denk dat ik het nog nooit zo koud heb gehad tijdens ijszeilen. Nadat we de schuiten om het Paard hadden gebracht, zeilden we in één rak richting Durgerdam. Bij de vuurtoren voor Durgerdam konden we niet verder door een enorm schotsenveld dat ontstaan was door de ijsbrekers die de vaarroute tussen Amsterdam en Lelystad openhouden. Op de terugweg even bij de Scheepskameel gestopt voor een lekkere warme chocomel. De dag naar Lelystad brak aan. De wind was inmiddels hard uit het zuiden gaan waaien. Niet echt gunstig. We vertrokken met acht schuiten en het sneeuwde lichtjes wat het ook wel weer bijzonder maakte. Bij Marken moesten we de Poolster van Martin Verbeek en de Oranje van Henk Kalshoven met averij achter laten. Dus gingen we verder met de Hudson I en III, Gouwzee, Bibber, Geshe en de Wintervreugd. De wind ging steeds harder uit het zuiden waaien en de snelheden liepen flink op. Soms moest er gestopt worden omdat er nogal wat sneeuw in de schuiten belandde doordat er nogal wat sneeuwbanken lagen. Halverwege liepen we op een grote ijsriggel en ik klapte daar keihard op. Even was ik bang dat ik schade had opgelopen. Maar gelukkig was alles nog heel. In de verte dacht ik eerst de dijk Enkhuizen-Lelystad te zien, maar dat kon eigenlijk nog niet, al ging het wel vreselijk hard. De donkere horizon bleek dus niet de dijk te zijn maar open water. We zijn toen meteen terug gegaan richting Volendam en toen bleek eigenlijk al hoe onbetrouwbaar ijs kan zijn als de wind gaat draaien van oost naar zuid. Hierdoor onstaat er zoveel onderstroming dat het ijs gewoon openbreekt, ondanks een dikte van zo’n 30 cm. We kwamen ineens grote wakken tegen op hetzelfde traject waar we kort daarvoor nog overheen waren gezeild. De dooi zet nu dan toch flink door en op 17 februari hebben we alle schuiten van het ijs gehaald. Tussen Edam en Volendam schuiven er ijsbergen over de dijk. Vooral bij Etersheim onstonden enorme bergen kruiend ijs. De winter ’95-’96 was voor ons ijszeilers een fantastische winter met veel hoogtepunten maar zonder een Elfstedentocht!

34

Nogmaals op bezoek in Monnickendam Henri Obstfeld

Wanneer je in Londen het woord Monnickendam zegt, zullen oudere mensen waarschijnlijk herinneringen ophalen aan een Joodse bakkerij van die naam. In ons telefoonboek van een voorstad van Londen, komt de naam ook voor. Maar hoe is die achternaam nu in Engeland terechtgekomen? Het Keizerlijke Besluit van 18 juli 1811, uitgevaardigd door de Franse keizer Napoleon I Bonaparte, lag ten grondslag aan een aantal wetten, die er toe geleid hebben, dat een ieder een achternaam aannam. Nederland maakte in die dagen deel uit van het Franse keizerrijk, en dus golden die wetten hier ook. Als gevolg daarvan nam in 1811 een zekere Mozes Gabriel, oorspronkelijk afkomstig uit Nieder Saulheim (1), een dorp gelegen ten zuiden van Mainz in Duitsland, en nu voorganger of voorzanger (al naargelang welke bron men gebruikt) van de synagoge van Monnickendam, officiëel de naam van deze stad aan als zijn achternaam (2). Mozes Gabriel had eerder in Amsterdam gewoond. Hij vroeg op 22 maart 1760 toestemming om met zijn vrouw Klärchen Keile en hun dochter in Monnickendam te wonen. Hun zoon, Gabriel Mozes, diende op 13 januari 1787 een verzoek in tot het verkrijgen van het burgerschap van Monnickendam. Hij werd geboren in 1761 of in 1764 in Mentz (bij Nieder Saulheim), trouwde in 1789 met Hissel Nathan Brilleslijper uit Amsterdam, en was venter van beroep. Zij kregen zeven kinderen. Verdere bijzonderheden verschaft Appel (1). Bijvoorbeeld, dat het eerste kind van deze familie in 1791 in Monnickendam geboren werd. Sommige familieleden verlieten Monnickendam na verloop van tijd, maar er schijnen geen aanwijzingen te zijn dat zij Nederland verlieten. Glass (3) deelde echter mee, dat de Engelse familie Monnickendam afstammelingen zijn van ‘een juwelier of horlogemaker, die zich in de jaren 30 van de 19e eeuw in Liverpool vestigde.’ Volgens Schiltmeijer (4) zijn twee leden van de familie, namelijk Alexander en Eva, op de Joodse begraafplaats van Monnickendam begraven. Wij waren al eens meer in Monnickendam op bezoek geweest. Maar in juni 2005 hadden we een nieuwe reden om er nog eens naar toe te gaan: een paar dagen eerder hadden wij, tijdens een bezoek aan het Regionaal Archief te Alkmaar ontdekt, dat een ver familielid in Monnickendam geboren was! Nadat we de auto bijna tegenover Kerkstraat 12 hadden geparkeerd, zagen we tot onze verbazing een 35

gevelsteen met tekst en vijf Davidssterren! (figuur 1). We zijn er sindsdien achter gekomen, dat dit het huis was van Leo Hordijk, die tijdens de Tweede Wereldoorlog op de bovenetage van zijn woning vijf Joodse onderduikers verborgen had gehouden (5). Dat herinnerde ons er aan, dat we figuur 1 bij een vorig bezoek een andere verwijzing naar de Joodse bevolking hadden gezien. Ik wist, dat dat een paar honderd meter verderop was geweest, voorbij de speeltoren, op de hoek van de Middendam en de Nieuwe steeg. Onder het straatnaambordje was een blauw, metaal bordje aangebracht waarop stond te lezen: Ter nagedachtenis – LeZikaron – Op 1 mei 1942 werd de Joodse gemeente van deze stad weggevoerd. We zijn er nu achter gekomen dat dit bordje op 1 mei 1992, vijftig jaar na de gebeurtenis, onthuld werd door een van de twee Joodse Monnickendammers, overlevenden van de holocaust, die toen nog in leven was, namelijk Frouke Dal – Abarhams (6). Maar dit bordje was er niet meer. Daarvoor in de plaats vonden we nu een geweldig mooie gevelsteen, die op 1 mei 2005 onthuld werd (figuur 2). Het stelt een boom voor in de vorm van een goudkleurige menora, een zevenarmige kandelaar, waar twee armen van zijn afgehakt. Onder deze gevelsteen bevindt zich een bord (figuur 3) met een opschrift in het Nederlands, Hebreeuws en Engels: ‘1 mei 1942 – De Joodse stadsgenoten weggevoerd en vermoord in Sobibor en Auschwitz – gedenk’. We vroegen ons af waarom dit gedenkteken zich op deze onopvallende plaats bevond. De reden werd duidelijk terwijl we de steeg door wandelden: deze leidde namelijk langs het gebouw van de voormalige synagoge. Daar vonden we een andere gedenksteen met de inscriptie: ‘De eerste steen gelegd door A.E.Leuw – Donderdag 3 Siwan / 7 Juni 5654’ en dat jaarfiguur 2 tal komt dan overeen met 1894 36

nogmaals op bezoek in monnickendam

figuur 3

van de gewone jaartelling. Appel (2) schrijft hierover o.m.: Op 27 maart 1894 ging de in 1814 ingewijde synagoge in vlammen op... Het verzoek om op de plaats van de vroegere synagoge een nieuw, stenen gebouw te bouwen, werd op 8 mei ingewilligd. Op woensdag 26 september 1894 werd de nieuwe ‘sjoel’ plechtig ingewijd. Volgens Van Overbeeeke (5) was er in 1688 al een synagoge in Monnickendam. Aan het einde van de steeg is de haven. Wanneer je rechtsaf slaat, staat je dan al gauw op de Dam, die nu vervangen is door een brug en sluizen, vlak tegenover de Waag. Over deze brug kom je op het Zuideinde. Aan de deurpost van een van de huizen merkten we een mezoeza op. Dat gaf aan, dat daar een Joodse familie woonde, en dat werd bevestigd door de naam op het naambordje van dat huis. Aan het einde van die straat stond eens de Zuiderpoort. Op een oude muur is een bordje aangebracht, waarop staat dat de Joodse begraafplaats zich aan de andere kant bevindt. Deze begraafplaats dateert van 1677. Op 4 september van dat jaar staat in het resolutieboek van Monnickendam o.m. vermeld: ‘Op de requeste gepresenteert bij de vaders van de drie familiën van de joodtse natie, die binnen deser stede wonen, omme aan hen te mogen worden vergundt ende toegestaen een plaetse hier ofte daer aen de standswal om heare dooden te begraven,’ (1). Deze begraafplaats, aan de Niesenoortsburgwal, wordt nog steeds gebruikt: het gras was gemaaid en de jongste grafsteen dateerde van 2004. Deze draagt de 37

figuur 4

figuur 5

naam van Barbara Ilona Lieberman, geboren in New York en gestorven in Amsterdam. Wanneer je dat leest, komen er heel wat vragen bij je op, maar naar de antwoorden hebben we nog niet gezocht. Op de website van Schiltmeijer (4) zijn verdere bijzonderheden te vinden. Wij waren geïnteresseerd in de familie Witmond. Esther Witmond, dochter van Samuel Witmond en Sophia Salomons, werd op 2 april 1869 in Monnickendam geboren. Zij trouwde in Alkmaar met Salomon Wolf Vet. Hij was een neefje van mijn overgrootvader aan moeder’s kant, Jacob Eliasar Vet. Hun burgerlijk huwelijk was reeds op 9 maart 1904 in Monnickendam voltrokken. De bruidegom was toen 38, en bruid 34 jaren oud (7). Op hun gezinskaart, verkregen bij het Regionale Archief Alkmaar, staat dat Salomon een zelfstandige juwelier was, die in 1865 in Alkmaar geboren werd. In 1889 keerde hij uit Amsterdam naar zijn geboorteplaats terug, en in 1919 keerde hij, nu met zijn vrouw, weer terug naar Amsterdam. Zij woonden op de Prinsengracht, en hadden geen kinderen. Salomon overleed in 1938, waarna Esther naar de Roerstraat, in Amsterdam-Zuid, verhuisde. Volgens het ‘Digitaal Monument Joodse Gemeenschap in Nederland’ (8) werd Esther op 28 september 1942 in Auschwitz om het leven gebracht. De foto (figuur 4), die wij van de grafsteen van Mozes Philip Witmond maakten, ziet er net zo uit als vele anderen op deze begraafplaats. Het is waarschijnlijk het 38

nogmaals op bezoek in monnickendam

graf van de broer van Samuel Philip Witmond. Mozes werd op 22 maart 1839 in Monnickendam geboren, en was koopman en manufacturier. Hij schijnt niet getrouwd te zijn. De Hebreeuwse tekst vermeldt dat hij een Leviet was. De afbeelding van een rituele schenkkan en kom, zoals bovenaan op deze gedenksteen staat afgebeeld, vindt men vaak op grafstenen van mannelijke Levieten. Er zijn in Monnickendam nog andere gedenktekens, die verwijzen naar tijdens de Tweede Wereldoorlog weggevoerde Joodse inwoners. De Joodse achternamen op het gedenkteken in het Zarkenplantsoen (9), en op de gedenkplaat (figuur 5) in de gang van het stadhuis, aan het Noordeinde 5, spreken voor zich. Dankwoord Een toevallige ontmoeting met Mw L. Hogenhout op de Joodse begraafplaats van Monnickendam, leidde ertoe dat zij mij hielp bij het verkrijgen van verdere bijzonderheden over Joodse inwoners van Monnickendam alsmede enige foto’s. Tevens bracht zij mij in contact met Charles A.E.Groot, van de ‘Helpdesk genealogie Monnickendam 1650-1900’. De vereniging ‘Oud-Monnickendam’ gaf toestemming voor het gebruik van enige bijzonderheden uit het artikel van L. Appel, dat verscheen in het Jaarboek van 1996. Ik dank tevens mijn vrouw Dorothy voor haar hulp en ideëen. Dit artikel verscheen oorspronkelijk in iets uitgebreidere vorm onder de titel ‘Monnickendam revisited’, in ‘Shemot’ (jaargang 14, nummer 1, maart 2006) het kwartaal blad van de Jewish Genealogical Society of Great Britain, en werd met toestemming van deze verening door de schrijver vertaald.

Bibliografie (1) Appel, L. (1997). Joden in Monnickendam. In: Jaarboek 1996 , Vereniging Oud Monnickendam, blz. 27-101. (2) E-mail bericht van Mw. L. Hogenhout, gedateerd 4 augustus 2005. Zie Voogel, H. (1998). Honderd jaar nering en ambacht in Monnickendam. St. Pancras: Geneaboek (3) Glass, P. E-mail bericht van 21 december 2005. (4) www.schiltmeijer.nl/Plaatsnamen/Begraafplaatsen/JoodsebegrpltsMonnickendam (5) Overbeeke, Addy van (2005). Monnickendam in Waterland. Utrecht: Uitgeverij Matrijs. (6) Uitnodiging gedateerd april 2005, van het ‘4 mei comité Monnickendam’ tot het bijwonen van de onthulling van de gevelsteen op 1 mei 2005. (7) www.genlias.nl (8) www.joodsmonument.nl (9) Veltrop, J. (1988). Herinneringen aan oud Monnickendam. Herdruk.

39

Monnickendam in de Doelenzaal van de Universiteitsbibliotheek Op 14 september 2005 was Monnickendam onderwerp van een feestelijke bijeenkomst in de Universiteit van Amsterdam. Daar werd, in de fraaie Doelenzaal, een bijzonder Stedenboek van Blaeu aangeboden aan de Universiteitsbibliotheek. Bij de cartografisch meest interessante plattegronden in de atlas was er een van Monnickendam. De peperdure atlas was een geschenk van de Mr. H.J. Steenbergenstichting. Het was een feestelijke bijeenkomst met diverse sprekers. Stadgenoot Jan Werner, conservator van de kaartencollectie van de Universiteitsbibliotheek hield een lezing over de cartografische bijzonderheden van de Monnickendamkaart in de atlas. Hij kon aantonen dat deze kaart, die, net als de overeenkomstige kaart van Edam, tot nu toe altijd werd toegeschreven aan Frederick de Wit, in werkelijkheid werd gemaakt door Blaeu. Burgemeester Jongmans vertelde, begeleid door een dia-presentatie, uitgebreid over de Stadsrechtfeesten en Addy van Overbeeke, schrijfster van de op dat moment net uitgekomen heruitgave van ‘Monnickendam in Waterland’ hield een lezing over de Stededichten van Constantijn Huygens die ook in het Stedenboek zijn opgenomen, met daarbij een merkwaardig en gecompliceerd gedicht over Monnickendam. Daarna liet ze via een powerpointpresentatie haar gehoor meewandelen met een zeventiende-eeuwse stadswandeling door diezelfde kaart van Blaeu. De sprekers stonden voor een volle en aandachtige zaal, waar jammer genoeg, door een ongelukkige samenloop van omstandigheden nauwelijks Monnickendammers tussen zaten. Er was iets misgegaan met de uitnodigingen en de Monnickendammers die desondanks op weg waren gegaan stonden vast achter de brug bij Broek. Die was net tevoren omhoog gegaan en wilde niet meer naar beneden. Een bijna historische gebeurtenis, gezien de vele strubbelingen die zich in het verleden hebben voorgedaan rond de voorloper van de N247, de oude ‘wagenwech’. De lezing van Jan Werner is gebaseerd op een nog te verschijnen cartografische publicatie. Een voorlopige versie van deze publicatie treft u hier aan. Daarna volgt een bewerking die Addy van Overbeeke ten behoeve van dit Jaarboek van haar lezing maakte.

40

Joan Blaeus worsteling met de Waterlandse steden Jan W.H. Werner

Inleiding Joan Blaeu (1598-1673) was de meest succesvolle drukker en uitgever van kaarten, atlassen en globes in 17e-eeuws Amsterdam. De producten van het bedrijf vonden hun weg over de gehele wereld. Bovendien waren drie generaties Blaeu verantwoordelijk voor de vervaardiging van kaarten voor de VOC. Blaeus stedenboek van de Nederlanden was ongeëvenaard in omvang, kwaliteit en schoonheid. Ook nam hij plattegronden van Monnickendam en andere ons omringende steden erin op. De recente verwerving van een ongebruikelijke uitgave van Blaeus stedenboek door de Universiteitsbibliotheek van de Universiteit van Amsterdam bood de mogelijkheid om eens een nieuw licht te werpen op de gang van zaken rond de plattegronden van Purmerend, Edam en Monnickendam en – niet los daarvan te beschouwen – die van Medemblik [afb. 1a, 1b].

1a Frontispice en opgeplakte

1b Frontispice en opgeplakte

Nederlandse titel van de Noord-

Nederlandse titel van de Zuid-

Nederlandse steden

Nederlandse steden

41

Juist toen in 1648 de Vrede van Munster gesloten werd was Joan Blaeu hard bezig met de afronding van de uitgave van zijn stedenboek in twee delen: Novum ac magnum theatrum urbium Belgicae Liberae ac Foederatae en Novum ac magnum theatrum urbium Belgicae Regiae. Het project had hem toen ongetwijfeld al enige jaren beziggehouden. De eerste, en tot dan toe laatste, grote stedenreeks die in atlasvorm gepubliceerd werd, Georg Braun en Frans Hogenbergs wereldomvattende Civitates Orbis Terrarum, was al in de beginjaren van de in 1648 beëindigde Tachtigjarige Oorlog verschenen, in (en vanaf) 1572. Echter, veel stadsplattegronden, zeker de Nederlandse, waren inmiddels hopeloos verouderd geraakt. De oorlog had grote veranderingen teweeggebracht, in politieke zin, maar ook in tastbare zin. De jarenlange oorlogsdreiging en daadwerkelijke strijd hadden de meeste steden letterlijk in vestingen veranderd. Verder waren – desondanks – veel steden, vooral in de Noordelijke Nederlanden, aanmerkelijk opgebloeid, hetgeen zich vertaalde in een spectaculaire ruimtelijke groei. Dit gold met name voor Amsterdam en de andere VOC-steden. Maar ook de overige Noord-Nederlandse nederzettingen groeiden, de een sneller dan de ande2 Titelpagina van Theatrum Hollandiae (Nederlandse re, uit hun 16e-eeuwse jasje. editie) van Marcus Zuerius Boxhornius Sommige steden ontwikkelden zich nog enige tijd verder na het verschijnen van Blaeus stedenboek, maar het is opmerkelijk dat voor veel plaatsen in het midden van de zeventiende eeuw een voorlopig eindpunt bereikt werd, waarna pas in de tweede helft van de 19e eeuw een hervatting van de groei zou plaatsvinden. Er was natuurlijk geen stedenboek voor nodig om al die veranderingen bij te houden. Stuk voor stuk zien we in de tussenliggende tijd zelfstandige plattegronden verschijnen, zeker van de grotere steden. In de beginjaren werden die nog in aangepaste vorm ‘meegenomen’ in het werk van Braun en Hogenberg, maar toen daarvan in 1617 het laatste deel verscheen was het afgelopen. Wel was in 1567 in Antwerpen een boek verschenen dat een beschrijving bood van de toenmalige Nederlanden, Lodovico Guicciardini’s Descrittione di tutti i Paesi Bassi. Behalve een uitgebreide tekst over de geschiedenis en toenmalige toestand van de Nederlanden, bevatte het werk buitengewoon veel stadsplattegronden, vooral sinds Christoffel Plantijn in 1581 de uitgave van dit werk van Willem Sylvius overgenomen had. Guicciardini’s kaarten verschenen tot 1648, maar ook die hadden sinds het 42

joan blaeus worsteling met de waterlandse steden

eerste decennium van de zeventiende eeuw niet veel actualisering meer ondergaan. Bovendien waren vooral Braun en Hogenberg, en tot op zekere hoogte Guicciardini, wat de Nederlandse steden betreft onvolledig. Een verdienstelijke poging hierin voor een hele reeks Hollandse steden wat verbetering te brengen werd gedaan in Marcus Zuerius Boxhornius’ Theatrum Hollandiae, een beschrijvend boekwerkje, uitgegeven in 1632, gevolgd door een Nederlandstalige uitgave in 1634, waarvan de tekst doorspekt was met veertig kleine stadsplattegronden [afb. 2]. Indirect had ook die reeks wel iets met de 80-jarige oorlog te maken. De plattegronden vormden een bijproduct van de werkzaamheden van Floris Balthasarsz. en zoon Balthasar Florisz. van Berckenrode. Zij waren als landmeters en tekenaars een soort oorlogsverslaggevers, die tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) opdrachten voor de Hollandse waterschappen uitvoerden. De beperkingen van de Boxhornplattegronden waren duidelijk: op hun kleine formaat gaven zij niet meer dan een (goede) indruk van een stad en ze toonden vanzelfsprekend slechts de steden in Holland. Buiten Holland deden zich nog wat van dergelijke verspreide reeksen voor, maar het was behelpen wanneer het ging om een actueel totaaloverzicht van alle steden in de Nederlanden. Wat de Zuidelijke Nederlanden betreft mag misschien wel Antonius Sanderus’ Flandria Illustrata, in twee delen bij Blaeu zelf (maar onder een ander impressum) in 1642/44 gedrukt, als model en inspiratiebron gelden voor de latere stedenboeken. We mogen aannemen dat Joan Blaeu vanaf 1644 zijn aandacht gericht heeft op zijn Nederlandse stedenboek. Blaeus Toonneel der Steden Het stedenboek betekende een verfrissende actualisering van het kaartbeeld van alle stemhebbende steden in de Noordelijke- en Zuidelijke Nederlanden. Afgezien van een aantal erin opgenomen plattegrondjes uit Boxhorn was het geheel nieuw van opzet, met royale, op een groot folioblad afgedrukte kaarten en bijbehorende beschrijvingen op de rugzijden, eventueel uitgebreid over tussenliggende bedrukte pagina’s. Dat Blaeu ietwat prematuur was met zijn eerste Latijnse editie van 1649 blijkt wel uit de snelle erop volgende aanpassingen in kaarten en tekst. De volgende Latijnse editie was al wat uitgebalanceerder en met het volgende, omstreeks 1651 verschenen Nederlandstalige Toonneel der Steden van de Vereenighde Nederlanden en Toonneel der Steden van ’s Konings Nederlanden zijn weer teksten uitgebreid en aanvullingen in sommige kaarten aangebracht. Wat de gebezigde taal betreft bleef het bij Latijnse en Nederlandse edities. In geen enkele editie komt een jaartal voor in het impressum. Onveranderlijk komt in het voorwerk een privilege van een zeer jonge Lodewijk XIV van Frankrijk voor, met daaronder de cursieve aanduiding: ‘ces deux Volumes du Pays-bas ont esté achevé le 27 Sep43

tembre 1649’. Alleen uit kleinere details in de tekst en uit veranderingen in sommige platen is een chronologisch verschil af te leiden. Joan Blaeu had grote ambities met zijn stedenproject. Het Nederlandse stedenboek was bedoeld het eerste te worden in een lange reeks, die uiteindelijk alle belangrijke steden van de gehele wereld zou moeten omvatten. Vanwege zijn speciale relatie met en voorliefde voor Italië wist hij nog een reeks over de Italiaanse steden op te zetten, maar die werd niet voltooid en met de overige beoogde reeksen werd zelfs geen aanvang gemaakt. Met het verschijnen van het Nederlandse stedenboek was het werk van Guicciardini definitief de wind uit de zeilen genomen; afgezien van de kleinere uitgaven, en die met stadsgezichten, verschenen de folio-edities met de plattegronden na 1648 niet meer (*1).. Wel ging de uitgever ervan, Blaeus concurrent Johannes Janssonius, door met de stedenwedloop. Hij liet in 1657 een stedenboek van de gehele wereld verschijnen, iets wat Blaeu ook nastreefde, maar nooit bereikt heeft. Dit achtdelige werk (met verschillende deeltitels, beginnend met Theatrum urbium celebriorum totius Belgii sive Germaniae Inferioris) bevatte 500 gravures en suggereerde daarmee een voorsprong van Janssonius op Blaeu. Echter, de kaarten waren voor een belangrijk deel gekopieerd naar Blaeu of afgedrukt van de stokoude, bijna versleten koperplaten van Civitates Orbis Terrarum, die Janssonius had weten te bemachtigen. Bovendien zou de omvang van Blaeus project het aantal delen en kaarten van Janssonius verre hebben moeten overtreffen. Vijfentwintig jaar later, in 1682, werd Janssonius’ stedenboek nog een keer in beknopte vorm en iets aangepast door de erfgenamen van schoonzoon Johannes Janssonius van Waesberge heruitgegeven, onder de titel ‘Tooneel der vermaerste koop-steden en handelplaatsen van de geheele wereld’, nu in twee delen, gereduceerd tot 236 kaarten en zonder teksten op de rugzijden van de plattegronden. Daarna valt het even stil, al duiken afdrukken van een aantal koperplaten nog even op in Gregorio Leti’s Teatro Belgico, o vero ritratti historici, chronologici, politici e geografici, delle sette Provincie Unite. Het verscheen in 1690 bij Willem de Jonge in Amsterdam. Vervolgens vernemen we van Janssonius’ koperplaten weer wat in 1694, wanneer ze geveild en door Frederick de Wit aangekocht worden. Joan Blaeus overlijden in 1673 maakte een vrij abrupt einde aan zijn stedenboek. De platen en de voorraad stedenboeken werden al op 28 augustus 1674 geveild, als onderdeel van vijf veilingen waarbij de complete voorraad boeken, koperplaten, globes, kaarten en atlassen van het huis Blaeu verkocht werd. Zij werden vermoedelijk aangekocht door Abraham Wolfgang en een aantal samenwerkende boekhandelaren (*2). Met het laatste gedrukte materiaal van het stedenboek en de nieuwste koperplaten die bij Blaeu beschikbaar waren moeten in die vroege jaren 1670 nog een aantal Nederlandstalige versies van het Nederlandse stedenboek zijn samengesteld, waarvan slechts hier en daar exemplaren aan te treffen zijn. 44

joan blaeus worsteling met de waterlandse steden

De Wit, Van der Aa en Covens & Mortier Omstreeks 1696 werden de koperplaten van Blaeu opnieuw – evenals kort daarvoor de Janssoniusplaten – geveild en kwamen beide partijen in handen van Frederick de Wit. De succesvolle kaart- en prentuitgever De Wit gebruikte die weer om twee eigen stedenboeken samen te stellen: een Nederlands stedenboek, Theatrum ichnographicum omnium urbium et praecipuorum oppidorum Belgicarum VXII Provinciarum peraccurate delineatarum en een van de steden van Europa. Voor sommige steden gebruikte De Wit een koperplaat van Blaeu, voor andere weer een van Janssonius, hier en daar aangevuld met gravures gekopieerd naar een van beiden of van andere origine (*3). Gezien De Wits kritische houding ten opzichte van het afgedrukte werk liet hij zich vrijwel zeker bij de keuze ook leiden door de kwaliteit van de koperplaten, die inmiddels veertig à vijftig jaar oud waren. Sommige waren wellicht beschadigd of anderszins niet meer beschikbaar. In de eerste druk van omstreeks 1698 werden de platen vrijwel ongewijzigd afgedrukt; exemplaren van de tweede druk uit het eerste decennium van de 18e eeuw laten onbeduidende maar kenmerkende aanpassingen zien, meestal de toevoeging van een kompasroosje en De Wits impressum. Sommige ‘lege’ vestingplans heeft De Wit alsnog ingevuld met een stratenplan. Teksten werden niet opgenomen, de rugzijden van de plattegronden bleven onbedrukt. Na De Wits dood in 1706 werd zijn bedrijf nog even voortgezet door zijn weduwe, maar in 1710 werden vele platen van De Wit verkocht aan Pieter Mortier. Waarschijnlijk kwamen zij vervolgens in 1717 in handen van Joachim Ottens en in de

3 Catalogus Covens & Mortier uit 1763, detail met

4 Handtekening van Blaeu in een vroeg

de sectie stadsplattegronden

exemplaar van zijn stedenboek

45

jaren 1720 moet Pieter van Aa ze bemachtigd hebben. Immers, van de 260 plattegronden en stadsgezichten in de beide stedenboeken van De Wit treffen we circa 130 stadsplattegronden (in meerderheid de Nederlandse) aan in La galerie agréable du monde, een uitvoerig topografisch werk dat in 1729 bij Van der Aa in Leiden verscheen (*4). Hij gaf zelfs het stedenboek van De Wit opnieuw uit (*5). Uiteindelijk moet al het materiaal, afdrukken en koperplaten, terecht gekomen zijn bij de enorme Amsterdamse uitgeverij van Covens & Mortier (*6). Veelal zullen de plattegronden toen los verkocht zijn, zoals exemplaren zonder vouw in het midden bevestigen, met het nieuwe impressum van Covens & Mortier. In de uitgebreide fondscatalogus van Covens & Mortier uit 1763 treffen we 458 plattegronden aan onder het kopje: ‘Les principales villes, chateaux et forteresses de l’univers, en plan & profil sur papier d’éléphant’ (*7) [afb. 3]. Daaronder moet zich een aanzienlijk aantal van de plattegronden van Blaeu (en Janssonius) hebben bevonden, die we tegenwoordig aantreffen met de toevoeging: ‘A Amsterdam chez Jean Cóvens et Corneille Mortier’, een equivalent daarvan, of slechts de resten van een ouder impressum. Het is niet onmogelijk dat de platen nog tot in de 19e eeuw afgedrukt werden, in ieder geval maakten in 1828 nog tientallen exemplaren deel uit van het uitgeversfonds van Cornelis Covens en opvolger Cornelis Johannes Covens (*8). Medemblik Een aantal steden maakte een opmerkelijke ontwikkeling door in het stedenboek. Dit moet te maken hebben met Blaeus bedoeling om het plattegrondenboek (naast het werk aan alle andere uitgaven waarmee hij druk bezig was) verder te vervolmaken. Immers, nog lang niet alle steden hadden een volwaardige kaart op folioformaat gekregen. Voor kleine steden en steden waarvan hij (nog) geen grote plattegrond had kunnen veroveren had Joan Blaeu alleen de kleine plattegrondjes uit Boxhorns werk en soortgelijke publicaties beschikbaar. Dat was bijvoorbeeld het geval met Bolsward, Sneek, Dokkum en Stavoren. Meteen na de eerste druk verving hij de gecombineerde kleine kaartjes door zelfstandige grote foliokaarten. Merkwaardiger verliep het met de Noord-Hollandse steden Medemblik, Purmerend, Edam en Monnickendam. Dat Blaeu al tijdens de productie van zijn allereerste stedenboek uit was op verbetering moge blijken uit de merkwaardige onevenwichtigheden die de stad Medemblik laat zien. Het exemplaar dat in de UB Amsterdam bewaard wordt, behoort tot de allereerste stedenboeken die geproduceerd werden (*9). Het draagt voorin de handtekening van Joan Blaeu, hetgeen erop wijst dat we te maken hebben met een speciaal introductie-exemplaar [afb. 4]. Ook kenmerkend voor zo’n vroeg exemplaar is het feit dat de beide delen even dik zijn, een evenwicht dat 46

joan blaeus worsteling met de waterlandse steden

5 Edam, Medemblik, Purmerend en Monnickendam in de vroegste versie van het stedenboek

later verstoord zou worden, nadat de onverwachte territoriale consequenties van de Vrede van Munster erin verwerkt zouden worden. In dit exemplaar zien we al een confrontatie van de oude situatie met de nieuwe plannen. Zoals voor veel andere kleinere steden gebeurde, zijn namelijk de vier Noord-Hollandse plaatsen Medemblik, Edam, Monnickendam en Purmerend bijeengenomen en met vier koperplaatjes op een groot folioblad afgedrukt (*10) [afb. 5]. Het zijn de bekende kleine kaartjes (ca. 15 x 22 cm) van Balthasar Florisz. van Berckenrode, die voorheen opgenomen waren in Boxhorns Theatrum Hollandiae. Op de recto- en versozijden zijn in het Latijn de beschrijvende teksten van deze steden afgedrukt. Hoewel alle plattegronden bij Blaeu op de rugzijde een typografische tekst vertonen, komen we meteen na dit viertal een blanco blad tegen, dat de achterzijde blijkt te zijn van een royale plattegrond van Medemblik (*11) [afb. 6a]. De kaart doet wat ‘leeg’ en kaal aan, maar straalt, in tegenstelling tot het kleine viertal, dezelfde allure uit die de andere grote plattegronden van Blaeus stedenboek kenmerkt. Hier treffen we dus een merkwaardige, nutteloze doublure aan voor Medemblik. Wanneer we de kaart van Medemblik volgen in zijn gang door de verschillende edities van Blaeus stedenboek wordt duidelijk dat er gedurende de eerste periode dat het stedenboek verschijnt een langzaam-maar-zekere evolutie van de kaart van Medemblik plaatsvindt. Het gaat niet zozeer om correc47

6a Blaeus grote plattegrond van Medemblik,

6b Blaeus grote plattegrond van Medemblik,

premature eerste staat

middelste staat

6c Blaeus grote plattegrond van Medemblik, voltooide laatste staat

ties of up-to-date brengen van de kaart, maar meer om de completering van de gravure. Latere drukken vertonen de kaart namelijk in een tweede staat, waarin bijvoorbeeld het aantal op zee varende scheepjes van vier naar negen op volle sterkte is gebracht en de stedelijke bebouwing is voltooid (*12) [afb. 6b]. Dat hiermee het geheel n贸g niet klaar was mag wel blijken uit n贸g latere drukken, die een derde en laatste staat van de plattegrond laten zien. Hier maakt de kaart een echt voltooide indruk, want eindelijk is het aanvankelijk incomplete stadswapen voltooid en als nuttige versieringen zijn ook een schaalstok en een kompas toegevoegd. En wat belangrijker is, voor het eerst is nu bekend wie de auteur van de 48

joan blaeus worsteling met de waterlandse steden

kaart is, evenals het jaar van voltooiing: ‘Joannes Schagen geometra delineavit 1649’ is links onder op de kaart bijgegraveerd. De kaart moet uiterlijk in 1657 dit eindstadium hebben bereikt, want de kopie van Janssonius in diens stedenboek van dat jaar weerspiegelt een aantal toevoegingen van deze laatste staat (*13) [afb. 6c]. Om de gevolgen van deze ontwikkeling recht te trekken was het nodig om wat zaken in het stedenboek aan te passen. De blanco achterzijde van de kaart van Medemblik kon niet gehandhaafd blijven en na die eerste, enigszins premature druk van Blaeus stedenboek in het Latijn werd hij dan ook van een eigen beschrijvende tekst, in het Latijn of Nederlands, voorzien. Voor de Latijnse tekst boden de recto- en versozijden van deze grote kaart voldoende ruimte. De Nederlandse tekst viel echter veel langer uit en vergde een extra folioblad met ruim drie pagina’s gedrukte tekst. Intussen kon het folioblad met de drie andere steden uit Noord-Holland niet zomaar vervallen. Maar toch moest de ‘kleine Medemblik’ op een of andere manier verdwijnen, nu er zo’n prestigieuze grote kaart voor in de plaats gekomen was. Een nieuwe stad kon er niet voor in de plaats gezet worden; alle steden hadden inmiddels een plek in de atlas toebedeeld gekregen. Blaeu zag geen andere mogelijkheid dan er iets geheel nieuws en tegelijkertijd enigszins toepasselijks voor in de plaats te zetten: het kasteel van Medemblik. Het zetsel op de achterzijde kon vrij eenvoudig aangepast worden. Recto stonden de Latijnse teksten van ‘Edamum’, ‘Monachodamum’ en ‘Purmerenda’, terwijl ‘Medenblicum’ toch al apart op de versozijde was afgedrukt. Die tekst verviel en de achterpagina bleef voortaan blank. Omdat de eerste druk van het stedenboek zo weinig voorkomt, én omdat de veranderingen zo snel in de volgende druk doorgevoerd werden, is dit de configuratie die het meest bekend is: drie kleine plattegronden van de Waterlandse steden Edam, Monnickendam en Purmerend, aangevuld met een prentje van het kasteel van Medemblik, gevolgd door de afzonderlijke grote plattegrond van Medemblik (*14) [afb. 7]. In de Nederlandstalige edities behoefde nooit iets aangepast te worden, want de eerste editie daarvan verscheen meteen al met de herziene configuratie, met de teksten over Edam en Monnickendam op recto en die van Purmerend op verso. Purmerend Maar hoe zat het nu verder met de status van die andere, Waterlandse steden, die qua (bescheiden) belang toch niet onderdeden voor Medemblik? Merkwaardigerwijs blijkt voor Purmerend het omgekeerde beeld te gelden ten opzichte van dat van Medemblik. Medemblik zal bij velen vertrouwd zijn in de vorm van een grote kaart; wanneer het daarentegen gaat over een kaart van Purmerend in het stedenboek van Blaeu wordt altijd gedoeld op ‘dat kleintje uit Boxhorn’. Ook in de toe49

7 Het kasteel van Medemblik verving het kleine plattegrondje van de stad in latere drukken van het stedenboek

8 De Waterlandse steden in gezelschap van een kaartje van Beverwijk in het stedenboek van Janssonius

50

joan blaeus worsteling met de waterlandse steden

lichting bij de facsimile-editie, wordt dít kaartje belicht (*15) en Koeman laat een grote kaart van Purmerend, die deel zou uitmaken van een stedenboek van Blaeu, helemaal onvermeld in zijn atlasbibliografie Atlantes Neerlandici. Maar waar komt dan die royale plattegrond – geheel in Blaeustijl – vandaan die Frederick de Wit – in zijn stedenboek opnam (*16). De Wit gebruikte zijn eerder verworven koperplaten van Janssonius of Blaeu, hier en daar aangevuld met ander materiaal. De plattegrond van Janssonius gebruikte hij in ieder geval niet, want dat was een iets vergrote kopie van het reguliere kleine Purmerendkaartje uit de Blaeu-atlassen. Dat was in één gravure gevat, tezamen met Beverwijk, Edam en Monnickendam (*17) [afb. 8]. Maar wat betekenden dan die soms vage verwijzingen naar een grote Blaeukaart van Purmerend? Bestond die wel? Of werd er iets verward met de grote kaart van Frederick de Wit in zijn stedenboek, zoals Van ’t Hoff doet (*18)? Indertijd is die grote Blaeukaart niet gevonden tijdens het werk voor de cartobibliografie van ondergetekende over de steden van Hollands Noorderkwartier, die opgenomen werd in de publicatie van Jan Beenakker. Geen enkele van de voor de hand liggende Nederlandse collecties kon een grote Blaeukaart van Purmerend tonen en er was ook geen enkele verwijzing naar een concreet exemplaar te vinden. Tot Vincent Nijenhuis uit Purmerend me enige jaren later meldde dat hij er een gevonden had, voorheen aan de muur hangend bij de spreekwoordelijke oude dame. De toegestuurde fotokopie ervan toonde onmiskenbaar een praktisch gelijk kaartbeeld aan dat van De Wit. Maar het was even onmiskenbaar een andere gravure, en bovendien voorzien van een door Joan Blaeu gesigneerde opdracht. Hij bestond dus toch! Een tekst op de achterzijde zou meer kunnen blootleggen over een mogelijke relatie met een stedenboek, maar die ontbrak. Een kleine enquête op de internationale internetdiscussielijst Maphist, met de vraag of zich ergens een Blaeu-atlas bevindt waarin een grote foliokaart van Purmerend voorkomt, leverde weinig op, in ieder geval geen bevestigend antwoord. Hiermee was dus nog steeds niet helemaal duidelijk welke cartobibliografische status aan deze kaart toegekend moest worden. Sinds de vondst van de kaart van Purmerend is zich bij mij – in het verlengde van het voorgaande – het volgende denkbeeld gaan ontwikkelen. Blaeu heeft voor alle steden zijn best gedaan tijdig een (voorbeeld voor een) grote foliokaart te verkrijgen, ter opname in zijn stedenboek. In de haast om het stedenboek tijdig rond te krijgen is het hem in het onderhavige geval niet gelukt het viertal Medemblik en de drie Waterlandse steden op die manier een waardige plaats te geven. De tweede keuze viel dus op de vier ‘reservekaartjes’ van Van Berckenrode / Boxhorn. Tijdens het productieproces van de eerste oplage, medio 1649, kreeg hij alsnog beschikking over de kaart van Medemblik door Johannes Schagen. Daarmee was hij zo ingenomen dat hij die op het nippertje – bijna voltooid en zonder achterop afgedrukte tekst – liet tussenvoegen. Vervolgens moet hij zijn zinnen nog steeds 51

hebben gezet op de verwerving van de grote plattegronden van Purmerend, Edam en Monnickendam. Het voorkomen van de kaart van Purmerend zou daar immers op kunnen duiden? Het zou echter uitermate onhandig zijn geworden om die plattegronden bij het successievelijk beschikbaarkomen op te nemen, zoals gebeurde met de kaart van Medemblik. Die liet immers al zien wat een onvermijdelijke verschuivingen er nodig waren in de tekst en de layout van de overblijvende, nog niet vervangbare stadsplattegronden. Bovendien had Blaeu in de jaren na 1649 zijn handen vol aan het opbouwen van zijn Atlas Maior en het vervolg van zijn stedenboekenproject, het meerdelige stedenboek van Italië. Had hij op die manier misschien ook in de loop der tijd beschikking gekregen over Edam en Monnickendam, zonder de gelegenheid te hebben gehad om ze structureel – met alle aanpassingen die nodig waren om een evenwichtig geheel te krijgen – op te nemen in zijn stedenboek? Daarvoor zouden we weer in het stedenboek van Frederick de Wit aanwijzingen hopen te vinden. Edam en Monnickendam In De Wits stedenboek van de Nederlanden, Theatrum ichnographicum omnium urbium et praecipuorum oppidorum Belgicarum VXII Provinciarum peraccurate delineatarum, is voor Edam de hint snel te vinden. De grote tweeledige kaart met plattegrond en de haventoegang van dit Zuiderzeestadje draagt namelijk tegen de verwachting in een opdracht door Joan Blaeu (*19). Echter, Koeman durft het in zijn gedeeltelijk geleende overzicht van De Wits koperplaten en hun herkomst – in 1936 opgesteld door W. Nijhoff – niet aan om de kaart of liever: de gebruikte koperplaat van Edam daadwerkelijk aan Blaeu toe te schrijven (*20). Hij kende immers ook van Edam met zekerheid slechts een klein kaartje uit Blaeus stedenboeken? Er dringt zich nu echter een analogie op met de eerder besproken kaart van Purmerend. Zou ook deze koperplaat misschien hebben klaargelegen om nog eens door Blaeu gebruikt te worden voor een herzien, uitgebreider stedenboek? De aanwijzingen hiervoor werden steeds sterker. Monnickendam is lastiger. Zelfs de prachtige foliokaart in het stedenboek van De Wit biedt geen uitkomst (*21). Er staat duidelijk op ‘F. de Wit exudit’ [sic!]. Nijhoff rekent hem dan ook tot de niet van Blaeu of Janssonius afkomstige plattegronden (*22).. Maar op de kaart van Monnickendam uit de eerste druk van De Wits stedenboek staat nog geen naam, waardoor de koperplaat zoals De Wit hem voor het eerst gebruikte in feite anoniem was. De kaart kan niet van Janssonius zijn, want die had een ‘eigen’ navolging van de kaartjes in Blaeu. Daar kwam Monnickendam voor op één grote koperplaat, samen met kaartjes van Beverwijk, Edam en Purmerend, zie afbeelding 8 (*23). Janssonius had door zijn nieuwe opzet de leemte die het kaartje van Medemblik bij Blaeu veroorzaakt had kunnen opvul52

joan blaeus worsteling met de waterlandse steden

len met een plattegrond van Beverwijk, in plaats van het ietwat wezensvreemde prentje van het kasteel van Medemblik bij Blaeu. Zou er dan toch ook voor de grote De Witkaart van Monnickendam een soortgelijke Blaeu-relatie bestaan als voor die van Purmerend en Edam? Maar welke? Een merkwaardig ‘incident’ deed zich in 2003 voor, toen stadsgenoot Rinus Ostermann mij wees op een De Witkaart in zijn bezit. Die miste de naam van De Wit (niet bijzonder want dat is bij eerste De Wit-drukken ook het geval), maar hij verschilde ook in een ‘onbenullig’ detail dat niet bij de eerste De Wit-druk voorkomt: rechts onder loopt een paard over het jaagpad langs het water, dat met een touw verbonden is aan de mast van een daar liggende trekschuit. De De Wit drukken laten daarvan op zijn best nog een vaag spoor zien, het is om wat voor reden dan ook verwijderd. Dit is een direct zichtbaar verschil. Verdere inspectie leerde dat in die gehele rechter onderhoek minder opvallende gravureverschillen voorkomen. Kortom, dit was een staat van de koperplaat die aan de bekende De Witstaten voorafgaat, want – zoals de eerste staat van De Wit – zonder impressum of naam. Een laat stedenboek duikt op Aangezien de grote Blaeukaart van Purmerend niet meer in het stedenboek van De Wit voorkomt moet hij vrij zeldzaam zijn. Vanwege de grote collectie stedenboeken in de UB Amsterdam (Blaeu, Janssonius, De Wit) hebben we steeds naar een exemplaar van de grote Blaeukaart van Purmerend uitgekeken ter mogelijke verrijking van de UBA collectie, en daarmee voor verder vergelijkend onderzoek, onder meer om de cartobibliografische status van deze kaart te kunnen duiden. In 2004 kwam de doorbraak, die heel wat van de voorgaande vraagtekens zou elimineren. Het desideratum van de kaart van Purmerend was namelijk aan diverse antiquaren kenbaar gemaakt. Antiquariaat Asher & Co. te IJmuiden vroeg me daarom eens te komen kijken naar een merkwaardig Nederlands stedenboek van Blaeu dat op de markt gekomen was [afb. 9]. Het was een exemplaar van de Nederlandse editie, maar sterk uitgebreid ten opzichte van de reguliere exemplaren. De stadsplattegronden werden steeds per regio voorafgegaan door een provinciekaart of een 9 Het late stedenboek, samengesteld in ca. 1675, twee equivalent daarvan [afb. 10]. Dit delen gebonden in perkament 53

10 Kaart van Vlaanderen door Nicolaas Visscher

11a De niet-gebouwde toren van de Nieuwe Kerk te Amsterdam, een uitgave van Clement de Jonghe

54

gold voor zowel het Noord- als het Zuid-Nederlandse deel. Opmerkelijk genoeg waren deze regionale kaarten niet van Joan Blaeu afkomstig maar van Nicolaas Visscher. Er zat nog meer (vroeg) Visscher-materiaal in zoals prenten van gebouwen in sommige grotere steden. Ook waren ongebruikelijke topografische prentenreeksen opgenomen van Vlaanderen en Zeeland, voor zover bekend in vroege staten. Verder vulden prenten van Wencelaus Hollar, Jan Cornelisz. Woudanus, Pieter Schut, Balthasar Florisz. van Berckenrode, Clement de Jonghe enz. de stadsplattegronden aan [afb. 11a, 11b]. Maar de grootste verrassing waren drie ongebruikelijke extra

joan blaeus worsteling met de waterlandse steden

11b Straatdetail uit de afbeelding van de toren van de Onze Lieve Vrouwe Kerk te Antwerpen, vervaardigd door Wenceslaus Hollar

stadsplattegronden: Purmerend, Edam en Monnickendam, de drie plattegronden waarmee Blaeu het Boxhorn viertal Medemblik, Purmerend, Edam en Monnickendam had willen vervangen. Of niet? Waren deze kaarten niet gewoon uit later materiaal tussengevoegd om de atlas wat mooier, wat meer up-to-date te brengen? Het papier was immers niet van precies dezelfde kwaliteit. Een vergelijking was nodig met al het andere plattegrondenmateriaal dat beschikbaar was. Over de kaart van Purmerend met de naam van Blaeu viel niet te twisten [afb. 12]. De Wit beschikte er zelfs niet over, dus hij moet wel min of meer contemporain zijn tussengevoegd, in de late jaren van Blaeu of misschien zelfs vlak na zijn dood in 1673. Er stond geen tekst op de achterzijde, dat was ook al het geval met het eerder los opgedoken exemplaar. We zouden kunnen concluderen dat deze kaart van Purmerend in dit stadium precies dezelfde positie innam als ooit, in 1649, de grote kaart van Medemblik: haastig toegevoegd, want recentelijk voltooid (maar wel voltooid) en zonder tekst, want die had nog helemaal vervaardigd of inhoudelijk aangepast en gezet moeten worden. Daarvoor was kennelijk geen tijd. Die tekst stond daarom gewoon op de achterzijde van het nog steeds aanwezige folioblad met het oude drietal plus kasteel van Medemblik. Edam kon wel mogelijk nog ingevoegd zijn met behulp van materiaal dat De Wit met Blaeus platen had afgedrukt. Maar dit was niet zo. De kaart van Edam vertoonde zich in deze atlas in een mij onbekende staat, in ieder geval pre-De Wit [afb. 13]. In de rechter onderhoek was een veel mooier, evenwichtiger graveerwerk te zien dan op de beide staten van De Wits eerste en tweede drukken [afb. 14a, 14b, 55

12 Blaeus grote plattegrond van Purmerend

13 Blaeus grote plattegrond van Edam

56

joan blaeus worsteling met de waterlandse steden

14a Edam, detail Blaeu

14b Edam, detail De Wit, eer-

14c Edam, detail De Wit,

ste druk (in de enigszins gere-

tweede druk

toucheerde facsimile-uitgave)

14c]. In de eerste staat van De Wit ziet alles er in die hoek zeer gebrekkig, gemutileerd uit. Het woord ‘ZUY: DER ZEE’ is bovendien grotendeels weggevallen. In de tweede editie van zijn stedenatlas heeft De Wit kennelijk ingegrepen en is de gravure over een oppervlak van ca. 100 cm2 hier zo goed mogelijk hersteld, hoewel de merkwaardige inktvlekjes (ronde putjes in of corrosieplekjes op de koperplaat, goed zichtbaar in het wapen links boven (*24)) van en met De Wits eerste druk storend in het kaartbeeld aanwezig blijven. De kaart in het stedenboek van Blaeu was nog geheel ‘schoon’. Er is dus een ‘echte’ Blaeuversie van de kaart van Edam, in ieder geval een staat die anterieur is aan De Wit! Ook hier ontbrak een eventuele tekst op de achterzijde. En tot slot Monnickendam [afb. 15]. Op deze gravure was al niet de naam Blaeu aan te treffen. Maar ook deze plattegrond straalde vóór deze ontdekking in mijn ogen de stijl en sfeer van Blaeu uit. Of was misschien dan deze slechts retrospectief tussengevoegd uit door De Wit afgedrukt materiaal? Nee, het bleek exact dezelfde pre- De Wit staat te zijn als de eerder beschrevene ‘met trekpaard’. Nadere vergelijking met de De Wit versie bracht eveneens aan het licht dat de versie ‘met trekpaard’ vrij is van die ontsierende kleine ronde vlekjes. Analoog aan de andere wél met de naam Blaeu gesierde kaarten mogen we toch wel veronderstellen dat ook deze kaart dus afkomstig is uit het atelier van Joan Blaeu. Deze conclusie dat de kaart van Monnickendam met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aan Blaeu toegeschreven kan worden, is wel de grootste verrassing omdat deze kaart helemaal ingeburgerd is als de ‘De Witkaart van Monnickendam’. 57

15 Blaeus grote plattegrond van Monnickendam

Een eenvoudige inhoudelijke datering met behulp van de trekvaarten, die op deze drie Blaeu-plattegronden van Purmerend, Edam en Monnickendam voorkomen, levert op dat de kaarten niet voor 1660 vervaardigd kunnen zijn. UB Amsterdam koopt het stedenboek aan, slotopmerkingen Al deze merkwaardigheden en verrassingen waren voor de UBA reden een poging te doen dit uitgebreide Nederlandse stedenboek van Joan Blaeu te verwerven. Toen de Stichting Th.J. Steenbergenfonds bereid bleek de UB daarin met een zeer groot bedrag financieel te steunen was de transactie onverwacht snel rond. Voor zover na een eerste oppervlakkig onderzoek bekend is, is de basis van dit recent door de UBA verworven stedenboek qua zetsel en kaarten gelijk aan de bekende, gangbare Nederlandse exemplaren van het stedenboek van Blaeu. Het rijkelijk toegevoegde materiaal is zonder uitzondering op een iets ander papier afgedrukt, dat evenwel volledig fysiek ge誰ntegreerd is met het andere. De toegevoegde prenten en kaarten in het stedenboek dateren uit de periode circa 1660-1675, zodat dit exemplaar omstreeks 1675 zijn definitieve vorm gekregen heeft. Op dat moment waren de koperplaten al verkocht, namelijk in 1674. 1672 was niet alleen voor de Republiek maar ook voor Joan Blaeu een rampjaar; zijn in 1667 geopende 58

joan blaeus worsteling met de waterlandse steden

drukkerij aan de Gravenstraat en de aanwezige voorraad liep enorme schade op door een rampzalige brand op 22 februari van dat jaar. Het zal altijd een raadsel blijven en speculaties opleveren over wat wel en wat niet verloren ging (Blaeu had sinds 1637 ook een grote drukkerij aan de Amsterdamse Bloemgracht). Koeman vermeldt een verslag van de brand, waaruit blijkt dat de opgeslagen koperplaten als lood in de vlammen smolten. Maar de getuigenissen spreken elkaar tegen in de omvang van de schade aan de bedrijfsinventaris en -voorraad (*25). Het licht brakke bluswater zal het koper in ieder geval geen goed hebben gedaan. Wat dit betekend kan hebben voor de koperplaten van Purmerend, Monnickendam en Edam laat zich slechts gissen. Opmerkelijk is wel dat De Wit de grote kaart van Purmerend (die Janssonius niet had nagemaakt, hij was immers na 1657, zelfs na 1660 voltooid) kopieerde naar de kaart van Blaeu. Er was blijkbaar geen of geen bruikbare koperplaat meer beschikbaar, maar wel een afgedrukt voorbeeld voor een nieuwe gravure, waarvan De Wit de opdracht met zijn eigen naam signeerde. De Wit wilde per se Blaeus koperplaat van Edam

16a Monnickendam, detail Blaeu

16b Monnickendam, detail De Wit, tweede druk

59

gebruiken, want ook die laat-voltooide grote kaart had Janssonius niet kunnen laten nagraveren voor zijn stedenboek. Blijkbaar kon De Wit daarom niet anders dan genoegen nemen met de merkwaardig aangetaste kaart van Edam, met zijn vele vlekken en de flink beschadigde hoek rechtsonder. Tenslotte was Monnickendam nog niet zo slecht tevoorschijn gekomen. Nauwkeurige inspectie leert dat ook deze kaart hier en daar verspreid de wormsteekachtige zwarte rondjes vertoont, maar die zijn niet storender dan welke andere tekortkomingen aan een koperplaat dan ook. Alleen de rechter onderhoek beviel De Wit kennelijk niet, reden waarom hij zijn graveur de opdracht gaf het water in het uiterste puntje rechtsonder wat meer schaduw te geven, het gras erboven iets hoger te laten groeien en het paard voor de trekschuit op te offeren [afb. 16a, 16b]. Voor Medemblik, tenslotte, gebruikte De Wit de nog nette koperplaat van Janssonius, want die had in 1657 het toen al bestaande Blaeu-exemplaar nog net voor zijn stedenboek kunnen nagraveren. Kijken we naar het voorkomen in het stedenboek van Blaeu – Edam, Monnickendam, Purmerend, Medemblik – dan zouden we kunnen veronderstellen dat de koperplaten in diezelfde volgorde opgeslagen waren. Misschien dat zij ook in diezelfde volgorde letterlijk meer of minder dicht bij het vuur hebben gestaan: Edam en Monnickendam lichte tot matige schade (beide het meest aan dezelfde hoek van de plaat), Purmerend en Medemblik waarschijnlijk zwaar aangetast en als ‘total loss’ beschouwd. Het heeft Blaeu in die laatste jaren niet meegezeten, ook niet met de introductie van zijn fraaie plattegronden van de Waterlandse steden. We kunnen nu, na het duidelijker worden van deze publicatiegeschiedenis, met een gerust hart aannemen dat het niet Frederick de Wit was die het kleine Monnickendam met zo’n smaakvolle, gedetailleerde stadsplattegrond vereerde, maar, op zijn minst een kwart eeuw eerder, Joan Blaeu.

60

joan blaeus worsteling met de waterlandse steden

Appendix Bijgestelde cartobibliografische gegevens van de grote Blaeukaarten van Purmerend, Edam en Monnickendam (vgl. cartobibliografie door Jan Werner in Beenakker, De steden van Hollands Noorderkwartier):

Purmerend Blaeu na 1660

Purmerenda vulgo Purmereynd / [opdracht:] Ampliss. Dominis D. Praetori Consulibus Scabinis et Senatui urbis Purmerendae tabulam hanc D.D.D. J. Blaeu. Schaal [ca. 1:2.000]. [Amsterdam]: J. Blaeu, [na 1660]. 1 kaart: kopergravure; 39 x 50 cm.

NO boven, linksboven wapen van Holland, middenboven titel en opdracht, rechtsboven stadswapen, waarboven wapen met roeiboot, geflankeerd door twee leeuwen, linksonder legenda 1-27, waaronder schaalstok in cartouche, verso blank.

N.B.: In de toelichting bij de facsimile-uitgave van het stedenboek van Blaeu wordt aangegeven dat deze ‘grote’ kaart van Purmerend in latere edities van het stedenboek voorkomt. Onduidelijk is in hoeverre ervan uitgegaan wordt dat deze kaart ‘dezelfde [is] die is opgenomen in de Grote Atlas van Fr. De Wit’. Er is namelijk sprake van een koperplaat van Blaeu (deze) en een van Frederick de Wit. Het kaartbeeld is inderdaad door De Wit nauwkeurig gekopieerd, maar er zijn gravureverschillen. Afdrukken van deze foliokaart van Blaeu komen erg weinig voor omdat de koperplaat niet opnieuw gebruikt werd door latere uitgevers zoals De Wit, Van der Aa en Covens & Mortier. Hij is waarschijnlijk vroegtijdig verloren gegaan of anderszins onbruikbaar geworden.

In: Stedenboek Blaeu, late dr., na 1660.

Edam Blaeu na 1660

Edamum vulgo Edam / [opdracht:] Ampliss. Prudentiss. D.D. Praetori, Consulibus, Scabinis et Senatui urbis Edamensis tabulam hanc D.D.D. J. Blaeu. Schaal [ca. 1:2.700]. [Amsterdam: Joan Blaeu, na 1660]. 1 kaart in twee secties: kopergravure; 44,5 x 53,5 cm (incl. inzet).

NNW boven, boven v.l.n.r. wapen van Holland, legenda 1-26, 27-35, titel en opdracht, stadswapen, linksonder legenda 36-59, geheel onder inzet Portus maritimus vulgo Oorgat sijnde de haven nae zee

61

(16,5 x 53,5 cm, voortzetting hoofdkaart), waarin tweede titel en schaalstok, in het water rechtsonder, in lettergrepen onder elkaar: ‘ZUY:’ ‘DER’ ‘ZEE.’ verso blank.

N.B.: Hoewel in de toelichting bij de facsimile-uitgave van het stedenboek van Blaeu wordt aangegeven dat deze ‘grote’ kaart van Edam in latere edities van het stedenboek verschijnt, wordt dit niet bevestigd door W. Nijhoff en C. Koeman.

I Zoals beschreven.

In: Stedenboek Blaeu late dr., na 1660.

N.B.: Deze eerste staat komt heel weinig voor; tot op heden zijn twee van dergelijke late stedenboeken met deze kaart aangetroffen, vooralsnog alleen in het Nederlands.

II De gravure in de hoek rechtsonder (diagonaal ca. 12,5 x 12,5 cm) is gedeeltelijk vernieuwd, het best zichtbaar aan de nieuwe botter aldaar (en bij nauwkeurige inspectie aan de veranderde golfjes en grassprietjes). De Y van ‘ZUY:’ is vrijwel onzichtbaar geworden, daaronder is ‘DER’ onzichtbaar geworden, daaronder is ZE van ‘ZEE.’ weggevallen. Over de gehele kaart verspreid zijn kleine min of meer ronde, diepzwarte vlekjes (max. 1 mm doorsnede) waar te nemen.

In: Stedenboek De Wit, eerste dr., ca. 1698.

III Kompas toegevoegd tussen wapen van Holland en legenda, rechtsonder is toegevoegd impressum: ‘F. de Wit excudit Amstelodami’, de naam van de Zuiderzee is hersteld met dien verstande dat de oorspronkelijke ‘:’ van ZUY: niet teruggekeerd is en de lettergrepen veel ruimer gespatieerd zijn, bijv. ‘DER’ was in I ca. 3 cm, is nu ca. 5 cm breed.

In: Stedenboek De Wit, tweede dr., na 1698.

In: La galerie agréable du monde, Leiden, Van der Aa, 1729.

IV Impressum De Wit verwijderd, aldaar toegevoegd impressum ‘J. Cóvens & C. Mortier’, onder schaalstok in inzet toegevoegd: ‘a Amsterdam chez Jean Cóvens et Corneille Mortier’.

N.B.: meestal los uitgegeven door Covens & Mortier, na ca. 1735.

62

joan blaeus worsteling met de waterlandse steden

Monnickendam Blaeu na 1660

Monachodamum, vulgo Monnickedam. Schaal [ca. 1:2.100]. [Amsterdam: Joan Blaeu, na 1660]. 1 kaart: kopergravure; 42 x 52,5 cm.

WZW boven, linksboven wapen van Holland, waaronder wapen van West-Friesland, waaronder legenda 1-34, rechtsboven stadswapen, waaronder schaalstokken, waaronder legenda 35-63, a-c, rechtsonder kompasroos, trekpaard aanwezig (zie N.B. hieronder), verso blank.

I Zoals beschreven.

In: Stedenboek Blaeu, late dr., na 1660.

N.B.: Deze eerste staat komt heel weinig voor; tot op heden zijn twee van dergelijke late stedenboeken met deze kaart aangetroffen, vooralsnog alleen in het Nederlands. Een eenvoudig herkenningspunt op deze staat is de aanwezigheid van een trekpaard op de Katwouder dyck (op de lijn boven het woordje ‘dyck’) dat met een lijn verbonden is aan de mast van de voorste van de twee aan de pier klaarliggende trekschuiten.

II In een staande strook van ca. 15 x 3 cm in de hoek rechtsonder is de gravure bijgewerkt: de waterfilering in de ‘Treckvaert naer Edam en Hoorn’ is deels gewijzigd, trekpaard en verbindingslijn (laatste nog vaag zichtbaar) zijn verwijderd, gravure op Katwouder dyck aangepast, evenals die van het rietland, en in de uiterste hoek, dit ter camouflage van groepjes min of meer ronde diepzwarte vlekjes (max. 1 mm doorsnede), die ook elders in het kaartbeeld hier en daar opduiken.

In: Stedenboek De Wit, eerste dr. ca. 1698.

III Toegevoegd impressum: ‘F. de Wit exudit [sic!] Amstelodami’.

In: Stedenboek De Wit, tweede dr., na 1698.

In: La galerie agréable du monde, Leiden, Van der Aa, 1729.

63

IV Impressum De Wit verwijderd, hoewel nog vaag zichtbaar.

N.B.: waarschijnlijk meestal los uitgegeven door Covens & Mortier, na ca. 1735.

Noten 1. Deys, Guicciardini illustratus, p. 88-90, no. 23. 2. Koeman, Atlantes Neerlandici, Vol. I, p. 69; Koeman , Joan Blaeu and his Grand Atlas, pp. 97-106. 3. Nijhoff, Het stedeboek van F. de Wit, pp. 355-366. 4. Koeman, Atlantes Neerlandici, Vol. I, p. 15-29, Aa 9. 5. Koeman, Atlantes Neerlandici, Vol. I, p. 2, Topographici XI. 6. Egmond, van, Covens & Mortier, pp. 160-161. 7. Krogt, van der, Stock catalogues of maps and atlases by Covens & Mortier, pp. 108-114. 8. Egmond, van, Covens & Mortier, p. 162. 9. Koeman, Atlantes Neerlandici, Vol. I, p. 298-309, Bl 62-63. 10. Koeman, Atlantes Neerlandici, Vol. I, p. 300, (41) a-d, [670 a-d]; Beenakker, De steden van Hollands Noorderkwartier, EDA 001, PUR 001, MED 002, MON 001. 11. Koeman, Atlantes Neerlandici, Vol. I, p. 300, (42), Beenakker, De steden van Hollands Noorderkwartier, MED 003 I. 12. Beenakker, De steden van Hollands Noorderkwartier, MED 003 II. 13. Idem, MED 003 III. 14. Koeman, Atlantes Neerlandici, Vol. I, p. 317, (33) [670 a,b,d,c*]. 15. Hoff, van’t, Toonneel der steden van de Vereenighde Nederlanden, pp. 74-75. 16. Koeman, Atlantes Neerlandici, Vol. III, p. 208, Wit 27 (33); Beenakker, De steden van Hollands Noorderkwartier, PUR 004. 17. Koeman, Atlantes Neerlandici, Vol. II, p. 191: Ja 12 (84), p. 201: Ja 18 (26), Beenakker, De steden van Hollands Noorderkwartier PUR 003. 18. Hoff, van’t, Toonneel der steden van de Vereenighde Nederlanden, p. 74: ‘Maar als bijvoegsel in latere exemplaren van Blaeus Atlas komt een grotere kaart van Purmerend op folioformaat voor, dezelfde die is opgenomen in de Grote Atlas van Fr. De Wit ’. 19. Koeman, Atlantes Neerlandici, Vol. III, p. 208: Wit 27 (32); Beenakker, De steden van Hollands Noorderkwartier, EDA 004 I-II. 20. Koeman, Atlantes Neerlandici, Vol. III, p. 208, Nijhoff, Het stedeboek van F. de Wit, p. 358. 21. Koeman, Atlantes Neerlandici, Vol. III, p. 208: Wit 27 (34); Beenakker, De steden van Hollands Noorderkwartier, MON 004 I-II. 22. Nijhoff, Het stedeboek van F. de Wit, p. 358. 23. Koeman, Atlantes Neerlandici, Vol. II, p. 191: Ja 12 (84), p. 201: Ja 18 (26), Beenakker, De steden van Hollands Noorderkwartier, MON 003. 24. Wit, de, Theatrum ichnographicum omnium urbium et praecipuorum oppidorum Belgicarum XVII provinciarum peraccurate delineatarum. In deze facsimile-uitgave van de eerste druk is

64

joan blaeus worsteling met de waterlandse steden

in de kaart van Edam de omgeving van het wapen links boven geheel ‘schoon’. De aanwezigheid van de meeste verontreinigingen elders in het kaartbeeld wijst erop dat de ronde zwarte vlekjes bij het wapen om esthetische redenen weggeretoucheerd moeten zijn. 25. Koeman, Joan Blaeu and his Grand Atlas, pp. 93-96.

Literatuur BEENAKKER, J.J.J.M., De steden van Hollands Noorderkwartier: Alkmaar, Beverwijk, Edam, Enkhuizen, Grootebroek, Hoorn, Medemblik, Monnickendam, Purmerend / samengesteld en beschreven door Jan Beenakker. Lisse: Stichting Historische Stadsplattegronden; Alphen aan den Rijn: Canaletto, 1991. (Historische plattegronden van Nederlandse steden; 5). DEYS, H.P., Guicciardini illustratus: de kaarten en prenten in Lodovico Guicciardini’s Beschrijving van de Nederlanden / Henk Deys [et al.]. ’t Goy-Houten: Hes & De Graaff, 2001. (Utrechtse historisch-kartografische studies; 2). EGMOND, Marco van, Covens & Mortier: productie, organisatie en ontwikkeling van een commercieel-kartografisch uitgevershuis in Amsterdam (1685-1866) = Covens & Mortier: production, organization, and development of a commercial-cartographic enterprise in Amsterdam (16851866): Proefschrift / door Marco van Egmond. ’t Goy-Houten: HES & De Graaf, 2005. HOFF, Van’t, Joan Blaeu, Toonneel der steden van de Vereenighde Nederlanden met hare beschrijvingen (Holland en West-Friesland / Utrecht): historisch-vergelijkende beschouwingen / ingeleid door B. van ’t Hoff. Amsterdam; Brussel: Elsevier, 1966. KOEMAN, C., Atlantes Neerlandici, Bibliography of terrestrial, maritime and celestial atlases and pilot books, published in the Netherlands up to 1880 / Compiled and edited by C. Koeman. Amsterdam: Theatrum Orbis Terrarum, 1967-1971. KOEMAN, C., Joan Blaeu and his Grand Atlas / by C. Koeman. Amsterdam: Theatrum Orbis Terrarum, 1970. KROGT, P.C.J. van der, Stock catalogues of maps and atlases by Covens & Mortier: the ‘Catalogus van verscheyde koopere plaaten’ of the heirs of Pieter Mortier’s widow (1721) and the ‘Catalogue nouveau des cartes géographiques’ of Covens & Mortier (1763) / a facsimile edition with an introduction by Peter van der Krogt. Utrecht: Hes, 1992. (Catalogi redivivi; 8). NIJHOFF, W., Het stedeboek van F. de Wit / W.N. In: Het Boek XXIII (1935/36) pp. 353-366. WIT, F. de, Theatrum ichnographicum omnium urbium et praecipuorum oppidorum belgicarum XVII provinciarum peraccurate delineatarum = Perfecte aftekeningen der steden van de XVII Nederlandse provinciën = Le theatre des plans de toutes les villes qui sont situéez dans les XVII provinces du Pays Bas parfaictement deseignez / [Frederick de Wit]. Amsterdam: Van Hoeve, 1980.

65

1

2

66

Monnickendam in de Stedenatlas, gerijmd en ongerijmd Gedichten van Huygens over Monnickendam, Edam en Purmerend en een 17e eeuwse stadswandeling door de kaart van Blaeu Addy van Overbeeke Het jaar 2005 was voor Monnickendam (afb. 1) niet alleen het jaar van de stadsrechtfeesten, de stad stond ook nog even in het teken van de poezie. Een aantal flatgebouwen kreeg gedichten op de zijmuur geschilderd. Al die gedichten gaan over dieren, dieren die vanouds in Waterland geleefd hebben. Heel passend, maar je kunt je afvragen: hoe zit het eigenlijk met de stad zelf? Heeft die ooit inspiratie geleverd voor de poëzie? We kennen een mooi gedichtje van Ivo de Wijs, er staat wel eens wat leuks op een website maar daarmee houdt het toch op, zou je denken. Wat maar weinig mensen weten is dat uitgerekend een van de beroemdste Nederlanders van de 17e eeuw, de grote Constantijn Huygens (afb. 2) een gedicht over Monnickendam gemaakt heeft. In het Stedenboek dat vandaag wordt aangeboden is het opgenomen. Huygens maakte het in 1624. Hij is dan achtentwintig en al jaren behoort hij bij de meest veelbelovende jonge mannen in de vaderlandse elite. Toch is hij net een benoeming misgelopen als ambassadeur aan het Engelse hof, een pijnlijke geschiedenis. De begaafde Huygens laat zich echter niet uit het veld slaan en besluit zijn carrièreplanning verder te richten op het binnenlands bestuur. En omdat hij zich vóór alles kunstenaar voelt, literator vooral, doet hij dat via een serie gedichten over de machtige stemhebbende steden van de Republiek. Dat zijn er achttien. Bij de laatst bijgekomenen zitten Medemblik, Edam, Purmerend èn Monnickendam. Het is poëzie zoals wij die amper meer kennen en dat zit hem niet alleen in het zeventiende eeuwse Nederlands. De gedichten zitten ook helemaal vol met beeldspraak. Raadselachtig en vernuftig is die, soms lijken het wel cryptogrammen. Bloemrijke taal is het ook: ‘Swijmt, Vreemdeling’, staat er bijvoorbeeld in het gedicht over Amsterdam en het betekent dat de bezoeker van die stad wel zo ongeveer moet flauwvallen vanwege al het moois dat hij er ziet. Of, wéér over Amsterdam: ‘Hoe komt ghy, gulde Veen, aen ’s Hemels overdaed?’ Hoe is het mogelijk, vraagt Huygens zich af, dat er daar op het veen zo’n overdaad aan schoonheid en welvaart heeft kunnen ontstaan? Huygens gedichten waren nieuw binnen de literaire cultuur van die tijd. Maar niet alleen daarom vielen ze op. Wat Huygens ook goed gezien had was dat er, 67

3

juist in die periode, een grote belangstelling was voor de voorgeschiedenis van het land. Én voor de belangrijke rol van de steden daarin. Er was al meer op dat gebied, boeken waren er en ook kaarten. Neem bijvoorbeeld de historisch-geografische kaart van Ortelius, ‘Belgii veteris’ (afb. 3). Hij gaat terug tot in de Romeinse tijd. De tijdgenoten moeten er hun ogen op uitgekeken hebben want waar is de Zuiderzee?? Nog nergens te bekennen. Een nog helemaal ‘heel’ gebied staat erop. Alleen een piepklein meertje met de naam ‘Flevo’ ligt daarin, via riviertjes verbonden met een paar ver weg gelegen, nóg kleinere meertjes. De middeleeuwse daling van het land, het opslokken ervan door het steeds groter wordende Almere en vervolgens het ontstaan van de Zuiderzee, wisten Huygens en zijn tijdgenoten daar eigenlijk wat van? Iets zeker, en wel dankzij overlevering. Uitgerekend in het Stedenboek schrijft Dirck Baens er over. Hij was jurist en uit de streek afkomstig. We komen het tegen in zijn stuk over Medemblik. Baens komt daarin met een voorbeeldig plaatsnaamkundig betoog en laat zo zien dat de naam Medemblik zéér oud moet zijn, zo van rond de tiende eeuw. En dan komt het: nog van vóór ‘de oprijsinge van de Zee’, zegt hij – en hier bedoelt hij de Zuiderzee. Ook uit juridische stukken blijkt dat men er wel wat van wist. Wanneer, bijvoorbeeld, in 1622 de Purmer wordt drooggemalen komt een deel van het gewonnen 68

monnickendam in de stedenatlas, gerijmd en ongerijmd

land ‘op grond van oude rechten’ onder de jurisdictie van Monnickendam. Er mag dan wel íets over bekend zijn geweest, de historische interpretatie die Ortelius op zijn kaart liet zien, een beeld van een droog, aaneengesloten binnenland, moet zéér tot de nationale verbeelding hebben gesproken. Zeker na al het landverlies door overstromingen in de eeuwen ervoor. En dan nu, juist in Huygens tijd, het opzienbarende fenomeen van de Noordhollandse droogmakerijen. De kaart moet de inwoners er van doordrongen hebben dat alle onder water gelegen grond, ook die onder de Zuiderzee, land was van de nieuwe republiek. Een soort Zuiderzee-ballade, maar dan omgekeerd. ‘Al die zee, opa, dat hele stuk van Kampen naar Amsterdam, waar we pas over gevaren hebben, was dat dan vroeger allemaal land?’ ‘Ja, jongen, allemaal land, ons land’. Ook de jonge Huygens, met zijn rijke en erudiete ouders, moet deze kaart gekend hebben. Laten we nu eens naar Huygens gedichten kijken zoals ze zo’n twintig jaar later terecht zijn gekomen in het Stedenboek. Wat opvalt is dat de grote steden van Huygens verreweg de meeste lof krijgen toegezwaaid. Voor de kleinere steden heeft hij bepaald minder aandacht en dat geldt al helemaal voor Purmerend, Edam en Monnickendam die als kleintjes pas op het nippertje, en na protest, waren toegelaten tot de eervolle vergadering van de stemhebbende steden. Maar het mag dan met minder lof zijn, Huygens slaat toch ook voor hen op ingenieuze wijze aan het dichten. We gaan er eens naar kijken en beginnen met de gedichten over de buursteden van Monnickendam: Purmerend en Edam. Purmerend Hoe oud moet ik wel niet zijn als ik het zelf niet meer weet? Met dit grapje over het onbekende moment van het ontstaan van Purmerend begint het gedicht (afb. 4). Dan volgt er een stukje over de adellijke en niet-adellijke besognes die hebben geleid tot het ontstaan van het Purmerender Slot. Volgens Huygens kon de stad sinds de omwalling ook echt stad genoemd worden en ze heeft dat meteen aangegrepen om plaats te kunnen nemen in het vaderlands bestuur. ‘Met werd ick Stad genoemt, met heb ick stad gegrepen in ’s vaderlands bewind’ Het gedicht is helemaal in de ik-vorm en dat heeft hier een grappig effect. ‘Ik zeg ja of nee, net zoals het mij uitkomt’, zegt de stad, ‘en dat terwijl ik toch zo klein ben!’ Ik trek me daar dan ook niets van aan. Zelfs de grootste steden kunnen immers toch ook maar één stem uitbrengen!’

69

Hoe oud en ben ick niet, die ’t selver niet en weet! Hoe weet ick ’t, die soo jongh soo menigh meester sleet? Sints Eggerts dicke Beurs den jongen Vorst verbonde, Die my ter danckbaerheit het hooge huys vergonde. Maer dubbel was de gonst, al was sy ’t by gevall Van die mijn’ wooningen besloten in een’ Wall Met werd ick Stad genoemt, met heb ick stad gegrepen In ’s Vaderlands bewind; daer segh ick onbegrepen Of, Ja, wanneer ’t my lust, of, als ick weiger, Neen: Wat schaedt mijn’ kleinigheit? de grootst’ en zijn maer een. Huygens voegt er zelf in de marge het volgende aan toe Willem Eggert hadde den jongen Hertogh Willem van Beyeren (in ongenade van sijn’ Vader Hertogh Albert zijnde) door bystand van gelde sulcks verplicht, dat hy hem onder andere belooningen vergunde het Slot te Purmerende te bouwen, daer van hy de eerste Heere werd. 1410. 4 Gedicht Purmerend met tekst in oude druk

Edam

5 Gedicht Edam met tekst in oude druk

70

Ook hier (afb. 5) laat Huygens de stad zelf spreken maar dit keer gaat het vooral over de naam. Eerst luidde die Ydam, zo legt Huygens de stad in de mond, vanwege een afgedamd binnenwatertje de Y. Dat duurde tot op het moment dat de vette kazen van de stad internationaal bekend werden en iedereen op dat lokaas afkwam (‘naer

monnickendam in de stedenatlas, gerijmd en ongerijmd

mijn aes doen raesen’). Sindsdien, noemen ze de stad Eet-dam, beweert Huygens, ‘daer soo veel etens groeyt’, een theorie die wij maar met een korreltje zout moeten nemen. Huygens lijkt dat ook te doen als hij vervolgens snel omschakelt naar wat hij ziet als de échte oorzaak van de roem van Edam over de hele wereld. Die roem, ‘de wielen van uw’ Victori-koets’ noemt Huygens haar, dat is de Edammer scheepsbouw. Het zijn de ‘bezeilde kielen’, de in Edam gebouwde schepen, die de roem doen voortsnellen. De maker dáárvan, de ‘Raden-maker’ komt de dank toe voor dat grote succes. Dat het juist de Edammer kaas is die de stad tot in onze tijd wereldberoemd zou maken, dat kon Huygens natuurlijk niet voorzien. De Dam die ’t Zuyderdiep het binnen Y onthiel Gaf my d’Ydammer naem; dien ick niet langer hiel Dan tot het vett gerucht van mijn’ gewilde Kaesen De wereld had gevult, en naer mijn aes doen raesen: Sints noemden sy ’t Eet-dam daer soo veel etens groeyt. Maer dat men mijner melt soo verr het ebt en vloeyt, Is elders op gevest: hoort, Hollander, de wielen Van uw’ Victori-koets zijn uw’ bezeilde kielen; Dat zijn de mijne meest: Behoort niet meest de danck Den Raden-maker toe van ’s wagens gladden ganck? En dan nu Monnickendam (afb. 6). Monnickendam ‘Zuyd-Ooste Purmer-end besett ick met den Dam Die van een Monick-Meer wel eer sijn Doopsel nam Meer eertijds, nu niet meer, hoe sien ick uwe baeren Van baeren ingeslockt? Als minder Visschen vaeren Van die haer meerder zijn. En, vraegh ik oock de faem. ‘k En leere geen bescheid van d’ouder’ baeren naam. Al vult ghy dan mijn’Schild, staet buyten halve-Paepen, Om blijven dat ick ben, behoev’ick meer als ’t gaepen: Mijn’ Borgers moeten bey Godsdienstigh zijn en koen; Hun wel-zijn hanght gelijck aen ’t Bidden en aen ’t doen.

71

6 Gedicht Monnickendam met tekst in oude druk

Het gedicht bestaat uit twee onderdelen. Laten we met beginnen met het laatste. En kijk nou, dat is helemaal niet zo aardig... Al vult ghy dan mijn’Schild, staet buyten halvePaepen:: hier spreekt de stad Monnickendam de Roomse geestelijken toe. Want laat nu in het wapen een afbeelding van een monnik achtergebleven zijn... Halve papen moeten maar buiten blijven, vindt kennelijk ook Huygens. Tja, in 1624 zaten we nog ruim voor de Vrede van Munster. Wat moest de protestantse hof-elite nou met monniken? Ze mogen dan van het wapenschild niet verwijderd kunnen worden... in de stad zelf willen we ze niet zien! Want om de stad te behouden zoals ze is, is er wel méér nodig dan een beetje in een klooster te zitten suffen: Om blijven dat ick ben, behoev’ick meer als ’t gaepen.Om hun stad te kunnen handhaven moeten de burgers zowel godsdienstig zijn als dapper: Mijn’ Borgers moeten bey Godsdienstigh zijn en koen: Hun wel-zijn hanght gelijck aen ’t Bidden en aen ’t doen. Hun welzijn hangt net zo veel af van hun bidden als van hun daden. Een beetje schokkend is het wel. In dit lofdicht wordt de stad dus eigenlijk helemaal niet geprezen! Ze moet vooral maar bidden en doen, krijgt ze voorgehouden. Huygens en zijn tijdgenoten vonden het kennelijk helemaal niets, dat 72

monnickendam in de stedenatlas, gerijmd en ongerijmd

woord ‘monniken’ in Monnickendam. Hebben we sinds de Reformatie zo mooi alle papen verdreven, zitten ze nog steeds in de naam van de stad. Stel je voor dat iemand zou denken dat die suffe monniken ooit belangrijk geweest zijn! Zo gek is het niet, dat er na een belangrijke wisseling van politiek regime een probleem ontstaat met een geografische naam. In de twintigste eeuw maakten wij het ook mee. Denk aan het wisselen van naam tussen St. Petersburg, Petrograd, Leningrad en weer terug naar St. Petersburg. Nu gaan we terug naar het begin van het gedicht. Hier gaat het over de naamgeving van de stad in het licht van de geografie. ‘Zuyd-Ooste Purmer-end besett ick met den Dam. De dam in de Purmer Ee, daar begint het gedicht mee. En nu gebeurt er iets merkwaardigs. Huygens koppelt die dam aan de Monnikenmeer: Die van een Monick-Meer wel eer sijn Doopsel nam: de Monnikenmeer, daar zou de naam van de dam vandaan komen en daarmee ook de stadsnaam. Maar Huygens vergiste zich. Immers, de dam in de Purmer Ee is van ná het ontstaan van de nederzetting Monnickendam. Dat de naam Monnickendam zou komen van Monnikemeerdam was in die tijd overigens een populaire uitleg. Wie weet, had dat ook weer te maken met protestantse gêne over het voortbestaan van monniken in de naam. De uitleg via Monnikemeerdam komt eveneens voor in het oudste stedenboek, dat van Guicciardini. Huygens maakte dus een vergissing voor wat betreft de historische geografie, de plaats van de dam, en nam verder de gangbare opinie over. Een opinie die waarschijnlijk niet juist is. 1 Dan volgt er een fraaie stijlfiguur, nog wel rond een mededeling die geografisch interessant is: Meer eertijds, nu niet meer, ‘Dat Monnikenmeer is geen meer meer’, zegt Huygens. ‘Is dat ook al drooggemalen?’ zal de tijdgenoot nu denken. Maar zo zit het niet, integendeel: hoe sien ick uwe baeren van baeren ingeslockt? dicht Huygens. Hoe kan zoiets? Haar baren, haar golven, zijn door andere baren opgeslokt. Met andere woorden, de Monnikenmeer is door de zee opgeslokt. Als minder Visschen vaeren Van die haer meerder zijn: Net zoals kleinere vissen het ervaren, die door grote vissen opgeslokt worden’, voegt Huygens er aan toe. Deze zegswijze komt voor op een in die tijd bekende volksprent. En, vraegh ik oock de faem. Huygens vraagt het zelfs aan de faam maar krijgt geen uitsluitsel over de oude golven-naam: ‘k En leere geen bescheid van d’ouder’ baeren naam. Zó is het meer tot zee geworden. In de kantlijn staat Huygens’ verduidelijking: het meer ligt nu met de Zuiderzee ‘gemeen’. 73

Hoe moeten we dat zien? Vergist Huygens zich hier niet? Wat zeggen de oudere kaarten? Op de kaart van Sgrooten uit 1530 is Monnickendam de enige stad die expliciet buitendijks is ingetekend. Het meer ligt op enige afstand en nog helemaal los van de stad. Op latere kaarten ligt het meer vlak tegen de stad aan en is geheel met de stadswateren verbonden. Dat de stad zelf in feite uit eilanden bestaat is op de kaarten soms ook goed te zien. Op de kaart uit 1622 van de drooggemalen Purmer, gemaakt vlak voor Huygens’ gedicht, ligt Monnickendam zelfs als een eiland in de monding van de Monnikenmeer. Tussen het stadswater en de zee de sluizen. Het oogt allemaal erg kwetsbaar maar om het meer daarom onderdeel van de Zuiderzee te noemen?? Het moet literaire overdrijving zijn. Èn, Huygens heeft hier vast niet rondgelopen. Wij gaan dat nu wel doen. We nemen daarvoor uiteraard de ‘plattegrond van De Wit’ (zie pagina 58). Die we dus vanaf vandaag ‘van Blaeu’ zullen moeten noemen. Dat laatste is wennen, want het is onze meest gebruikte kaart. Dat heeft meerdere oorzaken. Hij heeft kloppende maten en hij is uit een tijd waarin er al veel archiefmateriaal is. Verder is hij zeer gedetailleerd waardoor hij zich sterk laat vergroten. En hij is ‘in opstand’ getekend. Dat komt nu goed van pas: gaan onze ogen over de straten dan is het net of we zélf, als zeventiende-eeuwers, tussen de huizen lopen. Tijdgenoten van Huygens zijn we ineens en zo gaan we dan ook kijken naar het Monnickendam van zijn tijd. We starten bij de haven (afb. 8). Bij de Gouwzee dus. Een binnenzeetje van de grote Zuiderzee maar wel één waar het eb kan zijn of vloed en waarvan het water, hier vóór ons, al aardig zout is. We kijken uit over het water, in de richting van Marken, en stellen ons de boerengehuchtjes voor die hier in de middeleeuwen zijn opgeslokt door de zee. Recht voor ons ligt er ook één, onder water. Wie weet, de agrarische voorganger van Monnickendam? Was de eb op haar laagste punt geweest dan hadden we er nu, midden zeventiende eeuw nog wat van kunnen zien: boven het water uit stekende kruisen, van het verdronken kerkhof. Een eeuw na ons zal Hendrik Meyer er nog over schrijven. Nu gaan we rechtsaf langs de stadstimmerwerf waar de schepen op de helling liggen. We ruiken de teer van de werf en ook de houtvuren. Even verderop steken we door naar het Zuideinde (afb. 9). Zitten we hier op de oudste dijk van de stad of was het terplichaam onder de Kerkstraat toch ouder? We steken weer door, via het Reyerssteegje naar de Niesenoortsburgwal. Is dit misschien de ‘burchvalle’ uit 1331? Rechts van ons, tegenover de punt van de Niesenoort, ligt een klein pleintje, ‘Ledig erf’ zal het later heten. Een middeleeuws marktpleintje zou het geweest kunnen zijn. Het Riedighemarktveld? Wie van ons, zeventiende-eeuwers weet het nog? Links voor ons liggen de driehoeken van 74

monnickendam in de stedenatlas, gerijmd en ongerijmd

8

9

het Bloemendaal en het Rozendaal (afb. 10), ooit, waarschijnlijk, landerijen van de monniken van de uithof op Marken. Wij lopen verder over de Niesenoort en het Wezenland, regelrecht naar de plek waar vroeger het vrouwenklooster Mariëngaarde stond (afb. 11). In 1543 stond haar brouwerij het protestantse stadsbestuur in de weg. Maar de zusters wonnen het proces tegen de stad en hoefden niet te wijken. De nieuwe wallen moesten er maar omheen gelegd worden, vond de Hoge Raad. Vandaar die ruim uitgebogen hoek. Maar wat later trokken de Roomsen toch aan het kortste end – onze grootouders hebben dat nog meegemaakt – en daarom staat hier nu een Oudemannenhuis, een initiatief van het nieuwe stadsbestuur. 75

We lopen langs de Grote Kerk. Hoe die werd klaargemaakt voor de diensten van de nieuwe religie, ook dat hoorden we van onze grootouders. We gaan er niet heen maar werpen wel alvast een blik op de Monnikenmeer even verderop. Daarna slaan we meteen rechtsaf, naar De Zarken (afb. 12). In 1451 werd het hier nog Dam genoemd. Tja! Hebben de oudste Stedeboek-schrijvers dan tóch gelijk en was er wèl ooit een afdamming van de Monnikenmeer?? Is de Kerkstraat daarvan een verlenging? We zullen het voorlopig niet weten. Op archeologisch on10 derzoek moeten wij zeventiende-eeuwers nog zo’n driehonderd jaar wachten... We lopen de Zaksteeg in, de Zaksteegspoort onderdoor (afb. 13). Niets romantische Saksen-steeg. Deze steeg zakt, daarom hij heet zo. Alleen zó kunnen we onder de omwalling en het poortgebouw door. Dat doen we. En eenmaal weer buiten worden we overwel11 digd door het licht (afb. 14). Vanaf de brug kijken we eerst richting Overleek. Daar ligt het agrarisch veengebied waaruit de stad is voortgekomen. Wat een wijdte, wat een zicht! En kijk hoe schitterend de Monnikenmeer er bij ligt. Erg ‘opgeslokt’ ziet hij er vandaag niet uit, eerder idyllisch. Hoe brak zou het water zijn? Ruim en gemakkelijk spoelt het naar de stadsgrachten. Daar helpt het zeker nog wat bij het openhouden van de haven. Goed dat ze het niet droogmalen! Wat is het hier stil! Zo stil dat we het water kunnen horen kabbelen. Als Huygens hier nou wel eens geweest was? Als wij hem hadden kunnen mee76

monnickendam in de stedenatlas, gerijmd en ongerijmd

12

13

14

77

nemen op onze stadswandeling... En hij had nu híer gestaan. Hij zou meteen geen probleem meer gemaakt hebben van de monniken en die wat Roomse naamgeving. Wat zou hij de stad hebben geprezen! Om haar schoonheid. Haar geschiedenis. Haar nijverheid en handel. En om haar vernuft: beschermde eilandjes tussen zee en binnenmeer. Net als bij Amsterdam had hij de stad kunnen roemen om haar ‘gulde veen’ en, ‘beter nog dan Venetië, waterwegen èn straten’. ‘Swijmt, vreemdeling!’ zou hij ook ons meteen hebben toegeroepen. Bezwijmen, bij zoveel moois, dat doen wij toch maar niet. Wij kijken naar de plattegrond van Blaeu, met zoveel nauwkeurigheid en liefde getekend. We staan er midden in. Voor ons de Monnikenmeer. Hoe zout het water is? Als we ons best doen kunnen we het gewoon ruiken. Bovenstaand artikel is de bewerking van een lezing, op 14 september 2005 gehouden aan de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek ter gelegenheid van de aanbieding van het Stedenboek van Blaeu.

Bij de bespreking van de drie gedichten heb ik graag gebruik gemaakt van de toelichting van C.W. de Kruyter in diens prachtige boek over Huygens’ Stede-stemmen en Dorpen. Zutphen, 1981 (Serie Klassiek Letterkundig Pantheon) 1 Zie ook het hoofdstuk over de naamgeving in mijn boek ‘Monnickendam in Waterland’

heruitgave 2005, p.30-33.

78

De watermolens aan de Kloosterdijk Sieta Duif, Leen Appel, Siem Koerse

Het is bekend dat er een houtzaagmolen heeft gestaan aan de Kloosterdijk. Deze houtzaagmolen, in de volksmond ‘De Zaagmolen’, is in de nacht van 7 op 8 mei 1961 in vlammen opgegaan. De zaagmolen heette tot 1766 ‘BONSEM’, daarna de ‘DE VRIENDSCHAP’. Minder bekend is dat tegenover de houtzaagmolen twee watermolens stonden. Het enige wat hier nog aan herinnert, is de Molensloot aan de achterzijde van de Algemene Begraafplaats langs de Kloosterdijk en bij de voormalige Kaasfabriek langs de N247. Sieta Duif, wonende te Monnickendam, heeft een onderzoek in gang gezet om er achter te komen in hoeverre haar voorouders bij de watermolens aan de Kloosterdijk betrokken zijn geweest. De heer L. Appel heeft haar met raad en daad bijgestaan voor wat betreft tekeningen en plaatsbepaling. De familie Duif (Duijv/Duijf) De voorvader van Sieta Duif woonde in de Beemster, vanwaar hij aan het einde van de 17e eeuw vertrok naar Zuiderwoude. (Pieter Cornelisz Duijf *1691). In Zuiderwoude was hij Schoolmeester, Voorzanger en Schout. De nazaten van Pieter Cornelisz Duijv waren in Zuiderwoude rietdekkers. Het riet groeit vanaf mei en werd tussen december en april geoogst. Daken van woonhuizen, boerderijen en watermolens hadden riet nodig. Zeker de acht watermolens ‘rondom’ De Poel. (De Poel is het water langs de zeedijk tussen Monnickendam en de afslag Zuiderwoude. Een van de nazaten van Pieter Cornelisz Duijv, Jan Duijf *1761 was dus ook rietdekker. Hij trouwt met Marijtje Veltrop en ze krijgen in 1790 o.a. een zoon, Jacob Duijf, deze zoon was ook rietdekker. Jacob Duijf trouwt met Aaltje Hillebrand en in 1819 werd er weer een zoon geboren: Pieter Duif. Pieter Duif woonde ook in Zuiderwoude en zijn beroep was landman. Hij trouwde met Antje Schaatsbergen (Haar vader was watermolenaar in de Purmer). Na hun trouwen in 1845 gaan Pieter Duif en Antje Schaatsbergen wonen aan de Kloosterdijk. Zij zijn de grondleggers van de fam. Duif in Monnickendam.

79

Links op de voorgrond hebben de watermolens van de Purmer gestaan.

(Sieta Duif )

Pieter Duif was eerst landman in de Purmer, maar ook heeft hij gewerkt tot 1850 op de molen B57 en daarna ook op de molen B62 als watermolenaar aan de Kloosterdijk. De vader van Antje, Dirk Schaatsbergen, was watermolenaar aan de Purmerdijk bij het Stinkevuil (Purmer Ee, water ten Noorden van de Kloosterdijk). Deze molen stond links van de brug over de Purmerringvaart. Generaties Schaatsbergen hebben het beroep van watermolenaar uitgevoerd aan de Purmerdijk. Tot 1997 stond er nog een woonhuis en een hooiberg. Met een beetje fantasie kon je er een molen bij bedenken. Maar dat plaatje is voorbij. Er staat nu sinds 2002 een zeer moderne bungalow. De molens en hun vernietiging De watermolens waren groot, maar het woongedeelte was klein. De molenaarsfamilie woonde in een kleine woonkamer met daarbij enkele bedsteden. Er stonden veel molens in de omgeving van Monnickendam. Enkele watermolens bij de Purmer. Aan de Kloosterdijk twee watermolens en een houtzaagmolen. Een watermolen bij de Monnickmeer. Acht watermolens bij De Poel. En een meelmolen bij de Noordeinderpoort. En dat allemaal op 1,5 km2. Wat is er met deze molens gebeurd: In 1880 zijn de Poelmolens gesloopt. Een stoomgemaal nam in 1880 deze taak over. Dit stoomgemaal stond tussen de Ooster Ee en de Poel. (Spookhuis) Deze maalde het water in de Poel en bij eb gingen de deuren aan de buitenzij van het dijklichaam open en stroomde het water in de Gouwzee. (De plek waar deze deuren in het dijklichaam hebben gezeten is nog aanwezig) Na dit stoomgemaal kwam in het eerste kwart van 20e eeuw het huidige elektrisch gemaal in de Zeedijk. De houtzaagmolen is verbrand in 1961. De molen bij de Monnickmeer (anno 2005 80

de watermolens aan de kloosterdijk

1. Bedstede met onderkooi 1

2. Woonruimte

9

3. Kast 6

4. Bedstee met krib 5. Trap

10

6. Achterhos

7

7. Vijzelkast 2

8. Voorhos 1

9. Werkkast 10. Woonruimte

3

4

11

8 13

12

11. Bedstee 12. Kast 13. Kast

5

Het woongedeelte van een willekeurige molen

Het stoomgemaal aan de Poelkolk

(Molens van Nederland)

(Ons Zuiderwoude in Waterland, Han Buwalda)

81

i.v.m. eventuele ‘bouwplannen’ in de Monnickmeer) benoemd met de originele naam: Monnikenmeer) is op de grens van de 19e en 20e eeuw voor driekwart gesloopt, met dien verstande dat het woongedeelte in de overgebleven stomp nog aanwezig is. De molens aan de Purmerdijk bij de Purmerbrug zijn ook verdwenen. En de twee watermolens langs de Kloosterdijk zijn in 1878 gesloopt. En de molen bij de Noordeinderpoort behoort ook tot het verleden. (Engelse hoek).

Meelmolen bij de Noordeinderpoort

Het einde van de Zaagmolen

(collectie Garrelt Bont)

(collectie Garrelt Bont)

Situatietekening watermolen bij de Kloosterdijk

82

(L. Appel)

(S. Tolman)

de watermolens aan de kloosterdijk

De Kloosterdijk Er stonden dus drie molens bij de Kloosterdijk: een houtzaagmolen en twee watermolens. De twee molens, waar Pieter Duif werkte en woonde met zijn vrouw Antje Schaatsbergen, hebben schuin tegenover De Zaagmolen gestaan. Er zijn van deze watermolens geen opnames. Het enige wat nog rest van De Houtzaagmolen is de houten loods langs de Kloosterdijk met zijn speciale vorm. De huidige bewoner van de boerderij op de plaats van de twee watermolens, de heer Jan Sluis, heeft bij de bouw van een stal, houten schotten en enkele scherven gevonden. Zijn boerderij heeft de toepasselijke naam ‘Monnikke Broek’. De taak van de twee watermolens aan de Kloosterdijk was het water te lozen op het Stinkevuil (Purmer Ee). De molens bij de Poel, Monnickmeer, Purmer en de twee molens bij de Kloosterdijk behoorden tot de bemaling van het Hoogheemraadschap Waterland. Dat er problemen waren bij het lozen op de Gouwzee wordt duidelijk door een actie om de bestaande watermolens bij de Poel uit te breiden van vier naar acht stuks. Vlaggen en lantaarns

Situatie bij de Poel met acht watermolens

(De geschiedenis van Waterland)

Lantaarn om ’s nachts het sein ‘staan’ of ‘weder aanvangen’ te geven

Het type watermolen bij de Kloosterdijk werd ook wel ‘spekmolen’ genoemd. De molens zijn nogal zwaar gebouwd, vandaar waarschijnlijk de naam spekmolen. Het leven van de molenaar op een watermolen was niet eenvoudig. Er waren veel regels uit 1795 om het water op peil te houden. In 1873 werden er nieuwe regels uitgevaardigd, omdat door het vernietigen van enkele molens en het bouwen van nieuwe watermolens het sein tot ‘staan’ van de molens en het ‘weder aanvangen’ om te malen, niet naar behoren werd uitgevoerd. De molenaars waren om die reden de weg kwijt en wisten daardoor niet wie het sein moest overnemen. De nieuwe regels hielden o.a. in dat de ‘sein molenaar’ de vlag moest uitsteken en ’s nachts de lantaarn. 83

Een van de watermolens langs de Kloosterdijk moest het ‘sein’ doorgeven (Deze kreeg zelf een ‘sein’ uit de Purmer) aan de drie molens die onder Ilpendam stondenaan het Oudelandsdijkje bij de Wildsloot. (Bovenstaande tekst is een vrije weergave.) Deze tekst is geschreven namens de heren Dijkgraaf en Hoogheemraden van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West Friesland door G. van Leeuwen. Het Noordhollandskanaal In 1842 koopt Hoogheemraadschap Waterland de twee ‘spekmolens’ bij de Kloosterdijk van de ‘Drie Waterlandsche Meren’ (voorloper van het Hoogheemraadschap Waterland) voor de prijs van 32.000 gulden. De twee molens werden ontdaan van hun schepraderen en voorzien van hellende vijzels. Door de aanleg van het Noordhollandskanaal vormde het waterpeil in de boezem tussen het Hoogheemraadschap ‘Waterland’ en ‘Uitwaterende Sluizen’ een groot probleem. Er is een strijd gevoerd om Noordhollandskanaal als een gesloten lijn door het gebied te laten lopen, maar dat is niet gelukt. Mede hierdoor ontstond aantoonbare schade voor ‘Waterland’ en ‘Uitwaterende Sluizen’ en de regering besloot de helpende hand te bieden om tot een krachtiger bemaling te komen. Uit: De molengeschiedenis van Waterland door H.P. Moelker.

De ‘Turkse Schop’ aan de Haven in Monnickendam

84

de watermolens aan de kloosterdijk

Hoe ging het verder met de familie Duif? Pieter Duif en Antje Schaatsbergen van de Kloosterdijk krijgen een zoon Jan, geboren in 1861. Deze Jan Duif trouwt op 10 december 1882 met Antje Kleijsen te Monnickendam. Hij is o.a. van beroep: werkman, schippersknecht en wordt daarna motorschipper. Jan en Antje hebben in verschillende huizen in Monnickendam gewoond, maar kwamen uiteindelijk terecht op de Oude Zijds Burgwal 9 in Monnickendam. Zij hadden daar, op de plaats waar nu de Binnendijkschool staat, een kolenzaak en voeren ook met boten. Deze lagen voor de wal aan de Oude Zijds Burgwal. Twee van de boten heetten ‘Trouw Moet Blijken’ (I en II) van de andere twee is de naam niet meer te achterhalen. Omdat de schoorsteen toch moest roken, ook bij een kolenhandelaar, waren ze in het bezit van een ‘Turkse Schop’, die werd ingezet bij kermissen in Monnickendam en de omgeving. Later is er een vrachtwagen aangeschaft en werd het een expeditiebedrijf. Het was voor die tijd een behoorlijk bedrijf, met pakhuizen en later ook kolen opslagplaatsen. Een van deze opslagplaatsen stond naast het woonhuis. Verder één op de hoek Oude Zijds Burgwal/Kermergracht (Wagenpad). Een paar loodsen/pakhuizen aan de Kermergracht (Wagenpad). En op de Gooischekade was ook nog een pakhuis. Maar hun service ging verder. Bij het woonhuis aan de Oude Zijds Burgwal stond een benzinepomp voor eigen gebruik, maar passanten (het zullen er niet veel zijn geweest in die tijd) konden daar ook tanken. Dit is in grote lijnen het verhaal over hoe de familie Duif in Monnickendam kwam wonen en er nog steeds woont. Sieta Duif, die zelf héél veel archiefonderzoek heeft gedaan o.a. in het Waterland archief te Purmerend, vroeg aan ondergetekende het verhaal van haar familie te bewerken, zodat het geplaatst kon worden in het Jaarboek van onze vereniging. De heer L. Appel zou daar eerst behulpzaam bij zijn, maar door zijn overlijden in 2005 is het er niet van gekomen. Ik heb gepoogd voor Sieta Duif en in de geest Om toch een indruk te krijgen van een

van de heer L. Appel tot een leesbaar verhaal te

‘Spekmolen’, afbeelding watermolen bij

komen.

Ilpendam

– Siem Koerse

(Siem Koerse)

85

86

Stadsvroedvrouwen in Monnickendam (1625-1970) Ds. C.A.E. Groot

De geboorte van een kind is een ingrijpende en emotionele gebeurtenis, vooral voor de moeder. Daarbij zijn de woorden uit de bijbel ‘met smart zult gij kinderen baren’ (Genesis 3:16) door de eeuwen heen maar al te waar gebleken. De nieuwe bijbelvertaling zegt: ‘zwoegen zul je als je baart’. Dat ‘zwoegen’ had helaas niet altijd een goede afloop. Wie de familiegeschiedenis in kaart brengt, stuit immers niet alleen op de hoeveelheid kinderen die onze voorouders gewoonlijk kregen, maar ook op het grote aantal dat vóor, tijdens of kort na de bevalling overleed. Eén op de vier zuigelingen haalde de eerste verjaardag niet. In Broek in Waterland was de gemiddelde levensverwachting tussen 1654 en 1732 slechts 23 jaar. Voor Monnickendam zijn geen cijfers bekend, maar het zal niet veel beter zijn geweest (1). Vroedvrouwen Al vroeg in de geschiedenis werden kraamvrouwen bijgestaan door vroedvrouwen. Indiërs, Chinezen, Egyptenaren, Romeinen en Grieken kenden vanouds het ‘beroep’ van vroedvrouw. Twee Hebreeuwse vroedvrouwen, Sifra en Pua, hebben er mede voor gezorgd dat circa 3500 jaar geleden Mozes geboren kon worden (De bijbel, Exodus 1:15). In Europa kregen aanstaande moeders gewoonlijk hulp van familieleden of buren. Vanaf de Middeleeuwen werd er echter in toenemende mate een beroep gedaan op de diensten van een oudere vrouw, die door de gemeenschap als ‘deskundig’ werd gezien en meestal tegen betaling, de helpende hand bood. Groeiend medisch inzicht In Frankrijk kwam in de tweede helft van de 17e eeuw aandacht voor de obstetrie (verloskunde). Er werden kraaminrichtingen gesticht en er verschenen handboeken over de geboorte van kinderen. Nieuwe inzichten op het terrein van de ana87

tomie, de fysiologie (respectievelijk de bouw en het functioneren van het menselijk lichaam) en de voortplanting, brachten een groeiend kennisproces op gang. In Duitsland, Engeland, Italië en Nederland werden, naar Frans voorbeeld, verloskundige scholen opgericht, waar in de 19e eeuw de obstetrie tot een op zichzelf staande tak van onderzoek uitgroeide. In de 20e eeuw kwam het gebruik van antibiotica, vaccinaties en bloedtransfusies op gang, waardoor de sterfte van kinderen en kraamvrouwen sterk afnam. Vorderingen op het gebied van de anesthesie, maakten levenreddende operatieve ingrepen, zoals bijvoorbeeld de keizersnede, mogelijk. Vandaag staat in grote delen van de wereld de medische kennis op een hoog peil. Kraamvrouwen worden bijgestaan door verloskundigen. Doen zich complicaties voor, dan kan de hulp van een arts of gynaecoloog worden ingeroepen. Er zijn centra met specifieke aandacht voor nieuwkomers op deze aarde. Daardoor is de kindersterfte sterk teruggedrongen. In West-Europa wel te verstaan, want wereldwijd ziet het er veel minder goed uit, zoals bijvoorbeeld de internetpagina’s van Unicef laten zien. Vroedvrouwen in Holland In de steden van Holland komen we vanaf de 15e eeuw de vroedvrouw tegen, ook wel vroedmoeder, vroemoer, vroedwijf, vroevrouwe, goedvrouw of wysemoeder genoemd. Zij oefende het ‘vroemoerschap’ uit (2). Vroedvrouwen moesten getrouwd zijn en zelf kinderen ter wereld hebben gebracht want dat kwam in de praktijk van de hulpverlening goed van pas. De taak van de vroedvrouw was omschreven in een plakkaat uit 1587. Maar al eerder, tijdens het Concilie (kerkvergadering) van Trente (1545-1563), werd vastgelegd, dat zij de geboorte van een kind binnen drie dagen bij de pastoor moest melden. Was er sprake van een onwettig kind, dan moest de vroedvrouw achter de naam van de vader zien te komen en die doorgeven aan de pastoor en het stadsbestuur. Opleiding en bekwaamheid Vóor 1700 was het toegestaan dat vrouwen, die meenden daartoe voldoende kennis en bekwaamheid te bezitten, zich vrij als vroedvrouw mochten vestigen. De opleiding was echter minimaal. Hun kennis beperkte zich meestal tot wat zij van oudere vroedvrouwen in de praktijk hadden gezien en geleerd. Wel bestond er ver vóor 1700 (1e druk in 1516!) al een soort handboekje met als titel: ‘Het Kleijn vroetwijfsboek’ of ‘Den roosegaert der bevrugte vrouwen’. Het had als korte omschrijving ‘In ’t welcke men mach leeren alle heymelicheden vande vrouwen ende in wat gestalte de Mensche in zijn moeders lichaem ontvangen, groeyet ende gheboren wort’. De bekende uitgever Willem Blaeu liet het 88

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

illustreren met afbeeldingen die ook bij edities in Duitsland waren gebruikt. Omdat veel vroedvrouwen in de 17e eeuw echter lezen noch schrijven konden, is het maar de vraag of er van dit boekje veel gebruik is gemaakt. En zo ja, of de inhoud dan een positieve bijdrage leverde voor de taakuitoefening van de vroedvrouw. Uit toenmalig kiesheidsgevoel werkten vroedvrouwen meer op de tast dan op ’t gezicht. Van een in 1736 levende Edamse vroedvrouw is de uitspraak dat zij ‘gewoon is haar werk met gesloten oogen te doen’. En de schrijver/toneeldichter Gerbrand Adriaans Bredero(o) (1585-1618) laat een vroedvrouw zeggen: ‘Wij weten waer ’t schickt wel helfte beter voor een wijf, dan dat daer een man sal gaen over een vroumensch lijf’ (3). Toezicht Toch was er wel enig toezicht. In een artikel over vroedvrouwen van Broek in Waterland zegt de schrijver dat een nieuwe vroedvrouw in 1670 ‘aldaar eerst een examen afgenomen zal worden door Meester Hendrik te Monnickendam’ (4). Die nieuwe vroedvrouw is Abeltje Jans uit Amsterdam die van juli 1670 tot maart 1713 vroedvrouw in Broek is geweest (Resolutieboek Broek in Waterland 1). Die Mr. Hendrik blijkt meester chirurgijn Hendrik Huijsing uit Amsterdam te zijn, op 12 oktober 1659 in Monnickendam getrouwd met Maritje Jans. Mr. Huijsing woont op 25 mei 1683 in Broek, waarvandaan hij zijn huis in de Kerkstraat te Monnickendam verkoopt aan grutter Michiel van der Schuure, getrouwd met Welmoet Jans Hooft (OM 79 blz. 64) (Zie voor de gebruikte afkortingen noot 5). Ook in Monnickendam krijgt de gezondheidszorg gaandeweg meer aandacht. De Vroedschap vaardigt op 22 januari 1681 een resolutie uit waarin wordt aange89

drongen op meer toezicht op het werk van apothekers en chirurgijns. Twee jaar later, op 23 januari 1683, worden de Vroedschapsleden Johannes Koeslager en Bernardus Futs, beide doctor in de medicijnen, ‘aengestelt omme voorthaen alle nieuwe aencomende Apotheeckers ende Chirurgijns binnen deser Stede, nopens haere bequaemheijt ende het admitteren (toelaten) tot d’voorsz functien te examineren’ (OA 11). Hoewel in deze resolutie de vroedvrouwen niet worden genoemd, zorgen nieuwe medische inzichten voor belangrijke verbeteringen in de opleiding. Over hoe het er op het platteland toeging is niet zoveel bekend, maar in de steden van Holland moeten, in het laatste kwart van de 18e eeuw, vroedvrouwen een examen afleggen om hun vak te mogen uitoefenen, particulier of in dienst van een stadsbestuur. Het zal echter tot 1865 duren voor er via wetgeving definitief een onderscheid gemaakt wordt tussen gediplomeerde en niet-gediplomeerde werkers in de gezondheidszorg. In dat jaar worden de wetten op de uitoefening van de geneeskunde en farmacie (geneesmiddelenleer) uit het kabinet Thorbecke van kracht. Werkomstandigheden De vroedvrouw kwam bij rijk en arm over de vloer, zowel overdag als ’s nachts. Omdat de behuizing, vooral bij het armere deel van de bevolking, vaak te wensen overliet, moesten zij hun werk doen in slecht geventileerde en verlichte (kaarslicht) ruimten. Het is algemeen bekend, de praktische en hygiënische omstandigheden waren eeuwenlang ver onder de maat. Stadsvroedvrouwen Veel vroedvrouwen werkten zelfstandig. Anderen kregen, na gebleken deskundigheid, van de magistraat een aanstelling als stadsvroedvrouw. In Monnickendam worden deze aanstellingen vóór 1811 vermeld in de Resolutieboeken van de Vroedschap en de Memorialen van de Burgemeesters. De overzichten van de betalingen, gedaan door de thesaurier, zeg maar de ‘penningmeester’ van het stadsbestuur, laten zien wat deze vrouwen verdienden.

90

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

Vroedvrouwen in Monnickendam De doopregisters van de Gereformeerde-, Evangelisch-Lutherse- en RoomsKatholieke kerk bevatten duizenden namen van kinderen die in Monnickendam ter wereld zijn gekomen. In vroeger tijd noemde men dat wel ‘poppetjes roeijen’, een uitdrukking die zowel kinderen halen als kinderen krijgen betekent. Amsterdamse ouders vertelden dat de kindertjes in de Volewijck (overkant van het IJ) aan de bomen hingen. Het roeien naar de overkant werd daarom symbool van het ‘halen’ van kinderen. Maar wie waren de vrouwen die onze voorouders bij de bevalling terzijde hebben gestaan? Onderzoek in het Waterlands Archief te Purmerend bracht me op het spoor van een reeks vroedvrouwen, waarvan de eerste al voor 1625 actief is. Van een aantal hebben we alleen wat persoonsgegevens en weten we wat ze verdienden. Van anderen zijn wat meer bijzonderheden bewaard gebleven. Verdeeld over vier periodes, de 17e, 18e, 19e en 20e eeuw, komen ze één voor één aan de orde (6). Vroedvrouwen in de 17e eeuw 1. Griet Pouwels (1625-1629) De eerste vermelding van een stadsvroedvrouw in Monnickendam is in het jaar 1625. Let op, STADSvroedvrouw, want ook daarvoor waren er vroedvrouwen werkzaam. Een begraafboek vermeldt het overlijden van ‘Trijntje Frans, de vroedvrouw’. Ze woont op het Noordeinde of op de Haven. Omdat er in die tijd alleen ‘adressen’ maar nog geen begraafdata werden vermeld, is niet na te gaan wanneer ze is overleden/begraven. Het moet echter in de eerste helft van het jaar 1616, vóór Goede Vrijdag zijn geweest. Ik vermoed dat deze Trijntje Frans zo’n particuliere vroedvrouw is geweest. Een werkzaamheid voor de stad is niet geheel uit te sluiten, maar dat valt niet na te gaan, omdat de betalingen over die periode ontbreken. Op 9 augustus 1625 heeft het Resolutieboek van de Vroedschap de volgende notitie: ‘De vrouw van Willem Ses, tegenwoordig stadsvroedvrouw, wert twintigh guldens jaarlijks toegeseijt’ (OA 2). Een jaar later lezen we haar naam als de stadsthesaurier op 23 juli 1626 boekt: ‘betaalt aan Griet Pouwels ter somme van 20 gulden voor haar jaarlijks tractement vanwege dat sij Stadsvroedvrouw dezer stad is’ Ook haar man, Willem Ses, wordt weer genoemd (OA 206 blz. 36). Voor zover ik heb kunnen nagaan is deze Griet Pouwels de eerste stadsvroedvrouw, als zodanig erkend en aangesteld door Burgemeesters en Vroedschappen. 91

Over haar werkzaamheden is helaas niets op schrift bewaard gebleven. Begin november 1629 wordt vroedvrouw Pouwels in de kerk begraven, enkele maanden later – tussen 16 februari en 1 april 1630 – gevolgd door haar echtgenoot. 2. Trijntje Roelofs (1630-1643) Op 24 januari 1630 notuleert de secretaris: ‘Trijntje Roelofs, vroedwijf, wert op haar verzoek gestelt in gelijk ambt als Griet Pouwels ende versoekt haar jaarlijkse tractement van de stadt’ (OA 2). Ook Trijntje was vermoedelijk zo’n ‘particuliere’ vroedvrouw en vraagt, nu Griet Pouwels overleden is, de magistraat om haar officieel als stadsvroedvrouw aan te stellen. Dat is gebeurd, want in mei 1635 vraagt Trijntje Roelofs de Vroedschap of ze, in plaats van 75 gulden, honderd gulden per jaar mag ontvangen (OA 4). Trijntje Roelofs was getrouwd, maar de naam van haar man heb ik niet kunnen achterhalen. In een testament van 13 januari 1638 worden een dochter, Lijntgen Bartholomeus en een zoon, Willem Pieters genoemd. De laatste heeft twee dochters, Aagje en Trijntje (NOT 3409). Trijntje Roelofs zal twee of meer keer gehuwd zijn geweest, anders zijn de patroniemen van de kinderen moeilijk te verklaren. De vroedvrouw wordt op 8 oktober 1643 als ‘Trijntje de vroemoer’ op het choor in de kerk begraven. Die plek en gelet op de begraafkosten – tien gulden – geeft aan dat de vroedvrouw niet onbemiddeld was. Volgens het begraafboek woonde zij op het Noordeinde of in één van de zijstegen. Op 28 oktober 1643, drie weken na zijn moeder, wordt ‘Willem, de vroemoers soon’ in een eigen graf in de kerk begraven. Vermoedelijk woonde hij bij zijn moeder in. 3. Jannetje Carstens (1635-1667) Tot 1635 is Trijntje Roelofs de enige stadsvroedvrouw. Omdat ze echter niet meer zo jong is, wordt op 12 juli 1635 een onderstadsvroedvrouw aangesteld. ‘Mijne heeren Burgemeesteren 92

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

deser Stede Monickedam hebben achtervolgden d’authorisatie van de heeren vroetschappen in dato den... july lestleden, aengenomen Jannetgen Kerstens tot onder stads vroevrouw, omme ’t selve ampt met alle vlijt ende neersticheijt mitsgaders met alle vrientschap goede eenicheijt ende correspondentie met d’opper stadsvroevrou te bedienen ende waer te nemen ende de selve met raet en daet te assisteren als sulcx noodich ende betamelijkcken is. Mits oock dat sij sal gehouden wesen ’t allen tijden ende wijlen wanneer in eenige voorvallen noodige saken vande voorss(eide) opper vroevrouw ontboden sijnde, te compareren (verschijnen) ende haer met raet en daet te assisteren sonder eenige loon daer van te pretenderen, ende dat sij voorts buijten de stadt niet en sal trecken sonder expres consent van de heeren Burgemeesteren indertijt, op ende voor welcke voorss(eide) dienst ende conditien haer toegevoecht hebben vande stadt te genieten een jaerlijcxe somme van vierenveertigh guldens alle vierendeel jaers een gerechte vierdepart waer van het eerste vierendeel jaers verschenen sal wesen alderheijligen naestcomende’. Actum desen XII e julij LVI c vijffendertich’. Ondertekend door Vincent Willemsz Corthals, secretaris van de stad (OA 60 blz. 129 en OA 4). Twee vroedvrouwen Vanaf 1635 zijn er dus twee vroedvrouwen werkzaam, ten dienste van de circa 4000 inwoners die Monnickendam toen telde (7). Dat was belangrijk als er één van hen ziek zou worden of wanneer er twee bevallingen tegelijk zouden zijn. Zoals de Vroedschapresolutie aangeeft, bestond er zoiets als een ‘rangorde’ die ook verschil in financiële beloning betekende. Jannetje Carstens krijgt als tweede vroedvrouw in het begin slechts elf gulden per drie maanden. Maar na het overlijden van Trijntje wordt dat verhoogd tot ƒ 18.15.- per kwartaal, wat neer komt op 75 gulden per jaar (8). Ook in 1657 staat ze met hetzelfde tractement op de loonlijst van het stadsbestuur. Wanneer Jannetje Carstens is overleden heb ik niet kunnen achterhalen. Het moet echter vóór april 1667 zijn geweest, zoals verderop nog aan de orde komt. Vermoedelijk heeft ze de laatste jaren haar werkzaamheden 93

al niet meer kunnen verrichten, maar kreeg ze wel een financiële ondersteuning. 4. Francijntge Jans (1643-1661) Jannetje Carstens krijgt, na het overlijden van Trijntje Roelofs, op haar beurt een tweede vroedvrouw naast zich. Op 7 november 1643 wordt Francijntge Jans als stadsvroedvrouw aangesteld. ‘Acte van aenneminge van Fransgen Jans tot stads vroevrou. Mijn heeren Burgemeesteren der stede Monickedam hebben achtervolgende de resolutien van d’heeren Vroetschappen van data den 7 ende 22e november lestleden aengenomen Fransgen Jans voor stads vroevrouw. In gelijcken graet van tractement als Jannetgen Carstens, mede stads vroevrou vande stadt is genietende. Mits conditie sij het selve ampt metten anderen in alle goede eenicheit correspondentie ende vruntschap sal bedienen ende ’t selve met alle getrouwicheijt ende neersticheijt waernemen ende malcanderen in alle voorvallende saken met goeden raet ende daet te assiteren nae alle behoren. Sonder dat sij beijde te gelijck op eenen tijt uijt de stadt sullen mogen trecken maer te welcker tijt sij Fransgen Jans versocht sal werden buijten de stadt te gaen, gehouden sal wesen ’t selve hare mede vroevrouw Jannetge Carstens bekent te maken, ten eijnde sij dan thuijs sal moeten blijven, gelijck sij Jannetje Carstens insgelijcx versocht sijnde buijten de stadt te trecken Fransgen Jans hare mede vroevrouw gehouden sal sijn daer van te waerschouwden op dat sij Fransgen Jans bij soodanige voorvalken binnen de stadt blijve, sulcx dat wie van beijden eerst sal versocht werden buijten te trecken daer toe geprefereert sal sijn op verbeurte van 1/4 jaers tractement die buijten ’t recht als d’een van d’ander sal gewaerschout sijn. Alle ’t welcke sij Jannetgen Carstens en de Fransgen Jans beijde bij hanttastinge aen d’heer Ketel als presideren Burgermeester belooft hebben getrouwelijk ’t achtervolgen ende nae te comen als goede ende getrouwe vroevrouwen schuldich sijn ende behooren te doen. Des sal ieder een daer vooren van de stadt genieten een somma van vijffenseventich gulden ’s jaers, alle 1/4 jaers een gerechte vierdepart waer van ’t eerste 1/4 jaers vervallen sal wesen den eersten februarij eerstcomende. Actum opt stadthuijs desen IIe december anno 1643’ (OA 60 blz. 192, OA 5 blz. 66). Volgens de stadsrekeningen ontvangen beide vroedvrouwen hetzelfde tractement, ƒ 18.15.- per kwartaal. Francijntge (Fransje) wordt in een testament d.d. 12 juli 1651 de huisvrouw van 94

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

Willem Sem genoemd. Ze heeft een dochter Baligie Pieters, waarschijnlijk uit een eerder huwelijk van Francijntge of Willem (NOT 3408). Volgens het begraafboek woont het echtpaar in 1652 in de Oude Steeg, vanwaar op 31 december van dat jaar ‘de man van Fransje de vroemoer’ in een kerkelijk graf wordt begraven, kosten 5.10.-. De vroedvrouw zelf overlijdt in 1661 en wordt op 29 maart 1661 als ‘Fransie de vroemoer’, even als haar man, in een kerkelijk graf begraven; kosten 5.10.-. (Barbertje Barents van der Mars) Kort na het overlijden van Francijntge, ontvangt het stadsbestuur een missieve (brief), gedateerd 1 april 1661 ‘op verzoek van de burgemeesters en regeerders der stadt Munneckedam geschreven door Adrianus Heringa, Mr. Dr. in de Rijp’, zo wordt aan het begin vermeld ‘Versocht sijnde om getuijgenisse te geven van de bequaemheijt en goede ervarentheijt van de vroedvrou in de Beemster Barbertje Barents van de Mars, so getuijge ich de waerheijt te weesen dat sij in veel jaeren haer beroep bedient heeft en de in veel swaere ende periculensche voorvallen volstandelijck heeft uitgevoert met danck ende vernoeginge van die gene die haer hulpe versocht hebben ende oock mijn Self inde voorvallende noot getrouwelijck heeft bijgestaen, getuijgt sulcks de waerheijt te wesen’. Volgt ondertekening van voornoemde A. Heringa (OA 49). Blijkbaar heeft het stadsbestuur tijdig naar een opvolgster voor Francijntje gezocht en inlichtingen gevraagd over deze Barbertje Barends, die mogelijk getrouwd was met ene Jacob Frederiks (9). In de betalingen van de thesaurier komt Barbertje echter niet voor, hetgeen betekent dat ze niet als stadsvroedvrouw in Monnickendam werkzaam is geweest. (Vandaar haar naam tussen haakjes, zie noot 6). Deze brief maakt echter wel duidelijk dat het stadsbestuur graag wilde weten of een nieuw aan te stellen vroedvrouw voor haar werk geschikt was. Een bevalling in de 17e eeuw Wij, mensen van de 21e eeuw, weten of kunnen weten hoe een bevalling verloopt. Maar hoe was dat een paar honderd jaar geleden? Daarover heeft Jacob Rueff (1500-1558), een beroemd Zürichs gynaecoloog 95

en professor in de medicijnen, een boek geschreven. Hier volgt een citaat uit ‘De conceptu et generatione hominis’: ‘...ende soohaest als sy dat weet ende den tijdt dat mach gedooghen, ende het handwerck mach versocht worden, soo sal het vroedtwyf de bevruchte vrouwe met gheleerde en gheschikte (ingetogen) woorden troosten, stercken ende vermanen: daer sy soude willen cloeck (sterk) zijn, arbeyden (baren), het beste doen ende haer volghen. Tegen de andere vrouwen, die daer oock teghenwoordigh sijn, sal sy derghelijcke doen ende daernae de bevruchte vrouwe met alle de ander vrouwen doen nederknielen ende Godt Almachtig aenbidden ende aenroepen met een heerlijck Vader Onse, opdat hy henlieden soude willen gheven ende verleenen sijn hulpe, troost ende ghenade met een gheluckige ure. Ende als sy ghebeden hebben, sal sy derselve heeten (aandringen of gebieden) weder opstaen ende de vrouwe heeten in Gods name op de stoel te sitten, die daertoe gheordonneert (in orde gebracht) is ende also als hier staet, sal ghemaeckt zijn’. Volgt de beschrijving van de stoel. ‘Ende soohaest als de vrouwe op den stoel sittet ende met Gods hulpe gewillich daeraen wil, so sal dat vroetwyf, aleer de vrouwe begint te arbeyden, een vrouwe schicken ende stellen achter haer rugghe; die sal de barende vrouwe metten armen omvangen ende in tyde van den arbeijdt degelijck metten handen, nadat de deurgaende weeën zijn, nederwaerts strycken of canten, ende sacht douwen; alle dewelcke het vroetwijf haer wysen ende heeten sal. Daerna sal het vroetwyf noch twee vrouwen, of tenminsten noch een, op beyden zijden stellen, die de vrouwe sullen aenspreken ende vermanen ende ooc, indien van noode is, omdat sy haer soude helpen. Ten laetsten sal dat vroetwyf nedersitten ende het voorste des lyfs van de vrouwe wel strycken (insmeren) met olie van witte lelien, van soete amandels ende hoendersmout ondereen ghemengt, dewelcke uyttermaten goedt is den vrouwen, die vet ende enghe vrouwelijckheyt hebben, oock denghenen die hun eerste kindt dragen en deghenen die een dorre lyf hebben. Daertoe dienet oock wel, ende is seer goedt, de doyer van een ey daerin ghestreken. Als dat ghedaen is ende dat vroetwyf daermede oock haer handen heeft ghestreken, soo sal sy de bevruchte vrouwe bidden ende vermanen tot arbeyden ende daerna beleefdelijck ende manierlijck soecken grypen ende den uytganck des kinds met een vingheren tasten ende denselve in de deurgaende ween sachtelijck helpen, haer lyf van malcander scheyden en douwen sonder letsel van het kindt ende moeder. Oock aen wat plaetsen ende ghewesten, dat sy onder of boven, terzyden of neffens (in de buurt van) dat het kindt hem voegen of stellen wil, dat sy terstont daerby sy ende met haer vingeren het kindt in deursnyden ende openen, nadat behoort, den behoorlijcken wech wyse ende vordere. Want dat maeckt een goeden ende lichten arbeyt ende gheboorte.

96

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

Alsoo sal het vroetwyf het kindt ontfanghen, dat navelpeesken terstont gheheel nae den kinde afsnijden. So haest dat ghedaen is, soo sal sy niet lange wachten, ende de meeste om de minste versuymen, noch achterlaten ende vergheten, ghelijck als is de naegheboorte, maer desselfs schicken, nemen ende ontfanghen ende daermede de vrouwe te bedde helpen, tewyle het lyf noch uytgereck is ende openstaet, eer den wech engen ende gestopt wordt’ (10). De kraamklopper Als er bij een huis een namaak-ooievaar staat, dan weet elke voorbijganger dat daar een kind is geboren. Er worden kaartjes verstuurd en wie het kan betalen laat een geboortebericht in de krant opnemen. In voorgaande eeuwen had men echter een andere manier van bekendmaken. ‘De gebeurtenis werd aangezegd bij buren en vrienden en naar overoud gebruik, de voordeur met de kraamklopper versierd. Dat was, bij wie het konden betalen, een vierkant ebbenhouten plankje met roze zijde overtrokken. Daarover was fijne kant gesponnen, Kraamklopper aan de hoeken waaiersgewijs geschulpt, in het midden een vierkant met kostbaar kantwerk, als ’t een meisje was door een papier ter helfte bedekt. Kant en linnen voor de a.s. kraamklopper schonk de bruidegom reeds aan zijn bruid. De baker ging het plankje aan de deur hechten en de buurt kwam het bekijken. Bij de armen moest het kindje het doen met een linnenstrook om de deurklink, bij de boeren hechtte men een bos palm aan de deurpost. Maar rijk of arm – de wereld moest weten dat er een kind geboren was’ (11) 5. Trijntje Ezechiels (1661-1663) Op donderdag 30 juni 1661 melden de Vroedschapresoluties: ‘In plaats van Francijntgen Jans, stadsvroevrouw die overleden is, is in desselfs plaets tot stadsvroevrouw aengenomen de boeckebindersvrouw, genaemt Trijntje Ezechiels, ende dat niettemin ene Claertgen (...) bij de professor van Leijden int offitie (ambt/functie) van ’t vroemoerschap geexamineert seinde, in kennisse der selven goet bevonden was, sal versocht werden hier metterwoon te coomen om in tijden en wijlen bij indispositie ende onvermogentheit van Jannetje Carstens mede tot een noothulp te mogen werden gebruickt’ (OA 7).

97

Hoe lang deze Trijntje in Monnickendam als stadsvroedvrouw heeft gewerkt heb ik niet kunnen achterhalen. Waarschijnlijk maar kort, want het begraafboek vermeldt op 22 februari 1663 dat ‘de vroemoer in ’t kerkhof’ is begraven. 6. Lijsbet Hendriks (1663-1670) Op 17 oktober 1663 wordt genotuleerd: ‘Lijsbet Hendriks, vroedvrouwe alhier bij request versoekende om als ordinaris stadsvroedvrouw te moogen werden aangenomen, ende daer over sijnde gedelibereert is geresolveert ende verstaen deselve bij proficie voor den tijd van een jaer, ingaende den eersten der aanstaande maand november, tot stadsvroedvrouw op het ordinaris tractement aen te nemen’ (OA 8). Lijsbet was vermoedelijk zo’n zelfstandig werkende vroedvrouw die solliciteert naar de post van stadsvroedvrouw. Ze krijgt deze officiële functie inderdaad toebedeeld, maar wel met een ‘proeftijd’. Ook Lijsbet ontvangt 18.15.- per kwartaal. Omdat zij voor het laatst op 1 november 1669 uitbetaald krijgt en in januari 1670 alleen haar collega Jacomijntje (zie onder) op de loonlijst staat, is ze zeer waarschijnlijk uit Monnickendam vertrokken. Op 28 december 1669 vermeldt het Vroedschapresolutieboek namelijk: ‘De heren burgemeesters sijn versocht ende geauthoriseert omme, vermits het vertreck van de eene vroedvrouw alhier, haer te informeren over ende aengaende een andere bequame vroedvrouw in desselfs plaats’. 7. Jacomijntje Gerrits Koningh (1665-1670) Drie dagen later, 20 oktober 1663, vermelden de notulen: ‘Jacomijntje Konings, vroedvrouw alhier eenige tijd hebbende gewoond en de haer als vroedvrouw hebbende laten gebruiken bij request te doende versoek om tot een ordinaris Stadsvroedvrouw ende op gewoonlijk tractement te mogen worden geadmitteert ende toegelaten. ’t Selve versoeck in deliberatie (bespreking) gebracht sijnde is ’t selve naer omvrage gevonden in advies ende geresolveert met den eersten sich te informeren aangaande de bequamheit van de vroedrouw in de Beemster en tot BiW (...) in desen omme naar ingenoomen bericht met de eerste gelegenheit tot verkiesinge van een bequame vroedvrouw (vermits de onbekwaamheid van Jannetje Carstens) te procederen’ (OA 8). Ook Jacomijntje Koningh was zo’n zelfstandig werkende 98

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

vroedvrouw die vraagt om als stadsvroedvrouw aangesteld te mogen worden. Dat gaf uiteraard wat meer financiële zekerheid. Maar haar verzoek wordt niet ingewilligd. Anderhalf jaar later, op 21 februari 1665, doet Jacomijntje opnieuw het verzoek om als stadsvroedvrouw ‘aengenomen, ende met een oridinaris tractement vereert te worden’. De Vroedschap bespreekt haar verzoek, maar opnieuw wordt haar verzoek ‘in advies’ gehouden. Blijkbaar vond men haar niet geschikt, want de Vroedschapresolutie vervolgt met een vraag aan de burgemeesters om verder te zoeken naar een ‘bequame vroedvrouw omme deselve tot stadsvroedvrouw aan te nemen en te gebruijcken’ (OA 8). Op 14 april komt het verzoek van Jacomijntje nogmaals ter sprake. Maar ook dit keer wordt haar ‘request’ (verzoek) niet gehonoreerd. Waarschijnlijk heeft het stadsbestuur niemand anders kunnen vinden, want op 21 november van dat jaar vermelden de notulen dat Jacomijntje Gerrits ‘bij provisie’ (voorlopig) tot vroedvrouw zal worden aangesteld, op een half tractement. Pas als haar mede stadsvroedvrouw, Jannetje Carstens, overleden is, zal ze het volle tractement genieten. Dat is het geval in 1667. De Vroedschapresolutie van 5 april 1667 leest: ‘Jacomijntje, stadsvroedvrouw, hebbende tot nog toe maer half tractement gehadt, wert op haer versoeck, vermits het overlijden van Jannetje Carstens, toegevoegd het volle tractement’. Ze moet echter wel elk jaar verlenging van haar dienst vragen. Jacomijntje wordt in dat jaar 1667, samen met Lijsbet Hendriks, stadsvroedvrouw genoemd. Ze hebben hetzelfde ‘salarisstrookje’, 18.15.- per kwartaal. Inflatie kende men in die tijd blijkbaar niet. Op 18 oktober 1670 ‘versoeckt Jacomijntje, stadsvroedvrouw bij regte, om verhooginge van haer ordinaris jaerlijckse tractement’. Dat verzoek wordt echter niet gehonoreerd. Twee weken later overlijdt Jacomijntje (plotseling?) en wordt 8 november 1670 op het kerkhof begraven. In het doopboek (DTB 1) wordt een Jacomijntje Gerrits genoemd, huisvrouw van Daniel Adriaansz. Het zou deze vroedvrouw kunnen zijn. Op 24 mei 1668 wordt er van dit echtpaar een dochter Jannetje gedoopt ‘op belijdenis’, hetgeen betekent dat deze dochter dus al in de twintig was. Vroedvrouwenbordje De oude Grieken en Romeinen gebruikten vóór het begin van onze jaartelling merktekens en uithangborden. Toen de Romeinen Europa inlijfden werd het gebruik van uithangtekens in de door hen veroverde woongemeenschappen overgenomen, vooral waar deze woongemeenschappen uitgroeiden tot dorpen en steden. Die tekens en borden voorzagen in een behoefte, in een tijd waarin straten nog 99

niet van naambordjes en huisnummers waren voorzien. Eén van de beroepsgroepen die dankbaar van deze vinding gebruik maakte was die van de vroedvrouwen. Voor hen was het immers belangrijk, dat zij gemakkelijk te vinden waren. Vermoedelijk hadden veel vroedvrouwen vóór 1700 een ruitvormig schild aan de gevel van hun huis. Zo’n ‘vroedvrousbortje’ was door zijn vorm in het donker gemakkelijk te herkennen, vooral wanneer een vroedvrouw ’s nachts van huis gehaald moest worden, omdat zich een bevalling aandiende. Zo’n bordje was dan ook belangrijk voor aanstaande vaders want die konden (en kunnen!) nog wel eens door de spanning van het moment ‘de kop kwijt raken’. Vaak stond er, in rijmvorm, een eenvoudige tekst op zo’n bordje. Bijvoorbeeld: ‘God is mijn hulp, komt er eenig overval, Elk denkt waar hij mij vinden zal’. Of: ‘Hier woont Trijntje de Vroedmoer, wel bekent, Die ’t wroeten in duistere plaatsen is gewent’. In latere tijd werden er ook wel illustraties op de bordjes aangebracht. In 1712 kwam er een verordening dat de vroedvrouwenbordjes voorzien moesten zijn van de naam van de vroedvrouw en zoiets als een ‘keurmerk’ van het Collegium Medicum moesten hebben. In 1742 werden de vroedvrouwen verplicht een ‘buyten uytstekend bord’ te plaatsen waarop met grote leesbare letters ‘Stadsvroedvrouw’ moest staan en het nummer van de wijk waarin zij woonde. Bordjes in Monnickendam Ook de vroedvrouwen van Monnickendam zullen wel middels zo’n bordje te traceren zijn geweest maar in de boeken ben ik daarover geen aantekening tegengekomen. Wel krijgt in maart 1761 ene Willem Leerbergen, die in de stad mag komen wonen de opdracht ‘dat hij van ofte boven sijn deur den naam van Practisijn sal hebben aff te doen en ’t bordje in te haalen’ (OA 36). De notulen van de vergadering van burgemeesters d.d. 6 februari 1770 maken pagina’s lang melding van een nachtelijk incident waarbij uit baldadigheid een aantal bordjes van huizen zijn gehaald en opgehangen bij anderen. Daaruit blijkt dat apotheker van Marle een bordje aan zijn huis had, evenals ‘winkelier’ Johan100

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

nes Broos (verkoop tabak, kaas, boter en spek). Thomas van der Horst had een bordje met daarop de woorden ‘de gekroonde kub’ en Mens Schaap met ‘kousen te koop’ (12). 8. Aaltje Pieters (1670-1679) De aanstelling van Aaltje Pieters wordt in de Vroedschapresolutieboeken niet vermeld. De heren hadden andere (politieke) zaken aan hun hoofd, zoals uit de notulen van die tijd blijkt (13). Gelet echter op de uitbetalingen moet Aaltje zo halverwege het jaar 1670 met haar werkzaamheden zijn begonnen en heeft ze de plaats van Lijsbet Hendriks ingenomen. Zeer waarschijnlijk is zij de Aaltje Pieters die op 30 april 1662 trouwt met bakker Jan Hendriks (Hesseling) uit Amsterdam. In Monnickendam worden tenminste drie kinderen gedoopt: * Hendrik, dp. 4.12.1667, verm. begraven 7.2.1668 (kind van Aaltje Pieters) * Hendrik, dp. 2.6.1669 * Cornelis, dp. 22.5.1671 Het Gereformeerd doopboek begint pas in 1665 maar er moeten tussen 1662 en 1665 ook kinderen geboren zijn, waaronder een meisje, want op 14 december 1682 wordt ‘Aaltje de vroedmoers dochter’ begraven. 101

Zoon Hendrik is, net als zijn vader, bakker geworden. Op 21 november 1693 neemt hij de bakkerszaak van Gerrit Arends backer op het Noordeinde over (OM 84/46). Hendrik ondertrouwt op 3 april 1693 met Niesje Pieters uit Durgerdam. Zij krijgen in 1694 een zoon die Jan wordt genoemd. Het was overigens niet ongebruikelijk dat de echtgenoot van de vroedvrouw een baan had. Het tractement is omhoog gegaan want Aaltje Pieters krijgt in augustus 1670 ƒ 35.-.- voor een kwartaal. Op 18 februari 1673 wordt Aaltjes man, Jan Hendriks (Hesseling) begraven in een eigen graf in de kerk, grafrij 56 nr. 11, aangekocht op 30 juli 1672. Het gevolg is wel dat Aaltje er, maatschappelijk gezien, behoorlijk op achteruit gaat. Vanaf 1673 komen we de vroedvrouw dan ook tegen in de registers van de Diakonie van de Gereformeerde gemeente. Zij krijgt naast een maandelijkse, geldelijke ondersteuning ook linnen (kleding) en turf (brandstof) van de kerk. De betalingen aan Aaltje lopen tot augustus 1679. Op 21 september van dat jaar wordt ‘de vroedmoer’ op het kerkhof begraven. 9. Saartje Pieters (1670-1696) Ook de aanstelling van Saartje Pieters komt in de Resolutieboeken van de Vroedschap niet voor. Of zij een zus is van Aaltje Pieters heb ik niet bevestigd gevonden. Zij is de opvolgster van Jacomijntje Gerrits. Er trouwt op 13 april 1664 een Saartje Pieters uit Purmerland met Jan Jansz, weduwnaar uit Wolderen. Deze Saartje is op 22 maart 1643 in Ilpendam gedoopt en is de dochter van Pieter Jacobsz en Stijntje Willems. Misschien gaat het om vroedvrouw Saartje maar zekerheid daarover heb ik niet kunnen krijgen. Dit echtpaar krijgt vier kinderen: * Pieter, dp. 1.2.1665, jong overleden * Stijntje, dp. 17.1.1666, jong overleden * Pieter, dp. 14.6.1668 * Stijntje, dp. 13.2.1674 Op 7 december 1673 wordt ‘de vroemoers kint’ begraven, mogelijk Pieter (1668). De betalingen aan Saartje Pieters beginnen op 3 mei 1670 en eindigen in 1696. Ze ontvangt 35 gulden per kwartaal, terwijl ‘vroemoer Saartje’ op 6 december 1670 ook ƒ 14.2.- verhuiskosten uitbetaald krijgt. 102

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

Op 21 september 1674 wordt Saartje Pieters als getuige genoemd in een notariële akte van Cornelis Jansz Boekweijt (NOT 3424). ‘Vleselijke conversatie’ Vroedvrouwen moesten zich houden aan door het stadsbestuur opgestelde regels. Een van die regels was dat zij moesten vragen naar de naam van de vader van het geboren kind. Was er sprake geweest van ‘vleselijke conversatie’ zoals overspelig gedrag in die tijd werd genoemd, dan was de vroedvrouw verplicht om daar onmiddellijk bij de schout aangifte van te doen. Een niet gedateerde willekeur uit de 17e eeuw zegt het zó: ‘werden alle vroedvrouwen, mitsgaders alle andere vrouwspersonen expresselijk belast dat se geen kind ofte kinderen ’ts ij van getroude vrouwen, wiens manne lange buijten ’s Lands absent geweest zijn of te van weduwen of Jonge dochters sullen ter wereld ontvangen voor en al eer de voorschreven in noodt sijnde Persoonen aan haar hebben verklaart, van wie zij bevrucgt zijn ende sullen gehouden zijn ’t selve binnen 24 uren den heer bailluw ofte den schout aan te dienen ende bekent te maken op de boeten van 25 gulden ende arbitrale correctie’ (OA 62). Barber Thijs Op 9 december 1663 trouwt ene Barber Thijs met Jan Pan. Jan Pan, begraven op 1 februari 1674, was zijn bijnaam, want hij heette officieel Jan Hendriks Ketel en was bakker van beroep. Het Gereformeerd doopboek vermeldt op 12 december 1666 de doop van een zoon Thijs. Dit jongetje wordt echter al op 31 oktober 1667 begraven (‘kind van Jan de bakker’). Op 20 augustus 1668 wordt er weer een Thijs gedoopt. Vóór 1665 moet er echter al een dochter Jacomijntje zijn geboren. Ze komt vanaf 1698 in de diaconieregisters voor. In 1712 bedankt ze voor de ondersteuning haar geboden. Deze Jacomijntje is in 1686 lidmaat van de Gereformeerde gemeente geworden. Lidmaat werd je rond je 23e. Jacomijntje is in of kort na 1718 overleden. De juiste datum ontbreekt van wege een hiaat in het begraafboek. Begin 1671 wordt duidelijk dat Barber Thijs een scheve schaats heeft gereden. Ze krijgt een buitenechtelijk kind en dat wordt door vroedvrouw Saartje Pieters aan het stadsbestuur gemeld. XXX Ons erfgoed heeft in 1998 vier artikelen aan het verschijnsel ‘Onechte, buitenechtelijke en natuurlijke kinderen’ gewijd. Op 31 januari volgt een rechtszaak tegen de verwekker, Claes Willems Louw. De aanklacht luidt ‘dat de gedaegde sigh niet ontsien heeft uijt moedwillige boosheijt met de persoon van Barber Thijs, huijsvrouw van Jan Pan, vleeschelijk te converseren, uijt welcke vleeschelijke conversatie de voornoemde Barber Thijs in 103

’t kinderbedde is koomen te bevallen, bedrijvende alsoo hij, gedaeghde met de voornoemde Barber Thijs dubbelde overspel’. Op 14 maart 1671 volgt de uitspraak: ‘Vergetende alsoo ende te buijten gaende sijne behoorlijkcke plichten, echte liefde ende trouw door de welcke hij aen sijne wettelijcke huisvrouw verbonden waer, ende ’t selve is een saecke van seer quaden gevolge, om de welcke Godt Almachtigh gewoon is, landen ende steden in sijn rechtveerdigen toorn te besoecke ende straffen, ende daeromme naar Goddelijke ende wereltlijcke rechten geensins tolerabel, maer in een landt van goede politie ende justitie soo in hem selfs als en tot exempel van anderen ten hooghstens strafbaer, soo is’t dat de heeren Staeten van Hollant ende Westvrieslant op den eijsch ende conclusie bij den heer officier deser Stads (Berckhout) ratione (rekenschap) gedaen ende genoomen verclaeren den voornoemde Claes Louw incapabel omme eenige staet ofte officie binnen de voorsz lande van Hollant ende Westvrieslandt te mogen bedienen, condemneren (veroordelen) wijders den selven Claes Louw publijcqelijck gebannen te worden, sulcx de selve verbannen wort mitsdesen voor den tijdt van vijftigh jaeren uijt den voornoemde lande van Hollant ende Westvrieslandt, hem verders condemnerende in de costen van den processe tot tauxatie (vaststelling) ende moderatie (bemiddeling). Actum bij de heeren voornoemt den 14 maert anno 1671 ende geponuchieert den 7e April anno 1671. In kennisse van mij Dirk Admiraal 1671’ (14). Claes Louw heeft ongetwijfeld een kwalijke rol gespeeld, maar Barber Thijs nam het met de huwelijksmoraal ook niet altijd even nauw. Dat blijkt uit de notulen van de kerkeraad d.d. 15 en 19 februari 1682. Zij woont in de Nieuwe Steeg en wordt vanwege (opnieuw) overspel onder censura morem (kerkelijke tucht) gesteld, hetgeen inhoudt dat ze niet aan het Heilig Avondmaal mag deelnemen. Op 7 februari 1683 blijkt het censura morum nog steeds van kracht, maar twee weken later betuigt Barber spijt en wordt ze van de censuur ontslagen. Volgens het Gereformeerd doopboek is er op 30 september 1677 een kind van Jan Leenderts en Barber Tijs gedoopt, Pieter. Dat doopboek vermeldt op 1 juli 1685 de doop van een Lijsbet, dochter van Marten Adriaans en Barber Tijs. Of dit wettige echtgenoten van Barber waren, valt niet na te gaan omdat het trouwboek over die periode ontbreekt. Zeker is wel dat Barber Tijs op 15 januari 1689 trouwt met Jacob Jacobsz. Blok. Hij moet zo rond 1700/1701 zijn overleden want vanaf 1701 tot haar overlijden in 1712 krijgt Barber ondersteuning van de diakonie van de kerk. Barber Thijs is op 11 juli 1712 op het kerkhof begraven.

104

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

Als vroedvrouw Saartje op zaterdag 17 december 1695 door notaris Ketel haar testament laat opmaken, ligt ze ‘siek te bedde’ maar is goed bij haar verstand. Zij verdeelt haar nalatenschap over drie partijen: een deel is voor haar zoon Lourens Jans, een deel voor de dochter van Lourens, Aafje Pieters die in een weeshuis in Purmerend verblijft. Het derde deel is voor Saartjes dochter Aagje Jans. Lourens mag in het huis aan het Zuideinde blijven wonen, maar moet wel de jaarlijkse verponding en andere lasten betalen (NOT 3451). Saartje Pieters overlijdt in 1696 en wordt op 2 maart van dat jaar begraven in een graf in de kerk, rij 43 nummer 4. 10. Eegje Jans (1679-1713) ‘Den 10e oktober 1679 is bij heren burgemeesters tot stadsvroedvrouw in plaats van Aaltje Pieters geëligeert (uitgekozen) en verkoren Eegje Jans uit Durgerdam’ (OA 10). Een vroedvrouw van elders dus. Zij volgt Aaltje Pieters op en krijgt in 1680/1681 veertig gulden voor zes maanden dienst. Als tweede vroedvrouw blijft haar inkomen een aantal jaren gehandhaafd op 20.-.- per kwartaal (minder dan haar voorgangster Aaltje ontving), maar dat verandert als Saartje Pieters in 1696 overlijdt. Eegje Jans, dan oudste vroedvrouw van de stad, krijgt op 20 januari 1697 van het stadsbestuur te horen dat haar verzoek om 120 gulden per jaar te mogen ontvangen is ingewiligd. Dat bedrag heeft ze tot haar dood toe jaarlijks ontvangen (OA 12). Moord Dat er ook toen al gruwelijke dingen plaatsvonden, lezen we in de criminele rol. Op 27 september 1707 is er een ‘extraordinaris (buitengewone) reghtdagh’. Terecht staan Stijntie Pieters, 71 jaar en Lijsie Claes, 21 jaar, ‘sijnde in parentagie (verwantschap) grootmoeder en nigte’ (15). Lijsje Claes, op 3 juni 1686 gedoopt, is een dochter van Klaas Volkerts en Annetje Jans die rond 1685 in Monnickendam zijn getrouwd. Wat is het geval? Lijsie Claes is ‘door een onwettige bijslapinge bevrught sijnde op vrijdagh den 26e augusti laestleden van een jonge dochter verlost’. Ik bespaar u de gruwelijke details, maar al voor de geboorte hadden oma en kleindochter beslo105

ten om het kind te laten sterven. Aldus gebeurt. Het dode kindje wordt eerst enkele dagen verborgen gehouden, maar op 29 augustus wordt ‘Eegje de vroedvrouw thuis ontboden, het kind uit de kast ofte kevie (een kast met een getraliede deur waar gewoonlijk eten in werd bewaard) gehaalt en hebben alsoo het kint doot aan de geseijde vroevrouw vertoont’. Eegje ziet echter onmiddellijk dat er iets niet klopt en maakt de zaak aanhangig bij justitie. Het kind wordt vervolgens door een doctor en twee chirurgijns onderzocht. Zij komen tot dezelfde conclusie als de vroedvrouw: moord. De zaak wordt door het gerecht zeer hoog opgenomen. Dit kan niet worden getolereert ‘maar andere ten exempel (voorbeeld), ten hoogsten behoorden te werden gestraft’. Het vonnis luidt dat beiden voor het raadhuis van de stad zullen worden gebracht en daar door de scherprechter met een koord zullen worden gewurgd, todat de dood er op volgt. Daarna zullen de lichamen in alle stilte ter aarde worden besteld. De kosten van het proces zullen worden betaald uit de verkoop van hun bezit. Zo gebeurt het en inderdaad, de namen van de vrouwen komen in het begraafboek niet voor. Vooraf zijn beide met duimschroeven gepijnigd, waarna Lijsje Claes nog alleen aan de tortuur (marteling) is geweest. Lijsje is op 30 augustus en Stijntje Pieters op 8 september 1707 geapprehendeert (gevangen genomen) en de 1e oktober daar aan volgende geëxecuteert, o.a. in het bijzijn van de schepenen Jan Roos en Jan Harckestee. Met zulke verschrikkelijke zaken kon een vroedvrouw dus te maken krijgen. Het zal wel een dieptepunt in Eegjes ambt zijn geweest. Op 4 november 1712 ontvangt de vroedvrouw haar laatste tractement, terwijl op 11 februari 1713 ‘de erfgenamen van Eegje Jans, gewesen vroetvrouw’ nog ƒ 27.10.uitbetaald krijgen (OA 106). Eegje blijkt te zijn overleden en is op 28 januari 1713 in de kerk begraven, rij 59 graf 16. Vroedvrouwen in de 18e eeuw Ook de 18e eeuw levert een reeks vrouwen op die in Monnickendam het ‘ambt’ van vroedvrouw uitoefenen. Een goede opleiding wordt steeds meer noodzakelijk geacht. Ook ontstaat er een nieuwe beroepsgroep, de vroedmeesters. Over hen later meer. 11. Josina Smit (1696-1720) In 1696 staan er kort drie vroedvrouwen op de loonlijst: Saartje Pieters en Gesina Smit die samen ƒ 135.-.- ontvangen en Eegje Jans die 80 gulden voor haar werkzaamheden ontvangt. Zie onder. 106

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

Als Saartje Pieters in 1696 is overleden, wordt ze in datzelfde jaar opgevolgd door Josina, ook wel Josijntje Smit genoemd. Zeer waarschijnlijk komt zij uit een medisch geïnteresseerde familie, want haar zoon, Jan Jansz Post, wordt chirurgijn. Haar aanstelling wordt in de Handtekening Josina Smit boeken niet genoemd, maar in 1696 wordt Josina als lidmaat van de Gereformeerde gemeente ingeschreven. Ze moet van elders zijn gekomen want ze is niet in Monnickendam gedoopt of getrouwd. Uit het huwelijk met haar man, Jan Post, zijn elders tenminste drie kinderen geboren: * Jan, chirurgijn, begraven 6 oktober 1749 in de kerk, rij 20 graf 9, ondertrouwt op 11 mei 1715 in Monnickendam met Eefje Klaas Minnen. Als Eefje op 24 september 1722 is begraven, ondertrouwt Jan op 5 januari 1726 met Grietje Harckestee. * Theodora, begraven 7 december 1750 in de kerk, rij 45, graf 12, ondertrouwt op 9 april 1718 met Lancelot Pieters van Dalen. * Sara, begraven 27 december 1727 in de kerk, rij 48 graf 13, ondertrouwt op 21 november 1716 met Jan Jansz Bakker en na diens overlijden (begraven 27 januari 1719) met Christiaan van Schaatsbergen op 29 september 1721. Josina is aanwezig bij het huwelijk van haar zoon Jan die op zijn beurt als ‘lasthebbende’ van zijn moeder assisteert bij de ondertrouwaangifte van zijn zusters Theodora en Sara. Als zoon Jan met Eva Minnen trouwt, worden er huwelijksvoorwaarden opgesteld. Moeder Josina (er staat Gesina) wordt genoemd ‘laatst weduwe van Dirk Bennebroek’. Zij assisteert haar zoon en ondertekent zelfstandig de notariële akte. In het testament van Jan d.d. 22 oktober 1716 is Josina erfgename, als ze nog in leven is wanneer Jan eerder sterft dan zij. Josina’s man Jan Post is vermoedelijk al overleden als Josina haar aanstelling krijgt. De vroedvrouw ondertrouwt namelijk op 5 januari 1697 met Dirk Jansz. Swaluw uit Ilpendam. Na zijn overlijden volgt er een derde, niet in Monnickendam gesloten, huwelijk met Dirk Bennebroek die op 19 augustus 1714 in Monnickendam wordt begraven. Op 2 januari 1705 vraagt vroedvrouw Josijntje de heren burgemeesters om vrijgesteld te mogen worden van het betalen van de impost op zeep en zout, omdat zij niet in staat is die ‘last’ op te brengen. Dat wordt toegestaan. 107

Josina verdient dertig gulden per kwartaal. Ze heeft bijna 25 jaar als vroedvrouw gewerkt, als ze op 1 januari 1720 in een eigen graf in de kerk wordt begraven, rij 20, graf 9. Dat graf is op 9 mei 1714 door zoon Jan gekocht. Hij betaalt ook de drie gulden impost voor haar begrafenis. Op 5 februari 1720 ontvangen de erfgenamen van Josina Smit nog 2/3 van een kwart jaarsalaris, een bedrag van 20.-.Bijgeloof Bijgelovigheid is van alle tijd. In voorgaande eeuwen hoopten ouders een mooi kind te krijgen door een fraai kinderportret boven het echtelijke bed te hangen. Wanneer een zwangere vrouw schrok, dan zou haar kind wel eens kunnen lijken op de aanleiding van de schrik. Schrikken van een haas kon het krijgen van een kind met een hazenlip tot gevolg hebben. De ontmoeting met een mismaakte kon tot gebreken bij het kind leiden. Zwangerschapslusten – een sterke behoefte naar een bepaald soort voedsel – werd uitgelegd als de wens van het ongeboren kind. En die moest dus worden vervuld om te voorkomen dat de vrucht schade zou oplopen. In Joodse gezinnen leefde de vrees voor Lilith, de moeder van de demonen. Volgens een legende was zij de eerste vrouw van Adam, maar verbannen omdat ze gelijke sexuele rechten had opgeëist. Sindsdien zou Lilith wraak nemen door pasgeboren kinderen te wurgen. In Joodse kraamkamers werden daarom amuletten opgehangen, dikwijls geschreven (bijbel) teksten, waarmee het dreigende gevaar voor Lilith kon worden afgewend. De besnijdenis gaf jongetjes acht dagen na de bevalling bescherming tegen Lilith. Meisjes waren pas na twintig dagen veilig. (Claasje Dirks Koningh) Het memoriaal van de burgemeesters heeft op 8 juni 1713 het bericht dat Claasje Dirks Koningh de heren bekend heeft gemaakt dat zij is beroepen tot vroedvrouw op het eiland Marken (OA 34). Vermoedelijk was Claasje zelfstandig opererend, want ze is geen stadsvroedvrouw geweest. Geboorte en ouders worden in Monnickendam niet vermeld. De burgemeester van Marken vraagt een zogeheten akte van Indemniteit voor Claasjes’ dochter. Een verklaring dat het bestuur van de plaats van herkomst zes jaar verantwoordelijk is voor geldelijke ondersteuning, in het geval er sprake zal zijn van verval tot armoede. Claasje Koningh is, gelet op een vraag van de burgemeester van Marken (zie later), in de eerste helft van 1734 overleden. Omdat echter een groot deel van het oude archief van Marken in de franse tijd door de maire (burgemeester) van Marken is vernietigd, is haar overlijden niet te achterhalen.

108

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

12. Welmoet Pieters Bleij (1713-1757) Op 5 maart 1713 vermelden de Vroedschapresoluties:’Vermits ’t overlijden van Eeghje Jans, ordinaris stadsvroedvrouw, is verstaan, alvorens daar over te disponeren (beschikken regeling treffen), nog eens naar een bequame vroedvrouw te kijken’ (OA 13). Op 2 april is die ‘bequame vroedvrouw’ gevonden en volgt de mededeling: ‘Vermits ’t overlijden van Eeghje Jans, vroedvrouw binnen deze stadt, soo is in desselfs plaats tot vroedvrouw geëligeert en vercoren Welmoet Bleij, wonende tot BiW’ (OA 13). In Broek in Waterland is vroedvrouw Abeltje Jans ‘sieck, oudt en hoog van jaaren’ waardoor de Vroedschap aldaar moet omzien naar een andere vroedvrouw. Er zijn vier kandidaten waaronder Welmoet Pieters. Ze wordt echter niet gekozen. De gelukkige is Alida Bogaart uit Amsterdam die op 15 juni 1713 per schuit uit Amsterdam wordt opgehaald en haar taak begint. Op 8 april bericht de Vroedschap van Broek dat Welmoet Pieters ‘beroepen is te Monnickendam’ (Resolutieboek Broek in Waterland 2). Welmoet moet bij de magistraat een acte van Indemniteit bezorgen, af te geven door de bestuurders van Broek. ‘Bij weijgeringe van soodanigen sal de beroepinge cesseren’ (vervallen). De akte die zij in eerste instantie ontvangt voldoet niet aan de wens van de Vroedschap van Monnickendam, maar na een gesprek tussen de bestuurders van beide plaatsen komt het Akte van Indemniteit voor Welmoet Bleij toch goed. Op 23 april is de gevraagde acte van Broek in Waterland binnen:’Gesien en gelesen hebbende extract van de heren Burgemeesters ende Vroedschappen van de stad Monnickendam, waarbij Welmoet Pieters Bleij, alhier woonagtig, is geëligeerd en verkoren tot haren vroedvrouwe, onder conditie ingevalle sij komt te overlijden en haar kinderen in armoede ofte ongelegentheid mogten komen te geraken, sulke de 109

selve niet konden subsisteren (in eigen onderhoud voorzien), dat alsdan Burgemeester en Vroetschappen tot Broek beloven de gemelde kinderen wederom aan te nemen en te sullen alimenteren. Over sulks verstaan en verklaren wij Burgemeesters en Vroetschappen tot Broek in Waterland dat ingevalle van ’t overlijden van de voornoemde Wellemet Pieters Bleij der selver vier kinderen alhier tot Broek geboren in armoede quamen te geraken dat wij deselve vier kinderen ofte eenige daar het (noodig) mocht zijn, wederom sullen aannemen, onderhouden en in ’t geheel te alimenteren tot onse kosten ende laste. Belovende weledel agtbare heren der stad Monnickendam voorgeschreven, indien gevalle in’t geheel en volkomens van de voorgemelde alimentatie te zullen ontheffen, ontlasten ende bevrijden’. ‘Na collatie (vergelijking van het afschrift met het origineel) is bevonden dat desen met het voorsijde resolutieboek is accorderende (overeenstemt). Broek voornoemd, den 2 Maij 1713, ondertekent door secretaris de Geus.’ Welmoet volgt dus Eeghje Jans als stadsvroedvrouw op en wordt in 1713 als lidmaat van de Gereformeerde kerk ingeschreven. Welmoet is op 30 december 1675 te Broek in Waterland gedoopt, dochter van Pieter Bleij die op 11 juli 1666 in BiW trouwt met Maritje Dirks (Uitdam). Welmoet zelf trouwt op 19 januari 1697 te Broek in Waterland met Jan Teunisz (van Keeren). Zij krijgen tussen 1697 en 1712 acht kinderen waarvan er al vier zijn overleden als Welmoet haar aanstelling krijgt. In Monnickendam worden nog twee jongetjes geboren: * Dirk, dp. 14.11.1713, begr. 24.4.1715 * Dirk, dp. 7.3.1716. Welmoet wist dus uit ruime ervaring wat het betekende om kinderen te baren. Op 8 augustus 1713 ontvangt ze haar eerste kwart jaar- salaris van dertig gulden. In augustus 1737 wordt het tractement verhoogd tot 37.10.- per kwartaal. Inmiddels is haar man Jan Teunis van Keeren overleden, begraven op 28 december 1728. Op 13 december 1752 melden de burgemeesters aan de Vroedschap dat Welmoet Bleij, oudste stadsvroedvrouw ‘door haar hooge jaaren en swacke gestaltenis van lighaam sigh niet langer in staat bevindt om het vroetvrouws ampt naar behoren te bedienen’. Ze wil wel ‘van haar ampt afsien mits behoudende enig tractement ofte dedommagement (een geldelijke ondersteuning als eerbetoon) haar leven langh’. Ook haar collega Geertje Schippers ‘komt al in de jare te schieten en is somtijds swackelijk en sieckelijk’ (OA 16). 110

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

Om moeilijkheden te voorkomen stellen de burgemeesters voor om Welmoet Bleij een jaarlijkse toelage te geven en met spoed om te zien naar een andere bekwame vroedvrouw. Dat advies wordt door de Vroedschap overgenomen. Het is 17 februari 1753 als het Memoriaal vermeldt dat de burgemeesters, met toestemming van de Vroedschap, hebben besloten om vroedvrouw Welmoet Bleij, vanwege haar hoge leeftijd een tractement of pensioen toe te staan van honderd gulden per jaar zo lang ze leeft. Maar wel onder voorwaarde dat ze in de stad niet meer als vroedvrouw zal dienstdoen (OA 35). Een sociaal gebaar van het stadsbestuur voor een vrouw die zo lang haar ambt heeft uitgeoefend. Vanaf 28 april 1753 tot 29 oktober 1757 krijgt ze ieder kwartaal 25,-.- uitbetaald. Welmoet heeft nog ruim vier jaar van haar ‘pensioen’ kunnen genieten als ze in 1757 op 81-jarige leeftijd overlijdt. Op 4 november van dat jaar wordt ze in de kerk begraven, in hetzelfde graf als haar man, grafrij 12 nummer 9. Impost: drie gulden. Een testament, opgemaakt bij notaris Vredenhuijs d.d. 17 februari 1741 nr. 1779, noemt haar zoon Pieter Jans van Keeren/Bleij en haar dochter Maritje Jans v Keeren/Bleij als erfgenamen. Uit een tweede testament, opgemaakt door notaris Kerk, d.d. 30 oktober 1750 nr. 419 blijkt, dat al haar bezittingen naar haar zoon Pieter Jansz van Keeren of Bleij gaan. Welmoet heeft het testament ondertekend, maar de handtekening ziet er wat ‘bibberig’ uit. Als voogden over deze zoon worden Ewout Os en Willem van Dalen aangesteld. De laatste is de man van Welmoets dochter Maritje. Sociale status Waar stonden de vroedvrouwen op de toenmalige sociaal-maatschappelijke ladder? Als we de functies van de 18e eeuwse samenleving in groepen verdelen, dan vinden we de burgemeesters in groep één. In groep twee komen we de advocaat en lector tegen en in groep drie de notaris en de predikant. Een apotheker en architect horen in groep vier thuis, terwijl de chirurgijn en de koster in groep vijf een plaats hebben. Pas dan, in groep zes, komt de vroedvrouw. Haar maatschappelijke niveau is min of meer gelijk aan dat van een organist en schoolmeester/voorzanger (Bron: Ons Erfgoed nr. 1, 2000 blz. 13). 13. Trijntje Cornelis de Wit (1720-1728) Na dit verhaal over Welmoet Bleij gaan we weer terug in de tijd. Op 2 maart 1720 lezen de Vroedschapnotulen: ‘Vermits ’t overlijden van Josina Smidt (1719), vroetvrou dezer stad, desselfs plaets sijnde komen te vaceeren, soo is bij eenparigheijt van stemmen in desselfs plaetse tot vroetvrou geëligeert en vercooren Trijntje Cornelis de Widt, tegenwoordig vroedvrou tot Durgerdam’ (OA 13). 111

Trijntje de Wit, alias Trijntje Moer (afkorting van (vroed)moeder), volgt de eind 1719 overleden Josina Smit op en wordt in dat jaar als Gereformeerd lidmaat ingeschreven, gekomen van Durgerdam. Op 10 mei 1720, als ze twee maanden in functie is, krijgt ze twintig gulden uitbetaald en daarna 30 gulden per kwartaal, voor het laatst in 1728. Een laatste bijdrage van Ć’ 20,-, wordt geboekt op 1 april 1728, terwijl in mei 1728 de erven van Trijntje Cornelis de Wit een bedrag van 25 gulden

112

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

ontvangen. Trijntje blijkt te zijn overleden en is op 14 april 1728 in de kerk begraven, grafrij 11, graf 6. Een huwelijk en/of kinderen heb ik van Trijntje in Monnickendam niet gevonden. Kijk op een bevalling Er werd eerder in de geschiedenis soms op een merkwaardige manier naar een bevalling gekeken. Hulpmiddelen kwamen er niet aan te pas. Een kind moest zich, zo dacht men, net als een kuiken uit het ei, zelfstandig een weg naar buiten banen. Bij een moeizame baring werd het kind dan ook aangemoedigd naar buiten te komen. Daartoe werden deuren, kasten en kisten in het huis opengezet en allerlei lekker ruikende spijzen klaargemaakt om het te ‘lokken’. Ging het kind toch dood, dan was het blijkbaar in een slechte conditie. 14. Anna Gerkes (1728-1733) Op 11 juli 1728 komt de opvolging van Trijntje de Wit aan de orde ‘of men niet een ander bequame vroedvrouw aan soude stellen’ (OA 14). De uitkomst van het overleg tussen Vroedschap en Burgemeesters (er waren er altijd vier tegelijk in functie) is, dat de laatsten deze kwestie zelfstandig mogen regelen. De opvolging wordt in het Memoriaal van de burgemeesters d.d. 13 juli zó genoteerd: ‘De heren burgemeesters hebben, ingevolge de qualificatie van de heren van de Vroetschap van dato 11 july 1728, tot stadsvroetvrouw voor en in plaats van Trijntje Cornelis de Wit welke overleden is, aangestelt Anna Kuijtert, vroetvrouw van Wieringen’ (OA 34). Anna Gerkes was getrouwd met Hendrik Reijers Kuijtert. Beiden worden in 1728 als Gereformeerd lidmaat van Monnickendam ingeschreven, gekomen van Hippolytushoef op het toenmalige eiland Wieringen. De mogelijke ouders van Hendrik Kuijters zijn Cornelis Hendrik Cuijtert en Aaltje Weert, Gereformeerd lidmaat van Wieringen/Hippolytushoef in 1697. Mogelijke broers: Jan Reijers Kuijtert, trouwt Hippolytushoef 9.8.1716 Neeltje Jacobs. Jacob Reijers Kuijtert, trouwt Hippolytushoef 24.12.1724 Antje Douwes. Misschien kwam Anna oorspronkelijk van Terschelling. Daar woonde Jacob Gerkes aan boord van een schip de ‘juffrouw Johanna’. Op 24 maart 1729 wordt er in Monnickendam een zoon, Reijer, gedoopt. Hendrik Kuijters overlijdt in 1731. De impost van 3,-.- wordt door Anna betaald. Op 20 mei 1732 wordt er een kind van Anna begraven, waarschijnlijk de zojuist genoemde Reijer. Anna krijgt voor haar werkzaamheden dertig gulden per kwartaal. De laatste betaling vindt plaats op 1 november 1732. Op 6 februari 1733 ontvangen de voogden over het kind van Anna Kuijters nog dertig gulden. 113

Anna overlijdt begin 1733 en wordt op de 10e januari in de kerk begraven, grafrij 24, graf 6. Impost: drie gulden. Op de dag van de begrafenis worden er over een onmondig dochtertje van Anna Gerkens enkele voogden aangesteld. Het meisje heet Johanna Hundert, is dertien jaar en waarschijnlijk een dochter uit een eerder huwelijk. De voogden zijn een oom Hendrik uit Amsterdam en de oud-schepenen Gerrit Lakeman en Roelof de Leeuw, regenten van het weeshuis. Het huis en de inboedel van Anna zullen worden verkocht. Vermoedelijk is dit meisje lang ziek geweest, want over de periode 1 augustus 1732 tot 1 februari 1733 moet aan dokter de Leeuw negentig gulden worden betaald. Johanna is veertien jaar als ze op 24 juli 1734 in de kerk wordt begraven. Omdat ze niet getrouwd is geweest moet er dubbel begraaftarief worden betaald, dat is zes gulden. Voogd Lakeman heeft daarvoor gezorgd (ORA 3601). 15. Geertje Gerrits Schipper (1733-1755) Op 1 februari vermelden de Vroedschapresoluties: ‘Dewijl Anna Kuijters, stadsvroedvrou is komen te overlijden of men niet een andere vroedvrou in desselfs plaats sou aanstellen’. Dat gebeurt en de keus valt op Geertje Gerrits Schipper van Ouderkerk ‘gelijk desselve tot vroetvrou wert aangestelt bij dese – op een gewoonlijk tractement 120 gulden ’s jaars’ (OA 14). Dus weer iemand van elders. Geertje begint in februari 1733, het jaar dat zij, samen met haar man Jurrijn van Schouwenburg, als lidmaat van de Gereformeerde gemeente wordt ingeschreven, met attestatie gekomen van Ouderkerk. Evenals haar collega Welmoet, ontvangt Geertje Schipper 30 gulden per kwartaal, maar in augustus 1744 wordt dat verhoogd tot 37.10.Marken Op 1 mei 1734 meldt de president-burgemeester dat er op Marken geen vroedvrouw is en ‘dat soo er een vroedvrou aldaar wert gerequireerd dat deselve wel sal mogen gaan na Marken, doch eer en alvorens aan de eerste burgemeester in de stad sijnde, te versoeken en daaraf kennisse te geven alsmede te kennen bij de andere vroetvrouw of sij in de stad blijfe’ (OA 35). Welmoet Bleij of Geertje Schipper kunnen dus kraamvrouwen op het eiland Marken bijstaan, mits ze tijdig melden dat ze buiten de stad verblijven. Op 10 augustus 1749 wordt weduwe Elisabeth Vonk uit Ouderkerk aan de Amstel als vroedvrouw op het eiland aangesteld. Per 1 mei 1791 is Cornelia Koorn, de huisvrouw van Jacob Jans Teerhuijs de vroedvrouw (Gemeente-archief Marken).

114

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

Geertje wordt regelmatig als doopgetuige genoemd, zeer waarschijnlijk bij kinderen die zij ‘gehaald’ heeft. In 1749 woont deze vroedvrouw, volgens het verpondingsregister, met een kind op nummer 611. Haar man Jurrijn wordt niet genoemd. Volgens het lidmatenboek is hij in 1755 overleden, maar in het begraafboek van Monnickendam komt zijn naam niet voor. Kerkelijke rel Geertje Schipper speelt nog een, zij het bescheiden, rol bij een kerkelijke rel die halverwege de 18e eeuw heeft geleid tot de afzetting van Ds. Keppel. Wat was het geval? Bij de doop is het gebruikelijk dat de ouders (kunnen ook de peetouders zijn) die het kind ten doop houden, enkele vragen gesteld krijgen over hun betrokkenheid bij de kerk en de bereidheid het kind op te voeden in het christelijk geloof. Ds. Keppel (en hij niet alleen) is van mening dat alleen ouders, die zelf belijdende leden van de kerk zijn, zulke vragen kunnen beantwoorden. Maar de kerkenraad is het daar niet mee eens. Op donderdagavond 18 oktober 1742 is er in de grote Sint-Nicolaaskerk een avonddienst die door Ds. Keppel wordt geleid, met als ouderlingen Pieter Aker en Pieter Engel. Als de bediening van de doop zal plaatsvinden, komt vader Pieter van der Leeg van de Zedde, op 16 november 1737 ondertrouwd met Maritje Martens uit Edam, met zijn pasgeboren kind Dorothea naar het zogeheten doophuis in de kerk (de ruimte binnen het doophek). Ene Maritje Pieters, eveneens van de Sed, zal als doopgetuige optreden. De Vroedschapresolutie d.d. 21 november 1742, waar deze geschiedenis is genotuleerd, noemt deze mensen ‘brave, deftige persoonen staande ter goeder naam en faam’ (OA 15). De predikant vraagt of vader Pieter en de doopgetuige lidmaat van de gemeente zijn. Het antwoord is ontkennend, waarop Ds. Keppel weigert de doop te bedienen. Maritje Pieters loopt dan snel de kerk uit en haalt Geertje de vroedvrouw op, die wel lidmaat is. Ds. Keppel spreekt na het dopen van het kind ‘met stijve woorden tot Geertje de vroetvrouw, dat nu den swarigheijt op haar was’. De vader verklaarde later, ten huize van Trijntje Sijmons Spar, ‘dat hij nogh soo ontstelt was, dat er geen lidt van sijn lijff stil stond’ (OA 15). Dorothea is dus toch gedoopt, maar voor maart 1744 overleden. De gebeurtenis heeft heel wat stof doen opwaaien en gevolgen gehad voor de dominee, maar dat kunt u elders lezen (16). Geertje Schipper krijgt op 1 februari 1755 voor het laatst haar kwart jaar tractement uitbetaald. Op 28 maart 1755 wordt ze begraven in de kerk, rij 37 graf 3. Impost 3,-.-.

115

(Lijsbet Jacobs Meeuwis) In het Gereformeerd lidmatenboek (1739) wordt nog een, vermoedelijk zelfstandig werkende, vroedvrouw genoemd. Ze komt niet voor in de betalingen van de stadsthesaurier. Het is Lijsbet Jacobs Meeuwis, gereformeerd lidmaat in 1739, op 6 april 1743 ondertrouwd met Jasper Kartens Kolder, lidmaat 1743, die op 7 april 1720 in de Gereformeerde kerk wordt gedoopt als zoon van Karten Jaspers (Kolder) en Trijntje Cornelis. Jaspers grootvader is jarenlang vuilnisman in Monnickendam geweest en vanaf 1692 ook opsteker en schoonhouder van de lantaarns in de stad. In Monnickendam worden van dit echtpaar vier kinderen gedoopt die alle vier jong overlijden: * Karten, dp. 1.9.1743, begraven 12.10.1743 * Lijsbet, dp. 13.10.1746, begraven 2.1.1747 * Lijsbet, dp. 2.10.1749, begraven 17.7.1752 * Karten, dp. 4.6.1752, begraven 24.3.1753 Samen met haar man vertrekt Lijsbeth in 1755 naar Middelie. Misschien heeft haar vertrek te maken met het feit dat niet zij, maar Jannetje Baars (zie onder) tot nieuwe stadsvroedvrouw is gekozen. In Middelie worden Jasper en Lijsbet op 28 januari 1756 als lidmaat ingeschreven, met attestatie gekomen van Monnickendam. Bevolking van Monnickendam Vergeleken met een eeuw eerder is de bevolking van Monnickendam in de tweede helft van de 17e eeuw en de eerste helft van de 18e eeuw sterk afgenomen. Rond 1750 telt Monnickendam nog maar zo’n 2000 inwoners (17), maar er blijven twee vroedvrouwen werkzaam. 16. Jannetje Baars Hogerbeets (1753-1758) ‘De heren burgemeesters hebben tot vroedvrouw binnen deze stad beroepen Jannetje Baars, thans vroedvrouw op het eiland Marken, tegen een tractement van ƒ 120.-.- per jaar, ‘op conditie solange één van de vroetvrouwe nu binnen dese stad sijnde in leven sijn en wanneer een van deselve voor haar mogte te komen overlijden, dat alsdan in het volle tractement van 150.-.-gulden sal komen in te vallen’, 17 februari 1753 (OA 35). Het Gereformeerd lidmatenboek noemt haar Jannetje Baars Hogerbeets, getrouwd met Klaas Jacobsz Hagel. Op het eiland Marken woonden ze in de Kerkbuurt.

116

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

In Monnickendam zijn geen kinderen geboren, maar wel is Jannetje Hogerbeets vier keer doopgetuige: op 4 juli 1754 bij Tietje Haring, op 26 november 1754 bij Adriaaantje Gojewijn, op 2 maart 1755 bij Adolf Klant en op 27 januari 1757 bij Hendrikje Melchers. De vroedvrouw ontvangt volgens afspraak 120 gulden per jaar, maar op 12 oktober 1754 bespreken de burgemeesters haar financiële positie. Jannetje heeft namelijk een verzoek uit Krommenie ontvangen om daar als vroedvrouw te komen werken. Heel slim laat ze het stadsbestuur weten, dat ze daar wel op in wil gaan. Maar als haar salaris met ƒ 30,- per jaar wordt verhoogd, dan blijft ze in Monnickendam. De burgemeesters willen haar blijkbaar niet kwijt en dus krijgt ze er vanf 1 november 1754 inderdaad 30 gulden bij (OA 35). Maar vier jaar later vertrekt Jannetje toch uit Monnickendam. Het memoriaal van de burgemeesters zegt het op 26 augustus 1758 zó: ‘Jannetje Baars, vroetvrouw binnen dese Stads heeft aan de Heer president burgemeester Minnen te kennen gegeven dat sij voornemens is als vroetvrouw te vertrekken naar Jisp en vervolgens haar ampt hier te quiteren’ (op te geven) (OA 36). Aldus gebeurt. Op 29 juli 1758 ontvangt ze haar laatste kwartjaar tractement van ƒ 37.10.- Op 3 juli 1758 worden Klaas en Jannetje als Gereformeerd lidmaat van Jisp ingeschreven, gekomen met attestatie van Monnickendam. Verlostang Verloskundigen vandaag beschikken over diverse hulpmiddelen om een bevalling zo goed mogelijk te laten verlopen. Maar hoe was dat vroeger? Al in de tweede helft van de 17e eeuw is de forceps (verlostang), uitgevonden door de Britse vroedmeester Peter Chamberlen (1601-1683). De verlostang werd echter in het diepste geheim gehanteerd, bang als de vroedmeesters waren dat de vinding zou worden nagemaakt. Dat sommige kraamvrouwen daardoor onnodig stierven was blijkbaar minder belangrijk. Een man die deze geheimzinnigheid heeft doorbroken is Jan Palfijn, meesterchirurgijn, lector in de ontleedkunde en vroedmeester in Gent. Hij ontwierp in 1723 een verlostang die ‘de ijzeren handen’ werd genoemd en waarvan steeds betere versies werden gemaakt.

117

Toen in de loop van de 18e eeuw de verlostang eindelijk een vaste plaats in de verloskunde begon te krijgen, waren het alleen de vroedmeesters die er mee mochten werken. Nog in 1865 werd dat wettelijk herbevestigd. Een jammerlijke ontwikkeling, want er hadden heel wat levens gespaard kunnen worden als ook vroedvrouwen de verlostang hadden mogen hanteren. 17. Maritje Teunis van Zoomeren (1755-1780) Geertje Gerrits Schipper wordt in 1755 opgevolgd door Maritje Teunis van Zoomeren. ‘De heren burJan Palfijn gemeesters hebben tot stadsvroedvrouw aangesteld, Maritje Teunis, vroedvrouw van Oosthuijsen, op jaarlijks tractement van honderd en vijftigh gulden, in te gaan op 1 oktober 1755 en te betalen alle vierendeels jaars een somma van ƒ 37.10.-’ (OA 35). Die betalingen worden door de thesaurier geboekt op 1 november, 1 februari, 1 mei en 1 augustus. Samen met haar echtgenoot Gerrit Klaas Hondius, wordt ze in november 1755 als lidmaat van de Gereformeerde kerk ingeschreven. Gerrit en Maritje hebben al kinderen waarvan er enkele in Monnickendam trouwen: * Klaas, vermoedelijk op 28 maart 1767 met Jannetje Klaas Wagter * Weijntje op 13 juni 1772 met Dirk Broersse * Teunis op 21 april 1770 met Iefje Stil. * Teunis (weduwnaar, 2) in 1772 met Geertje Fris, begraven 27 december 1778 * Teunis (weduwnaar, 3) in 1779 met weduwe Trijntje Kooper uit Zuiderwoude, begraven 30 mei 1780. * Teunis (weduwnaar, 4) in 1781 met Aaltje Poulus Meij, begraven 19 oktober 1808 Maritje Teunis is actief tot 1780. Op 1 augustus van dat jaar ontvangt ze haar laatste kwartaaltractement van ƒ 37.10.- terwijl ze op 1 november nog een soort ‘pensioen’ van 25 gulden krijgt. Vermoedelijk was ze ziek, want Maritje wordt op 28 december 1780 in de kerk begraven, rij 36 graf 9. Haar man Gerrit Hondius overleeft haar vier jaar en wordt op 11 december 1784, eveneens in de kerk begraven, rij 30 graf 8. De eed Vroedvrouwen moesten bij het stadsbestuur een eed afleggen. Dat gebeurde al voor 1700. Ik heb de tekst die in Monnickendam werd gebruikt niet gevonden. 118

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

Hier volgt echter de tekst die een vroedvrouw in Breskens in 1760 moest afleggen. ‘Ik (naam) in de qualiteyt als geadmitteerde vroetvrouw belove en sweere (volgen de namen van de stadsoverheid) getrouw en gehoorsaam te sijn, en met alle mogelijk voorsigtigheijd de barende vrouwen te assisteren, bij te staen, en te helpen, en van de onegte kinderen, die ik mogt komen te ontfangen, kennis te geven aan (volgt de naam van de stadsbestuurders) en voorts in alle gevallen mijn ampt als vroedvrouw in aller goede trouwe na conscientie (geweten) waer te nemen, zoo waerlijck helpe mij God Almagtig’ (Oud Archief Breskens nr. 23 fol. 8). 18. Geertje Karssen (1758-1791) Een bericht in de Memorialen van de burgemeesters d.d. 4 november 1758 luidt: ‘Gerretie Karssen als door heren burgemeesteren aangesteld als stadsvroetvrouw binnen dese Stad, dewelke sij bij missieve van dato den 16 oktober 1758 op sekere conditien bij deselve gestipuleert was beroepen, heeft aan deselve ten genoegen van de burgemeester voldaan en ten dien eijnde overgegeven ene acte ofte verklaring van burgemeester en raad der stad Harderwijk van dato 23 oktober 1758, zorgende dat heren agtbare burgemeesters sullen sorg dragen dat haar man, Frank Desemer, niet tot laste van de Stadt Monnickendam of te Diaconie laste sal komen. Gerretie heeft 5 doopcelen van haar kinderen overhandigd die alle ‘tot Harderwijk geboren en gedoopt zijn’ (OA 36). Vroedvrouw Geertje Karssen kwam dus uit Harderwijk en wordt in 1758, met attestatie van Harderwijk, te Monnickendam als Gereformeerd lidmaat ingeschreven. Haar man was geen lid. Geertje is voor 1745 getrouwd, want een dochter, Geertje Franke Desemer) wordt in 1767 tot lidmaat van de Gereformeerde gemeente aangenomen. Ze ondertrouwt op 8 april 1769 met Jan Willem Schols uit Hannover en gaat wonen in de Purmer. Twee kinderen van dit echtpaar, Trijntje en Jan zijn in 1786 nog in leven. Geertje Franke Desemer wordt op 17 oktober 1808 in de kerk begraven, grafrij 29/10, 63 jaar oud. Jan Willems Schols is op 11 augustus 1775 begraven. Een andere dochter, Gerritje, wordt genoemd in een testament van vroedvrouw Geertje d.d. 12 mei 1778. In een tweede testament van 14 november 1786 blijkt deze Gerritje al te zijn overleden (NOT 3546 en 3549). Vanaf 1 februari 1759 tot 1780 ontvangt Geertje het gebruikelijke tractement van 150 gulden per jaar. Het is 22 januari 1780 als ‘de heren burgemeesters te kennen geven dat de twee stadsvroedvrouwen door hooge jaaren en swak ligchaam (...) niet langer in staat waren om die post als vroedvrouw naar behoren te kunnen waarnemen en bedienen en het hoog nodig is om verdere ongelukken en ‘swarigheden’ voor de burgemeesters te voorkomen er spoedig voorzieningen werden gemaakt’ (OA 18). 119

Omdat echter Maritje Teunis van Zoomeren plotseling overlijdt, wordt Geertje Karssen gevraagd om haar werkzaamheden toch nog maar voort te zetten, zo blijkt op 22 september 1781: ‘Op voorstel van de heren burgemeesters, met verwijzing naar de resolutie van 22 januari 1780, zal Geertje Karstens stadsvroedvrouw wederom te doen genieten haar volle tractement (150,-.- per jaar) te beginnen vanaf dezes en sulks door dien Maretje Teunis is komen te overlijden en dat men bij provisie (voorziening) met het beroepen van een derde vroedvrouw zal supercederen’ (nalaten)’ (OA 18). Geertje heeft nog tien! jaar haar ambt uitgeoefend, als de burgemeesters op 9 oktober 1790 laten notuleren: ‘Als ook het aanstellen van een derde vroetvrouw in plaats van Geertje Karssen die door ouderdom buijten staat meerdere dienst te kunnen doen’ (OA 38). Op 6 november 1790 leest het Memoriaal:’Ingevolge de genomen resolutie van burgemeesters en Vroedschap dezer Stad in dato 30 oktober 1790 hebben burgemeesters, na voorgaande deliberatie (overleg) goedgevonden en verstaan een derde stadsvroetvrouw te beroepen op een tractement van 100 gulden jaars, waartoe Geertje Karssen 50 gulden van haar jaarlijks vast tractement zal contribueren (bijdragen) en de andere 50 gulden door de stad zal worden betaalt’ (OA 38). Geertje moet dan al zo’n 70 à 80 jaar geweest zijn. Heel sociaal krijgt ze een soort pensioen: vanaf 1791 tot aan haar dood elk kwartaal 25 gulden, op 30 juni 1798 voor het laatst. De vroedvrouw wordt op 27 oktober 1798 begraven in een eigen graf in de kerk, grafrij 17 nummer 9, vermoedelijk tussen de 75 en 80 jaar oud. Het overlijden van haar echtgenoot heb ik niet gevonden. 19. Sijbrigje Jans Schoorl (1780-1797) 8 juli 1780: ‘Heren burgemeesters hebben ingevolge qualificatie van de heren Vroedschap tot derde vroedvrouw op een tractement van ƒ 150,-.- jaarlijks binnen dese stad aangesteld, de persoon van Sijbregje Jans Schoorl, huisvrouw van Pieter Hoek’. Sijbrigje is op 19 maart 1747 in Hem gedoopt, dochter van Seger Hoek en Antje Kieftens (OA 18). Beiden worden in 1781 als Gereformeerd lidmaat van Monnickendam ingeschreven, gekomen van Hem onder Enkhuizen. Sijbrigje begint haar werkzaamheden op 1 augustus 1780 en is stadsvroedvrouw tot 1797 tegen een tractement van ƒ 37.10.- per kwartaal. Overspel Sijbregje Jans komen we tegen in de Criminele rol, zij het in positieve zin. Wat is het geval? De 42-jarige Beertje Cornelis Wolman, de vrouw van Cornelis Slot, is tijdens de afwezigheid van haar man, die twee jaar in het buitenland verblijft, op 26 augustus 1795 bevallen van een zoon, verwekt door ene Harmen Wiggers (Bakker), knecht bij de heer Dirk de Leeuw. 120

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

Het kind wordt Jan genoemd, is op 17 september 1795 gedoopt. Deze Jan is op 25 juli 1841 in Monnickendam ongehuwd overleden. Beertje Martinus Wolman of Wolleman, gedoopt op 18 februari 1755 is de dochter van wachtmeester/stadsmajoor Martinus Wolman uit Edam, op 16 juli 1746 ondertrouwt met Geertje Jans Bolman. Cornelis Slot, geboren rond 1742, is de zoon van Pieter Slot en Jannetje Jochems, beiden uit Edam. Het echtpaar is in 1779 in Monnickendam komen wonen. Deze buitenechtelijke geboorte ligt op 19 september 1795 bij de schepenen op tafel. De zaak wordt onderzocht en als overspel aangemerkt. Beertje wordt genoemd ‘eerloos, infaam, meinedig en in capabel om enig officie binnen deze landen te bedienen’. Haar straf luidt: tien jaar verbanning uit de provincie Holland. De boedel wordt op vrijdag 23 oktober 1795 door de stadsbodes verkocht. Van de opbrengst, een bedrag van 138.14.8 – worden alle gemaakte kosten betaald (18). Overeenkomstig haar instructies heeft Sijbregje Jans de geboorte van dit ‘onegte kind’ aan de stadsbestuurders gemeld. De naam van de vader, Harmen Wiggers dus, is daarbij door de moeder, in tegenwoordigheid van getuigen, genoemd. Een kist van Harmen Wiggers, die in het huis van Beertje Martinus staat, is in beslag genomen en naar het stadhuis overgebracht. In de kist zitten vijf hemden, een pak mouwen, een strop, oud rokje en broek, mouwknoopjes, een slaapmutsje met prullen, kruithoorn, spiegeltje en drie boekjes. Harmen zelf blijkt echter buiten de stad te zijn en is, ondanks vier oproepen, niet op komen dagen. Hij wordt bij verstek veroordeeld. Ook hij wordt ‘eerloos, mijnedig’ genoemd en ‘incapabel om enig officie te mogen bedienen’. De straf is zes jaar verbanning uit de stad en de jurisdictie van Monnickendam. Beertje is, toen de tien jaar verbanning om waren, teruggekomen. Ze is 59 jaar als ze op 25 maart 1815 op het Noordeinde in Monnickendam overlijdt. Cornelis Slot, veerschipper van beroep en inmiddels 79 jaar, trouwt op 22 juli 1821 met de 55-jarige weduwe Sijtje Muts, net Als Cornelis uit Edam afkomstig. Terug naar het verhaal over vroedvrouw Sijbrigje. Ze wordt op 1 april 1797 in de kerk begraven, grafrij 56 nummer 15. Pieter Hoek hertrouwt op 19 augustus 1798 in Monnickendam met Trijntje Hendriks Alders, Gereformeerd lidmaat in 1801, dochter van Hendrik Alders uit Edam, op 12 november 1744 ondertrouwd met Elisabeth Somer. Zij krijgen een dochter, Naatje, gedoopt op 6 maart 1803. Trijntje overlijdt aan de gevolgen van de bevalling en wordt op 21 maart 1803 begraven. Pieter Hoek trouwt dan voor de derde keer, op 6 augustus 1808 met weduwe 121

Trijntje de Waal uit Hoorn, Gereformeerd lidmaat in 1790. Ook dat huwelijk duurt maar kort, want deze Trijntje overlijdt op 45-jarige leeftijd aan borstkanker en wordt in juni 1810 in Monnickendam begraven, nog voor haar man dus. Pieter Hoek overlijdt aan verval van krachten op 2 november 1811 en wordt de 4e november op het kerkhof begraven, 64 jaar oud. Naatje, de dochter uit het tweede huwelijk, komt op 7 november 1811 in het weeshuis terecht. Ze staat in 1818 op de lijst om naar de Kolonie van Weldadigheid te Frederiksoord (Drente) te worden overgebracht, maar dat is niet doorgegaan. Mogelijk was ze daarvoor te zwak want Annaatje overlijdt 15 oktober 1820 en wordt de 20e begraven, nog maar 17 jaar oud. Franse tijd Het laatste kwart van de 18e eeuw wordt gekenmerkt door een stevige polarisatie tussen de Patriotten en de Oranje-aanhangers. Er komt een politieke omwenteling als de Fransen ons land binnenvallen en door de Patriotten als bevrijders worden begroet. De mensen worden aangesproken als medeburgers. Het stadsbestuur gaat municipaliteit heten en de eerste jaren wordt berichtgeving voorafgegaan door de woorden van de Franse Revolutie: Vrijheid, gelijkheid en broederschap. Brieven worden gedateerd in het xxjaar van de Bataafse vrijheid (19). Maar ondanks alle politieke veranderingen blijven vrouwen kinderen ter wereld brengen. Dus is er altijd werk voor vroedvrouwen. Sollicitaties In het laatste kwart van de 18e eeuw zien we steeds vaker dat er naar de functie van vroedvrouw gesolliciteerd kan worden. Daartoe wordt er in verschillende kranten een advertentie geplaatst. Op 29 maart 1797 notuleert de secretaris: ‘De president geeft de vergadering kennis, het overlijden van Sijbregje Jans Schoorl, in leven vroedvrouw alhier en tevens dat deszelfs dochter Antje Hoek zig als sollicitante heeft aangemeld. Is geresolveerd (besloten) de gewone advertentien van deze vacature in de Amsterdamsche en Haarlemsche Couranten te doen en de sollicitanten uit te noodigen voor of uiterlijk op den 22 april aanstaande.’ (OA 25). Aldus gebeurt en er komen sollicitaties binnen van Maria van Sloten, West-Zaandam; Elisabeth van Beek, Zutphen; Elisabeth Meijer, Amsterdam; A.M. Christiaans op het oorlogsschip Monnickendam, leggende op de reede van Texel; de weduwe Durant, Amsterdam; Aaltje van der Keer, geb. Koenraads, Amsterdam, thans op het oorlogsschip Mars op de reede van Texel. Eén man is zelfs speciaal naar Monnickendam gekomen om zijn vrouw aan te bevelen: ‘Nog compareerde Willem Schuitemaker wonende te Hoogkarspel, verzoekende voor zijn huisvrouw Trijntje Burgers te mogen worden begunstigd met de vacante vroedvrouwsplaats’. 122

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

Op 22 april worden alle sollicitanten onder de loep genomen, aangevuld met Grietje Sijmons Boorder uit Zaandijk en Maria Kaal uit Nootdorp. Besloten wordt om informatie in te winnen over de weduwe Durant, Elisabet Meijer, Geertje Sijmons Boorder, Maria Kaal en Elisabeth van Beek. Zes mei vermelden de notulen: ‘Over Grietje Sijmons Boorder, één van de vijf genomineerden, is zeer goede informatie binnen gekomen. Ze zal worden verzocht om over acht dagen voor deze vergadering te verschijnen met bewijzen van haar bekwaamheid’. Grietje komt op 13 mei naar Monnickendam ‘welke na goede ingekomen informatien en na de vertoning van diverse attestatien is aangesteld tot stadsvroedvrouw in plaats van Sybregje Schoorl’. De opvolging lijkt in kannen en kruiken, maar twee weken later bedankt Grietje Boorder per brief voor haar beroeping. Onmiddellijk wordt Maria Kaal uit Nootdorp aangeschreven. Zij is op 3 juni ter vergadering aanwezig ‘betuigende die beroeping dankbaar aan te nemen en overgevende een bewijs van goed gedrag’. Haar verhaal volgt verderop. Alimentatie Het verwekken van een buitenechtelijk kind had financiële gevolgen. Sijtje Karsten Kemper, weduwe van Adriaan Dirks Roos, begraven 17 januari 1792, heeft op 16 januari 1795 een zoon gekregen, verwekt door een minderjarige zoon van Christoffel Meijer, te weten Christiaan (officiëel Hendrik Christoffel). De vader van deze jongen wordt veroordeeld tot het betalen van ƒ 150,- kraamgeld en ook nog twee gulden per week tot het kind 18 jaar is. Sijtje en Christiaan zijn op 21 juni 1795 met elkaar getrouwd en hebben nog drie kinderen gekregen. 20. Adriana Reetgeld (1790-1796) Omdat, zoals we eerder zagen, Geertje Karssen haar werk als vroedvrouw niet meer kan doen, is er behoefte aan een opvolgster. ‘De heren secretarissen worden verzocht om deze vacature via verschillende couranten bekend te maken’. Op 13 november 1790 blijken er twee dames te hebben gesolliciteerd: Adriana Reetgeld, huisvrouw van Jan de Jong te Uijtgeest en Femmetje Rietvorst, huisvrouw van Gerrit Visser, uit Huijzen. ‘Alvorens te disponeeren (de zaak regelen) sullen beide genoemden naar haar gedrag en begaafdheden worden geëxamineert’ (OA 39). Adriana Reetgeld wordt de 18e november gekozen:’Uit de bevorens geformeerde nominatien is door burgemeesters beroepen tot derde stadsvroedvrouw: Adriana Reetgeld, huisvrouw van Jan de Jong, tot Uijtgeest’. Op 24 december 1790 heeft zij in handen van burgemeesters ‘de burger eed gedaan en afgelegd, waarbij ze per123

sisteert bij de eed op de Constitutie op haar vroegere standplaats reeds gepresteert’ (OA 24). Op 1 augustus 1791 ontvangt ze een half jaar tractement, vijftig gulden. Dat blijft de volgende jaren ook zo, want ze is immers niet de eerste vroedvrouw. Adriana is met haar man in 1791 in de gemeente van Monnickendam ingeschreven, gekomen van Uitgeest. Ze is voor 1787 met Jan de Jong getrouwd, want in dat jaar wordt er een dochter Grietje geboren. Adriana is in 1762 te ’s Graveland geboren, dochter van Dirk Reetgeld die op 15 april 1752 trouwt met Hendrikje Tromp, gedoopt in ’s Graveland op 6 februari 1726, dochter van Willem Lambert Tromp en Ariaantje Cornelis Rechtuijt. In Monnicken worden ook kinderen geboren: * Hendrina, doop 26 juni 1791, begraven 22 september 1791 * Sophia Cornelia, geboren 2 januari, doop 10 januari 1793, ovl. Assendelft 30 maart 1827. Zij trouwt op 10 oktober 1824 te Assendelft met Laurentius Snijder uit Wormerveer (geboren 1799), zoon van Lourens Snijder en Grietje Berenberg. Adriana Reetgeld is een jaar of vijf werkzaam geweest, als er op 14 mei 1796 genotuleerd wordt: ‘Compareert Adriana Reetgeld, vroedvrouw binnen deze stad, meedelende dat zij beroepen was te Ursum en dat zij voornemens was te vertrekken, bedankende de vergadering voor derzelver protectie (steun) jegens haar’ (OA 24). Op 28 augustus 1796 vertrek het echtpaar naar Ursem waar in 1798 een zoon Dirk wordt geboren. Deze Dirk trouwt in 1821 te Hensbroek met Jantje Met. In Ursem is Jan de Jong overleden, mogelijk in 1813. Adriana Reetgeld is weduwe en ruim 85 jaar als zij op 10 april 1847 in Ursum overlijdt. Alweer sollicitanten De vroedvrouwplaats is vacant geworden en dat betekent dat er weer gesolliciteerd kan worden. Op 28 mei 1796 hebben de volgende dames zich gemeld: * Petronella Cloen, huisvrouw van Sjakes de Vries uit Hoorn, 30 jr. * Anna Maria Maasland uit Amstelveen * De vrouw van J.G. Pfeil. chirurgijn te Alphen. * Helena Baunge, geboren Rietmulder te Leimuiden * E.J. Preetman te Koudekerk. Op 4 juni 1796 wordt genotuleerd dat bij de burger Claus (lid van het stadsbestuur) ‘recommandatie (aanbeveling) en gunstig berigt omtrent zekere Cornelia Orth in ’s Gravenhage, 25 jaar, getrouwd met zekere C.W. Faber, solliciterende naar de vacante vroedvrouwsplaats’ (OA 24). ‘Aan Claus zal worden gesegd dat genoemde Cornelia Orth zich tot de vergadering gelieve te keeren’. Inmiddels blijken er nog meer vrouwen te hebben gesolliciteerd: 124

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

* Rhijnoutje Schoor in de Diemermeer; A.B. Beens-Kienhorst van Oldenhove bij Elburg; de vrouw van Jan Hulshoff, chirurgijn te Diemerbrug; Afke Ariens te Grootschermer; Hester Teenwedden-van Kessel uit Culemborg en Maria Schuning te Lisse. Op 11 juni wordt het lijstje aangevuld met de huisvrouw van Willem Snijders, logerende te Rotterdam en G. Vulders-Brassart te Ravesteijn. 21. Cornelia Orth (1796-1802) ‘Is geresolveerd over die vacante plaats te disponeren (regelen) en vermits Cornelia Orth uit De Haag thans hier present is van allerloflijkst getuigschriften is voorzien en een zeer geschikt voorkomen heeft, zo is geresolveerd haar te doen compareren hetwelk geschied zijnde, is derhalve met de vacerende vroedvrouwplaats begunstigd en haar verzogt ten spoedigste met haar huisgezin over te komen, dewelke met dankbetuiging de aanstelling tot vroedvrouw accepteerde en beloofde ten spoedigste alhier te zullen arriveren en wel binnen de tijd van 14 dagen’ (OA 24). Cornelia Orth is getrouwd met Carolus (Karel) Wilhelmus (Willem) Faber, gepensioneerd officier, geboren in Den Haag op 24 april 1757, zoon van Karl (Carel) Wilhelm Faber, geboren in 1726 in de duitse plaats Cheurpaltz en op 24 november 1794 in Den Haag overleden. De laatst genoemde trouwt op 6 mei 1753 met Cornelia Keijzer, geboren op 26 oktober 1727 in Delft, overleden op 22 juni 1781 in Den Haag. Carolus Faber ondertrouwt op 29 januari 1792 en trouwt 12 februari in Den Haag (Hoog Duits) met Cornelia Orth, geboren op 2 juni 1771 in Den Haag, dochter van Johan Coenraad Orth en Sara Christina van Kempen. In Den Haag worden twee kinderen geboren: * Caroline Wilhelmina Ferdinanda Faber, geboren 11 april 1793, doop 14 april overleden te Amsterdam op 7 juni 1879. Rond 1814 trouwt zij met George Cramer * Frans Coenraad, geb. Den Haag 19 november 1794 Cornelia en haar man komen dus uit Den Haag. Net als haar voorgangers krijgt ook Cornelia 150,- per jaar voor haar werkzaamheden betaald, maar tijdens de vergadering van 25 juni 1796 wordt besloten om de nieuw aangestelde vroedvrouw Cornelia Orth, op haar verzoek, een tegemoetkoming te geven wegens extra ordinaire kosten bij haar aankomst. In Monnickendam worden nog twee kinderen geboren: * Cornelia Wilhelmina, geb. 13 mei 1797, dp. gereformeerd 18 mei * Zacharias Christiaan, dp. 16.10.1800 125

In 1797 wordt een broer, Frans Coenraad Orth en zijn vrouw Sara Christina van Kempen als Gereformeerd lidmaat ingeschreven, beiden uit Den Haag afkomstig. Zij vertrekken in 1802 uit Monnickendam. Sara van Kempen is doopgetuige bij de genoemde Zacharias Christiaan. Incident Tijdens de vergadering van 31 juli 1796 meldt de president-burgemeester ‘dat vroedvrouw Cornelia Faber, geboren Orth, aan hem geklaagd had dat Fokeltje Tijmons haar zeer belasterde. ‘Is geresolveerd Fokeltje Tijmons alhier te doen compareren, dewelke verschenen zijnde over dit haar wangedrag door de president namens deze vergadering is gecorrrigeert’ (OA 25). Fokeltje Tijmons (van Slooten), op 6 oktober 1729 gedoopt, is een dochter van Tijmon Hendriks van Slooten en Lijsbet Pieters Donker. Zij ondertrouwt op 22 januari 1757 met Hendrik Aldertsz, Evangelisch Luthers van religie. Fokeltje wordt in 1754 lidmaat van de Gereformeerde gemeente en wordt op 13 mei 1797 begraven, Hendrik op 15 april 1773. Zij krijgen zes kinderen, waarvan er vier jong overlijden. De dood van vader Hendrik Alderts heeft gevolgen gehad. In de criminele rol van dat jaar komen we zoon Jacobus tegen, 14 jaar oud. Tijdens de rechtsdag op 22 augustus 1773 vertelt Sijmon Meijer dat hij al een paar dagen geld is kwijtgeraakt. Tijdens de net voorbije kermisweek heeft hij zich in zijn bedstee verstopt en Cobus Alders, de zoon van Fokeltje Tijmons gesnapt als dief. Deze zei dat hij het geld in de kas van zijn moeder had gedaan. Toen zijn moeder er bij kwam bevestigde zij dat er geld in haar kas was gekomen, maar ze wist niet waar het vandaan kwam. Vervolgens heeft ze 25 gulden en een reaal aan Sijmon Meijer gegeven en daarna haar zoon Cobus de huid vol gescholden en gedreigd hem naar een groot schip te sturen. De diefstal had plaatsgevonden terwijl de vrouw van Sijmon bij Fokeltje koffie dronk. De jongen kwam wel vaker bij hen over de vloer ‘en door de lossigheijd van zijn vrouw (Geertje Jans Booij (Buij), die overal de sleutel liet liggen, dan hier dan daar, soo gelegentheijd heeft gekreegen om alles na te speuren’. Claas Musk heeft niet gezien dat de jongen gestolen heeft maar was wel in huis toen hij moeder Fokeltje hoorde zeggen ‘dat de jongen een schelm was en niet deugde dat hij sulke dingen deed’. De jongen is door de schepenen in de gijselkamer opgesloten. Hij heeft bekend. Als straf zal hij ‘in de Ridderskamer met de roeden op sijn billen worden gegeeselt en voor den tijd van een week worden geset op water en broot’. Hij moet ook de kosten van het proces betalen (20).

126

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

Cornelia is een jaar of zes in functie geweest, als zij op 6 februari 1802 meldt dat zij ‘voornemens is om met haar man naar Den Haag te vertrekken, bedankende dus tevens deze tijd voor het ambt als vroedvrouw binnen deze stadt’ (OA 28). Vanwege een opzegtermijn loopt haar werkverband op 1 mei van dat jaar af. In de vergadering van die 1e mei 1802 verschijnen Carel en Cornelia. Zij vragen om een bewijs van zes jaar inwoning in de stad als mede voor het tractement als stadsvroedvrouw en vragen ook om een acte van declaratoir (verklaring) ‘wegens de getrouwe waarneming van haar ambt als vroedvrouw binnen deze stad’. Dat verzoek wordt toegestaan. De secretaris wordt verzocht om een getuigenis van haar goed gedrag en bekwaamheid en het waarnemen van haar ambt af te geven. Het paar vertrekt, zoals gezegd, naar Den Haag. Daar wordt op 20 maart 1803 nog een zoon geboren die net als zijn vader Carel Willem wordt genoemd. Deze Carel trouwt in 1833 te Utrecht met Jacoba Maria Arends. Carel Willem overlijdt in Utrecht op 2 april 1910. Op 22 januari 1804 ziet in Den Haag een Lodewijk Faber het levenslicht. Op 14 juni 1806 bespreekt het stadsbestuur een vraag van Cornelis Faber. Hilletje Engel, de vrouw van Willem Peen, heeft van het echtpaar Faber/Orth een brief ontvangen met het verzoek om deze bij het stadsbestuur te bezorgen. Zij zouden graag een akte van borgtocht ontvangen voor de twee kinderen die in Monnickendam zijn geboren. Omdat ze echter al vier jaar uit Monnickendam weg zijn, blijven er nog maar twee jaar over. Op 28 juni wordt de gevraagde akte van borgtocht naar Den Haag opgestuurd, maar voor slechts twee jaar. Het echtpaar heeft Den Haag verlaten en is naar Vianen vertrokken. Daar overlijdt op 7 mei 1814 Carel Faber en op 15 januari 1832 Cornelia Orth, 61 jaar oud. Vroedmeesters Het kwam al aan de orde, de hulp aan kraamvrouwen was niet langer in handen van vrouwen. Er komen vroedmeesters, hoewel Monnickendam pas in 1820 een eigen vroedmeester heeft. Tot aan dat jaar werden uit omringende plaatsen wel vroedmeesters gevraagd om assistentie te verlenen bij moeilijke bevallingen. Zo bijvoorbeeld op 15 november 1760: ‘Pieter Springer voor de vrouw van Claas Springer (Annetje Wouters Aldewegen) versogt hebbende dat de kosten van een vroedmeester mogte werden gebracht op rekening van de stadt is hem sulks uit consideratie van het onvermogen van de suppliante geaccordeert’ (OA 36). De naam van de vroedmeester wordt niet genoemd. Op 23 oktober 1779 komt Jan Willemsz Stroebelt, medicinaal doctor in de stad wonen. Hij heeft aan de universiteit van Harderwijk zijn bul gehaald en vraagt op 127

6 november aan de stadsbestuurders of hij ‘de practijcq als Medicine Doctor en die van Vroedmeester binnen de stad mag exerceeren’. Na voorgaande deliberatie is dat akoord (OA 37). In september 1780 wordt de ongehuwde Stroebelt als Gereformeerd lidmaat ingeschreven, met attestatie gekomen van Rio Berbice. Dat is het oostelijk deel van Guyana, tegen Suriname aan. Ik denk niet dat Stroebelt daadwerkelijk in de stad als vroedmeester gewerkt heeft. Hij is namelijk al vrij snel naar Amsterdam vertrokken en daar getrouwd met Naomi Barends. Daar wordt op 24 juni 1782 een zoon Fransiscus Bernardus gedoopt. Op 30 maart 1782 krijgt Cornelis Tromp, wonend aan de Poelemolens, een tegemoetkoming van tien ducaten. Hij heeft kosten moeten maken om een vroedmeester uit Amsterdam te laten komen om zijn vrouw, Maria Muller, bij de bevalling bij te staan (OA 37). Misschien is dat de zojuist genoemde Stroebelt geweest. 15 januari 1791 wordt in Monnickendam vroedmeester Jan Burger uit Hoorn ‘aangesteld’. Hij krijgt geen vast tractement, maar komt naar Monnickendam als hij daartoe wordt uitgenodigd. Voor elk bezoek krijgt hij 31.10.-. De heer Burger gaat daarmee akkoord ‘mits geene andere dan hij alleen als vroedmeester van Stadsweegen werde geëmployeert’ (OA 39). Vroedmeesters na 1800 Steeds vaker gaan chirurgijnen zich specialiseren in verloskunde. Een speciale cursus anatomie van het baringsgebied en het behalen van een diploma is verplicht om zich als vroedmeester met de verloskunde bezig te mogen houden. De komst van de vroedmeesters heeft gevolgen voor de positie van de vroedvrouwen. Hun taak wordt beperkt tot gewone bevallingen, want zodra er zich een complicatie voordoet, is zij verplicht om de hulp van de vroedmeester in te roepen. Dat dat spanningen met zich meebracht laat zich raden (21).

128

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

Komen er, zoals we zagen, eerst nog vroedmeesters van buiten de stad, meer en meer ontstaat de behoefte om in Monnickendam een eigen vroedmeester te hebben. In 1806 is Lodewijk Poulus Schmidt tot stadschirurg aangesteld met een salaris van 150 gulden per jaar. Hij draagt ook de zorg voor het weeshuis en haar bewoners. Vermoedelijk heeft hij een aanvullende studie gedaan en met goed gevolg een examen afgelegd, want op 19 februari 1820 wordt hij tot vroedmeester benoemd. Lodewijk Poulus Schmidt is in 1778 in Den Haag geboren, zoon van Johannes Micha Schmidt en Anna Christina Jansen. Op 18 maart 1803 legt hij in Haarlem het examen af en mag zich chirurgijn noemen. Hij trouwt (niet in Monnickendam) met Charlotte (Lotta) Harks Pottinga, geboren in 1778 te Harlingen, dochter van Hark Johan Pottinga en Metje Tjerks van der Leij. Zij wordt in 1806 als lidmaat van de Gereformeerde gemeente ingeschreven, gekomen van Ransdorp. Lodewijk was geen lidmaat. In Monnickendam worden tussen 1809 en 1818 vier kinderen geboren waarvan er twee in Monnickendam trouwen. Lotta is op 4 september 1846 in Monnickendam op het Noordeinde overleden, Lodewijk een jaar later, op 2 april 1847 in de Kerkstraat, 69 jaar oud. Zijn leven is bepaald niet vlekkeloos verlopen, maar dat leest u zometeen. De namen van de mannen die in Monnickendam als vroedmeester hebben gewerkt, vindt u in een bijlage. Vroedvrouwen in de 19e eeuw 22. Trijntje Pan (1802-1835) De secretaris krijgt opdracht om ‘ten aanstaande zaterdag (half februari) een advertentie klaar te hebben’. Er zijn vier sollicitanten, waarna de president op 10 april 1802 voorstelt over te gaan tot de verkiezing van een nieuwe stadsvroedvrouw. Er moet een keuze worden gemaakt tussen de dames A.S. Goorbant, Amsterdam, Hitje Willems Bakker, Hoorn, Catharina Hulshoff, de Rijp en Trijntje Pan uit Wijdenes. Ze zullen op zaterdag 24 april rond tien uur door deskundigen geëxamineert worden. Die deskundigen zijn vroedmeester Jan de Koning uit Purmerend en stadsdoctor Adolf Leonard Thierens (OA 28 en OA 48). Op 24 april wordt Catharina Hulshoff, vroedvrouw uit de Rijp, gekozen, maar een week later bedankt zij voor de post. Uit de overige drie kandidaten wordt Trijntje Pan gekozen. Ze begint haar werkzaamheden op 1 mei 1802 op een tractement van ƒ 150,- per jaar. Via vroedvrouw Trijntje Pan zijn we in de 19e eeuw aangekomen. Ze is op 7 okto129

Overzicht vroedvrouwen eerste helft 19e eeuw

ber 1770 in Enkhuizen gedoopt, dochter van Jan Pan en Geertje Jeremias van der Hoef. Trijntje trouwt op 8 mei 1791 in Enkhuizen met schoenmaker Jan Fabritius, geboren in Enkhuizen op 7 mei 1768, zoon van Leendert Fabritius en Aafje Pieters, dochter van Pieter Kuijper. Trijntje en Jan wonen allebei in de St. Jansstraat. Jan wordt soms tuinman genoemd. Hij was eigenaar van onroerend goed, had o.a. een herberg in Hoorn, die later is overgenomen door zijn zoon Pieter Leendert. In Enkhuizen worden verschillende kinderen geboren: * Leendert, 4 maart 1792, jong overleden * Geertje, 18 januari 1794 (dp. 22.1), op 18 maart overleden, de 24e begraven * Geertje, 25 april 1795 (dp. 26.4). Geertje trouwt op 1 september 1816 in Monnickendam met schoenmaker Johan David Rauwe. Ze is op 15 augustus 1853 in Beemster overleden. Trijntje heeft in Hoorn de vroedvrouwenopleiding gedaan en legt op 2 januari 1799 met goed gevolg het examen af. Het echtpaar woont dan inmiddels in Wijdenes, waar het op 19 januari 1797, met attestatie van Enkhuizen is ingeschreven. In Wijdenes worden nog meer kinderen geboren: * Aafje, 5 oktober 1797 (dp. 8.10), vermoedelijk op 7 november 1797 overleden. 130

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

* Pieter Leendert, 7 februari 1799 (dp. 24.2). Op 16 februari 1827 verhuist hij van Monnickendam naar Hoorn en wordt herbergier van herberg ‘’t Ongemaakte Schip’, op de hoek van het Breed en Westerdijk. Bij zijn 3e huwelijk op 6 februari 1851 in Hoorn is hij nog steeds kastelein/logementhouder van voornoemde herberg, maar deze brandt in 1861 af. Hij gaat in Wijdenes wonen en overlijdt in Hoorn op 25 november 1876. * Aafje, geb. 29 maart 1801 (dp. 5.4). Zij wordt op 28 juli 1806 in Monnickendam begraven. Of Trijntje in Wijdenes als vroedvrouw heeft gewerkt, heb ik niet kunnen achterhalen, maar het is mogelijk. Ze komt naar Monnickendam en wordt, samen met haar man, in 1802 als Gereformeerd lidmaat van Monnickendam ingeschreven. Het paar woont in Monnickendam op het Zand nr. 67. In Monnickendam worden nog weer vier kinderen geboren: * Leendert, op 27 oktober 1802, doop 4 november. Hij trouwt in 1829 met Antje Visser en is op 18 juli 1859 in Veenhuizen, gemeente Norg overleden. Leendert was kolonist van het derde gesticht in de Kolonie van Weldadigheid. * Gerrit Jacobus, op 6 januari 1808, doop 17 januari, begraven 24 juni 1809 * Johan Jacobus Gerardus, geb. 17 februari 1811, doop 3 maart, Betaling aan Trijntje Pan begraven 23 juni 1812 * Cornelis, geboren 14 juni 1813. Cornelis, winkelier en koopman, trouwt op 13 april 1834 in de Rijp met winkelierster Jannetje de Reus. Hij overlijdt op 24 februari 1857 in de Beemster, maar woonde in Purmerend. De vroedmeester dronken Op 27 september 1822 schrijft vroedvrouw Trijntje Pan een brief aan burgemeester H.J. van Marle met de volgend inhoud: ’s Avonds tusschen tien en elf uuren is 131

aan mijn huis gekomen Jacob Nap, welke mij met grote ontsteltenis aansprak en seide: juffrouw dat ik hier kom, zal ik u maar ronduit zeggen: mijn dochter moet in het bed en heeft meester Schmidt aangenomen, niet omdat gij haar niet goed geholpen hebt, maar omdat zij gedurende deze dragt met zware pijn in de regter zij is bezet geweest en daarom voor gevolgen vreesde. Maar ons grootste vrees komt nu eerst aan mijn dogter. Krijgt vanavond de arbeid op het lijf. De man is geroepen en was niet thuis, maar zoude hem sturen. Hij is ook gekomen, mijn lieve mensch zo dronken dat wij hem niet konden verstaan. Hij kan niet op zijn benen staan, rond af, hij is onbekwaam om mijn dogter te helpen. Nu zou ik gaarne verzoeken of u zogoed wilde zijn mijn dogter te helpen. Wij zullen u daarvoor voldoen. Ja maar vriend, antwoord ik hem, dit gaat zo niet. Een man in rang boven mij gesteld kan en mag ik niet zonder enig bewijs uit zijn werk jaagen. Waarop die man mij antwoordde: Grote God, zoud gij ons in die nood dan zitten laten? Seijde ik, neen. Gij getuigt dat die man door dronkenschap onbekwaam is. Zulke menschen mogen onze post niet bekleden en gij beschuldigt die man daarmee of schoon onze ogen dit dagelijks ook wel zien en om die reden reeds van de stad is afgezet en na alle vermaningen niet luistert. Ik sta onder eed en plicht, is hij onbekwaam, stuurt hem als zodanig eerst weg. Dan kunt gij over mij disponeren (beschikken). Daarop zijn beide vaders weder tot mij gekomen. Dat hij reeds was weggestuurd, of ik spoedig komen wou, dat de noodpijl aan zou wezen, gelijk ik ook bevond. De vrouw had reeds een sterke vloed, eensdeels door ontsteltenis en anderdeels door de sterke beklemming die het kind met het hoofd in de regter zij maakte van het bekken, en dewijl het aangezigt na de rug van de vrouw was gekeert, boodt ’t min of meer de linker schouder aan; om moeder en kind uit de gevaren des doods te redden, moest de verlossing zo veel doenlijk was, bevordert worden, gelijk mij zeer goed gelukte. Na de verlossing verhaalde mij zo man als vrouw, dat hij de gesopte beschuit uit beide vuiste had opgeslobberd en een tinne lepel voor een pijp aan de kaars had aangestoken. Een uur of twee na dato liet zijn vrouw vragen hoe of het met de vrouw was en seid dat haar meester zo dronken was te huis gekomen en gevallen had, dat hij van het bloed niet was te bekennen. Ik zei dat ik als een stadsvroedvrouw beëdigde sulks niet mogt verbergen en aan de burgemeesteren dezer stad moest te kennen geven, met verzoek om van verder onheil mogen bevrijd te blijven en het onheil hier uit voortkomende aan ’t geneeskundig bestuur te willen bekend maken. Verklaren, ik ondergetekende op den eed, bij den aanvang mijner bediening gedaan, deze getuigenis naar waarheid te hebben opgemaakt, bereid zijnde de 132

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

deugdelijkheid daarvan andermaal met solemnele (plechtige) ede te bevestigen.’ Was getekend Trijntje Pan, stadsvroedvrouw. Met daaronder: Gezien voor legalisatie der handtekening van Trijntje Pan, stadsvroedvrouw, Monnickendam den 19 oktober 1822. was getekend, H.J. van Marle, burgemeester (NA 175). Verklaring Er aan toegevoegd is de volgende verklaring: ‘Wij, ondergetekenden, declareren (verklaren) omtrent het voorgevallene met de heer L.P. Schmidt, chirurgijn en vroedmeester te Monnickendam, dat voornoemde Schmidt den 27e september 1822 als vroedmeester is gehaald ten huize van Jacob van Otigem, om deszelfs vrouw Dieuwertje Nap, die toen den arbeid gevoelde, te helpen waartoe hij reeds enige tijd te voren was aangenomen, dat hij, Schmidt, op hetzelve aanzoek is gekomen, maar bij zijn inkomen in het huis reeds blijk gaf van zijn toenmalige ongeschiktheid door de drank en na een verblijf aan het zelve huis, door de mans vrouw en verdere aanwezigen nader geobserveerd te zijnde, hebben besloten om reden zijner onbekwaamheid, hem dit werk niet te laten verrichten, maar van een ander in zijn plaats gebruik te maken en zich niet bloot te stellen aan de gevolgen en onheilen dat zulks zoude kunnen veroorzaken, waarop Jacob Nap, vader van de vrouw, zich vervoegt heeft bij mejuffrouw Trijntje Pan met verzoek om te komen en zijn dochter te helpen, terwijl de omstandigheid dit spoedig vereischte, die dit verzoek heeft aangenomen, onder beding dat Schmidt eerst moest vertrekken, dat reeds op order van Jacob Nap was geschied en is toen gekomen en heeft de vrouw na behoren geholpen en heeft daarvoor ter belooning gevorderd in plaats 5 guldens waarvoor Schmidt was aangenomen, de som van 10 gulden waar over mejuffrouw na welgevallen gedisponeert heeft.’ Was getekend door J. van Otigem, Simon van Otigem en Jacob Nap, 20 oktober 1822 (NA 175). Het vervolg Het kind – Simon – is op 28 september geboren, zoon van zeilmaker Jacob van Otigem, 28 jaar en zijn 21-jarige vrouw Dieuwertje Nap. Simon heeft de bevalling, ondanks alle commotie, goed doorstaan. In 1851 trouwt hij met Neeltje Karmelk, de dochter van Klaas Karmelk en Jannetje de Moes. Hij wordt, evenals zijn vader, zeilmaker en is 67 jaar als hij op 31 maart 1890 in Monnickendam overlijdt. Na een moeilijk begin toch nog een werkzaam leven. Vroedmeester Schmidt is ontslagen van zijn functie, maar heeft zijn uiterste best gedaan om terug te komen. De door hem geschreven brieven zijn bewaard gebleven in NA 788.

133

Trijntje Pan vertrekt Trijntje Pan heeft Monnickendam 33 jaar als stadsvroedvrouw gediend als zij op 13 april 1835 naar de Beemster vertrekt. Haar echtgenoot, Jan Fabritius, was op 13 mei 1827 aan een slijmziekte overleden, 59 jaar oud. In Beemster trouwt zij op 1 november 1835 met veldwachter, later stadsbode Jan Pieters Roda, weduwnaar van Trijntje Nat, waarmee hij op 18 september 1814 in Beemster was getrouwd. Trijntje, geboren in 1790 in Beemster, is de dochter van Jacob Nat en Eegje de Groot. Ze is 43 jaar als ze op 20 november 1833 in Beemster overlijdt. Het was Jans derde huwelijk want met zijn eerste vrouw, Neeltje Jans Bakker, trouwde hij op 19 januari 1806. Hij wordt dan landbouwer genoemd. Neeltje is op 18 maart 1814 in de Beemster (Smidsweg) overleden, dochter van Jan Bakker en Trijntje Sterk. Vermoedelijk kende Trijntje hem uit haar jeugd, want Jan kwam ook uit Enkhuizen. Hij is daar op 22 oktober 1784 gedoopt, zoon van Pieter Feddes Roda en Maritje Jans. Trijntje wordt in de Beemster als veehoudster genoemd. Ze is eigenaresse van de hofstede Zwaansvliet en aardig vermogend. Van een verre nakomeling kreeg ik het volgende ‘familie-verhaal’: Jan Ulkes, geboren in 1845, een van de kinderen van zoon Pieter Leendert Fabritus, logeerde als kind bij oma Trijntje op Zwaansvliet. Dwalende door de hofstede zag hij zakken met geldstukken, hetgeen diepe indruk op de jongen maakte. (Particuliere bron:E. Fabritius). Het tweede huwelijk van Trijntje Pan is niet zo’n succes geworden. Als Trijntje op 29 december 1855 in Purmerend overlijdt staat er in de akte, dat zij gescheiden is van tafel en bed (uitspraak Arrondissement van Hoorn d.d. 30 oktober 1841). Jan Roda woont in de Beemster waar hij een half jaar later, op 27 mei 1856 overlijdt, 71 jaar oud. 23. Maria Kaal (1798-1828) We gaan terug naar het einde van de 18e eeuw. In 1798 wordt er een vroedvrouw van RK-huize aangesteld, Maria Kaal. Zij heeft in Delft haar vroedvrouwenexamen afgelegd en volgt Sijbrigje Schoorl op. Op 31 juni 1802 heeft zij de eed afgelegd op een nieuwe instructie. Maria Kaal is op 3 november 1744 in Monster geboren en op de 9e gedoopt in de Bartholomeuskerk te Poeldijk, dochter van Jan Dirks Kaal die in 1740 trouwt met Maria Leijbeek. Beiden kwamen uit het Osnabrugse land/land van Cleef, de grensstreek met Duitsland dus. 134

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

Maria trouwt op 17 april 1773 in Nootdorp met weduwnaar Hendrik van Galen, geboren in Kampen op 21 februari 1731, zoon van Jacobus van Galen en Annigje Gerrits. Hendrik was op 1 mei 1757 in Kampen getrouwd met Hendrina Schaasbergen. Uit dat huwelijk werden zes kinderen geboren. Maria en Hendrik krijgen in Nootdorp negen kinderen waarvan er een paar jong overlijden. Hendrik van Galen wordt op 30 januari 1801 op het kerkhof van Monnickendam begraven. Een van de kinderen heet Arie, op 2 juni 1784 in Noordorp geboren. Over hem heb ik geschreven in het Jaarboekje 2001 blz. 152,153, een artikel over Monnickendam en de Kolonie van Weldadigheid in Drente. Maria ontvangt haar eerste 5/8 jaartractement (150 gulden) op 12 februari 1798. Als zij in 1828 net haar werkzaamheden stopt, heeft ze haar ambt ongeveer 30 jaar vervuld. Van het stadsbestuur krijgt ze een jaarlijkse toelage. ‘Op het voorstel der vergadering gedaan, is goedgevonden aan Maria Kaal, uit hoofde van impotentie als vroedvrouw door desselfs hoge ouderdom, haar honorabel ontslag te verlenen tegen genot van een jaarlijkse toelage uit de stadskas van ƒ 100,-. vermelden de notulen (NA 4). Het is van korte duur want Maria overlijdt op 8 december 1829, 85 jaar oud. ‘De tegenwoordige stadsvroedmeester krachtens desselfs beroeping (resolutie 19 februari Betaling aan Maria Kaal 1820) desselfs tractement jaarlijks te verhogen met ƒ 50,- ingaande 1 januari 1829 en opnieuw een vroedvrouw voor deze stad te benoemen tegen tractement van ƒ 150,- in het jaar en bij het overlijden van voornoemde Maria Kaal een jaarlijkse verhoging van ƒ 100,-’ (NA 4 d.d. 25.10.1828). (Antje Pieters Hoek – 1801-1836) Naast Trijntje Pan en Maria Kaal is er nog een derde (onafhankelijke, d.w.z. niet door de stad betaalde) vroevrouw werkzaam: Antje Pieters Hoek. Ze komt uit een bekend Noord-Hollands geslacht waarvan de voorouders in Hem en Venhuizen worden teruggevonden. 135

Ze wordt op 19 april 1772 in Hem geboren en de 26e van die maand gedoopt. Een eerder geboren zusje in 1770, ook Antje genoemd, was zes weken na haar geboorte al overleden. Antje is de dochter van Pieter Hoek en Sijbrecht Jans Schoorl (zie onder nummer 21) die zoals we zagen in 1781 in Monnickendam zijn komen wonen. Ze is dus vanaf haar tiende jaar in de stad opgegroeid en wordt in 1791 als lidmaat aangenomen. In het lidmatenboek staat achter haar naam ‘vertrokken’. Dat zal te maken hebben met haar opleiding. Antje legt namelijk in 1796 te Hoorn haar vroedvrouwexamen af en komt via de Koog naar Monnickendam waar ze in 1800 (opnieuw) als lidmaat van de Gereformeerde gemeente wordt ingeschreven. Antje ondertrouwt op 27 februari 1796 in Monnickendam met metselaar Adrianus Jansz Hoeve, lidmaat in 1804, geboren te Elburg op 10 september 1769, overleden in Monnickendam op 27 oktober 1834, zoon van Jan Hoeve en Hendrika Kloosterman. Bij notaris Boterkoper wordt op 13 april 1797 een testament opgemaakt. Antje ‘ligt ziek te bedde’ en lijkt het niet te halen. Ze is echter toch weer opgeknapt. Op 15 januari 1835 wordt naar dit testament verwezen. Kinderen van Adrianus en Antje: * Jan, dp. 10.7.1796, begr. 31.5.1797 * Sijbreg, dp. 31.02.1802 * Hendrika, dp. 7.3.1804, begr. 19.9.1804 * Jan, dp. 10.6.1806 * Pieter, dp. 12.9.1809 * Adriaan, dp. 28.2.1811 Tijdens een vergadering van het stadsbestuur, 6 juni 1801, komt een vraag van haar man Arie Hoeve aan de orde. Hij vraagt om als burger in de stad te mogen wonen, zonder daarvoor de somma van ƒ 15,- te hoeven betalen. Dat wordt afgewezen ‘mede omdat zijn vrouw het ambt van vroedvrouw bekleed en dat hij in dat opsigt gelijk staat met andere burgers’. Op 18 juli 1801 herhaalt hij zijn verzoek om burger van Monnickendam te mogen worden, met betaling. Dat is akkoord ‘wijl gemelde burger daar op den eed van burgertrouw in handen van de president heeft afgelegd’ (OA 27) Antje Hoek is een nicht van Jan Hoek uit Hoorn, een broer van haar vader Pieter. Jan Hoek, weduwnaar van Dieuwertje Klaas Koster, overlijdt in Hoorn op 7 februari 1819. De boedel wordt beschreven op 25 februari (22). Antje krijgt uit de erfenis ƒ 77,136

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

Tijdens de vergadering van de municipaliteit (gemeentebestuur) d.d. 14 maart 1801 wordt genotuleerd: ‘De president subsidieert aan de vergadering een acte van examen als vroedvrouw benevens een getuigschrift van de municipaliteit van Koog aan de Zaan van Antje Hoek. Hetzelve door de municipaliteit ingezien zijnde, is de secretaris gelast deze acte van examens, benevens genoemd getuigschrift aan den agent van nationale opvoeding in een missieve af te zenden’ (OA 27). Op 2 april 1801 schrijft de secretaris aan de Agent van Nationale Economie in den Haag: ‘Veel geachte medeburger, ingevolge eene aanschrijving van het Departementaal bestuur van Texel wegens een extract uijt het Register der besluijtten van het uitvoerend bewind der Bataafsche Republieq in dato 7 november 1800 nr. 64, inhoudende verordeninge op de uijtoefening der Genees-Heel-Verloskunde etc, zodanig dat niemand de voorgeschreven voortaan zal moogen exerceren dan na behoorlijk afgelegd Examen en Productie van een diploma of getyigschrift, ’t welk dus bij ons in agt genomen zijnde, zoo hebben wij de eer uw agentschap toe te zenden een acte van Examen alsmede een diploma of Getuigschrift van de Koog aan de Zaan van Antje Hoek, welke thans hier woonagtig is, voornemens zijnde om het ambt als vroedvrouw alhier waar te nemen, zo dezelve Uwe goedkeuring mogen wegdragen, verwagten wij gemelde stukken terug’. Op 18 april 1801:’Ingekomen een missieve van de agent van nationale opvoeding betreffende Antje Hoek als vroedvrouw, waarop is besloten dezelve missieve in het memoriaal te boeken en aan gemelde Antje Hoek extract daarvan te geven’ (OA 27). Overheidscontrole De Franse overheersing heeft op allerlei terreinen van de toenmalige maatschappij metterdaad een omwenteling teweeg gebracht. Er is bijvoorbeeld een verschuiving van een lokale bestuursvorm naar een meer centraal geregeld bestuur. De ‘overheid’ houdt ook toezicht op de medische sector. Een nieuwe Franse wet uit 1803 voor de geneeskunde en de farmacie krijgt invloed in ons land. Meer nog dan voorheen, wordt er gelet op bekwaamheid en opleiding van de mannen en vrouwen die zich bewegen op het terrein van de gezondheidszorg. Examens en diploma’s worden onmisbaar, zoals we zojuist lazen. Door de provinciale overheid ingestelde geneeskundige commissies houden toezicht op de beroepsgroepen die met de gezondheidszorg belast zijn en controleren de diploma’s. Voorbeelden Hoe er van hogerhand toegezien werd op naleving van de nieuwe voorschriften blijkt bijvoorbeeld uit de brief die op 31 juli 1803 bij het gemeentebestuur binnen137

komt. Hij is afkomstig van de heren Professoren der ‘Medicijnsche Faculteit aan ’s lands Universiteit te Leiden’. Het stadsbestuur wordt gevraagd op te geven wie er in Monnickendam de ‘geneeskunst’ uitoefenen. Het gaat om doctoren, chirurgijns, apothekers en vroedvrouwen. En of het stadsbestuur de nodige gegevens van deze personen wil verstrekken. Op 19 augustus verstuurt klerk Jan Hogerbeets Kerk de gevraagde informatie. Opgegeven worden de namen van drie doctoren, vijf chirurgijns, twee apothekers en drie vroedvrouwen, Maria Kaal, Trijntje Pan en Antje Hoek. De eerste twee zijn stadsvroedvrouwen (23). Als vroedvrouwen leerlingen hadden, werd dat ook vermeld. Maar al eerder, in april 1802, heeft het stadsbestuur, op verzoek van de Departementale Commissie van Geneeskundig bestuur in Amsterdam, opgave gedaan van wie er in de gezondheidszorg in de stad werkzaam zijn. Doctoren, apothekers, chirurgijns en vroedvrouwen. Er worden twee vroedvrouwen genoemd, Maria Kaal en Trijntje Pan die, zonodig, worden bijgestaan door vroedmeester Jan de Koning uit Purmerend. Deze krijgt voor iedere minvermogende zwangere vrouw, ‘welke door geen vroedvrouw kunnen geholpen werden te verlossen vijf en twingtig gulden’. De vraag van voornoemd Departement wordt meerdere jaren herhaald en beantwoord. Zo ook in oktober 1806. Er zijn nog steeds drie vroedvrouwen, Maria Kaal, Trijntje Pan en Antje Hoek die in dat schrijven per abuis Kloek wordt genoemd. De eerder genoemde chirurgijn Schmidt wordt ook genoemd, maar niet als vroedmeester. 29 januari 1808. In een antwoord op een schrijven van de Departementale Commissie wordt gezegd dat ‘alhier in de praktijk van enige tak van geneeskunde geen grove misslagen tot onze kennisse zijn gekomen’. Er zijn drie doctoren, vier chirurgijns en twee (stads)vroedvrouwen’. Zij ontvangen allebei 150 gulden per jaar. Antje Hoek wordt niet meegeteld. Ook nu is er nog geen sprake van een eigen vroedmeester. Een jaar later wordt geantwoord dat één van de doctoren (Cornelis Pereboom) is overleden. Er zijn geen medische misstanden te melden. Er is nog steeds geen vroedmeester in Monnickendam. Die wordt zo nodig ‘ingehuurd’ van Purmerend of Edam. Zo ook op 21 juli 1809 is het antwoord van het stadsbestuur ‘dat wij in onze stad twee vroedvrouwen hebben, met name Trijntje Pan en Maria Kaal, welke beide aan ons hebben vertoond haare diploma of acte van admissie (toestemming) van 138

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

uw WelEdele heren ontvangen. Dat voormaals nog een derde vroedvrouw bij ons is geweest, met name Antje Hoek, wiens acte als vroetvrouw wij hebben ingetrokken, als hebbende haar niet vervoegd bij Uwe Collegie om deswegen acte van Admissie te ontfangen’ (OA 47). Het lijkt er dus op dat Antje enige tijd haar werk als vroedvrouw niet heeft mogen verrichten. Ook bij de antwoording van de vragen over mensen, werkzaam in een medisch beroep, d.d. februari 1810 worden maar twee (stads)vroedvrouwen genoemd. Antje Hoek overlijdt in Monnickendam op 3 oktober 1836, 63 jaar oud. 24. Maria Theresia Reigers (1829-1856) Op 25 oktober 1828 besluit de gemeenteraad om te zien naar een opvolgster van Maria Kaal die vanwege haar hoge leeftijd haar taak heeft moeten beëindigen. Er zijn 18 sollicitanten waarvan de antecedenten worden nagetrokken. Eén van hen is Maria Reigers, sinds 1828 vroedvrouw in Nijmegen. Op 1 januari 1829 schrijft ze, een beetje ongeduldig geworden, een brief aan het stadsbestuur: ‘Daar ik nu sedert enige dagen vruchteloos gewacht heb om volgens onze afspraak eenig uitsluitsel van UwEdachtbaren te mogen vernemen, hoe u over mijn persoon gedacht hebt, om mij te plaatsen op mijn dokkumenten weder over te zenden, maar daar ik van het een zo min van het ander iets gewaar word, zo vinde ik mij verplicht de pen op te nemen en UwE. achtbaren te verzoeken, mij eenig uitsluitsel te schrijven of mijn dokkumenten over te zenden, daar mijn wachten geheel en al daar op is om nader te zonder broodwinning ben en niets kan beginnen, of mij nergens naar toe kan begeven om mij geplaatst te zien, zonder mijn dokkumenten en bewijzen, zo vraag ik UwE. te willen overzenden, ten einde mij instaat te stellen mijn brood op een andere plaats te gaan zoeken. Blijve ik in verwachting, Uw dienaresse Maria Teresia Junink, geboren Reigers’ (NA 192). 139

Geen eerste keus Maria Reigers wordt de nieuwe vroedvrouw, maar ze is niet de eerste keus van het stadsbestuur. Op 21 december 1828 besluit de Raad om mej. Geertje Harms uit Bovenkarspel, weduwe van J.F.J. Fischer als stadsvroedvrouw aan te stellen. Er wordt echter eerst een onderzoek ingesteld naar Geertjes bekwaamheid ‘opdat door het aanwenden van laatste pogingen dezer vergadering alles heeft gedaan wat gevordert kan worden tot de aanvaarding van een zodanig belangrijke post’. Op 27 december is er informatie ingewonnen over het zedelijk gedrag en de talenten van mej. de weduwe Fischer ‘sollicitante naar de post van stadsvroedvrouw. En hierop de beste getuigenissen gegeven zijnde, is voornoemde sollicitante uitgenodigd deze morgen voor de vergadering te verschijnen’. Uit de achttien sollicitanten wordt Geertje gekozen ‘welke benoeming zij aanvaard heeft en afgelegd de verklaring dat zij met 1 maart a.s. op deszelfs verzoek in functie zal treden’. Maar op 6 januari 1829 vraagt ze om uitstel. ‘Ingevolge afspraak zoude ik met den aanstaande maart tot Uw lieden komen. Daar het in dit saisoen zeer moeilijk zouden opdoen, wegen transport mijner goederen, zo verzoek ik UwE. achtbaren vriendelijk mij te willen prolongeeren tot den 16 Mei aanstaande, zoals mijn dienst dan ook beter zoude zijn om een behoorlijke wooning voor mij aldaar op te doen, die ik UwE.achtbaren dan ook vriendelijk zoude willen aanbevelen met de bepaling van hoogste ƒ 50,- huur per jaar. Hierop blijve ik in de volste vertrouwen van Uwachtbaren zorg en het wel willen begunstigen van mijn prolongatie’. ‘P.S. Verzoek vriendelijk hierop berigt, terwijl dat hier (in Bovenkarspel dus) de advertentie voor de nieuwe vroedvrouw kan worden ingerigt. Blijve met de hoogachting Uw hoogachte dienaresse, G. Harms, weduwe H. Fischer’ (OA 192). Op 10 januari vraagt zij opnieuw uitstel; of zij per 1 mei kan beginnen. Dat wordt goedgevonden, maar dan zal ook haar tractement pas op die datum ingaan. Het is 14 maart als mej. Harms te kennen geeft dat zij ‘tengevolge van aan haar gedane offerte door het gemeentebestuur van Bovenkarspel (ze gaat 50 gulden per jaar meer verdienen) besloten heeft om voor de haar aangenomen post als stadsvroedvrouw van Monickendam te bedanken en in voornoemde gemeente te blijven’. In Monnickendam vindt men deze handelwijze zeer laakbaar. Besloten wordt Geertje Harms te schrijven dat haar papieren zijn opgestuurd naar het College van Geneeskundig onderzoek, alwaar haar gedrag in deze ook bekend is gemaakt en zij dus bij voornoemd college de papieren kan terugontvangen (NA 121 d.d. 12.2.1829 en 17.3.1829). 140

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

Staande de vergadering wordt Mej. M. Reigers per brief gevraagd om de post als vroedvrouw van Monnickendam te aanvaarden. Blijkbaar stond ook zij hoog op de lijst van de solicitanten. Op 16 maart 1829 schrijft ze: ‘Weledele Heer, ter beantwoording van uw geëerde missieve in d.d. 14 dezer, zo beslis ik, dat ik de post als stadsvroedvrouw van Monnickendam zal aanvaarden met 1 Meij en derhalve mijne aanstelling als zodanig zal tegemoet zien, met verzoek tevens, dat ik mijn aanstelling, dat bij eventueel overlijden van de oude stadsvroedvrouw Maria Kaal, de honderd guldens bij het overige traktement zullen gevoegd worden. Ik heb de eer met de meeste hoogachting mij te noemen, Uw dienaresse (NA 192). Tien dagen later voegt ze er aan toe:’Ik heb de eer u hiermede de ontvangst mijner aanstelling, kennelijk te maken, als mede dat ik in de (...) om het huis a ƒ 50,jaarkosten huur met 1 meij te aanvaarden Ik heb de eer met alle hoogachting te zijn’ (volgt naam). Op 17 maart 1829 notuleert de secretaris van de gemeenteraad: ‘Bij het sluiten dezer ontvingen wij een brief van eene der sollicitanten met name Maria Junink, geboren Reigers welk de post als stadsvroedvrouw heeft aangenomen’ (NA 121). Maria Theresia Reijgers is in 1799 in Bocholt (Duitsland) geboren, dochter van Hermanus Reijgers en Johanna Elisabeth Wieser. Ze trouwt op 7 juli 1821 in Frederiksoord (gem. Vledder) met timmerman Johannes Olde Junink, geboren 1796 te Lutte (Overijsel), zoon van Lambertus Junink en Geertje Olde Zuthof. Het echtpaar woont op het Noordeinde, wijk 3 nr. 28, in 1850 op Noordeinde 44L. Beiden zijn Rooms-Katholiek. Maria is stadsvroedvrouw vanaf 1 mei 1829. Op 1 juli krijgt ze haar eerste twee maanden uitbetaald, twee maal ƒ 25,-, daarna 37,50 per kwartaal. In 1830 wordt dat ƒ 62,50 per kwartaal en dat blijft zo tot aan haar overlijden. Bijzondere tweeling Maria heeft iets bijzonders meegemaakt. Normaliter wordt een tweeling op dezelfde dag geboren, maar in 1833 is dat niet het geval. Op 20 maart wordt tegen twaalf uur ’s avonds een meisje geboren dat Trijntje wordt genoemd. Een half uur later, op 21 maart rond half een ’s morgens, wordt nog een meisje geboren, Aaltje. Twee kinderen van scheepstimmerman Dirk van Otegem, op 7 juni 1829 getrouwd met Trijntje Scholten. Een tweeling dus, maar op twee verschillende dagen geboren! 141

Helaas, Aaltje heeft maar een dag geleefd en overlijdt op 22 maart. Trijntje wordt de 31e maart gedoopt, maar ook zij sterft al snel, op 12 juni. Vroedvrouw Reigers is 56 jaar als zij op 27 januari 1856 in Monnickendam overlijdt. Haar echtgenoot vertrekt op 8 april 1856 naar Amsterdam. Vermoedelijk is hij in 1870 in Losser overleden. Een zoon (waarschijnlijk een voorkind, want hij heeft de naam van zijn moeder) Johannes Stephanus Reigers, in 1820 te Breda geboren, is genees- en heelmeester als hij 1847 te Gendringen trouwt met Martinia Ida Cornelia Le Chevalier uit Lobith. Een dochter Geertrude Hendrika Junink trouwt op 27 augustus 1843 in Monnickendam met Pieter de Ruijter van Katwoude. Eén stadsvroedvrouw Waren er altijd minstens twee vroedvrouwen tegelijk in de stad werkzaam, vanaf 1830 is er nog maar één. Dat heeft ongetwijfeld te maken met de aanstelling van vroedmeesters die in de stad werken. In de geboorteregisters van de Burgerlijke Stand wordt de aangifte van een kind van een ongehuwde moeder, bijna altijd door de vroedvrouw of de vroedmeester gedaan. 25. Maria Agnes Nijssen (1856-1862) Maria Nijssen volgt Maria Reigers als vroedvrouw op. Ze is op 12 juli 1811 in Zaandam geboren, dochter van Johannes Matthias Nijssen, geboren te Brunssum in 1778, overleden Zaandam in 1820. Hij trouwt in Hoorn op 17 oktober 1802 met Anna Schermer, in Hoorn gedoopt in 1781, overleden te Zaandam in 1818. Maria is al 45 jaar als zij in 1856 voor haar vroedvrouwenexamen slaagt. Haar aanstelling in Monnickendam wordt op 27 maart van dat jaar genotuleerd en is op 1 maart ingegaan. Maria was ongehuwd en van Rooms-Katholieke huize. In het Bevolkings-register wordt zij verloskundige genoemd, op 1 maart 1856 ingeschreven, gekomen van Alkmaar. In de vergadering van B&W d.d. 5 mei 1860 wordt een verzoek van Maria Nijssen om verhoging van haar jaarwedde besproken ‘aangezien haar inkomen door de geringe burgerpractijk niet toereikend is om in haar levensbehoeften te voorzien’. Besloten wordt om haar over het jaar 1860 een gratificatie van ƒ 50,- te geven, ‘hetgeen elk jaar zal gebeuren’. Maria Nijssen is maar een jaar of zes in functie geweest. Ze is 50 jaar en nog steeds ongehuwd wanneer ze op 4 juli 1862 overlijdt op adres Zuideinde, wijk 2 nummer 2.

142

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

26. Elsje Martina Vermeer (1862-1871) ‘Overgaand tot de benoeming van stadsvroedvrouw welke betrekking is opengevallen door het overlijden van Maria Agnes Nijssen: Gezien en onderzocht hebbende de overlegde bescheiden van onderscheiden personen naar deze betrekking, gelet hebbend op de inlichtingen van B&W, is na enige deliberatie besloten, alvorens tot de officiële benoeming van stadsvroedvrouw over te gaan aangaande mej. de weduwe G. Houtgraaf, geboren Vermeer als de voor deze betrekking bedoelde persoon de nodige informatie in te winnen bij meer deskundigen, ten einde daarna in een eerstvolgende raadsvergadering tot de benoeming over te gaan’ (NA 37 d.d. 25.8.1862). ‘Wordt na enige deliberatie met algemene stemmen tot de betrekking van stadsvroedvrouw te Monnickendam benoemd mej. E.M. Vermeer, weduwe G. Houtgraaf, wonende te Haarlem sullende de benoeming gehouden worden in te gaan primo oktober 1862’ (NA 37 d.d. 6.9.1862). Elsje wordt op 6 september 1862 benoemd en treedt op 1 oktober in dienst. Het Bevolkings Register geeft aan dat zij op 2 oktober 1862 is ingeschreven, gekomen uit Haarlem, waar ze op 29 juni 1829 is geboren, dochter van Daniel Vermeer en Susanna Ploeg. In het Hervormd lidmatenboek wordt ze eveneens op 2 oktober ingeschreven, met attestatie van Bloemendaal. Elsje begint haar werkzaamheden op een tractement van ƒ 250,- per jaar maar dat wordt op 5 oktober 1863 verhoogd tot ƒ 300,- per jaar. Op 25 september 1859 is Elsje Vermeer in Bloemendaal getrouwd met Gerrit Houtgraaf, geboren in 1825 te Velsen, zoon van Hendrik Houtgraaf en Alida Gertenbach. Haar man is echter al voor 1862 overleden, vermoedelijk in Amsterdam, want daar wordt op 20 juni 1860 een dochter, Alida, geboren. Deze Alida wordt op 30 januari 1872 in het weeshuis van Monnickendam opgenomen waar ze nog voor wat onrust zorgt (24). Ze verlaat het weeshuis op 1 november 1882 en wordt dienstbode bij Simon Lammes. In Monnickendam trouwt weduwe Elsje op 21 februari 1864 met weduwnaar Pieter Hamburg, goud-en zilverkashouder, debitant in de staatsloterij. Pieter, overleden op 29 septenber op het Zand, is op 25 maart 1809 in Purmerend geboren, zoon van Jan Hamburg en Trijntje Vermeij. Hij is eerder getrouwd geweest met Marrigje Pauw uit Blokzijl, overleden op 26 februari 1858, 53 jaar oud. Uit dit tweede huwelijk wordt op 6 april 1865 een kind geboren, maar Susanna Martina overlijdt een jaar later op 10 juli 1866. Na het overlijden van Pieter Hamburg trouwt Elsje voor de derde keer, op 8 augustus 1869 met kantoorschrijver/postbode Witse van Sijp, in 1859 vanuit Zui143

derwoude in Monnickendam komen wonen. Elsje en Witse wonen op het Noordeinde. Witse is op 6 april 1811 in Broek in Waterland geboren en getrouwd geweest met Maartje Plasveld, overleden op 9 november 1865. Uit dat derde huwelijk van Elsje wordt op 5 mei 1870 Daniel geboren. Elsje Vermeer overlijdt een jaar later op 20 april 1871, nog maar 41 jaar oud, op adres Noordeinde wijk 4 nummer 50 (25). Witse vertrekt op 2 juli 1894 met zijn dochter Cornelia Johanna naar Haarlem. Nieuwe medische inzichten Voor kraamvrouwen in het bijzonder was de dood eeuwenlang een serieuze bedreiging. In de 17e en 18e eeuw overleden er ongeveer veertien moeders op duizend bevallingen. Gebrekkige kennis van het menselijk lichaam en onkunde op het terrein van de hygiëne zorgden er voor, dat veel kinderen al bij de geboorte of kort daarna overleden. Ook veel moeders stierven in het kraambed als gevolg van complicaties zoals kraamvrouwenkoorts, een veelal dodelijke ziekte. Ook bekkenvernauwing kwam veel voor, mede als gevolg van de Engelse ziekte, een tekort aan vitamine D. Maar gaandeweg ontstaan er nieuwe medische inzichten. Het is de Hongaarse arts Ignaz Semmelweis die in 1847 bij toeval ontdekt, dat het wassen van de handen met zeep of bleekwater, voordat er onderzoek bij de kraamvrouw zal worden gedaan, levenreddend is. Door zijn collega’s wordt hij lange tijd belachelijk gemaakt en dat maakt hem psychisch ziek. Maar voor hij instort zegt hij tegen zijn collega’s in Wenen: ‘Mocht gij doorgaan zonder mijn leer weerlegd te hebben, uw kwekelingen in de leer van de epidemische kraambedkoortsen op te voeden, dan verklaar ik u voor God en de wereld voor een moordenaar’. Het duurt echter nog tot ongeveer 1890 voor zijn ideeën over antiseptisch (ontsteking voorkomend) onderzoek breed ingang vinden. Pas na de ontdekking van de bacterie door Louis Pasteur (1822/1895), krijgt zijn vinding de nodige theoretische 144

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

onderbouwing. Het is echter de befaamde engelse arts, professor Lord Joseph Lister, die Semmelweis (deze was in 1865 op 47-jarige leeftijd overleden) postuum de eer geeft die hem toekomt. 27. Zwaantje Everdina Wilhelmina Beth (1871-1874) De gemeenteraad gaat op zoek naar een opvolgster van Elsje Vermeer. ‘Door het overlijden van mej. Elsje Martina Vermeer de betrekking van stadsvroedvrouw vacant geworden zijnde, wordt op een deswegen gedaan verzoek door de vergadering besloten bij advertentie sollicitanten op te roepen, welke bevoegd zijn naar deze betrekking, waaraan een jaarwedde is verbonden van ƒ 300,-, mede te dingen, om zich onder overlegging van de bij de wet gevorderde bescheiden, in persoon te vervoegen of met portvrije brieven te adresseren bij de burgemeester dezer gemeente’ (NA 8 d.d. 5.5.1871). Op 15 juni hebben er een reeks vrouwen gesolliciteerd, waaruit er drie worden geselecteerd: mej. A. A. van der Schouw te Schagen; mej. S. Munnich te Purmerend en mej. Zwaantje E. W. Beth te Schouw. Als de raad tot stemming overgaat blijken er drie stemmen voor mej. v.d. Schouw te zijn en twee voor de beiden anderen. Mej. v.d. Schouw wordt gekozen op een tractement van ƒ 300. per jaar. De benoemde zal daarvan onmiddellijk in kennis worden gesteld, onder mededeling dat deze benoeming op 1 juli 1871 zal ingaan en dat de acte van benoeming en de instructie bij haar vestiging in deze gemeente zal worden uitgereikt. Maar mej. van der Schouw uit Schagen komt niet naar Monnickendam. Op 7 juli wordt er een missieve (brief) voorgelezen waarin staat dat zij voor de benoeming van 19 juni bedankt. De reden wordt niet genoemd. De raad gaat over tot een nieuwe benoeming. De keus is weer uit drie want de twee overgeblevenen zijn aangevuld met mej. J.A.E. de Musche uit Maartensdijk. De keus valt nu op Zwaantje Everdiena Wilhelmina Beth, geëxamineerde vroedvrouw, werkzaam in Schoorl. Ze is op 14 februari 1844 in den Haag geboren, woont op het Noordeinde en is Hervormd lidmaat.

145

Zwaantje wordt op 7 juli 1871 benoemd tegen een jaarwedde van 300 gulden. Op de dag dat zij in functie treedt, krijgt zij de instructie voor haar functie uitgereikt. Haar taak begint op 1 augustus. Ze is echter maar een paar jaar vroedvrouw in de stad geweest. Op 7 maart 1874 schrijft Zwaantje: ‘Edelachtbare Heer, ik neem de vrijheid mij tegen 1 april mijn ontslag te geven als vroedvrouw dezer gemeente. Ik heb de eer te zijn Z.E.W. Beth’ (NA 299). De notulen vermelden op 30 april:’In overweging nemende dat genoemde persoon ten gevolge van een gedane benoeming elders deze gemeente reeds op de 1e april heeft verlaten, is besloten om haar het gevraagde ontslag te verlenen’. Tja, het bestuur kon moeilijk anders. Zwaantje heeft elders een betrekking gekregen en vertrekt op 30 maart 1874 naar Voorschoten (26). Ze wordt per 1 juli opgevolgd door Agatha Anetta van der Schouw, op 15 juni 1871 door B&W tot stadsvroedvrouw benoemd. Maar Agatha bedankt op 19 juni schriftelijk voor de functie. De Raad besluit vervolgens om, bij wijze van proef, de vacature voor een jaar onvervuld te laten en de werkzaamheden toe te voegen aan die van de heel- en vroedmeester Kerbert, die daar om heeft gevraagd, tegen een vergoeding van ƒ 200,- De voorzitter is het daar echter niet mee eens. Hij zou graag de plaats van vroedvrouw weer ingevuld zien. Aldus gebeurt. 28. Johanna Agatha Catharina Maria Rusche (1874-1888) Johanna Rusche is, evenals haar ouders, van Hervormde huize, op 2 april 1840 in Amsterdam in de Sint Jansstraat geboren. Dochter van blikslager Albert Rusche, geboren op 17 januari 1803 in Amsterdam, in Amsterdam overleden op 78-jarige leeftijd op 6 maart 1870 en in Amsterdam getrouwd op 9 oktober 1822 met Willemijntje Casteleijn, geboren in Amsterdam op 2 juni 1802 en daar ook overleden op 16 maart 1869. Albert is een zoon van Roelof Rusche en Maria de Lange. Johanna heeft naar de vrijgekomen functie in Monnickendam gesolliciteerd. De stukken zijn onderzocht en zeer gunstig bevonden en daarom wordt zij uitgenodigd om de vergadering te bezoeken. Als dat goed uitpakt zal ze worden aangesteld. Aldus gebeurt op 9 juni. Op 15 juni 1874 komt Johanna vanuit Haarlem, waar zij verloskundige in het Elisabeth Gasthuis is, naar Monnickendam. Ze gaat op het Noordeinde wonen, vermoedelijk in een huis dat voor de vroedvrouw gereserveerd was. Johanna Rusche is tot 1888 als vroedvrouw/verloskundige werkzaam. In augustus van dat jaar schrijft zij aan het stadsbestuur:’Door deze verzoekt ondergetekende einde september haar eervol ontslag als gemeentevroedvrou van Monnickendam’ (NA 309). Op 29 september 1888 wordt ze uitgeschreven. Ze gaat naar Amsterdam waar ze 146

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

op 12 oktober wordt ingeschreven. Adres: Saenredamstraat 36. Vermoedelijk een vriendin, Etje Prijs, geboren in Broek in Waterland op 3 september 1863, woont daar ook. In juni 1889 verhuizen beiden naar de Korte Leidse Dwarsstraat 25. Johanna is ongehuwd gebleven. Een bericht in het Amsterdamse Bevolkingsregister noemt wel twee pleegkinderen. Na nog wat verhuizingen binnen de stad gaat Johanna op 28 september 1914 in het Rozenhofje wonen. Daar overlijdt ze op 17 februari 1919. 29. Geesje Brugman (1888-1896) Johanna Rusche wordt opgevolgd door Geesje (ook wel Geeske) Brugman, gemeenteverloskundige van 1888 tot 1896. Ze is op 14 november 1862 in Leeuwarden geboren, dochter van Jacob Brugman, geboren te Leeuwarden op 17 november 1821, overleden aldaar op 4 mei 1901. Hij trouwt op 27 april 1845 in Leeuwarden met Willemke van Kuik, eveneens in Leeuwarden geboren op 17 mei 1822. Op 22 oktober 1883 gaat Geesje naar Amsterdam waar ze de vroedvrouwenopleiding volgt. Met het diploma op zak vertrekt Geesje naar Ermelo, waar ze op 20 mei 1885 wordt ingeschreven, gekomen van Amsterdam. Zeer waarschijnlijk heeft ze in Ermelo als vroedvrouw gewerkt. Geesje heeft in Monnickendam gesolliciteerd, want op 29 september 1888 schrijft ze de Raad een briefje dat zij haar benoeming tot vroedvrouw te Monnickendam ontvangen heeft en die aanneemt. Op 5 oktober gevolgd door het bericht dat zij met ingang van 15 oktober ontslag heeft gevraagd uit haar tegenwoordige betrekking. ‘Indien haar dit tegen dien tijd verleend wordt, wat zeer waarschijnlijk is, dan denkt ze rond 15 oktober haar betrekking in Monnickendam te aanvaarden’ (NA 309). Geesje is ongehuwd en gaat op de Nieuwezijds Burgwal wonen. Op 15 januari 1889 stelt de Raad een nieuwe instructie voor de stadsvroedvrouw te Monnickendam op. Die luidt als volgt: art. 1 De stadsvroedvrouw zal een jaarwedde genieten van ƒ 300,- (Op 27 september 1889 is dat bedrag verhoogd naar ƒ 350,-). art. 2 Zij zal op vertoon van een daartoe verstrekkend bewijs, af te geven door het Bur147

gerlijk Armbestuur, met de meeste spoed gratis verloskundige hulp verlenen aan haar, wier naar het oordeel van het Burgerlijk Armbestuur zulks behoeft. art. 3 Zij zal de gemeente niet verlaten dan met toestemming van de burgemeester of diens plaatsvervanger. art. 4 Zij zal in een vergadering van B&W in handen van de voorzitter de navolgende eed afleggen: ‘Ik zweer/beloof dat ik de verplichtingen, die mijn instructie als stadsvroedvrouw van Monnickendam mij oplegt getrouwelijk zal vervullen’. art. 5 De raad behoudt aan zich de bevoegdheid deze instructie zodanig te wijzigen als zij zal menen nodig te zijn. Onder deze condities heeft Geesje een aantal jaren haar werk gedaan als ze op 30 april 1890 om wijziging van artikel 3 vraagt. Ze schijft: ‘De redenen die mij hiertoe hebben geleid zijn de volgende: Tot hiertoe was die buitengewone strenge bepaling, die mij bv. zelfs niet toestaat eene wandeling tot buiten de grenzen der gemeente uit te strekken voor mij wel dragelijk, omdat dit artikel in een milde zin opgevat werd. Tot mijnen spijt zijn thans echter de omstandigheden veranderd. De gemeente-geneesheer heeft mij namelijk gedreigd, mij het leven zeer lastig te zullen maken en de toestand hier voor mij onhoudbaar te doen worden. Blijft art. 3 van mijne instructie van kracht, dan zal ik nooit, ook zelfs maar voor enkele ogenblikken, de gemeente kunnen verlaten of de gemeente-geneesheer kan hier over beklag indienen bij den Raad, zoals hij gezegd heeft te zullen doen. Het artikel zal dan streng moeten worden gehandhaafd en ik ben als het ware een gevangene binnen de grenzen der gemeente. Ik hoop zeer dat u zult inzien dat bedoeld artikel te streng is en dat er geen rekening gehouden wordt met mijn persoonlijke verantwoordelijkheid voor mijn patienten. Ik deel u de redenen van mijn verzoek mede, in de hoop dat u bij de behandeling van mijn rekwest gebruik zult maken, voor zoverre dit door U wenschelik of naarstig wordt geoordeeld. Uw dienaresse Geesje Brugman’. Het heeft geholpen want artikel 3 wordt op 6 juni 1890 als volgt gewijzigd: ‘Bij afwezigheid uit de gemeente langer dan zes uur zal zij moeten kennisgeven aan en langer dan 24 uur, toestemming moeten hebben van de burgemeester of diens plaatsvervanger’ (NA 310). Geeskes brief brengt het spanningsveld onder woorden dat er bestond tussen medicus en verloskundige (27). Op eigen verzoek wordt Geeske Brugman per 1 oktober 1896 eervol ontslag verleend. Ze gaat terug naar Ermelo en trouwt daar op 9 oktober 1896 met onderwij148

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

zer Herman Natte, geboren in Ermelo op 27 juli 1865, zoon van Leonardus Natte en Annetje Eijbrink. Een maand later (4 november 1896), gaat het echtpaar naar Haarlem. Herman Natte was namelijk als onderwijzer in Bloemendaal werkzaam. Van 1902 tot 1908 hebben zij te Haarlem in een kinderhuis gewerkt. Op 11 mei 1908 wonen zij aan de Garenskokerskade nr. 15. Op dat adres overlijdt Herman op 9 februari 1931, 65 jaar oud. Geesje is 82 jaar als zij op 15 februari 1945 in Haarlem overlijdt. 30. Alida Maria Henschen (1896-1905) Tijdens de vergadering van de gemeenteraad op 25 september 1896 komt de benoeming van een nieuwe stadsvroedvrouw aan de orde. Uit de rij sollicitanten zijn er drie geselecteerd: Alida Maria Henschen te Amsterdam, Magdalena van Brusel uit Goes en Eelkje Veenstra uit Terband (Fr). Alida Henschen krijgt zes stemmen. Ze is verheugd over de aanstelling en schrijft op 26 september 1896 vanuit Amsterdam: ‘Den Edel Achtbare Heer Burgemeester der Gemeente Monnickendam. Met zeer veel genoegen heb ik hedenmiddag de benoeming tot gemeente vroedvrouw in Uwe gemeente ontvangen, welke ik 1 October a.s. hoop te aanvaarden. U dankzeggende heb ik de eer te zijn, Edel Achtbare Heer, Uw dienstvaardige dienaresse A.M. Henschen’ (NA 312). Op 30 september 1896 wordt Alida als burgeres van Monnickendam ingeschreven. Ze woont aan het Noordeinde (28). Alida Henschen is op 30 januari 1872 in Amsterdam geboren, dochter van godsdienstonderwijzer (1906), later evangelist (1918) Hendrik Willem Henschen, overleden te Lemsterland op 13 juli 1927 (85 jaar) en Maria Baartscheer, overleden te Lemsterland op 10 september (75 jaar). Alida is van Gereformeerde huize, ongehuwd en woont eerst als commissaal (kostgangster) in bij de familie Mars in de Kerkstraat op nummer 108. Een drieling! Alida heeft een voor die tijd wel zeer bijzondere bevalling meegemaakt. Visventer Ernst Meij, zoon van Jan Meij en Cornelia Groen, trouwt op 6 oktober 1889 met dienstbode Antje Gons uit Hoorn, dochter van Jan Gerritsz Gons en Bregje Eggeles. In de Schoolsteeg, wijk 2 op nummer 112, wordt op 28 juni 1902 een drieling geboren, Willempje, Trijntje en Gerrit. Helaas hebben de kinderen het niet lang gemaakt. Gerrit sterft al een dag na zijn geboorte, Trijntje zes maanden later op 18 januari 1903 en Willempje overlijdt op 10 april 1903. Het zal niet met deze bevalling te maken hebben gehad, maar in datzelfde jaar 1902 gaat de jaarwedde van Alida van ƒ 300,- naar ƒ 350,-.

149

Alida vertrekt Op 31 mei 1906 schrijft Alida Henschen aan de Raad der gemeente Monnickendam: ‘Geeft beleefd te kennen A.M. Henschen, Gemeentevroedvrouw, dat wegens aanstaand vertrek uit de Gemeente zij gaarne tegen 1 augustus a.s. eervol ontslag zou wenschen te ontvangen, ’t welk doende A.M. Henschen’ (NA 315). Het antwoord luidt:’De raad der gemeente Monnickendam, beschikkende op het verzoekschrift d.d. 31 mei 1906 van mej. A.M. Henschen om ontslag als gemeentevroedvrouw aldaar, gelet op art. 145 der gemeentewet BESLUIT aan mej. A.M. Henschen voornoemd het gevraagde ontslag EERVOL te verlenen en zulks met ingang van 1 augustus 1906 (NA 72, mei 1906). Alida Henschen is 34 jaar als ze op 26 juli 1906 naar Epe vertrekt. Ze woont daar op de Korte Singel 4 en trouwt op 1 september 1906 met de 43-jarige timmerman Gerard ter Haar. Gerard ter Haar is op 5 mei 1863 in Epe geboren, zoon van timmerman Aart ter Haar die op 11 maart 1904 in Epe is overleden. Vader Aart, geboren in Oene, trouwt in 1855 te Epe met de 32 jarige vroedvrouw! Elisabeth Wijnbergen, in 1822 in Epe geboren en op 16 januari 1906 in Epe overleden. In Epe worden krijgt het echtpaar tussen 1909 en 1912 vier kinderen waaronder een tweeling. Het is niet duidelijk of Alida in Epe als vroedvrouw heeft gewerkt. Ze overlijdt er op 7 november 1918, nog maar 46 jaar oud. Gerard overlijdt in 1943 te Delft. Vroedvrouwen in de 20e eeuw We komen bij de vierde en laatste periode. Omdat de 20e eeuw nog maar kort achter ons ligt, zullen de vroedvrouwen die na 1900 de stad Monnickendam gediend hebben, bij sommigen wel enige herkenning oproepen. Bij het begin van de 20e eeuw heeft Monnickendam, inclusief Overleek en de Purmer, ongeveer 2000 inwoners. Bij de telling van 30 mei 1809 zijn dat er exact 2094. Daarvan behoren er 1398 tot de Gereformeerde religie, 180 zijn EvangelischLuthers, 432 Rooms-Katholiek, 47 Doopsgezind en 37 behoren tot de Joodse natie. 31. Alida Roeper (1906-1919) Na het vertrek van Alida Henschen zijn er op 30 juni 1906 twee sollicitanten: Alida Roeper van het eiland Texel en Dirkje Arens Westerterp uit Loenen aan de Vecht, 34 jaar. Alida Roeper schrijft op 14 juni 1906:’Edelachtbare Heer, raadsleden; Geeft 150

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

met verschuldigde eerbied te kennen Alida Roeper, gediplomeerd verloskundige, wonende te Oudeschild, gemeente Texel, dat zij onder overlegging der vereischte stukken de vrijheid neemt zich aan te melden als sollicitante naar de vaceerende betrekking van verloskundige in de gemeente Monnickendam, dat omtrent haar inlichtingen zijn te bekomen bij dr. Meurer, directeur der Rijkskweekschool voor vroedvrouwen te Amsterdam en mej. Bing, directrice aan genoemde inrichting. Redenen waarom zij Uw Raad beleefd verzoekt haar te benoemen tot verloskundige in Uwer gemeente, ’t welk doende, Uwed. dienster A. Roeper, verloskundige, Oudeschild, Texel’ (NA 315). Haar brief heeft de Raad blijkbaar overtuigd, want op 30 juni wordt Alida Roeper met algemene stemmen als stadsvroedvrouw gekozen. Haar dienstverband gaat op 1 augustus in tegen een jaarwedde van ƒ 350,-(NA 793). Op 14 oktober wordt ze als Hervormd lidmaat ingeschreven. Alida Roeper is op 22 februari 1882 op Texel (Oudeschild) geboren, dochter van manufacturier Jan Willems Roeper die op 21 juni 1877 trouwt met Grietje Hellenius, eveneens van Texel waar de naam Roeper veel voorkomt. Huwelijk In Monnickendam trouwt Alida Roeper op 9 februari 1911 met weduwnaar, horlogemaker en goudsmid Cornelis Michiel Kroone. Als opvolger van Hendrik Adamsz. Klaver wordt Cornelis op 22 september 1905 ook aangesteld als klokkenist tegen een salaris van 75 gulden per jaar, op 7 november 1906 verhoogd tot 100 gulden.

Alida Roeper en haar man

Cornelis Michiel Kroone is op 13 januari 1879 in Schagen geboren, zoon van timmerman Tijs Kroone en Johanna Gielens. Cornelis, streng katholiek opgevoed, vrijdenker, vegetariër en lid van de Blauwe knoop, was spiritist, net als onderwijzeres Lantinga in het Noordeinde. 151

Kroone opent in 1902 een horloge- en klokkenzaak, die hij in 1949 overdoet aan Frits Tegel (29). In januari 1913 is hij voorzitter van de Nederlandse Vereniging tot afschaffing van alcohol houdende dranken in Monnickendam. Hij vraagt aan het stadsbestuur te mogen vergaderen in de bovenzaal van de Waag, waarbij de vereniging de kosten van licht en verwarming zal betalen en voor een goed beheer zorgen. Cornelis en Alida krijgen in Monnickendam twee kinderen: Mathilde op 18 juni 1913 en Grethe op 5 oktober 1915. Het echtpaar woont in 1918 in de Kerkstraat op nummer 45. De moeder van Alida, Grietje Hillenius, woont bij hen in. Ze is geboren op 6 maart 1853 op het eiland Texel en daar op 21 juni 1877 getrouwd met koopman met Jan Willemsz Roeper, geboren te Oudeschild op 15 januari 1854, zoon van Willem Roeper en Antje Kooger. Grietje Hellenius is kort na 1 januari 1938 naar Texel vertrokken en daar op 8 maart overleden. Weer een drieling Alida is in verwachting als er zich opnieuw een drieling aandient. Op 6 februari 1913 worden geboren: Pieter, Margaretha Maria en Anna Maria, kinderen van Klaas Klein en Reijertje Geertruida Verbeek, de laatste uit Buren/Erichem. Het is 14 juli 1916 als Alida schrijft: ‘Geeft eerbiedig te kennen Alida Roeper, echtgenoote van C.M. Kroone, wonende te Monnickendam, dat, gedurende de tien jaar dat zij als verloskundige in dienst dezer gemeente werkzaam is geweest, hare jaarwedde steeds onveranderd is gebleven, terwijl zoowel hier als elders andere gemeenteambtenaren periodieke verhoging hebben gekregen’. Het helpt. De jaarwedde wordt met ingang van 1 juli 1916 verhoogd van ƒ 350,- naar ƒ 400,-. Afscheid van Alida Roeper In 1919 krijgt de gemeentevroedvrouw, op eigen verzoek, eervol ontslag, dat 1 november ingaat. Alida en haar man blijven tot 1938 of later in Monnickendam wonen. Daarna is Amsterdam hun woon- en verblijfplaats. Daar overlijdt Cornelis Michiel Kroone op 16 mei 1965, een half jaar na zijn vrouw Alida die op 12 december 1964, eveneens in Amsterdam overlijdt. Ontslag Alida Roeper

152

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

32. Engelina Vos (1920-1930) Er wordt een opvolgster gezocht. De nieuw aan te stellen vroedvrouw zal ƒ 400,per jaar ontvangen, maar bij de onderhandelingen kan dat oplopen tot ƒ 600,Op 26 september 1919 notuleert de secretaris dat er geen enkele sollicitant op de advertentie is afgekomen waarin ƒ 400,- wordt geboden. Een nieuwe advertentie volgt, nu met een toezegging van ƒ 600,- salaris. Dat werkt. In de Raadsvergadering van 20 december 1919 wordt met algemene stemmen tot stadsvroedvrouw benoemd: Engelina van Venetien-Vos uit Slagharen. Haar dienstverband gaat 12 december 1919 in tegen een salaris van ƒ 600,- per jaar en een pensioengrondslag van eveneens ƒ 600,-. Er wordt haar, op haar verzoek, een inkomen van ƒ 1000,- per jaar gegarandeerd, terwijl besloten wordt Engelina voor de helft tegemoet te komen in de te maken kosten voor het aanstellen van een plaatsvervangster in Slagharen. Engelina reageert vanuit Slagharen op 22 november 1919 verheugt en schrijft: ‘Gisterenavond mocht ik telegrafisch mijn benoeming ontvangen, waarvoor ik U en de wethouders en raadsleden hartelijk dank zeg...’ (Volgen de voorwaarden, als zojuist genoemd). Ze eindigt met een vraag over haar behuizing: ‘Heeft u iets naders van dat huis gehoord? ... dat ik, als het kan, zo spoedig mogelijk zou willen betrekken, daar ik nu eerst bij menschen in de kost moet, doch liefst zo kort mogelijk’. Alles is dus naar wens verlopen. Op 5 januari 1920 wordt Engelina met haar man in het Bevolkings Register van Monnickendam ingeschreven, gekomen van ambt Hardenberg. Engelina Vos is op 16 december 1890 in Groningen geboren, dochter van Jan Vos en Annechien Albringh. In Groningen volgt zij de vroedvrouwenopleiding en ontvangt op 22 december 1917 haar getuigschrift. Op 9 september 1918 trouwt Engelina in Leiden met Cornelis Hendrik van Venetien. Cornelis Hendrik van Venetien is kapper, op 18 maart 1892 in Leiden geboren, zoon van Christiaan van Venetien en Dirkje Geertruida Koreman. In het jaar van het huwelijk krijgt Engelina op 11 mei een aanstelling als kraamvrouw in Hardenberg, maar dat werkverband duurt maar kort. Engelina Vos en haar man vertrekken naar Monnickendam en gaan op 2 januari 1920 op de Nieuwezijds Burgwal wonen (30 en 31). De zeventigjarige vader van Engelina, huisschilder Jan Vos, woont bij hen in. Ingeschreven op 5 januari, gekomen van ambt Hardenberg. In Monnickendam wordt op 8 september 1921 op het Singeltje hun enige dochter, Dirkje Geertruida geboren. Het gezinnetje woont ook nog op het Noordeinde en in de Nieuwe Steeg.

153

In dat jaar 1921 wordt op 22 april het inkomen van de vroedvrouw van ƒ 600,naar ƒ 800,- verhoogd. Het zijn de economisch slechte jaren twintig van de vorige eeuw met veel inflatie. Broze gezondheid Engelina heeft een broze gezondheid en is daardoor niet altijd in staat haar Engelina van Venetien-Vos werkzaamheden naar behoren te verrichten. Ze heeft een vlekje op haar long dat op TBC duidt, een ziekte die in het begin van de 20e eeuw veel voorkwam. Vanwege die broze gezondheid krijgt ze op 1 december 1930 eervol ontslag en ontvangt vanaf 28 oktober 1930 een bescheiden pensioen. De notulen zeggen het zo: ‘De ondergetekende, Engelina Vos, echtgenote van (...), gemeentevroedvrouw alhier, bericht u dat zij zich aan een geneeskundig onderzoek tot het bekomen van invaliditeitspensioen wenst te onderwerpen en verzoekt u twee geneeskundigen te willen aanwijzen overeenkomstig art. 74 der pensioenwet 1922. Harerzijds wordt voorgesteld de heer Dr. S.C.M. Spoor, directeur van het Burgerziekenhuis te Amsterdam aan te wijzen als geneeskundige die het onderzoek bij zal wonen en van advies zal dienen’. De uitslag van het onderzoek volgt op 28 oktober 1930:’De Raad acht haar voor de verdere waarneming van hare betrekking ongeschikt’. Vermeld wordt nog ‘dat hare ziekte niet het rechtstreeks gevolg is van de uitoefening van haren dienst’ (NA 794). Op 2 december 1930 vertrekt het echtpaar Venetien-Vos met dochter Dirkje naar Hilversum en gaat daar in de Gouden Regenlaan wonen, nummer 130. Ook vader Jan Vos, inmiddels 80 jaar, verhuist mee. Vanwege de economisch slechte tijd volgt Engelina een cursus patroontekenen. Door haar kennis over te dragen aan leerlingen kan ze zo wat bijverdienen. Haar man heeft verschillende baantjes. Hij werkt eerst op een conservenfabriek en later bij een stomerij, waarbij hij regelmatig met een bakfiets van Hilversum naar Utrecht moet rijden! Engelina is, ondanks haar zwakke gezondheid, toch nog 84 jaar geworden. Ze overlijdt in Hilversum op 3 augustus 1974, bijna zes jaar na haar man die op 24 december 1968 in Hilversum is gestorven. Dochter Dirkje Geertruida woont anno 2006 nog in Hilversum. Een aantal van 154

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

haar kinderen en kleinkinderen zijn werkzaam in de medische sector of daarmee verwante beroepen. Dirkje Geertruida zat als jong meisje in de klas bij Grietje Snieder met wie ze ook bevriend was. Grietje is een zus van de volgende en laatste stadsvroedvrouw van Monnickendam. 33. Maria Snieder (1930-1971) De laatste stadsvroedvrouw Maria Kaars, geboren Snieder. Ruim veertig jaar heeft zij honderden nieuwgeboren Monnickendammers in haar handen gehad. Over haar werkperiode is nog veel informatie bewaard gebleven (32). Maria Snieder is op 22 december 1906, ’s morgens om half negen op de Oudezijds Burgwal 145 geboren. De aangifte wordt gedaan door twee schoenmakers, de 42-jarige Pieter Snieder en de 37-jarige Klaas Snieder, broeders van Maria’s vader Willem. Maria is een dochter van timmerman Willem Snieder, geboren op 8 november 1877, op 19 juni 1901 in Monnickendam getrouwd met Trijntje Mobron, geboren op 15 september 1880, dochter van visroker Dirk Mobron en Neeltje de Wit. Zowel in Monnickendam als in Amsterdam worden van dit echtpaar kinderen geboren. Na het overlijden van Trijntje Mobron op 17 januari 1917, nog maar 36 jaar, trouwt Willem Snieder, inmiddels 39 jaar, op 25 juli 1917 in Bussum met de 37-jarige Cornelia Verkade, geboren in Nieuwer- Amstel op 24 november 1879, dochter van Nelis Verkade, geboren in Woubrugge die op 30 augustus 1876 in Nieuwer Amstel trouwt met Maria Jacoba Staal, afkomstig uit Nieuwer-Amstel. In 1938 wonen Willem en Cornelia in de Tuindwarsstraat 192/9, nu de Burg. Versteegstraat 2. Uit dat huwelijk worden twee kinderen geboren, nadat er op 5 augustus 1918 al een levenloos kindje ter wereld is gekomen. Volgens de kinderen uit het eerste huwelijk van Willem Snieder was deze Cornelia Verkade niet zo’n geweldige moeder. Ze had meer oog had voor haar eigen kinderen dan die van haar voorgangster. Cornelia Verkade is op 18 februari 1963 overleden. Terug naar Maria. Op 22 juni 1910 tekent Dr. H.D. de Haas uit Amsterdam een document dat hij de drie-jarige Maria heeft ingeënt tegen de pokken en ‘gezien heeft dat zich drie koepokken hebben ontwikkeld, die een zodanig verloop hebben gehad, dat zij voorbehoeding tegen de kinderpokken zoveel mogelijk waarborgen’. Op 23 oktober 1924 vertrekt Maria naar Amsterdam, vermoedelijk om daar als dienstbode te gaan werken. Ze komt 14 april 1926 weer terug in Monnickendam en gaat wonen op de Gooische Kaaij. 155

Opleiding tot vroedvrouw Op 24 april 1926 schrijft Maria aan de hoofdinspecteur van de volksgezondheid te Nijmegen dat ‘zij gaarne wenscht toegelaten te worden tot het toelatingsexamen der Rijkskweekscholen voor vroedvrouwen. Gaarne zou zij te Amsterdam worden geexamineert’. Vier dagen later ontvangt zij bericht, dat het schriftelijk toelatingsexamen in ’s Gravenhage zal worden gehouden. Verder meldt de inspecteur of zij, bij eventuele plaatsing, voorkeur heeft voor Amsterdam of Rotterdam. Ook vraagt hij of Maria de schoolgelden zelf zal betalen of dat zij een verzoek zal indienen bij de minister van Arbeid, Handel en Nijverheid voor gehele of gedeeltelijke ontheffing van de betaling van schoolgeld’. Maria legt in 1926 het toelatingsexamen af. Het omvat o.a. natuurkunde, rekenen en een stijloefening (taal). 156

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

Omdat het antwoord of zij geslaagd is, wat lang uitblijft en Maria, als zij niet wordt aangenomen, moet solliciteren, vraagt zij, middels een brief van 16 juni 1926, of de inspecteur niet een heel klein tipje van de uitslag kan oplichten, zodat ze weet waar ze aan toe is. Op 20 juli 1926 komt het langverwachte bericht van het Ministerie. Maria is geslaagd. Aan de Opleidingsschool in Amsterdam is geen plaats, maar wel aan die van Rotterdam waar Maria als leerling-vroedvrouw kan worden geplaatst. Daartoe moet ze zich op maandag 6 september voor acht uur ’s avonds melden bij de huismeesteres van de school op de Henegouwerlaan 72 in Rotterdam. Op 4 september 1826 wordt ze in Monnickendam uitgeschreven en vertrekt naar Rotterdam (33). Geslaagd Op 19 juni 1928 legt Maria Snieder het theoretisch examen als vroedvrouw met goed gevolg af. Een klein jaar later, na de nodige praktijkervaring te hebben opgedaan, krijgt ze op 19 april 1929 haar getuigschrift, wat haar tot een bevoegd vroedvrouw maakt. Maria Kaars in functie Maria keert terug naar Monnickendam en wordt op 27 juli 1929 ingeschreven. Adres: Tuinstraat. Dat ze een goede leerlinge moet zijn geweest, zou je kunnen opmaken uit een lied dat de familie in 1947 zong, toen Maria en haar man hun 12,5-jarig huwelijk vierden: ‘En eind’lijk op de vroedvrouwschool, was zij het troetelkind, ze maakte daar een reuze jool, door iedereen bemind. Ze was de jongste van de ploeg, in ’t leeren nummer één. Maretje, dat zegt al genoeg, kwam er met glans doorheen’ Zoals we zagen is in 1929 Engelina van Venetien-Vos als verloskundige werkzaam, maar door een zwakke gezondheid vaak verhinderd om haar werkzaamheden goed uit te voeren. Maria Snieder, die haar al heel wat keren heeft vervangen, volgt haar per 15 december 1930 op. Ze wordt ‘verloskundige, belast met de 157

armenpraktijk’ in de stad Monnickendam. Stadsvroedvrouw dus, maar ook particulieren kunnen bij haar terecht. Nieuwe instructie In de Raadsvergadering van 11 december 1930, waarin mejuffrouw Snieder met zes stemmen benoemd is (één stem ging naar de eerdere vroedvrouw Alida Kroone-Roeper, die blijkbaar ook gesolliciteerd heeft) wordt een nieuwe instructie voor de vroedvrouv vastgesteld. art. I De verloskundige behandeling der behoeftigen in de gemeente is opgedragen aan een vroedvrouw welke wordt benoemd en ontslagen door de Raad. De benoeming geschiedt voor onbepaalde tijd uit een voordracht van zo mogelijk twee bevoegde personen, opgemaakt door B&W. De schorsing heeft plaats door B&W met inachtneming van de volgende voorwaarden: 1e. Alvorens tot schorsing over te gaan, winnen B&W het advies in van de geneeskundige inspecteur van de Volksgezondheid en stelt de vroedvrouw in de gelegenheid zich te verantwoorden. 2e. Gedurende de schorsing kan de geschorste in het genot harer wedde blijven. 3e. De schorsing mag niet langer duren dan een maand. Ontslag, anders dan op eigen verzoek, heeft plaats in overeenstemmming met het bepaalde bij artikel 37 van de Armenwet. Ontslag op eigen verzoek gaat eerst in drie maanden nadat een desbetreffend verzoek de Raad heeft bereikt. Het ontslag kan onmiddellijk worden gegeven, indien de vroedvrouw zorg draagt, naar genoegen van B&W, voor een plaatsvervangster gedurende drie maanden of zoveel korter, indien dit voor het verstrijken der drie maanden de vacante plaats weer mocht bezet zijn. art. II De vroedvrouw woont in de kom der gemeente en is verplicht om, indien iemand binnen deze gemeente haar hulp inroept, deze zo vlug mogelijk te verlenen. art III Het is haar vergund haar praktijk ook in de naaste omgeving, buiten de gemeente uit te oefenen, mits zij op die tijd niet in de gemeente nodig of geroepen is. Zich buiten de gemeente bevindende zal zij verplicht zijn zo spoedig mogelijk naar haar standplaats terug te keren om eventueel door ingezetenen gevorderde hulp te verlenen. art. IV De vroedvrouw verleent verloskundige hulp aan haar: a. die voorzien is van een bewijs, afgegeven door het Burgerlijk Armbestuur of door het gezegd bestuur aangewezen lid. 158

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

b. die door de politie zijn opgenomen, voor zover die hulp door of vanwege het hoofd der politie wordt ingeroepen. De vroedvrouw is verplicht in gevallen waar de hulp van een geneeskundige bij armlastigen nodig is, deze schriftelijk te vragen aan de geneesheer, belast met de armenpraktijk. art. V Welke personen of gezinnen tot de armlastigen behoren bepaalt het Burgerlijk Armbestuur of in spoedeisende gevallen het door gezegd bestuur daarvoor aangewezen lid. Bij verschil van mening hieromtrent tussen het Burgerlijk Armbestuur of het c.q. aangewezen lid en de vroedvrouw, beslissen B&W na de vroedvrouw te hebben gehoord. Hangende de beslissing is de vroedvrouw verplicht hulp te verlenen wanneer haar bijstand nodig is. art. VI Zij is verplicht bij de uitoefening harer praktijk te voldoen aan de eisen die uit verloskundig oogpunt en hygiènisch oogpunt daaraan mogen worden gesteld. art. VII Voor het verrichten van de in art. 4 genoemde diensten ontvangt de vroedvrouw een jaarwedde van ƒ 800,- Pensioengrondslag eveneens ƒ 800,-. art. VIII De vroedvrouw heeft aanspraak op een jaarlijks verlof van veertien dagen. Gedurende dat verlof wordt haar, ter bekostiging van de vervanging der armenpraktijk, een tegemoetkoming van ƒ 2,50 per dag verleend. Zij behoeft verlof van B&W voor een afwezigheid van langer dan drie etmalen en voorziet bij elke afwezigheid, waaronder begrepen ziekte en ontstentenis van langer dan vier en twintig uur ten genoege van B&W in haar plaatsvervanging. Indien zij afwezig wil zijn, moet zij met de geneesheer, belast met de armenpraktijk, overleg plegen. In geval van ziekte gaat haar bezoldiging gedurende twaalf maanden door en geniet zij gedurende vier maanden een vergoeding van ƒ 2,50 per dag in de kosten harer vervanging. art. IX De vroedvrouw legt schriftelijk de verklaring af dat zij de bepalingen dezer instructie aanvaard. art. X Wanneer over de bedoeling van de bepalingen dezer instructie verschil van mening mocht ontstaan, zullen B&W daaromtrent uitspraak doen, aan welke uitspraak de vroedvrouw zich zal hebben te houden. art. XI Deze instructie kan door de gemeenteraad te allen tijde worden herzien en aangevuld. 159

Bakkerij Kaars

160

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

art. XII Deze instructie treedt in werking op de dag dat van Gedeputeerde Staten bericht van ontvangst is ontvangen, op welke datum alle vroegere voorschriften, dit onderwerp betreffende zijn vervallen. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de Raad der gemeente Monnickendam van de 11 December 1930. Was getekend door de burgemeester en de secretaris. Maria begint in 1930 met een aanvangssalaris van ƒ 800,- maar op 13 september 1934 wordt dat verhoogd naar 812 gulden. In 1933 volgt Maria, via de Arnhemsche School voor Schriftelijk Onderwijs, een cursus Engels op HBS-niveau. De hoofdonderwijzer, de heer J. van der Bij, bepaalt 12 januari 1934 haar eindcijfer op een 8. Huwelijk In 1935 verandert haar burgerlijke staat. Op 22 november 1934, Maria woont dan op de Grote Noord, vindt de verloving plaats met bakker Cornelis Cornelisz Kaars uit de Kerkstraat. Het huwelijk volgt op 7 maart 1935. Cornelis Kaars is geboren op 16 mei 1910, zoon van bakker Klaas Kaars, geboren 21 september 1877 op Marken en Engelina Kaal, geboren 16 augustus 1878, overleden op 31 maart 1936. Klaas en Engelina krijgen vier kinderen waarvan Cornelis de derde is. Cornelis en Maria gaan na hun trouwdag in de bakkerij van vader Kaars in de Kerkstraat nummer 1 wonen. In datzelfde jaar neemt Cornelis neemt de zaak van zijn vader Klaas over. De laatste had de bakkerszaak gerund vanaf 1904. Dat pand aan de Kerkstraat is vanouds met het bakwezen verbonden geweest. Al in 1681 was er een bakkerij gevestigd (34 en 35). Eind 1962 en daarna is Cornelis Kaars nog enkele jaren makelaar. Hij is ook brugwachter van de Lijnbaansbrug, in de volksmond ‘het bruggetje van Grietje Houtman’ genoemd, vanwege het vlakbij gelegen kruidenierswinkeltje van deze vrouw. Cornelis Kaars en Maria Snieder krijgen vier kinderen: * Klaas, op 23 december 1938, maar Klaas is helaas twee dagen later, op 1e kerstdag, overleden. * Willy Trijntje wordt op de verjaardag van haar moeder geboren: 22 december 1939. Zij wordt, evenals haar moeder, verloskundige, anno 2006 nog steeds te Hoogeveen actief in een groepspraktijk. 161

* Midden in de oorlog, op 10 mei 1943 wordt er een tweeling geboren: Berthie en Ientje (Ineke). Ineke trouwt in 1964 met Hendrik Roos. Zij wonen op het Bloemendaal nummer 4. Berthie wordt onderwijzeres. Op 26 mei 1935 krijgt Maria schriftelijk van het stadsbestuur te horen, dat haar jaarlijkse inkomsten per 1 juli 1935 worden verminderd tot ƒ 650,- per jaar. En dat tijdens de moelijke vooroorlogse jaren! Omdat het stadsbestuur op 24 september 1936 opnieuw een verlaging van haar inkomsten aankondigt, van 650 naar 620 gulden, ingaande 1 oktober, schrijft Maria een brief naar Dr. Doijer, geneeskundig inspecteur voor NoordHolland en belast met het staatstoezicht op de volksgezondheid. In zijn antwoord stelt hij Maria een aantal vragen, o.a. over het aantal verlossingen waarbij zij betrokken is geweest. Dit contact leidt er toe dat de gemeente Monnickendam het besluit tot verlaging moet terugdraaien. Maria’s jaarwedde blijft op ƒ 650,Oorlog Tijdens de oorlogsjaren krijgt Maria een pasje van burgemeester van der Hoef, in het Duits opgesteld, dat zij tussen acht uur ’s avond en zes uur ’s morgens op straat mag zijn, als haar werk dat nodig maakt.

Bijscholing In 1956/57 wordt Maria in de vroedvrouwenschool in de Kamperstraat te Amsterdam bijgeschoold, hetgeen uitbreiding van haar bevoegdheden betekent. Ze mag nu zelfstandig hechten en venapuncties verrichten. Die zijn nodig om de resusfactor te kunnen bepalen of een geslachtsziekte op het spoor te komen. Bordje Eerder schreef ik iets over de bordjes aan de huizen van de vroedvrouwen. Aan het huis van het echtpaar Kaars was een bordje bevestigd met de tekst: Mevr. Kaars-Snieder, verloskundige. Spreekuur dinsdagmiddag van 2-3 uur. Einde dienstverband Mevrouw Kaars is belast met de ‘armenpraktijk’. Daar komt op 1 januari 1962 een einde aan. Maria vraagt aan de Bond van Nederlandsche Vroedvrouwen in Steen162

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

wijk wat het beste is, een wachtgeld vragen of met vervroegd pensioen gaan. Het is een wachtgeld geworden. Op 4 juli 1962 bevestigt de gemeente Monnickendam haar ontslag als verloskundige, belast met de armenpraktijk. Gedeputeerde staten hebben hun goedkeuring gehecht aan het opheffen van deze functie. Het betekent overigens niet dat Maria niet meer als vroedvrouw werkzaam is geweest. Op 10 februari 1971 schrijft de directeur van het Algemeen ziekenfonds Purmerend en Omstreken, de heer J.A. Wagenaar: ‘In antwoord op uw brief van 4 februari jl. waarin u ons meedeelt dat u met ingang van 1 maart 1971 niet meer als vroedvrouw werkzaam zult zijn in Monnickendam, danken wij U wederkerig voor de prettige samenwerking die steeds heeft bestaan tussen U en ons ziekenfonds. De artsen in Monnickendam zijn dezerzijds op de hoogte gesteld van uw besluit en hen werd medegedeeld dat u de bevallingen die U reeds hebt aangenomen, zult afmaken’. In 1971 komt er dus in Monnickendam definitief een einde aan een vroedvrouwenpraktijk van ruim 40 jaar. Het beëindigen van haar werkzaamheden heeft te maken met Maria’s gezondheid, maar ook met het overlijden van haar man Cornelis op 13 januari van dat jaar. Hij was het die haar met de auto naar de adressen bracht waar Maria moest kramen. Een gebied dat Monnickendam, Katwoude, een deel van de Purmer en het gebied tot Ilpendam omvatte. Daarnaast nam Maria ook nog wel eens waar in Volendam, als de vroedvrouw van dat zuiderzeedorp een dagje vrij wilde nemen. Vanouds een kinderrijk dorp waar werk genoeg was. Krant Op donderdag 3 november 1983 verschijnt er in het Noord-Hollands dagblad een artikel met als kop: ‘Mevrouw Kaars ‘deed’ ongeveer 41 keer 80 babies in haar gebied’. Zij heeft welgeteld dus zo’n 3000/3500 kraamvrouwen mogen helpen om hun kind ter wereld te brengen. Henk Voortman was de eerste die 163

Maria, na haar aanstelling, heeft mogen ‘halen’. Velen zijn gevolgd, waarvan er vandaag ongetwijfeld nog heel wat in leven zijn. Maria Kaars-Snieder overleden De laatste veertien jaar van haar leven is Maria niet meer zo gezond en vooral de laatste maanden gaat haar toestand sterk achteruit. Maria heeft haar man Cornelis vijftien jaar overleefd als ze op 7 oktober 1986 in Monnickendam overlijdt. Na een dienst in de Opstandingskerk wordt Maria op zaterdag 11 oktober op de oude begraafplaats aan de Kloosterstraat begraven. De overlijdensadvertentie vermeldt een tekst uit Jesaja 49:16 ‘Zie, Ik heb u in Mijn handpalmen gegraveerd’ (36). Een passend bijbelvers voor een vrouw die 40 jaar lang haar handen heeft mogen gebruiken, ten dienste van moeders, vaders en kinderen. Een vrouw om respect voor te hebben. Ze was niet allen vroedvrouw, verloskundige zo u wilt, maar ook moeder van drie kinderen en werkte ook nog regelmatig mee in de bakkerswinkel van haar echtgenoot. Slot Hier eindigt het verhaal over 350 jaar vroedvrouwen in Monnickendam. Vrouwen die in hun tijd en met hun kennis geholpen hebben om duizenden nieuwe wereldburgers in Monnickendam en omgeving geboren te laten worden. Het moet gezegd, in voorgaande eeuwen schoot hun kennis behoorlijk tekort, maar gaandeweg is deze bijzondere functie op een hoger peil gekomen. Anno 2006 zelfs op een zeer hoog peil. Prenataal onderzoek, echo’s, bloedonderzoek, het is vandaag standaard. Misschien wel juist daarom moeten we maar mild zijn in ons oordeel over hen die het zonder deze geavanceerde apparatuur moesten doen. Wat mij betreft dan ook: hulde aan deze vrouwen.

164

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

Bijlage

Vroedmeesters die na 1800 in Monnickendam werkzaam zijn geweest:

* Lodewijk Poulus Schmidt (1778 Den Haag-1847 Monnickendam) * Joannes Bernardus Arnoldi (1799 Amsterdam-1844 Monnickendam) * Jan Adriaansz van der Lee (1816 Oudewater- 1863 Monnickendam) * Bernardus Hendrikus van Ketel (1810 Amsterdam-1870 Monnickendam) * Willem Kerbert (1822 Loenen-1881 vertrokken) * Ernst Frederik Romeling (1858 Zuidbroek-1892 vertrokken naar Drunen) * Meinert Niemeijer (1862 Nieuweschans-1899 vertrokken naar Hilversum) * Sijtse Holm (1822 WestZaan-? * Jacobus Verdam (1825 Huizen-1849 Monnickendam) * Adriaan Boom (1827 Amsterdam* Anthonie Gerrit Degenaar (1842-vertrokken na 1886 naar Dubbeldam?)

Twee vroedmeesters uit Ilpendam die in Monnickendam kinderen aangeven zijn: * W.H. Boomkamp (rond 1855) * Cornelis van Amstel (tussen 1869 en 1877).

Noten: 1. Monnickendam in Waterland, Addy van Overbeeke, blz. 73. Uitgeverij Matrijs, Utrecht 2005. 2. Vroed is een oud woord voor ‘wijs’, verstandig. De Vroedschap (de stedelijke raad vanaf 1291) was het college van wijze mannen die de stad bestuurden. De vroede vrouw is eigenlijk een leenvertaling van het franse sage-femme. Het is ‘ene van de Overigheid aangestelde, beëdigde, zindelyke, eerbare Vrou die de zwangere vrouwen voor, in en na het bevallen, met raad en daad by staat en in zware geboorten de verlossing helpt bevorderen’ volgens de omschrijving van M. Noel Chomel in 1743. 3. Beide uitspraken uit: ‘Het huiselijk en maatschappelijk leven onzer voorouders, H. Brugmans, uitg. Elsevier, Amsterdam 1914, deel I, blz. 123. 4. Aantekeningen over de vroedvrouwen in Broek in Waterland in de 17e en 18e eeuw, C. Bakker, arts in: Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 68:1973-1977. 5. Betekenis van de afkortingen: OM – De Jaarboekjes van de vereniging Oud Monnickendam. OA – Oud-Archief van de gemeente Monnickendam (1604-1814). NA – Nieuw-Archief van de stad vanaf 1814. NOT - Notarieel Archief ORA – Oud-Rechterlijk Archief De verklaring van vreemde woorden staat tussen haakjes. 6. Dit verhaal gaat over 33 STADSvroedvrouwen. De vroedvrouwen die geen overheidsaan-

165

stelling kregen worden wel genoemd, maar hun namen staan tussen haakjes. Het is jammer dat er in de bronboeken van Monnickendam zo weinig bijzonderheden staan over de vroedvrouwen en hun praktijk. Eén van de weinige bronnen over het werk van vroedvrouwen is een ‘Memoryboeck’, waarin een zekere Catharina Schrader (1655-1746) haar werk als vroedvrouw in Dokkum en omgeving uitvoerig uit de doeken heeft gedaan. Verwijzing in het Jaarboek 2004 van het Centraal Bureau voor Genealogie, blz. 129. 7. Monnickendam in Waterland, blz. 72. 8. Tot in de 19e eeuw was het gangbare geld verdeeld in guldens, stuivers en penningen. Een gulden was 12 stuivers en een stuiver 20 penningen. Vandaar dus drie getallen, gescheiden door een punt. 9. Jaarboek Centraal Bureau voor de Genealogie 1969. Met dank aan Marianne Teunis, die mij daar attent op maakte. 10. De Nederlander uit en thuis. Spiegel van het dagelijks leven uit bijzondere zeventiendeeeuwse boeken, blz. 35 en 36, John Landwehr, Voorschoten 1981. 11. Het huiselijk en maatschappelijk leven onzer voorouders, dl. 1, blz. 125 12. De heer Appel heeft de gebeurtenissen en de nasleep ervan beschreven in het Jaarboekje 1990, blz. 22vv. De criminele rol 3563, maart 1704, vermeldt de diefstal van een koperen uithangbordje. Meer over uithangborden in het algemeen: ‘De uithangteekens, in verband met Geschiedenis en Volksleven beschouwd, Mr. J, van Lennep en J. ter Gouw, heruitgave van 1869, M.A. van Seijen, Leeuwarden, 1974. 13. 1672 staat bekend als het rampjaar vanwege de inval van Frankrijk onder Lodewijk XIV. De voorboden daarvan dienden zich al aan. Meer over deze periode in het Jaarboekje 1980 blz. 17vv. 14. Criminele rol OA 3563 blz. 7 en 9. 15. Criminle rol OA 3563 blz. 69vv. In OA 35 blz. 91 d.d. 28.9.1707 komt dit vonnis ook aan de orde, zonder dat er namen worden genoemd. 16. OM 1991 blz. 32vv. 17. Monnickendam in Waterland, blz. 73. 18. Criminele rol 3564. 19. De heer Appel heeft uitgebreid over Franse tijd geschreven in het Jaarboekje 1999 blz. 41vv. 20. Criminele rol 3563, blz. 180. In het huis van de cipier waren op de eerste verdieping twee bewaarplaatsen die respectievelijk de ridderkamer en de gijselkamer werden genoemd. 21. Het spanningsveld tussen vroedvrouw en vroedmeester is gedegen onderzocht door Dr. van der Borg in haar dissertatie, genoemd in de boekenlijst, zie onder. Daarin ook veel informatie over het werk van vroedvrouwen in de voorbije eeuwen. 22. Zie Weeshuismap 8 nr. 5 d.d. 26.9.1819; idem d.d. 28.2.1819 een inventarislijst. 23. OM 2001 blz. 93vv, zie ook OA 28 en OA 46. 24. OM 2004 blz. 110.

166

stadsvroedvrouwen in monnickendam (1625-1970)

25. Bev. Reg. M’dam 8/115; 9/140; 15/68. 26. Bev. Reg. M’dam 14/117 27. Meer over deze problematiek in het boek van Dr. Borgers. 28. Bev. Reg. M’dam 19/108; 21/37 en 26/119). 29 Zie H. Voogel: Honderd jaar nering en ambacht in Monnickendam blz. 43,44. Ook Veltrop in ‘Herinneringen’ blz. 37 noemt dit spiritisme van Kroone en anderen. Volgens de schrijver had Kroone als lijfspreuk: ergo cogito sum (ik besta dus ik denk). Dat is een ‘omkering’ van het gevleugelde woord van de filosoof Descartes die het als volgt zei: cogito ergo sum: ik denk, dus ik besta! 30. Bev. Reg. M’dam 4/192. 31. De foto van mevr. van Venetien is genomen op het Noordeinde. 32. Met dank aan mevr. Roos-Kaars die mij op het spoor zette van een dossier over haar moeder dat zich bij de Stichting Historisch Verpleegkundig Bezit te Amersfoort bevindt en mij een aantal bijzonder over het leven van haar moeder heeft verteld. 33. Van dit opleidingsinsituut is een jubileum-boek verschenen onder de titel: 1882-1982 Rijkskweekschool voor vroedvrouwen te Rotterdam. Op blz 75 en 79 een foto van het centrum aan de van Henegouwenlaan. Een bewaard gebleven album van de familie Snieder met (zwart-wit) foto’s laat zien hoe Maria daar, samen met leeftijdsgenoten, van 1927-1929 haar opleiding heeft gedaan. Keurig in uniform poserend, samen met jaargenoten en zelfs met een heuse drieling, staat Maria op menige foto. 34. OM 84 blz. 65. 35. H. Voogel blz. 22. 36. Het is ook de trouwtekst van de schrijver van dit verhaal.

Bronnen 1. Wat betreft de aanstellingen van vroedvrouwen vóór 1811 zijn de Vroedschapresoluties (OA 119), de resoluties van de Representanten des Volks, van de Municipaliteit en van de Raad (OA 2331) en de Memorialen van de Burgemeesters (OA 33-39) van belang.

2. De stadsrekeningen van Monnickendam zijn, zij het in de 17e eeuw met hiaten, bewaard gebleven van 1607 tot 1813. Ze bevinden zich in het Oud-Archief (OA) van Monnickendam (voor 1814) te Purmerend, nrs. 192-213. Het boekjaar liep niet, zoals bij ons, van januari tot januari, maar van 1 augustus tot 1 augustus.

3. Voor de periode na 1814 is het gemeente-archief (NA) van belang. Daarin zijn verspreid wat notities te vinden over aanstelling, funktioneren en salariring en vertrek.

Boeken * Jaarboek Centraal Bureau voor Genealogie 2004, blz. 129-154 * Vroedvrouwen, beeld en beroep, H.A. van der Borg

167

* Een kind onder het hart. Zwangerschap en geboorte in de 17e en 18e eeuw, D. Carasso en A. de Wildt, catalogus tentoonstelling Amsterdam Historisch Museum 1987 * Huwelijk en gezin in de 17e en 18e eeuw, D. Haks, Assen 1982 * Aantekeningen over de vroedvrouwen in Broek in Waterland in de 17e en 18e eeuw, Dr. C. Bakker in Nederlands Tijdschrift voor geneeskunde, 68, 1973-1977.

Meer informatie * Nationaal museum Verpleging en Verzorging, Zetten * Bond van Nederlandse vroedvrouwen/Kon. Ned. Veren. van Verloskundigen, Bilthoven (Een samengaan van de Ned. R.K. Vereniging van vroedvrouwen, opgericht in 1921 en de Bond van Nederlandse vroedvrouwen, opgericht in 1926. De fusie vond in 1975 plaats, terwijl er in 1998 het predikaat ‘Koninklijke’ aan toegevoegd mocht worden.

Met dank aan: * de medewerkers van het Waterlandsarchief, in het bijzonder Ton en Els voor hun hulp bij het transcriberen van enkele 17e eeuwse stukken, * de Stichting Historisch Verpleegkundig Bezit te Amersfoort voor het welwillend uitlenen van het dossier over vroedvrouw Maria Kaars-Snieder, * mevrouw Ineke Roos-Kaars voor de informatie over haar moeder en familie, * mevrouw Dirkje Geertruida van Venetien in Hilversum, dochter van vroedvrouw Engelina van Venetieen-Vos, voor de informatie over haar moeder, * de nakomelingen van de familie Kroone/Roeper, * de mannen en vrouwen die middels Genealogische groepen op Internet mijn vragen hebben beantwoord door elders in het land archieven te raadplegen.

Nawoord De schrijver stelt het op prijs, reacties te ontvangen van hen die nog andere informatie hebben over de genoemde vroedvrouwen, die van de 20e eeuw in het bijzonder. Mailt u naar: cae-groot zonnet.nl

168

Verslag van de penningmeester over het jaar 2005

Rekening van baten en lasten over 2005 2005 Baten Contributies Subsidie Gemeente Waterland Giften Interest Winst op verkopen Totaal baten

H

begroting 2005 H

2004 H

13.265,74 – 661,87 1.704,42 3.761,04 11.870,99

12.000,00 – – 1.800,00 500,00 14.300,00

11.992,08 555,83 100,00 1.780,50 2.319,98 16.748,39

Lasten Algemene kosten, zoals drukwerk, portikosten, ledenvergaderingen en lezingen Drukkosten Jaarboek Assurantie Donatie Stichting Museum de Speeltoren Activiteiten 650 jaar stadsrechten Totaal lasten

3.836,24 5.043,57 481,50

5.000,00 5.000,00 600,00

4.479,56 3.834,71 481,50

3.177,00 261,40 12.799,71

3.177,00 1.500,00 15.277,00

4.877,00 13.672,77

De baten bedroegen De lasten bedroegen Voordelig saldo

11.870,99 12.799,71 928,72 -

14.300,00 15.277,00 977,00 -

16.748,39 13.672,77 3.075,62

Toelichting De winst opverkopen is in 2005 nadelig uitgekomen wegens de uitgave van het boek Monnickendam in Waterland. Het merendeel van de aangeschafte boeken was eind 2005 nog niet verkocht.

169

Balans per 31 december

H Voorraden Vorderingen Kas en Bank

Vermogen Fonds Museum de Speeltoren Fonds Gouwzeewerf Schulden

31-12-2005 H 1,00 5.977,68 106.419,94 112.398,62

31-12-2004

67.095,47 26.558,08 10.037,26 8.707,81 112.398,62

68.024,19 25.911,72 9.792,98 17.765,40 121.494,29

2.587,54 1.090,14 2.300,00 5.977,68

2.688,98 2.866,20 2.300,00 7.855,18

31,28 2.744,60 1.426,30 102.217,76 106.419,94

400,26 4.387,92 528,67 108.321,26 113.638,11

1,00 7.855,18 113.638,11 121.494,29

Toelichting op de balans per 31 december 2005 Vorderingen Interest Verkopen Subsidie Prins Bernhard Cultuur Fonds

Kas en bank Kas Postbank Rabobank Rabobank rendementrekening

Vermogen Per 31 december 2005/2004 bedroeg het vermogen Bijgeboekt het nadelig/voordelig saldo 2005/2004 Het vermogen per 31 december 2005/2004

68.024,19 928,72 67.095,47

64.948,57 3.075,62 68.024,19 ›

170

verslag van de penningmeester over het jaar 2005

› H Fonds aankopen Museum de Speeltoren Per 31 december 2004/2003 bedroeg dit fonds Restauratiekosten schilderijen Paul Rink en dames- en herenportret Jan Kater Pz. bijgeboekt aan rente Per 31 december 2004 bedroeg dit fonds

31-12-2005 H

31-12-2004

25.911,72

26.785,19

646,36 26.558,08

1.543,10 669,63 25.911,72

9.792,98 244,28 10.037,26

9.554,13 238,85 9.792,98

2.317,00 2.001,40 1.000,00 3.177,00 212,41

5.559,08 1.763,40 1.000,00 4.402,31 2.840,61 2.200,00 17.765,40

Fonds Gouwzeewerf Per 31 december 2004/2003 bedroeg dit fonds bijgeboekt aan rente Per 31 december 2005/2004 bedroeg dit fonds Schulden Ontvangen in 2005/2004 aan contributie 2006/2005 Overschot excursies 1985 t/m 2005 Algemene onkosten Stichting museum ‘de Speeltoren’ Af te dragen gelden inzake restauratie stoepen Af te dragen gelden inzake ontvangen sponsering

8.707,81

171

Begroting 2006 2006 H Rekening van baten en lasten

2005

H

Baten Contributies Subsidie gemeente Waterland Interest Winst op verkopen Totaal baten

12.600,00 – 1.700,00 2.500,00 11.800,00

12.000,00 – 1.800,00 500,00 14.300,00

Lasten Algemene kosten, zoals drukwerk, porti, kosten ledenvergadering, lezingen enz. Drukwerk Jaarboek Verzekering premies Bijdrage in exploitatie Museum de Speeltoren Activteiten 650 jaar stadsrechten Totaal lasten

4.000,00 5.000,00 500,00 3.177,00 – 12.677,00

5.000,00 5.000,00 600,00 3.177,00 1.500,00 15.277,00

De baten worden begroot op De lasten worden begroot op Begroot nadelig/voordelig saldo

11.800,00 12.677,00 877,00 -

14.300,00 15.277,00 977,00 -

Toelichting De winst op verkopen wordt voor 2006 nadelig begroot wegens de uitgave van een nieuw boek van Harry Voogel over de geschiedenis van de Grote Kerk.

J. Balvers, penningmeester Monnickendam, maart 2006

172

Jaarverslag 2005 van de Stadsgidsen

Het afgelopen jaar is ons Gidsengilde aanzienlijk uitgebreid. Afgelopen winter en in het voorjaar doorliepen zeven kandidaten de cursus met succes. Zij draaiden mee als volwaardige gidsen. Het was voor een ieder een druk jaar, gezien de vele festiviteiten die plaatsvonden. Ondanks het feit dat tijdens de drie feestweken het gidsenwerk stil lag, is over het hele jaar een uitstekend resultaat bereikt. Wij hebben 1390 personen de stad laten zien, tegen 838 vorig jaar. De maanden april en juni staken er boven uit. Aantallen wandelingen per maand: januari (2), februari (2), maart (2), april (9), mei (3), juni (15), juli (5), augustus (1), september (2), oktober (7), november (2), december (3).

173

De plaatselijke scholen toonden, in het kader van 650 jaar Stadsrechten, veel belangstelling voor de stadswandelingen. Voor de onderbouw hadden we een wandeling georganiseerd op basis van het boek ‘Koen van Monnickendam’. Na afloop kregen de kinderen een kleurplaat en de winnaar kreeg hèt boek. Met de bovenbouw zijn we in de Grote Kerk geweest en hebben de toren beklommen. Met name dat laatste vonden de kinderen heel spannend. Dit alles met zowel leerkrachten als kinderen in middeleeuws kostuum. Bestuur Netty Lommers heeft aangegeven haar bestuursfunctie te willen beëindigen. Graag verzoeken wij een van de gidsen haar taak over te nemen. Zelf besloot ik, na mijn termijn van 5 jaar, als voorzitter af te treden. Ik maak van deze gelegenheid graag gebruik om Harry Voogel te bedanken dat hij spontaan mijn taken overnam, toen mijn man Cees door zijn ziekte al mijn aandacht nodig had.

A.C.M. Lagrand-Groenewoud, voorzitter

174

jaarverslag 2005 van de stadsgidsen

Stadsgidsen Monnickendam – financiÍel verslag 2004-2005 Eindsaldo 2004 Ontvangen over 2003-2004 Rondleidingen Giften Rente Subtotaal Onkosten Netto saldo Saldo rendementrekening Saldo betaalrekening Inkas Netto saldo

H

H

7539,77

2810,50 144,50 136,06 3091,06 H 10630,83

H H

H

1762,12 8868,71 7627,80 1134,21 106,70 8868,71

J. Klaver, penningmeester 16 november 2005

175

176

Stichting Museum de Speeltoren – jaarverslag 2005

Stand van zaken van de bouwplannen Gedurende 2005 zijn er concrete stappen gezet in het proces om te komen tot nieuwbouw van het museum. In een aantal gesprekken met directe buren en de gemeente zijn punten aan de orde geweest waarmee rekening dient te worden gehouden bij de in ontwikkeling zijnde plannen. Deze gesprekken hebben in een open en constructieve sfeer plaatsgehad. Tijdens de druk bezochte bijeenkomst in de Lutherse kerk, najaar 2005, hielden drie sprekers pleidooien voor historiserende bouw, modern of een middenweg van romantisch modernisme. Respectievelijk, Ir. Bosch van Drakestein, Ir. Ronnie Kuyper van Van Hoogevest architecten en Prof Dr. Wim Denslagen gaven hun standpunten met vuur en overtuiging door. Hoewel er voor alle drie de standpunten aanhangers te vinden waren, bleken de historiserenden onder ons toch een duidelijke meerderheid te hebben. Gezien de plek naast de Speeltoren zelf en het karakter van het Noordeinde is dat niet onbegrijpelijk en het museumbestuur heeft haar democratische conclusies uit deze leuke bijeenkomst onder de vleugels van het onvolprezen Areopagus getrokken. De architect die het historiserende pleidooi hield, Bosch van Drakestein, heeft daarna een opdracht gekregen om een voorlopig ontwerp voor beide gevels te maken. Voor de hoofdgevel op het Noordeinde heeft hij een Vingboonsachtige gevel ontworpen, een ontwerp dat nu getoetst wordt op praktische haalbaarheid en acceptatie binnen de diverse overheidsorganen en bij andere betrokkenen. Voor de tweede gevel aan de Middendam is ook een ontwerp gemaakt. Beide schetsen deden begin 2006 hun ronde langs de diverse gemeentelijke instanties om te bezien of de door ons ingeslagen weg goedkeuring kan verkrijgen. Voor de eisen die we als museum moeten stellen aan de gehele nieuwbouw wordt een plan van aanpak geschreven door Jacqueline Weg, eindexamenstudente aan de museumopleiding van de Reinwardt Academie. Hiernaast afgebeeld ziet u een voorlopig ontwerp voor de Vingboonsachtige gevel. Een dergelijke gevel heeft in een ver verleden, blijkens een gravure naar een werk van Pronk, op dezelfde plek aan het Noordeinde gestaan. 177

De tentoonstelling van 2005 Vakmanschap De kunst van het bouwen 9 april - 16 oktober Bouwen in Monnickendam was het thema van deze tentoonstelling. In de tentoonstelling kwam zowel woningbouw als scheepsbouw aan bod. Getoond werden fragmenten uit historische panden in Monnickendam, maquettes en in het verleden gebruikte gereedschappen. Tevens konden modellen en afbeeldingen van in Monnickendam gebouwde schepen bezichtigd worden alsook de hellingen waar de schepen gebouwd werden. Dit alles mede dankzij bruikleengevers. Aanwinsten Wederom zijn dit jaar door diverse schenkers voorwerpen ingebracht. _

_ _ _

_ _

_ _ _ 178

Door de heer L. Woestenburg te Amstelveen werd ons een model geschonken van de electrische tram zoals deze van 1932 tot 1956 door de straten van Monnickendam heeft gereden. Het is een model van een motorwagen en twee bijwagens. De heer E. van Zaanen bracht een bruin geglazuurde pot, gevonden onder de Kloosterbrug. Mevr. M. Spaans-Dekker te Broek in Waterland gaf een aldaar opgegraven ansjovispot. De heer H. Voogel schonk een schilderstukje, gemaakt door W. Staphorst, met daarop een gedeelte van het Noordeinde met o.a het Stadhuis, het postkantoor en de splitsing naar de Kerkstraat en de Middendam. Van de heer F. Fontaine kregen we een gebrandschilderde voorstelling van de zaagmolen. De familie Vlugt gaf een foto van het voormalig postkantoor, die aan de heer H. Vlugt was gegeven door zijn collega’s bij de PTT ter gelegenheid van zijn pensionering op 31-8-1963. Mevr. Van Driel overhandigde een gecalligrafeerde proclamatie van de opening van de feesten ter herdenking van de ‘Slag op de Zuiderzee’ in 1973. Van mevr. J. Wolff-Buis kregen we enkele knipsels over Monnickendam en Marken uit een ‘Katholieke Illustratie’ uit 1926. Van de heer R. Reinierse een ijsbijl.

stichting museum de speeltoren – jaarverslag 2005

_ _

_

En een onbekende gever bracht 2 oude kanonskogels en een onderhoudssetje voor een geweer. Van de heer R. van de Geer kregen wij een mooie vitrine. Omdat deze vitrine te groot is voor onmiddellijk gebruik, maar na de vergroting en vernieuwing van ons museum zeker goed van pas zal komen is hij tijdelijk opgeslagen bij de fa. Leguit & Roos. Mw. Kaptein gaf ons een tweetal paspoppen die in de toekomst kunnen worden gebruikt om kostuumstukken tentoon te stellen.

Er is een aantal artikelen geschonken om in de toekomst de herinnering aan de viering van 650 jaar stadsrechten levendig te kunnen houden: _

_

_ _ _

De heer H. Van Elteren schonk ons zijn ontwerptekeningen van de historische kledij, van de versieringen in de Kerkstraat en van het St. Nicolaaswandkleed dat aan de Grote Kerk heeft gehangen. Van de heer B. Boersma kregen we posters, stickers en ander reclamemateriaal voor de in het feestjaar gebruikte betaalmunt de ‘Troet’ en voor de oude jenever ‘Troeters Troost’ plus enkele troetzakken (geldbuidels). Mevr. Weener gaf ons namens de werkgroep ‘Leprozenomgang’ de bij hun rondgang gebruikte zagerman, 2 krukken en een klepper. En de familie Lagrand gaf een drietal stadspenningen waarmee men toegang tot de binnenstad had via de stadspoorten. Zelf hebben wij ons bezit aangevuld met een fles Troeters Troost.

Alle schenkers hartelijk dank! Bezoekers In vergelijking met voorgaande jaren was 2005 een goed jaar. De aantallen bezoekers die wij dit jaar en in voorgaande jaren mochten verwelkomen zijn: Jaar Bezoekers

2005 1689

2004 1279

2003 1488

2002 1127

2001 1501

2000 1350

Het bezoekersaantal is in belangrijke mate beïnvloed door de festiviteiten rond de viering van 650 jaar stadsrechten. In april hebben wij een flink aantal schoolklassen ontvangen in het kader van door de scholen georganiseerde geschiedenisprojecten en in de feestmaand juli is het museum zeer druk bezocht. Ook de maanden juni en augustus waren drukker dan normaal. Gedurende het naseizoen was het bezoekersaantal echter weer erg laag. 179

Stichting Museum de Speeltoren – financieel verslag 2005 Balans H Activa Inventaris Voorraden Vorderingen

Liquide middelen

Passiva Vermogen Voorzieningen Gebouw en inventaris Collectie

Kortlopende schulden

Exploitatierekening

180

31-12-05

31-12-04

1 1 2.765 2.767

1 1 5.374 5.376

32.916 35.683

23.934 29.310

13.371

9.345

12.547 9.721 22.268

11.142 8.361 19.503

44 35.683

461 29.310

2005

2004

H

stichting museum de speeltoren – jaarverslag 2005

Baten Entreegelden Subsidie gemeente Waterland Bijdragen Vrienden van het museum Donaties en bijdragen Verkoop artikelen Verhuur bakkerskar Rentebaten Diverse baten Totaal baten

H

H 1.163 250 6.618 3.557 595 115 486 106 12.890

969 598 5.562 5.377 534 115 357 53 13.563

Lasten Presentatiekosten Bureaukosten Collectie Gebouw en inventaris Aankoop artikelen Vaste lasten Diversen Totaal lasten

901 423 1.376 1.405 111 4.613 5 8.864

1.507 594 1.110 3.810 0 4.479 0 11.500

Exploitatiesaldo

4.026

2.063

Toelichting algemeen De grondslagen voor de waardering van de activa en de passiva en de bepaling van het exploitatieresultaat zijn gebaseerd op historische kosten. Voor zover niet anders is vermeld, worden de activa en de passiva opgenomen tegen nominale waarde. De baten en lasten zijn zoveel mogelijk toegerekend aan het jaar waarop zij betrekking hebben. Inventaris en voorraad De inventaris en de voorraad zijn gewaardeerd op het symbolische bedrag van H 1,-. De baten worden verantwoord op het moment van verkoop. De kosten zijn ten laste van het resultaat gebracht op het moment van inkoop.

181

Toelichting op de balans H Vorderingen Vereniging Oud Monnickendam Te vorderen BTW Overige vorderingen

2.087 77 601 2.765

Liquide middelen Kas Rabobank Postbank

Vermogen 1 januari 2005 Dotatie exploitatieresultaat 2005 31 december 2005 Voorzieningen voor gebouw en inventaris 1 januari 2005 Dotatie 2005 31 december 2005 Voorzieningen voor collectie 1 januari 2005 Dotatie 2005 31 december 2005

222 29.498 3.196 32.916 H 9.345 4.026 13.371

11.142 1.405 12.547

8.361 1.360 9.721

Toelichting op de exploitatierekening Entreegelden Van de 1689 bezoekers die het museum gedurende het jaar 2005 hebben bezocht is een bedrag ad H 1.163 aan entreegelden geĂŻnd. De toegangsprijzen bedroegen gedurende 2005 H 1,50 voor volwassenen en H 0,50 voor kinderen. Bezoekers met een NSkaart met MJK-logo kregen dit jaar voor het laatst 50% korting op de entreeprijs. De toegang is gratis voor houders van een museumkaart en voor de Vrienden van Stichting Museum De Speeltoren met hun introducĂŠs (zie voor informatie elders in dit Jaarboek).

182

stichting museum de speeltoren – jaarverslag 2005

Subsidie Van de gemeente Waterland heeft de Stichting in 2005 een bijdrage ontvangen van H 250. In jaren 2004 en 2003 bedroeg deze subsidie nog respectievelijk H 597,50 en 1.195,-. Donaties en bijdragen Vrienden van het museum (zie apart hoofdstuk) Vereniging Oud Monnickendam Stichting Museumkaart

H 6.618 3.177 380 10.175

Verkopen De verkopen via de museumwinkel hebben gedurende 2005 geleid tot een bate van H 595. Presentatiekosten Suppoosten Publicatie, presentatie en website Diversen

Bureaukosten Telefoonkosten Diversen

Vaste lasten Gas, water en elektra Huur OZB, rioolrecht, verontreinigingsheffing Diversen

H 274 347 280 901

250 173 423

1.372 2.498 377 397 4.643

183

Vrienden van Museum De Speeltoren Gedurende 2005 is zowel het aantal vrienden als het van hen ontvangen bedrag beduidend hoger geweest dan in voorgaande jaren. Dit jaar mochten we van 757 Vrienden van Stichting Museum de Speeltoren een bijdrage ontvangen, in de jaren ’04, ’03, ’02 en ’01 waren dit er respectievelijk 669, 683, 661 en 632. Het totaal van de ontvangen bijdragen was H 6.618 (’04: H 5.562, ’03: H 5.577, ’02: H 5.155 en ’01: H 4.386). Vrienden, hartelijk dank. Uw bijdragen zijn nodig voor behoud en uitbreiding van de collectie en de exploitatie van het museum. Hopelijk zullen we over niet al te lange tijd voor belangrijke uitgaven komen te staan voor de aanschaf van inventaris voor het vergrote en vernieuwde museum. Uw steun wordt dan nog belangrijker. Mogen we daarom ook in de toekomst op u allen rekenen? Men kan vriend van Museum De Speeltoren worden door minimaal H 5,00 over te maken op giro 4461088 t.n.v. Vrienden van Museum De Speeltoren te Monnickendam, of door middel van de acceptgirokaart die de Vereniging Oud Monnickendam bij de rondzending toevoegt. Men krijgt dan een vriendenkaart die een jaar lang gratis toegang geeft tot ons museum voor de vriend en zijn/haar introducés. De Vereniging Oud Monnickendam verloot elk jaar onder de vrienden twee gratis deelnames aan de najaarsexcursie. De verloting vindt plaats tijdens de jaarvergadering van de vereniging.

184

Commissie Stads- en Dorpsbeheer Gemeente Waterland 2005

De commissie is in 2005 12 keer bijeen geweest om de bij de gemeente ingediende bouwplannen te bespreken, waaronder de hierbij genoemde plannen in de beschermde binnenstad van Monnickendam. Ik licht er een paar plannen uit om nader toe te lichten. In de overige gevallen gaat het meestal om kleine verbouwingen en/of aanpassingen van de gevel of het dak, zoals dakramen of dakkappellen. In het totaal zijn er ongeveer 50 aanvragen uit Monnickendam behandeld. Noordeinde 41-43 De vergunningen mbt de Posthoorn en bijbehorende gebouwen werden in de eerste helft van dit jaar afgerond. Na enige discussie werden ook voorstellen voor een luifel en reclame-uitingen akkoord bevonden. Iedereen is er nu van overtuigd, dat er een goed resultaat is bereikt met behoud van de horecafunctie op die belangrijke plek in de binnenstad. Zonnepad 15 Op deze plek is voor het eerst gebruik gemaakt van de ruimere mogelijkheid om in de stad een bestaande kleine woning te vergroten door verhoging van de gooten nok-hoogte overeenkomstig de nieuwe richtlijn, teneinde de bewoonbaarheid te verbeteren. Als algemene regel is bepaald, dat de goothoogte maximaal 1 tot 1,25 maal de voorgevelbreedte mag bedragen. Wel moet een dergelijke ingreep door de commissie worden beoordeeld op de stedebouwkundige inpasbaarheid in de betreffende gevelwand. Dat is in dit geval op het Zonnepad gebeurd en in orde bevonden. Eerder waren al dergelijke ingrepen via een wijzigingprocedure gerealiseerd, omdat het bestemmingsplan het nog niet toeliet. Nu kan dat dus direct geregeld worden. ’t Prooijen 3 De procedure voor deze nieuwe bebouwing bestaande uit een visrestaurant en appartementen loopt nog steeds en is derhalve nog niet afgerond. De commissie 185

was kritisch ten aanzien van het eerste ontwerp. Inmiddels is echter het plan volledig akkoord bevonden. Bloemendaal 2 Voor de bestaande bebouwing op het uiterst puntje van het Bloemendaal bij de stadswal is een bouwplan ingediend voor het realiseren van een stolpwoning, waarbij alle bestaande schuren en de woning worden afgebroken en hetzelfde bebouwde oppervlak terugkeert. Dat is een forse ingreep in de bestaande situatie, maar wel een die een verrijking kan worden van het stadsgezicht. B & W hebben in beginsel met toestemming van de raad medio 2005 besloten medewerking te verlenen aan het bouwplan, maar willen zich wel verzekeren van de medewerking van de provincie en van het rijk op grond van de wet op de ruimtelijke ordening. Ook onze commissie staat positief tegenover het bouwplan na enkele gedetailleerde aanpassingen. Omdat de bestaande bebouwing van na de oorlog geen historische waarde heeft, kan het nieuwe plan stedebouwkundig een verbetering opleveren. Het plan is nog steeds in procedure. Zarken 2 Bij de Grote Kerk is naast de in uitvoering zijnde restauratie een plan beoordeeld om aan de zijgevel bij de Zarken een toiletgroep te plaatsen, die voor het gebruik van de kerk bij grote bijeenkomsten vereist is. Ook in het verleden zijn er in dit soort situaties vaak aanbouwen gerealiseerd van soortgelijke omvang. Met de grootst mogelijke zorgvuldigheid is een aanbouw ontworpen, die het monument geen geweld aandoet en de praktische bruikbaarheid van het gebouw aanzienlijk zal verruimen. Een goede aanpassing aan de eisen van deze tijd. Dakterrassen De commissie heeft een aantal hekwerken van dakterrassen beoordeeld en komt tot conclusie dat het daaraan nog wel eens schort als het gaat om materiaalkeuze en vormgeving. Zij heeft er daarom op aangedrongen bij het verlenen van vergunningen te streven naar een zo open mogelijke constructie en het gebruik van materialen, die passen in het stadsbeeld. De voorkeur gaat er daarom naar uit, alles in metaal of hout en in een terughoudende kleur uit te voeren.

186

commissie stads- en dorpsbeheer gemeente waterland 2005

Lijst van bouwprojecten behandeld in de CSDB in 2005 Datum

Bouwaanvraag

januari 2005 januari 2005 januari 2005 januari 2005

Weezenland 18 Bloemendaal 1 Kerkstraat 50 Zuideinde 24

februari 2005 februari 2005 februari 2005 februari 2005 februari 2005 februari 2005 maart 2005 maart 2005 maart 2005 maart 2005 april 2005 april 2005 april 2005 mei 2005 mei 2005 mei 2005 mei 2005 mei 2005 juni 2005 juni 2005 juni 2005 juli 2005 juli 2005 augustus 2005

Bouw schuurtje Plaatsen dakkapel Veranderen voorgevel Plaatsen twee vitrinekasten in zijgevel De Zarken 12 Vergroten kap en wijziging monument Noordeinde 41-43 Maken van luifel en reclame voorgevel Noordeinde 41 Renoveren stoep Oude Zijds Burgwal 20b Vernieuwen stoep Zonnepad 15 Verhogen goot- en nok-hoogte woonhuis Gooische Kaai 1 Verbouwen woon/kantoor tot horecapand Noordeinde 87 Bijgebouw plaatsen ’t Prooijen 3 Visrestaurant en 6 appartementen Zuideinde 48 Vergroten dakopbouw en dakkapel Fluwelen Burgwal 15 Vernieuwen voorgevel en kozijnen Noordeinde 4 Restauratie en herstel Speeltoren Niesenoort 3 Antenne en erfafscheiding Noordeinde 16 Aanbrengen herdenkingsplaat Havenstraat 22 Aanpassing scheepshelling ’t Prooijen 3 Herhaling: Gewijzigd plan van maart Zarken 2 Plaatsen steigerdoek met reklame Kerkstraat 35 Wijzigen en vernieuwen achtergevel Bloemendaal 2 Slopen bebouwing; oprichten stolpwoning Niesenoortburgwal 26 Aanbouw achtergevel Noordeinde 120 Plaatsen dakkappel en aanbouw Kerkstraat 60-62 Afscheiding rond dakterras. Noordeinde 76 Wijziging woning in atelier. Bloemendaal 2 Herhaling: Gewijzigd bouwplan stolp Niesenoort 6 Restauratie kozijnen 187

augustus 2005

Noordeinde 100

augustus 2005 augustus 2005 september 2005 september 2005 oktober 2005

Gooische Kaai 2 ’t Zand 1 Zuideinde 9 Noordeinde 94 Molenstraat 6

oktober 2005

De Zarken 8 Noordeinde 79 Havenstraat 18 Kerkstraat 20 De Zarken 20 Fluwelen Burgwal 3-4 Kerkstraat 50 ’t Zand 1 De Zarken 2 Jachthaven 1 Havestraat 4 Gooische Kaai 16

oktober 2005 oktober 2005 november 2005 november 2005 december 2005 december 2005

Wijzigen achtergevel en aanbouw monument Plaatsen dakramen en kozijn zijgevel Uitbreiden woonhuis Bijgebouw achtererf Uitbreiden woonhuis achtergevel Achtergevel wijzigen; plaatsen dakkapel Diverse renovaties stoepen

Verbouwen winkel/woonhuis Herhaalplan: Uitbreiden woonhuis Aanbouw Grote Kerk met toiletgroep Plaatsen speeltoestel Plaatsen dakkapel in zijgeveldak Vernieuwen en vergroten woonhuis/kantoor

Maarten Verwey, lid van de Commissie Stads- en Dorpsbeheer september 2006

188

VOM_jaarboek07_TXT

30-07-2007

10:40

Pagina 120


Jaarboek vereniging Oud Monnickendam 2006