Issuu on Google+

TRAINEN VOOR PROBLEMEN DE MAATREGELEN DIE ACTOREN KUNNEN NEMEN TIJDENS (DREIGENDE) OVERSTROMINGSSITUATEIS EN WELKE PROBLEMEN DAARBIJ KUNNEN OPTREDEN. Project

Opdrachtgever

Versie

1

“Serious Game Flood Control” Aanvullingen 2013 Lectoraat Stad en Water; FloodCom

Auteurs

2.2.4 verificatie verzoek

INLEIDING

Overstromingen kunnen leiden tot grote humane-, economische- en ecologische schades. Ook al is Nederland de best beschermde delta ter wereld, overstromingen zijn nooit geheel uit te sluiten. In Nederland groeit het besef dat we naast de preventie van overstromingen met dijken en keringen, ons ook moeten voorbereiden op de reactiefase. Om voldoende voorbereid te zijn op een mogelijke overstroming moeten we weten wat er kan gebeuren tijdens overstromingen, welke maatregelen genomen kunnen worden en wat daarbij mis kan gaan. Tijdens dreigende en actuele overstromingen komen actoren in de water en veiligheidssector voor problemen en dilemma’s te staan. Onder tijdsdruk en in onzekerheid moeten zij besluiten nemen. Dit kan leiden tot problemen en conflicten in de calamiteitenorganisatie.

Datum, locatie

Vincent Oskam Jur Aarssen Ton Groffen Alexander Kloet Raymond van Oudenaren 31 juli 2013, Rotterdam

Dit artikel behandelt een inventarisatie van problemen en conflicten die kunnen ontstaan tijdens (dreigende) overstromingen. Hiervoor zijn ook de omstandigheden en gebeurtenissen die van invloed zijn op overstromingssituaties geïnventariseerd. In de bijlage is een shortlist opgenomen van alle verzamelde gebeurtenissen, impact, maatregelen en problemen.

1.1

CONTEXT

Dit onderzoek is uitgevoerd door vijf interdisciplinaire studenten aan de Hogeschool Rotterdam, in opdracht van het Lectoraat Stad en Water. In 2012 hebben studenten aan de Hogeschool Rotterdam een serious game ontwikkeld om: “Professionals in de water- en veiligheidssector bewust te maken van de problemen die kunnen optreden tijdens overstromingssituaties”. Het lectoraat heeft de opdracht gegeven om dit bordspel aan te vullen met onderbouwde, realistische scenario’s, maatregelen en problemen. Dit artikel bevat de achtergrondstudie die heeft geleid tot deze aanvullingen.

Pagina 1 van 17


1.2

DOELSTELLING

Dit onderzoek heeft als doel een inventarisatie te maken van maatregelen die genomen kunnen worden tijdens (dreigende) overstromingssituaties en welke problemen daarbij kunnen ontstaan. Omdat in verschillende scenario’s andere maatregelen en problemen van toepassing kunnen zijn, is het van belang geweest ook de verschillende overstromingsscenario’s en bijbehorende omstandigheden en gebeurtenissen te inventariseren. Deze inventarisatie dient als uitgangspunt van spelscenario’s voor experts in de water en veiligheidssector. Voor experts is het belangrijk dat deze scenario’s realistisch zijn. Daarom moet het onderzoek voldoende betrouwbaar zijn en alle uitkomsten onderbouwd en verifieerbaar.

1.3

METHODE

Dit onderzoek is uitgevoerd doormiddel van een literatuurstudie, aangevuld met diepte interviews met experts in de water en veiligheidssector. Tijdens het literatuuronderzoek zijn onder andere de landelijke en regionale draaiboeken voor hoogwater bestudeerd. Ook onderzoeksprogramma’s zoals Flood Control 2015, Veiligheid Nederland in Kaart en rapportages van Taskforce Management Overstromingen zijn meegenomen. Verder aangevuld met informatie van de Helpdesk Water en Overstromingslexicon van Rijkswaterstaat. Naast andere literatuur is veel waardevolle informatie geput uit interviews. Experts van de calamiteitenorganisatie van waterschappen en onderzoeksbureaus HKV en Movares hebben meegewerkt aan dit onderzoek. Dit onderzoek heeft grote hoeveelheden informatie opgeleverd, om het overzicht te bewaren zijn alle uitkomsten opgenomen in een shortlist in de bijlage. Dit artikel behandelt de belangrijkste en veralgemeniseerde uitkomsten. Om de resultaten te ordenen is een gebeurtenisketen model gemaakt. Deze wordt verder toegelicht in hoofdstuk één.

1.4

WAT NIET IS OPGENOM EN

De serious game is gericht op Rotterdam, alleen de scenario’s van toepassing op Rotterdam zijn opgenomen. Tenzij anders aangegeven zijn de uitkomsten voldoende representatief voor andere gebieden binnen (andere)overstromingsscenario’s.

Het onderzoek richt zich alleen op de zogenaamde “warme” situatie. Dit is een actuele hoogwaterdreiging of acute overstromingssituatie. De preventiefase zoals onderhoud en oefening is weggelaten, net als de lange termijn herstel- en nazorg fase. Ondanks een intensieve inspanning, pretendeert dit rapport op geen enkele wijze volledig te zijn. Naast hetgeen in dit rapport omschreven, zijn er nog vele andere situaties, maatregelen en problemen mogelijk.

1.5

LEESWIJZER

Hoofdstuk één bevat de uitleg en een voorbeeld van het gebeurtenis-keten model. Hoofdstuk twee behandelt de gebeurtenis-keten van mogelijke omstandigheden, gebeurtenissen en impact. Hoofdstuk drie bevat de maatregelen die actoren kunnen nemen tijdens overstromingssituaties en hoofdstuk vier de problemen die daarbij kunnen optreden. 1

Inleiding ......................................................... 1

2

Gebeurtenis-keten model ............................. 3

3

Overstromingsscenario’s ............................... 4

4

Impact ........................................................... 8

5

keteneffecten ................................................ 9

6

Maatregelen ................................................ 13

7

Problemen ................................................... 15

1.6

DANKWOORD

We zijn grote dankbaarheid verschuldigd aan de experts die bereid zijn geweest hun kennis en ervaring met ons te delen. Dijkgraaf Geluk, mevrouw van der Linden, de heer Fakkel, Roosendaal en Schreuder van Waterschap Hollandse Delta, de heer Vermeulen en Janssen van HKV, de heer Timmermans van Movares, en de heer van Loon van Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Ook zijn we onze opdrachtgever de heer Ernst dankbaar voor zijn enthousiaste begeleiding en adviezen. Vooral ook dat hij ons in contact heeft gebracht met de originele ontwikkelaars van de serious game, FloodCom. We zijn FloodCom dankbaar dat ze ons betrokken hebben bij hun verdere ontwikkeling en voor hun tips, informatie en feedback Tot slot zijn we onze docent mevrouw Veenstra dankbaar voor haar begeleiding en advies. Pagina 2 van 17


Scenario

Omstandigheid

Gebeurtenisketen Omstandighei d

Keten richting ->

Wind

Gebeurtenis

Om de gegevens in te delen is een gebeurtenisketen model ontwikkeld. Overstromingssituaties zijn complex en deels onvoorspelbaar. Het gebeurtenis-keten model kan modulair worden ingevuld, om de verschillende mogelijke gebeurtenissen tijdens overstromingssituaties beter overzichtelijk te maken, zonder lange faalboomconstructies te hoeven tekenen.

Voorbeeld

Golfoverslag

Falen dijk

Impact

Overstromingen kunnen verschillen in duur, omvang, belasting, richting, oorzaak, etc. Daarnaast kunnen overstromingen optreden in verschillende omstandigheden, bijvoorbeeld storm of vorst. Deze factoren beïnvloeden het verloop van een overstromingssituatie en het handelingsperspectief van de calamiteitenorganisatie. Tijdens overstromingssituaties is de kans op keteneffecten zeer groot. Het directe gevolg van een overstroming is enkel inundatie, door inundatie zal echter infrastructuur beschadigen en kunnen er andere gevaarlijke omstandigheden volgen. Deze gevolgen van gevolgen noemen we keteneffecten. Om een beeld te krijgen van wat er kan gebeuren tijdens overstromingen is het belangrijk deze keteneffecten in beeld te brengen.

Maatregel Een handeling om de gevolgen van een gebeurtenis te beïnvloeden. Een maatregel is een gebeurtenis geïnitieerd door een actor en veroorzaakt een verandering in de omstandigheden. Probleem Een situatie die het uitvoeren van een maatregel beperkt. Deze indeling is subjectief, een maatregel is een gebeurtenis die kan zijn geïnitieerd door impact van een gebeurtenis of door een omstandigheid. Daarnaast kan een probleem ook voorkomen dat een maatregel een impact heeft.

Erosie van de dijk

Instromen water

Hoge waterstand

Verzwakte dijk

Maatregel

GEBEURTENIS-KETEN MODEL

Dichten bres met materiaal

Probleem

2

Materiaal kan niet worden aangevoerd

Inundatie

Impact

Figuur 2 – voorbeeld gebeurtenis keten ja

ja

Gebeurtenis

nee

ja

Maatregel

Probleem

nee

nee

Einde scenario

Figuur 1 - Het gebeurtenis-keten model

Scenario Een verzameling van omstandigheden. Omstandigheden Een omstandigheid is een gegeven situatie die zich op een bepaald moment en plaats voordoet. Gebeurtenis Een verandering in de situatie, volgend op één of meerdere omstandigheden, met een bepaald gevolg en invloed (impact). Impact De invloed die een gebeurtenis heeft op de omstandigheden.

Een hoge waterstand en harde wind (omstandigheden) veroorzaken golfoverslag (gebeurtenis). Golfoverslag veroorzaakt erosie van de dijk, waardoor de dijk verzwakt (impact). In deze situatie is de dijk verzwakt (omstandigheid), wat in combinatie met de hoge waterstand kan leiden tot het falen van de dijk (gebeurtenis). Als de dijk faalt zal water instromen (impact) en het gebied inunderen (omstandigheid). De bres in de dijk kan met materieel worden gedicht (maatregel). De inundatie kan het aanvoeren van de kraan stremmen (probleem).

Pagina 3 van 17


3

OVERSTROMINGSSCENARIO’S

Overstromingen komen voort uit complexe situaties met veel variabele factoren. Als uitgangspunt voor verschillende mogelijke situaties zijn een aantal representatieve scenario’s uit de literatuur gebruikt.

3.1

VERLOOP VAN OVERSTROMINGSSITUATIES

Het nationaal responsplan hoogwater en overstromingen (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2007) benoemt vier fasen in overstromingsscenario’s.

3.1.3 FASE 2 Er is sprake van een hoogwatersituatie. In deze fase is behoefte aan het coördineren van de intraen interdepartementale informatievoorziening. De regionale diensten en waterschappen zijn verantwoordelijk voor de operationele hoogwaterbeheersing in de regio’s. In deze fase is sprake van afstemming van zowel informatie als van preventieve maatregelen op nationaal niveau tussen de verschillende kolommen. Multidisciplinaire coördinatie van besluitvorming is slechts beperkt nodig omdat de te treffen maatregelen vooral communicatieve elementen bevatten.

3.1.1 FASE 0 In deze fase is geen sprake van een hoogwatersituatie. De regie ligt in handen van de regionale diensten en waterschappen. De regionale diensten van RWS en de waterschappen zijn alert op de ontwikkelingen en zijn intern begonnen met de voorbereidingen ten aanzien van de hoogwaterbeheersing. De waterschappen zijn eerder actief dan de regionale diensten. Naast de organisatorische voorbereiding en het starten van de informatievoorziening zijn de belangrijkste activiteiten het sluiten van coupures en het opzetten van binnenwaterpeilen.

3.1.2 FASE 1 Deze fase staat in het teken van de voorbereiding op een komende hoogwatersituatie. In deze fase is er geen bedreiging van de openbare veiligheid of van algemeen en maatschappelijk belang. Fase 1a, de voorbereiding, betreft de operationele aspecten met betrekking tot het hoogwater, waarbij de crisisorganisatie van de regionale diensten en waterschappen op operationeel niveau is opgeschaald. De draaiboeken zijn van toepassing en de netwerkpartners in de waterkolom op operationeel niveau worden geïnformeerd; op hun beurt informeren zij de netwerkpartners in de algemene kolom. In fase 1b, de uitvoering, wordt de crisisorganisatie van de regionale diensten en de waterschappen betrokken in de hoogwaterbeheersing. De waterkolom wordt op bestuurlijk niveau geïnformeerd en dit niveau informeert hun partners in de algemene kolom. In deze fase wordt, via de hoogwatergroep, de LCO gewaarschuwd en kan zij zich voorbereiden op het hoogwater.

3.1.4 FASE 3 In deze fase is sprake van een (dreigende) overstroming dan wel doorbraak van een primaire kering of een (dreigende) storing in een ander kerend kunstwerk tijdens hoogwater. Tevens kan tot deze fase worden overgegaan als de beleving in de maatschappij niet strookt met de daadwerkelijke dreiging op technische gronden (door landelijke media-aandacht voor het hoogwater). Er wordt vier subfasen onderscheiden (zie responsplan hoogwaterbestrijding): a. Voorbereiden op evacuatie b. Van evacuatie naar overstroming c. Acute hulpverlening d. Stabilisatie De (dreigende) problemen betreffen meerdere beleidsterreinen en meerdere departementen. Hiervoor is coördinatie op nationaal niveau over meerdere departementen noodzakelijk en is het IBT en ook het MBT actief. Het initiatief ligt bij BZK, eventueel op verzoek van één van de andere departementen, die inhoudelijk over de situatie en het handelingsperspectief wordt geïnformeerd door de LCO. Er is sprake van een calamiteit dan wel crisis conform de definitie in het nationale handboek crisisbesluitvorming. Voor een goede bestrijding van de calamiteit / crisis is multidisciplinaire afstemming en besluitvorming op nationaal niveau over de verschillende departementen essentieel.

Pagina 4 van 17


3.2

SCENARIO’S

Rijkswaterstaat en onderzoeksbureau HKV hebben scenario’s opgesteld voor realistische extreme situaties, Ergst Denkbare Overstromingen (EDO). Deze scenario’s geven de ergste overstromingen weer die experts nog enigszins realistisch achten in Nederland (Rijkswaterstaat n.d.). Naast de EDO’s is ook gebruik gemaakt van andere scenario’s, zoals uit de overstromingsplannen van waterschappen. In Nederland kunnen overstromingen volgen uit stormopstuwing op zee en meren, uit hoge waterstanden in de rivieren, of een combinatie van beide (Kolen and Geerts 2006). Onwaarschijnlijke oorzaken van overstromingen zijn een vloedgolf door een aardbeving of meteoriet inslag op zee (Kolen and Geerts 2006) of het zeer langdurig uitvallen van polderbemalingsinstallaties (van Loon 2013).

3.2.1 ALGEMENE UITGANGSPUNTEN Overstromingen zijn afhankelijk van de plaats en moment van dijkdoorbraken. Na een doorbraak staat niet alles gelijk onder water, dit kan enkele uren of dagen duren. Ook de waterdiepte varieert en de stijgsnelheid is niet altijd levensgevaarlijk. Alleen nabij doorbraken zijn extreem hoge snelheden te verwachten, lokaal kunnen door hoogteverschillen en obstructies ook hoge stroomsnelheden optreden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2008). Na een dijkdoorbraak zullen regionale keringen snel te laag zijn. Afhankelijk van de inrichting van het watersysteem kan de instroom zich snel verspreiden via het boezemwatersysteem (Delfland 2011). Infrastructuur zoals wegen, elektra, gas, sanitair, drinkwater, ICT en telecom zullen uitvallen tijdens een overstroming. Door systeemeffecten kan dit ook merkbaar zijn buiten het overstroomde gebied (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2008). Wegen kunnen door storm en overstromingen onbegaanbaar worden, mensen zullen dus enige tijd zelfvoorzienend moeten zijn na overstromingen, als de hulpdiensten ze niet gelijk kunnen bereiken. Ook bij voedselschaarste, uitval van drinkwater en andere voorzieningen.

3.2.2 STORM (ORKAAN) Stormwind kan zeewater en golven opstuwen, bij aanhoudende windkracht zes zal pas na vier dagen een stormopzet optreden, bij hogere windsnelheden kan de waterstand binnen 10-20 uur het maximum bereikt hebben (Delfland n.d.). Een noordwest storm van orkaankracht kan leiden tot extreem hoge waterstanden voor de Nederlandse kust (Rijkswaterstaat n.d.). De hoogste waterstanden worden bereikt als het zwaartepunt van de storm samenvalt met hoogtij of springtij (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2008). Door een combinatie van waterstanden en golven kunnen de dijken doorbreken, dit is afhankelijk van de daadwerkelijke waterstanden en de sterkte van de waterkeringen (Rijkswaterstaat n.d.). Een dijkdoorbraak zal in dit scenario geen gevolgen hebben op de waterstanden (Kolen and Geerts 2006). Gedurende de storm zullen er hevige weersomstandigheden optreden. Voordat een mogelijke dijkdoorbraak optreedt is winkracht 10 te verwachten. In anderhalve dag zal dit oplopen tot orkaankracht, het hoogtepunt van de storm, waarop een dijkdoorbraak het meest waarschijnlijk is. Na het hoogtepunt is nog een dag lang windkracht 10 te verwachten (Kolen and Geerts 2006). Door de weersomstandigheden zal er tijdens de storm geen vervoer mogelijk zijn over weg, water of spoor. Bovendien zal de storm hulpverlening en maatregelen onmogelijk maken, ook de hulpverleners moeten zich in veiligheid brengen. (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2008). Het treinverkeer functioneert niet meer vanaf windkracht 10. Om waterkeringen te ontlasten zal dan ook een vaarverbod worden ingesteld (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2008). Het ontstaan van dit scenario is lang onzeker, slechts 12-24 uur vooraf is voorspelling mogelijk. Enkele dagen voor de stormvloed zal de depressie waarschijnlijk nog niet bestaan (Commissaris van de Koningin Noord-Holland 2010). Acht dagen voor een mogelijke doorbraak ziet het KNMI een eerste aanwijzing voor een storm van orkaankracht, vijf dagen van te voren geven de modellen slechts een kans van 20%. Het is dan waarschijnlijker dat na vijf dagen het weer helemaal niet extreem is. Twee dagen van te voren is het zeker dat een storm de Nederlandse kust zal belasten, maar tot één dag blijft het onduidelijk of dit de noord- of zuidkust zal zijn.

Pagina 5 van 17


3.2.3 HOGE RIVIER AFVOER Hoge waterstanden in de rivieren worden veroorzaakt door afvoeren uit het stroomgebied. Alleen als er meerdere dagen vrijwel continue grote hoeveelheden neerslag valt in het stroomgebied van de Rijn en de Maas, eventueel aangevuld met smeltwater, kan er een hoogwater afvoergolf ontstaan (Rijkswaterstaat n.d.). Standaard afvoer

Hoogwater

Afvoerpiek

Tijd

Figuur 3 De waterstand zal in golfvorm geleidelijk toenemen.

Hiervoor moet het gemiddeld minimaal 30 mm per dag regenen en de ondergrond kan de neerslag niet bergen, omdat ze verzadigd of bevroren is. De waterstanden nemen toe als de pieken van zijrivieren samenvallen, de hoogste waterstanden worden bereikt als de afvoerpiek van de Maas samenvalt met die van de Rijn. Bij hoogwater in de Rijn, zijn ook hoge waterstanden in de Maas te verwachten. Depressies die de vereiste hoeveelheid neerslag veroorzaken zullen zo groot zijn dat ze beide stroomgebieden beinvloeden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2008). Het stroomgebied van de Maas bovenstroomgs van Nederland is van nature slecht doorlatend, daardoor zal neerslag in dit gebied snel tot afstroom komen (Rijkswaterstaat 2010). De waterstanden in Nederland zijn gebonden aan een fysisch maximum, doordat de dijken in Belgie en Duitsland lager zijn dan in Nederland. Waterstanden hoger dan onze dijken zullen in deze landen al overstromen, waardoor de waterstand niet verder toe kan nemen. De duur van de afvoergolf neemt wel toe, omdat het overstroomde water alsnog afgevoerd moet worden. Totdat de dijken stroomopwaarts van Nederland worden versterkt, zal een overstroming in dit scenario dus niet komen door het overstromen van dijken, enkel door stabiliteitsproblemen. In het rivierenscenario treed systeemwerking op, een dijkdoorbraak zal leiden tot lagere waterstanden, hierdoor zijn andere dijkdoorbraken onwaarschijnlijk (Kolen and Geerts 2006).

Dit scenario is het meest waarschijnlijk in de winter of het vroege voorjaar, in de zomer is deze combinatie van factoren onwaarschijnlijk (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2008). Het duurt ongeveer vijf dagen voordat de hoogwater golf Nederland bereikt, daardoor is dit scenario goed te voorspellen. Drie dagen voor het maximum is de onzekerheid nog ongeveer 25 cm, een dag voor de piek zijn de waterstanden met een onzekerheid van 10 cm aan te geven (Rijkswaterstaat n.d.). Voordat het hoogwater Nederland bereikt zullen er overstromingen optreden in Duitsland. Ook in Frankrijk en Belgie is wateroverlast waarschijnlijk. De mediabeelden van deze overstromingen zullen Nederlanders waarschijnlijk bewust maken van het gevaar dat richting Nederland trekt (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2008). Tijdens hevige vorst kunnen er ook ijsdammen onstaan. Brokken ijs vormen dan een dam in de rivier, zonder maatregelen zal deze dam het water stroomopwaarts opstuwen (Bolwidt, et al. n.d.).

3.2.4 STORM EN HOGE RIVIERAFVOER Als een extreem hoge rivierafvoer onverhoopt samenvalt met een storm op de Noordzee, ontstaan er hoge waterstanden in het benedenrivieren gebied. Bij hoogwater op zee worden sluitkunstwerken zoals de Maeslantkering gesloten, om te voorkomen dat het rivierpeil opstuwt met het zeewater. Figuur 4 – (RWS 2013) Als bij Rotterdam of Dordrecht hoogwater wordt verwacht, dan sluit de Maeslantkering bij laagwater, de waterstanden bij Rotterdam zullen daarna niet veel meer stijgen, bij Rotterdam zal er dan ook geen gevaar zijn (van Loon 2013). Daarentegen, als de waterstanden op zee hoog zijn, maar niet hoog genoeg om de stormvloedkeringen te sluiten, en de rivierpeilen zijn hoog, worden de dijken extreem belast (Rijkswaterstaat n.d.). Ook de buitendijkse gebieden in Rotterdam zullen waarschijnlijk overstromen. Er treedt geen systeemwerking op.

Pagina 6 van 17


3.2.5 FALEN SLUITKUNSTWERK Als hoogwater op zee dreigt, eventueel gecombineerd met hoogwater in de rivieren, worden sluitkunstwerken zoals de Maeslantkering gesloten. Deze kunstwerken zijn ontworpen en getoetst voor extreme situaties, toch blijft het mogelijk dat deze systemen door menselijk handelen of technisch falen niet functioneren (Vermeulen and Janssen 2013). De hoge waterstanden vanuit zee worden dan niet tegengehouden en de peilen in de rivieren zullen onder invloed van de stormopzet stijgen. De sluitkunstwerken worden pas kort voor het verwachte hoogwater gesloten, een eventueel falen zal waarschijnlijk dus kort van te voren bekend zijn. Het falen van sluitkunstwerken is vooraf niet te voorspellen (Commissaris van de Koningin Noord-Holland 2010).

3.2.6 MENSELIJK HANDELEN Menselijk intentioneel handelen, zoals vandalisme en terrorisme, kunnen leiden tot overstromingen. Als een waterkerend kunstwerk, zoals een sluis, wordt beschadigd kan het zijn waterkerende functie verliezen. Afhankelijk van de actuele waterstanden en de locatie van de bres kan er dan een overstroming optreden. De plaats van de aanslag is mogelijk onveilig om te werken, er is een kans op een tweede aanslag op dezelfde locatie. Daarnaast zal de locatie een plaats delict worden, beide kunnen de inzet van personeel voor herstel bemoeilijken (Delfland n.d.).

3.3

BELANGRIJKE VERSCHIL LEN

De scenario’s verschillen op een aantal punten die belangrijk zijn voor het verloop van de overstromingssituatie.

3.3.1 VOORSPELBAARHEID Voorspelbaarheid is belangrijk voor de calamiteiten organisatie om zich voor te bereiden en mogelijk maatregelen te nemen. Een hoogwaterafvoer golf in de rivieren is enkele dagen vooraf te voorspellen, de waterstanden zijn drie dagen vooraf met 25 cm, en één dag vooraf met 10 cm onzekerheid aan te geven. Hoogwater op zee door stormopzet is veel moeilijker te voorspellen en pas kort van te voren bekend. Acht dagen voor de storm krijgt het KNMI een indicatie dat er mogelijk een storm

ontwikkeld, pas twee dagen vooraf zal bekend zijn dat die daadwerkelijk optreed en de Nederlandse kust zal belasten, één dag van te voren zal pas bekend zijn waar de grootste belasting zal zijn. Het falen van een sluitkunstwerk, of het falen van een waterkerend kunstwerk door opzettelijk menselijk handelen is niet te voorspellen en zal pas bekend zijn als de situatie optreed.

3.3.2 WEERSOMTANDIGHEDEN Bij een overstroming door hoogwater op zee zal er een extreme storm van orkaankracht over Nederland trekken. De weersomstandigheden zullen anderhalve dag voor, tot een dag na, een mogelijke dijkdoorbraak de calamiteitenorganisatie sterk belemmeren. Ook zal de storm voor andere beschadigingen zorgen. Een overstroming als gevolg van een hoogwaterafvoer in de rivieren is het meest waarschijnlijk in de winter of het vroege najaar. Waarschijnlijk zullen de temperaturen dan laag zijn. In combinatie met overstromingen leidt dit sneller tot onderkoeling en verdrinking, ook is het in de winter waarschijnlijker dat wegen glad zijn door vorst.

3.3.3 DUUR Hoogwater op zee zal onder invloed van de getijden en storm van relatief korte duur zijn, uitgegaan wordt van één tot twee getijden cycli. Daarna zullen de waterstanden weer dalen. Bij een hoogwaterafvoer uit de rivieren kan het hoogwater enkele dagen aanhouden. Als een bres ontstaat, zal de stroomsnelheid dagenlang te hoog zijn om de bres te dichten. Het water zal gedurende die tijd in blijven stromen.

3.3.4 SYSTEEMWERKING Als een dijk faalt tijdens hoogwater op de rivieren zal de waterstand stroomafwaarts van de bres snel dalen. Een tweede dijkdoorbraak stroomafwaarts is dan onwaarschijnlijk door de lagere waterstanden. Dit noemen we systeemwerking. Bij een hoogwaterstand op zee zal een dijkdoorbraak niet leiden tot lagere waterstanden, onder invloed van de stormopzet zullen de waterstanden hoog blijven totdat het hoogwater op zee zakt.

Pagina 7 van 17


4

4.1.2 (DODELIJK) LETSEL

IMPACT

Overstromingen hebben directe en indirecte impact. Directe gevolgen zijn bijvoorbeeld materiele/economische waterschade en kans op verdrinking. Indirecte gevolgen zijn onder andere economische schade door onderbreking van bedrijfsprocessen, maar ook kans op overlijden door uitval van water- en/of voedselvoorziening.

4.1

GEVAAR

Overstromingssituaties kunnen direct en indirect gevaar opleveren voor mensen. Zeker als ziekenhuizen, ambulances en EHBO posten uitvallen of onbereikbaar zijn.

4.1.1 VERDRINKING EN ONDERKOELING

Ondiep

Diep

Tijdens overstromingen kunnen mensen overlijden door verdrinking maar ook door o.a. onderkoeling. In combinatie met koude temperaturen leiden overstromingen sneller tot onderkoeling en Grote kans op verdrinking verdrinking (Rijkswaterstaat), verder is het gevaar Langzaam Snel afhankelijk van de Kleine kans overstromingsdiepte, op stroomsnelheid en verdrinking duur. Figuur 5

De locatie waar mensen zich bevinden is ook van invloed op de overlevingskans. Als mensen tijdens overstromingssituaties stranden op falende wegen, zijn ze zeer kwetsbaar voor overstromingen. Ze kunnen niet naar hogere verdiepingen vluchten en hebben waarschijnlijk minder voorzieningen zoals water en voedsel beschikbaar.

Tijdens overstromingssituaties is er ook kans op (ernstig) letsel en overlijden door letsel. Ondanks het vele water kan er tijdens overstromingen brand uitbreken (Kok, et al. 2006), de rook en hitte kunnen letsel veroorzaken. Ook kunnen mensen gewond raken als gebouwen instorten onder de druk van het water of storm. Ook materiaal en puin die door (orkaan)storm door de lucht slingeren kunnen letsel veroorzaken (Delfland n.d.).

4.1.3 ZELFREDZAAMHEID Een groot deel van de bevolking zal zichzelf moeten zien te redden bij een grootschalige overstromingsramp (Rijkswaterstaat). Burgers kunnen zichzelf veilig stellen op hogere verdiepingen, dit noemen we verticale evacuatie (Kolen B. , 2010). Overstromingen kunnen enkele dagen aanhouden, burgers zullen zichzelf tot die tijd moeten redden (Kolen B. , 2010), in de huidige situatie blijken burgers slecht voorbereid op overstromingen (Geluk, 2013), het vermogen om zichzelf te redden noemen we zelfredzaamheid (Kolen B. , 2010). Ook als nutsinstallaties uitvallen neemt de zelfredzaamheid van burgers af, ze hebben dan geen toegang tot schoon drinkwater, informatie via radio, televisie of telecommunicatie. Ook riolering en verwarming kunnen uitvallen

4.1.4 UITVAL VAN VITALE VOORZIENINGEN Als mensen langere tijd in een situatie terecht komen waar ze geen toegang hebben tot (zoet) water en voedsel dreigt gevaar voor uitdroging en verhongering. De drinkwater voorziening kan uitvallen of vervuilt raken, winkels onbereikbaar en/of bevoorrading onmogelijk. De kans is groot dat het overstromingen zout water bevatten, of dat het water sterk vervuild is met chemicaliĂŤn. Ondanks het overvloedige water is er een risico op uitdroging. Naast ziekenhuizen en EHBO posten kan ook de levering van (vitale) medicijnen en hulpverlening uitvallen (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2008).

Figuur 6 stranden van burgers tijdens evacuatie/vluchten (New Orleans 2005, foto van: Ben Record)

Pagina 8 van 17


4.1.5 AANTASTING GEZONDHEID

4.3

Na brand of overstroming kunnen ook schadelijke stoffen vrijkomen uit bijvoorbeeld chemische installaties (Europees parlement, 2007) of afvalwater zuivering installaties (AWZI) (van Sluis, 2012). Deze stoffen kunnen een gevaar zijn voor de volksgezondheid. Tijdens overstromingen is er ook kans op een hogere vatbaarheid voor, en verspreiding van, ziektes (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2008).

Tijdens overstromingen zullen er beperkingen optreden voor burger en voornamelijk de bestuurders en hulpverleners.

4.2

SCHADE

Afhankelijk van de stroomsnelheid en waterdiepte kunnen overstromingen schade aanrichten. Hoge stroomsnelheden leveren meer belasting op de infrastructuur, het wegspoelen van wegen, bomen, lantaarnpalen en beschadigingen aan gebouwen (Luyendijk, et al., 2010). Overstromingen veroorzaken grote economische, maatschappelijke maar ook ecologische schade.

BEPERKING (HULPDIENSTEN)

4.3.1 VERPLAATSING Afhankelijk van de overstromingsdiepte zullen wegen beperkt of ontoegankelijk worden. ▪ <20cm Auto’s kunnen nog stapvoets rijden ▪ 20-50cm Indien noodzakelijk kan men nog door het water lopen ▪ 50-80cm Alleen militaire voertuigen kunnen nog rijden, hulpdiensten kunnen het gebied nog bereiken ▪ 0,8->2m Verticale evacuatie is vereist, begane grond staat onder water (IPO n.d.)

4.2.1 ECONOMISCHE SCHADE Overstromingen leiden tot directe en indirecte economische schade. Zo zal het water materiele schade aanrichten aan woningen, inboedel, voertuigen en andere kapitaalgoederen. Ook landbouw en infrastructuur raken beschadigd. Daarnaast leidt bedrijfsuitval tot productie- en winstverlies. Ook de toeleverende en afnemende bedrijven buiten het overstroomde gebied kunnen hieronder hinder ondervinden (Kok, et al. 2006). Ook zijn er grote kosten voor de hulpverlening als evacuatie en nood- of herstelmaatregelen. Ook schadeclaims en verbonden juridische kosten.

4.2.2 MAATSCHAPPELIJKE SCHADE De maatschappelijke schade van overstromingen omvat (dodelijke) slachtoffers, psychologische effecten en algehele maatschappelijke ontwrichting (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2008). Ook cultuur-historische objecten kunnen beschadigd raken tijdens overstromingen en er bestaat een kans op politieke schade voor bestuurders en overheid (Kok, et al. 2006).

4.2.3 ECOLOGISCHE SCHADE Overstromingen kunnen schadelijke chemische stoffen uitspoelen en verspreiden. Als het overstromingswater zout water bevat zal de bodem verzilten. Beide kunnen leiden tot grote ecologische schade (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2008).

Ook ziekenhuizen en EHBO posten kunnen onbereikbaar of onbruikbaar worden als gevolg van overstromingen, of de hulpverleners en medisch personeel kunnen ten dele zelf slachtoffer worden (Kolen & Geerts, 2006).

4.3.2 COMMUNICATIE Tijdens overstromingen zal elektriciteit en telecommunicatie uitvallen. Mogelijk ook buiten het overstroomde gebied omdat in het gebied cruciale verbindingen kunnen liggen (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2008). Dit zal de informatievoorziening, communicatie tussen actoren en aansturing van de calamiteitenorganisatie verstoren.

4.3.3 BESCHIKBAARHEID EN BRUIKBAARHEID Als opgeslagen middelen zoals noodherstelmateriaal of middelen onbereikbaar worden, of zelf in het overstroomde gebied liggen worden ze onbruikbaar voor de calamiteitenorganisatie.

Pagina 9 van 17


5

KETENEFFECTEN

5.2

Tijdens overstromingssituaties is de kans op keteneffecten zeer groot. Keteneffecten zijn situaties die op zichzelf een impact hebben en die volgen uit een eerdere situatie. Zo kan een overstroming leiden tot uitval van de drinkwatervoorziening, de uitgevallen drinkwater voorziening kan leiden tot uitdroging van slachtoffers. Zoals uitgelegd in hoofdstuk Gebeurtenis keten één zijn deze ketens hier uitgewerkt in een Begin gebeurtenis-keten model. omstandigheid

Uit een beginomstandigheid kan een gebeurtenis volgen, deze gebeurtenis is een verandering in de situatie en zorgt voor een nieuwe omstandigheid. Hieruit kan weer een gebeurtenis volgen, enzovoort.

FALEN WATERKERING

Het falen van waterkeringen is grotendeels afhankelijk van de standzekerheid van de kering en de waterstand. De standzekerheid van een waterkering is de verwachte waterstand die een kering succesvol kan keren (Rijkswaterstaat, 2010). Bij het falen van waterkeringen wordt onderscheid gemaakt tussen kruinhoogtetekort, bezwijken en het falen van sluitkunstwerken. Als de waterstand of golven boven de kruinhoogte van de dijk uitkomen, zal water over de dijk het gebied instromen (Rijksoverheid). Dijken kunnen 1 bezwijken door verschillende faalmechanismen . Door de bres (gat in de kering) zal dan water instromen.

Gebeurtenis

Gevolg omstandigheid

Een meer volledige lijst is te vinden in de shortlist in de bijlage. Dit hoofdstuk en de shortlist pretenderen op geen enkele wijze een volledig overzicht te geven van alle mogelijke situaties. Figuur 7 (Project VNK n.d.) – Enkele faalmechaismen

5.1

GESTELDHEID VAN BURGERS EN INFORMATIEVERSPREIDING

De capaciteit van burgers om met de (dreigende) situatie om te gaan (de coping capacity), is van invloed op het verloop en de impact van overstromingssituaties. Burgers zijn vaak slecht voorbereid op calamiteiten (Geluk, 2013). Onder burgers kan onduidelijkheid ontstaan over de situatie, onrust (Kolen B. , 2010) en mogelijk paniek. Bij een overstromingsdreiging uit de rivier zijn er waarschijnlijk al enkele dagen beelden van overstromingen in Duitsland, Frankrijk en België te zien op de Nederlandse media. Onjuiste informatie kan verspreid worden door burgers via pers of internet. Ook publieke organisaties kunnen verkeerde of onjuiste informatie verspreiden door miscommunicatie of onduidelijkheid (van Loon, 2013). Verspreiding van (mogelijk onjuiste) informatie kan leiden tot onrust en mogelijk ongewenst vluchtgedrag (Kolen B. , 2010). Ongewenst vluchten kan leiden tot problemen in de wegcapaciteit en gevaarlijke situaties opleveren voor burgers die stranden in gevaarlijke omstandigheden.

Golfoverloop/-slag kan leiden tot erosie, de dijk zal dan langzaam uitslijten en bezwijken. Een waterkering kan falen door externe impact van o.a. een schip of vliegtuig. Een gesprongen leiding in de kering of bomen in de dijk die door storm omwaaien kunnen een bres in de dijk slaan. Het is ook denkbaar dat nog niet alle faalmechanismen bekend zijn, een waterkering kan dus falen door een tot dan toe onbekend faalmechanisme (Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, 2008). Begin omstandigheid

Gebeurtenis

Gevolg omstandigheid

Kruinhoogte Overslag/ overloop Waterstand

Overstroming Bezwijken

Standzekerheid

Figuur 8 1

Een meer volledige lijst is te vinden in de shortlist. Pagina 10 van 17


Sluitkunstwerken zoals de Maeslantkering kunnen falen, niet sluiten of juist niet meer openen, door een technisch mankement (Vermeulen and Janssen 2013). Maar ook door menselijk falen, bijvoorbeeld het niet vullen van de noodaggregaat met diesel (Geluk, 2013).

5.3

INUNDATIE

Inundatie is het onderlopen van gebieden, we maken onderscheid tussen wateroverlast en overstromingen. Een lage waterdiepte en korte duur noemen we wateroverlast, dit kan ook veroorzaakt worden door o.a. kortstondige hevige clusterbuien (wolkbreuken) of langdurig uitval van gemaalinstallaties (van Loon, 2013). Een overstroming (lange duur en grotere waterdiepte) volgt uit het falen van een waterkering. Een overstroming kan verschillen in oppervlak, stroom- en stijgsnelheid en duur. Op sommige plaatsen in Nederland kan het water binnen drie uur tijd zes meter diep komen te staan (Timmermans, 2013). Dit geeft weinig tot geen tijd voor inwoners en hulpverleners om zich voor te bereiden, materiaal veilig te stellen en te vluchten. Op sommige plaatsen kunnen bij overstromingen hoge stroomsnelheden ontstaan, bijvoorbeeld dicht bij bressen. Bij hoge stroomsnelheden kunnen mensen zelfs bij lage waterdieptes worden meegetrokken door de stroming. Hoge stroomsnelheden leveren ook meer belasting op infrastructuur, het wegspoelen van wegen, bomen, lantaarnpalen en beschadigingen aan gebouwen (Luyendijk, et al., 2010). Wateroverlast door clusterbuien, en overstromingen in Rotterdam zullen niet van lange duur zijn (Fakkel, et al. 2013). De omliggende gebieden liggen lager en na het hoogtij zal de instroom afnemen. Een overstroming na falen van een rivierdijk zal langer duren, hoogwater in de rivieren kan enkele dagen aanhouden, het water zal binnen blijven stromen tot het rivierpeil daalt (van Loon 2013) of de bres wordt gedicht. Daarnaast kunnen we nog onderscheid maken in stijg- en stroomsnelheid. Alleen nabij doorbraken zijn extreem hoge snelheden te verwachten, lokaal kunnen door hoogteverschillen en obstructies ook hoge stroomsnelheden optreden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2008). In kleinere gecompartimenteerde gebieden zal de stijgsnelheid hoger zijn dan bij grotere relatief open oppervlakten.

5.4

FALEN VAN WEGEN

Bij verkeersongevallen of als de wegcapaciteit onvoldoende is voor de verkeersbehoefte ontstaan er verkeersopstoppingen (Robbemont, 2007). Ook weersomstandigheden zoals gladheid kunnen de wegcapaciteit beperken (Rijkswaterstaat), door wind kan een weg (gedeeltelijk) versperd raken met omgewaaide bomen of ander materiaal (Robbemont, 2007). Bij (ondiepe) inundatie is de snelheid beperkt of de weg ontoegankelijk (Robbemont, 2007) en kunnen wegen verzakken (Kolen B. , 2010). Ook herstelwerkzaamheden kunnen wegen blokkeren (Geluk 2013). Er is onvoldoende wegcapaciteit voor een grootschalige evacuatie, of als burgers in paniek vluchten. (Vermeulen and Janssen 2013). “Als op 5 december alle ambtenaren wat vroeger naar huis gaan en als gevolg daarvan de Utrechtsebaan in Den Haag al helemaal vastloopt, hoe krijg je dan alle mensen op tijd geëvacueerd tijdens slecht weer?!” (Timmermans 2013) Als burgers stranden in verkeersopstoppingen zijn ze veel vatbaarder voor onderkoeling, uitdroging en verdrinking dan de achterblijvers in woningen. Begin omstandigheid

Gebeurtenis

Storm wind

Omwaaien bomen/infra

Gevolg omstandigheid

Wegen (deels) onbruikbaar

Inundatie

Vitale beschadiging

Herstel werkzaamheden

Onvoldoende wegcapaciteit

Evacuatie/ vluchtgedrag

Wegen (deels) onbruikbaar

Evacuatie/ vluchtgedrag

Stranden in gevaarlijke situaties

Figuur 9

Pagina 11 van 17


5.5

FALEN VAN NUTS VOORZIENINGEN

Nutsvoorzieningen zoals gas, water, telecommunicatie elektriciteit (Kolen & Geerts, 2006) en riolering (Geluk, 2013) kunnen uitvallen door bijvoorbeeld een overstroming, kortsluiting of brand. Maar ook door onafhankelijke oorzaken. Begin omstandigheid

Gebeurtenis

Gevolg omstandigheid

Storm wind

Inundatie

Ook de financiële overdracht, zowel particulier als publiek, kunnen uitvallen (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2008).

5.7 Beschadiging nutsvoorziening

Uitgevallen nutsvoorziening

Overige oorzaak

Figuur 10

Uitval van elektriciteit maakt bemalingsinstallaties en sluitkunstwerken zoals de Maeslantkering afhankelijk van noodstroomvoorzieningen. Dit verhoogt de kans op technisch en menselijk falen. Voorzieningen vallen mogelijk ook in omringende gebieden uit die niet overstroomd zijn, als in het overstroomde gebied cruciale verbindingen in netwerken liggen (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2008).

5.6

Bij grootschalige overstromingen kunnen ook andere transportnetwerken uitvallen. Zoals de mainports Schiphol- en Rotterdam airport, de spoorwegen en de (hoofd)vaarwegen (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2008).

FALEN VAN OVERIGE VITALE INFRASTRUCTUUR

Naast wegen en nutsvoorzieningen kunnen ook andere onderdelen van de vitale infrastructuur uitvallen. Bij een langdurige overstroming en/of uitval van wegen kan de voedselen geneesmiddelvoorziening en bevoorrading uitvallen. Burgers zijn dan lange tijd aangewezen op zelfredzaamheid. Ziekenhuizen en EHBO posen kunnen onbereikbaar worden, of onfunctioneel door uitval van elektriciteit en andere voorzieningen. (Veilig-) vervoer, opslag en productie/verwerking van chemische en nucleaire stoffen kan uitvallen en problemen ondervinden. (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2008).

VERSPREIDING GEVAARLIJKE STOFFEN EN SITUATIES

Tijdens overstromingen kunnen gevaarlijke situaties zoals kortsluiting en brand ontstaan (Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, 2010). Na brand of overstroming kunnen ook schadelijke stoffen vrijkomen uit bijvoorbeeld chemische installaties (Europees parlement, 2007) of afvalwater zuivering installaties (AWZI) (van Sluis, 2012). Tijdens de overstromingen na orkaan Katrina zijn in New Orleans veel gasleidingen lekgeraakt. “…leken op het oog uit het water te branden.” Ondanks het overvloedige water zijn complete huizen vernietigd door deze branden. (Kok, et al. 2006) Milieuschade kan ook ontstaan als een overstroming bodemverontreinigingen uitspoelt en verspreidt (Timmermans, 2013). Bovendien zal een overstroming meestal zout water bevatten, wat leidt tot verzilting van de bodem (Fakkel, et al. 2013). Tijdens overstromingen wordt het (Zee)water vermengd met commerciële en industriële chemicaliën en oplosmiddelen uit het gebied. Als deze stoffen in het milieu komen kan dit ernstige milieuschade veroorzaken. De omvang hangt af van de aard van de stoffen en de impact op bijvoorbeeld waterwinning en woongebieden. (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2008)

Pagina 12 van 17


6

MAATREGELEN

Om het overstromingsrisico te verlagen hebben actoren in de calamiteitenorganisatie, tijdens (dreigende) overstromingen, een aantal handelingsperspectieven. Preventieve maatregelen worden genomen nog voor dat de dreiging actueel is, bijvoorbeeld het onderhoud aan dijken. Preventieve maatregelen worden in dit onderzoek niet behandeld. De calamiteitenorganisatie kan tijdens een actuele dreiging, maar nog voordat het gevaar optreedt, maatregelen nemen om het risico te verkleinen. Dit noemen we proactieve maatregelen. Maatregelen om een acuut gevaar te stoppen of beperken noemen we reactieve noodmaatregelen. Evacuatie is meestal een proactieve maatregel maar kan ook reactief zijn. Omdat evacuatie een complexe maatregel is behandelen we hem hier apart.

6.1.1 PRO ACTIEVE MAATREGELEN: CALAMITEITEN ORGANISATIE Het KNMI en waarschuwingsdiensten van Rijkswaterstaat zullen bij een dreigende overstromingssituatie het Landelijk Coรถrdinatieteam Overstromingen (LCO) waarschuwen. De calamiteitenorganisaties zullen dan worden opgeschaald (Rijkswaterstaat 2010). De calamiteitenorganisaties kunnen hun capaciteit verhogen door verlof van personeel in te trekken (Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard 2008) en assistentie van defensie te verzoeken (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2007). Ze kunnen zich voorbereiden door het opstarten van Waterschap Actiecentra (WAC) (Robbemont 2007), inzetten van de dijkwacht die drie keer per 24 uur elk dijkvak controleert (Timmermans 2013) en het uitgeven van een beheerdersoordeel over de standzekerheid van waterkeringen. De calamiteiten organisatie kan gebruik maken van eigen noodcommunicatie zoals portofoons en straalverbindingen (Geluk 2013). Ook signalen uit media en burgers zoals social media kan gebruikt worden als informatievoorziening (Rijkswaterstaat 2010). Daarnaast kunnen burgers worden opgeroepen zich voor te bereiden via informatie voorziening zoals cellbroadcasting, borden en media (B. Kolen 2010).

6.1.2 PRO ACTIEVE MAATREGELEN: OVERSTROMINGSRISICO Om het overstromingsrisico te verlagen kunnen er een aantal maatregelen worden getroffen door de calamiteiten organisatie. Een hoogwaterafvoer in de rivieren kan worden omgeleid door het openen van stuwen bij Driel, Amerongen en Hagestein (Boon 2013) en van Rotterdam naar Zeeland (Ministerie van Infrastructuur en Milieu 2008). Een hoogwatergolf kan ook worden afgevangen door het inzetten van noodoverloopgebieden stroomopwaarts (Rijksoverheid n.d.). De sluitkunstwerken rondom Rotterdam, zoals de Maeslantkering, kunnen worden gesloten (Ministerie van Infrastructuur en Milieu 2008). Coupures (openingen in bijvoorbeeld tunnels) worden gesloten (van Loon 2013) en noodherstel materiaal kan strategisch worden geplaatst op toegankelijke plekken nabij zwakke punten (Geluk 2013). Een bemalingsstop in polders kan belasting van het riviersysteem verminderen (Rijksoverheid n.d.). Kruinhoogte tekort van waterkeringen kan worden voorkomen met zandzakken of waterdammen op de dijkkruin (of strobalen/geobags/gronddammen) of demontabele keerschotten (Rijksoverheid n.d.). Als de dijkwacht instabiliteit rapporteert kan dit worden tegen gegaan door het verhogen van het polderpeil (Put 2013), opkisting van wellen (Rijksoverheid n.d.) of drainage (Geluk 2013). Het aanbrengen van een steunberm en het afdichten van het binnentalud met folie of geotextiel (Rijksoverheid 2013). Bij een verwachte bres kan er ook voor worden gekozen om risicovolle delen, zoals chemische installaties, preventief te compartimenteren met een nooddijk (Rijksoverheid n.d.).

Figuur 11 Zandzakken om kruinhoogte te verhogen (Foto: www.defense.gov)

Pagina 13 van 17


6.1.3 EVACUATIE De minister van binnenlandse zaken kan op grond van de Wet verplaatsing bevolking (Wvb) een bevel tot evacuatie geven, bepalen welk gebied voor ontruiming in aanmerking komt, wie verplicht is dit te verlaten en wie verplicht is tot achterblijven (Rijkswaterstaat 2010). Burgemeester en voorzitter van de veiligheidsregio kunnen hun algemene noodbevelbevoegdheid gebruiken voor een evacuatie (Rijkswaterstaat 2010). Er zijn verschillende evacuatie strategieĂŤn mogelijk. We maken onderscheid tussen gehele en gedeeltelijke evacuatie, verticaal (in de hoogte) en horizontaal, ondersteund en zelfstandig. Horizontale evacuatie is het verplaatsen van de populatie naar een ander veilig gebied. Dit kan een hoger gelegen opvang zijn binnen het bedreigde gebied, of opvang buiten het gebied. Naast het evacueren van alle inwoners, kan er ook gekozen worden om de inwoners uit alleen de meest kwetsbare gebieden te evacueren (Rijkswaterstaat n.d.) of evacuatie van alleen kwetsbare groepen zoals daklozen, ouderen en beperkten (Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond 2010). Voor de evacuatie kunnen ziekenwagens, bussen en andere voertuigen gevorderd worden. (Rijkswaterstaat n.d.) En kan verkeersmanagement worden ingezet om de wegcapaciteit te vergroten, zoals verkeer regelaars, bewegwijzering en 2 contraflow (B. Kolen 2010). Inwoners kunnen ook worden opgeroepen het gebied zelfstandig te verlaten, dit noemen we vluchten (B. Kolen 2010). Het evacueren van inwoners tijdens een actuele overstroming door de hulpdiensten nemen we redden (B. Kolen 2010). Dit kan bijvoorbeeld met boten (Geluk 2013). Naast horizontale evacuatie kunnen burgers verticaal evacueren, dit is het zichzelf in veiligheid brengen op hogere verdiepingen in woningen of hoge gebouwen in de omgeving (B. Kolen 2010).

6.1.4 REACTIEVE NOODMAATREGELEN: DICHTEN VAN EEN BRES Bij het ontstaan van een bres zijn er verschillende methoden om een bres te dichten. Er is weinig ervaring met het dichten van bressen en weinig bekend over de effectiviteit van deze methoden (Rijksoverheid n.d.). Om een bres te dichten kan een schip met 3 klepbak voor de bres worden gevaren om breuksteen of ander materiaal in de bres te storten, of een (kraan)schip vast worden gezet in de bres en zo de bres met het schip zelf te dichten. In 1953 is zo een bres gedicht, zie figuur 12. Een schip zonder klepbak kan gevuld met breuksteen worden afgezonken voor de bres met behulp van explosieven (Rijksoverheid 2013). In geval van gevaar is het waterschap bevoegd om een schip te vorderen (Robbemont 2007).

Figuur 12 Schip in bres 1953 (RTV West n.d.)

Als alternatief voor een schip kunnen drijvende bakken gevuld met breuksteen of pontons de bres in worden gevaren, of bovenstrooms worden losgelaten om in de bres te blijven steken. Eventueel kunnen deze dan ook met explosieven worden afgezonken (Rijksoverheid 2013). Dit zal de bres niet volledig afsluiten waardoor het nodig blijft de bres verder af te dichten met materiaal zoals geotextiel of zandzakken (Rijksoverheid 2013). De bres kan ook worden opgevuld door met een kraanmachine, kraanschip of helikopter materiaal te storten. Bijvoorbeeld zandzakken (eventueel gekoppeld met prikkeldraad), rotsblokken, met steen gevulde draadkorven of een combinatie van palen, zandzakken en rotsblokken (Forster 2011). Bij hoge stroomsnelheid kan het nodig zijn om de bres eerst te dichten met een schip, of bijvoorbeeld een hoogspanningsmast, om te voorkomen dat het materiaal wegspoelt.

3 2

Gebruik maken van beide rijbanen

Deuren onder de laadruimte om materiaal op de waterbodem te storten Pagina 14 van 17


6.1.5 REACTIEVE NOODMAATREGELEN: BEPERKEN VAN SCHADE Na ontstaan van een overstroming kan naast het dichten van een bres ook de schade van de overstroming worden beperkt. Dit kan door het compartimenteren van het overstroomde gebied (Rijksoverheid n.d.), of van kwetsbare gebouwen (van Sluis 2012) zoals chemische installaties, met nooddijken van zandzakken of waterdichte bakken en zakken zoals de boxbarrier of aquadam (Forster 2011) (Timmermans 2013). Met behulp van een geforceerde bres stroomopwaarts kan een gebied (niet ingesteld als noodoverloop) worden ingezet als noodwaterberging om het waterpeil te verlagen (Timmermans 2013) (Fakkel, et al. 2013). Een geforceerde bres of pompen kunnen worden ingezet om het water na een overstroming af te voeren (Rijkswaterstaat).

7

PROBLEMEN

Tijdens overstromingssituaties kunnen een aantal problemen ontstaan voor de calamiteitenorganisaties. Hier is onderscheid gemaakt tussen problemen bij het uitvoeren van maatregelen en problemen bij besluitvorming over maatregelen. Problemen in de besluitvorming zijn verder uitgewerkt voor dilemmaâ&#x20AC;&#x2122;s en conflicten.

7.1

UITVOERING VAN MAATREGELEN

Een aantal situaties kan problemen veroorzaken bij het uitvoeren van maatregelen.

7.1.2 VERPLAATSING Naast evacueren kan ook verplaatsing van materieel en personeel beperkt zijn door weersomstandigheden zoals wind en gladheid of het uitvallen van wegen door bijvoorbeeld inundatie of verkeersopstoppingen. Kranen en helikopters zijn bij harde wind niet of beperkt in te zetten. Voor dijkwacht en ander buitenpersoneel kan het gevaarlijk zijn door de weersomstandigheden, maar ook door verspreiding van gevaarlijke stoffen kunnen zij belemmerd worden in hun taken.

7.1.3 FALEN VAN MAATREGELEN Maatregelen kunnen ook op zichzelf falen. Sluitkunstwerken zoals de Maeslantkering kunnen falen te sluiten of te openen door technische of menselijke fouten (Geluk 2013). Noodoverloopgebieden kunnen onbruikbaar zijn, bijvoorbeeld als ze al vol zitten (Timmermans 2013). Er is weinig kennis en ervaring met het sluiten van bressen (Rijksoverheid n.d.). Zandzakken zijn alleen te plaatsen tot een stroomsnelheid van 1,5 m/s (Forster 2011). Als een bres niet wordt opgemerkt of als er geen actie wordt ondernemen kan de stroomsnelheid te groot worden om een bres nog te dichten (Rijksoverheid 2013). Na orkaan Katrina was het in New Orleans niet mogelijk de bres te dichten met behulp van bigbags. De stroomsnelheid was zo hoog dat de zakken direct wegspoelden. Zie figuur/film 14.

7.1.1 CAPACITEIT Gebrek aan tijd, mankracht en materieel kan maatregelen belemmeren. Personeel kan deels zelf slachtoffer zijn geworden (Kolen and Geerts 2006). Noodherstel- of compartimentering materiaal kan onvoldoende beschikbaar zijn (Timmermans 2013). Er kan onvoldoende tijd zijn om noodmaatregelen te treffen (van Sluis 2012) of materieel kan door omstandigheden onbruikbaar (Vermeulen and Janssen 2013) of onbereikbaar (Geluk 2013) zijn.

Figuur 14 Dichten bres New Orleans (Youtube)

tinyurl.com/mhvxfm5 Het plaatsen van geobags of betonblokken is bovendien afhankelijk van het aantal kranen en helikopters dan kan worden ingezet (Forster 2011). Bij heftige weersomstandigheden is de inzet van helikopters en kranen beperkt (Rijksoverheid 2013).

Figuur 13 Materiaal onbereikbaar door overstroming (Foto Ed Schipul)

Pagina 15 van 17


7.1.4 EVACUATIE

7.2.2 ONDUIDELIJKHEID

Er kan veel misgaan bij evacuaties, er is onvoldoende tijd en wegcapaciteit om alle inwoners op tijd te evacueren (Vermeulen and Janssen 2013) Zelfs voor het evacueren van de meest kwetsbare en bedreigde groepen zal de evacuatie capaciteit bij het kustscenario waarschijnlijk te kort schieten. (Rijkswaterstaat n.d.). Evacuatie van een gedeeltelijk gebied kan mensen ook bewegen in paniek zelfstandig te evacueren (B. Kolen 2010), dit kan leiden tot onvoldoende wegcapaciteit voor het daadwerkelijk te evacueren gebied.

Het is vaak onduidelijk wie er bevoegd is voor een bepaalde actie en wie niet. Voornamelijk het communiceren, wie mag een boodschap naar buiten brengen (van Loon 2013). Ook over de situatie is veel onzeker- en onduidelijkheid. Besluitnemers krijgen een overdaad aan technische data, niet per se geordende informatie (Timmermans 2013), ze krijgen verschillende waterbeelden te zien (van Loon 2013), met mogelijk tegenstrijdige informatie. Voorspelling van stormvloed op zee is op lange termijn heel onbetrouwbaar (Rijkswaterstaat 2010). De kans is dus groot dat maatregelen worden getroffen die achteraf niet nodig bleken. Rijkswaterstaat noemt evacueren â&#x20AC;&#x153;een dilemma in de bestuurlijke besluitvorming waarbij op basis van grote onzekerheid de beslissing genomen moet worden, omdat de zekerheid te kort van te voren beschikbaar is om nog te kunnen evacuerenâ&#x20AC;? (Rijkswaterstaat 2010).

Evacuatie kan worden bemoeilijkt door weerssituaties (Rijkswaterstaat n.d.) of uitvallen van wegen . Het uitvoeren van noodmaatregelen kunnen mogelijk de evacuatie versperren (Geluk 2013). Burgers kunnen tijdens een evacuatie stranden, gestrande burgers lopen een hoger risico tijdens overstromingen dan achtergebleven burgers. Burgers kunnen een evacuatiebevel ook negeren (B. Kolen 2010). Daarnaast kunnen er plunderingen optreden tijdens evacuaties (Fakkel, et al. 2013).

7.2

PROBLEMEN IN DE BESLUITVORMING

In de besluitvorming overstromingssituaties kunnen een problemen ontstaan.

tijdens aantal

7.2.1 COMMUNICATIE Telecommunicatie en eigen noodcommunicatie kunnen uitvallen. Dit beperkt de informatievoorziening over verwachte waterstanden, rapportages van de dijkwacht en het aansturen van personeel en maatregelen. De calamiteitenorganisatie rekent op de beschikbaarheid van computersystemen voor een actueel waterbeeld en informatievoorziening (Timmermans 2013). Het is vaak onduidelijk wie verantwoordelijk is voor bepaalde berichtgevingen en berichtgeving kan onjuist of tegenstrijdig zijn. (van Loon 2013) Onjuiste berichtgeving kan leiden tot onduidelijkheid en onrust onder inwoners.

Het kan ook voorkomen dat een kering niet voldoet, maar dat dit bij de beheerder onbekend is. De standzekerheid wordt dan overschat. (Vermeulen and Janssen 2013)

7.2.3 TIJDS- EN BESLUITDRUK Bestuurders moeten onder tijdsdruk en stress besluiten nemen (Timmermans 2013) waarvan de gevolgen vaak nog onzeker zijn (Rijkswaterstaat 2010). Bestuurders kunnen het risico negeren, bagatelliseren of te lang twijfelen (Timmermans 2013). Bestuurders leggen achteraf verantwoording af, over hun besluiten tijdens calamiteiten, daardoor zullen ze eerder te vroeg handelen dan te laat, om achteraf niet verweten te worden niet gehandeld te hebben. Onder tijdsdruk kunnen verkeerde beslissingen worden genomen, zoals het te vroeg inzetten van noodoverloop gebieden (Timmermans 2013).

Pagina 16 van 17


7.3

DILEMMA’S IN DE BESLUITVORMING

Een dilemma is een keuze tussen kwaden. Tijdens overstromingssituaties kan het onduidelijk zijn welke keuze de minste gevolgen heeft. Bij een dreigende overstroming is het vaak nog onzeker of er daadwerkelijk een overstroming zal optreden (Rijkswaterstaat 2010). Maatregelen kunnen dan achteraf onnodig blijken. Evacueren, of vorderen van onroerend goed kan achteraf moeilijk uit te leggen zijn als de maatregel onnodig bleek. Het veelvuldig optreden van vals overstromingsalarm kan na enkele keren de evacuatiebereidheid van mensen ondermijnen (B. Kolen 2010), dit kan ook gelden voor de acceptatie van noodmaatregelen. Het niet handelen kan juist tot gevaarlijke situaties leiden als de overstroming daadwerkelijk optreed. Werkzaamheden om waterkeringen te versterken bij een dreigend hoogwater kunnen ook leiden tot de uitval van infrastructuur zoals wegen en nutsvoorzieningen. Herstelwerkzaamheden of nooddijken kunnen bijvoorbeeld de evacuatieweg versperren. Als ondanks de maatregelen de dreiging dan toch zo hoog wordt dan het gebied moet evacueren is dit niet meer mogelijk (Geluk 2013). Een zelfde geldt voor het sluiten van bressen in toegangswegen van polders. Het sluiten van de bressen sluit het water buiten en de burgers binnen. Als de kering dan alsnog faalt zitten de burgers ingesloten (van Loon 2013). Het evacuatie besluit is een groot dilemma (Rijkswaterstaat 2010), deskundigen schatten dat bij het kust scenario slechts 1 procent van de inwoners de kans heeft het gebied tijdig te verlaten (Rijkswaterstaat n.d.). Burgers blijken niet goed voorbereid op overstromingssituaties (Geluk 2013). Als burgers niet worden geëvacueerd zijn ze ten tijden van een overstroming aangewezen op zelfredzaamheid, maar slecht voorbereid. Als telecommunicatie en noodcommunicatie uitvalt, kunnen de andere actoren niet worden geïnformeerd over de mogelijke effecten die gebeurtenissen en maatregelen voor hen zullen hebben.

7.4

TEGENSTRIJDIGE BELANGEN

Bij dreigende overstromingen zijn op verschillende opschalingsniveaus meerdere actoren betrokken. De actoren onderling kunnen in conflicten terecht komen door tegenstrijdige belangen Waterschappen en gemeente hebben een andere perceptie van wateroverlast. Inundatie tot 20 centimeter is voor het waterschap geen probleem en kan zelfs microinstabiliteit van waterkeringen tegen gaan. De gemeente ervaart 20 centimeter water wel degelijk als een probleem, omdat dit voor schade aan infrastructuur kan zorgen (van Loon 2013). Als de Maeslantkering sluit is de waterstand voor Rotterdam gegeven en het overstromingsrisico nagenoeg geweken. Als de sluitdrempel van de kering net niet wordt gehaald leidt dit tot overstromingen in het buitendijkse gebied in Rotterdam (van Loon 2013). Rijkswaterstaat sluit de Maeslantkering liever niet vanwege de economische impact. Gemeenten willen van de waterschappen zo precies mogelijk horen wat de gevolgen van een overstroming zullen zijn en of de waterkeringen het houden. Dit is bijna onmogelijk om aan te geven (Geluk 2013). Het waterschap wil bovendien niet aansprakelijk gehouden worden voor een foutief advies. Het waterschap zal dus enkel vertellen wat er dreigt te gebeuren, de gemeente moet daarop een beslissing nemen om te evacueren of niet, dat is niet aan het waterschap (van Loon 2013). Maatregelen van waterschappen, zoals het sluiten van coupures, werkzaamheden die invloed hebben op nutsvoorzieningen en plaatsen van materiaal op hoofdwegen, heeft invloed op de gevolgen van een mogelijke overstroming. Het is de taak van het waterschap om de keringen in stand te houden. Deze maatregelen kunnen invloed hebben op de risico’s van inwoners van het gebied, dit is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de gemeente. De dijkgraaf mag zelfstandig beslissen om te handelen (van Loon 2013). Burgemeester of voorzitter van de veiligheidsregio kunnen de dijkgraaf dwingen met hun noodbevelbevoegdheid tot (het staken van) maatregelen. Een conflict tussen deze actoren kan verholpen worden door de Commissaris van de Koning of door de Min. IenM bewegen te interveniëren. (Rijkswaterstaat 2010)

Pagina 17 van 17


8

BIBLIOGRAFIE

Bolwidt, Leonie, Margriet Schoor, Leo van Hal, en Margriet Roukema. Hoogwater op de Rijn en de Maas. Rijkswaterstaat, sd. Boon, L. Rijn bij Lobith 12 meter boven NAP - 'hoogwater zichtbaar in Nederland'. 3 06 2013. http://www.nrc.nl/nieuws/2013/06/03/rijn-bij-lobith-12-meter-boven-nap-hoogwater-wordtzichtbaar-in-nederland/?utm_campaign=rss&utm_source=syndication (geopend 06 18, 2013). Commissaris van de Koningin Noord-Holland. „Coordinatieplan Dijkring 14.” 2010. Delfland. „Calamiteitenbestrijdingsplan primaire keringen.” sd. Delfland. „Calamiteitenbestrijdingsplan regionale en overige waterkeringen.” Delft, 2011. Dykstra, Eelco H. Katrina - Orkaan in Nederland? Alphen aan den Rijn: Kluwer, 2009. Europees parlement. „RICHTLIJN 2007/60/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 23 oktober 2007 over beoordeling en beheer van overstromingsrisico’s.” 2007. Fakkel, Robin, geïnterviewd door Jur Aarssen en Alexander Kloet. (mei 2013). Fliwas2010. Fliwas Introductie. 22 03 2010. http://www.youtube.com/watch?v=Cx9HF4IX1JE&feature=player_embedded (geopend 06 16, 2013). Forster, Ulrich. KPP Meerlaagsveiligheid: Emergency response. Deltares, 2011. Geluk, Jan, geïnterviewd door M. Zoutendijk V.Oskam. (april 2013). Gemeente Rotterdam. „Crisisbeheersingsplan Gemeente Rotterdam.” Rotterdam, 2005. Glerum, Peter. „NCC - LOCC.” NCC - LOCC. FloodCom, 2011. Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. „Calamiteitenplan.” Rotterdam, 2008. IPO. Overstroming. sd. http://nederland.risicokaart.nl/risicokaart.html (geopend 04 28, 2013). Kok, Matthijs, Rob Theunissen, Bas Jonkman, en Han Vrijling. Schade door overstroming: Ervaringen uit New Orleans. Arnhem: TU Delft, HKV, 2006. Kolen, B, en R Geerts. „Als het toch misgaat.” Lelystad, 2006. Kolen, Bas. „Zelfredzaamheid bij overstromingen en grootschalige evacuaties.” 2010. Luyendijk, Erik, et al. Handreiking overstromingsrobuust inrichten. Grontmij, Deltares, 2010. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Nationaal Responsplan Hoogwater en Overstromingen Deel. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Directoraat-generaal Veiligheid, Directie Crisisbeheersing, 2007. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. „Scenario's nationale risicobeoordeling.” Den Haag, 2008. Ministerie van Infrastructuur en Milieu. „Nationaal waterplan Nederland 2009-2015.” 2008. Ministerie van veiligheid en justitie. „2de inhoudelijke analyse bescherming vitale infrastructuur.” Den Haag, 2010. Pols, Leo, Pia Kronberger, Nico Pieterse, en Joost Tennekes. Overstromingsrisico als ruimtelijke opgave. Den Haag: Ruimtelijk Planbureau, 2007. Project VNK. Faalmechanismen dijken en duinen in poster vnk. Rijkswaterstaat, sd. Put, Jan. Kennisdag Inspectie Waterkeringen. Arnhem: Stowa, 2013. Rijksoverheid. Dichten bres. 29 04 2013. http://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/waterveiligheid0/beleid/management-0/overstromingslexicon/lexicon/dichten-bres/. —. Fysieke noodmaatregelen. sd. http://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/waterveiligheid0/beleid/management-0/overstromingslexicon/lexicon/fysieke/ (geopend 04 29, 2013). Rijkswaterstaat. EDO benedenrivieren. Lelystad: Taskforce Managemant Overstromingen, sd. Rijkswaterstaat. EDO Westelijke kust. Lelystad: Taskforce Management Overstromingen, sd. Rijkswaterstaat. „Faalmechanismen en de hydraulische belastingen.” sd. Rijkswaterstaat. Landelijk draaiboek hoogwater en overstromingen. Rijkswaterstaat en Unie van Waterschappen, 2010. Robbemont, C. A. „Calamiteitenplan Hollandse Delta.” 2007. RTV West. Watersnood 1953. sd. http://web1.rtvwest.pre-live.nl/files/images/2011/apr/watersnood19530406.jpg (geopend 07 02, 2013). Timmermans, Ferdi , geïnterviewd door Vincent Oskam. (4 juni 2013). van Loon, Arno, geïnterviewd door Vincent Oskam en Jur Aarssen. (3 juni 2013). van Sluis, Bas. „De dijk staat op springen.” Dagblad van het Noorden, 14 04 2012: 36. Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond. „Crisplan Rotterdam-Rijnmond.” Rotterdam, 2010. Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. „Calamiteitenplan Rotterdam-Rijnmond.” Rotterdam, 2010. Vermeulen, Corjan, geïnterviewd door Ton Groffen en Raymond van Oudenaren. (mei 2013).

Pagina 18 van 17


Bijlage 1: shortlist

1

OMSTANDIGHEDEN 1. 2.

3.

4.

5. 6.

7.

8.

9. 10.

11.

12. 13.

Langdurige droogte in Nederland Waterstanden a. Opstuwing op zee (Rijkswaterstaat 2010) b. Hoge waterstanden in de rivieren van korte of lange duur (Rijkswaterstaat 2010) c. Hoogwater kan ook ontstaan als het rivier water bevriest, dit ijs vormt dan een ijsdam waarachter het water opstuwt (Bolwidt, et al. n.d.). Standzekerheid van de waterkeringen a. Keringen waar de norm onder het voorspelde peil uitvalt (Rijkswaterstaat 2010) b. Afgekeurde keringen waarvan de standzekerheid onduidelijk is (van Loon 2013) c. Keringen waarvan de standzekerheid onzeker is (Geluk 2013) (bv na langdurige droogte of werkzaamheden) d. Keringen waarvan we niet weten dat ze niet voldoen (Vermeulen and Janssen 2013) Neerslag a. Langdurig neerslagoverschot veroorzaakt hoge belasting van riviersystemen (Rijkswaterstaat 2010) b. Kortstondige hevige clusterbuien kunnen leiden tot kortstondige plaatselijke wateroverlast (van Loon 2013) Uitval van poldergemalen (van Loon 2013) Weersomstandigheden a. Windsnelheden tot orkaankracht (Rijkswaterstaat n.d.) b. Koude temperaturen (vorst) (Rijkswaterstaat n.d.) Inundatie (IPO n.d.) a. Wateroverlast 0-50 cm kortstondig b. Wateroverlast 0-50 cm langdurig c. Overstroming 50-80 cm a. Overstroming >50 cm Uitval van wegen (falen) a. Onbruikbaar door gebeurtenissen b. Onvoldoende capaciteit voor de verkeersstroom c. Beperkte capaciteit door gebeurtenissen of maatregelen Ontstaan van Brand (Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond 2010) Verspreiding gevaarlijke stoffen (Europees parlement 2007) a. Volksgezondheidgevaarlijke stoffen (Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond 2010) b. Verspreiding milieuschadelijke stoffen (van Sluis 2012) (Fakkel, et al. 2013) Uitgevallen nutsvoorzieningen a. Stroomvoorziening (Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond 2010) (Gemeente Rotterdam 2005) b. Drinkwater (Kolen and Geerts 2006) (Rijkswaterstaat n.d.) c. Gas (Kolen and Geerts 2006) (Rijkswaterstaat n.d.) d. Telefonie en telecommunicatie (Kolen and Geerts 2006) e. Riolering (Geluk 2013) (van Loon 2013) Burgers zijn niet voorbereid op noodsituaties (Geluk 2013) Onder burgers a. Onduidelijkheid b. Onrust c. Paniek

Pagina 19 van 17


2

GEBEURTENISSEN 1.

Falen van waterkeringen a. Kruinhoogte tekort i. Overloop ii. Golfoverslag b. Microinstabiliteit (Rijkswaterstaat n.d.) i. Erosie (Rijkswaterstaat n.d.) ii. Piping (Rijkswaterstaat n.d.) iii. Kwel (Rijkswaterstaat n.d.) c. Macroinstabiliteit (Rijkswaterstaat n.d.) i. Instabiliteit (bomen die gaten slaan bij omwaaien) ii. Afschuiven (Rijkswaterstaat n.d.) iii. Wegschuiven (Rijkswaterstaat n.d.) d. Externe impact i. Impact van een schip ii. Vliegtuig die op de dijk neerstort (Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard 2008) iii. Gesprongen water of gasleiding in de dijk (Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard 2008) iv. Impact van voertuig over land e. Falen sluitkunstwerk i. Technisch mankement (Vermeulen and Janssen 2013) ii. Menselijke fout (Geluk 2013) f. Onbekend faalmechanisme (Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard 2008) 2. Verzakking van wegen (B. Kolen 2010) (Robbemont 2007) 3. Omgewaaide bomen (B. Kolen 2010) (Robbemont 2007) 4. Gladheid (Rijkswaterstaat n.d.) 5. Verkeersongevallen (Robbemont 2007) 6. Verspreiding onjuiste/ongewenste informatie a. Door ongeautoriseerde burgers (B. Kolen 2010) b. Door geautoriseerde bestuurders (bijv. op basis van foutieve informatie) (van Loon 2013) c. Door ongeautoriseerd bestuurders (bijv. vanwege onduidelijkheid over verantwoordelijkheid) (van Loon 2013) 7. Evacuatie a. Gewenst b. Ongewenst (Vermeulen and Janssen 2013) c. Horizontaal d. Verticaal 8. Uitval (riool)bemalings- of peilkunstwerken (Robbemont 2007) (van Loon 2013) 9. Ontstaan van brand (Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond 2010) 10. Verspreiding van volksgezondheid bedreigende stoffen (Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond 2010) a. Afval Water Zuivering Installaties (van Sluis 2012) b. Chemische installaties (Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond 2010) 11. Verspreiding van milieuschadelijke stoffen (van Sluis 2012) a. Chemische installaties en AWZIâ&#x20AC;&#x2122;s (Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond 2010) b. Uitspoelen van bodemverontreinigingen (Timmermans 2013) c. Verzilting door overstroming (Fakkel, et al. 2013)

Pagina 20 van 17


2

IMPACT 1. 2. 3. 4.

5.

6.

7.

8. 9.

Daling waterstand rivieren stroomafwaarts (van Loon 2013) (Timmermans 2013) Falen van een waterkering peilverhoging Inundatie (water op straat / overstroming) a. 0-20 cm Auto’s kunnen nog stapvoets rijden, op de begane grond kan beschadiging optreden (IPO n.d.) (ook clusterbui (van Loon 2013)) b. 20-50cm Indien noodzakelijk kan men nog door het water lopen, mits de stroomsnelheid beperkt is (IPO n.d.) c. 50-80cm Alleen militaire voertuigen kunnen nog rijden, hulpdiensten kunnen het gebied nog bereiken (IPO n.d.) d. 0,8-2 m Verticale evacuatie, begane grond staat onder water (IPO n.d.) e. >5 m Begane grond en eerste verdieping staan onder water (IPO n.d.) f. Hoge stijgsnelheid, geen tijd voor bewoners om te vluchten, sneller meegetrokken met de stroming (Pols, et al. 2007). g. Lange duur inundatie, bewoners zijn voor langere tijd afgesloten van voedselvoorziening en medische middelen. (levens)gevaar voor mensen a. Letsel door storm (rondvliegende takken etc.) (Delfland 2011) b. Verdrinking (Delfland 2011) c. Onderkoeling (Delfland 2011) d. Uitdroging (i.v.m. uitval drinkwater) (Delfland 2011) e. Verhongering (Delfland 2011) f. Instorting gebouwen (Delfland 2011) g. Ziektes als gevolg van wegvallen hygiëne. Algemene lange termijn effecten van inundatie (Delfland 2011) h. Maatschappelijke ontwrichting: hinder (bereikbaarheid, wateroverlast, stank) en sociale ontwrichting (Delfland 2011) i. Ziekenhuizen en EHBO posten kunnen onbereikbaar of onbruikbaar zijn (Kolen and Geerts 2006) j. Medisch personeel en hulpverleners kunnen ten dele slachtoffer zijn van de overstroming. (Kolen and Geerts 2006) k. blootstelling aan toxische stoffen. Het overstromingswater in New Orleans was bijvoorbeeld verontreinigd met arseen, lood, aldrin en vluchtige organische stoffen (Presley et al., 2006; Pardue et al., 2005). Contact met dit verontreinigde water leidt mogelijk tot humane risico’s. (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2008) Directe en indirecte economische schade (Kok, et al. 2006) a. Aan woningen b. Inboedel c. Voertuigen d. Kapitaalgoederen e. Landbouwgewassen f. Infrastructuur g. Bedrijfsuitval en productieverlies h. Kosten evacuatie en hulpverlening i. Schade bij toeleverende en afnemende bedrijven (buiten het overstroomde gebied) j. Juridische aanpsrakelijkheid (Gerechtelijke kosten) Niet monetaire schade (Kok, et al. 2006) a. Slachtoffers b. Gewonden c. Beschadiging en vernietiging van cultuurhistorische objecten d. Maatschappelijke ontwrichting e. (politieke) Schade voor bestuurders en overheid Ontwrichting van het watersysteem (Delfland 2011) Ontstaan van brand (Kok, et al. 2006)

Pagina 21 van 17


a.

Gasleidingen kunnen springen, ondanks het overvloedige water kunnen branden uit gesprongen gasleidingen huizen verwoesten (Kok, et al. 2006). 10. Uitval van en schade aan vitale infrastructuur a. Stroomvoorziening (Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond 2010) (Gemeente Rotterdam 2005) b. Drinkwater (Kolen and Geerts 2006) (Rijkswaterstaat n.d.) i. Drinkwaterwinning (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2008) c. Gas (Kolen and Geerts 2006) (Rijkswaterstaat n.d.) d. Riolering (Geluk 2013) f. vaste telecommunicatie-voorziening (Ministerie van veiligheid en justitie 2010) a. mobiele telecommunicatie-voorziening (Ministerie van veiligheid en justitie 2010) b. radiocommunicatie en navigatie (Ministerie van veiligheid en justitie 2010) c. omroep (crisiscommunicatie) (Ministerie van veiligheid en justitie 2010) d. internettoegang (Ministerie van veiligheid en justitie 2010) e. Voedsel (Ministerie van veiligheid en justitie 2010) i. Voedselvoorziening ii. -veiligheid f. Beschikbaarheid geneesmiddelen (Ministerie van veiligheid en justitie 2010) g. Financieel (Ministerie van veiligheid en justitie 2010) i. Betalingsdiensten ii. betalingstructuur h. financiĂŤle overdracht overheid (Ministerie van veiligheid en justitie 2010) i. oppervlaktewater (Ministerie van veiligheid en justitie 2010) i. Keren en Beheren (Ministerie van veiligheid en justitie 2010) ii. beheren waterkwaliteit (Ministerie van veiligheid en justitie 2010) iii. keren en beheren waterkwantiteit (Ministerie van veiligheid en justitie 2010) j. Openbare Orde en Veiligheid (Ministerie van veiligheid en justitie 2010) i. handhaving openbare orde (Ministerie van veiligheid en justitie 2010) ii. handhaving openbare veiligheid (Ministerie van veiligheid en justitie 2010) iii. Rechtsorde iv. rechtspleging en detentie (Ministerie van veiligheid en justitie 2010) v. rechtshandhaving (Ministerie van veiligheid en justitie 2010) k. Transport (Ministerie van veiligheid en justitie 2010) i. mainport Schiphol (Ministerie van veiligheid en justitie 2010) ii. mainport Rotterdam (Ministerie van veiligheid en justitie 2010) iii. hoofdwegen- en hoofdvaarwegennet (Rijksinfrastructuur) (Ministerie van veiligheid en justitie 2010)

iv. spoorsysteem (Ministerie van veiligheid en justitie 2010) l. Chemische en Nucleaire industrie (Ministerie van veiligheid en justitie 2010) m. vervoer, opslag en productie/verwerking van chemische en nucleaire stoffen (Ministerie van veiligheid en justitie 2010)

n.

11. 12.

13. 14.

Voorzieningen vallen mogelijk ook in omringende gebieden uit die niet overstroomd zijn. In het overstroomde gebied kunnen namelijk cruciale verbindingen in netwerken liggen (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2008) Uitval van infrastructuur (Kolen and Geerts 2006) Uitval van wegen (falen) d. Onbruikbaar door gebeurtenissen e. Ontoereikende capaciteit van de wegen f. Beperkte capaciteit door omstandigheden, gebeurtenissen of maatregelen g. Verkeersopstoppingen (Robbemont 2007) h. Uitval van vaarwegen door dat ze volstromen met sediment en puin (Kok, et al. 2006) Ontstaan van ongewenste evacuatiestroom (B. Kolen 2010) Gevaar voor volksgezondheid a. Uitval van riolering of AWZI veroorzaakt milieu- en gezondheidsrisico (van Sluis 2012) (van Loon 2013)

Pagina 22 van 17


b.

Kou leidt in combinatie met overstromingen sneller tot onderkoeling en verdrinking (Rijkswaterstaat n.d.) c. Burgers die tijdens een horizontale evacuatie stranden in het bedreigde gebied lopen een groter gevaar voor overstroming, onderkoeling en ongevallen dan burgers die binnen het gebied verticaal evacueren (B. Kolen 2010) d. Uitval van nutsvoorzieningen beperkt de zelfredzaamheid van achtergebleven burgers (B. Kolen 2010) e. Burgers zijn aangewezen op zelfredzaamheid maar onvoldoende voorbereid (Geluk 2013) 15. Milieuschade a. Verspreiding van vervuilende stoffen (Kolen and Geerts 2006) (Timmermans 2013) b. Zoutwater van overstromingen veroorzaakt verzilting van de bodem en landbouwgrond (Fakkel, et al. 2013) c. Uitspoelen AWZI (van Sluis 2012) d. Modderafzettingen (Kok, et al. 2006) 16. Een groot deel van de bevolking zal zichzelf moeten zien te redden bij een grootschalige overstromingsramp. (Rijkswaterstaat n.d.)

3

MAATREGELEN

3.1.1 PRO ACTIEVE MAATREGELEN: CALAMITEITEN ORGANISATIE 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

8. 9.

Capaciteit verhogen door verlof in te trekken (Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard 2008) (Rijkswaterstaat n.d.) Capaciteit verhogen door inzet van Defensie (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2007) Inzetten van het dijkleger (Robbemont 2007) om 3 keer per 24 uur elk dijkvak te controleren (Timmermans 2013) Opstarten van Waterschap Actiecentra (WAC) (Robbemont 2007) Opschaling van de calamiteitenorganisatie (Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond 2010) Beheerdersoordeel over de standzekerheid van de waterkeringen bij de verwachte waterstanden uitgeven. (Rijkswaterstaat 2010) Inlichten en waarschuwen van burgers en instanties (B. Kolen 2010) a. Informeren burgers bv dmv cellbroadcasting (B. Kolen 2010) b. Informatievoorziening dmv borden en bewegwijzering (B. Kolen 2010) c. Burgers oproepen om zich voor te bereiden, zelfredzaamheid te vergroten Signalen uit media en bevolking (o.a. social media) gebruiken als informatievoorziening (Rijkswaterstaat 2010) Gebruik maken van eigen noodcommunicatie zoals portofoons en straalverbindingen

Pagina 23 van 17


3.1.2 PRO ACTIEVE MAATREGELEN: OVERSTROMINGSKANS 10. Omleiden rivierafvoer a. van Rotterdam naar Zeeland (Ministerie van Infrastructuur en Milieu 2008) b. Openen stuwen Driel, Amerongen en Hagestein (Boon 2013) 11. Afsluiten Rotterdam-Rijnmond (o.a. Maeslantkering) (Ministerie van Infrastructuur en Milieu 2008) a. Het waterschap kan Rijkswaterstaat verzoeken de Algerakering te sluiten (van Loon 2013) 12. Preventief plaatsen van noodmateriaal bij zwakke plekken (Geluk 2013) 13. Dichten van coupures (open gaten waar bv een weg een dijk kruist) (Fliwas2010 2010) 14. Bemalingsstop in polders om belasting van het riviersysteem te verminderen (Rijksoverheid n.d.) 15. Inzet van noodoverloopgebieden (Rijksoverheid n.d.) 16. Preventief compartimenteren van zwakke plekken met bijvoorbeeld zandzakken (Rijksoverheid n.d.) 17. Noodmaatregelen bij microinstabiliteit a. Opzetten slootpeil tegen piping (Put 2013) (Geluk 2013) b. Piping tegengaan met drainage (Geluk 2013) c. Piping tegengaan met bekisting van de wel 18. Fysieke noodmaatregelen bij macrostabiliteit (Rijksoverheid n.d.) d. Steunberm (Rijksoverheid n.d.) e. Wellen opkisten (Rijksoverheid n.d.) f. Binnentalud afdichten met folie of geotextiel (Rijksoverheid n.d.) g. Aanbrengen van een versterkte teen/buitenberm (Rijksoverheid 2013) h. Versterken van het binnentalud (Rijksoverheid 2013) i. Zandzakken tegen piping 19. Fysieke noodmaatregelen bij kruinhoogte tekort j. Zandzakken op de dijkkruin (of strobalen/geobags/gronddammen) (Rijksoverheid n.d.) k. Mobiele waterdammen of demontabele keerschotten (Rijksoverheid n.d.) l. Aanbrengen van opkisting (Rijksoverheid 2013) m. Pompen inzetten om water weg te malen (Rijksoverheid n.d.) 1. Beheerder van nutsleidingen in waterkeringen opdragen deze af te sluiten of assisteren bij herstelwerkzaamheden

3.1.3 EVACUATIE 20. De Minister van BZK kan op grond van de Wet verplaatsing bevolking (Wvb) een bevel tot evacuatie geven, bepalen welk gebied voor ontruiming in aanmerking komt, wie verplicht is dit te verlaten en wie verplicht is tot achterblijven (Rijkswaterstaat 2010) Burgemeester en voorzitter van de veiligheidsregio zijn bevoegd om hun opperbevel (algemene noodbevelbevoegdheid) te gebruiken voor evacuatie. (Rijkswaterstaat 2010) a. Evacuatie van mensen uit de meest kwetsbare gebieden (Rijkswaterstaat n.d.) b. Redden van burgers, hulpdiensten ondersteunen bij het verlaten van het rampgebied (B. Kolen 2010) c. Vorderen van voertuigen zoals ziekenwagens, bussen en andere voertuigen voor de evacuatie. (Rijkswaterstaat n.d.)Burgers oproepen te vluchten: op eigen kracht vluchten van burgers (B. Kolen 2010) d. Inzet van boten voor de evacuatie (Geluk 2013) e. Burgers verticaal evacueren binnen het rampgebied, opvang op hooggelegen plaats. (B. Kolen 2010) f. Evacuatie of opvang van alleen kwetsbare groepen zoals daklozen, ouderen en beperkten (Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond 2010) g. Burgers oproepen tot verticale evacuatie binnen eigen woning of verblijfplaats (B. Kolen 2010) 21. Verkeersmanagement a. Verkeer regelaars en bewegwijzering om wegcapaciteit te vergroten (B. Kolen 2010) (Kolen and Geerts 2006) b. Contraflow inzetten om over twee rijrichtingen te evacueren (B. Kolen 2010)

Pagina 24 van 17


3.1.4 FYSIEKE NOODMAATREGELEN: DICHTEN VAN EEN BRES 22. Onroerende zaken mogen in bezit worden genomen voor het winnen van bodemmaterialen voor de aanleg, herstel en de versterking van waterkeringen op basis van de onteigeningswet art. 73. (Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard 2008) (Robbemont 2007) 23. Een waterschap is in geval van gevaar bevoegd de (wederrechtelijke)maatregelen te treffen die hij nodig oordeelt (art. 5.30 Waterwet en waterschapswet art. 96). (Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard 2008) 24. Het dumpen van steen uit een schip met breukbak (Rijksoverheid 2013) 25. Het vastzetten van een (kraan)schip voor de bres (Rijksoverheid 2013) 26. Vorderen van een schip om de bres te dichten (Forster 2011) 27. Afzinken van een schip met behulp van explosieven (Rijksoverheid 2013) 28. Gegroepeerde drijvende bakken gevuld met steen naar de locatie drijven en daar met explosieven opblazen (Forster 2011) 29. Bovenstrooms loslaten van pontons die in de bres blijven steken (Rijksoverheid 2013) 30. Opvullen van dijkbressen met: (Forster 2011) a. zandzakken (evt. gekoppeld met prikkeldraad) 3 b. Big bag (1-2m ) gevuld met zand c. Rotsblokken d. met stenen gevulde draadkorven e. combinatie van palen/zandzakken en rotsblokken. 31. Materiaal in een bres dumpen, zoals een hoogspanningsmast mbv helikopters, zodat zandzakken gepositioneerd kunnen worden zonder dat ze wegspoelen. (Forster 2011) 32. Inzet van textiele waterdichte bakken of zakken (aquadam/boxbarrier/PLUG) die wordt gevuld met water. (Forster 2011) (Timmermans 2013)

3.1.5 FYSIEKE NOODMAATREGELEN: BEPERKEN VAN SCHADE 33. Nooddijk van zandzakken opbouwen (Forster 2011) 34. Compartimentering a. Van het overstroomde gebied (Rijksoverheid n.d.) (Rijksoverheid n.d.) b. Hoog risico gebieden zoals AWZI, ziekenhuis en opvang (van Sluis 2012) 35. Pompen van grote capaciteit inzetten (Rijkswaterstaat) 36. Leeg laten stromen van gebieden via geforceerde bressen (Rijksoverheid n.d.) 37. Polder (niet ingericht als noodoverloop) stroomopwaarts inunderen om rivier peil stroomafwaarts te verlagen (Vermeulen and Janssen 2013) (Timmermans 2013)

Pagina 25 van 17


4

PROBLEMEN (BIJ MAATREGELEN)

4.1.1 COMMUNICATIE 1.

2.

Uitval van telecommunicatie en eigen noodcommunicatie a. Beperkt informatievoorziening over zwakke plekken/bressen b. Beperkt mogelijkheid om maatregelen aan te sturen c. Beperkt mogelijkheid om te coรถrdineren met andere actoren d. Schakelt de basis voor communicatie en informatievoorziening uit, waar calamiteitenorganisatie op rekent en vertrouwd. (Timmermans 2013) (van Loon 2013) Onjuiste en tegenstrijdige berichtgeving (van Loon 2013) a. Kan leiden tot onduidelijkheid, onrust en paniek onder burgers b. Kan ongewenste evacuatiestromen veroorzaken die wegcapaciteit beperken

de

4.1.2 CALAMITEITEN ORGANISATIE 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13.

Maatregelen mogen niet in strijd zijn met de grondwet (Europees parlement 2007) Onduidelijkheid over verantwoording van actoren (van Loon 2013) Gevolgen en effectiviteit van maatregelen is vooraf niet volledig duidelijk Gebeurtenissen zijn zeer moeilijk te voorspellen, waardoor voorbereiden op noodherstelmaatregelen een moeilijke exercitie is. Hulpverleners kunnen (ten dele) zelf slachtoffer zijn (Kolen and Geerts 2006) Onvoldoende tijd (Fakkel, et al. 2013) Spanning door tijdsdruk en druk om te kiezen tussen kwaden (Timmermans 2013) Bestuurders kunnen het risico negeren en bagataliseren (Timmermans 2013) Bestuurders kunnen te lang twijfelen (Timmermans 2013) Bestuurders kunnen verkeerde beslissingen nemen onder druk van hun politieke verantwoordelijkheid (Timmermans 2013) Er is onvoldoende voorbereiding op nazorg en herstel, dit is gebagetaliseerd en onderschat (Timmermans 2013)

4.1.3 VERPLAATSING 14. Beperkte transportmogelijkheid (materiaal) door falen van wegen (Vermeulen and Janssen 2013) a. Falen (onbruikbaar) (overstroming) b. Onvoldoende (beperkte) capaciteit (wos) c. Versperd/vereist voor evacuatie 15. Door uitval van transport is ook de aanlevering van diesel voor noodaggregaten van gemalen en calamiteiten organisaties niet gegarandeerd (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2008).

Pagina 26 van 17


4.1.4 EVACUATIE 16. Evacueren van een bepaald gebied kan mensen bewegen in paniek ook te evacueren, dit kan leiden tot onvoldoende wegcapaciteit voor het daadwerkelijk te evacueren gebied. (B. Kolen 2010) 17. Noodmaatregelen kunnen evacuatie versperren (Geluk 2013) 18. Onvoldoende tijd om te evacueren 19. Evacuatie kan zelfredzaamheid en capaciteit verkleinen (Geluk 2013) 20. Het veelvuldig optreden van vals overstromingsalarm kan na enkele keren de evacuatiebereidheid van mensen ondermijnen (B. Kolen 2010) 21. Valse evacuatie leidt tot minder evacuatiebereidbaarheid 22. Evacuatie heeft een beperkte wettelijke basis, evacuatiebevel kan pas worden gegeven als art. 2b van de wet verplaatsing bevolking bij koninklijk besluit in werking is gesteld. (B. Kolen 2010) 23. Teveel onzekerheid voor evacuatie 24. Negeren van evacuatiebevel door de bevolking (B. Kolen 2010) 25. Evacuatie wordt sterk bemoeilijkt door de verwachte extreme weerssituaties (storm met orkaankracht) tijdens het kustscenario (Rijkswaterstaat n.d.) 26. Bij evacuatie van de mensen uit de meest kwetsbare gebieden kan maatschappelijke onrust ertoe leiden dat ook de omliggende (evt. zelfs niet bedreigde) gebieden uit zich zelf gaan evacueren. Dit kan verkeersopstoppingen geven waardoor de mensen uit de (meest)bedreigde gebieden niet geĂŤvacueerd kunnen worden. (Rijkswaterstaat n.d.) 27. Zelfs voor het evacueren van de meest kwetsbare en bedreigde groepen zal de evacuatie capaciteit bij het kustscenario waarschijnlijk te kort schieten. (Rijkswaterstaat n.d.) 28. Tijdens het rivierenscenario is de kans op koud weer, en gladde wegen groot. Dit kan leiden tot onderkoeling bij overstromingsslachtoffers en kan evacuatie en hulpverlening bemoeilijken. (Kolen and Geerts 2006) 29. Voorspelling van stormvloed op zee is op lange termijn heel onbetrouwbaar. Kans is dus groot dat moet worden overgegaan op evacuatie en dat achteraf niet nodig blijkt (Rijkswaterstaat 2010) 30. Evacureren is een dilemma in de bestuurlijke besluitvorming waarbij op basis van grote onzekerheid de beslissing genomen moet worden, omdat de zekerheid te kort van te voren beschikbaar is om nog te kunnen evacueren (Rijkswaterstaat 2010) 31. Deskundigen schatten dat bij het kust scenario slechts 1 procent van de inwoners de kans heeft het gebied tijdig te verlaten. (Rijkswaterstaat n.d.) 32. Huizen moeten beschermd worden tegen plunderingen in geval van een evacuatie 33. Bij het inzetten van het contraflow systeem (twee rijrichtingen) kan het bereiken van het rampengebied door hulpverleningsdiensten bemoeilijkt worden. (Dykstra 2009) 34. Onvoldoende wegcapaciteit 35. Door evacuatie kunnen mensen kwetsbaarder worden 36. Onvoldoende voedselvoorraden voor meerdaagse evacuatie, verticaal (Glerum 2011) en horizontaal (Dykstra 2009).

Pagina 27 van 17


4.1.5 NOODMAATREGELEN 37. Extreme weersomstandigheden (Robbemont 2007) a. Beperken de inzet van het dijkleger b. Beperken de inzet van kranen en helikopters (Rijkswaterstaat n.d.) c. Beperken transport van materieel en mankracht d. Beperken evacuatie (Rijkswaterstaat n.d.) 38. Noodmaatregelen aan keringen waarin nutsleidingen lopen (Geluk 2013) a. Maatregelen kunnen leiden tot uitval van gas, water en licht. Dit beperkt de zelfredzaamheid van burgers (Geluk 2013) b. In extreme situaties is het mogelijk dat een gasleiding niet is af te sluiten, noodherstelmaatregelen aan een kering zijn dan gevaarlijk 39. Sluit kunstwerken zoals de Maeslantkering (Rotterdam-Rijnmond) kunnen falen (Geluk 2013) (Vermeulen and Janssen 2013) a. Niet sluiten door technisch of menselijk mankement b. Ongewenst sluiten bij hoge rivier afvoer waardoor waterstand bij Rotterdam toeneemt c. Niet meer opengaan waardoor waterstand bij Rotterdam toeneemt bij hoge rivierafvoer 40. Noodoverloopgebieden kunnen te vroeg worden ingezet waardoor ze onbruikbaar worden om de piek af te vangen (Timmermans 2013) 41. Capaciteit a. Tekort aan noodmiddelen zoals (breuksteen, geobags, zandzakken, vulmachines, materiaal om middelen te plaatsen, mankracht, tijd) (Timmermans 2013) b. Tekort aan zandzakken/tijd om zandzakken te stapelen. (van Sluis 2012) c. Onbruikbaar raken van materiaal en middelen door inundatie, brand of andere oorzaken. (Vermeulen and Janssen 2013) 42. Noodmaatregelen: dichten bres a. Zandzakken zijn alleen te plaatsen tot 1.5 m/s stroomsnelheid. b. Geobags of betonblokken zijn afhankelijk van het aantal in te zetten helikopters of ander materiaal. (Forster 2011) c. Geobags en betonblokken zijn onmogelijk waterdicht aan te sluiten, de gaten moeten dus worden gedicht met zandzakken of geotextiel. (Forster 2011) d. Als een bres niet wordt opgemerkt of geen actie wordt ondernemen kan de stroomsnelheid zo groot worden dat een bres vrijwel niet meer te dichten is. (Rijksoverheid 2013) e. Een bres in een kustdijk / duin is vrijwel niet te dichten vanwege de storm en hoge golven die dan optreden. (Rijksoverheid 2013) 43. Standzekerheid is niet zeker te geven (van Loon 2013) 44. Weinig kennis en ervaring met sluiten van bressen (Rijksoverheid n.d.) 45. Uitval van calamiteitencentra (Geluk 2013) 46. Middelen voor de calamiteitenorganisatie kunnen onbereikbaar zijn (Geluk 2013) 47. Materiaal kan falen (Vermeulen and Janssen 2013) 48. Simpelweg niet in staat zijn het risico af te vangen, niet kunnen redden (Timmermans 2013)

Pagina 28 van 17


5

DILEMMA’S EN CONFLICTEN TUSSEN ACTOREN

5.1.1 DILEMMA’S 1. 2. 3.

Burgers zijn niet goed voorbereid op zelfredzaamheid (Geluk 2013) Wat doen mensen als de riolering uitvalt/hoe gaat de calamiteitenorganisatie daarmee om? (Geluk 2013) Sluiten coupures sluit inwoners in (van Loon 2013)

5.1.2 TEGENSTRIJDIGE BELANGEN 4. 5.

6.

7. 8. 9.

10. 11. 12. 13. 14.

Dijkgraaf mag zelfstandig handelen (van Loon 2013) Burgemeester of voorzitter veiligheidsregio kunnen dijkgraaf en HID RWS dwingen met noodbevelbevoegdheid tot maatregelen waarmee ze het oneens zijn. Dijkgraaf en HID moeten dan via de Commissaris van de Koningin of Min. IenM bewegen te intervenieren. (Rijkswaterstaat 2010) Om een gebied met het hoogste risico te evacueren moet de omliggende wegcapaciteit vrij blijven, omliggende gemeenten moeten dan accepteren dat hun gebied niet kan evacueren omdat ze een lager risico hebben, ook al lopen ze wel degelijk risico. Burgers willen geëvacueerd worden, terwijl dit hun risico vergroot/zelfredzaamheid verkleint Besluiten gemotiveerd door politieke verantwoordelijkheid Noodherstelwerkzaamheden aan een waterkering a. Kunnen nutsvoorzieningen beschadigen en zelfredzaamheid verlagen (Geluk 2013) b. Kunnen de evacuatie stremmen (Geluk 2013) Onrechtmatige beslissingen (die in noodsituaties genomen mogen worden) kunnen belangen van anderen schaden Vordering van materiaal kan belang andere partijen schaden Verschillende perceptie van risico 10-20 cm voor WS geen probleem, wel voor gemeente (van Loon 2013) Sluiten/open houden Maeslantkering (van Loon 2013) Bestuurders hebben meer aandacht voor zaken met hoger risico (Timmermans 2013) a. Bagatelliseren b. Negeren

5.1.3 ONDUIDELIJKHEID 15. Het is vaak onduidelijk wie verantwoordelijk is voor welke maatregelen en berichtgevingen. (van Loon 2013)

5.1.4 COMMUNICATIE 16. Besluiten worden niet of verkeerd uitgevoerd (van Loon 2013) 17. WS wil niet verantwoordelijk worden gehouden voor verkeerd advies, geeft daarom alleen maar informatie (van Loon 2013) 18. 19. Conflict tussen de algemene kolom en de waterkolom kan optreden. (Rijkswaterstaat 2010) 20. Maatregelen veroorzaken een afname in zelfredzaamheid 21. Uitval riolering veroorzaakt gezondheidsrisico (Geluk 2013) (van Sluis 2012) 22. Leeg laten stromen van overstroomd gebieden via geforceerde bressen (Rijksoverheid n.d.) conflicteerd met beheerders van het onder te lopen gebied. 23. Keuze welk gebied te evacueren tov een ander gebied.

Pagina 29 van 17


Maatregelen en problemen tijdens overstromingen en overstromingsdreiging v2 2 6