Page 1

1 Creativiteit | P-o-e-zine Nummer 11 | Thema: Creativiteit


INHOUD

Zonder titel ................................................... 27

Voorwoord ...................................................... 4

De moordenaar van onze liefde ................... 28

Verboden voor honden ................................... 5

Odins rimpel.................................................. 29

De nachtvorst van november .......................... 5

Na de voordracht .......................................... 33

Mimicri ............................................................ 6

Het huis van mijn vader, 1876 ...................... 34

Als een vlinder ................................................. 7

Februari......................................................... 37

Dies Illa ............................................................ 8

Interview: Luckie Samson Delacroix ............. 38

Interview: Marc Tiefental interviewt .............. 9

Wen............................................................... 40

Modellen ....................................................... 12

Lieverd, ik haat je!......................................... 40

Elk ander land ................................................ 12

Zelfportret..................................................... 41

Recensie: Weg van Damascus, recensie van een gedichtenbundel..................................... 14

Diagnose Cowden ......................................... 41

Model ............................................................ 15

Toen ik een boom was .................................. 42

Ontwaren....................................................... 15

Rosarium ....................................................... 43

Spijt en Mijmeringen ..................................... 16

Marrakech Express........................................ 43

Koning Alcohol............................................... 16

Tse ................................................................. 44

Herschepping................................................. 17

Boosheid ....................................................... 44

Mijmeringen .................................................. 18

Ik droom haar in het licht III ......................... 44

Oh my God..................................................... 18

De schipper ................................................... 45

niets mis met ................................................. 19

Recensie: Nanna Dillen ................................. 46

Cohesie .......................................................... 20

Biografie: Vinkenoog..................................... 48

Luilekker ........................................................ 20

Leergierig ...................................................... 51

Unter den Linden........................................... 20

Profielschets: Dichter.................................... 52

Waarom zou ik een gedicht schrijven? ......... 21

Het zwarte gat .............................................. 53

Kiezel ............................................................. 21

Het meisje dat van lezen hield ...................... 54

Hulde aan een Vinkenoog ............................. 22

Koorts ............................................................ 60

Trein............................................................... 23

Klik................................................................. 60

Hevig vuur ..................................................... 23

De knarsende schommel .............................. 61

Pijn ademt ..................................................... 23

De glazenwasser ........................................... 61

Een oude liefde roest .................................... 24

Vlucht der liefde............................................ 62

Het verschil maken ........................................ 24

Jouw naam .................................................... 62

Meer van troost............................................. 26

Aankondiging bundel 'Klem' ......................... 64

In wijsheid beleven ........................................ 26

Amandel ........................................................ 65

Het gras groeit ............................................... 26

Waggelen ...................................................... 65

De gaardenier ............................................... 42

2


Lijden volgt op scheiden ................................ 65

Nachtvlinders ................................................ 96

Paraplu .......................................................... 66

Vonken van zwart, en wit licht ..................... 96

Jazz 1.............................................................. 66

een punt maken .......................................... 104

Fluid ............................................................... 66

Dom............................................................. 104

Dansen in slow-motion.................................. 66

Ontwapening .............................................. 104

Het kerend tij................................................. 67

Poëziebus .................................................... 105

Poort wachter ................................................ 67

Persaankondiging: Dubbeldichters ............. 106

Jazz 2.............................................................. 68 Gerda ............................................................. 68

Mijn gedichten gaan over kapotte vogeltjes .................................................................... 107

Mijn feestdag................................................. 70

Interview: Joep Bremmers .......................... 112

De dood van Giacomo Marters ..................... 71

ONZE DEELNEMERS .................................... 116

Meesterbrein ................................................. 73

Bijlagen ....................................................... 117

Où est-elle? ................................................... 74 Alleen zijn ...................................................... 76 Spiegelbeeld .................................................. 76 Schuldig ......................................................... 76 Winter............................................................ 78 Het web ......................................................... 78 “Creativity is contagious, pass it on” ............. 79 Met vis op weg .............................................. 80 Repeteergedicht ............................................ 80 Sonnet ........................................................... 80 Schaduwbestaan ........................................... 81 Nemophila ..................................................... 81 In de schemering ........................................... 81 Reiken ............................................................ 81 Narcissus & Ophelia....................................... 82 Ochtendstond ................................................ 87 Flirt ................................................................ 87 lommer .......................................................... 87 Biografie: Johnny van Doorn ......................... 88 Missende Min ................................................ 91 Nazi love ........................................................ 95 Blijvend .......................................................... 96

3


VOORWOORD Als ik net zo dol was geweest op Sesamstraat als op The Muppetshow, had ik nu poehéé geroepen. Want serieus, we hebben samen weer een uitgave erop zitten. De dikste ever! Dus kan alleen maar zeggen superblij te zijn. Nooit verwacht dat we dit resultaat zouden behalen. Maar jullie maken het waar. Het liefst zou ik jullie allemaal persoonlijk een bedankje schrijven voor de tomeloze inzet. Echter omwille van andere verplichtingen dien ik dit te laten. Ja, want ik heb het druk met nog 1001 en een andere dingen. De poëziebus o.a. waar je een mooi stuk over kan lezen. Een nieuwe bundel die elk moment van de pers kan gaan rollen. En hoe het met mij gaat, ik ben in de wolken. Voel me goed en dit komt door jullie. Po-e-zine nr. 11 is namelijk een geweldige uitgave geworden. Dus ik ga jullie niet langer ophouden met dit voorwoord maar ga net als jullie lezen en genieten van deze editie. M.v.(dichterlijke)g. Afz. Derrel Niemeijer

4


5

VERBODEN VOOR HONDEN We lopen de dag uit, jij, Benedict, een lelijke labrador, en ik die je littekens en je wonden kent, die weet wat het is uitgescholden worden, weggetrapt, op straat gezet: verboden voor honden. Lopen, een gat in een oude muur vinden, een slaapplaats met de geur van droog cement en natte hond. Liggen, jij blaft bij onraad als ik slaap. Ik streel jouw kale plekken, snurkende, blaffende vagebond We lopen de nacht uit, eten de kruimels die vallen van rijk gedekte tafels en gaan, verbonden door vriendschap en trouw, voorbij de valse woorden, tekens, bordjes: verboden voor honden. | Rob van Uden

DE NACHTVORST VAN NOVEMBER Er zijn bossen waar de bomen lang, mager en kaal naast elkaar staan. Ze zien elkaar niet aan, spreken niet en nooit meer met elkaar. Een dik pak sneeuw bedekt de zwarte aarde, de bladeren die vergaan, daarboven witte gordijnen van bevroren adem, ijzig zwijgen. Ik zie ze wit en breekbaar, zie ze zuchten, naast elkaar. Gesproken wordt er niet. Hun dagen geworden tot de nachtvorst van november. | Rob van Uden

ROB VAN


MIMICRI

de prijs voor herkenning is te hoog

1 een wants die om aandacht vraagt ach dat is veel te gewaagd eerder onttrekt de wants zich aan aandacht daarvoor is benodigd al zijn kracht

dus blijft de wants ver daarvan uit de buurt 5 hee een wants nee geen wants een tak

2 6 bos alwaar de wants zich als een tak gedraagt niet vraagt om en naar zijn identiteit uit lijfsbehoud ziet hij voor even daar vanaf

de wants wordt met gemak een tak onbeschroomd een blad aan een boom geschapen om zich te verschuilen te verget3en hoe hij heet

onderscheid is voor hem dodelijk

hoe hij wordt genoemd

3

7

geen kleur bekennen nee integendeel je kleur ontkennen

aandacht vragen is om moeilijkheden vragen

gedwongen door de omstandigheden op te lossen in

iemand attent maken op je eetbaarheid je vernietigbaarheid

hetgeen je omgeeft

8

4

de wants dient over het hoofd te worden gezien wil hij in leven blijven

wie op wil vallen streeft tegen zijn omgeving in het omgevende werkt op hem in als een zuur

maakt hij aanspraak op zijn identiteit dan raakt hij ogenblikkelijk zijn bestaansrecht kwijt

6


9

ALS EEN VLINDER

ja de wants die weet van wanten als het om verbergen gaat

als een vlinder heb ik je laten gaan in schitterende kleuren vol met je levenswijsheid

als je vraagt

als een vlinder zie ik je zo weer staan en je zegt me niet te treuren het was gewoon mijn tijd

waar ben je wants? dan zegt hij dat hij nergens staat X de wants hij staat voor tak voor blad voor paal voor schut

7

als een vlinder heb ik je in liefde losgelaten heel ver voorbij de horizon je was zomaar uit mijn leven als een vlinder heb je me verlaten en als een prachtige zon heb jij je liefde doorgegeven | Bianca Hazenberg

nooit raken de gelijkenissen uitgeput | Willem Adelaar

WILLEM | BIANCA |


8

DIES ILLA De wereld vergaat. We wisten dat die dag kwam. Het gonsde al lang door onze geschiedenis. Verwachting, huiver, maar ook spanning, en misschien wel op een prettige manier. Na deze dag zou er geen meer komen. Wie wraak wil nemen, doet dit op de valreep, er zijn toch geen represailles. Daarom hakte ik zijn hoofd af. Gewoon, omdat ik dat al eerder wilde doen, maar mezelf tegen liet houden door de juridische consequenties. Katten ontwormen is een vervelend klusje. Het goedje dat je in de bek van je kat moet spuiten schijnt nogal vies te smaken. Gegarandeerd verzet bij het toedienen. Maar goed, laat je het na, dan wordt je kat van binnenuit opgevreten door wormen. Toen die dag toch niet kwam, stond ik dagenlang vertwijfeld met het hoofd in mijn handen. Invloeden van buiten namen bezit van het hoofd. Krioelende wezens namen vraten lustig de kop op en begonnen vervolgens aan mijn armen. Daar helpt geen kuur tegen. | Lea Theunissen

LEA


INTERVIEW: MARC TIEFENTAL INTERVIEWT Zo; en dan nu het vraaggesprek. Mijnheer Niemeijer, wiens naam men schrijft met ij zoals die van Van Ostaijen, u bent dichter en bent daar nogal overtuigd van. Wie heeft u zo kunnen overtuigen en hoe oud was u toen? – Mijn eerste optreden als dichter was ergens in 92 in café Wilhelmina bij de laatste stuiptrekking van de oorspronkelijke “Opwenteling”, toen nog met “Joop Oversteegen”. Maar hoe was je er toe gekomen gedichten te schrijven? – Mijn drijfveer is niet te herleiden tot een oorsprong of eisprong maar ik mag vermoeden dat ik de afwijking al vroeg actief was want toen ik mijn eerste pen vasthield met links, moest dat met rechts worden en vanaf dat moment schreef ik woorden en zinnen, bestaande uit 1 letter en uiteindelijk met alle 26. “Wat staat er dan Derrel?". Ik las voor wat ik dacht geschreven te hebben. maar het waren maar klanken, niks meer en niks minder dan letters in een volgorde zonder volgorde Ik kreeg stokslagen op mijn linkerhand waarmee ik in het begin spontaan schreef. Wanneer wist je dat wat je schreef moest bewaard worden? Opgeschreven? – Mijn eerste gedachten kwamen daar over in 93 na aanleiding van de plaatsing in de bundel en daarna was ik geruime tijd actief. Echter de liefde .... ahum ... slagveld eerder, wat begon in 97 had andere ideeën over mijn roeping. Het was mede door haar en ook de kritische geluiden over mijn werk wat te donker en somber was dat ik besloot me toen terug te trekken en dat was mijn stomste besluit ooit uit mijn leven. Gedachten? Gedichten? Welke bundel? Maar je trok je terug omdat de geluiden om je heen je niet aanmoedigden. Ik ken dat best. Jij te somber en te duister? Misschien was dat besluit te terug te trekken nog zo slecht niet. Wanneer en waarom kwam je dan terug?

– De bundel heette “Oog in oog”en was een uitgave v.d. Jongerenbond Na aanleiding v.d. scheiding kwam ik terug. In de 11 jaar met haar was er nog maar weinig van me over. Gaf wel hand-outs uit. Die maakte ik op de JoBo. De festivals daar waren de mogelijkheden voor mij om nog te kunnen optreden. Maar terug naar de scheiding, volledig gebroken en zwaar gek geworden door haar, heb ik me toen laten binnenstebuiten en buitenstebinnen laten draaien op een PAAZafdeling. Het was de creatieve therapeute, Hanne Fennis, aldaar die mij stimuleerde en een nieuw impuls gaf. Ik schreef toen eind '08 binnen een goed week mijn eerste bundel waar ik meteen een uitgeverij voor vond maar deze wenste te sterke aanpassingen, de bundel verdween maar de naam bleef hangen. Op aandringen van een wederom een ex begon ik wel al met uitgeven, dit werden in totaal vier publicaties waarvan drie arty-farty uitgaven en ook nog een cd. Later zou ik door haar al mijn werk verliezen maar door haar werd ook mijn schrijflust een niet te stoppen brandende passie in mijn hart. Ze had een feniks van mij gemaakt. Echter moe van het vliegen, stortte ik in elkaar in '12 en dat was de reden om de titel uit '08 omhoog te halen en toen te zeggen, hier ben ik. "Eindelijk een stem", verscheen toen, dit zie ik als mijn 1ste officiële uitgaven. Naar aanleiding dus; elf jaar man, je hebt het langer volgehouden als ik (drie jaar). Het zijn dus omgevingsfactoren en vrouwen uit die omgeving die je ofwel tot schrijven aanzetten of stopzetten. In 2012 ben je in elkaar gestort; of in mekaar. En meteen krabbel je recht. Of bleef je eerst evene wat liggen bekomen? Met "Eindelijk een stem" kreeg je je stem te pakken. De rest is dan maar geschiedenis? Heb je ooit Simon Vinkenoog ontmoet? – Helaas heb ik “Vinkenoog” nooit mogen ontmoeten maar toen hij net was overleden, stond ik op een podium en deed het gedicht van “Ginsberg” wat opgedragen was aan “Simon Vinkenoog”. Dit was tijdens een jazz festival georganiseerd in 09 bij café "De gouden bal". Het was toen dat mijn eerste uitgave verscheen sinds lang, “De 9de van … “, het had op de cover een zelfportret van mij

9


met toen nog lang haar. Deze valt onder de eerder 'benoemden' vier uitgaven. Je beatverwantschap is dus geheel en al geestelijk. Dat doet me denken aan "Max Kazan", uitgever van de tijdschriften "Labris" en "Tempus fugit". Hij had ook een zeer innige geestelijke verwantschap met The Beats. Hij is echter nooit naar de VS gegaan om ze te ontmoeten. Hij vond dat niet nodig en zou er waarschijnlijk niets gevonden hebben. – Heb wel eens spottend gezegd, "Ik was dood in mijn lichaam toen Burroughs stierf dus er was plek voor een ziel". Maar de beatniks als je ze moet samenvatten is het zelfvertrouwen ondanks tegenslagen. Ze lagen onder schot maar bleven doorgaan vanuit de drang tot vernieuwing, 'romantiek' en vrijheid en dat met een soms fatalistische en nihilistische insteek. Zo spottend komt dat bij mij niet over. Het vat zelfs heel goed de geest van de beats samen. Jij was niet zozeer dood in je lichaam maar je huisde er niet echt in. Je was niet geïncarneerd, je woord was nog niet vlees geworden. Eigenlijk heb ik geen vragen meer. Ik mis in jouw verhaal wel een raakpunt. Hoe ben je precies geraakt door die 50'ers? Wat was je eerste kennismaking met die beats? – Mijn eerste kennismaking was toen ik 10 werd, mijn kameraad - op dat moment Casper (God hebben zijn ziel) liet mij toen kennis maken met “Junky” van “Burroughs” en “Proef mijn tong in je oor” van “Ginsberg”. Hij zei toen, “Laat dit niet je pad worden!”. Hoorde alleen de schoonheid van de ruwe woorden weliswaar dan in de Nederlandse vertaling maar ja, ik was toen om. Laat dit niet je pad worden; en weg was je. Besefte je meteen dat dit je pad zou worden? Of gingen er een paar jaar over? – In die periode begon ik dus met het echte schrijven. Uit die tijd is helaas niks meer over. Toen werd het tijd voor de mavo. Had daar een docent die mij niet kwalijk nam als ik fouten maakte, hij vond het des te erger dat ik niks deed met mijn teksten. Heb moeten huilen toen ik hoorde dat hij gestorven was. Heb hem geen eer kunnen en mogen brengen. Hij is en was altijd mijn motivatie om door te

10

gaan. "Jij komt er wel Derrel maar je kiest niet de gemakkelijke weg. Jij bent een rebel en dat worden passen literaire helden zodra een enkeling ziet en door heeft en mag hebben van jou, wie je echt bent". Mag hopen dat hij nu trots op mij is ergens vanaf zijn wolkje. Zo, eindelijk hebben we de persoon ontdekt die jou ontdekt heeft. Tja, ook mijn ontdekker is gestorven en begraven zonder dat ik erbij was. – Het wrange is hij heeft het ook niet gehaald om mijn bundel "Eindelijk een stem" te corrigeren waardoor ik hem niet kon eren met een dankjewel maar alles zal goed komen en in mijn volgende bundel zal daarom dan ook zijn naam prijken. Het begin van mij is gemaakt door de heer Jos Seijkens, docent Nederlands, hij zal en moet gewoon de eer alsnog gaan krijgen die hem toekomt dus nou ja eind '15 of begin '16 wanneer mijn eigen nieuwe bundel gaat verschijnen via de uitgeverij … nou ja, dan staat zijn naam erin. Ik ben op een zondag eens naar Amsterdam gereden om hulde te brengen aan de man die mijn poëzie ontdekt heeft, “Rein Bloem”. Fijn dat je alsnog dit eerherstel op die manier zal gaan brengen. Heb je verder uit die generatie aanmoediging of andere erkenning ervaren? – Mag zeggen dat er twee collega zijn die mij altijd hebben ontvangen gehad met open armen en altijd heel hartelijk waren vanaf dag een en deze mensen weten dat ik ze meer dan zeer hartelijk waardeer, het betreft “Willem Adelaar” en “Peter Scharpach/Reepke”. De kwismaster bij PepperPlus heeft ook altijd haar hart op de goede plek gehad, het is door haar nadat ze getipt was door de grootste van E'hv "A.c.g. Vianen", dat ik het mocht overnemen. "Janneke Bloesem" verdiend om die reden meer eer dan ze tot nu toe heeft mogen ontvangen vanuit 3de. Ze kan trouwens ook meer dan aardig dichten.

Mooi zo. Ik zie hier A.c.g. opduiken. Toffe kerel, overigens. Zeer apart geluid in de poëzie, anti-romantieker ook en alsnog verstokt pijproker. De grootste van Eindhoven, ergens wel, ja. Ergens wel. Janneke Bloesem ik mocht er de vorige keer naast gaan zitten, ja,


in orde deze dame, helemaal in orde. Zo, dat was het eigenlijk. Ik zal overgaan tot de wanorde van de rest van deze dag; het was me een waar genoegen – Dank u! Ben u erkentelijk voor mij te ondervragen!

11

| Met dank aan Marc Tiefenthal voor het interview.

MARC | MARLE

| Marleen Ooms


12

MODELLEN

ELK ANDER LAND

Zij heeft twee vragende borsten uitnodigende benen en twee billen in afwisselend bewegen

Aan mijn zicht onttrokken ben jij in steden waar ik niets te zoeken heb vouw ik plattegronden open leer ik busdienstregelingen uit mijn hoofd.

Zodra men haar ziet lopen wordt het lustgevoel verwend toch blijft zij ongekend Echt mooi is zij niet valt buiten elke symmetrie uit het kader van een schilderij Het is bewegen dat haar zo lustig opwekkend maakt de kijker is er één uit de rij Als hij slaapt, laat hij de anderen van hun paard afvallen, is hij bewegingloos, want schoonheid schuilt immers tussen de oren dat geldt voor iedereen ook voor de lezer tussenbij

Waarom jij elk begin of eindpunt van mijn zelfverzonnen reis bent aan mijn cirkel van verlangens zó roekeloos nog altijd raakt. Aan de avond van een vergeefs talen die lichtval op mijn veranda lijkt de wind van zee die mijn haar streelt gedempte stap in elke schemering. Jouw tij van ruwe golven breekt ik sla je gade door mijn venster dat eveneens niet uit kalmer hout gesneden is. | Antoinette Sisto

| Stanislaus Jaworski

NISLAUS | ANTOINE


13

| Bert Waber


vertellen over snelle maaltijden, snelle treinen en snelle relaties”.

RECENSIE: WEG VAN DAMASCUS, RECENSIE VAN EEN GEDICHTENBUNDEL Najaar 2014 verscheen de gedichtenbundel ‘Weg van Damascus’ van de Palestijns– Syrische dichter Ghayath Almadhoun. De bundel opent met een citaat uit het boek Handelingen, waar Paulus voor de poorten van Damascus door een licht uit de hemel wordt omstraald, op de grond valt en een stem hoort: “Saul, Saul, waarom vervolg je mij”. Het bekende Bijbelfragment introduceert verschillende thema’s van de bundel: De stad Damascus, de onderbreking van je levensweg, vervolging en geweld. Net alsa Saul lopen we "verblind door de deeltjes die uit de hemel dwarrelen als gevolg van enkele technische fouten in het bouwwerk van onze Lieve Heer.” Ook de kaft van de bundel is een goede introductie op de thema's. We zien ‘De Kus’ van Gustav Klimt, geprojecteerd op een verwoeste flat. Zowel de kaft als de titel ‘Weg van Damascus’ verwijst naar de liefde voor de stad, maar ook naar het verblijf van de schrijver in het Westen (Stockholm). Ghayath Almadhoun heeft een gedichtenbundel geschreven vol tegenstellingen en met een geweldige dynamiek. Zodra je begint te lezen, zit je middenin de actualiteit van het MiddenOosten, een wereld die tegelijk mooi en gewelddadig lijkt. Het leven in het Westen lijkt daarentegen een schijnwerkelijkheid: “Laat me je vertellen over de groenten die geen smaak hebben, over de bloemen die geen geur hebben, over het racisme dat wordt verdoezeld door een glimlach. Laat me je

14

Met deze gedichten zitten we midden in de leefwereld van veel van onze ‘broeders en zusters in het geloof’. De gedichten confronteren ons met het geweld ginds, maar ook met het verscheurde gevoel dat migranten in onze westerse cultuur kunnen hebben. De lay-out van de bundel kan doen vermoeden dat je proza in handen hebt, maar wanneer je leest, merk je meteen dat het om poëzie in zijn meest actuele gestalte gaat: "Geloof je me als je op mijn lichaam sporen ziet waardoor mijn vrienden daarginds zijn getroffen, terwijl ik hier achter mijn computerscherm zat? Geloof je in het toeval? Geloof je dat mijn afwezigheid een uiterst zorgvuldig beraamd toeval is, een weloverwogen, willekeurige gebeurtenis?" De gedichtenbundel 'Weg van Damascus' verdient het om gelezen te worden, omdat deze poëzie een eigen inzicht geeft in de wereld van vandaag: "Het bloedbad is een dode metafoor die uit de televisie komt en mijn vrienden opeet, zonder ook maar één snufje zout."

Ghayath Almadhoun, Weg van Damascus, gedichten, uitgeverij Jurgen Maas, Amsterdam 2014, € 17,95 | Rob van Uden


15

MODEL Ik heb twee borsten Benen, een lekkere kont Als je me ziet lopen Wordt het oog verwend Echt mooi ben ik niet Val buiten elke symmetrie Het is bewegen dat mij Zo lustig opwekkend maakt Als is slaap, laat ik de kijker Van zijn paard afvallen, ben ik Bewegingsloos, want schoonheid Schuilt immers tussen de oren | Stanislaus Jaworski

ONTWAREN

MARJON

| Marjon Zomer


16

SPIJT EN MIJMERINGEN Er zijn van die momenten moet niemand zich met je bemoeien dat je anderen vervloeken kunt, omdat ze je laten gaar koken in je sop, of stoven en terwijl jij gevreten wordt door het spook van de echo, de echo, of zo. je eigen stem, eigen stem, enz. Maar in de tuin achter de pastorie waar ik zit en denk aan jou, heeft een kloek haar kuikens met vleugels beschermd. Op de straat voor mijn huis een jongen, een meisje, fietsend onderweg naar school hun handen op elkaars schouders en het Chassétheater dat ik vanmiddag zag legde haar dak golvend over de oude kazerne. Zo leg ik mijn warme hand op jouw spijt en mijmeringen en streel ze met mijn gedachten. | Rob van Uden

KONING ALCOHOL De strijd met koning Alcohol leek ik te verliezen de koning wendde ‘dorst’ aan ik had niets in de smiezen Het was vlak voor de tweede ronde de koning keek mij ernstig aan en sprak beschaafd doch onomwonden ‘op één been, kan men niet staan’ Toen ik daarna te kennen gaf dat ik me wou beheersen klonk koning’s overredingskracht ‘nog één dan om het af te leren’ Ik dacht de koning kwijt te zijn maar nee daar kwam hij aangesneld zonder zelfs maar iets te vragen had hij iets sterkers besteld Zo bleef de koning komen met steeds een nieuwe list totdat ik straalbezopen ineens iets helder wist Want daar zag ik de koning voor de allerlaatste keer hij keek vanachter glimmend glas smalend op mij neer

ALEXANDER

Ik had de strijd nog niet verloren al leek het zo van wel dat glimmend glas een spiegelbeeld de koning was ik zelf | Alexander Franken


17

HERSCHEPPING -Het voorstel en god sprak; Noach bouw een ark van honderdvijfendertig meter lang bij tweeĂŤntwintig meter breed bij dertien meter hoog

regen regen regen regen regen regen regen regen regen regen regen regen regen regen regen regen regen regen regen regen

-En zo `t geschiedde

veertig dagen en veertig nachten aan boord van een ark

Noach vroeg niets af , hij timmerde en timmerde en timmerde en timmerde en timmerde en boog

drie duivenvluchten en een olijftakje later zagen Noach , en alle twee bij twee geselecteerden die dachten dat zo`n aantal nooit in die boot paste, kortom

-En God zei;

God zei: Jawel hoor, alles past en even later zag al wat er leefde

selecteer elk exemplaar van mens en dier.. doe eigenlijk maar twee bij twee en zet ze bij elkaar Dus Noach`s overlevingsdrang ging daarin mee hij werd God`s gang hij scheidde man en scheidde schaap hij zocht op genen genen genen en genen genen genen geselecteerde genen -En god sprak; De boot is nu zeewaardig en jij hebt jouw best gedaan stap allen in en sluit de luiken de sluizen zullen open gaan denk niet aan het achtergebleven ze gingen toch dood, jullie niet houd je vast aan mij bij de regen `t wordt hevig, maar jou raakt het niet -De hemelsluis zong zich open

vierduizend zoogdieren, evenveel amfibieĂŤn, zesduizend reptielen, tienduizend vogels, vijftigduizend mollusken en meer dan zevenhonderdvijftigduizend insecten, plus een anderhalve man en een paardenkop dus de hemel goddelijk blauw | Marja Colijn


18

wij maken en maken steeds weer raken af en toe onszelf of elkaar en weer maken we kapot

OH MY GOD drie pubers op de bank met een hele hoop kabaal hun eigen straattaal de selfies en bitches vliegen om mijn oren

om te verbazen dat glas zo leeg kan zijn zo verscheurbaar hard kraken we de scherven stom

what the fuck en het woord kut worden als vleeswaren in mijn huiskamer gedumpt

gebod dat ons niks kan verbieden of verhoeden dat wij niet barsten kraken soms buigen gevaarlijk dicht naar of voorbij

Slam fm op de televisie als gif voor mijn ziel de iPhone als communicatie de filmpjes op instagram in de rust van alledag

Jij bent altijd af grond | Anne Cockaerts

twerking zocht ik op Google wist niet eens wat het was en wij speelden vroeger gewoon braaf op straat

MIJMERINGEN

| Bianca Hazenberg

ACHTEROVER LIGGEND IN HET GRAS KIJK IK NAAR DE WOLKEN NET ZOALS HET VROEGER WAS HAAL IK FIGUREN UIT HET WATTEN DEK EVEN TERUG NAAR TOEN IK HOOR MIJN VADER ZEGGEN: 'KIJK DAT DAAR IS KLAAS KAPOEN.' EVEN WAAN IK ME WEER EEN KLEUTER EEN VLIEGTUIG SNIJD DE WOLK IN TWEE WEG IS HET VEILIGE GEVOEL EN NEEMT DE HERINNERING MEE | Greetje Beumer

ANNE | GREETJ


19

NIETS MIS MET ach je kan onder de tram komen en een of twee benen kwijtraken of er is een godsdienstgek die je hals afsnijd of je levend verbrand of wat dacht je van dementie, alzheimer ja wat dacht je dacht je immuun te zijn nee iedereen krijgt zijn wel of niet gekozen pijn wat dacht je van iedere dag dat oeverloze inhoudsloze gezeur van praatprogramma's te moeten aanhoren dat is toch dodelijk ja er kan van alles mis zijn er kan van alles mis gaan palingsound de hele dag nee dan ben ik liever dood en wat dacht je van tegen het mismaakte hoofd en lijf van marijke helwegen te moeten aankijken wat dacht je van in SyriĂŤ of Irak te moeten wonen wat dacht je van Palestijn te zijn in door IsraĂŤl bezet gebied nee ik dacht het niet dus niets mis met kanker

PIETER | BASTIAAN

| Pieter J Gravekamp

| Bastiaan Spaanbroek


20

COHESIE Eén lichaam zijn wij, één verbond dat heel waarschijnlijk vroeger al een keertje als geheel bestond in één of ander tranendal of ergens toch, in iets dat was toevallig wat atomen samen in stof of water, edelgas en dan weer weg, in nieuwe namen die steeds opnieuw werden bedacht of lang voorheen gewoon ontstonden want niemand weet wanneer of hoe en wat er samen wordt gebracht en vroeg of laat weer wordt ontbonden één lichaam zijn wij, af en toe. | Bert Deben

UNTER DEN LINDEN Kijk, hier keek ik uit op de lindebomen. Het kantoor van Mussert binnen schootsbereik. Ook wij hadden onze foute helden. Maar de echte strijders vochten om de hoek. Deze flaneerbaan is vol tegenstrijdigheden. Hier leerde ik dat ik ook lieve dingen in jouw taal kan zeggen, hier schreef ik

LUILEKKER

mijn eerste brief en had malie aan wat bezorgde ouders liplazen. Ik had een kamer in de stad, dus ik was vrij. Het Lepelenburg nabij

Er is helemaal niets verkeerd Met lekker lui luilekker zijn Soms is het zelfs zo goed Wordt genieten reuzefijn

op ontvlambare dagen en tijdens carillonloze nachten. Eenden kijken in het Wilhelminapark. Hier leed ik kou op een bank van de lommerd

Laat mijn zijn in rust Ik mijmer zonder klank Geen hersenspinsels meer Mijn gedachten lopen mank

hier viel de regen omdat het dak niet werd gedicht. En jij maar achter die muur wachten. Het mooist is de Maliebaan wanneer bomen verkommerd en in vlammend blad staan.

Ik hang er maar te wezen Mijn blik gericht op niets Geen zin om te bewegen Zelfs niet rijden met mijn fiets

| Jolies Heij

| Chantal.de.Breyne

CHANTAL | JOLIES | BER


WAAROM ZOU IK EEN GEDICHT SCHRIJVEN? Al in de oudste bewaarde poëzie zijn voorbeelden te vinden van gedichten die over het dichtwerk zelf gaan. In het Chinese Boek der Oden uit de 11de tot de 7de eeuw voor onze jaartelling vinden we al berichtgeving en verslagen aan de keizers over het wel en wee van hun rijk, onderdanen en ambtenaren zelf in dichtvorm. Daar vond ik ook het beeld van de dichter als visser, met de hengel in de rivier van de tijd en het leven, in rust en meditatieve concentratie. Door ervaring weet hij of zij hoe en wanneer te reageren als de zintuigen iets opvangen, de vangst binnen te halen en veilig te bewaren, geschreven op bamboe. Het hoort bij de kenmerken van alle stammen van de mensheid dat dichters in woord en beeld vastleggen wat hen markeert, bindt, verenigt – tot stam maakt. Maar wat motiveert de individuele dichter, nadat hij of zij eenmaal geconfronteerd werd met dat talent en het ontwikkelt of niet uit de weg gaat? Uit noodzaak De dichter als journalist, correspondent, vertolker van de reacties op een bomaanslag of natuurramp, van nationale gevoelens bij herdenkingen of festiviteiten, religieuze feestdagen, het wisselen van de seizoenen. Deels uit betrokkenheid, plichtsgevoel, taakopvatting: de dichter als ambachtsman, chroniqueur. Deels ook uit opdracht: voor een verjaardag, jubileum, opening, onthulling. Als eenmaal bekend is dat je rijmen en dichten kunt en daar redelijk succesvol in bent, tot tevredenheid van je opdrachtgevers, is dat niet meer te stuiten. Kost wel extra researchtijd in bibliotheek, interview en websites en is meestal gebonden aan een deadline, wat niet elke getalenteerde dichter ambieert of behaaglijk vindt. Uit haat en liefde Uitgaan van je diepste emoties en gevoelens – daar hoort ook de liefde voor je partner, kind, familielid bij, én de haat voor een crimineel, een andersdenkende, een vijand, je partner... Liefdesgedichten kunnen ontdaan zijn van het

21

persoonlijke en voor meerdere lezers bruikbaar worden, maar tegelijk hoort intimiteit daarbij. Haatgedichten, polemieken, politieke rants kunnen eveneens onpersoonlijk en algemeen worden gemaakt en zo voor meer doeleinden inzetbaar blijken.

Uit fascinatie, zomaar Het jarenlang serieus omgaan met dichterlijke taal schenkt zelfvertrouwen en een zekere rust. Ik schrijf gedichten vanaf najaar 1964. Uit de meest vreemde teksten uit onverwachte bronnen (krant, journaal, websites, gesprekken) kan een gedicht ontstaan. Dat proces op zich verrast de dichter vaak net zoveel als de lezer, en blijft hem of haar fascineren. Maar hij of zij weet uit ervaring dat er in ieder geval een gedicht zál komen – goed of slecht blijft afwachten, maar het zaad is in de grond en aan het ontspruiten. Ook speelsheid met taal mag niet verloren gaan met het ouder worden. De verwondering van de onervaren jeugd moet telkens worden teruggevonden. Soms word ik getroffen door een resonantie tussen woorden, korte zinnen of uitdrukkingen, een woordspeling, rijmwoord, songtekst, mop. | Hans F. Marijnissen

KIEZEL Ik lag op mijn altaar, bad om het zwaard. Slaap vond mijn beeld. Daar naderden woorden de waarheid als messen de huid en spleet ik open tot spreken.

HANS

In de illusie van de kiezel geen deel van de aarde te zijn rolde ik weg in de branding, richting maan. Ik kwam nooit aan. | Hans F. Marijnissen


De vruchtbare grond voor dit gedicht waren natuurlijk filosofische, boeddhistische en mystieke teksten over de grootste illusie: hoe onze hersens uit alles wat onze zintuigen waarnemen een beeld van de wereld en van onszelf scheppen. Echt kennen doen wij alleen dat beeld, niet de wereld zelf. Daaruit volgt de illusie van het individu: elk mens is uniek, maar alle schapen in een kudde lijken identiek – mensen lijken meer op elkaar, genetisch, cultureel, dan dat ze van elkaar afwijken. De aanleiding was een wandeling naar het kleine winkelcentrum in de wijk waar ik woon in het noorden van Eindhoven. Een van de buren had een nieuw grindpad, en een kiezel was uit het verse grind op de stoep gerold. Ik schopte het steentje terug het pad op, en zag dat de individuele steen spoorloos verdween tussen duizenden andere, unieke en tegelijk identieke en niet te onderscheiden andere. Toen ik weer thuiskwam had ik de regel over ‘in de illusie van de kiezel...’. De woordvisser had wat gevangen. Het ambacht bestond uit het me herinneren en terugvinden van die eerste 2 nog ongebruikte strofes en die aanpassen en toevoegen. Het steen van de kiezel resoneerde met het graniet van het standbeeld. Het afsluitende beeld van de maan volgde uit de overweging dat de zwaartekracht een kiezel niet alleen naar de aarde trekt, maar ook een beetje naar de maan, gespiegeld in het wateroppervlak van de zee. En daarna nog veel schrappen, indikken en afwerken... Waarom niet Een timmerman maakt dakkapellen en tuinhekken, én af en toe een vogelhuisje – omdat hij het kan, het maakplezier ervan afstraalt en het wordt geaccepteerd, gewaardeerd en gekocht. Waarom vangt een kat muizen? | Hans F. Marijnissen

22 HULDE AAN EEN VINKENOOG Jij zat op jouw plank alleen voor je uit te staren u allen aan te staren met ogen als geen ander vandaar jouw naam De rook om je hoofd leek verdwenen vanbinnen kringelde er nog wat rond van die sferen bleef jij eten Veel vrouwen vielen aan je voeten weinigen waren geroepen met enkel oog voor jouw oog Jij zat op mijn autostoel alleen naar een dier te staren op het dashboard “Heb jij kinderen, Marc?” “Nou en of maar minder dan jij doch dit heeft er niets mee te maken” “Dan is dit een geluksbrenger” was je nagel op de kop. Je kreeg toen Edith als geschenk. Zo doende en dit gebeurd zijnde, zo en niet anders, zo indringend zal jij me bijblijven en dat je bevriend was met Roger en Constance en een verjaardagsfeestje gebouwd kreeg in Ruigoord en zonder ophouden verzen voortbracht waarin je hart doorklopte op het einde had je maar een been om op te dansen, en bleef je dansen | Marc Tiefenthal


TREIN DE TREIN VAN HET LEVEN RIJDT OVER HET SPOOR WAARHEEN IS OM HET EVEN HIJ RIJD MAAR DOOR EN DOOR LOCOMOTIEF EN WAGON DENDEREN OVER WISSELS HEEN STOPPEN OP TIJD AAN EEN PERRON PUFT ALS WAS HIJ SLECHT TER BEEN WAS HIJ HIER AL EERDER? DEJAVU? HET KOMT ZO BEKEND VOOR HAKKE PUF PUF EN NU? RIJD DE TREIN VOORT OVER HET ONBEKENDE SPOOR | Greetje Beumer

23 PIJN ADEMT stemgeluid sterft weg en de stilte bloedt wanhopig probeer ik je beeld aan te raken tranen besprenkelen gebroken dromen pijn ademt in de wrede waarheid bevroren emoties snikken om warmte vurig verlangen schuurt langs mijn huid kon ik maar even je harteklop voelen je woorden van liefde lezen in je ogen ik wil graag de lijnen van je gezicht strelen elke uiting van jou getuigt van zuiverheid en ik wil je zo graag in mijn nabijheid omdat jouw omhelzing de hemel vertaald | Bianca & Gerhard

HEVIG VUUR ik volg je lippen als je spreekt de mooie lijnen vertellen mij zoveel je tong parelt tegen je tanden groene ogen stralen zwoel van verleiding emotionele rillingen veroveren het lijf er is een storm in herkenning eenvoudig volg ik je zielsafdrukken en verdrink in je serene intensiteit bekijk je beeltenis die stamt uit dromen ik hou me vast aan golven in mijn hart zwijgend geniet ik van iedere beweging en ervaar de stroming van hevig vuur | Bianca & Gerhard

GREETJE


EEN OUDE LIEFDE ROEST

HET VERSCHIL MAKEN

De tijd dat ik naar je verlangde is verdwenen uit mijn leven je bent woest en lelijk geworden al zit de nostalgie gekerfd in mijn hart.

Je leest de krant en ik zie je zitten onder de lampenkap, binnen, in je woonkamer. Wat is dat, een woonkamer?

Waarom heb je zoveel laten verbouwen? je verliest hiermee je unieke identiteit en het bladdert langzaam je ziel af kapot gemaakt door mensenhanden. De regie over je bestaan ben je kwijt overgenomen door de heren geleerden die de totale macht in handen hebben want jij moet knokken tegen de commercie. Enkele jaren geleden zocht ik je op benieuwd hoe het met je zou zijn maar ik kreeg hartzeer van je aanzicht voorgoed sluit ik mijn ogen voor je. Dan zwerf ik liever in mijn gedachten over de fijne jaren die ik met je had Spanje is een fantastisch mooi land maar Lloret de Mar is mijn stad niet meer. | Camiel Aarts

Ik loop voorbij, de kinderen zijn naar bed en je man kijkt televisie. Het is zover. Je hebt alle boeken gelezen. Je draagt je bril, want er komt toch geen visite. Wat is dat, visite? Ik zie je tellen. Je telt de doden. Je moet er over praten maar weet woorden noch verlangen. Je moet nog ontkalken, de zolder ruimen, de tegels soppen, compassie tonen. Wat is dat, compassie?

HANS | CAMIEL In de weekeinden zijn er bars, komt en gaat familie, of is er televisie thuis. Spiegels, alleen spiegels. Ik hoor je stem niet. Ik moet het verschil maken, maar heb zelf haast om binnen te komen. | Hans F. Marijnissen

24


25

BERT


MEER VAN TROOST

IN WIJSHEID BELEVEN

eenzaamheid is een woord dat traant alleen ik en mijn spiegelbeeld achtergelaten sporen vliegen in brand verzen geven glashard hun signalen

Hoe zalig de wind ook mag waaien Ik vlieg al een eeuwigheid mee…

er bestaat geen stafkaart voor emoties gestroomlijnde plattegronden zijn verborgen elke mens kent stromingen en stuwdammen de herkenningmelodie is een poort die opengaat handen vinden elkaar aan het meer van troost waar geborgenheid als sieraad glanst daar overleven we de ijsnachten van de wereld gewikkeld in warme dekens van veiligheid

26

Keer niet om, kan niet draaien Ik vlieg al oneindig lang mee…. Die vrijheid, ze kan mij niet paaien In verbondenheid vlieg met mij mee….. Zo zullen wij bochten verdraaien En zweven in pees en in vree…. | Chantal.de.Breyne

HET GRAS GROEIT

| Bianca & Gerhard

Al jaren konden we niet samen We waren eenzaam De storm was enorm Onze levens kregen vorm Wat is onze nieuwe norm? Na jaren een wonder, zonder donder We staan oog in oog We hebben gepraat zonder haat We hebben elkaar vast gehouden Zullen we proberen dit te onthouden? We kunnen niks anders dan het laten rusten De vraag is kunnen we er in berusten? | Vicky Herps

De toestand van het gazon dwingt de dichter tot actie. Hardop draagt hij voor uit eigen werk. Het gras groeit door. Zwijgen maakt geen verschil. Met de rug naar het venster schrijft hij verder. Dat helpt. | Hans F. Marijnissen

IANCA | VICKEY | HANS


ZONDER TITEL

Jaren geleden huurde Vriend een ruimte in een oude textielfabriek. In het gebouw veel vertrekken, allemaal verhuurd aan kunstenaars. Daar zeulde L al zijn spullen naartoe. Kant en klare doeken, tekenpapier, rollen papier en linnen, ezels groot en klein, kwasten dik en dun, kleurpotloden, stoelen, tafels, een vloerkleed, cd’s en een stereo installatie. Er werd ingericht. Het atelier was geboren. Een plek om te schilderen waar ook ik gebruik van mocht maken. Op die plek is mijn liefde voor het doek en de kwast tot uiting gekomen en gegroeid. Het spelen met kleuren, het schilderen van huisjes en vlakken. In die oude fabriek heb ik mijn eerste schilderijen gemaakt.

27

De naam Rothko valt. Mijn drang naar kennis en alles willen weten over zijn werk laat me niet meer los. Zoek informatie op internet, krijg en koop een boek over zijn leven en werk. Mijn bewondering voor hem groeit. En dan de aankondiging. Een tentoonstelling van Mark Rothko in het Gemeentemuseum in Den Haag. Daar wil ik naartoe. Na veertig jaar zijn werk weer in Nederland. En het is overweldigend, een ander woord heb ik er niet voor. Hoe langer ik kijk hoe meer ‘leven’ op het doek ik zie. Steeds meer kleuren die in elkaar overlopen. Met weinig middelen heeft Mark Rothko prachtige schilderijen gemaakt. De doeken ‘in het echt’ zien is een belevenis. Tijdens dit uitstapje is Man een goede gezel, hij is ook liefhebber.


De liefde voor het schilderen is er bij mij nog steeds. Het is iets wat ik ‘moet’ doen, net als lezen en schrijven. Kunst in het algemeen boeit mij sowieso. Ik geniet van vormen, het materiaal en de kleuren. Denk na over gedachten en gevoelens die iemand bij het maken van de kunst gehad kan hebben. En waardoor raakt iemand geïnspireerd? Ik ben het in elk geval wel na zo een tentoonstelling, dan wil ik alleen nog maar schilderen. | Ellie Smitz

28

DE MOORDENAAR VAN ONZE LIEFDE Op het perron van mijn verstand staat een eenzame ziel te draaien aan de wijzers van de tijd. Hij beseft dat de trein gaat komen. Hij is haar voor altijd kwijt. Waarom stromen de tranen nu niet over mijn gezicht, terwijl ik je zo gigantisch mis? Ik wil je nog zoveel zeggen, mijn liefste, maar ik kan het gewoonweg niet. Mijn keel zit vol met droge tranen van verdriet. Dan komt het onvermijdelijke tot stilstand. Ik stap in en denk alleen maar aan ons afscheid. Je deed alles om mij te behoeden voor de grootste fout in mijn leven. Maar lieverd, heb je even? Waarom stromen de tranen nu niet over mijn gezicht, terwijl ik je zo gigantisch mis? Ik wil je nog zoveel zeggen, mijn liefste, maar ik kan het gewoonweg niet. Mijn keel zit vol met droge tranen van verdriet. De moordenaar van onze liefde grijnst terwijl de trein weer begint te rijden. Vreemdgaan is erger dan het lijden. Waarom stromen de tranen nu niet over mijn gezicht, terwijl ik je zo gigantisch mis? Ik wil je nog zoveel zeggen, mijn liefste, maar ik kan het gewoonweg niet. Mijn keel zit vol met droge tranen van verdriet. | Peter van der Stoep (de auteur op bestelling)


ODINS RIMPEL (Odin was de Germaanse hoofdgod, in ‘Nederland’ ook wel “Wodan” genoemd. Er werd wel meer gebruik gemaakt van verschillende namen zoals “Thor” die in onze gebieden de naam “Donar” droeg) “Jij hoort dit toch te weten”, Thor, god van de donder, slaat met zijn hamer op tafel zodat de vonken eraf spatten. De andere goden kijken geschrokken op. Is er een nieuwe ruzie op komst? Zal het stormen in Midgarth zodat de mensen dekking moeten zoeken in hun schamele bouwsels? Frigga….Odins vrouw kijkt bezorgd maar zij durft zich niet te laten horen. Als Thor met zijn hamer in het rond zwaait, dreigen wervelwind en bliksem. Dan is het maar beter het zwijgen ertoe te doen. Vol verwachting kijkt zij naar haar man want hij laat dit niet over zich heen gaan, zo weet zij. “Je naam betekent “weten”, brult Thor er nog achteraan. “Maar je weet helemaal niks en wij moeten ons maar laten verdringen, in een hoek laten douwen door die gestoorde gasten uit het zuiden!” Odin maakt zijn lippen nat met zijn tong en slikt. Onrustig schuifelt hij met zijn voeten over de vloer. In stilte weet hij dat Thor gelijk heeft maar hij kan dit niet over zijn kant laten gaan. Hij kijkt de dondergod onderzoekend aan al geeft die hem niet veel tijd. “Waarom zeg je niks?” roept de oproer kraaiende god opnieuw. Hij is nog steeds woedend en weer wil hij met zijn hamer door de kamer slingeren maar deze keer pakt Odin de steel beet. “Nog één keer”, grauwt hij met een krakend stemgeluid dat Freya’s hart ineen doet krimpen, “en ik ontneem u de hamer voorgoed.” Somber kijkt hij zijn buurman aan. Zijn hele gezicht straalt die somberheid uit maar de woede die in hem het kookpunt nadert, is maar vaag te zien. Voor Thor zegt dat genoeg. Zijn opperste baas is kwaad….”Ga Fenris voeren en verlies uw opstandigheid”, beveelt Odin nu. De anderen huiveren ervan.

29

Fenris is de wolf van de eindtijd. Wie hem voert, heeft deel in het kwaad dat de wereld zal overkomen. Thor krijgt hiermee een gruwelijke straf opgelegd want hij zal zich voorgoed schuldig voelen voor elk naderend onheil.

Morrend en onwillig staat Thor op. Hij ziet niet de goedkeurende blikken van Odin die zwijgend zijn beste vriend nakijkt en wacht totdat deze de kamer heeft verlaten. Dan schudt hij zijn hoofd. “Het wordt moeilijk”, zegt hij traag. “Mijn oom Jaweh uit dat wonderlijke Beloofde Land in de warmte heeft zijn zoon naar Midgarth gestuurd en de geesten in verwarring gebracht. Deze zoon verkondigt overal dat zijn vader de enige god is in de hemel, ja , ja….”Het huis mijns vaders heeft vele kamers”, heeft hij geroepen maar hij heeft zeker vergeten hoeveel kamers wij bewonen. De mensen zijn in verwarring, overdonderd, ze lijken ook betoverd en roepen de hele dag in zijn naam “halleluja”. Ze volgen hem, lopen achter hem aan, ook al rijdt hij op een ezeltje en niet op een wit strijdros! Ook de familie van de Olympus en het Capitool verliezen hun aanhang. Er is een vloedgolf aan christenen, zoals zijn volgelingen zich noemen. Het lijkt erop dat deze Midgarth gaat overspoelen. Het is zwaar, erger dan wat Fenris ons zou kunnen aandoen.” De anderen staren nu zwijgend voor zich uit maar het duurt niet lang of de knapste, jonge god, Baldr, staat op. Met zijn brede atletische lichaam torent hij boven alle anderen uit en zijn stem neemt een honingzoete ondertoon aan. “Maar wij kunnen toch met Jaweh gaan praten en met zijn zoon? Zij zullen begrijpen dat we moeten samenwerken, samen staan we sterk. Al die verdeeldheid….” Freya knikt. “Als ik nu eens een mooi gedicht schreef op die twee…. .” Odin glimlacht, vooral bij de woorden van de godin. “Je bent een schat”, zegt hij terwijl hij met één oog op zijn vrouw let. Je hebt altijd schitterende gedachten en


maakt prachtige gedichten maar zoiets gaat ons dit keer niet helpen. Die zoon van Jaweh is zelf een groot kunstenaar. En nee Baldr…met Jaweh kan je niet praten, je hebt hem nooit ontmoet. Het is een onmogelijk wezen. Zelden zag ik zo’n zelf ingenomen brok ergernis en steeds weer als ik hem een hand gaf, moest ik mezelf tot beheersing dwingen. ” Baldr’s mondhoeken verslappen en zakken naar beneden. “Maar laat mij het dan tenminste één keer proberen!” Odin haalt zijn schouders op maar hij ziet hoe de jonge god Lofn opstaat. “Eén keer zou toch geen kwaad kunnen?” vraagt hij. “Ik ga met Baldr mee, ik heb ervaring in onderhandelen.” De oppergod zucht diep en glimlacht nu haast wanhopig. “Je hebt veel ervaring met seks en liefde maar dit…dit gaat over moord en doodslag”, zegt hij. Deze keer valt zijn vrouw, Frigga, hem in de rede. “Ik denk dat je de jongens een keer moet laten gaan. Baat het niet, het schaadt ook niet”, vindt zij. Daar kan de oude god die de familie al zolang bestuurt niet tegenop. Het zou ook onzin zijn om tegen zijn vrouw in het geweer te komen. Ze zou dezelfde avond nog weigeren de open haard aan te maken. “Goed, goed”, besluit hij. We doen het….” Hij zucht diep en kijkt ongelukkig om zich heen. Frigga kent die blik in de ogen van haar man. “Je gelooft er niet in”, glimlacht ze. “Geloof me nou maar, die jongens kunnen dat best goed….” Odin knikt en bijna onhoorbaar mompelt hij: “Het zal wel.” Frigga weet uit ervaring dat het nu maar het beste is om haar man met rust te laten. “Kom”, klinkt haar stem schel door de ruimte. “Laten we een andere kamer gaan opzoeken en luisteren naar de zoete tonen van Sjöfn. Hij is de god die de mensen van Midgarth leert lief te hebben, door de prachtige tonen die hij uitzendt. Odin heeft maar heel even het gevoel dat hij op moet staan maar al heel gauw voelt hij dat er niets is dat hem lokt. Muziek! Er is wel wat

30

anders aan de hand. Hij ziet hoe de laatste godheid, Rindr, de deur uitgaat. Even kijkt de jonge onbeduidende jongen om en Odin knipoogt hem toe. Hij maakt een gebaar waaruit blijkt dat hij de deur achter zich dicht mag doen. Rindr knikt berustend en laat de deur bonkend dichtvallen. Het geluid klinkt hol door de zaal waar de oppergod alleen achterblijft. Deze staat peinzend op. Zijn voeten leiden hem helemaal de ruimte door, in cirkels zonder doel maar plotseling blijft hij staan bij een speelbord, een bord waarop het spel “Sahacha” is uitgestald. Dit spel heeft hij ooit gekregen van zijn Griekse neef Zeus en hij speelt het vooral met Loki, de sluwe, vaak boosaardige grappenmaker…plotseling blijven Odins gedachten stilstaan. Loki! Hij moet Loki spreken! Met grote stappen beent hij nu op de net gesloten deur af maar dan bedenkt hij zich….misschien moet hij toch eerst Baldr z’n gang laten gaan. Hij wrijft zich nadenkend over zijn kin en woelt daarbij door zijn wilde, woeste baard waar hij zo trots op is, alsof hij er zijn wijsheid in terugvindt. Hij fronst zijn wenkbrauwen, draait zich op zijn hakken om en loopt met grote stappen terug. Opnieuw blijft hij naast het spel staan. Hij ziet hoe de stukken staan…de laatste zet was van Loki en ja….het was een sluwe zet! Opnieuw grijnst hij. Hij, de grote heerser, probeert nu binnen te dringen in de gedachtenwereld van Loki, de pestkop maar…hij geeft het op. Er komen teveel verschrikkelijke, monsters, gruwelijkheden vlammenspuwende wezens en moordende woorden voorbij. Odin voelt hij hij misselijk wordt en hoofdpijn krijgt van de misbaksels in Loki’s hoofd. Zijn hoofd is niet geschikt voor het gif dat in Loki’s hoofd een broeinest heeft gevonden. Uitgeput zakt hij onderuit op de diepe, luie stoel bij het speeltafeltje. Opnieuw kijkt hij naar de stand van de stukken. Zij ogen dwalen heen en weer, blijven afwisselend bij elk speelstuk even stilstaan en dan…dan weet hij het zeker.


Zijn ogen vallen haast tevreden dicht. De zending van Baldr en zijn vriend zal niets uithalen…. Het is pas laat in de nieuwe ochtend als het onmiskenbare geluid van de naderende Baldr opklinkt. Het duurt niet lang of de deur zwaait open. Daar staan Baldr en Lofn met verwarde haren, geschramde armen en benen, besmeurde gezichten, de woede lijkt zelfs uit zijn ogen te springen en zijn vriend staat met hangende schouders verslagen naast hem. “Die….die….” Baldr kan van kwaadheid de woorden maar moeilijk zijn mond uit krijgen en dat is voor hem heel ongewoon. Meestal is hij zo welbespraakt. “Die Jaweh is echt verschrikkelijk! Hij wilde niet eens met me praten maar stuurde één van zijn aartsengelen op me af. Michaël heet-ie geloof ik. Hij droeg een groot glanzend zwaard alsof hij ons beiden in één zwieperd zou afmaken. Wat een gruwel! Die kerel kon alleen maar zeggen dat zijn baas gelijk had en daarmee was de kous af. Hij had ook nog iets over de god van de wraak ofzo…die zou ons komen halen als we niet snel weg waren. ” Odin grijnst. Hij vult zijn beker met mede opnieuw en stapt op zijn zoon af. Met één hand raakt hij een schouder van Baldr aan. “Ik wist het, nu weet JIJ het ook! Ga je wassen en roep Loki voor me, als je wilt.” Verwonderd staart Baldr de oppergod, zijn vader, aan maar deze trekt een gezicht waaruit zekerheid spreekt. “Doe het nu maar.” Baldr vertrekt nu met grote stappen terwijl Lofn met vermoeide bewegingen zijn vriend volgt. Stil wordt het, heel stil….het blijft ook heel lang stil en bijna begint Odin te denken dat Baldr aan zijn verzoek niet heeft voldaan en dan… Met vliegende vaart schiet de deur open, Odin deinst opzij, hij voelt nog net hoe de luchtstroom langs zijn gezicht trekt. Voor hem staat Loki met een brede glimlach op zijn gezicht, zijn hele lichaam glanst en trilt van genoegen alsof hij nog deze dag de zon in

31

brand zal zetten. “U heeft mij laten roepen? Dat komt niet vaak voor!” Odin trekt zijn vriendelijkste gezicht en wijst op het spel. “Behalve voor een potje Sahacha”, zegt hij. “Dat ik altijd win”, lacht Loki nu en Odin knikt. “Dat is waar maar misschien versla ik je ooit.” Hij geeft zijn bezoeker niet de kans om een scherpe opmerking te maken. “Ik moet je denkhoofd even lenen”, zegt Odin en opnieuw komen de verschrikkelijke beelden die hem al eerder zo misselijk hebben gemaakt opdoemen. “Ga even zitten en luister…. .” Geduldig en nauwkeurig legt de oppergod nu uit wat er aan de hand is. “En nu dacht ik dat jij de aangewezen persoon was om iets te bedenken zodat we die lui uit het Beloofde Land een beetje kunnen tegenhouden.” Zelden is de grijns van Loki zo breed geweest. Ineens heeft iedereen hem nodig, de hele godenwereld heeft hem nodig! Altijd is hij verguisd als boosaardig maar nu….nu moet hij het rijk van zijn familie redden! Hij knikt tevreden en voelt zich van binnen heel vrolijk, opgewonden en trots….hij wordt erkend! Zijn vaardigheden…alles….opnieuw knikt hij, deze keer opgewekter. “Luister”, zijn stem klinkt alsof hij nu de macht in handen heeft. “Ik heb een plan.” Odin kijkt hem even ongelovig aan. “Nu al?” vraagt hij langzaam en meteen knikt Loki opnieuw. “Nu al! Ik ben dat gewend hè!” Hij buigt zich voorover zodat zijn gezicht iets dichter bij dat van Odin komt. “We gooien alles in de war”, lacht hij. Om te beginnen gaan we het bericht verspreiden dat de aarde rond is en niet plat….moet je ze eens zien!” Hij glundert maar Odins gezicht betrekt. “Wil je ze echt ALLES gaan vertellen?” vraagt hij aarzelend. Loki hikt van het lachen. “Nee, natuurlijk niet. Dit is maar een begin. Ze gaan er herrie over maken! Let maar op, die christenen gaan er moeilijk over doen, ruzie maken, doodsbedreigingen uiten, het wordt echt leuk! Het wordt nog grappiger als we erbij vertellen dat de aarde om de zon draait


en niet andersom!” “Ja maar…ja maar….”. sputtert Odin tegen maar nu legt Loki een hand op zijn arm. “Wees niet bang….de rest van zijn plannen fluistert hij bij de oppergod in het oor zodat ze nergens te horen zijn en Odin begint breed te grijnzen. “Je bent genial!” roept hij uiteindelijk uit. “Maar euh….laat je het wel aan mij over om de plannen te ontvouwen voor de anderen?” Loki knikt. “Natuurlijk, van jou accepteren ze het, als ze het van mij horen, denken ze dat het onzin is!” Die middag zitten alle zevenendertig familieleden van Odin aan tafel, zenuwachtig maar ook opgewekt. Er is voldoende bier en mede en…er zou een plan zijn om de problemen de baas te worden… Odin heeft een heerlijk gebraden eland aan laten rukken. Het wordt smullen en genieten vanmiddag! “Beste vrienden”, Odins krachtige stem weet onmiddellijk de aandacht te vangen. “Er is belangrijk nieuws, misschien een beetje uit onverwachte hoek en misschien ook niet. Ik vond het logisch om deze weg te bewandelen en zodra je de plannen hoort, zul je begrijpen waarom. Loki is deze keer onze redder in de nood.” Even kijkt hij scherp de zaal in en hij ziet hoe sommigen aan tafel overeind willen springen om te protesteren. Loki als held? Hij weet dat het voor de meesten aantafel moeilijk te verteren zal zijn. ‘Gelukkig is het elandvlees mals’ fluistert er iets in zijn hoofd en een lichte glimlach kan hij niet onderdrukken. “Ik zou graag willen dat jullie me tijdens mijn verhaal niet in de rede vallen”, deze keer kijkt hij met een veelbetekenende blik naar Thor die bijna gedwee zijn ogen neerslaat. Kalm en rustig vertelt hij van Loki’s plannen, over de platheid van de aarde en de draaiing van de aarde rond de zon. “Maar daarbij blijft het niet”, zegt hij en zijn stem begint wat hoger van toon te worden, opgewondener te klinken. “Wij gaan allemaal dag na dag aan het

32

werk om die onzin van Jaweh en zijn zoon te ondergraven. Wij sturen stukjes en beetjes naar de mensen toe, ieder van ons uit zijn eigen werkterrein. Zo zullen de mensen gaan denken dat zij in staat zijn alles te doorgronden zonder de hand van de goden. Langzaam gaan zullen zij ook gaan denken dat het hele gedoe van Jaweh onzin is, een kletspraatje!” Hij kijkt de kring rond maar niemand durft nog te reageren. “Natuurlijk vertellen wij hen nooit hoe de dingen echt in elkaar zitten. We delen uitsluitend kleine, onsamenhangende stukjes kennis uit. Zo leiden we hen op een dwaalspoor maar bij elke ontdekking zullen zij denken dat ze een stap verder zijn. Let maar op, ze gaan het “vooruitgang” noemen. Langzaamaan zal hun geloof in Jaweh en zijn zoon wegzakken en zal de overtuiging postvatten dat ze alles zelf kunnen ontdekken….totdat blijkt dat het toch niet zo goed lukt. We maken het allemaal steeds ingewikkelder zodat ze uiteindelijk ook aan hun “vooruitgang” gaan twijfelen. Op een goede dag zullen we het geheim van de fotonen aan hen voorleggen, die zullen aan geen enkele van hun “natuurwetten” voldoen en dan….dan slaat de wanhoop toe. Dan zullen de mensen zich afvragen waar ze nog houvast kunnen vinden. We zullen andere godsdiensten over hen uitstrooien en de verwarring zal nog verder toenemen totdat ze tot bezinning komen, naar zichzelf terugkeren en weer op ons vertrouwen en op de enige zekere weg: de onze! Wij zijn immers de kinderen van hun denken, voelen en willen? Het kost tijd maar het succes is onontkoombaar!” Het blijft stil in de zaal. Odin en Loki kijken nu allebei trots in het rond. De anderen zouden toch diep onder de indruk moeten zijn maar niemand zegt iets. “Nou, nou?” roept Odin eindelijk. “Wat vinden jullie ervan?” Sommigen kuchen zachtjes maar niemand verheft zich om het woord te voeren totdat Freya opstaat. “We dachten dat er nog


meer zou komen en we mochten niks zeggen,” zegt zij met haar lieflijke , warme stem…. “ik denk dat we moeten nadenken.” Langzaam loopt de zaal weer leeg en de eland en de drank blijven onaangeroerd achter. Odin en Loki kijken elkaar teleurgesteld aan. Hoe zal dit verder gaan? Zij hoorden niets maar zagen alles. De goden deden zwijgend wat Odin van hen had gevraagd. Het zinde hen niet dat het plan van Loki afkomstig was en daarom lieten zij nooit een goedkeurend woord horen, nog niet tot op de dag van vandaag maar toch deden ze wat er van hen was gevraagd. Odin en Loki glimlachten in stilte, speelden nog vaker Sahacha dan in vervlogen tijden en zij zagen dat het goed was. De mens was bezig zichzelf te hervinden, de leuzen de leuzen te laten en de eigen ziel op te laten leven. En zie: Fenris keerde zich af, werd mager en moe…. Odins wereld zou eeuwig voortbestaan. Utopia was werkelijkheid geworden.

| Kaj Elhorst

33 NA DE VOORDRACHT Woorden schuifelen over een nacht ijs. Ik belemmer het uitzicht zonder opzet en onrust bindt het publiek op afspraak. Ik ben in de ogen die regels strelen en overbruggen. Ik ben in de adem die voorleest. Ik wentel in verwarring tussen toehoorders en spiegel twijfel en onbegrip. Ik breng teweeg, stop en start na elk woord de klok, een hart. Het volgende woord wacht, kan niet worden ontkend, tegengesproken, verzwegen. Verlies het gesproken woord. Een gevallen blad schuilt tussen bladeren. Ik zocht jas en das en daar hingen ze, tussen haakjes.

| Hans F. Marijnissen

| Afbeelding: Bert Waber


34 HET HUIS VAN MIJN VADER, 1876


35


36

| Rob van Uden


37

FEBRUARI Geen winter dit jaar. Een vriendelijke zon schijnt op de reizigers. De lucht is helder, slechts op enkele plaatsen een vage grijze sluier. Een man kalmeert een hond. Tienermeisjes kletsen. Er waait een krant over het spoor en op een bankje zit een oude vrouw te lezen. De trein arriveert en de oude vrouw stapt in. Ze gaat zitten en slaat haar boek open. Twee haltes verder stapt ze uit. Zo zal ik het doen. Een pot op het vuur, kokend water. In mijn verbeelding neemt hij zelf plaats, maar ik sluit wat lichte dwang niet uit. Ik kijk toe en zie hoe zijn huid opzwelt en vervormt. Razendsnel vormen de blaasjes zich. Ze bestaan echter niet lang, omdat de huid wil smelten door de hitte.

LEA

Een waar spektakel rond zijn buik. Borrelend buikvet vormt een onstuimige brei. Genoeg voor nu, ik zou de lezer niet te misselijk willen maken.

De oude vrouw loopt naar een café. Een dikke man loopt naar haar toe. “Dag mam, ik heb alvast thee voor je besteld.” | Lea Theunissen


INTERVIEW: LUCKIE SAMSON DELACROIX In Eindhoven komt het talent in alle soorten en maten. Po-e-zine sprak schrijver en filosoof Luckie S. Delacroix (34) die over zichzelf zegt dat hij met zijn bijna twee meter en bijna honderdtwintig kilo nu al één van de grootste schrijvers ter wereld is. We spraken hem over zijn leven en zijn werk aan de vooravond van zijn langverwachte debuut dat later dit jaar zal verschijnen. Hé Luck vertel eens wat over jezelf zodat de mensen weten wie en wat je bent. Nou ik ben Luckie Samson Delacroix. Ik ben geboren in Velleron, een plaatsje vlakbij Avignon met een Franse vader en een Nederlandse moeder. Toen ik vier was of zoiets zijn we naar Eindhoven verhuisd omdat onspa bij de DAF kon gaan werken. Zoiets? Ja. Dat is wat we willen weten. Goed zo. Wat heeft jou gevormd behalve die sport, want in jouw toko zijn daar nog de bewijzen van zichtbaar. Ik was geen makkelijk kind en heb drie middelbare scholen gehad in vijf jaar en er op wonderbaarlijke wijze een diploma aan over gehouden. Op de basisschool schreef ik samen met twee vriendjes stripverhalen waarin wij superhelden waren die de wereld redden. Daar gingen we in de pauzes echt gigantisch in op. Het was een fantastische tijd. Zesgehuchten was een leuke bubbel om in op te groeien. Hadden die stripverhalen ook al jouw stem die je nu kenmerkt in taal. Het eerste boek waar ik warme gevoelens voor koesterde was Beekman en Beekman. Nee, ik was op die leeftijd nog zoekende. ik ben eigenlijk nog altijd zoekende.

38

Maar een overduidelijke invloed is volgens mij wel Bukowski, of zit ik er dan naast. Bukowski is zeker een invloed waar je niet omheen kunt maar ik ben via Cremer bij Bukowski gekomen. Eigenlijk is Cremer dan een grotere invloed. Maar ook zeker Verhulst, Hermans en Celine. Trouwens je hebt in mijn ogen twee soorten schrijvers. Eentje die maar matig kan vertellen maar wel een verhaal heeft (de 'ware' verhalen van deze wereld) en je hebt schrijvers die geen zak te vertellen hebben maar wel mooi kunnen schrijven. Ik hoor in die tweede categorie. Ik heb geen zak te vertellen, heb geen trauma’s waar ik mee worstel, geen ziektes te overwinnen en nooit een oorlog meegemaakt. Daarmee doe je jezelf te niet. Ik ben een beetje bekend met je en weet dat je een slim persoon met geniale vondsten bent. Dank je wel.

Jouw Bukowskiverhaal, De dood van Giacomo Marters, en ook dat verhaal over Augustijn maakt indruk maar schrijf je meer dan alleen proza. Je hebt je columns namelijk en ook je filosofie Ja filosofie is erg richtingbepalend. In alles. Dat begon met de boeken van Sartre en Camus waar mijn vader bang voor was. Ik durfde wel met Nietzsche mee te gaan. Filosofie is de kunst van het denken, van het twijfelen en is het slechts weggelegd voor de dapperste der denkers Dat kan ik beamen maar in jouw werk zit ook vaak filosofie op een zijlijn, is dat om die reden. Filosofie mag nooit het doel zijn. Het moet altijd een instrument zijn. Klopt. Echter in je materiaal ligt vaak wel een symboliek die gekoppeld is aan scheidslijnen tussen dilemma's. Is dat om die reden? Misschien komt dat omdat een filosoof geen antwoorden heeft maar mensen kan


39

helpen met hun zoektocht. Ik zeg vaak gekscherend dat ik in sommige teksten mensen help op manieren die ze niet begrijpen met problemen waarvan ze niet wisten dat ze die hadden. Socrates zag zichzelf als vroedvrouw. In de zin dat hij mensen hielp met het baren van hun eigen waarheden.

dat mijn protagonisten vaak zoekende zijn.

Welke eigen probleem ben je tegen gekomen in je teksten? Welke waarheid heb je mogen baren voor jezelf? Hahaha. Ik schrijf niet omdat het enige therapeutische waarde heeft. Ik merk wel op dat deze periode het begrip Liefde centraal staat in mijn werk. Maar ik ben mezelf niet aan het helpen met het baren van een waarheid of een reeks waarheden ik weet niet eens of er wel een waarheid is. Ik weet alleen dat ik niks weet en geniet van de zoektocht omdat ik van het zoeken het doel heb gemaakt.

Welk lot zou je jezelf toedelen? Ik heb altijd geroepen dat ik de Shakespeare van het nieuwe millennium ben Alles aanvallen en er mee weg komen omdat ze de vinger er niet op kunnen leggen? Ik wil gewoon kunnen zeggen wat ik denk en wat ik vind. Dat is het enige waar ik voor zou willen vechten. Voor de rest geloof ik nergens genoeg in om voor te vechten.

"On the road" dus eigenlijk. Met betrekking tot de liefde als thema. Is de oorzaak hiervan misschien de nieuwe liefde in je leven of is dat kort door de bocht. Dat is te kort door de bocht. Het thema was er al voor haar. Het is een dankbaar onderwerp en staat ook centraal in Johnny Cash danst nooit, mijn debuutroman. De onnavolgbare manier waarop liefde -hoe fucked up ook- een bestaan nieuw elan kan geven. Ik merk, nu ik er over nadenk,

Nihilistisch of fatalistisch is dan de vraag. Nihilistisch denk ik. Ik geloof niet dat het 'nut' heeft of een 'doel' moet hebben maar het lot is in zeker zin onvermijdelijk, kortom, ik weet het niet

In de basis ben jij wel een strijder die zich in het voor het vrije woord. Ja,in die zin wel maar altijd met een scherpe pen en nooit met een zwaard. Nieuwsgierig geworden en kunt u nu niet wachten om Luckie live te zien? Hij treedt regelmatig op door heel het land en dus ook in Eindhoven. Je kunt hem volgen via luckiedelacroix.nl, Facebook, Twitter en gewoon door achter hem aan te lopen. Voor meer informatie over longkanker, adviseert hij u om vooral gewoon te blijven roken.


40

WEN Uit drie gezichten samengesteld blij, ernstig en droevig gestemd Of je weer helemaal beter was driemaal op het gezicht gekust Hoe dat voelt, een wens geuit wanneer ik je weer zag en je zei als in een droom: neem een trein een gele bus stopt bij mijn deur Alleen de plaats noemde je niet ook niet het nummer van de bus ging op pad en verdwaalde hopeloos klopte op een willekeurig raam Het was de hoogste tijd om terug te gaan naar de plek, waar jij mij al glimlachend verliet met de geur van Amsterdamse grachten | Stanislaus Jaworski

LIEVERD, IK HAAT JE! Mag ik je wat vragen? Weet jij nog wat je zei? Durf jij toe te geven, dat je wat voelt voor mij? Ik zal je wat vertellen. Ik heb er lang over gedebatteerd. Mijn liefde voor jou is er, maar enigszins geflatteerd. Want wat ben jij nu? Een mens? Een megalomane infantiel? Denk je nu dat ik van je kan houden? Ik ben toch niet debiel? Ik zie toch hoe je bent, mijn ogen zijn toch geopend? Ik verdwijn uit je leven straks, niet rennend maar kopend Maar nu recapitulerend, ik vind je lelijk, onaardig en een proleet. Maar liefde is blind. Dus wat ik zie doet er niet toe. Ik hou van je!! Ik snap alleen bij God niet hoe‌. | Peter van der Stoep (de auteur op bestelling)

PETER | STANISLAUS


ZELFPORTRET Mijn voormoeder heeft vast een Deen ontmoet die ’s winters op Zuid-Holland kwam gevaren, want ik heb blauwe ogen, blonde haren, een bleke huid, bloos snel en ben besproet. Mijn haar vangt licht als luchten maar niet klaren en uit de vrieskou zuigt mijn vel nog gloed, maar zuiderzonneschijn doet mij geen goed: ik zweet, zwel, stik, schroei, schilfer en krijg blaren. Ik leef me in het kleinste leven in, voel mij geborgen als de dorpsweg duistert, bemind bij van een glimlach het begin. Maar liefdeslicht en grapjes die je fluistert snijden mij diep. Ik meet de wond en zin op diepe messen. Steek terwijl je luistert. | Lennard van Rij

DIAGNOSE COWDEN

41

Jaren zijn er vreemde dingen Artsen moeten zich bedwingen Zelf wil je misschien je gevoel verdringen Je gezondheid heeft op diverse fronten problemen Kunnen artsen alles waarnemen? Wie kan de angst, die er bij hoort wegnemen? Dan een drama: wie ziet het grote geheel? Een arts met gevoel van fluweel Helaas die zie je niet veel Dan is er een diagnose Het is een eindeloze Je wereld gaat op zijn kop Je gevoel in het slop Zie het maar te bevatten Je moet het niet onderschatten Geef het tijd, er begint een strijd Snap je wat ik bedoel? Diagnose syndroom van Cowden: zorgt voor een hoop gevoel | Vicky Herps


42

DE GAARDENIER Lach maar, ik geniet van je lach die dorst lest, regen op wortels. Medicijn noch therapie herstellen. Zij schenken gewenning en groei. Ik val opvallend opwaarts. Lach maar, huil maar, ik verbrand je bladeren, weck je fruit, en vertel er over. Notities over morgen, in een storm.

TOEN IK EEN BOOM WAS Toen ik een boom was en onbedoeld, en alles vast stond, stond vast waar ik zou sterven. Wat mij voedde en mij ontbrak brak mij. Nu ontwijk ik oevers en ander drijfhout zonder richting, maar in volgorde. | Hans F. Marijnissen

Oud als ik ben plant ik bomen waarvan ik de vruchten nooit zal oogsten. | Hans F. Marijnissen

HANS


43

ROSARIUM met wie maar mans genoeg voor de nacht voor als de schaduw over het huis en de tuin in lichtelaaie wil ik jou door de witte poort mij in mijn zwarte jurk elkaar toewuivend met een rode zon trawanten in deze rozenstad aan de vecht ver van de geroosterde aarde de asblaadjes in de dichtgeschroeide straten daar zongen de canadese beren soldatenliederen hier een roos voor in het knoopsgat daar voor in je haar je zei dat je terug zou komen dat je alleen maar iets hoefde weg te brengen voordat schoten de vreugde inhaalden onder het tapijt slaapt de tuin zacht wij in haar groene handen toch een beetje in diskrediet jou aan het einde van ieder seizoen achtergelaten in het bed je zei dat we de knop moesten bewaren voor als de mensen er later naar zouden vragen dat was voordat de kelken leegstroomden en de fanfare naar een dodelijke loop opkeek verderop wordt chocola uitgedeeld iedereen wil een canadees geen naamloze onder de sneeuw van mei begraven

MARRAKECH EXPRESS Tegenover me in de trein zit een meisje. Ze heeft een strakke imitatie-leren broek aan. Ik raak mild opgewonden. Ze is jong. Mijn dochter zal er ook ooit zo jong zijn. En ze ziet er breekbaar uit. Haar lippen zijn als de mijne. Haar ogen zijn bruin. Berbers. Onschuldig, maar ook hard. Ingetogen en eigenwijs. Ik herken mijn haar weer. Haar volle lippen glimmen. Van de balsem en argan olie. En haar lach is technisch perfect. Ik zie de bloedlijn. Van de Moren door Spanje trekken. Vanuit de Rif. Naar de kust. De boot op. Over bij wat toen in die taal geen Gibraltar heette. Ze kauwt en sabbelt op iets. Haar mond beweegt en ze praat. Maar het doet er niet toe. Het bloed stroomt de PyreneeĂŤn over. En mengt via zaad. Ze zuigt aan een yoghurttoetje met zaden en knijpt in het zakje. Nu stroomt het door ons huis. En lacht me elke ochtend toe. En toch zo lang geleden is de toekomst. Van mijn meisje, nog lang niet. | Von Solo

| Selma Simunic

SELMA | VON


44

TSE Dromen, niet weten of je wakker bent bezig te vergeten oplossing gevonden Tevreden in slaap geteld je afgevraagd of heel heel misschien kussens dromen van harde hoofden | Stanislaus Jaworski

IK DROOM HAAR IN HET LICHT III De schaduw op de muur vervaagt het ochtendlicht verhaalt een nacht van onbeslapen dromen Ik wil alleen het licht dat in haar straalt als fluistering van woorden geen zachte huid, geen vasthouden

BOOSHEID Ik ga vaak heen zonder te groeten en ook nog zonder een enkele zoen. Wie het noodlot niet zal ontmoeten kan het morgen ook nog eens doen. Ik ga dikwijls weg zonder te praten dan doet het hoofd niet zo’n pijn. Wat je in de morgen hebt verlaten kan er in de avond best ook nog zijn | Stanislaus Jaworski

Het is het licht dat haar een engel maakt dus leg ik mij dankbaar ter ruste slaap ik wederom vannacht omringd door al haar licht | David Matser

DAVID | STA


DE SCHIPPER De schipper grijs. Hij was gerimpeld maar vlug in de plas De schipper bouwde zijn eigen boot Zijn lichaam bruinde de wangen rood Vrouwen stonden in rijen aan wal. Wie hij ieders harten stal. Vrouwenvormen allerlei. Hij nam hij ging, zij tolereerde. Zijn vrouw werd oud maar accepteerde haar eigen man. Zij adoreerde met longontsteking haar verkeerde schipper die zal overvaren. | Outlook gebruikster

45 OUTLOOK GE


RECENSIE: NANNA DILLEN Recensie van auteur Michelle Andon Een goede poĂŤziebundel lezen, voelt voor mij als een hoop geurtjes achter elkaar ruiken in een parfumerie. Na een aantal flesjes wil je naar het bakje met koffiebonen grijpen, om je geest vrij te maken van de vorige indrukken en verder te kunnen met de volgende. DĂ­t mocht ik vandaag ervaren met het boek van Nanna Dillen, 'In jouw armen' : een wereld vol heerlijke gedichten. Recensie van Camiel Aarts Terwijl ik dit schrijf werken de gedichten nog na in mijn geheugen. Ieder gedicht die in deze bundel staat

46

spat van de pagina af. Je voelt de passie die Nanna Dillen ervaart bij het schrijven. 'In Jouw Armen' is een intens gevoelige bundel. Met thema's als liefde, onzekerheid, verlangens en de dood. Misschien mis ik er nog wat. Maar ieder gedicht raakte mijn hart. Je gaat denken over het leven, haar leven en de betekenis daarvan. Want als lezer weet je dat Nanna ontzettend dicht bij de waarheid zit. En dat maakt deze bundel puur en subliem! Nanna bedankt voor het delen van deze prachtige en persoonlijke gedichten. Ik weet dat je trots bent en dat moet je ook zijn op deze bundel! Ook bedankt voor de lieve woorden die je voor me schreef tijdens het signeren.


47

| Bert Waber


BIOGRAFIE: VINKENOOG Simon Vinkenoog (Amsterdam, 18 juli 1928 – aldaar, 12 juli 2009) was een Nederlands schrijver, dichter en voordrachtskunstenaar. Levensloop Jonge jaren Vinkenoog werd op 18 juli 1928 om 9:10 uur geboren als enig kind van Hendrik Albert Vinkenoog en Anna Katharina van Meel. Na de scheiding van zijn ouders in 1934 groeide hij op bij zijn moeder in de Amsterdamse wijk De Pijp[ In 1944 behaalde hij zijn Mulo-diploma en trad hij in dienst van uitgeverij Qurido. Hij verwekte een kind, trouwde en trok in bij zijn schoonmoeder. Binnen een half jaar liep de relatie stuk en verhuisde Vinkenoog terug naar het huis van zijn moeder. In 1948 ging hij met zijn aanstaande tweede vrouw, de acht jaar oudere Judith, naar Parijs waar hij ging werken voor Unesco, als medewerker op de afdeling boeken en publicaties. Vijftigers Op 21-jarige leeftijd begon hij het Nederlandselieteraie Blurb. De titel verklaarde hij als volgt: "Wij geloven niet meer in het vinden van scabreuze woorden in nog niet bestaande woordenboeken en wij hebben dus gekozen: blurb. Waarvan één betekenis gebrabbel is". Over zijn uitgangspunten schreef hij: "Onze mogelijkheden zijn nog ongelimiteerd, al moeten wij ons verdedigen tegen uiterst links en uiterst rechts en nochtans het gevaarlijke midden mijden". In de periode 1950-'51 verschenen van dit blad acht nummers, gestencild en in kleine oplage. Tot nr. 4 gaf Vinkenoog het tijdschrift vanuit Parijs als eenmanspublicatie uit. Daarna werkten andere experimentele schrijvers mee, zoals Armando, Hugo Claus, Jan Halo en Lucebert. Op 1 juni 1951 verscheen het achtste en laatste nummer met de woorden: "Laten we het mooi houden, er vooral geen lieteratuur van maken". Samen met Braak luidde Blurb het tijdperk van de 50'ers in. In 1951 publiceerde Vinkenoog de roemruchte

48 Bloemlezing Atonaal, die geldt als het eerste publieke manifest van de Vijftigers, die zich atonale dichters noemden. In 1950 debuteerde hij als dichter met Wondkoorts. Latere leven Vinkenoog bij de uitgave van Vinkenoog Verzameld in Hotel de Goudfazant op 12 oktober 2008. In de loop der jaren ontwikkelde hij zich steeds meer als een performer die in talloze optredens een grote bijdrage leverde aan de belangstelling voor de poëzie. Door de intensiteit en het enthousiasme waarmee hij sprak over onderwerpen als Seks, Drugs en Rock and Roll, werd hij een verpersoonlijking van een generatie, wat hij tot het eind toe gebleven is. Op 28 februari 1966 organiseerde Vinkenoog "Poëzie in Carré", een manifestatie waaraan een groot aantal Nederlandse dichters deelnam en waar aan hem verwante geesten o.a. Jules Deelder Vinkenoog deed veel ervaring op met trip middelen, nadat hij in 1959 onder medisch toezicht voor onderzoek enige malen acid had ingenomen. Oprichter Ted Klautz van het tijdschrift Bres vroeg hem in 1968 om een artikel over lsd. Tot 2004 volgde een lange reeks bijdragen in de rubriek Wereld in beweging. In 1969 schreef Simon Vinkenoog samen met Boudewijn de groot de tekst voor de single Captain Decker en de B-kant Steps into space van De Groots Engelstalige groep The


Tower. Dit nummer werd in gewijzigde vorm, met de stem van Vinkenoog die de (Engelstalige) tekst voordraagt, in 1994 heruitgebracht door de Nederlandse band Shine. Begin 2006 had hij samen met de eenmansband Spinvis een nieuw project, waarbij Vinkenoog gedichten voorlas. Hiervan is een cd verschenen, genaamd Ja! (waarop wederom een versie van Captain Decker uit 1969 is uitgebracht, nu onder de titel Flying Dutchman). In juli 2008 verscheen de opvolger, Ritmebox. Overlijden Vanwege een hersenbloeding raakte in hij in coma. Vrijwel direct was duidelijk dat de situatie uitzichtloos was. Door een grote hoeveelheid bloed in de hersenen waren alle functies, behalve hartslag en ademhaling, uitgevallen. Vinkenoog overleed op 12 juli 2009 om 1:40 uur in het VU medisch centrum Amsterdam. Hij werd op 18 juli (wat zijn zijn 81e verjaardag had zou zijn) begraven op de Begraafplaats plaat st. Barbara in A'dam west. Op deze locatie is hij vijf maal "dichter van dienst" geweest bij de uitvaart van eenzame overledenen. Vooraf werd zijn kist rondgedragen over het volkstuinenpark Buitenzorg in AmsterdamNoord. Na de uitvaart werd in het kunstenaars dorp Ruigoord een vreugdevuur ontstoken. Vinkenoog had eerder de wens uitgesproken hier verbrand te worden om zo van de wereld te verdwijnen. Persoonlijk Vinkenoog trad zesmaal in het Huweelijk, achtereenvolgens met Jenny Levèvere (1946), Judith Cohen (1948), Ilse Monsanto (ca. 1958), Reineke van der Linden (1964), Barbara Mohr (jaren 70/80) en Edith Ringnalda (1989). Met Ringnalda was Vinkenoog samen tot zijn overlijden in 2009. Hij had vier kinderen: zoon Robert (1947, moeder Jenny Levèvere) zoon Alexander (1961, moeder Ilse Monsanto) dochter Anna-Sunya (1973, moeder Barbara Mohr) zoon Arthur (1978, moeder Barbara Mohr)

49

Bibliografie 1950 - Wondkoorts, gedichten 1950 - Driehoogballade (met Corneille) 1951 - Atonaal. Bloemlezing uit de gedichten van Hans Andreus, Remco Campert, Hugo Claus, Jan G. Elburg, Jan Hanlo, Gerrit Kouwenaar, Hans Lodeizen, Lucebert, Paul Rodenko, Koos Schuur en Simon Vinkenoog. Met illustraties van Karel Appel en Corneille 1952 - Land zonder nacht. Gedichten 1953 - Heren Zeventien. Proeve van waarneming 1954 - Zo lang te water, een alibi (roman) 1955 - Lessen uit de nieuwe school van taboes en andere gedichten 1956 - Tweespraak. Gedichten (met Hans Andreus) 1957 - Wij helden. Verhaal 1957 - Onder eigen dak: gedichten 1957 - Enkele reis Nederland 1957 - Eerste persoon meervoud. Autobiografisch 1962 - Hoogseizoen (roman) 1962 - Spiegelschrift, gebruikslyriek: gedichten 1964 - Gesproken woord 1965 - Liefde: zeventig dagen op ooghoogte (roman) 1966 - Eerste gedichten (1949-1965) 1968 - Weergaloos: ontdekkingen naar de waarheid 1971 - Aan het daglicht (autobiografie) 1971 - Het hek van de dam 1972 - Wonder boven wonder: gedichten 1965-1971 1974 - Handtekens (tekeningen Frank Lodeizen) 1976 - Mij best, gedichten 1971-1975 1978 - De andere wereld, proza 1978 - Het huiswerk van de dichter, gedichten 1979 - Bestaan en begaan (1972-1978) 1980 - Jack Kerouac in Amsterdam 1980 - Moeder Gras 1981 - Poolshoogte/Approximations 1982 - Voeten in de aarde en bergen verzetten 1985 - Maandagavondgedichten 1983-1985 1986 - Stadsnatuur, dagboeknotities 1986 - Coito ergo Sum: samenspraak der eenwording 1986 - O boze droom 1987 - Leven en dood van Marcel Polak, biografie


1987 - Heren zeventien, proeve van waarneming 1988 - Op het eerste gehoor, gedichten 1993 - Louter genieten, gedichten 1996 - Het hoogste woord: De stem van Simon Vinkenoog 1998 - Vreugdevuur, gedichten 1998 - Herem'n tijd, kroniekschrijving van 30 jaar 'Wereld in beweging' 1999 - De ware Adam (gedichten uit de jaren negentig) 2000 - De ware Adam (gedichten rond de eeuwwisseling) 2001 - Me and my peepee (vertalingen van gedichten van Allen Ginsberg) 2004 - Goede raad is vuur ('poëtische handreiking') 2006 - Zonneklaar, gedichten 2008 - Am*dam Madmaster 2008 - Laat nooit deze brief aan iemand lezen (Briefwisseling met Hugo Claus 19511956) 2008 - Vinkenoog Verzameld, gedichten 19482008 (samenstelling en aantekeningen Joep Bremmers) 2009 - Hartslag. Verkenningen van een experimenteel 1949-1960 (samenstelling en nawoord Laurens Vancrevel) 2010 - Aardse Zekerheden (15 liefdesgedichten voor Edith), bibl. uitgave Jozef Moetwillig (nawoord Joep Bremmers, litho Bert De Keyser) 2012 - Howl, Kaddisj en andere gedichten (gedichten van Allen Ginsberg vertaald door Simon Vinkenoog en Joep Bremmers) Discografie 1960 - Stem uit de groef 2006 - Ja! (met Spinvis) 2008 - Ritmebox (met Spinvis) Varia Jules Deelder noemt "Simon V. te A." regelmatig in anekdotes. Zo waren Vinkenoog en Deelder in Berlijn, toen Deelder de finale Nederland - Argentinië van het wereldkampioenschap voetbal 1978 bekeek, "daarbij gehinderd door een irritante, zogenaamd deskundige Nederlandse filmregisseur", die de wedstrijd van commentaar voorzag. Op een belangrijk spelmoment kwam Vinkenoog, zwaar onder

invloed van hallucinerende drugs, "fladderend" de kamer binnen, trok de stekker van het televisietoestel uit het stopcontact en droeg voor:

50

"Adem even in, adem even uit. Adam Eva in, Adam Eva uit." Dit tot woede van de filmregisseur, die Vinkenoog "naar de strot vloog". In Ik,Jan Cremer II wordt Simon Vinkenoog aangeduid als "de ongebakken deegsliert". Bij de stichting Eenzame Uitvaart was Vinkenoog sinds 2002 een van de "dichters van dienst". Hij droeg op verzoek van de gemeente een gedicht voor bij een uitvaart van overledenen, "waar anders niemand en niemand anders hun uitvaart zou bezoeken". In 2004 werd hij gekozen tot "Dichter des Vaderlands ad interim", maar dit werd door de initiatiefnemers niet erkend. Bij de 2de kamerverkiezingen was Vinkenoog lijstduwer voor de partij Groen Vrij, die legalisatie van WEED propageerde. Dit leidde niet tot een kamerzetel, maar leverde hem wel de bijnaam "wietambassadeur" op. Vinkenoog Verzameld is een noodzakelijk boek voor iedereen die zich wil verdiepen in de twintigste-eeuwse Nederlandse poëzie. En daarnaast een belangrijk cultureel monument: geen internationale stroming of Simon Vinkenoog (1928) is erbij betrokken, en alle grote namen uit de wereldgeschiedenis trekken in zijn werk voorbij! Recensie(s) Met deze uitgave bezorgde Joep Bremmers een leeseditie voor een groot publiek. Ze bevat Vinkenoogs gedichten van 1948-2008 die een historische waarde vertegenwoordigen: de dichter is van meet af aan een gedreven pleitbezorger geweest voor zowat het hele literaire leven in Nederland en daarbuiten. Van de Vijftigers via een tijdelijk dichterschap des Vaderlands tot het aanjagen van poezie als podiumkunst in de 21e eeuw. We zien de jonge, existentialistische Simon worstelen met wanhoop en haat jegens de maatschappij, streetwise maar beseffend dat het doodlopende straten zijn. En hoe hij later,


soms geholpen door geestverruimende middelen, bevangen wordt door liefde voor en mededogen met de medemens. Uitvoerige info over zijn leven en dichterschap sluit deze bundel af. De breedsprakige Vinkenoog bezorgt de poezielezer niet altijd het ultieme genieten, maar blijft interessant als begeleider van vele culturele stromingen in onze tijd. Els van Geene Tot aan het einde van zijn leven heeft dichter en performer Simon Vinkenoog (1928-2009) een enorme bevlogenheid en ijver aan de dag gelegd. De bloemlezing Ja! bundelt de hoogtepunten uit de rijke nalatenschap van deze internationaal en nationaal gewaardeerde woordkunstenaar: gedichten die Vinkenoog schreef als jonge Vijftiger, als profeet van de jaren zestig, zijn jubelende verzen uit de jaren zeventig en zijn rijpe, altijd actuele poëzie uit latere jaren. Daarnaast bevat Ja! de laatste negentien gedichten die hij schreef en die nog niet eerder in druk zijn verschenen. Recensie(s) Na de lijvige uitgave 'Verzamelde Gedichten 1948-2008' presenteert Joep Bremmers hier een handzame keuze uit Vinkenoogs beste werk, uitgebreid met zijn laatste negentien gedichten. De bundel is bijzonder omdat vooral de mens Simon erin wordt belicht: een mens die zijn hele leven bezig was met wat filosofen "de transgressie van het ik" noemen: hoe kan ik vrij, ongeconditioneerd leven? Zeker is hier een moralist aan het woord, maar dan eentje zonder dogma of predikantenretoriek. Hem drijft een allesoverheersende liefde voor het leven. Dat betekent: voortdurend genieten, oog hebben voor kleine dingen en, op taalgebied, cliches uit hun verband rukken en daarmee iets toevoegen. Zijn gevoel voor ritme werd gevoed door de Amerikaanse Beatgeneration. Het fenomeen "performing poet" is door Vinkenoog (1928-2009) hier geintroduceerd. (NBD|Biblion recensie, Els van Geene)

LEERGIERIG Ineens zong een vreemd en hoekig woord over de tegels van het schoolplein. Neuken; twee lettergrepen als bakstenen die tegen elkaar gewreven worden. ‘Gerard neukt Gerda, geintje’, zei een klasgenoot. We lieten al woorden copuleren voor we wisten wat alliteratie was. Ik vroeg me moeder wat het woord betekende, maar ze wist niet wat het was: neuken. Tegenwoordig zou internet uitkomst bieden. Een klasgenootje kende een boekje met schimmige, korrelige foto’s van allitererende lijven met vlekken op plekken waar hét zou gebeuren. We moesten dus zelf onderzoeken hoe de onderdelen van het menselijke lichaam in elkaar pasten. Gelukkig waren we zeer leergierig. | Gerhard te Winkel

51


PROFIELSCHETS: DICHTER JE est un autre - Arthur Rimbaud Ik ben dichter experimenteel dichter gelegenheidsdichter laatnaarjekijkendichter je mag gezien worden, dichter stadse kijkmijnoudichter fratsendichter margedichter worshopdichter mystiekdichteretceteradichter Dichter van het eerste en het laatste woord dichter van de afscheidsgroet dichter van de levende adem uitje voor scholieren gesprekspartner voor verslaafden en gedetineerden

Buitennissig buitensporig buitenzinnig dichter Altijd onderweg dichter overwegdichter omwegdichter tunneldichter viaductdichter stoplichtdichter te fiets te voet in bed bijrijddichter Nou is het wel genoeg, dichter nu ben je luisterdichter inkijkdichter voorbijganger dichter zwijgdichter Kijk, dichter mensen om je heen, dichter MindMirrorPaintboxdichter supergeleiderdichter krachtmetingsbegeleidingsdichter

parkdichter festivaldichter gebrokendromendichter paradedichter straathoekdichter droomdansdichter jazzdichter

Niets is weg dichter niets gaat verloren dichter levenslang meekijkdichter benaderdichter verwijderdichter kleurrijk dichter regenboogdichter zelfgezegddichter gelukkig dichter!

dag dichter nacht dichter vrijetijdsdichter arbeidstrijddichter ladenlichter & schielijke oplichter standwerkdichter feestdisdichter

uit: 'De ware Adam', 2000.

In het spoor van Adam dichter naamgeefdichter aangeefdichter aanmaakdichter toegewijd dichter gedreven, vervoerd, geleid, eigengereid en bevlogen dichter

52

| Simon Vinkenoog

SIMON


53 HET ZWARTE GAT

| Bart Daems


HET MEISJE DAT VAN LEZEN HIELD Bibliotheek Er was eens een meisje dat alles wilde weten. Haar vader kwam antwoorden tekort en gaf haar een geheimzinnige kaart waarmee ze leesboeken kon lenen in de bibliotheek, een groot gebouw vol met boeken. Dat gebouw stond bij ons in Tiel en ik had het nooit geweten. Mijn hart bonsde van opwinding dat het bestond en dat ik een kaart kreeg waarmee ik erin kon en zomaar boeken kon halen, terwijl ze mij niet kenden. De eerste keer ging mijn moeder mee. De weg erheen voerde langs de Waal, de stadspoort door, links, rechts en we stonden voor een machtig gebouw met hoge ramen en een buitentrap met stenen treden die voerden naar een zware deur. De deur ging open toen we op de klink duwden. We kwamen in een brede gang waarin onze voetstappen weerklonken, nog een deur en daar was het! Aan alle wanden boeken van vloer tot plafond. Ik wist niet waar ik moest beginnen, welk boek van al die boeken zou ik meenemen? ‘Hoe oud ben jij?’ Ik schrok van de stem. Achter een lange tafel vol stapels en bakjes zat een mevrouw met een grote bril. ‘Ik ben niet oud.’ Mijn moeder zei dat ik acht was en de dame wees een wand met drie kasten. In de middelste kast stonden boeken voor de jeugd en de middelste planken waren voor mijn leeftijd. Ik mocht zes boeken mee naar huis nemen. Mijn hart knalde bijna uit mijn borst van geluk. Thuis holde ik de trap op naar mijn domein, mijn slaapkamer. Ik plofte met al mijn boeken op bed, ging in mijn lievelingsleeshouding, op mijn buik, en begon te lezen. Eerst de avonturen van Pinkeltje, daarna die van een bosvarken, wat gewoon een kind was dat troep achterliet in het bos en de leukste tot het laatst bewaard: Sanneke Suikerzak, een meisje dat suikerzakjes spaarde en daardoor

54

allerlei problemen tegenkwam en overwon. Dat wou ik ook! Ik ging ook suikerzakjes sparen! Het eerste probleem had ik meteen beet: in heel Tiel kwamen geen suikerzakjes voor. De boeken had ik in drie dagen uit, ik ging terug naar de bibliotheek, ditmaal alleen op de fiets.

Ik legde het stapeltje boeken voor de dame van de bibliotheek op tafel. ‘Waren ze niet mooi?’ ‘Ik dacht dat ik ze allemaal terug moest geven, ik had niet begrepen dat ik mag houden wat ik mooi vind. Dan neem ik Sanneke Suikerzak weer mee naar huis.’

Het duurde niet lang of de leesdame had door dat het meisje tweemaal in de week zes boeken kwam lenen. Het leesmeisje had door dat boeken door schrijvers geschreven worden. Sanneke Suikerzak was geschreven door Julca, een rare naam, maar een mooi boek. Ze wilde meer boeken van Julca. De leesdame vertelde dat Julca geen andere boeken geschreven had. Ze las de teleurstelling van het gezicht van het meisje en keek geheimzinnig, zoals past bij dames die boeken hoeden. ‘Julca is een pseudoniem, een geheime naam.’ Het meisje was meteen een en al aandacht. Ter plekke schoot haar een geheime naam te binnen. Pasha. En op het geheime moment van het etmaal, het uur voor de slaap haar overviel, verzon Pasha verhalen die het meisje leerde dromen.


‘Julca heet in het echt Carel Beke, hij is een man, een onderwijzer en onder zijn eigen naam heeft hij Pim Pandoer geschreven, een serie spannende jongensboeken. Als je twaalf bent, of misschien elf in jouw geval, mag je die lezen.’ De dame en het meisje konden het goed vinden met elkaar, maar toen het meisje alle boeken voor haar leeftijd gelezen had, mocht ze niet door naar de kast met Pim Pandoer. Hoezeer het de dame ook speet. De kleine Waterman Het meisje dat van lezen hield kreeg geelzucht, mocht het huis niet uit en haar bed niet af. Ze zat inmiddels in de vierde klas, ofwel groep zes. Ze was negen. Geelzucht was zo besmettelijk dat ik hermetisch afgesloten werd van de wereld. Niemand mocht op bezoek komen. Mijn moeder en vader kregen uit voorzorg een injectie, wat boven op mijn kamertje te horen was, ze schreeuwden het allebei uit van de pijn, zo’n injectie was het. Mijn moeder was mijn contact met de wereld. Ik kwam op streng dieet, geen vet, maar dat zat overal in. Het enige dat overbleef was gelatinepudding, fruit en groente, zelfs soep en brood waren te vet. Ze sneed appels in schijfjes en vertelde verhalen. Elke vrijdag haalde ze een stoel van beneden waarop ik moest gaan zitten, dan gaf ze mijn bed schone lakens. Mijn lakens moesten apart gewassen worden in een ketel kokend water, een wasmachine hadden we toen nog niet. Ze gaf me uitgehaalde wol, een dikke naald en een klosje met vier spijkers erin en leerde me krukje breien. Ik punnikte kilometers saaie slierten. Ik keek naar de wolken, soms zo lang, dat het was of ik in de wolken zat. Ik wilde lezen, maar kinderen met geelzucht mochten geen boeken van de bibliotheek, dan zou iedereen besmet worden. Mijn moeder deed het stiekem toch. Ze zei dat ik beter was en haalde boeken van de bovenste plank en van de onderste. Ik had ze allemaal al gelezen. Ze had er een hele klus aan, want om de ziektekiemen te doden, legde ze alle boeken, gelezen en ongelezen in de zon voor ze ze terug bracht. De zon liet zich

weinig zien in die winter. Al gauw luchtte ze ze alleen nog.

55

Ze fietste het vuur uit haar sloffen om een boek te vinden waar ze haar zieke kind blij mee kon maken. En laat dat nou toch een keer lukken! Ik zag het vooraf aan de triomf op haar gezicht, nog voor ze haar heldendaad verteld had en het boek uit haar tas had gehaald. ‘Dit kun je nog niet gelezen hebben, de bibliotheek heeft het net binnen!’ Ze haalde het tevoorschijn met dat grootse gebaar van haar, als de koningin die haar kroon op het fluwelen kussen legt. Op de kaft zwom een vis met een jongetje op zijn rug, dat was de kleine waterman. Het was nieuw voor me, net als de schrijver, Ottfried Preussler, een naam die ik nog nooit had gezien of gehoord of gelezen. Mijn moeder liet me alleen met mijn boek. Opgewonden begon ik te lezen. Het begon precies zoals ik leuk vond. De kleine waterman werd geboren op de bodem van de molenvijver. Hij had zwemvliezen tussen zijn vingers en groen haar. Samen met zijn vader zwom hij de hele vijver rond. Hij zag visjes en slakken en planten en was zo’n kleine waterman waar de meeste mensen niet in geloven. Hij ging ook op avontuur met zijn vriend de karper en wat hij allemaal zag onder water! Ik popelde om naar de sloot te gaan en onder water te kijken! Ik was verliefd op de kleine waterman. Dit was het allermooiste boek dat ik ooit gelezen had.


56

Ik had het alleen zó uit. Daar was ik verdrietig van. Ik las het nog een tweede keer gelijk er achteraan, maar toen had ik het toch echt gelezen en was het echt uit. Mijn moeder was zo blij dat ze eindelijk een boek gevonden had dat ik niet kende, dat ze de volgende dag weer naar de bibliotheek ging voor een ander boek van Ottfried Preussler. Dat was er niet. Het zou nog een hele tijd duren voor Preussler het boek schreef waarmee hij definitief doorbrak en vele prijzen won: De Meester van de Zwarte Molen. Dit boek zou het voorleesboek worden in de klassen die ik handwerken zou geven. Ik moest het zonder doen. Daar verzon ik iets op.

Biggles Het meisje dat van lezen hield had zeven weken geelzucht. Kurkjes waren gebreid, wolken geteld, dromen gedroomd. Ze snakte naar boeken. De bibliotheekdame vond dat die ene mevrouw te vaak kinderboeken kwam halen en stelde een limiet. Van teleurstelling werd het meisje recalcitrant. Ze mocht haar kamer niet af, maar wie zou dat merken als niemand in huis was? Ze wachtte tot haar moeder boodschappen deed, ging uit bed en sloop op kousenvoeten de trap af op weg naar de boekenkast van haar vader. Na drie treden zakte ze door haar benen. Hoppend op haar achterste bereikte ze de boekenkast. De boeken stonken, dat had ze niet eerder gemerkt. Die op de onderste planken waren geschreven in alle talen, behalve Nederlands. Er waren zelfs Russische boeken bij, met eigenaardige lettertekens. Op haar knietjes ontdekte ze boeken van Simenon en Havank, kleine boeken met kleine letters over Maigret en de Schaduw, boeken vol moeilijke namen. Die zette ze snel terug. Er waren dikke boeken van Theun de Vries, ‘Het meisje met het rode haar’ en ‘Sla de wolven, herder!’ Dat viel haar tegen van haar vader, hij hield toch van de natuur!


57

Mijn vader vergat het besmettingsgevaar en kwam de slaapkamer in. Zo dicht had hij nog nooit bij mijn bed gestaan. Hij boog zijn hoofd, keek over de rand van zijn bril en dacht na. Nog voor er een antwoord kwam, begreep ik dat hij ook niks zag. Daarbij fronste hij zijn wenkbrauwen en zijn voorhoofd rimpelde in twee diepe golven. Hij zuchtte. ‘Oorlog is niet te begrijpen.’ ‘Maar, maar…’ Voor ik hem kon bestoken waarom er dan oorlog was en oorlogsboeken…. nam hij het woord.

‘Ik zal eens kijken of we op school boeken voor je hebben.’ Het duurde dagen voor hij kwam met een paar boeken, beduimelde pockets over Biggles die geen vrees kent. Hij zei er lachend bij dat ik nu wel even vooruit kon; de schrijver had nog veel meer boeken over Biggles geschreven en was er nog steeds mee bezig. Ik bleef hangen bij een boek over een vrouw uit China en nam die gauw mee naar boven, voor mama thuis kwam. De vrouw uit China rookte opium op een wankele stoel in een concentratiekamp, terwijl de kampbeul bij de barakken marcheerde. Ik las het drie keer achter elkaar. Woord voor woord. Ik zag geen beelden. De woorden bleven woorden. Daar begreep ik niets van. Het wachten was op mijn vader. Die dag kwam hij niet en de volgende dag ook niet. Hij mocht natuurlijk niet besmet worden. Ik was toch maar verder gegaan in het boek, maar het bleven woorden. Af en toe ving ik vaag een beeld op. Uitgehongerde mannen die buiten de hekken loopgraven groeven. Wat waren dat voor graven? Moesten de doden lopen in die loopgraven? Ik kauwde het woord uit, maar een beeld verscheen er niet. Eindelijk stak mijn vader zijn hoofd om de deur en kon ik mijn vragen op hem afvuren. Wat opium was, een concentratiekamp, een concentratiebeul en vooral, wat waren loopgraven?

Een schrijver die schreef! Dat was nog eens nieuws! Ik had er niet eerder bij stilgestaan dat schrijvers levende mensen waren. Schrijversnamen waren me weliswaar opgevallen vanaf het begin, maar dat was zoiets als Venz op de hagelslag en Bolletje op de beschuit. Je denkt toch niet dat Venz en Bolletje levende mensen zijn! Toen ik het boek van W.E. Johns open sloeg, trilden mijn vingers.


Biggles zat op kostschool en daarna werd hij gevechtspiloot, spion en detective van de afdeling Luchtpolitie van Scotland Yard. Ook werkte hij voor de RAF. Ik snapte er niets van, maar één ding was me duidelijk: Biggles leefde in een wereld ver van Tiel en dat kwam natuurlijk omdat W.E. Johns heel ver weg woonde op een kasteel op een hele hoge rots met een enorm raam waardoor hij alles zag en beschreef. Vol goede moed ging ik door met lezen. Als W.E. Johns het zag, moest ik het toch ook kunnen zien. Toen het Oostblok bestreden moest worden, stak mijn vader zijn hoofd om de deur. Ik vuurde mijn vragen op hem af. Dat was het moment dat de vader ontdekte dat de ideologie van W.E. Johns haaks stond op de zijne. Hetzelfde ogenblik begreep hij dat er iets heel anders nodig was voor zijn dochter die boeken verslond ongeacht de inhoud. Wie honger heeft, eet alles. Dat was de les die hij in de oorlog aan den lijve had ondervonden, een les die zijn eigen ideologie had gestaald. Zolang mensen honger hebben, leven zij naar de wetten van de jungle. De sterkste overleeft. Als de honger gestild is, ontwikkelt zich de ethiek. ‘Dat boek is geen goed boek,’ zei hij. ‘Dan heb je dat ook eens meegemaakt. Geef maar hier.’ Zo zat het meisje dat van lezen hield, ineens zonder boek… Zonder boek Het meisje dat van lezen hield had leeshonger en geen boek. Dokter Lubbers kwam op controle om te kijken hoe het met de geelzucht was. Hij zei dat het meisje plassen moest op een po die niet in huis was en een pan was te onhygiënisch met de dokter erbij en de afwasteil was te vies. Het meisje voelde de schrik van haar moeder, het ongeduld van de dokter. Ze leidde hem af met de vraag of zij de enige in Tiel was met geelzucht. De dokter had nog meer patiënten met geelzucht. ‘Dan ben ik dus ook een patiënt,’ zei ze. Dat gaf nieuw elan. De dokter klaarde op en de moeder kwam blij terug met iets in haar handen waar de dokter van op keek.

58

Wat het was, weet ik niet meer, misschien een ongebruikte, schone vaas, het grijze geval dat ze eens op een verjaardag gekregen had, maar bloemen kochten we niet, die waren best duur. Misschien was het een weckpot, mijn moeder weckte niet, maar ze kreeg wel eens een pot van een buurvrouw met glibberige boontjes erin. Wat het ook voor een plasopvangding was, de opening was zo smal dat ik als een hoepel moest zitten om te zien of ik goed mikte. Ik had me achter het bed geposteerd, maar de dokter zag genoeg om tegen mijn moeder te zeggen dat ‘ze’ lenig was.

Mijn moeder en de dokter en de kan met plas gingen de trap af en ik wachtte in spanning tot de buitendeur dicht sloeg. Het duurde raar lang voor ik haar voetstap op de trap hoorde. Ze kwam binnen met een koninklijk gebaar en in haar handen een bordje met een boterham erop, met stroop. Een mijlpaal na zes weken groente, fruit en gelatinepudding. Alleen al zoals mijn moeder het uitsprak! Nog mooier dan die keer dat ik haar vertelde dat Ot en Sien een heerlijke boter-ham met een glas klok-ken-de melk tot zich hadden genomen. Mijn moeder zei toen dat ze kon horen hoe heerlijk dat was en smeerde voor mij ook een boter-ham-metje en schonk een glas met klokken-de melk in. Ik was een slechte eter, maar dit ging erin. Deze boterham was zonder boter, de stroop zakte er dwars doorheen. Ik likte mijn vingers erbij af, kreeg acute buikpijn en mijn moeder zong haar Groningse toverlied, terwijl ze op een speciale manier over mijn buik wreef: Ai mienai mienokkelie ‘k heb zo’n pien in mien bokkelie ik wil dai en doe wilst mie drei moal in de rondte van je ain, twai, drie Ik werd wakker van een geur die mijn neus prikkelde, mijn keel, mijn buik, mijn alles, een heerlijke geur, een hartige geur, een geur die zin gaf. Mijn moeder zat op mijn bed met mijn eerste kopje soep, tomatensoep waarvan ze alle vetogen had gelepeld tot er geen enkel oogje nog in dreef. Met tranen van geluk at ik het.


Dit was het begin van de week dat ik aan moest sterken, de fijnste week van mijn leven. Elke dag bracht nieuwe tranen van geluk en verdriet en emoties die niet te benoemen zijn – niet van de boterham met stroop, niet van de magere soep, zelfs niet omdat ik mijn kamertje elke dag een kwartiertje langer uit mocht, het kwam door mijn vader … Alleen op de wereld De vader van het meisje dat van lezen hield, dacht na. Zijn dochter was 9 en had alle beschikbare boeken voor haar leeftijd gelezen. Ze was begonnen aan politieke romans uit zijn boekenkast, waar ze nog niet het begrippenkader en morele besef voor had. Hij herinnerde zich zijn eigen leeshonger. Wat was hij blij geweest toen zijn vader hem ‘Tarzan’ cadeau deed. Een tijdlang had hij genoeg aan dit ene boek, deze ene held. Het zou zelfs kunnen dat dit boek zijn eenzame tochten door de bossen had voorbereid, of was het omgekeerd, zwierf hij al door de bossen, toen zijn vader hem dit boek gaf? Zijn ouders gingen zaterdags vaak naar de bioscoop en waren dan laat thuis. Op zondag sliepen ze uit. Ergens op zijn zevende of achtste had hij zich zo verveeld in zijn eentje beneden in de keuken, dat hij in alle vroegte naar buiten was gegaan en het zandpad was afgelopen. Plotseling had hij geroffel gehoord. Het leek uit de grond te komen. Hij volgde het spoor van geluid en kwam op een open plek in het bos. Daar zat een kring konijntjes met hun achterpoten op de grond te roffelen, een fantastisch moment. Toen schoten ze alle kanten op. Later leerde hij dat dit roffelen hun waarschuwing was dat er gevaar naderde. Dieren hebben scherpe zintuigen en merken jou eerder op dan jij hen. In Tarzan vond hij zijn voorbeeld. Net als Tarzan bewoog hij door de bossen, lette op sporen, geuren, geluiden, windrichting, oefende zijn zintuigen en zijn geduld. De natuur werd zijn passie, hij vond er zijn visie. Zijn dochter was al weken ziek en lag daar maar alleen op haar kamertje omdat geelzucht te besmettelijk is. Geen wonder dat ze in zijn boekenkast had gezocht naar iets dat ze niet kon vinden. Wat ze nodig had, was een boek dat als voorbeeld kon dienen, een boek

59

met slagen van het lot, problemen die opgelost moeten worden en vooral de waarde van vriendschap, loyaliteit en trouw, een boek dat haar geloof in de mensheid zou sterken, een ontroerend boek moest het zijn, een vriend. Hij had een boek in gedachten, maar of het in Tiel te verkrijgen zou zijn? Hij ging naar boekhandel Arentsen.

Ik had mijn eerste kopje tomatensoep gegeten met tranen van geluk toen de buitendeur dichtsloeg. Papa was laat uit school vandaag. Mama haastte zich naar beneden met het nieuws van mijn naderende beterschap. Papa kwam de trap op gevlogen, een boek in zijn hand. ‘Hier, dit is voor jou.’ Het was de eerste keer dat ik een cadeau van mijn vader kreeg, het was niet ingepakt, aan die flauwekul deed hij niet. Het boek woog zwaar in mijn hand. Op de voorkant stond een jongen met een hoedje en een man, bepakt en bezakt, met een aangekleed aapje in zijn arm en er liepen twee witte honden mee over een bospad. Het was een foto. Dit was echt! Het boek had een titel die mijn hart deed bonzen ‘Alleen op de wereld’. Het was liefde op het eerste gezicht.

,,Weet je wat?” zei mijn vader, ,,na het eten kom je beneden, dan lees ik voor uit dit boek om te vieren dat we alle vier herenigd zijn.” Ik had er nooit aan gedacht dat het beneden ook anders was tijdens mijn geelzucht, dat papa en mama en Marco al die tijd met hun drietjes beneden waren geweest.


Die avond zaten we rond mijn vader, het boek op zijn schoot. Hij deed zijn bril af en begon: ‘Ik ben een vondeling. Maar tot mijn achtste jaar wist ik niet anders, of ik had een moeder, net als andere kinderen…’ De kamer veranderde in een Frans dorpje, waar Rémi opgroeit bij moeder Barbarin, terwijl vader Barbarin ver weg de kost verdient met steenhouwen. Als Barbarin zijn baan verliest, komt hij berooid terug en moet Rémi het huis uit. Vitalis, een rondreizend muzikant, die optreedt met het aapje JoliCœur en zijn drie honden: Capi, Dolce en Zerbino, ontfermt zich over hem. Dag en nacht was ik bij Rémi, Vitalis, JoliCoeur en de honden, ze zaten in mijn hart en ik keek de hele dag uit naar de avond, als papa ging voorlezen. Wat was ik verdrietig toen Dolce en Zerbino door de wolven werden verslonden en Joli Coeur longontsteking kreeg. Het werd almaar verdrietiger, Joli-Coeur ging dood en tot overmaat Vitalis ook. Als de nood het hoogst is, komt er telkens redding in de vorm van goede mensen die Rémi opnemen in hun gezin, waarop er nieuwe rampen gebeuren, mijnen die instorten en kassen die door grote hagelstenen kapot slaan. Alles keert zich telkens ten goede. Rémi krijgt een boezemvriend, Mattia en samen verdienen ze zoveel geld met optreden dat ze voor moeder Barbarin een koe kunnen kopen. Rémi vindt zijn adellijke moeder en zijn broer Arthur. Alles komt goed in het leven van Rémi, een leven dat wij met ons viertjes meeleefden, een onvergetelijke tijd van saamhorigheid. | Anne Vellinga

Als mijn ogen konden spreken Zou ik geen woorden moeten zoeken Om naar je liefde te moeten smeken ... | Wim Phenix

ANNE | ANT

60 KOORTS Steevast daagden we elkaar uit Jij, de late avond en ik. Moeiteloos werd je mijn minnaar met filter deluxe sigaretten gesprekken aan tafel die zich uitstrekten tot bank of bed. We schiepen nieuwe werelddelen met elkaar, oceanen kleurden we in vol gedachten blauwe wolkenloze verwachting. Een hemels visioen van zwarte stranden, kokospalmen heet zand dat schuurde tussen onze tenen. Het kwik steeg tot boven veertig. Jij, de late avond en ik: we vlogen over hooggebergten heen en over schiereilanden. Jij, die geen hoogtevrees kende noch grijze golven van heimwee. | Antoinette Sisto

KLIK Nieuwtje met de dood der dood leven dood geluid stil contrast wenkt de ogen een man lopend met een lamp door een tunnel zijn tunnel de lichte duisternis ... Klik | Kevin de Wilde


61

DE KNARSENDE SCHOMMEL Voel ik nu de werkelijkheid Of wordt mijn droom benauwder Sta ik in de waanInnig heid Waar is die vriend op wie ik bouwde De schommel piept knarstent Onder mijn gedicht vandaan Al mijn haar net geharsent Kinderen zien mij niet staan Ik ben het slachtoffer van mijn denken Uitschot leeft in mijn teloor gevoel Met niemand mag ik praten noch wenken Een kinderlokker zeggen er een heleboel... | Diederic Steenmeijer

DE GLAZENWASSER Vitrages waarom kijkt toch eenieder door dat ene eigen raam voorwaar als wazig uitzicht een glas in lood één immens groot glas ons erachter verscholen te saam waarvoor we ieder gelijk zijn zonder angst voor dood Lamellen een glazig dromen van ieders eigen geboren geluk verbonden in één gedachte van liefde voor jezelf voor die ander die nog dagelijks lijdt onder het juk uitgehuwelijkt en voor 't leven beroofd van haarzelf Luxaflex een puntigesteen dwars door de net gelapte ruit bejaarde Jood of wat dan ook voor bebaarde Islamiet angst van een jong gedwongen maagd'lijke bruid zij die zo immens haten doen de Engelen verdriet

Gordijnen alles dicht en de liefde wordt hartstochtelijk bedreven passie tussen twee geliefden klinkt als klassieke muziek een eenvoud van ogen die elkaar treffen in het geven samensmeltend in transpiratie van stilte zonder publiek

Rolluiken snerpend glas doet diep bloederig verwonden een octaaf hoger en de behekste achter in het portiek human trafficking naar onze uithoeken gezonden nooit meer terug door bezeten te zijn zo ziek Overgordijnen zij die blind kijken door juist niet te willen zien kunnen een bril opzetten en hoe dik ook de glazen het is als die fijn scherpe snaren die de viool doorzien een hartje met je vinger na tegen 'een vochtige ruit te blazen. |Diederic Steenmeijer

Neem me mee in je bed deze nacht Jij en ik dicht tegen elkaar Om te kussen en te beminnen Ons te warmen aan het genot Tussen het witte koele bedlinnen Neem me mee in je bed deze nacht Laat ons daarna zalig dromen Een droom zonder zorgen Om dan samen wakker te worden In de liefde van de morgen ... | Wim Phenix

DIEDERIC |


VLUCHT DER LIEFDE Hier staan ze, de maan schijnt hen bij, alcohol vloeit rijkelijk, in elkaars armen, verschrikkelijk blij, het was vanavond onvermijdelijk, vleugels ontplooien achter op de schouder, het plafond, verdwijnt ze stijgen op, een sterrenhemel verschijnt, fladderen naar de sterren, alle tijd verloren, zwevend door de lege ruimte, vliegen, steeds verder, geen woorden, slechts liefde, schouder aan schouder, dwars door de duisternis, van de nacht, landen op een halfvolle maan, kijk daar zien ze de aarde, aan de sterrenhemel staan, dronken, en dol op elkaar, zien ze de aarde verdwijnen, hun ogen sluiten, arm in arm, vliegen ze blind verder, zwaaien de maan vaarwel, op een zacht bed word het licht, vleugels zijn vergaan tot veren, een lach op elkaars gezicht, op de grond liggen hun kleren, het was geen droom, ze hebben de reis gemaakt, dansend op de maan, geen woord gesproken, tijd om samen te ontwaken, gisteravond was geen toeval, vannacht ook niet, samen verder, vliegen voor altijd, maar nu eerst wakker worden, dan ontbijt | Tim Albus

JOUW NAAM

62

Wanneer ik dood ga, weet ik niet, wanneer de laatste adem mijn vuur uitblaast. Wanneer ik het vertrek met een enkeltje bezegel, wanneer het laatste grassprietje is gegraasd. Al die dingen zijn een raadsel, al die vragen blijven staan, maar wat ik eeuwig zal bewaren, is de schoonheid van jouw naam. De schoonheid en de eenvoud, de smaak van jouw lippen en de geur. De passie en de hartstocht. Rood. Ooit jouw lievelingskleur. Al die dingen voel ik als de dag van gisteren, die er niet meer is. Lieverd, ik fluister jouw naam zacht, omdat ik je Godsgruwelijk mis. Wanneer ik dood ga, weet ik niet, wanneer de laatste adem mijn vuur uitblaast. Wanneer ik het vertrek met een enkeltje bezegel, wanneer het laatste grassprietje is gegraasd. Al die dingen zijn een raadsel, al die vragen blijven staan, maar wat ik eeuwig zal bewaren, is de schoonheid van jouw naam. | Peter van der Stoep (de auteur op bestelling)

Ik heb een magisch zolderraam Telkens ik er door kijk zie ik iets anders Soms in zwart, soms in kleur soms iets groot, soms iets klein Zie ik het wel echt of is het mijn verbeelding Want wat ik zie is soms te mooi om waar te zijn ... | Wim Phenix


PALLET Het pallet met gouden woorden Die mij altijd zullen zeggen Dat mijn hart niet kan vertalen In het altijd maar Uit te leggen Dat mijn liefde Met geen kleur te Bekennen is Mijn pallet met de ruwe kwast Die radeloos de woorden Van liefde in het hart Kerft en snijd door de ziel Is de liefde de overwinnaar Van een eeuwige dromer Die voor een mooie vrouw viel. | Leny Kruis

63

| Bert Waber

LENY | MARL

| Marleen Ooms


AANKONDIGING BUNDEL 'KLEM' Manja Oliedam, studente Vakopleiding Fotografie, Fotovakschool Amsterdam zocht een auteur om samen een bundel te maken voor haar afstudeerproject 'oppressed or protected?'. Het onderwerp sprak Marjon Zomer aan en een samenwerking was geboren. De foto's die Manja maakte, waarvoor ze in Istanboel de achtergronden schoot, ze in haar studio met modellen werkte, en vervolgens tot de uiteindelijke foto's bewerkte, stralen een licht surrealistische maar confronterende boodschap uit. De verhalen die Marjon schreef bij de afbeeldingen versterken die beelden. Gaandeweg ontstond de naam 'Klem': 'Klem is niet beweegbaar. Klem is stevig vastzitten, geen kant meer op kunnen. Het is een onlosmakelijke verbinding tussen twee. Het werk van Manja Oliedam en Marjon Zomer is beklemmend en spreekt tot de verbeelding. Doorzichtig, gekooid, aan lijntjes, maar immer knellend. Beelden grijpen een moment. Herinneringen blijven bewegen. Klem houdt je vast.' Angélique Kersten van uitgeverij aquaZZ heeft de vormgeving en het uitgeven van de bundel voor haar rekening genomen. Op 27 en 28 juni wordt het werk van Manja geëxposeerd in House of Arts and Crafts, Amsterdam. Dan zal ook de bundel het licht zien. Je kunt alvast intekenen om een exemplaar á € 10 te bemachtigen. info@manjafique.nl (voor bestellen bij Manja) marjonzomer@hotmail.com (voor bestellen bij Marjon)

MARJON

64


65

AMANDEL Kraak een woord zoals je een amandel kraakt die holle knisperende plof waarmee het omhulsel explodeert en luister daar aandachtig naar stop met kauwen. Stukken van een beschadigde bast – eerst nog glad en onweerstaanbaar intact‚ spatten in het rond zonder precieze richting of doel. Jaren later vind je de schilfers onder je koelkast terug fragmenten waarvan je niet meer weet of ze een amandel toebehoren of de binnenkant van een gedicht de leegte waaromheen je woorden verzon en wat er leefde in die holte toen. | Antoinette Sisto

WAGGELEN Waggelend door verlaten straten Wiebelend door holle duisternis Stom dronken onderweg naar nergens Dansend uit mijn evenwicht De muren die de leegte vertellen Zwak lantarenlicht op mijn gelaat Schoonheid en stilte met eenzaamheid Geen levende ziel te bekennen Steeds verder waggelend wandelend Verdwijnt gevoel voor ruimte en tijd Met hoofdpijn ontwaak ik dromerig En vraag mij af wat er gebeurd is | Tim Albus

LIJDEN VOLGT OP SCHEIDEN Een doodgewone man op straat. Waar gaat hij heen, weet hij waar hij staat? Hij voelt de droogte van zijn hart, dat niet meer kan huilen. De tranen zijn verdwenen, opgelost in het zoutzuur van het bestaan. Hij wil vergaan, hij wil ver gaan. Verder gaan met de passie. Hij hoort de kracht in je stem, dat hem met liefde ging bevuilen. Maar waar kan hij schuilen? Waar kan hij schuilen? Vergaan door de liefde, dat hem zachtjes teistert tot een foltering. In zijn hand, de inmiddels verworpen trouwring. Scheiden doet pijn, maar de eenzaamheid nog meer. De man doolt de rest van zijn leven en kijkt wantrouwend op je neer. | Peter van der Stoep (de auteur op bestelling)

De letters komen koel en laf. Gevoelen kan geen pen beschrijven. Ik wil jou worden, zijn en blijven. Als dichter dicht ik van mij af. Oh liefste, zet je masker af; houd niet je woord, geen woord kan voelen, je lichaamstaal zal meer bedoelen dan ’n dode spreuk op enig graf. | Maarten Willems


PARAPLU De krullende versleten schoolbank leeg inkthoudertje, bodemloos paraplu balancerend tegen de flank aandacht voor kindertjes nodeloos 40 In de overvolle klas geroezemoes in stilte wit overhemd met das donkere leraar in kilte Derdehands ventilator stroomloos warmte is drukkend dus benauwd zwetend wordt hij weer boos op klein meisje dat glimlachend kauwt Omhoog gaat de wit zwarte hand de stok striemt in haar rug normaal in dit derde wereld land zwiepend snel, hard en stug Zij durft niet te huilen, eigenlijk nooit meer klappen te verduren zonder emotie school is uit, paraplu mee en ontplooid thuis moet ze bidden, zonder devotie.

FLUID

Gazing at the tide's end at the borderline Conceiving the rainbow iris of my love Her endless consideration truly so fine Foam abnegating to solve in air going above At peace in now inheritage my devoted mind Awareness I do declare is not my ownership Lessons in love considering makes me blind Wandering in my desolation roaming a trip Can I make it without you my friend the deep Listen to the ocean sung on my mother's cremation Amazing reality to reach the horizon in a giant leap Furthermore brightness in lightness inspiration Forsake my towel and naked on the sand I sleep A life been there done that rewarding in new spirit Finally the love of my life wakes me for I get sunburn Two hearts aging into one for that I submit Sittin' on the dock of the bay that's what I earn!

| Diederic Steenmeijer | Diederic Steenmeijer

JAZZ 1 Vang me in ritme de piano fluistert jouw naam in melodie dit is dus jazz | David Matser

66

DANSEN IN SLOW-MOTION En ik voel hoe het jou raakt in elke hartslag die je terug brengt naar de tijd dat sigarettenrook rook naar vaag geluk dus dansen we in slow motion | David Matser


67

HET KEREND TIJ De tintelende stilte die je beroert wanneer zò zacht als een vochtige zwoele bries je wangen beroeren je duim al glijdend over je wijsvinger betracht en je ligt daar vredig alleen in je diepste te loeren De wereld zò druk en enerverend gelaten in duister en een sprankje licht blijven zoeken werkt toch inspirerend stilaan de kransslagader slaat dicht Wie ben ik toch om al dit te mogen ervaren in het Sterrendom van eigen kracht een geschenk dat mijn moeder mocht baren of toch het duister van de kwade nacht Ons koord werd ooit middels schaar doorbroken toch voor dit leven nù in blijvende verbinding zij zijn niet meer en wensten zich in vuur gestoken aan mij te zijn zonder reflectie in hun bevinding De strijd bevochten in mijn uiterste waanzin sereniteit naar de ruwe rots op geharkt zand vomerende dubieuze gedachten geliefd daarin een naakte kwetsbaarheid waarin ik nu beland Ben ik gevangen in mijzelf of word ik bewaakt telkenmale herhaling van een projecterende déja vu een tik uit de verwarming en wederom ben ik ontwaakt dit leven lang iemand over mijn schouder hier en nu Voortgaan in despote douches van weleer koud noch warm maar een gaskraan open ik snak naar adem doe mijn ogen neer zeg nooit het eindigt zoals het leven is verlopen

Omhoog en krachtig neig ik opstandig tot U om in te geloven een woest brekende golfslag slaat mijn niets ontziende realiteit waarom een Ander verheerlijken die niet vermag te beloven enkel mijzelf los te weken tot in het bestaan van de eeuwigheid... | Diederic Steenmeijer

POORT WACHTER De wachter aan de roestige poort Sluiert zich in gewonde stilte Tijdloos en in nevelen ongehoord Schijnbaar rustiek in beaamde kilte Hij moet gedoemd zijn plicht De weg voor anderen beramen Sterk zijn en vooral nooit gezwicht Loopt hij door de poort te samen Naast gevallenen uit het leven Een nieuw begin in schonen lei De wachter is er om door te geven Voor jou en ook naast mij Een verrotting proces te verklaren Karma uit verleden opnieuw zien Nooit oud zeer te blijven bewaren Verander continue zegt hij je bovendien.... | Diederic Steenmeijer


JAZZ 2 drie vier vijf zes een vrouw zingt haar stem ijl, zacht als fluweel op mijn huid en ik drink een laatste glas op verloren liefdes die ik in gedachten tel drie vier vijf zes | David Matser

Het heldere licht komt van boven, je oog trekt langzaam open, het zien zou moeite kosten.

68

Van boven komt het klare licht, een helder blik op je gezicht alsof je kijkers het niet dorstten. Serene gloed schijnt in je hand, langs van de spiegel de bovenkant op je zachte, blanke borsten. Water weerspiegelt in glas van je bedrukt gelaat, het was wat je vochtig oog toen morste. Tranen gaan stromen, bewegen, het volle gemoed wordt het lege, loslaten is wat het oploste. | Maarten Willems

GERDA Jij, bleker dan bleek donker zijn je wegen jij, banger voor morgen voor vallen en tegen blaas uit als een orgel en klink als een klok ga over als slagen van het een naar het ander van verlangen naar vroeger van bleek gezicht naar rood op je wangen naar verlangen naar langer naar kunnen verdragen van donker naar licht. | Maarten Willems

DAVID | M


Ik laat je los Ik geef je uit mijn veilige handen Geen strelingen en geen knuffels meer En geen kussen die we op elkaars lippen brandden Ik laat je los Ik weet dat je me nog liefhebt Maar van het genieten van elkaar Denk je dat je daar geen recht op hebt Ik laat je los Je hebt genoeg van mijn woorden en mijn zinnen We zullen elkaar nooit meer aanraken Elkaar nooit meer beminnen Ik laat je los Ik kan niets meer voor jou betekenen Maar onthoud, als er ooit iets is Je steeds op mij kan blijven rekenen Dus laat ik je los En voel een traan Niet enkel omdat ik Maar ook jou gevoel is weggegaan ... | Wim Phenix

Laat me in stilte denken Laat me in stilte dromen Laat me in stilte vertoeven Laat me in stilte naar je komen

69

Laat me in stilte lachen Laat me in stilte huilen Laat me in stilte lopen Laat me in stilte bij je schuilen Laat me in stilte zitten Laat me in stilte horen Laat me in stilte kijken Laat me in stilte je bekoren Laat de stilte je omringen Laat de stilte in zijn waarden Laat de stilte de stilte zijn En leer de stilte te aanvaarden ... | Wim Phenix

Laat mij uw rustpunt zijn in uw leven Iemand waar je bij thuis komt Iemand die je een veilig gevoel kan geven

WIM

Iemand die je steeds verwelkomt Laat mij uw rustpunt zijn in uw leven Uw vertrouweling en steunpilaar Iemand waar je alles mee kan beleven Gewoon het genieten van elkaar ... | Wim Phenix


Gevoelens in een te krappe doos. Haal ze eruit maar bewaar een afgestreken lepel. Draai ze door als tomaten. Zet ze buiten als grofvuil. en wees blij dat je ze dan zo netjes kwijt kan. | Maarten Willems

Ik spreek in alle stilte Je kan mijn woorden niet horen Je kan ze enkel voelen Als je hart niet is bevroren

70

Mijn woorden hangen in de lucht Net zoals de mist in de natuur Omsluierd om je heen Als een luchtig sprookjesfiguur Zij die enkel zichzelf kunnen zien Waar de mist steeds blijft bovendrijven Waarvoor je niets goeds kan doen Zal ieder woord in stilte blijven Maar iedereen die goed is voor een ander Of zich hard aan het leven moet vastgrijpen Die zichzelf heel kwetsbaar opstelt Zal de stilte van mijn woorden begrijpen .. | Wim Phenix

Je legt je op je zij En kruipt ondeugend tegen me aan Je kijkt zo verliefd naar mij En ik laat je graag begaan Je kust mijn lichaam teder en zacht Je begint mij intiem te strelen Ik geniet van al jouw aandacht En al je mooie liefdesrituelen Je kan je zo liefdevol aan mij vastnieten Jij alleen kan me zo behagen En zo wil ik van je blijven genieten Tot het einde van onze dagen Want jij bent voor mij een levensrantsoen Jij bent mijn levensdruppel op een blad Wat zou ik met mijn leven doen Als ik jou niet had gehad ... | Wim Phenix

MIJN FEESTDAG Vandaag de dag waarop de letter hunkert naar zijn gulle vrijheid De dag waarop ik over de blauwe regen met spinsels regeer De dag waarop alles om me heen de stembanden smeert met een zoete nachtegaal De dag waarop de kraaien dionysisch gieren door al het glimmende pracht en praal Vandaag de dag waarop dat lieve mereltje me poëtisch toefluit – Voor Elise – De dag waarop de marmeren geur van ons bloemenleven gelauwerd wordt, Een inventief belichte blauwe hemel Vandaag de dag, Gedichtendag

KEVIN | WIM

| Kevin de Wilde


DE DOOD VAN GIACOMO MARTERS | Door Luckie S. Delacroix “Het leven is te kort om met lelijke vrouwen te dansen”, mompelde ik binnensmonds terwijl ik naar de blondine naast me keek, mijn wodka opdronk en dacht: schijt aan. Echt lelijk was ze niet maar ze zou geen wedstrijden meer winnen met haar schoonheid. Haar gezicht was symmetrisch, ze had zo’n Madonnapukkel boven haar lip en kuiltjes in haar wangen. Haar lichtblonde haar was nog lang en hing in regelmatige krullen tot over haar schouders en haar amandelvormige ogen waren donkerbruin van kleur. Haar neus was wel wat aan de grote kant en de tijd had diepe krassen getrokken in haar huid maar deze mevrouw was vroeger een mooi meisje geweest. Dat moet haast wel. De glanzende onschuld die zo kenmerkend is voor jonge meisjes was er in de loop der jaren door lompe minnaars genadeloos vanaf geneukt maar ze vocht nog altijd dapper met de haar door God gegeven wapens; een volle B-bibs en grote tieten. Door het diepe decolleté van haar te korte jurkje lagen haar tieten halfbloot als witte knollen op de bar te wachten tot ik er mee zou gaan worstelen. Ik nam me voor om later haar beha aan te houden want dan wist ik zeker dat haar tieten niet in de weg zouden gaan hangen. Daar waren ze groot genoeg voor. Ik kende haar naam niet maar haar reputatie wel. Ze zat vaker aan de bar van dit donkere café bij het spoor en liet zich trakteren door wanhopige mannen die hoopten hun kwakje in haar te mogen lozen. De oudere kerels van het dorp hadden me verzekerd dat de blondine aan de bar alles neukt wat een lul heeft en de wodka maakte

haar steeds begeerlijker. Mijn ballen waren zwaar en de alcohol maakte ze steeds zwaarder. De psychopathische zenuwtrek bij haar linkeroog ontging me volledig toen ik haar aansprak.

71

“Wil je iets van me drinken?” Brabbelde ik met dubbele tong terwijl ik steun zocht bij de bar. Ze giechelde en deed een plukje blond haar achter haar oor terwijl ze verlegen naar beneden keek. Het waren kleine gebaartjes die jonge meisjes aandoenlijk maakte maar bij deze belegen blondine was het meer grotesk dan vertederend. Ze knikte en met een simpel handgebaar liet ik de norse barman haar glas vullen met de zoete likeur waar ze hele avonden van nipte. Ik kreeg nog een glas wodka en ze kwam vlak naast me staan. Ik kon haar ruiken. De dikke wolk parfum in combinatie met de zoete likeur en de oude rook van zelfgedraaide filtersigaretten, deden mijn hersens op onnavolgbare wijze een halve meter naar beneden zakken. “Hee mooie jongen, heb je een vuurtje voor me?” Ze klonk een beetje hees. Ik klapte mijn zippo open, stak haar sigaret aan en nam er zelf ook eentje. Clichévragen als ´kom je hier vaker´ of ´kennen wij elkaar niet ergens van´, zouden slaan als een lul op een drumstel maar ik hoefde ook niet de goede vragen te stellen om haar over een klein uurtje heel vies te neuken. Ik zag de goedkope geilheid in haar ogen. Ze had de beslissing al genomen en ik dronk zwijgend mijn wodka. Haar gezicht was dof van de dikke laag makeup waarmee ze poogde haar aftakeling te verbergen. Normaal gezien was dit geen vrouw waar ik heel erg warm van zou worden en hoewel ik dacht dat de tijd dat ik met walging en schaamte wakker werd in een vreemd bed achter me lag, de wodka dacht daar heel anders over.


72

Het had een hartslag, het was nog warm en het diende geneukt te worden want mijn dronken ballen waren zwaar. Dat ik de chlamydia en de gonorroe bijna kon ruiken, maakte niet meer uit.

“Ik maak kussentjes van navelpluis.”

Twee sigaretten later vroeg ze of ik met haar mee naar huis wilde lopen want ze woonde in het bos en durfde niet alleen. Ik rekende af en liep achter haar dikke reet aan naar buiten. We staken het spoor over en liepen het donkere bos in. Haar huis lag goed verstopt op een plek waar niemand mijn geschreeuw zou kunnen horen.

Nu had ik in mijn leven veel onzinverhalen gehoord maar deze kwam met stip in de top tien. Ik probeerde in te schatten of ze me in de zeik nam maar ze leek me niet te zien. Ze hield haar hoofd een beetje scheef en keek met grote ogen dwars door me heen. Ik wilde ineens heel graag weg.

De stank in haar kleine huisje was dik en zwaar. De ramen waren dichtgespijkerd, de houten kozijnen rot en het behang hing los van de muren. Er stonden een paar oude leren banken op een vies tapijt in de woonkamer en in de hoek stond haar bed. We werden begroet door een magere, grijze naaktkat met een blauw oog en een bruin oog. Het was geen hartelijke begroeting want het beest blies naar me en werd zonder pardon terug naar binnen geschopt waar hij meteen in zijn mand bij de kachel kroop en me vanaf die plek aan bleef staren alsof ik eetbaar was. De blondine liet er geen gras over groeien en duwde me op de bank waarna ze op mijn schoot klom en haar tong in mijn mond stak. De zoete likeur maakte haar kussen smerig en ik slikte een zure oprisping terug richting mijn maag. Ze trok mijn shirt uit en stak haar vinger in mijn navel waardoor ik stopte met zoenen. “Wat ben je aan het doen?” “Ik ben jouw navelpluis aan het delven.” “Waarom?” “Daar maak ik kussentjes van.” “Wat?”

“Waarom?”

“De kussentjes van navelpluis beschermen me tegen nachtmerries.”

“Misschien is het beter als ik ga,” stelde ik voor en probeerde wanhopig de angstige trilling in mijn stem te onderdrukken. “Je weet niet wat je mist Giacomo.” Ze fluisterde mijn naam in mijn oor, deed haar slip opzij en liet mijn halfslappe lul in haar verdwijnen waar hij schoksgewijs harder werd. Ik greep haar dikke reet met beide handen beet en stuiterde haar op en neer waardoor ze harder begon te gillen. Ik tilde haar op, negeerde een pijnscheut in mijn onderrug want ik ben blijkbaar ook geen achttien meer, en legde haar wijdbeens op de bank. Haar slip scheurde ik tussen haar benen uit en ik ging op mijn knieën voor haar zitten alsof ik ging bidden. Meteen pakte ze mijn hoofd en drukte mijn gezicht in haar kruis. Het haar op haar kut was licht van kleur en prikte in mijn gezicht. Mijn ogen traanden door de zure lucht en ze duwde mijn bakkes zo hard tegen haar schaambeen dat ik dacht dat ik zou stikken. Met veel moeite maakte ik me los uit haar verwurging en stak ‘em er weer in. Ze omklemde me met haar benen en sloeg me met haar vlakke hand in mijn gezicht om me aan te moedigen haar harder te neuken maar ik neukte haar al zo hard als mijn dronken lul me dragen kon. Haar gekreun was spottend. Ze


was niet onder de indruk. Deze blonde madam had alles al gezien en alles al gedaan. Ze trok met haar nagels diepe sporen in mijn rug en billen. Ze probeerde me te zoenen maar ik kreeg zure oprispingen van de zoete likeur die ze gedronken had dus deed ik enkel mijn best om haar zo snel mogelijk vol te blaffen. Toen ik klaar was wilde ik dit liefdeloze samenzijn achter me laten. Ze vroeg of ik nog wat wilde drinken voor ik ging. Ze had alleen die ranzige zoete likeur en iets dat op zelfgestookte jenever moest lijken. Ik koos voor de jenever. De blondine stond op, trok haar jurkje over haar dikke reet en liep naar de kleine keuken om een glas alcohol voor me in te schenken. Ik trok mijn broek weer omhoog, mijn shirt weer aan en stak een sigaret op. Ze kwam glimlachend terug de kamer in en maakte een opmerking over mijn hoffelijkheid omdat ik voor haar geen sigaret aangestoken had. Ik gaf haar de mijne en nam een slok van het drankje. Nu ben ik door mijn strenge dieet van wodka, wodka en wodka wel wat gewend maar dit was raketbrandstof. Ik werd licht in mijn hoofd en de kleine woonkamer begon te draaien. Mijn hart sloeg steeds langzamer en ik voelde hoe ik afgleed in een eindeloze duisternis. Het laatste dat ik zag voor ik in een droomloze slaap viel was de blondine die rustig mijn sigaret rookte en van haar likeur nipte. Ze glimlachte, zwaaide met haar vingers naar me zoals alleen vrouwen dat doen en fluisterde de reden dat ze me vermoordde zonder dat iemand haar kon horen.

73 MEESTERBREIN Je moet creatief zijn, iets bedenken Je moet iets kunnen anders hoor je er niet bij Je moet kunnen denken en handelen tegelijk anders hoor je er niet bij Je moet kunnen praten Je moet kunnen zwijgen anders hoor je er niet bij Maar als ik het één kan en het ander wel wil maar niet kan? Hoor ik er dan bij | Kevin de Wilde

“Je had geen navelpluis meer mooie jongen.”

| Albert Camus

LBERT


OÙ EST-ELLE? Le jour et minuit du Nord et du Sud Je l'ai trouvé, mais quoi? Quoi dit ma boussole? De quoi-elle parla? Elle ne sait pas, elle est confusée elle l'a perdu... Elle la retrouverait? Ben, elle est là? Je la sens, je pourrais la toucher, mais je ne la vois pas. Tu peux m'aider? Je ne le sais plus... Où est-elle? Quelle route je dois prendre? Dans quelle direction dois-je aller? laquelle? Gauche, droite? Tout droite? Ou ... Il faut arrêter ici? Où est-elle? | Kevin de Wilde

u die zegt waarheid ... gij mag het hebben mijn bloed en vlees mijn lichaam en geest onteer het steek het in brand verzoek de vuurpriester of sticht er heil kruip in mijn kop omtuil het ga in gebed en sla een kruis praat met God of roep de Messias treed in mijn lichaam zetel u en wordt menner van dit tuig pleeg een moord speel een held of knoop uzelf op ontwricht mijn boten verzuur mijn spieren plant een kruis in mijn hart wieg er onkruid geef uw gereedschap de kost Speel indiaantje onthoofd me gebruik een scalp snij het open en spuug er in wees romantisch leg mijn hoofd op je kussen streel het en geef er een kusje op

KEVIN | FRA

u die zeker weet ... | Frank Tilemans

74


| Vincent Jongman

75


76

ALLEEN ZIJN Wanneer de deuren zich openen Tot het hart voor jou Wanneer de voetstappen zich verdringen Langs de vloedlijn op het strand En het zoute water zich vermengd Met de sporen van eens geweest Met de stappen van Eens gelopen Weet ik dat ik nooit meer Mijn lief zal zien Dat ik jou heb af moeten staan Aan de golven zo zwart Als de nacht die ik Inloop Op weg naar Nergensland. | Leny Kruis

SPIEGELBEELD ze heeft de andere kant van de spiegel bereikt aan deze kant geen beeld meer van haar en voorbij het glas staat ze stil

SCHULDIG Ja, ik maak me schuldig schuldig aan 't lieven van aan het dagdromen over van het schrijven aan Ja, ik maak me schuldig schuldig aan 't wensen van aan het glimlachen om aan het verlangen naar Ja, ik maak me schuldig schuldig aan 't smullen van aan het zingen over aan het dansen met Ja volmondig ik beken | Marjon van der Vegt (LadyLove)

| Wouter Veldboer

LENY


Hij kwam van ver en dacht niet na tijdens het lopen door de bergen. Zijn adem piepte bij elke stap die hij deed. Zijn ouderdom had hem deze kwaal doen krijgen, zoals zoveel kwalen die de ouderdom met zich meebrengen, het slechte zien, minder horen, losse tanden, vlekken op de handen en armen van de ouderdom. Toch kon je aan zijn gezicht niet zien wat zijn leeftijd kon zijn. Moeilijk te schatten, zijn witte haren en zijn zware stem deed vermoeden dat hij misschien wel in de 80 zou zijn, maar het zou ook zomaar 60 jaren kunnen wezen. De moeite van het weten was het niet waard, voor hemzelf in het minste, hij had zijn leven gehad, genoten, verdriet gekend, liefde gekend en zeker ook de hardheid die de mensen elkaar gunden, ook dat had hij zelf ervaren. Liefde was een groot begrip in zijn hart. Hij was zo opgevoed en wilde dit doorgeven aan al die hij liefhad en dat was de mensheid zelve. Maar vaak werd zijn liefdevolle woorden die hij uitsprak aan wie wilde luisteren altijd verkeerd uitgelegd, dus snel en altijd werd hij het dorp uitgejaagd. Hij was altijd op de vlucht voor juist de liefde die hij wilde overdragen voordat hij het nooit meer zou kunnen doen. De jongeren die hij wilde bereiken hadden geen tijd en lachten hem uit, de ouderen die hij wilde bereiken met zijn gepreek over de liefde in het leven zelf, zij vonden het maar een dorpsidioot die snel maar moest verdwijnen en zeker als er kleine kinderen in de buurt waren, je wist maar nooit met zo een ouwe gek. In de verte zag hij een rotspartij en besloot dat hij daar zijn middagdutje zou doen, heerlijk in de luwte van de schaduw, lekker rustig even bijkomen van de lange wandeling en daarna weer op weg naar nergens heen. Aangekomen bij de rotspartij wilde hij net gaan zitten op

77

een groot rotsblok toen hij het geluid van een zachte stem hoorde die hem toeriep: Als je hier gaat slapen wordt je nooit meer wakker, loop door en verkondig je liefde voor de mens, stop niet voordat je meer dan tien levende wezens hebt verzameld die naar je luisteren!” De oude man keek om zich een, boven hem, naast hem, maar hij kon niet ontdekken waar de stem vandaan kwam. Hij haalde zijn schouders op en dacht dat hij zich dat ingebeeld had, maar toch met enige reserves wilde hij net gaan zitten toen hij diezelfde stem weer hoorde: ”Ga nou door, je bent niet moe, jouw leven bestaat uit liefde en die geeft jou de kracht om door te gaan!” Verschrikt stond hij op en besloot toen maar verder te gaan tot het volgende dorp. Daar aangekomen ging hij midden op het dorpsplein staan en verkondigde zijn liefde voor het leven, de natuur, wat de mens al niet te danken had aan Moeder Aarde, waar de dankbaarheid van de mens nu was en waar de liefdeloosheid vandaan kwam. De hebzucht van de mens wanneer er dukaten en goud in het spel waren, waar was de liefde voor de persoon die je grootbracht, die je voedde, die je lief had vanaf je geboorte? In een vrij korte tijd stonden er meer dan vijftig mensen te luisteren naar hem, de menigte zweeg en luisterden met open mond en knikten als goedkeuring. “Waar is de liefde, waar kan ik die vinden?” vroeg een vrij jonge man aan de oude man. “Als je meegaat zul je zien dat de rij van liefdevolle mensen steeds maar langer wordt een magneet als een band zal als liefde aaneen blijven plakken als de mens maar volgt. Al wat je hoeft te doen is de liefde die je in je hebt zelf door te geven aan de mens om je heen, wees onbaatzuchtig, wees niet gierig, blijf altijd jezelf, geef meer dan je krijgt, je krijgt alles dubbel terug in liefde, maar er zit ook haat en nijd tussen de liefde, scheidt het


kaf van het koren en je zult gelukkiger zijn dan je nu al bent!” De jongeman drong zich tussen de menigte uit en liep op de oude man af en ging naast hem staan. “Ik ga met je mee als je het niet erg vind, ik wil de liefde prediken zodat ook anderen kunnen weten dat er meer is dan haat en nijd en afgunst en jaloezie!” Er viel een doodse stilte op het dorpsplein, langzaam ging de een na de andere man en vrouw richting de oude man, als een blok stonden zij achter hem, naast hem, voor hem, als beschermelingen van de man die even niet wist wat hem overkwam. De stem die hij gehoord had bij de rotspartij had gelijk gehad, hier zat meer achter. Ineens was daar een grote groep die glimlachend zichzelf aan elkaar voorstelden en elkaars hand vasthielden alsof het al jaren vrienden van elkaar waren. De oude man knikte de weinige luisteraars die er nog stonden toe en zei tegen zijn nieuwe volgelingen: “Volg mij en laten wij samen de liefde prediken, zoals al eeuwen voor ons iemand deed!” Langzaam kwam de stoet in beweging, steeds meer mensen sloten zich bij de rij aan, de oude man had een grote glimlach om de mond. De liefde had toegeslagen, de mens werd weer mens. | Leny Kruis

78 WINTER enkel glas bloemen erop kan me niet inhouden benader het wil de kou als vroeger op mijn hand wrijf ermee en zie aan het venster een kind | Wouter Veldboer

HET WEB vliegen zien het niet maar wij wel daar we het anders kapot maken wij zien weer niet waar de filosofen over schreven gelukkig alleen maar over schreven | Wouter Veldboer

WOUTER


“CREATIVITY IS CONTAGIOUS, PASS IT ON” (Albert Einstein) Creativiteit. Daar draait het om in dit nummer van Poëzine. Creativiteit is niet alleen besmettelijk zoals Albert Einstein al zei, het is ook een keiharde voorwaarde voor elke dichter en schrijver. Creativiteit komt echter in vele vormen. Wat de een creatief noemt, zal een ander uitgekauwd, saai of burgerlijk clichématig vinden. Creativity is in the eye of the beholder. Zo ook in de poëzie. Als organisator van een poëziewedstrijd op mijn blog (2009 t/m 2011) en later van de Ongehoord poëziewedstrijd (2012 tot nu) krijg ik alle inzendingen onder ogen van alle deelnemers. Niet dat ik ze allemaal meteen aandachtig lees maar ik kan vaak al met het lezen van een paar zinnen zien of iets ‘creatief’ is of juist niet. Hoe kan dat? Elk mens heeft een bepaald referentiekader waaraan hij of zij dingen beoordeeld. Heb je heel veel klassieke poëzie gelezen en hou je daar ook erg van dan zullen gedichten van Jules Deelder je ongetwijfeld minder kunnen bekoren. Ben je van de beatgeneratie dan zal zalvende poëzie van dames op leeftijd je doen gruwelen. Ben je van het vrije vers zonder regels dan lijkt elk gedicht dat rijmt op een Sinterklaas gedicht. Ik wil maar zeggen, er zijn geen regels die bepalen wat creatief is of niet. En toch hebben we allemaal een idee bij de term creatief. Op mijn blog www.woutervanheiningen.wordpress.com probeer ik over alle facetten van de poëzie te schrijven. Of de poëzie me nu direct aanstaat of niet, ik probeer zoveel mogelijk een neutrale houding aan te nemen ten aanzien van het onderwerp of de dichter. Ik laat me wel graag verrassen. Ook ik heb natuurlijk

79

favoriete dichters en stijlen en de regelmatige lezer van mijn blog weet dat ik erg gecharmeerd ben van dichters als E.E. Cummings, Charles Bukowski, Herman de Coninck en Vasalis. Toch probeer ik ook open te staan voor nieuwe dichters, onbekende dichters, amateur en professional. Ook lees ik veel poëzie en probeer me voor verschillende stijlen open te stellen. Vaak lukt dat en soms ook niet. Soms kan de creatieve geest van een dichter mij niet bekoren. Raak ik verveeld tijdens het lezen, is het me te wollig of te uitgekauwd. Dat hou ik dan voor mezelf, tenslotte is mijn mening er één en zijn er misschien vele anderen die een andere mening zijn toegedaan.

Waar ik wel altijd in geïnteresseerd ben is in nieuwe verrassende poëzie, zelfs als het in een vorm is die ik niet meteen begrijp of kan vatten. Zo hou ik eigenlijk erg van hermetische poëzie juist omdat het zo verrekte moeilijk is te doorgronden waarover een hermetisch dichter nu eigenlijk schrijft en wat hij of zij ermee bedoeld. Wat ik maar wil zeggen is dat creativiteit niet alleen een ruim begrip is maar dat elk mens eigenlijk op zijn of haar manier wel creatief is, ook elke dichter. Dat we niet allemaal van hetzelfde houden is een gegeven en dat hoeft ook helemaal niet. Gelukkig maar, de verrassing bij het lezen zou snel uitblijven. Ter illustratie een paar gedichten die ik heel creatief vind. Ongetwijfeld zijn er onder de lezers van dit stuk mensen die daar heel anders over denken. Dat mag. Dat moet zelfs, zo blijft creativiteit creatief. Eerst een ‘creatief’ gedicht van mijn hand.


MET VIS OP WEG De makreel ligt in het midden van de weg

we are for each other; then laugh, leaning back in my arms for life's not a paragraph And death i think is no parenthesis

80

| Een gedicht van Jan Hanlo. op het fietspad twee haringen, nieuwe haringen daarnaast het voetpad met een bokking nee een scholletje, een gebakken scholletje voor de paling is dit keer geen plaats gereserveerd | Een gedicht van Jules Deelder.

REPETEERGEDICHT Sommige gedichten dienen elke dag herschreven. Gewoon hetzelfde gedicht elke dag opnieuw. Andere gedichten niet. WĂŠĂŠr andere bleven beter ongeschreven. Dat zijn verreweg de meeste. Maar sommige gedichten dienen elke dag herschreven. Gewoon hetzelfde gedicht elke dag opnieuw. Tot het onlosmakelijk met ons is verweven en met de werkelijkheid tot waarheid is verdicht. | Een gedicht van E. E. Cummings. since feeling is first who pays any attention to the syntax of things will never wholly kiss you; wholly to be a fool while Spring is in the world my blood approves, and kisses are a better fate than wisdom lady i swear by all flowers. Don't cry - the best gesture of my brain is less than your eyelids' flutter which says we are for each other; then

SONNET goeden nacht mandarijn uw gouden mantel werd vandaag gebracht en ook de blauwe van uw schoonzoon en de witte van uw jongste dochter het papaverveld is voor de helft omgeploegd de witte hond heeft eindelijk wat gegeten rijst en pindaboter, maar hij wacht nog op de naam die hij zal dragen in kwangsi heeft het zwaar geregend er was een hevig onweer en daarna heeft het zwaar en lang geregend in de wilgenbomen zweefde vanmorgen een geest en de paarden van de keizer zijn verzonden de zeven paarden zijn vertrokken in twee wagens en tot slot een gedicht van A.C.G. Vianen. Voor wie hem nog niet kent: google hem en luister naar zijn betoverende klankgedichten. In deze betekenis van ogen schijnen we door in blikken maakt ons van geleden om door het ampere te zijn dat ken ik door gezichten het rauw vlak waar als nemend bewogen van overhevelende kennis zo roept deze verte over de zon heen wakende in de nacht hier even neergelaten tot binnenkant krommend samen in deze handpartij.

| Wouter van Heiningen


SCHADUWBESTAAN

IN DE SCHEMERING

ben ik de muis die door het gat naar buiten piept of de kat

gooi ik mijn hengel uit en roer wat in de zee die vol is van zichzelf

ben ik wie ik van binnen lijk of hij die naar mij kijkt

glimlachend ontdooien golven, en spreek ik smekende monden toe

kan ik twee personen zijn of alleen maar twee personen of allebei niet

die maar wat graag willen happen mijn lippen kleuren rood

iets dat ontstaat zodra ernaar gekeken wordt

| Marjon van der Vegt (Ladylove)

| Wouter Veldboer

REIKEN NEMOPHILA een bloem wou weleens de zon meer dan voelen alleen ze wist niet hoe ze het moest omschrijven maar de wens was geboren opgepikt en toen ze wist niet hoe snel ze hem weer moest sluiten | Wouter Veldboer

MARJON

ik reik je de hand maar je ziet het niet stuurloos dobber je rond in een moeras waar ogen elkaar niet vinden kunnen liefdevolle woorden opgaan in de mist ik kijk en aanschouw hoe jij angstvallig je hoofd boven water probeert te houden nog altijd sta ik daar met een uitgestrekte hand zachtjes fluister ik jouw naam | Marjon van der Vegt (Ladylove)

81


NARCISSUS & OPHELIA | ballade in zeven dagen

proloog langs de vloedlijn rent een kind tegen de wind in armen wijd gespreid over zijn eiland van ’t ebbig tij hij is koning in zijn zandkasteel en hij juicht meeuwen uit zijn mond

eerste dag met jou heb ik een eilandje geschapen alleen met jou golven flirten in extase met het zand liefde daalt in veelvoud op ons neer zovele malen meer dan armen kunnen dragen jouw naam is Narcissus de mijne ben ik al vergeten Ophelia - zeg jij ons zandkasteel is groot te groots om te verhalen en in de verte uit de blauwe lucht daar klinkt de pastorale jij dicht jezelf in mij en ik poĂŤtisch jou arcadisch in mijn sferen en aan het einde van de eerste dag prijzen wij ons eiland en verzinken in elkaar wetend dat het goed is

tweede dag in de verte langs de kustlijn draait en golft en waait het kind mee met de wind en de zee armen wijd - zingt het meeuwen uit zijn mond en jaagt ze lachend voor zich uit

82

zo dichten wij elkanders ogen en drinken nectar uit het hart in jouw oksel lig ik naakt te dromen de verre wereld herbergt onze smart en jij vertaalt mij door jouw leven en ik vertel je honderd uit jij zegt dat je van mij bent - zoals ik van jou zo leveren we argeloos onze zielen uit de nacht trekt purperrood aan ons voorbij op golven van extase het water met het zand en jij met mij verenigt in orgastisch vloedend tij vrijen wij in elkaar geklonken tot aan de avond van die tweede dag

het kind zit langs de kustlijn in de verte ziet het wolken komen die het vriendelijk begroet

het kind slaapt de slaap der onschuldigen en in zijn slaap glimlacht het vol vertrouwen naar de maan.

MARIJE


derde dag

vierde dag

langs de kustlijn staat het kind en kijkt naar de traag bewegende leisteen grijze luchten lachend roept het - laat maar komen

achter de vloedlijn is geen eiland meer het kind is met het eiland verdwenen

het tij verandert

en jij Narcissus

in zijn tegendeel

lijkt opgelost in spiegelbeeld van duister water

het waait en donkert - wolken pakken samen en zwangerzwaar behangen zij het zaad van liefdesdromen jij wordt steeds groter en ik kleiner en verder zwelt het duister aan mijn ogen ik grijp me aan je vast verstrikt dansen wij samen macabere liefdesdans draaiend en sneller draaiend de dans van verbeelding die dodelijke dans op muziek van de hartstocht zoek ik naar stilstaand beeld in jou

83

in grijze nevel en de zand die storm slaat kan ik je niet meer zien hartverscheurend schreeuwt mijn ziel jouw naam een meeuw huilt regen Narcissus neem me mee naar het land van jouw beloften als jij er niet meer bent en het eiland niet waar ben ik dan

maar duizelingwekkend snel en rond trekken fragmenten voorbij die naadloos versmelten in elkaar bedrieglijk waar voor draaierige ogen

er speelt hier niemand meer en ik Ophelia vecht tegen golven die verzwelgen onvermoeibaar bouw ik nieuwe dijken tussen zand en water zoek ik vertwijfeld jouw gezicht

aan het einde van de derde dag kijken wij niet meer naar de lucht zeggen wij zonder woorden dat het wel goed zal komen

de dag is uitgeput er is geen kind - geen hoop geen eiland meer

en het kind zit aan de kustlijn en houdt het weer in de gaten af en toe kijkt het door mijn caleidoscoop waar beelden naadloos in elkaar lijken te vallen en de kleuren niet loodgrijs

vijfde dag

het kind weet dat het niet waar is

ik bloed hier langsaam dood en door mijn zwak verweer zijn laatste dijken doorgebroken

zwart is de dag en jij hebt mij meedogenloos verlaten jouw speerpunt heb je door mijn hart gestoken


van God en liefde zo verstoken laat ik - Ophelia - mij gaan - in water en in wind vergeefs zing ik jou in alle tonen verloren ben je met de vogels en het kind zonder jou ben ik niet meer tot in het diepe duister van de krachten kind zich in visioen vertoont het roept mij bij een naam waarin ik mij herken en die mij vleugels geeft Ophelia bestaat niet meer in diepe slaap verzonken hervind ik mij in het onvermijdelijk wisselen van seizoenen in zacht sluimerend aankomend vermoeden droom ik mij naar de zesde dag

zesde dag langs de kustlijn rent een kind op zijn eiland ontstaan in ’t ebbig tij armen wijd gespreid bezingt het de morgen hij is de koning van zijn zandkasteel hij is de zon en de maan

ik word wakker op een eiland onder een regenboog ik ben het kind ik ben de zon en de zee het zand en de golven het is niet meer duidelijk waar het een eindigt of het ander begint Ophelia is geschiedenis NU BEN IK

84

en aan het einde van de zesde dag slaap ik tot aan het ochtendgloren in de wetenschap dat ik weer zal ontwaken

zevende dag uitgerust jaag ik de raven uit mijn haar sta fier rechtop om met het kind te dansen armen wijd gespreid ren ik langs de vloedlijn meeuwen zing ik uit mijn mond ik waai ze lachend voor me uit ver over water ik bouw een zandkasteel op mijn eiland en droom mezelf koning wetend dat het waar is heel in de verte zie ik wolken komen ze brengen water als een koning verwelkom ik ze.

epiloog aan de vloedlijn in mijn zee spiegelt zich het kind en zingt wat het gespiegeld ziet

geluk is veel te groot voor armen om te dragen je kunt de vloed niet met je handen tegen houden maar onder het water van het tij zal er altijd wel een eiland zijn en ook weer een ontwaken | Marije Hendrikx


85


86

(op maandag 15 juni verschijnt een nieuwe bundel van Menno Smit. Een bundel vol foto's en gedichten over Terschelling. Deze bundel zal op maandag 15 juni gepresenteerd worden aan de burgemeester van Terschelling. Dit gebeurt tijdens Oerol om 13.00 uur in het kerkje van de Doopsgezinde Gemeente, Molenstraat 20 West-Terschelling)

Genietend van het zeezicht achter de Brandaris zie ik hoe een golfje zacht tegen de keien kletst. De heeren van der Schelling schenken nog wat uit de koffiepot en wij luisteren naar het ruisen van de zee. Bij West aan Zee besluit ik om even met mijn voeten in de branding te staan. De zomer is goed dit jaar!

Rondje Terschelling

Lopend richting mijn fiets om via Kaaphoorn naar de Boschplaat te gaan struikel ik over een spyntje en kom niet verder dan De Appelhof. Langs de Molenbaan ontwaak ik uit mijn napje. Ik drink wat met de mannen van de zeevaart. Volgens de heer Cnossen zit Frits op zijn clipper in een storm maar heeft hij wel land in zicht. Het is duidelijk, dit moet Terschelling zijn!

Terwijl ik stevig bras koers ik op Schylge af. In de kooi ligt Wyb onder de pannen van Terpstra terwijl meneer Dammesaan toekijkt. Op de stoep staat een rustende jager met zijn mast overeind. Vijf poorten wijzen mij richting wrakken, museum blijkt dicht, de reis is dus voor niets geweest. Stay okay denkt Cupido en laaft zich in de Zandzeebar alwaar de Schotse vier matrozen de gasten dienen van repliek en de drie grapen nog een rondje geven. Terwijl de Koegelwieck voorbij vaart word ik gebonden aan paal 8 en vang de klappen van het zwaantje. Mijmerend in Oka 18 buigt Lieman zich over mij. Over mijn schouder is een Chinese muur te zien terwijl in de loods een ware heksenketel ontstaat. Zelfs als Rotterdammer kun je nu beter in een Amsterdams koffijhuis zijn, er is ook altijd wad‌ Een zilvermeeuw vliegt op mij af en met zijn wakend oog schreeuwt hij; dit is ons huis! Ik vlucht richting het raadhuis maar beland met een walvis op een kookeiland waar de witte pauw Hans en Grietje staat te bakken, tuig van de richel. Ik prefereer het oud - Hollandsch restaurant en loop langs het witte huuske. Het advies is om naar de Schouw te gaan en het wapen van Terschelling beschermt mij, dit is een waddenparel waard! Langs de groene weide is Hessel te horen met "Heartbreak Hotel". De jonge Jan wijst richting noorderlicht maar waarschuwt voor wisselend tij.

| Menno Smit


87

OCHTENDSTOND ik wrijf de ochtend uit mijn ogen, nog voordat ik ze open voel ik warme lippen op de mijne en rek mijn armen uit verstrengel ze om jouw warme lijf, dat uitnodigt om terug in bed te vallen nog even dan | Marjon van der Vegt (Ladylove)

LOMMER lichtvoetig dans ik over je heen als een nevelsluier sliert ik in jouw bewustzijn struikel niet over mijn b-rug ik tentakel mij via denkraam jij stoot mij van borstkas naar borstzak ter harte genomen zak ik op knieĂŤn

FLIRT ze lonkt verleidt geurt sjanst schittert

monter check ik op bleekheid victorie kraaiend aai ik zachtroze tot werkhoogte artistiek zichtbaar tot heilzaam herstel

zo is ze de Lente | Marjon van der Vegt (Ladylove)

| Mattie Goedegebuur

MATTIE


BIOGRAFIE: JOHNNY VAN DOORN Johnny van Doorn (1944-1991), alias Johnny the Selfkicker, was een Nederlands schrijver, dichter en voordrachtskunstenaar. Johnny van Doorn werd geboren in Beekbergen en groeide op in Arnhem. Vanwege de Slag om Arnhem waren zijn ouders naar Beekbergen uitgeweken. Hij had een Nederlandse vader en een Duitse moeder. Hij stond bekend om zijn "oerdicht"; een gedicht terugbrengend naar de oorsprong, namelijk harde geluiden die geenszins meer op woorden lijken. Johnny van Doorn, ook optredend onder de pseudoniemen Electric Jesus, Meester van de Chaos en Electric Goebbels, werd nationaal bekend na een door Simon Vinkenoog georganiseerde poëzieavond in Carré in 1966. Van Doorn werd door collega-dichters meteen als talent herkend, Campert was een bewonderaar en Vinkenoog noemde hem 'onze modernste dichter'. Van Doorn was echter niet alleen een goed performer, hij schreef en publiceerde poëzie en proza, dat vaak ook veel kalmer van toon was en vanwege de aandacht voor het burgerlijke en het gewone vergeleken werd met auteurs als Nescio, Elsschot en Carmiggelt. Helaas was Johnny van Doorn niet erg populair in zijn tijd; hij choqueerde door zijn manier van voordragen. Hij leek tijdens zijn voordrachten - onder invloed van alcohol en drugs - in een volslagen extase te geraken. In zijn gedichten kwam het overmatig druggebruik regelmatig aan de orde. Mede door zijn "reputatie" als druggebruiker en zijn nieuwe ideeën in de kunst werd hij zowel gehaat als geliefd.

88

Hij speelde met Cherry Duyns en Armando in het VPRO-programma Herenleed dat aanvankelijk alleen voor de televisie bedoeld was, maar waarmee ze later ook de theaters in gingen. Op 26 januari overleed Johnny van Doorn, vlak na beëindiging van de theatershow Herenleed, aan de gevolgen van kanker. Naar hem is de Johnny van Doornprijs voor de gesproken letteren genoemd. Deze prijs wordt tweejaarlijks toegekend door de organisatie van het literatuurfestival Wintertuin in Arnhem en Nijmegen. Und ein anekdote: "Het plein tussen de Arnhemse vestigingen van Vroom & Dreesmann en de Kijkshop, recht tegenover de bekende cultuurtempel Musis Sacrum, is jaren geleden reeds omgedoopt in Johnny van Doornplein, vooral omdat hij tijdens zijn wildste jaren juist uit deze V&D keer op keer, badend in het zweet en volledig in katzwijm door daartoe altijd speciaal op sleeptouw genomen vrienden moest worden weggedragen, nadat hij er te midden van het verblufte winkelpubliek in zijn typische Selfkicker-stijl, luid articulerend en woest gebarend, zijn effectiefste pennenvruchten had uitgekreten, steeds precies tot aan het punt dat het hem letterlijk de adem benam en hij, bij wijze van een finaal special effect al reutelend en als een vis naar lucht happend ineen zeeg". * Op de website van de VPRO is een selectie van beeld- en geluidsmateriaal te vinden van Johnny van Doorn, waaronder een documentaire uit 2003 van Peter Scholten, getiteld Valse Lente. De documentaire is samengesteld uit louter archiefmateriaal. Op 26 december 1985 werd Van Doorn vijf uur geïnterviewd door Peter Flik in het programma Marathoninterview van de VPRO.


89

- KOMTOCHEENSKLAARKLOOTZAK Mijn kamer verhuurd Voor een uur of 2 Aan enkele verstokTe voyeurs: Een gat in de Vloer geeft een Luxueus uitzicht Op het onderliggend Temijersbed & Bij iedere seance Kreunt mijn Krolse kat Luidruchtig mee & Via een snelle Knopindruk golf De (van een bedrijfsTape afkomstige) Mededeling – Kom Toch eens Klaar Klootzak – Door het met Rococomeubelen Ingerichte Naaivertrek & Tot zieleheil Van mijn somber Herfstig wezen Herstel ik het Schiet- en avondgebed In ere & Iedere nacht (Tussen haar billen Ingevouwen) Spreek ik tot de Goede God (c) Johnny van Doorn

Nederlands 304 pagina's Bezige Bij, De november 2014 ISBN 978-90-234-8808-8 € 19.90 Recensie(s) Johnny van Doorn (1944-1991) was een waar literair fenomeen, een dichter bij wie de poëzie haast beeldende kunst werd. Hij bracht een gedicht terug tot harde, brullende geluiden die niet meer op woorden leken, met de bedoeling zowel zichzelf als het publiek een nieuw ervaringsgebied binnen te leiden. Droom vrijuit brengt een voorbij literair tijdperk opnieuw tot leven en toont de ongekende kracht van Van Doorns bezeten, hypnotiserende en hallucinante poëzie. Johnny the Selfkicker: dichten alsof je leven


90

ervan afhangt. `De woorden en hun volgorde zijn uit die stem en haar eigenaardigheden, haar nukken en grillen, voortgekomen. De woorden zijn de stem, en daardoor haar beste schatbewaarders. A.F.Th. van der Heijden

Johnny van Doorn (1944-1991), in ons taalgebied vooral bekend als Johnny the Selfkicker, was een van de weinige Nederlandse voorbeelden van werkelijke poppoëzie. Van het begin af aan gaf hij zich rekenschap van deze nieuwe richting en hij heeft veel bijgedragen tot de ontwikkeling ervan. Door klankdichters als Ernst Jandl werd hij overigens ook meteen voor het Duitse taalgebied ontdekt. In zijn 'Verzamelde gedichten' zijn behalve de dichtbundels 'Een nieuwe mongool' en 'De heilige huichelaar' ook zijn verspreid gepubliceerde gedichten opgenomen. Johnny van Doorn was behalve dichter ook schrijver, publicist, informateur en entertainer. Hij maakte furore met zijn enerverende life-shows. Het is goed dat zijn poëtische werk nu bijeengebracht is. Wat A.F.Th. van der Heijden over hem in het nawoord zegt, zal heel veel Selfkickerbewonderaars uit het hart gegrepen zijn. Martin Mooij.

Nederlands 464 pagina's Bezige Bij, De ISBN 978-90-234-8738-8 € 24.90

Recensie(s) Johnny van Doorn (1944-1991) was een waar literair fenomeen en publiceerde naast zijn poëzie ook proza, dat veel kalmer van toon was en vanwege de aandacht voor het alledaagse vaak vergeleken is met het werk van Nescio, Willem Elsschot en Simon Carmiggelt. Hou contact leest als het verslag van zijn leven. Voortdurend onderweg, vangt Van Doorn in helder en tijdloos proza de euforie van het kleine magistrale geluksmoment. Hier spreekt een schrijver die


91

voor honderd procent leefde, altijd op zoek naar poëzie, seks en liefde. `Johnny van Doorn was veel meer dan een jaren zestig-fenomeen. Hij is een groot naoorlogs schrijver. De Groene Amsterdammer De eruptieve dichter/performer Johnny van Doorn (1944-1991) was eveneens een begenadigd prozaschrijver: een scherp observerende bohemien met een romantische inborst die nostalgisch schrijft over zijn jeugd in de jaren vijftig, ‘de zwarte jaren van de sex’. Maar op de seksueel en anderszins vrijgevochten jaren zestig waaraan hij driftig deelnam wordt niet kritiekloos teruggekeken. De vijf hier gebundelde prozawerken (‘Door de weken heen’ uit 1988 is niet opgenomen) bevatten magistrale verhalen die de tand des tijds goed doorstaan hebben en die een eenheid vormen: in latere bundels wordt teruggeblikt op eerdere bundels; dierbaren als Van Doorns geliefde en zijn ouders zijn een rode draad. Van Doorn was een secuur stilist, wat het jammer maakt dat er ten opzichte van eerdere edities wat slordigheden zijn (‘vechtkabouters’ werd b.v. ‘vechthabouters’). Een bundel die voor liefhebbers van Van Doorns proza om te smullen is, voor nieuwe lezers zal het een aangename kennismaking zijn. Bevat een liefdevol nawoord van de vrouw van de auteur, Yvonne van DoornMousset.

MISSENDE MIN hongerende zintuigen genieten van passie moe voldaan therapeutische sessie liefde voor lamme vlerk meewerkend kon ik de tijd bevriezen of jouw voeten lijmen aan mijn vloer scabreuze uren met jou tot wederzijds genot vervlieden uitgezwaaid; intens gemis wacht geen 9 maanden tot weerziens | Mattie Goedegebuur

Martin de Jong

MARTIN | M


| Vincent Jongman

92


In de wereld van dromen, droom ik jou levend want in het woord lukt het niet. Terwijl mijn vingers me ontroeren met elke ode. Echter verscholen achter mijn ogen kan ik denken aan de bossen waar bomen zijn die ik niet waarneem. Zou vormgeven aan jou, je zien knielen in het gras wat nooit groen was voor ons. Zou van je houden en je houden in een omhelzing die ons tijd laat vergeten. Mijn jonge armen om je heen tot de maan gaat slapen en dan kus ik je voorhoofd Je weet deze plek geeft ons een herinnering die nooit sterven zal. Maar alleen zal vergaan op het moment dat de ogen open gaan. Onze schaduwen liggen achter ons en bedekken het gras waarin we liggen op onze rug om onze ster uit te kiezen want als we gaan dan samen.

De zon valt op de aarde en verwarmt de grond en mij. Jij viel in slaap ook daar. Maar daar leek het het te duren tot in het oneindige. Stille kinderen gooien blaadjes over je heen en ik kan hier nog minder zeggen want in de droom waren geen woorden nodig voor elkaars liefde. Overal weer en overal is het de klok die tikt. De wijzers kruipen naar het laatste uur van jou maar hier in het bos waar geen kerk is, Friese staander noch een horloge werd het ook 24u. Ik sta op, pluk een veld boeket leg die op jouw hart, kus je koude lippen maar het lukt me niet om je tot leven te wekken want ik ben geen prins zelfs niet in deze droom.

93


Ook hier ben jij nu dood, ook hier ben ik half dood. De beweging van mijn handen geven een teken af van waarom. Onder een nieuwe heldere gele maan, loop jij het bos in als een schaduw, richting fel licht ... niet de zon. Met jouw schaduw die vertrekt, vertrek ik uit het bos. | Derrel Niemeijer

Jij bent mijn herder, jij ... de behoeder van zijn en ziel. Ool al zou ik anders willen, ik zou niks anders kunnen willen dan jou volgen. Ook al zou ik me verzetten en jij mijn kracht afnemen door mij te bestrijden, ik zou je laten winnen. Jij zal het zijn die mij leiden zal in de groene weiden.

Je betaalde de hoogste prijs voor je hart wat niet helen mocht door mijn liefde.

94

Je groef je graf en begroef je in mij. Ik legde een muur van stenen ter conservering om je heen. Je pa pakte jouw lichaam, verborg het in een urn en je moeder huilde. Het was de liefde die mijn stenen muur verbrokkelde, jij ... de krent in mijn pap, werd hierdoor bloot gelegd, je ligt nu te rotten in mijn gedachten terwijl je al tot as bent vergaan. Een generatie overlijdt en een ander staat op maar de hel blijft voor eeuwig. De zon komt dagelijks op en gaat onder zodra ik slapen mag, de zon is dan niet weg, jij ook niet. En zelfs al de zon zakt in de zee is toch nog nooit die zee vol. | Derrel Niemijer

Mijn vraag is daarom zal ik je weer zien. Uiteraard want je stierf niet. Jij werd geboren net als hem maar lag niet in een kribbe maar bent wel een heilige. Je werd verraden door je liefde voor mij en dat werd je dood.

DERRE


Alle dingen die ik schrijven mag mogen liefde bevatten liefde bevatten, ik kan het in ieder geval proberen te uiten. Ook al is mijn oog is niet tevreden met wat het ziet op papier noch mijn oor blij met de tekst uitgesproken. Het ding dat het al is dat is wat het moet zijn. Wat wordt gedaan is dat wat moet worden gedaan Er is niets nieuws onder de zon. Is er Ăźberhaupt iets waarvan ik zou kunnen zeggen dit is origineel. Alles is toch al ooit eens eerder geschreven. Ach laat ik ook sterven, net als jij opdat je geen herinnering meer bent. Echter al wat is , is de herinnering aan jou en hoe krom het ook is met al mijn kracht die ik in woorden kan leggen, tover ik je niet levend terug. Maar alles is tijd gebonden en zo ook aan de tijd die ik heb om je te eren. Een tijd om geboren te worden en een tijd om te sterven Er was geen tijd om te genezen, wel een tijd om jezelf af te breken. Nu is daarom de tijd om te wenen en een tijd om te rouwen en een tijd om stenen weg te werpen. Een tijd om af te zien. Een tijd om je te verliezen maar ook de tijd om je te bewaren. De tijd is nu ... om erover te schrijven, om je lief te hebben in woorden zonder pijn ondanks de tijd van pijn en de tijd van lijden door de gedachten aan jou.

De tijd is er om iets op te bouwen ondanks mijn tijd, nu. | Derrel Niemeijer

NAZI LOVE Blood and Steel Operation Seeloewe On a sunny beach But for my cannons now You are out of reach Like a Stuka You dive bombed into my soul But where you once were Is now a hole Sometimes i wish I had the armies to do a Blitzkrieg Offensive again And take the battle back to then My Mefisto I’m your Panzerfaust Meine Ehre heisst Treue Ist wass mein Kopf durchrauscht I want to create the electric current Plug your socket Put my Stahlhelm In your Falaise pocket Bis der Untergang Me and you Will remain A Totenkopf tattoo | Von Solo

95


96

BLIJVEND als ik jou zie tref ik mijn maatregelen ik laat je lopen over laag water strooi dan spijkers uit ik laat je dansen op het koord drapeer het rond mijn nek ik laat je lopen over het lijntje zorg dat het niet breekt ik laat je stappen op traptreden behoed tegen vrije val ik laat je bijten op een houtje conserveer je tandafdruk ik laat je blazen bewaar je adem in een potje ik laat je exerceren langs de bedrand raap je voetafdrukken op

NACHTVLINDERS Elkaar al jaren vreemd zoekend naar een uitgang, waar we niet genodigd zijn maar tegenover jou te zitten, waterzwart in waterzwarte ogen een brandend sprookjesbos de ingewanden van de ochtend | Irene Siekman

VONKEN VAN ZWART, EN WIT LICHT Daan Taks Vonken van zwart, en wit licht. ISBN 978-90-823796-0-0 €15,- (excl. verzendkosten) Paperback, 48 pagina’s

ik laat je zingen sluit dan de kerkdeuren

http://www.daantaks.nl/

ik laat je kussen op mijn lijf tatoeëren

http://www.blikvorm.nl/bestel/

ik laat je zwemmen in de diepe zee neem je als mijn minman mee | Mattie Goedegebuur

te bestellen via

IRENE | DAAN


Heb haar niet in leven kunnen houden. Of weer leven in haar weten te krijgen. Door elke vloek die ik heb geuit vanwege dit gegeven zal ik nooit meer in de hemel kunnen komen. Ik was machteloos en kon niks. Kon alleen haar maar elke dag meer zien sterven dan de dag ervoor. Mijn hart onder haar riem gaf haar niet voldoende hart om door te gaan. Ze was verzwakt, sterk verzwakt. Elke dag dat ik meer afscheid moest nemen van wie ze was begon ik meer van haar te houden. Eenentwintig dagen had ze nodig om te worden wat ze bij leven al was. Ik was er voor haar zoals ik dat kon en ik alleen dat zou kunnen, met heel mijn hart voor haar. Ze was altijd de leukste uit ons groepje maar ik was bezet. Mijn hart was vergeven. Maar al wat weggegeven is kan terug komen door noodlot. Ik kon niks anders meer dan wegkwijnen. Verdrong mijn gevoel want ik verdronk mijn emoties. Drank was goedkoper als elke andere optie. Niemand had door dat ik bezig was met mijn afscheidsborrel. Net zoals ook niemand door had waarom onze knapperd er niet meer bij was wanneer we gingen feesten. Het was namelijk altijd een mooie meid om te zien. Maar ze had een ding eigenlijk wel meer dan een wat ons groepje aan rockers tegenhield om verliefd op haar te worden. Ook ik had nooit met begeerte aan haar gedacht. Ze was dan ook een beetje eigenlijk maar veel te erg van alles wat fout was in onze ruige mannenwereld. Toch mocht het gebeuren dat ik haar afwezigheid begon op te merken. De anderen leefde onbekommerd door op een drie-eenheid. Ik niet. Ik was ook zo niet. OkĂŠ, ik was wel zo maar niet zo erg. Ik voelde soms iets wat neigde naar verantwoordelijkheid. Ook zo, toen. Ik trok mijn kloffie aan om nu eens haar kant op te gaan dus all things rock bleef in de kast hangen. Haar moeder opende de deur. Ik stelde me netjes voor. Ze riep naar haar, "Het is een mijnheer .... maar hij is het niet, want dit is een mijnheer!". Een gebroken stem beantwoordde het geroep van haar moeder.

97

Kreeg de gewenste toestemming om het huis te betreden. Liep door naar haar kamer. Ze sprak, "Ben liever dood dan jou niet te hebben gehad in mijn leven dus ben begonnen met stoppen met eten. Jouw gebroken hart zal wel nooit helen en daardoor zal er nooit plek zijn voor mij, dus ik kan beter dood zijn!".

Keek haar aan en zag in haar ogen dat ze haar woorden meende. Ik kon niks anders meer dan er voor haar zijn. Zo hoort het. Las drie weken lang voor uit "Milton". Verzorgde haar als mijn geliefde want ze was mijn geliefde. Ik zou het namelijk niet hebben kunnen verdragen als zij zou gestorven zijn door mijn gebrek aan liefde voor haar. Ze is uiteindelijk wel gestorven maar nooit dood gegaan. Eeuwig zal ze blijven leven in mijn gedachten door de manier waarop ze werd opgehaald door de engelen. Ze was geworden wat haar kwam halen. De engelen gaven haar nog een pijnprikkel terwijl ze al met haar hoofd op mijn schoot lag. Haar lichaam had haar niet meer naar het toilet kunnen dragen. In het halletje lag ze, met haar hoofd op mijn schoot. De pijnprikkel liet haar de ogen openen om ze te kunnen sluiten nadat ze me had aangekeken. Ze sprak meer met haar ogen dan dat ze woorden gebruikten. Ik hoorde, "Dank je en ik houd van je". De ogen gingen dicht en haar lichtjes uit. Duisternis kwam meteen om te hangen in de hal. Ik hing over haar heen met mijn arm om haar heen. Vierentwintig uur lang hangend over haar en treurend zonder iets te eten, drinken of roken. Al die uren heb ik haar gewoon vastgehouden, zodat ze niet weg zou gaan ook al kon ze dat niet meer. Haar laatste adem ademde ik in, dat hield me in leven en houd mij nog steeds in leven, dat is zo als het hoort. | Derrel Niemeijer


98

| Bert Waber


99


100


101


102

| Bert Waber


103

| Vincent Jongman


104

EEN PUNT MAKEN Bij heel veel pijn kan je inslapen om nooit meer wakker te worden

ONTWAPENING 1 lief woord vreet zich door mijn pantser

Als noch morfine noch kus helpt helpt vergetelheid nooit meer zijn

1 blijk van gemis slecht al mijn opgerichte muren

door mijn muilkorf kan ik eigen wonden niet likken en jij aait mij niet meer

1 betrokken berichtje verstuift de vele tonnen opgeworpen zand 1 opheffing op google+ smelt het ijs om mijn bevroren hart

als meesterziener voorspel jij tranen als ik geduwd word in scherp prikkeldraad zal ik maar gaan slapen op een spijkerbed?

je getoonde emotie opent mijn ziel weer wagenwijd voor jou

| Mattie Goedegebuur

| Mattie Goedegebuur

DOM

DAAN | MATTI

Oh, verlos me gerust, maar verlicht me niet. Ik wil het leven niet begrijpen, maar zachtjes deinen op haar schokken. Kopje onder, niet verdrinken. Want ik weet wat in de diepte woont, en daar hoef ik niet te zijn. Als ik maar slim genoeg ben om te zwemmen, vind ik dom wel fijn. | Daan Taks


POËZIEBUS December vorig jaar had een groep dichters een groots en meeslepend plan. Waarom gaan we niet met z'n allen op tournee? Bandjes en muzikanten doen dat voortdurend en bovendien is het leuk. Waarom doen we dat niet als dichters? En hoe tof is het om met een bus vol dichters aan te komen in een stad en vervolgens uit te stappen om op te treden? Hoe tof is het als je ineens vijftig dichters op je podium hebt staan? Gevoelsmatig is het bijna een schoolreisje; allemaal in een bus en onderweg in jeugdherbergen slapen. Ondertussen leer je elkaar goed kennen. Nieuwe samenwerkingsverbanden en plannen worden gesmeed. De podiumpoëzie kan nog zoveel grootser, mooier en sterker worden als we de handen ineen slaan... Niet alleen met onze taalburen (Nederlanders of Belgen), maar ook binnen de landsgrenzen. Al die kleine initiatieven en organisaties maken samen een heel grote takkenbos. Die takkenbos heeft wat te vertellen bovendien. Het doel van de Poëziebus is in de eerste plaats om een hoop leven in de brouwerij te brengen, iedereen wakker te schudden en dichters en organisaties met elkaar in contact te brengen om zo de hele scene een boost te geven, nieuw publiek aan te boren en ontwikkeling te stimuleren. De basis is de samenwerking Nederland-België; we kunnen zoveel van elkaar leren! De eerste editie deze zomer (van 19 tot en met 26 juli) wordt vooral erg rock and roll, maar we hebben serieuze plannen en een stichting (volgend jaar eveneens een vzw).

105

We zijn in aantocht en komen deze zomer naar: Antwerpen, Rotterdam, Tilburg, Eindhoven, Delft, Turnhout, Brussel, Oostende, Maastricht, Den Haag, Capelle aan den IJssel en Amsterdam.

Volg ons, like ons, doe mee, kom kijken, maar houd ons vooral in de gaten. De Poëziebus komt eraan!


106

PERSAANKONDIGING: DUBBELDICHTERS In bibliotheek Eemland in Amersfoort is vrijdagavond 26 juni de presentatie van een bijzondere dichtbundel: Dubbeldichters van Mattie Goedegebuur (1959) uit BunschotenSpakenburg en Derrel Niemeijer (1977) uit Eindhoven. Goedegebuur en Niemeijer ontmoetten elkaar vorig jaar tijdens poeziefestivals van hun uitgever voor het eerst. Sindsdien voeren ze een 'dichtstrijd': de een - meestal Niemeijer stuurde via internet een uitdagend gedicht, waarop de ander vervolgens reageerde. En omgekeerd. Na ruim een jaar poëtische schermutselingen ligt er nu een fijne selectie van de dubbelgedichten. Mattie Goedegebuur publiceerde vorig jaar haar literair debuut: Pure Poëzie. Het werk is ontdaan van elke franje. De bundel werd goed ontvangen door het publiek. Derrel Niemeijer bracht juli vorig jaar zijn derde dichtbundel uit bij Uitgeverij Heimdall: Hoop, geloof en liefde. Hij onderscheidt zich door een haast absurdistische poëzie. De presentatie van Dubbeldichters is: - vrijdag 26 juni om 19.30 uur in Bibliotheek Eemland, Eemlandplein 71, Amersfoort. - zaterdag 27 juni om 14.00 uur boekhandel Van Piere, Nieuwe Emmasingel 44 in Eindhoven.

In E'hv met overhandiging eerste exemplaar aan Joep Bremmers vriend/collega van S. Vinkenoog. Verantwoordelijke voor "Vinkenoog, het verzameld werk" en "Ginsberg, Howl, Kaddish en andere gedichten". ISBN: 978-94-91883-40-8. Categorie: Poezie. Publicatiedatum: 26-06-2015 Type: Paperback Prijs: €9,99


MIJN GEDICHTEN GAAN OVER KAPOTTE VOGELTJES Amsterdam – Aanvankelijk wilde Pom Wolff een ‘best of’ maken van zijn werk tot nu toe, maar het liep anders. ‘Kapotte vogeltjes’ brachten hem op het spoor om 40 gedichten te verdelen over vier boekjes. Gezamenlijk vormen zij het kleinood, of parelsnoer: ‘Een vrouw schrijft een jongen’. “Ik heb wat met titels die je op meerdere manieren kan uitspreken. Mijn debuut uit 2006: ‘Toen je stilte stuurde’ heeft ook zo’n titel”, zegt Pom Wolff, net als de bundel als deel van een reeks daarvoor: ‘Je bent erg mens’. Hij houdt ervan de dingen om te draaien. Sinds 2000 beheert hij pomgedichten.nl, voor nieuws, gedichten én rellen. Vijf- tot zesduizend hits per dag, ruim een miljoen per jaar. Voor een literaire site een duizelingwekkend getal. Het relelement zal er ongetwijfeld aan bijdragen. Wie strak in zijn vel zit, en ‘aan de beurt is’, zal hem vervloeken. Anderen sluiten hem juist in het hart. Het is schitterend theater, want de Pom daar lijdt aan de Ziekte van Guigelton, en verblijft inmiddels al zo lang in het VU-ziekenhuis dat hij inmiddels een hele afdeling tot zijn beschikking heeft, waar hij alle dichters ontvangt. Pom grinnikt: “Kijk, daar is het imperium!” en wijst naar zijn laptop op de tafel. Geregeld voert hij zuster Bettie op, die haar visie op allerlei zaken geeft. “Als je eenmaal begint, schrijft alles lekker weg.” Ondertussen is pomgedichten.nl een platform voor dichters, want wekelijks kunnen zij meedoen aan een wekelijkse wedstrijd, waarbij Pom en een juryvoorzitter de gedichten van commentaar voorzien. Altijd met een kwinkslag. Hoe vele malen ingetogener is echter zijn laatste werk. “Roop en Erwin Vogelezang waren mijn meelezers, en de laatste houdt absoluut niet van slamgedichten. Dat was het

107

eerste onderscheid wat hij maakte: alle slamgedichten uit mijn werk weg!” Nu maakt Pom beide typen gedichten. “Wat het onderscheid is?” Hij denkt even na. “Een slamgedicht is meer gericht op effectbejag. Je bent er veel meer op uit om het publiek te prikkelen. Zo’n gedicht is ook veel toegankelijker. Je moet meer voldoen aan de toneelwetten dan bij een gedicht dat een lezer in zijn stoel rustig tot zich neemt. De volgorde waarop je ze brengt is van belang en de timing. Zo was er een dichter die op een middag een verhaal bracht over sperma. Zo keert iedereen van je af, maar als mensen ’s avonds wat op hebben, dan vinden ze het juist melig. Slamgedichten schrijf ik heel makkelijk. In tien minuten heb ik er een klaar. Een gedicht daarentegen is veel meer werk, ik moet veel meer schaven.” zo ik weet niet of het van de liefde was je weet ik ben best wel bedreven in het schrijven van mooie eerste regels in veel bedreven maar in de liefde niet zo had ik ook kunnen beginnen maar zo begin je niet zo eindigt het Het is typisch de stijl van Pom: eenvoudige woorden, eenvoudige zinnen. Zo min mogelijk opsmuk. De prikkel zit in de draai die Pom geeft, waarmee hij juist de stand van zaken in een verhouding tussen mensen beschrijft. “Toen er twintig gedichten over waren, had ik een probleem. Ik moest er een geheel van maken. En opeens kreeg ik een ingeving. Eigenlijk gingen ze allemaal over kapotte vogeltjes; er is altijd wel iets wat er aan iemand mankeert.” kapotte vogeltjes – vreemde hobby 3 vogeltjes zonder linkerpoot linkeroog eruit 1 vogeltje zonder rechterpoot rechteroog eruit


1 vogeltje geheel zonder poten ogen er nog in 1 met beide ogen eruit 1 half vogeltje (andere helft nergens te vinden) 2 vogeltjes totaal geplet 2 losse linkerogen 2 losse rechterhoe houd je ze uit elkaar gvd 4 losse linkerpoten één halve rechterpoot en nog een halve jezus en nog 2 halve “Nee, ik mocht dit gedicht niet opnemen. Een slamgedicht.” “Maar hierdoor geïnspireerd schreef ik extra gedichten en kwam ik zo op vier boekjes uit. De eerste twee vanuit het standpunt van de vrouw en het derde vanuit de man.” Het vierde boekje, ‘Genade’, kan gezien worden als een beschouwing op de eerste drie onderdelen. “Ik schrijf trouwens vooral over menselijke verhoudingen. Als ik over een tafel zou moeten schrijven, dan liet ik er algauw mensen aan aanschuiven.” familieleven nu ligt zusje weer op straat waarom toch steeds dat touwtjespringen en opa ook met al zijn duiven die dacht dat hij vliegen kon wie goed doet goed ontmoet oma schreef het op een bordje en hing zich in de kelder op ik speel geen dievie met verlos geen tikkie oma – oma is hem en wat heb je aan verstoppertje als ze je toch niet zoeken Opmerkelijk genoeg begon de oud-leraar Nederlands pas met dichten toen hij aan de slag was als jurist voor twaalf basisscholen in Amsterdam. “Misschien inderdaad omdat ik

108

toen juist de behoefte had aan associëren naast het uitpluizen van feiten.” En geregeld bezoekt hij optredens van dichters in het hele land. “Dat geeft mij een geweldige energie als je al dat jong talent ziet.” Op de Parade treedt hij samen met andere dichters op in de groep ‘Hongerlief’. “Net het laatste jaar niet, maar dat willen wij weer doen. We zijn helemaal op elkaar ingespeeld. Muzikant Bjorn van Rozen speelt alles aan elkaar en door elkaar. Ook met hem alleen draag ik weleens mijn gedichten voor. Hij heeft dezelfde romantische geest als ik en wederzijds laten we ons inspireren. Zo heeft hij op basis van mijn gedichten eigen songteksten geschreven. En bepaalde nummers inspireerden mij weer.” Rel Zo blijkt Pom Wolff een ingetogen, rustige man te zijn. Het wordt tijd voor een rel. Heeft hij nog niet een knuppel om in het hoenderhok te gooien? “Tsja, dat is mijn oude stokpaardje. Subsidie maakt lui. Ik zou bijvoorbeeld geen gelegenheidsgedicht over Buitenveldert kunnen schrijven. Je krijgt fabrieksmatige poëzie. Goed, ik laat in mijn laatste bundel een vliegtuig overvliegen, maar als je mij ertoe zou dwingen, dan krijg ik een schrijfblokkade.” “En ik vind dat de gevestigde orde te weinig doet om nieuwkomers kansen te geven. De gevestigde dichters hebben hun bewezen talenten, kwaliteiten, maar zijn te protectionistisch voor hun eigen groep. Anderen moeten zich te veel inlikken – of invechten. Onafhankelijk van die gevestigde clubjes borrelen al die jonge, of nieuwe talenten op in de duistere ondergrond.” —-


De bundel

‘Een vrouw schrijft een jongen’, Pom Wolff, Uitgeverij Douane, vier kleine bundels in een fraaie banderolle (57 p.). Prijs: 15 euro. ISBN: 978-90-72247-66-7. Zie www.uitgeverijdouane.nl

De man De dichter Pom Wolff is een mensenman. Waar zijn idool Jan Arends in zijn gedichten er achter probeert te komen wie hij zelf is, maar daarbij zo min mogelijk van zichzelf wil laten zien, laat Wolff ons meekijken hoe hij zijn omgeving ziet en geeft zo een inkijk in zichzelf en een spiegel aan de lezer. In zijn gedichten figureren meestal mensen en voor Wolff zijn mensen meestal vrouwen, vrouwen die hij observeert, waar hij zich tot verhoudt, zich tegen afzet of die hij naar zich toetrekt. De vrouw in zijn gedichten is meestal niet het onderwerp, het is de kapstok waar hij zijn thema's aan ophangt, zoals de liefde, het onbereikbare, het verlangen, kwetsbare, de vergankelijkheid, het absurdisme van de realiteit, het betrekkelijke. In zijn nieuwste bundel, lijkt hij deze kapstok minder nodig te hebben, hij gooit zijn jas naar je toe: vang!

dansen de dood hakt hard maakt stil als vrede van de oorlog wint wie wil er dan nog dansen

109

een vrouw schrijft een jongen, bestaat uit 4 afzonderlijke deeltjes. Elk deeltje bestaat uit 10 gedichten. De gedichten ogen toegankelijk, de stijl is realistisch en het taalgebruik is afgewogen. Wat ze interessant maakt is de ontregeling.Veel gedichten hebben een woord, een regel of paar zinnen, die het spel breken of juist maken, iets waar je door opschrikt, of aan blijft hangen.

voorbij in het nagelaten gezicht moet gisteren nog wakker worden de laatste schreeuw in stand gehouden en zon alsof het maart is haar hele klimop nog gekapt

Wolff bedient zich weinig van beeldspraak, de stijlfiguren die hij gebruikt zijn mondjesmaat toegepast, hier en daar een overdrijving, of eufemisme, een herhaling. En wat van lichte ironie, die langs sarcasme tot meestal net niet cynisme beweegt.

[...] zo – dus hier woon je nou met hem meneer heeft het goed voor elkaar dat moet gezegd een beamer, een smetteloze muur een bankje van bouvrie en een vrouw die vreemd gaat met een dichter

De delen een vrouw schrijft een jongen en schrijft een vrouw liggen qua toon en inhoud het dichtst bij elkaar. Hierin vind je de meeste melancholie en stelt de dichter zich het kwetsbaarst op over zichzelf en de poëzie, in


het eerste deel en over zichzelf, zijn naasten en de dood, in het tweede deel. Maar het is niet al weemoed wat klinkt:

wie goed doet goed ontmoet oma schreef het op een bordje en hing zich in de kelder op

Het gedicht 'wat er is' waaruit de titel van de bundel ontleend is, is voor mij een van de mooiste gedichten die ik onlangs heb gelezen. De twee coupletten zijn een roman op zich. Ik moest aan Couperus denken, waarschijnlijk door zijn roman over oude mensen en dingen die voorbij gaan of Eline Vere. In dit gedicht is Wolff op zijn best. Ik ga het hier niet neerzetten, ik geef het mooiste niet zomaar weg.

In het deel: schrijft een jongen, reflecteert de dichter op de liefde, liefdes die kwamen en gingen, soms met ironie en soms met weemoed.

de hondjes ik vind het raar dat je niets meer weet van de liedjes en de bank van het aanrecht met uitzicht op de straat je borsten in de gootsteen het dekentje, de hondjes de hondjes zijn dood zeg je

Het laatste deel Genade, staat min of meer op zichzelf. Hierin voert de ironie pas echt hoogtij. Wolff laveert tussen mededogen en meedogenloos. Het dagelijkse praatje met de buurvrouw die over straat tippelt, neemt hilarische vormen aan:

maandagavond luchtje scheppen ik zeg

je maakt wel uren zeg het eten schiet er zo bij in ze zegt ik snuif wel kerosine vanavond wurgseks je moet toch wat

110

ik zeg ik ga een luchtje scheppen

Is het een mooie bundel? Ja, het is een heerlijke bundel om in je handen te hebben. Strak en helder in zijn vormgeving, je wordt er vrolijk van. Is het een goede bundel? Zeker, ik kan er niets op afdingen, je houdt er van of niet en ik houd er van. Een prachtbundel, die je wilt hebben of iemand wilt geven. En zoals Wolff in een gedicht Reve aanhaalde: [...] reve had gelijk het is allemaal genade Sluit ik maar af met Reve: ‘Vooruitgang bestaat niet, en dat is maar goed ook, want zoals het is, is het al erg genoeg.’


111

| Vincent Jongman


INTERVIEW: JOEP BREMMERS Joep Bremmers (Vlissingen, 1970) is journalist en publicist. Hij werkte als redacteur samen met Simon Vinkenoog in welke hoedanigheid hij onder meer zijn omvangrijke verzamelde gedichten samenstelde: Vinkenoog Verzameld, gedichten 1948-2008 (Nijgh & Van Ditmar, 2008). Na het overlijden van Vinkenoog in 2009 voltooide Bremmers het laatste grote literaire project waar ze samen aan werkten, een kloeke tweetalige editie met gedichten van Allen Ginsberg: Howl, Kaddisj en andere gedichten (Uitgeverij IJzer, 2012). Weet van je dat werk hebt vertaald van Gregory Corso, hier mee ging je uiteraard voor mijn gevoel in de diepte. * Maar waarom Corso? Respectievelijk een minder bekende Beat, tenslotte. Ik weet niet of hij minder bekend is… misschien iets maar niet veel. Ik lees en herlees Corso al jaren en tijdens het lezen valt me soms ineens in hoe iets aardig vertaald zou kunnen worden. Dus dan doe ik dat, ook al heb ik er geen concrete plannen mee. * Nog belangrijker, waarom is er nooit iets mee gedaan? Het zijn zo maar een paar gedichten van Corso. En de ervaring met het vertalen van Ginsberg leert dat het verkrijgen van de rechten om de vertalingen te mogen publiceren nogal wat voeten in aarde heeft. Dat maakt de drempel om vertalingen te publiceren wel wat hoger. Maar wie weet komt het er nog eens van. - Een van je eerste wapenfeiten, waren eigen beheer uitgaven waaronder een over Ginsberg. Hier was lef voor nodig. * Wat gaf voor jou de doorslag om je eraan te wagen? Het eerste was een klein boekje in een echt heel minieme oplage… over een bezoek van Ginsberg en Vinkenoog aan CharlevilleMézières, de geboorteplaats van Arthur

112

Rimbaud. Ik was toen al bezig met het onderzoek naar Ginsbergs bezoek aan Vlissingen en had daar voor kopieën van zijn dagboeken uit die tijd uit Amerika laten komen. Toen werd me duidelijk dat ze enkele weken eerder een soort bedevaart naar Charleville hadden gemaakt waar Ginsberg twee prachtige bijdragen in zijn dagboek heeft geschreven. Vrienden hebben een huisje in Noord-Frankrijk en met hun in het achterhoofd maakte ik dat eerste boekje. Het tweede was een bundeltje met de correspondentie tussen Ginsberg en Vinkenoog – voor zover ik die toen had verzameld. Simon had mij benoemd tot zijn ‘literair agent’ en het boekje was bedoeld als nieuwjaarsgeschenkje voor onze relaties. * Was dit de samenwerking met Vinkenoog, die eraan zat te komen? Eigenlijk wel. Simon en ik hebben elkaar leren kennen door het gedicht dat Ginsberg in Vlissingen schreef: ‘What the Sea Throws Up at Vlissingen’. Daar was ik erg benieuwd naar, hoe dat tot stand was gekomen. Aangezien het gedicht is opgedragen aan Vinkenoog kwam ik bij hem terecht. Zo is onze vriendschap begonnen, via het Vlissingse gedicht van Ginsberg… * Maar vertel eens wie was Vinkenoog als mens? Want in de media krijgen we een ander beeld, of niet?

Nog altijd een van de meest inspirerende mensen die ook heb ontmoet, of eigenlijk gewoon de meest inspirerende. Wat mij nog altijd frappeert is de energie van Simon… toen we bezig waren met zijn verzamelde gedichten zagen we elkaar tenminste een keer in de twee weken. Simon liep toen tegen de tachtig en ik tegen de veertig, en toch kwam ik iedere keer weer tien jaar jonger thuis. Simon had een energie waar je van kon drinken… in de Nederlandse


media is Simon lange tijd voor gek versleten, als een soort blowende getuigenis van de jaren zestig. Wat mij meteen is opgevallen aan Simon is dat hij juist ontzettend aards was, helemaal niet zweverig zoals het beeld van hem gecreëerd is. En met een ongelofelijke parate kennis, Simon kon overal over meepraten, en dan niet alleen meepraten maar meteen de essentie van iets kunnen benoemen. Daarbij heeft hij in veel maatschappelijke ontwikkelingen voorop gelopen en kon hij je uit eerste hand verslag doen. Inspirerend en leerzaam, zondermeer. * Hoe was het om met hem samen te werken? Dat was heerlijk, zo leuk en vanzelf dat je het eigenlijk geen werken kunt noemen, hoewel we bergen werk hebben verzet. Maar het ging allemaal heel ongedwongen en we inspireerden elkaar. Simon was dolgelukkig dat ik zijn verzamelde gedichten ging samenstellen en er al vrij snel een uitgever voor had gevonden. Hij achtte zijn verzamelde gedichten een onmogelijk boek… te omvangrijk en iets waar geen redacteur of uitgever zich aan zou wagen. Gelukkig is het anders gelopen. Het boek is gepresenteerd in het jaar waarin hij tachtig werd met een mooie presentatie in Amsterdam-Noord. Burgemeester Cohen heeft hem er de gouden speld van verdienste van de stad Amsterdam opgespeld. Een onvergetelijke middag en avond. Met voordrachten van Gerrit Kouwenaar, Remco Campert en Hans Verhagen. Simon zelf was tegen ieders verwachting voor het eerst sprakeloos. Precies negen maanden later is hij overleden, op mijn verjaardag… - En dan daar vanuit het min of meer niks, weliswaar was er wel degelijk een oorzaak .... het overlijden van Simon, in eens een verzameld werk van Vinkenoog onder jouw leiding en Ja!. * Hoe voelde dat om dat te doen?

113

Het verzameld werk was er dus al. Zoals ik zei is dat bijna vanzelf en op een heel harmonieuze manier tot stand gekomen. Het idee om een bloemlezing van zijn werk te maken was er vanaf het begin af aan al. Maar dat heeft inderdaad een ander verloop gekregen. Niet lang na het verschijnen van Vinkenoog Verzameld gaf Simon me twee nieuw geschreven handgeschreven gedichten, met de woorden “Ik ben nog lang niet uitverzameld”. Deze gedichten, , zijn opgenomen in de bloemlezing Ja!, waarin negentien gedichten zijn opgenomen die Simon heeft geschreven na het verschijnen van zijn verzameld werk. En ja, dan is het spijtig dat we niet samen het nieuwe boek hebben kunnen vieren… dat was het grote gemis. Een nieuw boek en we konden er niet meer samen doorheen bladeren. Liefdewerk, nieuw papier, zou Simon gezegd hebben… * Was dat niet raar?

Ik denk dat Simon het met de selectie eens was geweest, hoewel er natuurlijk ook persoonlijke keuzes in de bloemlezing zijn opgenomen. Zo heb ik voor elk van Simons kinderen een gedicht opgenomen. Dat is gedaan vanuit de gedachte zelf vader te zijn, ik weet niet of Simon dat criterium had gehanteerd. Edith Ringnalda, Simons meer dan lieve echtgenote, kon zich er helemaal in vinden. En dat is voor mij toch een soort bevestiging en een kwaliteitskenmerk omdat zij Simon en zijn poëtische mores als geen ander heeft begrepen. Dat zijn de dingen die er voor mij toe doen en me sterken op het moment. - Niet veel later kom je dan ook nog met een soort verzameld werk van Ginsberg en een journalistiek boek over Ginsberg. Terwijl jij een Kerouac-fan bent! Trouwens wel even mijn complimenten voor beiden uitgaven maar dat terzijde. * Kerouac-fan en dan


uitkomen met dingen van en over Ginsberg, verklaar je nader? Nou, ik ben eigenlijk al heel lang vooral liefhebber van het werk van Ginsberg. Ik heb natuurlijk ook wel wat Kerouac in de boekenkast staan maar dat valt in het niet aan wat ik van Ginsberg heb staan. Het valt sowieso op dat liefhebbers van de Beat Generation allemaal hun eigen favoriet hebben. De een houdt van Kerouac of Ginsberg en de ander weer van Burroughs. Hoewel de schrijvers grote overeenkomsten hebben zijn het toch ook drie totaal verschillende auteurs. - N.a.v. de 'jounalistieke' boekpresentatie van je, in mijn beleving, een veel te korte theatertour. * Hoe is deze tot stand gekomen? In 2013 verscheen het boekje Ik en mijn plasje, Allen Ginsberg in Vlissingen, dat eigenlijk over veel meer gaat dan alleen het bezoek van Ginsberg aan Vlissingen. Het vertelt onder meer ook het verhaal over Ginsbergs gedicht ‘September On Jessore Road’, dat hij aanvankelijk schreef om indruk te maken op Bob Dylan. Ze hebben het ook samen op muziek gezet maar die opname is eigenlijk niet helemaal gelukt. In januari 1983 heeft Ginsberg er dan toch eindelijk een prachtige opname van gemaakt met het Mondriaan Kwartet in de Melkweg in Amsterdam. Dus het was een logische keuze om het Mondriaan Kwartet te vragen of ze dat stuk nogmaals zouden willen uitvoeren tijdens de boekpresentatie – met de stem van Ginsberg van de originele opname. Dat ideetje is in goede aarde gevallen en op een heerlijk manier geëscaleerd. Ik organiseerde het concert samen met Muziekpodium Zeeland die er een componist, Jacq Palinckx, bij heeft gehaald en hij stelde tot mijn stomme verbazing voor om de Nederlandse vertaling van ‘Howl’ op muziek te zetten. En zo groeide langzaam maar zeker een prachtige voorstelling die te mooi was om het bij een

114

eenmalige uitvoering te houden. We hebben er inderdaad nog een korte tournee mee gemaakt en er zijn gevorderde plannen om in 2016 nogmaals een serie concerten in Nederland en Vlaanderen te geven. - Maar nu de misschien wel de meest gemene vraag, er is i.i.g. dat ik weet een vertaling van Kerouac gedichten gemaakt door Joris Lenstra. * Wat is daarover uw mening? Ik weet dat hij een bundeltje Kerouac vertalingen heeft uitgebracht maar ik heb het niet onder ogen gehad. Ik kan er dus eigenlijk weinig over zeggen… * Is het voor jou een motivatie om te zeggen, ik ga er ook een maken? Nee hoor, ook al vind ik Kerouacs gedichten misschien wel interessanter dan zijn proza. Ik heb er ook wel eens een paar vertaald, onder andere zijn gedicht over Rimbaud. * Zo ja, dan zou ik dat beschouwen als een mooi bericht .... dus zit zoiets dergelijks in de pijplijn? Niet direct. Ik ben op dit moment met heel andere dingen bezig. Een reeksje over ‘vergeten’ Vlissingse dichters in samenwerking met de bibliotheek aldaar. Ik ben nu bezig een boek te voltooien over Anthonij van der Woordt, een dichter uit de achttiende eeuw met een boeiend levensverhaal. Maar daarna wil ik toch wel weer wat minder ver in de tijd terug. Een boek over de vriendschap tussen Allen Ginsberg en Simon Vinkenoog en de internationale positie van Vinkenoog staat hoog op mijn lijstje. Ik doe er al een aantal jaren onderzoek naar en de laatste tijd begint er in mijn hoofd het een en ander op zijn plek te vallen over hoe ik het in het vat moet gieten.


- Nu als laatste wil je misschien nog een boodschap meegeven aan de lezers/schrijvers van en/of aan po-e-zine?

115

Lees poĂŤzie, of blijf poĂŤzie lezen. Het verrijkt je leven!


ONZE DEELNEMERS

116

P-O-E-ZINE NUMMER 12 ZAL UITKOMEN IN SEPTEMBER JE KUNT HET WERK INSTUREN TOT 23 AUGUSTUS 2015 NAAR HET INMIDDELS BEKENDE ADRES derrelniemeijer@hotmail.com


117

BIJLAGEN

what is it?


Bij het overlijden van papa

Figuur 1: Teresa Oaxaca, The Black Pierrot, oil on canvas, 32 x 32�@

Gedichten door

Petra Pelser-Fenijn


Terminaal Terminal

Wachten

op je laatste Vlucht

Vaarwel alvast....

1


Voor Papa Jouw brein is een sterrenstelsel een heelal met zwarte gaten. En de zwarte gaten slokken je sterren op.... Ze groeien de zwarte gaten. Sterren zijn goed voedsel! Steeds groter worden ze Steeds minder sterren.... Ik weet er weinig van Wetenschap is niet zo mijn ding. Jij wel, jij houdt van harde feiten Zijn wormholes en sterren harde feiten? Een feit is dat jouw ster aan het doven is. Zoveel is wel zeker Een mens kan niet lang leven met een gatenkaas in zijn hoofd.

2


Mijn hart bloedt

onder gedachten en woorden van chirurgisch staal

smetteloos helder scherp!

Dan doet het niet zo zeer

hoop ik

3


Ik wens een wens

Dat alle bloemen in mij zijn en ik in alle bloemen

Dat er Niets is dan blauwe lucht

Lichtblauw donkerblauw en de Maan

Witte bloemen die door de lucht vliegen en ik doe een wens

Ik blaas alles weg

Leeg

en nieuw

alles opnieuw

4


Goed zicht Het wit van je ogen, zo heb ik het nog nooit gezien. Het zat altijd verstopt achter je bril.

Maar je hebt nu geen bril meer nodig sinds je ogen verbeterd zijn.

Je ziet Helder! Overal angstflarden Mijn dromenvanger zit alweer bijna verstopt.

Je huilt nare dromen

Je Schaamt je! Je bed is niet langer een veilig hol.

Maar een nest vol hersenspinsels

5


stof

Waarom ga je er niet uit? Ben je vastgebonden met onzichtbare draden? Verwarde knopen uit de zolder van je kop?

Ouwe troep! Stof zijt gij.... Je kunt mij er bijna niet doorheen zien.

Terwijl het toch voorjaar is! Waarom Ga je niet gewoon?!

Het is mooi buiten! Overal bloemen.

Lente! Waar zijn toch je Vleugels?!

6


In the Heart of the Forest

Vincent Jongman


In the Heart of the Forest


Schrijver: Vincent Jongman Coverontwerp: Vincent Jongman Š Vincent Jongman 2013


Waar vogels boven oorlog zweven, daar zal de vrede neder dalen en kwade doen vervliegen, als veren in de wind.

5


Proloog 21 december 1933 Het ruiste door de okergele bladeren aan de bomen, mijn voetstappen op het aarden pad. De stilte van de wereld leek eindeloos. Er leek niets meer te leven, niets meer te voelen. Geen geluid, geen geur. De kleur ebde weg bij het verstrijken van de tijd. De vogels vlogen zonder te klapperen en streken neer op een onaanwijsbaar punt op de horizon. Ik versnelde mijn pas. Het linnen tasje wiegde zachtjes in een vast ritme. De etenswaren in de tas schoven alle kanten op. Mijn maag knorde, maar ik wist dat het niet de tijd was om te eten. Sterker nog, het kon best wel eens zo zijn dat we pas over enkele weken aan deze maaltijd konden beginnen. Het voedsel was al zo schaars, en ook gevaarlijk om te gaan halen. Als de soldaten hun dag niet hadden kon je zo opgepakt, of zelfs doodgeschoten worden. Ik rilde bij de gedachte. Met mijn kleine handjes omklemde ik het tasje nog steviger en besloot een sprint te trekken. De zwarte, donkere aarde maakte plaats voor een verhard kiezelpad dat naar een kleine boerderij leidde. De ramen van de boerderij waren dichtgespijkerd en voorzien van een groot rood kruis. Papa zei dat het kruis betekende dat er geen mensen meer in het huis woonden. En dat was ook zo. We woonden er niet meer, we waren gevlucht. We waren uit ons eigen huis verjaagd. De soldaten kwamen een jaar geleden naar paps en mams toe om met ze te praten. Eén van die soldaten had een apart wit gewaad aan. Hij had een grote capuchon met een zilveren cirkel met een streep erdoor heen. Ook de gesp van zijn riem had hetzelfde symbool. De man gaf een boek aan paps en wilde dat mams en ik met hem mee gingen naar zijn huis. Alle meisjes moesten mee naar zijn huis. Dat was ook met mijn vriendinnen gebeurd. De meisjes moesten voor hem werken en allemaal dingen voor hem doen. ’s Avond moesten ze één voor één in zijn slaapkamer verschijnen. Wat ze daar allemaal deden weet ik niet, maar ik heb ze een keer horen schreeuwen en huilen toen we in de stad waren. Papa zei dat het een slechte man was. Een paar dagen na het bezoek moesten we weg. Mama zei dat we moesten vluchten voor de witte man. Ze wilde niet voor hem werken en papa was het niet eens met alles

6


wat er in het boek stond. En als je niet deed wat de witte man zei, dan werd je gelijk ter dood veroordeeld. Dus vluchtten we. Papa richtte een nieuw huis voor ons in. Het huis was bedolven onder de grond. Het was de kelder van de oude aardappelschuur. Papa had de schuur afgebroken en er een huisje van gemaakt. Hij was klein, maar het was er altijd lekker warm. En niemand kon je horen wanneer je in de grond zat. Soms ging paps of mams uit het huis om eten te halen of olie voor het kookstel en de lampen. Dat was een heel gevaarlijk karwei. De soldaten wisten precies wie wel geloofden in het boek en wie niet. De gelovigen hadden vaak een witte zakdoek om hun nek en een ketting met het symbool van de doorgestreepte cirkel. Voor ons het symbool van de dood. Gelukkig was er vandaag niemand op straat, dus kon ik veilig eten gaan halen. Paps en mams waren stro gaan halen om de dekens en de kussens mee op te vullen, zodat we het deze winter niet zo koud hadden. Ik hield niet van de winter. Het was een periode waar iedereen ziek werd en kou leed. Het eten was altijd op en het water bevroren. En we konden niet eens in de sneeuw spelen. Sinds we ondergedoken zijn ben ik niet meer buiten geweest om te spelen. Alleen soms wat eten halen. Het was vaak heel saai in het huis onder de grond. Ik had alleen een popje waar ik geregeld mee speelde. En verder lazen we allemaal boeken. Maar na drie keer dezelfde boeken lezen wil je ook wel eens iets anders. Daarom had ik, met gevaar voor eigen leven, een nieuw boek gekocht in de winkel van Ome Sam. Hij was geen echte oom, maar mijn ouders kwamen er vaak en ik speelde met zijn kinderen. Ze waren mijn beste vrienden. Ome Sam verkocht heel veel spullen. Boeken, schriften, pennen, potloden en heel veel kaarten. Heel stiekem verkocht hij ook eten, maar alleen aan mensen die niet geloofden in het boek van de witte man. Ome Sam geloofde er ook niet in, maar deed net alsof om de ongelovigen te helpen. Dat was een heel gevaarlijke taak. Zonder Ome Sam waren al heel veel mensen dood gegaan door de honger, waaronder wij. Ik zuchtte en keek naar een wit vogeltje dat tussen de bladeren op zoek was naar eten. Hij tsjilpte zacht in de hoop op een korreltje brood of een verse rups. Maar zelfs de dieren waren weggevlucht voor de oorlog. Zelfs voor hen was er geen eten meer. Ik brak een klein stukje brood af en wierp het in drie stukjes naar het vogeltje. Verrast maakte het een hupje en at een stukje van het brood op. Met een schuin hoofdje

7


keek hij naar mij. Een gevoel van liefde vulde mijn hart. De andere twee stukjes brood werden zachtjes opgepakt. Met een zachte gedempte wiekslag vloog het vogeltje ermee de bossen in. Dankbaar tsjilpend. ’Eet smakelijk’ mompelde ik, terwijl ik mijn weg naar huis vervolgde. Er kwamen kleine, bijna onzichtbare, wolkjes damp uit de aarde. Een teken dat mama aan het koken was. Voorzichtig stapte ik naar een verborgen luik in de aarde. Een klein stukje touw, dat leek op een boomwortel, lag in het verdorde gras. Ik trok eraan en het luik ging open. Het schimmige daglicht toonde een houten trapje, dat verdween in een donkere schaduw. Ik zette mijn voet op de trap. Hij kraakte jammerend onder het gewicht. Tijdens het afdalen hoorde ik de houtworm van de trap knagen. Het zou vast niet lang meer duren of de trap zou bezwijken onder de lasten die hij elke dag te verduren kreeg. Ik was halverwege de trap toen ik een schelle stem hoorde. Van schrik maakte ik een sprongetje en miste een trede. Ik kon nog net op tijd het stukje touw grijpen, waarmee de deur kon worden open gemaakt. Met een harde klap sloeg het luik dicht. Er brak een klein stukje hout af. Zilveren zonnestalen boorden door het kleine gat de zwartgeblakerde ruimte binnen. Ik zwiepte zachtjes terug naar de trap. Met een bonzend hart keek ik door het kleine gaatje om te zien wat er buiten gebeurde. Er klonk een geweerschot. De kogel kwam in het dak van het verborgen huis terecht. Ik slaakte een gedempte gil en viel haast weer achterover. Er klonk een nieuw geweerschot. Een jongen met zwart haar en oude, gescheurde kleren kwam uit het bos rennen. Zijn ogen stonden groot van angst. Opnieuw klonk er een schot. Van schrik viel de jongen ter aarde. Het scheelde niet veel of hij was op het luik gevallen. De jongen was nu zo dichtbij dat hij het touw van de deur zou kunnen vinden. Er verscheen nog iemand uit het bos. Het was een soldaat. Luid brommend strompelde hij richting de jongen. Hij schold in een vreemde taal en tilde de jongen aan zijn haren op. Ik zag de zilte tranen putjes in de sneeuw maken. De damp van het gehijg drong zowat de ruimte binnen, zo dichtbij waren ze. Ik hield mijn adem in. De jongen smeekte om vergiffenis en probeerde zich los te rukken. De man liet de jongen in de sneeuw vallen en laadde zijn geweer. Het angstaanjagende getik van het smeedijzeren gevaarte echode door de

8


ruimte. De jongen sloeg zijn handen in elkaar en preekte naar de hemel. Toen werd het stil. Ik hoorde de knal niet. Als een lappenpop zakte de jongen in elkaar. Zijn zwarte haren waaierden uit over de grond. De sneeuw kleurde rood. Zijn blauwe ogen staarden levenloos in de mijne. Als hij nog leefde, had hij mij gezien. De soldaat keerde zich om en rende terug het bos in, zijn witte gewaad in de wind wapperend. Ik strompelde de trap af met tranen in mijn ogen. Mams en paps stonden achter me, gewekt uit hun slaap. Met hysterische, verloren snikken viel ik in mams armen. Ik drukte mijn hoofd in haar zachte buste. ’Hij is dood mam, die soldaat heeft hem gedood. Waarom heeft hij hem gedood?’ Ik keek haar aan met mijn betraande blauwe ogen die afschuw, spijt en verdriet toonden. ’En hij was mijn beste vriend.’

9


10


Hoofdstuk 1 Het verborgen huisje onder de smeltende sneeuw werd al snel te klein. Hij was niet gebouwd om er met zijn zessen in te leven. We deelden de twee bedden met drie personen. Mams, ik en Julia, de dochter van Ome Sam, sliepen in ĂŠĂŠn bed. Ome Sam en zijn vrouw Marie in de andere. Paps sliep op een jutezak tussen de twee bedden in. Er heerste een sombere sfeer in het huis. De warmte was verdwenen en had plaats gemaakt voor kou. Zelfs nu de lente in aantocht was. Sinds de dood van Isaac, de zoon van Ome Sam, was alles anders geworden. Ome Sam was niet veilig meer en moest vluchten. De enige mogelijkheid was de aardappelschuur aan de rand van het bos. Voor de rest waren alle schuilplaatsen gevonden en geruimd. Ome Sam was dankbaar, ondanks zijn verdriet. Hij lag soms hele nachten te huilen. Dan ging ik bij hem zitten, verhalen vertellen. Laten horen wat een goede vriend Isaac was. Mijn beste vriend. Maar het ergste was nog dat Ome Sam zijn zoon niet eens heeft kunnen begraven. Hij kon geen afscheid nemen. De soldaten hadden zijn lichaam opgehaald en meegenomen. Ze hadden zelfs de bebloede sneeuw opgeruimd, zodat niemand erachter zou komen wat voor een drama hier was gebeurd. Maar ik wist het. Ik had het gezien! En dat was gelijk ook het laatste wat ik van de buitenlucht had beleefd. Paps vond het te gevaarlijk nu nog naar buiten te gaan. En waarvoor gingen we ook nog. Er was niemand bij wie nog wat te halen viel. Ome Sam leverde ons altijd eten en andere goederen. Nu stond zijn hele voorraad bij ons in het kleine huisje. Daardoor werd het hier nog krapper. Sommige dagen was de enige ruimte die ik had het bed. Zelfs de po moest op de kist achter het bed staan, de stank de ruimte vullend. De lente was in aantocht, maar het sneeuwde. Het vroor in ieders hart. Een donkere sluier mist hing in het verborgen huisje, diep onder de grond. Elke dag leek hij verder in de grond te zakken. Steeds verder verwijderd van de buitenwereld. Zonlicht werd schimmiger, schaduwen donkerder, en de hoop op een goede afloop steeds kleiner. De dagen vervlogen. Ze kropen traag voorbij. Toch liepen ze over in de volgende. Een jaar verstreek. Seizoenen gingen voorbij. Sneeuw werd sneeuw. Winter werd winter. De kou verliet het huisje niet. Maar mama zei dat het

11


altijd erger kon, en dat we vol moesten houden. We deden onze uiterste best, maar toen een strenge vorst voor een erge griep zorgde en iedereen, behalve ik, velde, was de sombere sfeer voorbij. Het veranderde in een hel. Elk uur leek het gehoest en gekreun erger te worden. Zo erg dat ik het niet meer uit kon houden. Ze moesten beter worden. Er moest een medicijn komen, anders zouden ze dood gaan. En wat moest ik zonder hen. Er was verder niets, alleen hun gezelschap maakte het leven dragelijk. Dus waagde ik het erop. Met gevaar voor eigen leven verliet ik het verzakte huisje onder de grond. Terwijl iedereen sliep kroop ik richting de trap die naar de wereld boven leidde. Met veel moeite klom ik op de half vermolmde trap. Het koord was inmiddels afgebroken. Tot stof vergaan door het weinige gebruiken. Een klein straaltje licht kroop door het kogelgat in het houten dak van het huisje. Worteltjes klimop slopen door de naden om een glimp van de geheime wereld op te vangen. Met een ontmoedigend gekraak kwam er beweging in het luik. Ik had moeite om de vastgegroeide grassen en kruiden los te drukken. Het luik leek één te zijn geworden met de natuur. Verzegeld. Met al mij kracht duwde ik tegen het luik. Na grote tegenstand ging hij eindelijk open. Een baken van verblindend zonlicht vulde mijn bleke gezicht. Mijn ogen zagen een moment niets. Het duurde wel een kwartier voordat ik gewend was aan het licht. Zo lang had ik het zonlicht al niet meer aanschouwd, op het straaltje uit het kogelgat na. Op handen en voeten kroop ik het gat uit en baande me een weg door het nieuwe gras. Het deed een poging op te komen, ondanks het koude weer. Ook de sneeuwklokjes staken hun kopje al boven het gras uit. De kamperfoelie schoot bladeren. Een teken dat de lente wederom naderde. Met kleine, stramme passen liep ik door het gras richting het bos. De bomen bogen onder het grote gewicht van knoppen. Het gras golfde zilver in de bries. Door al de misère was ik vergeten hoe mooi het hier buiten was. Het pad kronkelde langs de oude boerderij. Hij was van ellende in elkaar gezakt. Het was een ruïne geworden. Een verlaten plek met verloren herinneringen. Vlagen van een oud verleden. Een verleden zonder oorlog. Maar dat verleden was, net als het huis, ingezakt. Even twijfelde ik nog om door de gebroken ramen naar binnen te kijken. Misschien was er nog iets van het verleden over. Maar ik verzette me. Er moest een medicijn gevonden worden. Het bos ging over in een serie

12


weilanden. Aan het eind daarvan lag het kleine dorp met in het midden de kerktoren. Het geschubde dak met de glimmende verguldde haan was al vanaf een afstand te zien. Onder dat dak bevonden zich koperen klokken. Maar die hadden al jaren niet meer geluid. Normaal gingen we vaak naar de kerk, maar sinds het verdwijnen van de pastoor was het gebouw gesloten. Paps vertelde dat de pastoor in zijn eigen kerk was vermoord door de witte man. Hij was gewurgd met een witte sjaal. Het verhaal gaat dat de pastoor er nog steeds zou liggen. Maar niemand is nog in het gebouw geweest om dat verhaal te controleren. Het was verzegeld en verboden gebied. Iedereen die erin zou gaan, zou gedood worden. Het dorp lag er verlaten bij. Het was net een spookstad. De meeste huizen waren vervallen. Alleen de winkel van Ome Sam stond nog recht op. Ik keek door de besmeurde ramen, en zag overal rode kruisen. De schappen waren leeggeroofd, er was hier niets te vinden. Angstig liep ik verder. Achter de kerk moest zich een oude kruidenier bevinden. Die verkocht ook vaak allerlei kruidenmengsels tegen diverse ziekten. Misschien was daar nog een medicijn te vinden. Voorzichtig passeerde ik de statige kerk. Duiven vlogen op uit de gebroken glas-in-lood ramen. Het kruidenierswinkeltje was, net als de andere gebouwen, vervallen. Ik baande me een weg tussen het puin en vermolmd hout. Ook hier had de houtworm een groot festijn beleefd. Achter in de winkel was een stalen kast te vinden. Daar bewaarde de kruidenier altijd zijn medicijnen. Met mijn kleine vingers wist ik het slot open te peuteren. Gepaard met een luid geschraap ging de kast open. Tot mijn grote verbazing was het gevuld met allerlei doosjes. De inhoud was verdroogd, maar misschien nog wel bruikbaar. Mams gebruikte ook altijd gedroogde kruiden om hoestdrankjes te maken. Eén voor één verdwenen de doosjes in de linnen tas. Ik liet de kast leeg achter. Om geen argwaan te wekken sloot ik de kast en prutste het slot weer vast. Tijd om te gaan. Ik keerde mij om en beende me een weg terug door de scherven glas en houtmolm. Plots botste ik tegen een obstakel op. Twee blinkende zwarte schoenen contrasteerden met de ondergrond. Mijn hart stond even stil. Heel voorzichtig keek ik omhoog, in de hoop niemand te ontdekken. Maar helaas. Een donker geklede gestalte stond tussen het puin. Een zwaar geweer

13


hing aan een leren riem rond zijn buik. De riem werd gesierd door een opvallende cirkelvormige gesp met een streep erdoorheen. Zijn borst telde verscheidene onderscheidingen en om zijn hals hing een witte satijnen sjaal. Met een verwrongen blik keek hij op mij neer. Woorden in een vreemde taal verlieten zijn mond. De man tilde mij aan mijn haren omhoog en greep zijn geweer. Het linnen tasje met de kostbare kruidendoosjes slingerde gewichtloos in de lucht. Ik voelde mijn keel samenknijpen, wist geen woord uit te brengen. Ik sloot mijn ogen en bereidde me voor op de knal, die pas na een eeuwigheid wachten volgde.

14


15


Hoofdstuk 2 Het leven leek uiteen te spatten, als de scherven van een ruit. Maar ditmaal brachten ze geluk. Uit het niets was een klein wit vogeltje uit een wolkenbreuk opgedoken. De man was van schrik achterover gedeinsd en gestruikeld over een balk waarop houtwormen dansten. Nu lag hij daar, tussen scherpe scherven glas. Spartelend. Bloed vloeide rijkelijk uit zijn wonden. Het contrasteerde tegen de donkere gebroken grond eronder. De witte sjaal toonde vlekken. Ik twijfelde geen moment en trok een sprint. Het was misschien niet goed om de man daar achter te laten. Maar blijven zou het einde betekenen. Ik vluchtte door het puin richting de oude kerk. Het witte vogeltje vloog tjilpend voor mij uit. Ik herkende hem uit een ver verleden toen Isaac nog leefde. Het geurende brood in de linnen tas. Plots week het vogeltje uit en vloog de kerk binnen, nog steeds luid tjilpend. Iets vertelde mij dat ik het beestje moest volgen, al deed mijn instinct mij beven van angst. De kerk was vooralsnog verboden terrein en onbegaanbaar. Ik keek naar de grote gegraveerde eikenhouten deur, waarvan de letters grotendeels versleten waren. Vreemd genoeg was de verzegeling van de deur verdwenen. In de ban van nieuwsgierigheid sloop ik naar binnen. De kerk zag er nog precies hetzelfde uit als vroeger, alleen ietwat vervallen. Een marmeren pad leidde de weg naar het altaar. Ik herinnerde me de vele vrouwen in hun mooie jurken die deze weg beliepen. Op naar het altaar waar bossen bloemen lagen. Daar waar hun toekomstige echtgenoot, bevend van de zenuwen, stond te wachten het jawoord te geven. Nu waren de bloemen verwelkt. Een wit laken lag gedrapeerd over het stenen altaar. Twee grote kaarsen in glazen stolpen flankeerden het bewerkte graniet. Oneindig fakkelend en marmeren tranen huilend. Met kleine passen liep ik richting het altaar. De lege banken staarden me aan. In alle afwezigheid had de kerk toch iets vertrouwds. Alsof het een hart had met herinneringen die deze plek vulden. En iets vertelde mij dat ik hier nu behoorde te zijn. Met schrijdende passen liep ik de verhoging van het altaar op. Ik streelde het witte laken, dat lichtelijk opbolde door de tocht. Er leek zich iets onder het doek te bevinden. Voorzichtig trok ik het witte kleed weg. Van ontsteltenis en schrik ontsnapte er een gedempte gil uit mijn keel. Onder het

16


kleed bevonden zich de resten van een menselijk lichaam. Twee diepzwarte holle kassen, waar zich ooit eens de poorten van de ziel bevonden, staarden mij aan. Om zijn nekwervels hing een rozenkrans met een houten crucifix. Ik voelde een vlaag maaginhoud omhoog komen en deinsde naar achteren. Ik wilde wegrennen. Vluchten voor dit schouwspel. Maar een klein glinsterend object, dat zich tussen de ruggenwervels bevond, trok mijn aandacht. Heel voorzichtig stak ik mijn hand uit. Zonder de botten aan te raken wist ik het object te pakken. Het was een rijkelijk versierd kokertje van ivoor. Er waren bladmotieven en bloemen in gegrift. Nieuwsgierig naar meer schroefde ik de dop van het kokertje af. Er zat een papier in. Een klein opgerold vergeeld stukje perkament. Het verging bijna bij het uitrollen, zo oud was het. Het perkament toonde een kaart van het dorp, de weilanden en het bos. Ook onze boerderij stond erop. De kaart leidde de weg naar een kruis, ver weg in het bos verscholen. Ik vroeg me af wat het was. Vroeger was ik met paps dikwijls in het bos geweest om hout te zoeken of bramen voor de jam. Maar ik was nooit iets speciaals tegen gekomen. In ieder geval niet iets wat zo belangrijk was dat het op een kaart moest staan. Er klonk een diep gerommel in de verte. Onweer. Het geluid echode na in het grote volume van de kerk. Het was tijd om te gaan. In vaste pas snelde ik over het marmeren pad terug naar de deur. Donkere wolken zweefden over het landschap. Plotseling weerklonk er nog een donder. Dit keer veel dichterbij. Een grote rookpluim steeg op uit de verte, nog voorbij de weilanden. Misschien zelfs in het bos. Twee donders. Er verscheen een vliegtuig aan de hemel. Tegelijkertijd vloog het witte vogeltje langs, angstig tjilpend. Hij vluchtte richting de bossen waar het gevaarte vandaan kwam. Zonder een moment te twijfelen volgde ik hem. Wederom rende ik. Bijna mijn benen voorbij. Het vliegtuig vloog rakelings over. Een klein zwart projectiel verliet het glimmende aluminium beest. Geruisloos zweefde het door de lucht op weg naar zijn doel. Ik drukte mijn handen tegen mijn oren en dook in de dichtstbijzijnde greppel. Maar het geluid was niet te doven. Metaal knarste, graniet scheurde. Glasscherven blonken zwevend door de lucht als regendruppels die de zwaartekracht trotseerden. En met een buiging tordeerde de massieve toren om zijn as. Zijn koperen klokken luidden terwijl hij zich richting de aarde bewoog. Ik voelde zijn schaduw over mij bewegen. Op een

17


gegeven moment was het geluid zo hard dat het zichzelf trotseerde. Het leek even niet meer te bestaan. Het laatste wat ik zag was de weerkaatsing van het zonlicht in de gouden haan dat ooit het hoogste punt van het dorp sierde, slechts enkele meters van mij verwijdert. Daarna werd alles in stof gehuld. Rookpluimen, zo zwart dat het met gesloten ogen nog lichter was, doken voorbij. Ze kringelden omhoog, samen met de laatste herinneringen aan een verre wereld dat nu op een sprookje leek. Iets dat te mooi was om te kunnen bestaan. Op handen en voeten kroop ik door de mist, weg van de onbewoonde wereld, naar het bos, welke in alle verlatenheid nu de meest welkome plaats ter wereld was geworden. Maar zelfs in het dichtbegroeide bos was de rook nog te vinden. Als een slang bewoog ik me door het gras, dat nog nat was van de gesmolten sneeuw. Er was nog net een klein reepje zicht boven het grasdek dat me hielp te oriĂŤnteren. Maar zo dicht bij de grond leek alles op elkaar. De geluiden leken overal vandaan te komen. Ver weg was dichtbij. Tranen biggelden over mijn wangen. Wanhopig riep ik naar mams en paps, in de hoop dat ze me zouden vinden. Maar het was tevergeefs. Er was niemand in het bos te bekennen. Geen soldaat, geen boze witte man. Geen dieren, geen vogels en geen hoop. Ik ging liggen in een hoopje sterremos dat dauwdruppels ving. Kleine snikjes verdriet echoden weg in de verte. Ze deden er slechts een paar meter over om de oude aardappelschuur te bereiken. Het kleine huisje onder de grond, waarvan het versplinterde hout van de oude trap zelfs in de bomen te vinden was. De grote dozen etenswaar, die rond een gapend gat verspreid lagen. En een klein verkoold popje dat de plek markeerde waar ooit leven had gehuisd.

18


Hoofdstuk 3 Het verdriet werd zelfs in het bos gevoeld. De lucht weerspiegelde tranen. Er brak een hevige regenbui los. De sluiers rook sloegen neer en lieten zwarte as-deeltjes na op het gras. De laatste sneeuw loste op. Kou vertrok door de warme lenteregen. De druppels maskeerden de plekken waar het onheil had gehuisd. De plek waar verhalen waren verdampt en verleden was gesmolten in de vlammen en de dichte rook. Het getik van de regen op de bladeren deed me ontwaken uit zelfmedelijden. Mams had me geleerd er altijd voor te gaan en nooit op te geven. Huilen mag, maar wel voor eventjes. Daarna dep je de tranen weg en sta je op om de oneindige berg voor je te beklimmen. Dat lijkt een onbegaanbare weg. Maar de top is voor iedereen te bereiken, voor iedereen die niet opgeeft. En dan, als je er eenmaal bent, zal er iets moois op je wachten. Iets, zo kostbaar doch zo fragiel en klein, dat de waarde ervan niet kenbaar is op deze aarde. Ik glimlachte bij de gedachte en stond op. Het was tijd om te beginnen aan die beklimming, nu het pad weer zichtbaar was. Gesterkt door de diamanten regen stapte ik het bos in om te vinden. Te zoeken en te vinden wat ik zocht. Mijn huis, mijn familie en misschien de vrede. Er verscheen een zonnestraal uit een goudomrande regenwolk. Het brak kleur in de vallende druppels. Een vlaag van geluk en zekerheid vulde mijn hart. Mijn voeten vonden zijn bestemming, en stapten volhard in het soppige zand en het doorweekte gras. Onwetend liep ik steeds verder verwijderd van het verborgen huis onder de grond. Maar toch, steeds dichter bij de plek waar ik behoorde te zijn. Na een paar uur was de regen opgehouden. De wolken waren voorbij geschoven en had een prachtige blauwe hemel onthuld, waaraan de zon stond te prijken. Zijn warme stralen verdampten de druppels op de witte veren van het vogeltje, dat mij nog steeds op de voet volgde. Alsof hij in de gaten probeerde te houden of ik wel de juiste richting op ging. Het bos verdunde zich met elke stap die ik zette, en maakte plaats voor uitgestrekte heidevlakten, die insecten lokten. Het gewas krioelde van het leven. Overal doken hazen en konijnen weg, schoten herten achter bomen en rolden kevers bolletjes zand vooruit. Behendig de obstakels ontwijkend.

19


Zover het oog kon reiken was er leven. Tot op dat ene punt. Ver weg, achter de bloesems van de fruitbomen en het groen van de heidevlakte was iets waar alles in verdween. Een punt waar de wereld oploste. Ieder hert of haas dat zich naar dat punt bewoog verdween als sneeuw voor de zon. En het meest vreemde was dat er geen horizon te zien was. Geen eindpunt of begin. Het leek een leegte. Een verborgen leegte. Het wenkte me om te komen, maar ik durfde er niet heen te gaan. Wie weet lag er daar iets engs te wachten. Wie weet waren er monsters of andere wezens. Wie weet schuilden daar de soldaten van de witte man. Ik rilde bij de gedachte en besloot een andere richting op te gaan. Een afwijkend dor pad dat weer richting het dichtbegroeide bos leidde. Maar het witte vogeltje was iets anders van plan. Hij vloog, zonder angst, de leegte in en verdween. Zijn getjilp wegebbend in de verte. Ik keek hem na. Overpeinsde om hem achterna te gaan. Maar een huisje in de verte trok mijn aandacht. Verblijd door de waarschijnlijke aanwezigheid van mensen sprintte ik ernaar toe. Het was een stenen huisje. Vermoedelijk al honderden jaren oud. Het huisje was rijkelijk versierd met ornamenten en guirlandes. Alle ramen waren gemaakt van glas-in-lood, met taferelen van rituelen en geheime genootschappen. Het huisje had iets mystieks. Heel voorzichtig liep ik de veranda op, en maakte gebruik van een vergulden klopper in de vorm van een leeuwenkop. Een gedempt gebonk galmde achter de dikke muren. De deur viel uit het slot en ging jammerend open. Verbazend genoeg was er geen huis achter de deur te vinden, alleen maar een verkoolde mahonie houten vloer omringt met bos, brokken steen en spaanders hout. Op de grond was een groot rood kruis geschilderd. Ook hier was de witte man haar voor geweest. Ook hier had iemand gewoond die het niet eens met hem was. En die persoon was nu waarschijnlijk dood. Teleurgesteld verliet ik het huisje. De hoop om iemand te vinden die mij kon helpen vervloog. Maar plots viel me iets op. Op de achterkant van de deur hing een doek, die nog grotendeels intact was gebleven. Het doek toonde een kaart van het bos en het dorp. Een uitgestippeld pad leidde naar een kruis, een bestemming, midden in het bos. Ik herinnerde me de koker met de kaart die ik in de kerk had gevonden. Vlug haalde ik hem tevoorschijn en vergeleek hem met het doek. Het was identiek. Alleen was de bestemming op het doek beklad met een rood kruis. Alsof het niet gevonden mocht worden. Minutenlang bleef ik kijken

20


naar de beide kaarten, tot ik een tekst ontdekte op het stukje perkament uit de koker. Er stond Huize Veritas. Onmiddellijk stormde ik naar buiten en keek naar de versierde gevel, waar in sierlijke letters precies hetzelfde geschreven stond. Huize Veritas, het huis van de waarheid. Gevuld door nieuwsgierigheid bestudeerde ik de kaart nader. Het kruis, de bestemming, lag vlak bij Huize Veritas. Het was omhuld door klein struikgewas. Maar voorbij het kruis was niets getekend, alsof de inkt op was. Opeens begreep ik waar de kaart naartoe leidde. De plek waar de herten heen gingen, de hazen en het witte vogeltje. De uiteindelijke bestemming van mijn reis. Opnieuw sprintte ik naar de plek die me eerst zo had beangstigd. Het perkament wapperde fier in de wind. De leegte achter de heide lonkte nog steeds. Met kleine behoedzame pasjes liep ik richting de mist, die het zicht op de horizon ontnam. Het bos achter mij verbleekte bij iedere pas die ik zette. De spanning gierde door mijn lichaam. Plotseling leek het alsof de grond van textuur veranderde. De vaste aarde met zijn grassen en heide was verdwenen. Een hard spiegelend oppervlak kwam in plaats van de humus. Als ijs. Maar het voelde niet koud aan. Er heerste geen winter. Schuifelend bewoog ik mij over het ijs en had het idee dat ik over mist liep. Als in een droom. Hier en daar werd het smetteloze ijs onderbroken door wakken. Een zwarte peilloze diepte kolkte eronder. Maar ik besloot er niet langer naar te kijken. Te lang stilstaan bij je angst kan je bevriezen. Dat is wat mama altijd zei. Dus ik ontweek de wakken. Volgde een stroom dikkopjes die zich onder het ijs bevonden. De warmte achterna. En bij iedere stap die ik zette voelde ik me lichter, vrolijker en gelukkiger. Alsof het doel van mijn leven zich openbaarde. Het verdriet loste op, samen met de mist van eenzaamheid en de oorlog die mijn hart al die tijd had omhuld. De horizon achter de leegte werd weer zichtbaar. Het ijs veranderde in humus, en vormde de basis voor bloemen die kleur vlamden en rijkelijk geurden. En hetgeen wat ik voor me zag was prachtig, in al zijn minuscule tederheid. Onmetelijk kostbaar, onberekenbaar. Elke materiĂŤle waarde voorbij.

21


Een verwaterd verlaten tovert dauw als kleine glinsteringen. een ver verleden.

22


Hoofdstuk 4 De mist veranderde in dauw en toverde een glinstering. Tussen de groene vlaggen en het koren van het gras lag een klein popje. Zelfgemaakt van lapjes stof, stro als gouden haar en de kleinste madeliefjes als een ketting. Twee, bijna doorzichtige kiezels vormden haar ogen en een fijn borduurwerk haar lachende mond. De hereniging was een magisch moment. Als in een roman rende ik naar het kleine popje toe en sloeg haar in mijn armen. Ze voelde warm door de zon en de liefde de ze altijd van mij kreeg. Ik cirkelde een vreugdedansje door het koren. Eindelijk weer een herinnering aan thuis. En het woord was nog maar net uitgesproken, of er glinsterde weer iets. Ver weg aan de horizon. Een huis, een boerderij met op de veranda een gestalte. Onmiddellijk herkende ik mijn thuishaven en sprintte erheen. Het popje nog steeds strak omklemt. ‘Mam, pap, ik ben hier. Ik ben er weer.’ Zonder op de gestalte te letten stormde ik het huis binnen. Maar er was niets. Er was geen huis. De boerderij had alleen maar een voorgevel, net als huize Veritas. De witte man was haar opnieuw en opnieuw voor geweest. Ik huilde op het gras achter de gevel. Waar waren mams, paps, ome Sam, zijn vrouw Marie en hun kinderen Isaac en Julia gebleven? Maar toen begon het weer te dagen. De oorlog. Het onderduiken. De aardappelschuur en de dood van Isaac. Ik rende naar buiten, richting de plek waar de aardappelschuur stond. Ik tastte de grond af. Zoekend naar het verborgen koord tussen de hoge halmen. Maar het was er niet. Dit was allemaal maar een droom. Teleurgesteld liep ik terug naar de boerderij, waar de gestalte nog steeds op de veranda zat. De oude man glimlachte toen ik langs liep. ‘’Daar ben je eindelijk’’, riep hij terwijl hij een glas limonade voor me in schonk. Onzeker liep ik naar de man toe en ging zitten op een houten stoel met versierde knoppen. De man rookte zijn pijp. ‘Wie bent u eigenlijk?’ vroeg ik argwanend zonder mijn blik van de man af te wenden. De oude man legde zijn gerimpelde handen op de tafel. Hij droeg een brede gouden ring met een afbeelding van een uil erop. ‘’Mijn naam is Samuel, Samuel Bruere. Ik ben de eigenaar van huize Veritas waar je bent geweest’’ Mijn ogen werden zo groot als schoteltjes. ‘Is dat uw huis? Hoe weet u dat ik daar was. Maar wat doet u dan hier, u bent hier niet veilig.

23


Stel dat de witte man u vindt.’ Ik wilde opstaan om de man mee te nemen, diep het bos in. De man lachte breed, zijn witte tanden reflecteerden in de zon. ‘’Wees niet bang kind. Hij kan ons hier niets doen. Die witte man waar jij het over hebt kan hier niet komen. Hij is veel te zwaar.’’ Ik liet me weer in de stoel zakken. ‘Wat bedoelt u met de zwaar. Ik weet dat de witte man dik is, maar waarom zou hij hier niet kunnen komen.’ De man lachte met lange uithalen. ‘’Nee mijn kind, dat is het niet. Het heeft helemaal niets met dik zijn te maken. De dikste mensen kunnen zelfs heel licht zijn. Nee, het gaat om een ander gewicht. Het gewicht van de ziel. ’’De man veegde een paar vreugdetranen uit zijn ogen, en vouwde toen zijn handen op tafel. ‘’Laat mij je wat over deze plek vertellen, maar je moet beloven goed te luisteren.’’ Ik knikte hevig en ging dichter bij de man zitten om het hele verhaal goed te kunnen horen. ‘’In tijden van oorlog’’, begon de man, ‘’lijkt er geen hoop te bestaan. Ieder klein sprankje hoop op een gelukkig einde lijkt te vervliegen. De heersers blijven heersen en trekken steeds meer mensen in hun kwaad. De mensen proberen te vluchten, maar kunnen dat niet. Uiteindelijk moeten ze zich over geven en een keuze maken. De slechterik bijstaan of een wisse dood sterven. Voor velen is dit een makkelijke keuze, omdat ze het leven te waardevol vinden. Ze willen het niet weggooien. Maar juist op dat ene moment, wanneer al hun hoop vervlogen is en ze zich bij het kwaad voegen sterven ze alsnog. Hun leven die ze ooit leidden vergaat.’’ De man sloeg zijn ogen neer en wreef mijn zijn vingers over de knoesten in de eikenhouten tafel. ‘’Toch zijn er mensen die kiezen voor het tweede. Sterven om hunzelf te blijven. Een heldendaad. Maar het is eigenlijk meer, sterven om het kwaad tegen te gaan is, naast het redden van iemands leven voor jouw leven, het meest ultieme wat je kunt doen. Je zult vast denken; wat hebben die mensen eraan. Ze sterven alsnog. Maar eigenlijk is dit niet waar. Mensen die sterven voor een ander of om iets heiligs te beschermen sterven niet. Nee, ze leven juist. Ze krijgen de kracht om verder te leven in een plek weg van oorlog. Een plaats waar kwaad niet kan komen. En dat is hier.’’ De man keek rond het koren en al het moois wat daar achter lag. ‘Maar betekend dat….’, haperde ik, ‘betekend dat dan dat u dood bent, en ik ook?‘ Er welden tranen op in mijn ogen. ‘Maar dat kan niet. Ik moet naar mams en paps om ze het medicijn te geven.’ Ik haalde de doosjes uit het linnentasje en liet de verse groene

24


kruiden zien aan de man. Hij glimlachte. ‘’Nee meisje. Luister goed. Gij die sterven voor een ander sterven niet. Dus wij zijn niet dood. We zijn alleen niet zichtbaar voor de anderen, die deze plek nog niet gevonden hebben. En we zijn ook niet zichtbaar voor het kwade. ‘’ ‘Mm… maar kan ik nog terug naar mama en papa’ stotterde ik, in de worsteling de woorden van de man te begrijpen. Maar de man schudde met zijn hoofd. ‘’Nee, helaas niet. Wij kunnen niet terug, maar we kunnen ze wel naar ons toe brengen.’’ Er gloeide een sprankje hoop in mijn ogen. ‘En hoe breng ik ze hier meneer.’ De man zakte terug in zijn schommelstoel en wiegde een paar keer. ‘’Dat is iets wat jij moet oplossen, daarvoor ben je hier. Alleen jij zult de kennis vergaren die nodig is om iedereen waarvan we houden hier te krijgen’’ Hij sloot zijn ogen van vermoeidheid en wiegde nog een paar keer heen en weer. ‘Maar ik weet het ook niet’, riep ik. ‘Ik heb geen flauw idee hoe ik de mensen hier moet krijgen. Ik ben hier gekomen door de kaart te volgen, die ik heb gevonden in de kerk.’ Ik wapperde een paar keer met het fragiele perkament. Maar de man was inmiddels in een diepe slaap gevallen. Kleine snurkjes ontsnapten uit zijn keel. Ik keek naar het oude vergeelde perkament, waarvan de inkt op een of andere magische manier was opgelost. Alsof de dauwdruppels ieder bewijs van de wereld achter de mist hadden weggevaagd om plaats te maken voor al het moois dat hier lag. Met trage passen liep ik de veranda af, in de hoop de man niet wakker te maken. Gelukkig kraakten de treden niet. De man had verteld dat ik moest uitzoeken hoe mams en paps hier konden komen. En als zij hier konden komen, dan konden anderen dat ook. Het antwoord op deze ‘’hoe’’ vraag moest hier vindbaar zijn. Ik liep rond in de prachtige wereld. Toch was er iets vreemds aan deze plek. Er was geen horizon. Achter de bomen, het verse koren en al het prachtige lag een wit obstakel. Een wit leeg doek dat vanuit de grond de onpeilbare diepte van de hemel probeerde te evenaren. Ik streek met mijn hand langs het obstakel. Het voelde koud en levenloos aan. Als ijs. Overal waar ik keek eindigde de wereld in een witte muur. Alsof we allemaal gevangen zaten in een doos. Ik volgde de barrière in de hoop ergens een doorgang te vinden, maar er was niets te vinden. De eindeloze muur van wit ging door en door als een oneindige cirkel. Na minutenlang lopen kwam ik aan

25


bij een open plek in het koren. Het vlak was kaal. De aarde was gebroken. In het midden stond een tekentafel, waar een man stond te werken. Ik liep op hem af, in de hoop dat hij mij verder kon helpen. Toen de man mij zag lichten zijn ogen op. ‘’Daar ben je, eindelijk’’ riep hij terwijl hij op mij af rende. Even beangstigde de man mij, maar toen ik zag wie het was kon ik niets anders doen dan naar hem toe rennen. Sprinten van blijdschap. ‘Pastoor Eboris, u bent het!’

26


27


Hoofdstuk 5 De omhelzing duurde minutenlang. Een tijdelijke eeuwigheid. Het was fijn een oude bekende te zien, na al die tijd alleen. Pastoor Eboris was altijd een goede vriend geweest en had ons tijdens de oorlog dikwijls geholpen. We hadden met zijn allen een wake gehouden, toen het nieuws naar buiten kwam dat hij was vermoord door de witte man. Dat was ook gelijk het einde van de religie in het dorp. Het gerucht ging dat zijn alternatieve manier van ‘’geloven’’ niet bij de witte man zijn dictatuur paste. Dat was vast de reden waarom de pastoor moest verdwijnen. ‘’Ik ben zo blij dat je er bent, we hebben lang gewacht’’, fluisterde de pastoor in mijn oor. ‘’Je hebt de kaart gevonden die ik voor je heb achtergelaten.’’ Ik deed een stap naar achteren. ‘Heeft u die kaart voor mij achter gelaten, maar hoe wist u dan dat ik hem zou vinden?’ De pastoor glimlachte en schoof mij zijn stoel toe. ‘’Wel mijn kind, dat is zo voorbestemd. Het kon niet anders. Vroeg of laat zou jij de kaart vinden.’’ Ik keek hem met vragende ogen aan. ‘Kunt u de toekomst lezen pastoor, is dat de reden dat de witte man u heeft verm… dat u moest sterven?’ Ik sloeg mijn ogen neer. De pastoor grinnikte. ‘’Niemand wil de toekomst kunnen lezen, het zou het leven ondragelijk maken. Nee, de witte man heeft mij gedood doordat hij doorhad wat ik aan het doen was. Het plan om de oorlog en al het kwade op deze wereld te bestrijden.’’ Hij ademde diep in. ‘’Samen met je vader, jouw ome Sam en Samuel Bruere hebben we een genootschap opgericht en iets wonderlijks ontdekt.’’ Hij keek even rond de velden, alsof hij zeker wou weten of er niemand meeluisterde. ‘’We hebben ontdekt dat de wereld, het heelal, altijd op zoek is naar evenwicht. En dat evenwicht is er niet op dit moment, door al het kwaad dat op de aarde heerst. De wereld is een tegenpool geworden, een vijand van het heelal. Daarom heeft het heelal iets gestuurd om de wereld te bestrijden. Om het heelal weer in evenwicht te krijgen. Maar het heeft niet genoeg kracht om tegen het kwade te vechten. Het kan het niet alleen. En daarom zijn wij er om een handje te helpen.’’ Ik ging zitten op de hoge stoel achter de tekentafel. ‘En vormt deze wonderlijke wereld dat evenwicht?’, vroeg ik nadenkend. Pastoor Eboris keek verrast op. ‘’Juist mijn

28


kind, dat is precies waar deze wereld voor is. Het vormt een tegenpool voor het kwade dat de witte man op de wereld heeft gebracht. Een kwaad dat zich met de dag verspreid. Daarom moeten wij het slechte bestrijden met het goede, door deze wereld uit te breiden.’’ De pastoor liep naar zijn tekentafel en liet mij een schets zien. ‘’Kijk, dit is een schets van hoe deze plek er straks uit moet komen te zien.’’ Ik keek naar de grove lijnen die op het papier stonden. Ik herkende duidelijk de contouren van de kerktoren met zijn blinkende verguldde haan. De pastoor was nog bezig de omringende gebouwen te tekenen, waaronder het kruidenierswinkeltje en de winkel van ome Sam. ‘’Dit is slechts een schets van een toekomstig schilderij die ik straks op deze wand schilder.’’ De pastoor liep naar de grote witte blokkade die de horizon van de wereld ontnam. Heel vaag waren er al grijze contouren zichtbaar. ‘’Maar het is een hels karwei om een schilderij te voltooien.’’ zei hij. ‘’Het moet heel precies gebeuren en ook volledig van kleur worden voorzien. Pas wanneer het schilderij af is zullen de dauwdruppels de verf doen oplossen en zal het geschilderde werkelijkheid worden. Dan wordt de wereld weer een stukje verder uitgebreid.’’ De pastoor zuchtte diep. ‘’Maar voordat het klaar is zijn we zeker weer een tijd verder.’’ Ik had medelijden met het monnikenwerk van de pastoor. ‘Dus wat u doet is een wereld scheppen. Maar hoe kan dat dan het kwaad bestrijden?’, zei ik, nog steeds verbazend over de plek waar ik was. ‘’Wel’’, zei de pastoor. ‘’De verf voor het doek moet ergens vandaan komen. Wanneer ik iets schilder, verdwijnt het uit de echte wereld. Het wordt vernietigd. Stukje bij beetje halen we de wereld bij de witte man weg, zodat hij straks niets meer heeft om over te regeren.’’ Ik keek de oude pastoor sceptisch aan. ‘Maar als alle dingen uit de echte wereld verdwijnen, dan hebben de onschuldige mensen ook niets meer. Dat kunnen we ze toch niet aandoen?’ Ik zette mijn handen in mijn zij. ‘Heeft u daar wel over na gedacht?’ De pastoor glimlachte breeduit. ‘’Natuurlijk mijn kind. En daarom hebben wij jou hierheen gehaald. Jij bent diegene die dat probleem kan oplossen. Door je onschuldigheid, onmetelijke fantasie en verstand zal jij ervoor zorgen dat de mensen hier kunnen komen, bij ons.’’ De pastoor streek over zijn rozenkrans. ‘’Maar voordat de mensen hier kunnen komen moet de wereld groot genoeg zijn. En ook daarmee kun jij helpen.’’ De pastoor liep weer naar zijn schetstafel en streek het papier glad.

29


‘’Wij volwassenen doen er een eeuwigheid over om van een gedachte werkelijkheid te maken, omdat we niet meer de onschuldigheid en de fantasie van het kind bevatten. Maar jij, in combinatie met je uitzonderlijke verstand en doorzettingsvermogen, kunt de wereld scheppen in een fractie van de tijd waarover wij normaal zouden doen.’’ Ik keek naar de witte muren om mij heen. ‘Hoezo bevat ik die kennis? Ik heb echt geen idee hoe ik een wereld moet scheppen. Ik denk niet dat ik het kan.’ Verdrietig plukte ik aan het vergeelde papier. ‘Ik heb die kennis niet pastoor Eboris.’ De pastoor sloeg een arm om mij heen en fluisterde; ‘’Dat heb je wel mijn kind, je hebt de kennis tot je genomen zonder dat je het doorhad. Het staat allemaal in een boek dat ome Sam je heeft gegeven.’’ Plotseling herinnerde ik me het weer. Het boek dat ik had gekocht in de winkel van ome Sam, een boek dat ome Sam mij aanraadde te lezen. Maar hij zei wel dat ik het aan niemand moest laten zien, omdat het eigenlijk een verboden boek was. Met gevaar voor eigen leven had ik het meegenomen in het linnen tasje. Thuis was ik er onmiddellijk aan begonnen en had het boek in één teug uitgelezen. Verwonderd keek ik de pastoor aan. ‘Het boek ging over twee kinderen die als wees waren afgestaan en moesten overleven in een wereld van kwaad en geweld. Helemaal alleen. Maar op de een of andere manier wisten ze zich staande te houden door vast te houden aan hun hoop en de kracht van hun vriendschap. Ze creëerden een parallelle wereld. Een fantasiewereld, die hen in staat stelde de meest moeilijke problemen op te lossen. Daarmee wisten ze uiteindelijk de oorlog te verbannen uit hun land.’’ Mijn ogen fonkelden. ‘Dus ik moet ook een parallelle wereld creëren door te fantaseren?’ Pastoor Eboris hield zijn hoofd schuin. ‘’Dat is iets wat ik niet weet mijn kind, ik ken het boek, noch de theorie ervan niet. Ik weet alleen dat jij het kan. Wij zijn te oud, hebben teveel meegemaakt. We zijn ons kinderlijke onschuld kwijt. Maar jij, jij bezit het nog. Ondanks de oorlog heb jij de kracht er iets moois en wonderlijks van te maken. Een wonderlijke wereld.’’ De pastoor keek naar de lucht waar enkele zwaluwen vlogen. Spelend met de zuchten van de wind die blies. Ik ging bij de muur staan en probeerde uit wat ik in het boek had gelezen. Ik fantaseerde de muur die langzaam oploste. In het midden van de leegte toverde ik een grote leeuwenkop met een zwaar hengsel tussen zijn scherpe tanden. De kop hing aan een

30


grote houten deur, omringt met guirlandes en ornamenten. Ik sneed zelf de figuren van de mystieke taferelen uit het hout en bewerkte het steen, waarvan de zuilen gemaakt waren. Ik doopte de woning tot het huis van de waarheid, Huize Veritas. Een kronkelende stroom rook verliet de hoge schoorsteen en verspreidde de lucht van verse groentesoep met veel selderij en bieslook. De geur vulde de ruimte. Ik plaveide de grond met een mahoniehouten vloer. De meubels maakte ik zelf en stopte de zware boekenkast vol met de boeken die ik tijdens mijn verblijf in de aardappelschuur had gelezen. Toen opende ik mijn ogen. De witte barrière was een mist van dauwdruppels geworden. De zon gaf ze kleur en mijn gedachten de vorm. De mist steeg langzaam op en toonde het prachtige oude huis, geflankeerd door dikke oude bomen. Ik voelde een warme hand op mijn schouder. Samuel Bruere stond met tranen in zijn ogen te kijken naar zijn huis waar hij zijn hele leven had gewoond. ‘’Dank je wel mijn kind’’ zei hij met een zware trillende stem, terwijl hij langzaam naar zijn huisje schuifelde. ‘’Mijn prachtige huis. Je bent er weer’’, zuchtte hij terwijl hij ging zitten bij zijn oude vertrouwde haardvuur. Verenigd. Voorbij de mist, aan de andere kant van het ijs, stond de witte man naar de voetstappen in de heide te kijken. Volgens bronnen had er een meisje door het bos gelopen met de lang verloren Wegwijzer. Een ivoren buisje met daarin een kaart dat leidde naar de schuilplaats van de Veritas, een genootschap dat zich bezig hield met alchemie en verzonnen werelden. Een van de vele verdoemde pogingen zijn macht te ondermijnen. Iets dat volgens de witte man onmogelijk was. Maar het gehele genootschap was inmiddels al uitgeroeid. Hoe kon een klein onbekend meisje er dan van weten. Ergens zat het hem niet lekker. Ze moesten dat meisje vinden en elimineren. Er mocht geen spoor overblijven van het genootschap. Ze moesten en zouden hun plannen vernietigen. Verbeten en vol woede keek hij naar het huize Veritas, waarvan nog maar een klein hoopje smeulend as over was. Gewikkeld in een mist van rook en dauwdruppels. De witte man stak zijn hand in de lucht en gaf orders om ook de rest van het bos in brand te steken. Het kleine meisje had geen schijn van kans.

31


32


Hoofdstuk 6 De dichte rook die het bos omringde zweefde op. De frisgroene bladeren in lente kleurden de omgeving rond huize Veritas, het huis, de aardappelschuur en de mysterieuze heide die nu mijn thuis was geworden. Met het schilderen van het bos op de witte muur was de horizon een stuk groter geworden. Het bos zou het nodige eten verschaffen en de ruimte van voldoende zuurstof voorzien. De eerste mensen konden de wereld nu betreden. Maar eerst was het tijd om uit te rusten. Ik plantte mijzelf tussen het pas getoverde stro en keek rond de wereld die zich vulde met dieren. Vogels, herten, konijnen. Allemaal verschenen ze alsof deze wereld slechts een verlengde was van de aarde. Ik miste mams en paps. Wat zou ik ze graag weer bij me hebben. Maar ik had geen enkel idee hoe ik ze hier moest krijgen. Het antwoord stond waarschijnlijk wel in het boek. Maar die lag nog thuis in de oude aardappelschuur onder de grond. De enige mogelijkheid was het boek te vinden. Maar daarvoor moest ik de wereld uit. Ik sprintte naar Pastoor Eboris die, samen met Samuel Bruere, bezig was met het schilderen van het dorp op de wand. ‘Pastoor Eboris, ik moet terug naar de echte wereld.’ vertelde ik, deels buiten adem. De pastoor keek verschrikt om. ‘’Hoezo kindje, je kunt niet terug. Er is alleen een doorgang, geen uitgang.’’ Ik keek de pastoor met verdrietige ogen aan. ‘Maar ik weet niet hoe ik de mensen hier moet krijgen. Het staat vast in het boek van ome Sam. Maar die ligt thuis.’ De pastoor opende zijn mond om iets te zeggen maar Samuel was hem voor. ‘’Meisje, als je denkt dat je naar de wereld terug moet, dan moet je dat doen. Wij kunnen je daar niet bij helpen, wij weten de weg niet. Maar misschien dat iemand anders je kan helpen.’’ Samuel floot op zijn vingers. Uit een van de bomen vloog een witte uil op. Zijn wiekslagen veroorzaakten een windzucht die het gras liet buigen. Zonder gewicht daalde hij neer op de schouder van Samuel. Pastoor Eboris en ik keken hem verwonderd aan. ‘’Dit is Hibou. Hij heeft mij hierheen gebracht toen de witte man mijn huis plunderde.’’ De sneeuwuil verschool zich schamend onder zijn vleugel. Kleine geluidjes koerend. ‘’Hij heeft me de weg laten zien. Zonder hem was ik hier nooit gekomen.’’ Samuel aaide over de veren van Hibou, die

33


zijn kop stevig tegen zijn hand aan drukte. ‘’Misschien kan Hibou je de weg terug wijzen, als hij er zin in heeft. Mij heeft hij nooit verteld waar de uitgang is. Hij is nogal koppig, maar misschien kun jij beter met hem omgaan.’’ De uil vloog op en landde op mijn hoofd. Hij danste, en maakte kriebelende bewegingen met zijn pootjes. Ik giechelde luid. Toen vloog hij op en verdween in het bos. Ik twijfelde geen moment en rende, al wuivend, achter Hibou aan. ’Ik ben zo snel mogelijk weer terug, hopelijk met meer mensen’, schreeuwde ik terug. De pastoor rende achter het meisje aan om haar tegen te houden, maar zijn oude botten konden het lenige en behendige meisje niet bijhouden. ‘’Maar je kunt niet naar huis’’ riep hij met vermoeide uithalen. ‘’Het is er niet meer. Je huis is hier!’’ Na wel een half uur rennen door het grote bos hield Hibou eindelijk op met vliegen. Hij ging zitten op een heel dun berkentakje dat gevaarlijk ver doorboog onder zijn gewicht. Met zijn vleugel wees hij naar een frisgroene plek in het zand. Het was een perfect rond stukje sterremos dat kleine druppeltjes dauw had gevangen. Vreemd genoeg was het al laat in de middag. Tegen deze tijd zou het dauw al moeten zijn opgelost. Ik streek met mijn vinger over het sterremos en proefde een van de dauwdruppels. Het smaakte zilt. Voorzichtig ging ik in het zachte bed zitten. Hibou had zijn ogen gesloten en stond op één poot op het gevaarlijk dunne takje. Kleine zoete geluidjes verlieten zijn keel. Ik keek om mij heen. De bomen en het bos keken mij aan, alsof ze me wilden vertellen waar ik was. Alsof ze alles deden om een bepaalde herinnering naar boven te brengen. Plotseling viel er een glazen parel uit de lucht en belandde in het sterremos. Het leek een traan of regendruppel. Opeens herinnerde ik me waar ik was. Dit was het bankje sterremos waar ik had gelegen en bijna de hoop had verloren. Maar op de een of andere manier werd ik gesterkt en kon ik verder. De warme lenteregen had me ontwaakt. Er vielen meer tranen uit de hemel. Eén voor één landden ze op het sterremos, dat voor elke druppel een buiging maakte. Een sluier van dauw daalde neer over het markante plekje in het bos, dat altijd groen was. Een dun laagje water glinsterde op mijn huid, en doorweekte mijn kleren. Ook Hibou kreeg de volle laag. Hij had zich heel dun gemaakt om het water zoveel mogelijk te ontwijken. Met een oog open keek hij om zich heen, alsof hij wilde controleren of ik nog steeds op de plaats

34


zat. De waas van tranendruppels werd steeds dichter. Het bos om mij heen vervaagde in strepen, met lange druipende uithalen. Een uitgelopen schilderspalet. Het verloor zijn kleur in de schittering van de druppels, die net diamanten leken. In hun onbreekbaarheid slepen ze de kleurrijke huid van de wereld weg en lieten zwartgrijze littekens over. Plotseling verdween de regen, zo snel als het gekomen was. Een verhulde zon probeerde door het verkoolde bladerdek te kijken. Maar wat hij zag was niet fraai. Het eens zo mooie bos was verbrand. Zwartgeblakerd. De bladeren van smaragd lagen na te smeulen op de grond. En de prachtige stammen, die het pad door het bos markeerden, hadden iets van hun dominantie verloren. Het leven was eruit. ‘Hibou’, zei ik angstig. ‘Wat is hier gebeurd?’ Ik keek in de richting van het berkentakje. Maar de grote wijze witte sneeuwuil was verdwenen. In zijn plaats zat er een klein wit vogeltje luid te tsjilpen. Het vloog op en beschreef ellipsen. ‘Hibou, ben jij dat?’, vroeg ik aan het kleine beestje. Het witte vogeltje landde op mijn hoofd en trappelde met zijn pootjes. Het was hem! ‘Dus jij hebt mij al die tijd gevolgd, jij hebt me naar de wereld gebracht.’ Hibou verschool zich onder zijn vleugels, alsof hij zich geneerde voor zijn undercover actie. Ik stond op en zette hem op mijn schouder. Voorzichtig aaide ik het kleine witte vogeltje over zijn kopje. ‘Bedankt Hibou, voor je hulp. Zonder jou had ik al dat moois nooit gevonden.’ Hij floot luid. ‘Nu moeten we eerst het boek van Ome Sam vinden, en snel. Aan deze resten te zien is de witte man bezig. Er mogen niet meer mensen worden vermoord.’ Plotseling moest ik aan Isaac denken. Voor hem was het al te laat. Als ik eerder was geweest had ik hem misschien nog kunnen redden. Ik huiverde en probeerde die gedachte weg te wuiven. Het was nu geen tijd om aan de dingen te denken die niet meer konden. Het was tijd om verder te gaan. Het dal uit. Met grote passen stapte ik door de as. Het kraakte jammerlijk onder mijn voeten. Ik ploeterde door de dood, onbewust zoekend naar leven. Het pad was niet meer te onderscheiden van de rest van het bos. De vernietiging had alles getroffen. Zelfs de horizon leek verdwenen achter het rokende grijze scherm. Toch verschenen hier en daar, deels verhuld door zand en as, de kiezels van het verhardde pad dat naar het huis liep. Ik had er dikwijls hele mooie tussen gevonden. Sommigen bevatten glazen deeltjes, zodat je er doorheen kon kijken. Dan legde ik ze op de vensterbank in de zon. Er verscheen

35


dan een kleurenspel van licht in de woonkamer van de oude boerderij. Maar van het huis was niet veel meer over. Het likkende vuur had de laatste resten van het huis weggenomen en veranderd in stof. Ik moest even slikken. Dit was de plek waar ik was opgegroeid. Nu was het vernietigd. Plotseling schoot de schrik mij door het hart. Als het vuur het huis al had bereikt, dan was ook vast de aardappelschuur… Alsof ik werd opgejaagd door een roedel wolven rende ik naar het huisje onder de grond. Eenmaal aangekomen leek het alsof mijn hart even stil stond. Op de plaats waar eerst het luik verscholen zat, was nu een gapend gat te vinden. Het werd omzoomd door verkoolde planken en verschroeide lakens. De po hing hoog in de boom. Maar tussen die rotzooi zat een vrouw te zoeken naar overblijfsels. Ze had een wit schort aan vol grijze strepen van de as. Op blote voeten liep ze door de scherven, het haar bijeengehouden door een rode zakdoek. De zweetdruppeltjes parelden op haar huid, toen ze een blik bonen uit het zand viste. Ik herkende haar meteen en rende erheen. Het was Marie, de vrouw van Ome Sam. De tranen stroomden over mijn wangen toen ik de vrouw omhelsde van blijdschap. Ze schrok zo dat ze achterover viel. Even verscheen er een verschrikte blik op haar gezicht, maar dat veranderde in ontzetting en geluk toen ze mijn gezicht zag. ‘’Hoe kan dat, waar ben je geweest? O God, dank U’’ riep ze terwijl ze mij innig omhelsde. ‘’Je ouders waren zo ongerust. Ze dachten dat je was gegrepen door soldaten.’’ Ik keek haar aan. ‘Waar zijn mijn ouders nu?’, zei ik met een trillerige snik. ‘Ze hebben toch niets?’ ‘’Nee’’, zei Marie. ‘’Ze hebben niets, maar zijn nog wel erg ziek. Er is niets te eten of te drinken. En we zijn telkens op onze hoede voor de witte man.’’ Marie zuchtte en pakte mijn arm zacht vast. ‘’Kom, ik breng je snel naar je ouders terug.’’ Ik volgde haar gedwee en opgewonden, blij dat ik eindelijk mijn ouders weer zag. Ze zaten rond een klein kampvuurtje, samen met Ome Sam. Mams kookte zoals altijd het eten, en paps besprak iets met Ome Sam. Maar zo gauw ze Marie en mij in het oog kregen veranderde de stemming. Er weerklonk een luide gil door het bos toen mama me zag. Ze stootte haast de pan omver in haar sprint naar mij. Tranen van blijdschap en woorden van geluk galmden door het bos, terwijl ik omhoog werd gehouden en bijna plat werd gedrukt tussen mams en paps. Maar het was geweldig. Eindelijk, na die lange, lange tijd zag ik ze weer terug. Nadat ik ze al die tijd had

36


moeten missen. De verwelkoming kon mij niet lang genoeg duren. Maar opeens werd het ruw onderbroken door een schot. Een kogel schoot rakelings langs hen heen en plantte zich diep in de beschadigde stam van de verkoolde boom. We doken onmiddellijk op de grond. Een grote groep soldaten kwam, vanuit alle windrichtingen, aanstormen. Hibou floot schel en vloog op. Seinend naar de plek waar ik vandaan kwam. ‘Mams, paps, we moeten rennen. Snel.’ Ik trok hard aan hun kleding en gebood ze mee te gaan in het bos. ‘’Maar kindje, we kunnen het bos niet in gaan. Het krioelt daar van de soldaten. Als we nu willen vluchten, dan moeten we naar het dorp’’, riep papa uit. Ome Sam knikte, terwijl hij beschermend over Marie boog. ‘Nee, papa, we moeten het bos in. Ik weet… Ik weet een plek waar we heen kunnen, waar het veilig is.’ Hibou vloog gevaarlijk spiraliserend in de lucht, en floot dat de mannen dichterbij kwamen. Er luidde een tweede schot. ‘Alsjeblieft, vertrouw me. We moeten echt het bos in.’ Plotseling brak de wolkenlucht open. Een zonnestraal ontsnapte uit de rook. De ivoren koker spiegelde zijn inscripties. Ome Sam keek met grote ogen op. Opeens leek hij overtuigd. ‘We moeten naar haar luisteren, we volgen haar het bos in. Kom vlug.’ Een regen van kogels doorzeefde het verloren bos, terwijl iedereen het weifelend op het lopen zette. Met Hibou aan kop rende ik door de as, met mams hand nog steeds in de mijne geklemd. Aan alle kanten waren de soldaten nu verschenen en achtervolgden hen. ‘We moeten het bos in’, riep ik naar paps. ‘Naar het sterremos!’ Paps keek verbaasd op. ‘’Sterremos? Wat moeten we bij het sterremos schat.’’ Hij ontweek behendig een kogel. ‘Vertrouw me papa, ik leg het straks wel uit wanneer we er zijn.’ We passeerden in ongekende snelheid de ruïnes van de aardappelschuur en schoten, langs de boerderij, het bos in. De soldaten maakten bij iedere pas een inhaalslag, terwijl de totale munitie op ons werd afgevuurd. De ondergrond leek te bezwijken onder het gewicht van de mensen. Marie, Ome Sam en mams konden het tempo waarop gesprint werd haast niet bijhouden. Maar ze moesten door. ‘We zijn er bijna.’ In de verte verscheen het frisgroene sterremos, met zijn gevangen dauwdruppels. Ik dook er zowat op. ‘Snel, ga allemaal op het sterremos staan’, riep ik luid, terwijl ik het dauw over het oppervlak verspreidde. Maar er gebeurde niets. Er viel geen regen, geen traan. De wereld loste niet op. De soldaten gingen in een cirkel rond ons

37


staan, en richtten hun geweren. Wanhopig zocht ik naar mogelijkheden. Ik betastte het mos, zocht de lucht af, maar er was niets. Het leek een gewoon bankje sterremos. Hibou keek mij aan met een schuin hoofdje, alsof hij zich afvroeg hoe lang het nog ging duren voordat ik iets deed. Maar ik wist het niet. In alle commotie was ik het werkelijke doel van deze reis vergeten. Het boek van Ome Sam vinden. Met tranen in mijn ogen keek ik ze aan. ‘Het werkt niet paps, het lukt me niet.’ De woorden ebden weg in de ruimte. Paps sloeg een arm om mij heen en keek bang naar de lopen van de geweren die hem in grote getale aanstaarden. Marie huilde zachtjes. ‘Ik, ik had het boek van Ome Sam moeten zoeken. Maar ik was zo blij jullie weer te zien, dat ik het ben vergeten’, snikte ik. Papa keek me vol medelijden aan. Ome Sam schudde met zijn hoofd. ‘’Het boek is er niet meer.’’, zei hij. ‘’Het is vergaan tijdens de brand.’’ Ik keek hem aan met ogen zo groot als schoteltjes. Daar vervloog de laatste hoop. Vluchten konden ze niet meer. Het enige wat hun restte was een wisse dood. Ik keek naar de soldaten die klaar waren om te vuren. Een van hen, zonder geweer, had een wit gewaad aan. Het was de witte man. Hij had een brede glimlach op zijn gezicht, terwijl hij naar voren liep. ‘’Zo. Hier hebben we ze. De laatste leden van het Veritas genootschap. Het genootschap van de waarheid, laat me niet lachen. Maar het lijkt er toch op dat jullie de waarheid niet hebben gevonden hé. Ik was jullie voor.’’ De witte man liep naar mij toe. ‘’En nu denken jullie dat ik zo’n klein beest mijn plannen laat dwarsbomen? Neeh, nooit niet.’’ Ik keek in zijn donkere ogen die geen enkele emotie toonden. Ze waren nog leger dan het niets. Boos keek ik hoe hij zijn tirade voortzette. ‘’Tsja, ik moet jullie helaas melden dat ik jullie toch uit moet roeien. Maar dat laat ik mijn mannen wel voor me doen.’’ Hij streek mijn zijn vinger over een van de blinkende lopen van het geweer, en bekeek het stof op zijn vinger. ‘’Hopelijk laten jullie niet al te veel rotzooi achter’’ De witte man stak zijn hand op, en de geweren werden geladen. Het angstaanjagende getik echode door het bos. Ik sloot mijn ogen voor de knal, voelde mama’s hand in de mijne en papa’s hand op mijn schouder. Ik greep Marie’s hand vast die, verstrengeld in Ome Sams armen lag te snikken en te beven. Hibou sliep op mijn hoofd. Ik dacht terug aan pastoor Eboris en Samuel Bruere, die daar zaten te wachten tot ik terug kwam. In de prachtige wereld, ver weg in de nevelen verscholen. Ik dacht aan Hibou die cirkelend door de lucht

38


vloog. Hij liet vanuit de lucht een penseel op de grond vallen. Ik pakte hem op en schilderde. Ik schilderde mijzelf, samen met mams, paps, ome Sam, Marie en Isaac in een korenveld. We dansten, plukten klaprozen en verzamelden granen om er vers brood van te maken. Ik schilderde ze op de witte wand aan de horizon. Al het moois dat ik had meegemaakt werd geschilderd. En de oorlog, de witte man en de vele soldaten, zoekend naar zichzelf tussen het puin van hun leven, schilderde ik niet. Die wilde ik niet. Ik liet ze simpelweg‌ weg. De blinkende geweren gingen omlaag toen de soldaten zagen wat er zich op het sterremos bevond. Namelijk niets. In ÊÊn enkele oogwenk was het groepje mensen plots verdwenen, en lieten de witte man luidkeels schreeuwend en jammerend achter. Alleen bij het sterremos.

39


Langzaam kringelt de nevel voor mijn ogen weg en tovert licht op de dingen die in vergetelheid zijn opgelost.

40


Hoofdstuk 7 Het was alsof de nevel ineens verscheen, alsof de wereld ineens werd opgelost door duizend druppels. We zweefden over de heide met springende herten en dansende vlinders die gewichtloos de dauwdruppels te lijf gingen. En zo gauw we vlogen, zo gauw kwamen we ook weer neer op een glinsterend laagje ijs dat haast niet te onderscheiden was van de dichte mist om ons heen. ‘’Waar zijn we.’’, vroeg paps geschrokken en opgelucht tegelijk. Hij probeerde heel voorzichtig op te staan terwijl hij het ijs inspecteerde. ‘Dit is de overgang tussen onze wereld en de andere.’, vertelde ik. ‘Je moet eerst dit ijs over. Mij is verteld dat alleen mensen met een puur hart het ijs over kunnen steken. De rest zal er doorheen zakken in de zwarte diepte.’ Ik wees naar een wak en de zwarte kolkende massa die erin huisde. ‘Het komt omdat de goede en slechte daden vast zitten aan een persoon zijn ziel. De goede daden maken een ziel licht en de slechte daden maken de ziel zwaar. Hoe meer slechte daden iemand heeft, hoe zwaarder diegene is. En als je te zwaar bent, dan kun je dit ijs niet over.’ ‘’Zielenzwaarte.’’, fluisterde ome Sam zacht, terwijl hij bedenkelijk naar het dunne ijs keek. ‘Ja ome Sam, het heet inderdaad zielenzwaarte’, zei ik verrast. ‘Maar wees niet bang, wij kunnen het ijs over zonder probleem. Wij zijn vast licht genoeg.’ Ik zette een paar stappen op het ijs en trok mama en Marie aan hun handen mee. Het ijs kraakte niet. Op een gegeven moment volgden ook paps en ome Sam. Zonder enkel geluid liet het ijs de vele personen toe. Al schuifelend liepen we over het glas. Het duurde niet lang of het ijs ging over in land met gouden koren en bloemen. Kevers en woelmuizen schoten onder de halmen weg en verscholen zich in hun holen. In de verte verscheen een boerderij met daarachter een uitgestrekt bos en een groot korenveld met hoge halmen, waar pastoor Eboris en Samuel Bruere bezig waren met de laatste hand aan hun schilderij van het dorp. ‘Pastoor Eboris, Samuel, hier ben ik’ Verrast keken de twee om terwijl ze naar ons toe kwamen rennen. Het gezelschap sloeg elkaar in de armen, een teken van een jarenlange hechte vriendschap. ‘’Mam…pap’’, klonk het opeens door het koren. Met een schok sloeg ik mijn hoofd opzij in de richting van het geluid. Er steeg een luid gegil op uit de halmen. In

41


een kakofonie van schreeuwen en miljoenen tranen stortte Marie zich op de herkomst van het geluid in het veld. Isaac. Vol ongeloof keek ik toe hoe daar, totaal ongeschonden, mijn vriend stond. Tranen sprongen in mijn ogen. Ook ik kon niets anders doen dan hysterisch naar hem toe rennen en hem omarmen. Het werd een gezamenlijke groepsknuffel. Zelfs Hibou, weer in de gestalte van de wijze witte sneeuwuil, deed mee. Maar toch voelde ik dat er iets niet klopte. Er miste iets. Plotseling besefte ik de leegte. ‘Waar is Julia?’ Meteen viel de omhelzing uiteen. De tranen in tante Marie haar ogen veranderden van geluk naar verdriet. ‘’Ze is meegenomen door de witte man. Ze moet voor hem werken.’’ Marie barstte in tranen uit. Ome Sam kwam gelijk bij haar om haar te troosten. Hibou gaf kopjes. ‘’We moeten haar vinden’’, zei Isaac, terwijl hij hoopvol naar mij keek. ‘Ik kan haar op de wand schilderen’, zei ik luid en greep snel een penseel van de grond. ‘’Dat heeft geen zin’’, riep Samuel. ‘’Je kunt geen mensen schilderen. Ze moeten zelf, op hun eigen houtje, de weg vinden.’’ Ik keek Samuel verbaasd aan. ‘Maar hoe is Isaac hier dan gekomen?.’ ‘’Nou, je vertelde mij toch dat hij was gedood door het leger van de witte man? Hij was hier dus al in de buurt. Alle zielen komen dicht bij deze wereld. Het is alleen de kunst om het te vinden. Jij toonde Isaac de weg door hem hier te wensen. Dus hij wist hier te komen, op zichzelf.’’ Onmiddellijk keek ik naar Isaac en knikte. ‘Dan moeten we Julia ook de weg wijzen’, zei ik en greep Isaac’s hand. Samen renden wij richting het bos, terwijl mams luid schreeuwend ons verbood om te gaan. Maar deze keer moest ik ongehoorzaam zijn. Julia moest terug en ik had een plan om de witte man te slim af te zijn. De reis naar de stad duurde niet lang. Het was niet ver van het bos en het dorp. In de verte doemde de grote vierkante toren op, welke de residentie van de witte man vormde. Het gebouw was gemaakt van grote keien en bekleed met grijsbruin leem, die het gebouw een massief uiterlijk gaf. De kleine ramen die, hier en daar, door de dikke wanden kwamen waren haast niet zichtbaar. Het leek een blok. Een ondoordringbare rots. Maar aan de andere kant van het gebouw was het aanblik heel anders. Daar leek het gebouw meer op een grote villa dan een fort. Voor het gebouw was een grote tuin ingericht met vele doolhoven. Een grote marmeren fontein met

42


metershoge waterspuwers rees boven het groen uit. Een partij trappen kroop naar boven en verschafte toegang tot twee smeedijzeren deuren met donkergrijze deurknoppen en een massief zilveren deurklopper. De deur stond op een kier. Met Isaac nog steeds aan de hand slopen we naar binnen. De deur gaf toegang tot een grote imposante foyer met twee houten trappen die naar een oneindige rij deuren liep. Achter een van die deuren was vast de witte man te vinden. Helaas stond bovenaan de trap een bewaker te ijsberen. Daar konden ze onmogelijk langs komen. Ik keek om me heen voor opties. ‘Wat moeten we doen Isaac? Hoe komen we boven?’ Ook Isaac inspecteerde de ruimte. In de hoek vond hij een kar met daarop een aantal dienbladen. Hij snelde ernaar toe en legde een paar overgebleven etenswaren op de borden. Hij greep een paar bloemen uit de vazen, die de trap flankeerden, en legde ze naast het bord. Vlug duwde hij een dienblad in mijn handen en snelde naar de trap. ‘’We doen alsof we zijn hulpjes zijn. Laat mij het woord doen.’’ Zonder te twijfelen volgde ik Isaac. Ik moest onmiddellijk denken aan de avonturen die we in het bos hadden beleefd. De hutten, tunnels en geheime schuilplaatsen die we hadden gemaakt. Isaac was altijd al bijzonder vindingrijk geweest. En dapper. Bijna zonder geluid liep ik de trap op. Isaac was inmiddels al bij de bewaker. Hij vertelde dat ze beide nieuw waren en de witte man eten moesten brengen. Het was een bevel, maar ze wisten de weg naar zijn kantoor niet. De bewaker keek twijfelend, maar liet ons toch door. Zonder een blik te wisselen werden wij een deur door geleid, waarachter zich het kantoor van de witte man bevond. Onmiddellijk werd mijn aandacht getrokken door een meisje dat de voeten van een man masseerde. Het was Julia. Ze keek op toen ze ons zag, maar zei niets. Het leek alsof ze doorhad dat wij iets van plan waren. De man draaide zich slaperig om toen hij de deur dicht hoorde gaan. Met een luid gekreun kwam hij overeind, de divan luid krakend onder het gewicht. Hij wreef over zijn buik en krabde aan zijn achterste. Met veel moeite deed hij zijn mond open om iets te zeggen. ‘’Jah?’’, was het enige woord dat hij kon uitbrengen. Isaac stapte naar voren en deed het woord. Ik keek rond in de ruimte. Het was een eenvoudig kantoor met grote ramen. Veel rijkdom was er eigenlijk niet. Het was overduidelijk het werkkantoor van de witte man. Het bureau was bezaaid met kaarten en geschriften. De wanden werden bekleed met geo-

43


grafische schilderingen en planken met een enorme boekencollectie. Ook lagen er kisten, waarvan enkele open stonden. Ze waren gevuld met juwelen. Waarschijnlijk allemaal gestolen van de mensen die onder zijn gezag waren bezweken. En daar, op de divan, zat de man de het allemaal veroorzaakt had. Ik stapte naar voren en legde het dienblad op de tafel. Het liefste wilde ik het, met glas en al, in zijn gezicht gooien. De man ging op het puntje van zijn stoel zitten. ‘’Ik heb al gegeten’’, zei hij luid. ‘’’Wat komen jullie doen?’’ Hij trok zijn ogen tot spleetjes en observeerde mij van top tot teen. ‘’Ken ik jou niet ergens van?’’ Plotseling stond hij op. ‘’Jij bent dat meisje van het genootschap!’’ Onmiddellijk kwam hij naar mij toe rennen. ‘’Bewakers!’’, gilde hij door de ruimte, terwijl hij mij bij mijn haren greep en omhoog trok. Twee soldaten kwamen de kamer binnen en grepen Isaac en Julia vast. Ik kon alleen maar glimlachen. ‘Isaac, Julia, grijp mijn hand’, schreeuwde ik terwijl ik mij los wist te schudden. Als in een reflex doken de soldaten op mij en lieten Isaac en Julia los. Onmiddellijk greep ik hun handen vast, terwijl ik tegen de grond werd gedrukt door de twee soldaten en de dikke witte man. Ik staarde naar het plafond en fantaseerde dat het één van de witte wanden was in de wonderlijke wereld. Ik schilderde ons allen erop. Ik, Julia, Isaac en de witte man met zijn soldaten. Allemaal schilderde ik ze. Het plafond begon verf te druipen. Kleine drupjes vocht dropen langs de wanden op de vloer. Van schrik liet de witte man mij los en stond op. ‘’Ze is een heks’’, gilde hij als een dikke keukenmeid. De wanden begonnen uit te lopen en het uitzicht naar buiten verging in strepen. De witte man vluchtte naar de deur, maar de toegang was verdwenen. Ik verwonderde mij hoe snel hij zich nog kon voortbewegen met al dat overtollige gewicht. Hij grabbelde in zijn broekzak en haalde er een groot geweer uit. Onmiddellijk schoot hij. Julia gilde. Het geluid echode door de ruimte vol mist. Ik voelde een warme vloeistof langs mijn lichaam stromen. Mijn adem stokte, maar mijn bewustzijn was helder. Helderheid in de mist. Het ijs kraakte jammerend en begon scheuren te vertonen. ‘Rennen’, riep ik naar Julia en Isaac, terwijl ik nog steeds tegen de ijzige grond werd gedrukt. Het plasje bloed werd steeds groter en droop door de scheuren van het ijs. Plotseling begaf het ijs het. Even voelde ik mij gewichtloos, maar stortte daarna, samen met de soldaten, in de donkere massa. Ook de witte man stortte omlaag, zich vastklampend aan een stuk ijs.

44


Gillend. Oorverdovend gillend. Het duistere water verzamelde zich rond mijn bloedend lichaam. Het kwam al tot mijn lippen. De soldaten verloren hun grip op mij in hun poging hun leven te redden. De doodsangst weerspiegelde in hun ogen. Maar er was geen weg terug. Ze gingen kopje onder en verdwenen. Opeens voelde ik een hand om mijn been. Het was de witte man. Met ogen zo groot als schoteltjes keek hij mij aan vanonder het wateroppervlak. Zijn bolle wangen bevatten lucht, maar te weinig om te bewegen. Zijn lichaam kon zich niet langer verzetten tegen de ademhalingsreflex. Hij sperde zijn grote hongerige mond open en zoog het water naar binnen. Zijn lichaam schokte, terwijl zijn grip kracht verloor. Twee halfdode ogen keken mij aan terwijl zijn lichaam verder naar beneden zakte. Het witte gewaad zweefde als een opbollend zeil in het gewichtloze. Het zwart omhulde zijn lijk. De grote zilveren ketting van de cirkel met de streep glom in het laatste licht, totdat het ook verdween in de zwarte diepte. Hij daalde snel af, terwijl ik, zonder al dat gewicht van te zware mensen, omhoog zweefde. Het water en het ijs voorbij. Zelfs de nevel passeerde ik. Ik zweefde hoger en hoger, naar een oogverblindend fel licht die mijn ogen deed samenknijpen. Maar opeens was het voorbij. Met een schok kwam ik terecht op vaste grond. Ik tastte het oppervlak af in de verwachting dat ik ijs zou vinden. Maar in plaats daarvan voelde ik iets donzigs. Iets zachts. Ik opende mijn ogen en vond mijzelf tussen het koren en het gras. Het zonlicht weerspiegelde in het groen. Ik streek over mijn buik. De schotwond was verdwenen, net als de pijn. Wie sterft voor een ander sterft niet. Verbaasd stond ik op en schuifelde door de halmen. In de verte zag ik een groepje mensen staan. Ze renden naar mij toe. ‘’Daar ben je, gelukkig’’, hoorde ik mama zeggen. Er volgde wederom een groepsknuffel. Maar ditmaal compleet. ‘’Wat is er gebeurd’’, vroeg paps terwijl hij mij stevig tegen zich aan drukte. ‘Het was de witte man. Ik heb hem de weg naar onze wereld gewezen.’, zei ik. Er verscheen paniek in de ogen van de pastoor. ‘Maar hij was te slecht. Hij was te zwaar. Hij is door het ijs gezakt.’ Er verscheen een glimlach op Samuels gezicht en opluchting op die van de pastoor. ‘’Heel goed mijn kind, verstandig’’, zei Samuel. ‘’Het is je gelukt.’’ Ik trok een grimas. ‘Ik weet hoe ik de mensen hier moet krijgen. Ik moet naar de wereld toe en ze in mijn fantasie hier schilderen. Dan verdwijnen ze naar onze wereld. Ze lossen op.’ Ik

45


keek vermoeid omhoog. ‘Maar voordat ze hier kunnen komen, moeten ze nog eerst het ijs over. Alleen goede en pure mensen zullen hier kunnen komen. Het kwaad bestaat hier niet.’ Ik sloeg mijn arm nog strakker om mams en paps heen. ‘Het is gelukt’’, fluisterde ik zacht. Gelukt. Ik zuchtte diep en keek rond in de prachtige gevulde wereld, terwijl ik genoot van de compleetheid, de liefde en het pure geluk achter nevel.

46


47


Epiloog Ik aaide over het sterremos, te midden tussen de verkoolde bomen waarvan enkele wortels al weer de eerste nieuwe loten begonnen te vormen. Sommige hadden zelfs al blad. Het was lang geleden dat ik voor het laatst op de aarde kwam, maar het aanblik was verrassend. De wereld herstelde zich weer na al dat kwaad. Nu de witte man weg was hadden de meesten het leven weer opgepakt. Het dorp werd herbouwd en de vrede in het land hersteld. Niemand begreep waar de witte man zo plotseling was gebleven. Het leek een wonder, en dat moest het ook blijven. Totdat ik, een klein meisje, naar hen toekwam met de vraag of ze de wereld wilden verlaten voor iets anders, iets mooiers. Waar kwaad niet kan leven en waar geen ziekte of pijn heerst. De meesten gingen mee onder de voorwaarde dat ze mensen mee mochten nemen. Anderen geloofden het niet en sommigen wilden niet weg van de aarde. Soms ging ik onverrichte zake weer terug. En het was erg vermoeiend. Er waren zoveel mensen op de wereld. Zelfs in een heel leven kon ik ze niet allemaal weg krijgen. Dus moest er een andere oplossing komen. Met een diepe zucht stopte ik het laatste papiertje in het kokertje. Op het perkament stond een kaart, welke de weg wees naar de mysterieuze plek in het bos, die toegang verschafte tot de wonderlijke wereld. Ik gaf het kokertje aan een witte sneeuwuil, genaamd Hibou. Hij zou gaan vliegen en het kokertje op een bepaalde plek laten vallen. De mensen zouden de kaart vinden en misschien de tocht naar de wonderlijke wereld maken. Ik aaide over de witte zachte veren van de sneeuwuil. Hij riep naar de rest om duidelijk te maken dat ze klaar waren voor de tocht rond de wereld. Duizenden uilen antwoorden opgewonden terug en stegen op. De start van de vlucht veroorzaakte een enorme windvlaag dat het bos uit zijn slaap ontwaakte. Mijn haren wapperden in de wind. Ik keek toe hoe de witte verenkleden de zon weerspiegelden. Als gouden vogels. Langzaam verdwenen ze aan de verre horizon. Ik glimlachte en wenste de uilen alle geluk en succes toe. ‘’Tot snel mijn vrienden, tot snel.’’ En terwijl ik mijn tocht terug naar de wonderlijke wereld vervolgde viel er een ivoren kokertje, ergens op de wereld, naar beneden.

48


Blinkend landde het op het zand, vlakbij de zee waar de zon onder ging. Een klein meisje, ongeveer net zo oud als mijzelf, wandelde met haar ouders op het strand. Het kokertje met de kaart trok onmiddellijk de aandacht. Met haar kleine vingertjes probeerde het meisje het ivoren kokertje te openen. Voorzichtig haalde ze het papiertje eruit. Het was een stuk fragiel perkament met een simpele kaart, leidend naar een kruis in het bos. Het papier ontrolde zich, tevreden zuchtend. ‘’Kijk mam, kijk pap. Wat is die plek in dat bos? Waar… leidt die kaart heen?’’

49


50

Po-e-zine 11. Creativiteit  
Advertisement