Page 1

Leugendetectie in het strafproces

Begeleiding: mr. A. van den Herik

Vincent de Haan (5795591) Andeskondor 17 1704TB Heerhugowaard 06-40909050 vincentdehaan@gmail.com

april 2011


0. Inleiding Dit bacheloressay gaat over leugendetectie in het strafproces. Ik zal eerst een kort overzicht geven van verschillende methoden van leugendetectie. Daarna zal ik de jurisprudentie in Nederland, Straatsburg en BelgiĂŤ bespreken. Ten slotte zal ik beoordelen of leugendetectie toelaatbaar is in het Nederlandse strafproces. Hoewel de toepassing van leugendetectie ook wel wordt gesuggereerd bij (onder meer) gedetineerden en infiltranten van de politie, zal ik hier niet specifiek op ingaan.


1. Methoden van leugendetectie Leugendetectie houdt de mensheid al lange tijd bezig. 1 Er zijn auteurs die gewezen hebben op het placebo-effect van de leugendetector. 2 Toch is er veel studie verricht naar de werking en effectiviteit en lijkt de leugendetector minstens een zekere betrouwbaarheid te hebben. Op het moment zijn er verschillende methoden in gebruik, die zich laten onderscheiden naar de technische hulpmiddelen en de manier van vragen stellen. Ik zal deze methoden en hun betrouwbaarheid bespreken. a. De polygraaf en de controlevragentechniek Een polygraaf (letterlijk: veelschrijver) is een machine die een aantal fysiologische parameters van de verdachte registreert, waaronder hartslag, ademhaling, geleiding van de huid (een maat voor het zweetgedrag) en bloeddruk. Bij de controlevragentechniek worden afwisselend vragen gesteld waarvan het antwoord bekend is (de controlevragen) en vragen waarvan men het antwoord wil onderzoeken (relevante vragen). Men stelt vast welke reactie optreedt bij het spreken van de waarheid (vastgesteld naar aanleiding van de controlevragen) en vergelijkt deze met de reactie die optreedt bij het beantwoorden van de relevante vragen. Zijn de reacties verschillend, dan veronderstelt men dat de verdachte liegt bij het beantwoorden van de relevante vragen. Deze methode wordt het meest gebruikt, maar is maar mager theoretisch onderbouwd. 3 b. De polygraaf en de schuldige-kennistechniek Een gebruik van de polygraaf dat beter theoretisch onderbouwd is, is de schuldigekennistechniek. Hierbij worden meerkeuzevragen gesteld en gaat men ervan uit dat de verdachte op het aanhoren van het juiste antwoord anders reageert dan op het aanhoren van de andere antwoorden. Dus niet zozeer het effect van het (bewust) liegen wordt gemeten, maar het feit dat bepaalde kennis (daderkennis) bij de verdachte aanwezig is. Er is eerder sprake van geheugendetectie dan leugendetectie. Dan is wel vereist dat deze kennis niet                                                             1

Zie voor een kort historisch overzicht Bockstaele 2001, p. 5. Nanninga 1993 3 Meijer 2004, p. 174 2


eerder in de openbaarheid is gebracht. 4 Het voordeel van de schuldige-kennistechniek is dat de kans op ten onrechte positief (stellen dat de verdachte liegt, terwijl hij waarheid spreekt) klein is als men voldoende vragen stelt. Het is immers erg onwaarschijnlijk dat iemand die geheel onwetend is, telkens toevallig het sterkst reageert op het goede antwoord. Deze techniek leidde in 15 studies gemiddeld tot 80,6% nauwkeurigheid bij het vaststellen van schuld en tot 95,9% bij het vaststellen van onschuld. 5 c. Hersenonderzoek en de controlevragentechniek Waar de polygraaf gevolgen meet van een bepaalde neurologische toestand, kan een fMRIscan deze neurologische toestand zelf meten. Indien een proefpersoon liegt, licht het hersengebied dat gerelateerd is aan onderdrukken (‘inhibitie’) op de fMRI-scan op. Bij het (naar waarheid) beantwoorden van een controlevraag gebeurt dit niet. Het onderzoek is echter slechts uitgevoerd bij proefpersonen die, anders dan sommige verdachten, zich niet in het liegen hadden geoefend. 6 d. Hersenonderzoek en de schuldige-kennistechniek Ook de schuldige-kennistechniek is toegepast met behulp van hersenonderzoek, in dit geval het EEG. Deze techniek wordt gebruikt door Larry Farwell, die haar gepatenteerd heeft. Hij noemt deze techniek ‘brain fingerprinting’. 7 Een dergelijke methode is beter bestand tegen tegenmaatregelen die een (getrainde) verdachte kan nemen om zijn kennis te verhullen. 8 e. Overige technieken Naast de bovenstaande, zijn er nog meer technieken, zoals warmtegevoelige camera’s en stemanalyse. Er is tegenwoordig zelfs een Leugenacademie 9 , waar mensen getraind worden om leugens te ontmaskeren. Op deze technieken ga ik echter niet verder in.                                                             4

Meijer 2004, p. 176 Elaad 1998, p. 168 6 Meijer 2008, p. 47-51 7 www.brainwavescience.com 8 Elaad 1998, p. 183-184 9 www.leugenacademie.nl 5


f. Percentages in perspectief Vooral de percentages onder b genoemd geven op het eerste gezicht geen aanleiding tot twijfel aan de betrouwbaarheid van leugendetectie. (Vergelijk bijvoorbeeld de Osloconfrontatie, die zowel tijdens de opsporing als de bewijslevering als nuttig gezien wordt, en die onder zeer gunstige omstandigheden 69% succesvol is. 10 )

2. Leugendetectie in Nederland Hoewel het gebruik van de leugendetector in Nederland niet voorkomt, is het de afgelopen decennia wel een aantal keer in de rechtszaal ter sprake gekomen. Ik zal hier een overzicht geven van de te onderscheiden gevallen. a. Ontlastend bewijs Ontlastend bewijs niet hoeft te voldoen aan de eisen van art. 338 Sv: de bewijsmiddelen hoeven niet wettig te zijn, en ook hoeft de rechter niet overtuigd te worden van de onschuld. Twijfel aan de schuld is voldoende. In 1984 heeft de Hoge Raad deze opvatting bevestigd in een arrest 11 over de toelaatbaarheid van hypnose als ontlastend bewijs. Zowel door de verdediging als door het Hof wordt benadrukt dat (1) de verdachte zelf opdracht heeft gegeven tot dit onderzoek, (2) hij van tevoren uitvoerig is voorgelicht over het onderzoek, en (3) hij zelf de vrijheid had in hoeverre hij de verklaring in het geding zou brengen. De Hoge Raad maakt hier verder weinig woorden aan vuil en komt met een formule (r.o. 4.3) die later ook toepasbaar blijkt: “..., dat geen rechtsregel de aanvaarding van hetgeen tot ontlasting van de verdachte dient afhankelijk stelt van bewijsmiddelen zoals voor het bewijs van het ten laste gelegde zijn vereist, en dat ook art. 29 Sv – geschreven ter bescherming van de verdachte – niet ertoe strekt die aanvaarding te belemmeren.”                                                             10 11

Kerstholt 1997, p. 272. HR 16 juni 1984, NJ 1985, 137, m.nt. ThWvV.


Met dit arrest lijkt de Hoge Raad de deur voor de verdediging open te zetten om allerlei exotische bewijsmiddelen aan te wenden. Er treedt echter een complicatie op wanneer deze bewijsmiddelen verkregen moeten worden. Indien men een verzoek doet op grond van art. 328 Sv, voert de rechter een strenge noodzakelijkheidstoets uit. Dan blijkt ineens dat – zonder omhaal van woorden – leugendetectie en hypnose dezelfde (niet hoge) betrouwbaarheid hebben. 12 Dit is zonder verdere toelichting onbegrijpelijk nu beide technieken een andere wetenschappelijke achtergrond hebben. Bovendien speelt nu ook een rol dat verklaringen niet in strijd met art. 29 Sv mogen worden afgelegd. Bij hypnose kan niet worden uitgesloten dat verklaringen niet in vrijheid zijn afgelegd. 13 Ook hier wordt de leugendetector gelijkgesteld. (Merk op dat dit niet per se onbegrijpelijk is, aangezien het hier gaat om een juridische kwalificatie en niet om een wetenschappelijke.) In een ander arrest stelt de Hoge Raad dat de onbetrouwbaarheid van de leugendetector zelfs van algemene bekendheid is. 14 Telkens wordt wel opgemerkt dat de verdediging zelf een onderzoek mag organiseren, waarvan de uitslag als schriftelijk bescheid of als verhoor van een deskundige als ontlastend bewijs kan dienen. Het lijkt er echter niet op dat van deze mogelijkheid gebruik gemaakt is. b. Uitleveringszaken Dat in Nederland leugendetectie niet gebruikt wordt, wil niet zeggen dat dat in het buitenland net zo is. Vooral in de Verenigde Staten is het een populaire methode. Indien de Nederlandse rechter een verzoek tot uitlevering moet beoordelen, gaat hij in principe niet inhoudelijk op de zaak in. Toch wordt zijdelings opgemerkt dat het gebruik van een leugendetector geen “flagrante schending” 15 is van het EVRM.

                                                            12

HR 12 maart 2002, LJN AD8906, r.o. 5 (concl. A-G). HR 13 maart 1998, NJ 1998, 798, m.nt. JR. 14 HR 14 maart 2006, LJN AU5496 (Lucia de B.). 15 HR 1 april 2008, LJN BC8590. 13


c. Herziening Ook in herzieningszaken komt de leugendetector soms ter sprake. In 1993 heeft de Hoge Raad al uitgemaakt dat resultaten van psychologisch onderzoek, waaronder onderzoek met een leugendetector, in beginsel een novum kunnen opleveren. 16 Dan moet nog wel worden beoordeeld of, ware dit feit bekend geweest, dit tot een andere beoordeling van de zaak had geleid. Nu de rechter zeer kritisch kijkt naar resultaten van een leugendetector, kan dit niet snel worden aangenomen. In 2010 hakt de Hoge Raad de knoop door en stelt dat resultaten van een leugendetector nooit een dergelijk vermoeden wekken. 17 d. Belastend bewijs Er zijn geen aanwijzingen dat resultaten van een leugendetector ooit als belastend bewijs gebruikt zijn in Nederland. Wel heeft de Hoge Raad in hierboven besproken jurisprudentie laten weten dat dit in strijd zou zijn met de verklaringsvrijheid en dat deze opsporingsmethode niet op de wet gebaseerd is. e. Conclusie Resultaten van een leugendetector zouden in Nederland alleen gebruikt kunnen worden als ontlastend bewijs, dat door de verdediging zelf aangeleverd wordt. In de praktijk gebeurt dit echter niet; het is onduidelijk waarom niet.

3. Leugendetectie in Straatsburg Een aantal van de vragen die in Nederland aan bod zijn gekomen, is ook aan het EHRM voorgelegd. Dit hof is hier echter nooit erg uitvoerig op ingegaan. 18 In 1999 is al vast komen te staan dat de uitvoering van een leugendetectortest geen schending van art. 3 EVRM (het folterverbod) oplevert, zeker niet wanneer deze test                                                             16

HR 14 september 1993, LJN AZ6253 (Ina Post). HR 26 oktober 2010, LJN BO1730. 18 F. Goossens, Politiebevoegdheden en mensenrechten, p. 293 17


vrijwillig is afgenomen. 19 Het betrof hier overigens geen test ten behoeve van een strafrechtelijke procedure, maar ten behoeve van de behandeling van een gedetineerde. Over de vraag of leugendetectie in strafzaken mag of zelfs moet worden gebruikt, is het Hof minder duidelijk. Nu in Moskou regelmatig van een leugendetector gebruik gemaakt wordt, meende Beloborodov dat hij hier in Orsk ook recht op had. Het Hof wijst dit standpunt af, maar niet om principiële redenen. 20 In Kroatië is leugendetectie een bij wet geregelde opsporingsmethode. Toen zijn belagers na ruim zeven jaar nog niet waren opgepakt, klaagde Secic dat de Kroatische overheid niet alle middelen had aangewend om zijn rechten te waarborgen, nu verschillende opsporingsmethoden (waaronder leugendetectie) niet waren aangewend. Het Hof meende dat de overheid haar zorgplicht niet geschonden had, maar ging niet expliciet in op de mogelijk aan te wenden opsporingsmethoden. 21 Bragadireanu is de enige klager in Straatsburg die zelf aan een leugendetector is blootgesteld. Hij klaagt echter alleen over het feit dat er geen advocaat aanwezig was gedurende de leugendetectortest. Het Hof ziet hiervoor echter te weinig feitelijke grondslag en acht de uitslag van de test bovendien niet van doorslaggevend belang. 22 Wel opmerkelijk is dat het Hof de leugendetector het afgelopen decennium een aantal keer voorbij heeft zien komen, maar nooit alarm heeft geslagen. Dat doet dus vermoeden dat deze methode niet in strijd is met het EVRM. De Nederlandse praktijk, die deze methode niet toelaat, ook niet ter ontlasting, is echter ook uitdrukkelijk toegelaten.

                                                            19

EHRM 14 september 1999 (Toomey/UK). EHRM 21 oktober 2010, par. 48 (Beloborodov/Rusland). 21 EHRM 31 mei 2007 (Secic/Kroatië). 22 EHRM 6 december 2007 (Bragadireanu/Roemenië). 20


4. Leugendetectie in België Sinds het begin van de eenentwintigste eeuw wordt de leugendetector in het Belgische strafrecht met enige regelmaat toegepast. Aanvankelijk beriep men zich hiervoor op deskundigheid uit Canada en Zuid-Afrika, maar tegenwoordig heeft de belgische politie zelf daarvoor getrainde opsporingsambtenaren. Ook is er in 2003 een omzendbrief verschenen, waarin aanwijzingen staan voor het gebruik van de leugendetector.23 Ik geef een korte samenvatting van de belangrijkste aanwijzingen, voor zover juridisch relevant: •

Een verhoor met een polygraaf blijft een verhoor in de zin van art. 47bis Belgisch Wetboek van Strafvordering; in dit artikel wordt de gang van zaken van een “gewoon” verhoor geregeld.

Een onderzoek met een polygraaf moet noodzakelijk zijn en dient niet slechts ter bevestiging van reeds vaststaande feiten. Ook moet er een zeker niveau van verdenking zijn. Het is onduidelijk of dit precies overeenkomt met het begrip verdachte.

Een persoon moet van tevoren in kennis worden gesteld over de werking van de polygraaf en schriftelijk toestemming verlenen voor het onderzoek; ook wordt hij erop gewezen dat hij een advocaat mag raadplegen. Druk is niet toegestaan. Ook is niet toegestaan de weigering ten laste te doen gelden.

Het gehele verhoor wordt op video opgenomen en later uitgewerkt.

Van tevoren worden de vragen die gesteld worden doorgenomen. Dit impliceert dat wanneer de verdachte instemt met het polygrafisch onderzoek, hij ook weer waarmee hij precies instemt. Zo wordt de verklaringsvrijheid beschermd.

Voorts bevat de omzendbrief nog een groot aantal praktische aanwijzingen, die hier minder relevant zijn.

                                                            23

Omzendbrief COL 3/2003


In 2006 legt de A-G bij het Belgische Hof van Cassatie goed uit hoe leugendetectie in het Belgische strafprocesrecht kan worden ingepast en hoe moet worden omgegaan met eventuele mensenrechtelijke bezwaren: 24 •

Hoewel aanvankelijk gebruik werd gemaakt van Canadese deskundigen, wordt het onderzoek met de polygraaf tegenwoordig uitgevoerd door “speurders” van de politie. Het onderzoek moet dan ook worden aangemerkt als een verhoor en niet als een onderzoek door een deskundige. De A-G vergelijkt dit met een politieambtenaar die vaststellingen en analyses verricht, zoals onderzoek naar vingerafdrukken. Naar Belgisch recht treedt hij dan ook niet op in de hoedanigheid van deskundige.

In cassatie werd geklaagd dat geen tegenspraak gevoerd kon worden tijdens het vooronderzoek. Dit zou in strijd zijn met art. 6 EVRM. Dit is echter niet juist, aangezien ter zitting vrij tegenspraak gevoerd kon worden. 25 Dit had het Hof van Cassatie in een eerder arrest over de polygraaf ook al vastgesteld. 26

Op de vraag of de polygraaf een ongeoorloofd pressiemiddel is, antwoordt de A-G ontkennend, zo lang de verdachte zich er vrijwillig aan onderwerpt en deze vrijwilligheid ook daadwerkelijk bestaat. Dit houdt onder meer in dat de verdachte wordt voorgelicht over de werking van de polygraaf en dat aan zijn weigering geen negatieve gevolgen worden verbonden. Men kan de vraag stellen of dit laatste ook gegarandeerd kan worden. Een weigering zal toch minstens onbewust de indruk wekken dat de verdachte iets te verbergen heeft. Dit is echter niet anders dan bij de weigering deel te nemen aan een DNA-test (voor zover die vrijwillig is) of de weigering een verklaring af te leggen.

In de legaliteit ziet de A-G totaal geen probleem, aangezien de wet geen limitatief stelsel van onderzoeksmethoden voorschrijft. In principe is elke onderzoeksmethode geoorloofd als die “niet onverenigbaar is met de loyaliteit van de rechtspleging, met

                                                            24

Cass., 15 feb. 2006, A.C., 2006, nr. 95 De A-G citeert uit een onbekend arrest van 9 november 2000 waarin de formule wordt herhaald die wordt geformuleerd in EHRM 20 februari 1996 (Lobo Machado/Portugal). 26 Cass., 5 maart 2003, A.C., 2003, nr. 151 25


de grondrechten en met de grondbeginselen”. In het bewijsrecht geldt daarbij een vrije toelaatbaarheid van bewijsmiddelen, zodat aldus verkregen verklaringen ook tot het bewijs gerekend kunnen worden. Hier valt wel bij aan te tekenen dat de leugendetector een beperking zou kunnen zijn op het recht op privacy (art. 8 EVRM) en dat een dergelijke beperking op de wet gebaseerd moet zijn. Nu de leugendetectie op vrijwillige basis plaatsvindt, is dit probleem echter niet aan de orde. •

Ten slotte wordt de betrouwbaarheid besproken. De A-G laat zich niet uit over de betrouwbaarheid van de polygraaf, maar beschouwt de beoordeling hiervan als een taak voor de feitenrechter. Er wordt zeker niet uitgesloten dat deze tot de conclusie komt dat het bewijs voldoende betrouwbaar is.

Gezien het bovenstaande lijkt het erop dat, hoewel niet bij elk verhoor, de leugendetector in België toch een vaste plaats heeft ingenomen. Interessant is dat deze ontwikkeling zich in minder dan een decennium heeft voltrokken. Dit blijkt ook sprekend uit verschillende drukken van hetzelfde boek over Belgisch strafprocesrecht.


5. Conclusie Duidelijk is dat in Nederland de leugendetector momenteel niet wordt toegepast, maar niet duidelijk is waarom niet. De Hoge Raad schiet mijns inziens tekort in zijn argumentatie. De gelijkstelling van hypnose en leugendetectie lijkt mij misplaatst of ten minste onvoldoende onderbouwd. De discussie rond de leugendetector concentreert zich rond drie punten: de betrouwbaarheid, de verklaringsvrijheid en de mogelijkheid om, ook als leugendetectie als belastend bewijs onaanvaardbaar blijkt, dit als ontlastend bewijs op te voeren. Ten aanzien van de betrouwbaarheid is er binnen de psychologie enige discussie, maar over een zeker niveau van betrouwbaarheid is men het wel eens. Dat de Hoge Raad ervan uitgaat dat de onbetrouwbaarheid van algemene bekendheid is, lijkt mij dan ook misplaatst. Er is verschil van mening over de vraag of de verklaringsvrijheid voldoende gewaarborgd is door de verdachte van tevoren in te latem stemmen met de leugendetectie. De waarborg wordt vergroot door, zoals in BelgiĂŤ is voorgeschreven, ook de te stellen vragen van tevoren door te nemen met de verdachte. Onder deze voorwaarden lijkt de verklaringsvrijheid mij in voldoende mate beschermd. Nu de stand van het Nederlandse recht anders is, doet zich soms de vraag voor of leugendetectie dan wel als ontlastend bewijs mag worden aangewend. Dat is in beginsel toegestaan, maar lijkt in de praktijk niet voor te komen. Het is onduidelijk waarom niet. Ik zie, het bovenstaande in acht genomen, geen reden waarom het gebruik van de leugendetector onverenigbaar zou zijn met het Nederlandse strafprocesrecht. Goed gereguleerd gebruik, zoals dat nu in BelgiĂŤ plaatsvindt, zou dan ook zeker mogelijk moeten zijn.


Literatuur Bockstaele 2001 M. Bockstaele et al., De Polygraaf, Brussel: Politeia 2001. Elaad 1998 E. Elaad, The challenge of the concealed knowledge polygraph test, Expert Evidence 1998 (3), p. 161-187. Goossens 2006 F. Goossens, Politiebevoegdheden en mensenrechten, Mechelen: Kluwer 2006. Kerstholt 1997 J.H. Kerstholt, A. van Amelsvoort, Een vergelijking van confrontatiemethoden: Oslo, video en foto’s, Nederlands tijdschrift voor de psychologie 1997 (6), p. 265-277. Meijer 2004 E.H. Meijer, Leugendetectie en wetenschap: vriend of vijand?, De Psycholoog 2004 (4). Geraadpleegd via http://www.personeel.unimaas.nl/eh.meijer/backup/psycholoog.pdf. Meijer 2008 E.H. Meijer, H. Merkelbach, Leugendetectie: oude waarheden en nieuwe technologie, in: Technologie, cognitie en Justitie, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers (WODC) 2008. Nanninga 1993 R. Nanninga, De neus van Pinocchio. Hoe betrouwbaaris de leugendetector?, Skepter 1993 (6). Geraadpleegd via http://www.skepsis.nl/leugen.html.


Jurisprudentie: Hoge Raad der Nederlanden HR 16 juni 1984, NJ 1985, 137, m.nt. ThWvV HR 14 september 1993, LJN AZ6253 (Ina Post) HR 13 maart 1998, NJ 1998, 798, m.nt. JR HR 12 maart 2002, LJN AD8906 HR 14 maart 2006, LJN AU5496 (Lucia de B.) HR 1 april 2008, LJN BC8590 HR 26 oktober 2010, LJN BO1730

Jurisprudentie: EHRM EHRM 20 februari 1996 (Lobo Machado/Portugal) EHRM 14 september 1999 (Toomey/UK) EHRM 31 mei 2007 (Secic/Kroatië) EHRM 6 december 2007 (Bragadireanu/Roemenië) EHRM 21 oktober 2010 (Beloborodov/Rusland)

Jurisprudentie: Hof van Cassatie van België Cass., 5 maart 2003, A.C., 2003, nr. 151 Cass., 15 feb. 2006, A.C., 2006, nr. 95

Overig Omzendbrief COL 3/2003 (België)

Leugendetectie in het strafproces  

Bacheloressay van Vincent de Haan