Script+ nummer 2 juli 2015

Page 1

Script+ Online literair tijdschrift van schrijfschool Scriptplus

ZOMER! Bloedstollende YA-thriller van Cis Meijer Tiert de dichtkunst welig in de lage landen?

1


NIEUW JASJE

‘De andere familie Klein’ van Marieke Groen

Multatuli

Drs. P

‘Val’ van Cis Meijer

Interview met Katja Petrowskaja

‘Juliette’ van Thé Lau

In poëzie gaat het om de ‘weelde van wijdte’

Kort verhaal van Lynn Kentin, winnares schrijfwedstrijd

‘Zomer’ van Marcel van Maele

Samenstelling en productie : Vincent Corjanus © Scriptplus 2015

Op de valreep van de zomervakantie verschijnt dit tweede nummer van Script+. Wederom hebben wij een aansprekende selectie gemaakt van onze recente publicaties. We bieden hoogwaardig literair schrijfonderwijs aan, maar daarnaast waren er de afgelopen tijd masterclasses te volgen, verschenen er enkele afleveringen van ons boekenprogramma, interviews met buitenlandse schrijvers, boekrecensies en blogs. En laten we ook de vaste rubrieken 99W, Uitgelicht en Gedicht van de week niet onvermeld laten. Alles op de site. Binnenkort steekt onze site trouwens in een nieuw jasje. We gaan de literaire en de zakelijke site van onze schrijfschool samenvoegen. Het gehele aanbod vind je dan op één site: www.hva.nl/scriptplus Overzichtelijk en compleet. We hopen iedereen na de zomer weer te mogen begroeten! Fijne zomer. Jelle Jeensma, directeur Scriptplus

2


Door: Jelle Jeensma

3


Door: Jelle Jeensma

existentieel thema behandelen: ons geploeter om waardevolle relaties aan te knopen.

Hoop doet leven

Menselijke waardigheid

Deze roman grijpt je naar de strot De nieuwe roman ‘De andere familie Klein’ van Scriptplus-docente Marieke Groen is een adembenemend boek. In letterlijke zin: het beneemt je als lezer de adem. Niet vanwege spannende taferelen, maar door het geweld dat onderhuids voortdurend op de loer ligt.

De toonzetting van ‘De andere familie Klein’ borduurt voort op de vorige roman van Marieke Groen, ‘Liefde is een afspraak’. Ook dit is een beklemmend boek. Hierin wordt de geleidelijke verwijdering tussen twee geliefden beschreven. Marieke Groen schrijft boeken die ‘er toe doen’, die een

De personages in de romans van Marieke Groen weigeren hun (nood)lot lijdzaam te ondergaan. Nee, er is iets als menselijke waardigheid en die gebiedt dat we als povere schepsels ons stinkende best moeten doen om er iets van te maken. Te vechten voor ons zelf, te strijden voor het goed onderhouden van onze relaties.

In ‘De andere familie Klein’ is de hoofdpersoon het meisje Amber dat opgroeit in een liefdeloos gezin. Moeder is niet geïnteresseerd in haar dochter, vader is een zwijgzame man, die continu de dreiging van geweld uitstraalt. Met haar broertje onderhoudt Amber evenmin een goede relatie. De twee kinderen reageren zich op elkaar af. Hun is niet geleerd om zich liefdevol tot elkaar te verhouden.

4


Dwingelandij Dekking zoekt Amber buiten het gezin. Zo schuilt zij vaak bij haar grootouders, hoewel het daar ook niet helemaal pluis is. Opa blijkt een verborgen leven te leiden. Nadat hij is overleden, intensiveert Ambers contact met oma. Naar nu blijkt, ging oma gebukt onder de dwingelandij van opa. Nu hij dood is, voelt zij zich vrij. Amber is daar getuige van; oma strekt tot voorbeeld dat een bevrijdend bestaan mogelijk is. Amber trekt op met klasgenoot Jong en die relatie is ook al niet fijn. Het feit dat Amber op zeker moment afstand van hem neemt, doet hopen dat zij, opgroeiend tot jonge vrouw, oog krijgt voor wat goed voor haar is. En wat niet goed voor haar is. Dat zij door dit gerijpte inzicht straks als volwassene gezonde relaties aangaat, die kans van slagen krijgen. Zo blijft de hoop in stand. Er kan een ándere familie Klein komen, waarvan zij deel uitmaakt. Knagen Het taalgebruik van Marieke Groen oogt eenvoudig. Maar wij weten dat eenvoud slechts door grote inspanning tot stand wordt gebracht. Opmerkelijk is dat de personages afstandelijk worden aangeduid als ‘de moeder’, ‘de vader’, ‘het broertje’. Maar bij degenen met wie Amber zich wél verwant voelt, ontbreekt het lidwoord: het is ‘oma’ en ‘opa’. Je kunt aan ‘De andere familie Klein’ afzien dat deze roman is geschreven door

een vakvrouw. Het gaat hier om een roman die je als lezer naar de strot grijpt. Die na lezing in hoofd en hart blijft knagen.

Marieke Groen Foto: Keke Keukelaar

Marieke Groen: ‘De andere familie Klein.’ Uitgeverij Thomas Rap, Amsterdam 2015. 238 bladzijden. Prijs € 18,90.

5


Literatuur in beeld

Eduard Douwes Dekker

6


Fotografie: Vincent Corjanus / tekst: Jelle Jeensma In deze rubriek worden foto’s geschoten van literaire plekjes in Amsterdam. Dit keer: het standbeeld van Multatuli. Op de Torensluis over het Singel in Amsterdam staat het standbeeld van Multatuli (1820-1887). De maker is beeldhouwer Hans Bayens. Die heeft Multatuli, pseudoniem van Eduard Douwes Dekker, uitzonderlijk goed getroffen; met een kop die er zijn mag. Dit standbeeld van de grootste Nederlandse schrijver uit de negentiende eeuw is een icoon van de stad. Multatuli: dwars, mondig, belezen en begiftigd met een scherpe pen. De beroemde openingszin van zijn ‘Max Havelaar’ (1860) luidt: “Ik ben makelaar in koffie, en woon op de Lauriergracht, no. 37.” Het boek is een aanklacht tegen de misstanden in Batavia, toen Nederland daar een koloniaal regime voerde.

7


Door: Vincent Corjanus

8


Door: Vincent Corjanus Wekelijks verschijnt op de site van Scriptplus 99WW. In deze rubriek staan literaire nieuwtjes en wetenswaardigheden, dit alles gevangen in 99 woorden.

Ollekebolleke knol! Terwijl de wolven mij verslinden, denk ik “Dat is pech/ Ja, Omsk is een mooie stad, maar net iets te ver weg” Een fragment uit het lied ‘Dodenrit’ van Drs. P, een van de hits die deze dichter, zanger en taalvirtuoos heeft gemaakt. Drs. P stond bekend om zijn spitsvondigheden. Hij was het die, samen met liedjesschrijver Ivo de Wijs, de lichtvoetige versvorm ‘ollekebolleke’ introduceerde. Drs. P, pseudoniem van Heinz Polzer, heeft tot op hoge leeftijd liedjes en gedichten geschreven die makkelijk de tand des tijds kunnen doorstaan. Drs. P (Thun, 24 augustus 1919 – Amsterdam, 13 juni 2015)

9


Door: Vincent Corjanus

Bloedstollende nieuwe YA-thriller van Cis Meijer Na haar gruwelijk spannende debuut ‘Verdoofd’ publiceert Scriptplusser Cis Meijer bij uitgeverij De Fontein de jeugdthriller ‘Val’. Cis Meijer doorliep bij Scriptplus de opleiding Proza voor Kinderen. ‘Val’ gaat over Liv en haar zoektocht naar de waarheid. Dit alles is verweven in een bloedstollende YAthriller. In de zomer zou Liv naar dezelfde highschool gaan als haar urban climbing- en hartsvriendin Sofia in New York. Maar terwijl Liv de weken aftelt, gedraagt Sofia zich op Skype steeds vreemder. Hun laatste telefoongesprek eindigt in ruzie. Dan ontvangt ze van Sofia een appje: het spijt me, alles komt goed! Een dag later bereikt Liv het afschuwelijke nieuws dat Sofia is omgekomen bij een tragisch ongeval. Liv twijfelt aan Sofia’s doodsoorzaak. Was het echt een ongeluk? Liv besluit toch naar New York te vertrekken, urban climbing-stad bij uitstek. Met gevaar voor eigen leven gaat ze op zoek naar de waarheid achter Sofia’s verdwijning. Cis Meijer: ‘Val.’ 240 pagina’s. € 13,99. Voor lezers vanaf 13 jaar. Uitgeverij De Fontein.

10


Over de grens Katja Petrowskaja Door: Peter de Rijk

11


In de serie ‘Over de grens’ gaat schrijver en journalist Peter de Rijk in gesprek met buitenlandse auteurs over hun schrijverschap. Tot nu toe deed hij dat met Robert Seethaler, Monika Held, Katja Petrowskaja, Kevin Barry en Paolo Giordano. In dit nummer van Script+ wordt de Russische bestsellerauteur Katja Patrowskaja aan het woord gelaten.

VOOR KATJA PETROWSKAJA IS FICTIE WAARHEID ‘Misschien Esther’ is het in het Duits geschreven debuut van Katja Petrowskaja (1970), die als Russische in Kiev werd geboren en studeerde in Tartu (Estland), Moskou, New York en San Francisco. Sinds 1999 woont en werkt zij in Berlijn. Haar boek beschrijft haar zoektocht naar het verhaal van haar familie, Joodse slachtoffers van het nazisme en stalinisme. ‘Misschien Esther’ werd bekroond met de Ingeborg Bachmann-prijs, groeide uit tot een bestseller en is inmiddels in twintig talen vertaald. De donkerharige Katja Petrowskaja kijkt me zelden aan. Ze zoekt naar woorden die de ene keer vanuit het Duits, dan weer uit het Russisch leiden tot een Engelse zin. Ze probeert aan het woord te blijven, wellicht om aan nog meer moeilijke vragen te ontkomen. Ik zie dat haar hand zich daarbij tot een vuist balt, die vervolgens haar mond bedekt. Pas als het vraaggesprek is afgelopen, kan zij zich ontspannen. Waarom schreef je ‘Misschien Esther’ in het Duits? Het boek is een zoektocht naar een familie en een taal. In feite is het mijn flirt met de Duitse taal en ik maakte mij zorgen of dat wel viel te vertalen. Het gaat om de logica achter taal en de intensiteit ervan, niet om het spelen met woorden. Tijdens het gesprek met mijn vertaler kwam ik erachter dat veel van wat ik schreef zijn grondslag in het Russisch vond. Daarvan was ik mij niet bewust. In het begin van het boek gebruik ik het woord ‘wisselwachter’, dan ‘hoor’ ik het Russische woord dat pijl betekent. Het verwijst naar de wijzers van de klok en naar schieten. Dat verlies je allemaal in een vertaling. Zocht je ook naar je Joodse identiteit? Ik schreef dit boek in het Duits, omdat veel mensen van mij een Jood wilden maken. En dat was ik niet, ondanks dat ik er misschien onder leed dat ik het niet was. Iedere ‘Berliner’ kent meer Jiddische woorden dan ik. Nu is de Sovjet-Jood iets bijzonders. Om te beginnen wist Napoleon Rusland niet te veroveren, waardoor de Joden geen burgerrechten kregen, zoals in Europa. Het duurde tot de revolutie van 1917 dat ze echt deel konden uitmaken van de maatschappij. Hierdoor ontbrak het normale proces van assimilatie. Ze waren gedoemd tot een leven in hun kleine gemeenschappen. Het was hun verboden te leven in de grote steden. Slechts twee

12


procent kon naar een universiteit. Hun niveau was hoog, want ze moesten tien keer beter zijn dan ‘gewone’ Russen. Ze wilden van hun Joods-zijn af, dat was hun droom en die kwam gelijk op met het verkrijgen van burgerrechten. Ze wilden de shtetls uit, de wijde wereld in. Russisch spreken, banen krijgen, studeren wat je wilt. Daardoor waren ze de meest enthousiaste groep tijdens de revolutie. De Tweede Wereldoorlog vernietigde vooral het ‘oude’ Jodendom. Dat merk je in Kiev. Mijn grootvader was ambtenaar. Veel Joden werkten in Sovjetstructuren, zoals scholen en bedrijven, en mochten reizen. Wie geen communist was of geen onderdeel vormde van het systeem moest blijven. Na de oorlog waren er vrijwel geen Jiddisch sprekende joden meer. Alleen joden die Russisch spraken vormden het restant. Zelfs mijn vader, die van 1942 is, spreekt geen Jiddisch meer. En ook de kennis van het geloof ontbreekt bij mij. Hoe reageren mensen daarop? In Parijs was ik te gast in een erg precieus radioprogramma, en de interviewer wilde van mij, nota bene op de dag van de bevrijding van Auschwitz, een Duitse Jood maken. Ik ben een Russische uit de Oekraïne! Soms schaam ik mij voor mijn Joodszijn en heb ik het gevoel dat mensen mij zo maken, omdat ze zich dan beter voelen. En hoe gek het ook klinkt, toen ik ‘Misschien Esther’ schreef hoopte ik daardoor meer Joods te worden. Ik was zoekende. Maar dat bleef uit… Toen ik in Amsterdam woonde en Nederlands probeerde te leren, zei iemand tegen mij dat ik beter mijn Russische accent dan het Duitse kon laten horen. Ik zei: ‘Hoezo? Mijn stad, Kiev, is indertijd vrijwel compleet verwoest. Je hebt geen idee, jouw land vocht vier dagen… En nu praat je met mij alsof je een dode Jood bent? Alsof je een heilige was en iedereen bezig was met het redden van Anne Frank. In Duitsland is dat anders. Toen ik met mijn Duitse vriend ging samenwonen, zagen oude vrouwen het als het bewijs dat de oorlog echt voorbij was. ‘Niemand vergeten en niets vergeten’, was ook een titel voor het boek geweest. Nee, ik vind het pathetisch, het is een citaat uit een gedicht over de blokkade van Leningrad. Het was het motto voor de Sovjet-herinneringscultuur. We moesten ons verlies door deze oorlog memoreren, terwijl tegelijkertijd de herinnering onderdrukt werd. Woorden als krijgsgevangene en holocaust kwamen niet voor in dit verhaal. Ik groeide op in Kiev, heb daar geschiedenis gestudeerd en kwam geen regel over deze onderwerpen tegen. Mijn boek bevat veel van deze ‘slogans’. Het krijgt daardoor iets van een sprookje. Net zoals mijn moeder het altijd over zeven generaties leraren had. Het waren er maar vijf. In een familieverhaal kan dat, als je onderzoek doet, niet. Met de titel ‘Misschien Esther’ ben ik erg tevreden. Daardoor is het fictie, het is dat wat we weten. Het ging immers om het zoeken naar de waarheid. Ik las kilometers tekst over Babi Jar, het ravijn in Kiev waar gruwelijke moordpartijen plaatsvonden, om het vervolgens niet te gebruiken. Het gaf mij het recht om ‘te zien’. Je creëert beelden of probeert het verhaal van je familie te beschrijven. Maar het blijft diffuus. Het verleden, de kamer die je betreedt en dan moet het ook nog eens de juiste kamer zijn, de boeken die je daar moet lezen, geven niet de realiteit van dat verleden weer. Zo makkelijk is het niet. Research

13


geeft niet alles wat je zoekt. In alles wat ik schrijf zoek ik naar de juiste vorm en afstand. Je schrijft ‘Hitler vermoordde de lezers, Stalin de schrijvers’. Wat bedoel je daarmee? Dat citaat is van mijn vader en is niet helemaal waar… Het is bijna waar. In zijn campagne na de oorlog heeft Stalin het Joodse antifascistische comité, de Joodse schrijvers die nog Jiddisch schreven, om laten brengen. Toch kwam ik wat boeken uit de jaren zestig tegen, onder andere een dichtbundel opgedragen aan Stalin en het ‘prachtige’ Sovjetleven.

‘In alles wat ik schrijf zoek ik naar de juiste vorm en afstand’ Je gebruikt soms grappen in het boek. Zijn die te vertalen? Onmogelijk. Neem de mop over Abrasja die voor tien roebel een ei koopt, het kookt en verkoopt voor tien roebel. Op de vraag naar zijn winst antwoordt hij: ‘En de bouillon dan?’ Navar betekent bouillon in het Russisch, maar ook winst. Dus verlies je de helft van de grap in het Nederlands. Is die humor belangrijk voor jou? Een grap verschilt weinig van ironie, het veranderen van de context of mijn wijze van schrijven die uit diverse talen voortkomt. Een grap werkt doordat de context verandert. Je verwacht iets en er komt iets anders. Het onverwachte geeft een tweede mogelijkheid. Een grap biedt mij de kans op een tweede leven. Het heeft iets te maken met een andere denkwijze, een ander denksysteem. Er zijn blijkbaar regels voor het denken en de grap breekt daar doorheen. Dan is jouw boek een grap. In dit geval wel. Het heeft geen zin zoiets in het Duits te schrijven. Duitse grappen… Er zijn trouwens meerdere grappen in de roman. Alleen al het tussen twee talen in hangen… dat is een grap. In de geest van de hofnar dan. Alleen op die wijze kun je de waarheid vertellen. Niet dat ik mijzelf zo zie. Maar ik zocht wel naar de afstand, de ironie, om er juist dichterbij te kunnen komen. Zie het boek als een modern ritueel. We zijn niet religieus, ik behoor tot geen enkele taal, cultuur of religie. Hoe kun je dan bidden of doden eren? We staan buiten ieder systeem… Ik ben gewoon jaloers op hen die bij de Klaagmuur staan. Fictie is waarheid voor mij. Door in het

14


Duits te schrijven ben ik niet langer een slachtoffer. Ik ben geen slachtoffer en heb het recht daartoe! Ik wil vrij zijn, geen kant kiezen en tegelijkertijd wil ik dat ook voor de Duitsers. Het is ook hun verhaal. Wanneer we in daders en slachtoffers blijven denken, komen we nooit tot begrip. Hoe schrijf je? Ik heb geen strategie voor het schrijven en ben dus misschien geen schrijver. Dit is mijn eerste boek en ik heb geprobeerd te ‘voelen’. Ik moest sommige plekken bezoeken, anders had ik niet het recht erover te schrijven. Ik hoopte na dit boek te weten hoe het werkte en waar ik heen zou gaan, maar ik weet alleen maar minder. ————————————————————————————————————–

Katja Petrowskaja: ‘Misschien Esther.’ Vertaald uit het Duits door W. Hansen. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 2015, 256 pagina’s. Prijs (paperback): € 19,90. ISBN: 978 90 234 8729 6

15


Door: Vincent Corjanus

Melancholische coming of age roman over verlangen, liefde, seks, drugs en volwassen worden Als jongen van amper twaalf jaar hoorde ik voor het eerst die rauwe, tedere stem op de radio. ‘Iedereen is van de Wereld, en de wereld is van iedereen’, het klonk bombastisch, rockend. Wie was die band? En bovenal wie is die man met die doorleefde stem? Thé Lau met The Scene. Jeugdsentiment mag ik wel zeggen. En eigenlijk is er niets veranderd. Thé is nog stroman ‘Juliette’. Robbie Morris wil weg uit het Noord-Hollandse Bergen. Het met kunstenaars doordrenkte dorp is in deze provincie een vreemde eend in de bijt. Orgies, jaloezie en knokpartijen zijn aan de orde van de dag. Het benauwt Robbie, hij wil weg, weg uit Bergen. Te midden van een kring hippies ontmoet hij de knappe fotografe Juliette. Samen vertrekken ze naar ‘The big city’, Amsterdam. Robbie gaat daar werken voor de grootste krant van Nederland, samen met de extravagante journalist Breukhout. Robbies dromen worden werkelijkheid. Maar hoe zit dat dan, dromen zijn toch bedrog? ‘Juliette’ is een melancholische coming of age roman over verlangen, liefde, seks, drugs en volwassen worden. Je ondergaat deze gevoelens, je wordt ondergedompeld in de geraffineerde gelaagdheid van dit boek. Het is net alsof je een plaat opzet. Wanneer je de naald keer op keer op het vinyl legt, hóór je het vakmanschap. Knap is het oproepen van uiteenlopende emoties. Van een daverende lachbui val je in een plas tranen. De stemmingswisselingen worden meesterlijk tot stand gebracht. Je ruikt de geur van de kroegen, je ziet de flitsen van fotostoestellen en je hoort de regen in de straten van Amsterdam. Thé Lau prikkelt de zintuigen. Thé weet hoe je een geslaagde roman moet schrijven. Een waar genot, van kaft tot kaft! Dit boek komt op de nog-een-keer-lezen-boekenplank terecht! Thé Lau: ‘Juliette – Een liefde in snapshots.’ Uitgeverij Lebowski. Prijs: € 19,99

16


Door: Jelle Jeensma

In poëzie gaat het om de ‘weelde van wijdte’ Gedichten lees en beluister je met al je zintuigen Poëzie alom! Onlangs werd aan dichteres Saskia Stehouwer de C. Buddingh’debutantenprijs uitgereikt. Dat gebeurde tijdens het 46e Poetry International Festival. Eerder dit jaar verscheen de jaarlijkse bundel ‘De 100 beste gedichten’, waaraan de VSB Poëzieprijs is gekoppeld. En aan het overlijden van Drs. P gaven de media volop aandacht. Je gaat denken dat de dichtkunst welig tiert in de lage landen. Maar wélke poëzie wekt vooral belangstelling? Misschien worden er in Nederland wel meer gedichten geschreven dan gelezen. Wij weten dat uitgevers, uit pure liefde, poëzie uitgeven in verwaarloosbare oplagen, die vaak ook nog eens in de ramsj terechtkomt. Er wordt dus weinig dichtkunst aangeschaft. Velen wijden zich aan de eigen pennenvruchten. Ironie: dood in de pot Toch heeft poëzie in het domein van de literatuur een vooraanstaande plaats. Hoe komt dat toch? Wat is precies die dichterlijke taal? Die laatste vraag kan misschien het beste beantwoord worden door te laten zien wat het dichterlijke woord onderscheidt van andere taaluitingen. Zo is poëzie niet-commercieel; het dient geen marketingdoel. Het bevat geen clichés en platitudes, en als dat wel het geval is dan om die te parodiëren, of van een nieuwe connotatie te voorzien, er een andere draai aan te geven; het vuil ervan af te schrapen en woorden weer te laten fonkelen. Drs. P Vaak behandelt poëzie existentiële thema’s (liefde, dood). Ironie doet afbreuk aan die thema’s. Zo schreef Drs. P veel geestige gedichten, die als ‘light verse’ gezongen het beste tot hun recht komen. Ironie schept afstand tot grote gevoelens; ze worden er door gerelativeerd. Over het algemeen is ironie de dood in de pot voor de kunst. Maar ja, elke

17


regel heeft zijn uitzonderingen. De ironicus Thomas Mann schreef een prachtig literair oeuvre bij elkaar. Heftig orgasme Dichter en criticus Piet Gerbrandy beschreef onlangs in weekblad De Groene Amsterdammer wat voor hem het criterium is voor goede poëzie; allereerst door te zeggen wat het niet is. “Uiteindelijk gaat het er niet om of een gedicht lekker klinkt, fraaie beelden projecteert of gewiekst met betekenissen goochelt, maar of het een ziel heeft. Een goed gedicht wordt gekenmerkt door vuur, levensadem, substantie. Het beroert je fysiek, het slaat je uit het veld, het ontdoet je. Het gloeit na als een heftig orgasme, als anderhalve kilometer borstcrawl in te koud water, als een geslaagde wortelkanaalbehandeling.” Als we aannemen dat een gedicht een ding is, als aanwijsbare tekst, klinkt dit nogal animistisch. Voor mij heeft een gedicht geen ziel, maar van het lezen van een mooi gedicht kan wel bezieling uitgaan, wat iets anders is. Door bezieling kan een gedicht je gemoed beïnvloeden op het moment van lezen of horen (in het geval van een voordracht); je kunt er door geïnspireerd raken. Vuur, levensadem, substantie: het riekt mij te veel naar Griekse natuurfilosofie. Maar dat een goed gedicht jou (mij) als lezer beroert staat buiten kijf. Vlammen Opmerkelijk is dat de winnende C. Buddingh’-prijswinnares Saskia Stehouwer door Gerbrandy wordt afgeserveerd. Hij vindt onder andere dat de poëzie in haar debuutbundel ‘Wachtkamers’ te voorzichtig, te mooi is; ze vlamt niet. Het is, en dit is mijn interpretatie van zijn lezing, een esthetisch bouwwerk opgetrokken uit leem, aan de buitenkant voorzien van glazuur. Tja, dat houdt geen stand. Poëzie is een kwestie van smaak en er zijn moeilijk objectieve criteria voor te geven. Maar is dit helemaal waar? De jaarlijkse uitgave ‘De 100 best gedichten’, waaraan de VSB Poëzieprijs is gekoppeld, spreekt in dit opzicht boekdelen. Zo steekt de dichteres Kira Wuck in de uitgave van 2014 met kop en schouders uit boven de andere zestig geselecteerde dichters. Haar poëzie werkt ontregelend: ‘De leukste mannen eten hun biefstuk rauw/dat weet zelfs een vegetariër zei ik toen ik je had ontmoet/en legde een briefje onder je steak: ‘Ik heb geen moeite met bloed’’ (uit: ‘Finse meisjes’, 2012). Ik vond haar de beste en ik stond daar niet alleen in, afgaande op uitlatingen in de media. Toch ging de prijs aan haar voorbij. Juryvoorzitter Ahmed Aboutaleb, tevens burgemeester van Rotterdam, dekte zich in door te stellen dat subjectiviteit de essentie van poëzie is. Poëziebergje van 87,5 centimeter De jury van de VSB Poëzieprijs 2015, ditmaal onder leiding van Peter Vandermeersch, in het dagelijks leven hoofdredacteur van NRC Handelsblad, beperkte zich tot vijfendertig dichters, die samen garant stonden voor honderd gekozen gedichten. Vandermeersch rept over een ’verbluffend niveau’. “Hemelbestormers zijn ze niet, deze nieuwe generatie – van vernieuwingsdrift is geen sprake, maar wel van humor, oorspronkelijkheid en kwaliteit. Verstaanbaarheid en communicatie lijken belangrijker geworden [...].”

18


Hij doelt trouwens op de 107 bundels die de jury kreeg toegestuurd. Vandermeersch: “Ze vormden [...] een poëziebergje van 87,5 centimeter hoog.” Hoe hoog de stapel dichtbundels het jaar er voor was weet ik niet, Aboutaleb heeft het daar niet over. Wel laat die weten dat in zijn jaar maar liefst 115 dichtbundels zijn ontvangen. Verspreid over twee jaar 222 ingestuurde dichtbundels! Het is niet gering. Hester Knibbe won de VSB Poëzieprijs 2015, en afgaande op haar hoogstaande poëzie valt daar weinig op af te dingen. Niettemin had ik als jurylid en poëzieliefhebber, in al mijn subjectiviteit, gekozen voor de dichter Henk van der Waal vanwege zijn existentiële poëzie, gevat in stuwende dichtregels. Flarden daarvan hebben zich in mijn brein gegrift, zoals ‘…het vale licht dat schijnt/uit wat je is ontstegen//en steevast//de weelde van wijdte in je wekt’. Eindrijm als keurslijf Wat is de poëtica waarop ik míjn voorkeuren baseer? Om te beginnen prefereer ik het vrije rijm, niet als dogma of norm maar als resultante van de historische weg die de westerse poëzie heeft afgelegd. Door de Vijftigers werd het eindrijm bij het groot vuil gezet. Daarom: Ida Gerhardt, Jean Pierre Rawie – ‘it’s not my cup of tea’; en een mindere dichtersgod als Drs. P schaar ik ook in dit rijtje. Het eindrijm fungeert in hun poëzie als keurslijf waarbinnen woorden bekneld raken, de vrije ruimte niet krijgen. Zodoende geef ik meer om epische poëzie, die de wijdte zoekt. Het is een van de redenen waarom ik van de poëzie van H.C. ten Berge houd. Het is alsof je bij lezing van zijn gedichten een stem hoort declameren. ‘Alle woorden zijn gebruikt — Breek ze /En gebruik het gruis van oude metaforen/Beelden uit de steentijd/Die bederf en lippendienst doorstonden/Zinnen die hun soepelheid behielden/Woorden van de straat/Die afgemat in de riolen sliepen’ (uit: ‘Texaanse elegieën’). Ook de dichtkunst van Ter Balkt kent die openheid, dat aftastende naar het onbekende. Cryptogram Traditiegetrouw is er een afdeling in de Nederlandse poëzie die wordt gekenmerkt door hermetisme: een duistere, ontoegankelijke stijl. Hermetisme geeft tevens de geslotenheid van hun gedichten aan, die uitnodigen tot ‘close reading’. Scherp geformuleerd, het cryptogram dient opgelost te worden. Dat zal de reden zijn waarom zoveel mensen van Drs. P houden, de taalvirtuoos die uitblonk in het lichtvoetige rijmschema dat hijzelf ‘ollekebolleke’ doopte. En daarom is een dichteres

19


als Annie M.G. Schmidt, ook twintig jaar na haar dood, zo populair in Nederland. Terzijde: iets wat beiden alleen al verdienen vanwege de vitaliteit van hun gedichten. Het is poëzie die niet moeilijk is, die snel te begrijpen valt. Maar neem eens de poëzie van Hans Faverey, die met name door fijnproevers wordt gewaardeerd. Het lezen van diens gedichten is hard werken om er grip op te krijgen. Jazzy Dat het anders kan bewijst een dichter als Lucebert. Op het eerste gezicht kunnen zijn dichtregels soms ondoorgrondelijk Lucebert ogen, maar eenmaal voorgedragen, zoals de maker dat zelf voortreffelijk kon, dansen de woorden, gaan onverwachte combinaties aan, connotaties spatten ervan af. Het levert sensaties op in het lijf van lezer en luisteraar. Zoveel klankkleur, zo evocatief, muzikaal, jazzy. Het lezen of beluisteren van poëzie kun je het beste doen met al je zintuigen. Stel je open voor het gedicht, probeer het in eerste instantie niet cognitief te vatten. Wees niet angstvallig dat je een gedicht niet onmiddellijk begrijpt. Onderga het gedicht en kijk wat het met je doet; het ritme van de woorden, de toon van de klanken, de vage betekenis waarvan de contouren zich langzaam in je hoofd vormen. Verrijking Verder houd ik van dichters die zich via een omweg laten kennen; die zichzelf de nieren proeven door eerst de wereld in te gaan, te kijken wat daar te halen valt. Dichters die in hun gedichten uitsluitend impressies geven van hun zielenroerselen, hun heftige gevoelens, bij wie woorden niet meer dan gestolde emoties zijn — voor mij is dat te particulier. Voor mij gaat poëzie niet om herkenning, identificatie, maar om verrijking door nieuwe beelden en betekenissen. Poëzie mag van mij iets toevoegen aan het bestaande, er niet een echo van zijn, ook al wordt dat nog zo virtuoos onder woorden gebracht. Ik ben uit op poëzie die, om met de dichter Henk van der Waal te spreken, ‘de weelde van wijdte’ in mij wekt.

20


Door: Lynn Kentin Winnares schrijfwedstrijd

Ze bruin bakken De tuinstoel maakt een hoop lawaai als ik die over de stenen vloer sleep. Wanneer ik het kussen uitklop, komt er een hoop stof vanaf. Die heeft alweer te lang in de schuur gelegen. Dat is duidelijk. Lang hebben we ook moeten wachten op een beetje zon. Nu die eindelijk als een trotse koning aan de hemel schijnt, vind ik het tijd worden om te gaan lezen in de tuin. Ik ga zitten, trek de stoel iets naar achter. De relaxstand. Mijn boek sla ik open en leg de boekenlegger op de barbecuetafel naast mij. Het duurt even voordat ik mij kan concentreren op het verhaal. Ik loop na een paar zinnen naar binnen toe om mijn zonnebril te halen. Lezen met een filter is toch beter dan met die knijpoogjes. Het meisje in het verhaal is aan het wegrennen voor haar achtervolgers. Jongens en meiden van haar leeftijd. Allemaal bang, maar sommigen moordlustig. Ze rent en rent. Ik krijg het er zelf Spaans benauwd van. De zon is harder gaan stralen. Opnieuw sta ik op en loop naar binnen. Vestje uit, zonnebrand op. Ik ga weer zitten, met mijn benen uitgebreid uitgestrekt. Hopende dat het wit in bruin verandert. In het verhaal is het al avond

geworden en het meisje heeft zich voor haar achtervolgers moeten verstoppen in een boom. De hele dag heeft ze al zonder water gezeten en krijgt nu wel erg dorst. Ik sta weer op, loop weer naar binnen. Ik kom terug met een groot glas limonade. Ik ga weer zitten en sla het boek open. Het meisje brengt de nacht door in de boom en de volgende ochtend komt ze pas weer naar beneden. Ze rent weer een aantal kilometers en komt vervolgens bij een meertje aan. Eindelijk water. Haastig duikt ze erin. Spetter, spatter, splash! De buurtkinderen van hiernaast hebben het mooie weer ook al ontdekt en spelen al gillend door hun pierenbadje. Ik staar even naar de muur en bedenk dat ik nog aan het lezen was. De kinderen worden rustiger en ik kijk terug naar de pagina. Het meisje wordt gevonden en opnieuw achtervolgd. Snel duik ik weg voor de bijen die om mijn hoofd zoemen. Het meisje rent opnieuw door het bos. Zij krijgt het warm. Ik krijg het warm. Mijn glas is bijna leeg. Ik sta op, met mijn glas en boek en loop naar binnen. Daar ga ik op de bank zitten. Het meisje komt bij een open plek. Ze is opgelucht. Door de temperatuur van de huiskamer krijg ik meer energie. Het verhaal lees ik nu zonder onderbrekingen door. De zon komt morgen weer. Eerst mijn boek uitlezen. Mooi weer spelen.

21


Zomer Verwachten, wachten met alle achting, en hopen maar. Het dartelen reeds verleerd en de maatstaf afgewogen. Nu slechts prooi: beduusd het cirkelen ervaren rond deze ogenblikken van lokkende wonden. Zo maar toebehoren, het beruchte inzicht kwijt; zo maar aanvaarden, het hoogtepunt omzeild; zo maar de jeugd aanaarden, de sappen sarren, genot tot de hoogste toppen van de hoogtevrees hanteren. Met reuzenschreden zich beramen, de behoeften bang. Geen prooi wordt troost en even voorbij het beleven reeds in flitsen bewustzijn een lichtend Nu. ------------------------------------Marcel van Maele uit: Rendez-vous Merendree/Gent, Sintjoris/ PoĂŤziecentrum 1995

22


www.hva.nl/scriptplus 23


24