Issuu on Google+

Arnoud de Jong

Nietszeggende Opmerkingen Een bundel klein proza

Š 2003 – 2005 E-book uitgave: 2008 Verbal Jam http://verbaljam.nl


Voorwoord Alle hier gebundelde verhalen zijn tussen 2003 en 2005 verschenen in de digitale editie van het literair tijdschrift OpSpraak. Maar sommige zijn ook nog op diverse andere manieren gepubliceerd. Zo is een aantal verhalen uitgezonden in het radioprogramma De Avonden van de VPRO. In een uitgebreidere bewerking zijn enkele verhalen ook te downloaden of te beluisteren als podcast. Ga hiervoor naar de Mediatheek op www.verbaljam.nl .


Inhoud • • • • • • • •

Hondenweer en schele kaas Verdacht vlees Youssef is breed Volkstuin Het Zweedse keukenladekastje Een gevalletje grafschennis Een beruchte blokfluiter De koopjesloper


Hondenweer en schele kaas Buiten leven de wind en de regen zich uit. Ik sta in de hal van ons flatgebouw om de post op te halen. Uit de lift komt de buurman met zijn hond. Dat tref ik weer. Van de vierentwintig uren in een etmaal vertoef ik alles bij elkaar genomen misschien een luttele vier minuten in de hal. En uitgerekend in die vier minuten kom ik de man tegen die ik nimmer wil tegenkomen. Want hij is de man van de nietszeggende opmerking. En ook dit keer laat hij de kans niet onbenut om mijn dag te verpesten. Narrig staart hij naar buiten en zegt: "Heb jij dit weer besteld?" Zo had ik ook eens een uitermate vrolijke kaasboer die zo onwaarschijnlijk scheel


keek, dat ik mij afvroeg hoe hij er in slaagde nog zulke dunne plakjes kaas te snijden. Hij observeerde zogezegd alles van twee kanten tegelijk. Eén van de twee ogen was dissident, maar welke was niet met zekerheid vast te stellen. De vrouw naast mij was aan de beurt. "Zegt u het maar," zei de vrolijke kaasboer, terwijl hij heel iemand anders aankeek. Die ander ‘zei het dan maar‘ en dat gaf dan natuurlijk weer herrie in de tent. Hij sloeg de beginnende opstand haastig neer door te roepen: "Stukje proeven?" Zonder het antwoord af te wachten ratste hij met een kaasschaaf een plak van het eerste stuk jong belegen dat onder handbereik lag. De werkelijke handicap van de kaasboer was echter niet zijn oogafwijking, maar


het feit dat ook hij een man was van de nietszeggende opmerking. Zijn opgewekte levenshouding etaleerde hij onafgebroken via een heel assortiment loze zinnetjes. "Komt u ook maar weer eens kijken?" "Ik ben in een goede bui vandaag." "De mensen zijn veel te somber." "Het weer is niet je-dat, maar weet je wat, dan blijven we gewoon binnen!" "Heb ik speciaal voor m'n klantjes versierd!" "Wat zeg je me daarvan!" "Nou goed, een beetje meer, ik zal niet kinderachtig wezen." En bij het verlaten van de winkel: "Zo, u kunt voorlopig weer kaas eten!" Van een antwoord viel doorgaans niet meer te maken dan: "Ja", "mooi", "dat treft", "zeker", of "kijk eens aan!"


Dit soort mensen zou een spreekverbod moeten krijgen. U denkt nu wellicht: "Kom, kom, niet zo lichtgeraakt, er zijn ergere dingen in de wereld!" Daar heeft u ongetwijfeld een punt. Aan de andere kant zou het best zo kunnen zijn dat een deel van die ergere dingen in de wereld juist worden veroorzaakt door zoiets futiels als de nietszeggende opmerking. U kent misschien de chaostheorie van de meteoroloog Edward Lorenz, die beweert dat de vleugelslag van een vlinder in China uiteindelijk een storm aan de andere kant van de aardbol kan veroorzaken. In dat licht bezien zou een nietszeggende opmerking op termijn wel eens kunnen


leiden tot een volgende wereldoorlog. Ik zou dus altijd goed op mijn woorden passen als ik u was. En zĂŠker wanneer u zo nodig de hond moet uitlaten op het moment dat ik bij de brievenbus sta! 10-7-2004


Verdacht vlees De slager heeft een zoon. Een donkersluikharige snaak van een jaar of vijftien. Zo'n onbeholpen slungel in een veel te grote witte jas die op woensdagmiddag en zaterdag het kalfsgehakt voor de tweede keer door de molen mag proppen. Een engerd als in de film 'The Boys from Brasil'. Er gaat iets beklemmends van hem uit. Het snijden in andermans vlees bekoort hem wel, vermoed ik. Ik sta zuchtend op mijn beurt te wachten, want natuurlijk heb ik het ongeluk net een dikdoenerig heertje voor me te hebben, zo'n vadsig verzekeringsagententype. Een bril met gouden montuur draagt hij, een zegelring en een duur, maar niettemin slecht zittend pak. Hij probeert te


imponeren door lukraak acht onsjes verschillende vleeswaar te bestellen. De andere klanten wrokken in stilte omdat ze zo lang moeten wachten. De zaak raakt voller, want de bloedworst wordt hier gesneden waar je bij staat, dus dat duurt wel even. Het ongeduldig schuifelen van voeten in het zaagsel op de granieten vloer neemt toe. Haast ongemerkt gaat intussen de zware deur van de koelcel een stukje open. Daar is het slagersjong. Stiekem staart hij door de kier de volle winkel in, een kille glimlach op de lippen. Krijgt hij het niet koud? Hij moet daar toch al een tijdje binnen zijn geweest. Nauwelijks zichtbaar voor de klanten staat hij iedereen op te nemen. Die achterbakse glinstering in zijn ogen bevalt me niets. Hij lijkt zich te


verkneukelen, alsof hij kweetnietwat heeft uitgehaald met al dat vlees dat nu over de toonbank gaat. Langzaam duwt hij de deur verder open en stapt naar buiten. Het inwendige van het mortuarium wordt een ogenblik zichtbaar. Halve varkens, stukken koe. Ik bespeur zo gauw geen geslachte kat of andere vermiste buurtgenoot. Oppervlakkig bezien lijkt alles in overeenstemming met de warenwet. De engerd staat inmiddels met z'n rug naar ons toe het hakblok te schuren. Regelmatig kijkt hij om en lijkt zich in stilte vrolijk te maken. Ik voel mij onbehaaglijk. Zal ik weggaan, een andere slager zoeken? Zinloos, want er is telkens wel wĂ t. Ik ben al eens van slager veranderd. De vorige


had altijd gehakt of tartaar aan zijn vingers. Ik verliet zijn klantenkring nadat ik een tientje wisselgeld van hem had teruggekregen waaraan een kloddertje gehakt kleefde. Ik merkte dit pas op toen ik vervolgens bij de groenteman met datzelfde tientje betaalde. De man staarde er nadrukkelijk naar, alsof het neusvuil was. Daar leek het inderdaad op. De dikdoener v贸贸r mij heeft eindelijk afgerekend en dringt zich met zijn vleeswaar door de wachtende massa. Hij trapt op de meeste tenen. "Wie is er aan de beurt?" informeert de slager zoetsappig. Ik. De puber bij het hakblok werpt mij van achter zijn vaders rug een grijnzende blik toe. Het oorspronkelijk idee om


vanavond malse sudderlapjes klaar te maken laat ik terstond varen. Ik bestel slechts een half pond hart. Een kat heeft toch nergens weet van... 03-04-2004


Youssef is breed Alles aan Youssef is breed. In de zwoele warmte van de avond zit hij breed achter een brede tafel met schragen eronder. Zijn brede handen rusten op het tafelblad van ruwe planken. Zijn brede grijns lijkt in zijn gezicht gebakken en toont trots de enige tand die nog onderin zijn mond staat. Hij zit wijdbeens met zijn voeten stevig op de cementen vloer geplant en laat zijn drie onderkinnen op zijn borst rusten. Zichtbaar tevreden beschouwt hij – iets onderuitgezakt – over zijn immense buik heen de rest van de wereld. Die wereld is waarschijnlijk niet al te groot, want hij zit erbij alsof hij nooit van zijn plaats komt. Wie Youssef ziet denkt onvermijdelijk: wie het breed heeft, laat het breed hangen.


Naast de handen van Youssef ligt alleen een rekenmachientje. Voor zijn tafel dromt een groepje Druzische mannen met flessen frisdrank en een enkele watermeloen in hun handen. Zij praten opgewekt en lachen. Ik versta hen niet en staar omhoog naar het lage plafond met helwitte tl-buizen, waartegen verdwaasd de nachtvlindertjes tikken die de weg naar het donker kwijt zijn. Wanneer hen wordt verteld dat ik uit Nederland kom, schakelen sommige Druzen direct over op het Engels. Trots beginnen zij over Van Basten en Ajax, want zij zijn mannen van de wereld. Af en toe vragen zij in het Arabisch naar de mening van Youssef. Youssef houdt het kort en volstaat met een enkel grijnzend woord.


Het thema Ajax is tamelijk snel afgehandeld. Dat ligt aan mij, want ik ben niet bijster op de hoogte van de basisopstelling. Behalve die van trainer Ronald Koeman wil mij geen enkele naam meer te binnen schieten. Ik had mij beter moeten voorbereiden op deze uitwedstrijd. Moeiteloos gaan de mannen over op een volgend onderwerp. Dat onderwerp zit geduldig achter de tafel. Goedmoedig steken zij de draak met Youssef. Deze blijft welwillend glimlachen. De spot deert hem niet, want hij spreekt alleen Arabisch en de taal van het geld. Daaraan heeft hij voldoende. Het wordt druk voor de tafel. Vanachter de met levensmiddelen en andere supermarktartikelen volgestouwde schappen duiken nog twee mannen op.


Nooit eerder zag ik zoveel rijen stellingen passen in een ruimte die niet groter is dan twee garages. Ik zie ineens dat de gangpaden tussen de schappen minder breed zijn dan Youssef zelf. Je kunt er alleen doorheen schuifelen als je dwars staat. Ah, betrapt, Youssef! Het vakken vullen besteedt hij kennelijk uit aan magere dorpsjochies die voor een paar Sjekel bijverdienste wel willen helpen. Enkele flessen cola worden voor Youssef op de tafel gezet. Dit is de kassa, begrijp ik nu. Traag heft de brede reus ĂŠĂŠn van zijn handen van het tafelblad om het geld aan te pakken. Met de glimlachende rust van een boeddha bestiert Youssef van achter een


ruwhouten plank zijn levensmiddelenimperium. Even later stap ik weer de winkel uit, de donkere dorpsstraat in. Ik heb het nu zelf gezien: de gezelligste rij bij de kassa vind je in het dorp Yanokh. 11-09-2004


Volkstuin Op de volkstuin brachten wij de zomers door. Dat spaarde weer een vakantiereis uit en we genoten evengoed. Wij sliepen in het door mijn vader zelf gebouwde huisje, aten door mijn vader zelf geteelde groenten en ik speelde met het door mijn vader zelf geconstrueerde karretje. Als klein jongetje bofte ik toch maar. Op mijn beste vriendje na had niemand een karretje. De ruggengraat van het voertuig bestond uit een dikke balk. Daaraan zaten twee dwarsbalken waaronder de wielen waren gemonteerd. Deze wielen waren de enige restanten van de kinderwagen waarin ik zelf nog had gelegen. Op de balken was een primitief platform


gespijkerd waarop ik kon zitten en verder ook van alles kon vervoeren. De voorste balk was draaibaar om te kunnen sturen. Mijn vader was goed in dingen die met een t beginnen, in dit geval in tekenen en tuinieren. Tekenen deed hij voor zijn beroep en tuinieren voor zijn hobby. De vader van mijn vriendje was goed in dingen die met een k beginnen, te weten klimmen en knutselen. Klimmen deed hij voor zijn beroep, want hij was glazenwasser, knutselen deed hij voor zijn zoon, mijn vriendje. In mijn ogen zat mijn vader opgescheept met de verkeerde letter, mijn moeder dientengevolge met een krakkemikkig tuinhuisje en ik met een gammel karretje. Overbodig te melden dat het tuinhuisje


en ‘t karretje van mijn vriendje jaloersmakend solide waren. Op zondagmiddag hadden wij het druk. Dan viel er geld te verdienen voor mijn vriendje en mij. Wij zwierven over het hele volkstuincomplex met onze karretjes. Wij haalden volle vuilnisbakken op en reden die naar de ingang. Want op maandagmorgen kwam de vuilnisman. Veel volkstuinders hadden geen zin om de zware metalen vuilnisemmer achterop de bagagedrager naar de vuilnisbakkenverzamelplaats te brengen. Dit was een riskante aangelegenheid op de mulle sintelpaden en menigeen is vloekend met vullis en fiets in een heg beland. Totdat mijn vriendje en ik gingen dienstverlenen. Veel mensen hadden er graag een dubbeltje of zelfs een kwartje voor


over wanneer deze gevaarvolle onderneming hen bespaard bleef. Aanvankelijk waren mijn vriendje en ik verwikkeld in een felle concurrentiestrijd. Dit was te vermoeiend. Wij verdeelden ‘de markt’ en zorgden dat we elk evenveel ‘kwartjesklanten’ hadden, want die waren uiteraard het meest begerenswaardig. Om onze samenwerking officieel te maken richtten wij de VKC op, de Verenigde Karren Club. Wij waren de enige twee leden. Vroeger kon dat allemaal nog. Tegenwoordig zouden wij in dit overgereguleerde land ongetwijfeld de Mededingingsautoriteit over ons heen hebben gekregen wegens kartelvorming en verboden prijsafspraken.


Achteraf bezien zou het best logisch zijn geweest wanneer wij in ons volwassen leven in de transportsector waren beland. Ik voelde daar echter weinig voor, want dat was weer zo’n beroep dat met een t begon en volgens mij kon dat dus nooit wat worden. Wél hebben wij later samen door vele buitenlanden gezworven in een Citroen Deux-Cheveaux. Die was van hem. Ik vond het maar een gammel karretje… 02-10-2004


Het Zweedse keukenladekastje Bij de grote meubelboer uit Zweden kocht ik een puzzel. Als je die puzzel helemaal goed oplost is het vanzelf een keukenladekastje. Of een ander handig meubelstuk. Er zit een mooie handleiding bij hoe je het ding in elkaar moet zetten. De handleiding is gemaakt voor analfabeten, want hij bestaat uitsluitend uit tekeningetjes. Ook analfabeten hebben immers recht op keukenlade-kastjes. In het begin van de handleiding staat een tekening van een monter mannetje dat het klusje wel eventjes zal klaren. Gut, gut, wat straalt dat mannetje een optimisme uit! Hij laat eerst zien welke schroefjes er allemaal bij het ladekastje horen te zitten. Wanneer dat niet mocht kloppen staat hij


op de volgende tekening eventjes zwaar te balen, maar daarna belt hij gewoon blijmoedig lachend met de Zweedse meubelboer. De masochist! Ikzelf zou er goed de pest in hebben. Het Zweedse klusmannetje zet het ladekastje niet zelf in elkaar. Dat laat hij mij doen. Op de tekeningetjes staat stap voor stap uitgelegd hoe dat moet. Het mannetje is dan in geen velden of wegen meer te zien. Gaandeweg kom ik erachter dat je die tekeningen met uiterste precisie dient te volgen. Als die Zweden tekenen dat schroefje nummer 100372 in gaatje nummer vijftien van de drieĂŤntwintig gaatjes moet, dan kun je hem beter niet lichtzinnig in gaatje nummer veertien


duwen. Niet denken: ach, die gaatjes zijn allemaal hetzelfde en er zijn er genoeg. Zo’n meubel kan namelijk ook op nog op tweeÍntwintig andere manieren in elkaar. Alleen wordt het dan geen keukenladekastje, maar postmodernistische Zweedse volkskunst. Het ergste zijn alle gaatjes die helemaal niet gebruikt hoeven te worden. Die zitten daar zomaar. Je hoeft er niets in te steken of in te schroeven. De noodzaak daarvan gaat mijn eenvoudig verstand ver te boven. Uren heb ik zitten nadenken over de diepere betekenis van al die overbodige gaatjes. Ik heb dit staaltje Zweeds vernuft maar ten dele kunnen doorgronden. Mijn


theorie is dat op deze manier een keukenladekastje ook een TromsÜ stapelbed kan zijn. Dan doen ze er gewoon een totaal andere bouwtekening bij. Zo hebben veel mensen zonder het te weten tegelijk een keukenladekastje en een stapelbed in huis. Ja, de Zweden zijn gewiekste jongens. Zij hebben al meer dan duizend jaar ervaring met houtbouw. Die moeten wij niet onderschatten. In de geheime archieven van het Vikingskiphuset (Vikingmuseum) in het Zweedse plaatsje Borg ligt een bouwtekening van een vikingschip. Hij zit vol vochtkringen, maar nog duidelijk is te zien hoe een monter klusmannetje daarop stap voor stap uitlegt hoe je zo’n ding in elkaar zet.


En dan te bedenken dat het 贸贸k een stapelbed had kunnen worden! Of een keukenladekastje! Europa zou er vandaag anders hebben uitgezien. 23-10-2004


Een gevalletje grafschennis Een goede vriend van mij is een expert op het gebied van glaskunst. Een paar jaar geleden nam hij mij eens mee naar een begraafplaats. Hij wilde mij iets laten zien. Een graf. Het was wel even zoeken, want hij wist de precieze plaats niet meer. Nadat wij in de gure wind enige rondjes hadden gelopen en de verkeerde paden waren ingeslagen wist hij het opeens. "Dรกรกr moet het zijn!" Zelfverzekerd beende hij achter zijn wijzende arm aan. En inderdaad, even later stonden wij bij het graf. Het was een oud graf, ergens uit het begin van de vorige eeuw. Twee parallelle rijtjes stenen in de


klamme zwarte aarde markeerden de plek waar de dode was ondergespit. Als grafzerk was aan het hoofdeinde van de overledene een monumentaal bakstenen muurtje van ongeveer een meter hoog opgericht. Het bijzondere eraan was, dat het middengedeelte van de zerk helemaal was opgebouwd uit gestapelde glazen ornamenten. Ik vond ze lijken op de doorzichtige stenen die je bij de bouwmarkt koopt. Maar in het begin van de vorige eeuw hadden ze nog geen bouwmarkten, dus dat was een oneerbiedige gedachte. Om deze zerk was het de glaskunstexpert te doen. Toen ik wat beter keek zag ik dat de glazen stenen allemaal naar voren uitstaken in een puntvorm. Ze waren gegoten van een licht melkachtig glas,


met grove ribbels erin. Ze deden me enigszins denken aan hoekige autokoplampen. "Deze stenen zijn nog ontworpen door Berlage!" sprak de vriend gewichtig en met een eerbiedige klank in zijn stem. Zo hĂŠ, daar had ik niet van terug! Dat was nog wel even wat anders dan mijn platvloerse associaties met bouwmarkten en koplampen! Hier werd mij meteen wat nederigheid ingepeperd. Jammer dat het graf in verregaande staat van verval verkeerde. Het was een puinhoop. De muur aan het hoofdeind was half ingestort en de naam erop was tot onleesbaarheid verweerd en overwoekerd door mos. Plat op het graf lag nog een extra steen, ter grootte van een stoeptegel.


Hij leek er achteloos neergekwakt. ‘Arie’ stond erop. Nadere bestudering wees uit dat het hier om een achtjarig kind ging. Was deze jonggestorven knaap er later soms nog eventjes bij gepropt? Ik mocht toch hopen dat ze Arie wat netter hadden neergelegd dan z’n steen. Ik werd getroffen door de zuivere eenvoud van de naam Arie. Die stond in opvallend contrast met de cultuurhistorische pretentie van het graf. Aan de andere kant misschien juist ook weer niet, want de socialist Berlage bouwde veel voor het volk. Eigenlijk een mooi staaltje 'gesammtkunst' dus van Arie en Berlage. We drentelden eens om het graf heen. Erachter lag een slordige berg stenen die in de loop der tijd uit de muur van


Berlage waren gevallen, waaronder ook enkele glazen exemplaren. Mijn goede vriend leek geschokt en raapte er eentje op. "Zonde. Eeuwig zonde..." mompelde hij bedroefd. "Je kunt er eigenlijk z贸 eentje in je tas doen," opperde ik in een vlaag van baldadige overmoed. Op deze aansporing mijnerzijds had de glaskunstexpert duidelijk gewacht. Hij beval me mij om te draaien en propte zonder aarzelen een van de stenen van Berlage in mijn rugzak. Ik keek onderwijl schichtig om mij heen of niemand ons zag. "Wij zijn dieven," zei mijn vriend, "maar goede dieven, want het is voor een nobel doel!" Volgens mij was het gewoon een ordinair gevalletje grafschennis. Ik suste echter


mijn geweten met de formele redenering dat het hier slechts een greep uit een losse berg puin betrof. Na het verlaten van de begraafplaats, naderhand in het behaaglijke dorpscafÊ, bedacht ik dat het waarschijnlijk toch beter geweest wanneer wij niet zo impulsief te werk waren gegaan. De risico’s van een dergelijke onderneming dienen namelijk eerst zorgvuldig te worden afgewogen. Voor alle zekerheid, zeg maar. Wij hadden bijvoorbeeld uitgebreid moeten overleggen hoe groot de kans is dat er een hiernamaals bestaat. Voor hetzelfde geld stort de overledene namelijk van daaruit zijn toorn over ons uit. Met alle gevolgen van dien! Wanneer wij daarentegen tot de slotsom waren gekomen dat de dood het


definitieve eind van alles is, tja, dan kunnen Arie en de zijnen ons niks maken natuurlijk! Gelukkig mogen wij in deze kwestie vast wel rekenen op de steun van de heer Berlage. Immers, als er een hiernamaals bestaat, verblijft hij daar ook! Dat is een hele geruststelling. Want zonder twijfel heeft deze beroemde bouwmeester daar meer gezag dan zo’n snotneus als die Arie. Berlage zal vast niet blij zijn met het feit dat zijn glazen geesteskinderen in de loop der jaren zo schandelijk zijn verwaarloosd. Hij zal ons dus dankbaar zijn dat wij tenminste één van zijn stenen uit de puinhopen hebben gered. Opgelucht reden wij uiteindelijk naar huis. Extra voorzichtig natuurlijk, dat wel... 26-12-04


Een beruchte blokfluiter In mijn tienerjaren was ik een berucht blokfluitspeler. Mijn jongere zusje had mij geleerd welke vingers ik op welke gaatjes moest zetten. Zij had het op school geleerd. Ik niet. In mijn tijd werden de kinderen nog niet zo verwend. Het had weinig gescheeld of mijn loopbaan als blokfluitist was in de kiem gesmoord. Tijdens een van de eerste lessen die mijn zusje mij gaf deed haar blokfluit het niet. Wij controleerden eerst of het wissertje er nog in zat. Want als het wissertje erin zit kan het geluid er niet uit. Dat bleek niet het geval. Toen zusje bij een hernieuwde poging het edele instrument aan haar lippen zette kroop er een oorkruiper uit het mondstuk. Hij kriebelde enigszins


verbouwereerd tegen haar lippen. Na het verstommen van de griezelkreten besloten wij onmiddellijk een ander instrument te kiezen. Alles was goed, zolang je er maar niet met je mond aan hoefde te zitten. Maar al snel merkten we dat de blokfluit niet voor niets zo’n populair instrument was. In ons milieu was het financieel het hoogst haalbare. Verder dus maar. Nadat ik na verloop van tijd de beginnersblokfluitboekjes had doorgespeeld, trad ik toe tot het blokfluitensemble van mijn vriendje. Ook mijn zusje maakte daar deel van uit , evenals een sproeterige knaap die weliswaar hevig stotterde, maar gelukkig niet tijdens het blokfluiten. Zolang je hem niet liet aftellen was er niks aan de hand.


Ons blokfluitseizoen was de zomer. Wij verbleven dan op het volkstuinpark waar onze ouders een huisje hadden. Zij moedigden ons aan flink te oefenen, maar dan liefst wel buiten gehoorsafstand. Zo belandden wij op een bank in de zon ergens in een uithoek van het park. Hele middagen brachten wij daar door met eindeloos repeteren. De vogels vielen er stil van. Een volkstuinierende vrouw kwam uit haar nabijgelegen huisje gelopen. Zij verzocht ons dringend op te houden. Zij werd er ‘iebel’ van, zoals ze dat uitdrukte. Dat vonden wij knap overdreven. We waren pas drie uur bezig. Uiteindelijk zijn we verkast naar een stuk braakliggend land. Stiltegebieden bestonden in die tijd nog niet.


Later vervolgde ik mijn carrière bij een orkestje dat door een leraar op de middelbare school was opgericht. Hijzelf toeterde op een klarinet en hield van Benny Goodman. De overige orkestleden speelden allemaal een instrument dat stukken harder klonk dan een blokfluit, zoals piano en drums. Ik deed daardoor min of meer voor spek en bonen mee, maar in de klas was dat niet anders, dus dat was ik wel gewend. Aan het eind van het schooljaar bleef ik dan ook zitten. De leraar greep deze buitenkans met beide handen aan om de hinderlijk piepende fluittoon uit zijn orkest te schoppen. Ik kon mijn tijd wel beter gebruiken, meende hij. Het was even slikken, geef ik toe, maar anderzijds had ik intussen mijn repertoire toch maar mooi verrijkt met evergreens


als ‘Oh, when the Saints’ en ‘Besame mucho’. Het waren er meer, maar dit zijn de enige twee die ik me nog herinner. De componiste van het beroemde ‘Besame Mucho’, mevrouw Consuelo Velazquez, overleed in januari 2005. Dat kan ik mij wel voorstellen. Waarschijnlijk is zij er onderhand ‘iebel’ van geworden. 29-01-05


De koopjesloper Naar huidige maatstaven gerekend was ik als tiener fout in de oorlog. Niet in de echte oorlog, die heb ik niet meegemaakt, maar in de supermarktoorlog. Op dinsdagavond vulde ik vakken bij Albert Heijn, op zaterdag werkte ik de hele dag in de winkel bij wijlen De Gruyter. Gelukkig heerste er toentertijd nog een betrekkelijke vrede tussen de grootgrutters. Tegenwoordig zou ik voor straf als verrader buiten de deur te kijk zijn gezet. Met een stapel Allerhandes onder mijn arm om daar in weer en wind te concurreren tegen de verkoper van de daklozenkrant. Het zou een afschrikwekkend signaal zijn naar het overige personeel: dit doen wij met collabora-


teurs, met overlopers, met dubbelspionnen! Toch werd ook vroeger al spionage in het supermarktwezen niet echt op prijs gesteld. Elke zaterdagmorgen, direct na opening van de winkel, schuifelde bij De Gruyter een schriel mannetje tussen de schappen door. De winkelchef noemde hem ‘de koopjesloper’. De Koopjesloper noteerde nauwgezet alle prijzen op zijn boodschappenlijstje. Daarna verliet hij zonder iets gekocht te hebben de winkel en herhaalde dezelfde procedure bij Albert Heijn aan de overkant van het winkelplein. De chef van De Gruyter wond zich hierover dusdanig op dat hij met z’n neus tegen de winkelruit gedrukt stond te


wachten tot de Koopjesloper weer bij de concurrent naar buiten kwam. In zijn beleving was de prijs van een artikel wel het meest armzalige argument dat je kon bedenken om elders je boodschappen te gaan doen. Nee, zijn klanten dienden blind voor de superieure kwaliteit van De Gruyter te kiezen! Wij vakkenvullers vulden intussen onze vakken, spiegelden de pakken koffie, vraten gulzig uit ‘per ongeluk’ gescheurde zakjes drop of keken voor een klant in het magazijn of er nog nootmuskaat op voorraad was. Je kon altijd precies horen wie de stelling met wasmiddelen aan het volstapelen was, want uit die hoek klonk een aanhoudend en heftig niezen. Achteraf bezien leden wij een bezadigd bestaan. Er waren nog geen junks die wij de winkel uit moesten jagen. Wij hoefden


nog geen winkeldieven tot drie straten verderop achterna te zitten om ze daar in het kader van onze knallende actieweken grondig af te tuigen. Nee, alles bleef rustig. Totdat aan de overkant de Koopjesloper zich weer vertoonde. Aan onze kant van het front was de winkelruit inmiddels flink beslagen door de geagiteerde ademhaling van de chef. "Daar komt ie weer, de rotz...!" Onze superieur besefte net op tijd dat er klanten in de winkel waren, slikte het woord ‘rotzak’ schielijk in, maar foeterde gedempt verder. "Moet je die miezerige stakker nou zien! Ja hoor, hij gaat weer naar huis natuurlijk! Naar moeder de vrouw! Om z’n lijstjes te laten vergelijken! De krent! De Koopjesloper!"


"Misschien gaat hij óók nog wel even langs de Spar…" opperde ik vrijmoedig. De winkelchef draaide zich om als door een wesp gestoken. Zijn blik was vol haat en giftig siste hij mij toe: "Moet jij de ontbijtkoek niet bijvullen? Die is in de aanbieding!" 13-02-2005


Š 2003-2008 Arnoud de Jong Verbal Jam http://verbaljam.nl verbaljam@gmail.com Deze uitgave is gratis voor niet-commercieel, persoonlijk gebruik. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd op enigerlei manier zonder schriftelijke toestemming van de auteur.

Amsterdam, november 2008


Nietszeggende Opmerkingen