Page 1

Arnoud de Jong

De Vermicelliboom Een bundel klein proza

Š 2003 – 2005 E-book uitgave: 2008 Verbal Jam http://verbaljam.nl


Voorwoord Van 2003 tot 2005 verscheen in de digitale editie van het literair tijdschrift OpSpraak een lange reeks 'klein proza' van Verbal Jam. Onder het motto 'zonde om weg te gooien', bevat dit e-book een ruime selectie uit deze serie, waarin ironie en zelfspot de boventoon voert. Arnoud de Jong - 2008


Inhoud ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ● ●

Het nut van een schuurtje De laatste restjes verslaving De vermicelliboom Lectuur in de lift Hieperdepiep Praten met apparaten Het formaat van een koe Nieuw geld Doe meer met vet Bladafval De folders van de armoe Tja, wat doen we met de kerst? Siberische toestanden De literaire drogist Het zachte trauma De pretentie Het oordeel Het oude geheugen Een aanstekelijk fenomeen Stoere herrie


Inhoud (vervolg) ● ● ● ● ● ● ● ● ● ●

Echte legerslaapzakken Nachtvogels Schrijven in het donker Schreeuwen naar vroeger Het voorjaarsoffensief Een stofwolk in de verte Triviant Uit de nek Het fijne van de tandarts Elektrisch altaar


Het nut van een schuurtje. Wanneer je als schrijver geen tuinschuurtje hebt tel je niet mee, had ik bedacht. Was vroeger een koude tochtige zolder de geĂŤigende plek voor het creatieve lijden, tegenwoordig komt literatuur uit de schuur. En dus had ik mij alvast bij de bouwmarkt een dergelijk optrekje verschaft. De juiste condities waren geschapen, nu mijn meesterwerk nog. Ik staarde wat onwennig door de openstaande deur naar buiten, waar een droefgeestig neerdruilende regen de tuin met plassen vulde. Ik dorstte naar roem en erkenning, maar ik voelde mij nog niet helemaal zeker van mijn zaak. Ik stak eerst maar eens een sigaretje op. Zo kon ik beter peinzen en mijmeren.


Een dag eerder was ik nog naar de grootste boekwinkel in de stad geweest. Op het moment dat ik op de ingang toeliep, projecteerde mijn fantasie achter de etalageruit al direct een prominente poster met mijn portret. En daaronder natuurlijk mijn naam en de datum waarop ik alhier mijn boek zou signeren. Tja, welke datum zou ik eens kiezen? Hoe lang duurt dat eigenlijk, het schrijven van een beetje behoorlijk boek? Voor een levenswerk kon ik beter wat ruim calculeren en ik gunde mijzelf in gedachten twee jaar. Inclusief een incidenteel writers block moest dat te doen zijn. Nog half achterom kijkend naar de denkbeeldige poster, was ik de boekentempel binnengegaan. De lucht was er duidelijk zwaarder door al dat literair gehalte en in dit milieu leek mij


het ademen ineens een stuk moeizamer. Ik bezag de honderdduizend boeken en betwijfelde of het eigenlijk wel nut had daar tussen te gaan staan. Had ik daaraan nog iets toe te voegen? Vanaf mijn duim en wijsvinger schoot ik het restant van mijn opgerookte sigaret in de richting van de uitgebloeide dahlia's. De peuk werd gevangen in een spinnenweb, te midden van de daarin uitrustende regendruppels. Na een kort oponthoud zag ik ze weer verder richting aarde vallen, maar de uitgebluste rookwaar bleef hangen. Te licht bevonden om de reis voort te zetten zeker. Had ik wel de juiste bagage voor het schrijverschap? Behalve vaardig met de pen moest je immers ook een beetje excentriek zijn en de juiste mensen kennen. In mijn jonge jaren had ik een


kroegmaat die nu uitgever was. Maar die had ik in een dronken bui eens dusdanig op de bek gemept dat die nu wel niet genegen zou zijn mij uit te geven. Was ik eigenlijk wel in staat tot het schrijven van een boek? Een klamme vlaag faalangst waaide de schuur binnen en trof mij vol in het gelaat. Waarschijnlijk was ik niet anders dan al die andere ambitieuze amateurs bij wie de veel te complexe zinnen van links naar rechts in eindeloze slalom over de bladspiegel stuntelden. Nee, dit werd waarschijnlijk helemaal niks. Aangezien de moed mij in de schoenen dreigde te zinken, stapte ik maar haastig over in mijn klompen en vluchtte klossend de schuur uit. Ietwat mistroostig heb ik tussen de


bloemperken nog een uurtje in de regen staan schoffelen om het onkruid van de illusie eens duchtig onder de grond te werken. En ach, zo'n schuurtje is nooit weg tenslotte... 19-9-2003


De laatste restjes verslaving Ik inhaleer de rook niet, maar laat de warmte ervan altijd een moment mijn keel koesteren. De psychologie beweert dat het een substituut is voor de moedermelk. Als dit waar is zal mijn moeder indertijd heel wat met mij te stellen hebben gehad, want ik rook zware shag. Ik moet deze kinderachtige gewoonte eindelijk eens afleren. Dat is met duimzuigen ook gelukt, dus waarom dan niet met roken? Tjonge, dat valt tegen. Lange rijen rationele argumenten wegen in de praktijk onvoldoende op tegen het primitief genot van de verslaving. Rokers sterven jonger en roken veroudert de huid, staat er op de pakjes. En ook mijn zaad schijnt er wat suffig van te


worden. Tja, dat moeten wij natuurlijk allemaal niet hebben... Maar daar staat tegenover dat ik mijzelf niet blootstel aan risico’s als parachutespringen, bungeejumpen of aandelen kopen via LegioLease... Dus dat compenseert dan weer, qua levensverwachting, zou je zo zeggen... Toch? Nou vooruit, niet zeuren, stoppen met die handel, want roken brengt de financiÍle gezondheid ernstige schade toe! Dat vind ik eigenlijk voor de korte termijn nog wel het meest overtuigende argument. Ik besluit het laatste pakje zware shag dat ik nog heb op te roken en daarna gewoon niets meer bij te kopen. Klaar uit. Afgelopen. Gelukkig ontdek ik daarna her en der in het huis nog diverse lege verpakkingen met restjes tabaksgruis. Dat moet


natuurlijk ook eerst allemaal op. Ik moet immers voorkomen dat ik later nog eens in de verleiding word gebracht. Zodra je trek krijgt in een sigaret moet je een afleidende bezigheid gaan zoeken, zeggen ze. Komaan, laat ik de kruipruimte onder het huis eens gaan schilderen. Ik trek een oude werkbroek aan. Ho, wacht! In de linker broekzak bewaarde ik altijd mijn shag. Ja, zie je wel, zit er verdorie nog een flink laagje verpoederde tabak in! Maar goed dat ik dat bijtijds ontdek! Ik keer de broekzak voorzichtig binnenstebuiten en houd er een vloeitje onder. Zo, even rollen, de brand erin en oproken, dan kan dat ook geen kwaad meer. Weg met die troep. Eens zien, waar zou nog meer iets kunnen liggen? Tussen de kussens van de bank? Of misschien in de stofzuigerzak! Nee, dat


gaat te ver. Dan kan ik beter de peuken uit de autoasbak ontrafelen en hergebruiken. Dat levert trouwens nog behoorlijk straf spul op heb ik gemerkt! Dat kan nooit gezond zijn! Maar goed, nu is echt alles op. Ben ik nu van het roken af? Ik test dit door zonder te roken een stukje over roken te schrijven. Dat lukt, alleen staat nu mijn pen per ongeluk in brand. 29-9-2003


De vermicelliboom Toen bij mij als peuter een zweem van logisch denken ontwaakte, dacht ik dat de wind er was doordat de bomen bewogen. Ik had deze conclusie getrokken op basis van de bevinding dat er ook wind was als ik met mijn handen wapperde. Daarin zal ik niet de enige zijn geweest. Het eerste prentenboekje hielp mij uit de droom. De wind komt van een wolk. Deze wolk heeft de vorm van een hoofd met blazende bolle wangen en wijd opengesperde ogen. Mijn grootvader was volgens de overlevering niet van het idee af te brengen dat vermicelli aan vermicellibomen groeide. Jammer genoeg was hij al dood voordat ik leefde. Anders hadden wij onze wereldbeelden kunnen


combineren. Dan hadden wij samen kunnen gissen hoeveel wind vermicellibomen maken als ze met hun slierten in de rondte slieren. Ik informeerde bij mijn moeder waar mijn opa was gebleven. Vermoedelijk in de hemel, antwoordde zij. En omdat zij de volgende vraag al aan zag komen, voegde zij eraan toe: ergens achter de sterren. Vanaf dat moment richtte ik mijn blik regelmatig onderzoekend omhoog en ontdekte dat er boven het dorp altijd meer sterren stonden dan boven de stad. Dat was verstandig geregeld, want de stad had al genoeg licht van zichzelf. Thuis waren wij heiden, maar ik moest naar de Christelijke school. Die was om de hoek en altijd goed voor de algemene


ontwikkeling, vond mijn vader. Dat bleek juist, want ik verwierf er al direct nadere kennis omtrent de hemel. In de hemel verbleef de Lieve Heer en van daaruit keek hij op ons neer. Door te bidden konden wij met hem communiceren en dit diende met gesloten ogen te gebeuren. Dit leek mij nogal onbeleefd, want mijn moeder zei altijd: “Kijk me aan als ik tegen je praat!� Maar de juffrouw mepte met de kaartenstok wanneer je gluurde, dus dan in hemelsnaam maar met de ogen dicht. Ook vroeg ik mij af waarom ik bij het bidden mijn opa niet te spreken kreeg. Opa was tenminste familie, die hele Lieve Heer kende ik niet eens en vertrouwde ik dan ook niet erg. Maar ik durfde de juffrouw niet te vragen hoe zij zo zeker


wist dat hij geen kinderlokker was… Want daar werd ik destijds dagelijks voor gewaarschuwd, voor kinderlokkers. Nu ik groot ben is mijn wereldbeeld nog nauwelijks minder plat. Het journaal bepaalt wat er gebeurt en wáár het gebeurt. Ik kan niet zien of zich elders nog iets ernstigs afspeelt, want kennelijk wil men dat ik daarvoor mijn ogen gesloten houd. Wanneer Bagdad de beeldbuis in beslag neemt, is de honger elders blijkbaar over, is het plotseling vrede in Jeruzalem en groeien de vermicellibomen tot in de hemel. 01-10-2003


Lectuur in de lift In de lift van mijn torenflat hangt een briefje van de loodgieter. Hij schrijft aan de bewoners dat hij op vrijdagmorgen tussen negen en twaalf werkzaamheden zal verrichten aan het riool. Wij mogen daarom van geen enkele afvoer gebruik maken! Ik leid hieruit af dat wij drie uur lang weerstand dienen te bieden aan elke aandrang tot ontlasting. Ik mag die man niet. In tegenstelling tot de aardige loodgieter die wij vroeger hadden, is de huidige namelijk een dikke praatjesmakende proleet, die altijd alles beter weet. Daar word ik recalcitrant van. Ik heb dus weinig trek hem zijn zin te geven.


Hij heeft het er zelf naar gemaakt. Minstens twee keer per jaar is de afvoerleiding van mijn gootsteen verstopt. De oorzaak hiervan is een constructiefout, zo is door deskundigen vastgesteld. En dus moet telkens de loodgieter opdraven om de leiding te dotteren. Die ingreep verricht hij niet zelf. Hij neemt twee leerjongens mee om namens hem door de knieën te gaan en aan de pijpen te prutsen. Onderwijl staat hijzelf met een sigaar tussen de lippen en de handen in de zakken bestraffend commentaar te geven. Elke keer opnieuw kapittelt hij mij dat ik hele pannen jus en frituurvet door de leiding gooi. Dáárdoor raakt hij verstopt! Even vaak probeer ik tegen te werpen


dat ik mij hieraan nimmer schuldig maak en dat het hier een constructiefout betr… Hij hoort mij niet eens. Hij is van het soort dat z’n gelijk haalt door hard door je heen te gaan praten. Daar ben ik allergisch voor, want ik heb liever zélf het hoogste woord. Die loodgieter kan dus van mij de pot op. Hoewel… Dat kan ik bij nader inzien beter zelf doen! Ja, ik denk dat ik er vrijdag maar eens lekker voor ga zitten, zo tussen negen en twaalf! 15-10-2003


Hieperdepiep Deze week deed zich mijn verjaardag voor. Dit is de juiste verwoording van het gevoel dat ik erbij heb. Met lede ogen moest ik toezien hoe het zoveelste levensjaar zich lafhartig achter mijn rug verschool. Daar gaat het met de voorgaande jaren staan dringen en duwen, als een menigte die je opstuwt naar de uitgang. Hoe meer het er zijn, hoe harder het gaat. Voor kinderen is een verjaardag nog leuk. Ze vieren dat ze groter groeien en op de deurpost wordt een streepje afgetekend dat weer hoger staat dan dat van vorig jaar. Kinderen krijgen fijne speelcadeautjes. Volwassenen ontvangen alleen nog maar deprimerende dingen als sokken, stropdassen, sterke drank of iets voor in


het huishouden. Zo snel mogelijk moffel je dit soort zaken uit het zicht. Is het niet al erg genoeg dat je weer een jaar ouder bent, dat het ‘lang zal ie leven’ je weer eens flink met de neus op de eigen vergankelijkheid heeft gedrukt? Kortom, van een verjaardag kun je behoorlijk somber worden, dat merkt u wel aan mij. Als volwassenen moeten wij ook niet meer jarig willen zijn. Zodra het hoogste streepje op de deurpost is gezet, moeten wij er eigenlijk mee ophouden, want vanaf dat moment begint de feitelijke neergang. Wat valt er nog te vieren aan voortschrijdend verval, aan alwéér zo’n zelfde rondje om de zon? Wie ouder wordt gaat steeds meer hopen op een vorm van ontsnapping aan het onvermijdelijk einde, op een hemel, op een hiernamaals. Loop op een zondag-


morgen door een willekeurig bejaardentehuis en de kerkdiensten schallen je uit vele radio’s om de oren. En er wordt vertwijfeld meegezongen. Ikzelf begin maar alvast te geloven in een soort wedergeboorte. Het is logischer. De geest komt terug in een nieuw lichaam, mag zich niets herinneren van een vorig leven, maar doorloopt opnieuw een leerfase om zich aan te passen aan veranderde tijden. De gerecyclede menselijke geest, zoiets. Ik worstel nog wél met de vraag waar die steeds grotere aantallen mensen op aarde dan vandaan komen. Volgens mij zit er ergens eentje illegale kopieën te maken. Dit leidt tot inflatie van de mens. Bij nader inzien weet ik dus eigenlijk nog niet of het wel verstandig is mij nu al vast


te leggen op een bepaald systeem. Dat van de wedergeboorte is nog niet geheel waterdicht, lijkt me. Misschien vraag ik tegen de tijd dat ik tachtig ben voor de zekerheid toch nog maar een radio voor mijn verjaardag, om alsnog mee te kunnen zingen met de bange gemeente... 23-10-2003


Praten met apparaten Veel apparaten doen tegenwoordig pogingen om met hun gebruiker te communiceren. Dat is trendy en het staat geavanceerd. Waarschijnlijk speelt men in op de reeds langer bestaande neiging van mensen om voortdurend tegen taakverrichtende spullen te kletsen. En dan is het natuurlijk leuk wanneer er ook eens af en toe respons komt, nietwaar? Gelukkig praten de meeste apparaten stilletjes via hun display. Dat is wel zo rustig, vind ik. Want de schaarse elektronica die ĂŠcht het woord tot mij richt is doorgaans niet om aan te horen. Deze toestellen hebben enge monotone stemmetjes met een elektriek accent. Toch heb ik gemerkt dat wanneer een


apparaat met mij in contact treedt, dit meestal niet veel goeds voorspelt. Mijn videorecorder vermeldt bijvoorbeeld ineens op zijn schermpje: “F03”. Tja, dáár heb ik natuurlijk geen boodschap aan, dus ik zeg: “Niks mee te maken, hup, doorwerken jij!” Maar dat schijnt nu juist het probleem te zijn, hij weigert verder iets te doen. Ik druk tevergeefs lukraak wat op de knoppen. De enige respons blijft “F03”. Wat moet ik met zo’n nietszeggende opmerking? Als er nou “FNV” stond kon ik me er nog iets bij voorstellen: een arbeidsconflict of iets dergelijks. Maar “F03”… Is dat soms een nieuwe bond, een NU91 voor videorecorders? Het ergste is dat het ding mijn videoband niet wil teruggeven. Ik voer de druk wat


op, ram weer op de knoppen en schreeuw “Hier die band!” Maar hij blijft bij zijn blijkbaar niet onderhandelbare standpunt: “F03”. Die solliciteert naar ontslag op staande voet. Er zijn apparaten die veel taalvaardiger zijn dan mijn videorecorder. Je zou denken: een computer. Maar niets is minder waar. Een computer is juist heel dom als hij zich niet senang voelt. Het enige dat hij dan produceert zijn wat panische piepjes. Verder doet hij niets en laat de eigenaar in wurgende onzekerheid. Nee, dan mijn magnetron. Die kletst mij de oren van het hoofd en vertelt mij precies welke handelingen ik moet verrichten om tot een eetbaar resultaat te komen. Hij vraagt wat ik erin ga stoppen,


bijvoorbeeld vis, gevogelte, vlees of pizza. Hij vraagt hoeveel het weegt: “Voer gewicht in.” Soms trekt hij met een piepje mijn aandacht en dan beveelt het display: “Omdraaien!” De eerste keer draaide ik hem mijn rug toe. Gewoon een flauwigheidje om even te pesten. Hij nam wraak door na afloop van het kookproces te zeggen: “Afdekken en laten staan”. Ja kom zeg, ik heb honger! Maar goed, de magnetron werkt tenminste nog. Het is natuurlijk afwachten wat hij te melden heeft als hij eenmaal stuk is. Waarschijnlijk zoiets als: “FEBO!”. Toch altijd nog duidelijker dan “F03”. 31-10-2003


Het formaat van een koe Ik leun op het hek van het weiland en een koe staart mij afwachtend aan. Maar ik heb niets te snacken bij me voor haar en ik zeg brutaal: “Wat moet je? Wat sta je te kijken? Heb ik iets van je aan?� Ik besef te laat mijn blunder en staar ietwat beschaamd naar mijn leren schoenen. De koe schudt de vliegen van haar kop over zoveel domheid. Mijn stadse gedrag heeft mij weer parten gespeeld: grote mond, altijd bijdehand, onnadenkend, superieur en daarom irritant. Dat moet ik toch eens afleren. De stad maakt uit wat hip en trendy is, waarover gepraat wordt in dit land, wat kunst is en wat kitsch. Alles is er groter, hoger, langer en breder.


Tussen de herrie en de vieze lucht haast men zich voort en doet men belangrijk. De stad is tegennatuurlijk, tegen de natuur van de mens en tegen de natuur van de natuur. Het platteland zou de norm moeten zijn, niet de stad. Op het platteland passen alle maten nog bij die van onszelf en de geluiden nog bij elkaar. De kinderen schreeuwen er minder hard, de lucht is er lichter en het licht heeft er geen grauwe sluier. In de middeleeuwen was je economische kostje gekocht wanneer je als gemeenschap stadsrechten kreeg. In de huidige tijd zouden daarentegen eens dorpsrechten moeten worden ingevoerd. Het lijkt me gezond voor een stad om die status na te streven. Dorpsrechten krijg je toegekend wan-


neer je de schaal weer wat verkleint, opdat de mensen weer beter in hun omgeving passen en zich niet overvleugeld voelen door torens van Babylon. Dorpsrechten betekenen ook dorpsplichten, zoals een dorpspomp op de Dam, de Coolsingel of het Binnenhof. Je moet je buren weer gaan helpen en de supermarkten moeten allemaal als SRVman langs de deuren. Ja, maar de stad biedt meer vermaak, hoor ik mijzelf al tegenwerpen. Daar bruist het leven, daar bloeit de cultuur, daar tiert de misdaad en dat is toch allemaal ook wel spannend! Bijna meewarig duwt de koe haar natte neus tegen mijn hand en kauwt haar kostje. In haar ogen lees ik: overdrijf niet zo! Op het platteland is men minsten net


zo dronken op z’n tijd, schettert de fanfare en galmt het Christelijk Mannenkoor Concordia! Maar op het Ganzenbord zit je nog altijd prettiger in de put of in ’t gevang dan in de Bijlmerbajes! Ik schrik op uit mijn overpeinzingen, want de koe heft haar staart en gaat achteloos staan poepen. Ik kan haar geen ongelijk geven. Ik van mijn kant ga óók maar weer eens verder met de dagelijkse werkelijkheid… 7-11-2003


Nieuw geld Vorige week laadde ik mijn Chipknip op. Ik deed dit voor het eerst en had mij ferm voorgenomen deze moderne wijze van betalen nu eindelijk eens intensief te gaan gebruiken. De vele verschillende Euromunten werden mij namelijk te zwaar en zonder leesbril te onherkenbaar. Ik heb in den beginne eerlijk mijn best gedaan mij aan te passen aan de Euro, maar ik trek het gewoon niet meer. Niet te geloven welk een hoeveelheid metaal een mens met zich mee torst sinds de introductie van dit nieuwe geld. Tegen beter weten in heb ik nog een tijdje aangemodderd met een quasi-handig munthoudertje van Blokker. In het houdertje pasten van elk munttype


zes exemplaren. Samen waren dat 48 munten die bij elkaar 23,28 Euro waard zijn en op een ongeijkt keukenweegschaaltje 261 gram wegen. Aangezien middenstanders altijd schijnheilig doen met prijzen als 1,98 krijg je doorgaans meer metaal retour dan papier. Ik was al spoedig genoodzaakt nogmaals langs de Blokker te gaan en een extra houdertje te kopen. Na een rondje boodschappen kwam ik met pakweg een pond Euri thuis. Die nieuwe Euromuntjes waren het levenswerk van Wim Duisenberg. Ik zie hem nog apetrots dat eerste gratis setje uitdelen. Beleefdheidshalve heb ik daarom gewacht tot hij weg was bij de Europese Centrale Bank. Daarna was het subiet afgelopen met mijn


consideratie voor Wim en zijn muntjes en ging ik met mijn Chipknip naar een oplaadpunt. Stiekem voerde ik het kaartje twintig Euro’s. Althans, dit neem ik dan maar aan, want elektronisch betalingsverkeer doet een sterk beroep op je goedgelovigheid en je vertrouwen in de medemens. Ik moest mijn pincode en een bedrag intoetsen. Het schermpje verzekerde mij daarna dat alles dik in orde was. Maar aan het plastic kaartje was verder niks te zien. In een parkeergarage gaf ik mijn eerste virtuele geld uit. Een barse automaat slikte hebberig mijn Chipknipje in. Rien ne va plus! Hij ging het belachelijk hoge bedrag van zes euro vijftig van mijn kaartje grissen.


De afzetter! En pingelen was er ook al niet bij. Ik had geen keus, het was het losgeld voor mijn auto. Zwetend wachtte ik het resultaat van de transactie af. Zou ik mijn Chipknip nog wel terugkrijgen? Werd er alleen het verschuldigde bedrag afgehaald of stak die elektronische beurzensnijder maar dadelijk het hele saldo in z’n zak? Ja, je weet het niet tegenwoordig… Het was tenslotte een parkeergarage. In politieseries is dat de standaardlocatie voor zogeheten ‘rip deals’, waarbij één van de partijen wél het geld inpikt, maar niet afkomt met de ‘merchandise’. Het liep allemaal goed af voor zover ik het nu kan overzien. Ik kreeg mijn plastic betaalmiddel weer door de gleuf


aangereikt. Ik mocht de parkeergarage uit. Mijn Chipknip weegt zelfs nog net zoveel als v贸贸r de betaling, te weten vijf gram. Toch zal ik ongetwijfeld weer wat armer zijn. Mijn geld mag dan steeds meer ongrijpbaar worden, er zijn er genoeg die er met succes naar blijven graaien. 14-11-2003


Doe meer met vet! Zij stuurde aan iedereen in haar adresboek een e-mail die glunderde van trots. Zij moest het de wereld vertellen. Want het was precies een jaar geleden dat de dokter nog als enige oplossing voor haar overgewicht de plaatsing van een maagband zag. Dรกt was de calorie die de weegschaal deed overkoken! Zij dwong zichzelf in een regime van gezond eten en fanatiek sporten. De plicht veranderde al rap in puur genieten, want het hielp! Triomfantelijk meldt zij nu dat zij 43 kilo is afgevallen, haar kledingmaat is gekrompen van 56 naar 42 en dat zelfs haar schoenen nu een maatje kleiner mogen. Voorwaar, dat geeft de burger moed.


Zelf doe ik dagelijks een rustig drafje door het park, want ik pas wel op om niet teveel te overdrijven. Ik word echter aan alle kanten ingehaald door mensen die dat wÊl doen. Men zwoegt wat af om al die overtollige kilo’s kwijt te raken. En dat klinkt niet gezond, kan ik u zeggen. Na verloop van tijd begin je te herkennen wie je van achteren nadert. Je hoort het aan de ademhaling en de tred. Zo is daar het rochelende rund, even later gevolgd door de fluitende museumstoomtram. Of het enigszins flappend geluid van het dunne meisje met de grote boezem dat met x-benen loopt. Ik stond vroeger regelmatig met een corpulente buurman in de lift. Hij droeg een trainingspak en had een handdoek


om zijn nek. Hij maakte de indruk dat hij op pad was geweest met het voornemen er in een half uurtje even gauw vijf kilo af te werken. Zijn ademhaling klonk als een antiquarisch luchtbedpompje. Het zweet stroomde in bergbeekjes van zijn zorgwekkend paars aangelopen hoofd. De bril met goudkleurig montuur was beslagen. Onwillekeurig keek ik naar beneden of zich op de vloer wellicht een plasje vormde. Zo meed ik tevens zijn aanblik, want in het onbarmhartig licht van de tlbuizen leek zijn toestand nog een graadje ernstiger. Op zeker moment kregen wij nieuwe, moderne liften met een spiegelwand erin. De confrontatie met zichzelf zal buurman tot inkeer hebben gebracht. Ik zie hem


nooit meer in de hoedanigheid van paarse natte dweil. Wanneer ik zelf zo quasi sportief door het park hobbel, heb ik gelegenheid om na te denken. Dit gaat mij goed af, waarschijnlijk omdat mijn hersens dan meer zuurstof krijgen dan gewoonlijk. Eerst wacht ik tot het dunne meisje met de grote boezem uit het zicht is. Dan kan ik mij namelijk weer richten op de hogere hersenfuncties. Vervolgens bedenk ik: dat overtollig vet van ons, dat is eigenlijk allemaal biomassa! We kunnen het veel nuttiger verbranden dan we nu doen. Met fitnessapparatuur kunnen we tegelijk stroom opwekken en die toevoeren aan het elektriciteitsnet. Hardlopers kunnen zich verdienstelijk maken in grote tred-


molenparken. Energiebedrijven komen met een nieuw product: sportstroom. Zo oogt dat fysiek geploeter direct een stuk minder treurig en zinloos, want iedereen beseft dat onderwijl toch mooi flink wat huishoudens van elektriciteit worden voorzien. 22-11-2003


Bladafval Bezorgd zie ik toe hoe mijn huishouden bedolven raakt onder bladafval. Niet alleen in de herfst, maar het hele jaar door. Het wordt een serieus probleem. In mijn argeloosheid nam ik een kortingsabonnement voor op het spoor. Ik kreeg er een blad bij. Gratis regelmatig in mijn brievenbus. In dat blad laat de NS mij zogezegd alle hoeken van Nederland zien. Liefst met de trein natuurlijk. Uit protest neem ik de auto. Want ik hoef geen blad, ik hoef alleen korting. Over de auto gesproken‌ Ik kocht een auto, want de vorige was stuk. Een bescheiden tweedehandsje, maar toch‌ Ik kreeg er een blad bij.


Eveneens gratis en eveneens regelmatig. Daarin staan steeds de nieuwste modellen van dat merk die ik niet kan betalen en die ik niet hoef. Want ik héb immers net een andere auto? Wrijft de dealer mij hier de beperkingen van mijn modale inkomen in? Ik hoef geen blad, ik wilde alleen die fijne tweedehands auto. In mijn grootheidswaan voorzag ik mijzelf van een creditcard. Van de Postbank. Ik kreeg er een blad bij. Daarin denkt de Postbank dat ik in de Quote 500 sta. Men vertelt mij dat ik de overwaarde van mijn huis kan gebruiken om een luxe badkamer te bouwen. Er staan foto’s naast. Als ik zo’n badkamer had zou ik hem niet eens nat durven maken, zo duur lijkt hij. Een gratis bladzij verder roept de bank enthousiast dat ik honderden euro’s


korting kan krijgen op een woningtaxatie. Mag ik er even tussenkomen, Postbank? Deze armoedzaaier woont in een huurhuis. Dus ik wil geen blad, ik wil alleen een creditcard. Je kunt het tegenwoordig zo gek niet verzinnen of je krijgt er een blad bij opgedrongen. Je bent lid van het ziekenfonds, maar je ontvangt tevens een ‘magazine’ dat je vertelt hoe ongezond je leeft. Je geeft je op voor de uitvaartcoöperatie en zowaar, er valt periodiek een bescheiden tijdschriftje in de bus waarin men in wisselende bewoordingen het memento mori aan de orde stelt, een onderwerp dat ik nu juist het liefst verdring. O, kijk, da’s toevallig, dat zul je altijd zien. Ik krijg zojuist het maandelijkse blad van


de woningbouwvereniging binnen! Hup jongens, huizen bouwen! Bladen hebben we genoeg, huizen te weinig! Op straat informeerde iemand beleefd of ik drie weken gratis een dagblad wilde. En na die drie weken? Ja, dan werd het betalen. Ik heb hem op mijn beurt beleefd doch vierkant in zijn gezicht uitgelachen. Betalen? Voor een blad??? En krijg ik er niet eens een creditcard bij? Of op zijn minst een auto? De tragiek is dat we straks letterlijk door de bladen het bos niet meer zien. 6-12-2003


De folders van de armoe De decembermaand draait weer op volle toeren en dus pakken de landelijke leveranciers van frutsels flink uit. U weet natuurlijk allemaal welke winkels ik daarmee bedoel, maar dat ga ik niet zeggen, want tegenwoordig heb je voor het minste of geringste een van de Moszkowiczen achter je aan. Ik lees de kerstfolders en ben geschokt door de geestelijke armoede waartoe wij zijn vervallen. Ons worden de meest onzinnige snuisterijen gepresenteerd en blijkbaar zijn wij intellectueel dusdanig in de goot geraakt dat wij al die bric-àbrac nog willen bezitten óók! Ik kan slechts één aanvaardbare reden bedenken om zo’n hebbedingetje aan te schaffen: pure pesterij.


Wanneer ik een sociaal verplicht cadeautje nodig heb voor iemand waaraan ik een hekel heb, vind ik bij de frutselwinkels altijd wel iets van mijn gading. Het is het soort troep dat tot in lengte van jaren nutteloos in de weg blijft liggen. En ze kunnen het lekker niet weggooien ‘omdat het immers een cadeautje was’. Bijvoorbeeld zo’n leuke dwarsfluit spelende engel op een bal. Van polystone, wat dat ook moge zijn. Hij is 37 centimeter hoog en daarmee een voldoende irritant obstakel. Ik zie dan altijd meteen de arme mensen in ontwikkelingslanden voor me, die deze onzin moeten produceren. Zij verdienen er een schamel loontje mee, maar hadden dat waarschijnlijk liever gedaan met het maken van iets nuttigs. Dik kans dat ze geen benul hebben van


wat ze nu eigenlijk in elkaar zitten te flansen. Weten zij eigenlijk waartoe de ‘potpourribrander ajour’ dient? Of waar die zoetjesdispenser voor wordt gebruikt? Is de geinige ‘taartschep met muziek’ die Happy Birthday speelt een megahit in de sloppenwijken? Stinken zij des avonds na twaalf uur arbeid nog een uur in de wind naar de geurkaarsjes in blik? U heeft wellicht inmiddels geen flauw idee meer waar ik het over heb. Niettemin zwerft er waarschijnlijk wel ergens stiekem een dergelijk kulproduct in uw huis rond. Ik bedoel: staat het kaarsentrappetje reeds in de vensterbank? Ik fantaseer dat mijn reeds lang overleden grootmoeder naast mij zit. Zij wil een beetje worden bijgepraat over de


ontwikkelingen op praktisch huishoudelijk gebied sinds haar verscheiden. Enthousiast vertel ik haar dat we nu Senseo hebben in plaats van pruttelkoffie. En een Tefal gourmet - raclette Ambiance ter afwisseling van het oliestelletje voor de sudderlapjes. Ik zie aan haar gezicht dat ik een draai om mijn oren riskeer. Zijn wij nu niet in staat om eens met andere ogen naar onze zogenaamde verworvenheden te kijken? Laten we zeggen met de ogen van een pas gearriveerde asielzoeker uit een arm en ver land? Een bord, een pan, een beker en bestek zullen we probleemloos herkennen. Een strijkijzer ook nog wel. Maar zullen we dan afspreken dat we


verder alles dat we niet direct kunnen thuisbrengen in de container kieperen? Volgens mij worden we daar niet eens zo hÊÊl veel ongelukkiger van‌ 13-12-2003


Tja, wat doen we met de kerst?

Goede vraag! Wat doen we met de kerst? Onze voornaamste zorg met Kerstmis is altijd: wat gaan wij eten en bij wie? De kerstdagen zijn traditioneel de dagen der schoonmoeders. Zij nemen dan wraak voor een jaar verwaarlozing en willen eindelijk de aandacht die hen toekomt. Met de kerst dient er bij hun gegeten te worden en daarmee basta! Vervolgens ontstaat er een familieruzie over wie op welke dag aan de beurt is. Want de eerste kerstdag is belangrijker dan de tweede. En zo staan de onderlinge verhoudingen al snel op scherp en op gespannen voet met de kerstgedachte. Ach, de vrede op aarde is sowieso een wassen neus. Dat is het sinds mensen-


heugenis geweest. Gewoon een slecht marketingconcept. Aan de oorlog valt nu eenmaal meer te verdienen. Ik dwaal trouwens af, merk ik. Wij gaan door met de vraag wat wij gaan eten. Hier komt direct een kink in de kabel. Heel veel mensen op deze wereld hebben namelijk slecht of helemaal niet te eten. Uitgerekend met kerst gaat dit beschamende feit aan ons geweten knagen. Maar strikt genomen hoeven wij ons daar in deze periode niet meer of minder van aan te trekken dan in de rest van het jaar. Het merendeel van die lui gelooft toch niet in het kindeke en heeft gelukkig geen idee hoe schijnheilig wij zitten te doen in deze regio. Niettemin vindt ons innerlijk stemmetje


het fatsoenlijker wanneer wij ons niet ál te erg te buiten gaan. We bedenken pragmatisch dat het wellicht handig is om ons geweten te beperken tot onze landsgrenzen. Dan kunnen we tenminste tóch nog iets behoorlijks op tafel zetten. Hoewel… De afgelopen week werd bekend dat er een heleboel mensen méér dan vorig jaar onder de armoedegrens zitten. Eigenlijk een rotstreek om dat juist nu te zeggen! Hadden ze daarmee niet kunnen wachten tot ná de feestdagen? Maar ik dwaal andermaal af, merk ik. Wij waren nog steeds doende met de vraag wat wij gingen eten. Mogen wij onze adoptiekip nu slachten of is dat niet de bedoeling? In het kader van de actie ‘Eet geen


dierenleed’ zijn Georgina Verbaan en Katja Schuurman gezellig onder de lakens gekropen met een schattig biggetje tussen hen in. Het is een heel toepasselijke foto geworden, want Georgina en Katja behoren feitelijk zelf ook tot de categorie scharrelvlees. Ik dwaal opnieuw af, merk ik. In Drente kunnen de herdertjes niet langer bij nachte liggen. Vanwege de bezuinigingen zijn de subsidies voor de schaapskudden ingetrokken. Mogen wij die overcomplete schapen dan zonder wroeging op het kerstmenu zetten? Het zijn tenslotte scharrelschapen‌ Ik dwaal wederom af, merk ik. Tja, wat doen we met de kerst? Deze vraag had oorspronkelijk eigenlijk alleen


maar betrekking op hetgeen ik ter gelegenheid van de kerstdagen hier zou gaan schrijven. Dit blijkt nog knap ingewikkeld wanneer je niet in cliché’s wilt vervallen. Een heleboel wereldleed wil vooral met de kerst aandacht krijgen. Geen wonder dat ik telkens afdwaal… 20-12-2003


Siberische toestanden Het is nieuwjaarsdag en het sneeuwt. Dat begint goed. Ik heb bij sneeuw altijd het heimelijk verlangen dat het compleet uit de hand loopt, dat het uitdraait op Siberische toestanden. Een geweldige blizzard bijvoorbeeld, die ons opzadelt met meer dan anderhalve meter sneeuw. Dat zou wel eens goed zijn voor dit land, een milde natuurramp die de zaak een tijdje volledig ontregelt maar verder weinig ernstigs aanricht. Heerlijk lijkt me dat, die kinderlijke opwinding die dan over ons volk komt, de kriebels van een beetje avontuur. Dorpen die insneeuwen, het journaal dat met een ernstig gezicht vertelt welke gebieden geheel van de buitenwereld zijn afgesneden.


Op de snelwegen deelt de ANWB soep uit aan gestrande automobilisten, uiteraard op vertoon van hun ledenpas. Er dreigt lawinegevaar op de schamele resten van de Sint Pietersberg. En elke dag weer die uitdaging of het ons lukt ons werk te bereiken. Nee natuurlijk, al bij de eerste straathoek moeten wij uitgeput terugkeren, er is geen doorkomen aan. We bellen de werkgever dat het wéér niet gaat lukken vandaag, maar er wordt niet opgenomen. Die heeft het ook niet gered. ’t Is pure mazzel dat het zo vlak na de feestdagen is. Daardoor hebben we nog een mud overgebleven oliebollen en een ketel huzarensalade om de eerste week door te komen. Daarna zien we wel verder, tegen die tijd


zal het buitenland wel voedseldroppings voor ons organiseren. De saamhorigheid keert terug in de natie, na jaren leert men eindelijk zijn buren kennen. Opvallend is de hernieuwde waardering voor onze bejaarden. Zij weten immers als geen ander hoe je overleeft in barre tijden. Zij zijn het ook die meteen onverdroten de strijd aangaan met het natuurgeweld. De eerste colonnes rollators met sneeuwschuivers en sneeuwkettingen zijn reeds gesignaleerd. Bijzonder verkwikkend is de rust die over stad en land neerdaalt. Al het politiek en maatschappelijk gekrakeel wordt gedempt onder de spreekwoordelijke witte deken. De aandacht is nu gevestigd op de


werkelijk belangrijke zaken, de primaire levensbehoeften, de hoogste prioriteiten. Zoals: hoe komen we volgende week het land uit? We zouden namelijk gezellig met z’n allen op wintersport naar Oostenrijk, naar Hinterstoder-Wurzeralm, Obergurgl, Sankt Jacob im Defereggental of hoe al die rare jodeldorpen heten mogen. En we hebben alles al betaald! Ik sta op en werp een verwachtingsvolle blik uit het raam. Hoe ver zijn we inmiddels? Tjonge jonge, kijk toch eens aan: er ligt op sommige plekken al een vleugje sneeuw van minstens één millimeter! Nou, nou, nou… Kan het eraf daarboven? De buurtkindertjes zijn kraaiend van enthousiasme bezig met een Barbiesneeuwpoppetje.


Dit schiet niet op natuurlijk. Typisch Nederland: altijd slappe polderpudding, nooit eens lekker klimatologisch uit het dak gaan, nooit eens doorzetten, nooit eens royaal uitpakken, altijd benepen lopen miezeren. In mijn gedachten dooit en druilt het reeds en modderen wij halfslachtig voort‌ 3-01-2004


De literaire drogist Nederland is doortrokken van drogisterijen en ze heten bijna allemaal hetzelfde. In het bijzonder heb ik de winkelketen op het oog met de ietwat sjofele zaken, daar waar u altijd doorheen schuifelt op zoek naar goedkope klassieke cd’s. Het ochtendblad brengt mij het bericht dat deze hedendaagse Jozef Geelman nu ook een eigen boekenlijn gaat uitbrengen. Want zonder lijn tel je niet mee. Popartiesten en topsporters hebben hun kleding- of cosmeticalijn, drogisten hun boekenlijn. Logisch toch? Eigen ‘lijnen’ zijn doorgaans duur. Zo niet bij de schuifeldrogist. Deze levert zijn lijn juist tegen een luttel bedrag en omzeilt in


sommige gevallen ook listig de vaste boekenprijs. Gewoon een ander kaftje eromheen, in eigen beheer uitgeven et voilĂ , de serieuze boekhandel heeft het nakijken. Een bekende kleine uitgever verschijnt wederom als Don Quichot op de buis en verdedigt daar vurig de eer van zijn Vrouwe Dulcinea, oftewel de Vaste Boekenprijs. Maar ik voorspel u: er is de Vrouwe geen lang leven meer beschoren. In uitgeversland lamenteert men steevast dat zonder vaste boekenprijs het uitbrengen van risicovolle titels onder druk komt te staan. Dit is waar, maar anderzijds ook wat hypocriet. Bij de uitgave van een boek lijken namelijk de literaire drijfveren in toenemende mate het veld te moeten ruimen voor de commerciĂŤle.


Wanneer een debutant niet behoort tot een marketingtechnisch aantrekkelijke categorie, kan hij of zij het gevoeglijk schudden. Het is dus een voordeel wanneer je een door andere oorzaken bekende Nederlander bent. Of een hyperge誰ntegreerde allochtoon. Die lui scoren opvallend goed de laatste tijd. Reeds langer succesvol is uiteraard de jonge, aantrekkelijke en liefst rondborstige vrouw. Ach ja, het boek, hoe lang zal het nog bestaan? Wij werden opgevoed met respect voor het boek: voor het lezen eerst je handjes wassen. Op de middelbare school ging het al bergafwaarts met de heilige status van het boek. Vertwijfeld hief mijn docent Engels de handen ten hemel terwijl hij


verhaalde over de cultuurbarbarij van Amerikanen, die de gelezen bladzijden van een pocketboek doodleuk afscheurden! Hier in Nederland kwam dit gebruik gelukkig niet in zwang. Het is bij nader inzien ook nooit nodig geweest, want een bĂŠĂŠtje paperback valt traditiegetrouw reeds bij eerste lezing vanzelf uit elkaar. Wij gaan voor ons leesgenot richting internet, beste letterconsument, al lijkt dit idee u op dit moment misschien nog een gruwel. Lezen van een computerbeeld is heden ten dage nog niet bijster comfortabel. Maar daar zit verbetering in, kan ik u melden. Binnen luttele jaren ligt u met een flexibel beeldschermpje ter dikte van een placemat lekker in uw bedje de vroeger zo onhandelbare pillen te


verslinden van Umberto Eco of A.F.Th. van der Heijden. Maar het belangrijkste voordeel is dat u toegang krijgt tot alle onbekend gebleven letterkunde die op internet voor het grijpen ligt. U weet wel, het werk van de auteurs die voor de boekenuitgevers niet bekend, jong, allochtoon of rondborstig genoeg waren. Het boek bracht blijkbaar met zich mee dat wij slechts het topje van de ijsberg lazen. 10-1-2004


Het zachte trauma Ik kwam onlangs op het ijdele idee om eens mijn bakkebaarden te laten staan. Na een week moest ik constateren dat het groeiproces behoorlijk moeizaam vorderde. Een ander punt van zorg was dat de rechterkant sneller opkwam dan de linker. Het zachte trauma van de puberteit kwam weer boven. Ook toen al wilde het maar slecht vlotten met de baardgroei. En dat in een periode dat je als jongen van je eigen lijf wel een moreel steuntje in de rug kon gebruiken. Deze uiterlijke kenmerken waren voor de buitenwereld het bewijs van een geslaagde overgang naar het man-zijn. Althans, zo voelde je dat. Vooral in de beginjaren van de middelbare school zou het een niet geringe


opsteker zijn geweest wanneer ik alvast wat fiere beharing op mijn kaaklijn had kunnen etaleren. Immers, de status van jongetjes in die leeftijd wordt in niet geringe mate bepaald door de noodzaak tot scheren. Steeds meedogenlozer manifesteerde zich in onze klas de tweedeling tussen de stoppelkinnen en de babyfaces. Met een door afgunst gevoed gevoel van afschuw constateerde ik hoe de baardgroei zich bij de beter bedeelde knapen steeds voorspoediger ontwikkelde. B ij mijn lotgenoten herkende ik de wanhoop in hun ogen. In het bijzonder waren wij jaloers op Joop, een uit de kluiten gewassen bink die zich reeds op zestienjarige leeftijd de luxe van een heuse snor kon permitteren.


Wij zaten op een strenge en conservatieve school, waar men er je de toegang weigerde wanneer er iets aan de persoonlijke verzorging mankeerde. De directeur vond een snor op de lip van een zestienjarige onverzorgd. Joop moest naar huis om hem af te scheren. Het behoeft geen betoog dat vanaf dat moment zijn reputatie was gevestigd tot in het door ons overzienbare deel van de eeuwigheid. Tot overmaat van ramp bleef de suprematie van de Joop op het gebied van haargroei niet beperkt tot het hoofd. Bij het douchen na de gymles liet Joop zich graag voorstaan op zijn riante bos schaamhaar. Zelfs de troost dat men door dit bos de boom niet meer zag, werd ons niet


gegund. Zijn leuter slingerde er met nonchalant gemak bovenuit. Joop staarde steevast laatdunkend naar onze kale papegaaiensnaveltjes, zoals hij het graag uitdrukte, die vervolgens vernederd verder slonken naar parkietensnaveltjesniveau. Het was verbluffend hoe snel wij ons konden aankleden. Daarvoor hebben wij toen nog menig compliment van de gymleraar in ontvangst mogen nemen. Wanneer ik Joop nog eens tegenkom hoop ik dat hij kaal is. Van boven dan. Naar het overige ben ik niet nieuwsgierig. Dan is het eindelijk mijn beurt om te pronken met de mooie haardos die ik nog bezit. Met de baardgroei is het inmiddels ook wel redelijk goed gekomen. Op die luie bakkebaarden na.


Vanmorgen stond ik mij als altijd routineus onder de douche te scheren. Gewoon op gevoel. Mijn gedachten dwaalden af naar deze jeugdherinneringen. Zo kon het gebeuren dat het scheermes tijdens dit moment van onoplettendheid de prille tochtlatten om zeep hielp. Zou er zoiets bestaan als 'Freudiaans scheren'? 17-01-2004


De pretentie Ik heb iets nieuws geleerd. Ik heb geleerd dat mijn marketingconcept totaal niet deugt. Ik ontdekte het allemaal toevallig, doordat een kunstenaar op internet zijn tekeningen aanbood voor vijfentwintig euro per stuk, exclusief drie euro verzendkosten. Voor dit luttele bedrag zou ik een hoogwaardige en gesigneerde reproductie op 300 grams Hahnem端llerpapier ontvangen. Ik zie dat het cartoonachtige tekeningen zijn in een stijl die mij doet denken aan die van Peter Vos. Dat kan men mooi of niet mooi vinden, daar kan men vijfentwintig of nul euro voor over hebben. Verder is het gewoon slim.


Ik kom nog wel eens in het Open Museum in Tefen. Dat ligt in het noorden van Israël. Het is een bedrijvenpark met kleine en schone ondernemingen en daar tussendoor allemaal kunst. Er is ook een expositieruimte. En ik moet zeggen, dikwijls zie ik er heel mooie en originele dingen. Het Open Museum heeft een belangrijke reputatie en terecht. Echter, op een keer zag ik er op een wandbord een biografie van een exposerende Amerikaanse kunstenaar hangen. In het Engels. Opvallend was het grote aantal malen dat het Franse woord ‘oeuvre’ in de tekst voorkwam. Overal waar een normaal mens zou spreken van ‘his work’, sprak men bij het museum van ‘his oeuvre’.


Pesterig vroeg ik aan de beheerder van de expositie wat ‘oeuvre’ betekende. Deze had geen idee. De Israëlische basisscholen houden zich namelijk traditioneel niet zo bezig met ‘maman coupe le pain’ en ‘papa fume une pipe’. Allemaal dikdoenerij dus. Geen wonder, de beeldende kunst is van oudsher berucht om haar pretentieus gezwets. Denk maar niet dat een plaatje meer dan duizend woorden zegt. In nogal wat gevallen moet bij een schilderij of tekening door gezaghebbende lieden nog een uur worden gewauweld over wat het nu precies voorstelt en wat de kunstenaar ermee heeft bedoeld. Maar het schijnt wél te werken. U begrijpt, ik ga het vanaf heden helemaal anders aanpakken. U kunt dit stukje


proza bij mij bestellen voor de somma van honderd euro. Daarvoor krijgt u een volledig handgeschreven, gesigneerd en genummerd exemplaar op origineel 60 grams gelinieerd Hema schrijfblokpapier, inclusief de belofte dat ik zo netjes mogelijk zal proberen te schrijven. Ja! Waarom zij wel en ik niet? Dit is toch óók kunst? En ik hoef er niks aan uit te leggen. Er is geen woord Frans bij. Nou ja, deze keer dan toevallig wel… 24-01-2004


Het oordeel Ik had een hypothese: in dit lage land mag je niet over jezelf beweren dat je goed in iets bent. Vooral wanneer het gaat om belangrijke vaardigheden in de sfeer van de kunst, zoals schrijven en dichten. In een vlaag van overmoed nam ik de proef op de som en verklaarde in het openbaar dat ik heel goed kon schrijven. En inderdaad, het werd mij niet in dank afgenomen. Ik ga nu verder door het leven als een zelfingenomen kwast, een borstklopper, een dikdoener, een kapsoneslijer. Achteraf trachtte ik de uitkomst van mijn proef te analyseren. Waarom reageerde men toch zo heftig? Ik heb bijvoorbeeld ook wel eens beweerd dat ik goed kon afwassen, maar


dit werd onmiddellijk grif beaamd. U begrijpt dat ik sindsdien ruimschoots de gelegenheid krijg om mijn talenten op dit vlak te ontplooien. Waarin zit hem dan het verschil? Na enig nadenken kwam ik tot de conclusie dat men zichzelf niet mag ophemelen wanneer het serieuze zaken betreft die onderhevig zijn aan smaak en oordeel. Vaardigheden waarvan de kwaliteit niet voor honderd procent objectief kan worden vastgesteld. Het kost een wiskundige een stuk minder moeite om anderen te bewijzen dat hij werkelijk goed is dan een kunstschilder. Nederlanders zijn nogal kleinzielig in dit soort dingen. Het is een afgunstig volkje. En daarom houden wij onze eigendunk maar voor ons. In tegenstelling tot Amerikanen. Die pronken even onbe-


kommerd als onbeschaamd met hun persoonlijke kwaliteiten, al zijn die nog zo triviaal. Amerikanen zetten zelfs hun zwemdiploma’s nog in hun curriculum vitae en maken trots melding van het aantal stempeltjes en plaatjes dat ze eertijds op de crèche kregen voor hun plakwerkjes. Wij zijn zuiniger met complimenteren dan met afkraken. Een spontane en rechtstreekse uiting van bewondering is een zeldzaamheid. Twintig jaar geleden hoorde ik een klein jongetje eens met oprecht ontzag tegen een wat oudere jongen zeggen: “Goh, ik vind dat jij toch zó goed kan voetballen!” Het is veelzeggend dat ik dit nog weet. Alleen de anderen zijn gerechtigd een positief oordeel over je uit te spreken.


Jijzelf niet. Complimenten mogen alleen in uiterste noodzaak worden gegeven en uiteraard niet te ruimhartig. Anders ga je nog naast je schoenen lopen. Kortom, wie trots is op eigen prestaties en vaardigheden, is wel gedwongen zichzelf op ietwat slinkse wijze te promoten, want een ander doet het niet. Eigenlijk is het raar dat het zo moet. Ga maar na: dagelijks teisteren reclames van bedrijven onze oren en ogen. Allemaal vinden zij zichzelf zonder terughoudendheid supermegageweldig! Maar een kunstenaar die hetzelfde doet is direct een megalomaan. Eigen roem stinkt. Tenzij het dus commerciĂŤle roem is. Want geld stinkt nu juist weer nĂ­et!


Het woord zelfkritiek bestaat, het woord zelfcompliment niet. Ik zou zeggen: ze bekijken het allemaal maar. Vanaf heden ben ik gewoon de beste. Ik weet nog niet waarin. Ik kom daar nog op terug. Maar de beste ben ik, dat is zeker. Evalueer de reflex van weerzin die deze opmerking bij u opwekt. 31-01-2004


Het oude geheugen Hij is drieënnegentig. Hij is nog goed gezond, zit voornamelijk in zijn leunstoel, kijkt wat televisie, leest de krant en doet daar tussendoor zijn dutjes. Voor de rest vindt hij het allemaal wel best. Het is ook geen leeftijd waarop je zegt: “Ik ben toe aan een nieuwe uitdaging!” Tenzij je rotsvast gelooft in het hiernamaals natuurlijk. Maar volgens mij heeft mijn vader zich daar nooit duidelijk over uitgesproken. Ik heb hem oud zien worden en heb mij verwonderd over het gemak waarmee hij het vorderen der jaren accepteerde, zich niet verzette tegen de beperkingen van de ouderdom. En nu hij héél oud is maakt hij er zelfs misbruik van. Hij is ‘al drieënnegentig’ en iemand van


die leeftijd heeft geen plichten meer. Blijkbaar. Tja, zeg er eens wat van… Zijn geheugen herschikt zich. Hoe meer de omvang van zijn toekomst statistisch te verwaarlozen is, des te groter wordt het belang van vroeger. Het kortetermijngeheugen ruimt steeds meer plaats in voor de terugblik naar voorbije tijden. Op zijn verjaardag gaf ik hem een beker, want van andere dingen ziet hij het nut niet meer. Na een half uur vroeg ik hem wat voor fijne cadeaus hij verder nog had gekregen, van de bezoekers die al eerder op de dag waren langsgekomen. Hij tilde trots de beker op en riep: “Een beker!” “Ja, eh, wèl blijven opletten ouwe! Die heb je net van mij gehad!” O ja. Hij lacht.


Maar het verder weg gelegen verleden staat hem nog haarscherp voor de geest. Zo kan het voorkomen dat wij met de familie bijeen zijn en komen te praten over actuele onderwerpen. Mijn oude vader zorgt op de achtergrond voor het historisch commentaar. Dit doet hij uitstekend. Hij heeft immers van ons allen het grootste stuk geschiedenis achter zich en het heden sloft hij toch niet meer bij. Rustig als hij is spreekt hij niet veel, maar orakelt hij van tijd tot tijd een wetenswaardig feit. Zo kwamen wij onlangs te praten over het toenemend geweld in de sport, dat nu zelfs bij het handballen toeslaat. Wij zagen allemaal de verbazingwekkende beelden op het journaal, van vechtende supporters en spelers.


Wij wonden ons op. Mijn vader merkte terloops op: “Tijdens de Olympische Spelen van 1928, bij ’t atletiek, is iemand door een speer getroffen! Dood! Dáár hoor je nooit meer wat over!” Het gesprek viel stil. Zo, die zit! Kom daar nog maar eens overheen, zag je hem triomfantelijk denken. Inderdaad, de voorstelling die wij ons maakten van een gespietste atleet etste zich in onze geest en verdrong met gemak de realistische televisiebeelden van een stelletje mattende handballers. Zo zie je maar, je moet die oudjes een beetje aan de praat houden, anders gaat er nog een hoop spectaculair verleden verloren. 7-02-2004


Een aanstekelijk fenomeen Ik loop regelmatig langs dat statige bankgebouw aan de gracht, waarin tegenwoordig helemaal geen bank meer woont. Ik weet nog hoe het er van binnen ongeveer uitziet, want ik had daar in een ver verleden mijn vakantiebaantjes. Helemaal bovenin is een grote zaal. Daar stonden tientallen bureaus met elk een Adler schrijfmachine. Met mijn collega’s typte ik de godganse dag formulieren met carbondoorslagen. Wij brachten een oorverdovend geratel voort. We draaiden en rookten zoveel mogelijk sigaretten om de sleur te doorbreken en keken constant vertwijfeld op de klok of het nog geen vijf uur was. Telefoons rinkelden onophoudelijk. Maar


die werden gewichtig opgenomen door de over de zaal verdeelde procuratiehouders en souschefs. Daar kwamen wij onderhorigen niet aan te pas. En zo was die grote zaal een kermis van geratel en gerinkel, met een zuurstofarme atmosfeer van sigarettenrook, transpiratie en automatenkoffielucht. De procuratiehouders konden potentaten zijn. Jaren hadden zij staan dringen in de hiĂŤrarchie voor hun promotie, vuile handen gemaakt aan het carbon, vernederingen verduurd van hen die toen nog boven hen stonden. En nu konden zij dan eindelijk zelf eens naar beneden trappen. Het was hun enige verzetje in de monotonie van het paraafjes krassen op elke doorslag van de formulieren. De jonge, onopvallende Indische vrouw zat een eind van mij vandaan en eigenlijk


kende ik haar niet. Doordat zij op een dag hysterisch werd weet ik nog dat zij Frida heette. Blijkbaar had haar chef haar weer eens grof bejegend en luid snikkend vluchtte zij naar de garderobe. Daar bevonden zich ook enkele wc’s. Deze ruimte was door een glazen wand gescheiden van de afdeling. En zo kon iedereen zien en horen hoe Frida’s verdriet escaleerde. Binnen tien seconden accelereerde zij van snikken naar gierend krijsen, dat ons door merg en been ging. Zij sloot zich vervolgens op in één van de toilethokjes. Zuchtend stuurde de dikke kettingrokende afdelingschef één van de andere meisjes naar haar toe. “Ach toe, Antoinette, ga jij haar eens kalmeren, wil je?” Antoinette klopte indringend op de wcdeur om met Frida in contact te treden.


Dit lukte: zij begon vreemd uit haar ogen te kijken en stond al snel met Frida mee te gillen. Het geratel van de Adlers stopte en gek genoeg gingen ook de telefoons ineens niet meer. De zaak dreigde uit de hand te lopen, want de andere dames van de afdeling werden ondertussen eveneens zichtbaar instabieler. De heer Werner was een bruut met een grote bek en een sergeantensnor, die ‘t daarmee reeds op vrij jonge leeftijd had gebracht tot procuratiehouder. Hij bestormde de toiletten, drukte onverdroten het kunststof deurtje uit z’n voegen en trok Frida naar buiten. Maar het gekrijs ging lustig verder. Sergeant Werner brieste dat het nu afgelopen moest zijn.


Zelfs dit dienstbevel drong niet door. Kordaat diende hij daarop Frida en Antoinette elk een fikse oorvijg toe. Een onthutste stilte trad onmiddellijk in. De meedogenloze heer Werner zal het ongetwijfeld nog ver hebben geschopt in het bankwezen. 21-2-2004


Stoere herrie Twee jongetjes van naar schatting amper zestien jaar reden door het park. Zij zaten gezellig met z’n tweeën op een zogeheten ‘Quad’, een stoer brommertje met vier wielen. De gebaande paden bestonden niet voor hen. Met zo’n regelrechte machomachine zoek je uiteraard het onvoorspelbaar woeste terrein op van de geschoren gazons. Het was een brommertje waarvan de hoeveelheid lawaai omgekeerd evenredig is aan de gereden snelheid. Zo’n ding hoor je al aankomen wanneer hij nog drie hele wijken van je vandaan is. Pas na een krap halfuur komt ten langen leste de bron van de snerpende herrie in zicht. De berijder hangt met de neus op het stuur, teneinde de aërodynamica van


dit beestachtig stuk toptechniek ten volle tot haar recht te doen komen. Met de duivelse snelheid van bijna achttien kilometer per uur passeert het krijsende racemonster. Onderwijl wordt het laconiek ingehaald door een bejaarde op een elektrische scootmobiel. Toen ik mij dreigde te gaan ergeren dacht ik snel terug aan mijn eigen jonge jaren, waarin Kreidler, Puch, Tomos en Z端ndapp even luidruchtig de boventoon voerden in het dagelijks verkeer als de huidige generatie opgevoerde brommers en scooters. Ik maande mijzelf daarom niet ouwelullig te doen en het maar gelaten te ondergaan. Sinds de uitvinding van de explosiemotor is dit lawaai van alle tijden en het staat los van enige technische vooruitgang.


Vanuit de fabriek was de bromfiets altijd redelijk geluidsarm. Ook was de snelheid begrensd tot een niveau waarmee je bij je vrienden niet aan hoefde te komen. Deze fabricagefouten dienden zo spoedig mogelijk te worden rechtgezet. Daartoe stonden middelen ter beschikking als het inbouwen van een grotere carburateur, het verwijderen van de snelheidsbegrenzer, het uitboren van de zuiger en het aanbrengen van een vet ronkende uitlaat. Bij Puch en Tomos moest tevens het stuur op kinhoogte. Pas dan begon het er een beetje op te lijken. Het was natuurlijk weer mijn karma dat ik geen geld had voor een dure bromfiets. Ik wist uiteindelijk een oude Honda op de kop te tikken. Dit was allesbehalve een hippe brommer.


Hij was voorzien van plastic beenkappen en een tank in de vorm van een rechtopstaand ei. Louter het feit dat dit rijwiel een wonder van techniek was voorkwam een vernietigend oordeel van de ‘merkrijders’. De Honda had namelijk een viertaktmotor in plaats van een ordinaire tweetakt en reed niet op mengsmering maar op zuivere benzine. Met een speciale uitlaat maakte hij een sexy grommend geluid. Toen mijn kameraden het ding voor het eerst zagen wisten ze niet goed wat ervan te denken. Dat moment van aarzeling buitte ik uit door omstandig het technisch raffinement van deze Japanse lulhannesbrommer aan te prijzen. Daarop gunden zij mij het voordeel van de twijfel.


Wat ik nooit heb begrepen is de populariteit van het hedendaagse scootermodel. Met zo’n wangedrocht zou je vroeger zijn weggehoond. In Amsterdam stond een scooter sowieso bekend als een ‘raceplee’. De eerste die dáármee durfde rijden moet wel een héél mooie meid achterop hebben gehad! 14-2-2004


Echte legerslaapzakken Lang geleden zwierven wij liftend heel Europa door. Nou ja, niet overdrijven: zo’n beetje half Europa. We hadden nauwelijks geld, maar geld was eigenlijk geen gemis. Er was genoeg vriendelijkheid, behulpzaamheid en gastvrijheid op onze weg om ons telkens weer een stuk verder te helpen. Elke avond werd het eventjes spannend of wij een slaapplaats zouden hebben. Maar we kwamen altijd wel ergens onderdak, in het uiterste geval in een jeugdherberg. Eigenlijk beschouwden we dat laatste als een kleine nederlaag. Het moest allemaal zo gratis mogelijk, want des te langer werd de vakantie. Desnoods zouden wij buiten slapen, dachten we stoer. Gewoon


langs de weg of achter een heg op een grasveld. Dat konden we rustig doen, ongeacht de weersomstandigheden. Wij hadden namelijk ĂŠchte legerslaapzakken! We hadden de slaapzakken nog nooit hoeven gebruiken, maar het gaf een veilig gevoel er altijd op te kunnen terugvallen. Als de nood aan de man kwam konden wij de elementen trotseren met deze stukken hoogwaardige overlevingsuitrusting. Ongetwijfeld hadden zij hun waarde al bewezen in menige barre situatie. Ik kreeg ze van een oom van mij, die ze uit het leger had overgehouden. Dat stond garant voor kwaliteit. Ze konden naar de toenmalige maatstaven klein worden opgerold. Je lag erin als een mummie, je kroop erin weg tot alleen je ogen nog


zichtbaar waren. Een knusse, warme cocon die de vijandige wereld buitensloot. Wij waren al bijna weer thuis toen wij onze echte legerslaapzakken voor het eerst nodig hadden. Laat in de avond belandden wij ergens in Noord-Frankrijk. Wij moesten onze toevlucht nemen tot een jeugdherberg. Die zag er echter verdacht donker uit. Op ons herhaaldelijk aanbellen stak er na een tijdje een geërgerd hoofd uit een bovenraam. La mère had haar krulspelden reeds in voor de nacht en snauwde ons toe dat de boel ‘fermé’ en dus onverbiddelijk gesloten was. Na enig rondzwerven in het pikkedonker vonden wij een gazonnetje achter een bedrijfsgebouw. Wij ontrolden onze slaapzakken en


snoerden onszelf behaaglijk in. Om een uur of vier in de ochtend werden wij wakker van de kou. Het was een verlammend vochtige kou, die ons van onder tot boven door de botten trok. Wij stelden huiverend vast dat wij het nog nooit zo koud hadden gehad. De kille mist drong genadeloos door elke porie van onze echte legerslaapzakken. Wij waren dienstweigeraars geweest. Anders hadden wij natuurlijk allang uit ervaring geweten dat die echte legerslaapzakken van ons gewoon je reinste rotzooi waren, een dunne paardendeken met een stuk zeildoek eromheen. Hadden wij dáárvoor nu die dingen half Europa doorgezeuld? Nou ja, niet overdrijven: in elk geval een kwart…


Wij vloekten en tierden om een beetje warm te worden. Onze minachting voor het leger was groter dan ooit. Ja, dat je oorlog voert is tot daar aan toe, maar zorg dan in elk geval dat die spullen een beetje in orde zijn! In het bijzonder de slaapzakken! Nu zijn zelfs twee vredelievende burgers daar achteraf nog een keertje de dupe van geworden! 28-02-2004


Nachtvogels Ik heb geen verstand van vogels. Ik kan zelfs maar met moeite het woord ornitholoog spellen en dan moet ik het nog drie keer nakijken ook. Ik verkeerde altijd in de veronderstelling dat behalve meneer de Uil ’s nachts alle vogels netjes gingen slapen. In mijn beleving waren onze gevleugelde vriendjes altijd weer blij wanneer zij volkomen uitgeteld na een dag fluiten en fladderen de thuistak of het nest mochten opzoeken voor een welverdiende nachtrust. De volgende morgen moesten zij immers weer vroeg uit de veren? Zelfs de reigers, die toch feitelijk de hele dag niets anders doen dan een beetje wezenloos aan de slootkant staan, zag ik na zonsondergang met vermoeide wiekslag en krassende kreten één voor


één weer de volkomen uitgewoonde kolonie opzoeken. Kortom, als stadsmens wist ik eigenlijk niet beter dan dat vogels ons ’s nachts niet lastig hoorden te vallen met hun getjilp, gepiep, gesnater, gekras of gekwaak. Niets is minder waar. Misschien was dat zo in de tijd van Jac. P. Thijsse, maar tegenwoordig heeft ook bij de vogels blijkbaar de verloedering toegeslagen. Het kan ook zijn dat zij zich simpelweg aanpassen aan onze 24-uurs economie of gebruik maken van het opgerekte nachtvluchtenregime rond Schiphol. Hoe het ook zij, de laatste tijd word ik regelmatig wakker van vogellawaai. Langs mijn huis loopt een smalle vaart en


daarachter is een tamelijk drukke verkeersweg. ’s Nachts valt het verkeer op de weg grotendeels stil. Maar dan beginnen de vogels in de vaart! Dwars door de isolerende beglazing heen klinkt bijvoorbeeld het eindeloos repeterend indringend getok van een waterhoen (of zo). Eerst dacht ik nog vertederd dat het een jonkie was dat na een iets te opwindende dag in z’n slaap praatte. Maar toen ik onlangs eens laat thuiskwam en langs het vaartje liep, bleek het hele stelletje aquakippen doodleuk luidruchtig aan het rondzwemmen te zijn! Sinds jaar en dag zwerft er in onze buurt ook een troep ganzen. Ja, gewoon in de stad. Reeds decennia geleden zijn die hier van overheidswege neergezet. Men zou de stadsmens wel eens even


onder de neus wrijven wat natuur was. Aanvankelijk waren het gekortwiekte sneeuwwitte ganzen, tegenwoordig vormen zij door immigratie een redelijke afspiegeling van de etnische veranderingen in onze samenleving. De ganzen zijn inmiddels dermate verstedelijkt dat zij argeloze voorbijgangers de plastic boodschappentassen uit de handen snaaien, omdat zij hebben geleerd dat daarin brood voor hen zit. Nu staan ganzen sowieso al bekend om hun lawaaioverlast, maar de laatste tijd komt het regelmatig voor dat het ook ’s nachts volkomen de spuigaten uitloopt. Ik weet niet wat die beesten allemaal aan het doen zijn, maar onlangs klonk er een ijzingwekkende ‘gak’ die wel vijf seconden duurde! Niet normaal gewoon!


Betrof het hier een wilde orgie bij de buurtganzen die aldus tot een langgerekt hoogtepunt kwam? Of een onderlinge afrekening? Ik besloot dat het nu maar eens afgelopen moest zijn met al die nachtelijke herrie. Ik heb direct de politie gebeld om te klagen over burengerucht. 6-3-2004


Schrijven in het donker Naast mijn bed ligt het notitieboekje onder handbereik. Net als bij iedereen die schrijft. Immers, de beste invallen komen in de stilte en het duister van de nacht. Daarom moet dat idee, die zin of zelfs dat enkele woord direct worden genotuleerd, want bij zonsopkomst is de briljante brainwave bijna zeker weer verdwenen en daarmee een eventuele eerste aanzet tot eeuwige roem. Het opschrijven van ideeĂŤn moet bij mij noodgedwongen in donker gebeuren. Het licht kan niet eventjes aan, anders komen er gegarandeerd protesten van de andere zijde van het ledikant. Mijn geliefde kan en wil tijdens haar dikverdiende nachtrust geen begrip opbrengen voor het algemeen cultureel belang. En ga nu niet heel bijdehand tegen-


werpen dat ik dan gewoon een zaklampje moet gebruiken. Want geloof mij nu maar: er wordt dan al héél snel argwanend geïnformeerd wat ik daar allemaal onder die dekens uitspook. De kunst van het schrijven in het donker heeft men niet na één enkel nachtje stug doorpennen in de vingers. Het leertraject zit vol voetangels, klemmen en valkuilen. Slechts geleidelijk verwerft men wat wordt aangeduid als ‘Het Ware Nachtzicht’. Zo ondervond ik dat ik zonder onderbreking moest doorschrijven om niet hopeloos te verdwalen op het papier. Bij denkpauzes dient de pen op de plaats rust te houden. Hij mag absoluut niet worden opgetild om er eventjes bedachtzaam aan te lurken. In het donker gokt een mens bij het bepalen van het


zogenoemde hervattingspunt namelijk onvermijdelijk op de verkeerde coördinaten en ziet men het hele verhaal ’s morgens in twaalf lagen door elkaar op één enkele regel staan. Door deze frustrerende ervaring ging ik nadrukkelijk rekening houden met de leesbaarheid achteraf. Ik nam het zekere voor het onzekere en dit resulteerde in ruim gespatieerde woorden met twintig punts blokletters en regels met een interlinie van ongeveer anderhalve centimeter. Toch wel een geinig idee dat archeologen hierdoor over tweehonderd jaar mijn nachtelijke literaire escapades zullen toeschrijven aan een zesjarige met leerachterstand. Een laatste verbeterpuntje was dat afkortingen absoluut vermeden dienden


te worden. Blijkbaar ben ik ’s nachts stukken optimistischer en overmoediger dan overdag. Daardoor leefde ik in de lichtzinnige veronderstelling dat ik een krabbelconstructie als ‘de zenwsl peri vd prem’ de volgende dag met gemak weer zou kunnen herleiden tot ‘de zenuwslopende periode voor de première’. Dit is overigens het enige voorbeeld dat ik ooit heb kunnen ontcijferen, al weet ik nog steeds niet waar het überhaupt op sloeg. Na deze moeizame leercurve was ik eindelijk zo ver dat ik mij met een gerust hart te bedde kon begeven in de gelukzalige zekerheid dat zelfs het vluchtigste idee, de lenigste zinswending of het meest geestige woord geen kans meer kreeg te ontsnappen in het nachtelijk duister.


Behalve die keer natuurlijk dat mijn vulpen leeg was. Bij het eerste ochtendlicht zag ik slechts wat vage krassen in ’t papier. Krassen die jandorie een meesterwerk hadden moeten zijn! Soms is het maar beter om gewoon door alle inspiratie heen te snurken. 27-3-2004


Schreeuwen naar vroeger Ik wandel door de wijk waar ik als onderdeurtje woonde. De aanblik van de huizen, de lichtval, ik hoef mij maar in de straten te bevinden en vanzelf wordt het weer prettig warm in mij. Vroeger was alles beter, denk ik tegen beter weten in. Als dat waar zou zijn bevond de mens zich in een voortdurende neerwaartse spiraal. Ik loop opnieuw die bange weg naar de kleuterschool, waarlangs destijds talloze ingebeelde gevaren loerden. Ik hoefde gelukkig niet alleen, we gingen in een groepje: drie of vier kinderen van vijf. Begeleidende moeders waren niet nodig in die tijd. Zij moesten huishouden, terwijl de vaders aan het kostwinnen waren. We konden het zelf wel af. Samen waren wij redelijk opgewassen tegen al het onheil onderweg, dat groten-


deels bestond uit de griezeligheden die we elkaar op geheimzinnige fluistertoon aanpraatten. Zo was daar een deur als alle andere deuren. Met dit verschil dat hij altijd ruim een decimeter openstond. Dat was niet pluis, daarachter in het donker woonde een heks. Wij wisten dit heel stellig. In een wijde boog renden we aan de deur voorbij, want het boze oude wijf kon zomaar ineens als een roofdier uit haar hol tevoorschijn schieten en ĂŠĂŠn van ons naar binnen sleuren. Uiteraard was er de eeuwige dreiging van de kinderlokker. Daarvoor waren wij tot in den treure gewaarschuwd: nooit met vreemde mensen meegaan! De standaard kinderlokker stelden wij ons voor als een onheilspellende man in


een lange regenjas, een strakke ceintuur om het middel. Schijnbaar doelloos zou hij zomaar ergens op de stoep staan en ons de weg naar de Narcisschool ver-sperren. Zijn kille ogen staarden in je kinderziel vanonder de brede rand van zijn hoed. Hij haalde zwijgend z’n handen uit zijn diepe zakken en hield ons het snoepgoed voor. Van Jamin. Wij van onze kant zouden echter genoodzaakt zijn het aanbod af te slaan en weg te rennen. Zo was dat ons ingeprent. Halverwege de route was een fietsenstalling. Daar beproefden we dikwijls onze dapperheid. Een lange trap liep naar beneden. Aan weerskanten waren goten voor de fietswielen. Onderin die donkere krocht zou de stallingbaas


moeten zitten. We hadden hem nooit gezien, maar hij was ongetwijfeld groot en sterk. Geen man om mee te spotten, want fietsendieven moesten bang van hem zijn. Het was dan ook knap moedig van ons dat wij elk een ijzingwekkende kreet de galmende diepte in durfden te schreeuwen, de één wat harder dan de ander. Wij zetten het direct op een lopen, want na deze provocatie zou de stallingbaas vast als een getergde waakhond de trap op komen stormen. De stalling is er nog steeds. Ik ga op mijn hurken voor de ingang zitten om mijn lengte van toen na te bootsen. Ik verzamel al mijn moed en roep zo hard als ik kan: “hééé!” Mijn schreeuw ketst via de betegelde


wanden de traptreden af. Plots doemt beneden iemand uit het duister op. Zij heeft haar fiets aan de hand. Ik maak opnieuw dat ik wegkom. 10-4-2004


Het voorjaarsoffensief In IsraĂŤl heeft elk huis een zogeheten ‘veilige kamer’. Hierin kan de familie zich terugtrekken wanneer er zich rampen of aanvallen van vijandig gezinde mogendheden voordoen. Er kunnen verstevigde rolluiken voor de ramen, de deur is van staal en het kleinste kiertje is afgedicht. Sommigen maken er een complete bunker van met een deur die overeenkomst vertoont met die van een bankkluis. Het is tragisch dat er een veilige kamer nodig is om eventuele ernstige omstandigheden het hoofd te kunnen bieden. Ik wil het fenomeen dan ook geenszins bagatelliseren of ridiculiseren. Maar heel eerlijk gezegd zie ik ook in vredestijd grote voordelen in het principe van de veilige kamer.


Iedereen heeft namelijk wel eens behoefte zich volledig af te sluiten van de buitenwereld, even helemaal nergens last van te hoeven hebben. Het zou menig gezinsleven zeer ten goede komen. Je kunt er in alle rust en stilte een moment voor jezelf hebben, zonder kindergejengel of het opgewonden verhaal van een partner die zo nodig de werkdag op jou moet afreageren. Soms staat je hoofd daar gewoon eventjes niet naar. Dan neem je de toevlucht tot de veilige kamer, want eindeloos op het toilet blijven zitten is een weinig elegante oplossing. Ikzelf gebruik de veilige kamer vooral wanneer het voorjaar doorbreekt. Vrouwen krijgen dan namelijk de natuurlijke drang om het hele huis op z’n kop te zetten, te soppen, te schilderen,


opnieuw in te richten of zelfs bijna te verkopen. Mijn geliefde is daarop geen uitzondering. Ik noem dit verschijnsel altijd ‘het voorjaarsoffensief’. Op zich is het voorjaarsoffensief een goed ding. Ik zie wel degelijk het nut van de boel weer eens flink opschudden, uitruimen en boenen. Weg met die winterse spinnenwebben en stofnesten! Maar bij mannen komt zoiets niet aanvalsgewijs, bij vrouwen wel. Op een zonnige ochtend doe ik mijn ogen open en merk ik dat mijn geliefde ineens druk doende is om al het vertrouwde van zijn plek te trekken. Er ligt geen vooropgezet plan aan ten grondslag, louter die drang. Ik weet: uiteindelijk komt het allemaal goed, maar voorlopig verkeert de kleine wereld om mij heen in complete chaos.


Niets staat nog waar het stond, de schoonmaakmiddelen prikken in mijn ogen en ik word gek van die stofzuiger. Men zou mij kunnen verwijten dat ik niet 贸贸k even de handen uit de mouwen steek. Kenners honen deze suggestie weg. Immers, in het voorjaarsoffensief is voor de man geen plaats. Hij zou geen goed kunnen doen en alleen maar in de weg lopen. Hij mag al blij zijn wanneer hij in de algehele opruimwoede niet z茅lf aan de stoeprand wordt gezet! Kortom: beter wegwezen dus. Haastig gris ik wat eerste levensbehoeften en papieren bijeen en vlucht ik naar de veilige kamer. Niet geheel toevallig is dat mijn eigen werkkamer. Er zit een eikenhouten deur in met vier grendels en hij is volkomen


geluiddicht. Daarbinnen blijft het altijd dezelfde vertrouwde enorme bende, de eeuwige status-quo van mijn eigen zooi. Daar heeft geen enkel voorjaar vat op. 16-4-2004


Ome Ik bracht mijn oude vader naar zijn kapper, die zelf ook niet meer één van de jongsten was. De kapper sprak mijn vader aan met ‘ome Cor’. Het klinkt eventjes vreemd wanneer je eigen vader door iemand een ‘ome’ wordt genoemd, maar onder oude Amsterdammers is het normaal spraakgebruik. Een ome is een ander begrip dan een oom. Als jongetje kende ik diverse omes die helemaal geen familie waren. Zo werden ze nu eenmaal aangeduid. Ome Kees bijvoorbeeld. Zijn veel jongere vrouw was tante Marie. Ome Kees had een volkstuin schuin tegenover de onze. Ik heb hem nooit anders gezien dan met een pet op en een stofjas aan. Hij was een vrolijke, rebelse


oude rakker. Hij lapte de wereld aan zijn laars en vloekte monter in het rond. Tante Marie vermaande hem vergeefs. Mij als puber daarentegen kon het wel bekoren. Het tuinhuis van Ome Kees was tot de nok volgestouwd met rariteiten, tot verdriet van tante Marie, die liever een knus kamertje had gehad in plaats van een uitdragerij. Ome Kees bezat tal van fascinerende schatten, zoals trommels, sterrenkijkers, een gedeukte tuba, een trompet en niet in de laatste plaats een bijzonder knappe dochter, waarop ik even hevig als zinloos verliefd was. Ze was namelijk net een jaar of wat ouder en dat is een onoverbrugbaar leeftijdsverschil als je vijftien bent. Ik heb alleen die trompet eens mogen proberen.


Ome Kees was markant, goedlachs en dreef de spot met alles en iedereen. Zijn handen konden prachtige dingen maken, maar er zat nooit schot in. Alles bleef onvoltooid. Jarenlang heeft achter zijn tuinhuis een houten sloep omgekeerd op het droge gelegen. Met uiterste precisie breeuwde hij de naden tussen de spanten. Maar na elke spant volgde telkens een lange periode van inactiviteit, waardoor de arme sloep uiteindelijk nimmer meer gevaren heeft. Van tuinieren wist hij niets. Hij schoffelde gemoedereerd de afrikaantjes onderuit die Marie diezelfde morgen had geplant. Op een kwade dag brak Ome Kees zijn heup en daarmee knakte zijn levenslust. Hij had er subiet geen zin meer in, want de kwikfit kunstheup was toen denk ik nog niet uitgevonden.


In het ziekenhuis deelde hij zijn vrouw tijdens het eerste bezoekuur laconiek mee: “Marie, ik ga dood.� Hij wachtte haar protest niet af, voegde de daad bij het woord en blies kordaat de laatste adem uit. Hoe word je eigenlijk een ome? Je moet in elk geval oud zijn en tot het gewone volk behoren. Mij dunkt dat een voormalig directeur geen ome wordt. Je lust een borreltje en een sigaartje. Je vertelt sterke verhalen over vroeger toen het nog allemaal beter was. Je bent het gemoedelijke mannetje dat zich met graagte koestert in de respectvolle vriendschap van de volgende generatie. Je leeft in hun herinneringen als je dood bent.


En zo hoor ik in gedachten weer de gebutste trompet van ome Kees, die in een zwoele avondschemering baldadig over de volkstuinen schettert. Maar dan is plotseling de kapper klaar. Volgens hem kan ome Cor weer achter de meiden aan. 24-04-2004


Een stofwolk in de verte De lentezon lokt ons naar buiten en wij wandelen in het Amsterdamse Bos langs de roeibaan. Er heerst een gezellige drukte, want er zijn net roeiwedstrijden aan de gang. Ik weet niets van roeien, behalve dat de beoefenaars, inclusief de dames, dikwijls grote handen hebben. Dat komt natuurlijk van dat eindeloze rukken aan die roeispanen. Een omroeper neuzelt met kabbelende stem zijn commentaar op het verloop van de roeibootraces. Daar hadden ze iemand anders voor moeten nemen, denk ik nog, iemand die gloedvol de emoties van het publiek opzweept over de werkelijk zenuwslopende titanenstrijd bij de acht zonder stuur tussen Nereus en Aegir. Nu lijkt het


meer een verslag van het meisjesturnen. Bijna ongemerkt schuiven de boten over de eindstreep en kaatst er hooguit nog wat gebabbel tussen de oevers over de dubbele bootlengte achterstand van de ploeg van Nautilus, “die dus helaas geen rol van betekenis meer speelt…” Gelukkig zijn daar nog de supporters. Die maken veel goed. Na elke start nadert er in de verte een stofwolk. Niet over het water, maar langs de oever. Het is het aanmoedigingspeloton dat mee oprijdt met de roeiers. Het bestaat voornamelijk uit mannelijke studentencorpstypes die zich op rammelende jatfietsen uit de naad trappen om de boten bij te houden. Bijna allemaal zijn zij gekleed in even vreemd- als veelkleurige gilets.


Tijdens het passeren van het peloton maken wij kennis met het ‘ballenbrallen’. Diep uit de keelkraters van de corpsleden stijgen agressieve oerkreten op die als rauwe aardappelen over het water worden geslingerd. Slechts bij uitzondering zijn er enkele coherente lettergrepen te distilleren uit het barbaars geloei. Dan menen wij een bekakt ‘pak ze’ en ‘maak ze af’ te verstaan. Dit wekt bij ons uiteraard de nodige verwachtingen. Wij houden hoopvol halt om te zien of de teams van de acht met stuurman inderdaad zullen afwijken van hun rechte baan, elkaar zullen enteren en met de roeispanen de concurrerende boten aan spaanders zullen slaan. Tenslotte hebben al die roeiverenigingen niet voor niets van die stoere namen als Viking en Skøl, dus wordt het een keertje


tijd dat er iets opwindenders gebeurt dan een beetje synchroonpeddelen. Helaas, niets van dat al. Zowel de boten als de ballen gaan in rechte lijn richting finish. De omroeper complimenteert de winnaars beleefd met hun ‘uitmuntende prestatie’. Diep teleurgesteld vervolgen wij onze weg naar ons eigen spannende einddoel, te weten Boerderij Meerzicht, alwaar wij een pannenkoek nuttigen. Uitbuikend op het terras ventileren wij hardop onze mening dat roeien toch maar een saaie sport is. Wij worden hierin onmiddellijk tegengesproken door roeiliefhebbers aan het volgende tafeltje. Onlangs nog wurgden negen leden van het Delftse studentencorps bijna een roeier van het Amsterdamse Okeanos met zijn eigen stropdas,


waarna hij bewusteloos te water werd geworpen. O zo! Nou u weer! Noem dat maar saai! Veiligheidshalve verleggen wij het gesprek naar het edele biljartspel, want de echte roeifanaat moet je natuurlijk niet te lang blijven sarren met laatdunkende scherts. 1-5-2004


Triviant Ik vind een oud, dun boekje met de weidse titel: “Honderd wiskundige en wetenschappelijke vragen en antwoorden tot nut en vermaak”. Het stamt naar mijn inschatting uit het begin van de twintigste eeuw. Kijk eens aan, in feite een antieke voorloper van het spelletje Triviant. De ondertitel luidt: “…ten dienste van alle standen en tot nuttig vermaak in gezelschappen”. Ik zie voor me hoe de familie op zondagavond zich gezellig rond de tafel heeft geschaard. Oom Hendrik en tante Jans zijn op bezoek. De mannen roken een fijne sigaar en maken smakkende geluiden na elke slok van hun jenevertje.


De vrouwen doen hun breiwerkje of stoppen nog wat sokken. Voor de knusse gelegenheid nippen zij een citroentje met suiker weg. Vader Gerrit draait de gaslamp nog wat hoger, en roept opgewekt: “Tijd voor een spelletje!” Trots haalt hij het dunne boekje tevoorschijn dat hij voor wel ‘twintig cents’ bij een boekenstalletje heeft gekocht. Hij legt uit wat de bedoeling is en declameert plechtig de eerste wiskundige dan wel wetenschappelijke vraag. De kinderen luisteren vanuit de bedstee stiekem mee, alwaar zij met z’n zessen in liggen.


“Weet jelui: Hoe men zich van wand- of weegluizen kan bevrijden, met geringe kosten, zonder stank, rook of verf, en dit, desbegerende, zelf kan verrigten?” Voldaan kijkt vader in het rond, in afwachting van een antwoord. Je ziet hem denken: daar hebben ze tòch niet van terug! “Wij hebben geen wandluizen,” snibt tante Jans. “En al helemáál geen weegluizen!” roept oom Hendrik verontwaardigd, terwijl hij half overeind komt en al klaar staat om met zijn vuist op de tafel te slaan. “Rustig, rustig! Het is maar een spelletje,” sust vader, “tot nut en vermaak!” Moeder Marie ziet de zaak alweer uit de hand lopen en zegt: “Ga nou maar weer


zitten en neem nog een neut, Hendrik. Dan leest Gerrit ons het antwoord wel voor, hè Gerrit?” “Natuurlijk,” geeft vader met nauwverholen triomf in zijn stem toe. “Daar komt ie!” “Men laat een schot van witte teenen maken, platgevlochten even als een wieg van fijnte, de breedte van de bedstede of het ledikant, twee voet hoog. Dan zet men dit als een schot in de bedstede of het ledikant, aan het hoofd- of voeteneinde. Doch vooraf bestrijkt men hetzelve met een luier, daar een kind in gewaterd heeft. Twee of driemaal des zomers, zoodra het heet weer wordt, kruipt het ongedierte in het mandwerk. Des morgens legt men een laken op den grond en slaat het mandwerk met eenen dikken stok er op uit en binnen korten tijd zal men zich van dit hatelijk ongedierte bevrijd zien.”


“Waar een kind in gewaterd heeft?” bulderlacht oom Hendrik, “Kan ik dat zelf niet doen?” “Draag jij een luier dan, Hendrik?” vraagt moeder Marie ontdeugend. Tante Jans vindt dat hele boekje maar niks en zegt meesmuilend: “Nou, geweldig hoor Gerrit, als we nog eens wandluizen hebben weten we tenminste dat we bij jou moeten zijn!” In de bedstee liggen de kinderen intussen verwoed te krabben. Gauw door naar de volgende vraag! 22-5-2004


Uit de nek Wij hebben een onuitspreekbare, maar toch mooie en rijke taal. De inburgerende immigrant zal zich echter vertwijfeld naar het hoofd grijpen, want het Nederlands geeft in veel gevallen de dagelijkse werkelijkheid totaal niet accuraat weer. Bovendien is er regelmatig sprake van een dusdanige platvloersheid, dat ik me goed kan voorstellen dat onze medelanders het liever bij hun eigen cultuur houden. Wat moet je als inburgeraar bijvoorbeeld met de mededeling dat iemands klomp breekt? Je kijkt vertwijfeld naar de voeten van degene die het roept, want hij zegt ook nog eens dat het nú gebeurt! Wat moet je doen op zo’n moment? Je ziet


helemaal niks, maar het klinkt behoorlijk ernstig en geagiteerd. Er is iets aan de hand, maar wàt? Tja, dan sta je toch mooi met je mond vol tanden. Ander voorbeeld. Ooit iemand gezien die een veer in de reet werd gestoken? Zo ja, wat voor veer? En was dit in Nederland of in een indianenreservaat? Of pijnlijker nog: in een garage? Zo kunnen we moeiteloos doorgaan. Ga er maar aanstaan als buitenlander. Zo’n toelatingsprocedure is pinda’s vergeleken bij het doorgronden van het Nederlands. Bent u iemand die van de prins geen kwaad weet? Zo ja, dan bent u de enige in dit land. Zo nee: vertel! Zijn u wel eens knollen voor citroenen verkocht? Okay, valse vraag, zou ik zelf


ook nooit toegeven, want je moet wel goed stom zijn om dat verschil niet te weten. Vergeef mij de grofheid, maar heeft u wel eens met een tang op een varken geslagen, respectievelijk met uw lul op de sluisdeur of uw kut op Dirk? Indien ja: kreeg u toen ruzie met de dierenbescherming, de sluiswachter of uw levenspartner? Heeft u wel eens uw eigen graf gegraven? Heeft u dit toen ook weer netjes zelf dichtgegooid? Of heeft het maar als kuil voor een ander laten liggen? In dat geval zou ik alsnog uitkijken als ik u was. Bent u wel eens aan lager wal geraakt? Heeft u toen volgens het geldende scheepvaartreglement de bakens verzet? Of alleen maar de tering naar de nering


gezet? Weet u in dat geval eigenlijk wel wรกt u precies gedaan hebt? Of wilt u beweren dat u weet wat een 'tering' is? Kijk, als u dit allemaal al niet werkelijk snapt, wat verwachten wij dan van onze immigranten? Heeft u wel eens de kat van huis gestuurd om de muizen te kunnen zien dansen? Trouwens: had die kat een bel om zijn nek? Heeft u die aangebonden? Had u daarbij handschoenen nodig toen u hem aanpakte? Was het achteraf niet beter geweest hem op het spek te binden, als u toch zo nodig met touw in de weer moest? Daar heeft u slechte ervaringen mee? Hoezo, loopt u met horentjes op dan? Bent u wel eens voor het zingen de kerk uitgegaan? Zijn de andere gemeente-


leden toen wĂŠl binnen gebleven om de kat in donker te knijpen? Heeft u wel eens iemand uit zijn nek zien kletsen? Nee? Bij deze dan. 11-6-2004


Het fijne van de tandarts Sommige mensen zijn bang voor de tandarts. Ik niet, ik ga er fluitend heen. Of ik ook fluitend terugkom is een andere kwestie, maar dat ligt dan meestal aan een nog niet uitgewerkte verdoving. Ik heb trouwens een beetje een literaire tandarts, want zij is een lieve jonge vrouw die is vernoemd naar de titel van een boek. Ik lig weerloos achterover in de stoel en terwijl mijn tandarts lekker aan het klussen is, krijg ik de tijd om na te denken. Over het beroep van tandarts bijvoorbeeld. Zo realiseer ik me eigenlijk nu pas dat ik best een intieme relatie met mijn tandarts heb. Want regelmatig brengt haar werk met zich mee dat haar borstkas en de


bijbehorende ornamenten zich op minder dan een decimeter afstand van mijn gezicht bevinden. Dat sta ik slechts een enkeling toe. Maar mijn tandarts vertrouw ik wel, die maakt daar geen misbruik van. Ik zou geen tandarts willen zijn. Volgens mij ben je dan ’s morgens twee uur bezig om jezelf in het reine te brengen. Want wanneer je zo dicht op de patiënt zit moet je absoluut neutraal zijn in je lichaamsgeur. Je mag zelfs niet lekker ruiken. Immers, wat de één lekker vindt, vindt de ander walgelijk. Ik denk dat mijn tandarts voor het begin van haar werkdag in een badkuip vol gedestilleerd water stapt en zich grondig weekt in zuiverheid. Daarna inspecteert zij waarschijnlijk nauwgezet elke porie van haar huid.


Want je moet er toch niet aan denken dat je patiënten stuk voor stuk gebiologeerd raken door dat ene mee-etertje op je kin. Of erger: dat er nog een stukje neusvuil in je linkerneusgat zichtbaar is, dat er een dotje slaap in je ogen is blijven zitten, de gaatjes voor je oorbellen niet perfect schoon zijn, een schilfertje roos in je haren hangt, een toefje oorsmeer in je gehoorgang is achtergebleven... En dan de adem, hè? Dat is ook zo’n heikel punt. Knoflookrijke maaltijden zijn taboe. Hachee is eveneens geen goed idee, want geen mens is volkomen gasdicht. Slechts een enkele patiënt doe je een plezier met een fikse alcoholkegel, dus lekker een avondje doorzakken is er niet bij. Bij het ophalen uit de wachtkamer duurt het altijd een seconde voordat mijn tandarts mij herkent. Ik weet nu hoe dat


komt. Een tandarts moet het beeld van je hoofd in gedachten altijd omdraaien. Ik stond er nooit bij stil, maar tijdens de behandeling ziet zij mijn tronie meestentijds op z’n kop. Vandaar. Als ze het echt even niet meer weet sper ik mijn mond open en fonkelt meteen de ahaerlebnis in haar ogen. U merkt: niets dan hulde over mijn tandarts! Zij heeft zichzelf perfect op orde. Zij riekt niet, haar huid is gaaf, zij heeft nergens restjes en van nature zijn ook haar borsten allerminst opdringerig. Niet vrouwonvriendelijk bedoeld, maar u begrijpt dat Pamela Anderson dit werk niet had kunnen doen. Ik zal volgende keer ook eens met háár rekening houden en mijn tanden vooraf poetsen. 26-6-2004


Elektrisch altaar Er is er één jarig hoera en we zijn uitgenodigd om te komen eten. Dat is gezellig en het scheelt weer een keertje koken. Hoewel, feitelijk moeten we het tóch zelf klaarmaken, want we gaan gourmetten. De familie waar wij eten heeft een geavanceerde gourmetset, geheel elektrisch met kleine pannetjes die zijn voorzien van antiaanbaklaag. Wij worden daarom vooraf beleefd verzocht niet met de vork in de gourmetpannetjes te harken, maar het bijgeleverde houten spateltje te gebruiken. De gourmetset is feitelijk de volwassenen vorm van het kinderfornuisje met spiritusblokjes. Wij krijgen kleine stukjes vlees van


diverse dieren, een rauw ei om een spiegeleitje te maken en allerlei brokjes verse groente. Het eindeloze bakken van het minivlees stelt het geduld zwaar op de proef. Er zit niets anders op dan intussen de honger te stillen met het overvloedig aanwezige stokbrood en de huzarensalade. In een land waar het voedsel overdadig voorradig is, verzinnen wij de vreemdste manieren om het tot ons te nemen. Jezelf gewoon volproppen wordt op den duur ook zo saai en dus zijn er alternatieve manieren bedacht op het ‘gezellig’ te maken. Sinds jaar en dag kennen wij al het fonduen. Eerst kwam de kaasfondue. Toen dat ons zo’n beetje in lange slierten de neus uitkwam, deden we vleesfondue, visfondue, bouillonfondue en zelfs


chocoladefondue. Het fondueritueel vergt een speciale pan met bijbehorende enge lange vorken. Immens populair is inmiddels ook de barbecue. Alweer gaat het om gezelligheid in combinatie met het verbranden van dierenvlees. De slager levert speciale barbecuepakketten en Blokker het apparaat voor de brandstapel. Ik weet niet of het aan al dat vlees ligt, maar ongemerkt zijn wij kuddedieren geworden. Wij laten ons telkens weer gewillig meesleuren in de volgende vreettrend. Kijk maar eens in de keukenkastjes welke alternatieve kookhulpmiddelen u inmiddels heeft verzameld. Grote kans dat er een frituurpan staat, een tosti-ijzer, een mini-oventje, een


wokpan, een steengrilletje, een wafelijzer. Allemaal elektrisch natuurlijk. Aan tafel met Tefal, de voornaamste leverancier van dit soort apparatuur. Tefal denkt aan alles, en dus hebben ze ook een woord bedacht voor dit gezelschapskoken: funcooking. Maar Tefal kan me wat. Het technisch meest uitgekiende apparaat op het gebied van ‘funcooking’ dat ik in huis heb, is van de firma Kroon en het is draadloos. Eens behoorde het toe aan mijn grootmoeder. Op dit lichtblauw geëmailleerd driepits oliestelletje kun je fijn sudderlapjes pruttelen. Ik herinner mij nog precies de plek waar mijn grootmoeder het ding op het aanrecht had staan. Er zit een kijkglaasje in. Als peuter


staarde ik dikwijls geruime tijd naar de knus flakkerende vlammetjes. Wanneer een rund dan tóch het slachtoffer moet worden van onze carnivore behoeften. kan het maar beter worden klaargesudderd op zo’n huiselijk oliestelletje. Wij zetten het driepittertje dan gezellig midden op tafel en wachten tot het draadjesvlees gaar is. Dat duurt vele uren, maar dat beetje respect moeten we maar overhebben voor het opgeofferde dier. En ach, alles bij elkaar ben je met dat gourmetten toch net zoveel tijd kwijt. 3-7-2004

***


Š 2003-2008 Arnoud de Jong Verbal Jam http://verbaljam.nl verbaljam@gmail.com Deze uitgave is gratis voor niet-commercieel, persoonlijk gebruik. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd op enigerlei manier zonder schriftelijke toestemming van de auteur.

Amsterdam, november 2008

De Vermicelliboom  
De Vermicelliboom  

Een selectie uit de columns van Verbal Jam die tussen 2003 en 2005 verschenen in de digitale editie van het literair tijdschrift OpSpraak.

Advertisement