Page 1

Groenbeheer een verhaal met toekomst Martin Hermy in samenwerking met afdeling Bos & Groen en Velt


Colofon Groenbeheer, een verhaal met toekomst Martin Hermy in samenwerking met Mieke Schauvliege (afdeling Bos & Groen) en Greet Tijskens (Velt) 2005 een uitgave van Velt vzw Uitbreidingstraat 392c, 2600 Berchem Foto’s:Y.D.Nature (tenzij anders vermeld; M.H.: Martin Hermy, D.V.: Dirk Vandromme, J.H.: Johan Heirman, E.R.: Erik Rombaut, E.F.: Evelyne Fiers, S.H.: Sofie Hoste, J.M.: Jeroen Mentens) Redactie: Frederika Hostens Ontwerp, illustraties en productie:Aanzet/Making Magazines, Gent Druk: New Goff, Mariakerke Wijze van citeren: Hermy, M., Schauvliege, M. en Tijskens, G. 2005. Groenbeheer, een verhaal met toekomst.Velt in samenwerking met afdeling Bos & Groen, Berchem. D/2005/3489/1 ISBN 90-8066-222-4 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieÍn, opnamen, of op enige ander manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Groenbeheer een verhaal met toekomst Martin Hermy in samenwerking met Mieke Schauvliege (afdeling Bos & Groen) en Greet Tijskens (Velt)


“We moeten ons bij de natuurontwikkeling niet meer laten leiden door het ideaalbeeld van een oernatuur die verloren is gegaan en die we terug kunnen winnen, als we daar maar grote lappen grond voor inruimen en er zelf uit wegblijven,” zegt de Nederlandse landschapsfilosoof Petran Kockelkoren in het boek ‘Nieuwe Natuur. Reportages over veranderend landschap’ (Ambo, Amsterdam, 1998). “We kunnen ons beter concentreren op de vraag wat voor natuur je kunt creëren binnen de hedendaagse grootindustriële technotoop. In de stad, bijvoorbeeld (...) Natuur heeft niet per se een eigen ongestoord territorium nodig. Onze bezorgdheid erover heeft minder met de biodiversiteit zelf te maken, als met het gevoel dat het landschap in korte tijd is dichtgeslibd met wegen, woonwijken en bedrijventerreinen. De klassieke natuurgebieden moeten we natuurlijk sparen, en blijven onderhouden, maar het mag niet zo zijn dat de oernatuur een belangrijker plaats op de politieke agenda krijgt dan ‘vergroening’ van de infrastructuur.” Daarover gaat dit boek: over de (noodzaak van) ‘vergroening’ van de stedelijke ruimte. In een sterk verstedelijkte regio zoals Vlaanderen – sommigen beschrijven Vlaanderen zelfs als één grote ‘nevelstad’ – is dat een belangrijk onderwerp. Men kan alleen maar hopen dat het eindelijk ook op politiek vlak de aandacht krijgt die het verdient. Dus niet als een marginaal aspect van het natuur- en stedenbeleid, maar als een wezenlijk onderdeel daarvan. Hopelijk kan dit boek daartoe bijdragen. Het is alleszins de eerste keer dat dit onderwerp op zo’n omvattende wijze in kaart gebracht wordt. Niet vanuit een planologisch, architecturaal, cultuur-historisch of sociologisch betoog – die aspecten komen uiteraard ook aan bod – maar uitdrukkelijk vanuit een ecologisch perspectief. Het boek is bedoeld als een naslagwerk en kan in zekere zin zelfs beschouwd worden als een handleiding bij de nieuwe visie over ‘Harmonisch Park- en Groenbeheer’ van de afdeling Bos & Groen van de Vlaamse Gemeenschap? Groenbeheer, zo heet het in het inleidend hoofdstuk, speelt zich voornamelijk af in de directe nabijheid van de mens, in de directe woon-, ontspannings- en werkomgeving en heeft een fundamenteel mensgerichte doelstelling. Natuurbeheer daarentegen concentreert zich meer op het buitengebied en, hoewel ook ten behoeve van de mens, staat het duurzame behoud van de biodiversiteit die van nature in een regio voorkomt, op de voorgrond. Maar, zo wordt eraan toegevoegd, “het lijkt er sterk op dat we op een kruispunt zijn aangekomen, waar groen- en natuurbeheer elkaar de hand reiken. Dit betekent niet dat er geen onderscheid meer bestaat, wel dat het raakvlak tussen beide groter wordt en ze bijna naadloos in elkaar kunnen overgaan.” Belangrijk daarbij is dat de ‘stedelijkheid’ niet langer als een perversiteit of een noodzakelijk kwaad wordt beschouwd, als de tegenpool van ‘natuurlijkheid’. Maar dat de stad integendeel bekeken wordt als een specifiek ecosysteem, met eigen kenmerken en eigen waarden, anders dan – maar niet minderwaardig aan – het buitengebied. En dat hier ook andere prioriteiten kunnen en moeten gelden, onder meer door wat de ‘fundamenteel menselijke doelstelling’ genoemd wordt. Ik hoop dan ook dat dit boek een einde kan maken aan de steriele discussies over het al dan niet gebruiken van exoten in stedelijke aanplantingen, over welke tuin- of parkstijl het meest natuurlijk of ecologisch verantwoord is, of over de vraag wat het belangrijkste is: meer ‘ongerepte, échte natuur’ in bossen en natuurreservaten of

2


meer ‘cultuurgroen’ in en om de stad. Laten we eindelijk erkennen dat het denken in termen van ruimtelijke scheiding van ‘natuur’ en ‘cultuur’ eigenlijk een anachronisme is in een land waar de meerderheid van de bevolking in een verstedelijkte omgeving woont, en waar zelfs de meest ‘natuurlijke natuur’ een culturele component heeft, in de zin van: bestaat bij de gratie van menselijke tussenkomst, gewild of ongewild. Laten we met andere woorden aanvaarden dat natuur en cultuur geen onverzoenbare vijanden zijn, maar dat de ‘natuur’ en de ‘cultuur’ in ons verstedelijkte en uiteindelijk helemaal ontworpen land gedoemd of geroepen zijn om samen te leven. En dat we, zoals in dit boek gebeurt, moeten zoeken naar methoden om dat op een zo harmonieus mogelijke manier te laten verlopen. Paul Geerts

3


íˇŹ

Leeswijzer

Vlaanderen kent net zoals veel andere regio’s in de wereld een enorme verstedelijkingsdruk. Steden en bebouwing lopen als een olievlek uit over de open ruimte. Als verstedelijking ondoordacht gebeurt, komt de leefbaarheid in onze steden in het gedrang. Het gevolg daarvan is, dat nog meer mensen de stad ontvluchten. Groen kan positieve impulsen geven aan die leefbaarheid. Groen levert mensen een oase van rust en heeft een veel grotere psychologische waarde dan we wel beseffen. Is het daarom dat de interesse bij het publiek voor groen groter lijkt dan ooit tevoren? Kijk maar naar de vele tuinbeurzen en tuinreizen, of naar de tuintijdschriften en andere uitgaven die elk jaar weer worden gepubliceerd. De ‘tuinrage’ blijft zeker niet beperkt tot BelgiĂŤ of Vlaanderen. Ook in de ons omringende landen is tuin- of groenaanleg en -inrichting een sterk groeiende en belangrijke economische sector, vaak van groot commercieel belang. Dit vertaalt zich helaas niet in groene aandacht bij renovatie en nieuwe realisaties. Groen komt meestal pas in laatste instantie aan bod, als een pure aankleding van de infrastructuur. Het wordt niet geĂŻntegreerd in het ontwerpproces of wordt er om economische redenen op korte termijn zelfs uit geschrapt. Dit boek wil hierop een antwoord bieden. Het poogt ĂŠn aantrekkelijk te zijn ĂŠn bij te dragen tot een betere kennis, beheer en ontwikkeling van ons groenpatrimonium – vooral in de steden en verstedelijkte gebieden. We vertrekken in dit boek van een visie, een visie waarin groen een ruggengraat vormt voor een moderne maatschappij. Het eerste hoofdstuk biedt niet alleen een overzicht van de talrijke functies die groen vervult, het toont ook aan dat groen en groenbeheer hoekstenen zijn voor een meer duurzame ontwikkeling van steden en verstedelijkte gebieden. Maar een (nieuwe) visie vertrekt het best vanuit een kijk op het verleden. Immers, groen is een levende materie en de ontwikkeling ervan vergt (veel) tijd. Groen is dus ook een erfenis van het nabije of het verre verleden en in die optiek ook een afspiegeling van de omgang van de mens met planten en de natuur door de tijd heen. Groen is derhalve ook niet los te koppelen van gebouwen en cultuur. Hoewel het niet de bedoeling is een overzicht te geven van de tuin- en parkgeschiedenis – hiervoor bestaan al diverse werken – is een korte terugblik noodzakelijk (hoofdstuk 2). Groenbeheer speelt zich vooral af in de directe nabijheid van gebouwen en van weginfrastructuur. Dat soort plaatsen kent min of meer specifieke milieucondities; steden zijn bijvoorbeeld bekend als ‘warmte-eilanden’. Binnen een context van een duurzamer beheer is het belangrijk dat plantensoorten goed aangepast zijn aan de specifieke standplaats waarin ze terechtkomen. Standplaatsgeschikte begroeiingen gaan immers langer mee en vergen minder onderhoud. De spontane uitingen van flora en fauna in stedelijke en verstedelijkte gebieden zijn belangrijke getuigen van deze standplaatsomstandigheden. In het hoofdstuk over stadsecologie gaan we hierop dieper in (hoofdstuk 3). Hoofdstuk 4 gaat in op het ontwerp. Dit gebeurt vanuit een geĂŻntegreerde invalshoek en in het perspectief van de voorgaande hoofdstukken. Het ontwerp is de eerste voorwaarde opdat groen optimaal zijn vele functies zou vervullen. Bovendien vertrekt een goed ontwerp van de beperkingen van uitgangssituaties en -omstandigheden, besteedt het aandacht aan de keuze van materialen en houdt het rekening met het beheer nadien. Daarna lijkt het hoog tijd om concrete groenelementen en hun beheer te bekijken. Gekozen werd voor een benadering vanuit de standplaats/groeiplaats om van daaruit planten4


keuze, toepassing, beheer, mogelijke problemen... te belichten. De keuze viel op – naar het oordeel van de partners – belangrijke elementen. Minder bekende en/of nieuwe ontwikkelingen worden daarbij niet uit de weg gegaan. Eerst wordt het beheer van vegetaties op verhardingen behandeld: een niet onbelangrijk onderdeel in het licht van het massale gebruik van halfgesloten verhardingen.Vervolgens wordt aandacht besteed aan groene gevels of ‘verticale tuinen’ zoals ze wel eens genoemd worden. Omdat ze zo weinig oppervlakte innemen, zijn ze vrijwel overal inzetbaar. Daarna volgt de kroon op de stad: de aanleg van groendaken, gaande van eenvoudige vetkruidenvegetaties tot ingewikkelde en volwaardige daktuinen. De groene krassen op oude stenen brengen vervolgens het verhaal van vegetaties op muren. En wat zouden steden en dorpen zijn zonder bomen – net als een bos zonder bomen? Een hoofdstuk over bomen mocht niet ontbreken. Ondanks de veelheid aan tuinboeken is een pleidooi voor meer duurzame en natuurvriendelijke tuinen ook hier op zijn plaats. Parken zijn meer dan een verzameling van alle voorgaande elementen: zij verdienden een apart hoofdstuk. De recente ontwikkelingen inzake Harmonisch Park- en Groenbeheer bieden een nieuwe kijk op deze complexe groenelementen. Ten slotte wordt ook stilgestaan bij water als bondgenoot voor een meer duurzame stadsontwikkeling. Water en groen vormen immers samen de basisbouwstenen voor een blauw-groen netwerk. Naast deze 12 hoofdstukken wordt tevens een aantal onderwerpen in kleinere intermezzo’s behandeld (zie inhoudstafel). Om het geheel beter toegankelijk te maken is het boek voorzien van een uitgebreide index en een verklarende woordenlijst. Aan dit boek werkten verschillende auteurs mee die gevraagd werden om hun specifieke visie en ervaring. Dat was een bewuste keuze, want net als het groen op zich is ook de kennis op het vlak van groen in Vlaanderen heel versnipperd. Op die manier is het boek als een bundeling van heel wat expertise te beschouwen. Dit boek heeft een missie – een meer leefbare wereld door meer en beter groen – en we denken dat deze haalbaar is.We hopen dat dit boek, zowel de geïnteresseerde leek als studenten, beleidsmensen en vaklui kan overtuigen om er met volle kracht tegen aan te gaan, want groenbeheer is een verhaal met toekomst! Martin Hermy, Mieke Schauvliege en Greet Tijskens

5


6


Hoofdstuk 1

Groen, ruggengraat voor een hedendaagse maatschappij Hoofdstuk 2

Evolutie van het stedelijk groen in Vlaanderen Hoofdstuk 3

De stad als ecosysteem Hoofdstuk 4

Ontwerpen voor duurzaamheid Hoofdstuk 5

Muurvegetatie, groene krassen op oude stenen Hoofdstuk 6

Vegetaties op verhardingen, van tekentafel tot borstelmachine Hoofdstuk 7

Groene gevels, levende stad Hoofdstuk 8

Groendaken, kroon op de stad Hoofdstuk 9

Kiezen voor bomen Hoofdstuk 10

Tuinen in de stad Hoofdstuk 11

Parken ver en dichtbij Hoofdstuk 12

Water en natuur, partners voor een leefbare stad

7


Muurvegetatie, groene krassen op oude stenen Martin Hermy & Brecht Vermote

“De krassen op oude meubels maken ze antiek; onze maatschappij is bereid om er veel geld voor te betalen. Deze onvolmaaktheden, ook als ‘de tand des tijds’ aangeduid, vertellen een bewogen geschiedenis en maken het antiek authentiek en begerenswaardig. Niemand zal het ontkennen, krassen horen bij antiek.”


Muurplanten horen thuis op oude, verweerde muren. Het zijn de ‘krassen’ die deze muren tot antiek maken en ze een authentiek en oud uiterlijk geven. Bovendien danken veel oude muren en gebouwen hun schoonheid aan de kleurrijke vegetatie erop. De gelige tinten van de Muurbloem geven het gebouw een zuiders en eerbiedwaardig cachet. Nochtans worden muurvegetaties op muren vaak niet geduld; ze zouden slecht zijn voor de stabiliteit van de muur. Horen krassen en antiek dan toch niet samen? Muren zijn typische producten van de mens en zijn activiteiten. Onbedoeld hebben zich daarop in de loop van de tijd spontaan allerlei plantensoorten gevestigd. Ecologisch bekeken zijn muren het best te vergelijken met rotsformaties. Muren vormen zo een soort van surrogaatmilieu voor rotsplanten. Muurplanten zijn als het ware de rotsbewoners van de lage landen (11). ‘Surrogaat’ suggereert ook dat de echte rotsmilieus een veel rijkere flora hebben. En inderdaad, Brandes (6) vond dat van de 56 inheemse soorten, die kenmerkend zijn voor varengemeenschappen in Duitsland, slechts eenderde op secundaire standplaatsen, zoals muren, voorkomt. Nogal wat soorten muurplanten komen oorspronkelijk uit de gebergten van Zuid- en Midden-Europa waar rotsen en puinhellingen hun natuurlijke milieu vormen. Voorbeelden hiervan zijn Grote leeuwenbek, Muurleeuwenbek (fig. 5-1), Muurbloem, Stengelomvattend havikskruid en Gele helmbloem. Vaak zijn ze ooit als artsenij- en/of siergewassen in onze streken terechtgekomen en vanuit abdij- en kloostertuinen zijn ze verwilderd (6; 14).

FIGUUR 5-1 Muurleeuwenbek komt in grote delen van West-Europa voor; het oorspronkelijke areaal was echter beperkt tot de gebergten rond de Adriatische zee (30).

216


Uit onderzoek blijkt dat plantensoorten die uitsluitend of bij voorkeur op muren voorkomen de laatste decennia sterk in aantal zijn achteruitgegaan (14). Hier is de sloopen restauratiewoede niet vreemd aan. Maar ook kunnen oude muren zeer onstabiel geworden zijn en een gevaar opleveren voor de voorbijganger. Vaak worden de planten erop als de boosdoener veroordeeld. Maar is dit terecht? Feit is dat in veel gevallen heel lang gewacht wordt met restauratie en dat, als het dan uiteindelijk toch gebeurt, de planten op de muur zorgvuldig verwijderd worden. De krassen van het antiek worden cosmetisch behandeld en een nieuwe, egale, maar ook doodse muur is het resultaat. Waarom mogen de krassen geen krassen blijven? Er bestaat niet veel wetenschappelijk onderzoek rond muurvegetaties. Het beperkt zich bovendien meestal tot inventarisaties. Vooral in Nederland zijn er veel inventarisaties gemaakt van de muurflora (bv. Utrecht, Maastricht, Amsterdam, Haarlem, Rotterdam). Daarnaast zijn er ook beperkt experimenten uitgevoerd rond plantvriendelijke restauraties. In Vlaanderen is de inventarisatie van muurplanten (o.a. Brugge, Damme, Gent, Leuven, Sint-Truiden, Tongeren) nog zeer onvolledig. Dergelijke inventarisaties en experimenten doen het besef groeien dat ook muurplanten een integraal deel uitmaken van onze flora en aandacht en bescherming verdienen omwille van een aantal redenen, die in tabel 5-1 worden samengevat. ■

Muurplanten zorgen voor een fleurig aanzien van onze steden.

Veel oude gebouwen, keermuren, vrijstaande muren danken een deel van hun schoonheid en waarde aan muurvegetaties.

Muurplanten zijn educatief en bij iedereen in de buurt te vinden.

Muurplanten hebben een natuurwaarde: ze vertegenwoordigen rotsplanten die anders

TABEL 5-1 Redenen om zuinig om te springen met muurplantenvegetaties (8) en ze dus te beschermen.

in onze streken niet zouden voorkomen. ■

Muurplanten hebben een ecologisch belang: ze groeien hier dikwijls op de rand van hun verspreidingsgebied en kunnen daardoor genetisch afwijkend zijn en zo waardevol genetisch materiaal voor hun soort leveren.

Oude muren zijn niet enkel rijk aan planten, ook (zeldzame) dieren vinden er eventueel een thuis (bv. muurhagedis). Ook zij worden mee beschermd bij bescherming van de aanwezige muurvegetatie.

In dit hoofdstuk geven we enerzijds een overzicht van de situaties waarin muurplanten voorkomen en welke muurplanten er kunnen optreden. Anderzijds proberen we te begrijpen welke factoren het voorkomen van deze plantensoorten beïnvloeden, hoe het kolonisatieproces verloopt en hoe we hiermee kunnen omgaan. Het uiteindelijke doel is zowel de oude muren als de muurvegetaties duurzaam te laten voortbestaan.

217


íˇŹ

Muurtypes

De meeste muren van huizen en andere gebouwen zijn zo droog en zo egaal van structuur dat diasporen (vruchten, zaden, sporen) van planten er geen kans krijgen om te kiemen. Muren waarop muurvegetaties wel kunnen voorkomen, worden ingedeeld in verschillende types (6; 8; 14; 24; 33; 38) (fig. 5-2): „ keermuren •

muren die tot in het water reiken

•

muren die niet tot in het water reiken

„ vrijstaande muren (ook wel droge muren genoemd) „ muren van oude gebouwen „ overige muren (o.m.van water- en rioolputten)

FIGUUR 5-2 De belangrijkste muurtypes (6).

1 = keermuur tot in het water doorlopend; 2 = keermuur; 3 = vrijstaande muur; 4 = muur van gebouw.

4

3

2

1

Keermuren hebben maar ĂŠĂŠn vrije wand, tegen de andere zijde is grond aangebracht. Tot de keermuren die in het water doorlopen, behoren o.a. kaai-, brug- en sluismuren. Deze zijn vooral in het onderste gedeelte, door opspattend water en door de zuigwerking van de stenen in de muur, erg vochtig. Door de erosieve werking van water wordt bovendien metselspecie verwijderd, zodat er vrij snel spleten ontstaan waar sediment zich kan afzetten. Ook ter hoogte van de waterlijn wordt er vaak allerhande materiaal (afval, plantenresten, slib) afgezet. Hier groeien dan ook vaak moerasplanten, hogerop op de eigenlijke muur meer varens en andere muurplanten. De moerassoorten (bv. Kattenstaart,Wolfspoot,Waterzuring) zijn meestal aangevoerd via het water (hydrochorie) van buiten de stad. Ze zijn noch urbanofoob, noch urbanofiel (zie hoofdstuk 3); ze zijn in de eerste plaats afhankelijk van water en oevers. Keermuren die niet tot in het water doorlopen, worden voornamelijk van binnenuit van vocht voorzien. De achterliggende grond vormt een soort spons die water kan stockeren en van waaruit de muur water opzuigt.Terrasscheidingsmuren, fortificaties, perronkanten, stadswallen (bv. die van Leuven,Tongeren, Ieper) behoren dikwijls tot dit type. Door hun hoge ouderdom hebben ze vaak belangwekkende muurvegetaties. Ze zijn normaal minder vochtig dan het voorgaande type. 218


Soms fungeren muren onderaan als keermuur en in het bovenste gedeelte als vrijstaande muur; mengvormen komen dus voor. Vrijstaande muren hebben, veel meer dan keermuren, regenwater als belangrijkste vochtbron. De muur is daardoor bovenaan (en door opzuigen van grondvocht helemaal onderaan) vochtig. In de volle zon verliest hij snel vocht waardoor hij dikwijls te droog wordt voor muurplanten. Korstmossen komen er wel frequenter voor, tenminste als luchtvervuiling geen al te groot probleem is. Muren rond kerkhoven zijn dikwijls van dit type. Dergelijke oude muren kunnen zeer waardevolle varen- en korstmossenvegetaties hebben. In Schotland en de gebergten van MiddenEuropa waren vrijstaande muren een gewone verschijning. Ook in BelgiĂŤ werden ze hier en daar ooit frequent gebruikt (bv. Hansbeke, Durbuy). Muren van oude gebouwen (bv. kerken, kloosters en kastelen) herbergen vaak rijke muurvegetaties (bv. ruĂŻnes van Sint-Baafs in Gent).Veel van deze muren zijn opgetrokken uit natuursteen. Die is qua hardheid minder homogeen dan baksteen, waardoor hij sneller verweert. Onder de overige muren moeten we zeker op oude waterputten en vooral rioolputten wijzen, tenminste voor zoverre er licht invalt. Soms herbergen ze behoorlijke populaties van bv.Tongvaren. Daarnaast zijn er ook tijdelijke standplaatsen op muren door bijvoorbeeld lekkende dakgoten. Meestal duiden grotere, gewoonlijk vrij algemene varensoorten zoals Brede stekelvaren of Wijfjesvaren op vochtige plekken in muren. Daar kan een muurvegetatie zich overigens zeer snel vestigen (enkele jaren is al voldoende). Dergelijke situaties zijn problematisch: het behoud van de muurvegetatie weegt niet op tegen de eventuele schade aan het gebouw.

íˇŹ

Flora en vegetatie

Waar op de muur? Muurvegetaties worden in de eerste plaats gevonden op oude muren. Een inventarisatie van de varenstandplaatsen in Gent door Van Landuyt & Heyneman (34) gaf dit ook zeer duidelijk aan. Verder bleek dat vooral waterkerende keermuren in trek waren bij varens (56% van de vindplaatsen) (zie tabel 5-3 op pagina 222). Vegetaties op muren kunnen ingedeeld worden in drie groepen: vegetatie op de kop, op de flanken en aan de voet (14; 26).Welke plaats de muurplanten juist innemen, is sterk afhankelijk van de hellingshoek, de oriĂŤntatie van de muur, de hoeveelheid zon-schaduw-vocht, de omringende vegetatie, de aanwezigheid van humus, stikstof en van de kalkrijkdom (zuurheidsgraad) van het substraat, de muur (14; 26). De onderste zone, de muurvoet, is vrij vochtig door het opzuigen van vocht uit de bodem, maar ook door een langere beschaduwing of kortere blootstelling aan directe zoninstraling.In deze zone wordt heel wat door de wind aangevoerd materiaal afgezet; ook verzamelt eventueel losgekomen muurmateriaal zich aan de voet. Uiteindelijk levert dit een vrij voedselrijk materiaal dat ook zijn weerslag heeft op de vegetatie die er aangetroffen wordt: deze bestaat vaak uit niet-typische muurplanten (o.a.Paarse dovenetel,Bezemkruiskruid,Liggende vetmuur),naast de meer typische muurplanten (26). 219

Groenbeheer een verhaal met toekomst  

Het boek Groenbeheer, een verhaal met toekomst biedt specifieke kennis en een beleidskader voor het ontwerp en beheer van goed openbaar groe...

Groenbeheer een verhaal met toekomst  

Het boek Groenbeheer, een verhaal met toekomst biedt specifieke kennis en een beleidskader voor het ontwerp en beheer van goed openbaar groe...

Advertisement