Issuu on Google+

AMSTERDAM 1500 – 2010

het dopers wandelboek TWEE WANDELINGEN DOOR AMSTERDAM

Wietskenel de Jong Johan Pennings


18

19

17 16

15

14 13 12 2 3

5

1

4

11

10 9 6 7 8

WANDELING 1 1 2 3 4 5

) ) ) ) )

Singel 450-454 Huidenstraat 2 J Herengracht 368 Keizersgracht 401 Keizersgracht 444-446

6 7 8 9 10

) ) ) ) )

Herengracht Herengracht Herengracht Herengracht Herengracht

462 476 512 497 475

11 12 13 14 15

) ) ) ) )

Herengracht Herengracht Herengracht Herengracht Herengracht

431 346 316 310 248

16 ) Herengracht 186 17 ) Raadhuisstraat tot aan de Keizersgracht 18 ) Keizersgracht tegenover Westerkerk

19 )

hoek Prinsengracht/Westermarkt, cafĂŠ Kalkhoven


AMSTERDAM 1500 – 2010

het dopers wandelboek TWEE WANDELINGEN DOOR AMSTERDAM


Het dopers wandelboek (Amsterdam 1500 – 2010) ISBN: 9789065760142 Dit is een Uitgave van de Verenigde Doopsgezinde Gemeente Amsterdam ter gelegenheid van het doopsgezind jubileumjaar 2011 www.vdga.nl Singel 452 1017 AW Amsterdam Omslagontwerp en vormgeving: Studio Misc, Amsterdam (www.studiomisc.com) Druk: Banda Heerenveen (www. banda.nl) @ VDGA, Amsterdam 2011


INHOUDSOPGAVE Voorwoord

4

Inleiding

5

Wandeling 1

11

Wereldse handel en dopers geloof

Wandeling 2

44

De Wederdopersrellen Verlichte dopers in kunsten, wetenschap en maatschappij

Dopersen in Amsterdam, de 20e eeuw

80

Compendium

87

verder lezen

104


voorwoord In dit jaar 2011, het jubileumjaar waarin de doopsgezinden ondermeer vieren dat de meer dan 100 gemeenten in Nederland al 200 jaar gemeenschappelijk optrekken in de Algemene Doopsgezinde SociĂŤteit en dat het Doopsgezind Seminarium, ooit door de Amsterdamse gemeente begonnen ook al weer 275 jaar gevestigd is in Amsterdam, is de kerkenraad zeer verheugd dat het dopers wandelboek in druk kan verschijnen. Met tentoonstellingen en feestredes is al bij herhaling de geschiedenis van de Amsterdamse doopsgezinden beschreven, met name hun kerkelijke en diaconale activiteiten. Maar het is een verrijking voor allen dat zij met dit dopers wandelboek in de hand kunnen dwalen langs grachten en huizen van de bewoners die vorm hebben gegeven aan het doopsgezind zijn. Dankzij onze voorouders blijven we gemotiveerd om ook in 2011 doopsgezinde verlangens als robuuste geweldloosheid, concrete dienst, doorleefde deemoed en authentiek getuigenis, na te leven. We hopen dat het door de auteurs zo beeldend beschreven verhaal van Amsterdamse doopsgezinden zal bijdragen aan de verdieping van de liefde voor en tussen Amsterdam en doopsgezinden. Namens de kerkenraad van de Verenigde Doopsgezinde Gemeente Nilke Duinkerken, voorzitter maart 2011

6


inleiding Deze gids bevat twee wandelroutes, met als onderwerp Doopsgezinden in Amsterdam. De wandelingen voeren langs een aantal locaties in de binnenstad, waar burgers van doopsgezinde herkomst hun geloof beleden en handeldreven. Ook komt u te weten waar ze woonden. Daarnaast krijgt u een indruk van de maatschappelijke initiatieven die zij namen. De eerste wandeling begint bij de doopsgezinde Singelkerk, ook wel Bij het Lam genaamd, en eindigt op de Prinsengracht, ter hoogte van Café Kalkhoven. De tweede wandeling start op de Dam en eindigt op de Prinsengracht, schuin tegenover de Noordermarkt, bij het Zonshofje. Alsmen duysent vijfhondert heeft gheschreven Uit: Een lietboecxken tracterende van den Offer des Heeren (1571) Heeft Gerrit Corneliszoon verheven Ghelaten zijn jonge leven Alsmen duysent vijfhondert heeft gheschreven En eenenseventhich jaer, ’tAmsterdam in ’t openbaer. In een vlotschuyt, na ’t vermonden (naar men zegt) Tot werken was hij bereyt: Daer heeft hem de Schout gevonden Gevangen ende gebonden Ende na Stadthuys geleyt. Op de pijnbanck heeft hy gelegen. Merkt wat geslachte dat dit is! Hem daer met roeden geslegen En met een aker vol, t’en dient niet geswegen, In zijn lijf gegoten met pis. In deze klacht, een martelaarslied, wordt verhaald van het gruwelijke verhoor en de terechtstelling van de doopsgezinde schuitvaarder Gerrit Cornelisz., die stierf voor zijn geloofsovertuiging. De Rooms-Katholieke Kerk in de 16e eeuw beschouwde de wederdo-

7


pers, die zich als volwassenen weer opnieuw lieten dopen, als ketters beschouwd. De Kerk zette de stedelijke besturen onder druk om deze dissidenten te arresteren. Vaak stierven zij een gruwelijke dood. Deze martelaren werden voor doopsgezinden een voorbeeld. De liederen over het lijden van medegelovigen inspireerden hen te volharden in hun geloof. De overheid bestempelde martelaarsliederen en andere doperse teksten daarom als opruiende literatuur. Jan Claesz., een boekverkoper die deze geschriften verkocht, werd opgepakt. Net zoals Anthonis Courtsz., die in het jaar 1552 werd aangehouden omdat hij een liederenbundel met martelaarsliederen te koop had aangeboden. In de jaren twintig van de 16e eeuw was in de Noordelijke Nederlanden een hervormingsbeweging op gang gekomen, die onder invloed van Luther en Erasmus vernieuwingen in de Kerk tot stand wilde brengen. Deze beweging vond haar aanhang onder de lage geestelijken van de Rooms-Katholieke Kerk en geleerden. Er ontstonden andere opvattingen over de eucharistie en de kinderdoop. De sacramentariĂŤrs, een belangrijke volksbeweging in de Nederlanden in het begin van de 16e eeuw, wezen deze sacramenten af. Ze sloten zich na 1530 aan bij de wederdopers. Grote groepen volwassenen in Friesland en Holland lieten zich dopen. Een deel van de wederdopers wilde met geweld anderen ervan overtuigen dat het einde der tijden nabij was. Ze geloofden dat God hen had uitverkoren om de hemel op aarde te stichten. Deze gewapende strijd werd een groot fiasco. De dopers bekeerden zich daarna tot het pacifisme. Onder invloed van de ideeĂŤn van Menno Simons (1496-1561), een uit de Kerk getreden priester, werd ze een naar binnen gekeerde, vredelievende groepering. Uit onvrede met de misstanden in de Rooms-Katholieke Kerk en de gewelddadigheid van sommige wederdopers, richtte Menno Simons zich op het stichten van een nieuwe, zuivere geloofsgemeenschap. Doopsgezinden wilden leven zonder vlek of rimpel, dat wil zeggen vrij van zonden. Tijdens de Alteratie van 1578 ging Amsterdam over naar het protestantisme. Het stadsbestuur stond andersdenkenden toe hun geloof te belijden, maar onder bepaalde voorwaarden. Zolang ze zich in de ogen van de publieke kerk niet te nadrukkelijk manifesteerden, werden personen met een afwijkende geloofsovertuiging min of meer met rust gelaten. De vrijheid die de Republiek aan andersdenkenden toestond was groter dan in de rest van Europa. Wie katholiek wilde blijven

8


kon dat doen, maar het had wel vaak financiële consequenties. Wie zich tot een van de protestante richtingen wilde bekeren werd daarin nauwelijks belemmerd. Er konden binnen families verschillende geloofsrichtingen naast elkaar bestaan. De Protestante Kerk was de publieke kerk. Dat hield in dat de bestuurders van de verschillende provincies en steden daar lid van moesten zijn. De publieke kerk heeft menigmaal druk uitgeoefend op de landsregering om de niet-protestanten de mond te snoeren. Zo kreeg Willem van Oranje in 1575 het verzoek van de protestanten om de publieke kerk te bevoordelen ten opzichte van de Rooms-Katholieke Kerk. In het antwoord kwam de uitspraak voor dat Willem van Oranje niet ‘op yemants geloof of conscentie sal inquireren’. In 1579 werd in de Unie van Utrecht in artikel 13 vastgelegd dat niemand vervolgd zou worden vanwege zijn geloof. Bij de interpretatie van het gedachtegoed van Menno Simons liepen de meningen onder doopsgezinden uiteen. Hierdoor ontstonden verschillende groeperingen, waarbij de belangrijkste vraag was in hoeverre men zich wilde afwenden van de maatschappelijke ordening. Er waren groeperingen die minder hechtten aan de idealen van zuiverheid, weerloosheid en het toepassen van de ban. De ban hield in dat men uitgesloten kon worden uit de gemeenschap als men naar het oordeel van de geloofsgemeenschap zich te veel richtte naar wereldlijke genoegens. Echtgenoten kon het verboden worden elkaar nog te zien. Een ander punt van onenigheid was de mate waarin wapens gedragen en gehanteerd mochten worden. De Friezen hadden de strengste opvattingen. De Waterlanders daarentegen waren zeer op ‘de wereld’ gericht, beschouwden zich niet als volgelingen van Menno Simons en waren daarom over het algemeen zeer terughoudend in het uitspreken van de ban. Qua opvattingen lagen de Vlamingen het dichtst bij de Waterlanders. Een grote breuk in 1664 binnen de groepering van de Vlamingen ging over de vraag wie er wel of niet bij de doopsgezinde gemeente behoorde. De predikant Galenus Abrahamsz. de Haan vond dat iedereen die een vrome levenswandel had daarmee lid was van de gemeente. Zijn tegenstrever wilde een strak omlijnde geloofsbelijdenis. Een geloofsbelijdenis zou moeten worden afgelegd op het moment dat men gedoopt werd. In de doopsgezinde groeperingen was de volwassendoop gebruikelijk. Je was pas doopsgezind als je

9


Jan Claesz. of de gewaande dienstmaagd Saartje Jans ten huwelijk gevraagd, scène uit het komische stuk van Thomas Asselijn; prent naar een schilderij van Cornelis Troost, (spiegelbeeldig), 1738, Bijzondere Collecties, UvA, Mennonitica.

10


vrijwillig had gekozen om op volwassen leeftijd gedoopt te worden. Doopsgezinden werden eeuwenlang met argusogen bekeken. Dit kwam door hun gedrag: het zich afwenden van de wereld en het zich richten op de eigen groep, waar de kinderdoop werd afgewezen. Ze stonden bekend om hun eenvoud en het zuinig omgaan met geld. Toch lieten sommige doopsgezinde predikanten en handelaren zich met hun families portretteren door beroemde schilders. Dichters bezongen verzamelingen van welgestelde doopsgezinden. Daarnaast deinsde men er niet voor terug de vrome levenswandel van de Menisten (een veelgebruikte aanduiding voor de aanhangers van Menno Simons) te bespotten. Een menistenleugen is bijvoorbeeld een leugen om bestwil; een menistenstreek een achterbakse gemenigheid. Het thema van de schijnheiligheid onder doopsgezinden is terug te vinden in een gedicht als bijvoorbeeld De Menistenvrijagie, waarin een jongeman zijn oog laat vallen op een bevallige doopsgezinde jonge vrouw. Zij wil niets van hem weten totdat hij zich keurig en bescheiden in het zwart kleedt. Ook treft men het onderwerp van de schijnheiligheid aan in toneelstukken. Het blijspel Jan Claeszoon of de gewaande dienstmaagd van Thomas Asselijn is een bekend voorbeeld. Van de verschillende scènes uit dit stuk heeft de 18e-eeuwse schilder Cornelis Troost (1697-1750) tekeningen gemaakt, waar de in het zwart geklede dopers belachelijk worden gemaakt.

DE WANDELROUTE De wandelroute voert u langs de panden van welgestelde doopsgezinde kooplieden op de Herengracht. Een aantal van hen woonde op de Gouden Bocht. Dit is het deel van de Herengracht waar in de 17e eeuw ware stadspaleizen verrezen. Naast hun bedrijf of firma hadden deze kooplieden grote belangstelling voor kunst en cultuur. Hun positie veranderde in de 18e eeuw. Aanvankelijk traden doopsgezinden niet in overheidsdienst uit geloofsovertuiging, maar ook omdat ze geen belangstelling hadden voor dit soort functies. De overheid op haar beurt sloot de pacifistische aanhangers van Menno Simons uit van militaire handelingen. Per stad werd besloten welke beroepen de doopsgezinden mochten uitoefenen.

11


Dit waren meestal de vrije beroepen, zoals dat van koopman. In het rampjaar 1672 kregen doopsgezinden maatschappelijke erkenning, nadat ze een grote financiÍle bijdrage leverden aan de verdediging van het land. Het lidmaatschap van de publieke kerk vormde in de 18e eeuw de beste toegang tot een bestuurlijk ambt. Dat was de reden dat doopsgezinden steeds vaker overgingen op de publieke kerk. In de tweede helft van de 18e eeuw hebben doopsgezinde kooplieden samen met anderen Verlichtingsgenootschappen opgericht, zoals de Maatschappij tot het Redden van Drenkelingen of de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Al wandelend komt u langs een aantal panden waar de grondleggers van dit soort genootschappen hebben gewoond. Via de Leliegracht voert de route naar de Jordaan. Daar heerste in de 19e eeuw een grote armoede. Doopsgezinden als C.P. van Eeghen en H.S. van Lennep probeerden de woonomstandigheden te verbeteren door het bouwen van woningen voor arbeiders.

12


wandeling 1 Wereldse handel en dopers geloof


1

singel 450-454 de Verenigde Doopsgezinde Gemeente

Het beginpunt van de wandeling vormt de kerk van de Verenigde Doopsgezinde Gemeente op Singel 450-454. U ziet drie panden met verschillende gevels: een trapgevel (Singel 450), een lijstgevel (Singel 452) en een halsgevel (Singel 454). Via de poort met dubbele deuren op Singel 452 en een lange gang kan de kerk (die niet vanaf de straatzijde te zien is) worden bereikt. In de buitengevel is een gevelsteen aangebracht, waarop een zon, een lam en een toren zijn afgebeeld. Op deze steen wordt de vereniging van de drie verschillende geloofsrichtingen De Zon, Bij het Lam en Bij de Toren binnen de doopsgezinde gemeente in herinnering gebracht. Het opschrift luidt: amor et pace conjunctea (in liefde en vrede verenigd). De kerk werd opgericht door Harmen Hendricksz., afkomstig uit Warendorp in Duitsland. Hij kocht in 1607 twee percelen, gelegen tussen het Singel en de Herengracht, en liet daarop woonhuizen bouwen. Op deze plaats zette hij op het achtererf, grenzend aan het terrein van brouwerij Het Lam, nu Odeon, een ‘ruyme schuyr ofte getimmerte’. In deze ruimte. In Bij het Lam kwamen de Vlaamse doopsgezinden bijeen. Harmen Hendricksz. Warendorp liet in zijn testament opnemen dat hij het gebouw aan de gemeente schonk op voorwaarde dat er psalmen gezongen zouden worden. Ook schreef hij dat het kerkgebouw regelmatig moest worden schoongemaakt en gelucht: ‘Alle weecken het gebou te veegen ende gangh, sulx als sij in hun leeven gewoon sijn te doen, mitsgaders in de somer bij heete dagen de deur opte setten en ’t heck in die plaetze om lucht te scheppen.’ De lange gang naar de inpandig gelegen kerk was oorspronkelijk een met gele steentjes geplaveid straatje. Deze gang werd overkluisd in 1938 en de gele steentjes maakten plaats voor een marmeren vloer. De gang die naar de Singelkerk leidt, komt uit op een andere gang bij de inpandig gelegen kerk. Aan de muur van deze gang hangt ook een schematisch overzicht van de predikanten en diakenen van de doopsgezinde kerken in Amsterdam. Zo worden de namen genoemd van dichter Joost van den Vondel (1589-1679) en uitvinder van de slangenbrandspuit Jan van der

14


Heijden (1637-1712), die beiden een aantal jaren diaken waren bij Bij de Toren, een van de gemeentes die zich later verenigden tot de Verenigde Doopsgezinde Gemeente Bij het Lam. Op de eerste verdieping staat het tafelblad uit de bibliotheek van het Doopsgezind Seminarium, dat hier gevestigd was. Afgestudeerde studenten aan het Seminarium krasten in dit tafelblad hun naam. Het Seminarium werd in 1735 opgericht als beroepsopleiding voor doopsgezinde predikanten. Tot 1811 werd het Seminarium door de Amsterdamse doopsgezinde gemeente in stand gehouden. Toen werd de Algemene Doopsgezinde Sociëteit (ads) opgericht, de landelijke organisatie van doopsgezinde gemeentes, met als doel het Seminarium financieel te ondersteunen. Voorgangers, vaak ‘leraar’ of ‘vermaner’ genoemd, deden hun werk oorspronkelijk op vrijwillige basis. Galenus Abrahamsz. de Haan (1622-1706), van beroep arts, was jarenlang de bekendste leraar bij ’t Lam. Het verdienen van geld met een kerkelijk ambt werd niet gepast geacht. Wel werden onkosten vergoed, zoals zoals gederfde inkomsten en reiskosten. Het begrip vermaner gaat terug op het idee dat elk lid van de doperse gemeente een vermaning, een les tot verbetering, tot de medegelovigen kon uitspreken. In Amsterdam werd de term vermaning gebruikt bij De Zon en Bij het Lam sprak men over de preek. Een voorganger werd gekozen door een gemeente, waarbij gelet werd op zijn pastorale retorische kwaliteiten en voorbeeldig gedrag. Het begrip vermaning ging ook over op het kerkgebouw. Tegenover de inpandige kerk is de consistoriekamer. Bij de gang voor de consistoriekamer is een ruimte met een schilderij van de regenten van het weeshuis De Oranjeappel aan de muur. Hier bevindt zich ook de gevelsteen van dit weeshuis. (Hierop is een sinaasappel afgebeeld.) De kerk is sober van opzet. De ruimte is rechthoekig met dubbele galerijen en wordt daarom een galerijkerk genoemd. Aan één kant zijn ramen waar het licht binnenvalt. Tussen de ramen bevindt zich in het midden de preekstoel, met een halfrond klankbord. Het orgel is boven de preekstoel geplaatst en werd in 1777 door Strumphler gebouwd. In de versiering van het orgel zijn ornamenten te zien uit de tijd van de Verlichting. Aan weerszijden van de preekstoel zijn kerkbanken aangebracht, die bestemd zijn voor de diakenen. Voor de gemeenteleden zijn er banken opgesteld. Tot

15


in de jaren twintig van de vorige eeuw dienden vrouwelijke kerkgangers plaats te nemen op klapstoelen. Elke vrouw betaalde een stuiver en nam een klapstoel, die ze vervolgens in het middenvak zette. Na de overgang naar het calvinisme mochten de kerkgebouwen van andere geloofsrichtingen dan de Hervormde Kerk niet herkenbaar zijn vanaf de straatzijde. Men bouwde daarom kerHet ronddelen van het brood bij het avondmaal in de doopsgezinde kerk Bij het Lam, 1736, gravure van Jacobus van der Schley, Bijzondere Collecties UvA, Mennonitica.

ken die vaak inpandig gelegen waren. Achter de gevels van de Amsterdamse grachtenpanden bevinden zich daarom soms grote gebouwen, die dienstdeden als kerk. In de tijd dat het naar de kerk gaan aan doopsgezinden oogluikend werd toegestaan, diende de Singelkerk te allen tijde bij een onaangekondigd bezoek van schout en schepenen te kunnen worden verlaten. Pas rond 1675 konden doopsgezinden overal openlijk hun geloof belijden. De scheiding tussen Kerk en Staat werd in 1796 bij wet vastgelegd. Alle geloofsrichtingen waren gelijkberechtigd; iedereen kon zijn godsdienst in het openbaar belijden. Op het Singel ziet u naast Het Lam de pastorie en de neogotische kerk De Krijtberg. Op deze plek stond vroeger het grachtenhuis De Krijtberg, waarachter zich een rooms-katholieke schuilkerk bevond. Aan de overkant ziet u de Oude Lutherse Kerk. Veel immigranten uit ScandinaviĂŤ en de Duitse vorstendommen waren luthers. De Oostzeehandel droeg bij tot de rijkdom van de stad Amsterdam. De koning van Denemarken en Zweden was als handelspartner onmisbaar. Daarom werd de Lutherse Kerk door de stedelijke overheid gelijkgesteld aan de publieke kerk.

16


2

huidenstraat 2 collegiantenweeshuis De Oranjeappel

Vanaf De Krijtberg gaat u naar links. Op weg naar de Huidenstraat komt u langs de Beulingsloot. Wanneer u over de brugleuning kijkt is het goed voor te stellen dat de Beulingsloot een van de oudste dwarsgrachtjes van de stad is. Zulke smalle wateren konden tot in de tweede helft van de 19e eeuw gevonden worden in Amsterdam. De huizen in de stad grensden aan het water. U slaat bij de volgende straat links af, de Wijde Heisteeg in. Steek de brug van de Herengracht over naar Huidenstraat 2. Dit poortje aan de Huidenstraat vormde eens de ingang tot het steegje dat leidde naar de meisjesafdeling van collegiantenweeshuis De Oranjeappel (zie ook locatie 12). De stad Amsterdam droeg verantwoordelijkheid voor de huisvesting, het kleden en het voeden van wezen. Zij kregen in de weeshuizen onderricht of volgden een opleiding. Voorwaarde was wel dat de ouders poorters (burgers) van Amsterdam waren. De bekendste instelling op dit gebied was het Burgerweeshuis, opgericht in 1520, en het Aalmoezeniershuis, uit het midden van de 17e eeuw. Honderden kinderen werden hier opgevangen. Toen de wezenzorg voor de stad financieel niet meer haalbaar was, werd de opvoeding van de wezen in handen gelegd van de verschillende kerkgenootschappen. Er ontstonden in de stad weeshuizen die bestuurd werden door regenten van uiteenlopende religieuze signatuur. In deze tehuizen kregen de kinderen tot hun twaalfde jaar scholing in lezen en schrijven. De jongens gingen dan vaak buitenshuis werken. De meisjes werden bekwaamd in nuttige handwerken en verdienden de kost als naaister of dienstbode. De naam De Oranjeappel was ontleend aan het gelijknamige smalle pakhuis op Keizersgracht 345-347, dat de collegianten gehuurd hadden in 1675 om hun colleges te houden. Het opkomen van de collegianten was een reactie op het besluit van de Nationale Synode (1618-1619) te Dordrecht. De Synode sloot een vrijere interpretatie van het calvinistische geloof uit. De remonstranten, die die vrijere interpretatie voorstonden, werden verbannen. Niet alle protestante predikanten waren het eens met de

17


afzetting van de remonstrantsgezinde predikanten. In Warmond besloot men al heel snel (in 1619) om zonder voorganger bij elkaar te komen om het geloof te belijden. Ze kwamen bijeen in colleges. Op de bijeenkomst van 16 juli 1675 in Amsterdam vertelde een van de collegianten dat hij bij een bezoek aan de kust totaal verwaarloosde wezen had zien rondzwerven. Omdat de kinderen behoorden tot gezinnen waarvan de ouders aanhangers waren van de collegianten, werd besloten de kinderen in het gebouw De Oranjeappel onder te brengen. Men wilde voorkomen dat deze kinderen volgens de protestante uitleg van de Bijbel werden opgevoed. De Huidenstraat bij de Herengracht met het poortje van het weeshuis De Oranjeappel, tekening door G. Lamberts 1817.

Weeshuis De Oranjeappel was inpandig gelegen tussen de Keizersgracht, de Herengracht en de Huidenstraat. Op Keizersgracht 345 bevond zich een van de toegangen tot het weeshuis. Door de aankoop van Herengracht 345 werd het mogelijk om op het binnenterrein een aparte afdeling voor de meisjes te bouwen, met de ingang op de Huidenstraat. De schrijfster Aagje Deken was een van de wezen die in De Oranjeappel opgroeide. Ze woonde er ruim twintig jaar, tot 1767, en schreef ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan een lang gedicht: hoe slegt aan ’t dom gemeen uw leer ook wordt beschreven uw zegenende hand, uw onbekrompen geven, Maakt u by al het volk geacht, geëerd, bemind: De gift wekt liefde, al is de gever doopsgezind. Ja die arm is naauwelijks arm, dien gy bijstand biedt En ’t weesje welk gy redt mist ook zyne oudren niet.

18


3

herengracht 368 Jan van Eeghen en Jacoba Kool

U loopt terug naar de Herengracht en u slaat rechts af richting Leidsegracht. U ziet vier koopmanshuizen op de nummers 364370. Deze grachtenhuizen zijn in de jaren 1660-1662 in opdracht van de katholieke koopman Jacob Cromhout (1608-1669) gebouwd door de architect Philips Vingboons (1607-1678). Philips Vingboons bouwde woonhuizen in de classicistische bouwstijl voor de gegoede burgerij in de stad. Waar mogelijk ontwierp hij op smalle percelen huizen met symmetrisch regelmatige gevels. Hij ontleende zijn ideeĂŤn aan de klassieke oudheid, toen gebouwd werd in harmonieus geachte verhoudingen. De bouwontwerpen van Vingboons zijn terug te vinden in zijn publicaties getiteld Afbeelsels der voornaemste Gebouwen uyt alle die Philips Vingboons geordineert heeft. Deze publicaties verschenen in 1648 en 1674. In zijn ontwerpen paste hij veelvuldig de halsgevel toe, zoals hier duidelijk te zien is. Het gebruik van de halsgevel was een elegante oplossing vanwege de smalle perceelbreedte en de hoogte van de gevel. De gevelsteen in de gevel van nummer 366, een gekromd stuk hout, verwijst naar de familienaam van de opdrachtgever, Jacob Cromhout. De doopsgezinde koopman Jan van Eeghen kocht in 1826 dit pand. Hij woonde hier samen met zijn vrouw Jacoba Kool en zijn vele kinderen tot aan zijn dood in 1838. Zijn dochter Deborah Petronella van Eeghen bleef met haar echtgenoot tot 1886 wonen op nummer 366. Daarna werd het pand verkocht aan het Nederlands Bijbelgenootschap. Het genootschap plaatste naast de ingang van 366 een koperen bord waarop staat bijbelhuis. De familie Van Eeghen behoorde tot de belangrijkste koopmansfamilies van Amsterdam. Vanaf de 18e eeuw waren ze actief in de goederenhandel. Een eeuw daarvoor had Jacob van Eeghen (1631-1697) zich als linnenkoper in Amsterdam gevestigd op de burgwallen. Jacob kwam oorspronkelijk uit Aardenburg in Vlaanderen, waar hij een boerenbedrijf had. De familie Van Eeghen was overgegaan tot het doopsgezinde geloof in de 17e eeuw. U kunt het huis waar het gezin van Jan van Eeghen en Jacoba

19


Kool woonde, bereiken via de huidige toegang van het Bijbels Museum, op Herengracht 368. In de gang van Herengracht 366 zijn 19e-eeuwse wandversieringen en plafonddecoraties te zien. Evenals bij het bovenlicht zijn hierin elementen te herkennen van de Empire-periode. In het achterhuis bevindt zich de antichambre van de grote zaal. Deze ruimte is bij de restauratie in vroeg-19e-eeuwse stijl gereconstrueerd. De schouw in deze zaal is wel authentiek. Aan de onderkant van de schouw valt de versiering op. In de grote zaal ziet u een van de eerste plafondschilderingen van Jacob de Wit in Amsterdam. Als u in de gang in de richting van de voordeur loopt, vindt u aan uw linkerhand de ruimte waar de firma Van Eeghen & Co. haar comptoir (kantoor) gehad zou kunnen hebben. De zwart marmeren schouw en de spiegel erboven herinneren nog aan de tijd dat Jan van Eeghen hier woonde. In de zaal achter het comptoir werd bij de laatste restauratie een plafondschildering van Jacob de Wit geplaatst. Vanuit het kantoor werd handelgedreven met de overzeese gebieden. Van Eeghen & Co. verscheepte tabak en katoen uit de Verenigde Staten en handelde in koffie, thee en specerijen uit Nederlands Oost-Indië. In de tijd dat Jan van Eeghen lid van de firma was, ging het niet goed met de Holland Land Company, die door zijn vader in 1775 was opgericht. Nederlandse kolonisten kochten niet genoeg stukken land. De winst uit de landverkopen in de Verenigde Staten viel erg tegen. Er was beperkte handel met de Verenigde Staten, waardoor grote sommen geld ongebruikt bleven. De gelden werden daarom gebruikt voor financiële transacties in Nederland, Engeland en Frankrijk, wat het begin was van de bankactiviteiten van de firma. Jan van Eeghen genoot in de Amsterdamse financiële wereld een zeker aanzien. Hij bekleedde evenals zoveel andere financiers uit zijn tijd het directeurschap bij de Nederlandse Bank. Deze functie was aan het begin van de 19e eeuw nog een soort erebaan. Daarnaast zette Jan van Eeghen zich in voor de lediging van noden. In 1830 gaf hij geld met als doel te voorkomen dat de broodprijs zou stijgen. Doopsgezinden staken grote sommen geld in filantropie en dit was in overeenstemming met het doopsgezinde ideaal van een sobere bedrijfsvoering. Extreme winstpercentages

20


waren niet de belangrijkste drijfveer bij de wijze waarop Jan van Eeghen zijn handelsfirma leidde. Het Bijbels Museum is geopend van maandag tot zaterdag van 11.00 tot 17.00 uur en zondag van 12.00 tot 17.00 uur. Bezienswaardigheden zijn verder nog de twee 17eeeuwse keukens, twee tuinkamers en de trap uit het begin van de 18e eeuw.

4

keizersgracht 401 Huis Marseille, C.P. van Eeghen

Na het Bijbels Museum loopt u rechts de Herengracht op in de richting van de Leidsegracht. Bij de Leidsegracht gaat u rechtsaf voor de brug in de richting van de Keizersgracht. Bij de Keizersgracht loopt u naar Huis Marseille (rechtsaf aan de kant met de oneven nummering). Keizersgracht 401 staat bekend als Huis Marseille, genoemd naar de gevelsteen met de plattegrond van de stad Marseille. De Franse koopman Isaac Focquier (1614-1680) gaf in 1665 opdracht dit pand te bouwen. De gevel lijkt veel op die van de panden die Philips Vingboons ontwierp. De indeling van het pand, met een voorhuis en een achterhuis, is 17e-eeuws, terwijl het stucwerk dateert uit het begin van de 18e eeuw. Huis Marseille werd van 1848 tot 1866 bewoond door de doopsgezinde Christiaan Pieter van Eeghen (1816-1889). Hij was een van de directeuren van de firma Van Eeghen & Co., na het overlijden van Jan van Eeghen. De handelsfirma was in deze periode gevestigd op Herengracht 462 (het pand Swedenrijck). Christiaan Pieter van Eeghen zette zich in op vele maatschappelijke terreinen (zie ook locatie 9). Hij verbeterde de woonomstandigheden van arbeiders. Hij was medeoprichter van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap (kog), dat zich ook nu nog bezighoudt met het beheren en verzamelen van objecten die te maken hebben met de geschiedenis en cultuur van Nederland. Zijn verzameling schilderijen en prenten, waaronder de Collectie Luyken, schonk Christiaan Pieter van Eeghen aan de stad Amsterdam. Deze collectie bestaat uit ruim 800 tekeningen en gravures gemaakt door Jan Luyken (1649-1712) en Casper Luyken (1672-1708). Hij verzamelde bovendien eigentijdse kunst. De verzameling maakt

21


nu onderdeel uit van de collectie van het Amsterdams Historisch Museum. De betrokkenheid van Christiaan Pieter bij Amsterdam blijkt ook uit zijn initiatieven om te komen tot de aanleg van een ‘Rij- en Wandelpark’ (het Vondelpark). Het plan was dit park aan te leggen in de buurt van de Leidsepoort, die in de jaren 1863-1864 gesloopt was. Een ander initiatief uit deze tijd was het bouwen van een gasfabriek in dit landelijke gebied. Met de aanleg van het park was dit plan van de baan. Van Eeghen nam contact op met de burgemeester om zijn plan voor het park te realiseren. Er werd een commissie opgericht in 1864, met de burgemeester als erevoorzitter en Christiaan Pieter als voorzitter van het uitvoerend comité. Christiaan Pieter vroeg familieleden, geloofsgenoten en notabelen zitting te nemen in het comité, zoals A. van Geuns, Jacob van Lennep, H. Luden, Joshua van Eik, J. van Eeghen en A.W. van Eeghen. Ze besloten om 4000 circulaires te versturen met het verzoek om financiële steun. Op deze manier werd 883.000 gulden bijeengebracht. J.D. Zocher en L.P. Zocher, vader en zoon, ontwierpen een park in de Engelse landschapsstijl. Dertien jaar later was het park, dat zich uitstrekte tot aan de Amstelveenseweg, voltooid. In het rij- en wandelpark werd bij een van de grote vijvers een beeld geplaatst van de dichter Vondel (1587-1679). Uiteindelijk had in 1867 het Vondel-comité onder voorzitterschap van Jacob van Lennep (1802-1886, dit een geschikte plek in het nieuwe park gevonden om de dichter te eren. In de stad was voor het drie meter hoge beeld niet genoeg ruimte. Op de Botermarkt stond al het beeld van Rembrandt en op de Dam was Naatje geplaatst (het beeld dat gewijd was aan de Hollandse volksgeest). Het rij- en wandelpark raakte snel bekend onder de naam Vondel(s)park. Huis Marseille is toegankelijk voor het publiek van dinsdag tot zondag van 11.00 tot 17.00 uur. In het pand is de Stichting voor Fotografie gevestigd. Het 18e-eeuwse tuinhuis is gereconstrueerd, met onder meer een plafondschildering van Jacob de Wit.

22


5

keizersgracht 444-446 Firma Hope

Aan de overkant van de gracht zijn de witgepleisterde panden van de firma Hope op Keizersgracht 444-446. In het gebied omsloten door de Keizersgracht, de Prinsengracht en het Molenpad stond het complex van het handelshuis Hope. Aan de kant van de Prinsengracht op de nummers 659-661 bezat de firma twee pakhuizen voor opslag, een koetshuis en een paardenstal. Op het binnenterrein werd het kantoor Hope & Co. gebouwd. Het pand op de Keizersgracht, uit 1720, maakt een monumentale indruk door het vele beeldhouwwerk boven de ramen en op de gevelafsluiting. Thomas Hope (1704-1779), telg uit een Schotse handelsfamilie, bewoonde Keizersgracht 444-446. Op de Prinsengracht dreef de firma Hope handel in uiteenlopende waren, zoals textiel, wijn en koloniale producten, en men handelde ook in geld. Zo had de firma handelscontacten met het Oostzeegebied, waar graan werd gekocht. Ze kochten schepen in Stralsund (Pommeren), om Zweedse potas en pek naar Nederland te vervoeren. Vanuit Amsterdam vervoerde men fijn papier, schrijfbenodigdheden en daarnaast tabak, specerijen en zuidvruchten naar Stralsund. In 1750 werd Hope gevraagd om toe te treden tot het college van diakenen van de doopsgezinde gemeente Bij het Lam. Deze uitnodiging ging gepaard met een felicitatie, omdat hij door de stadhouder benoemd was als een van zijn twee vertegenwoordigers in de West-Indische Compagnie (wic). Uit deze benoeming blijkt dat de Doopsgezinde Kerk geen problemen meer had met een doopsgezinde in een belangrijke maatschappelijke functie. In de 18e eeuw legde Amsterdam zich toe op de geldhandel. De firma Hope verstrekte leningen aan handelaren, regeringen in Europa en de nog jonge Verenigde Staten. Ook trad Hope & Co. vanaf 1788 voor langere tijd op als financier van de Russische tsarenfamilie. Tsaar Nicolaas II verhief Hope in de adelstand als beloning voor de diensten die de firma had verleend als bankier van Rusland. Toen de Fransen het land bezetten, vluchtte Henry Hope, die toen de firma leidde, naar Londen. Henry en zijn medefirmant waren fervente aanhangers van de Oranjes. Op 12 oktober 1778 werden ze van de beurs verjaagd omdat ze oranje kokardes droegen. De

23


meeste doopsgezinden waren in deze periode aanhangers van de patriotten. In de Napoleontische tijd werd de handel met Engeland vrijwel onmogelijk, zodat de firma Hope zich primair ging toeleggen op het uitvoeren van geldtransacties. De opdrachtgevers waren verschillende partijen die met elkaar in oorlog waren. Niet voor niets draagt de firma Hope de wapenspreuk ‘Ad Spes Non Fracta’ (Al splijt de wereld, de hoop – Hope – blijft bestaan). Zo verkocht Hope & Co. namens Napoleon de staat Louisiana aan de Verenigde Staten.

6

herengracht 462 Swedenrijck, Van Eeghen & Co

U loopt terug naar de Leidsegracht en loopt die af aan de andere kant, terug naar de Herengracht. Daar vervolgt u uw weg, na de Leidsestraat te zijn overgestoken, richting Gouden Bocht naar de Spiegelstraat. U loopt door tot aan Herengracht 462. Dit pand, Swedenrijck genoemd, naar bouwheer Guilliam Swedenrijck, werd gebouwd in de jaren 1665-1671. De zandstenen gevel valt op door een klassiek regelmatige vorm en de twee beelden boven de ingang, die Geloof en Liefde voorstellen. Als gevelafsluiting dient een balustrade met twee beelden, Welvaart en Handel. In 1849 vestigde de firma Van Eeghen zich op dit adres. Twee neven, Jan van Eeghen (1816-1865) en Christiaan Pieter van Eeghen, waren in dit pand de eerste firmanten. De firma was een voortzetting van het Huis van Negotie, dat in 1779 was opgericht door de grootvader van Jan, Christiaan van Eeghen (1757-1789). Vanaf de vroege jaren veertig van de 19e eeuw maakten Jan en Christiaan Pieter van Eeghen de firma tot een bloeiend handelshuis. Van Eeghen & Co. had in deze periode contacten met zowel Engelse als Nederlandse firma’s op Java. Hierbij ging het om handel in producten als koffie en thee, typische handelsgewassen die bestemd waren voor de Europese markt. Dikwijls wist de firma Van Eeghen op het juiste moment over te schakelen naar andere, economisch rendabele activiteiten. Een voorbeeld: om het transport van goederen en personen mogelijk te maken naar en van Nederland en haar overzeese gebieden

24


in de Oost, bracht de firma vier zeilschepen in de vaart. Een van deze schepen was de theeklipper The Witch of the Wave. Dit schip werd op 19 juni 1855 door de firma Van Eeghen gekocht. Voordat er overgegaan werd tot aankoop werd het Amerikaanse schip in opdracht van Jan van Eeghen geïnspecteerd. Hij constateerde dat The Witch of the Wave een goed gebouwd vaartuig was, maar dat het slecht onderhouden was: ‘Het is een tamelijk verward huishouden; zy (de eigenaars) weten zelve niet wat er aan boord is. De staat der trossen is bitter slecht (…) Niet veel beter is het met de zeilen gesteld. De chronometer is een zeer oud instrument en van een onbekenden maker. Kaarten, instrumenten en boeken ontbreken geheel.’ Beide neven waren maatschappelijk actief in allerlei stichtingen. De bekendste is de Vereniging ten behoeve der Arbeidersklasse, opgericht door Christiaan Pieter van Eeghen in 1852. Deze vereniging kocht verkrotte huizen aan en bouwde na sloop op die plekken nieuwe woningen voor minvermogenden (zie ook wandeling 2, locatie 16).

7

herengracht 476 David de Neufville, later Dirk Dirkzs. van Lennep

U loopt verder op de gracht en staat stil bij Herengracht 476. In mei van het jaar 1708 ging de doopsgezinde stoffenfabrikant David de Neufville samen met zijn vrouw Agneta wonen in het huis op Herengracht 476. Deze familie woonde hier een groot deel van de 18e eeuw. Ook dit pand werd gebouwd naar een ontwerp van Philips Vingboons. Aan het begin van de 17e eeuw vestigde Daniel de Neufville (geboren in 1554) zich in Amsterdam en begon een handelshuis. Deze familie ging in de loop van de 17e eeuw over op de zijdehandel, zoals veel doopsgezinden in deze periode deden. De doopsgezinde Jacob van Lennep (1631-1704) stichtte bijvoorbeeld samen met zijn broer Jan van Lennep een zijdefabriek en introduceerde daarmee deze tak van nijverheid in Amsterdam. De zijdehandel werd in de loop van de 17e eeuw zo belangrijk, dat in 1650 op de Groenburgwal de Zijdehal werd gebouwd. In deze

25


Zijdehal werd zowel de ruwe als de geverfde zijde gewogen en gekeurd. Door de opbrengsten en winsten uit de zijdehandel en zijdefabricage breidden de familiekapitalen van de De Neufvilles en de Van Lenneps zich flink uit. Ze konden zich daardoor op de nieuw aangelegde Herengracht en Keizersgracht vestigen. In 1711 trouwde Petronella de Neufville (1688-1749) met Jacob van Lennep (1686-1725). Herengracht 476 werd in 1725 groots verbouwd door Dirk Dirksz. van Lennep. Hij was getrouwd met Catharina de Neufville, die het pand geërfd had van haar puissant rijke vader, David de Neufville. Op hun huwelijk schreef Pieter Langendijk een gedicht. Herengracht 476 heeft een bakstenen voorgevel, afgewisseld met natuurstenen pilasters, en is voorzien van een natuurstenen attiek. In het midden van deze attiek is een adelaar met gespreide vleugels geplaatst boven een wapenschild. Aan weerszijden van het wapenschild waren beelden geplaatst van Mercurius, Fortuna, scheepvaart en handel. De achterzijde van het huis werd verfraaid met een klok, die elk halfuur sloeg, en in de tuin werd een in barokke stijl uitgevoerd tuinhuis gebouwd. Bij rijke bewoners op de grachten was vanaf de 17e eeuw het gebruik ontstaan achter in hun tuin ter breedte van het perceel een gebouwtje te plaatsen. In deze versierde tuinhuisjes dronk men ’s middags thee. Na mislukte investeringen in Nederlands Oost-Indië werd het voor Dirk Dirksz. van Lennep onmogelijk de kostbare verbouwing aan zijn huis te financieren. Om uit de financiële problemen te komen, gebruikte hij het erfdeel van zijn kinderen om te speculeren in Javaanse koffie. Maar ook dat ging mis. De leningen aan zijn familie kon hij niet meer aflossen. Hij vroeg aan zijn jongere broer, die getrouwd was met een van zijn stiefdochters, en de echtgenoot van zijn andere stiefdochter om zijn nog resterende vermogen te beheren. Om de schande van een publieke verkoop te voorkomen, werden de bezittingen van Dirk van Lennep aan zijn familie verkocht. Het fraaie buiten Meerenberg bij Heemstede kwam in handen van zijn schoonzus Petronella de Neufville. Het huis op de Herengracht met de inboedel werd voor 70.000 gulden verkocht aan Jean de Wolff, een aangetrouwd familielid. Dirk van Lennep verhuisde naar Utrecht en kreeg een jaargeld. Het pand werd daarna nog bewoond door Aarnoud van Lennep, de zoon van Petronella de Neufville.

26


In 1927 kwam Herengracht 476 in het bezit van de doopsgezind geworden Georgina Mirandolle. Ze liet het interieur en de gevel in 1928 en in 1942 in oude glorie herstellen. De gevel zag er weer precies zo uit als in de tijd van Dirk Dirksz. van Lennep. Juffrouw Mirandolle was erg gesteld op haar huis, en maakte zich dan ook De Syreeder, gravure door Jan Luiken, uit zijn Spiegel van het Menselijk Bedrijf, 1718.

grote zorgen toen een afdeling van de Luftwaffe in 1943 Herengracht 476 als onderkomen vorderde. Gelukkig bleef de schade beperkt. Op hoge leeftijd besloot ze het pand aan de stichting Hendrick de Keyser te schenken op voorwaarde dat ze er levenslang mocht wonen. Vanaf 1981 is het pand in gebruik bij het Prins Bernhard Cultuurfonds. In het pand zijn verschillende plafondschilderingen aangebracht, onder andere van Jacob de Wit. De tuin met het tuinhuis is zo ingericht als in de tijd van Dirk Dirksz. van Lennep. Herengracht 476 is niet toegankelijk voor het publiek.

27


8

herengracht 512 Cornelis van Lennep

U loopt verder in de richting van de Vijzelstraat. U steekt de brug over en loopt naar Herengracht 512. In dit huis met eenvoudige bakstenen gevel woonde tussen 1778 en 1813 Cornelis van Lennep (1751-1813). Cornelis van Lennep en zijn zoon David van Lennep (1774-1853) bekleedden belangrijke posities in het landsbestuur. Uit een pamflet van 1787 blijkt dat een politieke tegenstander Cornelis beschouwde als een ‘Mennisten weerhaan’. In 1745 was de vader van Cornelis, die doopsgezind was, overgegaan naar de publieke kerk en ook Cornelis zou voor de publieke kerk kiezen. Cornelis van Lennep had een voorkeur voor de Amsterdamse politiek, wat blijkt uit de verschillende functies die hij daarin bekleed heeft tussen 1776 en 1787. Door zijn huwelijk met een Amsterdamse poortersdochter, Cornelia Henriëtte van de Poll, lukte het de uit Haarlem afkomstige Cornelis van Lennep gemakkelijk om bestuurlijke functies in de stad te krijgen. Cornelis van Lennep werd lid van de Nationale Vergadering in de voormalige balzaal van Willem V in Den Haag. De vergadering had tot taak een grondwet voor het nieuwe staatsbestel te maken. Alle geloofsrichtingen werden aan elkaar gelijkgesteld; dit betekende dat ieder zijn geloof in het openbaar mocht belijden – dit gold dus ook voor de doopsgezinden. Betje Wolff en Aagje Deken lieten deze nieuw verworven vrijheid doorklinken in het volgende gedicht (zie ook locatie 2) Remonstranten, doopsgezinden Ketters naar de Dordtse leer leerlingen van Socinus zijn voor ’t volk geen monster meer. Dan, die hoon, o medechristen! is geleden, is voorbij! Arminianen gij zijt vrij! Roomsgezinden! Luthervolgers! Stille Quakers wees gerust! Vrijheid zorgt voor u belangen ’t Vuur van twist geblust.

28


Toen werd ge o broeders! Isrels kroost! Eerst naar uw ziele wens getroost! Gij mocht als vrij mensen spreken. Toen kon geen school geleerd gevit U uit uw wettig bezit Van u geëiste rechten spreken. Voor het eerst namen alle religieuze minderheden deel aan het bestuur. Maar de hooggespannen verwachtingen kwamen niet uit. De meningsverschillen bleken onoverbrugbaar en de vergadering saai en eentonig. In een turbulente tijd, waarin de strijd tussen patriotten en prinsgezinden in volle gang was, en waarin kortstondige regeringsvormen elkaar afwisselden, vervulde Cornelis van Lennep met tegenzin functies in de landelijke politiek. Hij werd benoemd tot provisioneel representant van het volk van Holland in Den Haag (1795-1798). Uit deze periode zijn de briefjes bekend die hij uit verveling aan zijn vrienden schreef op de achterkant van stemmingsuitslagen. De vergaderingen van de volksvertegenwoordigers moeten erg saai zijn geweest. In 1803 kreeg hij de kans terug te keren naar Amsterdam. In dat jaar werd een nieuw college van wethouders aangewezen en werd Cornelis gekozen tot voorzitter. In de tijd van het Koninkrijk Holland werd hij verplicht functies te bekleden in de rechterlijke macht. Zijn zoon David van Lennep, hoogleraar klassieke talen aan het Atheneum Illustre in Amsterdam (de latere Universiteit van Amsterdam) trad in de voetsporen van zijn vader. Hij was van 1815 tot 1853 lid van de Provinciale Staten. Cornelis van Lennep bezat op zijn buiten Huis te Manpad bij Heemstede een menagerie met ‘een rijke verzameling van fraaie en zeldzame vogels’. Naast zijn wetenschappelijke belangstelling voor vogels was hij een verwoed vinker. Vinken was in de 18e eeuw een geliefde vorm van tijdverdrijf. Zelfs kinderen kregen vrij van school om mee te helpen op de vinkenbaan. Bij het vinken werden tijdens de vogeltrek vinken en andere kleine vogels gevangen. Cornelis van Lennep had hiervoor bij zijn buiten een vinkenbaan aangelegd. Blind gemaakte vinken dienden als lokvogel om de wilde vogels te vangen. Aan weerszijden van de baan lagen netten opgevouwen, die konden worden

29


opgetrokken zodat de vinken niet meer konden wegvliegen. Cornelis had de gewoonte zijn bevindingen over de vogelvangst te noteren. Hij beschreef in Factie Fringilar op wetenschappelijke wijze de trek en leefwijze van de vinken. Er bestaat nog een vinkenbaan met een vinkenhuisje van de familie Van Lennep, bij het bezoekerscentrum De Oranjekom te Vogelenzang, die vanaf midden 19e eeuw door de familie werd gebruikt.

9

herengracht 497 Pieter van Eeghen en C.P. van Eeghen

U wandelt terug naar de Vijzelstraat. U steekt de brug over naar de oneven kant van de Herengracht en loopt door tot Herengracht 497. In 1885 werd dit pand gekocht door Pieter van Eeghen (1844-1897). Hij verbouwde Herengracht 497 en bracht een aantal wijzigingen aan. Zo werd door hem een trap aangebracht om de bel-etage te bereiken. De voorgevel was in de 19e eeuw veranderd. De stoep van het huis is toen verwijderd, de ingang werd op straatniveau gebracht. De vorige bewoner had om zijn huis te vergroten de hal bij de woonkamer getrokken. Van Eeghen liet de eetkamer van de familie, die uitzicht geeft op de gracht, verbouwen. Het interieur van deze kamer werd door Vlaamse schrijnwerkers aangebracht, en daarom noemt men dit vertrek ook nu nog de Mechelse kamer. Zijn zoon Christiaan Pieter (1880-1968) veranderde in het huis de zaal aan de tuinzijde. Deze ruimte was door zijn ouders nog als woonvertrek gebruikt. Later werd de zaal de opslagruimte voor de prachtige tekencollectie van Christiaan Pieter (zie ook locatie 4). De door hem verzamelde tekeningen zijn topografisch van karakter. Aan de hand van deze collectie is goed te zien welke veranderingen Amsterdam heeft doorgemaakt in de loop van de tijd. Een belangrijk onderdeel van zijn verzameling zijn afbeeldingen van doopsgezinde kerken en het doopsgezinde leven. Daarnaast bevat de verzameling ook werk van doopsgezinde kunstenaars, zoals tekeningen van Christiaan Andriessen, knipsels van de knipselkunstenares Joanna Koerten Blok en de topografische

30


afbeeldingen van Pronk. Christiaan Pieter van Eeghen was een toegewijd bestuurslid van vele instellingen, zoals bijvoorbeeld Liefdadigheid naar Vermogen, Het Rembrandthuis en de Kamer van Koophandel. Hij besteedde ook veel tijd aan de traditioneel door leden van zijn familie bestuurde Vereniging ten behoeve van de Arbeidersklasse (zie ook wandeling 2, locatie 16). Op Herengracht 497 is nu het KattenKabinet gevestigd, geopend van maandag tot vrijdag van 10.00 tot 14.00 uur en op zaterdag en zondag van 13.00 tot 17.00 uur. Opvallend is de onlangs ontdekte plafondschildering van de Amsterdamse Stedemaagd op de bel-etage uit de 17e eeuw, geschilderd door de leerling van De Lairesse.

10

herengracht 475 Petronella de Neufville

We wandelen naar Herengracht 475. Vanaf 1727 werd dit huis gehuurd door Petronella de Neufville, afkomstig uit een familie van zijdefabrikeurs. Ze kocht het pand drie jaar na de dood van haar vader. Samen met haar echtgenoot en neef Mathias de Neufville liet zij het gehele huis verbouwen, tot een van de mooiste stadspaleisjes van Amsterdam. Het oorspronkelijke pand werd daarbij afgebroken, waarna het onder auspiciën van Daniël Marot (1661-1752) werd herbouwd in een weelderige, decoratieve Lodewijk XIV-stijl. In dezelfde periode verbouwde haar zus Catharina, samen met haar echtgenoot Dirk Dirksz. van Lennep, het schuin aan de overkant gelegen Herengracht 476 in dezelfde stijl. Dit was allemaal mogelijk dankzij de nalatenschap van de vader van Catharina en Petronella. Catharina erfde bovendien het buiten Meerenberg van haar vader. De voorgevel van het huis van Petronella en Mathias de Neufville is van zandsteen en heeft een dubbele stoep. De gevel wordt bekroond met een attiek. Op elke hoek van de attiek staan schoorstenen en siervazen. In het midden is een sierlijke cartouche aangebracht met een reliëf, waarboven zich een wereldbol bevindt. Een kind op het reliëf schudt de vruchten van de boom, terwijl het andere kind de appels tracht te grijpen. Twee vrouwen vlijen zich tegen dit middenstuk aan.

31


Achter de voordeur bevindt zich een ruime hoge hal. Via de iets smallere gang kan het achter in de tuin gelegen koetshuis worden gezien. In het midden van deze gang is een rijkversierde trap aanwezig. In het trapportaal staan levensgrote beelden van Venus en Adonis in met bloemen versierde nissen. Langs de drie zijden van het trappenhuis zien we Apollo, de beschermer van de kunsten, en de twee muzen van theater en muziek, Talia en Euterpe. Bekende kunstenaars als Jan van Logteren, Isaac de Moucheron en Jacob de Wit werkten mee aan de verfraaiing van het huis van Petronella en Mathias de Neufville. Van Logteren maakte de sculpturen voor de voorgevel, de gangen en het majestueuze trappenhuis. De Moucheron beschilderde de wanden van een van de kamers van het huis. In een zaal aan de achterzijde is door Jacob de Wit een plafondschildering aangebracht met de voorstelling De vangst van Callisto/Diana keert terug van de jacht. Na het financiĂŤle debacle van haar zwager Dirk van Lennep kocht Petronella het buiten Meerenberg bij Bennebroek. Dirk van Lennep was na de dood van zijn echtgenote Catharina gaan speculeren met het erfdeel van zijn kinderen. Nadat gebleken was dat hij zijn schulden niet meer kon betalen, greep de familie in. David van Lennep-De Neufville, de zoon van Petronella, ging in het midden van de 18e eeuw over naar de publieke kerk. Door deze toetreding werd het voor David mogelijk het bestuurlijke ambt van schepen te bekleden in Haarlem.

11

herengracht 431 hoofdingang doopsgezinde kerk Bij het Lam

U wandelt in de richting van de Leidsestraat en steekt deze over. U loopt aan de overkant naar de oorspronkelijke hoofdingang van de doopsgezinde kerk, Herengracht 431. De hoofdingang bevindt zich op een pleintje met platanen. Aan de straatzijde wordt het pleintje afgesloten met een hek. Aan de gevel is het beeld Vliegend/Vogel bevestigd, afkomstig van de voormalige doopsgezinde kerk De Olijftak. Dit beeld is naar de Singelkerk overgebracht in 1996. Vliegend/Vogel is een beeld van Wessel Couzijn, dat

32


speciaal gemaakt is in 1955 voor de nieuwe kerk De Olijftak, in het stadsdeel Slotermeer. De keuze voor de naam kan in verband worden gebracht met de buurten die na de oorlog in Amsterdam gebouwd zijn. De olijftak staat voor een nieuw begin: in het verhaal van de zondvloed in de Bijbel bracht de duif een olijftak als teken dat er land was waar Noach zich kon vestigen. De naam van de olijftak werd ook gebruikt voor het belijdenisgeschrift het Olijftacxken, dat de doopsgezinden probeerde te herenigen in de 17e eeuw. In het jaar 1664 ontstond er een schisma onder de Vlamingen tussen meer en minder streng gelovigen. Hun leraar Galenus Abrahamsz. de Haan hechtte weinig waarde aan kerkelijke leerstellingen. Zijn ideeën waren sterk beïnvloed door de collegianten. De Doopsgezinde Kerk kon volgens Galenus niet bewijzen dat zij de enige ware christelijke kerk was. Wanneer iemand van een onbesproken levenswandel was en verklaarde dat hij het eens was met het principe van geweldloosheid, dan kon men ongeacht de religieuze afkomst in de doopsgezinde gemeente deelnemen aan het avondmaal. Deze uitleg van het doopsgezinde geloof was te ruim voor een andere leraar, Apostool. Zijn kritiek richtte zich op de betekenis die Galenus en zijn medestanders gaven aan de belijdenis. Het doopsgezinde geloof moest volgens Apostool terug te vinden zijn in een vastomlijnde geloofsbelijdenis. Dit meningsverschil mondde uit in een hevige pamflettenstrijd. Er werden over en weer beschuldigingen geuit en personen verdacht gemaakt, zoals in het pamflet Het gekraay van een Sociniaanse haan onder de doopsgezinde vederen, dat refereerde aan Galenus de Haan. De aanhangers van Apostool werden door hun tegenstanders ‘Apostoolsche Doopsgezinde Geuzen’ genoemd, omdat hun uitleg van de Bijbel te veel op die van het calvinisme leek. Deze twist ontleent zelfs haar naam aan een pamflet, waarop staat: Lammerenkrijgh/Anders Mennonisten Kercken-Twist, uit 1663. Galenus de Haan en zijn medestanders werd de toegang tot de kerk op Singel 452 ontzegd door de aanhangers van Apostool. De onderlinge twisten trokken veel publiek en de strijd liep hierbij zo hoog op, dat de stedelijke overheid tussenbeide moest komen. Dit blijkt uit de ordonnantie van de Heren Burgemeesters van 10 januari 1664: ‘Dat zij (de doopsgezinde gemeente) haer sullen onthouden van op den Predick-stoel te brengen eenige subtile

33


Questien ofte Disputen, rakende de eeuwige godheyt Jesu Cristi ofte Andere Pointen, smakende na de leere der Socinianen’. Uit dit citaat blijkt dat de overheid geen geloofstrijd wenste over een kwestie als het ontkennen van de goddelijkheid van Christus en het niet erkennen van de Heilige Drie-eenheid: God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Hoewel aan Galenus de Haan aan Bij het Lam werd toegewezen, verbood de stedelijke overheid hem om deze opvattingen, die in de richting van het geloof van de Socinianen kwamen, van de kansel te verkondigen. De stedelijke overheid beperkte zich Het ronddelen van het brood bij het avondmaal in de doopsgezinde kerk Bij het Lam, 1736, gravure door Jacobus van der Schley, Bijzondere Collecties UvA, Mennonitica.

tot het regelen van toezicht op de boekhouding en administratie. Onder leiding van Apostool scheidden zich 500 tot 600 leden af, en kochten brouwerij De Zon op Singel 118. Daar stichtten zij hun eigen kerk: De Zon. Galenus en Apostool konden elkaar wel vinden als er medebroeders in het buitenland ondersteund moesten worden. Dan deden de Gecommitteerden der Doopsgezinde Gemeentes in Amsterdam een oproep tot een vergadering, waarin besloten werd dat in alle doopsgezinde kerken zou worden gecollecteerd. Dat de beschuldiging die in de Ordonnantie van 1664 stond niet geheel ten onrechte was blijkt uit het feit dat Galenus de Haan de collegianten toestond om soms bijeen te komen in een van de ruimtes van Bij het Lam. Onder die collegianten was een kleine groep die het gedachtegoed van de Socinianen uitdroeg. Vanaf 1801 ontstond na veel onderhandelen de Verenigde Doopsgezinde Gemeente, die haar bijeenkomsten in de Singelkerk hield. Daarbij werd gebruikgemaakt van de kerk, die oorspronkelijk bezocht werd door de Vlaamse doopsgezinden.

34


12

herengracht 346 De Oranjeappel, jongensafdeling

U slaat op de Herengracht na het pleintje rechts af en loopt verder over de Herengracht naar de eerstvolgende brug. U steekt deze brug ter hoogte van de Wijde Heisteeg over en loopt dan aan de even zijde van de Herengracht tot nummer 346. Achter de 17e-eeuwse trapgevel van dit huis was de jongensafdeling van weeshuis De Oranjeappel gevestigd (de meisjesafdeling was op De dompeldoop bij de Collegianten bij het Grote Huis in Rijnsburg in 1736, gravure door Balthasar Bernaerts.

Huidenstraat 2). Dit pand was in 1680 gekocht door de Rijnsburger collegianten. Het lag achter het huis dat de collegianten reeds gebruikten op de Keizersgracht en had verbinding met het pand op de Herengracht. Dit pand, met oorspronkelijk een oranjeappel De Grote Zaal van weeshuis De Oranjeappel in 1917: het gezin gebruikt de maaltijd.

in de gevel, hadden ze gehuurd van burgemeester en schepen Nicolaas Opmeer. Op 11 juli 1675 werd een conceptakte opgemaakt, waarin werd vastgelegd dat het huis aan de Herengracht

35


benut zou worden voor het opnemen van wezen. Oorspronkelijk was een van de voorwaarden voor opname in het weeshuis dat de ouders voorstander van weerloosheid waren geweest. Met weerloosheid werd bedoeld dat de ouders het gebruik van geweld afwezen. Later veranderde dit, en nam men alle wezen op die elders geen plaats konden vinden. In de Franse tijd werd in Nederland de algemene dienstplicht ingevoerd. Het land viel onder het gezag van Napoleon, die in alle door hem bezette landen mannen ronselde voor het leger. Een deel van de doopsgezinden, die nog steeds het principe van de weerloosheid aanhingen, kon zich niet langer onttrekken aan de dienstplicht door zich vrij te kopen. Ook de wezen van het Collegiantenweeshuis werden niet meer vrijgesteld. Ondanks felle protesten van de regenten werden alle jongens van vijftien jaar en couder in 1811 opgeroepen om als ‘gardepupillen’ van de koning van Rome (de zoon van Napoleon Bonaparte) hun militaire dienst te verrichten. Zeven jongens werden ingelijfd, twee van hen zouden niet terugkomen. In 1861 werd het pand verbouwd. Hierdoor kwamen er betere voorzieningen voor de kinderen en de regenten. In 1919 verhuisde het weeshuis naar de De Lairessestraat.

13

herengracht 316 Gijsbrecht Antwerpen Verbrugge

U wandelt verder over de Herengracht naar nummer 316. In dit huis woonde in de 18e eeuw de doopsgezinde bankier Gijsbrecht Antwerpen Verbrugge (1717-1777). Verbrugge was in de tweede helft van de 18e eeuw medefirmant van het handelshuis Verbrugge & Goll. Deze firma sloot in Amsterdam leningen af voor het keizerlijke hof van Oostenrijk. Gijsbrecht Antwerpen Verbrugge gaf als eerste aan de beginnende doopsgezinde schilder Jacob Cats (1741-1799) (zie wandeling 2, locatie 13) de opdracht om behangsels te schilderen voor zijn huis. Juist in deze periode werd het mode om als onderwerp van de behangselschildering geïdealiseerde Hollandse landschappen te gebruiken. In kunstminnende doopsgezinde kringen sloot men zich daarbij aan (zie ook locatie 14).

36


Verbrugge was, samen met Jacob de Clercq, een van de initiatiefnemers van de oprichting van de Maatschappij tot Redding van Drenkelingen in 1767. De oprichtingsvergadering vond plaats in het huis van Jacob de Clercq op de Keizersgracht tegenover de Westertoren. De Maatschappij was een bijzonder genootschap, omdat zij haar activiteiten richtte op het verwezenlijken van een praktisch doel. Het was de oprichters opgevallen dat men aan drenkelingen geen hulp verleende, omdat men ze voor dood hield. Een drenkeling voelt immers koud aan, is blauwig-bleek en de bloedsomloop is nauwelijks voelbaar. Bovendien moest eerst op grond van een oude verordening worden vastgesteld of er niet sprake was van een misdrijf. De drenkeling moest met zijn voeten in het water blijven liggen totdat duidelijk werd dat hij een natuurlijke dood was gestorven. Dit was de reden dat het medische aspect van het redden van drenkelingen bij de Maatschappij tot Redding van Drenkelingen op de voorgrond kwam te staan. Cornelis van Engelen, een doopsgezind predikant, schrijft hierover op 24 augustus 1767 in het spectatoriale tijdschrift De Philosooph: ‘Dewijl men geheel iets anders doet dan men eigenlijk doen moest, of eigenlijk dewijl men niet spoedig handen aan het werk slaat: waar van een der voornaamste oorzaken is, het vooroordeel, alhier zo algemeen, dat nauwelijks wanneer een Drenkeling die uit het water gehaald wordt, geen tekenen van leven geeft, het niemand geoorloofd is denzelven in zijn huis te neemen, zelfs niet aan te raaken, dan alleenlijk om hem aan de wal met het hoofd buiten het water op te hangen’. Hoe dus een drenkeling te helpen? Dat zou het onderwerp worden van een grote publieksactie, opgezet door de Maatschappij. De directeur maakte in een aanplakbiljet bekend hoe het leven van drenkelingen kon worden gered. Dit plakkaat werd in 10.000 exemplaren gedrukt en op vele plaatsen in Amsterdam aangeplakt. Daarnaast stuurde de Maatschappij de bekendmaking naar kerken en overheden. Zelfs in herbergen en in de ‘geringste bierwinkels’ waren deze teksten te vinden. Ook het Spinhuis en het nieuwe Werkhuis waren door de Maatschappij voorgelicht over de manier waarop men diende om te gaan met drenkelingen. De Maatschappij loofde een premie uit als beloning voor het weer tot leven brengen van een drenkeling. Dit kon een geldbedrag zijn, maar ook een gouden of verzilverde penning. Wel moest naar

37


het oordeel van de Maatschappij aan een aantal voorwaarden zijn voldaan voordat men overging tot het toekennen van de premie. Er diende een beschrijving op papier te worden gesteld van het verloop van de redding. De beschrijving moest daarna naar boekhandel Pieter Meyer op de Vijgendam worden gebracht. Nadat duidelijkheid over de redding verkregen was, werd de premie toegekend. Op de verzilverde of gouden penning die men ontving was een symbolische voorstelling van de redding aangebracht. Op de ene zijde was een afbeelding van een vrouw te zien, die de mensheid voorstelde. Zij boog zich over een naakte drenkeling, Kistje met verschillende hulpmiddelen van de Maatschappij tot Redding van Drenkelingen uit: Idealen op leven en dood Den Haag 1992.

die bewusteloos aan de rand van het water lag. Met haar ene hand beschermde zij de drenkeling, terwijl zij met de andere hand de dood, die uit het water oprees, terug het water in duwde. Het Latijnse randschrift luidde: In water gesmoord wordt hij aan het vaderland en de zijnen teruggegeven. Op de keerzijde werd de naam van de redder gegraveerd en de tekst Ob servatum civem dono societ. Amstelaed. mdcclxvii aangebracht. Dit betekende: Tot beloning voor het redden van een burger, geschonken door de Amsterdamse Maatschappij, opgericht in 1767. Nog steeds wordt deze medaille door de Maatschappij uitgereikt. Men leest kranten en weekbladen door om mensen te vinden die in aanmerking komen voor het ontvangen van de medaille.

38


Bij aanmeldingen voor de penning wordt bij de burgemeester en de politie om nadere gegevens over de redding gevraagd. Het bestuur beslist dan of er een beloning wordt uitgekeerd in de vorm van een penning en/of een getuigschrift. De burgemeester reikt deze beloning dan namens de Maatschappij uit. Sedert 1846 is de Maatschappij tot Redding van Drenkelingen gevestigd aan het Rokin.

14

herengracht 310 Jan van Eeghen en Cornelia de Clercq

U loopt nu naar Herengracht 310. Drie huizen verder woonden Jan van Eeghen (1729-1760) en zijn vrouw Cornelia de Clercq (1729-1801). Jan van Eeghen begon met het financieren van schepen die op de West-Indische Eilanden voeren. Daarnaast handelde hij in verzekeringen, geld en edelmetalen. Zijn handelsactiviteiten strekten zich uit tot steden in het gebied van de Middellandse Zee en de Baltische steden. De familie Van Eeghen maakte ten behoeve van de handel in koffie, suiker, tabak en indigo ook gebruik van de handelsroutes van de West-Indische Compagnie (wic). Het voornaamste handelsproduct in deze periode was suikerriet, dat met behulp van slaven in Brazilië en Cuba werd geoogst en verwerkt. De wic was vanaf 1634 gevestigd op Curaçao, waar de handel van Jan van Eeghen zich ook concentreerde. Cornelia de Clercq, die haar man geruime tijd overleefde, liet ter nagedachtenis van haar echtgenoot in het huis op de Herengracht een speciaal versierde schoorsteenmantel aanbrengen. De schoorsteenmantel heeft een in hout gesneden allegorische voorstelling van de handel van de familie Van Eeghen op Curaçao en Venezuela. De haven van Curaçao wordt afgebeeld met het Fort Amsterdam. Onder het toeziend oog van Mercurius worden goederen verhandeld. Opvallend zijn de kindertjes die een globe vasthouden. Deze voorstelling verwijst dan ook naar de handelsactiviteiten van de familie Van Eeghen in de West (zie afbeelding). Behangselschilder Jacob Cats schilderde de behangsels voor de grote zaal van Herengracht 310. Op deze nog steeds aanwezi-

39


ge doeken is een duidelijk voorbeeld te zien van een ge誰dealiseerd Hollands landschap. Op een van de wanden is een brede rivier te zien, omzoomd met bomen. Een veerpont brengt mensen en goederen naar de overkant. Verder zijn er zandweggetjes met vee afgebeeld. Op de achtergrond draaien in de polder de wieken van een molen in de wind. Schoorsteenstuk, in hout gesneden, in het huis op Herengracht 310.

15

herengracht 248 Tecum Habita

U loopt naar Herengracht 248. De huidige gevel van dit pand heeft een rechte lijst met fronton en dateert uit het jaar 1797. De oorspronkelijke ingang was gelegen boven een souterrain en gaf via een trap toegang tot de bel-etage. Het huis is van 1619. De

40


bovenste drie verdiepingen bezaten luiken en waren bestemd voor de opslag van goederen. De toegangsdeur is naar links verplaatst en wordt omlijst door een natuurstenen poortje. De naam waaronder dit pand vanaf het begin van de 17e eeuw bekend is, Tecum Habita, vinden we terug in de afkorting TH boven de deur. Dit betekent Woon bij Uzelven (oost west, thuis best). Nadat het pand in de 18e eeuw bewoond was geweest door doopsgezinde families (de familie Van Lennep en de familie De Neufville) werd in het gebouw in 1799 een kerkzaal gebouwd voor de hernhutters. Het pand werd verbouwd. De eerste en tweede verdieping werden gebruikt als kerkgebouw, waarbij de ramen op de tweede verdieping van boogvensters werden voorzien. De hernhutters zochten in Amsterdam in de eerste helft van de 18e eeuw contact met ‘vrijlopers’. Vrijlopers behoorden niet tot de officiële kerkgenootschappen, zoals de Protestante Kerk en de Lutherse Kerk. Onder de vrijlopers waren veel doopsgezinden. De overheid was bevreesd voor de invloed die kon uitgaan van de manier waarop de hernhutters hun geloof beleden en stond afwijzend tegenover het contact dat de hernhutters hadden met de doopsgezinden. Nadat de hernhutters een gesprek hadden gevoerd met Van Bempden, een van de burgemeesters van Amsterdam, die tevens directeur was van de Sociëteit van Suriname, werd het voor hen mogelijk zending te bedrijven in dit gebied. Een deel van de hernhutters trok naar deze kolonie, waar ze de belangrijkste christelijke groepering werden. In Nederland vestigden de hernhutters zich aan de Slotlaan in Zeist.

16

herengracht 186 Frederik Muller (voor de doorbraak)

U loopt verder naar de Raadhuisstraat. Aan deze zijde van de Herengracht woonde voor de doorbraak in 1895 op nummer 186 de doopsgezinde Frederik Muller (1817-1881). Zijn vader, Samuel Muller, was hoogleraar aan het Doopsgezind Seminarium. Frederik Muller was in Nederland de eerste persoon die zich op wetenschappelijke wijze bezighield met de geschiedenis van het boekenvak. Hij veilde boeken en maakte voor deze veilingen ca-

41


talogi. Muller wordt beschouwd als de grondlegger van het moderne antiquariaat. Voor de doopsgezinde gemeente ordende hij het archief. De liefde voor boeken was in zijn jeugd begonnen. Op de zolder van het achterhuis vermaakten de kinderen Muller zich met de oude boeken, die in hoge kasten stonden, en de twee kantoorlessenaars met oude papieren, landkaarten en prenten. In de opgetekende herinneringen van zijn tien jaar jongere zus Femina Muller is hierover te lezen: ‘Urenlang hebben sommigen van ons (de kinderen) daar, op den grond zittend, doorgebracht, terwijl niemand wist, waar zij waren, snuffelende en zich verdiepende in oude romans van Richardson, Feith, Loosjes, juffrouw Post, Wolff en Deken en de Kleine plichten van juffrouw De Neufville.’ De boekbinder, gravure door Jan Luiken, uit zijn Spiegel van het Menselijk Bedrijf, 1718.

17

raadhuisstraat tot aan de keizersgracht Breitner

U loopt de Raadhuisstraat door tot aan de Keizersgracht. De Raadhuisstraat is het resultaat van het besluit van de gemeente om een rechtstreekse verbinding van de Dam met de nieuwe wijken in het westen van de stad aan te leggen. Op deze plaats

42


legde de schilder Breitner (1857-1923) aan het einde van de 19e eeuw de afbraak van de bestaande 17e-eeuwse panden vast. Hij maakte foto’s, schilderijen en tekeningen van de veranderende situatie in de Raadhuisstraat. Breitner zou later in zijn leven geld ontvangen van het George Hendrik Breitner Fonds, dat op 20 juni 1917 werd opgericht ten behoeve van de armlastige schilder door de doopsgezinde bankier en kunstverzamelaar Christiaan Pieter van Eeghen.

18

verdwenen pand aan de keizersgracht, tegenover westerkerk Jacob de Clercq

Schuin aan de overkant ziet u de Westerkerk, gelegen aan de Westermarkt. Zo moet Jacob de Clercq in de 18e eeuw vanuit zijn huis de Westermarkt en de Westerkerk hebben gezien. De brug over het water van de Keizersgracht was toen veel smaller. In de 18e eeuw bestond de Keizersgracht nog uit een aaneengesloten rij huizen. Vanaf 1753 woonde Jacob de Clercq hier aan de kant met oneven nummering. Op het vlakke dak van zijn huis had hij een klein observatorium laten bouwen; dit was een hut met aan alle zijden ramen, waar hij, beschermd tegen regen en wind, kon kijken naar de sterren aan de hemel. Jacob de Clercq was een van de oprichters van de Maatschappij tot Redding van Drenkelingen.

19

hoek prinsengracht / westermarkt Café Kalkhoven, Hendrick Uylenburgh

U gaat nu de brug over van de Keizersgracht en steekt over naar de Westermarkt. Aan de overkant op de hoek van de Prinsengracht, waar nu Café Kalkhoven is, was vanaf 1658 de kunsthandel gevestigd van Hendrick Uylenburgh (1587-1661).

43


In de 17e eeuw viel het reizigers op dat Hollanders hun huizen rijkelijk versierd hadden met schilderijen. Als ze bij de huizen aan de grachten van Hollandse steden als Amsterdam, Haarlem en Leiden naar binnen keken, zagen zij tot hun grote verrassing dat de wanden van de kamers geheel bedekt waren met grote en kleine schilderijen. De Engelsman John Evelyn noteerde in zijn dagboek: ‘Pictures are very common here, there is scarce an ordinary tradesman whose house is not decorated with them.’ In de Nederlanden van de 17e eeuw kon een bekwame schilder overal werk vinden en de vraag naar kunstwerken was in de Republiek enorm. De kunsthandel had hierin een bemiddelende functie en hield zich bezig met tal van zaken. Reeds bestaande schilderijen werden door de kunsthandel ingekocht en daarna verkocht. De kunsthandel gaf kunstenaars de opdracht kopieën te maken van schilderijen van bekende kunstenaars. Er werden door kunsthandelaars portretopdrachten verworven, die vervolgens werden uitgevoerd door schilders. Men hield zich bezig met de verkoop van prenten. Het was goedkoper om een prent aan te schaffen dan een schilderij. In de kunsthandel werden leerlingen opgeleid, die leerden tekenen en schilderen door het kopiëren van bestaande werken. Deze werken werden verkocht. De assistenten werkten mee aan de schilderijen van de meester. En ten slotte kon je bij een kunsthandel taxaties laten maken van schilderijen. Er ontstonden netwerken van kunsthandelaars, verzamelaars, regenten of gezagsdragers die zich graag lieten portretteren, en kopers die het belangrijk vonden dat hun huizen gedecoreerd raakten met allerlei kunstwerken. Hendrick Uylenburgh was een belangrijk kunsthandelaar, die vermoedelijk in 1612 werd gedoopt op de leeftijd van vijfentwintig jaar. Hij behoorde tot de Waterlanders. Zijn kunstacademie was tot ver in het buitenland bekend. Tussen 1658 en 1660 was zijn bedrijf op Prinsengracht 283 gevestigd, tegenover de Westerkerk. In deze buurt woonden veel van zijn kopers. Uylenburgh vestigde zich omstreeks 1625 vanuit Danzig in Amsterdam. De namen van Rembrandt en Uylenburgh werden voor het eerst samen genoemd in 1631, toen Uylenburgh bij Rembrandt een schilderij bestelde. Rembrandt verhuisde korte tijd later naar Amsterdam en ging bij Uylenburgh wonen. In hun verdere leven kregen Uylenburgh en Rembrandt veel met elkaar

44


te maken. De familieleden van Uylenburgh figureerden veelvuldig op de schilderijen van Rembrandt. De schilder trouwde met Saskia Uylenburgh, een nicht van de kunsthandelaar, die afkomstig was uit de protestante tak van de familie Uylenburgh. Ook fungeerde Uylenburgh lange tijd als handelsagent en uitgever van Rembrandt. Verder gaf Rembrandt les aan de leerlingen op de kunstacademie van Uylenburgh. Nadat Hendrick Uylenburgh twee jaar op de Prinsengracht had gewoond, verhuisde hij naar Lauriergracht 76-78. Hij vestigde zich in het huis van de net overleden schilder Govaert Flinck. De doopsgezinde Govaert Flinck had evenals Rembrandt op de academie van Uylenburgh gewerkt. Gerrit Uylenburgh volgde zijn vader op in het bedrijf, dat vanaf 1661 gevestigd was op de Lauriergracht. In 1672 kwam er een einde aan de kunsthandel van de familie Uylenburgh. Door de slechte economische omstandigheden als gevolg van de oorlogsdreiging in dat jaar nam de vraag naar schilderijen af. Uiteindelijk bleek een zending van Italiaanse schilderijen niet zo waardevol als Gerrit had gedacht. Gerrit Uylenburgh kwam daardoor in grote financiĂŤle problemen. De situatie was zo ernstig, dat hij zijn huis in 1672 heimelijk moest verlaten. Hier eindigt de eerste wandeling

45


wandeling 2 De Wederdopersrellen Verlichte dopers in kunsten, wetenschap en maatschappij


1

beursplein en damrak, ter hoogte van de bijenkorf, tegenover de zoutsteeg de Zwaardlopers

De tweede wandeling begint op het Beursplein, schuin tegenover de Zoutsteeg, ter hoogte van de Bijenkorf. Tot in de 19e eeuw liep het water van de Amstel tot aan de Dam door. Tussen 1530 en 1535 was Amsterdam in de ban van de radicale wederdopers. Op 22 maart 1534 liepen Pieter de houtzager, Bartholomeus de boekbinder en Willem de kuiper met geheven zwaard door de stad, met de uitroep dat de komst van de Heer nabij was en dat de bevolking van de stad Amsterdam boete moest doen. Deze drie dopers waren geschokt door de arrestatie van dopers die op weg naar Münster in Amsterdam werden vastgehouden in hun schepen. Münster was dat jaar ingenomen door dopers, die zich daar wilden voorbereiden op het einde der tijden. De Zwaardlopers projecteerden het einde der tijden op Amsterdam. Ze riepen: ‘de benedictie Godts staet over de rechter, en de maledictie over de slincker zijde deser stad!’ Als men de stadsplattegrond van Cornelis Anthonisz. uit 1538 nauwkeurig bekijkt, dan wordt deze profetie duidelijk. Op deze plattegrond namelijk ligt de Oude Zijde op de linkerkant en de Nieuwe Zijde op de rechterkant. De dopers beschouwden de Oude Zijde als verdoemd. Dit deel van Amsterdam was volgebouwd met kloosters en hier bevond zich de Oude Kerk. De rechterkant op de kaart, de Nieuwe Zijde, was in de ogen van de wederdopers het uitverkoren gedeelte van de stad. Hier woonden de meeste dopers. Ze beriepen zich daarbij op hun verwachting van de eindtijd, waarbij de rechtvaardigen aan de rechterzijde van God zouden zitten, en aan de linkerzijde die mensen die in de hel terecht zouden komen, de verdoemden. De zwaardlopers werden opgepakt en door het Hof van Holland veroordeeld tot de dood door het zwaard. Het was de eerste keer dat in Amsterdam ketters in het openbaar werden gedood.

47


2

zoutsteeg de Naaktlopers

U steekt over naar de Zoutsteeg en u loopt de Zoutsteeg in. In een huis in de Zoutsteeg kwam, bijna een jaar later, midden in de winter van 1535 een groep van zeven mannen en vijf vrouwen bijeen. Onder leiding van een profeet, Hendrik Hendriksz., raakte deze groep in een geëxalteerde stemming. Hij beweerde met God gesproken te hebben, en zei: ‘Ik heb gheweest in den hemel ende Naaktlopende mannen en vrouwen voor een brandend huis. Gravure in: Lambertus Hortensius, Het boeck van den oproer der Wederdooperen…, Enkhuizen, 1624.

in der helle.’ Na het zien van een goddelijk teken (een kind had zijn sloffen in het vuur geworpen) hadden de aanwezigen hun kleding afgeworpen en in het vuur verbrand. Door hun aardse goederen te verbranden, dachten zij hun banden met dit aardse bestaan te kunnen verbreken. Ze voelden zich als wedergeboren, als Adam en Eva in het paradijs, teruggekeerd naar de situatie van voor de Zondeval. Zij renden daarop naar buiten en riepen op straat: ‘Wee we, de wrake Gods komt,’ in de verwachting dat Gods koninkrijk op aarde nabij was. Daar werden ze opgepakt en gevangengenomen. Ook in de gevangenis weigerden zij zich te kleden, omdat de waarheid in hun ogen naakt was. Op deze manier bleven ze volharden in hun geloof dat zij uitverkoren waren.

48


3

gravenstraat, eggertstraat, de dam de Wederdopersrellen

U loopt verder door de Zoutsteeg naar de Nieuwendijk en steekt die over naar de Gravenstraat. U gaat verder naar het pleintje achter de Nieuwe Kerk, waar de Gravenstraat en de Eggertstraat samenkomen. Executie van Wederdopers op de Dam te Amsterdam in 1535, pentekening van Barend Dircksz. (toegewezen), Amsterdam Museum.

Twee maanden later in hetzelfde jaar (1535) vond er door gewapende wederdopers een overval plaats op het stadhuis van Amsterdam. Het was de bedoeling om de stad, net als M端nster, in te nemen, om daar het nieuwe Jeruzalem te stichten. De overval op M端nster eindigde met de gevangenneming van Jan Beukelsz.

49


van Leyden, de aanvoerder van de wederdopers, en de herovering van de stad door de landsknechten van de katholieke kerkvorst Franz von Waldeck. Op 12 januari 1536 werd Jan van Leyden met zijn aanhangers in Münster terechtgesteld. Een groep dopers in Amsterdam met de uit Münster gekomen leider Jan van Gelen had wapens aangeschaft en deze verborgen in de rederijkerskamer op de bovenste verdieping van de Waag op de Dam. Vanuit de Gravenstraat en de Pijlsteeg (aan de andere kant van de Dam), waar ze zich verzameld hadden, trok men via smalle stegen naar de Waag om de wapens te halen: zes geweren, ‘een vaantgen en een tromme’. De Dam, in die tijd ‘die Plaetse’ genoemd, was veel kleiner dan nu. Bij de Kalverstraat stond het middeleeuwse stadhuis. Dicht bij deze straat stond de Vierschaar, waar rechtgesproken werd. Daarvoor lag een galerij met drie bogen. Ernaast was de klokkentoren en het oudste gedeelte van het stadhuis. Vanuit de Eggertstraat (die heden ten dage uitkomt op de Dam) was het in 1535 door de bebouwing met woonhuizen vanaf de Kerkstraat (die toen langs het kerkhof van de St. Catharinakerk – nu Nieuwe Kerk – liep) nog een eind lopen voordat men op ‘die Plaetse’ kwam. Van daar was het ongeveer acht huizen verder lopen naar het Raadhuis. Tussen het oude Raadhuis en de Nieuwe Kerk lag namelijk nog een heel woonblok. Vanuit de Pijlsteeg (bij het huidige hotel Krasnapolsky) moest men over de overdekte Vismarkt en de Middeldam (waar nu het Monument op de Dam staat) naar ‘die Plaetse’. De Middeldam was de dam die in de Amstel was gelegd en waar gedeeltelijk huizen op stonden. De wederdopers kwamen uit de beschutting van de huizen na het passeren van de Middeldam bij het open water van de Amstel. Nu was het nog maar een kort stukje naar de Waag. Op de avond van de aanval hadden de voorname burgers van het Kruisgilde in het stadhuis een feestmaal georganiseerd. Om de feestvreugde te verhogen had het Kruisgilde brandende pektonnen op de Dam laten plaatsen. Een groep wederdopers drong het stadhuis binnen, waar het feest in volle gang was. Er ontstond een hevige strijd, waarbij wachtmeester Symen Claesz. en een van de burgemeesters het leven lieten. De andere feestvierders konden ternauwernood ontsnappen. Er werden gewapende burgers opgeroepen om het stadhuis te verdedigen, die zich rond de Dam

50


opstelden. Bij deze gevechten kwamen veel burgers om het leven. Nog dezelfde nacht trokken de opgeroepen burgers zich terug, om de volgende ochtend opnieuw aan te vallen. Jan van Gelen bracht de nacht psalmen zingend door op de Dam. De tweede aanval van de burgerwacht wisten de dopers niet af te slaan. De verwachte hulp van buitenaf bleef uit, waardoor aan de bezetting een einde kwam. Jan van Gelen vluchtte de klokkentoren van het stadhuis in en werd daarbij dodelijk getroffen. Lijken wederdopers opgehangen. Gravure in: Lambertus Hortensius, Het boeck van den oproer der Wederdooperen…, Enkhuizen, 1624.

De strijd had een zware tol geëist. Onder de dopers werden achtentwintig slachtoffers geteld, onder de burgerwacht waren naar schatting twintig tot vijfendertig doden te betreuren. Deze uitbarsting van geweld maakte in de toen nog kleine stad grote indruk. De gevangen dopers werden op gruwelijke wijze omgebracht. Hun harten werden na hun veroordeling direct uitgerukt. Hun verminkte lichamen werden op de Volewijck, aan de overkant van het IJ, ter afschrikking tentoongesteld. De schilder Barend Dirksz. heeft in 1536, op verzoek van de burgemeesters, van deze gebeurtenissen een reeks grote taferelen gemaakt. De schilderijen waren bestemd voor een van de kamers van het stadhuis. De schilder woonde achter het stadhuis en was ooggetuige geweest van deze gruwelijke gebeurtenissen. De Wederdopersrellen in Amsterdam en Münster werden het

51


onderwerp van toneelstukken en andere letterkundige werken. Zo baseerde Lambertus Hortensius in zijn boek uit 1548, Tumultuum anabaptisticarum liber unus, zich waarschijnlijk op de schilderijen van de Wederdopersrellen die Barend Dirksz. gemaakt had. In dit in 1624 in het Nederlands vertaalde werk Van den oproer der weederdoopers werden de opstandige wederdopers veroordeeld. Ook latere schrijvers zouden dat doen. Vondel greep eveneens terug op de afbeeldingen van Barend Dirksz. en beschreef in zijn gedicht over het nieuwe stadhuis uit 1665 zowel de naaktlopers als de wederdopers die een aantal maanden later het stadhuis bestormden. Hij verbond de gebeurtenissen met elkaar in de eerste regel van het volgende fragment: Dat bleek toen Beukels’ rot (=groep) haar moedernaakte waarheid, Het licht der logentale, als herboren klaarheid, Wou planten op Dam, ten trots van ���t wapenkruis; Gelijk de schilderkunst op ’t afgebrand stadhuis. Vondel geeft hier weer dat het Kruisgilde door de wederdopers werd aangevallen en beschuldigde de dopers ervan leugentaal te verbreiden. Na de rampzalige gebeurtenissen op de Dam en het geweld te Münster zag de doperse beweging af van het gebruik van geweld als middel om de doperse idealen te verbreiden.

4

mozes-en-äaronstraat, jan rieuwertsz. de Oudere en de Jongere

U loopt via de Eggertstraat naar de Mozes-en-Aäronstraat bij de Dam. U loopt verder de Mozes-en-Aäronstraat (tussen de Nieuwe Kerk en het Paleis) in, tot aan de zijingang van de Nieuwe Kerk. De doopsgezinde uitgevers en drukkers Jan Rieuwertsz. de Oudere (1616-1687) en Jan Rieuwertsz. de Jongere (1651-1723) zijn beiden begraven in de Nieuwe Kerk. Het begraven van burgers in de kerk was in Amsterdam tot halverwege de 19e eeuw gebruike-

52


lijk. Jan Rieuwertsz. woonde en werkte in de Dirk van Assensteeg, in het huis met het uithangteken ‘in ’t martelaersboeck’. Volgens een ordonnantie werd hij in 1675 drukker van de stad Amsterdam. Jan Rieuwertsz. had contacten met Socinianen en andere afwijkende geloofsgroeperingen en drukte veel van hun werken. In zijn winkel kwamen ‘(…) veele Sociniaanse persoonen (…) ende ’t samen hooren discourse maakten’. Er werd dus veel gediscussieerd in zijn werkruimte. De protestante predikanten beschouwden niet alleen hem als gevaarlijk, maar ook de boeken die hij uitgaf. Zijn fonds bevatte onder andere uitgaven van het werk van Spinoza en Descartes. De publieke kerk vroeg daarom aan de overheid om maatregelen te nemen tegen Rieuwertsz. Diens illegaal gedrukte publicaties werden over de gehele wereld verspreid. Na de dood van Spinoza, wiens begrafenis werd betaald door Rieuwertsz., werd besloten om al het nagelaten werk van Spinoza uit te geven als Opera Postuma. Van Spinoza heeft Rieuwertsz. de Oudere het Tractatus Theologico-Politico clandestien uitgegeven. In dit boek werden ideeën verkondigd die indruisten tegen de opvattingen van de staatskerk over de goddelijke ordening. Zijn zoon Jan Rieuwertsz. was evenals zijn vader stadsdrukker en woonde ook in de Dirk van Assensteeg, in het huis van zijn vader. In 1695 werd hij samen met Aart Wolsgrein door de schout voor het gerecht gedaagd. Jan Rieuwertsz. had de verboden geschriften van Spinoza verkocht. Eveneens verboden was de vertaling van het Nieuwe Testament van Carel Catz, die Jan Rieuwertsz. in 1701 liet drukken. Dit blijkt uit de verbeurdverklaring van een aantal exemplaren van deze vertaling door de schout. Het geld voor de vertaling was beschikbaar gesteld door Willem Hemma, leraar van de Doopsgezinde Gemeente. Een van de opmerkelijkste boeken die Jan Rieuwertsz. uitgaf in 1690 was: Beschrijving der nieuwlijks uitgevonden en geoctrojeerde slangbrand-spuiten, en haere wijze van brand-blussen, tegenwoordig binnen Amsterdam in gebruik zijnde, geschreven door Jan van der Heijden en zijn zoon. In dit werk werd de uitvinding van de ‘slangbrandspuit’ beschreven.

53


5

spuistraat en oudezijds achterburgwal verzamelplaats dopers vanaf 1530

U wandelt naar de Nieuwezijds Voorburgwal, steekt over, en aan de overkant gaat u naar rechts tot aan de Molsteeg. U loopt door de Molsteeg naar de Spuistraat, die u oversteekt (de voormalige Nieuwezijds Achterburgwal), en u kijkt vervolgens in noordelijke richting de Spuistraat in (de kant van het Centraal Station). Vanaf 1530 was een van de woningen aan de Oudezijds Achterburgwal de verzamelplaats van dopers. Tegenover de Lijnbaanssteeg bevond zich aan de oneven kant van de Oudezijds Achterburgwal het huis met het platte dak. Dit huis is duidelijk te zien op de stadsplattegrond van Cornelis Anthonisz. uit 1544. Voor de Wederdopersrellen op de Dam in 1535 hadden de dopers te maken met de dreiging van vervolging. De schout, Jan Hubrechtsz., die welwillend ten opzichte van de dopers stond, beschermde hen zoveel mogelijk. Jan Volkertsz. de trippenmaker was in 1530 naar Amsterdam gekomen om gelijkgezinden te dopen. Hij was de meest toegewijde volgeling van Melchior Hoffman. Hoffman bracht door zijn bevlogen interpretatie van de Bijbel de ideeĂŤn van de wederdopers naar de Nederlanden. In de zomer van 1531 voegde Melchior Hoffman zich bij Jan Volkertsz. en samen doopten ze in de openlucht vijftig personen. Hoewel het Hof van Holland wenste dat Jan Hubrechtsz. de trippenmaker arresteerde, gaf de schout hem de gelegenheid om te ontsnappen. Maar daarvan maakte Jan Volkertsz. geen gebruik. In Den Haag noemde hij de namen van de vijftig door hem gedoopten. Negen van hen werden opgepakt en samen met hem onthoofd.

54


6

brug over het singel bij de torensteeg Bij de Toren

U loopt de Torensteeg door tot het Singel. Hier ziet u een ongewoon brede brug, geplaveid met keitjes en met een borstbeeld van Multatuli (1820-1887), die in deze buurt werd geboren en opgroeide, van de hand van Hans Bayens. Jan Roodenpoortstoren in 1705.

Vlak bij deze brede brug kwam de Waterlandse gemeente Bij de Toren bijeen. De brug is gebouwd door Jan Adriaansz. Leeghwater uit De Rijp, die van doopsgezinde afkomst was. Aan het einde van de middeleeuwen – Amsterdam lag nog binnen de omwalling van het Singel – stond hier de halfronde Jan Roodenpoortstoren. De

55


lichte keitjes op de brug geven aan waar de poort gestaan heeft. De eenvoudige Jan Roodenpoortstoren was onderdeel van een klein poortgebouw dat werd bewoond door een poortwachter, die er gevangenen bewaakte (de ruimtes waar in het verleden oude cellen waren, bevinden zich ook nu nog onder de brede brug, de Torensluis). Bij de uitbreiding van Amsterdam veranderde het uiterlijk van de toren. Doopsgezinden kochten dicht bij de Jan Roodenpoortstoren in 1622 een oud pakhuis. Dit pakhuis was gelegen (schuin aan de overkant in noordelijke richting) in het huizenblok dat zich bevindt tussen het Singel en de Herengracht, en dat begrensd wordt door de Oude Leliestraat en de Bergstraat. In dit pakhuis, Bij de Toren genaamd, kwamen de Waterlanders bijeen. Ze waren afkomstig uit alle windstreken, vooral uit Waterland en andere delen van Noord-Holland, zoals De Rijp. Wat betreft de omgang met de wereld om hen heen waren de Waterlanders het ruimst van opvatting. In vergelijking met de andere doopsgezinde gemeentes in Amsterdam had de groepering opvallend snel economisch profijt van de bloei van de stad in de 17e eeuw. Zij nam deel aan industrie en handel en bevorderde de kunsten. De Waterlanders baseerden zich vooral op een eigen uitleg van het Nieuwe Testament. Deze opvatting was terug te vinden in hun toepassing van de ban. Waterlanders deden elkaar niet snel in de ban. Men beriep zich daarbij op de gelijkenis van de vijgenboom zonder vruchten uit Lucas 13:6-9. In de gemeente Bij de Toren werd deze Bijbelpassage zo uitgelegd dat men moest proberen mensen, zoals in de parabel, zo lang mogelijk bijeen te houden. De parabel vertelt over de vijgenboom, die geen vruchten droeg. Toen de eigenaar de vruchtenboom wilde omhakken, antwoordde Jezus dat de eigenaar een greppel om de boom heen moest graven. De boom kon op deze manier goed worden bemest. Alleen zo zou de boom vruchten kunnen dragen. Joost van den Vondel (1587-1679), geboren uit doopsgezinde ouders, die Antwerpen waren ontvlucht vanwege de geloofsvervolgingen, was in Amsterdam vier jaar lang (1616-1620) diaken bij de Waterlanders. In deze periode kwamen ze bijeen in een pakhuis tussen de Oude Nieuwstraat en de Teerketelsteeg. In de buurt rond de Warmoesstraat woonden veel doopsgezinde zijde-

56


handelaren. Ook Vondel dreef in deze straat een zijdenkousenhandel, op de plaats van het huidige nummer 39. Aan dat huis hing een uithangbord met ‘de rechtvaardige trou’. Vondel mengde zich in de discussie over de interpretatie van de Bijbel. Hij koos voor een andere opvatting dan De Ries, een belangrijk voorman bij de Waterlanders, die behalve de letterlijke tekst van de Bijbel ook de inwendige getuigenis een belangrijke plaats gaf in het geloof. Vondel wilde de tekst in de Bijbel getrouw blijven. Op den duur kreeg Vondel genoeg van de meningsverschillen. Hij trad af vanwege ‘groote ongelegenheyt syner melancholeusheyts halven’. Hij leed in deze tijd aan zwaarmoedigheid, ‘die hem seer verzwakte (…), en om de doodt dede wenschen’. Als oudere man (hij was drieënvijftig) koos hij voor het roomskatholicisme. De Franstalige jezuïetenpriester Pierre Laurois (Peter Laurensen) van de jezuïetenstatie De Krijtberg (een statie is de benaming voor een parochie in een missiegebied) wist Vondel te bekeren. Vondel bleef de Rooms-Katholieke Kerk trouw tot aan het einde van zijn leven.

7

herengracht 197 Den grooten Heer

U loopt door de Oude Leliestraat naar de Herengracht. U slaat links af en u gaat verder tot nummer 197. Hier ziet u het voormalige gebouw van de Associatie Kassa, Den grooten Heer genaamd. In 1901 werd door de architect C.B. Posthumus Meyjes op deze plaats een groot monumentaal pand neergezet. Dit gebouw was het nieuwe hoofdkwartier van de Associatie Kassa, een belangrijke financiële instelling in Amsterdam. De voorgevel van dit pand is asymmetrisch en bestaat uit vier segmenten. De toegang bevindt zich in de portiek aan de linkerkant van het complex. Deze toegang leidt naar de grote hal in het midden, waar de loketten waren. De invloed van Berlage op Meyjes is duidelijk te zien aan het gecombineerd gebruik van versierend beeldhouwwerk en functionele bouwelementen. De waterreservoirs aan het uiteinde van de dakgoten zijn zeer functioneel, terwijl boven de ramen versierende beeldhouwwerken zijn

57


aangebracht van de beeldhouwer Schröder. Deze sculpturen (op de tweede verdieping) beelden de deugden uit: een uil als symbool van wijsheid, een arend voor de kracht, een pelikaan voor trouw en een haan die waakzaamheid voorstelt. Oorspronkelijk stonden er op deze plek negen herenhuizen uit de 17e eeuw, die een verbinding hadden met het Singel. Deze huizen werden afgebroken voor het huidige pand. Meyjes schreef over deze afbraak het volgende in het bouwkundig weekblad: dat ‘met lede ogen de afbraak van het deftige zeventiende-eeuwse heerenhuis moet worden gadegeslagen. Maar dat de eisen van het heden opofferingen van het verleden vragen’. Halverwege de 19e eeuw bevond zich in het midden van het oorspronkelijke grote herenhuis een toegangsdeur op de begane grond, waarachter een lange gang. Deze gang leidde naar de inpandig gelegen Associatie Kassa. De schrijver Bordewijk (18841965), wiens vader kantoorbediende was en op het Singel in een van de panden woonde, die ook bij de Associatie Kassa hoorden, schrijft hierover: ‘Hoe somber ook de lange gang achter de hoofdpoort, zwart met ergens twee treurschemeringen uit lichtkokers en sidderende vleermuisbranders (gasverlichting) aan de zoldering, wezen mocht (…) zodra de bezoeker de hoek had omgeslagen (…) stond hij opeens midden in de Kas, achter de okergele balie in een kamertje met geel gesausde muren waar een paar kantoorbedienden werkten.’ De Associatie Kassa was elders begonnen. Het bedrijf werd gestart op 10 maart 1806 op Keizersgracht 132 door Jacobus van Geuns (1769-1832), een van de eerste directeuren. Hij was van doopsgezinde afkomst. Hoewel hij was opgeleid tot arts zou hij door zijn zwakke gezondheid dit beroep niet zijn hele leven uitoefenen. Door toedoen van zijn zwager, Dirk Jan Voombergh, werd de Associatie Kassa opgericht. Met zes personeelsleden had men op de dag voordat de Kassa openging het geld geteld van 1045 geldzakken, gevuld met guldens en zilveren zesthalven. Deze geldzakken waren opgeslagen in kasten en geldkisten in het kassierskantoor, in de provisiekelder (voorraadkelder) en ook in het tuinhuis van het pand op de Keizersgracht. Het startkapitaal van de Kassa was afkomstig van een aantal Amsterdamse bankiers en makelaars in geld, die allemaal een

58


aandeel hadden in de Kassa. Deze aandelen leverden dividend op. De nieuwe instelling werd georganiseerd als een soort naamloze vennootschap, en bezat daardoor een groot eigen vermogen. Dit vermogen was niet direct opeisbaar en kon dus langdurig worden geïnvesteerd, of tegen rente uitgeleend. Met dit kassiersbedrag werd voorzien in de in die tijd dringende behoefte aan veilig papiergeld (de kassiersbriefjes). Dit waren kwitanties. De kassiersbriefjes konden worden ingewisseld tegen klinkende munt. De Associatie Kassa bewaarde in geldzakken en kisten het geld van derden, het vreemd vermogen, dat direct kon worden opgevraagd. De kassiers van de Associatie Kassa bedongen hierbij een provisie, een bepaald percentage als loon. Er werd provisie berekend voor het innemen, bewaren en uitbetalen. Belanghebbenden konden voorschotten krijgen en leningen afsluiten. In 1813, het jaar waarin Napoleon Nederland in een financiële chaos achterliet, raakten de doopsgezinde kassierders Bosch & De Clercq in problemen. Zij slaagden erin hun bedrijf om te zetten in een Ontvang- en Betaalkas. De vader van Jacob van Geuns reageerde hierop in een brief teleurgesteld met: ‘Het schijnt een tweede Associatie Cassa te zijn die, zegt men, bijna alle menisten zal bedienen.’ Deze Ontvang- en Betaalkas zou in 1929 overgenomen worden door de Kas-Vereeniging. In 1955 fuseerden de Associatie Cassa en de Kas-Vereeniging tot Kas Associatie. Nadat Lodewijk Napoleon naar Frankrijk was teruggeroepen, maakte de geldhandel vanaf 1810 een grote financiële crisis door. Nederland was ingelijfd bij het Franse Keizerrijk. De overheid had sinds 1795 verplichte leningen opgelegd, waardoor er steeds minder geld rouleerde. De uitbetaling van de rentevergoeding op de staatsschulden van de Nederlandse staat werd door Napoleon tot een derde teruggebracht (de Tiërcering). Zo kreeg Napoleon meer geld binnen uit Nederland. Daardoor verslechterde de situatie nog meer. Toch kon de Associatie Kassa zich vanaf haar oprichting ondanks deze omstandigheden goed staande houden. Weliswaar leed de Kassa verlies in 1813, ontstond er wantrouwen onder de klanten, en kreeg de Associatie Kassa een stormloop te verduren op de geldkelders (men kwam een heel etmaal lang massaal geld opnemen), toch bleef de Associatie Kassa in staat geld uit te betalen en kreeg ze er zelfs klanten bij. Dit terwijl andere bankiers-

59


huizen in de problemen kwamen, zoals het kassierdersbedrijf van Bosch & De Clercq. Andere doopsgezinde instellingen, zoals het doopsgezinde weeshuis op de Prinsengracht, beschikten niet meer over genoeg geld, zodat er werd besloten een fusie aan te gaan met het collegiantenweeshuis De Oranjeappel.

8

herengracht 164 Philips de Flines

U loopt naar de Raadhuisstraat, u gaat de brug over en loopt naar rechts aan de overkant van de Herengracht, naar de nummers 164 en 162. Hier woonden in het midden van de 17e eeuw twee doopsgezinde verzamelaars: Philips de Flines en Agnes Blok. Agnes Blok was getrouwd met Sijbrandt de Flines, een familielid van Philips de Flines. Philips de Flines (1640-1700), een voornaam zijdehandelaar en zijdefabrikant, bewoonde het Huis Messina (Herengracht 164). In Parijs raakte Philips de Flines onder de indruk van de classicistische bouwstijl, en hij liet zijn huis naar een ontwerp van Philips Vingboons (1607-1678) bouwen. Het is mogelijk dat De Flines kennisgenomen had van het boek De Afbeelsels, waarin de architect Vingboons zijn ontwerpen publiceerde. De schilder Gerard de Lairesse heeft de verzamelaar Philips de Flines afgebeeld in zijn kunstkamer, te midden van zijn kunstwerken en beeldhouwwerk. De Flines heeft op deze afbeelding een prent in zijn handen, en aan de muur hangt een kaart van de stad Rome. Hij is gekleed in een Japanse rok, een kamerjas, en kijkt de toeschouwer vol zelfvertrouwen aan. Philips de Flines kon zijn verzameling aanleggen dankzij het geld dat zijn familie verdiend had met de zijdenijverheid. GeĂŻnteresseerd als hij was in het klassieke schoonheidsideaal had De Flines op zijn reizen naar Parijs veel kunstverzamelingen gezien. Hij had belangstelling voor Italiaanse kunst en beeldhouwwerk uit de klassieke oudheid. Het is dus niet verwonderlijk dat er in zijn collectie tekeningen en prenten ook werken aanwezig waren van Michelangelo en RafaĂŤl. Bovendien bezat hij naast boeken en kostbare meubelen ook porselein en lakwerk. In zijn huis aan de

60


Herengracht ontving De Flines veel buitenlandse bezoekers, die berichtten over zijn kunstkamer. Deze ruimte was gelegen aan de voorzijde op de bel-etage, en ook het daarnaast gelegen zijvertrek bevatte veel kunstvoorwerpen. De wanden van zijn huis waren beschilderd door De Lairesse. De Flines had een huis in Amsterdam aan de grachtengordel en behoorde tot een economische elite van doopsgezinden. Hij bezat ook een buitenplaats aan het Spaarne met een ‘Orangietuyn’ en een ‘Orangiehuys’. Hij kweekte daar exotische gewassen. De kennis over het kweken van citrusbomen ontleende De Flines aan een van de vele boeken in zijn verzameling. In 1743 werd Huis Messina door de erven van de familie De Flines verkocht. Het interieur van Herengracht 164 evenals het exterieur werd verbouwd in een vroege Lodewijk xv-stijl, waardoor de symmetrie minder opvallend is dan in de tijd van Philips de Flines.

9

herengracht 162 Agnes Blok

U loopt verder naar Herengracht 162. Hier woonde Agnes Blok. In de 18e eeuw had dit pand een gebeeldhouwd fronton, dat later vervangen is door een strakke lijstgevel. In de 17e eeuw verbleef de doopsgezinde Agnes Blok (1629-1704) een groot deel van het jaar op haar buitenplaats De Vijverhof, bij Loenen aan de Vecht. Uit een bewaard gebleven lijst met Tekeningen van Bloemen Planten Vogels en Insecten wordt duidelijk dat Agnes op haar buiten in een tropische kas allerlei exotische vruchten en gewassen kweekte, zoals ananas, cactussen, aloë en citrusboompjes. Ze slaagde er zelfs in om in de winter een ‘goud-gele Ananas’ tot bloei te brengen. Agnes Blok gaf verschillende kunstenaars, onder wie Maria Sebilla Merian, haar dochter Helena Herolt-Graff, en ook Herman Saftleven, de opdracht om de door haar gekweekte planten en bloemen vast te leggen in schilderingen. Verder bevatte haar verzameling schelpen, koralen en insecten. Agnes Blok staat op een penning afgebeeld als Flora Batava. Ze werd door anderen beschouwd als een Nederlandse bloemgo-

61


din. Op de penning is aan haar voeten in een van de potten een bloeiende ananas te zien. Het opschrift ‘kunst en arbeid brengen tot stand waar de natuur in gebreke blijft’ refereert aan het feit dat ze erin slaagde tropische planten te doen bloeien. Het was in de 17e eeuw de gewoonte om bij een verzameling planten bijschriften te plaatsen waarin parallellen werden getrokken met verhalen uit de Bijbel of de klassieke oudheid. Het religieuze aspect werd teruggevonden in alles wat de natuur voortbracht. Men sprak in deze periode van de ‘Bijbel der Natuur’. De natuur behoorde beheersbaar te zijn en verfraaid te worden, vandaar de symmetrisch strak aangelegde tuinen, versierd met klassieke beelden. Agnes Blok gaf op haar buitenplaats uitdrukking aan dit streven naar beheersing. ‘De kunst der natuur’ en de beeldende kunst kwamen bij haar samen in een eigen universum. Vondel, de oom van Agnes Blok, schrijft naar aanleiding van het huwelijk tussen Agnes Blok en Sybrandt de Flines een gedicht: d’een schept somwijl lust op het land, Daar zij bloemen zaait en plant. Of de bloemgodin helpt vieren. En het loofwerk op papieren, Uitgesneden met een schaar, Offert op het huisaltaar: d’Andere heeft de natuur getroffen, Als hij net in zijden stoffen, Loof en schone bloemen weeft. Schoner dan de lente ons geeft. Wat kan zulk een huwelijk baren, Daar die beiden in de echt vergaren, Met een rijp en wijs beleid, Anders dan genoegzaamheid? Uit de beschrijving van Vondel wordt duidelijk dat Agnes Blok naast het kweken van planten ook tijd besteedde aan de verfijnde kunst van het papier knippen. Verder blijkt uit het gedicht dat haar man Sybrandt zijdehandelaar was en gebloemde zijde fabriceerde.

62


10

herengracht tussen bergstraat en oude leliestraat Martinus Nieuwenhuijsen

U loopt naar de brug over de Leliegracht. Hier schuintegenover, aan de Herengracht tussen de Bergstraat en de Oude Leliestraat, woonde, in hetzelfde blok als waar Bij de Toren gevestigd was, Martinus Nieuwenhuijsen (1759-1793). Deze had een praktijk als geneesheer met een aanstelling bij de twee doopsgezinde gemeentes Bij het Lam en De Zon. Hij was ook diaken bij De Zon. Een van de ingangen van deze vermaning was gelegen tussen Herengracht 109 en 111. Hier bevindt zich nu een smalle gevel met een gouden zonnetje. Op deze plaats liep vroeger een steeg naar de doopsgezinde vermaning. Vanuit hun geloofsovertuiging hebben veel doopsgezinden zich altijd sterk gemaakt voor de verbetering van de positie van armen en minder ontwikkelden in de maatschappij. In de jaren zeventig van de 18e eeuw heerste er grote armoede en werkloosheid. Doopsgezinden als Cornelis Ris (1717-1790) en Jan Nieuwenhuijsen (1724-1806) – de laatstgenoemde was stichter van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen – riepen organisaties in het leven met als grondbeginsel ‘Liefde, liefde tot de naasten, om wel te doen in ’t algemeen en allermeest aan de ellendigsten deszelfs, alles uit een redelijke beschouwing van het deerniswekkende verval in den Burgelijken Welvaart, en in goeden zeden’. In 1787 werd het hoofddepartement van ’t Nut, dat oorspronkelijk in Edam was gevestigd, verplaatst naar Amsterdam. Martinus Nieuwenhuijsen, de zoon van Jan, werd secretaris. Als secretaris bedacht hij een leesmethode en schreef hij leesboekjes, zoals het Schoolboekjen van Nederlandse deugden, en, samen met Adriaan Loosjes, Levensschetsen van Vaderlandsche Mannen en Vrouwen. Nieuwenhuijsen leidde een druk leven. Hij schreef ook nog gedichten en een toneelstuk. Bovendien werkte Nieuwenhuijsen mee aan de zogenaamde Grote Bundel, een liedboek bestemd voor ‘elke christen, hoe zijn denkwijze ook mogen zijn’. Als diaken van De Zon was het voor hem duidelijk dat de tekst van de liederen uit de vorige eeuwen niet meer voldeed. In 1811 verbood het Napoleontische bestuur de verkoop van deze Grote Bundel. In een

63


Portret van Jan Nieuwenhuyzen (1724 – 1806). Deze doopsgezinde predikant uit Edam nam in 1784 het initiatief tot oprichting van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Doel ervan was bestrijding van het geestelijk verval onder de armen door middel van volksonderwijs en goedkope lectuur. Gravure door W. van Senus, rond 1796.

Zijn zoon Martinus Nieuwenhuyzen (1759 - 1793) was medicus en schrijver en de eerste secretaris van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Hij had een groot aandeel in zowel het maken van de plannen als de uitwerking daarvan.

64


dienst in de remonstrantse kerk, onder leiding van predikant F. van Tentum, werd het volgende vers gezongen (dat een toespeling was op de bezetting door de Fransen): Dwingelanden uw scepter uwe troon, Die ge in bloed en tranen vondt, En op puinen hebt gegrond. Zullen schoon op ’t hoogst verheven, Eenmaal schudden, eenmaal beven. Hoe zij schitt’ren, hoe zij blinken, Eens in ’t ijdel niet verzinken. De kerkeraad van de Verenigde Doopsgezinde Gemeente besprak hierop het verbod van de overheid. Nu bleek dat het verbod alleen de verkoop van de Grote Bundel betrof; het zingen uit de bundel was niet verboden. Men bleef dus uit de Grote Bundel zingen.

11

leliegracht tussen keizersgracht en prinsengracht Johannes Deknatel

Vanaf de hoek Leliegracht/Herengracht loopt u links verder over de Leliegracht. Na het oversteken van de brug over de Keizersgracht komt u bij het deel van de Leliegracht dat is gelegen tussen de Keizersgracht en de Prinsengracht. Hier bevond zich het huis van de doopsgezinde predikant Johannes Deknatel (1698-1759). Hier ontstond op 2 juni 1749 een flinke rel. Tijdens de godsdienstoefeningen die Deknatel, leraar van de Lamisten, hier elke zondag hield, was die dag een vertegenwoordiger van de stedelijke overheid langs geweest. Deze man wilde vaststellen of Deknatel contacten onderhield met de piëtistische geloofsgroepering de hernhutters. De overheid was bevreesd voor de invloed die kon uitgaan van de manier waarop de hernhutters hun geloof beleden. Daarom stond men na enige tijd afwijzend tegenover het contact dat de hernhutters hadden met de doopsgezinden. Van Deknatel was bekend dat hij samenwerkte

65


met Von Zinzendorf, de leider van deze groepering. Deze samenwerking werd niet door alle doopsgezinden goedgekeurd. Uit het in het Jiddisch opgetekende verslag van Abraham Chaim Braatbard blijkt dat er al dagenlang geruchten de ronde Johannes Deknatel 1648 – 1759, doopsgezind predikant.

deden dat het nieuwe geloof zeer velen had misleid. Alleen wist niemand precies wat dat geloof inhield. Er werd gezegd dat de hernhutters het joodse geloof voor waar aannamen, evenals de wet van Mozes. Een ander gerucht luidde dat ‘Onder hen een zoort van allerafschuwelijkste Onkuisheit in zwang gaat van welk zelfs de heidenen niet weten te zeggen’. Toen de aanwezigen in het huis van Deknatel op de Leliegracht bemerkten dat de overheidsdienaar het wachtwoord niet wist, werd hem de toegang tot de godsdienstoefening geweigerd. Dit was voor de vertegenwoordiger van de overheid een grote belediging. Hij sprak op de stoep opruiende woorden tot de toegestroomde menigte, waarna er een rel uitbrak. De mensen in de straat werd wijsgemaakt dat Deknatel om zijn eigen geloof te ver-

66


sterken hun geloof wilde kleineren. Opgeschoten jongeren gooiden stenen door de ramen. Deknatel kwam naar buiten om de gemoederen te bedaren. Dit hielp niet. De burgerwacht, die gelegerd lag in de Vleeshal op het terrein bij de Westerkerk, werd opgeroepen. Door de Leliegracht tussen de Prinsengracht en de Keizersgracht af te sluiten, wist de burgerwacht plundering te voorkomen. Alleen de bewoners hadden nog toegang tot hun huizen. Uiteindelijk vonden de hernhutters niet genoeg medestanders in Amsterdam. Ze verkochten het pand in Amsterdam waar ze kerkdiensten hielden, en vestigden zich elders in het land, in het voormalige Slot Zeist van graaf Willem Adriaan van Nassau-Odijk.

12

leliegracht 49 Willem Writs

U loopt verder over de Leliegracht aan de zijde met even huisnummering en kijkt naar Leliegracht 49, aan de overzijde, het voorlaatste huis voor de Prinsengracht. In dit bakstenen huisje, versierd met festoenen, woonde de doopsgezinde horloge- en instrumentenmaker Willem Writs (1732-1786). In het Gemeentearchief kunnen we het portret terugvinden van Willem Writs. Het maakt deel uit van de Verzameling Van Eeghen. Op het portret zien we hem schrijlings op een stoel zitten, met zijn ene arm over de rugleuning, met een been op een spijl van de stoel rustend, en met het gezicht naar de toeschouwer gewend. Hij is gekleed in een nauwsluitende jas en draagt een driekante steek op het hoofd. Willem Writs was lid van het tekengenootschap Pax Artium Nutrix (Vrede is de Voedster van de Kunsten), opgericht in 1766. Dit tekengenootschap bestond uit liefhebbers van de tekenkunst, naast professionele tekenaars als Reinier Vinkeles. Ze kwamen bij elkaar in herberg De Zon, en men tekende voornamelijk elkaar. Hiervan zijn een aantal ongedwongen portretten bewaard gebleven; in de Verzameling Van Eeghen zijn ze terug te vinden. Willem Writs wist in dit gezelschap zijn neef Jacob Cats, de behangselschilder, te introduceren. Van Jacob Cats werd een portret getekend waarop hij aan het dammen is.

67


In het huis van Writs op de Leliegracht vond op 3 november 1777 de oprichtingsvergadering plaats van de maatschappij Felix Merites (Gelukkig door Verdiensten). Er waren veertig personen bij aanwezig. Dit genootschap oriënteerde zich veel breder op de maatschappij dan eerdere genootschappen, zoals het genoemde tekengenootschap, of de Maatschappij tot Redding van Drenkelingen. De oprichters van Felix Merites formuleerden hun idealen als volgt: ‘Het doel der maatschappij bestaat (…) verstand en deugd De kerk van de Jan Jacobsgezinden, Bloemstraat 49-51, 1729. Tekening door Cornelis Pronk, Bijzondere Collecties, UvA, Mennonitica.

aan te kweken en kunsten en wetenschappen te doen bloeien’. De activiteiten van Felix Merites waren dan ook het verbreden van kennis, de actieve bevordering van kunsten en het stimuleren van wetenschappelijk onderzoek onder de gegoede burgerij in de geest van de Verlichting. De meeste leden werden gerecruteerd uit kringen van kooplieden en de beoefenaren van een vrij beroep. In een daarvoor speciaal gebouwde behuizing, eveneens Felix Merites genaamd, op het adres Keizersgracht 324, werden vanaf 1787 de kunsten en wetenschappen in vijf verschillende departementen (Natuurkunde, Tekenkunde, Letterkunde, Muziek en Economie) beoefend. Voor al deze departementen waren door de architect Husly de zalen in het gebouw zo ontworpen, dat ze geschikt waren voor de diverse activiteiten. In Haarlem is het Teylers Museum in deze periode vanuit dezelfde gedachtegang als Felix Merites kunsten en wetenschappen aan de burgers gaan tonen. De nalatenschap van de doopsgezinde Pieter Teyler van der Hulst maakte de oprichting van dit museum mogelijk. U steekt de Prinsengracht over, en gaat direct linksaf. Vanaf deze gracht is duidelijk te zien dat de straten en dwarsgrachten niet aansluiten bij de dwarsstraten die de concentrische cirkels

68


van de grachtengordel snijden. Toen de Jordaan werd aangelegd, werd het al bestaande patroon van weilanden en sloten behouden. U loopt over de Prinsengracht verder naar de Bloemstraat. U slaat bij de Bloemstraat rechts af en u loopt verder over de Bloemstraat tot de hoek Bloemstraat/1e Bloemdwarsstraat. Op de Bloemstraat treft u op de nummers 47-57 nieuwbouw aan. Deze is gebouwd op de plaats waar de doopsgezinde vermaning van de Oude Friezen was gevestigd. De woningen hebben namen die verwijzen naar de geschiedenis van de doopsgezinden (zie afbeelding). De Bloemgracht en de Bloemstraat zijn in 1613 gelijktijdig met de Prinsengracht aangelegd. Op deze plaats, het vroegere Leprozenland, werden voor het eerst bouwgronden uitgegeven in het gebied dat in de 17e eeuw het Nieuwe Werk werd genoemd, maar nu beter bekend is als de Jordaan. De kavels waren beduidend kleiner dan de percelen aan de Prinsengracht. De bewoners van de Jordaan waren afkomstig uit plaatsen als Brussel, Antwerpen en Emden, maar ze kwamen ook uit steden als Groningen en Leeuwarden. Er woonden hier in de 17e eeuw veel doopsgezinden. In de Bloemstraat treffen we in deze periode veel ambachtslieden aan die zich bezighielden met de nijverheid. In de archieven genoemde beroepen zijn tafellakenwever, linnenwever en damastwerker. Er was veel wrijving tussen de ambachtslieden in de textiel en de smeden, die hun aambeelden op straat hadden staan. Men dacht dat ‘de stinckende luchten’ de kostbare textiel zouden kunnen bederven, en dat ‘haere coleuren schade cunnen lyden’. Dit leidde tot de uitvaardiging van een keur in 1615, waarin stond dat het smeden in de Bloemstraat en de directe omgeving verboden werd hun handwerk uit te oefenen.

13

bloemgracht, oneven zijde Jacob Cats

U loopt de 1e Bloemdwarsstraat in naar de Bloemgracht. Halverwege het blok huizen aan de oneven zijde van de Bloemgracht woonde de schilder Jacob Cats (1714-1799). Het precieze adres is niet bekend, maar dat hij aan deze gracht woonde, blijkt uit het volgende krantenbericht, van 2 mei 1767: ‘Dat de kunstbe-

69


hangzelfabriek van Jacob Cats, kunstschilder, verplaatst is uit de Tuinstraat op (naar) de Bloemgracht zuidzijde, het 14e huis vanaf de Prinsengracht’. Er zijn twee tekeningen bekend van het huis waar Jacob Cats woonde. Op beide tekeningen zien we Jacob Cats en zijn gezin. Afgebeeld is een laag vertrek, een keuken waar een trap naartoe leidt. Aan de ene zijde is een haard te zien. Jacob is samen met zijn zoontje en hij is aan het werk aan een inklapbare tafel. Op de andere afbeelding is zijn vrouw wafels aan het bakken, een klein kind zit in een kakstoel, en de schilder kijkt vanuit de deuropening naar dit tafereel. Jacob Cats had zich bekwaamd in het etsen en schilderen. Hij was in de leer geweest bij kunstschilders en had prenten leren maken bij een plaatsnijder. Zijn vader had hem daarna in 1761 voor tien jaar een contract bezorgd bij de behangselschilderfabriek van Jan Hendrik Troost van Groenendoelen. Jacob Cats kreeg echter andere mogelijkheden. In 1763 gaf Gijsbrecht Antwerpen Verbrugge hem zijn eerste opdracht. Jacob Cats mocht voor het woonvertrek van Verbrugge op Herengracht 316 behangselschilderingen vervaardigen. Deze behangselschilderingen waren gemaakt naar een ontwerp van Goll. Goll was bankier van beroep en medefirmant van Gijsbrecht Antwerpen Verbrugge. Goll was zelf een goed tekenaar, wat blijkt uit de tekeningen die hij maakte van het uitzicht vanuit zijn woonhuis Bartolotti, op de Herengracht. Van Cats’ eerste behangselschilderingen is niets meer aanwezig. Wel werd het voor hem mogelijk om met het geld dat hij had verdiend met deze opdracht zich in te kopen bij het gilde. Zo kon hij zich als zelfstandig behangselschilder vestigen in Amsterdam. U staat nu in het hart van de Noord Jordaan op de Bloemgracht. De Jordaan wordt begrensd door de Brouwersgracht in het noorden en de Leidsegracht in het zuiden. De Prinsengracht vormt de grens aan de stadszijde, en de Lijnbaansgracht was bij deze stadsuitbreiding de westelijke begrenzing. Oorspronkelijk werd de Jordaan aangelegd voor ambachtslieden, die zich bezighielden met leerlooien, het maken van spiegels of het vervaardigen en verven van textiel. Al deze werkzaamheden veroorzaakten stank en andere vormen van vervuiling en overlast. Daarom waren ze eerder verboden op het Singel, de Herengracht of de Keizersgracht, waar men meer op stand woonde.

70


14

2e leliedwarsstraat 76 de firma Blaeu

U loopt rechtdoor naar de 2e Leliedwarsstraat. U passeert daarbij nummer 76, op de hoek Bloemgracht/2e Leliedwarsstraat. In dit huis woonden en werkten (zoals u kunt zien op het bordje) drie generaties Blaeu, in de periode 1637-1696. In het pand op de hoek van de Bloemgracht en de 2e Leliedwarsstraat De boekdrukker, gravure door Jan Luiken, uit zijn Spiegel van het Menselijk Bedrijf, 1718.

was een van de drukkerijen van dit drukkersgeslacht gevestigd. Het bedrijf en de boekwinkel In de vergulde Sonnewyser van de firma Blaeu, gevestigd op ’t Water (nu het Damrak), was toen al te klein geworden. De kleinzoon van oprichter Willem Jansz. Blaeu (1571-1638) legde hier in 1637 de eerste steen voor de nieuwe drukkerij. Een van hun andere drukkerijen was op het Blaeu Erf. Jan van der Heijden beschrijft hoe deze drukkerij in 1672 in de as werd gelegd. De drukkerij aan de Bloemgracht had twee verdiepingen en een zolder. Bij de firma Blaeu waren in de 17e eeuw twintig tot veertig mensen continu bezig met alle onderdelen van het drukproces. De uitgeverij was zo beroemd dat vele buitenlanders niet alleen een bezoek aan de winkel brachten, maar ook aan de drukkerij op de Bloemgracht. Willem Jansz. Blaeu en zijn zoon Cornelis (1610-1642) betrokken het woonhuis naast de drukkerij,

71


terwijl de oudste zoon van Willem Jansz., Joan (1598 -1673), de uitgever van de Grooten Atlas, in In de Vergulde Sonnewyser op het Damrak bleef wonen. Willem Jansz. Blaeu kwam uit een doopsgezinde familie, afkomstig uit Noord-Holland. Gedurende het Twaalfjarig Bestand had hij de zijde gekozen van de remonstranten. Dat blijkt onder andere uit zijn publicaties van het werk van Hugo de Groot, die de remonstrantse zaak was toegedaan.

15

hoek egelantiersgracht/3e egelantiersdwarsstraat Jan Ligthart

U loopt rechtdoor naar de Egelantiersgracht. Vanaf de brug kijkt u naar het rechter pand op de hoek van de Egelantiersgracht en de 3e Egelantiersdwarsstraat. Hier bevond zich de kruidenierswinkel van de familie Ligthart in de Jordaan. Jan Ligthart (1859-1916) is samen met H. Scheepstra de schrijver van de bekende leesboekjes Ot en Sien. Deze gaan over de belevingswereld van twee buurtkinderen in de kleuterleeftijd. Ze spelen samen in de regen, er wordt touwtjegesprongen, ze gaan bij grootvader en grootmoeder op bezoek. Jan Ligthart was opgegroeid in de Jordaan, een volkswijk, zodat hij zich goed kon herinneren hoe stadskinderen leefden. Dat blijkt uit zijn Jeugdherinneringen. Hij beschrijft daarin hoe hij als kleuter vanaf het ouderlijk huis naar de bewaarschool op de Egelantiersgracht loopt: ‘Over de platte blauwe stoep. Nu op straat. Aanstonds de hoge brug over die – we woonden immers in een hoekhuis – bijna vlak voor ’t huis lag. En dan rechtsaf de gracht op – ik zie die kleine steentjes nog, het voetpad van klinkers, waarop wij altijd liepen, vlak langs de stoepen der huizen. De grote stenen, de keien lagen daarnaast, op de rijweg, wanneer wij naar school gingen kregen wij altijd de waarschuwing mee “Op de kleine steentjes lopen, hoor!” en dan liepen wij dikwijls hand in hand op de kleine steentjes naar school, nadat mijn oudste zuster ons eerst de brug over had gebracht.’ De vader van Jan Ligthart was een sappelende kruidenier in

72


de Jordaan. Het gezin leefde in armoede. Jan Ligthart herinnert zich dat de zaken zo slecht liepen dat de jongens uit het gezin ‘’s avonds elders bij een grote winkel ver uit de buurt bijvoorbeeld vijf pond koffie of suiker moesten kopen. Dat werd dan weer in onsjes en halve onsjes verkocht’. De grossiers wilden vader Ligthart niet meer op krediet leveren. De grootste armoede werd verlicht nadat was besloten dat de vader van Jan Ligthart een levenslange toelage kreeg van vijf gulden per week. Elke maandagmorgen kon het bedrag worden opgehaald bij de doopsgezinde predikant. De doopsgezinde gemeente stelde geld beschikbaar voor mensen die armlastig waren ongeacht hun kerkelijke achtergrond. Jan Ligthart beschrijft, als hij wat groter is, hoe hij samen met zijn broer en soms een zusje erbij naar de kerk op het Singel loopt. ‘De grote kerk was ongeveer twintig minuten van mijn huis. Onderweg waren er te veel afleidingen, we verkochten onze kerkcenten voor snoepgoed, liepen de hoge stoepen af en telden de brievenbussen. Dit was een wedstrijd – op die manier moesten we steeds op een drafje lopend wel tijdig in de kerk zijn. Maar het tegendeel was waar. Toen wij eenmaal ervaren hadden dat het in de kerk erg vervelend was, zorgden we altijd te laat te komen. Dan zwierven we langs de mooie Heeren- en Keizersgrachten en dronken daar, onbewust, de schoonheid in van de vorstelijke koopmanshuizen, het stille water, de gewelfde stenen bruggen, de oude iepen. Die herinner ik me nog alle. Zondagsmorgens kon het daar zo vredig zijn; vooral onder kerktijd liepen er maar weinig mensen. Een enkele platte zolderschuit lag leeg tegen de wal. Het water weerspiegelde de huizen en bomen en bruggen en de hoog wit bewolkte hemel. Alles ademde vrede. Het was er beter dan in de kerk. En dat dacht ik niet alleen toen, maar ik geloof het nu nog. Kinderen behoren niet in de grote kerk!’ Na zijn opleiding tot onderwijzer werd Jan Ligthart schoolhoofd in Den Haag. Hier ontwikkelde hij ideeën over het onderwijs. In zijn ‘hartepedagogiek’ stond de persoonlijkheid van het kind centraal, waarbij uitgegaan werd van de eigen belangstelling en interesse van dat kind. Er werd getracht de leerling zo actief mogelijk te betrekken bij de ‘zaken’. De onderwijzers op zijn school werkten met de door Ligthart ontwikkelde onderwijspraktijk. Ligthart noemde zijn manier van lesgeven ‘Het Volle Leven’. Volgens Jan Ligthart had het voor stadskinderen weinig zin

73


om te leren dat tarwe en suikerbieten op klei verbouwd moesten worden en rogge op zand. De leerlingen wisten het verschil niet tussen rogge en tarwe of tussen klei en zand. Ze moesten zelf ervaren wat de verschillende grondsoorten waren. Zo liet hij de kinderen graankorrels en de rogge zaaien, zodat ze het groeiproces konden volgen. Oogsten hoorde erbij, en zelf het graan tot brood of roggebrood verwerken. Als het onderwerp er zich toe leende, kon er geboetseerd en getimmerd worden. Er kon zelfs een model van een graanmolen gebouwd worden.

16

anjeliersstraat / hoek lijnbaansgracht / westerstraat 353-381 Concordia

U loopt verder via de 3e Egelantiersdwarsstraat en de Madelievenstraat in de richting van Concordia. Op het pleintje bij de Anjeliersstraat (aan het einde van de Madelievenstraat) staan de witgepleisterde, gerenoveerde woningblokken van de Stichting voor den Ambachtsstand Concordia uit 1864. H.S. van Lennep (1832-1914) werkte hier samen met Christiaan Pieter van Eeghen (1816-1889), met het doel in de Jordaan goede arbeiderswoningen te bouwen. De tussen de Westerstraat en Anjeliersstraat gebouwde blokken werden met de woningen die Van Eeghen had laten neerzetten in de Zuid-Jordaan ondergebracht in de Bouwmaatschappij Concordia. In vergelijking met de bestaande woningen en krotten was de bebouwing een grootschalig complex, met een hoge bebouwingsdichtheid. U loopt de Anjeliersstraat uit richting Lijnbaansgracht. U gaat naar rechts richting Westerstraat. U staat dan op de hoek van de Lijnbaansgracht en de Westerstraat, aan de andere kant van het complex Concordia. Wanneer u op de brug over de Lijnbaansgracht gaat staan, ziet u dit complex het beste. Het is een van de eerste voorbeelden van sociale woningbouw. De voorgevel is bijzonder, vanwege het gebruik van horizontale en verticale ac-

74


centen. De gevelwand oogt daardoor minder massief. Opvallend zijn de dakkapellen met de verschillende vensters. U loopt verder door op de Westerstraat. Bij de onderdoorgang tussen de nummers 353 en 381 gaat u naar het hofje. U ziet hier twee grasveldjes, die vroeger dienstdeden als bleekveldjes. Op traditionele hofjes was van oudsher een bleekveld, waar de was te bleken werd gelegd. Uit het verslag van het Koninklijk Instituut voor Ingenieurs uit 1855 werd de noodzaak van een bleekveld als volgt omschreven: ‘Zo zou het bleekveld niet slechts aan de behoefte van een gezin en aan reinheid worden voldaan, maar wordt ook de luchtverversching bevorderd, zodat de dampkringslucht zich vrij door het hele huis bewegen kan.’ In 1852 zat Christiaan Pieter van Eeghen in een commissie die plannen ontwikkelde voor sociale woningbouw. De uit deze commissie voortgekomen Vereeniging ten behoeve der Arbeidersklasse kocht in de Jordaan oude panden aan, om ze na verbetering te verhuren. De Jordaan was in de tweede helft van de 18e eeuw en in de 19e eeuw een buurt voor armlastige Amsterdammers geworden. De buurt raakte overbevolkt. Veel binnenterreinen waren volgebouwd met slecht onderhouden huizen, die alleen toegankelijk waren via sloppen. In deze te krappe sloppenwoningen woonden vaak grote gezinnen op één of twee kamers. Soms waren ze zo laag, dat de bewoners niet rechtop konden staan. Bovendien waren de huizen vochtig en kwam er nauwelijks zon. De schrijfster Neel Doff, die opgroeide in zo’n huis, schreef hierover: ‘In een vochtig vettig slop in Amsterdam bewoonden wij met zijn allen één vertrek. Het was een kamer waar de zon nooit doordrong. In de winter was het een grot vol nattigheid en kou en ’s zomers werden we ziek van de klamme hitte.’ Het particulier initiatief, waar de liberale overheid in de 19e eeuw zoveel van verwachtte, bleef nagenoeg achterwege. Behalve dan bij doopsgezinden zoals C.P. van Eeghen, maar ook Constantia van Loon en haar echtgenoot Pieter van Eik, die een school oprichtten voor haveloze kinderen. Ook lieten ze arbeiderswoningen op de Willemsstraat bouwen. Door de hoge bewoningsdichtheid en de slechte hygiënische omstandigheden braken gemakkelijk epidemieën uit, zoals de uitbraak van cholera in 1830. 80% van de bewoners van de Jordaan en de eveneens druk bevolkte Jodenbuurt bezweek aan deze ziekte. Maar ook de gegoede burgerij, wonend aan de grachten,

75


werd het slachtoffer van de cholera. Onder invloed van de denkbeelden van de hygiënisten, een groep artsen die pleitten voor verbetering van de volksgezondheid, werd door het stadsbestuur een aantal grachten in de Jordaan gedempt. De Goudsbloemgracht (nu Willemsstraat) werd in 1854 gedempt, en de Anjeliersgracht (nu Westerstraat) werd in 1861 dichtgegooid. In 1850 nam de schrijver Jacob van Lennep het initiatief tot de oprichting van de Duinwater Maatschappij. Daardoor konden de bewoners van de Jordaan voor een cent water halen uit de fontein bij de nabijgelegen Willemspoort. Op deze plaats was het eerste officiële uitgiftepunt van schoon drinkwater uit de duinen. U loopt over de Westerstraat naar de poort van Concordia Noord, nummer 221-289, het tweede woningbouwcomplex en evenals het complex op de hoek Lijnbaansgracht/Westerstraat gebouwd door P.J. Hamer in 1864. Via de poort komt u op het binnenterrein. Ook hier krijgt u een indruk van de wijze waarop de Bouwmaatschappij Concordia in de tweede helft van de 19e eeuw de slechte woonomstandigheden in de Jordaan trachtte te verbeteren. Helaas bleef deze woningbouw onbetaalbaar voor de groep waarvoor hij bedoeld was. Het complex bestaat uit drie woonblokken, waartussen zich twee gemeenschappelijke binnenterreinen bevinden, die ook als bleekveld gebruikt konden worden. De huizen bestonden uit rug aan rug gelegen een- en tweekamerwoningen, waardoor het zonlicht slechts vanaf één kant van de woning naar binnen kon schijnen. In 1984 werden de een- en tweekamerwoningen verbouwd tot driekamerwoningen. Toen zijn in het andere complex (dat u zojuist bezocht heeft) ook de Franse balkons aangebracht en werden er op de zolderverdieping appartementen gebouwd.

76


17

1e egelantiersdwarsstraat 3, tegenover nummer 4 Claes Claeszhofje

Na het verlaten van het complex loopt u over de Westerstraat en de 1e Anjeliersdwarsstraat en de 1e Tuindwarsstraat naar de 1e Egelantiersdwarsstraat. Tegenover nummer 4 Cornelis Claesz Anslo 1641, prent van Rembrandt. Bijzondere Collecties, UvA, Mennonitica.

in deze straat vindt u de ingang van het Claes Claeszhofje op nummer 3. Vlak voor het einde van de smalle gang gaat u rechtsaf. In de 16e eeuw kwam de armenzorg in handen van een aantal stedelijke instellingen, zoals de proveniershuizen, de Huiszittenhuizen en het Burgerweeshuis. De proveniershuizen verschaften een ‘preuve’ (een maaltijd voor de armen). In de Jordaan werd op het terrein van het voormalige Karthuizerklooster in 1650 Het Huiszitten Weduwenhof gebouwd, bedoeld voor de opvang van arme weduwen. In Amsterdam werden vanaf de 16e eeuw ook hofjes gesticht door particulieren. Welgestelde poorters (burgers) van de stad lieten een deel van hun bezittingen na voor het stichten van een hofje. In het algemeen waren hofjes bestemd voor oudere vrouwen vanaf vijftig jaar, die een onbesproken levenswandel hadden en tot een bepaalde geloofsrichting behoorden. De rijke doopsgezinde Claes Claesz. Anslo begaf zich in het

77


jaar 1616 naar het stadhuis om vast te leggen dat hij een terrein wilde gaan kopen aan de Egelantiersstraat in de Jordaan. Hij bepaalde in zijn testament op 30 maart 1616 dat ‘De drie neerhuijsgens en camers om niet sullen worden bewoond en dat men de twee voorhuijsgens sal verhuijeren’. De huisjes waren dus bestemd voor ‘arme luijden’, liefst van doopsgezinde afkomst. Dit hofje werd genoemd naar zijn stichter, Claes Anslo. De naam Anslo was bekend in Amsterdam. De oudste zoon van Claes Claesz., Cornelis (1592-1648), was een beroemd doopsgezind leraar bij de Waterlanders. Bij een ets van Cornelis Anslo door Rembrandt gemaakt, schreef Vondel het volgende gedicht: Ay Rembrandt, maalt Cornelis’ stem. Het zichtbre deel is ’t minst van hem: ’t onzichtbre kent men slechts door d‘oren Wie Anslo zien wil moet hem hooren.

18

prinsengracht 159-171 het Zonshofje

Na het verlaten van het hofje gaat u linksaf de Egelantiersdwarsstraat in. Vergeet niet het wapen van Anslo’s hofje te bekijken naast nummer 52. U wandelt over de Egelantiersstraat naar de Prinsengracht. Hier gaat u linksaf en u loopt naar de brug over de Prinsengracht. U steekt de brug over. Op Prinsengracht 159-171 bevindt zich het Zonshofje. U gaat naar binnen en loopt door de gang naar het hofje. De doopsgezinde koopman Martin Looten (1568-1648) liet hier op zijn erf een klein kerkje bouwen, dat gebruikt werd door leden van De Kleine Zon, een groepje doopsgezinden dat zich in 1671 van de gemeente De Zon (aan het Singel bij de Blauwburgwal) had afgescheiden. Nadat de gemeente De Kleine Zon in 1677 weer samenging met De Zon werd het kerkje gebruikt als pakhuis. In 1720 werd het gebouwtje aangekocht door de Oude Friezen, die ook het achterhuis van Prinsenstraat 18 in hun bezit kregen. De Friezen breidden het kerkje flink uit en noemden het

78


De Arcke Noach. Cornelis Pronck, wiens hele familie behoorde tot de Oude Friezen, maakte in de kerk twee interieurtekeningen. Bij een fusie in 1752 sloten de Friezen zich aan bij De Zon op de Blauwburgwal. Hierop besloot de doopsgezinde gemeente De Zon de voormalige kerk te verbouwen. Op deze plaats werd Gevelsteen op de binnenplaats van het Zonshofje, rond 2005.

een hofje gesticht voor oudere doopsgezinde dames. Dit Zonshofje bestond in het begin uit twaalf woningen. In elke woning was een bedstee en een schouw ingebouwd. Ook beschikte elke dame over een droogzolder. Aan de linkerkant in het hofje is het gebouw dat de kerk verving. Opvallend is de brede toegangsdeur met daarboven een combinatie van uurwerk en gevelsteen. De naam van de kerk van de Friezen, De Arcke Noach, en die van De Zon zijn zichtbaar in de gevelsteen. Eronder staat het volgende gedicht: ’t Geloof heeft hier Gods Woord Ontvouwd; De Liefde ons dit verblyf gebouwd; De hoope blyve ons gedurig noopen, om der zielen Zon te zien, Den tyd zorgvuldig uit te koopen, En dus tot de Ark des Heils te vlien. MDCCLXV

79


Op elke etage bevonden zich zes eenkamerwoningen, bereikbaar via de gezamenlijke trap. Dit is een andere situatie dan op de meeste hofjes, waarbij iedere woning een eigen opgang had. Rechts op het hof is de 19e-eeuwse vleugel te zien, waardoor het mogelijk werd om hier tweeĂŤndertig vrouwen te huisvesten. In het journaal en getekende dagboek uit 1805 van de zoon van de bekende behangselschilder Jurriaan Andriessen (17421819), Christiaan, is de gang naar het Zonshofje te zien. Hij staat De binnenplaats van het Zonshofje rond 2005.

voor de binnendeur van zijn woning op Prinsengracht 173. Op de tekening van 14 februari 1805 sluit Christiaan de toegangsdeur van het hofje op de Prinsengracht, terwijl zijn ouders en zus op hem staan te wachten. Deze twee tekeningen zijn later onderdeel gaan uitmaken van de verzameling van Christiaan van Eeghen, omdat ze een duidelijk beeld geven van het doopsgezinde hofje in het begin van de 19e eeuw. Het Zonshofje is nog steeds in beheer bij de doopsgezinde gemeente, en er zijn jongeren in het complex gehuisvest. Het Zonshofje is door de week toegankelijk van 10.00 tot 17.00 uur. Hier eindigt de tweede wandeling

80


Portret van Menno Simons uit 1837, Bijzondere Collecties, UvA, Mennonitica.

81


dopersen in amsterdam de 20e eeuw

Na de wandeltochten die u heeft gemaakt in de binnenstad over de Herengracht en de Jordaan, zijn er ook nog plaatsen in Amsterdam waar dopers in de tweede helft van de 19e eeuw en in de 20e eeuw hun sporen hebben achtergelaten. Daarnaast zijn er een aantal belangrijke gebeurtenissen in Amsterdam geweest die niet onvermeld mogen blijven. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw was de Singelkerk niet langer het middelpunt van het doopsgezinde leven. Rond de oude stadskern werden in hoog tempo nieuwe wijken aangelegd. Onder doopsgezinden in deze buurten was behoefte aan plaatsen waar men bijeen kon komen. Er werden nieuwe kerken gebouwd. Er kwamen wijklokalen waar allerlei sociaal-maatschappelijke bijeenkomsten plaatsvonden voor lidmaten van de Doopsgezinde Kerk. Ook was er in de wijken opvang voor hulpbehoevenden en minderbedeelden. Ten noorden van het IJ was de situatie van doopsgezinden al langer moeilijk. Doopsgezinde timmerlieden, touwslagers, breeuwers en zeilmakers in Nieuwendam, werkzaam in de scheepsbouw, vroegen in 1843 om een ruimte waar ze gezamenlijk hun geloof konden belijden. In barre weersomstandigheden was de tocht naar de Singelkerk of de naburige doopsgezinde houten vermaning in Zaandam een te lange reis geworden. De schippers die op de Zuiderzee voeren en uit het noorden kwamen, verzochten de doopsgezinde kerkeraad in Amsterdam om medewerking bij de bouw van een eigen kleine vermaning. De vermaning wordt tot op de dag van vandaag gebruikt. Ongeveer honderd jaar later waren er plannen om dit kleine houten gebouwtje aan het Meerpad in Nieuwendam af te breken. Dankzij de inspanningen van kerkeraadslid en dorpsarts dokter Honig bleef het kerkje behouden. Jan de Liefde (1814-1869), een voormalig doopsgezind predikant, hield zich bezig met de opvang van hulpbehoevenden en minderbedeelden. Zo kwam op zijn initiatief de nog steeds bestaande vereniging Tot Heil des Volks tot stand. Het werk van deze vereniging was naar het voorbeeld van de werkwijze van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen ontstaan. Er werd een naai-

82


school, een breischool, maar ook een zondagsschool opgericht. Daarnaast was Jan de Liefde bekend om zijn volksvoorlezingen, en schreef hij boeken over de Nederlandse geschiedenis en de Bijbel met het doel de algemene ontwikkeling van arbeiders te bevorderen. Van de vereniging Tot Heil des Volks is in de Willemsstraat in de Jordaan nog het tegeltableau te zien. Aan het Oosterpark 4-5 staat de doopsgezinde kerk die in 1904 is gebouwd voor de nieuwe Oosterparkbuurt, door Abraham Salm. Salm had ook een plan ingediend om de oude Singelkerk te vervangen door een moderne kerk. De voorgevel heeft een brede, dubbele houten deur, met daarboven een glazen afdakje. Onder de natuurstenen daklijst bevindt zich een glas-in-loodraam, dat van bescheiden formaat is. Maar het opvallendst is toch het kleine torentje midden op het dak. De kerk aan het Oosterpark is een bakstenen gebouw met spaarzaam gebruik van natuursteen, dat nu in gebruik is bij de Vrijgemaakte Gereformeerde Kerk. In 1905 besloot de Algemene Doopsgezinde Sociëteit dat het in principe mogelijk moest zijn voor een vrouw om proponent te worden. Dat betekende dat ook een vrouw tot het ambt van dominee toegelaten kon worden. Hoewel een van de hoogleraren van het Doopsgezind Seminarium, professor Cramer, verklaarde dat hij nooit bij een vrouw stichting zou gaan zoeken, beslisten de doopsgezinde gemeentes dat een vrouw toch kon voorgaan in de godsdienstoefening. Annie Zernike (1887-1972) was de eerste vrouw die haar studie theologie afsloot aan het Doopsgezind Seminarium. De colleges theologie werden aan de universiteit gegeven, voor de colleges kerkgeschiedenis van professor Cramer moest Annie naar de bibliotheek van de Singelkerk. Ze zat, net als vele studenten voor haar, aan de lange eikenhouten tafel (waar de studenten hun naam in hadden gekrast) om de colleges te volgen. Vier keer per jaar moest zij, evenals haar medestudenten, het preken oefenen. Dit gebeurde op een doordeweekse middag. In de winter was het koud in de vrijwel lege Singelkerk. Vanaf de kansel werd de door de studente uit het hoofd geleerde preek voorgedragen, met als enige toehoorders de kouwelijk in zijn pelsjas weggedoken professor en wat medestudenten. In juni 1911 werd Annie Zernike tot proponent bevorderd. ‘Proponent’ wil zeggen afgestudeerd als predikant, maar zonder eigen gemeente. Na het beëindigen van haar studie werd Annie

83


predikante in De Knipe, een dorp in Friesland bij Heerenveen. De doopsgezinden waren in 1923 medeoprichters van de Centrale Commissie voor het Vrijzinnige Protestantisme. Deze commissie had tot doel het vrijzinnige gedachtegoed door woord en geschrift en via de ether te verspreiden. Daarom werd de Vrijzinnige Protestantse Radio Omroep (vpro) in 1926 opgericht. Op 29 mei van dat jaar was er een bestuursbijeenkomst van de Centrale Commissie in de Singelkerk, die na een schorsing van de voorzitter, professor De Graaff, uitmondde in de allereerste vergadering van de vpro. Om te kunnen uitbreiden waren 3000 leden nodig. Maar na een aantal maanden had men al meer dan 6000 leden. In het begin was er nog geen duidelijk beeld van wat de organisatie van een omroep allemaal met zich meebracht. Dit blijkt uit het feit dat professor De Graaff de ledenadministratie op orde hield met de hulp van een jong meisje dat lid was van zijn gemeente in Den Haag, en dat de eerste regelmatige uitzendingen van de vpro vanuit een klein kamertje op Singel 60 werden verzorgd. Later werden er diensten uitgezonden vanuit de doopsgezinde kerk in het Oosterpark. Al eeuwenlang was er in Nederland een onderstroom aanwezig van verdraagzaam religieus geïnspireerd geloven. Dit geloof was niet aan een specifiek kerkgenootschap verbonden. In het sterk verzuilde Nederland aan het begin van de 20e eeuw kreeg deze onderstroom een herkenbaar eigen geluid in de vpro. Het bestuur van deze omroep verwachtte de gehele linkerzijde van het volk te vertegenwoordigen, en in het bijzonder de vrijzinnigen, met als uitgangspunt dat ‘alle geloofsleven in den grond één is’. De doopsgezinde gemeente in Amsterdam ontwikkelde, naarmate haar ledental in de 19e eeuw toenam, een groot scala aan activiteiten. Zo werd in 1887 de Vereniging tot Steun van Verwaarloosden en Gevallenen opgericht. Voor de zorg in eigen kring werd in 1894 de doopsgezinde wijkverpleging in het leven geroepen. In het begin van de 20e eeuw zijn de doopsgezinden aan te treffen op veel maatschappelijke terreinen. Bijvoorbeeld de zorg voor ouderen, die onder de verantwoording viel van de Commissie Maatschappelijke Zorg der Verenigde Doopsgezinde Gemeente te Amsterdam. Daarvan is nog een voorbeeld te vinden op de Rozengracht in de Jordaan. In het Rijpenhofje, Rozengracht 116-126,

84


wonen tot op heden zowel doopsgezinde als niet-doopsgezinde ouderen uit de Jordaan. Het beheer over het Rijpenhofje is in handen van een aantal studenten, die er ook wonen. Het binnenplaatsje, de fontein en de rozenpergola geven nog een duidelijk tijdsbeeld van het begin van de 20e eeuw. In die periode werd besloten het Rijpenhofje, door Jan van de Rijp Centen in 1764 opgericht en aan het einde van de 19e eeuw sterk vervallen, te herbouwen in een moderne stijl. Het Rozenhofje, Rozengracht 101-105, dat in 1742 gebouwd werd op het voormalige terrein van het Doolhof, was bestemd voor oude vrouwen, waar bij collegianten voorrang kregen. Dit hofje wordt nog steeds bewoond door oudere dames. Vlak voor de wereldcrisis werd op 10 november 1928 de eerste steen gelegd voor het wijklokaal op Karperweg 5 in de toen nieuw gebouwde wijken 1 en 2, de Schinkelbuurt en de buurt bij de Stadionweg. Bij deze steenlegging sprak ds. Dijkman: ‘Dit wijkgebouw heeft de bestemming van de wijken 1 en 2 der verstrooiden (…) een verzamelplaats te bieden.’ Nu wordt de Karperweg niet langer gebruikt als ruimte waar men diensten houdt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) gingen onder enkele doopsgezinden ‘bedroefde zacht verwijtende stemmen op tegen het oorlogsgeweld’. In de Vereniging voor Gemeentedagen van Doopsgezinden besprak men kort na de Eerste Wereldoorlog thema’s die verband hielden met de doopsgezinde geloofsovertuiging. Een kleine groep doopsgezinden binnen de Gemeentedagbeweging (gdb) gaf de aanzet tot het oprichten van de Arbeidsgroep voor Weerloosheid in 1922. Weerloosheid (pacifisme) was een van de onderwerpen van de Gemeentedagen. In de 19e eeuw was er onder doopsgezinden weinig aandacht geweest voor het idee van weerloosheid. Dat wil zeggen, het verbod voor doopsgezinden om wapens te dragen en in overheidsdienst te gaan was verwaterd. Doopsgezinden waren in het leger gegaan bij de verdediging van het vaderland. In Amsterdam verenigden zich de doopsgezinden, die trouw wilde zijn aan het beginsel van weerloosheid. Op 12 december 1924 kwam de sub Arbeidsgroep Amsterdam voor het eerst bijeen. Ze vergaderden zowel in de Oosterparkkerk als aan het Meerpad in Amsterdam-Noord. De Arbeidsgroep ijverde voor een duidelijke regeling, waarin gewetensbezwaarden in Nederland een door de

85


grondwet vastgelegd recht op vrijstelling van militaire dienst hadden. Het bleek in de praktijk dat dienstweigeraars niet of onvoldoende werden voorgelicht wat betreft de mogelijkheid om vrijstelling te krijgen van militaire dienst. In bijeenkomsten in Amsterdam en Elspeet werden de morele kanten van het dienstweigeren besproken, zodat men de confrontatie met de beoordelingscommissie beter aankon. Rond 1930 zagen de doopsgezinden onder invloed van de veranderende wereldverhoudingen dat het niet alleen een taak was om zich in te zetten voor de wereldvrede en ontwapening. Men dacht als klein groepje van 60.000 zielen niet te zijn opgewassen tegen deze opdracht. Onafhankelijk van welke christelijke traditie ook, diende strijd te worden gevoerd voor een betere, vreedzame wereld. Dat betekende dat de Volkenbond, de voorloper van de Verenigde Naties, werd ondersteund in het streven een internationale rechtsorde af te dwingen. Dus hield de Sub Arbeidsgroep Amsterdam in deze periode voorlichtingsbijeenkomsten over de vredesidealen van de Volkenbond. Ook in het gezin werd er getracht om kinderen bewust te maken van het belang van wereldvrede. In 1936 werd in de Singelkerk in Amsterdam het Algemeen Congres van de Doopsgezinden gehouden. Op dit congres kwamen mennonieten bijeen uit een groot aantal landen, waaronder de Verenigde Staten, Duitsland, Zwitserland, Polen en Rusland. De rol van de doopsgezinden in elk afzonderlijk land kwam aan de orde. Het werd al snel duidelijk dat bijvoorbeeld de Amerikaanse mennonieten minder werelds waren dan de Nederlanders. De Nederlandse doopsgezinden bleken voor veel afgevaardigden wat hun geloofsleven betreft te veel verweven met de maatschappij. Vooral de Duitse doopsgezinden, die in een staat van dictatuur leefden, hadden zich teruggetrokken in hun persoonlijk geloofsleven. Het militarisme werd ‘aanvaard als een noodzakelijkheid ter afweer van het bolsjewisme’. Het was niet verwonderlijk dat het congres geen eensluidend standpunt kon uitbrengen over tal van zaken. In het najaar van 1939 raakte een groot deel van Europa onderling in oorlog. Engeland verklaarde de oorlog aan Duitsland na de aanval op Polen. In het mededelingenblad van de doopsgezinde gemeente in Amsterdam stond hierover op 14 september 1939 te lezen: ‘Wij hoopten dat dit afgrijselijk niet gebeuren zou

86


en de wereld bespaard zou blijven voor een oorlog die miljoenen kinderen van één Vader tegenover elkaar plaats als vijanden om elkaar te vernietigen.’ In Nederland werd gehoopt dat men in deze strijd niet betrokken zou raken. Toen de Duitsers Nederland toch aanvielen in mei 1940, waren ook in doperse kring doden te betreuren bij de verdediging van het land. Toen de omstandigheden tijdens de bezetting verslechterden, bleven de doopsgezinden doorgaan met het organiseren van kinderkampen, het bijwonen van vergaderingen en bijeenkomsten. Dit gebeurde onder de strenge maatregelen die de bezetter had opgelegd. Het instellen van de avondklok en het naleven van de verduisteringsvoorschriften leverde praktische problemen op. Vergaderingen werden in de middag georganiseerd. Zelfs de oudjaarsviering in de Singelkerk moest naar een eerder tijdstip worden verplaatst, omdat deze ruimte niet geheel verduisterd kon worden. De bestuurders van de Algemene Doopsgezinde Sociëteit (ads) wikten en wogen aan het begin van de bezetting: op welke manier moesten ze met de Duitse bezetting omgaan? In de Zondagsbode, het orgaan van de Doopsgezinde Broederschap, werd in een redactioneel artikel een afzijdige houding bepleit. Er waren onder doopsgezinden echter zowel nsb’ers als mensen die in het verzet zaten. Aanhangers van de nsb stonden op het standpunt dat de Broederschap ‘zich koest moest houden’. Het kwam hun goed uit dat in het artikel afzijdigheid werd bepleit. Daarentegen riep het artikel ergernis op bij negen predikanten, die vonden dat de Zondagsbode niet meer representatief was voor de ideeën die onder de Doopsgezinde Broederschap leefden over de bezetting. In Amsterdam-Noord liet predikant W.F. Golterman in zijn preken zelfs doorschemeren dat hij het handelen van de bezetter veroordeelde. Dit was risicovol, omdat het niet mogelijk was om een uitgesproken mening naar buiten te brengen. Dezelfde weifelende houding van de ads was zichtbaar bij de invoering van de persoonsbewijzen en het ondertekenen van loyaliteitsverklaringen van studenten. Men liet na samen met andere kerkgenootschappen te protesteren bij Rijkscommissaris SeyssInquart tegen de invoering van de persoonsbewijzen. Men was bevreesd voor represailles bij het niet ondertekenen, en onthield zich in het openbaar van protesteren.

87


Heimelijk gingen de colleges van het Doopsgezind Seminarium door, tentamens werden afgelegd, studenten waren ondergedoken en deden ondergronds werk. Een aantal studenten moest hiervoor met hun leven betalen. In de winter van 1944-1945 werden in de gang van de Singelkerk warme maaltijden verstrekt aan hongerige gemeenteleden. In de jaren vijftig, de tijd van de wederopbouw, verrezen de nieuwe tuinsteden in Amsterdam-West. In het hartje van tuinstad Slotermeer werd de doopsgezinde kerk De Olijftak gebouwd. In De Olijftak kwam een speciale ruimte voor verenigingswerk en de kinderkerk. Daarboven bevond zich de eigenlijke kerk, die ook als concertzaal gebruikt kon worden. Dit gebouw is momenteel in gebruik als moskee. In de jaren vlak na de oorlog begon men met een nieuw elan in de verwachting dat er zich nooit meer zulke verschrikkingen zouden voordoen als in de Tweede Wereldoorlog. In 1946, één jaar na de bevrijding, werd de Doopsgezinde Vredesgroep (dvg) opgericht. Dit was in zekere zin de voortzetting van de Arbeidsgroep tegen de Krijgsdienst. De dvg had individuele leden, maar ook verenigingen, zoals doopsgezinde gemeentes, konden zich aansluiten. Niet-doopsgezinden konden ook lid zijn. In haar streven naar vrede is de dvg een aantal keren van werkgebied veranderd. Tot aan de afschaffing van de militaire dienstplicht ondersteunde ze dienstweigeraars die een beroep deden op de Wet Gewetensbezwaren. Tijdens de Koude Oorlog werd contact gezocht met geloofsgenoten uit de ddr (het voormalige Oost-Duitsland). Samen met Kerk en Vrede ondernam de dvg ‘directe vredesactie’ in Bosnië. Door vrijwilligers die bemiddelden in oorlogsconflicten werd getracht de verschillende partijen bij elkaar te brengen. Na de Tweede Wereldoorlog werden verschillende Mennonite World Conferences gehouden. Dit waren grote bijeenkomsten, waar mennonieten uit de gehele wereld aan deelnamen: van Paraguay tot Japan, en van Zwitserland tot Zambia. Ook Nederlandse doopsgezinden waren daarbij vertegenwoordigd. Hun belangrijke historische betekenis in de geschiedenis van de mennonieten in aanmerking genomen, vormen ze momenteel nog maar een gering percentage, namelijk in 2000 1% (circa 12.000 leden) van de in totaal 1,2 miljoen doopsgezinden wereldwijd.

88


compendium Alfabetische lijst van vetgedrukte begrippen, personen, groeperingen uit de tekst, die nader verklaard en toegelicht worden. Behangselschilderingen en Jacob Cats

Het was gebruikelijk dat welgestelden huizen bezaten met woonvertrekken waarvan de wanden met goudleer, trijp of laken waren bekleed. Het was nog veel kostbaarder om de wanden van de belangrijkste kamers te laten beschilderen. In het midden van de 17e eeuw werden de beschilderde wanden, het plafond en de vloer als een geheel gezien. De beschilderde behangsels werden een onderdeel van de betimmering. De afbeeldingen op de behangsels stelden geĂŻdealiseerde, klassieke, zonovergoten Italiaanse landschappen voor. Deze schilderingen ontstonden onder invloed van de trek van kunstschilders naar ItaliĂŤ. In de werken van deze italianisanten worden elementen uit het Italiaanse landschap teruggevonden: rotsformaties, watervallen, ruĂŻnes, marmeren zuilen en antiek beeldhouwwerk. Op deze manier kon men in zijn eigen huis genieten van verre, vreemde uitzichten. In de loop van de 18e eeuw ontstond er een grotere aandacht voor het Nederlandse landschap. Dit zou te maken kunnen hebben met de behoefte het eigen vaderland en het roemruchte verleden in de 17e eeuw te gebruiken als voorbeeld. Jacob Cats verbeeldde in zijn behangselschilderingen het Hollandse landschap, zoals dat al sinds de 16e eeuw bekend en vertrouwd was. Dit type behangselschildering is nog steeds te zien in de zaal van Herengracht 310. De weduwe van Jan van Eeghen, die twee huizen van Gijsbrecht Antwerpen Verbrugge vandaan woonde, gaf Jacob Cats de opdracht de wanden van deze zaal in haar huis te decoreren. Cats maakte hier wandschilderingen van een Hollands rivierenlandschap. Belijdenisgeschrift het Olijftacxken

Een initiatief van een viertal Amsterdamse leraren van de Vlaamse richting in 1626, die door het maken van een belijdenis verzoening probeerden te bewerkstelligen met de Friezen. De belijde-

89


nis stelt de vraag wat de kenmerken moeten zijn van de ware gemeente. Deze verzoeningspoging mislukte, want het duurde tot 1639 voordat de Friezen, de Vlamingen en de Hoogduitsers gezamenlijk verdergingen. Blaeu, Willem Jansz. (1571-1638)

De oprichter van de firma Blaeu, Willem Jansz., was eigenlijk voorbestemd om op het kantoor van zijn oom C.P. Hoofd in de haringhandel te gaan werken. Maar zijn interesse ging meer uit naar wiskunde en astrologie. Willem Jansz. was in Denemarken enige tijd in de leer bij de beroemde sterrenkundige Tycho Brahe (1546-1601). In de werkplaats van Brahe maakte hij kennis met het vak van drukker, en bekwaamde hij zich in het maken van meetkundige instrumenten en kaarten. Vanaf 1605 werkte Willem Jansz. in Amsterdam, waar hij startte met zijn bedrijf. Hij baarde in 1606 groot opzien door een twee meter lang stadsprofiel van Amsterdam uit te brengen. Twee jaar later gaf hij Licht der Zeevaert uit. Met deze gids voor zeevarenden wilde Willem Jansz. het werk van vroegere zeekaartenmakers ‘suyveren ende verbeteren’. Hij maakte gebruik van de kennis van ‘stuerluyden, cloecke schippers ende welbedreven lootsluyden’ om de gids te vullen met betrouwbare informatie. In zijn bedrijf kwam de nadruk te liggen op uitgaven op het terrein van de cartografie en de zeevaartkunde. Willem Jansz. nam daarmee een unieke positie in. Om zich te onderscheiden van zijn concurrenten, die veelal ook op het Damrak hun winkel en drukkerij hadden, voegde hij Blaeu aan zijn naam Willem Jansz. toe. In 1632 kreeg Willem Jansz. Blaeude vrijgekomen functie van kaartenmaker bij de voc In de laatste vijf jaar van zijn leven maakte hij in dienst van de voc basiskaarten en instrumenten met steun van vier assistenten. De op perkament gemaakte kopieën van deze basiskaarten werden door de scheepslieden van de voc gebruikt op hun reizen naar de Oost. Veel van de informatie die de zeelieden van de voc verzamelden, werd door Willem Jansz. Blaeu verwerkt in de ‘geheime atlas’ van de compagnie. Helaas is van de kaarten uit deze atlas weinig bewaard gebleven. Clercq, Jacob de (1710-1777)

Jacob de Clercq, telg van een belangrijke doopsgezinde familie,

90


was directeur van de Oostersche Handel en Rederijen. Hij was koopman, maar ook actief in het verzekeren van schepen. Hij dreef handel in producten uit verschillende gebieden, zoals het Iberisch schiereiland en de Baltische steden. De Oostersche Handel en Rederijen hief sinds het begin van de 18e eeuw galjootsgeld: geld dat geïnd werd als schepen uit het Baltische zeegebied de haven van Amsterdam binnenliepen. Met dit geld kon de handelsvloot door galjoten (snel zeilende tweemasters) tegen kapers gewaarschuwd worden. Met zijn schoonzoon Abraham Fock vormde hij in 1760 de firma De Clercq & Zoon. De zaken gingen niet altijd voor de wind. Zo moest hij in 1760 zijn buiten Driemond, aan het Gein, verkopen. Daarnaast was hij vanaf 1739 enige tijd diaken van de toen samengevoegde doopsgezinde gemeentes Bij het Lam en Bij de Toren en deze positie bekleedde hij ook tussen 1749 en 1755. Hij was regent van het doopsgezinde weeshuis. En naast oprichter van de Maatschappij tot Redding van Drenkelingen was hij lid van het genootschap Concordia et Libertate. Het doel van dit genootschap was ‘het bevorderen van alle voorwerpen van geleerdheid, wetenschappen en kunsten’. Collegianten

Dit waren gelovigen die in gespreksbijeenkomsten (colleges) samenkwamen om over religie te spreken. In Warmond vond in 1619 de eerste bijeenkomst plaats. De remonstrantse predikant was afgezet en daarom besloot men voortaan met gelijkgezinden bijeen te komen zonder dat er een predikant aanwezig was. De collegianten waren wars van dogmatiek. Op hun bijeenkomsten konden de aanwezigen ervoor kiezen een stuk hardop voor te lezen uit de Bijbel, een gebed uit te spreken of te vermanen. Ze geloofden dat Christus de oorzaak was van hun zaligheid. Slechts een kleine groep remonstranten bezocht de colleges, voornamelijk kooplieden, artsen, predikanten, winkeliers, dichters en drukkers, en het is dus duidelijk dat vooral de gegoede burgerij en intellectuelen zich aangetrokken voelden tot deze vorm van geloofsbelijdenis. Vanaf 1640 waren er onder de aanhangers van de collegianten niet alleen remonstranten te vinden, maar ook een in aantal toenemende groep doopsgezinden. Galenus de Haan droeg de

91


ideeën van de collegianten in deze periode uit: een alles overstijgend christelijk geloof, waarbij de vrijheid van belijden en vrijheid van organisatie vooropstond. Eenieder kon vrij spreken over alle vragen van het geloof en wetenschap. Commissie tot de Buitenlandsche Nooden (1710)

Ondanks de verdeeldheid onder de verschillende doopsgezinde gemeentes in Amsterdam, werkte men broederlijk samen bij de ondersteuning van vervolgde geloofsgenoten in Danzig, Polen, Moravië en de Pfalz. De twee kemphanen Galenus en Apostool beraadslaagden samen met anderen over wat men kon doen voor de vervolgden. Zo werd in 1690 voor de broeders uit de Pfalz ruim 30.000 gulden opgehaald. Dit werk werd door de in 1710 opgerichte Commissie tot de Buitenlandsche Nooden voortgezet. Met het geld van deze commissie werden in 1711 en 1713 honderden geloofsgenoten uit Zwitserland in Nederland opgevangen. De Zwitsers waren voor een groot deel aanhangers van Jacob Amman, die veel later in de Verenigde Staten bekend werden onder de naam amish. De Zwitserse doopsgezinden die in het begin van de 18e eeuw in Nederland aankwamen, waren ronduit verbijsterd bij het zien van de overdadige rijkdom en welstand van hun geloofsgenoten. De doopsgezinde toneelschrijver Pieter Langendijk (1687-1756) schreef naar aanleiding van deze Zwitserse vluchtelingen in een satirisch pamflet, De Zwitserse Eenvoudigheid klaagende over de bedorvene zeden veeler Hollandsche doopsgezinden, of weerloze Christenen, in 1713: ‘deze boeren zien hoe dames in een kleed dat nauwelijks half de leden dekt, onbeschaamd ter kerke gaan, minder voor de preek, als om daar den minnaar toe te lonken’. Het merendeel van de Zwitserse dopers besloot niet in Nederland te blijven, maar naar Amerika te vertrekken, om daar op eenvoudige wijze hun bestaan op te bouwen. De overtocht vond plaats met schepen van de firma Hope & Co. Doopsgezinden, de economische elite met een buitenplaats

Veel doopsgezinde kooplieden waren in de 17e en 18e eeuw zo rijk, dat ze zich buitens konden veroorloven. Buitenplaatsen waren het symbool van status en rijkdom, terwijl dopers maatschappelijk

92


gezien nog steeds niet tot de regerende elite behoorden. Belangrijke doopsgezinde families als Van Lennep, De Neufville, De Flines en Rutgers behoorden wel tot de economische elite. Van hun eens zo sobere levensstijl en de naar binnen gekeerde levenshouding was soms weinig meer over. De bewoners verbleven doorgaans van mei tot oktober op de buitens. Hun gehele huishouding werd dan vanuit de stad naar de buitenplaats verplaatst. Deze buitens waren landelijk gelegen, in de duinstreek of aan het water. Aan de Vecht en het Gein waren zoveel hofsteden te vinden, dat deze ook wel de Menistenhemel en de kleine Menistenhemel werden genoemd. De buitens bestonden uit speciaal voor de welgestelden gebouwde landhuizen, die een monumentale stijl hadden. Bij de buitenplaats behoorde een tuin, die aangelegd was volgens een geometrisch patroon, waarbij zichtlijnen belangrijk waren. Daarnaast bevonden zich in de tuin vijvers, fonteinen en grachten. Ook vormden geschoren hagen binnen de tuin verschillende afgescheiden plekken. In de tuin kon men dikwijls een orangerie aantreffen. Hier werden in de winter de tropische planten bewaard. De mensen amuseerden zich met spelletjes in de orangerie, of men gebruikte dit gebouwtje voor het observeren van de gedragingen van de buren. Zo beschrijft de Zweedse geleerde Bengt Ferner in zijn reisdagboek in 1759 het huis en de tuin van Driemond, de buitenplaats aan het Gein van Jacob de Clercq (1710-1777), die in 1748 eigenaar geworden was van dit buitengoed. De doopsgezinde familie De Clercq, graanhandelaren, bezat drie generaties lang buitens aan het Gein. Ferner schreef in zijn reisdagboek: ‘Rondom de vijver waren zeer brede gangen en daaromheen sierlijke gebouwen, die deels dienden voor vogelkooien, deels voor mensen om naar de dieren te kijken, kaart te spelen, te triktrakken, enz (…)’ Van de huizen en de tuinen aan het Gein is niets meer over. De fontein van de buitenplaats Driemond is verplaatst naar de buitenplaats Frankendael, in de Watergraafsmeer. De beelden van de fontein stellen de stroomgoden Gein en Gaasp voor. De bezigheden op de buitens waren heel uiteenlopend. Er kon worden gejaagd, gevist op karpers in speciaal aangelegde vijvers, of zangvogels gevangen. Dit vangen van zangvogels gebeurde door middel van een vinkenbaan. De bekendste vinkenvanger en

93


kenner van zangvogels was Cornelis van Lennep, die het Huis te Manpad bewoonde, onder Heemstede. Bovendien bezaten deze rijke doopsgezinde kooplieden vaak een kunstkamer in hun woningen in de stad. Exotische goederen werden meegenomen door scheepslieden die verre zeeën bevoeren. Van hun reizen naar landen als Ceylon, China, Japan en Indonesië brachten zij, naast hun handelswaar, wonderlijke voorwerpen mee. Zo werden er nautilusschelpen, koralen en andere zeegewassen verhandeld. Ook brachten ze zaden, ivoren objecten, gedroogde preparaten van insecten, vlinders en zelfs levende of opgezette dieren naar Nederland. Deze voorwerpen werden aangekocht door rijke verzamelaars zoals Sijbrant Feitama (1620-1701) en Philips de Flines voor hun kunstkamer. Daarbij reikte hun belangstelling verder dan alleen het verzamelen van naturalia, ze bezaten ook tekeningen, prenten, antieke sculpturen en veel beeldhouwwerk van tijdgenoten. De doopsgezinde apotheker-koopman Sijbrant Feitama had in zijn apothekerswinkel een collectie ‘monsters’ (‘vreemdigheeën, die in mijn winkel zijn’). Bij apothekers waren naturalia te vinden die men als geneesmiddel gebruikte. Apothekers bezaten vaak een vergifkast, en in ladenkasten, potjes en flessen bewaarden zij enkelvoudige en samengestelde geneesmiddelen. Daarnaast verzamelde Feitama schilderijen, papierkunst, tekeningen en grafiek. Andere doopsgezinde verzamelaars waren Jan Volkertsz. (15781651), zijn zoon Volkert Jansz. (1605/1610-1681) en Philips de Flines (1620-1701). Galenus Abrahamsz. de Haan (1622-1706)

Geleyn Abrahamsz. werd in 1622 geboren in Zierikzee. Zijn grootvader van moederskant was Gillis van Aken, die in contact stond met Menno Simons en vanwege zijn dopers geloof in 1588 in Antwerpen ter dood werd gebracht. Hij studeerde medicijnen in Leiden en na zijn afstuderen veranderde hij zijn naam in Galenus, wat afgeleid is van het Latijnse woord gallus (haan). In 1648 werd Galenus verkozen tot leraar van de gemeente Bij het Lam. Dit was alleen mogelijk door zich te conformeren aan de formulering van de belijdenis in het Olijftacxken. Doordat hij in aanraking kwam met het denken van de collegianten ging hij twijfelen aan de volwassendoop, het avondmaal en de zin van de kerkgang.

94


Ondanks hevige twisten, waarbij een deel van de gemeente zich afscheidde, de Lammerenstrijd, bleef Galenus de Haan leraar van de doopsgezinde gemeente. Hij nam de wetenschappelijke vorming ter hand van doopsgezinde leraren en in 1680 werd Galenus benoemd tot professor aan de kweekschool van Bij het Lam. In de ogen van de aanhangers van Galenus was hij een charismatisch spreker, getuige de uitspraak van een tegenstander: ‘Want sy sijn soo op hem verzot, dat hij haar wel stinckend aes in plaats van muscus oft amber soude kunnen verkoopen als hij maer seyde, dat het amber was.’ Opmerkelijk is het feit dat Galenus zich bezighield met alchemie, de kunst om uit te vinden hoe goud gemaakt kon worden. Hij wilde hiermee niet zichzelf verrijken, maar de armen deelachtig laten worden aan de rijkdommen van de wereld. Een pamflet van de tegenstanders van Galenus de Haan was getiteld Het gekraay van een Sociniaanse haan onder de doopsgezinde vederen. Het was bedoeld om De Haan af te schilderen als een persoon die een leer verkondigde die uiterst verderfelijk was, zowel in de ogen van de publieke kerk, alsook voor een deel van de behoudende doopsgezinden. Heijden, Jan van der (1637-1712)

De doopsgezinde Jan van der Heijden laat in zijn belangrijkste publicatie zien hoe nuttig de slangbrandspuit kon zijn voor het blussen van branden. Met behulp van prenten in zijn Bardenboek toont hij op welke wijze het bluswater door middel van de brandspuitslang de brandhaard kon bereiken. Door het systeem dat Jan van der Heijden ontwikkeld had, was het mogelijk om te zorgen voor een ononderbroken waterstraal. Als stadsbrandmeester kon Jan van der Heijden zijn uitvinding in de loop van de tijd steeds meer verbeteren. Zo werd de slangbrandspuit standaarduitrusting op voc-schepen. In zijn boek bracht hij ook een van de grootste branden in Amsterdam ter sprake. Dit was de brand van 22 op 23 februari 1672 op het Blaeu Erf. Hier stond een van de drukkerijen van de firma Blaeu. Jan van der Heijden schreef in de volgende bewoordingen over de brand: ‘Verscheide achterhuisen verbrandden, nevens het gehele pand en winkelwaren. En verders deze groote Drukkery met al dat er in was wierd zodanig vernield, dat zelfs de kooperen plaa-

95


ten, in d’uiterste hoeken stande, als loot voor het vuur versmolten.’ De brand – Jan van der Heijden schatte de schade op 382.000 gulden – werd het begin van de ondergang van de firma Blaeu. Deze drukker verloor alle lettervormen, het klaargemaakte zetsel en de reeds bedrukte vellen papier van de Spaanse uitgave van de grote atlas. Jan van der Heijden was ook de bedenker van een plan voor straatverlichting in Amsterdam. Hij diende in 1660 een plan in tot verlichting der stad, waarbij lampen, brandend op raapolie, door De lantaarnmaker, gravure door Jan Luiken, uit zijn Spiegel van het Menselijk Bedrijf, 1718.

de gehele stad zouden komen te staan. Het plan werd enthousiast onthaald door het stadsbestuur. Er waren 2556 lantaarns nodig voor de verlichting van de stad. Holland Land Company

De Holland land Company was een investeringsmaatschappij met als doel aangekocht land in de Verenigde Staten te verkopen aan landverhuizers. De grond die bijvoorbeeld gekocht werd bij Lake Ontario was bedoeld om een nieuwe stad te stichten, Nieuw Amsterdam geheten (later de stad Buffalo). Het initiatief kwam voort uit het besluit van een aantal Amsterdamse firma’s, waaronder de firma Van Eeghen & Co., om in de Verenigde Staten geld te beleggen. Bij notarieel besluit werd in 1795 de firma aangewezen als directeur van de Holland Land

96


Company. Door tegenvallende opbrengsten (de verkoop van het land liep niet naar verwachting) werd de Holland Land Company in 1855 opgeheven. Het archief van de Holland Land Company wordt bewaard in het Stadsarchief van Amsterdam. Langendijk, Pieter (1683-1756)

Pieter Langendijk schreef in de 18e eeuw zedenkomedies en kluchten, waarin hij kritiek leverde op de maatschappij, naast huwelijksgedichten. Hij hekelde de luxueuze levensstijl van de Jan Claesz of de gewaande dienstmaagd, scène uit het komische stuk van Thomas Asselijn; prent naar een schilderij van door Cornelis Troost, 1738.

doopsgezinden in het satirische pamflet De Zwitserse Eenvoudigheid klaagende over de bedorvene zeden veeler Hollandsche doopsgezinden, of weerloze Christenen. De rijke bewoners van de Herengracht waren hem een doorn in het oog. Hij was afkomstig uit een doopsgezinde familie en raakte in zijn jeugd sterk beĂŻnvloed door de Quakers en hun afkeer van geweld. Hij wees in zijn stukken geweld af. Ook speelden in zijn toneelstukken vrouwen een belangrijke rol. Langendijk had veel contacten met doopsgezinden. Ondanks zijn kritiek op de weelderige levensstijl van rijke mensen schreef hij voor hen huwelijksgedichten. Bijvoorbeeld toen Catharina de Neufville in het huwelijk trad met Dirk Dirksz. van Lennep in 1716. Hoewel hij bekend is geworden door zijn literaire werk, verdiende hij zijn onderhoud in de linnenindustrie als tekenaar en patroonhandelaar. Op zijn sterf-

97


bed liet hij zich dopen. Hij is begraven in Haarlem, in de Nieuwe Kerk. Leeghwater, Jan Adriaansz. (1575-1650)

Jan Adriaansz. Leeghwater kwam naar Amsterdam in 1635 en had hier een timmerwerkplaats bij de Haarlemmerpoort. Hij werkte mee aan de bouw van het nieuwe stadhuis, de toren van de Nieuwe Kerk (die nooit voltooid is) en de Torensluis, oftewel de brug waarop de Jan Roodenpoortstoren zou komen te staan. Daarnaast kreeg hij de opdracht uurwerken te maken voor de torens van de Zuiderkerk en de Westerkerk. Dit speelwerk werd twintig jaar later vervangen door een klokkenspel, dat gegoten was door de gebroeders Hemony. Jan Adriaansz. Leeghwater was geboren in De Rijp. De Rijp was een plaats in Noord-Holland, waar veel doopsgezinden woonden. Als zoon van een molenbouwer heeft hij zelf ook verschillende typen molens ontworpen om polders leeg te malen. Het bekendste voorbeeld is de droogmakerij De Beemster. Hier werd Jan Adriaansz. als hoofduitvoerder aangesteld. Leeghwater werd gevraagd om plannen te ontwerpen voor droogmakerijen in Europa. Hoe vindingrijk Leeghwater was, blijkt uit zijn verslag van de ‘Water Consten’, een demonstratie van een duikerklok. Hij demonstreerde voor de ogen van prins Maurits de werking van dit toestel. In Amsterdam vertoonde hij zijn kunsten door geruime tijd (drie kwartier) onder water te blijven in de Boerenwetering ter hoogte van de Heiligeweg. In 1640 deed Leeghwater een voorstel om de Haarlemmermeer droog te malen. Door tegenstrijdige belangen van de steden die aan het meer lagen, konden de plannen niet ten uitvoer worden gebracht. Het voorstel beschreef hij in zijn werk Het HaarlemmerMeer-Boeck. Leyden, Jan Beukelsz. van (1509-1536)

Jan Beukselsz. van Leiden was door Jan Mathijsz. in Münster als zijn opvolger aangewezen. Jan van Leiden moest een uitleg vinden waarom het einde der tijden nog niet was aangebroken. Hij hield het erop dat de bevolking nog niet zuiver en heilig genoeg was. In juni 1535 viel na een nachtelijke aanval de stad Münster. Jan van Leiden en een aantal leiders werden gevangengenomen. Een jaar later werd hij berecht en ter dood gebracht. Zijn levenloze

98


lichaam werd, samen met twee van de lichamen van zijn medestanders, opgehangen in kooien aan de toren van de Lambertuskerk in Münster, die daar nu nog te zien zijn. Multatuli, Eduard Douwes Dekker 1820-1887

Multatuli werd als Eduard Douwes Dekker geboren in de Korsjespoortsteeg in Amsterdam in 1820. Hij was afkomstig uit een doopsgezinde familie. Zijn vader Engel Douwes Dekker liet zich in 1804 dopen in Bij het Lam. De oudste broer werd dominee. Van Eduard werd ook verwacht dat hij deze richting op zou gaan. Maar hij besloot naar Nederlands Oost-Indië te gaan. Onder het pseudoniem Multatuli stelde hij zijn ervaringen in Nederlands Oost-Indië als bestuurder na terugkeer in Europa te boek in romanvorm. In het beroemde Max Havelaar of de Koffij-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij schreef hij over de onderdrukking van de inheemse bevolking. De Max Havelaar is niet alleen een aanklacht, maar ook een poging zichzelf te rechtvaardigen met zijn kritiek op de koloniale samenleving. Hoewel hij was opgegroeid in een doopsgezind milieu, keerde hij zich hiervan volledig af en verwierp ten slotte elk geloof. Münster

In 1534 was de stad Münster in Westfalen de plaats waar militante wederdopers onder aanvoering van Jan Mathijsz. uit Haarlem de Apocalyps verwachtten. Tegen de achtergrond van de steeds duurder wordende broodprijzen en bierprijzen, de epidemieën en de overstromingen was er een situatie ontstaan waarin de heilsverwachting van de wederdopers velen aansprak. Münster was in deze tijd een bisschopsstad, waar de kooplieden zich wilden aansluiten bij de Reformatie. Toch werd de lutherse Reformatie in de stad door zowel een minderheid van lutheranen als de roomskatholieken om uiteenlopende redenen afgewezen. Hierdoor konden de uit Nederland afkomstige wederdopers in het ontstane machtsvacuüm springen. De bisschop, Franz von Waldeck, belegerde onmiddellijk de stad. Jan Mathijsz. beschouwde zichzelf tijdens het beleg als de oudtestamentische profeet Henoch die de Apocalyps had voorspeld. In het grootste vertrouwen dat de Dag des Oordeels ophanden was, reed hij, gezeten te paard, de landsknechten tegemoet.

99


Vanaf de stadsmuur zagen de burgers van Münster hoe hij door de belegeraars werd gedood en in stukken werd gehakt. Nationale Vergadering

Naam van de volksvertegenwoordiging tijdens de Bataafse Republiek (1796-1810) Deze verving na de komst van de Fransen de oude gewestelijke bestuursstructuur van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De volksvertegenwoordigers waren gekozen via een stelsel van getrapte verkiezingen. De Nationale Vergadering bestond in 1796 uit 126 leden en had tot taak een nieuwe grondwet op te stellen, met als doel een andere bestuursvorm van de Nederlandse staat. Hier waren grote meningsverschillen over. Moest Nederland een voortzetting worden van de Republiek, of een centraal geleide eenheidsstaat? Aan deze discussie kwam een einde door de met hulp van de Fransen gepleegde staatsgreep van 1798. Een Nationale Vergadering met daarin voorstanders van de centraal geleide staat nam in dat jaar een nieuwe grondwet aan, die de basis vormde voor onze huidige grondwet. Tijdens de Bataafse Republiek werd het Nederlandse volk vertegenwoordigd door representanten van alle geloofsrichtingen. Dit kwam tot uiting in de verdeling van de zetels in de centrale bestuurscolleges tussen 1796 en 1810. De verdeling was als volgt: 249 protestanten, 81 katholieken, 16 doopsgezinden, 9 lutheranen, 3 remonstranten, 3 joden en 1 oud-katholiek. Nieuwenhuijsen, Martinus (1759-1793) en de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen

Op 16 november 1784 vond in Edam een bijeenkomst plaats, waarin zes burgers van de stad de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen oprichtten. Jan Nieuwenhuijsen was met het voorstel gekomen om de opvoeding en het onderwijs van de jeugd uit de lagere maatschappelijke klasse ter hand te nemen. Zijn zoon, Martin Nieuwenhuijsen, werkte dat plan verder uit in een verhandeling uit 1788. Het was volgens Nieuwenhuijsen belangrijk dat elke burger zijn plaats wist in de maatschappij, vaderlandslievend was en gelovig. Daarom moesten ouders hun kinderen goed opvoeden. De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen kon daarbij de helpende hand bieden. Zo konden kinderen opgroeien tot zedelijke en redelijke mensen, die in harmonie leefden met hun omgeving.

100


’t Nut is als genootschap het meest bekend geworden door de Nutsscholen en de Nutsbibliotheken, die in het hele land gevestigd waren. De Maatschappij oefende twee eeuwen lang grote invloed uit op de inrichting van het openbaar onderwijs en stelde bibliotheken open voor de gewone man. Deze instellingen waren behalve in de steden ook te vinden in de kleinste dorpjes. Daarnaast heeft ’t Nut een grote bijdrage geleverd aan de algemene ontwikkeling van minder welgestelden, door lezingen te organiseren en bijeenkomsten te houden. Remonstranten

Tussen 1600 en 1621 kwamen de interne spanningen in de Republiek der Verenigde Nederlanden aan de oppervlakte. Het ging daarbij om een godsdienstig conflict: de uitverkiezing, de predestinatie. Wie behoorden tot de uitverkorenen, zij die na hun dood de hemel zouden verdienen? Twee partijen stonden lijnrecht tegenover elkaar. Arminius (1560-1609) vond dat ieder mens een vrije wil had en verantwoordelijk was voor zijn eigen zielenheil in deze zondige wereld. In de door zijn volgelingen aan de StatenGeneraal gerichte protestbrief, de Remonstrantie genaamd, werd overheidssteun gevraagd voor een brede staatskerk. De volgelingen van Arminius kregen, naar deze protestbrief, de naam remonstranten. De tegenstander van Arminius was Gomaris. Bij Gomaris (1553-1641) stond een precieze definiĂŤring van het geloof centraal. De mens was in zijn ogen besmet met de erfzonde en alleen God oordeelde over de vraag wie er later in de hemel zou komen. In de brief die de Gomaristen schreven, gericht tegen de Remonstrantie, de Contra-Remonstrantie geheten, verwoordden zij de opvatting dat andersdenkenden niet binnen de Protestante Kerk hoorden. In de Nationale Synode te Dordrecht werd de strenge orthodoxe leer van Calvijn aangenomen. Remonstranten werden fel veroordeeld. Tweehonderd remonstrantsgezinde predikanten werden afgezet en uit de Kerk verwijderd. Onder leiding van Uytenbogardt sloot men zich in 1619 in Antwerpen aaneen tot de Remonstrantse Broederschap. Geleidelijk slaagden zij erin zich weer in de Republiek te vestigen. In Amsterdam kochten leden van de Remonstrantse Gemeente een pand op de Keizersgracht, nummer

101


102, waar ze op het achterterrein een houten kerk bouwden, die gebruikt werd als schuilkerk. Op deze plek is nu, in het voormalige kerkgebouw, cultuurcentrum De Rode Hoed. In 1634 stichtten de remonstranten een seminarium. In de tweede helft van de 19e eeuw kreeg de Broederschap een vrijzinnig karakter. Socinianen

Aanhangers van Faustus Socinus (1543-1604). Socinus formuleerde een antitrinitarische leer en geloofde niet dat Jezus Christus goddelijk was geweest. Het bestaan van de Heilige Geest werd ontkend. Het lijden van Christus moest niet uitgelegd worden als de verlossing van het kwade. De morele consequentie hiervan was dat de mens zelf beslissingen moest nemen in kwesties van goed en kwaad. Het socinianisme was daardoor aantrekkelijk voor collegianten en doopsgezinden. Teylers Godgeleerd Genootschap in Haarlem, het Teylers Museum

De rijke doopsgezinde Haarlemse textielfabrikant (voornamelijk zijdeindustrie) Pieter Teyler van der Hulst (1702-1778) had in de jaren dertig van de 18e eeuw plannen om een maatschappij op te richten ter bevordering van de studie van de godgeleerdheid en de natuurwetenschappen. Jammer genoeg slaagde hij er niet in om een dergelijk genootschap op te richten tijdens zijn leven. Na zijn dood liet hij bijna al zijn geld na aan een stichting, die de plannen moest uitvoeren. Er werden twee genootschappen opgericht. Teylers Godgeleerd Genootschap diende godsdienstige vragen te onderzoeken, terwijl Teylers Tweede Genootschap moest aanzetten tot onderzoek van kunsten en wetenschappen. Daarom werd in 1784 het Teylers Museum opgericht, met daarin verzamelingen van natuurkundige instrumenten, archeologische objecten, schilderijen en munten. Dit is nu het oudste museum van Nederland. Verlichtingsgenootschappen

De bekendste genootschappen zijn Felix Merites (Gelukkig door Verdienste), de Maatschappij tot Redding van Drenkelingen, de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen en het Teylers Godgeleerd Genootschap. Ook bekend is de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen (opgericht in 1752). Evenals de Maatschappij

102


tot Redding van Drenkelingen bestaan ’t Nut en de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen nog steeds. De oprichters behoorden meestal tot kerkelijke groeperingen die geen deel uitmaakten van de publieke kerk. Tussen 1748 en 1794 waren er in Amsterdam onder genootschapsbestuurders meer doopsgezinden en remonstranten te vinden dan op grond van hun getalsmatige aandeel in de bevolking verwacht kon worden. De bestuurders van de verschillende genootschappen waren ook vaak lid van meerdere sociëteiten. De genootschappen hielden regelmatig bijeenkomsten, waar over wetenschappelijke en godsdienstige onderwerpen werd gesproken. Ook waren er literaire en tekengenootschappen. Een belangrijke activiteit was het uitschrijven van prijsvragen. Dit hield in dat er verhandelingen geschreven dienden te worden over uiteenlopende onderwerpen; bijvoorbeeld ‘de verdorvenheid der natuur door de zonde’, een theologisch onderwerp, maar ook over politieke onderwerpen werd geschreven, zoals ‘het karakter van Machiavelli, zoals dat tot uitdrukking komt in zijn geschriften’. Binnen de genootschappen werden de ideeën van de patriotten aangehangen. Daarom werd ook veel gedebatteerd over de maatschappelijke veranderingen, die noodzakelijk waren om de slechte economische toestand te verbeteren. Vlamingen en de verschillende groeperingen onder de dopers

Deze groeperingen werden meestal genoemd naar de streek waar zij vandaan kwamen. De Friezen kwamen bijeen in de Bloemstraat. De Waterlanders kerkten bij de Jan Roodenpoortstoren, hun vermaning werd aangeduid met Bij de Toren. De Vlamingen maakten gebruik van de door Van Warendorp gestichte vermaning Bij het Lam. De Vlamingen, de Friezen en de Hoogduitsers verschilden onderling over de meer of minder rigide uitleg van de ban, de echtmijding en de juiste levenswandel. De Waterlanders waren het meest gematigd en gingen het snelst op in de heersende maatschappij. Ze beschouwden zich niet als aanhangers van Menno Simons. De Friese doopsgezinden en de afsplitsingen daarvan, waaronder de Jan Jacobsgezinden in de Bloemstraat, waren het meest rigide.

103


Zonder vlek of rimpel

Na de gewelddadige gebeurtenissen van M端nster en de naaktloperij in Amsterdam kwam een deel van de wederdopers tot de overtuiging dat afgezien moest worden van geweld. Zij keerden zich af van de wereld die hen omringde en richtten zich op hun eigen groep. In de eigen gemeente, waar men elkaar als broeders en zusters beschouwde, wilde men zonder zonden leven. Een leven zonder vlek of rimpel. Een door de Bijbel bepaald geloof zoals dat ook tot uitdrukking kwam in de eerste vroegchristelijke gemeentes werd als uitgangspunt genomen voor een eigen geloofsbegrip. Een geloof zonder de juiste levenswandel was een dood geloof. Dit stelde eisen aan de doperse gemeente en de individuen die daar deel van uitmaakten. De broeders en zusters volgden hun eigen geweten en waren verantwoordelijk voor hun eigen handelen, gebaseerd op het Nieuwe Testament. Alleen als volwassene kon men hier bewust voor kiezen, door het ondergaan van de volwassendoop en het afleggen van een belijdenis. De zuiverheid van de gemeente werd streng bewaakt. Men mocht niet in overheidsdienst treden, geen eed afleggen en geen wapens dragen (het principe van weerloosheid). Als iemand afweek in denken en doen, en in veel gevallen gebeurde dat, kon een ban worden uitgesproken. Men werd dan uit de geloofsgemeenschap verwijderd en mocht geen omgang meer hebben met zijn of haar huwelijkspartner, de echtmijding. Zijdenijverheid

Met de komst van grote groepen vluchtelingen uit de Zuidelijke Nederlanden maakte de nijverheid, in het bijzonder de zijdenijverheid en de zijdehandel, in de steden van de Republiek een sterke ontwikkeling door. Voor de Val van Antwerpen, in 1585, waren al meer dan 50.000 Vlamingen en Brabanders vanwege politieke, religieuze en economische redenen naar het noorden gekomen. In Amsterdam was de grootvader van Philips de Flines, Gilbert de Flines (1545-1610) een van hen. Hij was in 1583 naar Amsterdam gekomen, waar hij als eerste een zijdeweverij oprichtte, in een huis op het Rokin. Gilbert woonde zelf in de Warmoesstraat, op nummer 90. Daar is in zijn huis achter de lambrisering een paneeltje aangetroffen van een bedstededeur, beschilderd met een voorstelling van een Italiaanse zijdehaspelmolen. Op deze afbeel-

104


ding is te zien hoe de cocons van de zijderups worden afgewikkeld tot een zijden draad, waarbij de verschillende dunne draden uiteindelijk tot één dikke draad worden gevormd. Dit paneel in het huis van Gilbert de Flines geeft aan hoe belangrijk de zijdenijverheid voor zijn levensonderhoud was. In de eerste helft van de 17e eeuw bloeide de zijdenijverheid in Amsterdam. Dit was mogelijk dankzij de expertise van de vluchtelingen uit het zuiden. Voor de zijde-industrie liet de stad in 1650 de Zijdehal bouwen, op de Groenburgwal. Hier werd door de hoofdmannen zowel de ruwe als de fijne zijde gewogen en gekeurd. De zijdelakenhandel en zijdenijverheid was in handen van doopsgezinde families. Zo had Jacob van Lennep (1631-1704) een zijdefabriek en was hij in 1688 hoofdman van de zijdehal. Zijn zijdefabriek was een plaats waar ‘alle soorte van geblomde, coleur en swarte zijden lakenen’ in 1683 werden gemaakt. Andere doopsgezinde families waren De Neufville, De Flines, Bierens, Rutgers, Wolff en Roeters. De rivaliteit tussen de verschillende families was groot. Dit leidde tot conflicten. Een 18eeeuwse vorm van bedrijfsspionage deed zich voor toen de zijdefabrikant Jacob Georg Roeters (1679-1762) het gebloemde fluweel namaakte van de firma De Neufville. Een van de wevers van De Neufville, die het patroon goed kende, was door Roeters in dienst genomen. Hieruit ontstond een conflict. Begin 18e eeuw, was de zijdeindustrie in Amsterdam door concurrentie met de Franse zijdefabricage eigenlijk al onrendabel geworden. De stad Amsterdam had de zijdenijverheid steeds financieel ondersteund. Zo richtte ze in 1682 het Stadszijdewindhuis op, om goedkope arbeidskrachten te leveren voor de teruglopende zijdeindustrie. Het ging daarbij om een paar honderd meisjes tussen zeven en twaalf jaar, die wees waren en tewerkgesteld werden als zijdewindsters. Het Zijdewindhuis werd als opvang van armlastige meisjes in 1829 opgeheven. Uit archeologische vondsten blijkt dat zijde door zowel rijk als arm werd gedragen. Rijke mannen hulden zich in zijden broeken, kousen en wambuizen. Rijke vrouwen droegen zijden rokken en lijfjes die met strikken en linten waren verfraaid. De armen gebruikten zijde voornamelijk voor sluitingen en ter versiering van hun eenvoudige kleding.

105


verder lezen • Buininger, Carole, Amsterdam 365 stadsgezichten, Bussum Thoth/Amsterdams Historisch Museum 2008. • Hageman, Mariëlle, Amsterdam 366 dagen, Bussum Thoth/Stadsarchief Amsterdam 2006. • Mak, Geert, De Engel van Amsterdam, Amstel uitgeverij, 2007. • Mak, Geert, Kleine geschiedenis van Amsterdam, Amsterdam Atlas 2009. • Roegholt, Richter, De geschiedenis van Amsterdam in vogelvlucht, Amersfoort Bekking & Blitz 2006. • Rooy, Piet de & Emma Los redactie, De Canon van Amsterdam, Amsterdam Boom 2009. De volgende drie titels zijn verkrijgbaar bij de ADS, Singel 454, 020 - 6230914 • Groenveld, Simon Wederdopers, Menisten, Doopsgezinden in Nederland 1530-1980, Zuthpen Walburgpers 1993. • Voolstra, Anna en Piet Visser, Macht een minderheid. De geschiedenis van de Doopsgezinden in Nederland 1530-2000, Kracht van een minderheid, Zoetemeer Meinema 2011. • Voolstra, Anna e.a., Vijf eeuwen doopsgezinden in Nederland, tentoonstellingscatalogus, Amsterdam DHK 2011.

106


18

16

17

15

12

11

14

5

10 13 9 8

6

7

3

2

1

4

WANDELING 2 1 ) Beursplein en Damrak tegenover de Zoutsteeg 2 ) Zoutsteeg 3 ) Gravenstraat, Eggertstraat, de Dam

4 ) Mozes-en-Ă„aronstraat 5 ) Spuistraat (O.Z. Achterburgwal) 6 ) brug over het Singel bij de Torensteeg

7 8 9 10

) ) ) )

Herengracht 197 Herengracht 164 Herengracht 162 Herengracht Bergstraat en Oude Leliestraat

11 )

Leliegracht tussen Keizersgracht en Prinsengracht 12 ) Leliegracht 49 13 ) Bloemgracht, oneven zijde 14 ) 2e Leliedwarsstraat 76

15 ) hoek Egelantiersgracht/3e Egel.dwarsstraat 16 ) Westerstraat 353-381 17 ) 1e Egelantiersdwarsstraat 3 18 ) Prinsengracht 159-171


Achter het rijtje huizen op Singelgracht 454, voorbij de Bloemenmarkt, is de kerk van de doopsgezinden in Amsterdam. In de oude binnenstad zijn veel plaatsen die de geschiedenis vertellen van de Amsterdamse dopers. Aan de hand van twee wandelingen wordt zichtbaar hoe een kleine groep vijfhonderd jaar lang op veel verschillende manieren een bijdrage leverde aan de rijke cultuur van de stad Amsterdam. Op de meest onverwachte plekken komt u in aanraking met de bijzondere wereld van de doopsgezinden.

Wietskenel de Jong (docent drama en regisseur) werkte mee aan tentoonstellingen in het Geelvinck Museum over porselein en fonteinen en publiceerde over de keukens van het Bijbels Museum. Johan Pennings (historicus) was bij verschillende Amsterdamse musea werkzaam en organiseert historische wandelingen door Amsterdam.


Het Dopers Wandelboek