Issuu on Google+

Het vergeten korps


2

CREEËREN VAN EEN MODERNE SOLDAAT


3


4

titel en hoofdstuk


5

Het vergeten korps De geschiedenis van de Koloniale Reserve CLEMENS VERHOEVEN

Vantilt | fragma


6

Colofon

ISBN 978 90 814500 3 4 © 2012 Uitgeverij Vantilt | fragma, Nijmegen © 2012 Clemens Verhoeven, Nijmegen Boekverzorging Wunderbar/Raphaela Puhl, Nijmegen Beeldrestauratie en lithografie Stef Verstraaten, Nijmegen Beeldredactie en samenstelling Froukje van Dooren, Stef Verstraaten, Nijmegen Niets uit deze uitgave mag worden ver­ menig­­vuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, ­microfilm of op welke ander wijze ook, zonder vooraf­gaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Omslagillustratie Een detachement van de ­­Koloniale ­Reserve gaat aan boord van m.s. Johan van ­Oldenbarnevelt, 1935. Legermuseum Delft 2 - 3 Locatie onbekend, 1908. Soldaten van de Koloniale Reserve in gevechtsopstelling. Legermuseum Delft

het vergeten korps


7

Inhoud 10 Inleiding 16 Nederland als koloniale macht in de Oost 28 De verdediging van de koloniĂŤn 40

Een leger voor IndiĂŤ

56 Een nieuw keurkorps 70 Werving en opleiding 116 Vorming van het kader 134 Marcheren voor het vaderland 176 Een uitgesteld feest 196

De reis naar IndiĂŤ

226

Terug in Nederland

248

Verder lezen en kijken


8

CREEËREN VAN EEN MODERNE SOLDAAT


9


10

Inleiding

titel en hoofdstuk


11

In de zeventiende en achttiende eeuw bouwde het ­nietige Nederland – het land telde in 1700 nog geen twee miljoen inwoners – een verbazingwekkend groot koloniaal rijk op, dat zich uitstrekte over vier ­continenten. Vooral door het bezit van de Indische ­archipel was Nederland – na Groot-Brittannië en Frankrijk – destijds de derde koloniale macht ter ­wereld. Aan het begin van de twintigste eeuw verleende Indië aan Nederland nog steeds een status die nauwelijks werd gerechtvaardigd door het eigen ­inwonertal, land­oppervlak of nationaal product. Iedere Nederlander was doordrongen van het belang van ‘de Oost’. Algemeen leefde het idee dat het moederland zonder koloniën zou verpauperen en ­binnen de Europese verhoudingen zou marginali­seren, met alle gevolgen van dien. Indië was voor Nederland een wingewest, een expansievat én een garantie voor de nationale onafhankelijkheid. De ‘Gordel van ­Smaragd’ moest behouden blijven: ‘Indië verloren, rampspoed geboren’ was heel lang een gevleugelde uitdrukking. Om het verre bezit te beschermen tegen buitenlandse concurrenten en plaatselijke onruststokers, richtte het gloednieuwe Koninkrijk der Nederlanden in 1830 een speciale troepenmacht op, die vanaf 1836 offi­cieel het Koninklijk Nederlands-Indisch ­Leger (knil) zou heten. Dit leger viel niet onder het ­ministerie van Oorlog, maar onder het ministerie van ­Koloniën. Dat was een belangrijk verschil. Het ­ministerie van Oorlog kon dienstplichtigen ­oproepen, het ministerie van Koloniën niet. Nederlandse ­jongens konden dus niet worden gedwongen in Indië te ­vechten. De Grondwet verbood hun inzet nadruk-

8 - 9 Prentbriefkaart, jaren 1910. De Koloniale Reserve met de ­karakteristieke ‘helmhoeden’

kelijk. Het Indisch Leger was daarom een beroepsleger, samengesteld uit Europese, West-Afrikaanse en ­inheemse vrijwilligers, onder aanvoering van ­Europese officieren. Het knil was ook belast met de verdediging van de Nederlandse belangen in de West, maar deze taak valt buiten het bereik van dit boek. Vanwege de grote afstand en de moeizame ­verbin­dingen opereerde het knil, zeker in de negentiende eeuw, vrij onafhankelijk van het moederland. Toch speelde Nederland natuurlijk een grote rol bij de ­organisatie van de Indische strijdkrachten. Om te beginnen werden de belangrijke beslissingen in ­Nederland en door Nederlanders genomen. Bijna alle offi­cieren, ­veruit de meeste onderofficieren en een ­belangrijk deel van de manschappen waren ­Euro­peanen. Dat betekent overigens niet dat ze ­Neder­landers waren, vooral niet in de negentiende eeuw. Omdat er in Indië vaak hevig werd gevochten en het leven in de Oost voor Europese militairen erg zwaar was, bleef er voortdurend behoefte aan aanvullingstroepen. De nodige manschappen werden geworven, geselecteerd, ‘afgericht’ en verscheept via de Nederlandse thuisbasis van het knil. Dat was het ­Koloniaal Werfdepot in Harderwijk, en vanaf 1890 de Koloniale Reserve in Nijmegen. De relatie van Nederland met de koloniale militairen beperkte zich uiteraard niet tot de werving en selectie. De knil’ers die Indië overleefden, keerden meestal terug naar Nederland. De Koloniale Reserve droeg zorg voor de eerste opvang van alle verlofgangers, afzwaaiers en veteranen, en hield zich daarom ook bezig met werk­ voorziening, zieken-, gehandicapten- en ouderenzorg.


12

De belangrijkste instellingen van het knil in ­Nederland waren gevestigd in de provincie Gelderland. Het ging daarbij om het militaire hoofdkwartier inclusief wervingskantoor (Harderwijk, later ­Nijmegen), de ­militaire hospitalen, gespecialiseerd in tropische en venerische ziektes (Harderwijk, Zutphen, ­Nijmegen), de opvang van verlofgangers (Harderwijk, Nijmegen), de veteranen- en gehandicaptenopvang ­(Arnhem, P ­ utten, Nijmegen), de werkvoorziening voor ­veteranen (­ Nijmegen) en – al sinds 1863 – een ­museum (Arnhem). In de omgeving van deze ­plaatsen, aan de randen van de Veluwe, in de IJsselstreek en in het Rijk van Nijmegen, vestigden zich veel veteranen uit Indië. In de twintigste eeuw was ­Nijmegen na Den Haag de belangrijkste ‘Indische’ stad van Nederland. Naast de genoemde Gelderse steden hadden nog andere plaatsen een koloniaal-militair tintje: Breda (kma), Alkmaar (Cadettenschool) en Kampen ­(instruc­tie­bataljon) boden kaderopleidingen voor het knil. Veel Nederlandse steden en stadjes hadden op enig moment een werfkantoor voor dienstneming in Indië. Koloniale (oud)militairen waren meer dan een eeuw lang opvallend aanwezig in Nederland, en voor­­al in Gelderland. Door hun uiterlijk en hun ­on­aangepaste gedrag waren ze goed herkenbaar. D ­ e ‘kolonialen’ ­werden lang niet altijd gewaardeerd; de burgerbevolking stond wantrouwend tegenover zowel de proefgangers (rekruten) als de verlofgangers en de veteranen. Zo raakten veel Oostgangers geïsoleerd – ze bleven steken in hun eigen kring en hun eigen hebbelijkheden, en vormden een fremdkörper in eigen land. Pas tegen het einde van het Nederlandse ­koloniale avontuur was er een kentering merkbaar en begon de reputatie van de koloniale militairen te verbeteren. Na de Tweede Wereldoorlog was de internationale situatie dusdanig veranderd dat Nederland afstand moest doen van Indië, al ging dat allerminst van harte. Door de moeizame dekolonisatie en het rauwe op­ treden van het Nederlandse leger, kreeg de reputatie

inleiding

van het knil opnieuw een flinke knauw. In de jaren die volgden werd Nederland niet graag herinnerd aan die pijnlijke periode. Daarmee raakte ook de Koloniale Reserve, het ‘Europese aspect’ van het koloniale leger, in de vergetelheid. In het begin van de eenentwintigste eeuw is er ineens weer veel belangstelling voor Indië, het (de)­ kolonisatie­proces en het knil. Daarbij wordt vaak uit het oog verloren dat een belangrijk hoofdstuk van deze ­geschiedenis zich in Nederland afspeelde. Het ver­geten korps wil dit verwaarloosde chapiter terug­ brengen in ons collectief geheugen.


68

titel en hoofdstuk


69

Werving en opleiding


70

68 - 69 Prentbriefkaart, jaren 1910. Overzicht van de verschillende tenues op een prentbriefkaart uit de serie ‘Koloniale Reserve’ 70 Poster, 1912. 71 Poster, 1909. Om in de grote behoefte aan nieuwe soldaten te kunnen voorzien, benutte de Koloniale Reserve alle beschikbare reclametechnieken om vrijwilligers te werven

werving en opleiding


71


72

74 links Advertentie uit de 足Katholieke Illustratie, 15 juni 1939 74 rechts De Prins, 20 augustus 1938 75 Katholieke Illustratie, 15 juni 1939

werving en opleiding


74

titel en hoofdstuk


75

76 - 77 Harderwijk, circa 1900. De Oranje Gelderlandkazerne


78

werving en opleiding


79

78 - 79 Nijmegen, circa 1900. De binnenplaats van de Waalkazerne


78

80 Nijmegen, 1927. Toegangspoort van het hoofdgebouw van de Prins Hendrikkazerne

werving en opleiding


79


80

werving en opleiding


81

82 - 83 Nijmegen, 1934. Keuring voor toelating proef足verband in het ziekenhuis van de Koloniale Reserve In het streven het imago van de Indi谷足 gangers te verbeteren, werden steeds hogere eisen gesteld aan de vrijwilligers. En niet alleen bij de aanmelding; 足gedurende de gehele opleiding werden ondermaats presterende proefgangers onmiddellijk naar huis gestuurd


114

titel en hoofdstuk


115

Vorming van het kader


116

Van Tiel naar Kampen In de negentiende eeuw was Harderwijk de plaats waar militairen voor Indië werden samengebracht. In het begin van de twintigste eeuw nam Nijmegen die rol over. Ook Zutphen was rond 1900 een stad met een duidelijke ‘Indische’ identiteit, vanwege het grote koloniale herstellingsoord in de binnenstad. Maar nog meer Gelderse steden en stadjes hadden voor korte of langere tijd een band met het koloniale leger, zoals Velp, Tiel en Putten. En nipt buiten de grenzen van Gelderland lag de Overijsselse plaats Kampen. Net als Harderwijk was Kampen een stilgevallen Hanzestad en net als in Harderwijk zocht het gemeentebestuur zijn heil in het binnenhalen van een garnizoen. In 1815 was het zover: Kampen werd de thuisbasis van een infanteriebataljon. Bij gelegenheid van de Belgische Opstand in 1830 werd dit bataljon echter naar het zuiden gedirigeerd. Een depotbataljon, belast met de opvang en instructie van de nieuwe rekruten, kwam ervoor in de plaats. In 1835 marcheerde bovendien een bijzondere eenheid Kampen binnen: de Jagers van Cleerens. In het heetst van de Belgische Opstand, in 1831, werd het Korps Jagers van Cleerens opgericht als onderdeel van het Indisch Leger. In 1832 werd een afdeling cavalerie toegevoegd. ‘Jagers’ ­waren lichtbewapende infanteristen, die werden ingezet als verkenners en scherpschutters. Van oorsprong werden zij geworven onder mannen die goed met wapens konden omgaan, zoals jagers en houtvesters. Deze achtergrond kwam ook tot uiting in hun uniformen (mosgroen met zwartleren accenten), hun muziek en hun insignes (jachthoorns) en hun bewapening (buksen). Het Korps Jagers van Cleerens bestond uit mannen die tijdens de Java-oorlog hadden gevochten onder de commandant en naamgever van het korps, de Waalse Nederlander Jean Baptiste Cleerens, een veel gedecoreerde oorlogsheld. Zijn eenheid had niet voldoende mankracht. Het korps opende daarom een werfdepot in Tiel, dat deserteurs uit de Zuidelijke Nederlanden opnam. De Jagers hadden in Tiel een ongewoon onder­komen: de laatmiddeleeuwse Sint Caeciliakapel aan de Kerkstraat. Ie-

116 - 117 Breda, jaren 1930. Een deel van de cadetten van de kma was voorbestemd voor Indië

vorming van het kader

dere Nederlandse militair aan het Belgische front wist dat Franstalige overlopers onmiddellijk doorgestuurd moesten worden naar Tiel. Om loyaliteitsproblemen te voorkomen, werden de Jagers van Cleerens niet ingezet tegen de Belgische opstandelingen, maar voorbereid op dienst in Indië. Tiel was trots op de Jagers. Hun uniformen maakten in de ogen van hun tijdge­noten een ‘moderne’ indruk. In zijn autobiografie schrijft de patriot Adriaan van der Willigen over zijn bezoek aan Tiel in 1834: ‘Het Korps Jagers van Cleerens, bestaande uit Belgische deserteurs, was inderdaad bijzonder fraai. Het bestond uit 500 man infanterie en 50 man cavalerie. […] Door de inge­zetenen werd het gedrag van dit volk geroemd, behalve ten aanzien van de ­kuisheid.’ In 1835 verhuisde het werfdepot van de Jagers van Tiel naar Kampen, waar het zeer welkom was vanwege de nering en het vermaak: de Jagers waren gezellige drinkers en vrolijke muzikanten. Met enige regelmaat vertrokken uit Kampen contingenten Jagers naar Salatiga, hun basis op Midden-Java. Onder hen was luitenant Jan van Swieten, oorlogsheld, politicus, ­publicist, generaal en commandant van het Nederlands-Indisch Leger. De transporten hadden een vaste routine ­moeten worden, maar helaas voor Kampen was het gauw uit met de pret. De vrijwilligerskorpsen ‘op naam’ waren niet meer van die tijd. In 1839 ­verkaste een deel van het Korps Jagers van Cleerens via ­Harderwijk naar Indië, waar het werd opgenomen in het knil. De rest van de eenheid, de groep die niet naar Indië wilde, werd geleidelijk ontbonden. Om daarbij geen zwervende soldatenbende te creëren, werden er per dag maar twee man gepasporteerd (van papieren voorzien en ontslagen uit dienst). De Kamper Courant betreurde het verlies aan ‘[…] fraaie ­hoornmuziek, aan het gezellige verkeer met heren ­Officieren en ten slotte aan de algemene levendigheid’.

Kampen De vorming van een competent en betrouwbaar ­middenkader is een cruciale opgave voor iedere


117

­ rijgsmacht. Na de Franse overheersing kregen alle k achttien afdelingen van de Nederlandse infanterie een ‘schoolcompagnie’. Daar kregen ‘de meest geschikte elementen’ extra onderricht. In de praktijk bleek dit niet de goede manier om de gewenste eenheid in opleiding te bereiken. Na wat minder geslaagde experimenten besloot men de beste kandidaten uit de verschillende regimenten samen te brengen in een speciaal instructiebataljon. Dit bataljon kreeg de taak jongens van 16 tot en met 18 jaar op te leiden tot ­korporaal bij het Nederlandse leger of tot onderofficier in de koloniën. Bovendien moest het nieuwe bataljon volgens het ­Koninklijk Besluit uit 1850 ook een ­opleiding tot officier-kwartiermeester (administrateur) opzetten voor zowel het Nederlandse als het Indisch leger. Deze cursus moest openstaan voor ­onderofficieren van alle wapens (legerafdelingen), mits ze goed genoeg konden rekenen… Ten slotte creëerde het Koninklijk Besluit een opleiding voor ­officieren bij het leger van West-Indië, die ook ­openstond voor een beperkt aantal onderofficieren. Het instructiebataljon, groot 15 officieren en 234 onder­officieren en m ­ anschappen, zou gevestigd ­worden ‘[…] in een provinciestad, welker omgeving gunstige gelegenheid biedt voor het ­praktisch onderricht.’ Met andere ­woorden: ‘op de hei’. Het werd Kampen. En ‘de hei’, dat was het oefenen kampementsterrein de Zandberg aan de andere kant van de rivier in IJsselmuiden. In 1851 arriveerden de kwartiermakers. De eerste commandant was de in Kampen geboren J.J. van Mulken, eerder instructeur aan de Koninklijke Militaire Academie en later nog tweemaal minister van Oorlog. Het instructiebataljon zou elk jaar vijftien onderofficieren en korporaals voor het Oost-Indisch Leger afleveren. Dit aantal werd een paar jaar later verhoogd naar vijftig. Het ministerie van Koloniën droeg de kosten van hun opleiding. De eerste leerlingen, meestal aangeduid als ‘kwekelingen’, arriveerden al begin februari. Het waren jongemannen van ongeveer 16 jaar die zich al bij het leger hadden opgegeven als vrijwilliger. Daarnaast meldden zich regimentskinderen, zonen van militairen die ‘aanleg en lust’ hadden voor de dienst.

Handtekening nummer 1 op de allereerste aanmeldingslijst was van de jonge Aegidius Luymes uit Harderwijk, die het zou brengen tot generaal van het Indisch leger en vanwege zijn persoonlijke moed de Militaire Willemsorde kreeg uitgereikt. Enkele honderden jongens die voorbereidend wetenschappelijk onderwijs hadden gevolgd of zich hadden onder­scheiden in het instructiebataljon kregen in Kampen de kans zich te bekwamen tot officier bij de Neder­landse infanterie of bij de strijdkrachten in Indië. Daartoe was een vierjarige opleiding ingericht, de 1e Klasse-Cursus. Veel van Nederlands beroemdste officieren, onder wie Van Heutsz, begonnen hun ­carrière via deze cursus. Het uitzicht op een officiersrang maakte Kampen erg aantrekkelijk voor ambitieuze ­jongemannen, die dan ook uit het hele land toestroomden. Er waren overigens nog twee andere ­opleidingen waar onder­officieren de stap naar de ­officiersstatus konden maken: de hoofdcursus in Maastricht en in ’s-Hertogenbosch. De gemeente Kampen deed zijn uiterste best om het de militairen en natuurlijk vooral de legerleiding naar de zin te maken. Kosten noch moeite werden gespaard. Voor alles werd gezorgd: kazernege­bouwen, eetzalen, dans-, scherm- en gymnastieklokalen, ­oefenterreinen, schietbanen, een volledig ziekenhuis, een kantine en zelfs een zwembassin met badloods. Er kwam ook wat voor terug: de opbrengsten voor de gemeente en de lokale middenstand groeiden sneller dan verwacht, omdat al in 1852 een flinke uitbreiding van het aantal rekruten werd gerealiseerd. In datzelfde jaar kwam bovendien de opleiding tot hoornblazer naar Kampen, wat stad en bataljon een muziekkorps opleverde. In 1880 werd de hoofdcursus in Maastricht opgeheven en bleven de twee vergelijkbare opleidingen in Kampen en ’s-Hertogenbosch over; de 1e Klasse-­ Cursus in Kampen werd daarbij ook tot ­hoofdcursus omgevormd en verzelfstandigd. Hij verhuisde boven­ dien van de bataljonskazerne (bekend als de Van ­Heutsz­kazerne) naar het ‘Matglazen Paleis’, het vroe­gere onderkomen van de Gemeentelijke hbs aan de Koornmarkt (nu het gebouw van de Protestantse Theologische Universiteit vestiging Kampen). Vanaf


118

1890 werden de beide hoofdcursussen verenigd in Kampen. Op dat moment had de opleiding in Kampen al meer dan tweeduizend kaderleden voor het Indisch leger afgeleverd, en nog veel meer voor de Neder­ landse infanterie. De relatie tussen de militairen en de burgerij was in Kampen heel wat beter dan in Harderwijk. Belangrijke gebeurtenissen, zoals jubilea, reünies en bezoeken van beroemde oud-leerlingen (bijvoorbeeld Van Heutsz en Colijn), werden altijd gezamenlijk gevierd en ­beleefd. Natuurlijk is het verschil makkelijk te ver­klaren: de huurlingen uit Harderwijk riepen in bijna alles ­weerstand op. Het vele geld maakte het slechtste los, zowel bij de soldaten als bij de Harderwijkse burgers. De kwekelingen in Kampen waren Nederlanders, spraken Nederlands en hadden een doel voor ogen. Door hun relatieve jeugd riepen ze bij de Kampenaars vaak ouderlijke gevoelens op. Maar vooral: ze bleven jarenlang in Kampen en deelden lief en leed met hun stadgenoten. Door die gemeenzaamheid kwamen ­uiteindelijk heel wat Kamper meisjes als officiersvrouw in Indië terecht. In later jaren leidde Kampen steeds minder (onder)officieren op voor de Oost. De praktijkgerichte ­scholing van het middenkader was een taak voor Indië zelf en, in vrij beperkte mate, voor de ­Koloniale ­Reserve in Nijmegen. Een opleiding op de plek van ontplooiing was natuurlijk veel effectiever dan ­scholing in Nederland, in een ander klimaat en ­onder totaal andere omstandigheden. Ook binnen de ­Nederlandse strijdkrachten veranderden in de loop der jaren de opvattingen over training, scholing en ­bevordering. En zo gebeurde het dat op 10 oktober 1924 het instructiebataljon in Kampen werd opgeheven. Het werd diep betreurd door de bevolking.

Alkmaar Als gevolg van dezelfde reorganisatie werd in 1924 ook de Cadettenschool in Alkmaar gesloten. Nog maar 31 jaar eerder was deze ‘militaire hbs’ opgericht om enkele prangende problemen op te lossen. Om te beginnen heerste er rond 1890 een serieus tekort aan officieren, in Nederland en in Indië. De Koninklijke

vorming van het kader

Militaire Academie (kma) in Breda, het belangrijkste opleidingsinstituut voor Nederlands militair kader, moest zowel het Nederlandse leger als het NederlandsIndisch Leger van officieren voorzien, maar kon niet aan de vraag voldoen. Door een goede aansluiting te organiseren met het middelbaar onderwijs zou de doorstroming naar de kma soepeler verlopen en zou ze meer en betere officieren kunnen afleveren. Die ‘goede aansluiting’ kwam er door de oprichting van een Cadettenschool, een internaatschool op Pruisische leest, waar jongens tussen de 15 en 17 jaar werden voorbereid op de kma. Drie steden meldden zich als vestigingsplaats: Zaltbommel, Alkmaar en Nijmegen. Zaltbommel had het allemaal niet zo goed begrepen, was sowieso te klein en viel af. Nijmegen, dat een oude school in de aanbieding had, was arrogant en wilde zelf niet investeren. Alkmaar daarentegen was gretig en gul. De gemeentebestuur deed royale toe­ zeggingen en beloofde een nieuw gebouw. Het werd dus ­Alkmaar. De toegezegde nieuwbouw verrees in recordtijd. De school leek qua leergang op de bovenbouw van de hbs, maar dan met veel aandacht voor sport en militaire cultuur. De Cadettenschool was ook een antwoord op de zorg van veel families in Indië dat hun zonen geen goede militaire opleiding konden volgen in de Oost. Een internaat onder overheidstoezicht in het ­moederland was een geruststellende gedachte. Nogal wat Nederlandse jongens uit Indië brachten op de ­Cadettenschool hun kennis op (hbs-)peil. Het ­instituut had verschillende leerplannen voor het ­Nederlandse en het Indisch leger. De kosten voor cadetten ­bestemd voor de Nederlandse strijdkrachten bedroegen jaarlijks 400 gulden, inclusief kost, inwoning, onderwijs en zakgeld van één gulden per week. Dit bedrag werd als hoog ervaren en kon door de meeste middenklassefamilies nauwelijks worden opgebracht. De cadetten van de Indische afdeling studeerden, net als in Kampen, gratis. Dertig jaar lang leverde ­Alkmaar ongeveer vijftig procent van de studenten van de kma. Tot in 1924, tijdens wéér een periode van bezuiniging, de Cadettenschool werd opgeheven. Het imposante ­frontgebouw van de school bestaat nog en wordt ­gebruikt door het Medisch Centrum Alkmaar.


119

Breda Toen Nederland in 1813 weer onafhankelijk werd, ontbrak het aan een officiersopleiding. Al in 1814 werd in Delft een hoger militair instituut gevestigd: de ­Artillerie- en Genieschool. Dit was vooral een opleiding voor genieofficieren en waterstaatsinge­ nieurs (denk aan de Nieuwe Hollandse Waterlinie). Op deze Artillerie- en Genieschool was ook plaats voor een ­beperkt aantallen cadetten van andere legerafde­lingen, zoals de infanterie. De opleiding vertoonde een paar ernstige kinderziektes. Een commissie ­adviseerde daarom in een andere stad een nationale officiersopleiding te vestigen. Het advies werd overgenomen door de kroon. De keuze viel op Breda. Het voormalige paleis van de Oranjes werd verbouwd tot Koninklijke Militaire Academie (kma). In 1828 ging de opleiding van start. Eerder dat jaar had de Artillerie- en Genie­school in Delft haar deuren gesloten. De adviescommissies die zich bezighielden met de vorming van het hogere kader constateerden belangrijke tekortkomingen, vooral bij de ‘niet-wetenschappelijke wapens’: de infanterie en de cavalerie. Een nieuwe officiersopleiding moest de cadetten van alle legerafdelingen verenigen en veel wetenschappelijker onderwijs aanbieden. Vol enthousiasme en trots ging de nieuwe en moderne Bredase opleiding van start, maar algauw kwam er een kink in de ­kabel. In 1830 brak de Belgische Opstand uit. Vanwege praktische ­problemen en loyaliteitskwesties werd het onderwijs aan de kma opgeschort. Pas in 1836 werden de lessen hervat. Vanaf dat jaar werden in Breda ook aspirant-officieren van het knil toegelaten. Door de komst van de koloniale cadetten ontstonden er bij de kma twee afdelingen: één voor het Nederlandse leger en één voor Indië. De afdelingen hadden niet op alle punten ­hetzelfde ­curriculum. Aanvankelijk had het nieuw geïntroduceerde leerplan ‘Indische Vorming’ nog niet veel om het lijf. Het bleef bij oppervlakkige geografische en antropologische kennis en lessen in het Maleis en ­Javaans. Het onderwijs in de ‘inheemse talen’ lag daarbij voortdurend onder vuur. Bij een bezuinigingsronde in 1843 verdween de hoogleraar oosterse talen en bij een ‘ombuiging’ in 1857 sneuvelden de lessen Javaans. In deze periode werden de

tactische handboeken voor de oorlog in Indië letterlijk en figuurlijk herschreven, maar het duurde nog lang voordat de tactieken voor de ‘kleine oorlog’ (guerrilla en counterguerrilla) terechtkwamen in de leerstof van de academie. Deze trage aanpassing aan de nieuwe werkelijkheid in Indië is des te opmerkelijker, omdat de benodigde tactische kennis er wel aanwezig was. Zo verscheen al in 1829 Oost-Indische Oorlogen, of Listen, Hinderlagen en ­Verdedigingswijze der Inlandsche Volkeren, waar­genomen in de onderscheidene Oorlogen op de Moluksche Eilanden, Cheribonsche, ­Bantamsche en Malakkasche Landen; in de jaren 1817, 1818, 1819 en 1820. Dit boek, geschreven door Ferdinand ­Vermeulen Krieger, kreeg uiteindelijk veel invloed op de oorlogsvoering in de Indische archipel en stond ook op de kma nog lang in hoog aanzien. Het duurde tot 1896 voor er een ‘modern’ handboek uitkwam over alle facetten van de oorlogsvoering in Indië: het ­driedelige werk De Indische Oorlogen van Klaas van der Maaten. De kma begon als een vierjarige studie. Later ­kwamen er varianten met een verschillende studieduur, van anderhalf tot vijf jaar. De langste opleidingen betroffen en betreffen de militair-wetenschappe­ lijke disciplines. De meeste aspirant-officieren voor het Nederlandse leger brachten het eerste jaar van hun opleiding door op een van de scholen voor reserve­ officieren. De cadetten voor de Oost volgden het eerste studiejaar in Breda. Zij vormden een wat aparte groep. Veel van deze jongens hadden connecties met Indië, een deel kwam er vandaan. Tijdens dat eerste jaar op de academie kregen zij onderwijs in op de ­koloniën gerichte vakken. De toekomstige knil’ers waren trotse jongemannen. Ze zagen zichzelf als de nieuwe garde van een professioneel leger, een leger met een groots verleden en een nog grootsere toekomst. Ze ­erkenden de band met Nederland, maar ze koesterden hun eigen, levende traditie in Indië en in het knil. In de strijdkrachten van het neutrale ­Nederland was weinig eer te behalen, maar in de Oost lagen roem en onderscheidingen ogenschijnlijk voor het oprapen. Weinig mensen kenden de namen van officieren van het ­Nederlandse leger, maar de helden van Java en ­Sumatra waren household names. De Indische ­cadetten waren zich ervan bewust dat ze in


120

een fiere traditie stonden en dat voor knil-officieren veel ­mogelijk was. Was de meest gedecoreerde ­Nederlander ooit niet een knil’er (Van Heutsz)? En was het niet bewezen dat oud-knil-officieren haast routinematig parlemen­tariër, minister of zelfs minister-president werden (Colijn)? En welk ander officierskorps had een Nobelprijswinnaar in zijn gelederen (Eijkman)? Het onderwijs op de kma werd viermaal langdurig onderbroken door een mobilisatie: in 1830 (­Belgische Opstand), in 1870 (Frans-Duitse Oorlog), in 1914 ­(Eerste Wereldoorlog) en in 1940 (Tweede Wereldoorlog). In dat laatste jaar waren er op de academie bijna 250 knil-cadetten in opleiding. Ze werden ­geïnterneerd. Om hun vrijheid terug te ­krijgen, werd aan alle officieren en aspirant-officieren gevraagd een ‘eerewoordsverklaring’ te ondertekenen – dit gold ­overigens ook voor alle Nederlandse en hier aan­wezige knil-militairen. Slechts zeventig officieren en cadetten weigerden; ze werden in ­krijgsgevangenschap weggevoerd. Onder deze zeventig onwankelbaren waren niet minder dan 53 knil’ers. Ze zouden later bekend ­worden als de ­Colditzgroep, naar het (dankzij Hollywood) ­beroemde Offiziers­lager waarin ze ­terechtkwamen. Alle andere kma-cadetten en officieren verklaarden op erewoord de Duitsers niet tegen te werken. Daarop kregen ze, voorlopig en voorwaardelijk, hun vrijheid terug. De meeste cadetten vervolgden hun studies elders, bijvoorbeeld aan de Technische ­Hogeschool Delft of op de Politieschool. Heel wat militairen hielden hun erewoord niet en raakten toch betrokken bij het verzet. Als sanctie werden in mei 1942 bijna alle officieren en cadetten alsnog in krijgsgevangenschap afgevoerd naar Duitsland en ­Oekraïne. Overigens was er ook gedurende de Tweede Wereldoorlog nog sprake van officiers­opleidingen. In Indië werd de scholing voortgezet in Bandung (1940 en 1941) en Garut (tot begin 1942). In de krijgsgevangenkampen Stanislau (toen Polen, nu Oekraïne) en Neu Brandenburg (bij Berlijn), waar veel docenten van de academie en veel aan­komende officieren vastzaten, werden illegaal ­cursussen ­gegeven en zelfs examens afgenomen. Op 30 april 1945 werden de overlevende kma’ers door het Rode Leger bevrijd uit kamp Neu Brandenburg. Vier

vorming van het kader

weken later waren zij terug in ­Nederland. De knil-­ cadetten kregen maar kort de tijd om bij te ­komen. Begin ­augustus 1945 moesten zij zich op last van het ­nieuwe ministerie van Overzeese Gebiedsdelen ­melden in Den Haag. Daar kregen zij te horen dat ze per direct naar Australië zouden worden verscheept om een rol te spelen bij de ‘normalisatie’ van de toestand in Indië.


121


124

126 Harderwijk, circa 1900. BeĂŤdiging van een knil-officier op de binnenplaats van het Koloniaal Werfdepot 127 Nijmegen, 1935. BeĂŤdigingsplechtigheid op de binnenplaats van de Prins Hendrikkazerne

vorming van het kader


125


126

128 - 129 Harderwijk, jaren 1880. BeĂŤdiging van officieren

vorming van het kader


127


128

130 - 131 Nijmegen 1935. Beëdigingsplechtigheid opge­luis­ terd door het muziekkorps van de infanterie

vorming van het kader


134

titel en hoofdstuk


135

Marcheren voor het vaderland


146

marcheren voor het vaderland


147

150 - 151 Den Haag, 1931. Prinsjesdag Wilhelmina en Juliana verlaten de Ridderzaal en het Binnenhof


160

marcheren voor het vaderland


161

160 - 161 Omgeving Nijmegen, 1931. 足 161 Omgeving Nijmegen, eind jaren 1920. Rustpauze


192

titel en hoofdstuk


193

De reis naar IndiĂŤ


208

208 - 209 Nijmegen, 1935. ‘Meer dan een lang relaas zegt boven­ staande levendige kiek, welke een frisch beeld geeft van het opgewekte afscheid der man­schappen, die naar hun bestemming in Nederland Indië vertrekken. Zij die ver­trekken zijn al even vroolijk als zij die achterbleven en hun vrienden uitgeleide deden. Bovenstaande kiek spreekt van een goeden, gezonden geest onder de soldaten van het ­Nederlands Indische Leger, die zich hun ­belangrijkste taak in onze koloniën volkomen bewust zijn. De laatste jaren is het peil der manschappen van het Nederlands-Indische Leger op verblijdende en hoopvolle wijze ­gestegen – wat aan het moreel van ons Indische Leger zeer ten goede komt.’ De Gelderlander, 4 april 1935

de reis naar indië


209


215

220 Aan boord, 1935. De reis naar IndiĂŤ was lang, in de jaren 1930 nog altijd zo'n ... weken. Militairen en burgers doodden de tijd met dekspelen 221 Aan boord, 1938. Op de Johan van Oldenbarnevelt 222 Tanjung Priok (Batavia), circa 1920. De Johan de Witt heeft haar bestemming bereikt


218

titel en hoofdstuk


219

Ziekte en gezondheid


238

ziekte en gezondheid


239

252 Bronbeek 1912. Bewoners aan de maaltijd 253 Bronbeek, 1917. Biljartzaal


Het vergeten korps. De geschiedenis van de Koloniale Reserve