Issuu on Google+

T HUIS


THUIS

“Home is a name, a word, it is a strong one; stronger than magician ever spoke, or spirit ever answered to, in the strongest conjuration.”

Home

“A house is a machine for living in”

“I'm the type who'd be happy not going anywhere as long as I was sure I knew exactly what was happening at the places I wasn't going to. I'm the type who'd like to sit home and watch every party that I'm invited to on a monitor in my bedroom.”

- Le Corbusier

- Andy Warhol

- Charles Dickens

Home wasn't built in a day. - Jane Sherwood Ace

“Death is a friend of ours, and he who is not willing to entertain him does not feel at home” - francis bacon

“Home is where you end up if you have nothing better to do.” - Margaret Thatcher

“If I win and get the money, then the Oakland Police department is going to buy a boys' home, me a house, my family a house, and a Stop Police Brutality Center.” - tupac shakur


ZIJN


THUIS

Het koekoeksjong H

et is winter en je loopt je vaste route, terug naar huis. Dit is het decor waar al je nachtmerries van nu af aan zullen beginnen. Maar dat weet je dan nog niet. Je opent de deur met de sleutel aan de veter en stapt binnen. Geen schemerlamp, waxinelicht of haardvuur brandt. Je moeder zit niet op haar vaste plek op de divan of in de serrestoel. Ze zit niet bij de poedertafel. In de badkamer zijn alle crèmes van de planchet verdwenen. Haar nachtpon hangt niet meer aan de gewatteerde hanger aan de deur. Je roept. Niets antwoordt.

J B

e gaat naar de slaapkamer die je deelt met Fransje. Hij rijdt altijd treinen van de rails en maakt hun wielen lam. Zijn muntenverzameling staat niet meer op de plank boven zijn bed. Ook zijn hoofdkussen is verdwenen. Je kijkt in zijn deel van de kledingkast. Er ligt niets op de planken. eneden plof je in de leunstoel en wacht in het donker tot je vader thuis komt. De telefoon gaat. Je kijkt ernaar en beseft dat je die nog nooit zelf hebt beantwoordt. Dat de meid of mama dat altijd doet. Hij rinkelt nog steeds. Je loopt er naar toe. Bij de volgende rinkel druk je de hoorn tegen je oor. ‘Schat, ik eet hier vanavond. Het wordt weer nachtwerk. De beurs schiet alle kanten op.’ ‘Mama is niet thuis’, zeg je tegen je vader.

‘En haar nachtpon is ook weg.’ Dan hoor je je vader voor het eerst in je leven vloeken als de schoenmaker. ‘Blijf daar’, blaft hij je toe en hangt op.

T

wintig minuten later draaien de koplampen van de Bentley het grindpad op. Je vader wacht niet op de chauffeur en doet zelf zijn deur open. Zijn kop ziet rood. Misschien van de kou, denk je. Hij komt binnen, kijkt om zich heen. ‘Godverredomme’, zegt hij met een rollende r en je vraagt je af of je vader ook schoenen kan poetsen. Hij sluit de glazen deuren van de serre en begint te telefoneren. Je loopt naar de keuken en pakt een glas melk. Achter je beent je vader druk heen en weer. De gepolijste vloerplanken kraken. Je opent de serredeur op een kier. ‘De hoer heeft hem moedwillig ontvoerd’, zegt hij tegen de andere kant van de lijn. ‘Ik heb honger’, zeg je. Je vader draait zich op zijn hakken om, beent naar de serredeuren en trekt ze met een klap dicht. Door het glas heen wuift hij je weg.

E

r ligt niets in de koelkast. Je overweegt een pot ingemaakte kersen die in de voorraadkast staat open te maken, maar je weet dat die alleen voor diners gebruikt worden. In de hal hangt je vaders jas. Je voelt in de zak en vindt zijn geldclip. Je trekt er een groot biljet uit en laat de clip terug in zijn schuilplek glijden.


B

ij de viskraam om de hoek bestel je een lekkerbek en gebakken kuit. Je vraagt je af of Fransje nog terug komt. Of de slaapkamer nu van jou is. Zijn bed kan mooi dienst doen als een lange treintunnel. Je hoeft er alleen maar de rails onderdoor te leggen en een lang laken over het bed te heen te hangen. Je ziet mogelijkheden.

E V

r zit een brede man in de woonkamer. Hij heeft zijn regenjas nog aan. Hij rookt. Je vader houdt een monoloog tegen hem over een straatmuzikant.

orige week bij het kerstinkopen doen, stond er een zanger bij de trappen van het beursgebouw. Zijn liedjes kon je niet verstaan, hij zong in een rare taal, met veel snikkende uithalen en vierkante klanken. ‘Wat zingt hij?’ had je gevraagd, maar mama had geen antwoord gegeven. Zijn wangen waren puttig. Zijn oren stonden wijd van zijn hoofd en zijn neusvleugels waren vervaarlijk gesperd, alsof hij zoveel mogelijk van de wereld wilde binnenkrijgen. Er zat een roos in zijn knoopsgat. Toen hij mama zag, had hij geknipoogd en al zingend de roos aan haar gegeven. Ze had hem toegeknikt, haar pas versneld en je meegetrokken. Boven aan de trappen had ze nog even naar hem omgekeken. Misschien kenden ze elkaar. Mama moest vaak mee met zakenlunches en diners, ze kwam hier wel vaker langs, had je gedacht.

J

e sloft naar boven. Niemand die klaagt over het verslijten van het traptapijt. De treinen doen rustig hun rondes. Je bukt en kijkt of de rode lampjes van het wisselsein het nog doen. Het rood zwakt af aan de randen, zoals de rosbief op zondag. Je ziet het weer tegen de witte muur geplakt, rood als het midden van de bull’s eye. Langzaam vallen de lapjes vlees een voor een in de scherven van de dekschaal op de grond, terwijl mama blijft gillen. Zonde, denk je. Ik had er nog niet eens van kunnen proeven voordat ze begon te gooien.

J

e legt een stuk rails onder het bed van Fransje door. Je rekt jezelf uit en laat je op zijn bed vallen. Er is ruimte, denk je. De wereld is groot. Als ik me uitstrek zou ik de randen van de wereld kunnen aanraken. Alle vogels leggen eieren in hun geheime nesten. Het enige wat je nodig hebt is geduld en de schaduwen vullen zich vanzelf met muziek. Je hoort iets tsjirpen bij de kast. Goed zo, denk je, schraap die snaveltjes maar, we zullen allemaal zingen en je valt in slaap.

ZIJN

D

ie week eet je veel met de meid. Je zingt als je thuiskomt en luistert naar de echo die vanaf de derde verdieping weerkaatst. Op je kamer heerst een rust die je nog nooit eerder hebt meegemaakt. Geen snottebellenadem van Fransje, niet zijn koeienoren die bewegen als hij praat, geen geroep van mama. Gewoon rust.

O D

p woensdag wordt je door je vader meegenomen naar een restaurant. Je bestelt de rosbief. Je vader eet niet, drinkt alleen. Met bloeddoorlopen ogen loert hij naar je, alsof je het balletje op een roulettetafel die maar blijft draaien bent. Je mag een tweede portie rosbief bestellen. e regenjasman komt weer langs. Hij laat foto’s en papieren aan je vader zien. Die bekijkt ze lang. Zijn handen trillen als hij ze teruggeeft. ‘Een koekoeksjong’, zegt je vader. ‘Ze zijn bij hem, in Zwitserland’, zegt de regenjasman. Je sloft weer naar boven. Dan zie je pas dat de foto van mama met Fransje in lederhosen weg is en die van jou en mama nog steeds op de schouw staat.

J

e ziet jezelf gespiegeld in het fotoglas. Je herinnert je ineens een wandeling, lang geleden. Je kan nog niet goed lopen en mama kan je niet lang dragen want ze is dik van de zwanger, zoals ze zegt en ze sleept je half voort. Je weet niet waarom jullie zo’n eind moeten lopen en waarom jullie niet gewoon met de Bentley zijn gegaan. Jullie hebben nog koffers vast ook. Je moeder steekt over en stapt een schimmig portiek in. Jij moet aan de overkant van de straat wachten. Er wordt opengedaan door een man met puttige wangen. Hij aait mama’s buik, kijkt dan over haar schouder naar jou. Dan sluit de deur weer. Je moeders hoofd zakt op haar borst alsof ze luistert naar haar dikke buik. Ze blijft daar lang staan. Dan waggelt ze naar je toe, pakt zonder iets te zeggen je hand en trekt je mee. Haar ogen zijn natter dan normaal. Misschien van de kou, denk je nog. Je knippert. Die man in de deuropening, dat is de straatmuzikant, bedenk je ineens.

J

e ligt op de gang. Heb je gedroomd? Het is stil. Er broedt iets in dit huis. Ergens liggen eieren en binnenkort barsten ze, denk je. Je voelt de kamers van vorm veranderen. Langzaam wordt dit een vogelkooi en krijgen we allemaal snavels. Je wappert je armen en rent over de gang. Je weet niet waar je vader is, maar vindt de meid in het washok. Ze bukt om een laken uit de mand voor zich te pakken. Je slaat op haar billen en rent kakelend weg. Ze zit je achterna, de ruwe stof van haar rokken ruisen


THUIS

vlak achter je. Het bloed stijgt naar je hoofd, de gekte neemt over, je smijt jezelf de voorkamer door, de trap op, de gang in, de deur klapt achter je dicht en hijgend kruip je op bed. ‘Vies rotjong’, zeg je tegen Fransjes lege ledikant. ‘Vies, klein rotjong’, zeg je en je bespringt de matras, het koekoeksjong, de vijand. Je slaat je klauwen erin als een straatkat, hoort de meid roepen en jankt krols in de lucht.

H

et is weekend en er zitten ijsbloemen op de ramen. Je hebt vanochtend een wak geslagen in de sloot achter. Je was er met je voet door gegaan. Nu wacht je bij het vuur tot je schoen en sok weer droog zijn. Er stopt een wagen die je niet kent voor het pad. De regenjasman stapt uit, doet dan het achterportier open. Mama stapt uit met Fransje. Ze draagt een bontmuts. Je kent die bontmuts niet. Je verstopt je onder de salontafel. ‘Hallo?’ De stem van je moeder verschuift wat seinwissels in je buik, maar je geeft geen kik. Als ze langs de tafel loopt, pak je haar enkel. Ze gilt. Je worstelt je onder de tafel vandaan en klemt je als een knijperknuffel om haar benen. Ze slaat je als een mattenklopper, hard en ritmisch, al het stof moet van je af worden geklopt. ‘Niet, nooit, nooit meer doen, jij-’ ze stokt. De gedrongen schaduw van je vader valt over jullie heen. Zijn hand ligt als een ravenklauw op Fransjes schouder. ‘Dit was niet de afspraak’, zegt hij. Je moeder verslapt. Haar mattenklophanden worden losgeslagen electriciteitskabels. Ze bungelen machteloos langs haar lichaam. ‘Waar had ik hem moeten laten?’, zegt ze. ‘Daar.’ Je moeder begint te huilen en de bontmuts komt tot leven, de haren trillen mee met haar snikken. Fransje friemelt aan de houtje-touwtjesluiting van zijn jas. ‘Hij gaat naar je zus.’ Je vader geeft Fransje een duw. Hij struikelt richting je moeder. Ze pakt hem vast en vouwt zich dubbel over hem heen. Ik zie nog één flapoor uit het bontsilhouet steken.

D

ie nacht slaapt Fransje voor de laatste keer naast je. Je kijkt naar zijn bleke gezicht, de blonde pluk die aan zijn voorhoofd plakt, de snottebellenneus. Je was vergeten hoe klein hij was.

D

e volgende ochtend is Fransje weg. Buiten rijdt een auto het grindpad af. Beneden borduurt je moeder. Je ziet haar hand nauwelijks op en neer gaan, zo snel maakt ze haar steekjes. Je vraagt wat er voor ontbijt is. ‘Niets’, zegt ze. Je loopt door naar de eetkamer. De meid heeft voor vier gedekt. Ze heeft het zondags servies neergezet met de bordjes waar ieders naam in goud geglazuurd is. Je pakt Fransjes bord, zet het terug in de kast, gaat bij jouw naam zitten en wacht. Je denkt aan de geheime eieren in dit huis en weet dat ze nooit meer worden uitgebroed. Alle dooiers zijn doorgeprikt en ze bloeden hun eierschalen vol. Nu is het een kwestie van wachten; je kunt ze pas opruimen als ze versteend zijn, anders geeft het zo’n troep.


ZIJN


THUIS


ZIJN


THUIS


ZIJN

**********************

It was one of the biggest breakups in history. More than 40 million years ago, the island continent of Australia snapped free of the vast landmass that included Antarctica and South America and began to drift toward the equator. Cut off from the rest of the world, plant and animal life on the super-island began to go its own way, evolving into forms found nowhere else on earth. Today, one of the best places to see some of these unique plants and animals is the rainforest of eastern Australia. At first glance, some of the creatures you’ll see may look familiar. The waddling, sharp-snouted echidna, for instance, looks much like a porcupine or a hedgehog. But it is no ordinary mammal: it is a monotreme, a kind of living fossil that lays lizard-like eggs and incubates them in a pouch. Similarly, the plump Brush turkey looks much like the Toms destined for our Thanksgiving tables. But this is a turkey with a twist: the male builds an enormous mound of rotting leaves, inside of which it incubates eggs.

The eggs, however, don’t hold his young — his are being babysat by another male mound-builder! The mutual-aid arrangement helps females ensure that their eggs get careful care. The star of this unusual menagerie, however, is the male bower bird, an accomplished avian architect that has long fascinated scientists with its remarkably complex courting behavior. Instead of using just showy plumes or a romantic melody to attract a mate, the pigeon-sized bower bird constructs an elaborate structure — a bower — on the forest floor from twigs, leaves, and moss. It then decorates the bower with colorful baubles, from feathers and pebbles to berries and shells. The bowers aren’t nests for raising kids; they are bachelor pads designed to attract and seduce one or more mates. When a female arrives to inspect the bower, the male struts and sings. He hopes to convince her to enter the bower, where mating takes place. The female then flies off to build a nest close by, leaving the male to try to convince another female to join in a romantic tryst. Bower birds “exhibit pretty extreme display behav-

iors,” says Gerald Borgia, a University of Maryland, College Park, biologist who has been studying the birds for nearly two decades. As a result, he says, they are of special interest to scientists seeking to understand how such complex traits evolve and function. His research team, for instance, is using trip-wired surveillance video cameras and robotic birds to probe the hidden world of the bower bird. A bower bird builds his “bachelor pad.” Overall, there are 17 kinds of bower birds in Australia and on the neighboring island of New Guinea. Some are known as catbirds, while others are called “gardeners” or “stagemakers”. Each builds its own shape of bower and prefers a different decorating scheme. A few, for instance, surround their bowers with carefully planted lawns of moss. Others have been known to steal shiny coins, spoons, bits of aluminum foil — even a glass eye — in an effort to create the perfect romantic mood. Some, like the iridescent blue Satin bower bird, the star of Bower Bird Blues, even “paint” the walls of their structures with chewed berries or charcoal. For the male Satin, which builds a U-shaped

bower from parallel walls of twigs, the favored color is blue. To decorate its “avenue,” as scientists call it, he collects blue feathers, berries, shells, and flowers. While some of these decorations are found in the forest, others are stolen from the bowers of other males; young males, in particular, are prone to this petty thievery. However obtained, the precious knickknacks are then scattered around the bower. The male then waits, passing time by constantly fine-tuning his structure and rearranging the decorations. For many males, the effort will be mostly futile. A younger male, for instance, may be able to seduce only a single one of his dozens of visitors — or none at all. Indeed, many males get not even a single glance: in a recent study, 75 percent of female birds visited only one bower before mating. In contrast, older males often have potential mates constantly stopping by for a peek. These more experienced suitors may mate with dozens of different females in a single breeding season.

**********************


THUIS


ZIJN


THUIS


ZIJN


THUIS


ZIJN


THUIS

Brussel – Central Standard Time Het duurt hier langer om op te staan. Alsof mijn lijf blijft haken in een diepe slaap, het weigert hier nog langer wakend te blijven. Ik zou iets anders willen drinken dan zwarte koffie, maar niets smaakt hier zoals het daar was. Koffie is het enige dat met zijn bitterheid een uitgesproken smaak heeft en me overtuigd dat het zichzelf is en niet een verwaterde versie, zoals de sapjes en shakes die op het buffet staan. Het hele hotel is te bleek om echt te zijn. Alsof ik in een oude aquarel rondloop die in de regen heeft gestaan. Het enige wat ik scherp zie, is het stof dat door de lucht dwarrelt als ik in de lobby zit te lezen. Soms praat ik met mannen die, net zoals ik, het financiële dagblad lezen bij de lunch. Als ik over mijn twijfels praat, overtuigen ze me dat het een jetlag is. ´Brussel´, zeggen ze dan, ´Brussel bruist. Hier is waar hét gebeurt´. Maar zij komen niet van een plantaanranch vandaan, denk ik dan. Waar je zwarte bonen als ontbijt krijgt en apen je wakker krijsen. Waar de varanen met tientallen op het grasveld voor de patio in de zon liggen. ‘Advocaten die reizen moeten niet teveel herinneren’, zei een collega eens van me. ‘Melancholie is slecht voor zaken’, besloot hij het gesprek. De collega in kwestie werd opgeknoopt gevonden in de douchekabine van een Van der Valk-hotel, een maand na die uitspraak.


ZIJN


THUIS


ZIJN

Echt een thuis heb ik niet, maar ik heb een tas gevuld met dingen die ik nodig heb. Wij zijn altijd op reis, vastigheid is een woord wat mijn tas en ik niet kennen. Liefde is leuk voor een week of twee maar niet langer. Mensen zijn er om je iets te leren, maar niet ĂŠĂŠn enkel persoon weet alles. Er zijn veel plekken die je tot thuis kunt maken en er zijn veel vrienden voor korte duur. Afwisseling is goed, dan blijft alles vers en wordt niks oud. Maar alles wat me lief is neem ik mee in mijn tas.


THUIS

een gesprek met mijn huis muur geslagen uit woede, van de trap gevallen uit dronkenschap. Omdat mijn huis, mijn thuis is, vond ik het tijd om hem wat vragen te stellen. Ik hoorde laatst een diepe zucht klinken uit uw muren, valt het leven u momenteel zwaar? Mijn huis kijkt me even aan. Haast onzichtbaar knippert hij zijn lamellen. “Ouder worden we allemaal, ook ik. En dan gaan dingen niet altijd even soepel meer. Zeker niet als sommige delen van je niet altijd even goed worden onderhouden.” Hij kraakt even met zijn deurpost. “Maar ik wil niet klagen, daar ben ik het huis niet voor.” Mijn groene stoel zet ik in het midden van de kamer. Langzaam zak ik achterover en kijk omhoog. Hoe de gipsplaten die op mijn plafond geslagen zitten, De randjes, waar ik niet zo netjes geverfd heb. Het witte vlekje op mijn groene muur, erop gekomen nadat de schilder van de

huurbaas niet zo netjes was met het plafond opnieuw witten na een lekkage. Mijn huis heeft in de 6 jaar dat ik hier woon, allerlei kleuren gehad, geuren gekend en mensen die over de vloer kwamen. Er is op de vloer geplast en gekotst door de hond, tegen de

Klagen hoor ik u zelden, u laat me altijd binnen en geeft me meestal een warm gevoel. In het verleden was dit weleens anders, dan kon u me echt het gevoel geven ook niet meer te weten wat u moest doen met uzelf en misschien ook met mij.


ZIJN

“U bent niet mijn eerste bewoner en ook niet mijn laatste. Dat is een ding wat zeker is. Ik hoor u de laatste tijd al regelmatig uitspreken verder te kijken dan mijn deuren. En het geeft niet. Het zijn intense jaren geweest en meer dan een huis voor u kan ik niet zijn.”

trok ik deze conclusie. Excuseert u mij met dit misplaatste antwoord. Aan de hand van de vruchtbaarheid kan ik inschatten hoelang de bewoners me bewonen. In de meeste gevallen vertrekken ze snel naar andere huizen, maar er zijn ook gezinnen geweest die hier opgegroeid zijn.”

Wat dacht u toen we zes jaar geleden in u kwamen wonen?

Wat is voor mooiste moment dag?

“Het voelde niet veel anders dan de bewoners die voor u erin zaten. Al houdt u het beduidend langer vol. Misschien komt het omdat u niet vruchtbaar bent.”

“Dat is zeker de ochtend. Alles ontwaakt, ik mag rustig aan doen en binnen in me wordt het vanzelf steeds warmer. Dat is fijn. Aan het einde van een dag ben ik vaak mentaal gesloopt, dan is het prettig om de nachten rustig te hebben. Al komt het regelmatig voor de laatste maanden, dat ik door uw toedoen niet altijd aan mijn

Een deur slaat dicht. Niet vruchtbaar? Waar baseert u dat op? “Bent u vruchtbaar dan? Ik ben er aan gewend dat er jonge stellen in me trekken en dan binnen een aantal jaar het huis vullen met geuren en geluiden die jong en onbezonnen zijn. Aangezien dat bij jullie niet is geweest,

u het op de

rust toekomt.”

Ik heb inderdaad veel energie op het moment. Mijn excuses als ik u daarmee tot last ben. De dagen zijn ook zo kort. Wat vind u echt vervelend? Het huis laat even een zucht wind door zich heen blazen. “Er zijn niet echt dingen die ik vervelend vind. Het hoort bij het huis zijn. Je wilt een plek zijn, waar anderen zich op hun gemak voelen. Dat is wat ik probeer te bereiken. En ik denk dat het met aardig lukt.” Het lukt u aardig. U bent een rustig huis, dat merk ik ook in dit gesprek. Laten we nog een tijdje in elkaars buurt blijven, ik blijf graag nog een paar jaar in u wonen. “U bent meer dan welkom.

Ik hoor een piepje. Het klinkt als een lach.

Het is wel gezellig zo met u. Ik zal zorgen dat u de zomer op een veilige manier doorkomt.”

“Maar dat begrijp ik. U moet uw energie kwijt, een inhaalslag voor de verloren liefde.”

- - -


THUIS


ZIJN


THUIS


ZIJN


THUIS


ZIJN

Thuis. Mijn vaders Harira. Pistachenootjes en de zon die er altijd schijnt. Ik doe mijn ogen dicht en denk terug. De lucht van sterk geurende kruiden en specerijen dringen mijn neusgaten binnen. Dan de geur van zelfgebakken brood. Het lekkerste brood van de hele wereld. Sentimentele liedjes over de liefde in een taal die ik niet versta. Vanaf het begin van mijn bestaan zie ik mensen komen en vertrekken. Ik reis langs tientallen huizen, door verschillende landen. Een oude taal wordt vervangen door een nieuwe. Ik gedij overal. Maar ik voel me nooit ergens thuis. Ik koop mijn Harira tegenwoordig kant en klaar in de supermarkt. En leef alsof ik elk moment weg moet. Reizen is niet mijn grootste uitdaging. Dat is thuiskomen.


THUIS


ZIJN

ZI JN IS EEN ZI N E D O O R JESSIC A D E L I G T EN WEN DY VAN DER WAAL GEM AAKT OP 2 9 - 0 3 - 2 0 1 2

BI JDR AG ES G ESP R EK M ET MIJN HUIS: MAARTEN J. BOER / AL DIE LOZE UITZICHTEN: MAARTEN BUSER / TAS: STESCHA MARIA VISSERS, BR U SSEL – ELFIE TR OMP: CENTRAL STANDARD TIME, HET K O EK O EK SJONG. HEEL ER G BEDANKT HIERVOOR



THUIS ZIJN/ZINE