Page 1


‘Sometimes you eat the bear, and sometimes the bear…well…he eats you.’ Dat zijn wijze woorden en tegelijkertijd zo ontzettend waar. Hoewel je eigenlijk een besnorde cowboy uit de diepe, stoffige binnenlanden van Kansas moet zijn om de zin ook letterlijk te nemen, kan ik het citaat namens de Pamflet redactie wel bezigen in dit voorwoord. Hoewel het nooit de bedoeling was om van het Pamflet een tweejaarlijks blad te maken is dat toch waar het op uitkomt dit academisch jaar. De ‘bear’ in de vorm van studiedrukte heeft goed huisgehouden dit jaar. Hoewel beide edities wel lekker gevuld zijn, gaan we er natuurlijk wel voor zorgen dat het volgende jaar het oude peil van vier uitgaven weer bereikt zal worden.

pam · flet (het ~, ~ ten) 1 geschrift over een actueel onderwerp ter informatie van het publiek => libel, paskwil, schimpschrift, schotschrift, smaadschrift, spotschrift, vlugschrift

pam · flet · tist (de ~ (m.), ~ en) 1 schrijver van pamfletten

Gelukkig belette de drukte onze Pamflettisten er niet helemaal van de wereld met een kritische blik in te duiken en daar verslag van te doen. Hun werk leverde opnieuw een veelzijdig en sociologisch verantwoord resultaat op. Voer voor sociologen zou Job schrijven! En zo is het. Daarnaast wil ik graag scheidend redactielid Bernard Verbeek bedanken voor zijn inzet voor het Pamflet in de afgelopen jaren. Op zijn initiatief werd de op dat moment ter ziele gegane ‘Signifikrant’ in een geheel nieuwe opzet en ideologie doorgestart onder de naam ‘Pamflet’. Bernard, namens de redactie-leden wens ik je veel succes bij je verdere loopbaan! Allora, daar wilde ik het bij laten. Namens de Pamflet redactie wens ik jullie veel succes bij het afronden van dit collegejaar en wens jullie alvast een heel goede vakantie! Met dank aan:

Leonard van’ t Hul Colofon: Redactie:

Daniël Coenen Jasper van de Pol Job van den Berg Leonard van ’t Hul Thijs van Dooremalen

Postadres: e

- mail:

Julian van Batenburg Merel Ooms Remmert van Haaften Tim Immerzeel sociologievereniging Usocia Heidelberglaan 1 K. 14.39 3584 CS Utrecht usocia@studver.uu.nl


Inhoudsopgave

1

Redactioneel

De stand van de hedendaagse sociologie

2

Verslag

De Landelijke Sociologie Dag

4

Redactioneel

Goed burgerschap en cultureel kapitaal

6

Verslag

RoemeniĂŤ, voer voor sociologen

10

Polemiek

Een quotum voor vrouwen?

12

Usocia

Usocia zoekt!

14

Thema

Het individualistisch collectivisme

16

Redactioneel

Meer rationaliteit in t Nederlandse drugsbeleid

18

Thema

Staatkundige sentimenten: ServiĂŤ en Kosovo

21


De stand van de hedendaagse sociologie Thijs van Dooremalen

Op

vrijdag 18 april jongstleden organiseerde de Nijmeegse sociologievereniging Den Geitenwollen Soc een debat tussen twee giganten uit de hedendaagse sociologie, namelijk Kees Schuyt (emeritus hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amster-dam en op dit moment lid van de Raad van State) en Wout Ultee (hoogleraar sociologie aan de Radboud Universiteit en natuurlijk bekend als medeauteur van de sociologie-bijbel, Sociologie – vragen, uitspraken, bevindingen). De vraag die tijdens het debat centraal stond was ‘hoe hedendaags is de sociologie?’. Als leergierige en nieuwsgierige student sociologie was ik natuurlijk erg benieuwd naar het antwoord dat beide sociologen op deze vraag zouden geven. Dus toog ik naar Nijmegen om het debat bij te wonen. Het debat stond onder leiding van Peer Scheepers, net als Ultee werkzaam als hoogleraar aan de Radboud Universiteit. Na een korte introductie legde hij drie onderwerpen aan Schuyt en Ultee voor, die allemaal iets te maken hadden met de centrale vraag van het debat. De drie onderwerpen waren achtereenvolgens: ‘de maakbare samenleving’, ‘sociologie en de overheid’ en ‘Rita Verdonk en Pim Fortuyn’. Over het eerste onderwerp waren beide heren het tamelijk met elkaar eens. De vraag die werd opgeworpen was in hoe-verre de samenleving maakbaar was en in hoeverre sociologen mee konden werken aan die maakbare samenleving. Schuyt was van mening dat de samenleving ‘niet heel erg, maar wel een beetje’ maakbaar was. Ultee vond dat de samenleving zeker maakbaar was en kwam met voorbeelden uit het onderwijs en de opbouw van de verzorgingsstaat om die maakbaarheid te onderstrepen. Wel ont-stond er een meningsverschil over de

vraag of het idee van maakbaarheid nou een oud of nieuw idee was. Schuyt stelde dat het idee van maakbaarheid er eigenlijk helemaal nooit was geweest en pas door de nieuwe generatie politici en intellectuelen op het linkse denken uit de jaren ’60 en ‘70 was geplakt, terwijl Ultee zei dat het idee er destijds al wel degelijk was, maar dat het toen alleen nog niet zo werd genoemd.

Wout Ultee (links) en Kees Schuyt Maar pas bij het tweede onderwerp werden de verschillen in stijl en manier van denken tussen beide sociologen echt duidelijk. Kees Schuyt is de man van de nuance en voorzichtige bewoordingen. Hij deed tijdens het hele debat dan ook weinig polariserende uitspraken. Ook benadrukte hij voortdurend de noodzaak van een plu-ralistische sociologie, waarbij de ene manier van sociologiebedrijven niet nood-zakelijk beter was dan de ander. Wout Ultee is daarentegen veel extremer, zowel in zijn manier van praten, als in de meningen die hij uit. Hij zette zich vaak fel af tegen de beweringen van Schuyt en gaf daarnaast te pas en te onpas zijn mening over allerlei onderwerpen en verschijn-selen die tijdens het debat voorbij kwamen. Zo stelde hij bijvoorbeeld dat SCP-directeur Paul Schnabel al lang had moeten worden ontslagen omdat hij de


opkomst van Pim Fortuyn in 2002 niet aan had zien komen. Deze verschillen tussen beide heren kwamen vooral aan het licht toen Ultee beweerde dat eigenlijk alle adviesorganen van de overheid (bijvoorbeeld WRR, SCP of CPB) kunnen worden afgeschaft en worden ondergebracht bij het CBS. Dit was natuurlijk een forse mening. Schuyt ging voor een deel wel mee in de kritiek van Ultee, maar vond toch dat de adviesorganen allemaal zeker wel een bepaald nut hebben. Het derde onderwerp van het debat was in mijn ogen het interessantst van de drie. Het ging over Rita Verdonk en Pim Fortuyn, en specifiek over wat het over de studie sociologie zegt dat beiden dit hebben gestudeerd. Ultee vroeg zich vertwijfeld af wat er in godsnaam mis was gegaan tijdens de opleiding van Verdonk en Fortuyn, dat zij uiteindelijk zulke populisten met een grote ‘Wille zur Macht’ waren geworden. Schuyt analyseerde de carrières van beide politici en concludeerde ten eerste dat ze beiden typische gevallen zijn van mensen die in hun studententijd hebben geleerd dogmatisch vast te houden aan de marxistische leer, om deze dogmatiek vervolgens toe te passen op hun nieuwe gedachtegoed: dat van rechtse, populistische politici. Ten tweede concludeerde hij dat het eigenlijk weinig zei over de sociologie dat ze beiden sociologie hadden gestudeerd, aangezien beiden in zijn ogen vrij beroerde sociologen waren. Tijdens de discussies tussen beide heren door, konden er vanuit de zaal vragen worden gesteld. De laatste vraag van het

debat was hoe beide heren de toekomst van de sociologie zagen. Met name Schuyt gaf een zeer hoopgevend antwoord. Hij zei dat hij veel vertrouwen had in de sociologie, aangezien het onderwijs en de manier van onderzoek doen de afgelopen 15 á 20 jaar aanmerkelijk verbeterd zijn. Als socioloog in spé klonk me dat natuurlijk als muziek in de oren. Er is toekomst voor ons, jonge sociologen!

Naast dit hoopgevende toekomstbeeld vond ik het debat als geheel ook geweldig. Het is bijzonder interessant om twee mensen die veel verstand hebben van de studie die jij volgt met elkaar te zien discussiëren. Ik verliet Nijmegen dan ook met een hoop nieuwe inspiratie. Wat mij betreft is een initiatief als dit zeker voor herhaling, bijvoorbeeld op de Universiteit Utrecht, vatbaar! Met dank aan Christien Kamps voor de foto’s.


De Landelijke Sociologie Dag op 7 maart Jasper van de Pol

Vrijdag

7 maart jongstleden is door sociologiestudenten uit het hele land in Utrecht de Landelijke Sociologie Dag georganiseerd. Deze dag had als thema Macht en bestond uit een compleet dag-programma inclusief twee lezingen, veel workshops, een mastermarkt en een slotdebat. De dag ging van start met een lezing door Meindert Fennema over economische macht (‘een politiek-historisch perspec-tief’). Fennema is politicoloog, hoogleraar Politieke theorie en etnische verhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam en heeft zelf nog sociologie gestudeerd aan de Universiteit Utrecht.

Meindert Fennema Fennema stak van wal over de geschiedenis van de economische en bestuurlijke elites in Nederland. Hij illustreerde hoe tot de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw vrijwel alle topfuncties nog werden ver-deeld binnen het ‘old boys network’; je moest letterlijk van goede huize komen om een mooie baan te krijgen. Alle bestuursvoorzitters waren op de één of andere manier met elkaar verwant, vaak waren het (al dan niet aangetrouwde) neven en nichten van elkaar. Maar in de tweede helft van de vorige eeuw is het ‘old boys network’ heel erg snel

verdwenen. Er is natuurlijk nog steeds een economische elite maar deze is veel meer open, veel meritocratischer. Na Fennema’s lezing was Bas Haring aan de beurt. Bas Haring is natuurlijk bekend van de televisie (de programma’s Stof en Haring) en van zijn boeken, waaronder Kaas en de evolutietheorie, waarmee hij verschillende prijzen heeft gewonnen. Ook Bas Haring heeft zijn wortels aan de Universiteit Utrecht, waar hij afstudeerde in de wijsbegeerte en promoveerde op cognitieve kunstmatige intelligentie. Bas Haring was eigenlijk ziek maar het lukte hem desondanks om nog een uur te komen praten. Hij gaf zijn kijk op het begrip Macht en probeerde de vraag te beantwoorden: “wat is macht eigenlijk en hoe komt de macht er aan?” Volgens hem moest macht voldoen aan twee voorwaarden: causaliteit en asymmetrie. Hij nam als voorbeeld de voetballer en de voetbal: de voetballer heeft macht over de voetbal omdat a) het helder is dat de voetballer eerst trapt en dat de voetbal daarna in beweging komt en b) het altijd de voetballer is die de bal in beweging brengt en niet andersom. Bovendien valt volgens Bas Haring macht vaker dan we denken terug te voeren op fysieke kracht. Om dit te onderbouwen


haalde hij, vermoedelijk met een knipoog, Yoda van Star Wars en Gandalf van Lord of the Rings er bij. Yoda en Gandalf leken hun macht te ontlenen aan hun wijsheid, maar als het er op aankwam bleken zij te beschikken over de meeste fysieke kracht van iedereen. Bas Haring benadrukte dat zijn doel was ons van denkvoer te voorzien, niet om met een allesomvattende theorie te komen. Dat was maar goed ook, want hij kon geen antwoord geven op de vraag van Fennema hoe het kan dat zijn invloed in de besluitvorming binnen zijn faculteit wel macht valt te noemen, maar niets met fysieke kracht te maken heeft.

sociologie in Tilburg, en van Christiaan Monden, “dé specialist in de sociologie van de gezondheid”, aldus Tanja van der Lippe later op de middag. De workshop van Paul de Graaf ging over cultureel en sociaal kapitaal, waar je het tegenkomt en in hoeverre het wenselijk is. De workshop van Christiaan Monden ging over de macht over het leven, waarbij Monden de stelling introduceerde dat echte macht de macht om je leven te verlengen is. Macht is geld, kennis en status volgens Monden, en hij toonde met verschillende statistieken aan dat mensen met meer geld, kennis en status langer leven. Na de twee workshoprondes was er het slotdebat onder leiding van Tanja van der Lippe en met in het panel Hans Achterhuis, hoogleraar algemene wijsbegeerte aan de Universiteit Twente, Paul de Graaf en Christiaan Monden. Zij reageerden op de stellingen waarna er een levendig debat losbrak in de zaal. De stellingen waren: 1) De Nederlandse politieke elite bezit te veel macht, 2) De media in Nederland hebben te veel macht en 3) De invloed van cultureel en sociaal kapitaal voor het bereiken van een goede (machtige) baan is (nog steeds) te groot.

Bas Haring Er waren zes workshops georganiseerd rond het thema Macht, waar men twee uit kon kiezen om te volgen. Ikzelf nam deel aan de workshop van Paul de Graaf, professor

Ondanks de tegenvallende opkomst was het een zeer geslaagde Landelijke Sociologie Dag, waarbij Usocia met zo’n 30 mensen goed was vertegenwoordigd. Een complimentje voor de organisatoren, met in het bijzonder onze eigen Thijs van Dooremalen, die de regie had als voorzitter van de organisatie. Fotografie: Vicent Mauritz


Goed burgerschap en cultureel kapitaal Leonard van ‘t Hul

De

vraag wat goed burgerschap inhoudt is, is een vraag die gesteld wordt sinds de mens in groepen groter dan het eigen gezin is gaan wonen. Antwoorden worden al bijna net zo lang gegeven, beroemd zijn de filosofische werken van Plato, Aristoteles, Machiavelli, maar ook hedendaagse denkers als John Rawls en Thomas Marshall. Burgerschap wordt in de literatuur vooral in termen van rechten en plichten, alsook in termen van ‘identiteit’ geformuleerd. Ook in de huidige Nederlandse maatschappij en het integratie debat komen deze grondbeginselen van burgerschap terug. Burgers worden op hun eigen verantwoordelijkheden gewezen bij het waarborgen van vrijheid en veiligheid – zie ook de pakkende reclamespotjes van ‘Nederland tegen terrorisme’ – en krijgen benadrukt dat burgerschap ook hun identiteit bepaalt. Goed burgerschap gaat voorbij religie, etniciteit en klasse, goed burgerschap gaat om een groter ‘wij’gevoel. Over de basisprincipes van goed burgerschap is men het in de WestEuropese samenlevingen wel eens. Burgerschap is gefundeerd op gelijke rechten voor elk individu en gaat over betrokkenheid en participatie in de maatschappij. Hoewel de doelstellingen duidelijk lijken, bestaat over de middelen nog geen algemene consensus. De vraag in hoeverre participatie afgedwongen kan worden is niet volledig duidelijk. Hoe kan goed burgerschap bevorderd worden? In mijn optiek door een assertievere houding van de overheid bij het verspreiden van

Het Rijksmuseum te Amsterdam

cultuur. Een grotere cultuur overdracht bevordert namelijk ook de politieke en maatschappelijke aspecten van burgerschap. De Britse socioloog Thomas Marshall publiceerde kort na de Tweede Wereldoorlog een studie over burgerschap waarbij hij voor West-Europese landen een trend beschreef van een zich uitbreidend burgerschap. Sinds het einde van de achttiende eeuw genoten de inwoners van de West-Europese landen van steeds meer soorten rechten, tot uiteindelijk het punt werd bereikt waarbij alle bewoners bepaalde rechten hadden. Marshall verdeelde burgerrechten in drie categorieën: algemene burgerrechten (deze dienden zich aan in de achttiende eeuw), politieke rechten (deze kwamen op in de 19de eeuw) en tenslotte sociale rechten (welke in de vorige eeuw werden ingesteld). Burgerrechten bestonden daarbij uit de rechten die noodzakelijk zijn voor de individuele vrijheid en vrijheid van meningsuiting. De politieke rechten gaven burgers het recht om deel te nemen aan de uitoefening van politieke macht als kiesgerechtigde en gekozene. De sociale rechten hadden betrekking op economische


welvaart en veiligheid, voorbeelden zijn het recht op gezondheidszorg, openbaar onderwijs, werkloosheidsuitkering en oudedagvoorzieningen. Marshall zelf was een groot voorstander van al deze rechten, omdat hij van mening was dat een hogere mate van gelijkheid zou leiden tot een gelijkwaardig bestaan. De politieke, sociale en burgerrechten zouden iedere burger in staat stellen deel te nemen aan het gemeenschappelijke leven en zich lid laten voelen van de maatschappij. Het ontbreken of overtreden van één of meerdere van de drie categorieën rechten zou leiden tot uitsluiting en het individu niet langer in staat stellen deel te nemen aan de samenleving. Juist omdat de ideeën van Marshall ruim vijftig jaar oud zijn en de wereld in deze vijftig jaar behoorlijk is veranderd, sluit Marshalls visie op burgerschap niet volledig aan op de hedendaagse visie op wat burgerschap is. Als gekeken wordt naar de huidige Nederlandse samenleving hebben deze drie rechten niet automatisch tot een totale gelijkwaardigheid van alle bewoners geleid. De wijdverbreide discriminatie van Niet-westerse allochtonen op de arbeidsmarkt is daarvan wel het duidelijkste voorbeeld. Marshalls visie houdt geen rekening met de huidige culturele diversiteit van de West-Europese samenlevingen en verdient dus een heroverweging. Vandaar ook dat er sinds enkele decennia in het publieke debat en vanuit de overheid een ander element is toegevoegd aan het idee van burgerschap, namelijk het onderdeel ‘identiteit’. Juist in de pluriforme samenleving moet burgerschap dienen als bind- en emancipatiemiddel voor de grote verscheidenheid aan groepen binnen de maatschappij. Niet alleen het recht op werk en welzijn is van belang, ook het recht om ingesloten te zijn in de grotere sociale gemeenschap is van wezenlijk belang. Burgerrechten moesten voorbij culturele diversiteit gaan en bindend zijn voor alle groepen binnen de samenleving. Over de vraag wat goed burgerschap inhoudt, hoe het

gestimuleerd wordt en hoe de universele waarden ervan kunnen worden vermengd met de (culturele) diversiteit van de verschillende groepen zodat ook zij zich als volwaardig burger zullen voelen is nog geen consensus bereikt. Ik denk dat de oplossing te vinden is in de verhoging van het cultureel kapitaal van alle ingezetenen in de samenleving. De term cultureel kapitaal is vooral bekend uit de hypothese van de Franse socioloog Pierre Bourdieu. Hij introduceerde de term in de jaren zeventig als antwoord op de vraag hoe het kon dat de socioeconomische elite zichzelf in stand kon houden in tijden van maatschappelijke veranderingen (zoals in de naoorlogse uitbreiding van de verzorgingsstaat). Cultureel kapitaal was in de ogen van Bourdieu vooral een instrument van de elite die zich middels cultuur - kwalitatief moeilijkere muziek, opera, andere kunstvormen – kon blijven onderscheiden van andere groepen in de samenleving toen bijvoorbeeld economische verschillen langzaamaan kleiner werden. Latere onderzoekers hebben het type kapitaal toegepast op onderzoek naar socioeconomische mobiliteit in de samenleving. Vanuit verschillend onderzoek werd aangetoond dat cultuur een positief effect heeft op onderwijsparticipatie en het niveau van schooldiploma’s. Een effect dat zich vertoonde ongeacht het opleidingsniveau van de ouders. Cultuuroverdracht, ooit het redmiddel voor de sociaal-economische elite, heeft dus ook haar waarde voor de lagere bevolkingslagen, echter dan als middel om haar te emanciperen. Cultureel kapitaal kan dus haar waarde bewijzen bij het scholen en samenbinden van verschillende groepen in de samenleving. Door het lezen van (literaire)boeken, luisteren naar verschillende soorten muziek, het ervaren van kunst en andere culturen, door het aantrekkelijk maken – zoniet verplichten – van museumbezoek kan de overheid het cultureel


kapitaal van haar burgers stimuleren. Het bezoeken van verschillende musea, en dan bedoel ik niet eens alleen het type waarvan de stichtelijke waarde er dik op ligt, dwingt mensen om na te denken bij wat ze aan het doen zijn. Door actief te participeren in musea, stadswandelingen, tempel en moskee bezoek begint de materie te leven, worden mensen gedwongen na te denken over de prikkels die zij binnenkrijgen. Door kunst, literatuur en andere culturen te ervaren krijgen kinderen en volwassenen nieuwe en andere perspectieven onder ogen wat hen laat zien dat de wereld diverser en groter is dan hun eigen buurt en stad. Juist dit effect van cultuur – het prikkelen en stimuleren van (zelf)reflectieve gedachten over de eigen situatie en ervaring – heeft een positieve invloed op bijvoorbeeld politiek burgerschap en de maatschappelijke participatie van mensen. Niet dat een bezoekje aan het Kröller-Müller museum zal resulteren in concreet stemgedrag, nee de connectie zit hem in het element van reflectie en nadenken. Mijn gedachte is dat de reflectieve elementen die zijn ontstaan vanuit cultuurdeelname zullen worden toegepast in andere delen van het maatschappelijk leven. Een mens die over zichzelf en zijn positie in de samenleving nadenkt maakt beter afgewogen keuzes, houdt rekening met andere perspectieven. Een maatschappij met burgers die gewend zijn weloverwogen keuzes te maken en niet meedeinen als graanstengels met elke populistische windvlaag, is een maatschappij waarin sociale veranderingen makkelijker worden opgevangen. Weer is daar ook de koppeling naar het integratiedebat. Kennis van verschillende culturen voorkomt het al te gemakkelijk ontstaan van stereotypen en angsten, cultuur dient in die zin als bestrijder het onbekende (en dus onbeminde). De vraag is hoe cultureel kapitaal gestimuleerd zou moeten worden. Wat mij betreft moet de overheid een nog actievere opvoedende rol spelen. Onderwijs vormt daarbij het belangrijkste instrument, omdat

daar de burgers van morgen worden gevormd. Cultuuronderwijs waarbij niet allen kunst, muziek en bijvoorbeeld theater worden besproken, maar ook de veelheid aan verschillende culturen die in Nederland samenleven is een goede optie. Kinderen zitten daarbij natuurlijk niet alleen in de klaslokalen, er moet voldoende ruimte komen om kinderen actief met de materie bezig te laten zijn. Excursies naar gebedshuizen, een theatervoorstelling, een musea en maatschappelijke instellingen zijn een goede aanvulling op de lesstof. Ook de media mogen veel sterker aangesproken worden op hun verantwoordelijkheden. Een strenger toezicht op de commerciële zenders doormiddel van een straf en beloning model is geoorloofd. Zenders die een grotere variëteit aan programma’s bieden waarin maatschappelijke thema’s worden belicht worden beloond met subsidies. Zenders die de quota van soaps, spelprogramma’s, extreme make-over programma’s, etcetera overschrijden worden beboet. Nu is het niet zo dat de beleidsambtenaren van vadertje staat inmenging in elk programma moeten hebben. Zenders behouden de vrijheid programma’s te maken zoals zij dat zelf willen, de zendtijd waarin zij die programma’s kunnen uitzenden is beperkter. De maatregel is niet bedoelt zenders elke vrijheid te ontnemen, het moet hen stimuleren te kiezen voor programma’s die bijdragen aan de ontwikkeling van de kijkers. Zenders als Discovery Channel,


National Geographic Channel en Animal Planet moeten worden gestimuleerd kwalitatief hoogstaande documentaires te blijven produceren en uitzenden. Kortom, binnen het maatschappelijk debat over de inrichting van goed burgerschap moet de overheid de waarde van culturele overdracht erkennen en actief stimuleren. Juist het prikkelende, reflectieve element van cultuur zal een positieve werking hebben op de politieke en maatschappelijke aspecten van burgerschap. Een hoger cultureel kapitaal zorgt voor een maatschappelijk breder georiĂŤnteerde burgerij, die beter in staat is met etnischculturele verschillen om te gaan. Cultureel kapitaal heeft zijn waarde bewezen in de schoolprestaties van kinderen, een effect waar de overheid niet omheen kan en zoveel mogelijk moet zien te stimuleren. De overheid moet de opvoedende taak die zij heeft serieus nemen en via het onderwijs en de media zich actief inzetten in het bewerkstelligen van culturele overdracht. Het laagje beschaving is dun en de democratie verdient onderhoud en moet steeds opnieuw aangeleerd om haar niet te verliezen. Voor wie verder wil lezen T.H. Marshall (1950) Citizenship and social class and other essays. Cambridge: University Press.

J. de Neef (2007) Cultureel burgerschap in de 21ste eeuw. Een taak voor de Publieke Omroep? Universiteit Utrecht: Faculteit der Letteren

P. Scheffer (2007) Het land van aankomst Amsterdam: De bezige bij.


Roemenië: interessant voer voor sociologen

Job van den Berg

Boekarest. Een hoofdstad gelegen in het voormalig Oostblok land Roemenië, is in de week van 2 t/m 9 februari bezocht door een groep Utrechtse sociologiestudenten. Het gezelschap bestond uit een ‘melting pot’ van (aankomende) sociologen uit verschillende leerjaren. Het doel was de hoofdstad Boekarest zowel wetenschappelijk als cultureel te verkennen. Uiteindelijk heeft deze verkenning tot bijzondere confrontaties en interessante bevindingen geleid. De machtsperiode van Ceauşescu blijkt voor zowel de Roemeense cultuur als voor sociologisch onderzoek zijn sporen te hebben nagelaten. Een reisverslag over de hoogtepunten van de studiereis 2008. Na een veilige aankomst op het vliegveld van Boekarest werd de groep direct geconfronteerd met het Roemeense temperament: autorijden lijkt in Roemenië niets te maken te hebben met het respecteren van verkeersregels. De taxi die ons naar het hostel reed, bracht zijn vracht al toeterend en scheldend naar zijn bestemming. Stoplichten hebben geen functie in dit land het lijkt er op dat de Roemeen de absolute macht wil

hebben in het verkeer. Ironisch genoeg staat dit ‘haantjes gedrag’ in het verkeer symbool voor de grote invloed die de communistische machthebber: Ceauşescu tussen 1965 en 1989 in Roemenie heeft gehad. Ook hij luisterde alleen naar zijn eigen belang: het krijgen van de absolute communistische macht. We werden gedurende de reis meerdere malen geconfronteerd met de gevolgen van zijn absolute regeerperiode. Zo heeft deze man als symbool voor macht en perfectie een kolossaal gebouw in de stad neergezet. Als groep kregen we een rondleiding door dit immense gebouw. Niet alleen de grootsheid viel op maar vooral de symmetrie en strakheid van de bouwstijl. Een verbeelding van de perfectie van de communistische ideologie die Ceauşescu in alle lagen van de samenleving heeft laten terugkomen. Bij ons bezoek aan de sociologie faculteit bleek dat pas vanaf de jaren ’90 serieus onderzoek wordt gedaan, omdat dit in de communistische periode werd verboden. Om die reden kent de studie sociologie een korte geschiedenis in Roemenië. In Boekarest is er een onderzoeksbureau dat qua onderzoekstaak vergelijkbaar is met het SCP in Nederland: Culturanet. Zij hebben recent onderzoek gedaan naar het verschil in cultureel consumptiegedrag tussen jonge mensen en oudere generaties. Opmerkelijk is het resultaat van dit onderzoek: ouderen kijken in Roemenië veel meer TV en luisteren significant meer naar (pop)muziek dan jongeren. De populariteit van de studie sociologie lijkt, met ongeveer 1000 studenten in totaal aan de Universiteit van Boekarest, zijn succes te kennen. Als groep kwamen wij in contact met professoren en studenten die zich met de sociologie bezighouden. Het sociologisch onderzoek


blijkt gericht te zijn op een sociaal probleem dat duidelijk in het straatbeeld terug te zien is: de grote kloof tussen arm en rijk. Ondanks deze kloof lijkt Roemenië met een economische groei van 6 procent, uit het dal te komen van de economische teloorgang na de machtsperiode van Ceauşescu. Roemeense studenten geloven echter niet dat deze progressie een gevolg is van de EUlidmaatschap. Zij menen dat de kosten hoger zijn dan de baten van dit lidmaatschap. Europa is volgens de twee Roemeense studenten, die wij spraken, dan ook een farce. Ondanks de economische progressie heeft het politieapparaat nog steeds het conservatieve en ineffectieve karakter van het Roemenië ten tijde van het communistische regime. Doordat een digitale camera gestolen was kregen wij ook een beeld van het overheidsbeleid in Roemenië. Als toerist zijnde kan men namelijk alleen aangifte doen met behulp van een erkende vertaler. Op het politiebureau vroegen wij de politie om te helpen door op het internet naar een oplossing te zoeken, want het vinden van een erkende vertaler leek geen sinecure. Op deze vraag antwoordde de betreffende agent ‘No, the police has no Internet, because we are too poor’. Later bleek dit dramatische antwoord onzin: een andere agent zat achter

een computer met Internet Explorer. Een dag later zaten we op een ander politiebureau met een erkende vertaler èn een nieuwe agent. Op deze dag werden we geconfronteerd met een interessant Roemeens schouwspel: de aanwezige agenten zaten onderuitgezakt met de benen op de tafel te praten over onderwerpen als het pensioen, terwijl een andere agent niet het verschil kon zien tussen een digitale en een ‘gewone’ fotocamera. Een ‘Louis de Funes- film’ in een Roemeens jasje. Nu, 3 volle maanden na het avontuur in Roemenië, is de conclusie dat het land een bijzonder karakter en temperament kent. Helaas zijn de sporen van communistisch leider Ceauşescu nog steeds terug te zien in de samenleving en in het Roemeense straatbeeld. Toch lijkt het land economische progressie te maken en met het lidmaatschap van de EU, een passend onderdeel te worden van Europa. Al met al is de Roemeense samenleving interessant voer voor sociologen.


Stelling

Het invoeren van een quotum voor

Ondoordachte plannen voor nobele idealen Thijs van Dooremalen

Onlangs pleitte FNV-voorzitter Agnes Jongerius in een interview met de Volkskrant voor invoering van een quotum voor vrouwen in de top van het Nederlandse bedrijfsleven. Haar voorstel is om bedrijven te verplichten 40 procent van hun topfuncties te laten vervullen door vrouwen. Hiermee hoopt zij de ‘witte mannencultuur’ die heerst binnen veel Nederlandse bedrijven en organisaties te doorbreken. Dit streven kan ik alleen maar onderschrijven. Het ‘glazen plafond’ weerhoudt vrouwen er immers nog steeds van om evenveel kans te maken op een topfunctie als mannen. Deze vorm van discriminatie is het gevolg van het vooroordeel dat vrouwen minder geschikt zouden zijn voor topfuncties dan mannen. Het zou mooi zijn als dit idee doorbroken wordt, waardoor vrouwen bij een sollicitatie niet op hun sekse maar op hun kwaliteiten beoordeeld zouden worden. De vraag is echter of het invoeren van een quotum de juiste manier is om dit te bereiken. Dit betwijfel ik ten zeerste. Sterker nog: ik denk dat een quotum er juist voor zal zorgen dat het bestaande vooroordeel zal worden bevestigd, waardoor het probleem niet wordt opgelost, maar alleen maar vergroot. Dit denk ik om twee redenen. Allereerst zal invoering van een quotum gemiddeld gezien zorgen voor een lagere kwaliteit van de vrouwen in topfuncties. Werkgevers zullen namelijk aan het quotum moeten gaan voldoen. Dit betekent dat ze er altijd voor zullen moeten zorgen dat er een bepaald percentage vrouwen in de top van hun bedrijf of organisatie rondloopt, zelfs al zijn vrouwen met de juiste kwaliteiten niet voor handen. Met name in sectoren waar weinig vrouwen werken kan dit tot een lagere kwaliteit leiden. Denk bijvoorbeeld aan de politie, wat een echt mannenbolwerk is. De poule goed gekwalificeerde mannen waaruit werkgevers kunnen kiezen is hier veel minder groot dan de poule goed gekwalificeerde

vrouwen. Daardoor zullen werkgevers in dit soort sectoren om het quotum te kunnen halen vaak moeten kiezen voor vrouwelijke sollicitanten die eigenlijk minder kwaliteiten hebben dan de mannelijke. Dit zorgt ervoor dat de prestaties van mannen in deze sectoren beter zullen zijn dan die van vrouwen. Het gevolg is dat het vooroordeel van de minder geschikte vrouw blijft bestaan en misschien zelfs wel wordt vergroot. Het vooroordeel is dan namelijk geen vooroordeel meer, maar wordt in de praktijk bevestigd! De tweede reden waarom een quotum niet zal werken, is dat vrouwen er door worden gestigmatiseerd. Zij zullen nooit zeker weten of ze zijn aangenomen vanwege hun kwaliteiten of toch vooral vanwege hun sekse. Dit legt een zware last op hun schouders. Vrouwen moeten immers al vechten tegen het vooroordeel dat over hen bestaat. Door invoering van een quotum lopen ze ook nog eens het risico het verwijt te krijgen dat ze hun baan alleen maar aan hun sekse te danken hebben. Deze druk kan gemakkelijk leiden tot onderprestaties, waardoor het bestaande vooroordeel wederom bevestigd zal worden. Bovendien zitten er nog twee perverse, negatieve effecten vast aan het invoeren van een quotum. Ten eerste blijft er nog steeds discriminatie bestaan, maar dan nu van mannen. – Dit lijkt me ook niet helemaal de bedoeling. En ten tweede zal de lagere kwaliteit in de top van organisaties leiden tot een minder goed functioneerde overheid en slechtere leiding van bedrijven. Dat is voor de gehele Nederlandse samenleving natuurlijk ook een slechte zaak. Als je die negatieve effecten in ogenschouw neemt en daarnaast ziet dat de invoering van een quotum geen fundamentele verandering brengt in het bestaande vooroordeel, is er slechts een conclusie mogelijk: invoering zou een dom idee zijn!


vrouwen in topfuncties is een dom idee

po · le · miek (de ~ (v.), ~ en) 1 openlijk gevoerde pennenstrijd

Geen woorden, maar daden! Remmert van Haaften

Discriminatie is helaas nog altijd aan de orde van de dag. Zo ook op de arbeidsmarkt. Uit verschillende studies is gebleken dat vrouwen vele malen minder kans maken op die felbegeerde topfunctie dan hun mannelijke concurrenten. Alle goede bedoelingen ten spijt is er in die situatie de afgelopen jaren weinig verandering gekomen. Tijd voor actie dus! Positieve actie heeft het opheffen van discriminatie tot doel. Een voorbeeld daarvan is het instellen van een quotum om tot een representatieve(re) afspiegeling van de bevolking te komen. Hoewel dat een vrij ingrijpende maatregel is, leidt het wel tot het gewenste resultaat: gelijke(re) kansen. Dat organisaties niet snel uit eigen beweging vrouwen in de top zullen benoemen, is afkeurenswaardig, maar wel begrijpelijk. Als een werkomgeving wordt gedomineerd door mannen, is het namelijk minder voor de hand liggend om er een vrouw bij te vragen. Andersom geldt voor vrouwen dat ze huiverig zullen zijn om zo’n mannenbolwerk te betreden. De onwenselijke situatie houdt zichzelf dus in stand, zowel aan de vraag- als de aanbodkant van de arbeidsmarkt. Door quota in te stellen kan dit mechanisme worden doorbroken. Tegenstanders van positieve actie wijzen erop dat het ten koste zou gaan van kwaliteit en (daarom) de vooroordelen slechts zou bevestigen. Hoewel deze argumentatie op het eerste gezicht goedbedoeld lijkt, komt zij bij nadere beschouwing voort uit dezelfde vooroordelen die positieve actie nu juist probeert te doorbreken. Het bezwaar dat positieve actie ten koste zou gaan van kwaliteit, impliceert namelijk dat er ofwel te weinig kwaliteit, ofwel te weinig aanbod zou zijn. De bewering dat vrouwen nu eenmaal minder geschikt zijn voor topfuncties, lijkt me een vooroordeel dat doorbroken dient te worden en pleit

dus eerder voor dan tegen positieve actie. De bewering dat te weinig vrouwen zich aanbieden voor topfuncties, is waarschijnlijk gedeeltelijk waar, maar komt voort uit de begrijpelijke onzekerheid van veel vrouwen om te gaan werken in een omgeving met alleen maar mannen en pleit dus eveneens voor positieve actie. Daarnaast wordt vaak de suggestie gewekt dat mannen slechts op hun uitmuntende kwaliteiten worden geselecteerd. Wel eens van het zogenaamde ‘old boys network’ gehoord? Het bezwaar dat positieve actie de vooroordelen over vrouwen slechts zou bevestigen steunt op de zojuist ontkrachte aanname dat positieve actie ten koste zou gaan van kwaliteit. Wanneer vrouwen even goed of zelfs beter presteren dan mannen, zal dat immers eerder leiden tot het doorbreken dan tot het bevestigen van vooroordelen. De bezwaren komen dus impliciet voort uit de gedachte dat vrouwen minder geschikt zouden zijn voor topfuncties. Als ze dit dan ook nog eens tentoon zouden spreiden op de werkvloer, maken ze het alleen maar erger! Dat deze argumentatie op vooroordelen is gebaseerd, moge duidelijk zijn, maar zij verdient daarom niet minder aandacht. Een interessante vraag is namelijk hoe je kwaliteit definieert. Veel vrouwen dringen namelijk niet door tot de top, omdat de mannen die het daar voor het zeggen hebben bepalen wat kwaliteit is. Zij zullen kwaliteit vooral definiëren in termen van mannelijke eigenschappen, terwijl aangetoond is dat vrouwelijke eigenschappen net zo nuttig zijn bij het besturen van een organisatie. Vooral een combinatie van mannelijke en vrouwelijke bestuurders blijkt de prestaties van de organisatie gunstig te beïnvloeden, omdat mannelijke en vrouwelijke kwaliteiten elkaar dan goed aanvullen. Om de huidige mannencultuur te doorbreken, is het van groot belang dat er veel meer vrouwen tot de top doordringen. Het zijn immers slechts de vrouwen zelf die een cultuuromslag kunnen bewerkstelligen. Totdat die cultuuromslag een feit is, is een quotum helaas bittere noodzaak.


Usocia zoekt commissieleden 2008-2009 Studievereniging Usocia heeft een heel aantal leuke commissies die allerhande activiteiten organiseren. Die moeten natuurlijk gevuld worden met enthousiaste leden, ook volgend jaar weer! Daarom vragen we je om eens goed naar onderstaande tekstjes te kijken en te bezien of jouw profiel past in één van deze commissies. Je zult zien dat Usocia genoeg te bieden heeft voor ieder die zin heeft om iets te organiseren. Lees het dus maar rustig door, we horen graag van je!

Activiteitencommissie Als lid van de Activiteitencommissie organiseer je maandelijks activiteiten voor de leden van Usocia. Deze activiteiten variëren van het organiseren van een feest tot een het regelen van een bezoekje aan een sociologisch interessante organisatie. Er is veel eigen inbreng mogelijk. Je zit met ongeveer zes mensen in deze commissie en organiseert activiteiten in tweetallen. De Activiteitencommissie is de overkoepelende commissie die het hele jaar door actief is. Lisa, 1e jaars sociologie, lid van de Activiteitencommissie ‘07/’08 “Wanneer je zelf een activiteit organiseert en ziet dat mensen het als leuk ervaren krijg je een fijn gevoel.”

Weekendcommissie De Weekendcommissie organiseert, zoals de naam al zegt, een weekendje weg naar een gezellige en doorgaans mooie bestemming in de Benelux. De locatie en datum zijn (in overleg met het bestuur) vrij te bepalen. Daarnaast zijn er voor dit weekend activiteiten te organiseren en moet er natuurlijk gegeten worden. In principe vindt er één weekend per jaar plaats, dus na een goede afhandeling van het weekend ben je vrij om je met andere dingen bezig te houden. Annet, 3e jaars sociologie, lid van de Weekendcommissie ‘07/’08 “Commissiewerk zorgt dat je meerdere mensen (niet alleen van je eigen jaar) leert kennen. Het is gezellig om met studiegenoten op weekend te gaan, de organisatie ervan kost niet heel veel moeite.”


Reiscommissie Binnen de Reiscommissie organiseer je met een groep van ongeveer vijf mensen een reis van een week naar een mooie en/of interessante bestemming buiten Nederland. Tijdens deze reis wordt kennis gemaakt met de universiteit van de te bezoeken stad en daarnaast zijn er diverse culturele en ontspannende activiteiten. Voor mensen met reiservaring een leuke kans om een georganiseerde reis op te zetten en voor mensen met weinig reiservaring een mogelijkheid om meer van de wereld te zien en te ontdekken hoe je voor weinig geld hele leuke dingen kunt doen! Christien, 3e jaars sociologie, lid van de Reiscommissie ‘07/’08 “Het is erg leuk en uitdagend om een reis naar het buitenland te organiseren. Je bent er een aantal maanden mee bezig en dan is het heel leuk om te zien dat er steeds meer mooie ideeën ontstaan en dingen geregeld worden. En uiteraard is het meemaken van de reis zelf een geweldige ervaring waarbij je zowel een mooie stad als veel nieuwe mensen leert kennen!”

Pamflet Pamflet is de sociologenkrant van Usocia. De redactieleden schrijven kritische stukken over maatschappelijke fenomenen en vermaken je daarnaast met leuke anekdotes en korte verslagen van activiteiten. Ook ingezonden stukken zijn welkom. Fervente schrijvers kunnen hier hun ei kwijt. Daarnaast zijn er natuurlijk dingen als de lay-out, onderhandelingen met drukkerijen en het managen van de tijd waar iets mee moet gebeuren. Voor ieder wat wils dus! Thijs, 2e jaars sociologie, redactielid van Pamflet ‘07/’08 “Als student sociologie is het een uitdaging om de kennis die je tijdens je studie opdoet en de opinies die je dagelijks via de krant, opiniebladen en actualiteitenprogramma’s meekrijgt te combineren. Dat kan door als redactielid je mening op papier te zetten en te publiceren in het Pamflet!”

Lijkt het je leuk om in één (of meerdere) van deze commissies actief te zijn? Je kunt dan nu al mailen naar usocia@studver.uu.nl. Ook voor vragen kun je hier terecht. Verder ben je altijd welkom op de Usocia-kamer op de 14e verdieping van het Van Unnik!


Het Individualistisch Collectivisme De Nederlander van de 21e Eeuw Tim Immerzeel

Wie

het

laatste

jaar

de

krant

heeft

bijgehouden, debatavonden is afgelopen en enkele programma’s op televisie heeft gezien, zal het niet ontgaan zijn dat er nogal een discussie gaande is over ‘De Nederlander’. Onze geliefde kroonprinses deed een duit in het zakje, Paul Scheffer schreef er een boek over, Frans Bauer schreef een nieuw volkslied voor de Nederlander, maar ook vele sociologen, historici en Utrechtse studenten in de vorige Pamflet schroomden niet er iets over te zeggen. De Nederlander weet niet meer wie ze is, met wie ze zich verbonden weet en lijkt angstig voor een immigrant die haar constant uitdaagt om na te denken over haar eigen identiteit. We zijn namelijk op een punt aangebroken dat we balanceren op een gevoel dat zich laat omschrijven als een verlangen naar gemeenschap en individualisme: we willen meedoen aan de ‘ver-Europa-isering’ van Nederland, maar verlangen ook naar privacy en de vrijheid om zelf te kiezen, zeggen, geloven en denken wat we willen. In dit essay wil ik u meenemen op reis door de 21e eeuw, waarin ik u een beschrijving geef van hoe ik denk dat dit paradoxale verlangen van gemeenschap en individu zich ontwikkelt. Mijns inziens is die identiteitsqueeste namelijk er een die als metafoor gebruikt kan worden voor de opkomst van het individualistisch collectivisme. Deze term komt van Charles Leadbeater, die spindoctor is in Groot-Brittanië en de term gebruikte in een interview met de Vrij Nederland in april 2007. In dat interview beschrijft Leadbeater hoe de opkomst van internet en technologie ons dusdanig beïnvloedt dat we onder ogen moeten zien dat ons sociale leven zich langzamerhand steeds meer af gaat spelen in de digitale wereld. Voorbeelden hiervan zijn de enorme

populariteit van chat- programma’s als MSN messenger, ICQ, vriendschaps-websites als Hyves en Hi5. De nieuwe generatie jongeren groeit ermee op en vindt het de normaalste zaak dat je na school niet buiten speelt, maar gewoon lekker achter je computer gaat zitten chatten met de vrienden die je een half uur geleden nog in het echt zag. Als ik naar mijn eigen broertje van 13 kijk, zie ik in hem het jongetje dat Leadbeater beschrijft: het eerste wat hij doet als hij thuiskomt, is de computer aanzetten en jawel, automatisch start MSN op. Het is hetzelfde jongetje dat later wellicht vanachter zijn computer samen met een Chinese compagnon een bedrijf runt dat persoonsgebonden webcams produceert om online te verkopen aan consumenten over de hele wereld. Die jongen begeeft zich nu nog op sites als spele.nl waar hij speelt tegen Duitsers en Japanners of doet het spelletje SIM-city, voorloper van het digitale second life. Ik stel me voor dat hij later een digitale vriendin heeft, ontmoet via een datingsite en bezig is met een huis te kopen via funda.nl.


Door constant op internet in contact te zijn, echter, is deze jongen volgens Leadbeater wel ‘het kind dat een sterk besef heeft van zijn eigen identiteit, maar tegelijkertijd instinctief wil samenwerken’. En met deze laatste zin raakt Leadbeater de kern van wie de Nederlander op dit moment is, weerspiegeld in de nieuwe generatie adolescenten en volwassenen van de 21e eeuw. Onze samenleving is er een aan het worden waarin we digitaal allemaal willen samenwerken aan bijvoorbeeld sites als Wikipedia , digitaal ons verenigen in communities en zelfs digitaal een tweede leven willen leiden, maar wel helemaal zoals wij het zelf willen. Leadbeater noemt het een nieuwe invulling van gemeenschapszin waarin cultuur en geschiedenis steeds minder een rol zullen spelen omdat we door de digitale wereld allemaal kosmopolitisch worden: je staat met iedereen in contact en iedereen met jou. Gedachten worden uitgewisseld; normen, waarden, levensrichtlijnen die mensen richting geven en ook beperken, vervagen omdat men ziet hoe het ook anders kan. We verworden zogezegd tot één grote massa, waar iedereen ‘zichzelf’ is en waar vrijblijvendheid de boventoon voert: als me het gesprek niet bevalt, dan klik ik je weg. Authenticiteit en eigenheid doen niet echt meer mee: iedereen die een computer en een internetaansluiting heeft sluit zich automatisch aan bij de massa. Het mooie is dat er door individualistisch Nederland al naar verlangd wordt. Hierbij verwijs ik u graag naar de column ‘Onverschilligheid’ van Stephan Sanders in de Vrij Nederland van 5 januari 2008. Hij zingt Renate Rubinstein na in een ‘Loflied op de Onverschilligheid’ waarin hij pleit voor een samenleving waar mensen niet hoeven samen te leven, omdat je je schouders kan ophalen. Als socioloog heb ik mij afgevraagd of een samenleving waar mensen hun schouders ophalen voor elkaar er een is die Durkheim zou beschrijven als een samenleving met veel sociale cohesie. Het is namelijk maar de vraag of onverschilligheid en vrijblijvendheid de nieuwe normen en bindmiddelen kunnen zijn

die ervoor zorgen dat je blijft zeggen: ‘ja, de Nederlandse identiteit bestaat’. In mijn ogen is zo’n samenleving een oppervlakkige samenleving zonder geloof en hoop waarin niemand gewoon weer eens opstaat en zegt: ‘Jullie zijn allemaal gek geworden!’ Nou ja, misschien gebeurt dat toch wel, maar iedereen zal erop reageren met: ‘That’s like your opinion, man!’


Meer rationaliteit in het Nederlandse drugsbeleid Jasper van de Pol

Kun

je je het Franse meisje van 17 nog herinneren dat vorig jaar onder invloed van paddo’s van een brug bij het Amsterdamse IJ sprong en dit niet overleefde? Dit incident ging onze minister van Volksgezondheid Klink zó aan het hart, dat hij meteen besloot de paddo te verbieden. Ook een meerderheid in de Tweede Kamer vond de dood van de toeriste erg genoeg voor een algeheel paddoverbod, en zodoende zal dat naar verwachting deze zomer nog worden ingevoerd. Dit illustreert voor mij heel mooi hoe krampachtig de politiek omgaat met drugs. Bij zijn voorstel voor een paddoverbod laat minister Klink een sterk staaltje zien van de wereldwijde dogmatische manier van denken over drugs, die volgens mij heel verkeerd is. Komend jaar is het 100 jaar geleden dat de wereldwijde drugsbestrijding begon. In 1909 hebben de belangrijkste Westerse landen van die tijd in Shanghai afgesproken het gebruik en de productie van drugs compleet uit te bannen. In deze 100 jaar is het denken over drugs enorm gedomineerd door een grote afschuw ervan. Er heerst grote unanimiteit over de slechtheid van alle drugs: de VN willen het uitbannen, de EU ook en Amerika nog het hardst van allemaal met hun ‘War on drugs’. Als gevolg hiervan wordt er ook heel emotioneel gereageerd door publiek én politiek op drugsincidenten. Iedereen weet dat het arme meisje die onder invloed van die brug sprong de eerste in 5 jaar is die overleed als gevolg van het gebruik van paddo’s, terwijl er aan de gevolgen van alcoholgebruik jaarlijks 20.000 mensen sterven. De mens gebruikt al drugs sinds mensenheugenis. Er is een Sumerische tekst bekend van 6000 jaar voor Christus die zegt: “opium is een plant van vreugde’. Bovendien hebben haast alle religies wel iets met drugs.

In de 18e eeuw hebben katholieke missionarissen nog coca-bladeren uitgedeeld in de mis in Zuid-Amerika. En uit een recent onderzoek van de Israëlische professor in de cognitieve psychologie Benny Shanon blijkt dat in bijbelse tijden Israëlieten hallucinogene middelen gebruikten voor religieuze doeleinden. Shanon vermoedt zelfs dat Mozes, toen hij op de berg Sinaï de Tien Geboden in ontvangst nam, onder invloed was van drugs en de hele bijbelse gebeurtenis dus eigenlijk niets meer dan een soort paddotrip was. Natuurlijk gebeuren er ook verschrikkelijke dingen met drugs, en zijn verschillende drugs ook heel gevaarlijk. Bekend is dat de meeste mensen die voor het eerst heroïne gebruiken, op slag verslaafd zijn en daar heel moeilijk of gewoon nooit meer vanaf komen. Maar de krampachtige manier waarop de overheid met drugs omspringt maakt naar mijn idee veel dingen alleen maar erger. Ten eerste zijn veel drugs helemaal niet zo ontzettend gevaarlijk als men ons doet geloven. In opdracht van de Britse overheid hebben neurowetenschappers vorig jaar onderzoek gedaan naar de maatschappelijke en lichamelijke risico’s van verschillende soorten drugs om een poging te doen tot een objectieve classificatie te komen van verschillende soorten drugs. Zoals je kunt aflezen aan de figuur die uit hun artikel komt, blijkt bijvoorbeeld cannabis minder schadelijk te zijn dan tabak en XTC minder dan steroïden, die zelfs Arnold Schwarzenegger gebruikte om een mooi gespierd lichaam te krijgen. Alcohol eindigt heel hoog in de rangschikking en is dus net minder schadelijk dan heroïne en cocaïne. Ten tweede is algemeen bekend dat wanneer je als overheid dingen gaat verbieden waar toch veel vraag naar is, deze producten


in de illegaliteit verdwijnen. Bij producten waar risico’s aan kleven is dat erg gevaarlijk, omdat de overheid dan geen controle meer heeft op het gebruik er van. Want wanneer dit soort producten verboden zijn, gaan mensen ze stiekem gebruiken en kan er niet worden voorkomen dat ze dat onverstandig doen en er problemen mee krijgen. Het is onrealistisch om te denken dat door drugs te verbieden, je ze ook kunt uitbannen. Zoals ik hierboven al opmerkte gebruikt de mens altijd al drugs, en is drugsgebruik eeuwenlang net zo ‘gewoon’ geweest als religie. Andersom neemt de vraag naar drugs ook niet toe als het legaal is. De vraag naar softdrugs is in Nederland niet groter dan in andere landen, terwijl Nederland het enige land is waar het “legaal” is en vrij makkelijk te krijgen. Een mooi voorbeeld die onderstreept dat een verbood niet werkt is de befaamde ‘drooglegging’ in de Verenigde Staten aan het begin van de 20e eeuw. De overheid heeft toen ruim tien jaar alcohol verboden, om dezelfde reden als waarom drugs verboden zijn. Maar in tegenstelling tot wat zij gehoopt hadden,

verdween de vraag naar alcohol niet. Als gevolg kon de maffia geweldig zakendoen met de verkoop van alcohol en steeg het aantal problemen met alcohol alleen maar. Daarom is op een gegeven moment besloten alcohol toch maar weer toe te staan, want hoewel niet wenselijk, is deze situatie honderd keer beter dan de ongecontroleerde ondergrondse verkoop van alcohol. Ten derde doet de drugsbestrijding een groot beroep op onze rechtspraak. Uit onderzoek van het WODC in 2003 bleek dat grofweg een kwart van alle opgelegde gevangenisstraffen een verband houdt met drugs. Later dat jaar pleitte de toenmalige president van de rechtbank in Maastricht Peter Paul Lampe er in de Volkskrant voor om drugs uit het strafrecht te bannen, omdat het systeem “niet deugt”. “Voor een heleboel andere zaken hebben we geen tijd meer. Daar zitten zware misdrijven bij,” zei hij. En: “De drugskoeriers die worden berecht zijn vrijwel allemaal sloebers die in Peru of de Dominicaanse Republiek of iets dergelijks worden geronseld. Het zijn de echte losers. (..) Bij andere zaken


zit je te wikken en te wegen of je iemand een maand meer of minder van zijn vrijheid berooft. En dan wordt die bolletjesslikkers, hup, zo jaren cel opgelegd'. En dat terwijl de drugsmisdaad toch vrij weinig slachtoffers kent. De enige ‘slachtoffers’ die drugscriminaliteit kent, zijn naar mijn mening de mensen die verslaafd raken en die dus door het strafrecht als dader of medeplichtige worden gezien. Wat op mij als vrij onrechtvaardig overkomt. De gevolgen van drugsgebruik, vooral van heroïne- en cocaïneverslaving, zorgen wel voor veel ‘afgeleide’ criminaliteit. Deze verslaafden hebben geld nodig voor hun dagelijkse portie drugs en omdat ze dat niet hebben breken ze in of overvallen ze mensen. Maar dit effect had niet bestaan als drugs niet zo streng verboden waren. Omdat deze middelen verboden zijn, maar de vraag ernaar blijft bestaan, worden ze veel waard en kan de georganiseerde misdaad er veel aan verdienen. Ga maar na: wanneer de overheid drugs niet verbiedt maar zelf gecontroleerd verschaft aan mensen die er toch al aan verslaafd zijn, ontneem je de georganiseerde misdaad een grote inkomensbron, en heb je bovendien veel minder vermogenscriminaliteit als gevolg van verslaving, omdat verslaafden tegen een veel lagere prijs hun goedje kunnen halen. In zijn onlangs verschenen boek Het utopisme van de drugsbestrijding heeft socioloog Egbert Tellegen het over ‘misplaatst staatsmoralisme’. Wat is de reden om bijvoorbeeld cannabis en XTC te verbieden, als deze nauwelijks lichamelijke risico’s met zich meebrengen, en de gebruikers ervan ook geen last zijn voor de samenleving? Het enige dat dan overblijft is dat de overheid vindt dat burgers niet op die manier mogen genieten. De overheid bemoeit zich met de gemoedstoestand van zijn burgers, en nog op een hypocriete manier ook, want waarom mogen alcohol en tabak wel? Ik pleit daarom voor een ander drugsbeleid in Nederland. Maak cannabis volledig legaal, houd op met het vreemde en hypocriete gedoogbeleid dat we nu hebben. Beoordeel

alle drugs nogmaals op hoe schadelijk en gevaarlijk ze echt zijn en legaliseer dan bijvoorbeeld XTC, omdat het nauwelijks schadelijk blijkt te zijn. Het gevaar van XTC is dat mensen uitgedroogd raken, omdat ze tijdens hun trip niet genoeg drinken, of dat ze echt ongezonde troep binnenkrijgen, omdat ze niet zeker weten of het echt XTC is wat ze slikken. Als je XTC legaliseert heb je beide gevaren uitgebannen, omdat je kunt controleren op de productie en het gebruik ervan. Daarnaast vind ik dat het rechtssysteem wat betreft drugs veel rechtvaardiger kan. De straffen die worden opgelegd zijn buitenproportioneel, er zijn nauwelijks slachtoffers van deze ‘misdaden’, de mensen die worden gestraft zijn niet de echte drugsbarons maar afhankelijke ‘losers’ en de rechtspraak is echt overbelast met drugsbestrijding. Verlaag de straf voor drugscriminelen en legaliseer de meeste drugs, dat zal enorm schelen in de overbelasting van de rechtspraak. Als deze feiten en conclusies in acht worden genomen kunnen we daarmee het drugsbeleid veel rechtvaardiger, effectiever, goedkoper en rationeler maken. Bron figuur: Nutt et al. (2007) Development of a rational scale to assess the harm of drugs of potential misuse. The Lancet.


-Aan de andere kant van Europais een drieluik over de huidige situatie in voormalig Joegoslavië. Rode draad in dit drieluik is de reis die geschiedenisstudent Julian van Batenburg vorig jaar door Servië maakte. Deel 2

Staatkundige sentimenten; Servië en Kosovo. Julian van Batenburg

In de recente westerse geschiedenis wordt het laatste decennium van de voorbije eeuw, beschouwd als een relatief rustig en voorspoedig tijdsgewricht. De koude oorlogsdreiging was voorbij, het communisme ideologisch failliet verklaard en niets leek de mondiale opmars van de zwaar bevochten liberaaldemocratische open society nog te kunnen stuitten. Hoe groot is de paradox, als men diezelfde tien jaar aan de andere kant van Europa aan analyse onderhevig maakt. Waar de geopolitieke desintegratie van de voormalige Sovjet Unie nog relatief geweldloos zou verlopen, zou het uiteenvallen van voormalig Joegoslavië het begin betekenen van een nationalistische revival die uit zou monden in een reeks bloedige etnische conflicten. Op 17 februari jongstleden bleek ‘onze’ liberale internationale gemeenschap gelukkig weer aan de winnende hand. Met de openlijke ambitieuze onafhankelijkheidsverklaring van een multi-etnisch Kosovo, kon na negen jaar vertraging eindelijk het laatste twistpunt op de Balkan in de historische annalen worden bijgeschreven. Lang leve de democratische volkssoevereiniteit! Positieve politieke geluiden alom. Eindelijk dat ene succesje waar de supranationale rechtsorde momenteel zo veel behoefte aan lijkt te hebben. Maar wie bekend is met de conflictrijke geschiedenis van de Balkan en de actuele maatschappelijke situatie in haar jongste staat, ontdekt dat deze potentiële brandhaard nog lang niet volledig geblust is. Opvallend in de meest recente reeks Balkenconflicten, is de rol die de Servische bevolkingsgroep over het algemeen wordt toebedeeld. Mede door de begane gruwelen van Servische leger- én burgereenheden in Bosnië, de NAVO bombardementen van 1999/2000 en de aanhoudende retoriek rondom Kosovo, wordt Servië

vaak als voornaamste agressor beschouwd. In een gering tijdsbestek en in talloze staatkundige varianten, wist Servië zo uit te groeien tot het enfant terrible van de hedendaagse internationale gemeenschap. Maar zowel de roerige Servische geschiedenis als haar onzekere toekomst, lijken in hoge mate verbonden met de situatie in Kosovo.

Het Merelveld; de mythe. - 28 juni, 1389, Kosovo Polje, centraal Servië. Gedurende de veertiende eeuw had de Osmaanse expansie zich westwaarts gekeerd en dreigde in hoog tempo het oosten van christelijk Europa te overrompelen. Het eens zo machtige Servische koninkrijk, was verarmd en verdeeld geraakt en leek een gemakkelijke prooi voor de legers van sultan Murat I (1362-89). In allerijl smeedde de Servische koning Lazar Hrebeljanovič (1359-89) haastig een gelegenheidscoalitie met de vorst van Bosnië en met Vuk Brankovič, zijn schoonbroer en heerser over hedendaags Albanië1. De militaire confrontatie die op deze noodlottige zomerdag in 1389 zou volgen, is naderhand vakkundig doorspekt van allerlei mythische elementen. Ondanks dat de slachting op het merelveld zowel koning Lazar als sultan Murat het leven zou kostten, en afgezien van het feit dat deze militaire nederlaag het begin van ruim vijf eeuwen Osmaanse overheersing zou betekenen, toont de Servische geschiedschrijving hier een haast bewonderenswaardige flexibiliteit. De legende wil immers dat koning Lazar op de nacht voor de veldslag door de profeet Elijah is bezocht. Deze gezant Gods stelde de koning voor dit ethische dilemma: Ofwel een machtig rijk op aarde, ofwel een eeuwigdurend rijk in het hiernamaals. En zoals ook 1

R. Detrez, Kosovo; de uitgestelde oorlog, (Antwerpen 1999) 20.


veel hedendaagse Serviërs prat gaan op een naar bijgeloof riekende godvrezendheid, was deze keus voor koning Lazar dan ook een spreekwoordelijke peulenschil. Lazar’s beslissing zou hem uiteindelijk wel een mythisch martelaarschap van haast Christusachtige status opleveren. Ook Lazar belichaamde immers de morele superioriteit van fysieke zelfopoffering in dienst van een hoger voorzieningsplan. Tevens werd in de persoon van Vuk Brankovič, verrader op het slagveld en later Albanees vazalvorst onder Osmaanse soevereiniteit, al snel een gemakkelijke judas gevonden.2 De legende was geboren en de historische implicaties van de militaire nederlaag verdwenen al snel naar de achtergrond. Lazar’s ultieme zelfopoffering voor principes en vaderland, werd een handig te manipuleren referentie in de vele etnische conflicten die de Servische historie rijk is.

Een stervende Koning Lazar op het merelveld.

Het Merelveld; de nasleep -28 juni 1989, Gazimestan, zuid Joegoslavië St.Vitus dag, 600 jaar later. 3 Duizenden mensen drommen gespannen samen op het Merelveld. De herdenking van de roemruchte middeleeuwse veldslag heeft dit jaar een beladen karakter. Al geruime tijd groeien de spanningen tussen Servische en Albanese inwoners van Kosovo. Het communistische establishment in Belgrado heeft het zelfs nodig bevonden om haar meest getalenteerde gezant te sturen. Langzaam beklimt een jonge Slobodan Milosovič het podium.

Slobodan Milsovič spreekt de menigte toe

Milosovič’ oproep tot eenheid en broederschap moet die middag als een wezensvreemde utopie in de oren hebben geklonken. Sinds de dood van kameraad Tito in 1980, rouleerde het presidentschap van Joegoslavië tussen de vijf oorspronkelijke deelrepublieken4. Onbedoeld raakte het broze etnische evenwicht hierdoor steeds verder ontwricht. En uitgerekend in Kosovo manifesteerde zich de eerste federale scheur. In 1981 ging de Albanese bevolking van Kosovo de straat op. De regionale autonomie van Kosovo, vastgelegd in de Joegoslavische grondwet van 1974, was in hun ogen niet meer toereikend. De nominaal Servische provincie moest een volwaardige politieke en culturele autonome deelstaat worden binnen de bestaande Joegoslavische federatie. Dit voorstel was voor de gevestigde deelrepublieken, Servië voorop, nagenoeg onbespreekbaar en werd naar de prullenmand verwezen. Zijn bezielende redevoering op het Merelveld zou Slobodan Milosovič echter geen politieke windeieren leggen. Zijn Servische afkomst en zijn credo van broederschap gaf hem in zijn thuisland het aura van een heroïsch leider die, tegen alle nationalistische verdeeldheid in, strijdbaar bleef voor het Joegoslavische ideaal. Die maatschappelijke behoefte aan sterk leiderschap, bezorgde Slobodan in november 1989 het presidentschap van Servië. Uit naam van datzelfde Servische eenheidsideaal werd een jaar later de culturele en politieke autonomie van Kosovo ontnomen. De overheidsinstellingen, zorg en onderwijs werden van hogerhand ‘geserbaniseerd’.5 De interetnische verhoudingen in de overwegend Albanese provincie waren nu onherstelbaar beschadigd.

2

N.Malcolm, Kosovo; a short history (Londen 1998) 58 Sint Vitus zou geleefd hebben in de derde eeuw na Christus. Hij koos ondanks vreselijke martelingen voor het Christelijke geloof. Zijn naamdag, 28juni , loopt als rode draad door de geschiedenis van Servië heen.

3

4

S.Blommaert, De ondergang van Slobodan Milosovic, (Amsterdam 2003) 15. 5 A.Mertus, Kosovo; how myths ands truths started a war, (Los Angeles 1999) 120-21.


De gebeurtenissen die hierop zijn te ingrijpend en omvangrijk om in een korte uiteenzetting recht te doen. De repressieve politiek van Milosovič had de sluimerende onafhankelijkheidsgedachte nu goed wakker geschud. Extreem nationalisten in geheel Joegoslavië zagen hun kans schoon en wisten met opruiende retoriek hun etnische achterban voor zich te winnen. Wanneer Slovenië en Kroatië in 1991 effectief de onafhankelijkheid uitroepen, barst letterlijk de bom. Het wordt oorlog. Eerst 10 dagen in Slovenië, daarna 6 maanden in Kroatië en tot slot drieënhalf jaar in Bosnië. Na interventie van de NAVO en enorme druk van de internationale gemeenschap, wordt eind 1995 dan eindelijk een wankele vrede getekend. Het roemruchte akkoord van Dayton maakt een einde aan de bloedige Bosnische burgeroorlog. Maar het smeulende conflict in Kosovo kwam in 1995 niet op de onderhandelingstafel. Deze delicate kwestie zou de verstandhouding met de Servische politieke leiding immers ernstig kunnen schaden. Uit pragmatische overwegingen gebeurt er inzake Kosovo dus helemaal niets.

We will never give you up - 9 juli 2007, Belgrado, centraal Servie Na een treinreis van ruim 36 uur, verlaat ik vroeg in de ochtend het afgebladderde treinstation van Belgrado. Nog niet helemaal wakker, sta ik ineens midden in het ontwakende stadsleven. Deze hoofdstad, die schitterend gesitueerd is op een T-splitsing van de Donau en de Sava rivier, baadt in de smoezelige grandeur van een trotse, maar aan lager wal geraakte metropool. De groteske neoclassicistische bouwstijl, die in geen enkele andere Europese hoofdstad zou misstaan, steekt opvallend grijs af tegen de warmer wordende ochtendzon. Maar wie verder kijkt ziet meer. Mijn aandacht wordt getrokken door een aantal verwoeste panden; morbide architectonische monumenten die het stadsbeeld van grimmig karakter voorzien. Stilzwijgend getuigen zij van de ongelijke oorlog die Servië*, op de valreep van de vorige eeuw met de

Fijn kiekje uit hartje Belgrado westerse NAVO uitvocht. En wederom vormde Kosovo de casus beli. Na vele bloedige incidenten, moesten in januari 1999 gedwongen vredesbesprekingen in Rambouillet, een einde maken aan de escalerende burgeroorlog in Kosovo.6 De daaropvolgende vredesbesprekingen draaien uit op een fiasco. In Kososvo gaan de wederzijdse gruwelijkheden intussen gewoon door. Ingrijpen lijkt vereist, maar omdat Rusland de VN-veiligheidsraad blokkeert moet er naar andere oplossingen worden gezocht. Als Milosovič wederom niet van plan lijkt om de vijandigheden in Kosovo te staken, gaat de NAVO op 24 maart 1999 over tot militaire acties. Ruim 78 dagen lang bombarderen de gevechtsvliegtuigen militaire en civiele doelen. Op 28 juni zwicht de * Vanaf 1995 tot 2003 vormde Servië samen met Montenegro de Former Republic of Yugoslavia (FRY) 6 De conferentie van Rambouillet (Janurai- 23 maart ,1999) onder voorzitterschap van Javier Solona was bedoeld om een interim verdrag voor de status van Kosovo voort te brengen. Naast de Servische en Albanese delegatie, de laatste voorgezeten door Hasim Thaci, waren ook de landen van de Kosvo Contact Group vertegenwoordigt. In Rambouillet waren dit Rusland, Amerika en Engeland.


politieke leiding in Belgrado dan eindelijk voor de interne publieke opinie. Alle Servische overheidsorganen worden teruggetrokken en de vijandelijkheden gestaakt. Met het verlies van Kosovo, valt tevens het politieke doek voor Slobodan Milosovič. In juli 2000 drijft de dictator nog een constitutionele verandering door, die het hem mogelijk zou maken om nog twee termijnen aan te blijven als president van Joegoslavië. Maar na de daaropvolgende presidentsverkiezingen van 24 september, komt de

democratische oppositieleider Voijslav Kostunica als overwinnaar uit de stembus. Als Slobodan zich niks van deze verkiezingsuitslag lijkt aan te trekken, volgt er in Servië een hete herfst, vol met massale demonstraties en stakingen. Als de democratische demonstranten op 5 oktober ook nog het Joegoslavische parlement in brand steken, dringt het onafwendbare verlies ook eindelijk tot Milosovič door. Twee dagen later legt Kostunica officieel de presidentiële eed af. Geheel tegen zijn eigen verwachting, wordt Slobodan op 1 april 2001 door zijn eigen landgenoten zelfs uitgeleverd aan het internationale gerechtshof in Den Haag.7 ‘De slager van de Balkan’, zoals de westerse media hem inmiddels liefkozend was gaan noemen, sterft zes jaar later aan een hartaanval in een Nederlandse gevangeniscel.

Maar als ik die zomerdag in 2007 een bezoek breng aan het Servische Ministerie van Kosovo-Metohija, blijkt ook het democratische Servië geenszins van plan Kosovo op te geven. In een gesprek met de persoonlijke adviseur van minister Slobodan Samardzič, werd mij verzekerd dat de Servische overheid alles in het werk zette om tot een vreedzame oplossing van de staatkundige status van Kosovo te komen. Het was echter telkens weer de Albanese politieke leiding geweest die, gedekt door onvoorwaardelijke Amerikaanse steun, moedwillig de onderhandelingen had gesaboteerd. Zij hadden de facto immers weinig te winnen met een officieel onderhandelingsakkoord. Daarnaast wees deze gewiekste raadsman terecht op het onvermogen, van zowel de huidige Kosovaarse politiek als van de internationale gemeenschap, om de Servische bevolking in Kosovo een menswaardig bestaan te geven. Nog in maart 2004 waren er hevige etnische rellen, waarbij 13 Serviërs om het leven kwamen en duizenden anderen uit de provincie werden verjaagd. Daarnaast was veel van het Servische cultuurhistorisch erfgoed onherstelbaar gemolesteerd. 8 Als noch de VN noch de Kosovaarse overheid in staat bleek om landgenoten in Kosovo te kunnen beschermen, dan werd de Servische staat verplicht om deze verantwoordelijkheid op zich te nemen. Een retoriek waar ik bijna in ging geloven. Bij het zesde-eeuwse orthodoxe klooster in Graganica, vijf kilometer buiten Pristina, heb ik gezien hoe prikkeldraad en wachtposten een onvervangbaar stuk geschiedenis van de ondergang moeten beschermen. Ik heb gezien hoe de Servische bevolking in bijna geïsoleerde dorpen en enclaves moet wonen. Hoe hun bestaan en al het Servisch erfgoed in Kosovo, constant beschermd moet worden door de militaire aanwezigheid van de NAVO.

8 7

Blommaert, De ondergang van Slobodan Milosovic, 278.

C. Van der Borgh, ‘De status van Kosovo en de Servische minderheid’, in Vrede en Veiligheid( 2006 jaargang 35, nr.4) 414.


Het bewaakte klooster in Graganica

Anderzijds roept Belgrado alle Serviërs in Kosovo op om de Albanese politieke instanties te boycotten. Met de boodschap dat Kosovo nooit van Servië gescheiden zal worden, wordt zo de etnische segregatie in de Kosovo alleen maar verder gevoed. En intussen zijn de etnische minderheden in Kosovo nu het grootse kind van de rekening. In dergelijke dilemma’s verzonken, liep ik later die middag langs de kraampjes op de chique Knez Mihajlova winkelstraat Ineens keek ik in de grijnzende boeventronie van Radko Mladič, die mij vanaf een serie gekleurde T-shirts toelachte. Gezochte oorlogsmisdadigers waren hier blijkbaar big business. De internationale opdruk van deze merchandise was tevens zeer gevat; ‘Radko Mladič, We Will Never Give You Up!’ . En nu, bijna een heel jaar later, bevinden zowel Servië als Kosovo zich in een geheel nieuwe historische situatie. De unilaterale onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo is een feit waar het merendeel van de Westerse wereld zich rustig bij neer lijkt te leggen. Moeilijke vragen worden in deze periode van ‘nationale’ euforie liever niet gesteld. Wie maakt nu zich zorgen om het enorm hoge werkeloosheidspercentage of het gebrek aan een functionerende rechtsorde? 9. Wat maakt het uit dat de Kosovaarse democratie alles behalve een volledige etnische representatie van de Kosovaarse samenleving is? En is het niet juist prettig dat de nieuwbakken premier, Hasim Thaçi, zich kan

beroepen op zijn jarenlange ervaring als leidinggevende van het UCK, een keiharde guerrillaorganisatie?10 De Albanese populatie, of moet ik zeggen ‘de Kosovaren’, zal het in ieder geval weinig kunnen schelen. Voor hen is de onafhankelijkheidsverklaring de apotheose van een eeuwenlange strijd voor erkenning en zelfbeschikking. En wie durft hun dat recht ontzeggen? Nu het einde van het historische conflict om Kosovo met een staatkundige herverdeling bezegeld lijkt, dwaalt de aandacht van de internationale gemeenschap weer af naar meer urgentere zaken op het wereldtoneel. Hierdoor wordt er nauwelijks stilgestaan bij de politieke consequenties die de Kosvaarse onafhankelijkheid voor Servië zou kunnen hebben Wederom zullen in Servië democratie en nationalisme de ideologische degens moeten kruisen. Niemand durft echter te voorspellen welke koers de Servische politiek in de nabije toekomst zal varen. De uitkomst van de voorbije parlementaire verkiezingen, die overigens ook stoïcijns onder de Serviërs in Kosovo gehouden is, zal hier een cruciale rol in spelen De massale protestbijeenkomst van 21 februari in Belgrado heeft laten zien dat zelfs de gematigde bevolking weer in het nationalistische harnas is gejaagd. En dat de protestmars moest uitmonden in massale vernielingen, geeft nog maar eens fijntes weer waartoe dat Servisch nationalisme in staat kan zijn. Voor wie verder wil lezen S. Blommaert (2003), De ondergang van Slobodan Milosovic, Amsterdam R. Detrez (1999) Kosovo; de uitgestelde oorlog, Anwerpen N. Malcolm (1998), Kosovo; a short history, Londen

10 9

Kosovo Criminal Justice Scorecard, Human Rights Watch, (28 march 2008) 1. Zie: http://hrw.org/reports/2008/

Michielsen, Peter, ‘Van vechtjas tot premier van een vrij

Kosovo’, NRC Handelsblad, (18 februari 2008) 5.


Seoul 6 juni 2008 - Al enkele weken demonstreren Zuid-Koreanen tegen de hervatting van de vleesimport uit de Verenigde Staten van Amerika. De Zuid-koreanen zijn bang dat het vlees van de Amerikaanse runderen besmet is met de gekkekoeienziekte. Vakbonden, studentenorganisaties en actiegroepen zijn van plan met marathondemonstraties de regering permanent onder druk te blijven zetten. (bron: NRC Handelsblad 6 juni 2008)

Ben jij het ook ergens mee oneens? Wil je juist je steun betuigen, of wil je gewoon je mening laten weten aan je mede sociologen? Voel je dan vrij een stuk in te sturen naar de Pamflet redactie! Stuur een e-mail naar usocia@studver.uu.nl en wij zorgen ervoor dat je stuk in de volgende Pamflet terecht komt.

Pamflet juni 2008  

Verenigingsperiodiek der Sociologievereniging Usocia Utrecht

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you