Issuu on Google+

P508859

afgiftekantoor Gent X UROBEL

Stapelplein 32, 9000 Gent

UROBEL M

jaargang 2006 année nummer 2 numéro

A

G

A

Z

I

N

E

MULTIDISCIPLINAIRE UITGAVE VOOR HET UROLOGISCHE ZORGGEBIED - EDITIE VERPLEEGKUNDIGEN MAGAZINE INTERDISCIPLINAIRE DANS LE DOMAINE DES SOINS UROLOGIQUES - EDITION INFIRMIER(E)S

Redactioneel / Editorial

3

Voor u gelezen / Lu pour vous

4

Dossier Oncologie: “Systemische behandeling van het niercelcarcinoom” “Chirurgie voor niertumoren met ingroei in de vena cava” “Radiotherapie in de urologische oncologie” “Les tumeurs de l’urothelium” “Urologische kanker in Vlaanderen” “Les installations vésicales en cas de tumeurs de vessie” “Verwikkelingen van prostatectomie niet leeftijdsgebonden”

10

’t Kleinste kamertje / La petite chambre

30

Nieuws / Nouvelles

32

Agenda

42

13 14 18 22 26 28


Mesdames, Messieurs,

Nummer twee is geboren. Het enthousiasme is groot, we ontvingen veel goede respons. Kinderziektes en onverwachte hindernissen houden ons niet tegen, integendeel. Het redactieteam komt op kruissnelheid, de neuzen staan in dezelfde richting. Tof. In dit nummer hebben we het over de “oncologie” in de urologie. Je kan er niet naast kijken. Het aantal kankers is de laatste jaren fel gestegen. Gemiddeld zal één Vlaming op de drie tijdens zijn leven met deze ziekte geconfronteerd worden. Bij mannen is prostaatkanker de meest voorkomende kanker, bij vrouwen borstkanker. Vroegtijdige opsporing en screening hebben daar allicht mee te maken. In onze werkomgeving worden we er dagelijks mee geconfronteerd. Nieuwe ontwikkelingen, nieuwe technieken, nieuwe behandelingen, medicatie… Mocht je zelf graag eens in de pen kruipen, of je hart luchten, we houden je niet tegen. Integendeel.

Voici donc le deuxième numéro du magazine Urobel «nouvelle version». Merci pour vos remarques positives concernant le premier numéro, malgré les maladies de jeunesse et les impondérables. Nous abordons un thème général par numéro. Celui-ci est consacré à l’oncologie en urologie. Chez l’homme, le cancer le plus fréquent est celui de la prostate. Le dépistage a nettement progressé, permettant de détecter davantage de cancers. Nous sommes donc sensibilisés à ce problème quotidiennement. Les techniques de dépistage évoluent, les traitements aussi. Vous en saurez davantage en lisant ce numéro. Les thèmes abordés dans les prochains numéros seront les suivants: incontinence urinaire, hypertrophie bénigne de la prostate, infections urinaires, … Votre avis et vos articles sont les bienvenus.

Paul De Beuckeleer Hoofdredactie

Marie-Pierre Damien Rédaction en chef

Met genoegen las ik in het eerste volwassen magazine de verslaggeving van de Elautprijs 2006 en de aanstelling van de nieuwe voorzitter en ondervoorzitter van de Belgische Vereniging voor Urologie. Ondanks een hypertrofie van tijdschriften, publicaties van firma’s, artikels allerhande die ons dagelijks rond de oren geslagen worden, betekent UROBEL Magazine toch iets speciaals. Gedragen door gedreven stichters, van en voor onze urologische verpleegkundigen, verdient dit blad een plaats in onze bibliotheek. In dit blad komen alle facetten van het verzorgend aspect van de urologie aan bod, waar de urologen niet altijd tijd of oor voor hebben. Door de kwaliteit van de bijdragen kan dit blad ook de samenwerking bevorderen tussen beide actoren. Dus ook van mijnentwege de oproep: kruip in de pennen. Communicatie blijft altijd de sleutel! Met een geschreven neerslag van de regionale bijeenkomsten kan dit blad ook een aanvulling van de nascholing betekenen. Deze nascholingen van Urobel zijn altijd van hoog niveau geweest, en door onze verplegenden uitermate gesmaakt. Op initiatief van Urobel wordt bij elk nationaal “Belgisch Urologie Congres” ook een specifieke Urobel-vergadering gehouden, waarop vele diensten hun verplegenden kunnen uitnodigen. Aldus worden de banden verstevigd, en kan dit een vorm van erkenning betekenen voor de inzet, de specialisatie van onze naaste medewerkers. Dit jaar op 22 en 23 september in Luik met als centraal thema: ‘Heelkundige behandeling van incontinentie bij de vrouw en de man’. Zie verder in dit blad en op de website: www.bau2006.be. De urologische discipline is tot op heden bevoorrecht door de goede contacten tussen de collegae onderling. Met het UROBEL Magazine kunnen we de contacten met onze medewerkers op een hoger niveau tillen. Met al mijn sympathie,

C’est avec plaisir que j’ai lu dans le premier numéro complet le reportage «Elautprijs 2006» et que j’ai pris connaissance de la nomination du nouveau président et du vice-président de la «Belgische Vereniging voor Urologie». Malgré la surabondance de magazines, de publications de firmes et d’articles divers dont on nous submerge tous les jours, le magazine Urobel revêt une signification spéciale: porté par des fondateurs motivés, conçu par et pour les infirmiers/infirmières en urologie, ce périodique mérite sa place dans notre bibliothèque. Ce journal traite de tous les aspects des soins en urologie, auxquels les urologues n’accordent pas toujours le temps ou l’attention nécessaires. De plus, grâce à la qualité des contributions des lecteurs, ce journal peut améliorer la coopération entre les deux parties. Donc, de ma part aussi: écrivez-nous! La communication reste le mot-clé! En fournissant un compte-rendu écrit des réunions régionales, ce journal peut également constituer un complément aux différents programmes de formation. Les formations d’Urobel ont toujours été d’un haut niveau, et fortement appréciées par les infirmiers/infirmières.Sur l’initiative d’Urobel est organisée une réunion d’Urobel à laquelle nombre de services peuvent inviter leurs infirmiers/infirmières. Ceci permet de resserrer les liens professionnels et amicaux, et peut signifier une reconnaissance importante des efforts et de la spécialisation de nos collaborateurs les plus proches. Cette année, le congrès se déroulera à Liège, les 22 et 23 septembre, avec comme thème central: «Le traitement central de l’incontinence chez la femme et chez l’homme» (voir également plus loin dans ce journal, ainsi que le site Internet www.bau2006.be). La discipline urologique a jusqu’à présent bénéficié de bons contacts professionnels. Avec le Magazine Urobel, nous voulons porter les contacts avec nos collaborateurs à un niveau supérieur encore. Avec toute ma sympathie,

Dr. Ignace Billiet BVU Voorzitter 2006-2007

Redactioneel / Editorial

Beste collega’s,

Dr. Ignace Billiet Président de la BVU 2006-2007 UROBEL Magazine | 2/1 | mei - mai 2006

3


Voor u gelezen / Lu pour vous

Een stevige verzekering ...

Une assurance en hausse

In het Metrokrantje van dinsdag 18 april geeft de woordvoerster van General Motors mee dat de medische kosten voor het bedrijf de pan uitswingen. GM (Verenigde Staten) ging er altijd prat op een heel goede medische verzekering te bieden aan zijn werknemers. De verzekering dekt dan ook heel veel kosten. Eén van de uitschieters is de tussenkomst voor een erectiepil die door de verzekering gedekt wordt. Voor de 1,1 miljoen Amerikanen die van deze verzekering genieten geeft GM jaarlijks 17 miljoen dollar uit aan erectiepillen. Een mooie wagen alleen blijkt toch niet voldoende.

Dans le journal “Métro” du mardi 18 avril, le porte-parole de General Motors signale que les frais médicaux de l’entreprise sont énormes. GM (aux Etats-Unis) a toujours offert, de manière très convaincante, une assurance médicale de très bonne qualité à ses employés. L’assurance couvre ainsi un très grand nombre de frais. Le plus exceptionnel est la participation aux frais pour la pilule de l’érection (la pilule bleue), qui est couverte par l’assurance. Pour les 1,1 millions d’Américains qui bénéficient de cette assurance, GM dépense annuellement 17 millions de dollars en pilules de l’érection. Apparemment, une belle voiture ne suffit pas…

Ronny Pieters

Ronny Pieters

International journal of urology nursing. (IJUN) De Britse vereniging voor urologische verpleegkundigen (BAUN) heeft concrete plannen om vanaf 2007 een internationaal tijdschrift uit te brengen met als specifieke doelgroep de urologische verpleegkundigen. Dit peer-reviewed tijdschrift zou een mijlpaal in de toekomst van de urologische verpleegkunde kunnen zijn. Meer info van zodra beschikbaar. www.blackwellpublishing.com/ijun Wij bekijken de mogelijkheden om onze leden dit tijdschrift goedkoper te kunnen aanbieden. Ronny Pieters

L’association britannique des infirmiers en urologie (BAUN) projette concrètement de publier dès 2007 un magazine international destiné au groupe cible spécifique des infirmiers en urologie. Ce magazine peer-reviewed pourrait constituer une étape dans l’avenir de l’infirmier en urologie. Davantage d’informations disponibles prochainement. www.blackwellpublishing.com/ijun Nous tenons à vous proposer ce journal à un tarif réduit. Ronny Pieters

4

UROBEL Magazine | 2/1 | mei-mai 2006


Des slips anglais

METRO, 23 maart 2006

MÉTRO, 23 mars 2006

Als er ooit nog een Brit in uw ziekenhuis opgenomen wordt, hou er dan best rekening mee dat volgens een onderzoek aan de universiteit van Manchester, zeker 1 Brit op tien maar liefst drie dagen dezelfde onderbroek draagt. 1 op 20 geeft zelfs toe dat hij zijn slip soms binnenstebuiten draait om die nog wat langer te kunnen dragen. Parfum wordt, net als tijdens de renaissance, nog steeds gebruikt om de kwalijke geurtjes van het ondergoed te verdrijven. We hebben nu al medelijden met alle artsen en collega’s verpleegkundigen die patiënten in spoed moeten opnemen.

Si jamais un Britannique est hospitalisé chez vous, il faudra tenir compte du fait que, d’après une étude réalisée par l’université de Manchester, 1 Britannique sur 10 porte au moins 3 jours le même slip. 1 Britannique sur 20 même admet qu’il porte parfois son slip à l’envers afin de le garder plus longtemps. Comme à l’époque de la Renaissance, le parfum est toujours employé pour chasser les mauvaises odeurs du linge. Nous ressentons d’ores et déjà de la pitié à l’égard de tous les médecins et collègues infirmiers qui doivent hospitaliser d’urgence de tels patients.

Ronny Pieters

Ronny Pieters

Voor u gelezen / Lu pour vous

Britse onderbroeken

Patiënten krijgen gekweekte blaas DE STANDAARD, Kim De Rijck, 5 april 2006 Aan het “Institute for Regenerative Medicine” in North Carolina. in de Verenigde Staten werd een nieuwe spectaculaire techniek ontwikkeld waarbij de patiënten met een falende blaas een heel nieuw orgaan kregen ingeplant. Deze nieuwe blaas werd in het labo gekweekt uit cellen van de patiënt zelf. Vooraf werd een nieuwe blaas gemaakt in het labo door spier- en blaascellen te ‘zaaien’ op kunststofmateriaal die in het lichaam geleidelijk verdwijnt. Na een groei van een achttal weken werd het geheel ingeplant, aan de originele blaas gehecht en bedekt met een stuk buikvlies, dat goed doorbloed is en voor de aanvoer van zuurstof en voedingsstoffen zorgt. Omdat het eigen cellen zijn, werden deze niet afgestoten. Bij drie patiënten waren de resultaten veelbelovend. Na twee tot vijf jaar blijkt het nieuwe orgaan, dat aan de oude blaas werd vastgehecht, nog steeds te functioneren. In hetzelfde onderzoeksproject kregen enkele andere patiënten een nieuwe blaas die op een andere steunstructuur was gekweekt. Die organen gaven op termijn een minder goed resultaat. De proefpersonen in het experiment hebben een ‘open rug’ (spina bifida), een aangeboren afwijking die in veel gevallen de onderste ledematen verlamt en een mentale handicap

meebrengt. Door die afwijking aan hun ruggenmerg hebben de patiënten ook na de ingreep geen normale controle over hun blaas. Of een nieuw gekweekte urineblaas bij een gezond persoon echt zou kunnen werken zoals het hoort, is uit deze experimenten dus nog niet duidelijk. “Maar ons eerste doel werd bereikt”, meldt onderzoeksleider Anthony Atala aan de telefoon vanuit de Verenigde Staten. “Dankzij de nieuwe blaas verliezen de patiënten minder urine tussen de momenten waarop de blaas via een sonde geledigd wordt, wat hun levenskwaliteit verbetert. Ook blijft de druk in de nieuwe blaas lager dan in de situatie met de falende blaas, waardoor hun risico op nierschade daalt.” In de meer gangbare geneeskunde krijgen patiënten die een nieuwe blaas nodig hebben, bijvoorbeeld na kanker, soms een blaasreconstructie die chirurgen ‘bouwen’ uit een stuk darm van de patiënt. Maar darmweefsel functioneert niet zoals een blaasvlies en het vervangorgaan kan nierproblemen en andere vervelende nevenwerkingen veroorzaken. De nieuw gekweekte blaas werkt even goed als een reconstructie uit darmweefsel en veroorzaakt minder neveneffecten, melden de onderzoekers op de website van het medische blad The Lancet. UROBEL Magazine | 2/1 | mei - mai 2006

5


Voor u gelezen / Lu pour vous 6

Fast Facts: blaaskanker

Fast Facts: cancer de la vessie

Health Press limited, Oxford, UK brengt reeds een aantal jaren de “Fast Facts” boekjes op de markt. De nieuwste publicatie (maart 2006) geeft een overzicht van blaaskanker. In 9 korte hoofdstukken beschrijven de auteurs de epidemiologie, pathologie, klinische symptomen, onderzoeken, enz. Zowel de oppervlakkige blaastumoren als de invasieve en metastatische vorm worden bondig maar volledig besproken.

Health Press Limited (Oxford UK) publie depuis quelques années déjà les livres “Fast Facts”. La dernière publication (mars 2006) fait un tour du cancer de la vessie. Les auteurs décrivent en neuf brefs chapitres l’épidémiologie, la pathologie, les symptômes cliniques, les recherches etc. Les tumeurs superficielles de la vessie en tant que variante invasive et métastatique sont décrites de manière brève mais complète.

Deze Fast Facts boekjes zijn ook voor verpleegkundigen een zeer interessante aanvulling in de bibliotheek van de afdeling. Alhoewel in het Engels geschreven, zijn zij toch eenvoudig en begrijpelijk samengesteld en een referentie voor nieuwe en meer geroutineerde urologische verpleegkundigen. De Fast Facts boekjes zijn te bestellen via www.fastfacts.com.

Ces livres “Fast Facts” constituent également pour les infirmiers un complément très intéressant dans la bibliothèque de l’hôpital. Même s’ils sont rédigés en anglais, ces livres sont simples et accessibles. Ils constituent une référence pour les infirmiers en urologie, nouveaux ou déjà expérimentés. Les livres “Fast Facts” peuvent être commandés via www.fastfacts.com.

Leden van Urobel krijgen een korting van £ 5 bij het bestellen van deze boekjes via de website: www.fastfacts.com. Kortingcode op te vragen via voorzitter.urobel@telenet.be. (Bij problemen, neem contact op met: philip@healthpress.co.uk)

Les membres d’Urobel bénéficient d’une réduction de £ 5 en commandant ces livres via le site: www.fastfacts.com. Le code de réduction doit être demandé à l’adresse voorzitter.urobel@telenet.be. (En cas de problème: philip@healthpress.co.uk)

Ronny Pieters

Ronny Pieters

UROBEL Magazine | 2/1 | mei-mai 2006


Voor u gelezen / Lu pour vous

Van versiering tot verminking Johan J. Mattelaer

Dit boek behandelt tegenstrijdige handelingen in verband met het mannelijk genitaal: enerzijds de versiering ervan, anderzijds de verminking. Op een bepaald ogenblik in de geschiedenis is de primitieve mens begonnen met lichaamsversiering aan te brengen, enerzijds om te behagen, anderzijds om zijn volk duidelijk te identificeren. Ook werd al zeer vroeg het verschil in geslacht in de lichaamsversiering betrokken. Hoewel duidelijk niet de enige plaats op het lichaam, toch waren de geslachtsdelen een logische plaats voor versiering. De peniskokers zijn hiervan een mooi en universeel voorbeeld, en het is vooral het algemene voorkomen ervan over de ganse wereld dat in dit boek geïllustreerd wordt. In de enge zin van het woord betekent infibulatio wat de Romeinen ermee bedoelden: het afsluiten van de voorhuid over de eikel. Maar in brede zijn duidt infibulatie ook op het aanbrengen van allerlei voorwerpen in de voorhuid of in de eikel, wat men vandaag terugvindt in de moderne piercing. In de overgang van de middeleeuwen naar de renaissance werd de mannenmode gedurende meer dan een eeuw bepaald door een broeksklep of schaambuidel, wat in tal van schilderijen geïllustreerd werd. Volgens sommige heeft het aanbrengen van lichaamstatoeage sterke seksuele associaties. Het kan niet miskend worden dat passie, liefde en erotiek een invloed hebben op het tatoeëren van de genitaliën. Het snijden in de mannelijke genitaliën, de

besnijdenis, de subincisie van de voorhuid of de urinebuis en het ritueel doen bloeden van de penis, onderscheiden heel duidelijk het ene volk van een ander, de ene godsdienst van de andere. Het meestal rituele gebeuren van de besnijdenis gaat dikwijls gepaard met initiatieriten, zoals in Zwart Afrika, maar soms duidt de ingreep op de overgang van een biologische wereld naar een meer symbolische wereld op basis van hun godsdienst, zoals in het jodendom of de moslimwereld. Het doorvoeren van de castratie, en de creatie van de eunuch lieten sommige machtige mannen toe het haremsysteem in te voeren. Door het aantal eunuchen te vermenigvuldigen kon hij zijn aantal vrouwen opvoeren, en zeker zijn dat ze niet door ander mannen zouden bevrucht worden. Meest bekend zijn de eunuchen aan het keizerlijke hof in Beijing, in de Moghol paleizen in India en in de harems van het Ottomaanse rijk. Maar ook in de Westerse wereld waren de eunuchen bekend. Omdat vrouwen niet mochten zingen in de middeleeuwse kerk, kende vooral Italië een hoogtepunt met het eunuchenkoor in de Sixtijnse kapel en de gekende castraten, zoals Farinelli, in de opera. Het boek wordt afgerond met een hoofdstuk over KORO, dit is een massapsychotisch en hysterisch verschijnsel waarbij men denkt dat de penis verdwijnt, en waarvoor de schuldigen moeten gestraft worden. Het boek kost in de boekhandel € 39, maar leden van Urobel krijgen het aan de speciale prijs van € 25 (+ € 5 port) thuis toegestuurd. Te bestellen bij: PANA n.v., Priester Schrursstraat, 2, 8500 Kortrijk. Ronny Pieters

Lijst van de adverteerders / Liste des annonceurs ASTRA ZENECA B. BRAUN MEDICAL BAYER DIAGNOSTICS BAYER HEALTHCARE BIO-FYT PHARMA

8

UROBEL Magazine | 2/1 | mei-mai 2006

p. 44 p. 29 p. 23 p. 7 & p. 37 p. 9

HARTMANN MENTOR BENELUX OLYMPUS BELGIUM ORGANON SANOFI AVENTIS

p. 17 p. 33 p. 40 p. 2 p. 24-25


Dossier / Dossier

Systemische behandeling van het niercelcarcinoom Manon Thirza Huizing, Medisch oncoloog, UZA Antwerpen

Epidemiologie Meer dan 150,000 mensen worden jaarlijks gediagnosticeerd met kanker van de nier, hieraan overlijden elk jaar 33.000 mensen wereldwijd. Het is in de Verenigde Staten en in west-europa de 10e meest voorkomende kanker. De incidentie bedraagt 5 op de 100.000 mannen en 3 op de 100.000 vrouwen. De ziekte kan zich presenteren tussen de 17-70 jaar met de hoogst voorkomende frequentie tussen de 60 en 70 jaar. Het grootste deel van de patiënten presenteert zich met stadium I en II ziekte en 25 % met de ziekte in stadium III (zie tabel 3). Ongeveer 25-30 % manifesteert zich met gemetastaseerde ziekte. Indien er sprake is van gemetastaseerde ziekte is de mediane overleving tussen de 6 en 10 maanden.

Risico factoren Over de oorzaak van ontstaan van het niercelcarcinoom is weinig bekend. Er is een sterke relatie met verschillende genetische ziekten onder andere de ziekte van Hippel Lindau, tubereuze sclerose, erfelijke multipele bilaterale papillaire niertumoren. Er lijkt verder ook een relatie te bestaan tussen roken, expositie van toxische stoffen zoals cadmium, asbest en diesel, overgewicht, verworven cyste nieren, misbruik van analgetica gepaard gaande met nefropathie.

Symptomatologie Pijn, hematurie en een palpabele zwelling in de buik zijn vaak de eerste verschijnselen van het niercelcarcinoom en komen slechts in 7 % voor. Meestal is de ontdekking van het niercelcarcinoom een toevalsbevinding. Ongeveer 30 % wordt door routinematig gebruik van echografie van de buik ontdekt. Klachten van algemene malaise, buikpijn, vermoeidheid, koorts, bloedarmoede, polyglobulie en verhoogde bezinking kunnen een eerste presentatie zijn van het niercelcarcinoom zowel in een vroeg als een laat stadium en daarom dient bij dit klachtenpatroon altijd gedacht te worden aan een niercelcarcinoom. Veel klachten kunnen verklaard worden door cytokine release door de tumor, zoals Interleukine 6, erytropoeitine, stikstof oxide. Deze klachtenpatronen kennen we beter als paraneoplastische syndromen; zoals hypercalciëmie, erythrocytosis, lever dysfunctie (Stauffer syndrome), polyneuromyopatie, amyloïdosis, anemie, koorts, cachexie, gewichtsverlies, dermatomyositis, verhoogde 10

UROBEL Magazine | 2/1 | mei-mai 2006

bezinking en hoge bloeddruk. Vaak ziet men een gunstige respons op de klachten en/of biochemische afwijkingen indien er door een behandeling van de tumor of metastasen, zowel chirurgisch als medicamenteus, een goede respons op de tumor wordt verkregen.

Diagnostiek De diagnose en de stadiëring wordt verricht via de richtlijnen van de National Comprehensive Cancer Network (NCCN Practice Guidelines). De belangrijkste stap in de diagnose is de anamnese van de patiënt gevolgd door een goed klinisch onderzoek. Verder bestaat de stadiëring uit bloedonderzoek waarbij de hematologie, de nier- en leverfuncties, het LDH en urine analyse wordt afgenomen en bepaald. De radiologie bestaat uit een CT van het bekken en de gehele buik met contrast, een röntgenfoto van de longen, eventueel aangevuld met een CT van de longen, indien er afwijkingen worden gevonden op de normale röntgen opname of als er uitgebreide ziekte bestaat. Voor het bepalen van de operabiliteit is een MRI noodzakelijk als er onzekerheid bestaat ten aanzien van een vena cava trombose of bij nierinsufficiëntie. Een botscan completeert het stadiëringsonderzoek, echter gezien het osteoblastische karakter van de botmetastasen kan een botscintigrafie een vals negatief beeld geven. Er is geen plaats voor een PET-CT scan onderzoek in de stadiëring voor het niercelcarcinoom.

Pathologie De meest voorkomende vorm van het niercelcarcinoom is het heldercellig niercelcarcinoom. Het histologisch beeld is vaak heterogeen. Er komen verschillende andere type kanker in de nier zoals het chromofiele, chromofobe, het oncocytoom (benigne), tumoren van de verzamel duct en niet geclassificeerde tumoren. Het heldercellige type is uitermate gevoelig voor immunotherapie indien er sprake is van alveolaire kenmerken zonder papillaire aspecten. Zowel de chromofobe als de chromofiele tumoren zijn minder gevoelig voor immunotherapie en lijken in de eerste plaats goed te reageren op therapie bestaande uit de remming van de EGFR (epidermale groei factor) receptor. Voor tumoren van de verzamel duct lijkt chemotherapie meer op zijn plaats.

Metastasering Metastasen kunnen zowel hematogeen als lymfogeen voorkomen. Ongeveer 25-30 % van de patiënten heeft al positieve klieren bij


Classificatie Voor het bepalen van het stadium van de ziekte wordt gebruik gemaakt van de TNM classificatie, waarbij T de grote en uitgebreidheid weergeeft van de primaire tumor, de N de klierstatus en M of de ziekte wel of niet is uitgezaaid. Tabel 1. T classificatie uit de TNM-classificatie T-classificatie Omschrijving T1

Tumor < 7 cm, beperkt tot de nier

T2

Tumor > 7 cm, beperkt tot de nier

T3

Ingroei in de venen (v. renalis, v. cava), de bijnier of perirenale weefsels, maar niet buiten de fascie van Gerota

T4

Tumor groei buiten de fascie van Gerota

De klierstations omvatten de para- en retro-, precavale en interaortale klieren voor de rechter nier, terwijl voor de linker nier de para-, pre- en post-aortale klieren. Tabel 2. N classificatie uit de TNM-classificatie N-status Omschrijving No

Geen aangedane klieren

N1

Homolaterale, regionale klieren welke < 2 cm

N2

Metastasen in meer dan alleen een regionale lymfeklier

Tabel 3. Stadiering van de tumoren en hun overleving Stadium TNM stadiering 5-jaars overleving Stadium I

T1 N0 M0 tumor

95 %

Stadium II

T2 N0 M0 tumoren

88 %

Stadium III

T1-3 N1 M0 tumoren

59 %

Stadium IV

T1-4 N2 M0-1 tumoren

20 %

Therapie Chirurgisch De behandeling van het niercelcarcinoom is chirurgische radicale nefrectomie met het meenemen van de regionale klierstations. Chirurgische resectie dient altijd te worden overwogen ook als er sprake is van gemetastaseerde ziekte, daar studies met interferon hebben aangetoond dat er een langere overleving bestaat voor die patiënten die naast hun interferon ook een nefrectomie hebben ondergaan. Als er sprake is van enkele longmetastasen, dan verdient nefrectomie ook de voorkeur, welke dan na 6 tot 8

weken gevolgd kan worden door resectie van de longmetastasen. Op dit moment zijn studies gaande waarbij metastasectomie met of zonder perfusie van de betreffende long met chemotherapie of de nieuwere signaal-transductie remmers. Na radicale nefrectomie zullen bij ongeveer 20-40 % van de patiënten metastasen ontwikkelen in de loop van de tijd. Als de metastasen zich ontwikkelen binnen het jaar dan zal de 2-jaars overleving kleiner zijn dan 1 %, terwijl als er zich metastasen ontwikkelen, patiënten na 2 jaar een 5-jaars overleving van ongeveer 20 % kan worden gezien. De mediane 5-jaars ziektevrije overleving na nefrectomie bedraagt 40-60 %. Als er sprake is van gemetastaseerde ziekte, dan is de mediane overleving slecht en bedraagt ongeveer 6-10 maanden.

Dossier / Dossier Hoofdartikel / L’article principal

aanvang van diagnose. Hematogene metastasering treedt meestal op naar de longen, de lever, de hersenen, naar de subcutis en de botten.

Chemotherapie Het niercelcarcinoom is nauwelijks chemotherapie gevoelig waarbij response (compleet en partieel) percentage voor een monotherapie maar ongeveer 5.6 % bedraagt. Vinblastine ( RR 8-25 %), gemcitabine (RR 6-30 %) en 5-fluorouracil (~20 %) zijn de meest actieve middelen. Combinatie chemotherapie leidt wel tot hogere response data echter niet tot een verbeterde overleving terwijl er wel meer toxiciteit optreedt. Gezien de toxiciteit en de lage response data is er voor de chemotherapeutische behandeling van het echter weinig plaats.

Immunotherapie Immunomodulatoren spelen een belangrijke rol in de behandeling van het niercelcarcinoom. De afname van tumor wordt tot stand gebracht doordat deze stoffen de afweer in het lichaam tegen tumorcellen stimuleren. De rol van immunotherapie komt voort uit het feit dat er spontane remissie in het niercelcarcinoom worden gezien, dat er een verhoogde kans op het niercelcarcinoom is bij immunodeficiënte patiënten en dat er tumor infiltrerende lymfocyten in tumor weefsel aanwezig zijn. De twee belangrijkste middelen uit deze groep zijn het zogenaamde Interleukine 2 en Interferon-α. Deze middelen werken het meest optimaal als er een zo groot mogelijke tumor debulking heeft plaastgevonden, meestal in de vorm van nefrectomie met of zonder metastasectomie.

Interferon De behandeling met interferon laat een duidelijke verbetering zien in de 1-jaars overleving welke zonder behandeling 31 % bedraagt en stijgt onder interferon behandeling naar 43 %. De mediane duur van de response bedraat ongeveer 6 maanden maar duurt meestal nooit langer dan 2 jaar. Een nadeel is dat maar ongeveer 2 % van de patiënten een complete response zullen krijgen. Er zijn optimale dosering gekend maar het meest gebruikte schema is een 3-wekelijks subcutane injectie van 9 miljoen eenheden. De bijwerkingen van de behandeling zijn talrijk: gewichtsverlies, UROBEL Magazine | 2/1 | mei - mai 2006

11


Dossier / Dossier

veranderde smaak, depressie, bloedarmoede, lage witte bloedcellen, abnormale lever functie testen, en griepachtige verschijnselen zoals; koorts, koude rillingen, algemene malaise, spier- en gewrichtspijnen.

Interleukine-2 In 1995 werd interleukine-2 als eerste en enige middel goedgekeurd door de FDA ( american food en drug administration) voor de behandeling van het niercelcarcinoom. Alhoewel het response percentage niet zeer hoog is (RR 14 %; PR 7 %, CR 7 %) zijn de gemelde responsen indrukwekkend, nl. meer dan 60 % van de patiënten die reageren op de behandeling hebben meer dan 90 % regressie met een aanzienlijke mediane duur van response (23 maanden). Sommige van deze patiënten die een complete response hebben of zij die alsnog kunnen worden geopereerd, zouden misschien genezen kunnen zijn. De keerzijde van deze behandeling is de zeer grote toxiciteit waarbij 4 % toxische doden kan worden verwacht. De geregistreerde dosering bestaat uit een infusie van 15 minuten elke 8 uur voor 14 opeenvolgende doseringen in een dosering van 600.000-720.000 IU/kg. De behandeling wordt elke 12 weken herhaald in geval van response tot maximaal 3 cycli. Subcutane injectie van IL-2 gaat gepaard met een lagere response maar is geschikter voor ambulante zorg via raadpleging. De bijwerkingen van IL-2 zijn een ernstig griep-achtig beeld, een vasculair lek syndroom, hypotensie, RDS (respiratory distress syndrome), depressie, verwardheid, lever en nier problemen, hartritmestoornissen en acute dood obv. toxiciteit. Op dit moment loopt er binnen de EORTC een studie waarbij de meerwaarde van hoge dosis IL-2 in combinatie met interferon-α en 5-fluorouracil ten opzichte van monotherapie interferon-α wordt vergeleken.

Angiogenese remming In de beginjaren 60 werden we geconfronteerd met ernstige teratogenicitiet van het middel softenon welke bij pas geboren baby’s ernstige malformatie van de ledematen liet zien de zgn. focomelie. Intensief onderzoek naar dit middel liet zien dat het de ontwikkeling van bloedvaten (angiogenese of wel neovascularisatie) verhinderde. Angiogenese is een complex mechanisme waarbij stimulering van bloedvat groei en remming nauwkeurig op elkaar afgestemd zijn (denk maar aan de mensturele cyclus) Bij kankergezwellen is dit proces verstoord. Microscopisch kleine tumoren hebben voor hun groei voedsel en zuurstofvoorziening nodig en dus nieuwe bloedvaten. Tumoren zullen dus allerlei factoren uitscheiden om endotheelcellen te activeren om plaatvaten te laten vormen dit gebeurd dmv. VEGF en VEGF receptoren. Het idee om tumoren te behandelen door ze uit te laten hongeren door middel van remming van de angiogenese werd voor het eerst door Judah Folkman geponeerd. Er zijn tot op de dag van vandaag 2 grote groepen angiogenese remmers. De zogenaamde 12

UROBEL Magazine | 2/1 | mei-mai 2006

immunoglobuline waartoe bevacuzimab (avastine) behoort en kleine moleculen die de tyrosine kinase receptoren remmen via het intracellulaire domein ATP. Sindsdien zijn er vele middelen in onderzoek en enkele zijn geregistreerd voor de behandeling van tumoren. Een van deze middelen is Sorafenib (Nexavar®) welke in december 2005 is geregistreerd door de FDA (nog niet erkend in Belgie en nog niet terugbetaald) voor de behandeling van het niercelcarcinoom. De repons is 15 % met een mediane tijd tot progressie van 24 weken ten opzichte van 12 weken in de placebo groep. De bijwerkingen van dit middel zijn relatief mild, waarbij voornamelijk het handvoet syndroom, hypertensie, fatique, gastro-intestinale bezwaren, aspecifieke amylase stijgingen en lymfopenien.

Radiotherapie De rol van radiotherapie in de behandeling van het niercelcarcinoom is uitermate beperkt, dit mede gezien de ligging van de nier. Na nefrectomie nabestralen geeft schade aan het maagdarmstelsel en de omliggende vaten welke een lage tolerantie bezitten voor radiotherapie terwijl het niercelcarcinoom weinig radiotherapie gevoelig is. De ratio stralen geeft daarom meer aanleiding tot radiatie enteritis. Daarom is er eigenlijk alleen nog een rol weggelegd voor radiotherapie in palliatieve setting, waarbij het gaat om pijnlijke botmetastasen te behandelen of indien bij afwezigheid van een nefrectomie een bloeding ontstaat. Dit laatste komt dan echter toch meer in aanmerking voor een palliatieve nefrectomie of embolisatie.

Prognose en Overleving De overleving wordt bepaald door de algemene klinische conditie van de patiënt. Hiervoor worden de ECOG of WHO criteria gebruikt. De patiënten hebben over het algemeen een gunstiger prognose en overleving als er geen lymfeklieren aanwezig zijn en er een goede algemene conditie is, een voorafgaande nefrectomie, een lang interval tussen nefrectomie en het ontstaan van afstandsmetastasen. De prognose wordt negatief beïnvloed indien er klachten of tekenen zijn van: een paraneoplastisch syndroom, overgewicht, een algemene slechte conditie, geen nefrectomie, een verhoogd LDH of Calcium en als het interval tussen diagnose en start van de interferon behandeling minder dan 1 jaar.

Conclusie Tot recent waren de behandelingsmogelijkheden van het niercelcarinoom beperkt. Recent door de ontwikkeling van smart drugs; de zogenaamde signaal-transductie remmers en angiogenese remmers lijkt een nieuwe manier aan de behandeling van het niercelcarcinoom te worden toegevoegd met relatief weinig bijwerkingen. Verschillende van deze middelen zijn in op dit moment in België in fase II onderzoek.


Hoe ver moeten we gaan? L. Hoekx, oncologische urologie U.Z.Antwerpen

Inleiding Bij 4-10% van de niertumoren is er doorgroei van de tumor tot in de vena cava. Bij een aantal van deze patiënten reikt deze tumorthrombus tot in het rechter atrium. Voor de jaren ’70 dacht men dat deze veneuze ingroei een zeer slecht prognostisch teken was. Tegenwoordig beschouwt men deze veneuze ingroei niet langer als een teken van lokaal gemetastaseerde ziekte, maar de tumorthrombus wordt gezien als een rechtstreekse uitstulping van de primaire tumor. Curatieve heelkunde is technisch niet altijd gemakkelijk, maar is meestal nog mogelijk. Bij complete heelkundige resectie kan een 5-jaars overleving van 57-68% bereikt worden.

Chirurgische techniek De chirurgische techniek is afhankelijk van de grootte van de tumorthrombus. Bij stadium I is er enkel veneuze stadium I stadium II ingroei in de vena renalis en bij stadium II reikt de tumor tot in de vena cava, maar het craniale uiteinde bevindt zich onder de lever (infrahepatisch). stadium III stadium IV Bij deze patiënten wordt de de 4 stadia van veneuze tumoringroei vena cava geteugeld boven en onder de tumorthrombus, de uitmonding van de vena renalis in de vena cava wordt omsneden en de tumorthrombus wordt samen met het nefrectomie specimen verwijderd. De meeste van deze tumorthrombi zit los in het lumen van de vene, zonder dat ze adhesies of ingroei van de vena cava wand vertonen. Bij stadium III reikt de tumorthrombus tot in de intrahepatische vena cava. In deze gevallen dient de vena cava geklemd te worden boven de lever en dit gaat frekwent gepaard met ernstige hypotensie. Bij het openen van de vena cava na plaatsen van een klem boven de lever, kan er bovendien erg veel bloedverlies optreden uit de hepatische venen. Het is daarom soms nodig om de leverhilus eveneens te klemmen (Pringle manoeuvre).

Bij stadium IV met doorgroei van de tumorthrombus tot in de vena cava boven de lever of zelfs tot in het rechter atrium is nog complexere heelkunde noodzakelijk. Soms kan een venoveneuze bypass worden gebruikt waarbij veneus bloed uit de vena femoralis rechtstreeks naar het rechter atrium wordt gepompt. Dit kan ernstige hypotensie helpen opvangen bij het schuin plaatsen van een klem over het rechter atrium. Bij de meeste patiënten met een ingroei van het rechter atrium is echter een cardiopulmonale bypass noodzakelijk met circulatiestop onder hypotensie. Er wordt maximaal 60 min. koude ischemietijd toegelaten om de operatie te voltooien.

Dossier / Dossier Hoofdartikel / L’article principal

Chirurgie voor niertumoren met ingroei in de vena cava

Bij het uitsnijden van de vena renalis uit de inmonding van de vena cava is er soms toch invasie van de tumorthrombus in de vena cava wand. Soms is dit macroscopisch al duidelijk, soms blijkt dit op een peroperatieve vriescoupe. In dit geval kan het nodig zijn om een stuk van de vena cava mee te reseceren. Eventueel kan een stuk van de vena cava vervangen worden door een greffe van pericard of een ander synthetisch materiaal.

Verwikkelingen en resultaten Bij dit soort van uitgebreide vasculaire chirurgie kan de peri-operatieve mortaliteit oplopen tot 5 en zelfs 25%. De voornaamste complicaties zijn massieve bloeding, longembolie en nierinsufficiëntie. Indien een complete resectie kan uitgevoerd worden zonder aanwezigheid van lymfekliermetastasen of metastasen op afstand, kan een 5-jaars overleving bekomen worden van 57-68%. Het feit of de tumorthrombus reikt tot in de infrahepatische vena cava of zelfs tot in het rechter atrium van het hart, blijkt uiteindelijk geen invloed te hebben op de prognose van de patiënt.

Besluit Doorgroei van niertumoren tot in de vena cava komt frequent voor. Indien geen metastasen op afstand bestaan, gebeurt best een complete heelkundige excisie waarmee aanvaardbare 5-jaars overlevingsresultaten worden bereikt. Bovendien is deze radicale heelkunde de enige kans op curatie voor de patiënt omdat er geen enkele andere efficiënte behandeling bestaat voor dit tumorstadium. UROBEL Magazine | 2/1 | mei - mai 2006

13


Dossier / Dossier

Radiotherapie in de urologische oncologie Een essentieel onderdeel van een multidisciplinaire aanpak Dr. Gert De Meerleer Radiotherapie - UZ Gent

Inleiding Radiotherapie is een behandelingsvorm die d.m.v. ioniserende straling tumordodend, pijnstillend en anti-inflammatoir werkt. Binnen de urologische oncologie heeft radiotherapie ongetwijfeld zijn plaats. Door de technologische ontwikkelingen van de laatste jaren zijn de resultaten flink verbeterd, mede door het aanzienlijk dalen van de radiotherapie-geïnduceerde bijwerkingen. Deze technologische vooruitgang zal bediscuteerd worden in een later item van dit tijdschrift. Dit artikel focust op de indicaties van radiotherapie binnen de urologische oncologie. Radiotherapie heeft zijn plaats in de curatieve en palliatieve benadering van urologische tumoren.

Curatieve intentie 1. Prostaatcarcinoom 1a. Lokaal – lokaal geavanceerd prostaatcarcinoom Voor beperkte tumoren (de zogenaamde ‘laag risico’ groep d.w.z. PSA<10 ng/ml, Gleason ≤6, T1c-T2a) is radiotherapie één van de standaardbehandelingen (1, 2). Op de vraag of radiotherapie al dan niet evenwaardig of beter is dan radicale prostatectomie, kan men onmogelijk antwoorden, gezien de afwezigheid van gerandomiseerde studies. In deze patiëntengroep geeft uitwendige bestraling 5-jaars genezingscijfers van 85 tot 100 %, op voorwaarde dat een dosis van >72 Gy wordt toegediend (2). Recentere studies adviseren zelfs een dosis >78 Gy, wat leidt tot een significant betere lokale controle (3). Uiteraard leidt een hogere bestralingsdosis tot meer rectale en urinaire bijwerkingen (4, 5) en is moderne technologie vereist om deze dosissen op een veilige manier toe te dienen. Intensiteitsgemoduleerde radiotherapie of IMRT slaagt in dit opzet (6, 7). Ernstige (graad 3) bijwerkingen zijn beperkt tot <3 % van de patiënten en de meerderheid (>80 %) heeft geen of minieme klachten die de levenskwaliteit niet storen (7). De potentie wordt (partieel) bewaard in meer dan de helft van de patiënten, op voorwaarde dat de patiënt potent was voor de start van moderne radiotherapie (5). Meer details betreffende dit onderwerp annex radiotherapie geïnduceerde bijwerkingen bij prostaatcarcinoom zullen verschijnen in het najaarsnummer van dit tijdschrift. De resultaten van brachytherapie (meestal ‘inwendige bestraling’ 14

UROBEL Magazine | 2/1 | mei-mai 2006

d.m.v. iood- of palladiumzaadjes; recent alternatief d.m.v. iridiumnaalden) zijn beloftevol (2), met een zeer aanvaardbaar toxiciteitsprofiel. Bij brachytherapie worden deze zaadjes via perineale weg in de prostaat ingebracht (patiënt onder narcose). Afhankelijk van de grootte van de prostaat kan het aantal zaadjes sterk variëren. Bij voorkeur wordt een concentratie van zaadjes aangebracht t.h.v. de primaire tumorplaats. De dosis moet ≥140 Gy bedragen (8). Deze behandling heeft zijn plaats bij prostaatcarcinomen met ‘laag risico’ en bij prostaatvolumes <45 à 50 cc. Mogelijks kunnen ook patiënten met PSA <15 ng/ml, én patiënten met Gleason score 3+4 d.m.v. brachytherapie worden behandeld, maar hierover bestaat zeker nog geen consensus. Een kritische noot bij brachytherapie is dat de resulaten zeker niet beter zijn dan moderne uitwendige bestraling en/of radicale prostatectomie, en dat er heel veel druk gezet wordt vanuit de brachytherapiefirma’s. De hoge terugbetaling speelt hier ongetwijfeld een rol. Voor geavanceerde tumoren (T3-T4, PSA >20 ng/ml) of tumoren met een hoge Gleason score (‘hoog risico’) moet radiotherapie worden gecombineerd met een adjuvant hormoonbeleid (=standaardbehandeling) (9, 10). De optimale tijdsduur van deze horomonale therapie bedraagt 24-36 maand. Het overlevingsvoordeel bedraagt meer dan 15 % (9). Het niet opstarten van een adjuvant hormoonbeleid bij deze patiënten kan enkel indien patiënt weigert, of bij intolerantie. Voor patiënten met ‘intermediair risico’ tumoren is er geen consensus betreffende het al dan niet opstarten van een hormonale behandeling bij de radiotherapie. Dit wordt momenteel onderzocht in een Europese studie (EORTC 22991). 1b. Lymfogeen gemetastaseerd prostaatcarcinoom Bij deze patiënten is het opstarten van hormonotherapie dikwijls de standaardbehandeling. Pelviene radiotherapie wordt vnl. in de VS aangeraden (11). De biochemische genezingskans na 5-jaar bedraagt >50 %. Het is dus fout om patiënten met aangetaste pelviene lymfeklieren als ‘ongeneesbaar’ te beschouwen. Het tegelijk toedienen van hormonotherapie en uitwendige bestraling lijkt een meer dan logische keuze. Men kan niet naast de overlevingsdata van de Bolla-studie heen, die bij geavanceerde tumoren een duidelijk overlevingsvoordeel biedt, en dus hormonotherapie obligaat maakt. Evenwel zijn niet alle prostaatcarcinoomcellen hormoongevoelig. Deze cellen ontsnappen dus aan een ‘monotherapie’ met hormonen. Radiotherapie kan deze cellen helpen doden. Het te bestralen doelvolume is echter groot (prostaat – zaadblaasjes – klieren in het


2. Testistumoren Voor de ‘puur seminoom’ stadium I testistumoren is radiotherapie de standaardbehandeling als de initiële tumor meer dan 4cm groot is of als er invasie van het rete testis (14-16). In deze gevallen neemt men als bestralingsveld de para-aortische, infradiafragmatische lymfeklieren met inclusie van de linker nierhilus indien de primaire tumor uitgaat van de linker teelbal. Testisseminomen zijn zeer radiosensiebel, wat betekent dat men geen hoge dosis moet nastreven. Een dosis van 24 a 26 Gy in fracties van 2 Gy per dag is voldoende (16). Momenteel loopt zelfs een Europese studies die een dosis van 16 Gy evalueren. Behoudens nausea tijdens en kort na de behandling heeft deze behandeling geen bijwerkingen, behalve een licht verhoogd risico op inductie van secundaire tumoren. Radiotherapie is de standaardbehandeling voor stadium IIA en non-bulky (lymfeklieren ≤ 3,5 cm) IIB (16). Het bestralingsveld omvat de para-aortische, infradiafragmatische lymfeklieren met inclusie van de linker nierhilus indien de primaire tumor uitgaat van de linker teelbal + de lymfeklieren langsheen de ipsilaterale iliacale vaten. Het is belangrijk dat alle op CT-scan vergrote lymfeklieren in het bestralingsveld zijn vervat. De bestralingsdosis is dezelfde als bij stadium I, maar men raadt een boostdosis aan tot 30 Gy (IIA) à 36 Gy (IIB) op de PET-CT positieve klieren (16). Deze behandeling gaat naast nausea ook gepaard met diarrhee in acute fase gezien er meer dundarm in het bestralingsveld zit. De indicaties voor scrotale radiotherapie zijn beperkt tot die gevallen met peroperatoire tumorspill, een positief chirurgisch snedevlak t.h.v. de zaadstreng of doorgroei van de tumor in de scrotumwand. Ipsilaterale inguinale radiotherapiewordt aangeraden i.g.v. doorgroei doorheen de tunica albuginea (16).

3. Blaascarcinoom In België is de standaardbehandeling van het niet-gemetastaseerd blaascarcinoom een radicale cystectomie. Al is de plaats van radiotherapie in de behandeling van dit type tumoren eerder beperkt, toch kan het een alternatief zijn voor cystectomie met als (theoretisch) voordeel dat radiotherapie blaassparend werkt. Voor solitaire blaastumoren kleiner dan 5 cm kan ‘intravesicale brachytherapy’ worden overwogen. Hierbij wordt, eventueel na een partiële cystectomie, de tumorlokatie of resectielitteken tot een hoge, zeer gelokalizeerde dosis (60 Gy) bestraald

door peroperatoir geplaatste brachytherapietubes achteraf op te laden met een radio-actieve iridiumdraad. Dit is het zogenaamde ‘afterloading’ principe. Deze behandeling wordt best voorafgegaan door een uitwendige ‘flash’ bestraling van 3 x 3.5 Gy om het operatieveld te ‘sterilizeren’. Deze gecombineerde behandeling heeft uitstekende lokale controle cijfers (>70 %) én de patiënten behouden een functionele blaas zonder verlies van overlevingskansen (17). Uitwendige bestraling – al dan niet gecombineerd met radiosensitizerende chemotherapie – wordt veel minder vaak toegepast in Europa. Nochtans bestaan er studies die getoond hebben dat deze combinatie even goede overlevingsresultaten biedt dan cystectomie (18). Evenwel is de toxiciteit van deze behandeling ernstig, met op termijn vooral zware functionele blaasstoornissen. De laatste jaren slaagt met erin om d.m.v. ‘image-guided radiotherapy’ de intravesicale tumor focaal tot een hoge dosis te bestralen, en de volledige blaas eerder een ‘preventieve’ dosis toe te dienen, waardoor er minder functionele blaasstoornissen optreden. Uiteraard kan dit enkel bij een bepaalde selectie van patiënten (solitaire tumor, exacte locatie gekend, afwezigheid van carcinoma is situ). De eerste resultaten tonen een goede tumorcontrole, met een aanvaardbaar toxiciteitsprofiel (19).

Dossier / Dossier Hoofdartikel / L’article principal

kleine bekken) en bevat heel wat dundarm. Met conventionele technieken is de laattijdge toxiciteit dan ook niet min (. Nieuwe technieken zoals IMRT (12) of IMAT (intensiteitsgemoduleerde ‘arc’therapie of kortweg boogtherapie) (13) sparen veel beter de dundarm en kunnen bovendien de dosis op de prostaat en lymfeklieren beter focussen én opdrijven, wat de probabiliteit op locoregionale controle verhoogt.

Palliatieve intentie 1. Botmetastasen Botmetastasen afkomstig van urologische tumoren komen frequent voor, met vnl. prostaat en nier als primaire tumor. Blaastumoren metastaseren ook frequent naar het bot, maar hier is het metastatisch proces dikwijls complexer (bv. weke delen componente). Botmetastasen veroorzaken pijn door mechanische druk en inflammatoire reacties (nietgecompliceerde botmetastasen). Door instabiliteit van het bot kan er fractuurgevaar ontstaan (meestal lange pijpbeenderen), of, door doorgroei naar her ruggemerg (wervelmetastasen) ontstaan verlammingsverschijnselen. Deze laatste twee categoriëen vormen de ‘gecompliceerde’ botmetastasen. 1a.Niet gecompliceerde botmetastasen Radiotherapie is een uitstekende antalgische therapie met een duidelijke pijnrespons in >90 % van de patiënten. Een recente Europese studie heeft aangetoond dat een éenmalige bestraling van 8 Gy dezelfde pijnrespons geeft dan de langere (oudere) schema’s (bv. 10 x 3 Gy) (20). Het grote voordeel van deze éénmalige bestraling is dat de voorbereidende simulatie; planning en klinische uitvoering op 1 dag kunnen gebeuren. De verbetering van de pijn kan wel verschillende weken op zich laten wachten. Dit houdt in dat men de respons best pas analyzeert na 4 tot 6 weken. In de meeste gevallen is een herbestraling, zo nodig, perfect mogelijk. UROBEL Magazine | 2/1 | mei - mai 2006

15


Dossier / Dossier

1b. Gecompliceerde botmetastasen Bij patiënten met een dreigende compressie van het ruggemerg is een urgente bestraling de standaardbehandeling. Indien een patiënt neurologische symptomen vertoont (bv. verlammingsverschijnselen) die worden veroorzaakt door wervelmetastasen, wordt best zo snel mogelijk (lees: binnen de 24 u!) met radiotherapie gestart. Hoe langer men wacht, hoe kleiner de kans op recuperatie. Radiotherapie wordt in deze gevallen best gecombineerd met corticosteroïden. Voor deze patiënten wordt een langer schema aangeraden (bv. 12 x 2.5 Gy). In geval van pathologische fracturen wordt eerst een stabilizatie uitgevoerd gevolgd door consoliderende radiotherapie (12 x 2.5 Gy). Indien botmetastasen een belangrijke weke delen component bevatten (> bij blaastumoren) wordt ook een dosis van 12 x 2.5 Gy aangeraden en bestraalt men uiteraard de weke delen componente mee.

2. Hersenmetastasen Alhoewel hersenmetastasen niet zo frequent zijn binnen de urologische oncologie, moet men toch bedacht zijn op de zware symptomatologie die deze kunnen meebrengen (hoofdpijn, braken, evenwichtsstoornissen, diplopie, verlammingsverschijnselen (‘hemibeeld’), verwardheid, ...). Pancraniële radiotherapie (12 x 2.5 Gy) in combinatie met corticosteroïden blijft de standaardbehandeling en ook hier geldt het motto dat hoe eerder de patiënt wordt aangemeld voor radiotherapie, hoe groter de kans op recuperatie is. Voor solitaire hersenmatastasen (te bevestigen op MRI en niet op CT) wordt een boostdosis op de hersenmetastase aangeraden.

3. Lymfekliermetastasen in een palliatieve setting Vooral prostaat- en blaascarcinoom patiënten presenteren zich soms met lymfoedeem van de onderste ledematen, met als oorzaak vergrote lymfeklierpaketten in het kleine bekken of para-aortisch. Meestal zijn deze patiënten alreeds algemeen behandeld en hebben we hier te maken met een palliative situatie. Radiotherapie op de aangetaste klierregio’s is een optie. Het slaagpercentage is slechts 50 %. Bovendien kan radiotherapie geïnduceerde fibrose achteraf het lymfoedeem opnieuw verergeren.

Besluit Radiotherapie heeft een uitgebreide plaats in de curatieve en palliatieve urologische oncologie. Patiënten met urologische tumoren worden best multidisciplinair behandeld, en de aanwezigheid van een radiotherapeut binnen dit multidisciplinair team lijkt meer dan logisch. In een modern centrum dient radiotherapie als behandelingsoptie voor lokaal prostaatcarcinoom aan de patiënt te worden aangeboden. 16

UROBEL Magazine | 2/1 | mei-mai 2006

Referenties 1. Potters L, Klein EA, Kattan MW et al. Monotherapy for stage T1-T2 prostate cancer: radical prostatectomy, external beam radiotherapy, or permanent seed implantation. Radiother Oncol 2004; 71: 29-33. 2. Kupelian PA, Potters L, Khuntia D et al. Radical prostatectomy, external beam radiotherapy <72 Gy, external beam radiotherapy > or =72 Gy, permanent seed implantation, or combined seeds/ external beam radiotherapy for stage T1-T2 prostate cancer. Int J Radiat Oncol Biol Phys 2005; 58: 25-33. 3. Pollack A, Zagars GK, Smith LG et al. Preliminary results of a randomized radiotherapy dose-escalation study comparing 70 Gy with 78 Gy for prostate cancer. J Clin Oncol 2000; 18: 3904-3911. 4. Peeters T, Heemsbergen WD, van Putten WL et al. Acute and late complications after radiotherapy for prostate cancer: results of a multicenter randomized trial comparing 68 Gy to 78 Gy. Int J Radiat Oncol Biol Phys 2005; 61: 1019-1034. 5. Zelefsky MJ, Cowen D, Fuks Z et al. Long term tolerance of high dose three-dimensional conformal radiotherapy in patients with localized prostate carcinoma. Cancer 1999; 85: 2460-2468. 6. De Meerleer G, Vakaet L, Meersschout S et al. Intensitymodulated radiotherapy as primary treatment for prostate cancer: acute toxicity in 114 patients. Int J Radiat Oncol Biol Phys 2004; 60: 777-787. 7. Zelefsky MJ, Fuks Z, Hunt M et al. High-dose intensity modulated radiation therapy for prostate cancer: early toxicity and biochemical outcome in 772 patients. Int J Radiat Oncol Biol Phys 2002; 53: 1111-1116. 8. Stone NN, Stock RG, Unger P. Intermediate term biochemicalfree progression and local control following 125iodine brachytherapy for prostate cancer. J Urol 2005; 173: 803-807. 9. Bolla M, Collette L, Blank L et al. Long-term results with immediate androgen suppression and external irradiation in patients with locally advanced prostate cancer (an EORTC study): a phase III randomised trial. Lancet 2002; 13: 103-106. 10. Pilepich MV, Winter K, Lawton CA et al. Androgen suppression adjuvant to definitive radiotherapy in prostate carcinoma--longterm results of phase III RTOG 85-31. Int J Radiat Oncol Biol Phys 2005; 61:1285-1290. 11. Lawton CA, Winter K, Grignon D et al. Androgen suppression plus radiation versus radiation alone for patients with stage D1/pathologic node-positive adenocarcinoma of the prostate: updated results based on national prospective randomized trial Radiation Therapy Oncology Group 85-31. J Clin Oncol 2005; 23: 800-807. 12. Nutting CM, Convery DJ, Cosgrove VP et al. Reduction of small and large bowel irradiation using an optimized intensitymodulated pelvic radiotherapy technique in patients with prostate cancer. Int J Radiat Oncol Biol Phys 2000; 48: 649-56. 13. Duthoy W, De Gersem W, Vergote K et al. Clinical


18. Shipley WU, Zietman AL, Kaufman DS et al. Selective bladder preservation by trimodality therapy for patients with muscularis propria-invasive bladder cancer and who are cystectomy candidates--the Massachusetts General Hospital and Radiation Therapy Oncology Group experiences. Semin Radiat Oncol 2005;15:36-41. 19. McBain CA, Logue JP. Radiation therapy for muscle-invasive bladder cancer: treatment planning and delivery in the 21st century. Semin Radiat Oncol 2005;15: 42-48. 20. Steenland E, Leer JW, van Houwelingen H et al. The effect of a single fraction compared to multiple fractions on painful bone metastases: a global analysis of the Dutch Bone Metastasis Study. Radiother Oncol 1999; 52: 101-109.

UROBEL Magazine | 2/1 | mei - mai 2006

Dossier / Dossier Hoofdartikel / L’article principal

implementation of intensity-modulated arc therapy (IMAT) for rectal cancer. Int J Radiat Oncol Biol Phys 2004; 60:794-806. 14. Schmoll HJ, Souchon R, Krege S et al. European consensus on diagnosis and treatment of germ cell cancer: a report of the European Germ Cell Cancer Consensus Group (EGCCCG). Ann Oncol 2004; 15: 1377-1399. 15. Warde P, Specht L, Horwich et al. Prognostic factors for relapse in stage I seminoma managed by surveillance: a pooled analysis. J Clin Oncol. 2002; 20: 4448-44. 16. Hamdy FC, Basler JW, Neal DE et al. Management of urologic malignancies. Part 4: « testicular cancer » (Chapters 34-39) 17. Nieuwenhuijzen JA, Pos F, Moonen LM et al. Survival after bladder-preservation with brachytherapy versus radical cystectomy; a single institution experience. Eur Urol. 2005; 48: 239-245.

17


Dossier / Dossier

Les tumeurs de l’urothelium P. Van Cangh, Service d’Urologie UCL Cliniques Universitaires St Luc, Louvain-en-Woluwe

I. Introduction L’urothélium est l’épithélium de recouvrement de la voie excrétrice urinaire. Il est de type transitionnel. Il peut être considéré comme une membrane continue qui recouvre tout le système excréto-urinaire: les calices, le bassinet, l’uretère, la vessie et l’urètre proximal. On considère l’urothélium comme un organe unique, de la même manière que la peau est considérée comme un organe unique. La fréquence de la localisation des tumeurs urothéliales est proportionnelle à la surface recouverte. Par ordre, il s’agira d’abord de la vessie (95 %), puis du bassinet (2 %), des calices (1 %), de l’uretère (1 %) et de l’urètre (<1 %). Les caractéristiques essentielles des tumeurs de l’urothélium sont identiques quel que soit l’organe intéressé: 1) Il s’agit en réalité d’une maladie urotheliale:L’entièreté de la muqueuse est malade; les tumeurs sont par conséquent souvent multifocales et récidivantes. Les biopsies prélevées à distance d’une tumeur, en tissu apparemment sain, montrent fréquemment des lésions précancéreuses: il existe une progression fréquente allant de la simple dysplasie au carcinome in situ, jusqu’au cancer invasif, et toutes ces images se retrouvent plus ou moins associées chez le même patient. Les récidives sont fréquentes dans le même organe (par ex. dans la vessie, il y a en moyenne 60 % de récidives des “polypes de vessie”) et il existe une association fréquente, soit simultanée soit dans le temps, de tumeurs localisées à des sites multiples (par ex. bassinet et/ou/puis vessie). La récidive s’accompagne de progression du stade et/ou du grade dans 5 à 30 % des cas (Il s’agit essentiellement des tumeurs de stade >pTa). Le concept de “maladie urothéliale” doit toujours être présent à l’esprit. Pour les tumeurs de vessie, 50 à 70 % des cas récidiveront endéans les 6 à 12 mois (30 % s’il s’agit d’une tumeur unique papillaire, mais jusqu’à 90 % pour les tumeurs multiples). Environ 10 % des patients qui présentent une tumeur de vessie ont des antécédents d’une autre tumeur urothéliale. En cas de tumeur de vessie, on estime à 2 ou 3 % les risques d’avoir une tumeur du haut appareil urinaire. En cas de tumeur du haut appareil, on estime à 40 % les risques de développer une tumeur de la vessie, et à 2 à 4 % les risques de développer une tumeur hétérolatérale du haut appareil urinaire. 2) Les tumeurs bien différenciées (grade histologique G 1 ou G 2) sont habituellement peu infiltrantes (stade < T 1) et d’aspect papillaire. A l’opposé, les tumeurs mal différenciées,

18

UROBEL Magazine | 2/1 | mei-mai 2006

anaplasiques (G 3) sont d’aspect solide, à base d’implantation large et ont tendance à infiltrer rapidement le chorion et la musculeuse (> T 2). Les tumeurs infiltrantes d’emblée sont difficiles à diagnostiquer car elles n’ont pas de développement précoce intraluminal (pas de lacune visible aux radiographies, pas d’uropathie obstructive précoce, pas d’hématurie précoce, etc.). 3) Le pronostic est bon dans les tumeurs peu infiltrantes; dès que la musculeuse est envahie, le pronostic devient nettement moins bon.

II. Épidémiologie Les tumeurs de l’urothélium sont fréquentes: il s’agit du 3ème cancer de l’homme, et du 2è me cancer urologique. C’est la 7ème cause de mortalité par cancer chez l’homme (9ème chez la femme). Ces tumeurs sont très rares pendant les 2 premières décades de la vie; leur fréquence augmente nettement après 50 ans mais , à l’heure actuelle, il n’est pas rare de les voir apparaître chez des patients beaucoup plus jeunes. L’incidence en Belgique est de 20/100.000 des habitants. Les hommes sont 3 à 4 fois plus exposés que les femmes.

III. Anatomopathologie En ce qui concerne l’urothélium, il n’existe pas de tumeur bénigne: tous les “polypes” sont en fait des épithéliomas transitionnels. 90 % des tumeurs de l’urothélium sont des épithéliomas transitionnels. Dans 7 à 8 % des cas, il s’agit d’épithélioma épidermoïde ou spinocellulaire. Leur étiologie est souvent en rapport avec un facteur d’irritation chronique. Dans 2 %, il s’agit d’adénocarcinome, qui se développe essentiellement au niveau du dôme et de l’ouraque, et au niveau du trigone sur des entités rares de type «cystite cystique» ou cystite glandulaire. Les rhabdomyosarcomes pouvant prendre leur origine au niveau de la vessie, du vagin, de la prostate, du cordon spermatique, sont des pathologies pédiatriques. Les sarcomes de la vessie sont rares chez les adultes.

IV. Etiologie Il existe plusieurs facteurs connus associés avec un risque élevé de cancer de l’urothélium. 1) Produits chimiques. Les carcinogènes industriels. Ce fait est connu depuis 1894 pour les dérivés de “l’aniline”. Actuellement, il s’agit surtout d’amines aromatiques, de dérivés du benzène, du naphtalène qui peuvent être absorbés à travers la peau, le tractus digestif et les muqueuses respiratoires. Les risques sont particulièrement élevés dans les industries


2) Intoxications endogènes a) le tabac: le cancer de vessie et de 2 à 10 fois plus fréquent chez les grands fumeurs. Il s’agit d’un risque constamment retrouvé dans les études épidémiologiques. On estime qu’à l’heure actuelle, 60 % de tous les cancers de vessie chez l’homme (et 30 % chez la femme) sont causés directement par la cigarette. b) abus de phénacétine: certains métabolites de la phénacétine ont une action carcinogène. Les tumeurs urothéliales du haut appareil sont fréquentes (jusqu’à 5 %) en cas d’abus chronique prolongé de phénacétine (en plus des nécroses papillaires). c) cyclophosphamide: il semble exister une légère augmentation de la fréquence des tumeurs de l’urothélium chez les malades qui ont été traités par de fortes doses de cyclophosphamide (latence de 6 à 10 ans). d) le café: il n’y a pas d’étude qui prouve cette association; il semble s’agir d’une corrélation entre l’abus de café et de tabac. 3) Infections et irritations chroniques Ces facteurs peuvent provoquer à la longue (20 à 40 ans) l’apparition de tumeurs de type épithélioma épidermoïde. Les malades à risque sont ceux qui ont des sondes à demeure pendant très longtemps, ou ceux qui souffrent de schistosomiase. L’infestation parasitaire (bilharziose) est habituellement accompagnée d’infections chroniques (en Egypte, 70 % des cancers de vessie sont de type épidermoïde). Enfin, en cas d’exstrophie vésicale non corrigée, l’irritation chronique de la muqueuse exstrophiée peut entraîner la formation d’un adénocarcinome vésical (complication rare).

V. Clinique 1) l’Hématurie micro ou macroscopique est présente dans 85 % des cas. La quantité de sang n’est pas proportionnelle à la sévérité de la tumeur et le fait que l’hématurie soit souvent intermittente n’enlève rien à sa valeur de signal d’alarme. L’hématurie est souvent indolore. Tout patient ayant présenté une hématurie doit subir une cystoscopie et une urographie intraveineuse. Faire moins en l’absence de signe évident de glomérulopathie relève de la négligence. Toute hématurie est un signe de cancer, jusqu’à preuve du contraire. 2) Dans 20 % des cas, ce symptôme majeur est absent! Le patient se présente avec des signes vésicaux irritatifs de type pollakiurie et mictalgie. Ne pas se contenter trop vite du diagnostic de cystite stérile, ou de prostatite; il faut toujours

penser à la possibilité du carcinome in situ (CIS). 3) L’infection urinaire est fréquemment (30 %) surajoutée aux tumeurs de vessie. Les symptômes peuvent donc disparaître par un traitement adéquat de l’infection. Attention donc aux cystites récidivantes chez les individus âgés! 4) Les douleurs sont habituellement tardives et signent l’infiltration en profondeur, l’infection ou la présence d’un obstacle de la voie excrétrice. L’examen clinique est très pauvre, et ne devient positif que pour les stades avancés (signe de compression veineuse et lymphatique, tumeur hypogastrique).

Dossier / Dossier Hoofdartikel / L’article principal

des colorants, du caoutchouc, des câbleries ainsi que dans l’industrie du cuir et de la coiffure (lorsque l’on emploie beaucoup de teintures). La période de latence est longue: 20 à 40 ans d’exposition.

VI. Éléments diagnostiques complémentaires 1) Examen d’urines a) analyse du sédiment urinaire: hématurie macro ou microscopique b) cytologie urinaire: les urines au jet prélevées dans des conditions optimales ou les produits de lavage de vessie au sérum physiologique en cours de cystoscopie sont d’un grand intérêt dans le suivi de l’affection et dans le dépistage systématique des populations à haut risque. Les conditions de prélèvement et l’expérience du cytologiste sont des facteurs importants dans l’appréciation des résultats. 2) Examens radiologiques a) Urographie intraveineuse et cystographie permictionnelle: on recherchera les signes radiologiques de la présence d’une tumeur, soit exophytique, soit infiltrante, et de ses répercussions (uropathie obstructive). Les tumeurs multiples sont fréquentes. Il faut les rechercher. b) Urétéropyélographie rétrograde ou UPR: Pour les cas difficiles de tumeur de la voie haute, surtout lorsque le rein n’est pas fonctionnel, associée au recueil des cytologies urinaires par barbotage. c) Echotomographie: la vessie peut être étudiée par voie suspubienne (intérêt pour le diagnostic et le suivi, et par voie transurétrale, en cours de bilan endoscopique (intérêt pour la stadification) d) Tomographie computée («Scanner»): intérêt dans la stadification: déterminer le degré d’infiltration et la présence d’adénopathies. 3) Cystoscopie et biopsies En cas de tumeur de vessie, il s’agit de l’examen diagnostic essentiel. Toute prolifération intra vésicale doit être explorée par endoscopie, et biopsiée. On réalise souvent une biopsie exérèse complète par résection endoscopique. On prélève également des biopsies multiples aux alentours de la tumeur à UROBEL Magazine | 2/1 | mei - mai 2006

19


Dossier / Dossier

la recherche d’une “maladie urothéliale”. 4) Bilan d’extension Toutes les tumeurs de l’urothélium sont en principe des épithéliomas transitionnels. Les “polypes bénins” n’existent pas. Le pronostic et le traitement dépendent de l’extension de la tumeur. L’élément le plus important est le degré d’infiltration en profondeur. Pour toute tumeur il est donc indispensable de déterminer si elle envahit ou non la musculeuse. Ceci est déterminé par la palpation bimanuelle sous narcose et la résection endoscopique complète jusqu’à la musculeuse (dans les cas de tumeurs de vessie qui représentent 90 % des tumeurs de l’urothélium). Classification TNM Tis: carcinome in situ Ta: infiltration de la muqueuse pas d’infiltration du chorion (sous-muqueuse) T1: infiltre la sous-muqueuse T2: infiltration muscle (a) superficiel ; (b) profond T3: infiltration graisse périvésicale T4: infiltration organes de voisinage N+: ganglions envahis M+: métastases à distance T2

T2b

T1

T3b

Ta

VII. Traitement des tumeurs de vessie A. Tumeurs superficielles ou non-infiltrantes (T1) a) La résection endoscopique est le traitement de choix des tumeurs superficielles. Elle permet de traiter la tumeur locale et de l’analyser avec précision: confirmer le type histologique, en déterminer le grade d’anaplasie (g) et le stade d’infiltration (T). Il est utile de réaliser également des biopsies multiples de la muqueuse vésicale pour évaluer les dysplasies périphériques et donc le potentiel de récidive. Vu le caractère récidivant des tumeurs de vessie, des cystoscopies régulières sont recommandées: tous les 3 mois pendant la première année, et ensuite tous les 6 mois jusqu’à 5 ans et, enfin, annuellement. La fréquence des examens de contrôle peut être modulée par les données anatomopathologiques (plus rapprochés en présence de carcinome in situ, plus espacée en cas de tumeur superficielle de bas grade, pTa-g1). Note: La photocoagulation au laser (YAG) reste en cours d’évaluation. On en espérait une diminution du taux de récidives locales; à ce jour, cet espoir reste malheureusement déçu. Elle permet de “vaporiser” les petites tumeurs superficielles avec un moindre traumatisme et moins d’hémorragie que la résection classique. L’inconvénient est la difficulté des examens anatomopathologiques.

T4b

Tis T4a résecteur tumeur (épithélioma) superficielle pédiculée muscle détrusor

Les métastases à distance se font le plus fréquemment au niveau du foie, des poumons et des os. Elles seront détectées par les examens habituels (échographie, tomodensitométrie, examens isotopiques). 5) Facteurs pronostics dans le cancer de vessie Les tumeurs superficielles de vessie forment un groupe hétérogène aux potentialités biologiques multiples: certaines vont évoluer et envahir rapidement, d’autres récidiver localement, d’autres enfin ne récidiveront jamais. Les facteurs de pronostics: La détermination des facteurs de pronostic cherche à prédire l’évolution, dans le but d’appliquer le traitement qui convient à chaque cas (traitement agressif dans les tumeurs qui vont devenir infiltrantes, et traitement conservateur dans les tumeurs qui sont destinées à rester superficielles). A l’heure actuelle, seuls les marqueurs cliniques sont d’utilité pratique: 1. stade et grade 2. taille et multiplicité 3. cytologie urinaire

20

UROBEL Magazine | 2/1 | mei-mai 2006

coagulation de la base

b) La chimiothérapie intravésicale. Vu la fréquence des récidives, on envisage dans certains cas un traitement par chimiothérapie intravésicale (expliquée, exérèse, Mitomycine C, BCG). Ce traitement permet d’espérer un espacement ou une diminution de la fréquence des récidives. Vu les effets secondaires non négligeables, il n’y a pas d’indication systématique, mais uniquement lorsqu’il existe des facteurs de risque importants: 1. tumeur mal différenciée (g3) 2. infiltration du chorion (> Ta) 3. carcinome in situ (dysplasie sévère) aux alentours de la tumeur 4. tumeur de gros volume, ou tumeurs multiples d’emblée, ou ayant déjà récidivé c) La radiothérapie est inefficace dans les tumeurs superficielles.


a) La radiothérapie préopératoire de type “flash” (1600 à 2000 rads en 4 5 jours) ou “conventionnelle” (4500 rads en 3 ou 4 semaines) est actuellement abandonnée, la chirurgie immédiate donnant des résultats identiques. b) Cystectomie radicale Indications: a) Infiltration du muscle b) Tumeur de grade 3 (g3) avec du carcinome in situ (CIS) c) Tumeur de grade 3 récidivant Chez l’homme, elle comprend une cystoprostatectomie totale avec urétrectomie éventuelle s’il existe de la dysplasie au niveau de l’urothélium à cet endroit. Chez la femme, il s’agit d’une pelvectomie antérieure constituée par une urétrocystectomie avec hystérectomie totale et ablation d’une collerette vaginale péri urétrale. Note: la cystectomie partielle est rarement possible (2 3 %) et rarement souhaitable, le risque de récidive locale étant prohibitif. La dérivation urinaire fait partie intégrante de la cystectomie; elle est réalisée dans le même temps opératoire. La dérivation directe des uretères à la peau (urétérostomie cutanée directe) est moins lourde à réaliser, mais est grevée de nombreuses complications au niveau de la bouche cutanée (sténose et nécessité fréquente de révision). La dérivation la plus fréquente est l’urétéro-iléostomie cutanée bilatérale ou intervention de Bricker. Les urines sont dérivées à la peau par l’intermédiaire d’un conduit iléal isolé du transit intestinal.

être raccordée à l’urètre restant et remplacer ainsi le réservoir vésical (intervention de Camey, de Studer, ...). Le malade est habituellement continent le jour mais incontinent de nuit. L’emploi de segments intestinaux détubulés permet d’accroître la capacité de la néovessie et de supprimer les ondes de haute pression engendrées par le péristaltisme intestinal. Dans ces conditions, une continence nocturne peut être obtenue. La surveillance de ces patients doit être rigoureuse: danger de troubles métaboliques 1. par réabsorption à travers la paroi intestinale réservoir 2. par résection d’une longueur trop importante de la dernière anse grêle, et de récidive néoplasique dans l’urètre préservé. L’intestinoplastie recevant les uretères peut être abouchée à la peau par l’intermédiaire d’une valve anti reflux, ce qui réalise une dérivation continente. Le malade pratique un autosondage régulier de cette vessie intestinale (poche de Koch, de Mainz, ...).

Dossier / Dossier Hoofdartikel / L’article principal

B. Tumeurs infiltrantes non métastatiques (T2, T3, M0)

c) Chimiothérapie néoadjuvante (c’est à dire préopératoire). Les échecs dans le traitement des tumeurs infiltrantes de la vessie sont habituellement dus aux métastases à distance. Il y a de nombreux protocoles de chimiothérapie néoadjuvante en cours d’évaluation (leur efficacité reste à démontrer) dans le but d’agir sur les métastases microscopiques présentes, mais méconnues au moment de la cystectomie. Le plus courant est actuellement le M-VAC.

C. Tumeurs métastatiques (M+) L’urétérosigmoïdostomie consiste à implanter les 2 uretères dans le sigmoïde restant en continuité intestinale. L’intervention est simple et permet d’éviter un appareil collecteur externe, par contre les complications d’ordre métabolique et infectieux sont majeures et cette intervention est peu en vogue à l’heure actuelle. colon sigmoïde

Le pronostic dans ces cas est très mauvais. Le traitement est habituellement palliatif. La radiothérapie a un rôle important à jouer à ce niveau. De nombreux protocoles de chimiothérapie sont également en cours d’évaluation (Cisplatinum et Méthotrexate) et le taux de réponse objective est intéressant; la réponse est malheureusement souvent incomplète et temporaire.

VIII. Pronostic réimplantation antireflux

mesosigmoïde

Dans certains cas, il est possible de réaliser une vessie de substitution par intestinoplastie; cette plastie vésicale peut

Le pronostic dépend essentiellement du grade et du stade. Pour les tumeurs bien différenciées n’ infiltrant pas la musculeuse, la survie est de 50 à 70 % à 5 ans. Pour les tumeurs infiltrant le muscle mais non métastatiques, on peut espérer jusqu’à 50 % de survie à 5 ans. En cas de métastases à distance, la survie est très mauvaise: de 0 à 10 % à 5 ans. UROBEL Magazine | 2/1 | mei - mai 2006

21


Dossier / Dossier

Urologische kanker in Vlaanderen De Vlaamse Liga tegen Kanker publiceerde onlangs het nieuwe rapport: Kankerincidentie in Vlaanderen, Cancer incidence and survival in Flanders 2000 - 2001 (E. Van Eycken, N.De Wever, Cancer Incidence and Survival in Flanders, 2000-2001. Flemish Cancer Registry Network, VLK, Brussels, 2006) (www.tegenkanker.be/kankerregistratie). In 2001 had Vlaanderen een populatie van 5.952.552 personen, waarvan 2.934.940 mannen en 3.017.612 vrouwen. 22 % waren 60 jaar of ouder, en 3,6 % van de totale populatie waren boven de 80. Volgens het nationaal instituut voor de statistiek zal het aandeel “ouder dan 60” 29 % zijn, en tot 34 % stijgen in het jaar 2050. Vlaanderen heeft een bevolkingsdichtheid van 422 inwoners per vierkante kilometer, één van de hoogste van Europa. De levensverwachting is 76 jaar voor mannen en 81,9 jaar voor vrouwen. De meest voorkomende invasieve kankers in Vlaanderen voor 2000-2001 zijn: Bij de man: prostaat (28.4 %), long (16.9 %), colon/rectum (12.7 %), hoofd en nek (5.4 %), blaas (5.3 %), huid (nietmelanoom) (4.1 %), nier (2.7 %). Bij de vrouw: borst (35.3 %), colon/rectum (13.5 %), uterus (5.3 %), eierstok (4.2 %), long (4.2 %).

Twee urologische kankers, prostaat en blaas, worden meer in detail beschreven. In 2000-2001 werden in Vlaanderen 10.244 nieuwe diagnoses van prostaatkanker gesteld. Dit is 174 per 100.000 inwoners of specifiek naar leeftijd 143 per 100.000 inwoners. In vergelijking met andere Europese landen scoort België, samen met Zweden en Finland vrij hoog. De wijd verspreide bepaling van PSA in het bloed kan hiervoor de uitleg zijn. De gemiddelde leeftijd bij diagnose was 70 jaar. De globale 5-jaars overleving was 67 %, terwijl de relatieve 5-jaars overleving, waarbij rekening gehouden wordt met andere doodsoorzaken, 85 % is. Invasieve blaaskanker werd in 2000-2001 in Vlaanderen bij 2401 inwoners gediagnosticeerd. De gemiddelde leeftijd bij diagnose was 72 jaar. De aandoening komt 5,46 maal meer voor bij mannen dan bij vrouwen. De globale 5-jaars overleving was 47 % bij de man en 44 % bij de vrouw. De relatieve 5-jaars overleving was respectievelijk 60 % en 54 %. Meer informatie, methodiek en tabellen kan je terugvinden op de website. (www.tegenkanker.be/kankerregistratie) Ronny Pieters

Thema’s voor de volgende edities van UROBEL Magazine: • Incontinentie • Prostaatpathologie

22

september ‘06 december ‘06

• Infectiologie

februari ‘07

• Ageing male

mei ‘07

UROBEL Magazine | 2/1 | mei-mai 2006


Vooruitgang in de aanpak van gemetastaseerde hormoonresistente prostaatkanker * Overlevingskans

ASCO 2004: Globale overleving in TAX 327 1,0 0,9 0,8 0,7 0,6 0,5 0,4 0,3 0,2 0,1 0,0

Docetaxel om de 3 weken Docetaxel wekelijks Mitoxantron

0

6

12

18

24

30

Maanden Gecombineerd D om de 3 weken D wekelijks Mitoxantron

Mediane overleving ratio Hazard p-waarde 18,2 0,83 18,9 0,76 17,4 0,91 16,5 -

0,04 0,009 0,36 -

Bij één op de zes mannen wordt in de loop van zijn leven de diagnose van prostaatkanker gesteld. Bijna een derde van de patiënten die in het begin curatief behandeld werden, zal een recidief ontwikkelen onder de vorm van een systemische ziekte, vooral ter hoogte van het bot. Metastatische prostaatkanker is aanvankelijk gevoelig voor androgeendeprivatie. Deze behandeling maakt het meestal mogelijk om de ziekte gedurende meerdere jaren (mediaan: 1,5 jaar) te controleren, maar de meeste van deze patiënten zullen op een bepaald moment niet meer reageren op de hormoontherapie. Botmetastasen zijn de belangrijkste oorzaak van pijn en morbiditeit. De therapeutische opties voor een patiënt met hormoonresistente prostaatkanker zijn beperkt. De zogenaamde tweedelijnshormoontherapie (ketoconazol, hydrocortison,…) kan de symptomen bij ongeveer 25 % van de patiënten verbeteren. Maar dit duurt slechts enkele maanden (mediaan 4 maanden) en de overleving van deze patiënten is niet verbeterd. Chemotherapie is ook een optie. Het klassieke schema, met name de combinatie van mitoxantron en prednison, kan de pijn als gevolg van botmetastasen verminderen maar verbetert niet de globale overleving van deze patiënten. Onlangs is uit twee grote gerandomiseerde studies gebleken dat docetaxel beter was in termen van doeltreffendheid dan de associatie mitoxantron/prednison. Meer in het bijzonder de TAX327 studie (1) randomiseerde 1006 patiënten in 3 groepen: (1) docetaxel 75mg/m² toegediend om de 3 weken in combinatie met prednison (5 mg, 2-maal per dag), (2) docetaxel 30 mg/m² wekelijks toegediend (5 weken op de 6) ook in combinatie met een lage dosis prednison en (3) de toenmalige standaardbehandeling van het moment, met name mitoxantron (12 mg/m², om de 3 weken) in combinatie met prednison. Docetaxel toegediend om de 3 weken kon de mediane overleving met 2,4 maanden verlengen in vergelijking met de mitoxantron groep; dit komt voor deze groep neer op een relatieve daling van het overlijdensrisico met 24 % (p=0,009). De PSA respons, de levenskwaliteit en de pijncontrole waren ook beter voor de patiënten die docetaxel kregen. De tweede studie (SWOG 9916) (2) toonde ook een voordeel op het vlak van de overleving voor de combinatie docetaxel/estramustine in vergelijking met mitoxantron/prednison. 24

UROBEL Magazine | 2/1 | mei-mai 2006

Het nut om estramustine te combineren met docetaxel is controversieel want het zou de toxiciteit kunnen verhogen. Sommige fase II studies suggereren echter een therapeutische synergie tussen beide moleculen door het effect op de microtubuli. Een multicentrische studie, uitgevoerd in een twintigtal Belgische centra, vergelijkt een klassieke combinatie van docetaxel/prednison met docetaxel/ estramustine/prednison. Het enige verschil tussen beide armen van de studie is de toediening van estramustine. Deze studie zal dus een definitief antwoord kunnen geven op de vraag of het nuttig is om estramustine toe te voegen aan docetaxel in deze indicatie. Praktisch gezien, overwegen wij chemotherapie op basis van docetaxel bij hormoonresistente patiënten als ze metastasen hebben, ongeacht of ze al dan niet symptomen vertonen, in overeenstemming met de twee hoger vermelde studies. In onze praktijk zien wij de beste resultaten bij hormoonresistente patiënten in goede algemene toestand die niet meer dan twee lijnen hormoontherapie hebben gekregen volgens de klassieke aanbevelingen (castratie en anti-androgenen). Buiten het kader van de klinische studie protocollen, is een PSA stijging alleen zonder metastasen op afstand geen indicatie voor chemotherapie, aangezien slechts een derde van deze patiënten binnen de twee jaar botmetastasen zal ontwikkelen; dit wijst op een relatief trage evolutie van de ziekte in dit stadium. De PSA verdubbelingstijd is één van de methoden die kan gebruikt worden om patiënten met een agressievere ziekte te identificeren. Docetaxel is dus de hoeksteen van de vooruitgang in dit domein waarop wij innoverende strategieën moeten bouwen om de prognose van deze patiënten te verbeteren. Verschillende nieuwe benaderingen worden ook uitgetest. Ze omvatten het onderzoek van nieuwe cytostatica, tyrosine kinase inhibitoren of groeifactoren, of nieuwe immunotherapeutische benaderingen. De endotheline receptor antagonisten of de anti-sense oligonucleotiden tegen oncogen bcl-2 zijn ook veelbelovende behandelingen. De prognose van metastatische hormoonresistente prostaat-kanker is gereserveerd. Deze patiënten zijn vaak bejaard en kunnen belangrijke geassocieerde ziekten hebben. Chemotherapie moet dus voorzichtig toegediend worden en de voor- en nadelen van een dergelijke medicatie moeten nauwgezet afgewogen worden. Aangezien het gaat om een ongeneeslijke ziekte moet er ook bijzondere aandacht besteed worden aan de symptomatische behandeling (radiotherapie, analgesie, metabole behandeling…). Prof. Jean-Pascal Machiels, Dienst Medische Oncologie, Cliniques Universitaires Saint-Luc, jean-pascal.machiels@onco.ucl.ac.be Referenties: 1. Tannock et al, N Engl J Med 351, 15, Oct 7 2004. 2. Petrylak et al, N Eng J Med 351, 15, Oct 7 2004. (*) Medegedeeld door de laboratoria Sanofi-Aventis


Probabalilité de survie

ASCO 2004: survie globale dans TAX 327 1,0 0,9 0,8 0,7 0,6 0,5 0,4 0,3 0,2 0,1 0,0

Docétaxel toutes les 3 semaines Docétaxel hebdomadaire Mitoxantrone

0

6

12

18

24

30

Mois Les deux bras combinés D toutes les trois semaines D hebdomadaire Mitoxantrone

Survie médiane 18,2 18,9 17,4 16,5

Hazard p 0,83 0,76 0,91 -

0,04 0,009 0,36 -

Un homme sur six sera diagnostiqué au cours de sa vie d’un cancer de la prostate. Près d’un tiers des patients traités initialement à visée curative récidiveront sous forme d’une maladie systémique, essentiellement à localisation osseuse. Dans un premier temps, le cancer de la prostate métastatique est sensible à la privation androgénique. Cette thérapeutique permet généralement de contrôler la maladie pendant plusieurs années (médiane:1 an et demi), mais la plupart de ces patients échapperont un jour au traitement hormonal. Les métastases osseuses sont la principale source de douleur et de morbidité. Les options thérapeutiques pour un patient atteint de cancer de la prostate hormono-résistant sont limitées. L’hormonothérapie dite de seconde ligne, le kétoconazole, l’hydrocortisone, … produisent une amélioration des symptômes chez approximativement 25 % des patients. Cependant, cellesci ne dépassent pas quelques mois (médiane 4 mois) et la survie de ces patients n’est pas augmentée. La chimiothérapie, quant à elle, est également une option. Le schéma classique associant la mitoxantrone et la prednisone permet de diminuer les douleurs associées aux localisations secondaires osseuses, mais il n’améliore pas la survie globale de ces patients. Récemment, deux larges études randomisées ont démontré que le docetaxel était supérieur en terme d’efficacité à l’association mitoxantrone/prednisone. En particulier, l’étude TAX327 (1) a randomisé 1006 patients en 3 groupes:(1) docetaxel 75mg/m2 donné toutes les 3 semaines avec de la prednisone (5 mgr, 2 fois par jour), (2) docetaxel 30 mg/m2 toutes les semaines (5 semaines sur 6) en association également avec une faible dose de prednisone et (3) le traitement standard de l’époque combinant mitoxantrone (12 mg/m2, toutes les 3 semaines) et la prednisone. Le docetaxel administré toutes les 3 semaines a permis d’augmenter la survie médiane de 2,4 mois comparé au groupe mitoxantrone, ce qui signifie pour ce groupe une réduction relative du risque de décès de 24 % (p=0.009). La réponse PSA, la qualité de vie, et le contrôle antalgique étaient également meilleurs pour les patients recevant du docetaxel. La deuxième étude (SWOG 9916)(2) a aussi montré un avantage en survie pour l’association docetaxel/estramustine comparé à la mitoxantrone/ prednisone. L’intérêt d’associer l’estramustine au docetaxel est controversé

car il pourrait augmenter la toxicité. Néanmoins, certaines études de phase II suggèrent un synergisme thérapeutique entre ces deux molécules par action sur les microtubules. Une étude multicentrique, conduite dans une vingtaine de centres belges, compare une association classique de docetaxel/prednisone versus docetaxel/ estramustine/prednisone. La seule différence entre les deux bras de l’étude est la prise d’estramustine. Cette étude permettra donc de répondre définitivement à la question de l’intérêt de l’estramustine ajouté au docetaxel dans cette indication. Pratiquement, nous considérons les patients hormonorésistants pour une chimiothérapie à base de docetaxel lorqu’ils présentent des métastases, qu’elles soient symptomatiques ou non, en accord avec les deux études pré-citées. Dans notre expérience, nous observons les meilleures réponses chez des patients hormono-résistants avec un bon état général et qui n’ont pas reçu plus de deux lignes d’hormonothérapie d’après les recommandations classiques (castration et anti-androgènes). En dehors de protocoles de recherche clinique, une élévation seule du PSA sans métastase à distance ne constitue pas une indication de chimiothérapie, puisque seulement un tiers de ces patients développeront des métastases osseuses dans les deux ans, signant une évolution relativement lente de la maladie à ce stade. Le temps de doublement du PSA est un des moyens qui peut être utilisé pour identifier les patients présentant une maladie plus agressive. Le docetaxel constitue donc la pierre angulaire des avancées dans ce domaine sur laquelle il faut bâtir des stratégies innovantes visant à améliorer le pronostic de ces patients. Différentes nouvelles approches sont aussi testées. Elles incluent l’étude de nouveaux agents cytostatiques, d’inhibiteurs de tyrosine kinase ou de facteurs de croissance ou de nouvelles approches d’immunothérapie. Les inhibiteurs du récepteur à l’endothéline ou les anti-sens contre l’oncogène bcl-2 sont également des thérapeutiques prometteuses. Le cancer de la prostate hormono-résistant métastatique porte un pronostic réservé. Ces patients sont souvent âgés et peuvent présenter des comorbidités importantes. L’administration de chimiothérapie doit donc se faire de façon prudente, en pesant rigoureusement les avantages et les inconvénients d’une telle médication. Vu qu’il s’agit d’une maladie incurable, une attention toute particulière doit également être accordée au traitement symptomatique (radiothérapie, antalgie, thérapie métabolique…).

Hoofdartikel / L’article principal

Du progrès dans la prise en charge du cancer de la prostate hormono-résistant en situation métastatique *

Professeur Jean-Pascal Machiels, Unité d’Oncologie Médicale, Cliniques Universitaires Saint-Luc, jean-pascal.machiels@onco.ucl.ac.be

Références: 1. Tannock et al, N Engl J Med 351, 15, Oct 7 2004. 2. Petrylak et al, N Eng J Med 351, 15, Oct 7 2004. (*) Communiqué par les laboratoires Sanofi-Aventis UROBEL Magazine | 2/1 | mei - mai 2006

25


Dossier / Dossier

Les instillations vésicales en cas de tumeurs de vessie Marie-Pierre Damiens, Infirmière clinicienne Département d’Urologie, Cliniques Universitaires St-Luc UCL

l’Immucyst (B.C.G.): Composition: l’Immucyst (B.C.G.) est une préparation lyophilisée de germes vivants de Calmette et Guérin.

Indications thérapeutiques: Thérapie des tumeurs superficielles non infiltrantes de la vessie et prophylaxie de leurs récidives: stades Tis, Ta, T1.

Contre-indications: Immunodéficience aiguë, traitement immunosuppresseur, infection fébrile, fièvre, infection urinaire, tuberculose active, grossesse, allaitement.

Posologie:

Tout le matériel ayant servi à la préparation et à l’instillation du produit ainsi que les urines doivent être manipulés comme potentiellement infectieux, et éliminés ou désinfectés comme tels.

Précautions pour le patient: Pendant les 2 heures suivant l’instillation: il ne faut ni boire ni uriner afin de garder le médicament.

Après l’instillation: Uriner assis pendant les 6 heures suivant l’instillation. Boire abondamment, 3 litres par jour pendant 48 heures en l’absence de contre-indication médicale spécifique. Verser 2 tasses d’eau de javel pure dans les toilettes après chaque miction et laisser agir 15 minutes. Et ce, durant les 6 premières heures suivant le traitement. Se laver les mains et faire une toilette intime après chaque miction. Utiliser un préservatif pendant une semaine après chaque traitement.

81 mg de produit + 50 ml de sérum physiologique, 1 fois par semaine pendant 6 semaines. Puis schéma d’instillations d’après l’hôpital, 3 instillations au 4ème mois, 3, 6, 12, 18 et 24 mois après le traitement initial, 1 fois par mois pendant 12 mois.

Réactions classiques:

Mode d’administration:

Ecbu 10 jours avant la 1ère instillation. Sédiment urinaire avant chaque instillation. Si infection urinaire: traiter et reporter l’instillation.

Fièvre persistante (plus de 48h) ou > 38,5°c, présence de sang dans les urines, douleurs dans le bas-ventre, douleurs articulaires. Tout autre symptôme préoccupant. > Prévenir le médecin Complications systémiques (« BCGites »): Rares > Traitement antituberculeux

4 heures avant l’instillation:

Suivi:

Diminuer au maximum les consommations de boissons.

Première instillation après les résultats d’anapath: 21 jours après la résection. 1 contrôle cystoscopique et cytologique 3 mois après la T.U.R.B.T., ou un mois après le début du traitement. Si mauvais pronostic: Cystoscopie, cytologie, biopsies vésicales tous les 3 mois sous sédation.

A administrer par instillation intravésicale après reconstitution dans un solvant et dilution dans du sérum physiologique.

Avant l’instillation:

Précautions pour le soignant: Eviter le contact avec la peau > port de gants, tablier.

Préparation du matériel: Set de sondage, gants stériles, désinfectant, sonde vésicale, Instillagel, seringue d’Immucyst. Si fièvre, douleur, mictalgie, hématurie: ne pas instiller.

L’instillation vésicale: Installation du patient, désinfection à l’Isobétadine savon, anesthésie locale. chez la femme: Sonde sèche, droite, longueur 18 cm , charrière 10 chez l’homme: Sonde foley ch 14 Si le sondage est traumatique, il faut obligatoirement reporter le traitement d’une semaine au moins. 26

Elimination des déchets:

UROBEL Magazine | 2/1 | mei-mai 2006

Fatigue, fièvre transitoire (< 38,5°C, -de 48h), brûlures lors des mictions, légère hématurie, dysurie, cystite, pollakiurie. Traitement: Paracétamol

Réactions anormales:

Mitomycin-c Composition: Antibiotique antitumoral, antimitotique et cytostatique.

Indications thérapeutiques: Prophylaxie des récidives et traitement des tumeurs superficielles de la vessie.

Contre-indications: Hypersensibilité au produit lors d’un traitement antérieur, dépression médullaire importante, grossesse, allaitement.


UROLOGISCH VERPLEEGKUNDIGE?

INFIRMIER(E)S EN UROLOGIE?

Word nu lid

Devenez membre

voor slechts

pour pas plus que

€ 15 door het bedrag te storten op rekening 001-3024515-34 met vermelding van uw naam en thuisadres

€ 15 Versez les 15 euros sur le compte 001-3024515-34 avec les mentions suivantes : votre nom, votre adresse personnelle, le nom de votre hôpital

Uw voordelen:

Votre avantages:

• U krijgt dit interessante tijdschrift gratis op uw thuisadres toegestuurd. • U geniet van een korting op alle organisaties, (congressen, cursussen, colloquia, ...) van Urobel. • U wordt persoonlijk op de hoogte gehouden van wat er zich in de urologische sector afspeelt. • U kan deelnemen aan werkgroepen opgericht door Urobel. • U maakt deel uit van een actieve vereniging die ook naar u luistert.

• Vous recevrez cet intéressant magazine à domicile. • Vous recevrez une réduction sur toutes les activités organisées par Urobel (colloques, congrès, cours, ...). • Vous êtes tenu personnellement au courant de toutes les nouveautés en urologie. • Vous pouvez participer au groupes de travail d’Urobel. • Vous devenez membre d’une association active qui vous écoute.

UROBEL Magazine | 2/1 | mei - mai 2006

27


Dossier / Dossier

Posologie:

Contre-indications:

40 mg dilué dans 50 cc de sérum physiologique, 1 fois par semaine pendant 4 semaines. Puis 1 fois par mois pendant 3 à 6 mois.

Myélodépression, insuffisance cardiaque ( I.V.), grossesse, allaitement.

Mode d’administration:

Eviter le contact avec la peau > port de gants, tablier. Eviter l’inhalation du produit > port de masque et travail sous flux laminaire. Posologie: 50 mg dissous dans 50 ml de sérum physiologique, une fois par semaine pendant quatre semaines. Puis une fois par mois pendant 3 à 6 mois.

A administrer par instillation intravésicale après dilution dans du sérum physiologique.

Précautions pour le soignant ( cytostatique): Eviter le contact avec la peau > port de gants, tablier. Eviter l’inhalation du produit > port de masque et travail sous flux laminaire. Réactions: Signes d’irritation vésicale, rougeurs cutanées.

Précautions pour le patient: Se laver les mains après chaque émission d’urine. Suivi: Une cystoscopie tous les 3 mois.

Précautions pour le soignant (cytostatiques):

Mode d’administration: A administrer par instillation intravésicale après dilution dans du sérum physiologique.

Précautions pour le patient : Garder le produit une heure puis vider complètement la vessie.

Réactions:

Farmorubicine (Epirubicine)

Cystite chimique avec hématurie et dysurie éventuelles.

Composition: Antibiotique antimitotique Indications thérapeutiques:

Une cystoscopie tous les 3 mois.

Traitement thérapeutique des tumeurs superficielles de la vessie ainsi que traitement prophylactique après résection transurétrale de tumeurs superficielles.

Tous ces produits sont en catégorie A et sont donc remboursés, que le patient soit hospitalisé ou non. Les frais de voyage sont également remboursés, comme dans toute chimiothérapie.

Suivi: Remboursement:

Verwikkelingen van prostatectomie niet leeftijdsgebonden J.R. (Reuters Health) J Natt Cancer Inst, 2005;97:1525-1532

28

Prostatectomie wegens prostaatkanker op hoge leeftijd wordt niet steeds als zinvol beschouwd omdat men vreest voor nevenwerkingen gebonden aan de leeftijd.

Wanneer de patiënten goed geselecteerd worden, kan de bloeddorstige chirurg dus zonder gewetensproblemen het vlees aansnijden.

Dat is eigenlijk niet helemaal verantwoord, schrijft Dr. Shabbir M. H. Alibhai (University Health Network, Toronto, Canada). Uiteraard zijn er op hoge leeftijd vaker verwikkelingen, maar die zijn - volgens deze analyse van 11.010 radicale prostatectomieën uitgevoerd tijdens de jaren ’90 in de streek van Ontario - vooral te wijten aan comorbiditeit, en niet per sé aan de leeftijd.

De te onthouden vuistregel is hier dat bij oudere patiënten - zoals trouwens ook bij jongere - men eerder terughoudend zal denken wanneer er veel co-morbiditeit aanwezig is.

UROBEL Magazine | 2/1 | mei-mai 2006


‘t Kleinste kamertje / La petite chambre 30

Eerste vrouwelijke wildplasser betrapt in Mol Vroeg of laat moest het er van komen: in de Kempense politiezone Balen-Dessel-Mol is onlangs de eerste vrouwelijke wildplasser betrapt. De dame mag zich, net als haar mannelijke overtreders, verwachten aan het standaardtarief van € 50. Het strenge reglement werd in het begin van de zomer van 2005 ingevoerd: wildplassers worden onverbiddelijk beboet, Sindsdien werden al 22 mensen op heterdaad betrapt. Steeds maakten ze zich schuldig aan wildplassen in de uitgangsbuurt van de Corbiestraat in Mol.

La première femme urinant en dehors des lieux prévus vient d’être surprise à Mol

De jongste drie maanden noteerden de agenten negen gevallen. Het reglement tegen wildplassen wordt door de politiepatrouilles dus goed opgevolgd, aldus het gemeente-bestuur van Mol.

Tôt ou tard, il a bien fallu en passer par là: en Campine, dans la zone policière de Balen-Mol-Dessel, on a récemment surpris la première femme urinant en dehors des lieux prévus à cet effet. La demoiselle peut - comme ses contrevenants masculins - s’attendre à une amende standard de € 50. Un règlement sévère a été adopté au début de l’été de 2005: ceux qui urinent en dehors des lieux prévus à cet effet sont verbalisés sans pitié. Depuis lors, on a déjà pris sur le fait 22 personnes qui se rendaient coupables d’uriner en dehors des lieux prévus à cet effet à la sortie de la Rue Corbie à Mol. Les policiers ont constaté neuf cas ces trois derniers mois. Le règlement sanctionnant le fait d’uriner en dehors des lieux prévus à cet effet est bien appliqué par les patrouilles policières, a déclaré la municipalité de Mol.

Gazet van Antwerpen, 23 maart 2006

Gazet van Antwerpen, 23 mars 2006

Afrikaan met toilet is begeerlijke huwelijkskandidaat

Africain avec des toilettes est prétendant désirable

We vinden het vanzelfsprekend: water, zelfs drinkbaar water, maar in Afrika is het gebrek aan stromend water en deugdelijk sanitair zo nijpend dat vrouwen in arme streken hun keuze van echtgenoot soms laten afhangen van het feit of de man al dan niet een toilet kan aanbieden, in plaats van een gat in de grond of helemaal niets. Anna Tibaijuka van de organisatie VN-Habitat zei dat bij de presentatie van een rapport over Afrika op het vierde Internationale Waterforum in MexicoStad. Zij vertelde het verhaal van Afrikaans meisje dat haar aanstaande afgewezen zag door haar ouders omdat hij niet over een wc beschikte. De Afrikaanse Ontwikkelingsbank kondigde aan met VN-Habitat een programma op te zetten waarbij de komende vijf jaar 450 miljoen euro aan leningen ter beschikking wordt gesteld om de sloppenwijken rond Afrikaanse steden te voorzien van gemeenschappelijke waterkranen en betere toiletten. Investeringen zijn de laatste tien jaar teruggelopen door de uitgaven die de landen moeten doen voor onderwijs en gezondheidszorg.

Pour nous, l’eau, et même l’eau potable, est une évidence. Mais en Afrique, le manque de l’eau courante et de bons sanitaires est si sérieux que les femmes des régions pauvres choisissent parfois leur mari en fonction de la capacité de l’homme à leur offrir des toilettes plutôt qu’un trou dans la terre ou rien du tout. C’est ce qu’a déclaré Anna Tibaijuka de l’organisation VN-Habitat dans le cadre de la présentation d’un rapport sur l’Afrique au quatrième Forum International de l’Eau à Mexico. Elle racontait l’histoire d’une fille africaine dont les parents avaient refusé le futur époux car celui-ci ne disposait pas de toilettes. La Banque de développement africaine a annoncé avec VN-Habitat le lancement d’un programme accordant des prêts de 450 millions d’euros pendant les cinq années suivantes afin d’équiper de robinets communs et de meilleures toilettes les bidonvilles situés autour des villes africaines. Les investissements ont été réduits ces dix dernières années à cause des dépenses auxquelles les pays doivent faire face pour l’éducation et la santé publique.

De Standaard, 21 maart 2006

De Standaard, 21 mars 2006

UROBEL Magazine | 2/1 | mei-mai 2006


Amerikaan krijgt vijf jaar bak voor het filmen van vrouwen in wc

Un homme de 25 ans de Los Angeles est condamné à une peine de prison de 5 ans parce qu’il a filmé en secret des femmes dans les toilettes publiques à Venice Beach, déclara un journal américain. L’homme était arrêté après qu’une femme a informé la police qu’elle avait vu une caméra emballée en un sac en plastique qui était visée à elle depuis la cabine hygiénique à côté d’elle.

Een 25-jarige man uit Los Angeles is veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf omdat hij stiekem vrouwen in een openbare toiletruimte in Venice Beach heeft gefilmd, aldus een Amerikaanse krant. Hij werd aangehouden nadat een vrouw de politie had verteld dat ze een in een plastic zak verpakte cameralens had gezien die op haar gericht werd vanuit het wc-hokje naast haar.

La police a découvert l’homme quand il s’était assis aux toilettes en portant des chaussures pour des femmes. Il avait caché une caméra dans un sac. Apparemment, il possédait une cassette vidéo sur laquelle on pouvait voir 45 personnes, parmi elles des femmes et des enfants, qui vont aux toilettes et qui se changent. Gazet van Antwerpen, mars 2006

‘t Kleinste kamertje / La petite chambre

Américain reçoit une peine de prison de 5 ans pour avoir filmé des femmes dans les toilettes

De politie trof de man aan terwijl hij op een wc zat met vrouwenschoenen aan. Hij had een camera verstopt in een tas. Ook bleek hij in het bezit van een videoband waarop 45 mensen stonden, onder wie vrouwen en kinderen, die naar de wc gaan en zich omkleden. Gazet van Antwerpen, maart 2006

Lachen met Lonely Planet Lonely Planet is als het ware de bijbel voor de rugzaktoeristen: zij vinden er uitgebreide informatie over alles wat de reiziger nodig heeft: hotels, campings, treinen, kostprijzen, gidsen, uitstapjes, … De makers van deze reisgidsen Lonely Planet schreven nu ‘Lachen met Lonely Planet’: hilarische verhalen over geluidloze baden, prinsen op de trein en Nederlandse toiletdeurklinken. Een fragment: De meest betrouwbare maar minst gebruikte reizigersoase in elke stad is de bibliotheek. Je vindt er heel belangrijke zaken, zoals internationale kranten en een gratis toilet. Op een morgen in april ging de Amerikaan Doug Lansky in Maastricht naar de openbare bibliotheek. Lansky had de hele wereld afgereisd en verwachtte niet meteen grote problemen. Maar in Nederland naar een toilet gaan bleek toch een hachelijke onderneming. De toiletdeuren waren op slot maar er zat niemand

in. “Ik uitte een verwensing toen ik eindelijk gleufjes zag waar deurklinken hoorden te zitten. Ik had het moeten weten, Europa is hét werelddeel van de toltoiletten,” Hij probeerde de munten in het gleufje te stoppen maar het raakte verstopt, ook bij de volgende deur. Met tegenzin liep hij naar een bewaker die hem naar de uitleenbalie verwees waar hij een deurklink moest halen. Lansky ging terug nar de toiletruimte en zette de klink op de deur die niet met een munt was geblokkeerd. Toen begon de problemen pas. “De deur viel achter me dicht en ik zat gevangen. Ik besefte dat ik mijn klink nodig had om eruit te komen. En die zat aan de buitenkant.” Na een uur wachten en twee mislukte pogingen om andere wc-bezoekers te alarmeren, besloot Lansky kabaal te maken en werd hij uiteindelijk toch door een vriendelijke passant bevrijd. “Lachen met Lonely Planet” van Don George is uitgegeven bij Arena. De Standaard, maart 2006

UROBEL Magazine | 2/1 | mei - mai 2006

31


Nieuws / Nouvelles 32

Des élections municipales avec une tendance nettement urologique

Gemeenteraadsverkiezingen met een urologisch tintje

En tant que président, c’est avec plaisir que j’utilise notre nouveau magazine pour signaler les possibilités qui existent en vue de communiquer aux politiciens parmi vous ou à votre cercle d’amis des informations relatives à des sujets inspirés de l’urologie. A la lumière des prochaines élections municipales, il peut être utile de s’attarder sur les problèmes des gens, et en particulier des personnes souffrant de problèmes urologiques. Certains sujets, teintés d’urologie, peuvent trouver un support important: 1) Les toilettes publiques Dans beaucoup de communes, les toilettes publiques ont totalement disparu de l’espace urbain. Néanmoins, une grande partie de la population dépend de ces toilettes. Lorsqu’on sait que 10 % de la population souffre d’un mauvais fonctionnement de la vessie, que les enfants doivent aller régulièrement aux toilettes, que les problèmes de prostate impliquent des visites plus fréquentes aux toilettes, ces toilettes publiques peuvent donc être une bénédiction pour la majorité de la population. Sans oublier les touristes et les visiteurs de votre commune, qui les apprécieront également. S’il n’est pas possible d’offrir immédiatement davantage de toilettes publiques, la définition d’une politique avec le secteur horeca et d’autres lieux publics peut constituer une bonne alternative. A cette fin, Urobel collabore depuis quelques années avec la ville de Gand au développement de toilettes publiques, et Urobel jouit déjà d’une certaine compétence en la matière. 2) Le remboursement du traitement des déchets Les personnes souffrant d’incontinence plus sérieuse doivent supporter des frais relativement importants pour l’achat de matériel d’incontinence. (Ceci est malheureusement toujours considéré comme la solution parfaite.) Une petite étude a révélé qu’une personne qui porte de grandes couches a besoin d’un sac poubelle supplémentaire tous les trois jours. On avait déjà proposé de prévoir des sacs poubelle spéciaux pour le tri sélectif des ordures, mais le tabou est trop important pour les incontinents adultes. La municipalité peut assurer un remboursement des sacs poubelle (ce qui est déjà le cas dans certaines communes). 3) CPAS Un grand nombre de communes exploitent un centre d’habitation et de soins. Le matériel d’incontinence constitue une source de dépenses considérable. Une politique prêtant attention à l’incontinence peut s’avérer économique et qualitative. Vous avez également des idées ou vous désirez vous adresser aux politiciens locaux en relation avec cette problématique? N’hésitez pas à prendre contact avec nous.

Als voorzitter maak ik graag gebruik van ons nieuwe tijdschrift om de politici onder u, of onder uw vriendenkring, even attent te maken op de mogelijkheden die er zijn om met urologisch geïnspireerde thema’s te scoren. In het licht van de komende gemeenteraadsverkiezingen kan het nuttig zijn om even stil te staan bij de problemen van de mensen. In het bijzonder van de mensen met urologische problemen. Een aantal thema’s, urologisch getint, kunnen een belangrijk draagvlak vinden: 1) Publiek sanitair In heel wat gemeenten is het publiek sanitair totaal uit het straatbeeld verdwenen. Toch kan een belangrijk deel van de bevolking van de gemeente aangewezen zijn op dit sanitair. Als je bedenkt dat 10 % van de bevolking een blaasfunctiestoornis heeft, dat kinderen regelmatig een toiletbezoek moeten brengen, dat prostaatproblemen vaker toiletbezoek nodig maakt, dan kan dit publiek sanitair voor meer dan de helft van de bevolking een zegen zijn. En niet te vergeten dat de toeristen en bezoekers van uw gemeente dit positief zullen beoordelen. Is meer publiek sanitair niet direct haalbaar, een uitgestippeld beleid met horeca en andere openbare plaatsen kan een goed alternatief zijn. Urobel werkt hiervoor reeds een aantal jaren samen met Stad Gent voor de uitbouw van publiek sanitair en heeft hierin reeds een zekere expertise opgebouwd. 2) Retributie voor afvalverwerking Een persoon met zwaardere incontinentie draagt vrij veel kosten voor de aanschaf van incontinentiemateriaal (Jammer genoeg wordt dit nog steeds als dé oplossing beschouwd). Een klein onderzoek leert ons dat iemand die grote luiers draagt om de drie dagen een extra vuilniszak nodig heeft. Er werd reeds voorgesteld om speciale vuilniszakken te voorzien voor selectieve afvalverzameling, maar dit is voor volwassen incontinenten een te grote doorbraak van het taboe. Als gemeentebestuur kan een retributie in de vuilniszakken voorzien worden. (Dit is reeds in een aantal gemeenten ingesteld.) 3) OCMW Heel veel gemeenten baten een woon- en zorgcentrum uit. Een belangrijke uitgavenpost is het incontinentiemateriaal. Een beleid dat gericht is op continentie kan kostenbesparend en kwaliteitsvol zijn.

Ronny Pieters

Ronny Pieters

UROBEL Magazine | 2/1 | mei-mai 2006

Misschien hebben jullie ook nog ideeën, of wil je je lokale politici wel eens aanspreken hierover. Wil je hulp, aarzel niet om ons te contacteren.


Nieuws / Nouvelles

Congres voor urologieverpleegkundigen Gemotiveerd door de mensen van Urobel en mijn grote interesse voor urologie heb ik me, via mijn urologen, ingeschreven voor de EAUN in Parijs (European Association of Urology Nurses). De eerste dag werden we door dr. Mattelaer meegenomen doorheen de geschiedenis van genitale decoraties en culturele gebruiken van de phallus (penis) en kregen als aandenken een mooi geïllustreerd literair werk. De tweede dag behandelden we intermittente sondage en anatomie en pathofysiologie van de urinaire tractus en verstopte catheters. Het was interessant te horen hoe men in andere landen werkt en vast te stellen dat iedereen wel tot hetzelfde besluit kwam. Ook de voorstelling van verpleegkundige onderwerpen was interessant en boeiend.

in België lang zo slecht niet doen, dat we over goed materiaal beschikken en goed ingelicht worden door de verschillende firma’s. Kortom het was een zeer geslaagd congres, een uitstekende ontmoetingsplaats tussen collega’s met hetzelfde interessegebied. Antwerpen, Brugge en Gent, ’t was aangenaam verbroederen en zeer motiverend! We hebben veel info meegenomen en hebben zeker de vele gadgets niet vergeten. We waren dit jaar maar met 5 Belgen van de 270 verpleegkundigen, hopelijk zijn we volgend jaar in Berlijn met meer. Zorg dat je erbij bent! Sabine Welvaert, polikliniek urologie Jan Palfijn Gent

Ook de derde dag was voor mij interessant daar het dan vooral over stomazorg ging. Waarbij ik moest constateren dat wij het

Verslag van het congres “De stille tumor” in Geel Op vrijdag 31 maart had het jaarlijks congres van Urobel plaats.

te spreken en het bovendien ook goed deden. Bij het samenstellen van het programma “de Stille Tumor” hebben Paul De Beuckeleer, Dr. Frank Deroo en ikzelf getracht een tumor in al zijn aspecten te bekijken. Daarvoor heb je natuurlijk de nodige anatomie en fysiologie nodig als basis om zo de meer praktische onderwerpen als diagnosestelling en alle mogelijke behandelingen beter te kunnen begrijpen.

We trachten elk jaar in een andere regio in Vlaanderen het congres te organiseren. We hopen dat op die manier Urobel nog meer bekendheid krijgt niet alleen bij alle urologische verpleegkundigen maar ook bij alle urologen in België. Ook krijgen zo meerdere ziekenhuizen uit de regio de kans om actief mee te werken aan het congres. Dit jaar waren dat de ziekenhuizen St.-Dympna Geel, St.-Elisabeth Herentals en Maria ZH in Lommel. En zowel verpleegkundigen als urologen van die ziekenhuizen waren dadelijk bereid om mee te werken om zo een geslaagd congres te houden. Wat zeker positief is aan deze werkwijze is dat er verpleegkundigen voor het eerst in hun leven voor een groep dienden 34

UROBEL Magazine | 2/1 | mei-mai 2006

Maar om het thema echt volledig te maken vonden we dat ook het psychische aspect aan bod moest komen. Het verhaal van de partner van een patiënt en de voordracht over palliatieve zorgen hebben hier zeker ook toe bijgedragen. Cel Vandewinkel


Congrès Urobel, Palais des Congrès de Liège Samedi, 23 septembre 2006 Parmi les différents types d’incontinence, l’incontinence urinaire à l’effort est la plus fréquemment rencontrée. Les progrès constants dans la prise en charge aussi bien médicale qu’infirmière de ces patients nous ont donné l’envie d’en faire le thème de cette matinée. Le vendredi 22 septembre après-midi, les participants sont invités à suivre les “Live surgery sessions“ (interventions retransmises en direct du quartier opératoire du CHU de Liège).

Nieuws / Nouvelles

l’Incontinence urinaire à l’effort de l’homme et de la femme

PROGRAMME

09.00 - 09.30 Accueil 09.30 - 09.45 Introduction

Dr. R. Andrianne - R. Pieters

09.45 - 10.00 Etiologies et impact psychosocial

ULg - C. Bottin

10.00 - 10.30 Anatomie, physiologie et physiopathologie

ULg - Dr. Bonnet

10.30 - 10.50 Evaluation préopératoire

UCL - M.P. Damiens A.F. Meurisse - Dr. R.J. Opsomer

10.50 - 11.10 Prise en charge par le kinésithérapeute

CHU NDB - A. Tromme

11.10 - 11.40 Pause 11.40 - 11.50 Evolution du traitement chirurgical

CHCL - Dr. L. Penders

11.50 - 12.20 TVT - TVT-O - TOT

CHCL - Dr. O. Reul ULB - R. Terranova - S. Leroy Dr. Th. Roumeguère

12.20 - 12.40 Les traitements de l’incontinence d’effort chez l’homme

UGent - R. Pieters - Dr. Everaert

12.40 - 13.00 Discussion 13.00 - 14.00 Lunch Samedi après-midi: les participants pourront suivre le programme des médecins.

Informations complémentaires sur le site www.urobel.be En partenariat avec le C.P.S.I. Urobel, organise une formation pour les infirmières: “Prise en charge des patients souffrant de troubles mictionnels”. Cette formation explique les troubles mictionnels des patients en gynécologie, orthopédie, pédiatrie, urologie, neurologie, gériatrie, obstétrique, cancérologie, chirurgie digestive, etc., ainsi que leur traitement et leur prise en charge. D’octobre 2006 à mars 2007. Plus de détails dans le prochain numéro. UROBEL Magazine | 2/1 | mei - mai 2006

35


Nieuws / Nouvelles

Werkgroep prostaat

36

De werkgroep rond prostaataandoeningen is een feit. Het startschot werd gegeven op 2 februari 2006 te Brussel. Een groep van 7 enthousiaste mensen zal zich inzetten om dit pilootproject te sturen en te verrijken met hun inzet en hun inzichten. De vzw Urobel schrijft geschiedenis. Een toekomst vol nieuwe uitdagingen ligt voor ons. Bovenaan de agenda staat het uitschrijven van de opleiding: gespecialiseerd prostaatverpleegkundige. De werkgroep wil met deze opleiding van start gaan in 2007. Daarnaast wordt gedacht aan een studie naar de impact van prostaatkanker en de behandeling ervan op de levenskwaliteit van de man en zijn partner. Deze studie wordt momenteel inhoudelijk verfijnd en we hopen dat we deze bevraging simultaan kunnen laten doorgaan in zoveel mogelijk urologische centra.

pijnverpleegkundigen. Op deze manier proberen we de zorg voor de patiënt met een prostaataandoening en zijn partner te verbeteren en proberen we up to date te blijven in de snelle evolutie en verschuivingen binnen de gezondheidszorg (nieuwe behandelingen en transmurale verschuivingen). - Het leveren van literaire bijdragen voor het tijdschrift van de vereniging. Deze en nog vele andere taken willen wij op ons nemen. Wie zich geroepen voelt om ons in deze missie bij te staan blijft van harte welkom. U kunt zich hiervoor wenden tot één van de leden van onze werkgroep. Luc De Laere Voorzitter werkgroep prostaat

Andere uitdagingen op korte termijn: - Het organiseren van een jaarlijks symposium rond prostaataandoeningen. - Het aanleggen van een centraal documentatiecentrum (voordrachten, eindwerken, artikels, literatuurstudie) dat toegankelijk zal zijn voor de leden van Urobel. - Contacten tussen verschillende centra onderhouden en ideeën van praktische aard uitwisselen. De heterogene samenstelling van de werkgroep met verpleegkundigen uit zowel universitaire als regionale ziekenhuizen zorgt er voor dat de voeling met de dagelijkse praktijk behouden blijft en dat op deze manier ook aandacht wordt geschonken aan alle aspecten die het terrein van de prostaataandoeningen omvatten. Daarbij willen wij ook overleg plegen met andere organisaties zoals de VVRO, Palliatieve zorgen en

Samenstelling van het team op 2 februari 2006: 1. Buyse Els (UZ Gent) - Martelaarslaan 237 - 9000 Gent 2. Deblauwe Benjamin (AZ Sint-Jan AV Brugge) - Ruddershove 10 - 8000 Brugge - benjamin.deblauwe@versateladsl.be 3. De Laere Luc (AZ Sint-Jan AV Brugge) - Mortierstraat 22 - 8000 Brugge - luc.de.laere2@telenet.be 4. Hendrickx Jan (UZ Leuven) - Neerstraat 138 - 3150 Haacht - joannes.hendrickx@uz.kuleuven.ac.be 5. Smeets An (AZ Maria Middelares Gent) - Eedstraat 92 9052 Zwijnaarde - ansmeets@skynet.be 6. Vandewinkel Cel (AZ Jan Palfijn) cel.vandewinkel@scarlet.be 7. Van Neyghen Ingrid (UZA Edegem) - Kleine Doornstraat 160 - 2610 Wilrijk - ingrid.van.neyghen@uza.be

De eerste vergadering van de werkgroep prostaat.

Ook de werkgroep incontinentie kwam in Jette bijeen voor geanimeerde gesprekken.

UROBEL Magazine | 2/1 | mei-mai 2006


Nieuws / Nouvelles

Zelfsondage

l’Auto sondage

De patiëntenvereniging die onder impuls van Urobel is opgericht (vzw Pirus; meer info in volgend nummer) heeft in samenwerking met Urobel een politiek dossier uitgewerkt. In dit dossier worden de problemen waarmee patiënten met incontinentie of retentie te maken krijgen, aangekaart. Problemen waarvoor de politiek een aantal initiatieven zou kunnen nemen. Uit dit dossier, dat aan de geïnteresseerde politici werd toegestuurd, heeft SPA volksvertegenwoordiger Mevr. De Meyer, één probleem gelicht waarvoor zij een wetsvoorstel indient. Patiënten die zichzelf sonderen kunnen, indien zij voldoen aan de indicaties, een tegemoetkoming in de kosten krijgen. In de praktijk zorgde dit voor problemen in die zin dat de tegemoetkoming pas inging vanaf de eerste van de maand na de goedkeuring door de geneesheer adviseur. Door deze administratieve maatregel moesten de patiënten niet enkel het nieuws verwerken dat zij zichzelf moesten sonderen, dit aanleren, maar ook nog eens de kosten dragen voor de eerste factuur. Dit nieuwe wetsontwerp zou dit administratieve euvel moeten wegwerken. Terloops willen we toch nog opmerken dat de terugbetaling voor sondes, (in België € 3 per dag) de laagste van de ons omringende landen is. Daar worden alle kosten voor zelfsondage volledig terugbetaald.

L’association de patients fondée sous l’impulsion d’Urobel (a.s.b.l. Pirus; davantage d’informations dans le numéro suivant) a développé un dossier politique en collaboration avec Urobel. Ce dossier aborde les problèmes des patients souffrant d’incontinence, des problèmes pour lesquels la politique pourrait prendre quelques initiatives. Dans ce dossier, qui était envoyé aux hommes politiques intéressés, Mme De Meyer (une parlementaire de SPA) a sélectionné un problème pour lequel elle dépose une proposition de loi. Les patients qui se sondent eux-mêmes peuvent, s’ils répondent aux indications, recevoir une participation aux frais. En pratique, cela a causé des problèmes parce que la participation aux frais prend effet à partir du premier mois suivant l’approbation du médecin-conseil. En raison de cette mesure administrative, les patients doivent non seulement accepter la nouvelle qu’ils doivent se sonder eux-mêmes et acquérir la technique, mais également payer les frais de la première facture. Cette nouvelle proposition de loi devrait remédier à ce problème administratif. Nous tenons également à signaler en passant que le remboursement des sondes - en Belgique de 3 euros par jour - est le plus bas parmi les pays voisins, où tous les frais de l’autosondage sont remboursés intégralement.

Ronny Pieters

Ronny Pieters

The ageing barometer Tena Global Education Seminar, 21 maart 2006, Londen Zo’n 150 deelnemers uit 24 landen werden door Tena samengebracht in Londen voor het eerste Tena Global Education Seminar. Het publiek was vanuit zeer diverse invalshoeken bijeengebracht: industrie, medisch, verkoop, kiné. Cel en ik hebben de Belgische verpleegkundige eer hoog gehouden. Thema van dit eerste seminar, met als titel “The ageing barometer”, was de vergrijzing van de bevolking en de impact op incontinentie. De sprekers van de voormiddag belichtten de verschillende aspecten van de vergrijzing en de gevolgen voor de maatschappij. Een opmerkelijke opening werd gebracht door Baroness Greengross die ons op een andere manier deed kijken naar “de oudere”. “Naast de technische revolutie en de globalisering maken we nu een demografische revolutie mee. We leven in een jongerencultuur, maar die jongeren zijn vergeten dat het de ouderen zijn die de mensen naar de maan brachten, die internet introduceerden, die voor de technologische revolutie zorgden.” 38

UROBEL Magazine | 2/1 | mei-mai 2006

Zij propageerde een positieve kijk op de ouderen. Ook de ouderen werken, dragen bij aan de economie, consumeren. Zij willen een “gevuld” pensioen, hobby’s, reizen, … maar hebben één belangrijke zorg: “mezelf blijven”. Zij willen niet afhankelijk zijn van anderen en liefst ook niet financieel afhankelijk. Prof. Grundy lichtte haar onderzoek naar demografie en sociale status toe (zorgt oma voor de kinderen of zorgen de kinderen voor oma?) waarna Dr. Leichsenring de geïntegreerde gezondheids- en sociale zorg toelichtte. De socio-economische situatie werd toegelicht door Prof. Milson. In de namiddag kwamen de verschillende aspecten van incontinentie (medicatie, chirurgie, bekkenbodemtherapie, hulpmiddelen, therapie bij ouderen en levenskwaliteit) aan bod. Dit eerste seminar kon zeker een succes genoemd worden. We hopen dat dit initiatief verder gezet kan worden. Cel Vandewinkel en Ronny Pieters


Referentieverpleegkundige (in)continentie Doelstelling: De theoretische en praktijkgerichte vorming van verpleegkundigen die de patiënt met urine- en/of faecesincontinentie kunnen herkennen en adequate zorg kunnen bieden. De referentieverpleegkundige kan de medeverpleegkundigen en andere zorgverleners ondersteunen en deze problematiek bij het grote publiek bespreekbaar maken.

Nieuws / Nouvelles

OPLEIDINGS INFO

Doelgroep: Intra- en extramuraal werkende verpleegkundigen met interesse om ten overstaan van patiënten, collega’s en andere zorgverleners als referentieverpleegkundige continentie te fungeren.

Inhoud: - Algemeen overzicht van de relevante anatomie, fysiologie en pathologie; de rol van de verpleegkundige; de kinesitherapeutische en medische aanpak. - Verpleegkundige vaardigheden aanleren zoals afnemen van de anamnese; geïndividualiseerde zorgverlening, omgaan met sondeproblemen; materiaalkennis en didactiek, zowel theoretisch als aan de hand van praktijkvoorbeelden.

Toetsing: De toetsing gebeurt door middel van het voorstellen van een paper op een symposium en toetsing van de kennis aan de hand van een praktijkcasus uit eigen werkomgeving .

Duur en data: - Lessen: 12 dagen cursus (telkens op maandag en dinsdag: exacte data via de website. Drie lesdagen gaan door in Leuven, drie in Gent en vier in Antwerpen. De tweedaagse in Antwerpen. - Stage: 3 dagen van december 06 tot april 07. (vrij te bepalen) - Voorstelling papers: 27/04/07. - Toetsing: week van 16/04/07. Cursisten dienen buiten de cursusdagen tijd te besteden aan (zelf)studie.

Prijs: Het volledige cursuspakket kost 620 euro. (inclusief teksten, maaltijden, verzekering, stages, ...)

Informatie: Jan Hendrickx 016/346600 - hendrickx.joannes@skynet.be Cel Vandewinkel 03/6402151 - cel.vandewinkel@scarlet.be Ronny Pieters 09/2402765 - ronny.pieters@ugent.be

Affiche en inschrijven via: www.urobel.be UROBEL Magazine | 2/1 | mei - mai 2006

39


w w

w Websites / Sites web

http://www.duj.com/unohome.html Een urologisch verpleegkundig tijdschrift online. Un magazine d’urologie en ligne.

http://www.suna.org/ De website van de Society of Urological Nurses and Associates, de Amerikaanse vereniging van urologische verpleegkundigen. Le site Internet de l’association Américaine d’infirmières en urologie.

40

UROBEL Magazine | 2/1 | mei-mai 2006


Geschiedenis l’Histoireprincipal Hoofdartikel //L’article

Urinetherapie Dr. Johan J. Mattelaer History Office European Association of Urology Urinetherapie is het gebruiken van urine met een therapeutische bedoeling: de genezing van een letsel of een aandoening door urine als geneesmiddel te gebruiken. Bij het lezen van deze bepaling schrikken we, maar in feite deden we het allemaal en zijn we het vergeten. Vóór de geboorte drinkt een embryo immers vruchtwater, en dit vruchtwater bestaat voor het grootste deel uit zijn eigen urine. En ook hebben we, wanneer we op verlof in Middellandseof tropisch zeegebied, met onze voet in een zee-egel getrapt hebben de raad gekregen op de pijnlijke plaats te urineren! De urinetherapie behoort tot het gebied van de natuurgeneeskunde, en wordt al in de oudste teksten beschreven die over geneeskunde handelen. Zo lezen we in de oudste Indische geschreven teksten van de Ayurveda geneeskunde: “menselijk urine is een antidotum bij vergiftiging”, en “menselijke urine is basisch, bitter en licht. Ze geneest oogziekten, maakt het lichaam sterk, verbetert de spijsvertering en geneest hoest en verkoudheden.” En verder: “menselijke urine vernietigt vergif, zuivert het bloed, doet huidziekten opklaren, smaakt scherp en bevat veel zouten.” En tenslotte: “menselijke urine controleert de gal in het bloed, doodt wormen, zuivert de ingewanden en kalmeert de zenuwen.” De Griekse arts Hippocrates (500 vóór Christus), die een van de grondleggers was van de Westerse geneeskunde beriep zich op het zelfregulerende vermogen van het menselijke organisme. In de medische wereld werd dit vermogen later aangeduid met de term “vix mediatrix naturae”, “de helende kracht van de natuur”. De Romeinse schrijver C. Plinius bespreekt in zijn boek 28 van zijn Naturalis Historia

(Geschiedenis der natuur) het gebruik van urine als geneesmiddel bij de behandeling van wonden, hond- en slangenbeten, huidaandoeningen, oogontstekingen, brandwonden en littekens. Urine werd bij de Romeinen ook opgevangen en gebruikt om linnen te bleken en leder te bewerken. Urine die blijft staan ontwikkelt ammoniak, wat niet alleen een scherpe geur geeft, maar ook als een sterk zuur inwerkt. De schrijver Suetonius vermeldt dat keizer Vespasianus zelfs belasting inde op deze urinereservoirs (zo noemt men vandaag nog in Parijs een openbaar urinoir een “vespasienne”!) uitnodiging voor de urinetherapie conferentie in Goa (India) in 1993

Ook vandaag nog gaan de voorstanders van urinetherapie ervan uit dat deze therapie een sterk positief effect heeft op het zelfgenezende vermogen van de mens. De natuur gebruikt een ecologisch en economisch perfect systeem van natuurlijke kringen zonder afval. Zoals de bladeren die in de herfst van de bomen vallen vergaan en in de bodem dringen om in het volgende seizoen de voedingssubstanties voor de groei van diezelfde boom te worden. In India noemt men urinetherapie vaak Shivambu. Shivambu betekent ‘het water van Shiva’ of het water dat geluk en voorspoed brengt. UROBEL Magazine | 2/1 | mei - mai 2006

41


Goed om weten / Bon à savoir

Agenda Studienamiddag Prostaatkanker, steeds meer, steeds belangrijker, ook voor de thuiszorg Hogeschool GENT 30 mei 2006 Gent, België info: marc.dhaeze@hogent.be

29e congrès de la SIFUD PP SIFUD (Société Interdisciplinaire Francophone d’Urodynamique et de Pelvi-Périnéologie) 15-17 juin 2006 Paris, France www.sifud-pp.org

31st Annual Meeting of the International Urogynecological Association IUGA September 6-9, 2006 Athens, Greece www.iuga2006.com

L’incontinence BAU 22-23 septembre 2006 Liège, Belgique www.bau2006.be

Congrès pour infirmières et infirmiers UROBEL 22 septembre 2006: chirurgie par vidéo 23 septembre 2006: congrès Urobel Liège, Belgique

Docentendag UROBEL in samenwerking met Katholieke Hogeschool Kempen, campus Lier. 17 november 2006 Lier, België

ICS 36th annual meeting International Continence Society November 27 - December 1, 2006 Christchurch, New Zealand. www.ics2006.co.nz De meest recente agenda vindt u op onze website www.urobel.be Le plus récent sur le site www.urobel.be

Hoofdredactie / Rédacteurs en chef Paul Debeuckeleer Ingrid Van Neyghen Jan Hendrickx Ronny Pieters Piet Eelen Cel Vandewinkel Nadine Buttiens Dr. J. Braeckman Marie-Pierre Damiens Redactieraad / Comité de rédaction Prof. Dr. R. Andrianne Dr. P. Dekuypere Prof. Dr. K. Everaert Dr. K. D’Hauwers Prof. Dr. S. Keuppens Dr. G. Hendrickx Prof. Dr. W. Oosterlinck Dr. L. Hoekx Prof. Dr. H. Van Poppel Dr. W. Kerckhaert Prof. Dr. A. Verbaeys Dr. J. Mattelaer Prof. Dr. J.J. Wyndaele Dr. D. Ost Dr. T. Adams Dr. B. Sinilon Dr. J. Ampe Dr. H. Van Der Eecken Dr. I Billiet Dr. B. Verheyden Dr. A. De Brouwer Dr. G. De Meerleer Dr. P. De Jonge Dr. F. Deroo Dr. F. Debroeck Hilde Heyman Dr. J. Deganck Auteurs Dr. Ignace Billiet, Karlien Peeters, Steven Joniau, Hendrik Van Poppel, Dr. Gert De Meerleer, P. Van Cangh, Prof. Jean-Pascal Machiels, Marie-Pierre Damiens, Luc De Laere, Sabine Welvaert, Cel Vandewinkel, Paul De Beuckeleer, Ronny Pieters Verantwoordelijke uitgever / Editeur responsable Ronny Pieters Redactiesecretariaat en administratie / Secrétariat de rédaction et administration Ronny Pieters Urobel vzw - U.Z. Gent De Pintelaan 185 B-9000 Gent Tel.: 09 240 27 65 Fax: 09 240 38 89 Website: www.urobel.be E-mail: voorzitter.urobel@telenet.be Advertentie-exploitatie / Exploitation publicitaire Tenacs o.h.p. bvba Mark Caelenberghe Stapelplein 32 B-9000 Gent tel.: +32 9 225 82 04, fax: +32 9 225 03 76 e-mail: info@tenacs.be Alle rechten voorbehouden. Tous droits réservés. Noch de redactie noch de uitgever kunnen aansprakelijk gesteld worden voor de inhoud van de artikelen en advertenties. Deze vallen steeds onder de verantwoordelijkheid van de auteurs, respectievelijk adverterende firma’s. La rédaction et l’éditeur déclinent toute responsabilité visà-vis le contenu des articles ou les annonces publicitaires. Toute responsabilité reste chez les auteurs, respectivement les firmes qui font de la publicité. UROBEL Magazine verschijnt vier maal per jaar in twee versies, een versie voor het urologische artsenkorps en een versie voor de urologisch verpleegkundigen. UROBEL magazine wordt bedeeld per post. UROBEL Magazine paraît quatre fois par an en deux versions, une version pour les urologues et autres médecins actif dans le domaine de l’urologie et une version pour les infirmi(è)er(e)s dans le domaine des soins urologiques. UROBEL Magazine est distribué par la poste. Oplage / Tirage: 1700 ex. (1300 INF - 400 URO) © 2006, uitgever: Tenacs o.h.p. bvba

42

UROBEL Magazine | 2/1 | mei-mai 2006


20062