Page 1


Like us on Facebook!


Day one and you’re ready Day one. It’s the moment you’ve been waiting for. When you prove your worth, meet new challenges, and go looking for the next one. It’s when your dreams take shape. And your expectations can be exceeded. From the day you join us, we’re committed to helping you achieve your potential. So, whether your career lies in assurance, tax, advisory or core business services, shouldn’t your day one be at Ernst & Young?

What’s next for your future? ey.com/careers

© 2008 EYGM Limited. All Rights Reserved.


Ta haci e studiantenan consciente di e balor di Papiamento den nos comunidad y tambe di su balor sociohistorico.


A

anleiding voor dit artikel is de commotie die is ontstaan in de maatschappij naar aanleiding van een vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg in september 2011. In dit vonnis is de verdachte, een onderwijzer op een basisschool, veroordeeld voor het seksueel binnendringen (art. 251 Wetboek van Strafrecht van Aruba, ASr, tongzoenen met een leerlinge) en vrijgesproken voor het plegen van drie andere zedenmisdrijven (art. 250ASr seksueel binnendringen van een meisje onder 12 jaar en art. 257ASr twee keer ontucht plegen door een onderwijzer door betasting van de leerlingen en/of zoenen). De officier van justitie had in haar requisitoir 4 jaar gevangenisstraf gevorderd, met aftrek van de in voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen en als bijkomende straf dat de verdachte gedurende vijf jaar het beroep van onderwijzer niet mag uitoefenen. Bij dit vonnis is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 300 dagen met aftrek van de dagen die hij al in voorlopige hechtenis had doorgebracht. De rechter heeft bij het uitspreken van het vonnis medegedeeld, dat zij niet twijfelt aan de verklaringen van de slachtoffers van de drie andere zedenmisdrijven, doch de rechter vindt geen steun voor die verklaringen in andere bewijsmiddelen. Het Openbaar Ministerie heeft inmiddels hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis. Mede naar aanleiding van deze commotie hebben de leden van de Staten van Aruba tijdens een bijzondere vergadering op 28 september 2011 drie ministers ter verantwoording geroepen voor deze laatste ontwikkelingen. Een veelgehoorde reactie op het genoemde vonnis is dat men minimumstraffen moet invoeren om dergelijke vrijspraken te voorkomen. In dit artikel zal aandacht worden

besteed aan de bewijsvoering in strafzaken. Een casus wordt gebruikt om de basisprincipes toe te lichten. Dezelfde casus wordt vervolgens uitgebreid met informatie geselecteerd uit publicaties in de media, over de uitspraak van september 2011. In de conclusie komt de vraag, of minimumstraffen inderdaad een vrijspraak in een zedenzaak kunnen voorkomen, summier aan de orde. BEWIJSVOERING IN STRAFZAKEN De eerste materiële vraag die een rechter moet beantwoorden als hij beraadslaagt nadat het onderzoek ter terechtzitting in een strafzaak is afgelopen, is of het tenlastegelegde bewezen is (artikel 394, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering van Aruba, hierna ASv). Dit is de bewijsbeslissing die de rechter nadat hij over de formele vragen heeft beraadslaagd, moet nemen. Dit bewijs kan de rechter slechts aannemen indien hij uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft gekregen (art. 381ASv). De wet erkent in artikel 382ASv slechts een aantal wettige bewijsmiddelen zoals de eigen waarneming van de rechter, verklaringen van de verdachte, verklaringen van een getuige, van een deskundige of schriftelijke bescheiden (een medisch verslag bijvoorbeeld). Tevens bevat de wet bewijsminima die de rechter aan banden heeft gelegd.1 Zo bepaalt de wet dat de rechter niet op basis van uitsluitend de eigen verklaring van de verdachte kan aannemen dat de verdachte een tenlastegelegd feit heeft begaan (art. 384, vierde lid, ASv). Evenmin kan de rechter aannemen dat de verdachte een feit heeft begaan op grond

van de verklaring van alleen één getuige (art. 385, derde lid, ASv).2 Hoewel elke verklaring op zich een bewijsmiddel is, is een enkel bewijsmiddel niet voldoende om een bewezenverklaring te bereiken. Met een casus kan het voorgaande verduidelijkt worden.

Onderwijzer Miguel geeft les op een basisschool. Petra is een leerlinge van Miguel in de vijfde klas. Petra vertelt aan een andere onderwijzeres Tina en haar moeder, dat zij door de onderwijzer is gekust ongeveer een week geleden in het computerlokaal. De moeder van Petra slaat alarm en neemt haar dochter Petra mee naar de Jeugd- en zedenpolitie om daar een verklaring af te leggen. De politie hoort voorts de moeder en de onderwijzeres Tina. De politie hoort ook andere onderwijzers op school. Uit deze verklaringen blijkt dat een of meer onderwijzers op de bewuste dag Miguel en de betrokken leerlinge, na schooltijd, kort na elkaar, naar het computerlokaal hebben zien gaan. Met toestemming van de officier van justitie wordt de onderwijzer aangehouden en verhoord. De onderwijzer bekent zijn leerling ongeveer een week geleden te hebben gekust. In deze casus zijn de bewijsmiddelen: de aangifte van de moeder van Petra (1), de verklaring van het slachtoffer Petra (1), de verklaring van de onderwijzeres Tina (1), de verklaringen van twee onderwijzers (2) en de bekentenis van Miguel (1). De rechter zal in dit geval tijdens het onderzoek op de terechtzitting onder andere deze bewijsmiddelen in het dossier voorhouden aan de verdachte. De


rechter zal geen probleem hebben met het bewijs, er zijn zes bewijsmiddelen dus meer dan één enkel bewijsmiddel die de tenlastelegging ondersteunen. Het bewijs voldoet aan de minimumregels. De rechter kan in beginsel hieruit het bewijs en tevens de overtuiging verkrijgen als niets anders mis is in deze zaak, dat Miguel dit feit heeft begaan. Een veroordeling zal, indien geen andere omstandigheden zich voordoen, kunnen volgen.3 Het is voor de lezer waarschijnlijk meteen duidelijk, dat de bewijsvoering in de voorgaande casus van Miguel, die niet lang geleden plaatsvond en die kort daarna aan het licht kwam, qua onderzoek eenvoudiger ligt dan een onderzoek in een zedenzaak die al jaren geleden heeft plaatsgevonden en pas recent aan het licht komt. Een andere belangrijke factor is, dat in de voorgaande casus de verdachte heeft bekend het slachtoffer te hebben gekust. Zedenzaken gebeuren gebruikelijk in de beslotenheid van bijvoorbeeld een slaapkamer, althans zonder dat een derde aanwezig is. Niet zelden komt het neer op het woord van de verdachte tegenover het woord van het slachtoffer, aangezien op spontane bekentenissen van een mogelijke dader in dergelijke zaken meestal ook niet altijd kan worden gerekend. De vorige casus wordt verder aangevuld als volgt.

Onderwijzer Miguel blijft 26 dagen in voorlopige hechtenis en komt op vrije voeten nadat de rechtercommissaris zijn gevangenhouding niet heeft bevolen. Nadat de zaak van Miguel in de kranten wordt gepubliceerd vertellen drie andere leerlingen van deze onderwijzer Miguel over ontuchtige handelingen die Miguel in de afgelopen jaren met hen zou hebben gepleegd. Een slachtoffer jonger dan 12 jaar, verklaart dat Miguel haar seksueel heeft binnengedrongen in een opberghok in het gymlokaal. Een tweede slachtoffer verklaart dat Miguel haar ontuchtig heeft betast terwijl het

laatste slachtoffer verklaart dat zij door Miguel op haar mond is gekust. De ouders doen aangifte van deze gevallen en verklaren onder meer bij de politie wat hun kinderen aan hen hebben verteld over het gebeurde, de politie hoort de slachtoffers en eventuele getuigen (onder meer klasgenoten en vrienden van de slachtoffers) die weliswaar niet aanwezig waren toen de onderwijzer de beweerdelijke gedragingen zou hebben verricht, maar wel verklaringen afleggen over de desbetreffende dag en wat zij op andere dagen met het slachtoffer en/of Miguel op school hebben meegemaakt. Miguel ontkent dat hij deze drie leerlingen heeft aangeraakt. Belangrijk in deze nieuwe gevallen is dat deze niet recent, maar jaren geleden zouden hebben plaatsgevonden volgens de slachtoffers. In het dossier bevinden zich drie aangiftes, een van elke ouder van de betrokken leerling, de verklaringen van de leerlingen zelf en van enkele klasgenoten en vrienden van de slachtoffers en de ontkenning van Miguel. Omdat het seksueel binnendringen van de leerlinge jaren geleden zou hebben plaatsgevonden, zal thans het doen verrichten van een medisch onderzoek aan het lichaam van dit slachtoffer niet bijdragen tot enig bewijs. Indien de rechter in de verklaringen van de getuigen ondersteuning vindt voor de verklaring van elk slachtoffer en daarmede voor de tenlastelegging, kan de rechter de bewijsminima bereiken en overgaan tot de bewezenverklaring. Indien de rechter meent, geen ondersteuning te kunnen vinden, beschikt de rechter dan alleen over bewijs dat uit één bron afkomstig is, namelijk van het slachtoffer. De rechter kan alleen met een van één bron afkomstige verklaring niet tot een bewezenverklaring komen, dat Miguel ook met elk van de drie andere leerlingen ontuchtige handelingen heeft gepleegd. Conform vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moeten andere bewijsmiddelen namelijk voldoende steun geven aan de verklaring van het slachtoffer.4 Als die steun niet gevonden kan worden in de gevallen van de andere drie slachtoffers in de beschreven casus, in andere verklaringen die niet afkomstig zijn van die ene bron, de leerlingen zelf, zal de rechter tot vri-

jspraak concluderen. CONCLUSIE In zedenzaken is onderzoek en bewijsvoering vanwege de omstandigheden waaronder deze in de regel gepleegd worden, moeilijker dan in andere strafzaken. De bewijsminima worden in vele gevallen niet gehaald. Het bewijs is namelijk vaak afkomstig van het slachtoffer dat met de verdachte alleen is geweest op het cruciale moment. Ontuchtige handelingen vinden plaats zonder dat er getuigen aanwezig zijn, de verdachte ontkent dat hij het slachtoffer ontuchtig heeft aangeraakt, en verder ontbreekt enig bewijs aan het lichaam van het slachtoffer vanwege de aard van de handeling of de tijd die inmiddels is verstreken na het plegen van het feit. Onder die omstandigheden waarbij slechts één bron aanwezig is, kan de rechter oordelen, dat hij/ zij geen voldoende wettige bewijsmiddelen ter beschikking heeft in het dossier om tot het bewijs te kunnen komen dat de verdachte deze feiten inderdaad heeft begaan. De rechter heeft wettige bewijsmiddelen nodig waaruit de rechter de overtuiging moet verkrijgen dat de verdachte inderdaad de tenlastegelegde feiten heeft begaan. Als de rechter meent dat geen ondersteuning van de verklaring van het slachtoffer gevonden kan worden in andere verklaringen die in het dossier zijn opgenomen, zal de rechter vrijspreken. De bewezenverklaring en de bewijsminimaregels leveren technische problemen op, die zich voordoen bij de bewijsvraag en niet bij de vierde materiële vraag, welke straf de rechter gaat opleggen. Aan deze vraag komt de rechter pas toe als hij de voorafgaande materiële vragen van artikel 394, eerste lid ASv, heeft beantwoord. Het invoeren van minimumstraffen zal deze technische problemen daarom niet vermijden en zal niet leiden tot een veroordeling.


UNIA  

UNIA magazine concentrates on different topics ranging from current events on Aruba, symposiums and other university events and student opin...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you