Nieuw Traject Nederlands 1 - leerwerkboek

Page 1

VA

© N IN


VA

© N IN


IN N VA

©

Vicky Aerts Stijn Buysschaert Leen Lammertijn Tom Rambaut Ria Van der Mueren


VA

© N IN


Inhoud DEEL 1 VERBEELDEN

9 10

1 Hallo, ik ben Speelse Fluwijn Wie ben je? 2 Begrijpen we elkaar? Help Zootastic 3 In een lijst gevangen Aan de slag met een geordende en overzichtelijke lijst 4 Gezocht: taalfanaat en mailkampioen Bericht aan je leraar 5 De stem van verbeelding De live lezershow UITDAGING In de mailbox van je leraar DE LAATSTE RONDE

12 17 19 27 29 35 36 43 45 48 50 51

DEEL 2 VERTELLEN

IN

PAPS DROOMJOB – Hilde E. Gerard

VERTELLEN ZONDER WOORDEN – Guy Didelez

VA

N

1 Tekstsoorten en tekstdoelen Maak een kwartet 2 Aan iemands lippen hangen Heet van de naald 3 Wat vertelt een tekst? Word een schema-expert 4 Over wie of wat gaat het? Het onderwerp Informeer met een berichtje 5 Heksen, brandstapels en bezemstelen … Zelfstandige naamwoorden Goochelen met zelfstandige naamwoorden 6 Speeddaten met een boek Laat je niet zomaar verleiden UITDAGING Ontmasker de leugenaar DE LAATSTE RONDE

DEEL 3 ONTDEKKEN

54 56 62 63 69 71 81 82 92 93 104 105 109 110 111

115

HET GEHEIM – Luc Descamps

116

1 Doen of zijn? Over het wwg en nwg Help de journalist 2 Ontdek de wereld Op inleefreis 3 Wat als … Standaardnederlands niet bestond? Op het podium 4 Ken je het voorwerp? Over het lv en mv Jouw blik op de toekomst 5 Lees en ontdek Ken je de held? 6 Gevat samengevat Een karaktertekening UITDAGING Speel het spel DE LAATSTE RONDE

118 132 133 143 145 149 150 160 161 173 174 177 178 179

© INHOUD

53

NIEUW TRAJECT Nederlands 1

3


DEEL 4 TRAINEN

181 182

ROUTEPLANNER 1 Beluister of lees een boek Word junior recensent 2 Het was … : verleden tijd en voltooid deelwoord Wie wordt kampioen? 3 Korte en lange zinnen Kruip in je pen 4 Schrijven kun je leren Word moppentapper 5 Vragen over vragen Geheugenwerk trainen 6 Welke taal gebruik jij? Over taalvariatie Op zoek naar afkortingen UITDAGING Waag een gokje! Quiz je mee? DE LAATSTE RONDE

184 185 187 188 202 203 207 209 215 216 223 224 230 231 233

DEEL 5 VERLEIDEN

IN

BLOED, ZWEET EN TRA(I)NEN – Winny Ang

236

1 Geloof je wat reclame belooft? Laat je niet zomaar verleiden 2 Naar het reclamebureau Creatief met reclame 3 Zeg het met … een bijvoeglijk naamwoord Een verzonnen product promoten 4 Hocus, pocus, poëzie Verleid met woorden 5 Ik nodig je uit Een verleidelijke uitnodiging maken UITDAGING Word reclame-expert DE LAATSTE RONDE

238 243 245 251 253 260 261 264 266 268 270 271

VA

N

ZEEHONDEN – Koen D’Haene

DEEL 6 ONDERZOEKEN

INHOUD

273

BAS’ ROTTE ZOMER – Sebastiaan Leenaert

274

ROUTEPLANNER 1 Zakelijke teksten onder de loep Je bent een belangrijke getuige 2 Het grote luisterexperiment Word je een echte professor of net niet? 3 Foutloos spellen Sprintdictee 4 Op zoek naar een boek Creatief aan de slag! UITDAGING Word tekstchirurg DE LAATSTE RONDE

276 277 284 285 289 291 300 301 308 310 311

© 4

235

NIEUW TRAJECT Nederlands 1


DEEL 7 SCOREN

313 314

1 Hoe doe je dat? Zo doet je dat... 2 Scoren maar … Een tekst begrijpen en alinea’s husselen 3 Stap voor stap Schrijvend scoren bij je vrienden? 4 Je favoriete boek? De kroon op het werk UITDAGING Op naar de top DE LAATSTE RONDE

316 321 322 328 330 334 335 344 345 347

DEEL 8 LIKEN

IN

PENALTYKILLER – Do Van Ranst

349

VIND IK LEUK – Piet De Loof

VA

N

1 Surfen en liken Een nieuwsbericht voor de klas 2 Expressief met taal De grote voorleesronde 3 Wie zijn ze? Profiel van een personage 4 Boeiend presenteren Word marktkramer 5 Striphelden tellen Bingo spelen UITDAGING Mijn talent DE LAATSTE RONDE

DEEL 9 SPRINGEN

352 361 362 369 371 389 391 394 395 401 402 404

409

BEVROREN – Evelien De Vlieger

410

ROUTEPLANNER 1 Wat ik deze zomer echt wil doen … Op bezoek in het reisbureau 2 Ik weet meer dan ik denk Win bingo als redacteur van ‘De foute woordenboek’ 3 Ik ga op reis en ik neem mee … Genre zoekt auteur UITDAGING Spring de vakantie in DE LAATSTE RONDE

412 413 417 419 424 425 435 437 439

© INHOUD

350

NIEUW TRAJECT Nederlands 1

5


Starten met Nieuw Traject Nederlands Welkom bij Nieuw Traject Nederlands. Hoe ga je met dit boek aan de slag? We navigeren je even door enkele belangrijke aspecten.

1

Op weg met Traject In het leerwerkboek vind je negen delen. Elk deel heeft als titel een werkwoord en is op dezelfde manier opgebouwd. Na de titelpagina verrast een jeugdauteur je met een kort verhaal dat te maken heeft met het werkwoord.

IN

Op de titelpagina van elk deel staat een beeld dat verband houdt met het werkwoord in de titel van dat deel. Daaronder vind je vragen over dat beeld.

deel 3

ontdekken

PAPS DROOMJOB Hilde e. Gerard

1

5

10

15

20

25

30

© Merel van den Enden

1 Vertel wat je ziet (of niet ziet) op de foto. Denk daarbij aan de w-vragen. 2 Is er maar één persoon te zien? Voorspel wat ze elkaar vertellen. 3 Welk verhaal zou de fotograaf met dit beeld willen vertellen? Zou je bij de foto zelf een verhaal kunnen verzinnen? Waarover zou dat dan gaan?

35

4 De foto geeft een vreemde gebeurtenis weer. Het is een eigenaardig beeld. Ken jij andere vreemde dingen in onze wereld of in de ruimte? 5 Hoe zou de fotograaf dit beeld gemaakt hebben? Zou je termen zoals close-up en totaalbeeld hier kunnen gebruiken? Bespreek samen.

40

‘Voor volgende week plan ik een hele leuke opdracht.’ Met stralende ogen kijkt mevrouw Jansen de klas rond. Pieter zucht binnensmonds. Een halfjaar ver is het schooljaar en ja hoor, zijn nieuwe school is best oké. Alleen … de lessen Nederlands. Pfff. Teksten lezen, nieuwe woorden instuderen. Homoniemen, homofonen, oeverloos taaltaken schrijven … En nu … Pieter dwingt zichzelf naar zijn lerares te luisteren. ‘Een spreekbeurt!’ Mevrouw Jansen juicht het uit. Pieter zucht nog meer. Steels kijkt hij rond. Achteraan rolt Stef met zijn ogen. Stef is zijn vriend. Samen werken ze aan een project voor informatica. Programmeren, dat is pas leuk. ‘Twee minuten praten jullie vooraan in de klas over jezelf. Maar niet echt over jezelf.’ De lerares schudt haar hoofd. ‘Je fantaseert een hele nieuwe persoonlijkheid.’ Saar op bank één klapt nog net niet in haar handen. Natuurlijk vindt zijn buurmeisje die opdracht geweldig. Fantaseren is haar dagelijkse bezigheid. Zó vermoeiend.

45

50

Twee dagen voor het nieuwe schooljaar is Pieter verhuisd. Pas eind september sprak Saar Frederiks hem aan. Drie voetballen had hij toen al over de omheining getrapt. Elke keer ging hij aanbellen bij het nummer 13. ‘Beleefd zijn, Pieter!’ waarschuwde mam hem steeds. Tevergeefs, want de zwarte deur van de buren ging nooit open. Eén keer had hij zijn buurmeisje al gezien, toen ze door de voortuin naar de brievenbus sloop. Op school zag hij haar natuurlijk ook. Waar ze steevast te laat aankwam. ‘Zijn dat jouw voetballen?’ vroeg Saar. Bij voetbal nummer vier zwaaide ze de deur open. Totaal onverwacht. Met haar schoenpunt wees ze naar de ballen die onder een laag modder zaten. ‘Ja’, zei Pieter. ‘Ik heb al een paar keer aangebeld.’ Op zijn beurt wees hij naar de glanzende voordeur. ‘We doen nooit open’, vertrouwde Saar hem toe. Ze deed een stapje dichterbij om op fluistertoon verder te gaan. ‘Mijn vader is geheim agent, moet je weten. Hij jaagt op maffiabonzen en terroristen. Vóór alles wil hij zijn identiteit afschermen.’ Gejaagd keek ze om zich heen. ‘Laatst scheurde er een auto door de straat. Wat later verstopte een gemaskerde kerel zich in de struiken. Vader stuurde de bloedhond erop af.’ Pieter slikte en deed een stapje weg. Hij had het niet zo met honden sinds hij als kind was gebeten, in zijn arm en niet eens heel erg en door een poedel. Stel je voor hoe een bloedhond zou toeslaan. ‘D-d-dank je’, stotterde hij, ‘voor mijn voetballen.’ Hij bukte zich en drukte drie vieze ballen tegen zijn borst. De andere schopte hij voor zich uit naar het nummer 15. Op school bleef hij uit de buurt van Saar. Oktober was al enkele weken oud toen de verjaardagskalender van de klas eindelijk aan de muur kwam. ‘Babyfoto’s zijn altijd leuk’, had mevrouw Jansen geantwoord toen een leerling vroeg wat ze precies moest meebrengen. ‘Of een kiekje van je huisdier, of je hobby … Een gezinsfoto, eventueel. Aan jullie de keus.’ Het spectaculairst was zonder twijfel Jons portret. Hij bracht een kleurige foto mee van Sisje, zijn kousenbandslang. De meisjes in de klas griezelden, behalve Saar. Als er een bloedhond in je woonkamer rondliep, was je wel het een en ander gewoon, nam Pieter aan. Enkele dagen later hing ook Saars foto aan de wand. 13 maart. De verjaardag van haar en het hondje dat ze twee jaar geleden als geschenk had gekregen. Woefie, een rasechte chihuahua. Pieter hield het niet meer. ‘Is dat je bloedhond?’ hikte hij, terwijl hij Stef een vriendschappelijke por gaf. Saar keek Pieter aan alsof hij van een andere planeet kwam. ‘Zie je niet goed of wat?’ antwoordde ze met een weervraag en ze rolde met haar ogen. ‘Of weet je gewoon niks van honden af? Want een bloedhond ziet er helemaal anders uit, hoor. Ik kan het weten’, voegde ze er fluisterend aan toe. Ze kantelde haar hoofd en even leek het alsof ze nog iets wou zeggen, maar toen liep ze gewoon weg. Pieter keek haar fronsend na. Voor de spreekbeurtvolgorde trok Berna’s onschuldige hand een naam uit een zakje. Saar komt als eerste aan de beurt. Ze vertoont geen greintje nervositeit.

55

60

65

70

75

‘Zoals jullie weten, woon ik in de Bessenlaan op het nummer 13. Jullie kennen het huis wel. Zwarte voordeur, neergelaten rolluiken, slecht onderhouden tuin.’ Enkel Saar zelf giechelt om de flauwe grap. ‘Thuis hing er altijd al een geheimzinnig sfeertje. Vorig jaar biechtte pap dan eindelijk op dat hij een spion was.’ Ze laat haar „ woorden even bezinken. ‘Hij is geen James Bond of zo, hoor. Eerder wat ze noemen een stille“. Dat is een geheim agent die het internet afschuimt op zoek naar onregelmatigheden. Pap spreekt meerdere talen. Die komen hem goed van pas. Vindt hij afwijkingen op het net, opruiende taal, geheime vennootschappen en zo, dan neemt hij contact op met Langley, in de Verenigde Staten. Zoals jullie wel weten uit films, is daar het hoofdkwartier van de CIA. Dergelijk contact verloopt via een beveiligde telefoonlijn. Meer mag ik daar eigenlijk niet over zeggen.’ Met een vriendelijk knikje beëindigt ze haar betoog. In de klas kun je een speld horen vallen tot achteraan mevrouw Jansen luid begint te klappen. Al gauw doet iedereen mee, zelfs Stef. Enkel Pieter houdt zijn armen stijf over elkaar. Dit is geen fantasietje, gonst het in zijn hoofd. Saar gelooft die dingen écht. De volgende spreekbeurt neemt Jon voor zijn rekening. Hij vertelt bloeddorstige verhalen over Sisje. Hoe ze kikkers en vogels verslindt en soms ook een mens. Vooral de buurman moet het geregeld ontgelden. ‘Hoe kan een slang een mens opeten?’ wil een rillende Berna weten. ‘In kleine hapjes’, antwoordt Jon zonder blikken of blozen en hij gaat verder over hoe goed Sisje kan zwemmen en hoe graag ze een bad neemt in badschuim van Nivea. Daar moet vooral mevrouw Jansen hartelijk om lachen. Ze grinnikt nog altijd als ze met mevrouw Gielen van wiskunde door de gang loopt. De twee dames gaan zo op in hun gesprek dat ze Pieter achter hen niet opmerken. ‘En Saar?’ wil de wiskundelerares weten. ‘Waarover fantaseerde die?’ ‘Wel’, begint mevrouw Jansen, ‘echt fantaseren zou ik het niet noemen. Saar … ahum … verdraaide de waarheid een beetje.’ Ze glimlacht even. ‘Ze had het over haar papa. En haar verhaal bevatte alle elementen: internet, talen, telefoneren … Snap je?’ Gielen knikt. ‘Ja, hoor. Dat karakteriseert Luuk Frederiks helemaal, vastgegroeid aan zijn gsm of tokkelend op zijn pc.’ Ze maakt een hoofdbeweging naar een man die wat verderop uit een klas komt. ‘Daar hebben we hem’, zegt ze, ‘onze collega Frans-Engels. Wat doen we? Vertellen we hem wat zijn dochter over hem zegt?’ ‘Nee, hoor’, lacht Jansen. ‘Dat blijft ons geheim.’

Beluister het verhaal en maak kennis met de auteur Hilde E. Gerard.

woord

N

binnensmonds: onduidelijk, mompelend oeverloos: eindeloos steels: heimelijk, stiekem steevast: altijd, voortdurend de identiteit: de persoonlijkheid, eigen karakter het greintje: het vleugje, het zweempje de nervositeit: de druk, de spanning

115

routeplanner van deel 4 trainen

Klas

10

In delen 4, 6 en 9 kun je les Beluister of lees een boek

Nr.

Bekijk de uitdaging over quizzen, gokken en raden aandachtig. De kennis en vaardigheden die daarvoor nodig zijn, kun je op verschillende manieren inoefenen. Verken daarom de lessen van dit deel.

junior recensent

GERICHT NOTITIES NEMEN

voorkeur uitdrukken

1

De leraar zorgt voor correctiesleutels waar nodig.

Duid in de tabel de volgorde aan van de lessen die je zult afwerken. Kruis aan wat van je leraar mag en wat moet. Duid ook aan welke les zelfstandig en welke les klassikaal wordt gemaakt. Werk voor het groepswerk samen met iemand die (ongeveer) dezelfde volgorde kiest.

OPDRACHT 1

1

Maak een keuze.

A

Beeld en verhaal: ’Bloed, zweet en tra(i)nen’ Verken de uitdaging en de andere lessen + planning

1

Les 2 Het was …: verleden tijd en voltooid deelwoord

2

mag

zelfstandig

klassikaal

afgerond

Les 6 Welke taal gebruik jij? Over taalvariatie

1

Les 4 Schrijven kun je leren

2

Les 5 Vragen over vragen

0,5 - 1

9,5 - 11,5

deel 4 traINeN

les Elke les eindigt met Lees en ontdek

Jouw blik op de toekomst

5

Schrijf een korte tekst (van vijf tot acht zinnen) over een aspect of mogelijke ontdekking voor de toekomst. Kies eerst een thema. Werk per twee. Hoe pak je dat aan?

orIëNtereN

o

v

u

o

v

u

1

r

b Wat fascineert je?

d Waarin geloof je?

uItvoereN

o

v

u

o

v

u

7 Bekijk nu alle lijdende voorwerpen en de werkwoorden waarbij ze voorkomen. Wat kun je daaruit besluiten? 8 Onderzoek je zinnen opnieuw: heb je ook ergens een meewerkend voorwerp gebruikt? Onderstreep met rood. Je traject naar succes Je vertelt in je tekst over de toekomst.

1234

Je verwerkt alle antwoorden in je tekst.

1234

Je kunt alle lijdende voorwerpen aanduiden.

1234 ja

nee

woord

fascineren: betoveren, boeien, aanspreken

6

NIEUW TRAJECT NederlaNds 1

deel 3 ONtdekkeN

a Duid de delen aan van de tekst c Onderstreep een en zinbenoem waar hetze. over de taal gaat.

De mens leeft niet alleen op deze aarde. Planten en dieren zijn de andere bewoners van onze wereldbol. Ons gedrag heeft invloed op het milieu en dus ook op die andere bewoners. Veel soorten dreigen uit te sterven. Dat is heel jammer, want deze opvallende beestjes kleuren de wereld.

r

6 Vind je in je antwoorden een lijdend voorwerp?

160

Onderzoek de opbouw van een tekst. Die helpt je om een tekst beter te begrijpen.

1 Bekijk de tekst.b Markeer een zin waar de recensent het over de inhoud heeft.

Allemaal (vreemde) beestjes?

r

Heb je ook een meewerkend voorwerp gebruikt?

je held VOORSTELLEN

Kies uit: alinea – illustratie – inleiding – kop – lead – tekstblok – titel –over tussenkop – tussentitel d Kruip in de huid van een recensent en geef kort je mening het verhaal. Schrijf minstens drie zinnen over de inhoud van het gelezen of beluisterde boek en minstens twee zinnen over de taal die de auteur b Welke termen zijn synoniemen? Noteer die hier. gebruikt.

5 Schrijf je tekst op een apart blad. Gebruik je antwoorden op de vragen.

reflectereN

hoofd- en bijzaken ONDERSCHEIDEN

wat weet je al? wat kuN je al? OPDRACHT 1

4 Onderstreep in je antwoorden het lijdend voorwerp met groen.

De ontdekking van Amerika De eerste reis naar Amerika maakte hij met de schepen Niña, Pinta en Santa María. Hij had 90 bemanningsleden bij zich. De schepen vertrokken in augustus 1492 uit Spanje. Ruim twee maanden later was er land in zicht: een van de eilanden voor de kust van Midden-Amerika.

Daarna maak je extra oefeningen op diddit over het onderwerp. OPDRACHT 2

Wat wordt er over het onderwerp gezegd?

Columbus wist niet dat er nog een heel onbekend continent op zijn route lag. Toen hij in Amerika aankwam, dacht hij dat hij in Indië was aangekomen. Hij noemde de bewoners daarom indianen.

1 Lees de tekst over Jommeke. Onderstreep het onderwerp blauw en wat over het onderwerp gezegd wordt rood.

Columbus maakte verschillende reizen naar Amerika. In 1493 vertrok hij voor de tweede keer met 17 schepen. Op die tweede reis ontdekte en bezocht hij het eiland Dominica en ook Guadeloupe en Puerto Rico. Alle gebieden die hij tot dan toe ontdekt had, waren eilanden. Pas op zijn derde reis, in 1498, ontdekte Columbus het vasteland van Zuid-Amerika. Hij kwam aan in wat nu Venezuela is.

(1) Jommeke is een personage bedacht door tekenaar Jef Nys en hoofdrolspeler in de gelijknamige Vlaamse stripreeks. (2) Hij heeft een pratende papegaai, Flip, als huisdier. (3) Op 30 oktober is Jommeke jarig en als sterrenbeeld heeft hij schorpioen. (4) Hij is een slim en avontuurlijk jongetje van 10 jaar en 4 maanden. (5) Zo beschreef tekenaar Jef Nys hem zelf. (6) Hij is makkelijk herkenbaar aan zijn apart blond kapsel, het strooien dakje.

118

NIEUW TRAJECT NederlaNds 1

Columbus dacht tot aan zijn dood dat hij een nieuw deel van Oost-Azië ontdekt had. Hij werd 55 jaar. Naar: ‘Christoffel Columbus’, www.wikikids.nl

deel 3 ONtdekkeN

LES 1 doeN of zIjN? over het wwg eN Nwg

Bij een literatuurles is er een leesstop in plaats van een pitstop.

word junior recensent Werk per twee. Ken sterren toe aan de boeken die je beluisterde of las: van 1 tot 4 sterren.

van Alejandro Palomas)

delen van een tekst AANDUIDEN

3 Probeer eerst op een apart blad een antwoord te formuleren op de vragen. Antwoord met een volledige en duidelijke zin of zinnen.

c Wat geloof je niet?

Op het eerste gezicht allemaal zware onderwerpen (en dat zijn ze ook), maar de auteur slaagt erin om ze op een zeer toegankelijke manier te verwerken. De taal is eenvoudig en licht gehouden, het lettertype eerder

tekstopbouw CENTRALE THEMA OF chronologische groot en ook de marges van de pagina’s zijn breed. Je vliegt als het ware door het boek heen.’ (Mr. Poppins HERKENNEN HOOFDGEDACHTE AANGEVEN tekststructuur AANDUIDEN Naar: K. Simaeys. ‘Mr. Poppins’, www.pluizer.be

2 Verzamel ideeën.

a Hoe benader jij de toekomst?

een pitstop. Dat is een creatieve opdracht waarbij je kunt laten zien wat je geleerd hebt. Aan de hand van OVUR word je door de opdracht geloodst. Daarbij hoort ook een evaluatiemoment. a Wat doet een recensent?

r

1 Kies een thema (mode, natuur, kunst, wetenschappen, bouwen en wonen, school …).

voorbereIdeN

185

LES 1 beluIster of lees eeN boek

Columbus nam soldaten mee op zijn schepen. Hij mocht gouverneur worden van het veroverde gebied als hij land zou ontdekken en veroveren.

Als het grootste aantal bij ‘te moeilijk’ staat, dan herlees je het kader bij het onderwerp op p. 84.

woord

©

NIEUW TRAJECT NederlaNds 1

Columbus was van oorsprong Italiaan. Hij woonde eerst in de Italiaanse stad Genua. Zoals veel andere jongens werd hij zeeman. Later verhuisde hij naar Portugal en nog later naar Castilië.

te moeilijk?

fascinerend: betoverend, spannend, avontuurlijk psychologisch: wat te maken heeft met de menselijke geest

184

Christoffel Columbus is een van de bekendste ontdekkingsreizigers uit de geschiedenis. In 1492 ‘ontdekte’ hij het werelddeel Amerika. Honderden jaren voor Columbus er voet aan wal zette, waren de Vikingen al in Amerika geweest, maar andere landen wisten daar niets van af.

twijfelachtig?

‘Mr. Poppins’ is het verhaal van Guille, die later graag Mary Poppins wil worden. Meteen van bij het begin is het een fascinerend verhaal waarin je wordt meegezogen. Elk hoofdstuk wordt afwisselend door iemand anders verteld. […] Het boek is heel moeilijk in een hokje te plaatsen. Er worden zo veel verschillende onderwerpen aangeraakt: anders zijn, rouwen, verschillende culturen, verdriet, psychologische hulp …

1-2

De laatste ronde

b Zoek drie eigenschappen of kenmerken (hoe was hij?). Noteer die samen met het werkwoord dat de eigenschap met het onderwerp verbindt in de tweede kolom.

Daar zullen velen aanwezig zijn om hun goede doel toe te lichten en te vertellen hoe ze het geld bijeengebracht hebben.

1 Lees enkele zinnen die een recensent schreef over een jeugdboek.

1

Uitdaging: Waag een gokje!

TOTAAL

e Omdat ze niet allemaal in de auto kunnen, gaan slechts vijf leden naar Boom.

gemakkelijk?

Geef je mening.

Hoeverstoppertje heb je het luisteren / lezen ervaren? Draakje 2speelt Formuleer minstens drieblad ik-boodschappen waarin je je mening geen geeft over het beluisteren of lezen van een boek. De rafelvis lijkt een beetje op een met rafels. Toch is het helemaal gaat zich je voorkeur naar uit? uit deze formuleringen. plant. De visWaar verbergt graag tussen deKies planten onder water en leeft in de buurt van Australië. Zijn…thuis zijn…de riffen in zee. De vis kan tot 35 centimeter • Ik vind omdat groot worden. vijanden… en prooien ontdekken hem moeilijk. Door zijn vorm • Zijn Ik onthoud krijgt hij de bijnaam ‘zeedraak’. • Ik ervaar luisterboeken als … • Ik verkies … omdat … Groene vacht • Ik … De luiaard is een harig beest uit de oerwouden van Zuid-Amerika. Slapen kan hij als geen ander. De luiaard leeft in de bomen. Hij eet vooral bladeren. Daar kan ook wel een insectje bij. Of zelfs een klein diertje. Om alles te verteren slaapt de luiaard wel tien uur aan één stuk. De haren van de luiaard zijn bruin of soms wat groen. Dat komt door bacteriën en algen. Die leven in zijn vacht. Heilige hoorns Voor deze runderen heb je vanzelf respect. Dat komt door hun lange hoorns. Het zijn Watusi-runderen. Ze leven vooral in Rwanda in Afrika. Hun voorouder is Je kunt: de oeros. Watusi-runderen waren eeuwenlang heel belangrijk voor enkele Afrikaanse • een boek beluisteren of lezen en je voorkeur geven; stammen. Voor de Tutsi’s waren deze runderen zelfs heilig. • gericht notities nemen tijdens het luisteren of lezen; Naar: ‘In de kijker: Allemaal beestjes?’ Wablieft in een ik-boodschap. • (vreemde) je mening formuleren

LES 186 5 lees eN oNtdek NIEUW TRAJECT NederlaNds 1

Starten met NIEUW TRAJECT Nederlands 1

deel 4 TraiNeN

orIëNtereN

o

v

u

r

1 Ken je de sterren bij films, tv-programma’s en liedjes? Staat de uitleg van de sterren ergens genoteerd? Zoek het eens op. 2 Wat betekenen voor jou de verschillende scores? Wanneer verdient een boek 1, 2, 3 of 4 sterren?

voorbereIdeN

o

v

u

r

3 Omschrijf de verschillende scores/criteria voor het aantal sterren.

uItvoereN

o

v

u

r

4 Geef nu sterren aan de boeken die je beiden las. Noteer die sterren op een kaartje met titel en auteur. Breng die kaartjes ergens aan in de klas, zodat anderen ze ook kunnen bekijken.

reflectereN

o

v

u

r

5 Zoek een titel van een boek dat je kent. Ga je akkoord met het aantal sterren dat erbij staat? Ken je geen enkel boek? Spreek dan een klasgenoot aan en vraag waarom zijn boek zo veel sterren kreeg. Je traject naar succes Je kunt duidelijke omschrijvingen maken voor de scores/sterren.

1234

Je kunt helder uitleggen waarom je boek precies zo veel sterren kreeg.

1234

Dit heb je over jezelf geleerd:

waarheen

161

Ken jij Columbus?

a Zoek vijf zaken die Columbus deed. Noteer die in de eerste kolom.

2 In welke zinnen was het onderwerp vinden voor jou …

Na het luIstereN of lezeN OPDRACHT 3

OPDRACHT 3

d Volgende zaterdag brengen ze dat geld naar de organisatie.

f

Neem notities tijdens het luisteren of lezen.

aaN de slag met ‘doeN’ (werkwoordelIjk gezegde) eN ‘zIjN’ (NaamwoordelIjk gezegde)

1 Lees de tekst om Columbus beter te leren kennen.

c De groep zamelde zo meer dan 500 euro in.

Noteer niets in het boek, maar neem een apart blad of een klein schriftje. Je kunt een antwoord geven op deze w-vragen: wie, wat, waar en wanneer?

2

2

b Vooral ouders en grootouders hebben de heerlijke wafels gebakken.

2 Je combineert lezen en luisteren: je volgt mee in het boek terwijl je luistert.

1 - 1,5

Wat is het onderwerp van de zin?

a De jongens en meisjes van de scouts hielden gisteren een wafelverkoop voor het goede doel.

De volgende opdrachten maak je met het luisterfragment en het fragment dat je op diddit vindt.

OPDRACHT 2

Les 3 Korte en lange zinnen

B

aantal moet lesuren

Naar: ‘Jommeke (stripfiguur)’, www.nl.wikipedia.org

1 Onderzoek de zinnen: over wie of wat gaat het in deze zinnen? Markeer het onderwerp.

c Het boek is niet opgebouwd in hoofdstukken: je beluistert of leest een afgerond geheel of 20 bladzijden. Je bespreekt die optie met de leraar. Het verhaal ken je wel helemaal, door ofwel alles te beluisteren of alles te lezen.

JOUW ROUTEPLANNER

volgorde

(12) Hij woont met zijn ouders, vader Theofiel en moeder Marie, in de Hemelstraat in Zonnedorp.

2 Hoeveel zinnen kon je direct oplossen? Zes of meer? Als dat nog niet lukt, ga dan eerst naar de oefeningen op diddit bij de tweedeling van de zin (het onderwerp en de rest van de zin).

wat weet je al? wat kuN je al? OPDRACHT 1

1 Kies een van deze mogelijkheden.

b Het luisterboek: je beluistert het hele boek. Het leesboek: je leest (minstens) een hoofdstuk.

lessen

(7) Al sinds het eerste verhaal draagt Jommeke een korte, zwarte broek en een blauwe trui zonder mouwen met daaronder een wit hemd waarvan de mouwen opgerold zijn. (8) In dat album was hij ongeveer vijf jaar. (9) Intussen kunnen we, door zijn taalgebruik, kennis en omgang met technische apparatuur, een verandering veronderstellen. (10) Jommeke is al elf jaar in het album ‘De grasmobiel’. (11) De stripfiguur beschikt sinds album 214 ook over een gsm.

JOURNALIST HELPEN: schrijven

gezegde: wwg en nwg aanduiden, benoemen en gebruiken

luIstereN eN lezeN

a Het luisterboek: je beluistert een hoofdstuk. Het leesboek: je leest het boek helemaal.

Zet een teken in de laatste kolom als de les is afgerond. Succes!

Elk deel bevat drie tot zes lessen. Aan het begin van elke les tonen vliegertjes je wat in de les aan bod zal komen.

Doen of zijn? Over het wwg en nwg

1

mening formuleren

11

deel 1 VerbeeldeN

betekenisverbanden in zinnen aantonen

VA

Maak een keuze om enkele of alle lessen van dit deel zelfstandig of klassikaal af te werken. De volgorde van de lessen binnen het deel A en B en het tempo bepaal je zelf. Je start met deel A. Les 1 valt buiten deze routeplanner. In de tabel vind je een voorstel van het aantal lesuren per les. Baseer je daarop. De leraar begeleidt je.

les

zelf1 je route uitstippelen: de routeplanner begeleidt je in de keuzes die je maakt om dat deel te doorlopen. Je kunt er invullen welke lessen je klassikaal of zelfstandig doet en in welke volgorde je door de lessen gaat. luisterboek en jeugdboek

NIEUW TRAJECT NederlaNds 1

woord

afschuimen: doorzoeken, op zoek gaan naar iets de onregelmatigheid: de afwijking, de mistoestand opruien: ophitsen, aanzetten tot het plegen van een misdrijf het betoog: verdediging van een standpunt

LES 1 beluIster of lees eeN boek

187

119


Na de laatste pitstop UITDAGING: De laatste rondeIN DE MAILBOX VAN JE LERAAR volgt het grotere, belangrijke werk: de uitdaging. Dat is een grotere opdracht waarbij je combineert wat je in de lessen van dat deel hebt geleerd. De uitdaging is ook opgebouwd rond OVUR en bevat eveneens een evaluatiemoment. woord

UITDAGING: IN DE MAILBOX VAN JE LERAAR

OPDRACHT 1

orIëNtereN

o

v

u

r

o

Aan het einde van deze les zul je een mail versturen aan je leraar met daarin een lijst van zes jeugdboeken die je nog zou willen lezen.

o

v

u

voorbereIdeN

Stap 3: Leg een lijst aan met die zes boeken. Kies een logische volgorde. Leg je keuze voor je volgorde uit.

OPDRACHT 2

4 Welke info mag zeker niet ontbreken? 5 Maak een eerste kladversie van de mail. 6 Controleer je mail: O Wijst de spellingchecker nog fouten aan? O Herlees je e-mail: zijn alle zinnen goed gebouwd? O Heeft elke zin een hoofdletter en een leesteken?

r

7 Maak een definitieve versie van de mail. Verstuur die aan je leraar.

reflectereN

o

v

u

u

OPDRACHT 2

Rangschik de woorden.

r

Stap 3: Leg een lijst aan met die zes boeken. Kies een logische volgorde. Leg je keuze voor je volgorde uit. Rangschik de woorden. 3 Stel een e-mail op aan je leraar Nederlands waarin je die lijst doorgeeft.

In het verhaal van Hilde E. Gerard houdt Pieter van programmeren. Hij benadert de zaken graag op een logische manier. Kun jij zorgen voor een logische verdeling van de woorden in de wolk? Welke woorden kunnen samenhoren? Rangschik ze. Maak kolommen. Geef elke kolom een passende titel.

In het verhaal gaf mevrouw Jansen de leerlingen een opdracht: ‘Bedenk een nieuwe persoonlijkheid voor jezelf.’ Ook jouw leraar gebruikt geregeld instructiewoorden om je een opdracht te geven. uItvoereN Probeer het zelf! Maak met deze instructiewoorden o v ueen r opdracht die past bij het gegeven vak.

In het verhaal gaf mevrouw Jansen de leerlingen een opdracht: ‘Bedenk een nieuwe persoonlijkheid voor jezelf.’ Ook jouw leraar gebruikt geregeld instructiewoorden om je een opdracht te geven. Probeer het zelf! Maak met deze instructiewoorden een opdracht die past bij het gegeven vak.

OPDRACHT 3

Geef een instructie.

Maakdeeen definitieve versie van de mail. Verstuur die aan je leraar. Bv. ordenen (geschiedenis):7 Orden gebeurtenissen volgens datum.

Bv. ordenen (geschiedenis): Orden de gebeurtenissen volgens datum.

noteren (Nederlands):

noteren (Nederlands):

o

v

u

r

Je traject naar succes

aankruisen (aardrijkskunde): In orde

jij

Je mail bevat een lijst met zes jeugdboeken in een logische volgorde.

1234

Je gebruikt een kernachtige onderwerpregel.

1234

Je hanteert een gepast taalregister.

1234

Je schrijft een beleefde begroeting, bedanking en slot.

1234

De boodschap is duidelijk, kort en bondig.

1234

Je gebruikt hoofdletters en leestekens correct.

1234

dit gaat vlot:

dit vraagt training:

NIEUW TRAJECT NederlaNds 1

Je traject naar succes

jij

Je mail bevat een lijst met zes jeugdboeken in een logische volgorde.

1234

selecteren (artistieke vorming):

Je gebruikt een kernachtige onderwerpregel.

1234

Je hanteert een gepast taalregister.

1234

Je schrijft een beleefde begroeting, bedanking en slot.

1234

De boodschap is duidelijk, kort en bondig.

1234

Je gebruikt hoofdletters en leestekens correct.

1234

aankruisen (aardrijkskunde):

Dit deel is nu afgerond. Bekijk ook de werkpuntjes en de criteria bij elke pitstop of leesstop van dit deel. Vul aan voor jezelf: •

dit gaat vlot:

dit vraagt training:

50 NIEUW TRAJECT NederlaNds 1 DE LAATSTE RONDE

deel 1 VerbeeldeN

woord

het instructiewoord: een woord dat aangeeft wat je moet doen

het instructiewoord: een woord dat aangeeft wat je moet doen

51

deel 1 VerbeeldeN

51

DE LAATSTE RONDE

IN

2

v

8 Evalueer jezelf.

Dit deel is nu afgerond. Bekijk ook de werkpuntjes en de criteria bij elke pitstop of leesstop van dit deel. Vul aan voor jezelf:

50

o

In het verhaal van Hilde4E. Gerard houdt Pieter Welke info mag zekervan nietprogrammeren. ontbreken? Hij benadert de zaken graag op een logische manier. Kun jij zorgen voor een logische verdeling van de woorden in de wolk? 5 Maak een eerste kladversie van de mail. Welke woorden kunnen samenhoren? Rangschik ze. Maak kolommen. Geef elke kolom een passende titel. 6 Controleer je mail: O Wijst de spellingchecker nog fouten aan? O Herlees je e-mail: zijn alle zinnen goed gebouwd? OPDRACHT 3 Geef een instructie. O Heeft elke zin een hoofdletter en een leesteken?

reflectereN selecteren (artistieke vorming):

r

8 Evalueer jezelf. In orde

Noteer in de wolk minstens zes woorden waaraan jij denkt bij de woorden ‘verbeelden’ of ‘fantaseren’.

Stap 2: Zoek twee extra boekentips voor jezelf. Daarvoor kun je de websites gebruiken die aan bod kwamen in les 5.

3 Stel een e-mail op aan je leraar Nederlands waarin je die lijst doorgeeft.

u

OPDRACHT 1

Stap 1: Kijk terug naar les 5. In die les verzamelde je al vier boekentips.

Stap 2: Zoek twee extra boekentips voor jezelf. Daarvoor kun je de websites gebruiken die aan bod kwamen in les 5.

v

Na de uitdaging volgt De laatste ronde: daarin ga je op een leuke en uitdagende manier aan de slag met de woordenschat van het deel.

De laatste ronde

r

2 Zoek zes boeken die jij in de toekomst graag zou willen lezen.

Stap 1: Kijk terug naar les 5. In die les verzamelde je al vier boekentips.

o

u

1 Denk voor die situatie na over de vragen van het communicatiemodel.

r

2 Zoek zes boeken die jij in de toekomst graag zou willen lezen.

uItvoereN

v

Aan het einde van deze les zul je een mail versturen aan je leraar met daarin een lijst van zes jeugdboeken die je nog zou willen lezen.

1 Denk voor die situatie na over de vragen van het communicatiemodel.

voorbereIdeN

Noteer in de wolk minstens zes woorden waaraan jij denkt bij de woorden ‘verbeelden’ of ‘fantaseren’ . orIëNtereN

Handig voor onderweg

In de loop van elk deel word je ondersteund door enkele hulpmiddelen.

Dit logo geeft aan dat je een fragment zult bekijken of beluisteren. Dit logo geeft aan dat je op diddit extra materiaal kunt vinden.

N

Dit logo geeft aan dat je meer info over de leerstof kunt vinden in je Trajectwijzer. Je werkte naar de theorie toe en nu is het tijd om die in te oefenen.

+ Soms wil je wat verder gaan? Dan is een plusopdracht iets voor jou. Dat is een extra opdracht of extra theorie, gewoon wat meer of wat moeilijker. De opdracht verbreedt of verdiept de leerstof. luIstereN Is faNtastIsch

VA

3

les

3

Oriënteren Wat als … Standaardnederlands o v u niet bestond? Voorbereiden o v u Uitvoeren o v u Reflecteren o v u

opbouw van taal verwoorden

Fluwijn

letters en soorten opsommen

WAT ALS …

jezelf voorstellen

SCHITTEREN op het podium

volume en tempo aanpassen

klanken herkennen

2

1

articulatie en intonatie verzorgen

OPDRACHT 6

r

Ga aan de slag met vergelijkingen.

OPDRACHT 7

zender

boodschap

DE SCHULLEBAK

die woont in Kostverloren.

Zijn lichaam is een prullenbak met grote

OVUR loodst je regelmatig door de opdrachten.

bedoeling kanaal effect 2 Welk dier zag Robbe eerst? Noteer tijdens het luisteren een cijfer bij de dieren. Plaats daarna de letters in de juiste kooi. Let op: er is één tekening te veel.

A

Hij heeft de snavel van een kraai, de vleugels van een reiger,

r

tip

ontvanger Wees aandachtig. Laat je niet afleiden. Verscherp je aandacht door mee te denken. Maak beelden in je hoofd of maak enkele notities.

Dit is de bonte schullebak,

r

H

3 Vul het1communicatiemodel in. goede luisterhouding. Ze zullen je helpen om je beter te concentreren. Lees de tips voor een

Kijk goed naar de tekening!

B

C

de kleuren van een papegaai,

4 Hoeveel dieren plaatste je in de juiste kooi? Markeer je score.

de strepen van een

0–1–2–3–4–5

Hij heeft de poten van een

r

5 Duid aan.

de ogen van een schelvis.

Je vond de oefening: O heel makkelijk. O eerder makkelijk. O eerder moeilijk. O heel moeilijk.

Van alle dieren heeft hij wat,

OPDRACHT 1

Op uitstap naar Zootastic!

Nog nooit gehoord van de krokogaai, de chimpanfant of de papehond? Nee? Ze leven nochtans in Zootastic, de enige zoo met dieren uit de toekomst! Robbe bezocht Zootastic. Luister naar zijn reisverslag. Plaats de dieren in volgorde: welk dier zag Robbe eerst?

tip

1 Voorspel hoe het gedicht van Rikkert Zuiderveld gaat. Schrijf een woord dat volgens jou past in het vers.

wIe beN jIj? OPDRACHT 2

Lees het gedicht ‘De schullebak’.

Maar niks dat van hemzelf is.

Wat als … op televisie1alleen maar dialect Vergelijk mens en dier.gesproken zou worden?

Bij het leren en studeren krijg je ook hulp van verschillende kaderteksten. Gebruik ze zeker om je voor te D E bereiden. F Denk aan hun uiterlijk of hun karakter. Ken je het dier? Vul de vergelijking aan.

R. Zuiderveld en K. Aertssen. De mooievaar. Utrecht, Mozaïek (www.uitgeverijmozaiek.be)

Bekijk een panelgesprek over taal op televisie.

Hij is …

zo stil als een

a Hoe denken zij daarover? Met welke argumenten staven zij hun mening?

zo nijdig als een

2 Wat is volgens jou de boodschap van de dichter?

hoe

wat

Luc Appermont is voor/tegen het gebruik van dialect op televisie omdat

waarheen

Luisterhouding

Wat is een vergelijking?

en omdat

Je concentratie tijdens de luisteropdracht was: O altijd goed. O meestal goed. O niet zo goed.

Doe je boek dicht en beluister het gedicht. Klopt je voorspelling? Welke woorden ontbreken? Noteer ze in het gedicht.

sterk als eenmening over het gebruik van dialect zo fris een 1 Luc Appermont en Herman Verbruggenzogeven hun op als televisie.

Een vergelijking is een vorm van beeldspraak die de overeenkomst noemt tussen een onderwerp en iets anders, met de woorden als, zoals, gelijk …

Je kunt: • •

©

Als je luistert, mag je niet verstrooid zijn, want dan mis je de boodschap. Door je aandacht te verscherpen, kun je beter luisteren: concentratie is nodig.

Herman Verbruggen is voor/tegen het gebruik van dialect op televisie omdat

de delen van het communicatiemodel opsommen; in een communicatiesituatie zender, boodschap, ontvanger, bedoeling, kanaal en effect aanduiden; je aandacht verscherpen tijdens het luisteren.

2 Vul de vergelijking aan. Kies het juiste dier.

zo verkouden als een

zo lenig als een

zo gezond als een

zo zwart als een

zo sluw als een

zo trots als een

zo mager als een

zo trouw als een

zo bang als een

zo snel als een

zo blind als een

zo koppig als een

Een wat-kader brengt je kennis of theorie.

b Welke taalvariëteit gebruiken zij zelf?

2 Wat doet een taaldokter?

kooi 1

Kies uit: mol – sprinkhaan – hond – vis – vos – ezel – kat – raaf – snip – haas – pauw – wezel

en omdat

Een hoe-kader vertelt je hoe je woord aan de slag kunt gaan bij spreken, schrijven, luisteren, lezen, spellen, taal onderzoeken … het vers: regel uit een gedicht; dichtregel

24

3 Discussieer in groepen van vier. Mag op televisie ook dialect gesproken worden? Noteer een groepsbesluit. 3 Zoek zelf drie vergelijkingen met kleuren. Bv. Zo wit als sneeuw

4 Presentatoren moeten voor een groot publiek verstaanbaar zijn. Op welke zaken moeten ze bij het spreken letten? OPDRACHT 3

orIëNtereN

woord

o

v

u

deel 1 VerbeeldeN

kooi 3

kooi 4

kooi 5

Wat je moet kennen en kunnen staat in een waarheen-kader. Dat kader vind je telkens op het einde van een les en geeft aan waaraan je gewerkt hebt. LES 2 begrIjpeN we elkaar?

26

NIEUW TRAJECT NederlaNds 1

deel 1 VerbeeldeN

Ga aan de slag met de tekst ‘Bekende Vlamingen in de jeugdbeweging’ op p. 14.

o

v

u

r

woord

Wat moet je doen? Wat ken of weet je al?

Onderaan sommige pagina's tref je de verklaring aan van een woord dat of een uitdrukking die op die pagina staat. Op diddit vind je een overzicht van al die woorden en schooltaalwoorden.

panelgesprek: gesprek met een groep van experten 1 Wat is de titel vanhet de tekst die je gaat lezen? het argument: wat je gebruikt om je bewering te staven, kracht bij te zetten 2 Probeer op basis van de titel te voorspellen waarover de tekst gaat. Ook vetgedrukte tekst of beelden kunnen discussiëren: van gedachten wisselen over iets met iemand je al iets vertellen.

n bijnaam die je krijgt bij de scouts. de naam van een dier dat dezelfde t als de persoon die de totem krijgt.

UITVOEREN

NIEUW TRAJECT NederlaNds 1

kooi 2

r

Bv. auto150 TRAJECT NEDERLANDS 1 DEEL 3 ONTDEKKEN – Dit voorwerp zie je elke dag als je naar school fietst. LES 1 – Je hebt het in diverse vormen en kleuren.

13

hallo, Ik beN speelse fluwIjN

– Het is vrij groot en ook vrij duur.

tip

Geef niet te snel te veel informatie prijs. Vertel eerst heel algemene zaken.

Als je begint met ‘het heeft vier wielen’, dan raadt de klas het meteen. Vermijd dat.

Bij sommige opdrachten staat een tip om je op weg te helpen.

De miniquiz Organiseer een miniquiz! Vorm groepjes van drie leerlingen. Je leraar duidt een groep aan die tegen je groep speelt en geeft instructies over hoe je deze miniquiz zult spelen. – Zorg voor een ondoorzichtig zakje of een doos waarin je kleine kaartjes kunt stoppen. Verknip de woordenkaart en leg de kaartjes met de blanco zijde naar boven. – Elke groep kiest om beurten een kaartje. Verdeel alle kaartjes.

Starten met NIEUW TRAJECT Nederlands 1

– Vervolgens zoekt elke groep passende vragen bij de woorden die op het kaartje staan. Het antwoord op de vraag mag maar uit één woord bestaan. Dat is het woord op het kaartje. – Beide groepen stoppen hun kaartjes in hun doos.

7

25

LES 2


het onlineleerplatform bij Traject Nederlands Leerstof kun je inoefenen op jouw niveau. Je kunt vrij oefenen en de leraar kan ook voor jou oefeningen klaarzetten.

IN

Hier vind je de opdrachten terug die de leraar voor jou heeft klaargezet. Hier kan de leraar toetsen en opdrachten voor jou klaarzetten. Benieuwd hoe ver je al staat met oefenen en opdrachten? Hier vind je een helder overzicht van je resultaten.

Hier vind je het lesmateriaal per deel (o.a. videobestanden en instructiefilmpjes).

N

Geniet bij de start al even mee van dit gedicht.

©

VA

Ik sta pal voor je, onderzoek je scherp: jij telt tien tintelende tenen, en aan elke vinger bungelt een maand. Ben jij het nieuwe schooljaar? Ja, in mijn hoofd werk en woorden, onder mijn knieën een boek. Met wijd open mond kijk jij me strak aan, verbeeld ik het me of wentelen er werkelijk witte woorden uit? Zie ik je hand en wenk je mij? Kom binnen, zeg je, open me gerust, zet je voor me en lees, speel met me en leer, geniet maar gooi me niet hardhandig dicht. Ik open voor jou een traject, mijn bladzijden trillen en willen je verleiden, willen je trainen en zorgen dat je scoort. In mijn hoofd woelen wollige woorden ze tellen ver en zoeken onder, wil jij van me houden en me liken, vertellen wat je bekoort? Ontdek tomeloos wat ik in me heb: aan letters geef ik plaats, vurig verzin ik zinnen om mijn gedachten in een web te spinnen. Begin nu maar, en spring samen uitdagend in dit nieuwe schooljaar. Ria Van der Mueren

8

Starten met NIEUW TRAJECT Nederlands 1


deel 1

VA

N

IN

verbeelden

1 Wat zie je? Beschrijf de situatie of context en de sfeer.

2 Zouden de personen volgens jou een gesprek voeren? Waarom denk je dat? 3 Zou jij een van die personen willen zijn?

©

4 Beeld je in dat jij een van hen bent. Waar is jouw favoriete plek om van de wolken te genieten? 5 Hoe heeft de fotograaf dit beeld genomen? Welke houding nam de fotograaf aan? Nam hij de foto van boven naar beneden, van beneden naar boven, recht vooruit? Deed hij dat vanuit een bepaald standpunt of perspectief?

9


PAPS DROOMJOB Hilde E. Gerard

10

15

Twee dagen voor het nieuwe schooljaar is Pieter verhuisd. Pas eind september sprak Saar Frederiks hem aan. Drie voetballen had hij toen al over de omheining getrapt. Elke keer ging hij aanbellen bij het nummer 13. ‘Beleefd zijn, Pieter!’ waarschuwde mam hem steeds. Tevergeefs, want de zwarte deur van de buren ging nooit open. Eén keer had hij zijn buurmeisje al gezien, toen ze door de voortuin naar de brievenbus sloop. Op school zag hij haar natuurlijk ook. Waar ze steevast te laat aankwam. ‘Zijn dat jouw voetballen?’ vroeg Saar. Bij voetbal nummer vier zwaaide ze de deur open. Totaal onverwacht. Met haar schoenpunt wees ze naar de ballen die onder een laag modder zaten. ‘Ja’, zei Pieter. ‘Ik heb al een paar keer aangebeld.’ Op zijn beurt wees hij naar de glanzende voordeur. ‘We doen nooit open’, vertrouwde Saar hem toe. Ze deed een stapje dichterbij om op fluistertoon verder te gaan. ‘Mijn vader is geheim agent, moet je weten. Hij jaagt op maffiabonzen en terroristen. Vóór alles wil hij zijn identiteit afschermen.’ Gejaagd keek ze om zich heen. ‘Laatst scheurde er een auto door de straat. Wat later verstopte een gemaskerde kerel zich in de struiken. Vader stuurde de bloedhond erop af.’ Pieter slikte en deed een stapje weg. Hij had het niet zo met honden sinds hij als kind was gebeten, in zijn arm en niet eens heel erg en door een poedel. Stel je voor hoe een bloedhond zou toeslaan. ‘D-d-dank je’, stotterde hij, ‘voor mijn voetballen.’ Hij bukte zich en drukte drie vieze ballen tegen zijn borst. De andere schopte hij voor zich uit naar het nummer 15. Op school bleef hij uit de buurt van Saar. Oktober was al enkele weken oud toen de verjaardagskalender van de klas eindelijk aan de muur kwam. ‘Babyfoto’s zijn altijd leuk’, had mevrouw Jansen geantwoord toen een leerling vroeg wat ze precies moest meebrengen. ‘Of een kiekje van je huisdier, of je hobby … Een gezinsfoto, eventueel. Aan jullie de keus.’ Het spectaculairst was zonder twijfel Jons portret. Hij bracht een kleurige foto mee van Sisje, zijn kousen­ band­slang. De meisjes in de klas griezelden, behalve Saar. Als er een bloedhond in je woonkamer rondliep, was je wel het een en ander gewoon, nam Pieter aan. Enkele dagen later hing ook Saars foto aan de wand. 13 maart. De verjaardag van haar en het hondje dat ze twee jaar geleden als geschenk had gekregen. Woefie, een rasechte chihuahua. Pieter hield het niet meer. ‘Is dat je bloedhond?’ hikte hij, terwijl hij Stef een vriendschappelijke por gaf. Saar keek Pieter aan alsof hij van een andere planeet kwam. ‘Zie je niet goed of wat?’ antwoordde ze met een weervraag en ze rolde met haar ogen. ‘Of weet je gewoon niks van honden af? Want een bloedhond ziet er helemaal anders uit, hoor. Ik kan het weten’, voegde ze er fluisterend aan toe. Ze kantelde haar hoofd en even leek het alsof ze nog iets wou zeggen, maar toen liep ze gewoon weg. Pieter keek haar fronsend na. Voor de spreekbeurtvolgorde trok Berna’s onschuldige hand een naam uit een zakje. Saar komt als eerste aan de beurt. Ze vertoont geen greintje nervositeit.

VA

20

IN

5

‘Voor volgende week plan ik een hele leuke opdracht.’ Met stralende ogen kijkt mevrouw Jansen de klas rond. Pieter zucht binnensmonds. Een halfjaar ver is het schooljaar en ja hoor, zijn nieuwe school is best oké. Alleen … de lessen Nederlands. Pfff. Teksten lezen, nieuwe woorden instuderen. Homoniemen, homofonen, oeverloos taaltaken schrijven … En nu … Pieter dwingt zichzelf naar zijn lerares te luisteren. ‘Een spreekbeurt!’ Mevrouw Jansen juicht het uit. Pieter zucht nog meer. Steels kijkt hij rond. Achteraan rolt Stef met zijn ogen. Stef is zijn vriend. Samen werken ze aan een project voor informatica. Programmeren, dat is pas leuk. ‘Twee minuten praten jullie vooraan in de klas over jezelf. Maar niet echt over jezelf.’ De lerares schudt haar hoofd. ‘Je fantaseert een hele nieuwe persoonlijkheid.’ Saar op bank één klapt nog net niet in haar handen. Natuurlijk vindt zijn buurmeisje die opdracht geweldig. Fantaseren is haar dagelijkse bezigheid. Zó vermoeiend.

N

1

25

30

©

35

40

10

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 1 Verbeelden

woord

binnensmonds: onduidelijk, mompelend oeverloos: eindeloos steels: heimelijk, stiekem steevast: altijd, voortdurend de identiteit: de persoonlijkheid, eigen karakter het greintje: het vleugje, het zweempje de nervositeit: de druk, de spanning


55

60

Ze grinnikt nog altijd als ze met mevrouw Gielen van wiskunde door de gang loopt. De twee dames gaan zo op in hun gesprek dat ze Pieter achter hen niet opmerken. ‘En Saar?’ wil de wiskundelerares weten. ‘Waarover fantaseerde die?’ ‘Wel’, begint mevrouw Jansen, ‘echt fantaseren zou ik het niet noemen. Saar … ahum … verdraaide de waarheid een beetje.’ Ze glimlacht even. ‘Ze had het over haar papa. En haar verhaal bevatte alle elementen: internet, talen, telefoneren … Snap je?’ Gielen knikt. ‘Ja, hoor. Dat karakteriseert Luuk Frederiks helemaal, vastgegroeid aan zijn gsm of tokkelend op zijn pc.’ Ze maakt een hoofdbeweging naar een man die wat verderop uit een klas komt. ‘Daar hebben we hem’, zegt ze, ‘onze collega Frans-Engels. Wat doen we? Vertellen we hem wat zijn dochter over hem zegt?’ ‘Nee, hoor’, lacht Jansen. ‘Dat blijft ons geheim.’

VA

65

IN

50

N

45

‘Zoals jullie weten, woon ik in de Bessenlaan op het nummer 13. Jullie kennen het huis wel. Zwarte voordeur, neergelaten rolluiken, slecht onderhouden tuin.’ Enkel Saar zelf giechelt om de flauwe grap. ‘Thuis hing er altijd al een geheimzinnig sfeertje. Vorig jaar biechtte pap dan eindelijk op dat hij een spion was.’ Ze laat haar „ woorden even bezinken. ‘Hij is geen James Bond of zo, hoor. Eerder wat ze noemen een stille“. Dat is een geheim agent die het internet afschuimt op zoek naar onregelmatigheden. Pap spreekt meerdere talen. Die komen hem goed van pas. Vindt hij afwijkingen op het net, opruiende taal, geheime vennootschappen en zo, dan neemt hij contact op met Langley, in de Verenigde Staten. Zoals jullie wel weten uit films, is daar het hoofdkwartier van de CIA. Dergelijk contact verloopt via een beveiligde telefoonlijn. Meer mag ik daar eigenlijk niet over zeggen.’ Met een vriendelijk knikje beëindigt ze haar betoog. In de klas kun je een speld horen vallen tot achteraan mevrouw Jansen luid begint te klappen. Al gauw doet iedereen mee, zelfs Stef. Enkel Pieter houdt zijn armen stijf over elkaar. Dit is geen fantasietje, gonst het in zijn hoofd. Saar gelooft die dingen écht. De volgende spreekbeurt neemt Jon voor zijn rekening. Hij vertelt bloeddorstige verhalen over Sisje. Hoe ze kikkers en vogels verslindt en soms ook een mens. Vooral de buurman moet het geregeld ontgelden. ‘Hoe kan een slang een mens opeten?’ wil een rillende Berna weten. ‘In kleine hapjes’, antwoordt Jon zonder blikken of blozen en hij gaat verder over hoe goed Sisje kan zwemmen en hoe graag ze een bad neemt in badschuim van Nivea. Daar moet vooral mevrouw Jansen hartelijk om lachen.

70

©

75

Beluister het verhaal en maak kennis met de auteur Hilde E. Gerard.

woord

afschuimen: doorzoeken, op zoek gaan naar iets de onregelmatigheid: de afwijking, de mistoestand opruien: ophitsen, aanzetten tot het plegen van een misdrijf het betoog: verdediging van een standpunt

11


les

Hallo, ik ben Speelse Fluwijn

1

kennismaken

ovur-strategie inzetten

jezelf voorstellen

VERGELIJKINGEN AANVULLEN EN GEBRUIKEN

Wie zijn zij? Bekijk de foto’s.

© Trijn Nickees

N

OPDRACHT 1

IN

1

Stroppendragers

VA

Expressieve sneeuwuil

Big Rom

©

Keizer van het Vlaamse lied

1 Wie zie je op de foto’s? 2 Wat voor namen krijgen ze? Hoe wordt zo’n naam gekozen? 3 Welke bijnamen of totemnamen van bekende personen ken jij nog?

woord

de totem: een bijnaam die je krijgt bij de scouts. De totem is de naam van een dier dat dezelfde eigenschappen heeft als de persoon die de totem krijgt.

12

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 1 Verbeelden


2

Wie ben jij? OPDRACHT 2

Ga aan de slag met vergelijkingen.

1 Vergelijk mens en dier. Denk aan hun uiterlijk of hun karakter. Ken je het dier? Vul de vergelijking aan. Hij is …

zo stil als een

zo fris als een

IN

zo sterk als een

zo nijdig als een

wat

Wat is een vergelijking?

N

Een vergelijking is een vorm van beeldspraak die de overeenkomst noemt tussen een onderwerp en iets anders, met de woorden als, zoals, gelijk …

2 Vul de vergelijking aan. Kies het juiste dier.

Kies uit: mol – sprinkhaan – hond – vis – vos – ezel – kat – raaf – snip – haas – pauw – wezel zo lenig als een

zo gezond als een

zo zwart als een

zo sluw als een

zo trots als een

zo mager als een

zo trouw als een

zo bang als een

zo snel als een

zo blind als een

zo koppig als een

VA

zo verkouden als een

3 Zoek zelf drie vergelijkingen met kleuren. Bv. Zo wit als sneeuw

©

OPDRACHT 3

Oriënteren

Ga aan de slag met de tekst ‘Bekende Vlamingen in de jeugdbeweging’ op p. 14.

o

v

u

r

Wat moet je doen? Wat ken of weet je al?

1 Wat is de titel van de tekst die je gaat lezen? 2 Probeer op basis van de titel te voorspellen waarover de tekst gaat. Ook vetgedrukte tekst of beelden kunnen je al iets vertellen.

LES 1 Hallo, ik ben Speelse Fluwijn

13


Voorbereiden

o

v

u

r

Hoe pak je dat aan?

3 Denk na over het onderwerp van de tekst. Kies a of b en bespreek in duo’s. a Ben jij zelf lid van een jeugdbeweging? Vertel dan in één zin van welke jeugdbeweging je lid bent en wat je ervaringen zijn. b Ben je geen lid? Vertel dan in één zin van welke andere vereniging (bv. een sportclub) jij lid bent en waarom je daarvoor kiest. Of vertel waarom jij van geen enkele club lid bent.

Uitvoeren

o

v

u

r

IN

4 Brainstorm: bedenk met je partner tien woorden die te maken hebben met ‘jeugdbeweging’. Noteer op een apart blad.

Je voert de opdracht uit.

Bekende Vlamingen in de jeugdbeweging Sien Eggers Toen: zes à zeven jaar actief bij Chiro Herent Nu: actrice, bekend van onder andere Van vlees en bloed en Eigen kweek

VA

© Belga

N

‘Voor het eerst naar de Chiro gaan, is zoals voor het eerst naar de muziekschool gaan. Je denkt er niet bij na, je gaat omdat je zus of je vriendjes gaan. Maar als je in een fijne hoop zit en goei matekes hebt, is het geweldig plezant. Kameraadschap is ook wat ik er heb geleerd. Samenhorigheid, iets samen doen en blij zijn dat je dat in groep hebt gekund.‘ ‘Nog altijd ga ik elk jaar naar de eetdag van mijn Chiro. Op het menu staat steevast Sien Eggers stoofvlees met frietjes. Ook Pol Verdoodt, de aalmoezenier van onze Chiro toen, is er altijd aanwezig. Als kind gingen we ’s nachts zijn pyjama en die van de leiding stelen. Die hingen we in de vlaggenmast.’

‘Mijn mama is jaren bij de scouts geweest. Van haar mochten mijn oudere zus en ik alle hobby's doen die we wilden, maar ze stimuleerde het uiteraard dat we naar de scouts gingen. Uiteindelijk heb ik alle afdelingen doorlopen en ben ik ook twee jaar leiding geweest.’ ‘Mijn totem is speelse fluwijn, een ander woord voor marter. Een vlug, beweeglijk, schrander Roos Van Acker en behoedzaam dier dus.’

© Belga

Roos Van Acker Toen: lid en twee jaar leiding van VVKSM Eeklo Nu: presentatrice en zangeres

©

‘De scouts hebben van mij een sociale en zelfstandige plantrekker gemaakt. Ik heb er angsten overwonnen, maar ook leren vuur maken. Ik leerde er houden van de natuur. Nog straffer, ik maakte er kennis met goede muziek. Elke zaterdag voor de activiteiten knalde Studio Brussel door de luidsprekers.’ (waar Van Acker presenteert, JVL) (lacht). ‘Jongeren kunnen vandaag veel meer doen dan vroeger, maar de jeugdbeweging zal altijd blijven bestaan. Nergens anders groei je op die manier samen op, word je samen volwassen. Dat is niet zoals bijvoorbeeld een sportkamp, waar je elkaar één keer voor een korte periode ziet.’ Naar: J. Van Loy. ‘Bekende Vlamingen in de jeugdbeweging: ‘De scouts hebben van mij een plantrekker gemaakt’, Knack.

woord

de aalmoezenier: een priester voor militairen, gevangenen en leden van een jeugdbeweging stimuleren: aanmoedigen uiteraard: vanzelfsprekend

14

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 1 Verbeelden


5 Lees de tekst van het krantenartikel en beantwoord de vragen. a Welke uitspraken zijn van Sien Eggers? Noteer de letter in de tekstballon.

IN

‘Ik heb in de jeugdbeweging geleerd wat kameraadschap betekent.’ ‘Ik heb er goede muziek leren kennen.’ ‘Elk jaar ga ik naar de eetdag van mijn Chiro.’ ‘Ik heb geleerd om op eigen benen te staan.’

© Hans Vanneste

A B C D

b Omcirkel de woorden die bij Roos Van Acker passen.

N

schrander – zorgzaam – behoedzaam – behendig – gehard – vlug – beweeglijk c Zoek het synoniem.

Kies uit: bedachtzaam – behulpzaam – levendig – snel – taai – pienter – vaardig – schrander: – zorgzaam:

– gehard:

– vlug:

– beweeglijk:

VA

– behoedzaam:

– behendig:

d Wat betekenen die woorden? Kies het passende woord uit b en vul in. A De kleine jongen is erg          (hij snapt iets snel). Hij kon al lezen toen hij vier was.

B

(voorzichtig, erg oplettend) plaatste vader de laatste kaart van zijn kaartenhuisje.

C Wat ben je            (vlug en handig) met jouw smartphone!

©

D Ik ben een            (levendig) persoon, achter een bureau zitten past niet bij mij. E Mijn buurjongen heeft veel aandacht voor zijn zieke oma. Hij is erg         (behulpzaam).

F De soldaten waren          (taai). Ze konden tegen hitte, koude en een slaaptekort. G Zo          als een vlieg graaide de peuter het koekje uit mijn hand.

e De totem is de naam van een dier dat dezelfde eigenschappen heeft als de persoon die de totem krijgt. Wat is de totem van Roos Van Acker?

woord

noteren: opschrijven omcirkelen: een cirkel rond tekenen

LES 1 Hallo, ik ben Speelse Fluwijn

15


Reflecteren

o

v

u

r

Je denkt na over je resultaat.

6 Wat vind jij van het gebruik van totems? Zou jij zelf graag een totem krijgen? Zou je er graag eentje bedenken voor een ander? Geef je mening mondeling weer. 7 Markeer wat voor jou van toepassing is. • • •

Het lukte mij prima om de tekst te lezen en de vragen te beantwoorden. Ik had geen hulp nodig. Het lukte mij al goed om de tekst te lezen en de vragen te beantwoorden. Af en toe had ik wat hulp nodig. Ik vond het nog moeilijk om de juiste antwoorden te vinden in de tekst. Daarbij had ik hulp nodig.

OVUR-stappenplan

IN

hoe

Om een opdracht tot een goed einde te brengen kun je een stappenplan volgen. Oriënteren Voorbereiden Uitvoeren Reflecteren

 Wat moet je doen? Wat ken of weet je al?  Hoe pak je dat aan?  Je voert de opdracht uit.  Je denkt na over je resultaat.

Je kunt:

waarheen

uitleggen hoe sommige bekende personen aan hun bijnaam of totemnaam komen; enkele veelvoorkomende vergelijkingen met een dier gebruiken; zelf een totemnaam bedenken aan de hand van een opvallende eigenschap; jezelf voorstellen met behulp van een totemnaam; de OVUR-strategie gebruiken.

©

VA

• • • • •

N

Als je de eerste letter van elk woord neemt, heb je OVUR. Je noemt dat stappenplan het OVUR-stappenplan of de OVUR-strategie.

woord

de mening: hoe jij denkt over iets of iemand markeren: aanduiden met een markeerstift

16

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 1 Verbeelden


WIE BEN JE? Stel jezelf voor aan de hand van een eigen totem. Gebruik daarbij het OVUR-stappenplan. Roos Van Acker vergelijkt zichzelf met een fluwijn of marter. Maak zelf een totem die bij jou past om jezelf kort voor te stellen.

Oriënteren

o

v

u

r

Roos Van Acker

jij

N

schrander behoedzaam vlug beweeglijk speels

IN

1 Zoek vijf woorden die jou positief typeren. Wat voor iemand ben je? Welk kenmerk past het beste bij jou?

Voorbereiden

o

v

u

r

2 Selecteer één woord. Zoek een dier met dezelfde karaktertrek of met hetzelfde kenmerk. behoedzaam

 marter

VA

                Inspiratie nodig? Gebruik de totemzoeker. De link vind je op diddit.

Totemzoeker

Snel te bereiken via totemzoeker.be

Zoek op eigenschappen (scheiden met een komma)     Zoek op totem

3 Zoek een passend kenmerk, een bijvoeglijk naamwoord, als voortotem.

©

Speelse marter

woord

typeren: kenmerkend zijn voor iemand selecteren: kiezen

LES 1 Hallo, ik ben Speelse Fluwijn

17


Uitvoeren

o

v

u

r

4 Begin met Mijn totem is … Vertel daarna in enkele vlotte zinnen waarom die totem bij je past. Maak eerst een kladversie en schrijf die dan netjes over. Mijn totem is Deze totem past bij mij omdat

IN

Daarom heb ik voor die totem gekozen.

N

5 Vertel de klas welke totem je voor jezelf bedacht hebt.

Reflecteren

o

v

u

r

VA

6 Vul de beoordeling in. Eenmaal voor jezelf en eenmaal voor een klasgenoot. De score gaat van 1 tot 4. • 1 staat voor onvoldoende of helemaal niet. • 2 betekent voldoende, je houdt voldoende rekening met het criterium. • Als je 3 aanduidt, betekent dat goed. • Een 4 staat voor zeer goed tot uitstekend. jij

je klasgenoot

Je begint met je totem te noemen.

ja/nee

ja/nee

Je legt uit waarom de totem bij je past.

1234

1234

Je spreekt luid (volume) en duidelijk (articulatie).

1234

1234

Je spreekt vlot, zonder haperingen (tempo).

1234

1234

©

Je traject naar succes

Werkpuntje voor jezelf:

Werkpuntje voor je klasgenoot:

7 Goed geluisterd? Je leraar noemt drie totems. Ken je de naam van de klasgenoot nog? Noteer de totem en de naam.

18

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 1 Verbeelden


les

Begrijpen we elkaar?

2

communicatiemodel gebruiken

gastenboek INVULLEN geconcentreerd luisteren

Wat vertel jij mij?

Lees het stripverhaal. Bespreek daarna samen de vragen.

©

VA

N

OPDRACHT 1

IN

1

© Wilma van den Bosch en Pascal Oost

LES 2 Begrijpen we elkaar?

19


1 Beschrijf in één zin waarover het stripverhaal gaat. 2 Wat is communicatie? 3 Wie communiceert er in dit stripverhaal?

5 Bekijk de communicatiepuzzel.

IN

4 Op welke manieren wordt er in dit stripverhaal gecommuniceerd?

a Vul de communicatiepuzzel aan met voorbeelden uit het stripverhaal. Zet het bijbehorende cijfer op de juiste plaats in de afbeelding.

©

VA

N

Kies uit: Lientje (1) – informatie geven (2) – op de speelplaats, omringd door kinderen (3) – niet laten merken dat je een heksenkind bent (4) – geheimzinnig fluisterend (5) – de boodschap mist zijn effect (6) – stem (7) – goede raad om geen problemen te krijgen op school (8) – moeder van Lientje (9)

woord

het effect: de invloed, uitwerking

20

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 1 Verbeelden


b Vul bij elk puzzelstuk extra informatie aan. Zet de letter in het juiste puzzelstuk. A B C D E F G H I

het hulpmiddel waarmee de informatie doorgegeven wordt wie de informatie ontvangt de uitwerking die de boodschap heeft op wie ze ontvangt in welke situatie of context er gecommuniceerd wordt de informatie (wat) die van de ene naar de andere partij overgebracht wordt op welke manier de informatie gestuurd wordt wie de boodschap zendt het doel dat degene die de boodschap zendt, voor ogen heeft de boodschap van de informatie die van de ene naar de andere partij gestuurd wordt (dikwijls gaat dat niet over de letterlijke boodschap)

Communicatie

IN

wat

Wanneer je communiceert, breng je informatie over van de ene partij naar de andere. Soms doe je dat met woorden, soms met gebaren, gezichtsuitdrukkingen, beelden … In een communicatiesituatie kun je deze delen onderscheiden:

wie de boodschap zendt, de spreker, de schrijver, de tekenaar …

de bedoeling

het doel dat de ontvanger (lees-/luisterdoel) of de zender (tekstdoel of spreek-/ schrijfdoel) voor ogen heeft (informeren, ontroeren ...)

N

de zender

de boodschap

wat: de informatie die wordt gestuurd = wat je zegt (letterlijk) waarover: de boodschap achter de boodschap = wat je bedoelt

de context

de situering van het communicatieve gebeuren

hoe/waarmee de informatie doorgegeven wordt g De omstandigheden waarin en de manier waarop de boodschap doorgegeven wordt, spelen een belangrijke rol.

VA

het kanaal

de ontvanger

wie de informatie ontvangt

het effect

de uitwerking die de boodschap heeft op de ontvanger

OPDRACHT 2

Vervolledig de deeltjes van het communicatiemodel voor de situaties of contexten.

©

1

zender

boodschap

ontvanger

bedoeling

kanaal

LES 2 Begrijpen we elkaar?

effect

21


2

10:14

Berichten

zender

Details

Hond

Hoelang moet ik die kraag nog dragen?

Tot je ophoudt met krabben.

ontvanger

bedoeling

Dit is VERNEDEREND!

Ik STOOT OVERAL TEGENAAN!

Als ik ga zitten, lijk ik op een lamp … Stuur

Wat vertelt de zender?

effect

Vervolledig de communicatiesituatie. Zorg voor een duidelijke, zinvolle situatie.

N

OPDRACHT 3

kanaal

IN

GA DAN ZITTEN!

2

boodschap

zender

boodschap

Ben even naar Mike om een schoolboek op te halen.

VA

ontvanger

kanaal

bedoeling

effect

kattebelletje

OPDRACHT 4

Lees de tekst.

Dierencommunicatie

©

In teken- en animatiefilms spreken dieren dikwijls zonder moeite Nederlands of Engels met elkaar. In het echt kennen dieren geen gesproken taal. Ze praten op een andere manier. Dieren gebruiken van alles om een boodschap over te brengen: geuren, geluiden, lichaamshouding, gebaren, gelaatsuitdrukkingen, aanrakingen en smaakzin.

Lokken Om een partner te lokken zendt de zijdevlinder een geursignaal uit dat het mannetje tot op kilometers afstand kan waarnemen. Het achterwerk van een vrouwtjesbaviaan is in haar vruchtbare periode sterk opgezwollen en knalrood. Sprinkhanen en krekels gebruiken geluid als communicatiemiddel.

woord

waarnemen: kunnen zien, horen, ruiken …

22

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 1 Verbeelden


Waarschuwen Niet alleen partners, maar ook soortgenoten wisselen berichten uit. Dat is vooral te zien bij sociaal levende dieren, zoals papegaaien, apen, dolfijnen, mieren en bijen. Hoewel ze niet praten, gebruiken ze wel klanken die voor een bepaald begrip staan. Zo waarschuwt de groene meerkat groepsgenoten voor gevaar en heeft hij aparte klanken voor luipaard, slang en arend. Mieren gebruiken chemische signaalstoffen om informatie uit te wisselen, bijvoorbeeld over de toestand van het nest en over hun koningin.

IN

Stinken! Ook niet-sociale dieren communiceren met elkaar. Om aan soortgenoten duidelijk te maken wat de grenzen van zijn territorium zijn, sproeit een tijger urine gemengd met kliersappen tegen boomstammen en keien. Zo’n plek wordt ook wel ‘geurvlag’ genoemd. Hij markeert zijn territorium nog eens extra door aan bomen te krabben en uitwerpselen op grenspunten te begraven. Tijgers maken ook gebruik van geluiden en lichaamstaal. Zo kunnen tijgers met een luide brul aangeven ‘hier ben ik’! Als ze dreigen, laten ze hun tanden zien. Naar: ‘Kunnen alle dieren elkaar verstaan?’, www.willemwever.kro-ncrv.nl

1 Vervolledig voor deze tekst het communicatiemodel.

boodschap:

ontvanger:

kanaal:

N

zender:

VA

2 Kies één dier waarvoor je het communicatiemodel wilt invullen.

de zijdevlinder

de groene meerkat

zender

boodschap

ontvanger

©

bedoeling

kanaal

effect

OPDRACHT 5

Bekijk de trailer van de film en vervolledig mondeling het communicatiemodel.

woord

het territorium: het grondgebied van een dier de trailer: deeltjes van een film, vertoond als reclame, een smaakmaker

LES 2 Begrijpen we elkaar?

23


3

Luisteren is fantastisch OPDRACHT 6

Lees het gedicht ‘De schullebak’.

tip

1 Voorspel hoe het gedicht van Rikkert Zuiderveld gaat. Schrijf een woord dat volgens jou past in het vers.

Kijk goed naar de tekening!

DE SCHULLEBAK

die woont in Kostverloren. Zijn lichaam is een prullenbak met grote           Hij heeft de snavel van een kraai, de vleugels van een reiger, de kleuren van een papegaai,

IN

Dit is de bonte schullebak,

N

de strepen van een           Hij heeft de poten van een           de ogen van een schelvis.

Van alle dieren heeft hij wat,

VA

Maar niks dat van hemzelf is.

R. Zuiderveld en K. Aertssen. De mooievaar. Utrecht, Mozaïek (www.uitgeverijmozaiek.be)

Doe je boek dicht en beluister het gedicht. Klopt je voorspelling? Welke woorden ontbreken? Noteer ze in het gedicht.

2 Wat is volgens jou de boodschap van de dichter?

hoe

Luisterhouding

©

Als je luistert, mag je niet verstrooid zijn, want dan mis je de boodschap. Door je aandacht te verscherpen, kun je beter luisteren: concentratie is nodig.

woord

het vers: regel uit een gedicht; dichtregel

24

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 1 Verbeelden


OPDRACHT 7

Op uitstap naar Zootastic!

Nog nooit gehoord van de krokogaai, de chimpanfant of de papehond? Nee? Ze leven nochtans in Zootastic, de enige zoo met dieren uit de toekomst! Robbe bezocht Zootastic. Luister naar zijn reisverslag. Plaats de dieren in volgorde: welk dier zag Robbe eerst? 1 Lees de tips voor een goede luisterhouding. Ze zullen je helpen om je beter te concentreren.

tip

IN

Wees aandachtig. Laat je niet afleiden. Verscherp je aandacht door mee te denken. Maak beelden in je hoofd of maak enkele notities.

2 Welk dier zag Robbe eerst? Noteer tijdens het luisteren een cijfer bij de dieren. Plaats daarna de letters in de juiste kooi. Let op: er is één tekening te veel.

B

C

VA

N

A

E

©

D

kooi 1

LES 2 Begrijpen we elkaar?

kooi 2

kooi 3

F

kooi 4

kooi 5

25


3 Vul het communicatiemodel in. zender

boodschap

ontvanger

bedoeling

kanaal

effect

IN

4 Hoeveel dieren plaatste je in de juiste kooi? Markeer je score. 0–1–2–3–4–5 5 Duid aan.

N

Je vond de oefening: O heel makkelijk. O eerder makkelijk. O eerder moeilijk. O heel moeilijk.

VA

Je concentratie tijdens de luisteropdracht was: O altijd goed. O meestal goed. O niet zo goed.

waarheen

Je kunt: • •

©

de delen van het communicatiemodel opsommen; in een communicatiesituatie zender, boodschap, ontvanger, bedoeling, kanaal en effect aanduiden; je aandacht verscherpen tijdens het luisteren.

26

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 1 Verbeelden


HELP ZOOTASTIC Welk dier mag in Zootastic zeker niet ontbreken? Laat een berichtje achter in het gastenboek van de zoo. Vertel welk gek dier je de volgende keer graag in de zoo zou ontmoeten. Vermeld de naam van het dier, enkele eigenschappen en de plaats waar het dier leeft.

Oriënteren

o

v

u

r

Voorbereiden

o

v

u

2 Vul het schema in.

r

IN

1 Overloop voor deze situatie of context mondeling het communicatiemodel.

naam dier:

N

leefomgeving:

VA

eigenschappen:

©

LES 2 Begrijpen we elkaar?

27


Uitvoeren

o

v

u

r

3 Schrijf het bericht voor het gastenboek van Zootastic. Lees ook de criteria in het reflectiekader.

Gastenboek

Dit dier leeft in Enkele eigenschappen zijn:

IN

zien. Volgende keer zou ik in Zootastic graag een

N

VA

Dit dier zou een mooie aanwinst voor Zootastic zijn!

Reflecteren

o

v

u

r

4 Hoe ging het? Geef jezelf per uitspraak of criterium een cijfer van 1 tot 4.

©

In orde Je traject naar succes

jij

je klasgenoot

Je vermeldt de naam van het dier, minstens twee eigenschappen én de woonplaats.

1234

1234

Je gebruikt hoofdletters en leestekens.

1234

1234

Je bouwt goede zinnen.

1234

1234

Je hebt je werk herlezen.

ja/nee

ja/nee

Werkpuntje voor jezelf:

28

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 1 Verbeelden


les

In een lijst gevangen

31

lijstjes lezen en opstellen

chronologie ontdekken en weergeven informatie ordenen

1

Te weten, te onthouden, te doen …

Bekijk deze teksten. Waarvan zijn dit voorbeelden?

OPDRACHT 1

A

IN

alfabetisch rangschikken

B

✓ ✓ ✓ ✓ ✓

Minecraft Mario Games FIFA Lego Angry Birds

C

• Telefacts • Familie • Belgium’s Got Talent • Echte Verhalen: De Buur

N

2016 1 Lionel Messi 2 Cristiano Ronaldo 3 Neymar 4 Thiago Silva 5 Robin van Persie

tpolitie

VA

D

• • • •

huiswerk maken kamer opruimen sportzak klaarzetten 1 uur pianospelen

E

-

F

6 flessen melk 200 gr gehakt 1 klein bruin brood 2 flessen cola 1 zak chips

©

2018 – Geraint Thomas 2017 – Chris Froome 2016 – Chris Froome 2015 – Chris Froome 2014 – Vincenz o Nibali 2013 – Chris Froome 2012 – Bradle y Wiggins

1 Kijk naar de opbouw en de opsommingstekens. Wat kun je daaruit afleiden? 2 Geef alle lijstjes een originele naam. Noteer die bij het lijstje. Werk per twee. 3 Waarvan maak jij soms lijstjes? Wanneer kan het handig zijn om een lijstje te hebben? 4 Wat is een ‘bucketlist’? Wat zou er op jouw bucketlist staan? Maak een lijstje van vier zaken die je zeker wilt doen voor je zestien wordt.

LES 3 In een lijst gevangen

29


2

Lijstjes … allemaal lijstjes OPDRACHT 2

Bekijk de verschillende lijsten en onderzoek de kenmerken.

Lijst A Johan Vandevelde – Elfenblauw

Ted van Lieshout – Gebr.

Evelien De Vlieger – Getekend

Paul De Moor – Toen de wereld nog werelt was

Simone van der Vlugt – Bloedgeld

Do Van Ranst – Die foto waar ik niet op sta

Winny Ang – Ik wil niet naar Marokko!

Luc Descamps – Angeldust, een lied voor de sterren

John Flanagan – De ruïnes van Gorlan

Sebastiaan Leenaert – Misschien een engel Johan Vandevelde – Het kronosproject Hilde E. Gerard – Zwarte stilte

IN

Wendy Stroobant – De vloek

Dirk Bracke – Als de olifanten vechten Piet De Loof – Mijn vriend Hitler Guy Didelez – Eeuwig zwijgen

1 Wat wordt er in de lijst opgesomd? Welke titel zou je de lijst kunnen geven?

N

2 Welke boeken uit deze lijst heb je al gelezen? Markeer ze. 3 Welke boeken van Johan Vandevelde staan in de lijst? Onderstreep ze.

4 Kon je de antwoorden op de vorige twee vragen makkelijk opzoeken? Hoe komt dat?

VA

5 Hoe kun je de lijst beter ordenen om het opzoekwerk te vergemakkelijken?

hoe

Lijst

©

Het is handig om een lijst bij de hand te hebben. Om zaken makkelijk op te zoeken heb je een bepaalde volgorde nodig. Daarom kan het handig zijn als de lijst alfabetisch gerangschikt is.

30

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 1 Verbeelden


Lijst B

DEEL 2 VERTELLEN

61

VERTELLEN ZONDER WOORDEN – Guy Didelez

62 73 80 103 112 93 102 113 117 64 72 82 92 118 119

IN

2 Aan iemands lippen hangen Heet van de naald 5 Heksen, brandstapels en bezemstelen … Zelfstandige naamwoorden Goochelen met zelfstandige naamwoorden 4 Over wie of wat gaat het? Het onderwerp Informeer met een berichtje 6 Speeddaten met een boek Laat je niet zomaar verleiden 1 Tekstsoorten en tekstdoelen Maak een kwartet 3 Wat vertelt een tekst? Word een schema-expert UITDAGING Ontmasker de leugenaar DE LAATSTE RONDE

N

1 Wat staat er in deze lijst opgesomd? Hoe heet zo’n lijst?

2 Waar vind je dat soort lijsten meestal?

VA

3 Stel je voor: je merkt dat p. 82-91 uit jouw werkboek verdwenen zijn. Zoek in de lijst welke les(sen) op die bladzijden staat of staan.

4 Lukte dat makkelijk en vlot? Hoe komt dat?

5 Hoe kun je deze lijst beter maken om het opzoekwerk makkelijker te maken?

©

wat

Inhoudsopgave Voor een overzichtelijke lijst van wat in een boek, een krant, een tijdschrift, een cursus, een portfolio … staat, is een alfabetische rangschikking niet op zijn plaats. Dan is het beter een chronologische volgorde te gebruiken. Dat heet dan een inhoudsopgave. Die staat meestal in het begin van het boek, een krant, een tijdschrift, een cursus, een portfolio …

woord

de portfolio: verzameling van creatieve uitingen waarmee iemand toont wat hij kan

LES 3 In een lijst gevangen

31


Lijst C

2 Waar vind je dat soort lijsten dikwijls?

IN

1 Waarvoor dient zo’n lijst? Hoe heet zo’n lijst?

3 Welke volgorde wordt hier gebruikt? Leg uit waarom.

VA

Register

N

wat

©

Als je enkel trefwoorden in een alfabetische volgorde plaatst, dan spreek je over een register. In een atlas vind je dat achteraan. Daar kun je bijvoorbeeld opzoeken op welke bladzijden er een kaart van België staat.

32

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 1 Verbeelden


3

Zelf lijstjes maken OPDRACHT 3

Bij deze lijstjes loopt iets mis. Ontdek de fout. Verbeter of stel een aanpassing voor.

Lijst A: Klas 1A3 Djamila Bennadhou Ben Courtois Dina Verstreken Mona Derdeene Gino Benvolio Kamiel Everts Door Zeeman Ariane Cools Magdalena Mignola Sebbe Coocke

IN

Andries Vertongen Maarten Bervoets Mohammed Amziane Hadiya Naji Lisa Verbist Pommelien Truys Iona Bennuzi Luna Leysen Pien Bouwen Nils Verbruggen 1 Wat voor lijst is dat? 2 Wat loopt er fout?

N

3 Welke rangschikking heeft zo’n lijst nodig?

4 Stel de lijst opnieuw samen met de juiste rangschikking. Werk op een apart blad.

VA

Lijst B: F.C. De Kampioenen

Bij sjoeke en sjoeke Buziness is buziness De dubbele dino’s De huilende hooligan De Kampioenen maken een film De ontsnapping van Sinterklaas De simpele duif Het geval Pascale Het sehks-schandaal Kampioen zijn is plezant!

8 2 14 19 5 9 4 11 1

Kampioenen op verplaatsing Mijn gedacht! Oma Boma Supermarkske ’t Is niet waar, hé? Tournée zénerale Vliegende dagschotels Xavier in de puree Zal ’t gaan, ja?

©

16 3 6 15 13 10 18 17 12 7

1 Wat voor lijst is dat? 2 Wat loopt er fout? 3 Welke rangschikking heeft zo’n lijst nodig? 4 Als jij de lijst opnieuw zou moeten maken, met de gepaste rangschikking, hoe zou je dat dan aanpakken?

LES 3 In een lijst gevangen

33


Lijst C: Koken voor elke dag 31 499 10 543 449 293 355 621 9

1 Wat voor lijst is dat? 2 Wat loopt er fout? 3 Welke rangschikking heeft een lijst als deze nodig?

Keukentermen Menuleer Nagerechten op basis van melk Sauzen Schaal- en schelpdieren Soepen Vis Vlees en vleesvervangers Voor- en tussengerechten

27 21 573 133 169 95 197 229 59

IN

Aperitiefhapjes Deegwaren, rijst en granen De geschiedenis van de kookkunst Eieren Fruit, noten en zaden Gevogelte en wild Groenten Hartig en zoet gebak Inleiding

N

4 Als jij de lijst opnieuw zou moeten maken, met de gepaste rangschikking, hoe zou je dat dan aanpakken?

VA

waarheen

Je kunt:

gegevens overzichtelijk ordenen; een lijst opstellen in een logische volgorde; een logische volgorde aanbrengen in een klaslijst, inhoudsopgave, register …; vlot alfabetisch rangschikken.

©

• • • •

woord

de term: een woord dat in een bepaald vak een duidelijke betekenis heeft

34

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 1 Verbeelden


AAN DE SLAG MET EEN GEORDENDE EN OVERZICHTELIJKE LIJST Oriënteren

o

v

u

r

1 Kies een van deze situaties en maak de opdracht op een apart blad.

Voorbereiden

o

v

u

IN

a SCHOOL: Maak een alfabetische lijst van alle vakken. Schrijf bij elk vak wie de leraar is en in welk lokaal het vak gegeven wordt. b VRIJE TIJD: Maak een alfabetische lijst van alle hobby’s die leerlingen van jouw klas hebben. Schrijf bij elke hobby ook de namen van de leerlingen die de hobby hebben en of ze die in clubverband uitoefenen. c VRIENDEN: Maak een alfabetische lijst van jouw klasgenoten en andere vrienden op school. Schrijf bij elke vriend de verjaardag.

r

2 Lees aandachtig het stappenplan en verzamel het nodige materiaal. Stappenplan

VA

• • •

Neem er de voorgedrukte tabel bij of stel zelf een mogelijke tabel op. Wat moet je opsommen? Geef de eerste kolom een titel. Som de zaken in gepaste volgorde op in de eerste kolom van de tabel. Welke info moet je verzamelen? Schrijf de namen van de categorieën als titel bovenaan in de tweede en eventueel in de derde kolom. Zorg voor duidelijke titels. Verzamel die info en vul de tabel aan. Controleer jouw tabel met de criteria die je vindt bij de reflectie. Maak een digitale versie van de lijst.

N

• • • •

Uitvoeren en Reflecteren

o

v

u

r

3 Aan de slag! Werk jouw lijst zo duidelijk mogelijk uit. Controleer jezelf met de criteria. Kruis aan wat in orde is. Geef jezelf een score van 1 tot 4.

©

In orde Je traject naar succes

Je lijst heeft boven elke kolom een duidelijke titel.

1234

De items in de eerste kolom hebben een logische rangschikking.

1234

Je lijst is volledig en juist aangevuld.

1234

Werkpuntje voor jezelf:

woord

aankruisen: er een kruisje voor plaatsen

LES 3 In een lijst gevangen

35


Gezocht: taalfanaat en 4 mailkampioen spellingonderzoek VOEREN

1

BERICHT schrijven FORMELE EN INFORMELE CONTEXT HERKENNEN

De spellingchecker Lees de strip van Kinky en Cosy.

©

VA

N

OPDRACHT 1

IN

les

36

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 1 Verbeelden


1 De vader van Kinky en Cosy schrijft een briefje aan de leraar. a Wie is in de strip de zender? b Wie is de ontvanger? c Wat is de boodschap? d Welk kanaal wordt gebruikt? e Wat is het effect van de boodschap? 2 Als de vader van Kinky en Cosy de spellingchecker gebruikt had, dan had hij dit op zijn scherm gezien:

IN

Nul op 10? Ben u nie beschaamt? Al een heluk dadu geen lerraar rekenen ben, wand fan tellen weet u nix! De papa van Kinky en Cosy a Welke woorden duidt de spellingschecker in Word aan als fout? Markeer ze. b Welke niet, al zijn ze wel fout? Onderstreep. c Waarom zijn ze niet als fout aangeduid?

©

VA

N

3 Word geeft ook suggesties bij rood onderstreepte woorden. Helpen ze je altijd vooruit? Bespreek.

LES 4 Gezocht: taalfanaat en

mailkampioen

37


OPDRACHT 2

Ga aan de slag met Word.

1 Typ het briefje van de papa van Kinky en Cosy over, maar haal alle fouten eruit. 2 Vergelijk met je buur. Heb je dezelfde oplossing? 3 Schakel nu de spellingchecker in. Weet je nog niet hoe dat moet? Bekijk het instructiefilmpje.

OPDRACHT 3

Lees de dierenweetjes.

IN

4 Bekijk je tekstje. Rekent de spellingchecker nog iets fout? Wees zelf ook kritisch. Moet je nog iets verbeteren? Roep je leraar als je denkt een juiste oplossing te hebben.

In deze weetjes ontbreekt telkens de naam van een bijzonder dier. Je leraar dicteert. Kun jij de moeilijke woorden juist spellen?

Weetje 1 D e rode          is een andere katachtige dan de         . Hij is veel kleiner en heeft een korter staartje.

N

Weetje 2 D e          is het kleinste vogeltje ter wereld. Sommige soorten zijn slechts zes centimeter groot. Weetje 3 Wist je dat          regelmatig hun lichaam ontgiften met een kleikuur?

VA

Weetje 4 I n Abu Dhabi wordt jaarlijks een schoonheidswedstrijd voor             gehouden. Weetje 5 P raten kunnen          niet, maar ze hebben wel een hele reeks geluiden waarmee ze kunnen communiceren.

1 Typ de dierenweetjes over in Word. Gebruik dezelfde lay-out. Het lettertype is Calibri (body) en de lettergrootte is 12. a Weet jij de juiste knoppen te vinden? Noteer er telkens de sneltoets bij. vet:             onderstreept:            cursief:

©

b Met welke toets kun je inspringen?                  c Hoe geef je tekst een kleur?

2 Zet de spellingchecker aan om te controleren of je de dierennamen juist gespeld hebt.

woord

de instructie: richtlijn of aanwijzing over hoe iets uitgevoerd moet worden kritisch: grondig beoordelen op de positieve en negatieve kanten

38

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 1 Verbeelden


OPDRACHT 4

Het Groot Sprintdictee!

Rennen en spellen, gaat dat samen? Absoluut! Het Groot Sprintdictee speel je in duo’s. De leraar verspreidt tien moeilijke zinnen. Als het startsein gegeven is, moet je om de beurt rennen en spellen.

hoe Aandacht voor spelling

Formeel of informeel? OPDRACHT 5

N

2

Je geeft altijd aandacht aan je spelling. Je schrijft een hoofdletter aan het begin van de zin. Je schrijft een leesteken op het einde van de zin. Je gebruikt een spellingchecker om schrijffouten op te sporen. Je kijkt de werkwoorden extra na. Je leest je tekst hardop: misschien ontdek je nog slechte zinnen of spelfouten.

IN

• • • • • •

In het briefje van de papa van Kinky en Cosy liep meer mis dan alleen de spelling. Onderzoek.

1 Je onderzoekt de communicatieve context of situatie.

VA

Zender en ontvanger kennen elkaar: O goed tot vrij goed. O niet goed of helemaal niet.

Zender en ontvanger zijn: O gelijken. O geen gelijken: een van de twee is hoger geplaatst. Die situatie of context noem je: O een informele situatie of context. O een formele situatie of context.

©

Welke taalvariëteit zou de zender in die situatie of context moeten gebruiken? O Standaardnederlands O dialect O Standaardnederlands of dialect

woord

de taalvariëteit: taalregister, bv. dialect, standaardtaal, jongerentaal

LES 4 Gezocht: taalfanaat en

mailkampioen

39


2 Onderzoek een andere communicatieve context of situatie. Kinky laat een briefje achter voor Cosy om haar te zeggen dat ze even terug naar school gefietst is om een boek op te halen. Zender en ontvanger kennen elkaar:  goed tot vrij goed.  niet goed of helemaal niet. Zender en ontvanger zijn:  gelijken.

 geen gelijken: een van de twee is hoger geplaatst.

IN

Die situatie of context noem je:  een informele situatie of context.  een formele situatie of context.

Welke taalvariëteit zou de zender in die situatie of context moeten gebruiken?  Standaardnederlands  dialect  Standaardnederlands of dialect

Hoe zou het briefje van Kinky aan Cosy er kunnen uitzien? Maak een voorbeeldbriefje op een apart blad

3 Bij een informele situatie of context gaat het er losjes aan toe, maar bij een formele situatie of context horen specifieke regels en structuren.

N

a Met welke structuur had de vader van Kinky en Cosy rekening moeten houden bij het schrijven van zijn briefje? Hoe zou het briefje er moeten uitzien?

VA

b Ook de woordkeuze is van belang in een formele situatie of context. Voor welke woorden had de vader van Kinky en Cosy het best gekozen? Markeer. je – meneer – u – jij – Robbert

c Kun jij de juiste structuur aanbrengen in het briefje van de papa van Kinky en Cosy? Je mag in Word werken of op een apart blad. Denk ook aan spelling en gebruik in Word eventueel de spellingchecker.

wat

©

Formeel en informeel

Als zender en ontvanger elkaar goed kennen en elkaars gelijken zijn, spreek je van een informele situatie of context. De geschreven boodschap hoeft dan geen vaste structuur te hebben. De zender kan ervoor kiezen om Standaardnederlands of dialect te gebruiken. Als zender en ontvanger elkaar niet of niet goed kennen of als een van beiden hoger geplaatst is, spreek je van een formele situatie of context. De geschreven boodschap heeft dan een vaste structuur. De zender gebruikt in een formele situatie of context altijd Standaardnederlands.

40

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 1 Verbeelden


3

Een bericht sturen OPDRACHT 6

Duid in elke mail aan wat er minder gepast is in deze situatie of context. Bespreek per twee. Matthéo Jansens Boek lenen

Rachid Demir

N

Rachid

IN

ik ben mijn boek vergeten mag ik die van jouw lenen ik zal die vanavond nog komen ophalen

We kunnen morgenochtend niet samen naar school fietsen. Ik heb deze avond mijn pols gebroken tijdens AUWCHIE de training! +

VA

CU L8er!

leraar Nederlands

Ik zal morgen de toets niet kunnen maken want ik ben mijn boek vergeten op school!

©

leraar Nederlands Leesportfolio

Yowkes

In bijlage zit mijn portfolio. Ik vond de opdracht veel te lang en ik ben blij dat die af is. Nu kan ik eindelijk naar tv kijken! Vriendelijke groeten Melanie – 1MOa

LES 4 Gezocht: taalfanaat en

mailkampioen

41


OPDRACHT 7

Wat is belangrijk als je een mail opstelt? Bekijk alles wat niet gemarkeerd is in de vorige opdracht. Bespreek per twee.

hoe Een formeel bericht – mailen Zorg voor een kernachtig onderwerp. Dat hoeft geen zin te zijn. Je kunt al in één of twee woorden weergeven waarover de mail gaat.

IN

Denk na over de situatie of context en beslis of het om een formele of informele mail of bericht gaat. Dan weet je ook of de mail al dan niet aan een vaste structuur moet voldoen. Elke mail begint met een correcte begroeting of aanspreking en eindigt met een afsluiting en slotgroet. Een bedanking kan soms ook op zijn plaats zijn. Probeer de boodschap kort en bondig te verwoorden. Overbodige informatie laat je achterwege. Let ook op spelling en zinsbouw. Vermijd het overtollige gebruik van smileys, emoji en afkortingen.

Schrijf de laatste e-mail op p. 41 opnieuw. Houd rekening met alle tips voor het schrijven van een formeel bericht.

N

OPDRACHT 8

VA

leraar Nederlands Leesportfolio

waarheen

Je kunt:

je eigen spelvaardigheid kritisch onder de loep nemen; een spellingchecker gebruiken indien nodig; je bereid tonen correct te spellen; het verschil aanduiden tussen een formele en een informele situatie of context; de juiste taalvariëteit kiezen voor elke situatie of context; een formeel bericht of een formele e-mail opstellen en versturen.

©

• • • • • •

woord

kernachtig: kort en bondig, je beperken tot de kern van de boodschap

42

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 1 Verbeelden


BERICHT AAN JE LERAAR Oriënteren

o

v

u

r

1 Schrijf een e-mail naar je leraar. Laat hem weten wat jouw favoriete stripreeks is. Geef twee redenen waarom je zo van die stripreeks houdt. Beschrijf je favoriete personage uit die reeks.

Voorbereiden

o

v

u

r

2 Vul het communicatiemodel aan voor de e-mail. boodschap

ontvanger

IN

zender

bedoeling

kanaal

N

effect

Deze situatie of context is:

 formeel.   informeel.

Mijn bericht krijgt:  een vaste structuur.    geen vaste structuur. 3 Welke drie delen zal het midden van je bericht bevatten?

VA

onderwerp

1

begroeting

bericht of e-mail

midden

2 3

bedanking en slot

©

4 Maak een kladversie. Controleer je tekst met de spellingchecker.

Mijn favoriete stripreeks is Ik hou van die stripreeks omdat en ook omdat Mijn favoriete personage uit die reeks is

LES 4 Gezocht: taalfanaat en

mailkampioen

43


Uitvoeren

o

v

u

r

5 Verstuur het bericht aan je leraar. Zet een klasgenoot in cc. Kies voor een duidelijk onderwerp.

Reflecteren

o

v

u

r

7 Hoe ging het? In orde Je traject naar succes

IN

6 Vul het reflectieschema in wanneer je een bericht ontvangt van een klasgenoot. Stuur die klasgenoot een bericht terug waarin je over je bevindingen vertelt. Wat is al goed? Wat kan nog beter? Zet je leraar in cc.

1234

1234

Je hanteert een correct taalregister.

1234

1234

Je schrijft een beleefde begroeting, bedanking en slot.

1234

1234

De boodschap is duidelijk, kort en bondig.

1234

1234

Je gebruikt hoofdletters en leestekens correct.

1234

1234

N

Je gebruikt een kernachtige onderwerpsregel.

Werkpuntje voor jezelf:

Werkpuntje voor je klasgenoot:

©

VA

44

jouw e-mail van je e-mail klasgenoot

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 1 Verbeelden


les

De stem van verbeelding

51

leeservaring verwoorden

‘lezershow’: genietend lezen EN PRESENTEREN

1

Wereldboekendag: rozen en boeken OPDRACHT 1

Ontdek dit feest voor geliefden.

1 Bekijk het filmpje. a Waarover gaat het filmpje?

IN

boekentips zoeken

b In welke stad speelt dit filmpje zich af? Hoe weet je dat? c Aan welk feest doen de beelden je denken?

N

d Wat is het doel van dit filmpje, denk je? 2 Lees de tekst over dit Catalaanse feest.

de traditionele cadeaus overhandigen. In grote steden als Barcelona, Girona en Tarragona worden op de Ramblas boekenmarkten gehouden waar de geliefden boeken kunnen kopen en uiteraard ontbreekt het ook niet aan bloemenverkopers bij wie ze de traditionele rode roos kunnen kopen.

VA

BARCELONA – Op 23 april is het heel gewoon om in Catalonië vrouwen op straat te zien lopen met een roos in de hand terwijl naast hen een man loopt met een boek onder zijn arm. 23 april is namelijk een nationale feestdag waarop de vrouwen rode rozen ontvangen van degene die van hen houdt en als tegenprestatie ontvangen de mannen een boek van de vrouwen. Meestal vormen de inkomsten op die dag 5 % van het volledige jaarinkomen van de boekensector. Alleen rond kerst en tijdens de inter­ nationale boekenbeurs te Madrid worden meer boeken verkocht in Spanje.

©

Op Sant Jordi was het oorspronkelijk de bedoeling dat alleen geliefden meededen, maar de laatste jaren is de feestdag uitgegroeid tot een fenomeen waarbij familieleden, ondernemers en zelfs klasgenoten elkaar

Oorsprong Maar waar komt dat feest nu vandaan? Het verhaal van het boek is gemakkelijk te verklaren. Op 23 april herdenken we de dood van twee van de grootste schrijvers ooit, Miguel de Cervantes en William Shakespeare. 23 april is door UNESCO dan ook uitgeroepen tot ‘Dag van het Boek’. Het verhaal van de roos is wat gecompliceerder. Het is terug te voeren tot de middeleeuwen en is doordrenkt van een romantische legende.

Naar: R. Stoffer. ‘Sant Jordi, Catalaanse liefdesdag met boeken en rozen’, www.spanjevandaag.com

woord

oorspronkelijk: allereerst, in het begin het fenomeen: een zeldzaam verschijnsel traditioneel: volgens de oude gewoonte gecompliceerd: ingewikkeld, complex, moeilijk doordrenken: ergens helemaal in doordringen

LES 5 De stem van verbeelding

45


a Wat vieren ze in Catalonië op 23 april? b Welke geschenken horen bij dat feest? c Waarom kiezen ze net voor die geschenken?

+

d Benieuwd naar het verhaal achter de roos? Je leraar vertelt.

2

N

IN

e Wat vind jij van die traditie? Zou je zelf willen deelnemen? Waarom wel/niet? Zou jij liever een boek of een roos krijgen? Waarom?

Je eigen leesvoorkeur OPDRACHT 2

Zoek jouw favoriete boek. Breng je lievelingsboek mee en vul de boekfiche in.

VA

mijn boekfiche

De titel van mijn favoriete boek is en

is de auteur.

Het is een jeugdboek / stripverhaal / weetjesboek / gedichtenbundel / kookboek / Ik vind het boek spannend / verrassend / origineel / boeiend / gemakkelijk / begrijpelijk / geloofwaardig / ontroerend / grappig / diepzinnig / leerrijk /

©

omdat

OPDRACHT 3

Maak voor jezelf een leesprofiel.

Gebruik daarvoor het sjabloon dat je van je leraar krijgt. Bewaar het daarna in je literatuurportfolio.

woord

de traditie: een oude gewoonte van een groep mensen diepzinnig: waar erg over nagedacht werd het sjabloon: een model

46

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 1 Verbeelden


OPDRACHT 4

Zoek een goede boekenmatch voor jezelf! De werkbladen vind je op diddit.

Je mag best kritisch zijn. Wees niet te snel tevreden. In het werkschema kun je zien welke oefeningen je gaat maken. Oefening 2 en 3 zijn keuzeopdrachten. Kies een van de twee websites. werkschema opdracht

timing

1 2-3

deleesjury.be

4

www.pluizer.be evaluatie

Start to read: een opwarmertje OPDRACHT 5

15’

10’

N

3

25’

IN

www.boekenzoeker.be

beoordeling

Kies het fragment dat jou het meest aanspreekt.

Vul de bijbehorende fiche in en los de vragen op.

VA

1 Uit de lucht geplukt of hoe Ricky de wereld redt – Mark Tijsmans

©

2 De demonen van Dalca: Nachtwild – Johan Vandevelde en Bart Vermeer

waarheen

Je kunt: • • • •

een eenvoudige boekfiche invullen voor een gelezen boek; je eigen leeservaring verwoorden; op een boekenwebsite een geschikt boek voor jezelf vinden; een aantal vragen over een boekfragment beantwoorden.

LES 5 De stem van verbeelding

47


DE LIVE LEZERSHOW Oriënteren

o

v

u

r

1 Bekijk het filmpje. a Wie is aan het woord? b Waarover gaat het filmpje? c Wat is het doel van het filmpje?

Voorbereiden

o

v

u

r

2 Maak keuzes. a Welk jeugdboek ga jij lezen?

IN

d Welke extra informatie krijg je in dit filmpje over de Live Lezershow?

b Welke rubriek uit de Live Lezershow ga jij verzorgen? O Schrijver onder de loep

N

O In de huid van een personage O De hand van de illustrator O Pecha Kucha-presentatie O De literaire mindmap

VA

O

3 Aan de slag!

a Lees je boek.

b Zoek op diddit het instructiefilmpje op van de rubriek die jij voor je rekening zult nemen en bekijk het. c Noteer hier de stappen die jij zult zetten om je rubriek uit te werken. Elke stap wordt in het filmpje uitgelegd. Stap 1:

©

Stap 2:

Stap 3:

48

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 1 Verbeelden


Uitvoeren

o

v

u

r

4 De dag van de Live Lezershow is aangebroken. Je brengt jouw uitgewerkte deel voor de klas. Lees vooraf de uitspraken of criteria.

Reflecteren

o

v

u

r

5 Hoe ging het? jij

IN

Je traject naar succes

Je hebt jouw deel goed uitgewerkt. Je houdt rekening met de stappen uit het instructiefilmpje.

1234

Je kunt de nodige informatie vlot vertellen.

1234

Je gebruikt Standaardnederlands.

1234

Je hebt een goed spreektempo: niet te snel, maar ook niet te traag.

1234

Je spreekt luid en duidelijk (volume en articulatie).

1234

©

VA

N

Werkpuntje voor jezelf:

LES 5 De stem van verbeelding

49


UITDAGING: IN DE MAILBOX VAN JE LERAAR Oriënteren

o

v

u

r

Aan het einde van deze les zul je een mail versturen aan je leraar met daarin een lijst van zes jeugdboeken die je nog zou willen lezen. 1 Denk voor die situatie na over de vragen van het communicatiemodel.

Voorbereiden

o

v

u

r

2 Zoek zes boeken die jij in de toekomst graag zou willen lezen.

IN

Stap 1: Kijk terug naar les 5. In die les verzamelde je al vier boekentips.

Stap 2: Zoek twee extra boekentips voor jezelf. Daarvoor kun je de websites gebruiken die aan bod kwamen in les 5. Stap 3: Leg een lijst aan met die zes boeken. Kies een logische volgorde. Leg je keuze voor je volgorde uit. 3 Stel een e-mail op aan je leraar Nederlands waarin je die lijst doorgeeft. 4 Welke info mag zeker niet ontbreken? 5 Maak een eerste kladversie van de mail.

VA

Uitvoeren

N

6 Controleer je mail: O Wijst de spellingchecker nog fouten aan? O Herlees je e-mail: zijn alle zinnen goed gebouwd? O Heeft elke zin een hoofdletter en een leesteken?

o

v

u

r

7 Maak een definitieve versie van de mail. Verstuur die aan je leraar.

Reflecteren

o

v

u

r

8 Evalueer jezelf.

©

In orde

Je traject naar succes

jij

Je mail bevat een lijst met zes jeugdboeken in een logische volgorde.

1234

Je gebruikt een kernachtige onderwerpregel.

1234

Je hanteert een gepast taalregister.

1234

Je schrijft een beleefde begroeting, bedanking en slot.

1234

De boodschap is duidelijk, kort en bondig.

1234

Je gebruikt hoofdletters en leestekens correct.

1234

Dit deel is nu afgerond. Bekijk ook de werkpuntjes en de criteria bij elke pitstop of leesstop van dit deel. Vul aan voor jezelf:

50

dit gaat vlot:

dit vraagt training:

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 1 Verbeelden


De laatste ronde Noteer in de wolk minstens zes woorden waaraan jij denkt bij de woorden ‘verbeelden’ of ‘fantaseren’.

OPDRACHT 2

Rangschik de woorden.

IN

OPDRACHT 1

OPDRACHT 3

N

In het verhaal van Hilde E. Gerard houdt Pieter van programmeren. Hij benadert de zaken graag op een logische manier. Kun jij zorgen voor een logische verdeling van de woorden in de wolk? Welke woorden kunnen samenhoren? Rangschik ze. Maak kolommen. Geef elke kolom een passende titel.

Geef een instructie.

VA

In het verhaal gaf mevrouw Jansen de leerlingen een opdracht: ‘Bedenk een nieuwe persoonlijkheid voor jezelf.’ Ook jouw leraar gebruikt geregeld instructiewoorden om je een opdracht te geven. Probeer het zelf! Maak met deze instructiewoorden een opdracht die past bij het gegeven vak. Bv. ordenen (geschiedenis): Orden de gebeurtenissen volgens datum. noteren (Nederlands):

selecteren (artistieke vorming):

aankruisen (aardrijkskunde):

©

woord

het instructiewoord: een woord dat aangeeft wat je moet doen

DE LAATSTE RONDE

51


De laatste ronde OPDRACHT 4

Welk woord gebruikt de schrijver in het verhaal ‘Paps droomjob’ op p. 10-11? Vul aan. b

eindeloos:

oe

heimelijk, in het geheim:

s

de eigenheid, de persoonlijkheid:

de i

de spanning, de druk, de angst:

de n

de afwijking, de mistoestand:

de o

ophitsen, aanstoken:

o

altijd, voortdurend:

s

doorzoeken:

a

het vleugje, het zweempje:

het g

OPDRACHT 5

Welk woord past in de zin?

IN

mompelend:

Kies uit: stimuleren – oeverloos – identiteit – totem – trailer – fenomeen – selecteren – sjabloon Heb jij de            van de herwerking van The Lion King al gezien?

N

Kun je mij een            bezorgen om een mooie muurtekening van een beer te maken? Elk scoutslid krijgt als jongverkenner of jonggids een           : dat is meestal de naam van een dier dat dezelfde eigenschappen heeft als het scoutslid.            jouw leraar het gebruik van een woordenboek bij een schrijfopdracht?

VA

Heb jij al gehoord van het            van het noorderlicht of poollicht? OPDRACHT 6

Bedenk een alternatief leven voor jezelf / je buur / een leraar.

Denk aan: job/hobby/woonplaats en soort woning/familieleden/huisdieren/geheimen … Vertel er iets over! OPDRACHT 7

Geef een woord uit de woordfamilie.

Kies voor een zelfstandig naamwoord of een bijvoeglijk naamwoord. Gebruik het daarna in een zin.

typeren:

(bn)

zin:

waarnemen:                 (zn)

©

zin:

de traditie:

(bn)

zin:

geregistreerd:                 (zn) zin:

woord

het alternatief: een andere (keuze)mogelijkheid

52

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 1 Verbeelden


deel 2

VA

N

IN

vertellen

1 Wat zie je? Beschrijf de sfeer bij dit kampvuur.

2 Houd jij ervan om bij een kampvuur te zitten?

3 Waarover zouden de gesprekken kunnen gaan?

©

4 Wat in de foto trekt vooral de aandacht? Hoe kreeg de fotograaf dat voor elkaar? Bestudeer ook het licht in dit beeld.

5 Wat zou de fotograaf bedoeld hebben met deze foto?

53


VERTELLEN ZONDER WOORDEN Guy Didelez

5

Manuel is in Colombia geboren en zijn voorouders waren indianen. Hij heeft niet veel school gelopen, maar hij weet alles over de natuur. En dus werkt hij als gids. Hij leidt toeristen door het tropisch regenwoud, want zonder hem komen ze daar gegarandeerd nooit levend uit. In augustus 1957 is Manuel voor een vierdaagse tocht vertrokken met een man die Douglas Butler heet. Butler wil de hele tijd praten, maar Manuel zwijgt liever, want hij heeft een zware tocht voor de boeg. In het regenwoud kunnen ze immers niet zomaar overal overnachten. Ze moeten tegen de avond een open plek bereiken, waar Manuel het kleine tentje, waarin hij samen met de toerist slaapt, kan opstellen.

IN

1

20

Douglas is intussen de tent weer binnengekomen en staart hem stomverbaasd aan. Ongetwijfeld vraagt hij zich af waarom die rare gids van hem niet beweegt en hem sprakeloos met grote, bange ogen ligt aan te kijken. Het ergste is dat Manuel het hem niet eens kan vertellen. Zodra hij iets wil zeggen, beweegt zijn buik. Dan zal de slang opgeschrikt worden en bijten. Ratelslangen vallen liever aan dan te vluchten. Manuel zal de beet niet overleven, dat weet hij wel honderd procent zeker. Douglas is intussen weer beginnen praten. ‘Something wrong?’ Natuurlijk is er iets verkeerd. Er is heel veel verkeerd. Toch weet Manuel nu al dat er één mogelijkheid is om hier levend uit te geraken. Maar daarvoor heeft hij de hulp van Douglas nodig. Hoe kan hij zijn plan in godsnaam duidelijk maken? Manuel voelt zich als iemand die levend begraven wordt zonder zelfs maar om hulp te kunnen roepen. En dus kijkt hij naar Douglas. Hij kijkt hem recht in de ogen en kijkt dan naar zijn buik. En opnieuw. En opnieuw. Douglas volgt zijn blik. Tot het afschuwelijke langzaam tot hem doordringt. ‘A … A snake!?’

VA

10

N

15

Hoewel de zon al laag zit, slaagt hij in zijn doel. Hij stelt het tentje op, eet nog een hapje en valt na de zware tocht doodmoe in slaap. Als hij ’s morgens wakker wordt, ligt hij alleen in de tent. Zijn klant is buiten een plasje gaan doen. Manuel ligt in een slaapzak, maar zijn armen liggen buiten de slaapzak. Logisch: het is ook heel warm in de tent. Plots voelt Manuel iets bewegen op zijn buik. Een soort geritsel. Hij beseft onmiddellijk dat hij in gevaar is. Er zit iets in zijn slaapzak. Een dier. Heel voorzichtig beweegt hij zijn nekspieren en probeert hij zijn hoofd een paar centimeter op te tillen. Net genoeg om vast te stellen dat er zich een cirkelvormig iets op zijn buik en in zijn slaapzak bevindt … Een ratelslang, flitst het door zijn hoofd. Eén beet is dodelijk.

25

©

30

Juist, een slang. Een ratelslang zelfs! Zover zijn ze dus al. Maar hoe kan Manuel Douglas nu uitleggen dat er ook een manier bestaat om uit deze vreselijke situatie te ontsnappen? In paniek kijkt hij om zich heen. Tot hij plots het blikje gemalen koffie ziet dat wat verder in de tent op de grond staat. Langzaam en o zo voorzichtig beweegt zijn hand zich in de richting van het blikje. Hij wijst naar het blikje en dan naar het grondzeil van de tent. Vol verwachting kijkt hij Douglas aan. Die snapt er niks van. Koffie? Hij heeft nog nooit gehoord over een slang die een kopje koffie wil drinken. Maar als Manuel de handeling herhaalt en opnieuw naar het blikje koffie en het grondzeil wijst, begrijpt hij uiteindelijk toch wat er van hem verwacht wordt. Heel voorzichtig kruipt Douglas de tent weer in. Hij mag Manuel absoluut niet raken, want als die beweegt, zal de slang onherroepelijk bijten. Dan moet Douglas op z’n dooie eentje een uitweg uit het regenwoud zoeken. De kans dat het hem niet zal lukken en dat hij daarbij op zijn beurt om het leven komt, is echt niet denkbeeldig …

35

woord

gegarandeerd: zeker, beslist voor de boeg hebben: nog werk moeten doen onherroepelijk: onveranderlijk, niet te veranderen niet denkbeeldig zijn: realistisch, geloofwaardig

54

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen


45

©

VA

N

50

Als Douglas uiteindelijk het blikje heeft geopend, strooit hij de koffie op het tentzeil uit, zo dicht mogelijk tegen de hand van zijn Indiaanse gids. En kijk … In het koffiegruis tekent Manuel zo goed en zo kwaad als dat gaat en erop lettend om vooral geen enkele buikspier te bewegen … een zonnetje! Douglas kan zijn ogen niet geloven. Wie tekent er nu een zonnetje terwijl er een ratelslag op zijn buik ligt te wachten om hem de fatale beet te geven? In zijn hoofd tolt alles door elkaar … Tot hij plots beseft wat de bedoeling is en hij heel voorzichtig weer uit de tent sluipt en die behoedzaam langs de buitenkant begint af te breken. En jawel hoor. Zonder dat ze er woorden voor nodig hadden, hebben de twee samen de oplossing gevonden. De tent staat op een open plek in het regenwoud. De zon is al een tijdje op en begint harder en harder te schijnen. Ze schijnt nu niet meer op de tent maar rechtstreeks op de slaapzak … Het gevolg laat zich raden. Niet eens zo veel later glipt de slang uit de slaapzak om een andere plek op te zoeken. Slangen houden er nu eenmaal niet van om in de felle zon te liggen. Douglas en Manuel kunnen nu eindelijk weer vrijuit ademhalen. Hun woordeloze samenwerking heeft hen allebei het leven gered.

IN

40

Beluister het verhaal en maak kennis met de auteur Guy Didelez.

woord

tollen: draaien, draaiend bewegen

55


les

Tekstsoorten en TEKSTDOELEN

1

tekstsoort herkennen

kwartet MAKEN

tekstdoel aanduiden

Aan de slag met een variatie aan teksten OPDRACHT 1

IN

1

leesdoel bepalen

Wissel ideeën uit over lezen. Bespreek samen deze vragen.

1 Houd jij van lezen? Wat lees je zoal?

2 Wat heb je vandaag al gelezen? Waarom heb je dat gelezen? Met welk doel? 3 Met welk doel worden teksten geschreven? Zet het tekstdoel er telkens bij. een overzicht van tv-programma’s voor vandaag •

de reclametekst over een nieuw tv-programma

N

een versje op het geboortekaartje van de baby van de buren

VA

een fragment in het jeugdboek dat daarnet de prijs van de Kinder- en Jeugdjury won

een bespreking of review van een nieuwe game

©

56

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen


ONwaarscHIjNlIjk! Al sinds de middeleeuwen doen de meest fantastische verhalen de ronde over de

OPDRACHT 2 monumenten. Bekijk de tekstfragmenten. megalithische

komt vooral omdat men weinig overen wist eigenlijk nog steeds weinig over weet. 1DatNoteer tekst hetertekstdoel deen tekstsoort. Kies uit deze tekstsoorten: informatieve tekst, persuasieve bij elke Een voorbeeld. In het dorpje Mousny in de Ardennen bevinden zich een hoop grote keien die min tekst, opiniërende tekst, prescriptieve tekst, narratieve tekst. of meer een cirkel vormen. Een legende beweert dat de keien eigenlijk een herder en zijn schapen zijn. Zij werden door Jezus Christus in stenen veranderd omdat de herder Christus weigerde te helpen! Andere verhalen brengen megalieten in verband met de duivel, bovennatuurlijke krachten

A

en zelfs buitenaardse wezens. Nog altijd zijn er mensen die dergelijke zaken geloven.

Al sinds de middeleeuwen doen de meest fantastische verhalen de ronde over de megalithische monumenten.

IN

Dat komt vooral omdat men er weinig over wist en eigenlijk nog steeds weinig over weet. Een voorbeeld. In het dorpje Mousny in de Ardennen bevinden zich een hoop grote keien die min of meer een cirkel vormen. Een legende beweert dat de keien eigenlijk een herder en zijn schapen zijn. Zij werden door Jezus Christus in stenen veranderd omdat de herder Christus weigerde te helpen! Andere verhalen brengen megalieten in verband met de duivel, bovennatuurlijke krachten en zelfs buitenaardse wezens. Nog altijd zijn er mensen die dergelijke zaken geloven.

Naar:www.megalitica.be www.megalitica.be Bron:

tekstdoel:

tekstvoorbeeld:

B

N

tekstsoort:

B ON

Wat je naWAAR dezeHEEFT les moet HIJ Z’N kennen en kunnen:

VA

GOUDKLOMPJES VERSTOPT?

keNNeN

kUNNeN

1 de begrippen ‘megaliet’, ‘hunebed’ en ‘menhir’ uitleggen

1 informatie uit teksten, kaarten en afbeeldingen halen

2 de samenlevingen van de megalietenbouwers in de tijd

2 afbeeldingen met behulp van een observatieschema beschrijven

©

situeren 3 twee theorieën over de betekenis en de bouw van megalithische monumenten geven 4 de mysterieuze reputatie van Stonehenge verklaren

LES 9

Al die onderdeeltjes van ‘kennen’ en AI! M’N EKSTEROOG! ‘kunnen’ kun je bij het onlinelesmateriaal verder inoefenen. Als je denkt dat je een onderdeeltje kent of kunt, zet je daar een kruisje voor.

RAAdSELS in StEEn

© Dupuis

64

K!

DAT BRENGT

ONGELUK, OUWE! tekstdoel:

tekstsoort:

tekstvoorbeeld:

BAF!

woord

opiniërend: een mening of opinie geven prescriptief: iets voorschrijven, een instructie geven narratief: verhalend persuasief: overtuigend of activerend DE NUGGETS!

LES 1 Tekstsoorten en TEKSTDOELEN

57


C

Samuel wordt midden in de nacht in Antwerpen met zijn familie opgepakt door de Duitse SS. Samen komen ze terecht in de Mechelse Dossinkazerne, een doorgangskamp waar duizenden Joden opgesloten zitten. In afwachting van hun deportatie per trein naar een van de concentratiekampen ondergaan ze de wreedheden en vernederingen van de SS’ers. Tegelijkertijd plannen drie jongeren in Brussel de sabotage van een van die transporten. Een onmogelijk idee, waar zelfs verzetslieden niet in geloven. Hun verhaal zal zich op een onwaarschijnlijke manier kruisen met dat van Samuel. Jongen zonder naam is geïnspireerd op ware feiten. Een meeslepend boek voor alle kinderen vanaf 12 jaar dat laat zien waartoe zowel het slechte als het goede in de mens kan leiden.

tekstdoel: tekstsoort: tekstvoorbeeld:

D

IN

Vanaf 12 jaar ‒ 144 p.

4/08/15 14:07

E

N

Wat te doen bij een incident?

VA

bij een ongeval • bel de receptie (toestel 231) • vermeld: – wie je bent – waar het is gebeurd – wat er is gebeurd – hoeveel slachtoffers er zijn • blijf bij het slachtoffer / de slachtoffers

Of je nu op zoek bent naar spannende achtbanen, betoverende attracties of spectaculaire parkshows. In de Efteling is voor iedereen wat te vinden. Ontdek Nederlands grootste attractiepark. Een uniek park, midden in de natuur.

tekstdoel:

tekstsoort:

tekstvoorbeeld:

tekstdoel:

F

tekstsoort:

©

Hoe neem je een strafschop? • Zorg dat alles en iedereen op zijn plek staat. • Weet wat de zwakke en sterke kanten zijn van de keeper. • Kies voor een hoge of lage bal. • Wacht op het fluitsignaal. • Neem een goede, niet te zachte aanloop. • Schop hard, maar gericht. • Reageer op het resultaat.

tekstvoorbeeld:

tekstdoel: tekstsoort: tekstvoorbeeld:

58

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen

© Davidsfonds-Infodok

11 12 13 14 ...

jongen zonder naam-cover.indd 1


wat Tekstsoort en teksten Deze tekstsoorten kun je onderscheiden: informatieve teksten, persuasieve teksten, opiniërende teksten, prescriptieve teksten en narratieve teksten. Er bestaan ook mengvormen.

2 Beantwoord deze vragen.

IN

Er zijn maar enkele tekstsoorten, maar van elke tekstsoort bestaan er verschillende voorbeelden: bv. krantenartikel, gedicht, advertentie, verhaal, strip, cartoon, folder, brief …

a Bekijk tekst C. Waarom lees je die? Wat is je leesdoel? b Wanneer lees je teksten zoals tekst A?

tekst A: tekst D: tekst F:

N

c Waarom lees je deze teksten?

VA

d Wat is het doel van tekst E? Waarom werd die gemaakt?

wat

Tekstdoel en leesdoel

Communiceren doe je niet zomaar. De zender (spreker of schrijver) heeft een doel voor ogen, soms zelfs meer dan een. Hij wil de ontvanger bijvoorbeeld informeren, overtuigen, zijn mening geven, instructies doorgeven … Je spreekt dan over het tekstdoel.

©

Ook de ontvanger leest of luistert met een doel (leesdoel, luisterdoel). De belangrijkste lees- of luisterdoelen zijn: genieten, informatie zoeken, begrijpen, een mening kennen, studeren. Sommige teksten hebben meer dan één lees- of luisterdoel. De situatie of context is dan verschillend.

LES 1 Tekstsoorten en TEKSTDOELEN

59


OPDRACHT 3

Bekijk teksten A, B, C, D en E.

1 Vervolledig de tabel. Welke tekst herken je? Geef het leesdoel en het tekstdoel.

tekst

Waarom schreef de auteur de tekst? Hij wil de lezer … (tekstdoel)

Waarom lees je deze tekst? (leesdoel)

A B

IN

C D E

VA

N

A

B

©

kennis met de Zadel je paard en maak port! van paarden en ruiters wonderbaarlijke wereld beginners, handleiding voor dat! is een uitstekende ervaren ruiters. Paardrijden, zo doe je nuttige tips voor meer maar bevat ook heel veel tips en stap-voor-stap foto’s Een boek vol met praktische en rijstijlen, je moet weten, van opstijgen die je alles vertellen wat tot wedstrijden en dressuur.

Paardrijden, zo doe je dat!

t paard, een e je te maken hebt: he wi t me ten we te om Het is vooral belangrijk bij jou als ruiter passen? g. Wat voor paard zou eli vo ge en nt ige ell int wereld ziet en op edel dier, er zijn, hoe een paard de sen ras or vo t wa en rok Er wordt besp uniceert. wordt welke manier hij comm n manege. Ook daar rt waarschijnlijk op ee sta ter rui met … ze daar e joudie nd aan het ne is Nu gin en be Een e je alle attribut rste les. En vooral over ho is wel duidelijk dat over verteld: over de ee rging van je paard. Het rzo ve de bij n ike bru ge hebben, moet met rijden! met dat verzorgen dan je meer tijd kwijt bent

Paardrijden, zo doe je dat!

onderhoud van van jouw paard en het Ontdek alles over de verzorging truukjes om te gebruiken bij shows. je uitrusting. En, leer handige ebbers! alle ruiters en paardenliefh Hét perfecte boek voor

ZO DOE JE DAT!

ISBN 978-90-8941-840-1

Dit is een uitgave van: Uitgeverij Memphis Belle www.memphisbelle.nl Voor België: WPG Uitgevers België www.wpg.be

T-12060659 #HH-9014158(4)

Hardcover

7/06/12 09:34

er-NEW-NL.indd 1

Leren-paardrijden-hardcov

Naar: M. Van Turnhout.

‘Paardrijden, zo doe je

dat!’, ww w.leestafel.info

woord

het attribuut: iets wat je nodig hebt

60

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen


C Streng verboden te spieken

het woord. Zo’n We zouden niet dur ven. Toch bestaat Spieken? Niemand van ons doet het. op. We hebben ken voor het eerst in het Nederlands spie k doo den gele jaar ftig dvij der hon leraar. het toen afgekeken … van een Duitse naam was Carl een leraar uit Duitsland werken. Zijn In de stad Leiden kwam rond 1850 rtdurend zijn zijn ding. Bij examens moest hij voo niet was n staa klas de r Voo r. ere Sich spicken!’ leerlingen tot de orde roepen: ‘Nicht

IN

, bijvoorbeeld woorden om ‘afkijken’ te beschrijven Voor die tijd gebruikte men andere leerlingen – r dankzij Carl Sicherer – en vooral zijn Maa len. kke smo en elen foet n, hele stec werd spieken snel populair. ften uit 1523 s niet zo nieuw. Je vindt al in geschri Het Duitse woord spicken was trouwen ‘der Spicker’. Hij iaat pleegt en daarom bekendstaat als plag die and iem van g jvin chri bes een letterlijk van anderen en neemt teksten vaak ten teks de uit n rde woo en ten ach steelt ged

over. ken van het zo origineel. Het zou kunnen dat spic Ook de Duitsers waren misschien niet ‘kijken’. Latijnse spicere komt en dat betekent .onzetaal.nl Taal, ‘Streng verboden te spieken’, www

N

Naar: Tlpst, de taallesbrief van Onze

E

D

VA

Alle wriemeldiertjes …

Alle wriemeldier tjes alle wiebeldiertjes alle kruip- en kriebeldiertjes zitten verstopt in het hoge gras.

Ik zou maar op mijn tenen lopen als ik jou was.

©

Uit: J. Van Leeuwen. Ozo heppie en ande versjes, Querido, Amsterdam

re

waarheen

Je kunt: • •

het leesdoel bij een tekst bepalen; tekstdoelen en tekstsoorten herkennen en bepalen zoals informatieve tekst (informeren), persuasieve tekst (overtuigen), prescriptieve tekst (instructies of aanwijzingen geven), opiniërende tekst (mening geven), narratieve of verhalende tekst (ontspannen); deze teksten herkennen en benoemen: inhoudsopgave, register, handleiding, literair fragment, stripverhaal, krantenartikel …

LES 1 Tekstsoorten en TEKSTDOELEN

61


MAAK EEN KWARTET • • • • • • •

Oriënteren

o

v

u

IN

Werk per twee. Ontwerp een kwartet. In het kwartet verwerk je de leerstof van deze les. Spreek af welk kwartet je zult maken. Verdeel het werk en maak afspraken. Ga met het kwartet aan de slag, vorm een groep met een ander duo. Wissel even uit met een ander duo of groepje.

r

1 Hoe ziet een kwartet eruit? 2 Waarover gaat deze les 1?

Voorbereiden

o

v

u

r

3 Hoe zal jullie kwartet eruitzien?

o

v

u

r

VA

Uitvoeren

N

4 Bespreek. • Welke kaarten zou je kunnen maken? Denk aan de thema’s van de les. Kies vier thema's. • Welke woorden kunnen op de kaarten komen?

5 Ontwerp per twee een kwartet over wat er in deze les aan bod kwam.

tip

Kies bij het thema voor een tekstsoort. Noteer dan enkele teksttypes onderaan de kaart. Leesdoel en tekstdoel zijn ook mogelijke thema’s voor de kaarten.

o

v

u

r

©

Reflecteren

Je traject naar succes

jij

je klasgenoot

Het thema / de onderwerpen van de les zijn duidelijk.

1234

1234

Per thema krijgen vier ‘woorden’ telkens een plaats.

1234

1234

De leraar heeft ons bij deze opdracht veel / een beetje / niet geholpen. Werkpuntje voor jezelf:

62

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen


les

2

Aan iemands lippen hangen

oriënterend en globaal luisteren

luisterdoel bepalen luisterfiche INVULLEN verhaal NAVERTELLEN

Luisteren is een kunst OPDRACHT 1

IN

1

nieuwsflits beluisteren

Bereid je voor op de luisteropdracht. Bekijk de afbeeldingen.

1 Hoe kun je je op een luistertaak voorbereiden? Hoe pakte je vroeger zo’n opdracht aan? Welke tips kreeg je van de leraar of van een klasgenoot? Noteer hier twee tips. Tip 1

Tip 2

N

2 Welk land of welke streek kun jij met deze afbeeldingen associëren?

©

VA

Geef vijf zaken die je aan die streek doen denken.

woord

associëren: samenvoegen, koppelen, een verbinding maken, een verband zien

LES 2 Aan iemands lippen hangen

63


3 Je beluistert zo dadelijk een sterk verhaal uit een vreemd land. a Wat is volgens jou een sterk verhaal? b Waarom luister je daarnaar? Wat is je luisterdoel? c Hoe ga je dat aanpakken? Markeer in het kader wat voor jou van toepassing is. Je luistert zo: dat je weet waarover het verhaal gaat;

dat je het verhaal tot in de details kunt navertellen;

dat je de algemene draad van het verhaal kunt vertellen; de w-vragen kunnen je daarbij helpen;

dat je het verhaal kunt toetsen aan je eigen ervaringen en opvattingen;

dat je enkel een antwoord vindt op een aantal speciale vragen over het onderwerp.

d Wat weet je over die regio? Geef een feit. 4 Luister nu naar het verhaal.

IN

a Wat zou de bedoeling van de verteller kunnen zijn?

N

b Waarover gaat het sterk verhaal?

©

VA

c Vul de woorden die je uit het verhaal hebt onthouden in het kader in. Werk per twee.

64

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen

tip

Neem eventueel notities op een blaadje. Als je eerst de opdracht bekijkt, kun je gericht luisteren.


HET VERHAAL: de opbouw Inleiding (de w-vragen) Het verhaal speelt zich af in           (Waar?),                 (Wanneer?). Het             blijft te lang uit in het land. Het blijft aanhoudend stormen en sneeuwen. De         (Wie?) wil weten waarom en wil het probleem          (verhelpen) (Wat?). Reis (midden) Het hoofdpersonage reist naar de            . Hij hakt de             van

IN

het bos om met een             en schaaft             van de stam. Hij stapelt de splinters op elkaar en ze torenen hoog boven het bos uit.

De man zit op een               en steekt de             in brand.

De            droogt en door de             wordt de man omhooggetild. Op een verre           in de vorm van een

In het wolkenhuis ontmoet hij de           . Die is aan handen en voeten

.

Hij vertelt de man dat de             de dader is. Met een              maakt de man hem los.

N

Weer naar de

Met een             reist hij naar huis. De man landt in een            , maar gelukkig blijft zijn             boven water. Een             maakt er haar nest op en legt             eieren.

VA

Op een onbewaakt moment sluipt een             tot bij het nest en smikkelt de eieren op. Het slot

De man zet zijn tanden in de             van het dier en bijt zich met alle kracht vast. Met een             sprong gaat het roofdier ervandoor. Zo haalt hij de man uit zijn benarde positie. (De wolf trekt hem uit het moeras.)

Nog drie geweldige sprongen en de man is             (weer veilig, weer op vaste grond). Meer dan eens vertelt de man bij het             dit sterke verhaal.

5 Waarom lijkt dit verhaal op een sprookje? Noteer drie elementen uit het verhaal.

©

+

woord

aan handen en voeten gebonden: geen kant op kunnen smikkelen: eten benard: benauwd, onaangenaam

LES 2 Aan iemands lippen hangen

65


OPDRACHT 2

Bespreek je luisterervaring.

1 Wat liep vlot tijdens de luisteropdracht? Noem een positief punt. 2 Noem een moeilijkheid die je tijdens het luisteren ondervond. 3 Bedenk er zelf een oplossing voor. 4 Welke woorden uit het luisterfragment kon je het makkelijkst onthouden en invullen?

IN

5 Waarom kon je de andere woorden minder goed onthouden?

hoe

Luisterstrategie

Voor je start met luisteren, oriënteer je je eerst op de luistertaak.

Je vraagt je af: • waarom je luistert en bepaalt zo het luisterdoel; • hoe je het luisteren zult aanpakken en je past de juiste luisterstrategie toe.

N

Je luistert globaal. Je kunt door die manier van luisteren het onderwerp (en de hoofdgedachte) en de hoofdzaken van het verhaal / van wat je beluisterde weergeven.

6 Waarover gaat het verhaal? Vat het in drie of vier zinnen samen. Gebruik daarvoor de hoofdzaken, die woorden die je het gemakkelijkst kon onthouden.

VA

7 Wat is in het verhaal volgens jou onwaarschijnlijk of onmogelijk? Noem één gebeurtenis uit het verhaal. 8 Klopt wat in het fragment gezegd wordt (betrouwbaarheid)? NEE/JA Je traject naar succes

©

Je bepaalt het luisterdoel.

Je herkent de juiste tekstsoort.

1234

Je weet waarover het fragment gaat (onderwerp).

1234

Je noteert de hoofdzaken.

1234

Je vat het verhaal samen in enkele zinnen.

1234

Werkpuntje voor jezelf:

66

1234

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen


2

Oefen even kort … Bekijk de afbeeldingen aandachtig.

IN

OPDRACHT 3

1 Welke plaats en welk probleem kun jij met deze afbeeldingen associëren?

N

2 Lees eerst de luisterfiche, zodat je weet wat je precies moet doen. 3 Gebruik je koptelefoon of oortjes en luister naar het fragment. Vul daarna de info in de luisterfiche aan. luisterfiche 1

Wat is je luisterdoel?

VA

LUISTERDOEL en TEKSTDOEL

Markeer: de tekst wil de ontvanger informeren, overtuigen, instructies geven, ontspannen, een mening geven.

TEKST

Markeer: het is een studietekst – inhoudsopgave – verhaal – nieuwsflits (reportage of interview) – gedicht.

LUISTERSTRATEGIE

Welke aanpak zul je toepassen?

Markeer: oriënterend – globaal – intensief – genietend – zoekend luisteren.

©

ZENDER

ONDERWERP

Wie is de zender?

Waarover gaat het luisterfragment?

LES 2 Aan iemands lippen hangen

67


luisterfiche 1 HOOFDPUNTEN (w-vragen)

Wie? Het systeem is bedacht door

.

Wat? De

is een lange boei.

Waar? Het systeem werd getest voor

.

De installatie moet nu haar werk doen in

.

Wanneer? Het werd

getest en     naar de zee gesleept.

Hoe? Over de

hangt een soort          van

IN

drie meter diep. Waarom? Het          vangt          op. REFLECTIE

Hoe verloopt het invullen van de fiche? Wat lukt goed? Wat vind je moeilijk?

N

VA

4 Misschien onthield je toch een paar details omdat je heel geconcentreerd luisterde of omdat het onderwerp je interesseerde. Vertel aan elkaar één detail (bijzaak).

Je kunt:

een verhaal/nieuwsflits beluisteren en de korte inhoud weergeven; het luisterdoel bepalen; de juiste luisterstrategie toepassen (oriënterend en globaal luisteren); de bedoeling van de zender achterhalen; de hoofdzaken en bijzaken van elkaar onderscheiden; reflecteren op de eigen luisterhouding.

©

• • • • • •

68

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen

waarheen


HEET VAN DE NAALD Oriënteren

o

v

u

r

1 Bekijk de afbeeldingen per fragment. Kies een fragment waarover je meer te weten wilt komen. Noteer hier je keuze: fragment 2 Vorm op basis van je keuze groepjes van drie, vier of vijf leerlingen. 3 Vertel in je groep aan elkaar wat je al over het onderwerp weet.

IN

Fragment 1

Asterix® - Obelix® - Idefix® / © 2018 Editions Albert René / Goscinny – Uderzo

VA

N

Fragment 2

©

Fragment 3

LES 2 Aan iemands lippen hangen

Fragment 4

69


Voorbereiden

o

v

u

r

4 Lees eerst de luisterfiche, zodat je weet wat je precies moet doen. Alle luisterfiches staan op diddit.

Uitvoeren

o

v

u

r

IN

5 Gebruik je koptelefoon of oortjes en luister naar het fragment. Vul daarna de info in de luisterfiche aan. 6 Misschien onthield je toch een paar details omdat je heel geconcentreerd luisterde of omdat het onderwerp je interesseerde. Vertel aan elkaar één detail.

Reflecteren

o

v

u

r

7 Als iedereen klaar is, overleg je in je groep. Vul eventueel je fiche verder aan of verbeter foutieve gegevens. Vul een gezamenlijke luisterfiche in en laat die door de leraar verbeteren.

N

8 Samen met je klasgenoten kies je een ander luisterfragment. Vul onmiddellijk de gezamenlijke fiche voor dat fragment in. 9 Geef een voorbeeld van een detail (bijzaak) voor fragmenten 1 en 2.

VA

10 Waar of niet waar? Geef het juiste antwoord i.v.m. details die je onthield uit interesse bij fragmenten 3 en 4. Plaats een kruisje in de juiste kolom. UITSPRAKEN fragment 3

waar

niet waar

waar

niet waar

Het gif komt vrij uit de tand van de spin. De beestjes komen ook in België voor.

Het geneesmiddel wordt gemaakt van de poot van het beestje. Wie gebeten wordt en geen behandeling krijgt, zal sterven. UITSPRAKEN fragment 4

©

In België kun je bananen kweken.

We kopen de cavendish-banaan in de supermarkt. In het labo bewaren ze 150 soorten bananen. Een bananenplant is het grootste kruid ter wereld.

70

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen


les

Wat vertelt een tekst?

31

leesstrategieën inzetten

informatie uit een tekst en schema HALEN

stamboom OPSTELLEN

schema’s lezen en schema’s maken

OPDRACHT 1

IN

1

tip

Hoe ga je lezen?

Vergelijk met hoe je luistert naar een tekst.

Lees de tekst ‘Wil je astronaut worden?’ en zoek een gepaste aanpak.

1 Denk na over deze vragen voor je begint te lezen. a Lees je een tekst altijd volledig? b Met welk doel zul je deze tekst lezen?

N

c Oriënteer je op de tekst: bekijk de tekst, voorspel waarover die gaat. Waar vind je de informatie? d Hoe noem je die manier van lezen? Vergelijk met je manier van luisteren. e Wat weet je al over het onderwerp?

Wil je de tekst lezen? Hoe kun je snel een beeld krijgen van de inhoud? Hoe pak je dat aan? Vertel.

VA

f

g Hoe noem je die manier van lezen?

2 Lees nu de hele tekst.

a Uit welke grote delen bestaat een tekst? Schrijf de naam boven elk deel. b Lees daarna elke paragraaf of alinea en noteer de sleutelwoorden van elke paragraaf of alinea in de marge. Probeer de tekst te begrijpen. Lees grondig en zoek op of vraag wat je niet begrijpt.

©

c In de tekst markeer je bijzonderheden bij het sleutelwoord.

woord

het sleutelwoord: het kernwoord, belangrijk woord in een zin of tekst

LES 3 Wat vertelt een tekst?

71


Wil je astronaut worden?

IN

Om door de ruimte te vliegen hoef je geen superman of supervrouw te zijn. Er zijn veel mannen en vrouwen, uit verschillende landen, die astronaut zijn geworden. ESA telt op dit moment bijvoorbeeld veertien astronauten uit acht landen. De spanning van een lancering voelen, de aarde hoog vanuit de lucht bekijken en rondzweven in een ruimtevaartuig. Wat moet je zoal doen om tot de weinigen te behoren die dat kunnen meemaken?

Om te beginnen moet je het wel echt willen, want astronaut ben je niet een-twee-drie. Je bent al jaren bezig met studie en werk voordat je aan de opleiding tot astronaut zelf begint. De meeste astronauten beginnen als ze tussen de 27 en 37 jaar zijn.

N

Daarbij moet je slim genoeg zijn om techniek, medicijnen of natuurwetenschap te studeren aan de universiteit. Veel astronauten volgen ook een opleiding tot piloot in de luchtmacht van hun land.

VA

Daarnaast komen de astronauten uit veel verschillende landen in Europa en kunnen ze missies uitvoeren samen met astronauten uit de VS, Rusland en Japan. Ze moeten Engels en Russisch kunnen spreken zodat ze met elkaar kunnen praten. Vervolgens moet je gezond zijn, want astronautentrainingen en ruimtevluchten kunnen heel vermoeiend zijn. Ten slotte, in een ruimtevaartuig leef en werk je met elkaar in een heel kleine ruimte, dus je moet wel goed met andere mensen kunnen opschieten.

©

Nog steeds geïnteresseerd? Zo ja, wie weet cirkel jij dan later wel als een van de weinigen rond de aarde, maak je een ruimtewandeling of breng je een bezoek aan de maan. Tot ziens in de ruimte! Naar: ‘Wil je astronaut worden?’, www.esa.int

d Hoe heb je de opdracht aangepakt? Hoe heb je de tekst gelezen?

woord

de missie: een zending of opdracht

72

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen


hoe Als je een tekst oriënterend leest, dan bekijk je de tekst vlug omdat je wilt nagaan welke tekst je in handen hebt en wat je ermee kunt doen. Je wilt het lees- en tekstdoel van de tekst kennen. Als je een tekst globaal leest, dan lees je het begin en einde van de tekst. Wat is het hoofdonderwerp van de tekst? Wat is de bron? Je wilt een algemeen (globaal) idee van de tekst krijgen. Als je een tekst helemaal wilt begrijpen, lees je die tekst intensief. Je leest grondig, alinea na alinea, en zoekt eventueel moeilijke woorden op.

OPDRACHT 2

IN

Als je gericht informatie zoekt in een tekst, lees je zoekend. Je laat je leiden door de vraag en hoeft de tekst daarom niet helemaal te lezen.

Lees deze tekst globaal. Hoe lees je dan? Vergelijk met globaal luisteren (p. 66).

De opleiding tot astronaut (1) Honderden uren training

N

Voordat astronauten aan hun eerste ruimtevlucht kunnen beginnen, krijgen ze honderden uren training. Die bestaat uit drie hoofddelen. (2) Eerst een basistraining

VA

Nieuwkomers die astronaut willen worden, beginnen met een basistraining van 12 maanden. Daarin leren ze over ruimtetechnologie en -wetenschap, medische basisvaardigheden en de werking van het Internationale Ruimtestation (ISS). Ook maken ze kennis met SCUBA. Daarbij oefenen ze in gewichtloosheid in een capsule op de bodem van een grote watertank. (3) Vervolgopleiding

Als ze klaar zijn met het eerste deel, gaan ze verder met de vervolgopleiding. Die duurt ook een jaar. In dat jaar gaan ze dieper in op de verschillende delen van het ISS, de experimenten en de transportvoertuigen en de rol van de vluchtleiding. (4) Een eerste missie

©

Dan zijn ze klaar voor een eerste missie. Ze werken zo veel mogelijk samen met de andere teamleden om de speciale taken van hun missie te leren. Verder worden zogenaamde paraboolvluchten uitgevoerd om ze te laten wennen aan de gewichtloze toestand. (5) Internationaal opgeleid De astronauten trekken een paar jaar met elkaar op en leren elkaar zo goed kennen. Hun opleiding vindt plaats in de VS, Rusland, Japan en Europa. Dat betekent dat ze niet alleen de wetenschappelijke experimenten en speciale taken tijdens de missie goed moeten kennen, maar wellicht ook Russisch moeten leren (Engels is al verplicht). Naar: ‘De opleiding tot astronaut’, www.esa.int

woord

de capsule: de bemanningsruimte in een raket

LES 3 Wat vertelt een tekst?

73


1 Bepaal waar je het antwoord op de vragen zult vinden. a Schrijf naast elke vraag het nummer van de paragraaf of alinea waar je de informatie kunt vinden. Welke basisvaardigheden worden aangeboden? Welke talen moeten de astronauten beheersen? Wanneer gaan ze dieper in op de delen van het ISS? Wat betekent ISS?

IN

Waar vindt de opleiding plaats? Wanneer en waar leren ze wennen aan gewichtloosheid?

b Stel zelf drie andere vragen op en schrijf er de paragraaf of alinea naast waar je het antwoord kunt vinden. 1                                     alinea: 2                                     alinea: 3                                     alinea:

N

2 Lees de tekst opnieuw. Beantwoord daarna de vragen. Denk eerst na over hoe je antwoord eruit zal zien. Wat zoek je precies in de tekst? Is die info goed herkenbaar in de tekst? Hoe? a In welke landen vindt de opleiding plaats? Antwoord op de vraag: Hoe herkenbaar?

VA

b Hoelang duurt de eerste basistraining? Antwoord op de vraag:

Hoe herkenbaar?

Op weg naar een schema

©

2

OPDRACHT 3

Bekijk en lees de schema’s op p. 75-76.

1 Welke informatie vind je in de schema’s? Bespreek.

2 Waar vind je zulke schema’s? 3 Verkies jij een schema of een tekst? Verduidelijk. 4 Wat is het doel van zo’n schema?

74

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen


5 Kan elke soort informatie in een schema? In eenzelfde schema? 6 Onderzoek ook de lay-out. Welke hulpmiddeltjes zijn er gebruikt?

+

7 Elk schema heeft ook een naam en past dikwijls bij een bepaald doel. Probeer de namen bij de schema’s te plaatsen.

IN

Kies uit: waaierschema – boomschema – mindmap – feitenketting – T-schema of kolommenschema – cyclisch schema of cyclisch model – tijdlijn schema A

schema B

schema C

schema D

schema E

A

schema F

tekstsoorten

B

N

informatieve tekst

gewervelde dieren

overtuigende of persuasieve tekst

ontspannende of diverterende tekst ontroerende of emotieve tekst

VA

TEKSTEN

zoogdieren

amfibieën

reptielen

vogels

vissen

informeren overtuigen

tekstdoelen

ontroeren

ontspannen

C

breuk

%

kommagetal

50 %

0,50

25 %

0,25

75 %

0,75

12,5 %

0,125

33,3 %

0,33

66,7 %

0,67

20 %

0,20

40 %

0,40

60 %

0,60

80 %

0,80

10 %

0,10

©

1 2 1 4 3 4 1 8 1 3 2 3 1 5 2 5 3 5 4 5 1 10

LES 3 Wat vertelt een tekst?

D

75


E

F

1 2 3 4

IN

Kringloop van asfalt mengen van nieuwe grondstoffen en gebruikt asfalt verwerking gebruik van de weg frezen

wat

N

Schema’s lezen en maken

Het doel van een schema is informeren en zakelijke gegevens visueel/schematisch/overzichtelijk weergeven.

VA

Een schema kan: • tonen uit welke delen iets bestaat; • eigenschappen of kenmerken duidelijk maken (overeenkomsten en verschillen, voor- en nadelen); • ideeën, eigenschappen, losse gedachten voor jezelf of anderen ordenen; • een kringloop van herhalende eigenschappen, gebeurtenissen … beschrijven; • feiten, gegevens in een rij plaatsen. Om een schema te maken kun je de lay-out met verschillende middelen ondersteunen, bv. pijltjes, kleuren, tekeningen of icoontjes …

Soorten schema’s

©

+

• • • • • •

76

Het tabelschema, T-schema of kolommenschema maakt eigenschappen of kenmerken duidelijk (bv. overeenkomsten en verschillen, voor- en nadelen …). Het waaierschema toont uit welke delen iets bestaat. Elk deel krijgt dan nog verdere informatie. Het boomschema laat zien uit welke delen iets bestaat. Een mindmap: mindmapping is een techniek om brainstormideeën, losse gedachten, hoofd- en bijzaken, eigenschappen voor jezelf en anderen te ordenen. Het cyclisch model beschrijft een kringloop van zich altijd herhalende eigenschappen, verschijnselen, gebeurtenissen … De feitenketting zet feiten/gegevens in een rij. Als de tijd of chronologie belangrijk is, dan krijg je een tijdlijn.

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen


3

Lezen en schematiseren OPDRACHT 4

Bekijk de afbeelding en de tekst.

1 Bedenk een titel. 2 Welk soort schema vind je in afbeelding A?

4 Hoe lees je deze teksten (schema en tekst)?

A

B

3-delig 5 000 jr. oud

koper/hout 4 500 jr. oud

lichte spaken 3 500 jr. oud

staal/hout 300 jr. oud

spaken/luchtband staal/luchtband lichtmetaal ± 1900 heden

N

schijf 6 000 jr. oud

IN

3 Komt de informatie in de tekst overeen met de info in de afbeelding? Wat kun je daaruit leren?

Het wiel is een late uitvinding. Na de laatste ijstijd was onze aarde nog tot ca. 10 000 v.C. vooral met landijs bedekt, waardoor een wiel weinig nut gehad zou hebben. De voorlopers van het wiel waren boomstammen, die over de grond gerold werden.

VA

Ongeveer 6 000 jaar geleden ontdekten onze voorouders de as. Twee schijven werden door middel van een stang met elkaar verbonden. Zo ontstonden de eerste karren en wagens. Rond 3200 v.C. werd in Mesopotamië de stabiliteit van kruiwielen verbeterd. Daarvoor legden ze planken tegen elkaar. Die verbonden ze met dwarsbalken en vervolgens sneden ze ze rond uit. Met de verbetering van werktuigen ontstond ca. 4 000 jaar geleden het spaakwiel. De verdere ontwikkeling van het wiel hing af van de geografische omstandigheden. In gebieden waar water en lasten door woestijnen vervoerd moesten worden, was het nauwelijks bruikbaar. Daar bleven ze lastdieren gebruiken. In de loop van de tijd vond het gebruik van het wiel bijna overal ingang. Vooral de Romeinen droegen daartoe bij, doordat ze een geweldig wegennet aanlegden. Pas in het industrietijdperk, in de 19de eeuw, deed het wiel zijn intrede in bijna alle technische terreinen, zoals machines, verkeersmiddelen …

©

De vorm en de functie van het wiel zijn in de loop der tijden niet veranderd. Naar: Loncke. ‘De geschiedenis van het wiel’, www.constructie.weebly.com

5 Zou je de tekst ook in een ander schema kunnen gieten? Hoe zou je dat aanpakken? Bespreek.

woord

de stabiliteit: de vastheid, de stevigheid geografisch: wat de plaats en ligging betreft, aardrijkskundig (de geografie)

LES 3 Wat vertelt een tekst?

77


hoe Verschillende leesstrategieën Er zijn verschillende manieren om een tekst te lezen. Je noemt ze de leesstrategieën. ORIËNTEREND lezen: je bekijkt de tekst vlug omdat je wilt nagaan welke tekst je in handen hebt en wat je ermee kunt doen. Je leest de titel en de tussentitels of tussenkopjes en bekijkt de illustraties. Je wilt het lees- en tekstdoel van de tekst kennen. GLOBAAL lezen: je leest het begin en einde van de tekst. Wat is het hoofdonderwerp (thema) van de tekst? Wat is de bron? Je wilt een algemeen (globaal) idee van de tekst krijgen.

IN

ZOEKEND lezen: je wilt gerichte informatie vinden. Bv. een antwoord voor een bepaald probleem, een vertaling van een woord …

KRITISCH lezen: je vraagt je af of alles wat in de tekst staat, wel klopt. Daarom ga je na of het correct is wat de auteur schrijft. Je vergelijkt met een andere bron of met wat je zelf al weet. GENIETEND lezen: je wilt je enkel ontspannen, je wilt genieten van de tekst.

INTENSIEF lezen: je wilt de tekst helemaal begrijpen. Daarom lees je die grondig, alinea na alinea. STUDEREND lezen: je wilt de inhoud van een tekst in je geheugen opslaan om er later mee te werken.

OPDRACHT 5

N

Als je een tekst (boodschap) beluistert, dan heb je als ontvanger een (luister)doel. De zender heeft een spreekdoel. De leesstrategie wordt dan een luisterstrategie.

Bekijk het schema.

Stel drie vragen waar het schema een antwoord op geeft. Een klasgenoot zal die beantwoorden.

VA

1 2 3

kilocalorieën

vet (gram)

verzadigd vet (gram)

1 bolletje sorbetijs

45

0

0

1 waterijsje

50

0

0

1 bolletje yoghurtijs

67

1

1

1 bolletje schepijs

110

6

4

1 plakje Viennetta

134

7

5

70 gram softijs

155

8

5

1 Snickers

200

13

7

1 Magnum

250

14

9

1 ijscoupe (roomijs met vruchten en slagroom)

491

26

16

©

IJS

78

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen


OPDRACHT 6

Lees de tekst.

Maak een schema van deze tekst. Welk soort schema zul je gebruiken? Bespreek eerst samen. Wat is het verschil tussen een krokodil en een alligator? Alhoewel krokodillen en alligators veel op elkaar lijken, horen ze officieel niet tot dezelfde familie. Ook wat het leefgebied betreft, zijn er grote verschillen. Krokodillen leven eigenlijk bijna op elk continent op het zuidelijk halfrond (Afrika, Zuidoost-Azië, Australië, Zuid-Amerika). Alligators komen alleen in Noord- en ZuidAmerika en China voor.

IN

In vergelijking met alligators hebben krokodillen een langere, smallere snuit en wanneer een krokodil zijn bek dicht heeft, zijn al zijn tanden nog te zien. Een alligator heeft een overbeet. Als hij zijn bek dicht heeft, valt de bovenkaak over de onderkaak heen en zijn alleen zijn bovenste tanden te zien. De krokodil behoort tot de familie van de Crocodylidae en kent veertien soorten, de alligator behoort tot de familie van de Alligatoridae en kent acht soorten. Krokodillen eten voornamelijk vogels en grote zoogdieren, alligators eten naast andere zoogdieren ook vis en reptielen. Zowel krokodil als alligator zijn carnivoor, dus vlees- en/of viseter.

Naar: ‘Wat is het verschil tussen een krokodil en een alligator?’, www.hetverschiltussen.nl

©

VA

N

Schema:

1 Vertel de tekst na aan de hand van je schema. Kleur het bolletje als je op deze punten ‘ja’ kunt antwoorden. O O O O O O

Je kunt de tekst navertellen. De gegevens in je schema zijn de belangrijkste. Je gebruikt sleutelwoorden om de belangrijkste gegevens in het schema te noteren. Het schema is bruikbaar voor het doel dat je wilt bereiken. Gegevens die je niet in het schema hebt, zijn toch niet zo belangrijk. Het schema is duidelijk voor jou. Het roept geen nieuwe vragen op.

 Heb je bij een of meer van de punten geen bolletje gekleurd? Vul je schema dan verder aan.

woord

het continent: een werelddeel de carnivoor: een vlees- en viseter

LES 3 Wat vertelt een tekst?

79


2 Vergelijk met het schema van je buur. Bespreek samen deze vragen. a Welk van de twee schema’s is volgens jou het beste en waarom? b Wanneer maak jij schema’s? c Welk doel heb je dan voor ogen? d Voor wie maak je die schema’s?

Kies een tekst.

IN

OPDRACHT 7

Duid je keuze aan en lees de tekst op diddit. Ga daarna aan de slag met de opdrachten. Tekst A: Klimaatverandering Tekst B: Wat is het verschil tussen fondant en marsepein? 1 Schrijf een passend onderschrift voor de afbeelding(en). 2 Wat maakt de schrijver van het artikel duidelijk?

Je kunt:

de gepaste leesstrategie inzetten; een schema lezen en er informatie uit halen; van een tekst een schema maken dat de nodige info bevat; schema’s vergelijken.

©

VA

• • • •

N

3 Welk schema zou jij gebruiken om de tekst overzichtelijk weer te geven? Maak zo’n schema op een apart blad.

80

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen

waarheen


WORD EEN SCHEMA-EXPERT Oriënteren

o

v

u

r

1 Maak een stamboom van je familie (of kies voor dit alternatief: maak een stamboom van een bekend persoon, bv. van onze Belgische koning). 2 Gebruik daarvoor een boomschema waarin je jouw naam of die van de bekende persoon onderaan zet. Probeer zo ver mogelijk in de tijd terug te gaan (minstens drie generaties – van jou tot bij je grootouders). Denk aan de hoofdletters! Voor een voorbeeld van een boomschema: 3 Leg daarna je stamboom uit aan bekijk schema B op p. 75. twee klasgenoten.

Voorbereiden

o

v

u

r

IN

tip

4 Wat is een stamboom? Hoe ziet een stamboom eruit? Hoe ziet een boomschema eruit?

Uitvoeren

N

5 Verzamel de nodige informatie. Waar kun je die vinden? Wie kun je aanspreken?

o

v

u

r

6 Maak de stamboom. Denk eraan dat de naam van de jongste onderaan komt.

o

v

u

r

VA

Reflecteren

7 Hoe ging het?

In orde Je traject naar succes

©

De naam van de jongste persoon staat onderaan.

jouw boomschema ja

nee

boomschema van je klasgenoot ja

nee

Je stamboom is opgebouwd met een boomschema en bevat minstens drie generaties.

1234

1234

Je gebruikt hoofdletters voor de eigennamen.

1234

1234

Je kunt je stamboom vlot uitleggen aan de anderen.

1234

1234

Werkpuntje voor jezelf:

Werkpuntje voor je klasgenoot:

LES 3 Wat vertelt een tekst?

81


les

Over wie of wat gaat het? Het onderwerp

4

onderwerp zoeken en aanduiden

relatie tussen o en pv aanduiden

pv spellen in de ott

Over wie gaat het? OPDRACHT 1

IN

persoonsvorm aanduiden

1

korte boodschap SCHRIJVEN

Bekijk de foto’s. Beschrijf wat je ziet.

1 Noteer minstens één zin per beeld. Wees origineel!

2

Foto 1:

VA

Foto 2:

3

N

1

Foto 3:

2 Werk verder in duo’s. Onderzoek de zinnen.

a Over wie of waarover wordt er in de zin iets gezegd? Wie doet iets? Wie is of wordt iets? Onderstreep die woorden in de zin.

©

b Hoe noem je iets of iemand waarover of over wie iets gezegd wordt?

c Wat wordt er over het onderwerp in de rest van de zin gezegd? Markeer de woorden (de rest van de zin).

3 Kies allebei een originele zin van de ander. Vervang ‘wie’ of ‘wat’ door een andere persoon of zaak. Noteer de twee zinnen:

82

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen


2

Wie of wat doet of is iets? OPDRACHT 2

Guy Didelez vertelt. Lees waarover!

1 Lees de inhoud van enkele van zijn boeken.

IN

Bram, Sofie en Bert trekken zich het lot aan van hun nieuwe klasgenoot Peter. Die stottert en wordt door de leraar Nederlands gepest. De drie vrienden winnen zijn vertrouwen. Op een dag ontdekken ze zijn geheim. Peter is buikspreker, net als zijn overleden vader. Raspoetin, een van de vier oude, houten poppen waarmee hij optreedt, stottert niet.

De vijftienjarige Janne wordt opgenomen in een psychiatrische instelling. Op haar eigen vraag. Toch is ze nog niet aan praten toe. Niemand weet wat er echt met haar aan de hand is. Zelf zou Janne liever voor eeuwig zwijgen …

N

Plots neemt een jongen tegenover mij plaats. En dat terwijl er nog zoveel andere vrije plaatsen zijn. Hij kijkt me recht in het gezicht. Hij is niet echt knap, maar toch heeft hij iets. Komt het misschien door zijn donkere, wat mysterieuze ogen?

VA

Het klikt meteen tussen Sam en Janne. Sams flauwe grapjes en zijn kleine verrassingen vrolijken Janne op. Maar ze brengen haar ook in verwarring. Zou ze bij hem haar hart kunnen luchten? 2 Welk boek zou je willen lezen?

3 Markeer in de zinnen wie of wat iets doet / wie of wat iets is of wordt. Markeer dus het onderwerp van de zin. Het cursieve deel mag je overslaan. 4 Onderzoek het onderwerp van de zinnen. Noteer wat je ontdekt over … de plaats in de zin:

©

de lengte /bouw van het onderwerp:

5 Zoek een zin waarin het onderwerp weinig betekenis heeft. Onderstreep dat onderwerp.

6 Wie of wat doet iets? Wie of wat wordt of is iets? a Omkader de woorden die juist voor of juist achter het onderwerp staan. b Lees alle woorden die je omkaderde opnieuw. c Vergelijk die woorden met elkaar. Welk verschil merk je op?

LES 4 Over wie of wat gaat het? Het onderwerp

83


7 Lees de eerste tekst over Raspoetin opnieuw en vul het kader aan. waarover ‒ over wie (onderwerp)

woord juist voor of achter onderwerp (persoonsvorm)

Enkelvoud of meervoud? (getal van het onderwerp en de pv) enkelvoud / meervoud

Die

enkelvoud / meervoud

De drie vrienden

enkelvoud / meervoud

ze

enkelvoud / meervoud

IN

Bram, Sofie en Bert

eigenschap

Peter

enkelvoud / meervoud

a Noteer in de tweede kolom het woord (werkwoord of persoonsvorm ‒ pv) dat juist achter het onderwerp staat. b Markeer in de derde kolom het juiste getal (enkelvoud of meervoud) van de persoonsvorm en het onderwerp.

N

c Welke eigenschap van het onderwerp heb je zonet ontdekt? Noteer die in de laatste kolom.

wat

Het onderwerp

VA

Het onderwerp (o) is een zinsdeel dat voor de betekenis van de zin echt belangrijk is. Het geeft aan over wie of waarover in de zin iets gezegd wordt. Bv. Intussen verdwijnen Bo's vriend Senne en zijn moeder op een mysterieuze manier. Hoe zoek je het onderwerp? Stel de juiste sleutelvraag: ‘Waarover of over wie wordt er in deze zin iets gezegd?’

©

Kenmerken 1 Het onderwerp kan bestaan uit een woord of een woordgroep. 2 Het onderwerp staat meestal juist voor of achter de persoonsvorm (pv). 3 Het onderwerp komt overeen in persoon en getal met de pv. 4 Het onderwerp begint niet met een voorzetsel. Bv. Sams flauwe grapjes, zijn enorme relativeringsvermogen en zijn kleine verrassingen vrolijken Janne op. Maar ze brengen haar ook in verwarring.

tip Als je dikwijls hetzelfde onderwerp schrijft, kun je die herhaling vermijden door een verwijswoord of synoniem te gebruiken.

84

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen


OPDRACHT 3

In welke krantenkop is het onderstreepte zinsdeel het onderwerp? Markeer deze krantenkoppen.

Jongeren gooien flessen naar politie op Scheldekaaien, zes relschoppers opgepakt Vijftig brandweermannen voorbije nacht paraat gebleven op militair domein in Brecht Auto snel opladen is een dure zaak

IN

Modeontwerper Alber Elbaz onverwacht overleden

Studenten ontwerpen bijzondere plant die zorgt voor gezondere klaslokalen

Slechte slapers lopen meer risico op dementie

N

Lay’s lanceert drie originele chipssmaken én trakteert op een gratis maal

Is gezondheid ons hoogste goed? Onderstreep alle onderwerpen.

VA

OPDRACHT 4

Kaat is in de wolken: ze heeft net leren chatten en maakt al meteen een vriend, Wannes. Het klikt tussen de twee jongeren. Al gauw wil Wannes weten hoe het meisje eruitziet. Kaat is echter te beschaamd om een foto online te zetten. Ze heeft een gespleten lip en is erg onzeker over haar uiterlijk. Lien, de beste vriendin van Kaat, stelt het meisje gerust: na alle operaties kun je er bijna niets meer van zien. Toch wil Kaat liever wat wachten. Ze wordt immers opnieuw geopereerd en daarna zal ze er nog beter uitzien. Pas dan zal ze Wannes een foto laten zien. Maar vlak na de operatie staat de jongen zomaar voor de deur.

©

Dit is een optimistisch boek. Het verhaal gaat over een meisje dat leert leven met een aangeboren gelaats­afwijking. Een sterk geschreven verhaal! De auteur maakt het thema op een positieve manier bespreekbaar.

LES 4 Over wie of wat gaat het? Het onderwerp

85


3

Onderzoek onderwerp en persoonsvorm OPDRACHT 5

Bouw mondeling zinnen. Noteer de zinnen daarna op een kladblad.

1 Bouw per twee minstens vijf zinnen met deze delen.

zwemt in de vijver. lees mijn Facebook. kijken naar een film. spelen in de tuin. vangt vliegen in huis.

IN

De zussen Sterre en Katrijn Julie en Lander Soraya Kira, de poes, Ik

2 Maak minstens zes zinnen met deze delen. Werk per twee. Noteer jullie zinnen eventueel op een kladblad.

kookt jij (graag)

gewonnen! te snel.

De soep Je Spelen Ik

heb wij leven antwoordt

in vrede. een spel? af? over.

N

Was Zij

3 Hoe heb je de opdracht aangepakt? Bespreek.

VA

4 Maak deze opdrachten. Werk met de zinnen van 1. a Onderzoek de ‘personen’ van het onderwerp.

b Onderzoek ook de spelling van het bijbehorende werkwoord. c Verwerk de gegevens in een tabel. Denk aan de persoon en aan enkelvoud en meervoud.

©

enkelvoud

d Komen alle personen aan bod? Enkelvoud of meervoud?

86

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen

meervoud


wat Het werkwoord in de tegenwoordige tijd De onvervoegde vorm van het werkwoord heet de infinitief. De infinitief eindigt meestal op -en. De ik-vorm (of de infinitief – en) van het werkwoord wordt de stam genoemd.

IN

De vervoegde vorm van het werkwoord heet de persoonsvorm. Hij komt in persoon en getal overeen met het onderwerp: • als één persoon een handeling uitvoert of een toestand meemaakt, dan schrijf je het onderwerp en de persoonsvorm in het enkelvoud. • als meer dan één persoon een handeling uitvoert of een toestand meemaakt, dan schrijf je het onderwerp en de persoonsvorm in het meervoud. Enkelvoud en meervoud worden het getal genoemd.

Je vervoegt het werkwoord door te vertrekken van wat je hoort. Daarvoor kun je volgend werkwoordschema gebruiken: Is het een pv?

ja

nee

N

Zoek het onderwerp en de pv.

onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) 1e persoon enkelvoud

2e persoon enkelvoud

3e persoon enkelvoud

1e/2e/3e persoon meervoud

ik

jij/je/u

hij/zij/ het …

wij/jullie/ zij …

STAM

STAM + t

STAM + t

STAM + en

geen klankverandering

klankverandering

STAM + de(n)

Schrijf wat je hoort.

STAM + te(n)

Let op! Hoor je d/t achteraan? Luister naar de wij-vorm.

VA

MAAR … jij/je na pv: STAM

onvoltooid verleden tijd (ovt)

Schrijf wat je hoort. Bv. de vergrote foto, de verbrande vinger, gelopen, de uitgeputte jongen … Hoor je d/t achteraan? Verleng. OF Luister naar de laatste klank voor de -en van de infinitief (kijkletter).

Twijfel je? Denk aan het werkwoord spelen of werken. Daar hoor je wat je moet schrijven. ik speel

jij speelt speel jij

hij speelt

wij spelen

ik speelde

ik werk

jij werkt werk jij

zij werkt

jullie werken

zij werkten

kijkletter = letter van 't kofschip  t andere letter  d Bv. gewerkt, gespeeld

Of je redeneert op deze manier:

©

ENKELVOUD ik = stam

Ik fluister

je/jij = stam + t Als het onderwerp achter de persoonsvorm staat, dan schrijf je de stam.

Je/jij fluistert MAAR fluister jij

hij, zij (enk), het = stam + t

Hij fluistert / zij fluistert / het kind fluistert

MEERVOUD wij = stam + en (infinitief)

Wij fluisteren

jullie = stam + en (infinitief)

Jullie fluisteren

zij (mv) = stam + en (infinitief)

Zij fluisteren

LES 4 Over wie of wat gaat het? Het onderwerp

87


OPDRACHT 6

Zoek een reeks werkwoorden die te maken hebben met vertellen.

1 Schrijf de infinitief van de werkwoorden in een woordspin. Op diddit vind je een voorbeeld. Bedenk er minstens zes. 2 Noteer nu van elk werkwoord de stam. Bv. fluisteren g fluister

3 Hoe heb je de stam gevonden?

OPDRACHT 7

IN

Noteer de tegenwoordige tijd van de werkwoorden.

1 Markeer in de zin eerst het onderwerp dat bij het werkwoord hoort.

Slim

N

2 Gebruik de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd.

Mijn hond (zijn)       heel slim. Elke morgen (halen)       hij de krant. De mijne (doen)       dat ook, maar ik wou dat hij niet zo slim was. Waarom?

VA

Omdat hij ze altijd met veel vertraging (brengen)       . Hij (zetten)       zich namelijk altijd eerst op een bank in het park: hij (lezen)       die eerst zelf. Naar: De Druivelaar

Waar voor zijn geld

Bent (raadplegen)        een advocaat. Die (waarschuwen)          hem: – U (oppassen)        beter goed       , mijnheer, want elke vraag die ik (beantwoorden)        , (kosten)        u veel geld. Voor één vraag (betalen)        u 75 euro,

©

voor twee vragen 150 euro enzovoort.

– Ja, maar 75 euro per antwoord, (lijken)        dat niet wat te veel?

– Nee, dat (vinden)        ik niet. Wat is uw tweede vraag? Naar: De Druivelaar

88

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen


3 Noteer de stam en de uitgang in de kolommen en schrijf dan de correcte werkwoordsvorm in de zin. WERKWOORD

STAM

UITGANG

ZIN

behoren

De bij            tot een superfamilie.

verschillen

Bijen            van de meeste andere (vleesetende) vliesvleugeligen door het dieet van nectar en stuifmeel. Bijen zijn vooral gekend om de honing die de honingbij

IN

maken

.

Een imker            bijen voor de productie van honing.

onderscheiden

Vandaag            de wetenschap heel wat soorten bijen.

beschrijven

Wetenschappers            in hun werken ongeveer 20 000 bijensoorten.

beschouwen

Ze            de hommel als een bij met een langere beharing, waardoor ze in koelere streken kunnen overleven.

OPDRACHT 8

N

houden

Vul de correcte vorm van het werkwoord in de zin in.

VA

1 Vervoeg de werkwoorden in de ott (tegenwoordige tijd). Noteer de oplossing in de tweede kolom. Mode voor honden

Elk jaar (samenwerken) de klerenwinkels van H&M met een bekend merk. Dat (doen) de winkels al sinds 2004. In november (stellen) H&M de kleren voor van het Italiaanse Moschino. Dat merk (houden) van speelse mode. Moschino (gebruiken) daarom figuren van Disney. De directeur van het merk (vertellen) dat er nu ook kleren voor huisdieren te koop zijn. (Dragen) hondjes Moschino? De eerste beelden (zijn) al te zien. Wat (mogen)

©

een fan van mode nog verwachten? Daarop (moeten) hij wachten tot 8 november. Naar: Wablieft

Chocopasta is niet gezond Een boterham met ‘choco’ (zijn) niet gezond. Dat (bewijzen) een onderzoek van Test Aankoop. Het onderzoek (testen) 25 soorten chocopasta. Volgens Test Aankoop (scoren) er maar één soort echt veilig. In de andere soorten (zitten) gevaarlijke stoffen. Die stoffen (kunnen) zelfs zorgen voor kanker. Volgens de wet (zitten) er niet te veel van die stoffen in chocopasta. Toch (vinden) Test Aankoop het beter dat kinderen geen chocopasta eten. Maar wat (denken) een kind zelf? En wat (kopen) de ouders? Naar: Wablieft

LES 4 Over wie of wat gaat het? Het onderwerp

89


2 Markeer in elke zin eerst het onderwerp dat bij het werkwoord hoort. Schrijf de werkwoorden in de tegenwoordige tijd. Steekmuggen of muskieten (zijn) de bekendste muggen. Een mug (zijn) een onschuldig insect. Ze (leven) van nectar. De mens (kennen) de mug als een lastig diertje. Een vervelende mug (zuigen) bloed. Vooral een vrouwelijke mug (komen) in actie tijdens de aanmaak van de eitjes. Bij de mens (resulteren) dat meestal in een rode jeukende bult. Stekende muggen (aanrichten) ook veel schade; ze verspreiden ziekten. In tropische

IN

gebieden (verspreiden) een mug op grote schaal vaak dodelijke ziekten ‒ onder andere malaria ‒ waaraan jaarlijks miljoenen mensen sterven.

Een regendruppel die een mug in volle vlucht (raken), is als een botsing tussen een mens en een bus, behalve dat de mug het (overleven).

Een mug (leven) van plantensappen als nectar. Het (zijn) een vrij onopvallend insect. In rust (vouwen) ze haar twee vleugels achter de rug. Het achterste paar poten (zijn) bij veel soorten langer en (steken) in rust naar achteren. Dat (doen) de mug om eventuele

N

aanstormende vijanden waar te nemen. In plaats van die te zien, (voelen) de mug de luchtwervelingen met de achterpoten. Bij gevaar (vliegen) ze snel weg.

OPDRACHT 9

Onderzoek de spelling van de persoonsvormen.

Zoek eerst het onderwerp met het bijbehorende werkwoord. Gebruik termen als persoon, stam, uitgang …

VA

1 Markeer de werkwoorden. Bespreek per twee.

B

Oranjeachtig rozerood

Er lopen overal riviertjes onder mijn vel

De zon zakt en de dagelijkse kleuren vloeien samen alsof een schilder zijn kwast schoonspoelt in een glazen pot: de tinten van het doek waaien door het water. Twintig, dertig tellen later mengen ze tot donker en zakken naar de bodem. Kijk! Zo valt de nacht.

Er lopen overal riviertjes onder mijn vel. En ik zie die blauwe adertjes wel, maar ik voel ze niet, ik hoor ze niet, ik weet niet waarheen ze stromen. Mijn lijf is een terrein waar ik zelf niet kan komen. Mijn lijf is een geheim met een huid, hier aan de buitenkant. Ik kan niet bij mezelf naar binnen. Ik ben mijn eigen buitenland.

©

A

L. Vogelesang. Zeg gauw iets spijkerhards. Amsterdam, Querido

90

E. Van de Vendel. De groeten van Superguppie. Amsterdam, Querido

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen

tip


2 Kies een van beide gedichten en verander het onderwerp op bepaalde plaatsen in het gedicht. Lees maar voor. 3 Vul zelf de juiste vorm van de werkwoorden in. Mama Mama (bellen)             met iemand van haar werk. en (leggen)             een knoop

Mama (wachten)             op een kaartje van de kassier.

IN

in mijn sjerp.

en (halen)             mijn snoep uit het papier.

Mama (praten)             met papa

terwijl ze in mijn ogen (kijken)          .

overal alles tegelijk.

N

Mama (kunnen)             altijd F. Adam. Waarom ik altijd nee zeg. Amsterdam, Querido

VA

Je kunt:

waarheen

het onderwerp onderzoeken; het onderwerp aanduiden in de zin; de relatie onderwerp – persoonsvorm aanduiden; de stam van een werkwoord vormen; de persoonsvorm aanduiden; een werkwoord vervoegen in de tegenwoordige tijd.

©

• • • • • •

LES 4 Over wie of wat gaat het? Het onderwerp

91


INFORMEER MET EEN BERICHTJE Oriënteren

o

v

u

r

1 Je bent alleen thuis. Plots schiet je iets te binnen. Hoe breng je je ouders op de hoogte?

Voorbereiden

o

v

u

r

2 Dit keer schrijf je een boodschap op een blaadje. Breng je boodschap in een goede zin. Vertel … dat je in bad zit. dat je voor oma even eieren moest halen. dat je naar je beste vriend(in) een boek terugbrengt. dat je in de sportclub/dansles je rugzak vergeten hebt en dat je even teruggereden bent.

IN

a b c d

3 Wat zal het onderwerp van je zin zijn? Probeer in je boodschap een tweede zin te schrijven met een ander onderwerp.

Uitvoeren

o

v

u

r

N

4 Kies drie situaties. Gebruik de tegenwoordige tijd. 5 Aanvullend verzin je zelf nog iets. Werk op een apart blad of schrijf op een post-it.

o

v

u

r

VA

Reflecteren

Je traject naar succes

jij

je klasgenoot

De boodschappen kloppen met de opdracht.

1234

1234

Je gebruikt telkens het goede onderwerp.

1234

1234

Elke boodschap krijgt ook een ander onderwerp

1234

1234

Je gebruikt de correcte spelling van het werkwoord in de tegenwoordige tijd.

1234

1234

Heb je ook een eigen situatie verzonnen?

ja

©

Werkpuntje voor jezelf:

92

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen

nee


les

5

Heksen, brandstapels en bezemstelen … Zelfstandige naamwoorden

zelfstandig naamwoord herkennen en aanduiden

genus bepalen

ENKELVOUD EN MEERVOUD gebruiken

1

Wat weet je nog? OPDRACHT 1

IN

lidwoord kiezen

toneelstukje BEWERKEN

Kun jij alle zelfstandige naamwoorden vinden? Test jezelf en houd je voortgang bij op diddit.

Markeer de zelfstandige naamwoorden in de tekst.

N

Door boeken, films en strips hebben velen van ons een vastomlijnd idee gekregen van hoe heksen en tovenaars eruitzien. Heksen zijn steevast lelijke oude feeksen met een puntmuts. Tovenaars zijn oude mannen met lang, zilvergrijs haar en een enge mantel met capuchon. Toch zou die beschrijving vele mensen in verschillende delen van de wereld niets zeggen. Sommige mensen stelden zich magiërs voor als vreemd uitziende figuren. Andere mensen denken net dat tovenaars er heel gewoon uitzien en zich enkel onderscheiden door hun geheime kennis van de magie. D. Hill. Ooggetuigen – Heksen en tovenaars. Amsterdam, Memphis Belle

Zelfstandige naamwoorden geven een naam aan personen, voorwerpen …

VA

OPDRACHT 2

Om een zelfstandig naamwoord te kunnen vinden, is het goed dat je een paar dingen weet. Lees de weetjes en los de vragen op.

weetje

Voor de meeste zelfstandige naamwoorden kun je een lidwoord zetten.

Voorbeeldzin: In het verhaal van Sneeuwwitje is de jaloerse stiefmoeder eigenlijk een heks.

1 Zoek in de voorbeeldzin die woorden waar je een lidwoord voor kunt zetten en som ze op. Schrijf het

©

lidwoord erbij:

2 Welke verschillende lidwoorden heb je ontdekt? Wanneer gebruik je elk van die lidwoorden? Kijk eventueel in een woordenboek.

woord

de capuchon: een kap aan de kraag van een trui, jas of T-shirt

LES 5 Heksen, brandstapels en bezemstelen … Zelfstandige naamwoorden

93


3 In de voorbeeldzin vind je één zelfstandig naamwoord waar je geen lidwoord (in het enkelvoud) voor kunt zetten. Om welk woord gaat het? Hoe komt het dat je voor dat woord geen lidwoord kunt plaatsen? 4 Kies een gepast lidwoord bij het zelfstandig naamwoord: de of het. a     blik van de leraar voorspelt niet veel goeds. b Gooi     blik altijd waar het hoort.

IN

c De spits raakte     bal met zijn linkerhand. d Op     bal van de burgemeester was veel volk.

wat

Het zelfstandig naamwoord – het lidwoord

Een zelfstandig naamwoord (zn) geeft een naam aan een persoon, dier, zaak of begrip. Bv. de heks - de kat - het hout - de angst

N

Ze kunnen in het enkelvoud of het meervoud voorkomen en ook als verkleinwoord. Bv. kruiden - sprookjes - het vrouwtje Voor de meeste zelfstandige naamwoorden kun je een lidwoord zetten. Bv. het verhaal – de stiefmoeder – een heks

VA

‘Een’ is een onbepaald lidwoord en kun je voor bijna alle zelfstandige naamwoorden gebruiken. Bv. een verhaal – een stiefmoeder – een heks

©

‘De’ en ‘het’ zijn bepaalde lidwoorden. Je gebruikt ‘de’ voor mannelijke en vrouwelijke woorden en ‘het’ voor onzijdige woorden. Bv. verhaal (onzijdig) g het verhaal stiefmoeder (vrouwelijk)  de stiefmoeder Als je het woord door ‘hij’ of ‘zij’ probeert te vervangen, ontdek je het De keuze van het lidwoord kan een andere genus. betekenis geven aan het zn. Bv. de voetbal (bal) ‒ het voetbal (spel) een vriend (een van de vele vrienden) – de vriend van mijn zus (slechts een specifieke vriend)

tip

Omdat in het Nederlands mannelijke en vrouwelijke woorden allebei het lidwoord ‘de’ krijgen, voelen wij niet altijd goed aan of een woord mannelijk of vrouwelijk is. Het genus van een woord kun je vinden in het woordenboek. Voor woorden die een persoonlijke naam aanduiden voor iets of iemand (eigennaam), kun je geen lidwoord zetten. Bv. Sneeuwwitje Het ontkennend lidwoord ‘geen’ duidt op de afwezigheid van iets of op een ontkenning. Bv. Geen mens zal dat geloven.

94

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen


OPDRACHT 3

Woordfamilie: lees de woordenrijen.

Welke woorden zijn zelfstandige naamwoorden? Markeer ze. heksje – hekserij – geheks – heksen – behekst toveren – tovenaar – betoverd – tovenarij – toverstaf angst – beangstigend – angstig – angsthaas – angsten vrouwtje – vrouwen – vrouwelijk – vrouw – jonkvrouw

film – verfilmd – filmisch – Harry Potterfilms

OPDRACHT 4

Lees dit artikel.

1 Markeer alle zelfstandige naamwoorden. 2 Omcirkel alle eigennamen met groen.

IN

kruiden – kruidig – gekruid – kruidje-roer-mij-niet

Blijf uit de buurt van een zwarte kat

VA

N

Vroeger geloofden sommige volkeren dat de kat het symbool was van het kwaad. Duivels en heksen konden veranderen in katten. In de middeleeuwen had vooral de zwarte kat het zwaar. Er bestonden spelletjes om de dieren pijn te doen of te doden. In Frankrijk en Portugal werden katten verbrand in een zak. De overblijfselen zouden geluk brengen. Vele mensen geloven nog altijd dat een zwarte kat ongeluk brengt. Je wilt dus geen zwarte kat tegenkomen op straat. In sommige landen of culturen is het anders. In Engeland brengt een zwarte kat net geluk en brengt een witte kat ongeluk. De oude Egyptenaren vereerden dan weer de kat. Ze hadden zelfs een godin met het hoofd van een kat. Ze heette Baset. Naar: ‘Samenleving: Blijf uit de buurt van een zwarte kat', Wablieft

OPDRACHT 5

Herlees de voorbeeldzin. Ontdek meer over het meervoud.

Voorbeeldzin: In het verhaal van Sneeuwwitje is de jaloerse stiefmoeder eigenlijk een heks.

©

a Ga na of de zelfstandige naamwoorden uit de voorbeeldzin een meervoud hebben. Onderzoek ook wat er met het lidwoord gebeurt.

weetje De meeste zelfstandige naamwoorden hebben een meervoud.

b Wat valt je op? Bekijk ook het lidwoord.

LES 5 Heksen, brandstapels en bezemstelen … Zelfstandige naamwoorden

95


wat Meervoud van een zelfstandig naamwoord De meeste zelfstandige naamwoorden hebben een meervoud. Bv. de verhalen – de stiefmoeders – de heksen

Hoe vorm je het meervoud? voorbeelden treinen, boeken, ramen

IN

Woorden die een persoonlijke naam (eigennaam) van iemand of iets aanduiden, hebben meestal geen meervoud. Bv. Sneeuwwitje, Zweinstein

Waarom?

De meeste zelfstandige naamwoorden krijgen in het meervoud -en.

tekens, twijfels, telefoons groenten of groentes, perioden of periodes leraren of leraars, appelen of appels

Ook -s is een veelvoorkomende meervoudsvorm.

Soms zijn er dubbelvormen en is zowel -(e)n als -s mogelijk. Er bestaan ook speciale meervoudsvormen.

vat – vaten, voetpad – voetpaden maar: handvat – handvatten

Een korte klinker wordt soms lang in het meervoud.

geluk jaloersheid rubber vee

Er zijn zelfstandige naamwoorden die geen meervoudsvorm hebben.

VA

N

mogelijkheden gelederen (meervoud van gelid) lammeren, eieren, steden, koeien

zeeman – zeelui/zeelieden

kikvorsmannen, ombudsmannen, barmannen

©

criterium g criteria datum g data politicus g politici basis g bases criteriums, datums, basissen, crisissen

Het meervoud van beroepsaanduidingen op -man: • -man verandert in -lui/-lieden. De vorm op -lieden is deftiger. • Recentere beroepsaanduidingen vormen hun meervoud meestal op -mannen. Bij woorden uit het Latijn of het Grieks • wordt het meervoud soms mee ontleend; • kun je in vele gevallen ook -s of -en als meervoud gebruiken. Gebruik nooit een dubbele meervoudsvorm (een stapelmeervoud)!

blad: bladen (van een schrift) of bladeren (van een boom) Soms geeft een andere betekenis van eenzelfde woord pad: padden (dier) of paden (weg) (homoniemen) een ander meervoud.

96

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen


Hoe spel je het meervoud? voorbeelden

Waarom?

hond – honden, dier – dieren, geest – geesten

Dikwijls schrijf je wat je hoort. Woorden die eindigen op één medeklinker: • bij een lang uitgesproken klinker op het einde van de klankgroep schrijf je een enkele medeklinker; • bij een kort uitgesproken klinker met een medeklinker aan het einde van de klankgroep schrijf je een dubbele medeklinker.

persoon – personen, maan – manen

maar: vonnissen, dromedarissen, secretarissen dreumesen, luiwammesen (wel zessen) viezeriken, perziken (wel ogenblikken = blik) lemmeten (wel sigaretten, korte metten) kieviten (maar gebitten), engelen reis – reizen, duif – duiven pausen, kersen, wensen, koersen, mensen, kousen filosofen, biografen, nimfen, paragrafen perspectieven, octaven, statieven

-is wordt altijd -issen Als er geen klemtoon ligt op -es, -ik, -et, -it, -el verdubbelt de medeklinker niet.

IN

kat – katten, man – mannen, handvat – handvatten

Toch blijft in veel gevallen de -s behouden.

In woorden met Griekse delen blijft de -f behouden. maar: niet in woorden van Latijnse afkomst Woorden die eindigen op twee klinkers: -ee wordt soms -eeën; -ie wordt -ieën (indien klemtoon op -ie) of -iën of -s.

N

ree – reeën, twee – tweeën, fee – feeën knieën, melodieën, epidemieën, drieën bacteriën, traliën of tralies

De slotmedeklinkers -s en -f veranderen meestal in -z en -v.

Woorden die eindigen op enkele a, i, o, u, medeklinker + y krijgen ’s om een verkeerde uitspraak te voorkomen (de klinker blijft lang uitgesproken). lentes, cafés, dictees, taboes, bureaus, etuis, milieus, Als er geen verkeerde uitspraak mogelijk is (combinatie van klinkers, doffe e of é, klinker + y), schrijf je geen discjockeys apostrof.

VA

ski’s, agenda’s, party’s, papa’s

Letterwoorden krijgen ’s, behalve als ze op een s-klank eindigen: dan schrijf je ’en.

OCMW’s, gsm’s maar: x’en, sms’en

OPDRACHT 6

Verander het getal van de onderstreepte zelfstandige naamwoorden: enkelvoud wordt meervoud en omgekeerd.

©

De school zet de deuren open op 24 en 25 mei.

Hoe kun je online boeken bestellen?

Er staan veel bomen in het park.

Er staan bijna geen huizen aan de rechterkant van de straat.

Hij stuurt je zijn allerbeste wens.

Na die hevige storm moest het dak hersteld worden.

Wat is de belangrijkste stad in Nederland?

De jongen bestuurde de auto heel voorzichtig.

LES 5 Heksen, brandstapels en bezemstelen … Zelfstandige naamwoorden

97


OPDRACHT 7

Kijk naar de meervoudsvorming.

1 Bij sommige zelfstandige naamwoorden gebeurt er iets vreemds bij de meervoudsvorming. Omcirkel het zelfstandig naamwoord dat niet in het rijtje thuishoort. Verduidelijk je keuze. a bezemsteel – puntmuts – pad – toverstok b kind – lam – hersenen – ei

c aardappel – horloge – keuze – gemeente d wereld – muziek – vriend – melk

IN

N

2 Twijfel je soms over de spelwijze van een meervoud? Dat is heel begrijpelijk. Vergelijk deze woorden maar eens. MAAR

dommerik g dommeriken

muis g muizen

paus g pausen

brief g brieven

fotograaf g fotografen

melodie g melodieën

bacterie g bacteriën

café g cafés

ski g ski’s

hobby g hobby’s

spray g sprays

zee g zeeën

abonnee g abonnees

gsm g gsm’s

bmx g bmx’en

©

VA

ogenblik g ogenblikken

98

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen


a Zoek in de schema’s ‘Hoe vorm je het meervoud?’ en ‘Hoe spel je het meervoud?’ op p. 96 en p. 97 hoe het verschil in spelling te verklaren valt. b Schrijf het meervoud van deze woorden in het juiste vakje van de tabel. baby – bedrijf – cd – comité – cowboy – dictee – duo – dwaas – een x – fantasie – filosoof – gans – graaf – idee – jockey – kaars – lolly – luierik – muisklik – olie – oma – perzik – porie – portemonnee – prins – sms – statief – tante – theorie – trofee – tv – valstrik c Lees de tekst. Gebruik het genus van het zelfstandig naamwoord. Vul de ontbrekende woorden in en markeer het woord waarnaar ze verwijzen. Zoek het genus van dat woord op in een woordenboek en controleer.

IN

Alle vrouwen, of liever heksen, zaten onbeweeglijk op hun plaats en staarden als

gehypnotiseerd naar iemand die plotseling op het podium was verschenen. Het

was ook een vrouw.      was klein, vast niet meer dan een meter veertig.      droeg een nogal elegante, lange zwarte japon.      kwam tot op de grond. Haar lange zwarte handschoenen kwamen tot aan haar ellebogen. Anders dan de anderen had ze geen hoed op.

Ik vond helemaal niet dat ze op een heks leek, maar ze kon onmogelijk geen heks

N

zijn, wat deed ze daar anders op dat podium?

Heel langzaam hief de jonge vrouw op het podium haar handen op naar haar gezicht. Ik zag haar gehandschoende vingers iets loshaken achter haar oren en toen … toen pakte ze haar wangen vast

VA

en trok haar gezicht eraf! Met haar handen haalde ze      zo weg. Het was een masker! Ze legde      voorzichtig op een tafeltje naast zich. Daarna keerde ze zich weer naar ons toe; en ik schreeuwde het bijna uit!

R. Dahl. De heksen. Baarn, De Fontein

OPDRACHT 8

Herlees de voorbeeldzin. Ontdek meer over verkleinwoorden.

©

Voorbeeldzin: In het verhaal van Sneeuwwitje is de jaloerse stiefmoeder eigenlijk een heks.

a Ga na of de zelfstandige naamwoorden uit de voorbeeldzin een verkleinwoord hebben. Onderzoek ook wat er met het lidwoord gebeurt.

weetje De meeste zelfstandige naamwoorden hebben een verkleinwoord.

woord

gehypnotiseerd g de hypnose: een kunstmatig opgewekte slaaptoestand elegant: bevallig, sierlijk, stijlvol

LES 5 Heksen, brandstapels en bezemstelen … Zelfstandige naamwoorden

99


b Wat valt je op? Bekijk ook het lidwoord.

wat Het verkleinwoord van een zelfstandig naamwoord

IN

De meeste zelfstandige naamwoorden hebben een verkleinwoord. Bv. het verhaaltje – het stiefmoedertje – het heksje

Woorden die een persoonlijke naam aanduiden van iets of iemand (eigennaam), hebben meestal geen verkleinwoord. Soms zijn die woorden al een verkleinwoord op zich. Bv. Sneeuwwitje – (Hans en) Grietje

Het verkleinwoord

N

Je gebruikt verkleinwoorden om iets kleins aan te geven, maar een verkleinwoord duidt soms ook een bepaalde gevoelswaarde aan. Bv. Wat een lief hondje. (teder, liefkozend) Onze buur kocht een nieuw autootje. (ironisch bedoeld)

voorbeelden

Je maakt een verkleinwoord door een achtervoegsel bij het zelfstandig naamwoord te voegen. De meest gebruikte achtervoegsels zijn: -tje, -etje, -je en -pje.

VA

potje, bloemetje, boekje, boompje, raampje

Waarom?

Die regel geldt ook voor vreemde woorden.

s’je, cd’tje, gsm’etje

Verkleinwoorden van afkortingen schrijf je met een apostrof.

jongen – jongetje nieuws – nieuwtje

De -n valt weg bij jongen. De -s valt weg bij nieuws.

weg – weggetje spion – spionnetje bal – balletje lam – lammetje

Soms verdubbel je de eindmedeklinker om de correcte uitspraak van de klinker te bewaren.

auto – autootje villa – villaatje paraplu – parapluutje café – cafeetje

Wanneer het zelfstandig naamwoord eindigt op a, o, u, é, verdubbel je die.

baby – baby’tje, pony – pony’tje taxi – taxietje, ski – skietje

Wanneer het zelfstandig naamwoord eindigt op een medeklinker + -y krijg je ’tje als uitgang; -i krijg je ietje als uitgang.

auto-tje, paraplu-tje, ski-tje, pony-tje

Bij het splitsen val je terug op het grondwoord.

©

cakeje, jungletje, rendez-voustje

100

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen


voorbeelden

Waarom?

koning – koninkje woning – woninkje

Woorden op -ing krijgen -inkje als de klemtoon van het woord op het deeltje voor -ing valt. De klemtoon valt op -ing zelf: -etje De klemtoon valt niet op het deel net voor -ing: -etje

ring – ringetje, ding – dingetje vergadering – vergaderingetje

OPDRACHT 9

IN

pralientje, aspirientje Als bij een verkleinwoord van een zelfstandig (Je zegt niet aspirinetje, maar aspirientje, dus schrijf je naamwoord van Franse oorsprong de eind -e niet ook aspirientje.) uitgesproken wordt, past de spelling zich aan.

Kijk naar de vorming van het verkleinwoord.

a Maak een verkleinwoord van de zelfstandige naamwoorden die tussen haakjes staan. Hij zal straks alles op een (rij)       zetten. Axel is echt geen heilig (boon)       .

Edward kent het allemaal op zijn (duim)       . Miet houdt de (touw)        stevig in handen.

N

Siska neemt te veel een (loop)        met de waarheid.

Hun oma zou vandaag een (oog)        in het zeil houden. De leraar wil altijd de (punt)        op de i zetten. Dat is werkelijk het (neus)        van de zalm.

VA

Die pester kreeg uiteindelijk een (koek)        van eigen deeg.

De tweeling zal toch een (tand)        moeten bijsteken, of het zal niet goed aflopen.

b Ga de uitdaging aan en noteer de verkleinwoorden van deze zelfstandige naamwoorden. diner –          gsm –

tiramisu –

©

+

douche –          sardine –

LES 5 Heksen, brandstapels en bezemstelen … Zelfstandige naamwoorden

101


2

Oefenen met zelfstandige naamwoorden OPDRACHT 10

Lees het artikel.

1 Markeer alle zelfstandige naamwoorden. Pluk een klavertjevier

Naar: ‘Samenleving: Pluk een klavertjevier‘, Wablieft

+

IN

Het klavertjevier is een teken van geluk. Klaver zou beschermen tegen betoveringen van heksen, en dan vooral het klavertjevier. Wie een klavertjevier heeft, kan zien welke mensen heksen zijn. Ook kun je dan onzichtbare feeën zien. Als je droomt van een klavertjevier, zul je lang en gelukkig getrouwd zijn. Als een meisje een klavertjevier in haar rechterschoen doet, zal zij trouwen met de eerste man die zij tegenkomt. Dat kan dus een geluk of een ongeluk zijn. Een klavertje met vijf blaadjes laat je het best staan. Het zou ongeluk brengen.

N

2 Herlees het artikel. Maak van alle zelfstandige naamwoorden een verkleinwoord. Welke problemen/bijzonderheden kom je tegen bij deze zelfstandige naamwoorden? de eerste man die

VA

geluk ongeluk meisje

Vul het verkleinwoord van het opgegeven woord in. Welk effect krijg je? Bespreek samen met je buur.

©

OPDRACHT 11

Kies uit deze mogelijke effecten: klein – liefkozend – ironisch – speels – teder – meevoelend – verbloemend

foto

Ik heb jouw

altijd in mijn portemonnee.

cadeau

Wat een lief

!

A4

Moet al die informatie op een

?

X

Veel

baby

Je was een schattig

vakantiewoning Ons schip

102

Het

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen

van je allerliefste zoon. . lag prachtig tegen een heuvel aan. meerde aan in de haven.


pad

Blijf op het

trofee

Het was leuk dat elk kind een

melodie

Ik krijg dat

, je mag niet op het gras lopen. kreeg. niet uit mijn hoofd.

Onderzoek ook deze verkleinwoorden.

OPDRACHT 12

a Schrijf naast elk verkleinwoord de gewone vorm van het zelfstandig naamwoord.

lammetje

rendez-voustje winterkoninkje diefstalletje

cakeje

IN

bloempje

jongetje

pianootje

defileetje

skietje

b Markeer de letters die bij het zelfstandig naamwoord (grondwoord) gevoegd werden om het te verkleinen. Bespreek samen. Noteer een kort besluit.

N

c Met welk woord uit a kun je deze vergelijken? Geef telkens het verkleinwoord.

– kom

VA

– taxi

– bal

– paraplu

– café

waarheen

Je kunt:

een zelfstandig naamwoord herkennen en de kenmerken geven; een gepast lidwoord bij een zelfstandig naamwoord gebruiken; het genus van een zelfstandig naamwoord opzoeken/geven; het meervoud van een zelfstandig naamwoord vormen; het verkleinwoord van een zelfstandig naamwoord vormen; het effect van het gebruikte verkleinwoord geven;

©

• • • • • •

LES 5 Heksen, brandstapels en bezemstelen … Zelfstandige naamwoorden

103


goochelen met zelfstandige naamwoorden Oriënteren

o

v

u

r

1 Lees aandachtig het toneelfragment. Wat valt je op? Is het eenvoudig om de tekst te begrijpen?

Voorbereiden

o

v

u

r

IN

2 Bewerk het toneelstukje creatief per twee. Vervolgens breng je het op een overtuigende manier voor de klas.

Uitvoeren

N

a Vul de gaten met zelfstandige naamwoorden. Kies zorgvuldig. Afhankelijk van de woorden die jij kiest, wordt het stuk grappiger, ernstiger, geloofwaardiger … b Tevreden? Verdeel dan de rollen. Wie speelt de goochelaar? Wie neemt de rol van assistent voor zijn rekening? c Decor: wat heb je nodig om een gepast decor te maken? Wie brengt wat mee naar de klas? Maak afspraken. d Oefenen maar!

o

v

u

r

3 Breng het toneelstukje voor de klas. Houd rekening met de criteria in het reflectiekader.

VA

Reflecteren

o

v

u

r

4 Hoe ging het?

©

In orde Je traject naar succes

jij

je klasgenoot

Je hebt het toneelfragment creatief bewerkt met goedgekozen zelfstandige naamwoorden.

1234

1234

Je zorgt voor passende attributen en decorelementen.

1234

1234

Je leeft je goed in je rol in.

1234

1234

Je spreekt voldoende luid.

1234

1234

Je articuleert duidelijk.

1234

1234

Waar ben je tevreden over?

Noteer een werkpuntje voor jezelf: wat zou je een volgende keer anders aanpakken?

104

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen


les

6

Speeddaten met een boek

kern van het verhaal achterhalen

spreken over boeken spreken over leesgedrag

Eerste date: op wandel … OPDRACHT 1

Lees de tekst. Bespreek per twee.

Speeddaten in de bibliotheek

IN

1

leesvoorkeur VERWOORDEN

N

Blind daten, speeddaten, internetdaten: je kunt het zo gek niet bedenken of het bestaat. Nu bestaat er ook zoiets als bibdaten. De deelnemers praten over hun passie voor boeken.

VA

De bibliotheek van Leuven organiseerde in het kader van Kulturama voor de eerste keer een bibdating. Het leek een beetje op speeddating, maar dan tussen de boeken. De organisatoren wilden komaf maken met het stereotiepe beeld dat bibliotheken muf en saai zijn. Een tijdje geleden had de bibliotheek al zoiets georganiseerd tijdens de Week van de Bibliotheek, maar dat had toen weinig succes. Frederika Van Wing is laaiend enthousiast over bibdating. ‘Het is voor iedereen toegankelijk, je hoeft geen vrijgezel te zijn. Het is een originele formule om over boeken te praten en nieuwe mensen te leren kennen. Natuurlijk kun je eraan deelnemen om aan een lief te geraken, maar je kunt ook gewoon nieuwe vrienden maken die dezelfde passie voor boeken delen als jij.’ Naar: ‘Speeddaten in de bibliotheek’, De Standaard

1 Zou jij aan zo’n initiatief willen deelnemen? Waarom wel/niet?

©

2 Ben je lid van een bibliotheek?

3 Neem je weleens deel aan initiatieven van de bib? Welke? 4 Formuleer een suggestie voor een activiteit die de bib in jouw gemeente kan organiseren.

woord

stereotiep: traditioneel, vastgeroest

LES 6 Speeddaten met een boek

105


OPDRACHT 2

Wat wil je weten van een ander als het over boeken gaat?

1 Noteer drie vragen op een klein blaadje, waarin je informeert naar persoonlijke boekenweetjes. Dat kan gaan over favoriete boeken of auteurs …

OPDRACHT 3

N

Tweede date: spreken over boeken OPDRACHT 4

Je antwoord is meer dan ja of nee. Vul aan met ‘want … ‘, ‘omdat …’ Je kunt ook doorvragen als je meer wilt weten dan wat je als antwoord krijgt.

Noteer twee zaken die je uit de eerste date wilt onthouden.

2

tip

IN

2 Wandel door de ruimte. Stel je vraag bij een ontmoeting aan een klasgenoot. Ga dan verder en stel een nieuwe vraag aan een andere klasgenoot.

Bekijk de cover en eerste bladzijde van elk boek.

De vlucht van de kraanvogel – Danny De Vos

VA

Na de scheiding was alles verdeeld. De witleren sofa bleef bij zijn moeder in het oude huis. De rode koelkast ook. Net als de grote keukentafel, het tweepersoonsbad, de foto’s aan de muur en de kerstboom (die nep was). Nu Melle Kriekemans erover nadacht, besefte hij ineens dat zijn vader vooral boeken had meegenomen. En wat kleren. Het was alweer een paar jaar geleden dat hij vertrokken was. Veel was er voor Melle toen niet veranderd, alleen dat zijn vader sindsdien een paar straten verderop woonde. Zijn moeder was zelfs in het drukke advocatenkantoor van haar ex blijven werken. Echte ruzie hadden zijn ouders dus niet. Tot nu.

‘Mijn besluit staat vast. Het spijt me, Melle, maar we gaan verhuizen’, had Suzannah op een dag bij het ontbijt gezegd.

©

‘Verhuizen? Waarom?’

Melle wilde helemaal niet verhuizen. Hij vond dat zijn moeders uitleg nergens op sloeg: een nieuw leven beginnen kon ze alleen maar doen op een plek waar niets haar nog aan haar oude leven deed denken. Huh? En hij dan? Deed hij haar niet aan haar oude leven denken? Verhuizen was veel erger dan de scheiding zelf. Maar er was niets aan te doen, Suzannah dreef haar zin door. Zelfs zijn vader, die het verhuisidee ook waanzin vond, kon haar niet ompraten. Er was zo’n daverende ruzie van gekomen dat zijn moeder ontslag had genomen. D. De Vos. De vlucht van de kraanvogel. Amsterdam, Ploegsma

106

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen


Broederband – De spookgezichten – John Flanagan ‘Dat bevalt me niks’, zei Thorn. Er verscheen een rimpel in zijn neus terwijl hij de vochtige zeelucht opsnoof. Hij stond met Hal op de pier van het haventje van Kasteel Dun Kilty in Clonmel. Het kasteel lag een paar kilometer landinwaarts en het haventje was de uitvalsbasis voor een bescheiden vissersvloot, die voedsel voor de kasteelbewoners en het omliggende stadje verzorgde. Daarnaast legden er soms schepen aan met berichten voor koning Sean, de heerser van Clonmel.

IN

Een van die schepen was de Reiger. De bemanning had een pakket getekende en verzegelde papieren aan de koning overhandigd waarin het verdrag tussen Skandia en Clonmel werd bevestigd. Soortgelijke overeenkomsten waren in de drie andere koninkrijken aan de Hiberniaanse kust afgeleverd. Erak schakelde voor dergelijke taken graag de Reiger in. Het was een snel en beweeglijk schip en Hal was een betrouwbare navigator. Hun taak zat er nu op en het werd tijd om terug naar huis te gaan. Het weer beloofde echter weinig goeds. J. Flanagan. Broederband 6 - De spookgezichten. Haarlem, Gottmer

Littekens – Anke de Vries

N

Ze zag de jongen te laat. Hij zat bij de driesprong en leunde met zijn rug tegen een boomstam. Enkele meters van hem vandaan lag een fiets in de berm. Clara hield haar pas in en stond in tweestrijd. Teruggaan was opvallender dan gewoon voorbijlopen. Ze stak de weg over, zodat de afstand tussen hen groter zou zijn als ze hem passeerde.

VA

De stem van Stromae zong door. De muziek op haar iPod had haar zo in beslag genomen dat ze niet op de omgeving had gelet en nu zat daar opeens die jongen, leunend tegen een eik. Waarschijnlijk een toerist die op doortocht was. Ze zou geen notitie van hem nemen en gewoon doorlopen.

Clara duwde de donkere zonnebril vaster op haar neus. De zon brandde, het was bloedheet, haar T-shirt plakte op haar huid. De driesprong naderde, ze versnelde haar pas en bleef star voor zich uitkijken. Stromae begon aan een nieuw lied. De afstand tussen haar en de jongen werd steeds kleiner en ze merkte verschrikt op dat hij wat moeizaam aanstalten maakte om te gaan staan. Ik negeer hem gewoon, sprak ze zichzelf toe. Vanuit haar ooghoeken zag ze hem staan. Zijn mond bewoog, maar ze verstond hem niet door de muziek. Ook al had ze hem verstaan, dan zou ze nog niet gereageerd hebben.

©

A. de Vries. Littekens. Rotterdam, Lemniscaat

LES 6 Speeddaten met een boek

107


N

IN

Bekijk ook deze twee boeken: 20 vragen voor Gloria – Martyn Bedford Lichaam van licht – Jelmer Soes

1 Maak een keuze: welk boek zou je wel willen lezen? Welk boek zou je niet willen lezen?

VA

2 Waarover zal het boek dat je wel wilt lezen gaan? Noteer de kern van het verhaal. Waar vond je de info? Titel boek:

Kern van het verhaal:

De kern heb je afgeleid uit:

OPDRACHT 5

Wandel opnieuw door de klas.

©

Deel je keuze mee aan de klasgenoot die je ontmoet. Je wisselt je keuze uit met minstens drie leerlingen.

Je kunt: • • • •

108

vertellen waarom je voor een bepaald boek kiest; de kern van het verhaal achterhalen voor het lezen; spreken over lezen en je eigen leesgedrag; stilstaan bij het lezen door er met een ander over te praten.

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen

waarheen


Laat je niet zomaar verleiden Oriënteren

o

v

u

r

1 Welke verhalende boeken vond je leuk om te lezen?

Voorbereiden

o

v

u

r

2 Breng zo’n boek mee naar de klas.

Uitvoeren

o

v

u

r

IN

3 Bereid je goed voor: vertel kort waarom een klasgenoot het ook zou moeten lezen. Wat is de kern van het verhaal?

N

4 Je werkt in duo’s en schuift twee keer door. a Je voert een gesprek over je boek. Een gesprekje duurt telkens twee minuten, dan neemt de ander over. Na de tweede twee minuten schuift een leerling door. De leraar geeft aan hoe dat gebeurt. b Stel je boek kort voor: wat is de kern van het verhaal? c Stel elkaar vragen over het boek. d Overtuig de ander om het boek te lezen.

Reflecteren

o

v

u

r

VA

5 Maak een verlanglijstje en noteer voor jezelf minstens twee titels van boeken die je wilt lezen. Stop je lijstje in je leesmap of literatuurportfolio. 6 Beantwoord de vragen.

a Wie heeft jou het meest geboeid? Waarom?

b Wie is je als vlotte verteller bijgebleven?

©

c Noteer van beiden een positief element.

LES 6 Speeddaten met een boek

109


UITDAGING: ONTMASKER DE LEUGENAAR Je werkt voor deze les in groepjes van drie. Je vormt een team van ‘De drie wijzen’.

Oriënteren

o

v

u

r

Om te weten wie liegt en wie de waarheid vertelt, is het interessant om eerst de leugenaar te zoeken. Of lijkt dat gemakkelijker dan gedacht?

Voorbereiden

o

v

u

r

IN

1 Lees de tekst ‘Zeven tips om een leugenaar te ontmaskeren’ ter inspiratie.

2 Welke tips uit de tekst vind je interessant om te onthouden tijdens deze opdracht? Noteer er minstens drie. Het mag kort en eventueel schematisch.

Uitvoeren

N

o

v

u

r

VA

3 Je speelt het spel van ‘De drie wijzen’. Je krijgt twee opdrachten als voorbereiding.

Reflecteren

o

v

u

r

4 Hoe ging het?

jij

je klasgenoot

Je hebt minstens drie tips uit de tekst gehaald.

1234

/

Je brengt je woordverklaring overtuigend en duidelijk.

1234

1234

1234

1234

©

Je traject naar succes

Je persoonlijk verhaal is logisch opgebouwd. Werkpuntje voor jezelf:

Dit deel is nu afgerond. Bekijk ook de werkpuntjes en de criteria bij elke pitstop of leesstop van dit deel. Vul aan voor jezelf:

110

dit gaat vlot:

dit vraagt training:

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen


De laatste ronde Welk woord of welke uitdrukking associeer je met deze afbeeldingen? Noteer.

OPDRACHT 2

IN

OPDRACHT 1

Lees de tekstjes. Welk synoniem kun je gebruiken voor wat onderstreept is? Noteer.

In Engeland vergat een voetbalscheidsrechter een muntje voor de toss. Het resultaat: een schorsing van 21 dagen. Een toss is belangrijk in veel sporten, maar welke andere mogelijkheden bestaan er?

N

Het Belgische voetbal zit na de operatie ‘Schone handen’ in een heel onaangename situatie. Zouden er matchen verkocht zijn? Verliepen alle wedstrijden op een eerlijke manier? Verscheidene mensen zijn aangehouden.

VA

Bij de lancering van een Sojoez-draagraket met een bemanningsruimte voor het Internationaal Ruimtestation ISS is vandaag een probleem ontstaan. De bemanningsruimte met twee opvarenden moest een noodlanding maken. De twee astronauten verkeren in ‘goede conditie’ en werden intussen uit hun bemanningsruimte bevrijd.

Ik wil dj worden, wat heb ik nodig? Je denkt er al een tijd over na, maar wilt nu echt de stap zetten. Alleen weet je niet welke spullen je nodig hebt om je eerste dj-mix te draaien. Op deze pagina lees je waar je op moet letten tijdens het kiezen van een dj-set voor beginners.

Noteer onder elk woord het passende synoniem.

©

OPDRACHT 3

niet te veranderen

aardrijkskundig

de opdracht

Vul dat synoniem in de passende zin aan.

1 In Europa is de Antwerpse haven            centraal gelegen. Ze is verbonden met alle continenten. Zeeschepen van over de hele wereld komen er binnenvaren. 2 De beslissing van de rechter was           . Tegen de uitspraak kon niet meer in beroep gegaan worden.

DE LAATSTE RONDE

111


De laatste ronde 3 Defensie heeft zijn belangrijkste militaire            voor volgend jaar voorgesteld. De strijd tegen het terrorisme en de radicalisering blijven de belangrijkste opdracht, in binnen- en buitenland.

OPDRACHT 4

Vul de zinnen aan met een geschikte context die je zelf kiest.

1 Toen de jongen zijn capuchon 2 In dat continent bevinden zich

3 Het zag er erg benard uit toen 4 Er was geen alternatief, want OPDRACHT 5

IN

Welk woord omschrijft de woordgroep?

deel van de wereld

N

geen planten eten

kunstmatige slaaptoestand

Schrijf bij de foto’s een korte, passende context. Verwerk er de opgegeven woorden in.

VA

OPDRACHT 6

carnivoor – onherroepelijk

elegant – capuchon

©

attributen – aan handen en voeten gebonden – pralines maken continent

112

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen


De laatste ronde OPDRACHT 7

Ga aan de slag met nog meer woorden.

1 Verzamel op een apart blad per twee zo veel mogelijk woorden met ‘kamp’. Wie wint? 2 Bedenk minstens tien synoniemen voor het woord ‘vertellen’ of voor een vorm van ‘spreken’. Maak met drie van die woorden een mooie zin. Noteer op een apart blad.

4 Wat wordt er bedoeld? – Eerst water, de rest komt later!

IN

3 Maak een woordveld. Noteer ‘griezelen’ … centraal. Noteer verwante woorden en zoek enkele synoniemen.

– Met vuur spelen.

N

– Olie op het vuur gooien.

– Het is water en vuur.

VA

– Als klap op de vuurpijl.

Welke van die uitspraken is letterlijk bedoeld?

OPDRACHT 8

Wees creatief!

Op zoek naar een griezelverhaal …

Schrijf een griezelverhaal met je klas (of in groepen van zes leerlingen). Verzin eerst samen een thema en een (voorlopige) titel. Elke leerling schrijft om beurten een zin. Lees goed wat er al staat en ga verder met het verhaal. Je verhaal is maximaal één pagina A4-formaat. Overlees op het einde van de oefening de tekst met z’n allen. Misschien kun je hem nog wat bijschaven.

©

– – – – –

Geef je verhaal af aan de leraar. Wie leest het verhaal op een gepaste manier voor in de klas?

woord

verwant (aan): trekken van overeenkomst vertonend

DE LAATSTE RONDE

113


IN N VA

© 114

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen


deel 3

VA

N

IN

ontdekken

© Merel van den Enden

1 Vertel wat je ziet (of niet ziet) op de foto. Denk daarbij aan de w-vragen. 2 Is er maar één persoon te zien? Voorspel wat ze elkaar vertellen. 3 Welk verhaal zou de fotograaf met dit beeld willen vertellen? Zou je bij de foto zelf een verhaal kunnen ­verzinnen? Waarover zou dat dan gaan?

©

4 De foto geeft een vreemde gebeurtenis weer. Het is een eigenaardig beeld. Ken jij andere vreemde dingen in onze wereld of in de ruimte? 5 Hoe zou de fotograaf dit beeld gemaakt hebben? Zou je termen zoals close-up en totaalbeeld hier kunnen gebruiken? Bespreek samen.

115


HET GEHEIM Luc Descamps

10

15

Het berichtje kwam om twee minuten over half acht. ‘Er zit iets in je brievenbus.’ Anoniem. Fronsend vroeg Jasper zich af van wie het berichtje kwam. Hij zat al een uur lang zijn hoofd te breken op de opdracht van mevrouw Van der Wee. Geen nieuwe berichten in zijn mailbox. Waarschijnlijk een of andere flauwe grappenmaker. Tenzij … zou die persoon echt de brievenbus bedoelen? Jasper haastte zich de trap af en glipte de voordeur uit. Het puntje van een rode envelop stak uit de brievenbus. Jasper keek verbaasd om zich heen, maar zag niemand. ‘Voor Jasper’ stond er op de envelop. Nieuwsgierig liep hij terug naar zijn kamer en scheurde de envelop open. Geen afzender. ‘Als je een groot geheim wilt kennen, volg dan deze instructies nauwgezet op.’ Onder het bijgevoegde plannetje stonden zes instructies: 1 Ga naar de ingang van het kerkhof. 2 Ga honderd stappen naar rechts. 3 Kruip door het gat in de heg. 4 Sla rechtsaf, derde gang links. 5 Loop op het einde van die gang tot aan de derde boom. 6 Kijk naar de wortels en graaf. Dat was het. Geen afzender … niets. Twijfelend keek Jasper naar buiten. Het begon al te schemeren. Nee, dit was vast een flauwe grap. Hij keilde de briefjes in de prullenmand en richtte zich zuchtend op het lege blad voor hem. In stilte verwenste hij Van der Wee. Hij had geen flauw idee, tot hem ineens iets te binnen schoot.

VA

20

IN

5

‘Dus, jongens en meisjes, wees creatief en ga op ontdekkingstocht. Of je nu zoals Christoffel Columbus de oceaan oversteekt, op zoek naar een nieuw continent, of diep in jezelf op zoek gaat naar een gevoel dat je nog niet kende, iets ontdekken is altijd meer dan de moeite waard.’ Daarop liet mevrouw Van der Wee haar klas ietwat verbaasd achter. ‘Wat is me dat voor een huistaak?’ mopperde Cato. ‘Hoe moeten we nu op zoek gaan als we niet weten naar wat?’ ‘Vind ik ook’, viel Karim haar bij. ‘Ik denk dat die Van der Wee lichtjes gestoord is.’ ‘Lichtjes?’ Joachim trok een pruilmondje en zette een geslaagde karikatuur van hun lerares neer. ‘Jongens en meisjes, iets ontdekken is altijd de moeite waard.’ Iedereen lachte om Joachim, die zich op korte tijd had ontpopt tot de grapjas van de klas. Alleen Jasper kon er niet om lachen. Hij schreef zuchtend het woord ‘ontdekken’ in de takenrubriek van zijn schoolagenda. Dit was echt niets voor hem. ‘Ik weet al wat ik wil ontdekken’, zei Eefje met een raadselachtige glimlach om haar lippen. ‘O ja? Wat dan wel?’ wilde Loubna weten. Maar Eefje schudde alleen haar hoofd. ‘Later, als ik het ontdekt heb.’ ‘Je bent onmogelijk’, zeurde Loubna. Eefje lette al niet meer op haar. Haar blik volgde Jasper, die met zijn schooltas onder zijn arm het lokaal verliet. ‘Je valt op hem, hè?’ ‘Huh?’ ‘Jasper, volgens mij zie je hem wel zitten.’ Eefje zei niets, maar trok haar schouders op en toverde weer die raadselachtige glimlach op haar gezicht.

N

1

25

30

©

35

40

woord

bijvallen: instemmen, akkoord gaan zich ontpoppen: zich ontwikkelen tot zich het hoofd breken: proberen een antwoord te vinden op een moeilijke vraag schemeren: een beetje donker worden verwensen: vervloeken

116

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


55

60

VA

65

IN

50

N

45

Er was toch sprake van een geheim in dat briefje? Natuurlijk, hij moest dat geheim ontdekken en daar iets over schrijven voor zijn huistaak. Snel liep hij naar beneden en griste zijn jas van de haak. ‘Hé Jasper!’ Zijn moeder. ‘Waar ga je nu nog naartoe?’ ‘Huistaak, mam.’ ‘Maar … niet te laat, hoor!’ Dat hoorde Jasper al niet meer. Hij holde naar het kerkhof, amper vijf straten verder, met het geheimzinnige briefje in zijn hand. Hij kroop door de heg en werd meteen overvallen door een onaardse stilte, alsof de doden de geluiden van buiten het kerkhof afschermden. Een rilling bekroop hem, maar hij vermande zich. Doden deden niemand kwaad, toch? Bij de derde boom bleef hij staan. ‘Kijk naar de wortels en graaf’, luidden de instructies. Jasper kreeg het onaangename gevoel dat hij bespied werd, maar zag niemand. De grafzerken staken steeds donkerder af tegen de snel duisterder wordende lucht. Hij rilde opnieuw. Ineens zag hij dat de aarde tussen enkele wortels was omgewoeld. Zonder nadenken liet hij zich op zijn knieën vallen en begon met zijn handen in de mulle aarde te graven. Al snel vonden zijn vingers een plastieken koker met daarin een nieuw briefje in hetzelfde, gelijkmatige handschrift. Hij moest zich inspannen om de woorden te kunnen lezen. ‘Als je het geheim wilt kennen, moet je met je rug tegen de boom gaan staan, je ogen sluiten en je lippen tuiten. Open je ogen en je zult het geheim nooit kennen.’ Jasper aarzelde, maar deed toch wat in het briefje stond. Nu hij hier was, wilde hij het mysterie ook ontrafelen. Hij klopte het zand van zijn handen, leunde tegen de boom en sloot zijn ogen. Hij voelde zich wel een beetje onnozel nu hij daar met getuite lippen stond. Hij was blij dat het donker werd en dat het kerkhof dicht was. Hij mocht er niet aan denken dat iemand hem zo zou zien staan. Wat als het een grap was? Wat als iemand stiekem een foto nam en die op Facebook postte? Hij zou nogal een figuur slaan. Hij wilde net zijn ogen opendoen toen hij een zacht geritsel hoorde. Ingespannen bleef hij staan luisteren, met zijn ogen nu stijf dichtgeknepen. Hij voelde het meer dan dat hij het hoorde: iets of iemand kwam dichterbij. De angst kreeg hem in zijn greep, maar toch hield hij zich aan de instructies. Nu rook hij ook iets. Hij kon de geur niet thuisbrengen, maar die stoorde niet, integendeel. Het leek op … ja, op wat leek het? Terwijl hij verwoede pogingen deed om de geur thuis te brengen, voelde hij een zachte aanraking op zijn lippen. Hij schrok en wilde wegtrekken, maar twee handen hielden zijn hoofd tegen. De kus was aangenaam … lekker. Pas toen de lippen de zijne loslieten, opende hij ademloos zijn ogen. ‘Eefje?’ bracht hij verbaasd uit. ‘Wat doe jij …’ ‘Ik wilde ontdekken hoe je lippen smaken’, Beluister het verhaal en maak kennis zei Eefje met een ondeugende glimlach. met de auteur Luc Descamps.

70

©

75

80

woord

grissen: wegnemen zich vermannen: moed vatten omwoelen: loswerken, omwroeten aarzelen: twijfelen een figuur slaan: in een goede of slechte positie komen, een goede of slechte indruk maken

LES

117


les

Doen of zijn? Over het wwg en nwg

1

betekenisverbanden in zinnen aantonen

JOURNALIST HELPEN: schrijven

1

Wat weet je al? Wat kun je al? OPDRACHT 1

Wat is het onderwerp van de zin?

IN

gezegde: wwg en nwg aanduiden, benoemen en gebruiken

1 Onderzoek de zinnen: over wie of wat gaat het in deze zinnen? Markeer het onderwerp.

a De jongens en meisjes van de scouts hielden gisteren een wafelverkoop voor het goede doel. b Vooral ouders en grootouders hebben de heerlijke wafels gebakken.

N

c De groep zamelde zo meer dan 500 euro in.

d Volgende zaterdag brengen ze dat geld naar de organisatie.

e Omdat ze niet allemaal in de auto kunnen, gaan slechts vijf leden naar Boom. Daar zullen velen aanwezig zijn om hun goede doel toe te lichten en te vertellen hoe ze het geld bijeen­ gebracht hebben.

VA

f

2 In welke zinnen was het onderwerp vinden voor jou … gemakkelijk?

twijfelachtig? te moeilijk?

Als het grootste aantal bij ‘te moeilijk’ staat, dan herlees je het kader bij het onderwerp op p. 84.

©

Daarna maak je extra oefeningen op diddit over het onderwerp. OPDRACHT 2

Wat wordt er over het onderwerp gezegd?

1 Lees de tekst over Jommeke. Onderstreep het onderwerp blauw en wat over het onderwerp gezegd wordt rood.

(1) Jommeke is een personage bedacht door tekenaar Jef Nys en hoofdrolspeler in de gelijknamige Vlaamse stripreeks. (2) Hij heeft een pratende papegaai, Flip, als huisdier. (3) Op 30 oktober is Jommeke jarig en als sterrenbeeld heeft hij schorpioen. (4) Hij is een slim en avontuurlijk jongetje van 10 jaar en 4 maanden. (5) Zo beschreef tekenaar Jef Nys hem zelf. (6) Hij is makkelijk herkenbaar aan zijn apart blond kapsel, het strooien dakje.

118

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


(7) Al sinds het eerste verhaal draagt Jommeke een korte, zwarte broek en een blauwe trui zonder mouwen met daaronder een wit hemd waarvan de mouwen opgerold zijn. (8) In dat album was hij ongeveer vijf jaar. (9) Intussen kunnen we, door zijn taalgebruik, kennis en omgang met technische apparatuur, een verandering veronderstellen. (10) Jommeke is al elf jaar in het album ‘De grasmobiel’. (11) De stripfiguur beschikt sinds album 214 ook over een gsm. (12) Hij woont met zijn ouders, vader Theofiel en moeder Marie, in de Hemelstraat in Zonnedorp. Naar: ‘Jommeke (stripfiguur)’, www.nl.wikipedia.org

2

IN

2 Hoeveel zinnen kon je direct oplossen? Zes of meer? Als dat nog niet lukt, ga dan eerst naar de oefeningen op diddit bij de tweedeling van de zin (het onderwerp en de rest van de zin).

Aan de slag met ‘doen’ (werkwoordelijk gezegde) en ‘zijn’ (naamwoordelijk gezegde) OPDRACHT 3

Ken jij Columbus?

N

1 Lees de tekst om Columbus beter te leren kennen.

a Zoek vijf zaken die Columbus deed. Noteer die in de eerste kolom.

VA

b Zoek drie eigenschappen of kenmerken (hoe was hij?). Noteer die samen met het werkwoord dat de eigenschap met het onderwerp verbindt in de tweede kolom. Christoffel Columbus is een van de bekendste ontdekkingsreizigers uit de geschiedenis. In 1492 ‘ontdekte’ hij het werelddeel Amerika. Honderden jaren voor Columbus er voet aan wal zette, waren de Vikingen al in Amerika geweest, maar andere landen wisten daar niets van af. Columbus was van oorsprong Italiaan. Hij woonde eerst in de Italiaanse stad Genua. Zoals veel andere jongens werd hij zeeman. Later verhuisde hij naar Portugal en nog later naar Castilië. Columbus nam soldaten mee op zijn schepen. Hij mocht gouverneur worden van het veroverde gebied als hij land zou ontdekken en veroveren.

©

De ontdekking van Amerika De eerste reis naar Amerika maakte hij met de schepen Niña, Pinta en Santa María. Hij had 90 bemanningsleden bij zich. De schepen vertrokken in augustus 1492 uit Spanje. Ruim twee maanden later was er land in zicht: een van de eilanden voor de kust van Midden-Amerika. Columbus wist niet dat er nog een heel onbekend continent op zijn route lag. Toen hij in Amerika aankwam, dacht hij dat hij in Indië was aangekomen. Hij noemde de bewoners daarom indianen. Columbus maakte verschillende reizen naar Amerika. In 1493 vertrok hij voor de tweede keer met 17 schepen. Op die tweede reis ontdekte en bezocht hij het eiland Dominica en ook Guadeloupe en Puerto Rico. Alle gebieden die hij tot dan toe ontdekt had, waren eilanden. Pas op zijn derde reis, in 1498, ontdekte Columbus het vasteland van Zuid-Amerika. Hij kwam aan in wat nu Venezuela is. Columbus dacht tot aan zijn dood dat hij een nieuw deel van Oost-Azië ontdekt had. Hij werd 55 jaar. Naar: ‘Christoffel Columbus’, www.wikikids.nl

LES 1 Doen of zijn? Over het wwg en nwg

119


2 Wat doet het onderwerp? Wat is het onderwerp?

DRIE EIGENSCHAPPEN: hij was …

IN

VIJF ACTIES OF DADEN: hij deed …

N

Neem de tekst over Jommeke er opnieuw bij. Noteer drie zaken die Jommeke doet in de linkerkolom. Noteer drie eigenschappen in de rechterkolom.

©

VA

DRIE ACTIES OF DADEN: hij doet …

120

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken

DRIE EIGENSCHAPPEN: hij is …


OPDRACHT 4

Wat is de relatie?

Ga op zoek naar de gepaste relatie tussen het onderwerp en het gezegde. Voor deze opdrachten werk je per twee. Overleg voor je een oplossing noteert. 1 Lees de taaluitingen van een peuter. Hij spreekt nog niet zo goed Nederlands: de uitingen zijn geen complete zinnen, het zijn altijd twee woorden die naast elkaar gezet zijn en samen een uitspraak vormen. Toch zit daar al betekenis in. Het is niet moeilijk om te bedenken wat de peuter zou bedoelen. Er ontstaat een extra betekenis door het verband tussen de twee woorden. Bekijk dat betekenisverband (hij doet of hij is) en verdeel de uitspraken in twee groepen. Verklaar je keuze. Buurman boos

Opa blij

Kindje spelen

Zonnetje schijnen

Timo verdrietig

Jurk mooi

Broertje slapen

IN

Zus helpen

2 Als je het eens bent over een indeling, vul dan schema 1 op deze manier in: – zet het eerste woord van de uitspraak in de eerste kolom; – zet het tweede woord in de derde kolom. De middelste kolom blijft dus leeg. schema 1

Verklaring keuze:

Verklaring keuze:

©

VA

Groep 2:

N

Groep 1:

3 Je hebt de eerstetaalzinnen in twee groepen ingedeeld. Als je met twee woorden een betekenisvolle taal­ uiting maakt, gaat het altijd om een van deze twee betekenisverbanden: ‘iets zijn’ en ‘iets doen’. a Noteer dat bovenaan in het schema bij groep 1 – groep 2. b Die twee betekenisverbanden zijn met een neutraal woord uit te drukken. Noteer een neutraal woord uit de opsomming hieronder, om het juiste betekenisverband uit te drukken in de middelste kolom van het schema. Als je het niet eens wordt, vul dan een vraagteken (?) in. is – wordt – gaat – zal – doet – blijft – kan – lijkt – moet – mag – wil

LES 1 Doen of zijn? Over het wwg en nwg

121


OPDRACHT 5

Bekijk en onderzoek de zinnen in het schema. Werk per twee.

1 Doe voor iedere zin het volgende. • • • • •

Zoek de kernwoorden. Bepaal het betekenisverband (iets doen of iets zijn). Noteer de persoonsvorm (pv). Ga na of de pv past bij een werkwoordelijk (wwg) of naamwoordelijk gezegde (nwg). Noteer (geef ) de redenering die je bij het beantwoorden van de vragen gevolgd hebt.

Bekijk dit voorbeeld voor je aan de slag gaat.

IN

Voorbeeldzin: De slechtste speler is altijd de keeper. kernwoorden

speler

betekenisverband (doen of zijn)

zijn

persoonsvorm

is

Past de pv bij wwg of nwg?

naamwoordelijk (nwg)

redenering

De persoonsvorm valt niet samen met een kernwoord. De kernwoorden zijn naamwoorden. De pv past bij een naamwoordelijk gezegde (zijn). Dat sluit aan bij het naamwoordelijke betekenisverband, want de keeper, die is de slechtste speler.

conclusie

is de keeper

betekenisverband (doen of zijn)

VA

persoonsvorm

Past de pv bij wwg of nwg?

©

redenering

conclusie

122

naamwoordelijk gezegde

N

Zin 1: Het water stroomt over de weg. kernwoorden

keeper

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


Zin 2: Het water is levensgevaarlijk. kernwoorden betekenisverband (doen of zijn) persoonsvorm Past de pv bij wwg of nwg?

IN

redenering

conclusie

N

Doe dat nu ook voor deze zinnen. Werk op een apart blad. Zin 3: Mijn vriend kocht een nieuwe game voor zijn computer. Zin 4: Mijn vriend is de nieuwe ‘kampioen gaming’. 2 Vul na de opdracht deze reflectie in.

VA

Reflectie op het duowerk en de opdrachten Markeer. De opdrachten lukten:

L

K

J

Je werkte samen met je partner: niet / onvoldoende / matig / goed / prima

Je maakte oefeningen:

geen / onvoldoende / voldoende / veel

Je begreep de vragen:

niet / onvoldoende / matig / goed / prima

Je begrijpt de leerstof:

niet / onvoldoende / matig / goed / prima

wat

©

Het gezegde: het werkwoordelijk en het naamwoordelijk gezegde Het deel waarin je verneemt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt, noem je een werkwoordelijk gezegde (wwg): bv. Columbus ontdekte Amerika.  Het betekenisverband met het onderwerp is een doen-relatie.  Welke werkwoorden zeggen wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt? Het deel waarin verteld wordt hoe, wie of wat het onderwerp is of wordt, noem je een naamwoordelijk gezegde (nwg): bv. Hij is een bekende ontdekkingsreiziger.  Het betekenisverband met het onderwerp is een zijn-relatie.  Welke (werk)woorden zeggen hoe, wie of wat het onderwerp is of wordt? Er is altijd een persoonsvorm (pv). Dikwijls wordt die met andere woorden of werkwoorden aangevuld.

LES 1 Doen of zijn? Over het wwg en nwg

123


3

Tijd om te oefenen OPDRACHT 6

Lees de zinnen. Ontdek of het gaat over een doen- of zijn-relatie.

Noteer achter de zin: zijn- of doen-relatie. 1 De tekening van Pieter Konijn van Beatrix Potter is vandaag helemaal onbekend. 2 Miljoenen kinderen groeiden met het verhaal op. 3 Beatrix Potter werkte altijd bijzonder nauwkeurig.

IN

4 Ze bestudeerde de dieren bijna wetenschappelijk.

5 De magie van het bewegende beeld heeft de mens al eeuwenlang betoverd. 6 De Belg Joseph Plateau is de eerste echte voorloper van de film. 7 Met zijn ‘fenakistiscoop’ schiep hij een bewegend beeld. 8 Een fenakistiscoop is een animatietoestel. 9 Daarmee kun je bewegende beelden tonen.

OPDRACHT 7

N

Vul zelf een zin aan met een doen-relatie en eentje met een zijn-relatie.

Zoek het betekenisverband in de genummerde zinnen in de tekst: doen of zijn?

VA

1 Markeer eerst het onderwerp. Onderstreep dan de woorden die aangeven wat het onderwerp doet of is. Hond

©

(1) Een hond is een van de slimste dieren. (2) Geen enkel ander dier heeft zich zo naar de mens geschikt als de hond. (3) Overigens heeft die ontwikkeling hen veel meer intelligentie opgeleverd! (4) Als gevolg van het in huis nemen van honden – met een volwaardige plek binnen het gezin – zijn deze dieren veel slimmer geworden. (5) Zo hebben honden leren blaffen op het moment dat ze met mensen in contact kwamen. (6) Op die manier vertellen ze dat ze naar buiten moeten of eten willen. Een leuk weetje: wilde honden blaffen bijna niet. Ook het empathisch vermogen van de hond is enorm toegenomen. (7) Honden kunnen zich veel beter inleven in de situatie van een ander. Het is een feit dat een stoeipartij tussen honden vrijwel nooit overgaat in een vechtpartij. (8) Kennelijk nemen honden bepaalde gedragsregels in acht. Ook vertrouwen ze erop dat de ander dezelfde bedoeling heeft.

2 Noteer de nummers van de zinnen met een doen-relatie. Noteer de nummers van de zinnen met een zijn-relatie.

woord

overigens: voor het overige, wat de rest betreft

124

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


OPDRACHT 8

Onderstreep in deze zinnen het wwg of nwg.

1 Je moet nu echt opschieten! 2 Straks geraak je niet op tijd op de training. 3 De trainer zal kwaad op je zijn. 4 Misschien moet je tijdens de volgende match op de bank blijven. 5 De buschauffeur heeft mijn abonnement gecontroleerd. 6 Op de bus zijn de plaatsen beperkt. 8 Nemen jullie altijd de bus naar school?

De bouw van het gezegde 4.1

Het werkwoordelijk gezegde (wwg)

OPDRACHT 9

Ontdek het werkwoordelijk gezegde.

N

4

IN

7 Iedereen moet een mondmasker dragen tijdens de rit.

Soms bestaat het werkwoordelijk gezegde alleen uit een persoonsvorm. Dan is een van de twee kernwoorden een werkwoord dat gelijk is aan de persoonsvorm. Soms is dat niet zo.

VA

1 Vergelijk beide zinnen.

a Mama vertelt een mooi verhaal.

kernwoorden: mama – vertellen (vertelt)

b Mama heeft een mooi verhaal verteld.

In welke zin is een kernwoord ook de persoonsvorm?

2 Zoek de eerstetaalzinnen (kernwoorden) in zin a tot h. Als dat goed lukt, probeer je het ook voor zin i en j. a Ik zal een taart bakken voor haar verjaardag. b Ze lust alleen appeltaart.

©

c Mijn oma heeft me een eenvoudig recept gegeven. d Gisteren hebben we de ingrediënten al gehaald.

e Tijdens de voorbereiding staat mijn mama altijd te zingen. f

Samen ruimen we dan de keuken op.

g Tijdens het feestje zullen de gasten zich zeker amuseren. h De taart zal heerlijk smaken. i

Alleen John zou die weleens met lange tanden kunnen eten.

j

Hij houdt helemaal niet van zoet!

LES 1 Doen of zijn? Over het wwg en nwg

125


3 Bekijk nu alle zinnen en onderzoek hoe het wwg is opgebouwd. Dikwijls worden de kernwoorden met andere (werk)woorden in de zin aangevuld. a Welke (werk)woorden vertellen wat het onderwerp doet? Markeer die. b Uit welke delen is het wwg samengesteld? Geef de verschillende combinaties weer. c Noteer de wwg’s in het schema. Het werkwoordelijk gezegde is gebouwd zoals … zal (pv) … komen (inf)

heeft (pv) … gewerkt (vd)

is (pv) … aan het stappen (aan het + inf) staat (pv) … te wachten (te + inf)

– sprak (pv) … af (adpv) – herinnerde (pv) zich (wed. vn) –…

heeft het hazenpad gekozen (werkwoordelijke uitdrukking)

N

IN

loopt (pv)

VA

d Bouw zelf zinnen. Vertel wat je gisterenavond gedaan hebt. Zorg dat er in elke kolom van het schema een aanvulling komt. Als voorbereiding noteer je voor jezelf welke werkwoorden je wilt gebruiken. Werk op een apart blad. e Werk per twee. Overleg in welke kolom jouw wwg’s een plaats krijgen.

wat

Het werkwoordelijk gezegde

©

Het werkwoordelijk gezegde (wwg) wordt gevormd door alle werkwoorden in een zin. Daar hoort ook de persoonsvorm bij. Het werkwoordelijk gezegde geeft aan wat er wordt of is gedaan. Het wwg is een zinsdeel dat soms bestaat uit één woord (de persoonsvorm), maar het kan ook uit meer woorden bestaan.

126

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


Onderstreep in deze zinnen het wwg of nwg. Markeer in elke zin het belangrijkste werkwoord.

OPDRACHT 10

tip

1 Colin is in de war door het verhaal. 2 De nieuwe app heeft veel gebruikers overtuigd.

Het belangrijkste werkwoord is dat werkwoord dat betekenis geeft.

3 Hij wordt de beste leerling van de klas. 4 Maya blijkt een geweldige meid! 5 Josh heeft zijn laptop verkocht. 6 Ze wil hem straks nog koffie brengen. 8 Hij heeft haar schitterende ideeën gestolen. 9 Haar ouders zullen haar altijd blijven steunen. 10 Je had het huiswerk moeten afwerken.

Bouw van het werkwoordelijke gezegde: de delen Hoe kan een wwg samengesteld zijn? (a) persoonsvorm (pv)

De hond blaft.

(b) pv + infinitief (inf)

De hond zal niet blaffen.

(c) pv + voltooid deelwoord (vd)

De hond heeft de hele nacht geblaft.

VA

N

+

IN

7 Zijn ouders denken erover om hem tennisles te laten volgen.

Bouw nu zelf drie zinnen waarin je telkens een andere samenstelling van het wwg gebruikt. Je kiest uit deze werkwoorden: krijgen – geven – antwoorden – vragen – klimmen.

(a)

(b)

©

+

(c)

LES 1 Doen of zijn? Over het wwg en nwg

127


OPDRACHT 11

Zoek in de onderstreepte zinnen een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde. Markeer het wwg groen wanneer het bestaat uit de persoonsvorm, geel wanneer het bestaat uit de persoonsvorm + infinitief en paars wanneer het bestaat uit de persoonsvorm + voltooid deelwoord.

T-Rex beschikte over ingebouwde airconditioning

IN

Wetenschappers onderzoeken de T-Rex sinds de ontdekking van het eerste fossiel in 1874     . Sindsdien werden verschillende tientallen skeletten opgegraven     . We weten dus relatief veel over de dinosoort     . De laatste ontdekking is opmerkelijk     : de Tyrannosaurus rex zou een ingebouwde airco hebben gehad     .

N

Holtes De schedel van een T-Rex wordt onder andere gekenmerkt door twee reusachtige openingen     . Vroeger werd aangenomen dat die gevuld waren met spiermass, maar een nieuwe studie weerlegt die theorie. Volgens Casey Holliday van de University of Missouri en zijn collega’s waren de holtes niet gevuld met spieren, maar met bloedvaten. Die holtes konden de T-Rex sneller laten afkoelen     . Om tot die conclusie te komen, maakten ze beelden van alligators met een thermografische camera. De reptielen hebben namelijk soortgelijke holtes als de Tyrannosaurus en gebruiken de daarin gelegen bloedvaten om op te warmen en af te koelen         . Verder onderzoek is nodig om de theorie te staven. De resultaten, gepubliceerd in Anatomical Record, zijn alvast veelbelovend.      Naar: ‘T-Rex beschikte over ingebouwde airconditioning’, www.metrotime.be

Het naamwoordelijk gezegde (nwg)

VA

4.2

OPDRACHT 12

Lees de tekst. Ontdek wie Walt Disney is.

1 Markeer de zinnen met een naamwoordelijk gezegde. Welke (werk)woorden vertellen wat/hoe het onderwerp is of wordt? Wie is Walt Disney?

©

Disney was erg jong toen hij al op de witte muren van zijn ouderlijk huis tekende. Zijn ouders waren daar niet blij mee. Zij gaven hem dan ook geen tekenspullen, zijn tante wel. Zij gaf hem zijn eerste schetsboek en kleurpotloden. Hij bleek een echt natuurtalent te zijn. Walt Disney is al wat ouder als hij samen met zijn broer een gebouw huurt waar ze ‘The Walt Disney Studio’ starten. Vanaf dan begint Walt Disney verschillende figuurtjes te tekenen. Een van zijn eerste creaties is Mickey Mouse. Later bedenkt hij ook andere figuurtjes zoals Donald Duck, Goofy en Pluto. Langzaam maar zeker wordt Walt Disney bekender. In 1928 wordt hij echt beroemd! Zijn eerste films waren die met Mickey Mouse. Zijn eerste langspeelfilm was ‘Sneeuwwitje en de zeven dwergen’. Zijn figuren zijn over de hele wereld geliefd. Ze zullen altijd geliefd blijven; ze spreken ook nu nog veel kinderen aan. Veel van zijn films zijn nog altijd erg populair! Naast het maken van Disneyfilms had Walt Disney nog een andere grote droom: een Disneypretpark. In 1966 overleed Disney, maar nog altijd worden Disneyfilms gemaakt en Disneypretparken geopend! Naar: ‘Wie is Walt Disney?’, www.disneyinformatie.blogspot.be

128

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


2 Neem de gemarkeerde zinnen. Omcirkel het onderwerp. Onderstreep het werkwoord en de naamwoorden die het hoe of wat aanduiden. Noteer ze in het schema.

tip

Het werkwoord kun je dikwijls vervangen door een =-teken. Doe de test. Wat/hoe = … Het naamwoordelijk gezegde is gebouwd zoals … Hoe of wat is (wordt …) het onderwerp? (naamwoordelijk deel van het nwg)

IN

de werkwoorden (=) is (pv) … / is (pv) … geworden (vd)

Bv. erg jong

N

Bv. was

3 Maak drie zinnen over jezelf. Vertel hoe of wat je bent, wordt … Vertel dat aan je buur. a Ik ben b Ik word

VA

c

wat

Het naamwoordelijk gezegde

©

Het naamwoordelijk gezegde (nwg) geeft een toestand aan: het onderwerp is/wordt … iets. Het nwg bestaat uit een werkwoordelijk deel en uit een naamwoordelijk deel: de werkwoordsvormen van zijn of worden of … (ook blijken, blijven, lijken, schijnen kunnen de verbinding maken met het onderwerp) + een naamwoord (zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord).

+

Hoe kan een nwg samengesteld zijn? (a) pv + naamwoordelijk deel van het nwg

Die film is een succes.

(b) pv + naamwoordelijk deel van het nwg + vd Disneyfilms zijn altijd succesvol geweest.

(c) pv + naamwoordelijk deel van het nwg + inf Zijn films zullen kaskrakers blijven. (d) pv + naamwoordelijk deel van het nwg + inf + inf

LES 1 Doen of zijn? Over het wwg en nwg

Nieuwe Disneyfilms zouden even geliefd kunnen worden.

129


+

Bouw nu zelf vier zinnen waarin je telkens een andere samenstelling van het nwg gebruikt. In je zinnen vertel je iets over een dier. a b c

OPDRACHT 13

Onderzoek deze krantenkoppen.

IN

d

1 Over wie of waarover wordt er iets gezegd? Omcirkel het onderwerp.

N

2 Welk(e) woord(en) zegt of zeggen wat het onderwerp IS of DOET? Markeer het wwg/nwg. 3 In welke krantenkop staat een nwg? In welke krantenkop een wwg? Duid aan en verduidelijk telkens mondeling je antwoord. wwg / nwg

b Winter deelt vooral prik uit op vrijdag en zaterdag

wwg / nwg

c Syrische tandarts enige dokter en chirurg voor 40 000 mensen

wwg / nwg

d Voorbije 12 maanden warmste ooit op Noordpool

wwg / nwg

e De giraf dreigt stilaan uit te sterven

wwg / nwg

f

wwg / nwg

VA

a Duitser ontwaakt met een dichtgemetselde voordeur

Doodrijdster was ‘verstrooid’

4 Onderstreep de persoonsvorm in het wwg of nwg.

©

5 Welke krantenkoppen bevatten geen persoonsvorm (pv)?

6 Hoe verklaar je dat in krantenkoppen de persoonsvorm (pv) dikwijls wordt weggelaten? 7 Verander de bouw van het wwg/nwg in twee krantenkoppen. Herschrijf hieronder. Benoem de delen.

130

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


OPDRACHT 14

Onderstreep in deze zinnen het wwg of nwg.

De voedingsdriehoek vertelt je over gezond eten. De laatste grote veranderingen aan de driehoek gebeurden in 2017. Nu pasten wetenschappers hem opnieuw aan. De driehoek kijkt nu ook naar het milieu.

Naar: ‘Beter eten voor het milieu’, www.wablieft.be

1 Hoeveel nwg heb je gevonden in de zinnen?

IN

Je voeding heeft een grote invloed op je gezondheid en op het milieu. Ook een goed milieu is belangrijk. Daarom kijkt de voedingsdriehoek nu onder andere naar broeikasgassen. Water drinken is heel gezond. Maar voor het milieu drink je beter water van de kraan dan water uit flessen. Dat veroorzaakt minder vervuiling. Ook vlees heeft een grote invloed op het milieu. Daarom eet je ook best wat minder vlees. Meer info vind je op www.gezondleven.be.

2 Noteer het wwg dat bestaat uit een pv en een adpv:

3 Zoek het nwg in elke zin. Duid aan en vervang door een ander nwg.

N

+

VA

Die man is jarenlang de populairste politicus van het dorp geweest. Na die nederlaag leken de speelsters van de nationale ploeg ontroostbaar. De leerlingen blijken erg vermoeid na die wedstrijd. Het project werd uiteindelijk een complete mislukking. Mijn opa is vorige zondag 80 jaar geworden.

waarheen

Je kunt:

het betekenisverschil van de soorten gezegden aantonen; het werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde in de zin aanduiden (wwg en nwg); de delen van het naamwoordelijk en werkwoordelijk gezegde aanduiden; zinnen vormen met een naamwoordelijk en werkwoordelijk gezegde; de termen werkwoordelijk gezegde (wwg) en naamwoordelijk gezegde (nwg) gebruiken.

©

• • • • •

LES 1 Doen of zijn? Over het wwg en nwg

131


Help de journalist Oriënteren

o

v

u

r

1 Kies een van de krantenkoppen uit opdracht 10:

Voorbereiden

v

u

r

Noteer als voorbereiding enkele ‘peuterzinnen’, de kernwoorden van de boodschap. Bekijk aan welke criteria je zinnen moeten voldoen. Voeg per twee een extra criterium toe. Noteer dat in de tabel bij 5. Werk verder op een apart blad.

Uitvoeren

o

v

u

IN

2 • • • • •

o

r

3 Formuleer nu zes zinnen die in het artikel zouden kunnen staan.

4 Duid in je zinnen het onderwerp en het werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde aan.

N

5 Wissel je zinnen met een klasgenoot. Lees de zinnen en evalueer met deze criteria. Je traject naar succes

Aanpassing nodig? Welke?

1234

Alle zinnen bevatten minstens acht woorden.

1234

Onderwerp en gezegde (wwg/ nwg) zijn correct aangeduid.

1234

In minstens drie zinnen staat een wwg.

1234

Variatie in de zinnen: niet elke zin start met het onderwerp.

1234

Eigen criterium:

1234

VA

De zes zinnen passen volgens mij bij de titel.

©

Reflecteren

o

v

u

r

6 Noteer een besluit. Dit gaat goed: Dit kan echt wel beter:

132

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


les

Ontdek de wereld

2

intensief luisteren

hoofdletters en leestekens gebruiken

1

Luisteren om te weten OPDRACHT 1

Lees de blogtekst.

Neem een andere weg

IN

schrijfkader invullen

formulieren invullen: inleefreis

N

Het is jouw missie om de wereld om je heen anders te bekijken. Alsof je hem voor het eerst ziet, want de eerste keer is de mooiste keer.

VA

Maak aantekeningen. Verzamel wat je op je ontdekkingsreizen tegenkomt. Schrijf je bevindingen op. Spreek mensen aan. Neem risico’s. Heb oog voor patronen. Zoek en vind. Concentreer je op één ding tegelijkertijd. Stel een ongewone vraag. En neem een andere weg … Zo kom je op plekken waar je nog nooit

geweest bent. En dat is waar een                 naar op zoek is.

1 De blogtekst beschrijft de jobinhoud van één bepaald beroep. Welk beroep? Vul dat in de laatste zin in. 2 Onderstreep vier zaken die je volgens de tekst moet doen om dat beroep goed uit te oefenen.

©

3 Zou jij dat beroep graag uitoefenen? Waarom wel/niet?

4 Welke talenten heb jij die je zou kunnen gebruiken bij het uitoefenen van die job? Zoek er andere dan wat je in de tekst vindt.

OPDRACHT 2

Bekijk het filmpje over een jonge ontdekkingsreiziger.

1 Waarover zal dit filmpje gaan? Wat zal het thema zijn?

2 Met welk doel zul je kijken en luisteren?

woord

het patroon: een model, een vorm, steeds terugkerende zaken

LES 2 Ontdek de wereld

133


3 Op welke vragen zou je zeker een antwoord willen hebben na het bekijken van het filmpje? Noteer die vragen in de tabel bij vraag 4.

tip Denk aan de w-vragen en aan hoe.

Bekijk nu het filmpje. 4 Schrijf de vraag volledig uit in de eerste kolom. Noteer het antwoord in de tabel. ANTWOORDEN

N

IN

VRAGEN

VA

5 Gebruik de informatie uit de tabel om dit schrijfkader in te vullen.

uit Hij ontdekte

Hij deed die ontdekking door eerst

©

Hij kwam tot de conclusie dat

Vervolgens bekeek hij

Binnenkort trekken wetenschappers

134

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken

is de ontdekker. .


6 Herlees je schrijfkader en dek het vervolgens af. Probeer de inhoud van het filmpje na te vertellen aan een klasgenoot. Kruis aan wat voor jou past.

IN

O Het lukte mij om de inhoud van het filmpje na te vertellen. Ik had alle hoofdzaken goed onthouden. O Het lukte mij matig om de inhoud van het filmpje na te vertellen. Ik had de meeste hoofdzaken onthouden, maar vergat nog iets. O Het lukte mij nog niet om de inhoud van het filmpje na te vertellen. Ik had weinig/geen hoofdzaken onthouden.

hoe

Intensief luisteren – hoofdzaken

Als je intensief luistert, wil je zo veel mogelijk informatie begrijpen en onthouden.

N

Dat kun je doen door je te concentreren op de w-vragen (wie, wat, waar, wanneer, waarom) en de hoe-vraag (hoe). Die kunnen je helpen om de tekst te begrijpen en de inhoud van de tekst na te vertellen.

7 Je bent geboeid door de jonge ontdekkingsreiziger en je wilt enkele details kennen. Bekijk het filmpje nog een laatste keer en zoek het antwoord op deze vragen.

VA

a Waar leefden de Maya’s?

b Van wie kreeg William hulp om de satellietbeelden te bekijken?

8 Welke luistertip kun je bedenken voor het zoeken naar details?

©

hoe

Intensief luisteren – bijzaken/details Als je detailvragen moet beantwoorden, is het nodig om gericht naar die informatie op zoek te gaan in het filmpje / de luistertekst. Je aandacht richten doe je door de vragen vooraf goed te lezen. De antwoorden op die vragen zullen dan extra opvallen.

LES 2 Ontdek de wereld

135


OPDRACHT 3

Kijken en luisteren in duo. Op ontdekkingsreis naar …

1 Lees de titels van de filmpjes. Bespreek met je klasgenoot welke twee filmpjes je wilt bekijken. Markeer je keuze. 1 Wrak van Columbus – 2 Chinees Nieuwjaar – 3 Wanten voor koala’s – 4 Postbode op Antarctica – 5 Geothermie in IJsland 2 Bepaal wie welk filmpje voor zijn rekening neemt. Noteer het nummer van het filmpje dat jij zult bekijken.

VOORAF

IN

3 Beantwoord de vragen over het filmpje van jouw keuze. Let op: je mag het filmpje pas bekijken nadat je de vragen bij ‘vooraf’ beantwoord hebt. a Waarover verwacht je dat het filmpje zal gaan?

b Met welk doel zul je kijken en luisteren?

BEKIJK NU HET FILMPJE

N

c Op welke vragen verwacht je een antwoord te krijgen? Maak op een kladblad een tabel met twee kolommen en noteer die vragen in de linkerkolom.

d Noteer de antwoorden op de vragen in de rechterkolom van je tabel. e Vul nu het schrijfkader in.

VA

schrijfkader

Het filmpje dat ik bekeek, ging over

Daarover werd verteld dat

Ik vind dat

©

a Verbeter de vorige vragen met de correctiesleutel.

b Bekijk het filmpje een tweede keer. Bedenk twee detailvragen waarop dit filmpje een antwoord geeft. Werk op een apart blad. c Je klasgenoot gaat aan de slag met jouw filmpje. Vertel hem eerst waarover je filmpje gaat. Gebruik daarvoor het schrijfkader. Daarna bekijkt je klasgenoot het filmpje en zoekt hij de antwoorden op jouw detailvragen.

d Hoe ging de luisteropdracht voor jou? Duid aan wat past. Je traject naar succes

136

Je kunt de hoofdzaken goed onthouden en invullen in de tabel.

1234

Je vult het schrijfkader duidelijk in.

1234

Je vindt de antwoorden op de detailvragen van je klasgenoot.

1234

Je kunt je tijdens deze luisteropdracht goed concentreren.

1234

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


2

Als ontdekkingsreiziger in Hoofdletterland OPDRACHT 4

Lees de tekst. Onderzoek de hoofdletters.

Peking Express Acht koppels reizen in Peking Express liftend door een aantal Aziatische landen. De kandidaten racen in verschillende etappes om te voorkomen dat ze geëlimineerd worden, want het koppel dat als laatste aankomt, moet het spel verlaten.

IN

Tijdens de etappes kunnen de kandidaten prijzen winnen die aansluiten bij het land dat ze bezoeken.

Het koppel dat als eerste de finaleplaats bereikt, wint het spel en het geld dat ze verdiend hebben. Dat geldbedrag hangt af van het aantal amuletten dat het koppel tijdens het spel verdiend heeft. Elke amulet is 10 000 euro waard. Er reist ook een zwarte envelop mee. De inhoud van de envelop bepaalt het lot van het duo dat als laatste arriveert. Als de inhoud groen is, dan komt er een extra passagier bij, zoals Min Hee Bervoets of Ella Leyers. Die bekende Nederlander of Vlaming regelt dan de liften, het onderdak en het eten voor het duo.

N

De reis begint bij Unesco-werelderfgoed Ha Long Bay in Vietnam. Via Laos eindigt Peking Express negen weken later bij de wereldberoemde tempels van Angkor Wat in Cambodja. Peking Express is van oorsprong een Nederlands-Vlaams televisieprogramma. Nu is het programma in negen andere landen te zien: Duitsland, Noorwegen, Zweden, Finland, Spanje, Italië, Marokko en Colombia. Frankrijk is koploper met negen seizoenen.

VA

Naar: ‘Peking Express’, www.nl.wikipedia.org en ‘Comeback Peking Express trekt 376.000 kijkers’, www.ad.nl

1 Zou je de deelnemers van Peking Express ontdekkingsreizigers kunnen noemen? Of zijn het eerder avonturiers? Zou jij zo’n ontdekkingsreiziger of avonturier willen zijn? Bespreek met je buur. 2 Markeer in de tekst de woorden met een hoofdletter.

©

3 Werk per twee. Waarom krijgen de gemarkeerde woorden een hoofdletter? Rangschik ze op de juiste plaats in de tabel. Eén voorbeeld is gegeven.

woord

de etappe: de afstand afgelegd tussen twee rustpunten elimineren: verwijderen, uitschakelen de amulet: een voorwerp waarvan bepaalde mensen geloven dat het bescherming biedt tegen gevaar, ziekte en ongeluk

LES 2 Ontdek de wereld

137


4 Vergelijk je oplossing met die van een ander duo. Wat is hetzelfde? Wat is anders? eerste woord van een zin namen van personen

aardrijkskundige namen

namen van zaken

Min Hee Bervoets

Aziatische

Peking Express

OPDRACHT 5

N

IN

Acht

eigennamen

De Grote Avonturiersquiz.

VA

Werk per twee. De leraar stelt tien vragen. Je verdient één punt per juist antwoord. Je kunt nog een punt verdienen door het woord correct te spellen. Werk op een apart blad. Veel succes! Score:

/10

hoofdlettergebruik:

/10

totaal:

/20

©

kennis van de wereld:

138

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


wat Hoofdletters Je schrijft een hoofdletter: bij het eerste volledige woord van een zin: Bv. In Peking Express liften acht koppels door Aziatische landen. Acht koppels liften door Azië. ’s Morgens vertrekken de duo’s al heel vroeg.

bij eigennamen: • namen van personen Bv. Ella Leyers, Min Hee Bervoets • aardrijkskundige namen en hun samenstellingen en afleidingen, talen en dialecten Bv. Azië, Laos, Aziatische, Chinees • namen van zaken: bedrijven, kranten, tijdschriften, gebouwen, feesten … Bv. Peking Express, Unesco, Angkor Wat

uit respect: officiële aanspreektitels, namen van God, heiligen … Bv. Zijne Majesteit de Koning, God

Je schrijft geen hoofdletter:

• •

VA

als iets anders dan de plaatsnaam wordt bedoeld Bv. moezelwijn, een bordeaux bij windstreken Bv. noorden, zuiden bij samenstellingen en afleidingen van feesten Bv. kerstvakantie, paasnacht bij tijdsaanduidingen Bv. oktober, ijstijd bij historische perioden en/of kunststijlen Bv. middeleeuwen, postmodernisme bij officiële aansprekingen als de eigennaam achter de titel komt of als een functie wordt bedoeld. Bv. koningin Paola, de premier

N

IN

• •

OPDRACHT 6

Lees de tekstjes. Waar is een hoofdletter nodig?

©

1 Markeer de woorden die een hoofdletter moeten krijgen.

de amazone is het grootste regenwoud ter wereld. het is zeven miljoen vierkante meter groot! dat is bijna net zo groot als heel australië.

de amazone ligt verspreid over negen landen in zuid-amerika. dat zijn de landen colombia, peru, venezuela, ecuador, suriname, frans-guyana, bolivia, brazilië en guyana. in het regenwoud is het altijd warm en ook altijd vochtig. perfect dus voor veel tropische bomen, planten en dieren. dwars door dat gigantische regenwoud stroomt een enorme rivier. die rivier heet heel toepasselijk de amazone. Naar: ‘Amazone-regenwoud’, www.natgeojunior.nl

LES 2 Ontdek de wereld

139


ze zien er voor ons misschien raar uit. maar toch leven in het afrikaanse land namibië nog ongeveer 6 000 himba’s. het himbavolk leeft in het noordwesten van namibië. himba’s zijn nomaden. dat zijn mensen die met hun vee door een gebied trekken. ze wonen niet op een vaste plek. een groep himba’s wordt meestal door de oudste man geleid. himba’s eten vooral zure melk en maïs. ze maken er bijvoorbeeld maïspap van. het vee dat ze bij zich hebben, wordt alleen geslacht bij speciale feesten, zoals een bruiloft. en wie dan denkt aan een lekker biefstukje, heeft het mis! himba’s koken het hele dier. zelfs het hart en de longen. Naar: www.natgeojunior.nl

2 Markeer de woorden die een hoofdletter moeten krijgen en schrijf ze op de juiste manier onder de tekst.

IN

iemand die aan parkour doet, laat zich door niets tegenhouden. zelfs niet als er ineens een knalgele muur voor hem opdoemt. daar springt zo’n extreme sporter gewoon overheen. tijdens de tweede wereldoorlog leerde de franse marineofficier georges hébert zijn rekruten parkourtechnieken. zo waren ze op elke situatie voorbereid en konden ze uit elke situatie ontsnappen. mensen die heel goed zijn in parkour kunnen overal tussendoor glippen. Naar: www.natgeojunior.nl/informatie/parkour

OPDRACHT 7

N

Lees de tekst. Onderzoek het gebruik van de hoofdletters.

Onderzoek met een klasgenoot het gebruik van hoofdletters bij de onderstreepte woorden. Bij twijfel raadpleeg je het wat-kader.

VA

1909: bakeliet

Wie herinnert zich nog de schel rinkelende telefoon met draad, in zwarte of crèmekleurige uitvoering, uit de tweede helft van de 20ste eeuw? Vandaag zijn het felbegeerde objecten op retrobeurzen, maar vooral zijn ze een rechtstreekse erfenis van de allereerste synthetische stof: bakeliet. Leo Baekeland, de Belgische uitvinder van deze kunststof, legde daarmee niet alleen de grondslag voor het moderne telefoontoestel, maar hij zette meteen ook een hele kunststoffenindustrie op gang. De in Amerika wonende Belg was een van de weinigen in dit rijtje die echt goed geld verdiende aan zijn uitvinding. Dankzij zijn General Bakelite Company, die hij in 1939 verkocht aan chemiereus Union carbide, schopte hij het tot multimiljonair.

©

Naar: Belfius magazine

woord

nomaden: bevolkingsgroepen die geen vaste woonplaats hebben de rekruut: iemand die net aangeworven is

140

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


OPDRACHT 8

Lees ook deze tekst. Pas de regels van de hoofletters toe.

Markeer de letters die een hoofdletter moeten zijn. 1989: het internet

IN

zonder belgische uitvinders kon je het internet in zijn huidige vorm wel vergeten. bij bell labs in antwerpen werd de adsl-lijn ontwikkeld, die snel internet toeliet via een gewone telefoondraad. ingrid daubechies hielp op haar beurt bij het perfectioneren van de JPEG-standaard, die de digitale beelden samenperst waardoor een webpagina snel op je computerscherm kan verschijnen. maar ook een van de drie ‘peetvaders’ van het commerciële internet is een belg: robert cailliau bedacht in 1989 het allereerste hypettextsysteem (zeg maar link), waarmee hij samen met de brit tim berners-lee en de amerikaan vinton cerf de grondlaag onder het world wide web legde. Naar: Belfius magazine

OPDRACHT 9

Nog wat moeilijker. In deze tekst ontbreken hoofdletters én leestekens.

1 Markeer de woorden die een hoofdletter moeten krijgen en zet leestekens waar nodig.

N

denk jij bij het woord ‘indianen’ aan mensen uit india die mensen hebben helemaal niets te maken met de stammen uit amerika columbus dacht daar echter anders over

VA

toen columbus wist dat de aarde niet plat, maar rond was, wilde hij proberen om via een andere weg naar india te varen de bestaande route langs kaap de goede hoop was namelijk heel erg druk en gevaarlijk. hij ging via het westen naar india, dacht hij eenmaal aan land gaf hij de inwoners de naam indianen, maar eigenlijk was hij in amerika vergis je niet tegenwoordig leven er nog steeds indianen in amerika ze combineren hun oude leven met het moderne ze leven bijvoorbeeld vaak niet meer in een stam bij elkaar en ze passen zich aan aan de nieuwe omgeving waarin ze leven Naar: ‘Indianen’, www.natgeojunior.nl

2 Vergelijk met je buur. Heb je dezelfde oplossing? Wat is anders? Bespreek. Weet je het nog? Waarom gebruik je leestekens?

Denk aan het woord zelf.

©

3 Welk soort zin krijgt dit leesteken? Noteer een voorbeeld uit de tekst.

tip

een punt (.):

een vraagteken (?):

een uitroepteken (!):

LES 2 Ontdek de wereld

141


wat Leestekens Je gebruikt een leesteken om de lezer bij het lezen te ondersteunen, te laten zien waar hij bijvoorbeeld beter pauzeert, om de bedoeling van de zin te verduidelijken: iets meedelen, iets vragen, iets bevelen of uitroepen. Elke zin eindigt met een leesteken. Na een mededelende zin komt een punt (.). Bv. Peking Express is een avonturenprogramma.

IN

Na een vraag komt een vraagteken (?). Bv. Is Peking Express een avonturenprogramma?

Na een uitroep of een bevel komt een uitroepteken (!). Bv. Beleef mee het avontuur van Peking Express!

4 Lees de tekst. Wat loopt er fout? Herstel.

VA

+

N

dag allemaal je leerde in deze les over hoofdletters en leestekens je leerde wanneer je hoofdletters moet gebruiken daarnaast kreeg je ook uitleg over soorten leestekens en wanneer je welk leesteken gebruikt zoals je ziet bevat deze tekst geen hoofdletters en leestekens vind je dat dit dan gemakkelijk leest misschien is het zelfs moeilijk om deze tekst te lezen het lijkt helemaal fout kun jij de tekst herstellen het is nu aan jou succes

OPDRACHT 10

Een leesteken geeft ook aan welke intonatie je voor de zin gebruikt. Lees deze zinnen hardop en bespreek waarom je voor een bepaalde intonatie kiest.

1 Joost is vandaag jarig.

Joost is vandaag jarig? Joost is vandaag jarig!

2 Sarah is van een klimrek gevallen?

©

Sarah is van een klimrek gevallen.

waarheen

Je kunt: • • •

142

een schrijfkader invullen met antwoorden op de w-vragen en op de hoe-vraag; met een schrijfkader de inhoud van een tekst navertellen; de juiste spelling gebruiken bij hoofdletters en leestekens.

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


Op inleefreis Je wilt met een organisatie zoals Broederlijk Delen op inleefreis. Via het inschrijvingsformulier wil jij jezelf kandidaat stellen.

Oriënteren

o

v

u

r

1 Ken jij de organisatie ‘Broederlijk Delen’? Wat doet die organisatie?

IN

tip

Welke twee woorden herken je in het woord ‘inleefreis’?

2 Wat is een inleefreis?

N

Voorbereiden

o

v

u

r

3 Bekijk een filmpje over een inleefreis. a Wat verwacht je te zien?

VA

b Met welk doel zul je kijken en luisteren?

c Op welke vragen zou je na het bekijken van het filmpje een antwoord willen hebben? Noteer de vragen in een tabel. Werk op een apart blad.

d Bekijk nu het filmpje over een inleefreis naar Burkina Faso. e Op welke vragen krijg je een antwoord? Noteer de antwoorden in de tabel.

f

Gebruik de informatie uit de tabel om het schrijfkader in te vullen.

©

De jongeren gingen op inleefreis naar             om kennis te maken met

Ze logeerden in            .

Voor de jongeren is deze reis een bijzondere ervaring omdat

LES 2 Ontdek de wereld

143


g Bekijk het filmpje een tweede keer. Welke jongere doet deze uitspraak? Noteer het nummer. Kies uit: Kato Hendrickx (1) – Emilie Goossens (2) – Tanne Vanderheyden (3) – Lien Schuurmans (4) – Robbe Van Roey (5) – Sarah Rijkers (6) – Milan Jacqmotte (7) – Maaike Bruyninckx (8) – Jonas Ketelslegers (9) ‘Ik zal de wereld voortaan bekijken met een meer open blik.’ ‘Ik ga nu meer genieten van de kleine dingen.’ ‘In het gastgezin was het heel primitief.’ ‘Ik vind het al erg als ik tien dagen zonder wifi zit.’

Uitvoeren

o

v

u

r

IN

‘Iedereen zou dit moeten gezien hebben!’

N

4 Het filmpje heeft jou helemaal overtuigd. Je wilt je inschrijven voor een inleefreis. Vul het inschrijvingsformulier in. Overtuig de organisatie om voor jou te kiezen. Denk aan hoofdletters en leestekens!

Reflecteren

o

v

u

r

5 Controleer je eigen inschrijvingsformulier met deze criteria.

VA

6 Wissel je formulier met je buur. Vul dit ook voor je buur in. Formuleer een werkpuntje of een tip. In orde Je traject naar succes

jij

je klasgenoot

Je hebt een aantrekkelijke en overtuigende tekst geschreven.

1234

1234

Je schrijft een hoofdletter waar nodig.

1234

1234

Je schrijft achter elke zin het gepaste leesteken.

1234

1234

Werkpuntje voor jezelf:

©

Werkpuntje voor je klasgenoot:

144

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


les

Wat als … Standaardnederlands 31 niet bestond? opbouw van taal verwoorden

letters en soorten opsommen

IN

Wat als … OPDRACHT 1

SCHITTEREN op het podium

volume en tempo aanpassen

klanken herkennen

1

articulatie en intonatie verzorgen

Wat als … op televisie alleen maar dialect gesproken zou worden?

Bekijk een panelgesprek over taal op televisie.

1 Luc Appermont en Herman Verbruggen geven hun mening over het gebruik van dialect op televisie. a Hoe denken zij daarover? Met welke argumenten staven zij hun mening?

en omdat

N

Luc Appermont is voor/tegen het gebruik van dialect op televisie omdat

VA

Herman Verbruggen is voor/tegen het gebruik van dialect op televisie omdat

en omdat

b Welke taalvariëteit gebruiken zij zelf?

2 Wat doet een taaldokter?

3 Discussieer in groepen van vier. Mag op televisie ook dialect gesproken worden?

©

4 Presentatoren moeten voor een groot publiek verstaanbaar zijn. Op welke zaken moeten ze bij het spreken letten?

woord

het panelgesprek: gesprek met een groep van experten het argument: wat je gebruikt om je bewering te staven, kracht bij te zetten discussiëren: van gedachten wisselen over iets met iemand

LES 3 Wat als … Standaardnederlands niet bestond?

145


2

Word jij een toppresentator? OPDRACHT 2

Hoe is een taal opgebouwd? Vul in.

Kies uit: zin – zinnen – woord – woorden – letter – letters – klank – klanken Onze taal bestaat uit           . Die schrijf je op als          : klinkers, medeklinkers en andere klanken (tweeklanken). Daarmee vorm je             . Wanneer je verschillende

OPDRACHT 3

IN

samenbrengt in een betekenisvol geheel, heb je een           . Werk in expertengroepen en deel wat je leerde.

Stap 1: In de expertengroep word je expert in één deel van spreekvaardigheid.

Stap 2: In de basisgroep geef jij je expertise door aan je groepsgenoten. Je vertelt aan de hand van een steekkaart wat je geleerd hebt.

1 Articulatie en uitspraak

N

a Onze taal vertoont soms gekke kuren. Je schrijft niet altijd wat je hoort. Kijk naar het voorbeeld. Geef nog twee andere voorbeelden. Bv. mailen (je hoort ee)

VA

b Een doffe klank wordt niet altijd geschreven als e. Geef drie voorbeelden.

c Bedenk zo veel mogelijk woorden met de klanken ‘ui’, ‘ei/ij’ en ‘ou/au’. Noteer ze op een kladblad. Spreek de woorden telkens hardop uit. Let op je uitspraak!

©

d Je bent een radiopresentator. Kondig een plaat aan. Gebruik in je aankondiging zo veel mogelijk woorden uit de vorige vraag. Lees de aankondiging om de beurt voor. Let op je uitspraak. Maak een voorstel op een kladblaadje.

2 Intonatie

a Wat is intonatie? Welk woord herken je in het woord ‘intonatie’? b Wat bedoelen ze met ‘een goede intonatie’? Waarom is dat belangrijk?

146

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


c Het intonatiespel: je krijgt een dobbelsteen en een intonatiekaart. Je gooit de dobbelsteen. Daarna kijk je op de intonatiekaart welke emotie je zult gebruiken (overeenkomstig het aantal ogen op de dobbelsteen). Dan lees je regels 1-3 van het startverhaal op p. 116-117 voor. De andere groepsleden raden welke emotie je neergezet hebt. Uiteraard krijgt iedereen een andere intonatiekaart. 3 Volume a Wanneer spreek je luid?

b Wanneer spreek je automatisch stil?

IN

c Onderzoek welk effect het volume heeft op de sfeer van de tekst. Lees om de beurt regels 25-31 van het startverhaal voor. Iemand leest met gewoon stemvolume. Daarna leest iemand de tekst fluisterend voor. Tot slot leest iemand de tekst heel luid. Wat doet dat met de sfeer van de tekst? Fluistervolume: Luid:

N

4 Tempo

a Wanneer ga je in het dagelijks leven sneller spreken?

VA

Je spreekt alle woorden juist en duidelijk uit. Je let extra op de uitspraak van de ‘andere klanken’ (tweeklanken).

1234

Je varieert in intonatie, zodat je tekst levendig overkomt.

1234

Je spreekt luid en duidelijk. Je past je volume aan de gebeurtenissen in het verhaal aan.

1234

Je hebt een aangenaam leestempo. Je past je tempo aan de gebeurtenissen in het verhaal aan.

1234

b Lees regels 47-55 van het startverhaal. Waar mag je wat sneller lezen? Waar kun je beter wat trager lezen? Bespreek per twee.

OPDRACHT 4

Volg je traject.

In de basisgroep ga je met het verhaal aan de slag. Je leest om de beurt een stukje voor. De klasgenoot die aan jouw linkerkant zit, is jouw taaldokter en vult jouw kader in.

©

Je traject naar succes

Werkpuntje voor jezelf:

woord

de emotie: het gevoel variëren: veranderen, wisselen

LES 3 Wat als … Standaardnederlands niet bestond?

147


OPDRACHT 5

Speel het spel van klank en ruis – HOEKENROEPEN

Je leraar vertelt hoe je het speelt.

wat Klanken en letters

IN

Een taal bestaat uit klanken. Die klanken schrijf je op als letters. In de Nederlandse taal zijn er klinkers en medeklinkers. Ui, ou/au en ei/ij zijn andere klanken (tweeklanken). Bij het uitspreken van die lettercombinatie hoor je twee verschillende klanken. Door letters te combineren vorm je een woord. Wanneer je verschillende woorden in een betekenisvol geheel samenbrengt, heb je een zin.

hoe

Spreekvaardigheid

Als je een goede spreker wilt worden, zijn vier zaken heel belangrijk:

VA

articulatie: spreek elk woord juist en duidelijk uit. intonatie: varieer in toonhoogte om levendigheid in je spreken te brengen. volume: spreek niet te luid of te stil en pas je volume aan de situatie of context aan waar nodig. tempo: spreek niet te snel of te traag en pas je tempo aan de situatie of context aan waar nodig.

N

• • •

Je kunt:

in je eigen woorden uitleggen hoe een taal is opgebouwd; de klinkers, medeklinkers en de andere klanken (tweeklanken) opsommen; je uitspraak verzorgen; variatie brengen in je intonatie; je volume en tempo aanpassen aan de situatie of context.

©

• • • • •

148

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken

waarheen


OP HET PODIUM

Oriënteren

o

v

u

r

IN

De klas wordt een podium en je groepje spreekspecialist! Kies een opdracht. Zorg voor decor en attributen. Iemand start met een originele aankondiging. Opdracht 1: Speel met ongeveer vier personen een stripfragment na. Selecteer een fragment uit een stripverhaal geschikt om na te spelen (+/- drie pagina’s). Opdracht 2: Speel met ongeveer vier personen een fragment uit een tv-serie na. Selecteer een fragment, geschikt om na te spelen (maximaal vier minuten).

1 Voor welke opdracht heb je gekozen? Welk fragment heb je geselecteerd? 2 Waarover gaat jouw fragment?

Voorbereiden

o

v

u

r

3 Som op wat je nodig hebt om het fragment te kunnen naspelen.

N

a Rolverdeling: wie speelt welke rol? Wie zorgt voor de aankondiging? b Decor: hoe kun je duidelijk maken waar het fragment zich afspeelt? c Attributen: welke attributen heb je zeker nodig bij het naspelen van het fragment? 4 Bekijk samen de tekst.

VA

a Welke woorden zijn moeilijker om uit te spreken? Noteer ze. b Waar moet je je stemvolume aanpassen? Bespreek. c Waar moet je je spreektempo aanpassen? Bespreek.

Uitvoeren

o

v

u

r

5 Jouw podiummoment is aangebroken. Lees vooraf de aandachtspunten.

Reflecteren

o

v

u

r

6 Controleer je eigen werk met deze criteria. Laat daarna een klasgenoot jou beoordelen. jij

je klasgenoot

De situatie / de gebeurtenissen worden duidelijk overgebracht.

1234

1234

Je spreekt alle woorden juist en duidelijk uit. Je let extra op de uitspraak van de ‘andere klanken’ (tweeklanken).

1234

1234

Je varieert in intonatie, zodat je tekst levendig overkomt.

1234

1234

Je spreekt luid en duidelijk. Je past je volume aan de gebeurtenissen aan.

1234

1234

Je past je tempo aan de gebeurtenissen in het verhaal aan.

1234

1234

©

Je traject naar succes

Werkpuntje voor jezelf: Werkpuntje voor je klasgenoot:

LES 3 Wat als … Standaardnederlands niet bestond?

149


les

Ken je het voorwerp? 4 Over het lv en mv blik op de toekomst: SCHRIJVEN

lijdend voorwerp (lv) herkennen, aanduiden, gebruiken

1

Wie of wat doet of is iets? Onderwerp, wwg en nwg OPDRACHT 1

Lees de tekst.

IN

meewerkend voorwerp (mv) herkennen, aanduiden, gebruiken

1 Onderzoek de onderstreepte zinnen. Omcirkel het onderwerp en markeer het werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde.

N

‘Iedereen kent de kusjesdans’ De Amerikaanse groep Los Lobos had in de zomer van 1987 een hit met ‘La Bamba’. Dat was toen al jarenlang een bekend lied. Bijna iedereen kende het hier als ‘de kusjesdans’. Op feesten ging bij het lied iedereen in een kring staan. Daarna mocht je elkaar kussen.

VA

‘La Bamba’ raakte in 1958 bekend door de Amerikaanse zanger Ritchie Valens. Hij was toen 17 jaar. De ouders van de tiener kwamen uit Mexico. Daar was ’La Bamba’ een oud volksliedje. Het lied zou al in de 16de eeuw hebben bestaan. De Spanjaarden zongen het toen ze Mexico veroverden.

Soldaten en matrozen zongen het lied. Ze wilden er vrouwen mee verleiden. Die traditie bleef bestaan. Dankzij de hit uit 1958 leerden we de dans zelfs in Vlaanderen kennen. De mannen zongen hier niet. Ze dansten ook niet echt. Ze kusten gewoon!

©

In 1959 stierf Ritchie Valens. Hij zat in een vliegtuig dat neerstortte. In 1987 maakten ze een film over zijn leven. De groep Los Lobos mocht de muziek spelen. Ook de muzikanten van Los Lobos zijn van Mexicaanse afkomst.

Vandaag kennen de jongeren ‘La Bamba’ bijna niet meer. Ze denken gewoon aan een Spaans lied. Kusjesdans? Daar hebben ze nog nooit van gehoord. Ze kussen nu op andere muziek. Naar: ‘Zomer-Wablieft: Iedereen kent de kusjesdans’, Wablieft

2 Overloop je oplossing samen met je buur. Waar zitten er verschillen? Bespreek. Als je er niet uit raakt, vraag je hulp aan je leraar.

150

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


3 Lukt het niet, fris even weer op! Omcirkel het onderwerp en markeer het werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde. a Niemand had de geheimzinnige ingang van het paleis ontdekt. b Zou de nieuwsgierige jongen het paleis via die weg willen bezoeken? c Zijn vriend was zo angstig dat heel zijn lijf daverde. d Hij leek een bang wezeltje. e Gelukkig kon Peter hem overtuigen. f

Heel voorzichtig slopen de twee vrienden binnen.

g Wat ontdekten ze daar?

2

IN

h Het was ongelooflijk griezelig.

Vul iets of iemand aan bij het werkwoord! Werkwoordelijk gezegde en lijdend voorwerp Werk met kaartjes en zoek een indeling.

OPDRACHT 2

N

1 In het schema ontdek je opnieuw zinnetjes met kernwoorden. Denk goed na over wat ze kunnen betekenen. a Verdeel de zinnen in twee groepen. Gebruik daarvoor twee verschillende kleuren. Zinnen waarover je het niet eens bent, duid je nog anders aan. baby huilen

hondje blaffen

snoep kopen

papa lachen

kus geven

opa voorlezen

vis eten

oma bellen

leraar pesten

boek lezen

flesje drinken

VA

ik zitten

b Verdeel de zinnen nu in de kolommen.

©

iemand doet

iets doen

iemand doet iets

ZINSDEEL

Vergelijk met je eerste oplossing. Bespreek met twee duo’s. Welke zinsdelen vind je in elke kolom? Noteer dat onderaan elke kolom.

LES 4 Ken je het voorwerp? Over het lv en mv

151


c Bekijk de werkwoorden: aan welke kun je naast het onderwerp ook een lijdend voorwerp (iets) koppelen? Markeer die werkwoorden.

tip IETS = een lijdend voorwerp

tekenen – schrijven – pakken – noteren – vangen – horen – luisteren – bedenken – gaan – vertrekken – drinken – slapen – geven – kopen – sturen – voetballen – toveren – vertellen – lezen – sluipen – lusten – schaatsen – zien – verdienen – belonen – straffen Met welke kolom uit het schema komt dat overeen?

IN

d Noteer zelf nog vijf werkwoorden die een lijdend voorwerp (iets) kunnen hebben. Maak met twee van die werkwoorden een zin waarin je dat aantoont.

N

wat

Het lijdend voorwerp (lv)

VA

Wat? Sommige werkwoordelijk gezegdes hebben een aanvulling nodig. Dan kun je IETS of IEMAND bij het werkwoord aanvullen: dat zinsdeel noem je een lijdend voorwerp. Bv. Het meisje helpt haar oma. Ze maakt de lunch klaar. (iemand helpen – iets klaarmaken)

©

Waaraan herken je dat voorwerp? 1 Het is een zinsdeel dat bij bepaalde werkwoordelijk gezegdes kan of moet voorkomen, IETS/IEMAND … Het heeft dan een sterke verbinding met het werkwoord. 2 Het komt alleen voor bij een wwg dat een aanvulling nodig heeft om de boodschap te verduidelijken. 3 Het kan vervangen worden door iets/iemand. 4 Het begint nooit met een voorzetsel (in, met, op, uit …). 5 Een werkwoord kan maar één lijdend voorwerp hebben. Het lijdend voorwerp kan het enige voorwerp van de zin zijn, maar het kan ook gecombineerd worden met andere voorwerpen.

OPDRACHT 3

Markeer het lijdend voorwerp. Bespreek je antwoord per twee.

1 Hij schilderde een mooi portret. 2 Je zult opnieuw een straf krijgen.

3 De eerste leerlingen stonden om 8 uur al aan de poort. 4 Ze verkopen pannenkoeken om hun zieke vriend te steunen. 5 De keeper geeft de bal te traag door. 6 Bloemkool staat op het menu van vandaag.

152

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


Markeer wat niet in het rijtje thuishoort.

OPDRACHT 4

Verduidelijk je keuze mondeling. Gebruik in je uitleg de termen ‘onderwerp’ en ‘lijdend voorwerp’. papa koken

vogel vliegen

ik fietsen

jasje maken

klokje tikken

b

cake bakken

boom groeien

ijsje eten

boekje pakken

truitje wassen

c

ezel balken

katje drinken

hondje blaffen

hamster eten

konijntje aaien

d

vriend helpen

Emma rennen

buur lopen

opa lezen

mama strijken

e

baby wassen

pizza eten

oma huilen

huisje bouwen

bal gooien

OPDRACHT 5

IN

a

Hoe is het lijdend voorwerp opgebouwd?

1 Bekijk deze zinnen. Onderstreep in elke zin het lijdend voorwerp. Onderzoek hoe een lijdend voorwerp opgebouwd kan zijn. Bespreek je oplossing per twee. Tijdens het werken zong hij een lied van Adele. Kris heeft Debbie gisteren in het station gezien.

Ze stuurde haar vriendin een bericht.

Mijn vriendin vertelde dat ze naar Italië op reis gaat.

N

Bel jij haar even?

Welke app raad je me aan?

2 Vervolledig dit besluit.

Een lijdend voorwerp kan opgebouwd zijn uit

VA

Een lijdend voorwerp kan / kan niet over iets of iemand gaan. Een lijdend voorwerp maakt een sterke verbinding met

wat

Hoe is het lijdend voorwerp opgebouwd? Het lv bestaat uit één woord, een woordgroep of een zin. Bv. Zij helpt hem. – Zij helpt de nieuwe buurman. – Zij helpt de oude man die op de hoek van de straat woont.

©

Hoe zoek je het lijdend voorwerp? Onderzoek of het werkwoordelijk gezegde een aanvulling nodig heeft met IETS of IEMAND. Wat/wie … (werkwoord + onderwerp)? Bv. Wat koopt hij? g iets kopen: een boek g Hij koopt een boek. Wie helpt zij? g iemand helpen: de oude man g Zij helpt de oude man.

LES 4 Ken je het voorwerp? Over het lv en mv

153


OPDRACHT 6

Onderzoek deze zinnen.

1 Onderstreep het lijdend voorwerp en vervang het door een ander lv. Jongeman gooit oude matras op straat voor gelukkige vinder.                           De dame spaarde het hele jaar rosse centjes.                           Politie helpt inbreker met problemen.

IN

Ze kregen een fikse boete: ze aten TUC-koekjes tijdens het rijden.                           De sportman verloor zijn dure sportschoenen.

2 In welke zinnen vind je een lijdend voorwerp? Duid aan.

N

Een nieuwe Belgische wet moet de scheiding van broers en zussen voorkomen. SOS Kinderdorpen deed onderzoek in de jeugdhulp. 7 op de 10 kinderen groeiden niet samen op met broer of zus. Een partij stelde een nieuwe wet voor. Daardoor kan die scheiding niet meer. Alle partijen vonden het voorstel goed, behalve één. Ook SOS Kinderdorpen is blij met het voorstel. Binnenkort verschijnt dus een echte wet. Er moeten echt meer oplossingen komen. Broers en zussen moeten samen opgroeien.

VA

Naar: ‘Geen scheiding voor broers en zussen’, www.wablieft.be

Dubbele naam is zeldzaam

Sinds 2014 kunnen vader en moeder hun beide familienamen doorgeven aan hun kind. Ze geven hun kind dan een dubbele naam. Zeven jaar later lijken gewoonten niet veel veranderd. Vorig jaar kregen maar 5.500 baby’s een dubbele naam. Dat is minder dan 8%. De meeste kinderen krijgen dus nog altijd de naam van de vader. En bij de dubbele namen komt de naam van de vader eerst bij vier op de vijf kinderen. Naar: ‘Dubbele naam is zeldzaam’, www.wablieft.be

©

3 Vul aan met een lijdend voorwerp.

154

Farid stuurde

.

Daar verkopen ze

.

De jongeren beklimmen

.

De piloot bestuurt al jaren

.

Na de wandeling kopen ze

.

Het team bouwt

.

Tim fotografeert

.

De leraar natuurwetenschappen bestudeert

.

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


3

Werk ook jij mee in de zin? Meewerkend voorwerp OPDRACHT 7

Onderzoek en vul aan.

1 Vul de zinnen aan. Aan wie? Voor wie? a Zij vertelde een spannend verhaal

c De sponsor koopt nieuwe truitjes d Hun trainer vraagt een ander veld

IN

b Hij vertelt een spannend verhaal

2 Vul aan met twee werkwoorden die in het rijtje passen. (aan) iemand iets vragen, aanraden, meedelen, (aan) iemand iets geven, betalen, lenen, 3 Wat past niet in het rijtje? Waarom?

voor zijn broer iets bereiden – betalen – kopen – drinken

N

aan een vriend iets bevelen – antwoorden – vergeten – vergoeden

VA

wat

Werkwoorden met een onderwerp en een meewerkend voorwerp

©

Werkwoorden die je kunt combineren met aan iemand/voor iemand, kunnen een meewerkend voorwerp bij zich krijgen. Bv. iets kopen voor iemand / iets vertellen aan iemand

LES 4 Ken je het voorwerp? Over het lv en mv

155


OPDRACHT 8

Welke werkwoorden passen in deze tabel?

Probeer voor elke kolom ten minste vijf andere werkwoorden te bedenken. Bekijk eerst het voorbeeld en zoek dan werkwoorden die bij het voorbeeld en in de kolom passen. (Controleer of je het werkwoord niet of wel kunt combineren met iets, iemand of iemand iets/iemand.) –

iets

iemand

iemand iets / iemand

eten

tegenkomen

uitleggen

Bijvoorbeeld: Ik lach IETS./IEMAND.

Ik eet iets (een broodje).

Je komt IEMAND (je zus) tegen.

Ze legt IEMAND (haar vriend) / IETS (de les) uit.

IN

lachen

1 Bij welke kolom kon je gemakkelijk voorbeelden verzinnen? Bij welke kolom was het lastig?

N

2 Sommige werkwoorden passen misschien in twee kolommen. Ga na waar dat in jouw voorbeelden het geval is en voeg de werkwoorden in die andere kolom toe. 3 Vul aan en kies uit lijdend of meewerkend voorwerp. Wat heb je ontdekt? •

Je kunt makkelijk werkwoorden verzinnen waar iets/iemand bij past en die iets/iemand kun je meestal weglaten. Dat komt omdat de meeste werkwoorden in die kolom passen: ze kunnen één voorwerp bij zich

VA

hebben:                   .

Als een werkwoord twee voorwerpen bij zich heeft, is er eentje altijd iemand en bij die iemand kun je meestal aan of voor toevoegen. Dat zinsdeel is dan het                  .

Een                   is dus meestal iets (maar kan ook iemand zijn) en een                   is altijd (aan/voor) iemand (er zijn maar enkele uitzonderingen).

OPDRACHT 9

Breid de zinnen uit.

1 Vul aan met een lijdend voorwerp. Je lv moet meer dan één woord tellen.

©

Je lijdend voorwerp moet langer zijn dan één woord. 1 Dali schenkt

2 Pablo belooft 3 Sofie brengt

4 Joeri onderzoekt

2 Kun je je zinnen nog uitbreiden met een meewerkend voorwerp? Doe dat voor de zinnen waar het kan. Waar lukt het niet? Waarom?

156

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


OPDRACHT 10

Hoe is het meewerkend voorwerp opgebouwd?

Markeer het meewerkend voorwerp in de zin. Vervang het door een woordgroep. Wie is ze/hij? Indien nodig schuif je met zinsdelen. 1 We hebben haar een kaart gestuurd. 2 Daarna hebben we hem nog een geschenk gegeven.

IN

3 Zijn vader biedt hem een drankje aan.

4 Hij kocht hun elke dag een lekker ijsje bij de lieve verkoopster op het plein.

5 De leraar gaf ons een fikse straf omdat we te lang in de gang bleven hangen.

wat

N

Het meewerkend voorwerp (mv)

VA

Wat? Bepaalde gezegdes krijgen naast een lijdend voorwerp een tweede zinsdeel als aanvulling. Het duidt aan op wie (of wat) de werking zich richt. Wie ontvangt er iets, wie verneemt iets, van wie wordt iets afgenomen … Je kunt het werkwoord dat vaak een vorm van communicatie of een of andere interactie uitdrukt, aanvullen met AAN IEMAND of VOOR IEMAND.

©

Je noemt zo’n aanvulling bij het werkwoordelijk gezegde of het naamwoordelijk gezegde een meewerkend voorwerp. Bv. Julie en Dimitri gaven een verjaardagsgeschenk aan hun vader. ( iets geven aan iemand) Ze gaven hem een verjaardagsgeschenk. Ze vroeg aan hem hoe laat het was. ( iets vragen aan iemand) Ze vroeg hem hoe laat het was. De buurvrouw beloofde een nieuwe auto voor haar zoon. ( iets beloven voor iemand) Ze beloofde haar zoon een nieuwe auto. Waaraan herken je dat voorwerp? 1 Het is een zinsdeel. 2 Het komt voor bij een wwg of nwg om de boodschap te verduidelijken met de aanvulling AAN of VOOR IEMAND. 3 Het kan met aan of voor beginnen, meestal kun je aan of voor weglaten. Soms verandert de woordvolgorde daardoor. 4 Het verwijst over het algemeen naar een persoon die als tegenspeler van het onderwerp optreedt en in die zin aan de handeling ‘meewerkt’. 5 Het kan vervangen worden door aan/voor iets/iemand.

LES 4 Ken je het voorwerp? Over het lv en mv

157


wat Het meewerkend voorwerp (mv) Hoe is het opgebouwd? Het mv bestaat uit één woord, een woordgroep of een zin.

OPDRACHT 11

IN

Hoe zoek je het meewerkend voorwerp? Het meewerkend voorwerp duidt de persoon aan die iets/niets ontvangt. (interactie) Het meewerkend voorwerp duidt de persoon aan met wie gecommuniceerd wordt. Voor of aan wie + onderwerp en wwg of nwg …? Welke woorden zeggen aan wie of voor wie iemand iets is of doet?

In welke zinnen vind je een meewerkend voorwerp? Duid aan.

1 We lenen geen materiaal meer uit aan de buren.

2 Onze buurman schonk zijn zoon een auto voor zijn verjaardag. 3 Hun oude auto lenen ze dikwijls uit aan vrienden.

4 Mama gaf Abdel elke dag een lekker lunchpakket mee.

N

5 Daarom gaf Abdel zijn moeder elke dag een knuffel. 6 De dokter schreef mij vier weken rust voor. 7 Dat lijkt jullie wel interessant, niet?

VA

8 Het meisje komt me bekend voor.

OPDRACHT 12

Onderzoek het meewerkend en lijdend voorwerp in zinnen.

Bouw mondeling zinnen. Werk in duo’s.

1 Kun je met deze werkwoorden een zin met een lijdend voorwerp vormen? Markeer die werkwoorden waarbij het kan. verdwalen – liggen – rondslenteren – achterblijven – staan – bewaren

2 Kun je een zin bedenken met deze werkwoorden en er een lijdend voorwerp in stoppen? Markeer die werkwoorden waar het kan.

©

plagen – vangen – verbergen – ophangen – vragen – schrijven – brengen – eten – ruiken – luisteren

3 Kun je een zin bedenken met deze werkwoorden en er een meewerkend voorwerp in stoppen? Markeer de werkwoorden waarmee dat lukt. knellen – verlangen – brengen – vragen – verlangen – geven

4 Noteer drie werkwoorden die met de beide voorwerpen kunnen voorkomen.

158

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


Ga aan de slag met de tekst.

OPDRACHT 13

1 Lees de tekst. a Noteer de nummers van de zinnen met een lijdend voorwerp. België: Windmolens krijgen ‘stopcontact’

Naar: ‘België: Windmolens krijgen stopcontact’, Wablieft

Zinnen met een lijdend voorwerp:

IN

(1) Het bedrijf Elia plant op zee een nieuw platform. (2) Dat zal dienen als ‘stopcontact’ voor windmolens. (3) Elektriciteit uit windmolens is de energie van de toekomst. (4) Dat denkt Elia. (5) Dat bedrijf verstuurt elektriciteit van de bron naar de gebruiker. (6) Elia gaat nu een platform bouwen in zee, op 40 kilometer van Zeebrugge. (7) Dat kost 400 miljoen euro. (8) Het platform zal dienen als een soort ‘stopcontact’. (9) Nieuwe velden van windmolens op zee kunnen erop aansluiten. (10) Ze moeten dan zelf geen dure kabels naar de kust leggen. (11) De elektriciteit gaat langs het ‘stopcontact’ naar de kust. (12) Dat bespaart dus geld. (13) Het ‘stopcontact’ verstoort het leven in zee ook minder. (14) Het is echt een milieuvriendelijke blik op de toekomst.

Vergelijk je oplossing met die van je buur. Verklaar waarom je voor die zinnen koos.

N

b Herschrijf deze zinnen. Zin 1: ‘een nieuw platform’ wordt het onderwerp van de zin.

Zin 10: begin de zin met het lijdend voorwerp.

VA

Zin 12: ‘geld’ wordt het onderwerp van de zin.

c Onderzoek de zinnen 3 en 14. Welke zinsdelen herken je? Duid aan en benoem. (3) Elektriciteit uit windmolens is de energie van de toekomst. (14) Het is echt een milieuvriendelijke blik op de toekomst.

©

+

waarheen

Je kunt: • • • • •

het lijdend en meewerkend voorwerp in de zin aanduiden; zinnen vormen met een lijdend en meewerkend voorwerp; zeggen waaruit het lijdend en meewerkend voorwerp bestaat; zinnen aanvullen met een lv en/of mv; kenmerken van het lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp verwoorden.

LES 4 Ken je het voorwerp? Over het lv en mv

159


Jouw blik op de toekomst Schrijf een korte tekst (van vijf tot acht zinnen) over een aspect of mogelijke ontdekking voor de toekomst. Kies eerst een thema. Werk per twee. Hoe pak je dat aan?

Oriënteren

o

v

u

r

Voorbereiden

o

v

u

r

2 Verzamel ideeën.

IN

1 Kies een thema (mode, natuur, kunst, wetenschappen, bouwen en wonen, school …).

3 Probeer eerst op een apart blad een antwoord te formuleren op de vragen. Antwoord met een volledige en duidelijke zin of zinnen. 4 Onderstreep in je antwoorden het lijdend voorwerp met groen. a Hoe benader jij de toekomst? b Wat fascineert je?

d Waarin geloof je?

N

Uitvoeren

c Wat geloof je niet?

o

v

u

r

VA

5 Schrijf je tekst op een apart blad. Gebruik je antwoorden op de vragen.

Reflecteren

o

v

u

r

6 Vind je in je antwoorden een lijdend voorwerp?

7 Bekijk nu alle lijdende voorwerpen en de werkwoorden waarbij ze voorkomen. Wat kun je daaruit besluiten? 8 Onderzoek je zinnen opnieuw: heb je ook ergens een meewerkend voorwerp gebruikt? Onderstreep met rood. Je traject naar succes

1234

Je verwerkt alle antwoorden in je tekst.

1234

Je kunt alle lijdende voorwerpen aanduiden.

1234

©

Je vertelt in je tekst over de toekomst.

Heb je ook een meewerkend voorwerp gebruikt?

ja

nee

woord

fascineren: betoveren, boeien, aanspreken

160

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


les

5

Lees en ontdek

tekstopbouw HERKENNEN

chronologische tekststructuur AANDUIDEN delen van een tekst AANDUIDEN

Wat weet je al? Wat kun je al? OPDRACHT 1

hoofd- en bijzaken ONDERSCHEIDEN

je held VOORSTELLEN

IN

1

CENTRALE THEMA OF HOOFDGEDACHTE AANGEVEN

Onderzoek de opbouw van een tekst. Die helpt je om een tekst beter te begrijpen.

1 Bekijk de tekst. a Duid de delen aan van de tekst en benoem ze.

Kies uit: alinea – illustratie – inleiding – kop – lead – tekstblok – titel – tussenkop – tussentitel

N

b Welke termen zijn synoniemen? Noteer die hier.

Allemaal (vreemde) beestjes?

VA

De mens leeft niet alleen op deze aarde. Planten en dieren zijn de andere bewoners van onze wereldbol. Ons gedrag heeft invloed op het milieu en dus ook op die andere bewoners. Veel soorten dreigen uit te sterven. Dat is heel jammer, want deze opvallende beestjes kleuren de wereld.

Draakje speelt verstoppertje De rafelvis lijkt een beetje op een blad met rafels. Toch is het helemaal geen plant. De vis verbergt zich graag tussen de planten onder water en leeft in de buurt van Australië. Zijn thuis zijn de riffen in zee. De vis kan tot 35 centimeter groot worden. Zijn vijanden en prooien ontdekken hem moeilijk. Door zijn vorm krijgt hij de bijnaam ‘zeedraak’.

©

Groene vacht De luiaard is een harig beest uit de oerwouden van Zuid-Amerika. Slapen kan hij als geen ander. De luiaard leeft in de bomen. Hij eet vooral bladeren. Daar kan ook wel een insectje bij. Of zelfs een klein diertje. Om alles te verteren slaapt de luiaard wel tien uur aan één stuk. De haren van de luiaard zijn bruin of soms wat groen. Dat komt door bacteriën en algen. Die leven in zijn vacht. Heilige hoorns Voor deze runderen heb je vanzelf respect. Dat komt door hun lange hoorns. Het zijn Watusi-runderen. Ze leven vooral in Rwanda in Afrika. Hun voorouder is de oeros. Watusi-runderen waren eeuwenlang heel belangrijk voor enkele Afrikaanse stammen. Voor de Tutsi’s waren deze runderen zelfs heilig. Naar: ‘In de kijker: Allemaal (vreemde) beestjes?’ Wablieft

LES 5 Lees en ontdek

161


2 Lees ook deze tekst. a Bedenk zelf een titel en een tussentitel. In Amsterdam en in Utrecht is er nu een klerenbibliotheek. Je kunt er kleren lenen. Je neemt ze mee naar huis, draagt ze en brengt ze vier weken later terug. Je moet de kleren zelf niet wassen.

Naar: ‘België: Leen eens een broek’, Wablieft

IN

Het idee is niet helemaal nieuw. Kleren ruilen of ‘swishen’ heeft al enkele jaren veel fans. Vooral vrouwen doen het. Ze ruilen hun kleren en ontdekken zo nieuwe dingen, zonder ze te kopen. Ook zakenvrouwen kunnen hun kleren ruilen. Ze deden dat al in Alkmaar – ook in Nederland. Nieuw bij de klerenbibs in Nederland is dat de kleren terugkomen naar de bibliotheek.

b Welke illustratie zou bij de tekst passen? Kies uit deze reeks. Doe een voorstel.

B

VA

N

A

©

C

D

illustratie:

Als de vorige opdrachten niet vlot gingen, oefen je verder op diddit voor je aan de volgende opdracht begint.

162

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


2

Waarover gaat het? Wat is het thema? OPDRACHT 2

tip

Zoek een gepaste titel.

De vier beelden hebben een link met de Cliniclowns.

1 Welke titel past volgens jou bij deze foto’s in de krant? a Bij welke foto’s passen deze titels? • •

Koningin Mathilde snijdt verjaardagstaart Cliniclowns zijn nu ook actief in revalidatieziekenhuis

b Verzin zelf een gepaste titel bij de andere foto’s en noteer die bij de foto.

B

D

VA

C

N

© BSIP

© Edwin Janssen

IN

A

©

c Wat is volgens jou een goede titel? Bespreek samen aan welke criteria een titel moet voldoen. Markeer. Criteria voor een goede titel Een goede titel … • valt op / valt niet op (heeft een groter lettertype, is in vetjes gedrukt); • is kort / lang (lidwoorden en bepaalde werkwoorden worden dikwijls weggelaten); • wekt geen / wel nieuwsgierigheid bij de lezer; • vat dikwijls de tekst of alinea samen / geeft extra informatie; • zet de lezer aan om de tekst te lezen / zet de schrijver aan om de tekst te lezen; • legt de klemtoon op de minst / meest informatieve woorden (die geven veel informatie).

d Lees je titels. Beantwoorden ze aan die criteria? Pas aan waar nodig. LES 5 Lees en ontdek

163


OPDRACHT 3

Lees de tussentitels bij de verschillende delen van een tekst over voetbal.

De voetbalwereld 1 Geschiedenis 2 Symbool 3 Waaraan moet een bal voldoen? 4 Hoe wordt een voetbal gemaakt? In welk deel van de tekst zou je deze informatie kunnen vinden? Noteer het nummer in de laatste kolom.

De oudste bal komt uit Egypte. De bal doet denken aan de zon.

IN

De bal moet bolvormig zijn.

Er worden allemaal kleine zeshoeken uit de plaat gesneden. In de prehistorie werd voetbal gespeeld met stenen ballen.

De oudste ballen die wel bekend zijn, waren gemaakt van linnen en gevuld met riet, stro en waren groen of geel gekleurd. De omtrek van de bal moet tussen 68 en 71 cm liggen.

N

Hier worden de ballen opgepompt en wordt er gecontroleerd of ze niet lek zijn.

VA

De twee halve ballen worden op een klein stukje na aan elkaar gezet en dan wordt de bal gekeerd want de goede kant zit binnenin.

wat

Titel en tussentitels

Een titel (of kop) … • staat boven een tekst; • geeft aan waar de tekst over gaat; • valt op door een ander lettertype; • is meestal de kortste samenvatting van de zakelijke tekst; • beantwoordt aan enkele criteria: hij is kort, wekt nieuwsgierigheid, zet aan tot lezen en legt de klemtoon op de meest informatieve woorden.

©

Elke tekst begint met een titel. Soms zijn er tussentitels (of tussenkopjes). Die … • staan boven een deel van de tekst; • geven aan waarover dat deel gaat.

164

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


3

Verder lezen … OPDRACHT 4

Bepaal de hoofdgedachte.

Bekijk en lees de teksten. Beantwoord daarna de vragen.

Naar: ’Vlog’, www.wikipedia.be

B

IN

A

metro

N

Vijf tips om te vloggen met je smartphone Metro NL Ma. 21 maart, pagina 8

VA

Omdat smartphones en hun bijbehorende camera’s steeds beter worden, zijn de toestellen tegenwoordig ook prima geschikt om filmpjes mee in te blikken. Heb je er bovendien altijd al van gedroomd om een ster op YouTube te worden of om je eigen vlog te maken? Dankzij Samsung Discover kunnen we je vijf tips geven waarmee je meteen van start kunt gaan. Als je die volgt, zullen de technische aspecten alvast snor zitten! Lees meer op metrotime.be/samsung

©

Naar: ‘Vijf tips om te vloggen met je smartphone’, www.metrotime.be

C

In 2000 probeerden enkele Amerikanen de mogelijkheden van een vlog uit. Slechts vier jaar later pikte de geschreven pers daarop in en verscheen er een artikel in de krant. Het jaar nadien volgden er verscheidene initiatieven om het vloggen onder de aandacht te brengen, maar die waren niet krachtig genoeg om een hype te creëren. Best gek, dacht ik bij mezelf, maar tegelijkertijd dacht ik ook even terug aan mijn eigen ervaringen met YouTube en Facebook in de beginjaren. Toen besteedde ik niet zo veel aandacht aan het delen van leuke foto’s of filmpjes of het bekijken ervan. YouTube diende voornamelijk om liedjes te beluisteren en Facebook om een status te delen of te lezen wat iemand anders te zeggen had. Naar: ‘Het vloggen: Klaar om ons te veroveren!‘, www.comma.smallteaser.com

LES 5 Lees en ontdek

165


1 Wat is de hoofdgedachte of het centrale thema van de drie teksten?               2 In welke tekst zul je het antwoord vinden op deze vragen? Plaats de letter van de tekst bij de vraag. Hoe kun je beter vloggen met je smartphone? Wanneer is vloggen ontstaan? Wat is een vlog? Waarvan is vlog de afkorting? 3 Hoe heb je de hoofdgedachte gevonden? Ik heb naar de titel of kop gekeken. Ik heb naar de illustraties gekeken. Ik heb de tekst volledig gelezen. Ik heb het begin en het einde van de tekst gelezen. Ik heb gezocht naar vetgedrukte of anders gekleurde woorden.

IN

O O O O O

4 Wat vertelt de schrijver over het thema? Vertel het in één of twee korte zinnen. Tekst A: Tekst B:

N

Tekst C:

hoe

VA

De hoofdgedachte of het centrale thema

Een tekst gaat ergens over. Dat is het onderwerp van de tekst. Dikwijls is dat onderwerp in één woord te benoemen. Het belangrijkste wat de schrijver over het onderwerp zegt, is de hoofdgedachte of het centrale thema van een tekst. Wat de schrijver over het centrale thema vertelt, vind je in de hoofdpunten van de tekst.

©

Om het onderwerp en de hoofdgedachte te vinden, kun je de tekst het best globaal lezen. Daarvoor lees je de tekst niet volledig, enkel in grote lijnen. Lees zeker het begin (inleiding) en het einde (slot) van de tekst. Bestudeer ook de titel en bekijk de structuur, de illustraties en de tekstopmaak of lay-out.

OPDRACHT 5

Markeer het thema waarover je meer wilt lezen.

optie 1: Bizarre werelden – optie 2: Beestachtig – optie 3: Vreemde gewoontes

Zoek drie klasgenoten die dezelfde keuze maakten. Maak de opdrachten. Noteer de naam van het groepslid bij de rol die hij op zich neemt.

166

koploper

tijdbewaker

verslaggever

bemiddelaar

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


Deel 1 1 Lees de teksten van jouw keuzethema. Bedenk een passende titel die voldoet aan de criteria uit het kader over titels op p. 164. 2 Noteer de titels van de twee teksten op een blaadje. Als iedereen klaar is, bespreek je welke titel het best bij de tekst past. Schrijf de titel boven de tekst. Deel 2

IN

1 Kies elk een van de vier teksten op diddit. 2 Lees de tekst.

3 Noteer op een apart blad de woorden die belangrijk zijn om de tekst te onthouden en na te vertellen. 4 Lees de titel opnieuw. Waarom koos de schrijver volgens jou die titel?

N

5 Bedenk een andere passende titel. Waarom zou je voor die titel kiezen?

6 Vertel aan de groep wat je las. Gebruik daarvoor de belangrijkste woorden.

VA

a De andere leden van de groep lezen de tekst. Ze zullen je kritisch beoordelen. Ze zullen nagaan of je de tekst correct samenvatte en vertellen wat ze ervan vonden. b Noteer wat anderen ervan vonden.

c Hoe noem je die belangrijkste woorden?

©

d Wat doen die woorden precies?

e Vul na het vergelijken van de titels de ontbrekende woorden in. Wat is een sleutelwoord (kernwoord)? Een sleutel opent deuren. Wie een deur opent, ziet wat erachter zit. Zo gaat het ook met een sleutelwoord. De sleutelwoorden geven de lezer toegang tot het onderwerp en de hoofdgedachte van de tekst of de alinea. Je vindt de            dikwijls in de            en/of            zin van een alinea. Samen met de andere woorden vormen ze de            van de tekst. Die zin vertelt je waarover het in de tekst zal gaan.

LES 5 Lees en ontdek

167


OPDRACHT 6

Lees de tekst over gamen oriënterend. Bekijk de tekst zonder die echt te lezen. Voer daarna de opdrachten uit.

1 Bekijk de lay-out aandachtig. Duid aan wat je allemaal in de tekst opmerkt. Welke van deze elementen komen in de tekst voor? Vul aan wat je in de tekst vindt. Als je een van de opgesomde elementen in het kader niet in de tekst terugvindt, schrijf dan GEEN. titel tussentitel(s)

IN

inleiding aparte tekstblokjes slot illustratie/afbeelding bronvermelding

2 Lees de titel opnieuw en schrijf de hoofdgedachte op. Noteer daarnaast de hoofdzaken (sleutelwoorden) en de bijzaken (details) op een apart blad.

N

3 Waaruit bestaat een apart tekstblokje?

VA

4 Hoe noem je het eerste tekstblokje? Waarover vertelt de schrijver daarin?

5 In welk deel van de tekst geeft de schrijver meer informatie/uitleg?

6 Met welk tekstblokje rondt de schrijver de tekst af? Wat vind je daarin terug?

©

wat

De alinea

De tekstdelen of tekstblokjes noem je alinea’s. Je kunt een alinea herkennen aan deze aspecten. • • • • •

168

Elke goed opgebouwde alinea heeft een kernzin met daarin de belangrijkste gedachte (kerngedachte) van die alinea. In een alinea staat die kernzin voor- of achteraan. Dikwijls is er een witregel tussen twee alinea’s. Soms springt de eerste regel in. De laatste regel is meestal niet helemaal volgeschreven.

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


OPDRACHT 7

Lees de tekst oriënterend. Bekijk de tekst zonder die echt te lezen.

Parasieten hebben het slim bekeken. Ze laten het zware werk gewoon aan iemand anders over.

IN

Parasieten zijn er in alle maten en vormen. Het kunnen dieren, planten, insecten, maar ook schimmels of bacteriën zijn. Eén ding hebben ze gemeen: ze maken het zich gemakkelijk! Parasieten zoeken een partner, zodat ze altijd eten en drinken binnen handbereik hebben.

Bijna alle diersoorten hebben parasieten. Katten en honden hebben geregeld last van oormijt. Dat is een klein, spinachtig wezentje dat smult van oorsmeer en huidschilfers. Een andere veelvoorkomende parasiet is de teek. Die leeft in bomen en struiken en laat pas los als er een dier voorbijkomt.

Ook mensen hebben zo nu en dan last van parasieten. Een bekende soort is de lintworm. Die worm leeft in darmen, waar hij genoeg voedsel heeft. Je hebt ook vast weleens van de hoofdluis gehoord. Die leeft tussen je haren en zuigt bloed op.

N

Naar: ‘Parasieten’, www.natgeojunior.nl

1 Wat zie je als je de tekst oriënterend leest?

VA

2 Waarom lees je de tekst? Wat is je leesdoel?

3 Wat verwacht je te lezen?

4 Lees de tekst globaal. Markeer in elke alinea de sleutelwoorden (of de kernwoorden) die jij belangrijk vindt. 5 Wat is de hoofdgedachte (of het centrale thema) van de tekst?

©

6 Zoek nu uit welke titel het best past bij de sleutelwoorden. Schrijf de titels op de juiste plaats. Kies uit: SMEER, SCHILFERS EN BLOED – PARASIETEN – VRIENDEN VOOR HET LEVEN – PARASIETEN BIJ DE MENS

LES 5 Lees en ontdek

169


OPDRACHT 8

Lees de tekst oriënterend. Bekijk de tekst eerst zonder die echt te lezen.

Maak je eigen taal? Er zijn op de wereld ongeveer zesduizend verschillende talen. Voor sommige mensen is dat nog niet genoeg: zij bedenken er nieuwe talen bij. Waarom doen ze dat? Kan dat eigenlijk wel, een nieuwe taal maken? In de loop van de tijd zijn er honderden nieuwe talen gemaakt. Mensen hebben blijkbaar verschillende redenen om zoiets te doen.

IN

Sommige mensen maken nieuwe talen om beter te kunnen denken. Ze vinden dat het in de bestaande talen te gemakkelijk is om te liegen of onduidelijk te zijn. Ze willen daarom een taal die logischer is. Andere mensen maken een nieuwe taal om communicatieproblemen op te lossen. Ze willen bijvoorbeeld dat alle mensen op de hele wereld met elkaar kunnen praten en vinden het Engels daarvoor te ingewikkeld. Ze proberen daarom een taal te maken die makkelijker te leren is.

N

De derde groep mensen maakt een nieuwe taal voor de lol. Ze bedenken bijvoorbeeld een fantasiewereld mét een taal voor de mensen die in die wereld leven. Een nieuwe taal bedenken is niet makkelijk. En nog moeilijker is het om mensen te vinden die de taal ook nog willen leren. Lang niet iedereen lukt dat. Heb jij weleens gedacht aan het maken van een eigen taal? Naar: Onze Taal

1 Beantwoord de vragen.

VA

a Waar vind je het onderwerp van de tekst?

b Uit welke delen bestaat de tekst? Duid aan en benoem de delen.

2 Lees alleen de eerste en de laatste alinea van de tekst. Beantwoord de vraag die aan het eind van a de eerste alinea staat.

©

b de slotalinea staat.

3 Lees de tekst nu intensief. Noteer twee vragen over de inhoud van de tekst op een apart blad. Geef die door aan je buur en vraag hem om die te beantwoorden. 4 Verzin een tussentitel en noteer die in de tekst. 5 Markeer een hoofdzaak groen en een bijzaak blauw.

170

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


OPDRACHT 9

Lees ook deze tekst. Beantwoord daarna de onderzoeksvragen.

Ferdinand Magellaan Ferdinand Magellaan was een Portugese ontdekkings­ reiziger, die in Spaanse dienst de eerste zeilreis rond de wereld leidde. Tijdens deze reis sneuvelde hij op de Filipijnen.

IN

In opdracht van de koning van Spanje zocht hij een westelijke route om naar de Molukken te varen, waarmee Spanje een winstgevende specerijenhandel wilde opzetten. Met een vloot van vijf schepen vertrok Magellaan op 20 september 1519 in westelijke richting. Hij stak eerst de Atlantische Oceaan over en voer daarna een heel stuk zuidelijk langs de kust van ZuidAmerika. Tussen Vuurland en het Zuid-Amerikaanse vasteland vond hij een doorgang naar de Stille Oceaan. Deze doorgang werd later naar hem de Straat Magellaan genoemd.

N

Slechts één van de vijf schepen De vloot voer verder in westelijke richting en stak de Stille Oceaan over richting Filipijnen. Daar werd Magellaan op 27 april 1521 gedood op het strand van het eiland Mactan tijdens een schermutseling met de inheemse bevolking. Zijn bemanningsleden vervolgden de tocht, bereikten de Molukken en zetten via Afrika koers naar Europa. Uiteindelijk bereikte in 1522 slechts één van de vijf schepen het thuisland Spanje.

VA

Deze expeditie was de eerste waarbij een volledige reis om de wereld werd gemaakt. Naar: ‘Top 10 beroemde ontdekkingsreizigers die de wereld in kaart hebben gebracht’, www.alletop10lijstjes.nl

1 Welke elementen merk je op in de lay-out?

2 Hoe is de tekst opgebouwd? Duid de verschillende delen aan.

3 Wat is de hoofdgedachte?

©

4 Kun je de zinnen zomaar van plaats wisselen?

5 Wat is de hoofdgedachte?

6 Hoe werden de gegevens gerangschikt? 7 Hoe noem je de woorden die dat verband in de tekst aanduiden? Markeer die woorden in de tekst.

LES 5 Lees en ontdek

171


wat Signaalwoorden Woorden die verbanden in de tekst tussen de alinea’s of de zinnen aanduiden, noem je signaalwoorden.

IN

Voorbeelden van die woorden in een chronologische structuur: eerst, daarna, vervolgens, dan, nu, later, nadien, toen, eerst, ten slotte, terwijl, vroeger, in 1682, de 15de eeuw, 7 jaar later, twee maanden eerder, voor, voordat, tot, terwijl, zolang, sinds, in het begin, intussen, een jaar later, op 25 december …

wat

Opbouw van een tekst

1 Een tekst wordt dikwijls in een chronologische volgorde geschreven. Dat wil zeggen dat de tekst opgebouwd is volgens de tijd. Tijdsaanduidingen zoals een datum, woorden als morgen, vorige week … en woorden als ten eerste, vervolgens, daarna, ten slotte … duiden die volgorde aan. 2 Een tekst wordt ook structureel geordend: titels, tussentitels …

VA

N

3 Zakelijke teksten zijn meestal opgebouwd met een inleiding, een midden en een slot. De inleiding trekt de aandacht van de lezer en vertelt kort waarover de tekst handelt. In het midden volgt de verdere uitwerking. Daarin vind je de boodschap van de tekst. Het slot dient om de tekst gepast af te ronden. Soms wordt de belangrijkste informatie kort herhaald, soms bevat die slotzin een conclusie.

waarheen

Je kunt:

de hoofdgedachte van een tekst aangeven; in een informatieve tekst de hoofdzaken van de bijzaken onderscheiden; de opbouw van een informatieve tekst herkennen en de verschillende delen aanduiden; de sleutelwoorden in een tekst aanduiden; de gepaste titel/kop of tussentitels voor een tekst bedenken; de signaalwoorden van een chronologische structuur in een tekst aanduiden; de kenmerken van een chronologische structuur aanduiden; de termen alinea en opbouw (inleiding, midden en slot) gebruiken.

©

• • • • • • • •

172

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


Ken je de held? Oriënteren

o

v

u

r

Werk in groepjes van drie. Zoek een kort filmpje (trailer) met een (strip)held als inspiratie. 1 Bedenk een leuke en aantrekkelijke titel voor het verhaal in het filmpje.

tip

Zoek eventueel naar bloopers.

2 Schets de situatie of context: wat gebeurt er? Gebruik daarbij passende signaalwoorden.

Voorbereiden

o

v

u

r

4 Maak een keuze.

IN

3 Vertel aan een ander trio wat er volgens jou zou kunnen volgen. Hoe loopt het af? OF: Schrijf een inleiding of een slot bij het filmpje. Lees je voorstel aan een andere groep voor.

Uitvoeren

N

a Welke held? Welk filmpje? b Ga je spreken (vertellen) of schrijven (en voorlezen)? c Welke informatie: wat zijn de belangrijkste zaken of hoofdzaken voor de opdracht?

o

v

u

r

5 Breng je verhaal op een boeiende manier. Werk op een apart blad voor je inleiding/slot of voor de voorbereiding om te kunnen vertellen (noteer sleutelwoorden).

VA

Reflecteren

o

v

u

r

6 Hoe ging het?

In orde Je traject naar succes

jij

je klasgenoot

1234

1234

Je schetst duidelijk wat er in het filmpje gebeurt en gebruikt 1234 daarbij passende signaalwoorden.

1234

Je vervolledigt het verhaal: • je geeft duidelijk weer hoe het verhaal verder gaat. • je vult aan met een passende inleiding of slot.

1234

1234

Je deelt je ideeën met je eigen groepje en met een ander trio 1 2 3 4 op een boeiende manier.

1234

©

Je bedenkt een leuke en aantrekkelijke titel.

Werkpuntje voor jezelf:

woord

de blooper: een opnamemoment waarbij iets fout loopt, dikwijls een grappige situatie

LES 5 Lees en ontdek

173


les

Gevat samengevat

6

verhaal samenvatten MET SLEUTELWOORDEN

genietend lezen

karaktertekening MAKEN

w-vragen STELLEN

Van sleutelwoorden tot verhaal OPDRACHT 1

IN

1

Lees de sleutelwoorden.

John Flanagan

Waasland Shoppingcenter

10-jarig jubileum van ‘De Grijze Jager’

vrijdag 2 juni van 16.30 uur tot 18.00 uur

Signeren – max. één boek

voor alle fans

N

1 Op welke vragen geven de sleutelwoorden een antwoord? Markeer het vraagwoord en het bijbehorende sleutelwoord telkens in dezelfde kleur.

2 Kun jij met die sleutelwoorden het verhaal reconstrueren? Schrijf het verhaal op in drie goede zinnen.

VA

3 Je leraar leest het originele artikel voor. Welke verschillen merk je met jouw versie?

Ken jij de boekenreeks ‘De Grijze Jager’?

©

OPDRACHT 2

1 Vertel in maximaal tien sleutelwoorden waar de reeks over gaat. Ken je de reeks niet? Geen nood. In het kader vind je de nodige info. Markeer tien sleutelwoorden en noteer ze onder de tekst. Denk bij het selecteren van sleutelwoorden aan de w-vragen.

woord

signeren: handtekenen reconstrueren: opnieuw opbouwen met de gegevens die je hebt selecteren: kiezen

174

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


IN

De Grijze Jager speelt in een wereld vol kastelen, woeste wouden en vijanden. De Grijze Jagers vormen een elitekorps van spionnen. Je ziet ze niet, maar zij zien alles. Ze krijgen een speciale opleiding: boogschieten, paardrijden en sluipen. De Grijze Jagers zijn de ogen en oren van de koning. Ze gaan vaak op reis, houden contact met elkaar en proberen complotten tegen de koning te verijdelen. Will, de hoofdpersoon, is klein en behendig en een krak in sluipen! Trek is Wills paard. Hij is supersnel, intelligent en loyaal aan zijn baasje. Voor je op zijn rug kunt zitten, moet je het wachtwoord fluisteren: ‘Mag ik?’ De leermeester van Will heet Halt. Hij lijkt nors, is streng en precies. Maar als je hem beter leert kennen, ontdek je andere eigenschappen: Halt is sterk, slim, betrouwbaar en trouw aan koning Duncan. Koning Duncan regeert over het koninkrijk Araluen, dat lijkt op het middeleeuwse Engeland. Het is verdeeld in vijftig lenen, die elk een kasteel hebben. Kasteel Redmont is het kasteel van koning Duncan. Morgarath, de Zwarte Heer, is lang en dun, heeft pikzwarte ogen en is de aartsvijand van koning Duncan. Hij heeft een leger van Wargals. Dat zijn afschuwelijke, moordlustige wezens met gele slagtanden. Ze waggelen een beetje tijdens het lopen. Naar: '10 jaar De Grijze Jager', Gottmer Uitgevers Groep

N

2 Op welke vragen geven jouw sleutelwoorden een antwoord?

Noteer ze en markeer vraagwoord en bijbehorend sleutelwoord in dezelfde kleur.

VA

3 Wissel je blad met dat van je buur. Kan hij het verhaal reconstrueren aan de hand van jouw sleutelwoorden? Heb je goede sleutelwoorden gekozen? Waarom wel/niet?

O Ik heb goede sleutelwoorden gekozen. Mijn buur kan de belangrijkste info reconstrueren. O Ik heb een aantal goede en enkele minder goede sleutelwoorden gekozen. Mijn buur kan het verhaal niet helemaal reconstrueren. Er ontbreekt belangrijke informatie. O Ik heb geen goede sleutelwoorden gekozen. Mijn buur kon het verhaal niet reconstrueren.

4 Vul voor deze helden de steekkaart aan met enkele karaktereigenschappen. Onderstreep die info in de tekst. steekkaart Halt

Trek

©

Will

5 Gebruik nu jouw sleutelwoorden uit vraag 1 om het verhaal samen te vatten in vijf goede zinnen. Werk op een apart blad. Waren je sleutelwoorden niet helemaal goed? Kies dan eerst nieuwe.

woord

het complot: samenzwering loyaal: trouw

LES 6 Gevat samengevat

175


2

Van verhaal over sleutelwoorden naar samenvatting OPDRACHT 3

Lees op diddit het fragment uit De Grijze Jager: de ruïnes van Gorlan.

Werk in groepjes van vier met de placemat of vul de steekkaart in die op diddit staat. 1 Zou je op basis van dit fragment het boek aanraden aan een klasgenoot? Waarom wel/niet? 2 Zoek een tiental sleutelwoorden in het verhaal. Denk daarbij aan de w-vragen. Noteer die op een apart blad.

IN

3 Ga per twee verder. Vat het verhaal met behulp van de sleutelwoorden samen in een vijftal goede zinnen. Werk op een apart blad. Kijk je eigen werk na met behulp van de criteria. 4 Wissel je werk met je buur. Vul voor de samenvatting van je buur het kader in.

jij

je klasgenoot

Je vermeldt de belangrijkste personages (wie).

Je traject naar succes

1234

1234

Je samenvatting bevat de belangrijkste gebeurtenissen (wat).

1234

1234

Je samenvatting vertelt iets over enkele andere w-vragen: waar OF 1 2 3 4 wanneer OF waarom.

1234

Je samenvatting bevat geen details.

1234

1234

Je samenvatting bestaat uit ongeveer vijf zinnen.

1234

1234

N

In orde

Werkpuntje voor jezelf:

VA

hoe

Een verhaal samenvatten

©

Om een verhaal samen te vatten ga je eerst op zoek naar de sleutelwoorden. Die vind je door een antwoord te zoeken op de w-vragen: wie, wat, waar, wanneer en waarom. Daarna gebruik je de sleutelwoorden om je verhaal in enkele zinnen samen te vatten. Details laat je weg.

waarheen

Je kunt: • • • • •

176

de w-vragen stellen en beantwoorden bij een verhaal; sleutelwoorden vinden in een verhaal; een verhaal navertellen aan de hand van de sleutelwoorden; een verhaal samenvatten aan de hand van de sleutelwoorden; enkele woorden kiezen om het karakter van een hoofdpersonage te beschrijven.

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


Een karaktertekening Oriënteren

o

v

u

r

1 Wat is een karaktertekening? Wat moet een karaktertekening bevatten? Bespreek.

Voorbereiden

o

v

u

r

2 Zoek acht woorden die iets vertellen over Will. Noteer ze hieronder.

Uitvoeren

o

v

u

r

IN

3 Maak in vier goede zinnen een karaktertekening van Will. Gebruik de woorden van de vorige vraag.

N

4 Zet je karaktertekening om in een beeld. Gebruik je fantasie. Hoe ziet Will er volgens jou uit? Denk daarbij ook aan deze zaken.

VA

• • •

Welke kleding draagt een Grijze Jager? Welke wapens heeft een Grijze Jager bij zich? Welke lichaamsbouw is ideaal voor een Grijze Jager?

Reflecteren

o

v

u

r

5 Controleer je eigen werk met deze criteria. Laat daarna een klasgenoot jouw karaktertekening beoordelen.

©

In orde

Je traject naar succes

jij

je klasgenoot

Je somt acht woorden op die iets vertellen over Will.

1234

1234

Je gebruikt de woorden in je karaktertekening van Will.

1234

1234

Je verbindt zinnen op een logische manier.

1234

1234

Je karaktertekening bestaat uit ongeveer vier zinnen.

1234

1234

Je gebruikt de gevonden informatie in je afbeelding van Will.

1234

1234

Werkpuntje voor jezelf:

LES 6 Gevat samengevat

177


Uitdaging: speel het spel Oriënteren

o

v

u

r

Kun jij het tofste spel ontwikkelen? 1 Bespreek eerst deze vragen in groep. a Houd jij van gezelschapsspellen? Waarom wel/niet? b Welke gezelschapsspellen vind je het leukst? Wat vind je er zo leuk aan? c Welke elementen bevat een goed gezelschapsspel volgens jou?

Voorbereiden

o

v

u

r

IN

2 Welk spel wil jij ontwikkelen? Kies uit: Memory - Domino - Bingo. Markeer.

3 Maak op een apart blad een lijstje van woorden en verklaringen of woorden en gatenzinnen die je wilt gebruiken. Elk groepslid kiest vijf items. Denk daarbij aan de woorden of verklaringen die je zelf moeilijk vindt om te onthouden. 4 Ga aan de slag met het sjabloon dat je van de leraar krijgt. Noteer de leerstof die jij wilt verwerken in het spel op de kaartjes. Kijk goed naar het voorbeeld.

Uitvoeren

N

5 Maak een minihandleiding bij het spel. Op diddit vind je een stappenplan.

o

v

u

r

6 Werk samen met een ander groepje om de spellen uit te testen. Je beoordeelt het spel van het andere groepje met behulp van de criteria.

VA

Reflecteren

o

v

u

r

7 Vul het kader in.

Je traject naar succes

Je verduidelijkt het doel van het spel. De spelers weten wat de bedoeling van het spel is. 1 2 3 4 1234

Je legt het spelverloop helder uit. Je slaat geen stappen over.

1234

Je voegt een gekke spelregel toe aan het spelverloop.

1234

Je gebruikt hoofdletters waar nodig.

1234

Je schrijft op het einde van elke zin een leesteken.

1234

©

Je lijst op welke voorbereidingen je zult treffen voor het spel gespeeld kan worden.

Werkpuntje voor jezelf:

Dit deel is nu afgerond. Bekijk ook de werkpuntjes en de criteria bij elke pitstop of leesstop van dit deel. Vul aan voor jezelf:

178

dit gaat vlot:

dit vraagt training:

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


De laatste ronde Geef vijf synoniemen voor het werkwoord ‘ontdekken’.

OPDRACHT 1

Geef voor elk van de gevonden synoniemen een woord uit de woordfamilie.

OPDRACHT 2

Voorbeeld: ontdekken g de ontdekking

Zoek voor deze zelfstandige naamwoorden een werkwoord uit dezelfde woordfamilie.

OPDRACHT 3

Vul in elke zin het werkwoord in. •

IN

het argument

de emotie

N

Kun jij              waarom water gezonder is dan frisdrank?

De dichter probeert zijn lezers te              met mooie woorden. •

de verwensing

VA

Lotte              haar kleine broertje omdat die haar taak had verscheurd. •

de aarzeling

Jens              wel erg lang voor hij op de vraag van de leraar antwoordde.

de reconstructie

Het misdrijf werd              om een duidelijk beeld te krijgen van de feiten en omstandigheden.

OPDRACHT 4

Geef een antoniem.

het effect

loyaal

©

de mening

DE LAATSTE RONDE

179


De laatste ronde OPDRACHT 5

Welk werkwoord zoeken we? Combineer.

De schrijver gebruikt veel kleurrijke (tekenende) werkwoorden in zijn verhaal. Combineer wat samen hoort. 1 zich ontwikkelen tot …

a slaan

2 proberen een antwoord te vinden op een moeilijke vraag = zich het hoofd …

b schemeren

3 een beetje donker zijn

c aarzelen

4 vervloeken

d breken

5 wegnemen

e omwoelen

6 moed vatten

f

ontpoppen

g bijvallen

IN

7 loswerken, omwroeten 8 een belachelijke of domme indruk maken = een figuur …

h verwensen

9 twijfelen

i

zich vermannen

j

grissen

10 instemmen, akkoord gaan 1

OPDRACHT 6

2

3

4

5

Vul het passende woord in.

6

7

8

9

10

N

1 Sommige tv-opnames worden verknoeid door onvoorziene omstandigheden: dat levert dikwijls leuke            op!

2 In een            of groepsgesprek geven de verschillende deelnemers hun mening of hun idee over een bepaald onderwerp.

VA

3 Veel mensen geloven dat een            of talisman bescherming biedt tegen boze krachten. 4 Weet jij uit hoeveel            de Ronde van Frankrijk bestaat?

OPDRACHT 7

Speel galgje in groepen van vier.

©

Spelregels Eén leerling (de uitdager) kiest een woord en noteert op een kladblad enkele stippen. Elke stip staat voor een letter. De andere leerlingen (de spelers) proberen om de beurt een letter te raden. Komt de letter voor in het woord, dan wordt ze op de juiste stip geplaatst (of op meer stippen als de letter meerdere keren in het woord voorkomt). Komt de letter niet in het woord voor, dan wordt er een deel van de galg getekend. De galg bestaat uit acht delen.

De spelers winnen als ze het woord geraden hebben voor de galg compleet is. De uitdager wint wanneer de galg volledig getekend wordt. OPDRACHT 8

180

Ontsnap uit de klas! De leraar geeft meer uitleg.

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


deel 4

VA

N

IN

trainen

1 Bekijk het beeld. Beschrijf wat je ziet.

2 Vind je dit een geslaagde foto? Waarom wel/niet? 3 Hoe zou dit beeld tot stand gekomen zijn?

©

4 Is het belangrijk dat je de gezichten ziet? Waarom wel/niet? 5 Zou een close-up volgens jou hetzelfde effect hebben? Wat is het effect van een close-up?

181


© Tom Vansteenkiste

BLOED, ZWEET EN TRA(I)NEN Winny Ang

‘Looooooooooooopen. Springen. Bukken. Onbeweeglijk op de grond liggen. Lopen. Onopvallend. Rechtsomkeer maken. Lopen. Niet huilen. Glimlachen. Slikken. Niet bang zijn, niet bang zijn, niet bang zijn. Rusten. Slapen – maar altijd met één oog open.’ Die woorden dreunen door het hoofd van Ahmed. Het is de diepe stem van zijn papa. Of is het zijn eigen stem?

5

‘Bekijk het als een training, een training om te overleven. Een loopwedstrijd met hindernissen waarvoor oefenen noodzakelijk is. Je moet al je zintuigen gebruiken, alles nauwgezet observeren. Denk aan de naam die we je gegeven hebben, Ahmed, prijzenswaardig …’ Mama knikt bemoedigend en pakt hem stevig vast, net voor zijn vertrek geeft ze hem een zilverkleurige ketting. ‘Die ketting is nog van mijn oma geweest, ze zal je beschermen tijdens je tocht.’

10

Het bonkt in zijn hoofd, een grote prop krijgt Ahmed niet weggeslikt, het is een slijmerige octopus met minstens acht kronkelende tentakels. Ahmed voelt even aan de ketting verborgen onder zijn gestreepte T-shirt.

De tentakels wringen zich overal tussen, papa’s stem echoot: ‘Focussen … denk niet aan het slechte en moeilijke, train je gedachten. Blijf ademen.’

VA

20

Priemende blikken, als speldenkoppen in de rug. De klasgenoten kijken naar hem. De mond van meneer Jansen staat lichtjes open, er is net een vraag uit ontsnapt. ‘Oh, waar gaat het ook alweer over …?’ vliegt door Ahmeds hoofd. Enya, zijn buurmeisje, fluistert hem toe: ‘Het is DE ezel.’ Meneer Jansens wenkbrauwen gaan omhoog. Hij is een gedreven leraar met een krullende snor. ‘Oefenen, oefenen en nog eens oefenen. De enige manier om Nederlands te leren, is elke dag, elke minuut, elke seconde trainen’, zegt hij kordaat en vriendelijk tegelijkertijd. Hij hapt naar adem en vervolgt: ‘Het is zoals je spieren trainen. Een marathon loop je ook niet na één dag trainen. Probeer je te focussen, Ahmed.’

N

15

IN

1

Ahmed kijkt rond: in zijn klas zitten vijf jongens en zes meisjes, de jongste is twaalf en de oudste is vijftien jaar. Ze komen uit alle windstreken. Een ratatouille van talen, tinten, geuren … Ze zouden elkaar nooit tegengekomen zijn als ze niet waren gevlucht naar België. Sommigen met ouders, sommigen alleen.

25

©

30

In een flits krijgt hij het heel benauwd; Ahmed zit weer in de laadbak van een rammelende bestelwagen. Zijn maag keert zich om. Meer dan drieëntwintig uren geen spoortje daglicht zien. Zonder enig tijdsbesef en met een penetrerende geur van te veel mensen bij elkaar, zo onbeweeglijk mogelijk zitten. Proberen denken aan zijn favoriete gerechten (een zoet bladerdeeggebakje met dadels en honing), de hobbelige weg naar school … en vooral blijven ademen. Wanneer Ahmed aan die tocht denkt, weet hij niet vanuit welke magische wolk hij zijn kracht haalde om het vol te houden. Bloed, zweet en tranen kostte het om door te gaan.

35

‘Je moet getraind zijn in onzichtbaar worden, als een soort kameleon die verdwijnt in de achtergrond.’ De vele adviezen van papa blijven van toepassing, zelfs nu Ahmed veilig in België is. Dat had hij echt niet verwacht. Ahmeds zintuigen staan nog op scherp: eten dat anders smaakt, klanken die de eerste maanden geen enkel houvast bieden, kou lijden op de speelplaats. Alles is nieuw. Hij zou nu wel een kameleon willen zijn, niet te veel opvallen.

woord

dreunen: trillen, daveren, bonken de tentakel: beweeglijk orgaan waarmee organismen hun prooi vangen priemend: doordringend echoën: weerklinken, weerschallen, galmen de ratatouille: Frans gerecht dat bestaat uit allerlei gestoofde groenten; figuurlijk: een bont allegaartje, een mengelmoes

182

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen


Het missen van zijn familie en vrienden is een glibberig gevoel dat uitdijt naar alle uithoeken van zijn lichaam. Gelukkig bestaan Skype, Facebook en WhatsApp. Ahmeds smartphone is vastgelijmd aan zijn lichaam. Als hij niet kan slapen, kijkt hij urenlang filmpjes. Hij bidt dat zijn familie snel naar België kan komen.

45

Boven de speelplaats ziet Ahmed laaghangende wolken. Zijn gedachten gaan naar zijn stad, ver weg. Een stad vol geroezemoes en kleine steegjes, talloze geuren door elkaar en een warmte die je – zeker over de middag – platslaat. Zijn huis met zijn ouders en zijn kleine zusje Nema. Haar gejengel klinkt hier als muziek in Ahmeds oren. Gisteren gaf ze hem een kushandje op het scherm.

IN

40

Hij logeert nu bij nonkel Sabih, een verre oom die nog bij zijn papa op school heeft gezeten. Dat voelt een beetje vertrouwd aan. Ahmed heeft pas leren fietsen in België. Dat vergde ook veel training in het park achter zijn hoek. Na school gaat hij vaak een ijsje eten met een paar klasvrienden, zijn favoriete smaak: speculaas met nootjes. Thuis gooit hij pistachenoten en honing op zijn ijs, een heerlijke combinatie.

©

VA

N

‘En zoals jullie weten: oefening baart kunst’, zo eindigt meneer Jansen zijn betoog. Iedereen lacht, dit is werkelijk het stokpaardje van meneer Jansen, hij herhaalt het tot vervelens toe in elke les. Hij kijkt met een bemoedigende glimlach naar zijn leerlingen en geeft een knipoog aan Ahmed.

Beluister het verhaal en maak kennis met de auteur Winny Ang.

183


routeplanner van deel 4 trainen

Klas

Nr.

Bekijk de uitdaging over quizzen, gokken en raden aandachtig. De kennis en vaardigheden die daarvoor nodig zijn, kun je op verschillende manieren inoefenen. Verken daarom de lessen van dit deel.

IN

Maak een keuze om enkele of alle lessen van dit deel zelfstandig of klassikaal af te werken. De volgorde van de lessen binnen het deel A en B en het tempo bepaal je zelf. Je start met deel A. Les 1 valt buiten deze routeplanner. In de tabel vind je een voorstel van het aantal lesuren per les. Baseer je daarop. De leraar begeleidt je. De leraar zorgt voor correctiesleutels waar nodig.

Duid in de tabel de volgorde aan van de lessen die je zult afwerken. Kruis aan wat van je leraar mag en wat moet. Duid ook aan welke les zelfstandig en welke les klassikaal wordt gemaakt. Werk voor het groepswerk samen met iemand die (ongeveer) dezelfde volgorde kiest.

N

Zet een teken in de laatste kolom als de les is afgerond. Succes!

JOUW ROUTEPLANNER

lessen

aantal moet lesuren

Beeld en verhaal: ’Bloed, zweet en tra(i)nen’ Verken de uitdaging en de andere lessen + planning

1

Les 2 Het was …: verleden tijd en voltooid deelwoord

2

VA

A

volgorde

Les 3 Korte en lange zinnen

1 - 1,5 1

©

Les 6 Welke taal gebruik jij? Over taalvariatie

B

Les 4 Schrijven kun je leren

2

Les 5 Vragen over vragen

1

Uitdaging: Waag een gokje! De laatste ronde

TOTAAL

184

1-2 0,5 - 1 9,5 - 11,5

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen

mag

zelfstandig

klassikaal

afgerond


les

Beluister of lees een boek

1

luisterboek en jeugdboek

mening formuleren junior recensent GERICHT NOTITIES NEMEN

1

Luisteren en lezen OPDRACHT 1

Maak een keuze.

1 Kies een van deze mogelijkheden. a Het luisterboek: je beluistert een hoofdstuk. Het leesboek: je leest het boek helemaal.

IN

voorkeur uitdrukken

b Het luisterboek: je beluistert het hele boek. Het leesboek: je leest (minstens) een hoofdstuk.

N

c Het boek is niet opgebouwd in hoofdstukken: je beluistert of leest een afgerond geheel of 20 bladzijden. Je bespreekt die optie met de leraar. Het verhaal ken je wel helemaal, door ofwel alles te beluisteren of alles te lezen. De volgende opdrachten maak je met het luisterfragment en het fragment dat je op diddit vindt.

VA

2 Je combineert lezen en luisteren: je volgt mee in het boek terwijl je luistert. OPDRACHT 2

Neem notities tijdens het luisteren of lezen.

Noteer niets in het boek, maar neem een apart blad of een klein schriftje. Je kunt een antwoord geven op deze w-vragen: wie, wat, waar en wanneer?

Na het luisteren of lezen OPDRACHT 3

Geef je mening.

©

2

1 Lees enkele zinnen die een recensent schreef over een jeugdboek. ‘Mr. Poppins’ is het verhaal van Guille, die later graag Mary Poppins wil worden. Meteen van bij het begin is het een fascinerend verhaal waarin je wordt meegezogen. Elk hoofdstuk wordt afwisselend door iemand anders verteld. […] Het boek is heel moeilijk in een hokje te plaatsen. Er worden zo veel verschillende onderwerpen aangeraakt: anders zijn, rouwen, verschillende culturen, verdriet, psychologische hulp …

woord

fascinerend: betoverend, spannend, avontuurlijk psychologisch: wat te maken heeft met de menselijke geest

LES 1 Beluister of lees een boek

185


Op het eerste gezicht allemaal zware onderwerpen (en dat zijn ze ook), maar de auteur slaagt erin om ze op een zeer toegankelijke manier te verwerken. De taal is eenvoudig en licht gehouden, het lettertype eerder groot en ook de marges van de pagina’s zijn breed. Je vliegt als het ware door het boek heen.’ (Mr. Poppins van Alejandro Palomas) Naar: K. Simaeys. ‘Mr. Poppins’, www.pluizer.be

a Wat doet een recensent?

IN

b Markeer een zin waar de recensent het over de inhoud heeft. c Onderstreep een zin waar het over de taal gaat.

d Kruip in de huid van een recensent en geef kort je mening over het verhaal. Schrijf minstens drie zinnen over de inhoud van het gelezen of beluisterde boek en minstens twee zinnen over de taal die de auteur gebruikt.

N

VA

2 Hoe heb je het luisteren / lezen ervaren?

Formuleer minstens drie ik-boodschappen waarin je je mening geeft over het beluisteren of lezen van een boek. Waar gaat je voorkeur naar uit? Kies uit deze formuleringen. Ik vind … omdat … Ik onthoud … Ik ervaar luisterboeken als … Ik verkies … omdat … Ik …

©

• • • • •

Je kunt: • • •

186

een boek beluisteren of lezen en je voorkeur geven; gericht notities nemen tijdens het luisteren of lezen; je mening formuleren in een ik-boodschap.

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen

waarheen


word junior recensent Werk per twee. Ken sterren toe aan de boeken die je beluisterde of las: van 1 tot 4 sterren.

Oriënteren

o

v

u

r

1 Ken je de sterren bij films, tv-programma’s en liedjes? Staat de uitleg van de sterren ergens genoteerd? Zoek het eens op.

Voorbereiden

o

v

u

r

IN

2 Wat betekenen voor jou de verschillende scores? Wanneer verdient een boek 1, 2, 3 of 4 sterren?

3 Omschrijf de verschillende scores/criteria voor het aantal sterren.

Uitvoeren

o

v

u

r

N

4 Geef nu sterren aan de boeken die je beiden las. Noteer die sterren op een kaartje met titel en auteur. Breng die kaartjes ergens aan in de klas, zodat anderen ze ook kunnen bekijken.

o

v

u

r

VA

Reflecteren

5 Zoek een titel van een boek dat je kent. Ga je akkoord met het aantal sterren dat erbij staat? Ken je geen enkel boek? Spreek dan een klasgenoot aan en vraag waarom zijn boek zo veel sterren kreeg. Je traject naar succes

Je kunt duidelijke omschrijvingen maken voor de scores/sterren.

1234

Je kunt helder uitleggen waarom je boek precies zo veel sterren kreeg.

1234

Dit heb je over jezelf geleerd:

©

LES 1 Beluister of lees een boek

187


les

Het was … : verleden tijd en 2 voltooid deelwoord verleden tijd gebruiken

persoon, getal, stam, uitgang inzetten voltooid deelwoord vormen

Weet je het nog? OPDRACHT 1

gepaste tijd bij communicatie kiezen

IN

1

spelkampioen WORDEN

Lees de tekst. Beantwoord daarna de vragen.

(1) Een zwaluw scheert vlak boven mijn hoofd door de azuurblauwe lucht. (2) Het felle zonlicht verjaagt de laatste restjes van mijn heerlijke droom. (3) Ik knipper slaperig met mijn ogen, ga rechtop zitten en rek me uit. (4) De zon staat al boven de abdij van Ename (…) (5) Onze geiten Lokke en Liza grazen nog altijd gulzig onder de Grote Olm.

N

M. de Bel. Nelle, Blankgoud. Antwerpen, Van Halewyck

1 Over wie zou het verhaal gaan? Markeer in elke zin het onderwerp blauw.

VA

2 Onderstreep alle werkwoorden.

3 Markeer de persoonsvormen geel.

4 In welke persoon en in welk getal staan de onderwerpen en de persoonsvormen?

5 Schrijf in deze tabel de persoonsvormen over. Elke zin is genummerd. Noteer ook de stam van het werkwoord. ZIN

PERSOONSVORM

©

1 2 3 3 3 4 5

188

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen

STAM


6 Wat verdwijnt er wanneer je de stam vormt? 7 Hoe vorm je het werkwoord? Vul aan. derde persoon enkelvoud (ott) =                 eerste persoon enkelvoud (ott) =

a knikken – trappen – rijden

IN

8 Vul deze werkwoorden in de zinnen correct in. Gebruik de tegenwoordige tijd.

Hij        ,         het gaspedaal wat dieper in en         met ronkende motor een vrachtwagen voorbij. b afvragen

Je         je         wat het nou is … c snappen

‘Ik         het’, zeg je en je         het ook echt.

Het werkwoord is een persoonsvorm

VA

2

N

Als opdracht 1 niet zo goed lukte, ga dan naar diddit voor extra oefeningen op de tegenwoordige tijd.

OPDRACHT 2

Lees deze zinnen over Marc de Bel.

Toen Marc de Bel nog een kind was, viel hij uit een boomhut. Na wat huilen en met enkele builen krabbelde hij overeind en meteen flitsten er tientallen wilde boekideeën door zijn jongenshoofd …

1 Kies wat past.

In de zinnen lees je over vroeger – nu – de toekomst. De zinnen staan dus in de verleden – tegenwoordige – toekomende tijd.

©

2 Markeer die woorden in de tekst die het antwoord verklappen. 3 Hoe zijn de werkwoorden aangepast om de verleden tijd aan te geven? Bespreek.

LES 2 Het was … : verleden tijd en voltooid deelwoord

189


OPDRACHT 3

Lees de tekst over Repelsteeltje.

De tekst over Repelsteeltje is in vier delen verdeeld. Ga per twee met een deel aan de slag.

Onderzoek de werkwoorden die in de verleden tijd staan.

Je werkt niet met de zinnen die in een lichtere kleur staan.

Rangschik de werkwoorden in kolommen.

Zoek samen naar een passende titel die je boven de kolommen kunt noteren.

Noteer onderaan een eenvoudige regel. Werk daarbij met wat je bij oefening 5 formuleerde.

IN

Repelsteeltje

N

1 Er was eens een molenaar. Hij was arm, maar hij had een mooie dochter. Op een keer kwam hij in gesprek met de koning en om zich een zeker aanzien te geven zei hij tegen hem: ‘Ik heb een dochter die van stro goud kan spinnen.’ De koning sprak tot de molenaar: ‘Dat is een kunst die mij wel bevalt. Als je dochter zo knap is als je zegt, breng haar dan morgen naar mijn paleis, dan zal ik haar op de proef stellen.’ Toen ze het meisje bij de koning brachten, leidde hij haar een kamer binnen die helemaal vol met stro lag. Hij gaf haar een spinnewiel en een haspel en sprak: ‘Ga maar aan het werk en als je tussen vannacht en morgenochtend dit stro niet tot goud gesponnen hebt, dan moet je sterven.’

VA

2 Daarna deed hij zelf de kamer op slot en het meisje bleef alleen achter. Daar zat de arme molenaarsdochter. Ze was ten einde raad; zij wist niet hoe je van stro goud moest spinnen en haar angst werd steeds groter, zodat ze ten slotte in tranen uitbarstte.

3 Toen ging plots de deur open en een klein mannetje stapte naar binnen en sprak: ‘Goedenavond, molenarinnetje, waarom huil je zo?’ ‘Ach,’ antwoordde het meisje, ‘ik moet van stro goud spinnen en dat kan ik niet.’ Het mannetje sprak: ‘Wat geef je mij, als ik het voor je spin?’ ‘Mijn halsketting’, zei het meisje. Het mannetje nam de ketting aan, ging aan het spinnewiel zitten en snorre, snorre, snor, hij trok driemaal en de spoel was vol. Daarna zette hij een andere spoel op en snorre, snorre, snor, hij trok opnieuw driemaal en ook de tweede was vol. Dat ging zo door tot de ochtend, toen was al het stro gesponnen en waren alle spoelen vol goud.

©

4 De koning kwam al bij zonsopgang en toen hij het goud bekeek, was hij erg verbaasd en heel blij; in zijn hart verlangde hij naar nog meer goud. Hij liet de molenaarsdochter naar een andere kamer brengen die nog veel groter was en vol met stro lag. Hij beval haar dat ook in één nacht tot goud te spinnen als haar leven haar lief was. Het meisje wist zich geen raad en huilde. Toen ging de deur weer open en het kleine mannetje verscheen en sprak: ‘Wat geef je mij, als ik dit stro voor je tot goud spin?' (…) Gebroeders Grimm. Repelsteeltje, een sprookje van de gebroeders Grimm. www.grimmstories.com

woord

op de proef stellen: iemand testen om te zien of die te vertrouwen is

190

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen


tip

N

REGEL

©

VA

VOORBEELDEN

IN

TITEL

Een werkwoord dat meer dan één keer in de tekst voorkomt, noteer je maar één keer.

LES 2 Het was … : verleden tijd en voltooid deelwoord

191


OPDRACHT 4

Zet de zin in de verleden tijd.

1 Noteer de stam van het werkwoord. 2 Lees de zin. Markeer daarin het onderwerp. 3 Noteer de uitgang. 4 Vul nu het werkwoord in de zin in: gebruik de verleden tijd. STAM

UITGANG

ZIN

IN

WERKWOORD/ INFINITIEF

Toen            Raymie twee andere

ontmoeten

deelnemers.

Op dansles            ze samen plannen voor de

maken

wedstrijd.

Ze            de instructies van de bekende

volgen

danslerares. Plots            zich allerlei geruchten over een

N

verspreiden

van de deelnemers.

betekenen

die geruchten een gevaar voor de

anderen?

Raymie            lange tijd niets, maar plots

VA

vermoeden twijfelen saboteren

ze toch aan de bedoelingen van Billie. Billie            inderdaad de wedstrijd …

K. Dicamillo. Neem mijn hand. Tielt, Lannoo

wat

De verleden tijd

©

Iets wat in het verleden gebeurde, staat in de verleden tijd. Je kunt aan een zin in de verleden tijd bijvoorbeeld het woord ‘gisteren’ of ‘toen’ toevoegen. Iets wat vandaag of in het heden gebeurt, staat in de tegenwoordige tijd. Aan die zin kun je bijvoorbeeld het woord ‘nu’ toevoegen.

192

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen


OPDRACHT 5

Zet de werkwoorden in de gepaste tijd.

De eerste zigeuners (aankomen)           hier rond 1420          . Ook in de eeuwen erna (vinden)           zigeuners uit Hongarije, Noorwegen, Bosnië, Duitsland en Joegoslavië de weg. Omdat ze eeuwenlang (uitzwermen)           naar heel wat landen, (oppikken)           ze woorden uit de plaatselijke talen        . Maar het omgekeerde (gebeuren)           ook. Het Nederlands (overnemen)         minstens 132 woorden         uit de taal van de zigeuners, bijvoorbeeld rum, gids, verpatsen …

De komma, daar is eeuwenlang aan gewerkt

IN

Naar: Onze Taal

Aristophanes van Byzantium (leven)           zo’n 2200 jaar geleden. Als bibliothecaris (meeschrijven)

hij           aan wetenschappelijke edities van boeken van Griekse dichters. Allemaal woorden achter elkaar, dat (vinden)           hij maar niets. Daarom (beginnen)           hij ter verduidelijking punten te zetten. Dat (doen)           hij boven, in het midden van en onder aan de regel. Bij zo’n punt (kunnen)           je even op adem komen tijdens

N

het lezen en voorlezen van de teksten.

Vanaf de dertiende eeuw (gebruiken)           schrijvers en later drukkers de slash, het teken /, als aanduiding om in een zin even te pauzeren. In de vijftiende eeuw (vervangen)           de beroemde drukker Aldus Manutius (1449-1515) de slash door de gekrulde komma. Vanaf de zeventiende eeuw

VA

(worden)           dat teken algemeen gebruikt in teksten.

Zo’n komma, hebben we die nu nog wel nodig? Ja hoor! Komma’s en andere leestekens hebben echt wel nut.

Naar: Onze Taal

OPDRACHT 6

De geschiedenisles: houd jij van geschiedenis?

Waarover ging de vorige les? Noteer twee zinnen in de gepaste tijd.

©

Wat leerde je in het vorige hoofdstuk bij geschiedenis? Formuleer dat in twee duidelijke zinnen en gebruik daarbij de verleden tijd.

LES 2 Het was … : verleden tijd en voltooid deelwoord

193


wat 1 De verleden tijd heeft dezelfde klank als in de infinitief. STAM + DE(N) of STAM + TE(N) ik /jij/hij/u wachtte, waste, stichtte, hoopte wij/jullie/zij wachtten, wasten, hoopten ik/jij/hij/u antwoordde, voorspelde, duidde aan, raadde

Er zijn maar twee verschillende uitgangen: de enkelvoudsuitgang en de meervoudsuitgang. Meestal is er geen probleem bij de keuze van ‘-te’ of ‘-de’. Niemand zegt bv. ‘ik werkde’ of ‘ik opente’. Je hoort dat het ‘werkte’ en ‘opende’ moet zijn.

IN

wij/jullie/zij antwoordden, voorspelden

hij wachtte, werkte, kefte, kuste, juichte, hoopte hij opende, speelde, wandelde, groeide hij beleefde, verhuisde

Voor wie toch een regel wil: Je gebruikt de uitgang ‘-te’ als de stam eindigt op een medeklinker (kijkletter) van ’t kofschip of ’t fokschaap. In alle andere gevallen gebruik je de uitgang ‘-de’. Let op bij werkwoorden zoals beleven/ verhuizen.

N

De stam is beleev/verhuiz (v en z zijn hier de kijkletter). Dus krijgen ze volgens de regel de uitgang ‘-de’ in de verleden tijd ondanks het feit dat je hier ‘f’ en ’s’ schrijft (letters van ‘t kofschip).

VA

2 De verleden tijd heeft een andere klank dan in de infinitief.

Veel werkwoorden hebben in de verleden tijd een andere klank dan in de infinitief. bv. vergeten – vergat, kijken – keek, lezen – las ik/jij/hij/u keek, liep, las, at, nam, bad, bood, bond …

©

wij/jullie/zij – liepen, lazen, aten, namen, baden, boden, bonden …

Er worden voor de hele vervoeging in de verleden tijd maar twee verschillende vormen gebruikt: de enkelvoudsvorm en de meervoudsvorm.

OPDRACHT 7

194

Vervoeg de werkwoorden tussen haakjes in de ovt.

1 Edith (behalen) een graad in het surfen.

2 Hij (ledigen) vorig jaar al zijn bijenkorven.

3 De advocaat (verdedigen) zijn client met overtuiging.

4 Aan de telefoon (praten) zijn oma veel te hard.

5 De jongeren (ontmoeten) tijdens hun kamp veel plaatselijke bewoners.

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen


6 Voor een fietsvakantie (trekken) we naar de Ardennen.

7 Alice (schelden) ons gisteren de huid vol.

8 (kijken) de leraar vorige les ook kwaad naar jou?

9 Vorig weekend (lezen) ik 100 pagina’s in mijn boek.

10 Die jongen (worden) streng bestraft.

OPDRACHT 8

Vervoeg de werkwoorden tussen haakjes in de ovt.

2 Na een vermoeiende tocht (uitrusten) de wandelaars aan de rivier.

3 De aardappels (overkoken) toen hij even niet (opletten).

4 Hij (installeren) die nieuwe game op zijn laptop.

IN

1 Geen enkel detail (ontsnappen) aan zijn aandacht.

6 Het echtpaar (reserveren) een tafel voor de volgende dag.

7 De peuter (roepen) vorige nacht verschillende keren om zijn mama.

8 Vroeger (brengen) onze bakker op zondag de broodjes tot aan de deur.

9 Miro (drinken) in een keer zijn glas leeg.

10 Er (komen) zo’n 100 foto’s uit het buitenland voor die tentoonstelling.

VA

N

5 De leraar (leiden) toen het gesprek in goede banen.

OPDRACHT 9

Onderzoek de woordparen in de verleden tijd.

Vul de juiste vorm in. Noteer de infinitief achter elke zin.

1 mistte of miste?

Hij          de penalty.

Het          heel erg vanmorgen.

2 speldde of spelde?

Hij          het woord correct.

Hij          jou iets op de mouw.

©

+

woord

de penalty: strafschop

LES 2 Het was … : verleden tijd en voltooid deelwoord

195


+

OPDRACHT 10

Lees de cover van Nelle, een boek van Marc de Bel dat zich in het verleden afspeelt.

Zet de werkwoorden in de verleden tijd.

tip

Zoek eerst de persoonsvorm.

Vlaanderen, 1635 Na de terechtstelling van haar tante Clara als heks, krijgt de vijftienjarige

IN

Nelle de Vos onderdak bij de oude Agripus en zijn kleinzoon Wiete. Bij hen vindt ze weer rust, geborgenheid en liefde. De wereld lacht haar toe, zeker nu ze allicht zwanger is en samen met Wiete opnieuw poppenkast gaat spelen op de kermissen in de omliggende dorpen.

Maar de katholieken treden onder druk van de dorps­ pastoors en de bisschoppen

almaar strenger en brutaler op tegen de duivelse kunstenmaekers, terwijl de roep van

N

het Grote Avontuur steeds luider klinkt in de oren van Nelle en Wiete. Bovendien maken ze na de voorstelling kennis met Rikkert en zijn levenslustige zus Mona, die van plan zijn om met een koopvaardijschip mee te varen naar Turkije, waar de zeden heel wat minder

VA

streng zijn, de zon het hele jaar door schijnt

en poppenkastspelers op handen worden gedragen. Redenen genoeg dus om de harten van Nelle en Wiete sneller te laten kloppen, ondanks verhalen over Barbarijse piraten die naar verluidt veel goud verdienen met het verkopen van op zee buitgemaakte slaven en slavinnen …

Om over na te denken … Waarom zou het gepast zijn om deze tekst in de verleden tijd te schrijven? Waarom zou dat hier niet gebeurd zijn?

©

196

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen


De werkwoordsvorm is geen persoonsvorm OPDRACHT 11

Lees de twee teksten. tekst 1

tekst 2

Je hond trainen Je krijgt een nieuwe, jonge hond. Die puppy train je vaak thuis. Als je alleen met hem in

Je hond trainen Je hebt een nieuwe, jonge hond gekregen. Die puppy heb je vaak thuis getraind. Als je alleen met hem in

de tuin oefent, dan speelt hij niet met andere honden. Een puppy maakt best kennis met andere honden. Zo wordt hij sociaal. In een hondenschool blijft hij in contact met andere, minder bekende honden. Misschien overweeg je daarom toch maar om een hond niet enkel thuis te trainen …

de tuin geoefend hebt, dan heeft hij niet met andere honden gespeeld. Een puppy heeft best kennisgemaakt met andere honden. Zo is hij sociaal geworden. In een hondenschool is hij in contact gebleven met andere, minder bekende honden. Misschien heb je daarom toch maar overwogen om een hond niet enkel thuis te trainen …

IN

3

N

1 Welk verschil merk je tussen de twee teksten? Denk aan de tijd.

VA

2 Markeer in de beide teksten het wwg of het nwg in elke zin en noteer ze in de tabel. tekst 2

©

tekst 1

a De werkwoorden hebben in de eerste kolom een andere vorm dan in de tweede kolom. Welke vorm herken je in de eerste kolom? En in de tweede kolom?

LES 2 Het was … : verleden tijd en voltooid deelwoord

197


b Met welke hulpwerkwoorden wordt een voltooid deelwoord (vd) vervoegd? Schrijf de infinitief. Hoe weet je dat je bijvoorbeeld ‘gemaakt’ met een -t schrijft en ‘geoefend’ met een -d?

Wat stel je vast bij deze vormen?

N

IN

c Bij welke voltooide deelwoorden hoef je niet na te denken over t of d? Noteer die. Geef ook de infinitief.

wat

Het voltooid deelwoord

De werkwoordsvormen gewerkt, geopend, gespeeld, gelezen zijn geen persoonsvormen.

VA

Die andere vorm van het werkwoord is het voltooid deelwoord (vd). In een zin met een voltooid deelwoord staat meestal ook een persoonsvorm. Die pv helpt het voltooid deelwoord. Daarom wordt die persoonsvorm ook het hulpwerkwoord genoemd. Een voltooid deelwoord herken je hieraan: • het eindigt op -t of -d, onregelmatige vormen dikwijls op -en of -n; • het begint dikwijls met ge-, behalve als het werkwoord al begint met be-, her-, ont-, ver- … De vorming van het voltooid deelwoord:  het voltooid deelwoord eindigt op -d of -t (bv. gewerkt, geopend): schrijf de uitgang -d of -t en luister daarvoor naar de verleden tijd.  het voltooid deelwoord eindigt op -en/-n (bv. gevonden, gelezen, gebakken, gegaan): je kent de vervoeging of zoekt die op in een woordenboek of woordenlijst.

©

In een zin waarin je een hulpwerkwoord en een voltooid deelwoord terugvindt, wordt de voltooide tijd gebruikt.

198

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen


OPDRACHT 12

Ontdek het voltooid deelwoord.

1 Onderstreep in de eerste alinea van de tekst alle voltooide deelwoorden. 2 Vanaf de tweede alinea vorm je het voltooid deelwoord van de werkwoorden tussen haakjes. Vroeg beginnen sporten, is dat de boodschap?

IN

Florian Van Acker heeft een gouden medaille gewonnen op de Paralympische Spelen. Dat zijn de Olympische Spelen voor mensen met een beperking. Die Spelen hebben in de stad Rio de Janeiro in Brazilië plaatsgevonden. Florian heeft goud gewonnen in het tafeltennis. Ik was zeven jaar toen ik mijn eerste balletje sloeg. Ik kon het meteen goed. Ik heb ook nog andere

sporten (beoefenen)            zoals judo en paardrijden. Ik ben geen mens om stil te

zitten. Basketten heb ik ook nog (doen)           . Maar dat ben ik ook weer vrij snel beu (worden)           . Ik heb daar hard (lopen)           , maar toch heb ik er zelden of nooit de bal (krijgen)           . Ik wilde liever een sport doen waarin ik zelf de baas was.

N

Ik heb me toen bij een club voor tafeltennis in Zonnebeke (aansluiten)           . Dat was in 2007. Daar ben ik William Claerhout (tegenkomen)           . Hij heeft altijd (vinden)            dat ik goed speelde. William is nog onze buurman (zijn)           , dat wist ik toen niet. Hij heeft heel veel voor mij (betekenen)           . Hij heeft ook veel voor mij (doen)           , allemaal gratis. Dat heb ik al vaak als echte vriendschap

VA

(benoemen)           , mensen die echt iets willen doen voor elkaar. Aan hem heb ik veel te danken.

Naar: ‘In de kijker: Op bezoek bij Florian Van Acker’, Wablieft

OPDRACHT 13

Vervolledig deze uitspraken. Vorm het voltooid deelwoord. Het spijt me dat ik nog niet langs ben

komt van een goede vriend.

(komen)          . Ik ben heel erg

Een fijne dag en veel geluk,

(schrikken)           en wist niet wat ik

©

De warmte van deze kaart,

dat heb jij (verdienen)          !

moest zeggen. Maar ik denk aan je. Tot gauw.

Woorden schieten tekort. Het spijt me heel erg voor

Vrienden voor het leven.

je. Wat jij (meemaken)           hebt …

Het wordt zo gauw (zeggen)          .

Ik ben met stomheid (slaan)          .

Maar ik heb het in jou (vinden)          .

Laten we er het beste van maken.

En dat meen ik oprecht! Naar: Maria Riksten-Brouwer

We hebben samen (lachen)          ,

Ik ben (zegenen)           met vele

(huilen),          ,

vrienden!

(spelen)          , lief en leed (delen)          . LES 2 Het was … : verleden tijd en voltooid deelwoord

199


OPDRACHT 14

Maak van het werkwoord tussen haakjes een voltooid deelwoord.

2 Veel spelers hebben tijdens de training een verrekking (oplopen).

3 Zeker drie voetballers hebben al een dokter (raadplegen).

4 De arts heeft hen minstens drie weken rust (voorschrijven).

5 Zo hebben er enkele reservespelers kansen (krijgen).

6 Zelf had Miro dat zeker niet (durven).

7 Gelukkig heeft Dali hem de hele tijd moed (inspreken).

8 Alain en Eddie hebben de competitie (winnen).

9 Beiden hebben ze uitstekend (spelen).

IN

1 De trainer heeft zich in de nesten (werken).

10 Hun supporters hebben hen naar de overwinning (schreeuwen).

OPDRACHT 15

Maak van het werkwoord tussen haakjes een voltooid deelwoord.

1 Vier vrienden zijn met een leesclub (starten).

N

2 Online is er een oproep (posten) om ook anderen uit te nodigen.

4 Via de jeugdclub zijn er al interessante vragen (stellen).

5 Zoveel interesse op zo’n korte tijd hebben ze niet (verwachten).

6 Plots was de wind in sterkte (toenemen).

VA

3 Ook in de bibliotheek hebben ze reclame (maken).

7 De weerman heeft voor vanavond een hevig onweer (voorspellen). 8 Deze morgen is er ook al veel regen (vallen).

9 Gelukkig is de rivier niet buiten zijn oevers (treden).

10 Het gebied langs de rivier is niet opnieuw (overstromen).

OPDRACHT 16

Waar is dat

©

a gebeuren

Bij werkwoorden die beginnen met ver-, be-, ont- klinkt het voltooid deelwoord net als de tegenwoordige tijd. Maar de schrijfwijze is meestal anders! Vul de juiste vorm in.

b ontroeren

De film met Orlando Bloom

Na al die jaren ben ik nog

c bepalen

Hij heeft gisteren de volgorde

Wie

d verhuizen

Ze zijn eindelijk

Wanneer

? zoiets nu nog? me! door zijn foto. . nu wie eerst mag komen? ! jouw vader weer naar België?

tip

Als je het werkwoord vervangt door ‘werkt’ of ‘gewerkt’, hoor je al snel of je de tegenwoordige tijd of het voltooid deelwoord nodig hebt!

200

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen


Vergelijk deze krantenkoppen.

OPDRACHT 17

ermindert v n e ll a v e g n Aantal o

1 Onderzoek de koppen.

A A NTA L ONGE

VA L L EN V ER M IN

DER D

IN

Aantal ongevallen verminderde Ze zijn alle drie juist, maar waar komt het verschil vandaan als het om verminderen gaat? a Herschrijf de krantenkoppen: maak er een langere zin van. b Leg uit waarom de drie vormen correct zijn.

a beoefend b beoefent

VA

N

2 Bouw nu zelf zinnen met deze werkwoordvormen.

c oefent

d geoefend

e beantwoord

f

beantwoordt

©

g beantwoord

waarheen

Je kunt: • • • •

verwoorden waarom een juiste verleden tijd noodzakelijk is voor goede communicatie; een verleden tijd herkennen en correct spellen; een tekst in de verleden tijd plaatsen; een voltooid deelwoord herkennen en correct spellen.

LES 2 Het was … : verleden tijd en voltooid deelwoord

201


Wie wordt kampioen? Je krijgt enkele stellingen en zinnen. Telkens geef je op het teken van de leraar aan of je ermee akkoord gaat of niet, of de stelling of de zin klopt of niet.

Oriënteren

o

v

u

r

Voorbereiden

o

v

u

r

IN

1 De leraar leest een zin of een stelling. Ga je akkoord of niet? Je staat allen recht en maakt telkens een keuze. De ene kant van de klas betekent akkoord, de andere niet akkoord.

2 Elke zin of stelling heeft te maken met deze les: verleden tijd en voltooid deelwoord.

Uitvoeren

o

v

u

r

N

3 De leraar leest. Op zijn teken ga je zo snel mogelijk aan een kant van het lokaal staan. Te lang twijfelen betekent dat je niet meer verder kunt meedoen. Op het teken van de leraar maak je dus snel een keuze!

Reflecteren

o

v

u

r

VA

4 Hoe ging het?

Je traject naar succes

Je kunt voldoende snel een keuze maken bij het horen van de stelling of zin.

1234

Je begrijpt elke stelling goed genoeg om een juiste keuze te maken.

1234

De zinnen over de verleden tijd lukken goed.

1234

De zinnen over het voltooid deelwoord lukken goed.

1234

Stellingen die verwijzen naar theorie lukken goed.

1234

©

Werkpuntje voor jezelf:

202

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen


les

Korte en lange zinnen

3

enkelvoudige zin herkennen en bouwen

verbindingswoord/ voegwoord gebruiken

krantenbericht VERZINNEN

1

Zinnen onderzoeken OPDRACHT 1

IN

samengestelde zin herkennen en bouwen

Bekijk en beluister het filmpje over judo. Lees daarna teksten 1 en 2. tekst 1

tekst 2

Judo is een krachtsport. Veel jongens beoefenen die Judo is een krachtsport. Veel jongens beoefenen die sport. Ook meisjes doen judo. Je hebt er veel kracht sport, maar ook meisjes doen judo. Je hebt er veel voor nodig. Ook techniek is belangrijk. kracht voor nodig en ook techniek is belangrijk.

Op school moeten leerlingen vaak stilzitten en als je dan zenuwachtig bent voor toetsen, kun je je uitleven op de mat. Dat is alvast een reden die meisjes geven om aan judo te doen. Ze geven nog andere redenen. Judo is niet alleen voor jongens, want meisjes kunnen het even goed of soms zelfs nog beter.

N

Op school moeten leerlingen vaak stilzitten. Als je dan zenuwachtig bent voor toetsen, kun je je uitleven op de mat. Dat is alvast een reden die meisjes geven om aan judo te doen. Meisjes geven nog andere redenen. Judo is niet alleen voor jongens. Meisjes kunnen het even goed. Soms zelfs nog beter.

VA

Tijdens wedstrijden mogen meisjes enkel tegen Tijdens wedstrijden mogen meisjes enkel tegen meisjes vechten. Op de training mogen meisjes ook meisjes vechten, maar op de training mogen ze ook tegen jongens kampen. tegen jongens kampen.

1 Welke tekst zou het best passen bij het filmpje op televisie? Welke tekst leest het vlotst? Waarom? 2 Lees beide boodschappen aandachtig. boodschap A

©

Veel jongens beoefenen de sport. Ook meisjes doen judo.

Tijdens wedstrijden mogen meisjes enkel tegen meisjes vechten. Op de training mogen meisjes ook tegen jongens vechten.

boodschap B

Veel jongens beoefenen de sport, maar ook meisjes doen judo. Tijdens wedstrijden mogen meisjes enkel tegen meisjes vechten, maar op de training mogen ze ook tegen jongens kampen.

a Bekijk de zinnen van boodschap A. Over wie wordt iets gezegd? Markeer de onderwerpen geel. b Duid het wwg (groen) of nwg (roze) aan. Onderstreep de persoonsvorm in de zinnen. Staan pv en onderwerp telkens naast elkaar?

LES 3 Korte en lange zinnen

203


c Hoeveel zinnen tel je in boodschap A?         Hoeveel eindleestekens tel je?         Hoeveel eindleestekens tel je in boodschap B?

OPDRACHT 2

IN

d Welke verschillen merk je tussen de zinnen van boodschap A en B? Markeer wat in boodschap B opvalt. • De zinnen zijn korter. • De zinnen zijn langer. • Er worden verwijswoorden gebruikt. (meisjes g ze) • Er is geen variatie/afwisseling in het woordgebruik. • Er is meer variatie/afwisseling in het woordgebruik. • Er worden verbindingswoorden (voegwoorden) gebruikt. Vul een passend verbindingswoord (voegwoord) in. Kies uit: en, of, maar, want

1 Houd je eerder van tennis        houd je meer van basketbal?

2 Het is erg warm vandaag,        Timo draagt toch een dikke trui.

3 Ze hebben een grote zaal gehuurd,        er worden veel mensen verwacht.

N

4 Anderlecht werd alweer kampioen        dat hadden veel mensen voorspeld. 5 David Goffin speelde een goeie tenniswedstrijd        vind je dat hij niet goed speelde? 6 Een voetbalwedstijd live meemaken is fantastisch,        de sfeer in een stadion is toch anders dan wat je hoort en ziet op televisie.

VA

7 Ik ben drie weken geblesseerd,        binnenkort kan ik weer trainen. 8 Een tienkamper is een veelzijdige atleet        hij moet dus veel atletiekdisciplines onder de knie hebben.

OPDRACHT 3

Markeer alle samengestelde zinnen verbonden met ‘en’, ‘maar’, ‘want’, ‘of’.

In de eerste tekst vind je er vier. 1

Denk je dat jouw brein intussen dolgedraaid is door al dat studeren? Nafi Thiam studeert en ze scoort ook nog een olympische medaille!

©

Tijdens een meeting in Oostenrijk behaalde de Belgische atletiekkampioene Nafi Thiam als een van de enige vier vrouwen ooit 7 000 punten in de zevenkamp. Na olympisch goud in Rio is dat een wereldprestatie. Ze moet dus veel trainen, maar ze wil haar hoofd ook vol aardrijkskunde stoppen! Eén woord: respect! Is het lastig om je studies te combineren met topsport? ‘Makkelijk is het niet, maar het is vooral een kwestie van organisatie. Je moet een goede planning opstellen. Daarna moet je die planning gewoon volgen en wordt het een gewoonte. Voor mijn studies krijg ik ook hulp van buitenaf.’

Naar: ‘Blokken met wereldkampioene Nafi Thiam’, www.redbull.com

204

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen


2

Gezonde hersenen zorgen voor een goede lichamelijke en geestelijke conditie. Het is daarom belangrijk om ze goed te trainen en te stimuleren. Gelukkig bestaan er diverse geheugenspelletjes en die zijn heel leuk. Naar: www.gezondheidsnet.nl

3

Spoorlopen blijft probleem

IN

Het aantal meldingen van spoorlopers blijft stijgen. Dat heeft spoorwegmaatschappij Infrabel laten weten. Er vielen zelfs al drie doden en drie zwaargewonden. De spoorwegmaatschappij organiseert al jaren campagnes. Daarmee willen ze de gevaren van spoorlopen duidelijk maken. Overal staan verbodsborden, camera’s en waarschuwingen om mensen tegen te houden. De campagnes lijken niet te werken en dat vindt Infrabel heel jammer. Spoorlopen is levensgevaarlijk, want treinen kunnen niet altijd tijdig remmen. Spoorlopers krijgen daarom een fikse boete! Naar: www.karrewiet.ketnet.be

wat

Enkelvoudige en samengestelde zinnen

N

Ik zal vanavond zeker naar de training gaan. Zaterdag is er een wedstrijd. Dat zijn twee enkelvoudige zinnen. Ik zal vanavond zeker naar de training gaan, want zaterdag is er een wedstijd. Dat is een samengestelde zin. Twee enkelvoudige zinnen kunnen met een verbindingswoord (voegwoord) of een leesteken (komma, dubbele punt, puntkomma) met elkaar verbonden worden. Andere verbindingswoorden (voegwoorden) die dikwijls gebruikt worden: en, maar, of.

VA

Voor de verbindingswoorden (voegwoorden) maar en want, schrijf je een komma.

In een tekst vind je een variatie: zowel enkelvoudige als samengestelde zinnen komen aan bod.

OPDRACHT 4

Verbind de zinnen.

1 In de tekst ontbreken enkele verbindingswoorden (voegwoorden). Vul ze aan.

©

2 Markeer alle samengestelde zinnen.

Streepjesvacht De tijger staat misschien wel het meest bekend om zijn mooie goudgele, gestreepte vacht. Door zijn strepen kan hij zich goed verstoppen in het bos. Iedere tijger heeft unieke strepen. De meeste tijgers hebben meer dan honderd strepen op hun vacht,      de strepen van iedere tijger zijn uniek.

Tijgerbrul De brul van een tijger is goed te horen,      de wilde kat maakt ook ‘infrageluid’. Dat geluid is erg laag. Wij mensen kunnen dat niet horen. Veel andere dieren horen het wel      weten zo dat ze moeten maken dat ze wegkomen. Tijgers kunnen met hun infrageluid ook partners lokken. Het lage gebrul is van veel verder weg te horen dan een gewone ‘brul’.

LES 3 Korte en lange zinnen

205


Mensendoder Mensen staan niet op het menu van tijgers,      toch hebben ze de meeste menselijke doden op hun naam staan van alle grote katten,      tijgers en mensen leven in sommige gebieden dicht bij elkaar. Enkel oude tijgers met een onvolledig gebit vallen mensen aan. Voor hen zijn wij een makkelijke prooi      dacht je van niet? Naar: ‘Weet je dit al over de tijger?’, www.natgeojunior.nl

IN

Vul na het verbindingswoord (voegwoord) de zinnen op een correcte manier aan.

OPDRACHT 5

1 Zonder aarzelen nam hij de bal en 2 Zeilen is een olympische sport of

3 Schaken is een denksport die steeds meer jongens en meisjes beoefenen, maar

N

4 Wie een scherpe tijd wil lopen, moet heel hard trainen, want

Zinnen bouwen en variëren

VA 2

Schrijf op een apart blad een passende, korte tekst.

OPDRACHT 6

Gebruik daarbij het beeld en de opgegeven woorden. Elk tekstje bevat minstens één samengestelde zin. maar – en

©

want – en

want – of

waarheen

Je kunt: • •

206

op een correcte manier enkelvoudige en samengestelde zinnen bouwen; verbindingswoorden (voegwoorden) op een correcte manier in zinnen gebruiken.

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen


Kruip in je pen Schrijf een kort, verzonnen nieuwsbericht bij een krantenkop.

Oriënteren

o

v

u

r

1 Vorm groepjes van drie of vier. Maak van de krantenkoppen een volwaardige zin. Maak daarna van die zin een samengestelde zin zoals in dit voorbeeld.

Voorbereiden

o

v

u

r

IN

Bv. Tientallen mensen dakloos na brand in flatgebouw (maar) Tientallen mensen zijn dakloos geworden na een brand in een flatgebouw. Tientallen mensen zijn dakloos geworden na een brand in een flatgebouw, maar ze zijn ondertussen opgevangen door familie en vrienden.

2 De opdracht bestaat uit verschillende delen.

Uitvoeren

N

Deel 1: Lees de krantenkoppen en maak er een vlotte, enkelvoudige zin van. Bouw daarna nog een enkelvoudige zin die past als vervolg op je eerste zin. Deel 2: Iedereen van de groep kiest twee zinnen. Deel 3: Een klasgenoot controleert en vervangt enkelvoudige zinnen door samengestelde. Deel 4: Een ander oefent een controle uit.

o

v

u

r

VA

3 Kies een krantenkop.

Postkaart na 43 jaar op beste mming

in Frankrijk (maar)

WAR M WEEKEND OP KOMST (EN)

chelde (want) s r te s e W in pen hip vastgelo Containersc

Supporters zien Brugge al kampioen (of)

©

Deel 1: Gebruik het aangegeven verbindingswoord (voegwoord) dat tussen haakjes staat. Vorm met de twee enkelvoudige zinnen een samengestelde zin met het verbindingswoord. Deel 2: Elk groepslid neemt één van de vier zinnen en schrijft er een kort verzonnen stukje bij. Mik op een achttal korte enkelvoudige zinnen. Het wordt een nieuwsbericht bij een krantenkop. Deel 3: Vervolgens geef je je tekst door aan iemand anders van de groep. Hij controleert jouw tekst op eventuele fouten en herschrijft die zodat er minstens drie samengestelde zinnen in voorkomen. Gebruik dus dezelfde zinnen die je kreeg van het groepslid dat de tekst schreef. Deel 4: Als de opdracht af is, geef je de nieuwe tekst opnieuw door aan een derde persoon. Die controleert of alles klopt. Overleg eventueel met elkaar bij twijfel.

LES 3 Korte en lange zinnen

207


Reflecteren

o

v

u

r

4 Lees de tekstjes aan elkaar voor en evalueer jezelf en een klasgenoot. jij

je klasgenoot

Je maakt van krantenkoppen enkelvoudige zinnen die beginnen met een hoofdletter en eindigen met een leesteken.

1234

1234

Je schrijft bij een startzin of krantenkop een vlotte, correcte, korte tekst.

1234

1234

Je beoordeelt op een eerlijke en objectieve manier de tekst van iemand anders.

1234

1234

Je zet een tekst met enkelvoudige zinnen op een correcte manier om in een tekst met een aantal samengestelde zinnen.

1234

Werkpuntje voor jezelf:

©

VA

N

IN

Je traject naar succes

208

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen

1234


Schrijven kun je leren

4

schrijfplan gebruiken

structuur in de tekst aanbrengen: VERSLAG SCHRIJVEN

gepaste tijd in de schrijfopdracht kiezen

1

Welke tekst, met welke kenmerken? OPDRACHT 1

op communicatieve situatie afstemmen

MOPPEN TAPPEN

voor afwisseling zorgen

IN

les

Denk samen na over deze drie vragen.

1 Wat is een persoonlijk verslag? 2 Welke delen horen in zo’n verslag?

3 Hoe pak je het schrijven van een persoonlijk verslag aan?

Zoek eisen (criteria) voor de schrijfopdracht. Werk per twee of per vier.

1 Lees deze verslagen.

N

OPDRACHT 2

COLLEGETEAM WINT HET BASKETTOERNOOI VOOR SCHOOLPLOEGEN UIT DE EERSTE GRAAD

VA

Ons team begon als favoriet aan het toernooi en ontgoochelde niet.

Onze ploeg won tegen de Middenschool en het VTI. En telkens met duidelijke cijfers. Onze jongens moesten het in de halve finale opnemen tegen de buren van het Lyceum. Een leuke partij tussen twee goed spelende ploegen werd uiteindelijk door onze jongens gewonnen met 34-21. Onze ploeg moest in de laatste wedstrijd opnieuw tegen het VTI spelen en ook ditmaal trokken wij aan het langste eind. Het werd 33-23. Proficiat aan alle spelers voor hun inzet: Léonard, Yanis, Simon, Ahmed, Wout, Anton, Jarne en Thijs.

©

SPORTDAG

Op de sportdag vorige week vrijdag zwermden onze leerlingen van de eerste graad uit naar De Gavers in Harelbeke. Dat adembenemende decor nodigt simpelweg uit tot avontuur, sport en spel. De weergoden waren ons niet echt gunstig gezind. Toch trotseerden onze dappere sportievelingen de kou en waagden ze zich aan ‘de grote sprong’ vanaf de steiger. Kanoën en raften zorgden voor een vleugje competitie. Teamwork was eens te meer de sleutel tot succes! Geen boom bleek te hoog, geen touw te gevaarlijk, geen hindernis te moeilijk! De vuile was bij thuiskomst vormde daarvan absoluut het bewijs. Ook de leraren deden (soms onder sociale druk ) gewillig mee. Kortom, we leerden elkaar op vele terreinen kennen en dat nemen we graag vanaf maandag mee terug naar de klas!

LES 4 Schrijven kun je leren

209


2 Aan welke criteria/eisen moet een goed verslag voldoen? Denk ook aan de negen vragen van het communicatiemodel. Bedenk en noteer twee criteria: a een voor de vorm (taal, opbouw …): b een voor de inhoud:

2

Aan de slag met een schrijfplan OPDRACHT 3

Schrijf een verslag over …

IN

Herinner je je … •

N

Kies een van de onderwerpen om verder mee te werken. Je klasgenoten zullen je tekst lezen en misschien komt die wel op de website van de school?

de overstap van het basis- naar het secundair onderwijs? een eerste toets in het secundair? de eerste les geschiedenis, wiskunde, Nederlands, Frans, muziek, lichamelijke opvoeding … (maak een keuze)? de kennismaking met je klasleraar? de sportdag? de cultuurdag?

• • • • •

een leuk familiemoment? het spannendste wat je ooit meemaakte? een moment waarop je echt wel bang was? dat moment waarop je iemand verraste? een toffe dag/periode met vrienden?

VA

• •

OF

• • •

Bereid stap 1 individueel voor. Werk op een apart blad. Daarna overleg je met een klasgenoot.

Stap 1: Verzamelen van informatie, selecteren, ordenen

1 Verzamel ideeën.

a Zoek antwoorden op de vragen wie, wat, wanneer, waar, waarom, hoe?

©

b Je vertelt iets wat zich vroeger afspeelde: denk dus goed na over welke ‘tijd’ je zult gebruiken. Wees consequent! Waarvoor kies je?

2 In welke volgorde breng je de info in het middendeel (twee alinea’s)? Vertel de verschillende stappen/gebeurtenissen in een logische volgorde. Zoek verschillende tijdsaanduidingen. 3 Maak keuzes voor de belangrijkste zaken. Bedenk ook wat de anderen graag zouden lezen.

woord

consequent: duidelijk, rechtlijnig

210

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen


Stap 2: Wat wil je vertellen? 4 Overleg met een klasgenoot wat er wel en niet bij hoort en hoe je het schrijven zult aanpakken. a Vertel in één minuut wat jij wilt schrijven. Luister naar wat je buur gaat schrijven. Stel vragen aan elkaar over een ‘deelonderwerp’: bv. over de tijd (wanneer) en/of de plaats (waar). b Vertel nu in een minuut hoe je de tekst zult schrijven: wat doe je achtereenvolgens? Luister naar de aanpak van je buur. Probeer twee tips te geven die jij als lezer belangrijk vindt.

Stap 3: Hoe ga je alles formuleren?

IN

c Kom tot afspraken: waarvoor kies je?

d Schrijf nu twee alinea’s. Werk op een apart blad, of maak een digitale versie. Houd daarbij rekening met de afspraken en de criteria. • Breng de hoofdzaken. • Hoe kun je die goed en duidelijk formuleren? • Heb je een hulplijn nodig? Het woordenboek of de woordenlijst? Een spellingcorrector? De leraar? • Herlees wat je geschreven hebt!

N

Leg die alinea’s voor aan je klasgenoot. Lees dan samen na en stuur elkaar bij. • Markeer de tijdsaanduidingen als eerste controle. • Gebruik middelen zoals de spellingcorrector. • Gebruik de tips en de criteria om aan zelfreflectie te doen: stel elkaar vragen om te zien of je met de criteria aan de slag ging.

VA

e Werk je tekst af met een uitnodigende inleiding en een passend slot. • Wat hoort in een inleiding? • Wat komt in het slot? • Welke titel kies je?

Lees eerst de tekst (zelf ) na voor je die aan ‘een lezer’ bezorgt. Bekijk nog even deze reflectievragen. • Wat vind je zelf het beste stukje? • Wat lijkt er niet zo goed of vlot? • Wat lijkt nog niet te kloppen? • Heb je verteld wat je wou? • Past je taalgebruik bij een verslag en bij het publiek dat je voor ogen hebt? • Wat zou je lezer graag over dit onderwerp te weten willen komen? • Wat wil je met je tekst bereiken? Wat is je tekstdoel? Klopt dat? • Merk je een logische lijn in je tekst?

©

f

g Een klasgenoot leest jouw tekst en geeft commentaar. Je krijgt zowel positieve feedback als enkele tips. Gebruik daarvoor de vragen uit f. Noteer kort wat je straks gaat herwerken. Dat mag met kernwoorden.

LES 4 Schrijven kun je leren

211


Stap 4: Reviseren op basis van commentaar: nalezen en herschrijven h Verwerk de commentaar. • Zou je zelf de tekst lezen na het zien van de titel? Hoe kun je zorgen dat die titel de lezer aantrekt? • Zou de inleiding meer moeten aanspreken, spannender moeten zijn? • Pas aan en herschrijf die delen die nodig zijn. • Werk je digitaal? Zet de spelling- en grammaticacontrole aan. Wees kritisch. Stap 5: Verzorgen en publiceren Is je tekst klaar voor ‘publicatie’? Verzorg de afwerking: lay-out, spelling en interpunctie, zinnen, het gebruik van de tijd … Informeer of je tekst kans maakt om op de website van de school gepubliceerd te worden.

• i

IN

Vul nu deze evaluatie in, voor jezelf en voor een klasgenoot van de andere groep. Je traject naar succes

jij

Je hebt de stappen vlot kunnen volgen.

je klasgenoot

1234 1234

1234

Je tekst bevat de hoofdzaken: je hebt verteld wat je wou.

1234

1234

Je tekst is goed gestructureerd en bevat een inleiding, midden en slot.

1234

1234

Je hebt je tekst aan de tips van je klasgenoot aangepast.

1234

1234

Je kunt feedback en tips formuleren voor een andere leerling.

1234

1234

N

Je tekst beantwoordt aan de ‘kenmerken’ (criteria) van een verslag.

Werkpuntje voor jezelf:

VA

Werkpuntje voor je klasgenoot:

©

woord

reviseren: de tekst beter maken op basis van commentaar/feedback

212

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen


hoe Een schrijfplan Voor het schrijven

VA

N

IN

1 Nadenken over taalgebruik: beantwoord de vragen van het communicatiemodel.

2 Plannen: een schrijfplan maken g verzamelen, selecteren, ordenen Wat weet je er al over? Wat zoek je op in boeken en op het internet? Stel jezelf vragen zoals wie, wat, waar, wanneer, waarom, waarmee, hoe. Breng de gegevens van verschillende informatiebronnen samen.

selecteren

Zoek welke info je kunt gebruiken: wat is (minder) belangrijke info? Wat past bij je bedoeling en bij je publiek? Wat wil je schrijven? Kies een tekst en houd rekening met de kenmerken van die tekst.

©

verzamelen

ordenen

LES 4 Schrijven kun je leren

In welke volgorde wil je de ‘boodschap’ brengen? Waarmee begin je? Wat staat in het midden? Hoe eindig je? Zorg voor een duidelijke structuur: inleiding – midden (met verschillende alinea’s) – slot (IMS). Maak een schrijfplan en een kladversie, schrijf een en ander op. Aan welke criteria (eisen) moet de taak voldoen? Met welke werkpuntjes uit vorige opdrachten moet jij rekening houden?

213


Tijdens het schrijven 3 Formuleren: schrijven, structureren, herlezen Schrijf je tekst voor de eerste keer uit: houd rekening met je bedoeling, gebruik je voorbereiding. Heb aandacht voor de inhoud: correct, volledig (zeker de kern), duidelijk, gepast? Zorg voor een logische samenhang in de tekst, in de alinea’s en in de zinnen. Formuleer zo duidelijk en volledig mogelijk, zodat je lezers goed weten wat je bedoelt. Denk aan de woordkeuze en het taalregister. Schrijf aandachtig: zo maak je minder fouten en hoef je niet opnieuw te beginnen. Je kunt hulp zoeken voor wat je niet goed geformuleerd krijgt (bij een medeleerling of de leraar).

IN

uitschrijven

Herlees geregeld wat je geschreven hebt. Na het schrijven 4 Reviseren: nalezen en herschrijven nalezen

N

Lees je tekst kritisch na of laat hem nalezen. Controleer de inhoud, de samenhang, de titel, de opbouw of structuur, de formulering (woorden, zinnen …). Vraag je af of je je doel kunt bereiken.

Bekijk kritisch of en hoe je met vorige werkpuntjes rekening houdt. Verbeter waar nodig.

VA

herschrijven Herschrijf de tekst die je aan je lezer aflevert. De tekst is: aantrekkelijk – duidelijk – correct – gepast.

5 Verzorgen en publiceren: inhoud – vorm – taalgebruik verzorgen

Wees precies en zorgzaam. Check ook de leestekens en de spelling. Verzorg je tekst. Die beantwoordt aan de specifieke tekstkenmerken. Vraag je af of je het de lezer gemakkelijk hebt gemaakt om jouw tekst te lezen. Je tekst ga je publiceren: je krijgt een ‘echte’ lezer.

©

publiceren

waarheen

Je kunt: • •

• • •

214

een verslag schrijven over een gegeven schoolse opdracht; structuur aanbrengen in de tekst: IMS (inleiding – midden – slot); feiten t.o.v. meningen; keuze tijd: bepalingen en werkwoordtijd sporen; vasthouden aan de gekozen tijd; gepaste signaalwoorden; in opgegeven alinea’s werken; correcte zinnen schrijven met een afwisselende zinsbouw; je eigen tekst reviseren.

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen


Word moppentapper

Oriënteren

o

v

u

r

IN

Vertel een mopje over dieren. De structuur in een mop is erg belangrijk. Pas op het einde mag je de ‘pointe’ of ontknoping brengen. • Je mop bevat een variatie aan zinnen. • Je vertelt in de verleden tijd. • Houd rekening met de opdracht en gebruik het schrijfplan nu als spreekplan. • Oefen eerst per twee. Geef elkaar tips en feedback. • Breng je mop dan voor de klas.

1 Hoe vertel je een leuke mop? Ken je een mop over dieren of zoek je in een boekje met moppen of op internet?

Voorbereiden

o

v

u

r

Uitvoeren

N

2 Werk voor deze opdracht met een plan voor spreken, afgeleid van het schrijfplan. Noteer op een apart blad wat je doet voor, tijdens en na het spreken.

o

v

u

r

VA

3 Vertel je dierenmop en houd daarbij rekening met de criteria.

Reflecteren

o

v

u

r

4 Hoe ging het?

Je traject naar succes

jij

je klasgenoot

1234

Je tekst beantwoordt aan de ‘kenmerken’ van een mop.

1234

1234

Je gebruikt Standaardnederlands.

1234

1234

Je mop is goed gestructureerd: de pointe komt op het einde.

1234

1234

Je kunt feedback en tips formuleren voor een andere leerling.

1234

1234

©

Je hebt de stappen van schrijven naar spreken kunnen omzetten.

Werkpuntje voor jezelf:

Werkpuntje voor je klasgenoot:

LES 4 Schrijven kun je leren

215


les

Vragen over vragen

5

instructie/vraag/opdracht herkennen en onderzoeken antwoorden formuleren

geheugen trainen

1

De ene vraag is de andere niet OPDRACHT 1

Lees de vraag en de opdracht.

A Wanneer kookt water? B Kleur de Schelde blauw. 1 Wat is het verschil tussen A en B?

IN

betekenis van (schooltaal) woorden achterhalen

N

2 Met welk woord begint vraag A? Markeer. 3 Geef vijf vraagwoorden.

VA

4 Met welk woord begint de opdracht? Onderstreep. 5 Geef vijf instructiewoorden.

wat

Een instructie, een vraag, een opdracht

Welke instructie krijg je? Moet je een vraag beantwoorden of een opdracht uitvoeren?

©

Een opdracht kan zowel verbaal als non-verbaal zijn. Verbaal betekent met woorden, non-verbaal zonder woorden, bv. iets vergelijken of iets kleuren. Vraagwoorden zijn bv. hoe, wanneer … Instructiewoorden zijn bv. markeer, doorstreep …

OPDRACHT 2

Ken je de hobby van je buur?

Stel hem enkele vragen: maak twee ja-neevragen en twee w-vragen of vraagwoordvragen. Denk aan het gebruik van hoofdletters en leestekens. Ja-neevragen: 1 2

216

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen


wat Ja-neevraag = een vraag waarop je enkel met ja of nee kunt antwoorden. Die vraag begint altijd met de persoonsvorm. Bv. Lees jij graag strips van Suske en Wiske?

W-vragen of vraagwoordvragen: 1 2

IN

wat

W-vraag of vraagwoordvraag = een vraag die begint met wie, wat, waar, wanneer, waarom (= w-vraag), hoe … Het antwoord op die vraag is uitgebreider. Bv. Waar lees jij het liefst?

Bestudeer nog meer soorten vragen.

N

OPDRACHT 3

1 Maak een keuze: werk met a of b. Neem de taak van je leraar een keertje over en stel vier vragen over de tekst. Schuif de tekst en de vragen door naar je buur, hij noteert de antwoorden. a Neem een boek of cursus van een van de vakken die je vandaag hebt.

VA

b Werk met de teksten bij deze opdracht.

c Stel deze vier soorten vragen. Noteer die op een apart blad. Laat plaats om een antwoord te noteren. A een ja-neevraag B een vraagwoordvraag C een meervoudige vraag D een meerkeuzevraag Weersverwachting voor vandaag en volgende nacht

©

Vandaag is het eerst overal zwaarbewolkt tot betrokken. In het zuidoosten kan er wat lichte regen vallen, gevolgd door enkele buien. Elders kunnen er na de middag plaatselijk enkele buien vallen. Een lokaal onweer is daarbij niet uitgesloten. Tegen het einde van de middag verschijnen er in het westen wat meer opklaringen. De maxima liggen tussen 18 graden in de Ardennen en 22 graden in de Kempen bij een matige en aan de kust soms vrij krachtige wind die draait van zuid naar zuidwest. Vanavond zijn er afwisselend buien, mogelijk met onweer, en enkele opklaringen. Vooral na middernacht zijn er over heel het land onweersbuien mogelijk. Plaatselijk kunnen de buien hevig zijn. De temperaturen dalen naar waarden tussen 15 en 17 graden. De wind is meestal matig en aan de kust soms vrij krachtig uit zuid tot zuidwest. Naar: www.meteo.be

LES 5 Vragen over vragen

217


Weersverwachting voor morgen vrijdag

Naar: www.meteo.be

2 Bespreek de vragen per twee na de oefening.

IN

Vrijdag krijgen we ‘s ochtends perioden van lichte regen in de noordelijke helft van het land en nog enkele (onweers)buien in het zuiden. Na de middag neemt de buienneiging geleidelijk af vanuit het westen en verschijnen er stilaan brede opklaringen. Tussen de opklaringen door kan er her en der wel nog een bui vallen. De kans daarop is het grootst in het zuidoosten van het land. De maxima schommelen tussen 17 graden in de Hoge Ardennen en 21 of 22 graden in het centrum. De zuidwestenwind waait matig, aan zee vrij krachtig. Vrijdagavond zijn er mogelijk nog enkele buitjes in het zuidoosten. Elders is het droog. ‘s Nachts wordt het meestal licht- tot halfbewolkt. Tegen de ochtend komt er vanuit het westen meer bewolking en kan er een spatje regen vallen aan de kust. De minima liggen tussen 8 en 15 graden bij een meestal matige zuidwester.

a Zijn alle vragen duidelijk beantwoord en krijg je de antwoorden die je verwacht? Waarom / waarom niet? b Welke vragen zijn moeilijk op te stellen? Waarom? c Welke zijn moeilijk te beantwoorden? Waarom?

3 Noteer nu zelf een besluit: wat is een meervoudige vraag en wat is een meerkeuzevraag?

N

VA

2

Vraag en antwoord OPDRACHT 4

Markeer de vraagwoorden of de instructiewoorden.

Combineer de twee kolommen. Wat wordt er verwacht?

Hoe verklaren wetenschappers de werking van de 1 zwaartekracht?

©

a

zeggen hoe het werkt

b

Waar ligt Suriname?

2

een naam geven

c

Rangschik de namen alfabetisch.

3

een definitie geven

d

Duid in de afbeelding de stamper in de bloem aan. 4

e

Leg uit hoe je een nieuw contact kunt opnemen op je smartphone.

5

een plaats toekennen, lokaliseren

f

Som de provincies van België op.

6

duidelijk maken waarom het zo is

g

Waarom worden baby’s ingeënt tegen een reeks ziektes?

7

een opsomming geven (zonder uitleg)

je mening geven

woord

lokaliseren: bepalen waar iets zich bevindt

218

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen


h

Hoe noem je iemand die huidziektes onderzoekt? 8

i

Wat is een lijnstuk?

9

j

Wat vind je van de nieuwste strip van Suske en Wiske?

10 een kruisje, letter, symbool op een afbeelding plaatsen

k

Wanneer eindigde de Eerste Wereldoorlog?

11

l

Wie is de eerste minister van ons land?

12 een getal geven

m Hoeveel landen behoren tot de Europese Unie? b

c

d

e

Onderzoek de vraag.

OPDRACHT 5

1 Hoe zou het antwoord eruit moeten zien? a Wat is een ‘parfait’? A Vraagwoord(en)?

f

de juiste term geven

een tijdstip geven

13 in een bepaalde volgorde zetten g

h

i

j

k

l

m

IN

a

een oorzaak/reden geven

Hoeveel delen in de vraag / het antwoord?

N

B Waarover wordt er iets gevraagd? C Formuleer het antwoord. Een is

VA

(onderwerp van de vraag)

(uitleg).

b Waar bevinden de nieren zich en welke functie hebben ze? A Vraagwoord(en)?

Hoeveel delen in de vraag / het antwoord?

B Waarover wordt er iets gevraagd?

C Welk(e) woord(en) moet(en) zeker in je antwoord komen?

D Formuleer het antwoord.

©

(onderwerp van de vraag) bevinden zich                   (positie geven). Hun functie is

LES 5 Vragen over vragen

(functie geven).

219


hoe De relatie tussen de vraag en het antwoord Afhankelijk van de soort vraag pas je jouw manier van antwoorden aan. Ontleed de vraag voor je een antwoord formuleert!

OPDRACHT 6

IN

O Welk vraagwoord/instructiewoord staat er? Hoeveel delen komen er in het antwoord? V Wat moet zeker in je antwoord komen? Wat heb je nodig om je opdracht uit te voeren? U Formuleer het antwoord of voer de opdracht uit. R Controleer de vorige drie stappen.

Hoe ziet het antwoord eruit? Bespreek mondeling.

Bv. Hoelang duurde de Eerste Wereldoorlog? Het antwoord geeft een periode: aantal jaren. 1 Waarmee kun je de lengte meten? 2 Teken bovenaan het blad een driehoek ABC.

tip

Markeer het vraagwoord of instructiewoord.

3 Leg uit: groenten blancheren.

N

4 Noteer de naam van drie auteurs die nu een boek in de Kinder- en Jeugdjury hebben. 5 Wie is de nieuwe trainer van de eerste ploeg?

6 Hoeveel dagen telt februari in een schrikkeljaar? 7 Wanneer start het eerste lesuur na de middag?

8 Zet in de juiste volgorde, rangschik van klein naar groot: 0.15 – 1.5 – 15 – 0.3

VA

9 Welke drie delen vind je altijd in een goede tekst terug? Vink aan. O O O O O O O

inleiding titel illustratie slot tussentitel alinea midden

10 Welk woord past bij welk vak? Koppel de woorden met de vakken door de passende bolletjes met elkaar te verbinden.

©

een passer O een atlas O

de beschaving O energie O

werkwoorden O

220

O aardrijkskunde O wiskunde

O techniek O geschiedenis O Nederlands

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen


hoe Vraag bepaalt opbouw van antwoord Je antwoord bestaat uit evenveel delen als er vraagwoorden of instructiewoorden zijn. Bepaalde vraagwoorden hebben vaste antwoordvormen. De informatie in het antwoord is aan het vraagwoord gekoppeld.

3

reden, oorzaak plaats naam/persoon tijdsaanduiding, periode

Nog meer schooltaal … OPDRACHT 7

Wat betekent het?

IN

Waarom? Waar? Wie? Wanneer?

tip

Werk per twee en bespreek wat het cursieve woord betekent.

N

Leid de betekenis van de cursief gedrukte woorden af uit de context van de zin. Zoek nadien pas de betekenis op in het woordenboek. Noteer alleen de betekenis die in de zin past. 1 Ik heb je vraag niet goed begrepen. Formuleer je ze eens opnieuw? Formuleren betekent:

In het woordenboek vind je:

VA

2 Verklaring moeten hebben waarom je te laat bent! Verklaring betekent:

In het woordenboek vind je:

3 Illustreer je antwoord met een voorbeeld uit de les. Illustreren betekent:

In het woordenboek vind je:

4 Als huiswerk schematiseer je de tekst die we tijdens de les lazen.

©

Schematiseren betekent:

In het woordenboek vind je:

hoe

Wat is de betekenis? Om een betekenis van een woord te achterhalen, kun je verschillende strategieën inzetten, zoals: • De context verraadt de betekenis. • Je zoekt de betekenis in een woordenboek of een andere informatiebron. • Je kent de betekenis van één of meer woorddelen of je kent een woord dat ermee verwant is, bv. schema (schematiseer).

LES 5 Vragen over vragen

221


OPDRACHT 8

Ontleed de vraag of opdracht.

1 Wat bedoelt je leraar geschiedenis? a Geef de kenmerken van de gotische kunst. b In de les van vandaag behandelen we het ontstaan van de middeleeuwse stad.

2 Wat bedoelt je leraar Nederlands? a Je moet dringend je schrijfwijze verzorgen.

IN

c Geef drie oorzaken van de bevolkingsdaling in de 14de eeuw.

b Het onderwerp van je spreekopdracht mag je zelf kiezen.

c Ik maak geen onderscheid tussen de meisjes en de jongens in de klas. Iedereen is gelijk.

N

3 Wat bedoelt je leraar wiskunde?

a Vergeet niet al je gegevens te controleren voor je die berekening maakt.

VA

b Bewijs mij dat je voor deze toets gestudeerd hebt.

4 Wat bedoelt je klasleraar?

a Ik wil elke week in de agenda een overzicht zien van alle resultaten.

b Wat concludeer je na de aanmerking in je agenda van je leraar techniek?

©

Door te ‘onderhandelen’ met een ander kun je soms ook de betekenis achterhalen. Dat noem je betekenisonderhandeling.

Je kunt: • • • • •

222

een vraag of opdracht correct lezen; de informatie uit de vraag gebruiken om het antwoord te formuleren; de betekenis van een (schooltaal)woord achterhalen; een juist en volledig antwoord formuleren; verschillende soorten vragen herkennen.

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen

tip

waarheen


Geheugenwerk trainen Zoek ezelsbruggetjes om moeilijk te onthouden zaken beter in je geheugen te krijgen. Eerst leren en dan vlot vragen en opdrachten kunnen aanpakken …

Oriënteren

o

v

u

r

1 Wat is een ezelsbruggetje?

Voorbereiden

o

v

u

r

IN

2 Krijg je van een leraar soms een ezelsbruggetje aangereikt? Voor welk vak? Geef hier een voorbeeld.

VA

N

3 Waar kun je ezelsbruggetjes vinden? Noteer een bron die je raadpleegt. Selecteer de meest geschikte bronnen.

Uitvoeren

o

v

u

r

4 Zoek voor drie verschillende vakken minstens één ezelsbruggetje en noteer dat op een apart blad. Noteer er het vak bij en de bron. Probeer ook het verband te verklaren. Bv. Om te concurreren moet je met zijn tweeën zijn. g Je kunt niet met jezelf concurreren, daarom schrijf je meer dan één r. 5 Heb je zelf al een ezelsbruggetje gemaakt? Deel dat met je klasgenoten. Noteer dat ook.

6 Stel een (toets)vraag waarbij je minstens een van de ezelsbruggetjes kunt gebruiken.

©

Reflecteren

o

v

u

r

5 Hoe ging het? Je traject naar succes Je kunt websites vinden met ezelsbruggetjes.

1234

Je noteert de bron van de geselecteerde websites.

1234

Werkpuntje voor jezelf:

LES 5 Vragen over vragen

223


les

Welke taal gebruik jij? Over taalvariatie

6

afkortingen begrijpen en gebruiken

formeel en informeel taalgebruik gepast inzetten: dialect of Standaardnederlands

1

Begrijp je de boodschap? OPDRACHT 1

IN

taalvariatie of taalvariëteit (h)erkennen

afkortingenlijst OPSTELLEN

Bekijk, lees, beluister deze fragmenten.

1 Denk aan de vragen van het communicatiemodel.

N

Gericht kijken, luisteren en lezen doe je aan de hand van vragen. • Wie is de zender/ontvanger? • Wat is de boodschap? • Waarover zou de boodschap gaan? • Wat is de bedoeling?

A ’Als we kussen, dan geven we een pieper.’

luggage

VA

Als we werken, dan doen we deure. Als we prutsen, dan zijn we aan tjoolen. Als we voortdoen, dan geven we sjette. En als we westvlaanderen, dan doen we dat met hart en ziel.

B

©

C ‘Ma ge kunt ni zonder, hè?’

E ‘Ik wil vanavond eens flink boozen en shaken!’

luggage

D  ‘Ek verkuup verscheilende sorten alme, gelijk

tournaviezn, liern, okkers, moar uuk dingn veur de lochting, gelijk kurtwoans en rikkn.’

F ‘Heb jij al een pinpas om te pinnen?’

G  ‘Aangezien wij aanstaande week tien jaar gehuwd H ‘Of m.a.w. d.w.z. dat we e.e.a. zullen krijgen.’ zijn, nodigen wij u alsook uw partner uit op een I ’t Is 4U.’ diner in onze woonst.’

224

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen


J

K Brabants

Hollands

Limburgs

mooi

sjoon

gère

graag

gaer

gelijk

zoals, direct

wie, geliek

mee

met, meteen

mit

gij

jij

geer, doe

wijd

ver

wied

neì

nieuw

nuuj, nuud

IN

skon

2 Begrijp je elke boodschap en waar zit volgens jou het probleem?

3 Wanneer is dialect spreken volgens jou geen probleem?

4 a Welke woorden uit deze voorbeelden gebruiken jongeren als ze met elkaar communiceren?

N

b Geef zelf enkele voorbeelden van jongerentaal.

c Wanneer gebruik jij jongerentaal? Wanneer zeker niet? Waarom is dat zo?

VA

5 In welke situaties is het gebruik van standaardtaal belangrijk? Geef minstens drie voorbeelden. Denk aan de negen vragen van het communicatiemodel.

6 Waarvoor staan deze afkortingen: m.a.w. – d.w.z. – e.e.a.?

©

wat

Afkortingen Een afkorting is een verzamelnaam voor woorden die niet volledig geschreven worden. De juiste schrijfwijze van officiële afkortingen kun je opzoeken in het woordenboek. ‘Eigen’ afkortingen kun je gebruiken als je (snel) notities wilt nemen.

LES 6 Welke taal gebruik jij? Over taalvariatie

225


2

Hoe moet het? OPDRACHT 2

Bekijk de communicatieve situaties.

1 Bespreek ze eerst per twee. a Wie is er in gesprek? Waarover zou het gesprek kunnen gaan? Welke taal gebruiken ze?

B

IN

A

D

VA

N

C

b Vul de tabel aan.

Welke gesprekken horen bij elkaar? Wie is er in gesprek?

ernstig gesprek / losse babbel

ernstig gesprek / losse babbel

Welke taal gebruiken ze? Markeer.

dialect / Standaardnederlands

dialect / Standaardnederlands

©

Welk soort gesprek voeren ze? Markeer.

c Noteer boven de tweede en derde kolom of het om een formele of informele communicatieve situatie of context gaat.

226

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen


2 Bekijk de twee brieven. Let op de uiterlijke verschillen. Vul daarna de tabel aan: markeer wat klopt.

A

B Kaat Janssens Leuvensesteenweg 44 1800 VILVOORDE Reizen Delmonte Brouckèreplein 6 1000 BRUSSEL Vilvoorde, 20 juli 2019

Geachte heer of mevrouw Graag wil ik u danken voor de goede organisatie van de fietsreis in Oostenrijk. Zoals u in het bijgevoegde beoordelingskaartje kunt lezen, ben ik erg tevreden over de reis. Toch zou ik graag twee punten willen signaleren waarover ik minder te spreken ben. Toen ik de reis in uw kantoor in Vilvoorde boekte, stond op de boekingsdocumenten dat de treinreis niet meer afzonderlijk geboekt hoefde te worden. Toen ik twee weken later de reisdocumenten kreeg, bleek dat we toch nog met het reisbureau contact moesten opnemen om de treinreis te regelen. Ik heb daarna drie keer moeten bellen voordat het duidelijk werd dat de treinreis al geregeld was. Voorts wil ik melden dat de reisbrochure geen precies overzicht geeft van wat in de reis begrepen is. Zo was het voor ons niet duidelijk of de lunchpakketten wel of niet bij de reissom inbegrepen waren. Met vriendelijke groeten

IN

Reis naar Oostenrijk van 10 tot 19 juli 2019

Kaat Janssens

N

Bijlage: beoordelingskaartje

brief A

brief B

Zender en ontvanger kennen elkaar wel / niet.

Zender en ontvanger kennen elkaar wel / niet.

Wat is de bedoeling van de zender?

informeren / overtuigen / ontroeren / ontspannen

informeren / overtuigen / ontroeren / ontspannen

Welk soort brief stuurt de zender?

zakelijke / persoonlijke brief

zakelijke / persoonlijke brief

Welke taal (kunnen) ze gebruiken?

dialect / Standaardnederlands

dialect / Standaardnederlands

VA

Wie schrijft naar wie?

hoe

Gepaste taal: formeel en informeel

©

Schrijven naar of spreken met een vriend(in) kan heel informeel. Je hoeft je niet aan allerlei afspraken te houden. De taal of de vorm van de boodschap kun je vrij kiezen, het kan in het dialect of in standaardtaal. Er bestaan ook veel vormen van tussentaal. Anders is het als je bijvoorbeeld de leraar of de directeur aanspreekt. Dan houd je je beter aan de strikte omgangsvormen: dat is een formele situatie en dan gebruik je Standaardnederlands.

Wanneer je een tekst schrijft, houd je o.a. rekening met: • de ontvanger: naar wie schrijf je? • de bedoeling: wat wil je bereiken? • de boodschap: wat wil je vertellen? • het uitzicht van de tekst. • de manier waarop je de boodschap brengt.

woord

de omgangsvorm: de manier waarop mensen met elkaar omgaan LES 6 Welke taal gebruik jij? Over taalvariatie

227


OPDRACHT 3

Lees de zinnen.

1 In elke zin staat een vetgedrukt woord. Markeer schrijftaal of spreektaal in de tweede kolom. Noteer in de derde kolom de andere taalvariëteit. SCHRIJFTAAL OF SPREEKTAAL?

ZIN

ANDERE TAALVARIËTEIT

1 Op het einde van de dag krijg ik goesting om naar schrijftaal / spreektaal televisie te kijken. 2 Aanvankelijk was hij de beste van de ploeg.

schrijftaal / spreektaal

IN

3 Zend hem maar naar de bibliotheek met zijn boek: schrijftaal / spreektaal hij zal zelf de boete moeten betalen. 4 Ze was te laat: ze kreeg echter geen uitbrander.

5 Hij kocht naast sportschoenen tevens een nieuw trainingspak. 6 We hadden het nieuwtje reeds opgevangen. 7 Dat is een machtige prestatie.

schrijftaal / spreektaal schrijftaal / spreektaal schrijftaal / spreektaal schrijftaal / spreektaal

N

8 Hij probeerde zijn tijd op de 100 m te verbeteren.

schrijftaal / spreektaal

9 Opgelucht deelde de trainer zijn ploeg het eindresultaat mede.

schrijftaal / spreektaal

10 Vermits je onvoldoende oefent, zouden je cijfers kunnen tegenvallen.

schrijftaal / spreektaal

VA

2 Wat gebruik je wanneer? Zul jij bepaalde woorden die schrijftaal zijn zelf gebruiken?

3 Welke spreektaalwoorden uit het vorige lijstje zul jij bij voorkeur ook in een vlotte tekst gebruiken? Noteer de nummers van de zinnen.

wat

Taalvariëteit: schrijftaal en spreektaal

Taal kan variëren en hangt af van de persoon tot wie jij je richt, de plaats waar jij je bevindt, de bedoeling … of van de communicatieve situatie of context.

©

Taal bestaat uit verschillende taalvariëteiten.

Alle taalvariëteiten van het Standaardnederlands die vooral in geschreven teksten voorkomen, noem je ‘schrijftaal’. Alle taalvariëteiten die je vooral in de gesproken taal terugvindt, noem je ‘spreektaal’. De begrippen ‘schrijftaal’ en ‘spreektaal’, ‘geschreven taal’ en ‘gesproken taal’ worden door elkaar gebruikt. Het onderscheid tussen spreektaal en schrijftaal komt in grote mate overeen met het onderscheid tussen informeel en formeel taalgebruik.

woord

de variëteit: deel van een soort

228

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen


Welke taalvariëteit past het best in deze situaties? Duid telkens twee antwoorden aan.

OPDRACHT 4

Situatie 1 Er is een brand ontstaan in het cultuurcentrum tijdens een schoolvoorstelling voor het basisonderwijs. Gelukkig is de lokale brandweer snel ter plaatse. De vrijwillige brandweerlui weten van aanpakken: ze stellen de leerlingen, de leraren en de medewerkers gerust en willen voor de veiligheid meteen iedereen naar de sporthal laten overbrengen, waar ze opgevangen zullen worden. Kies de gepaste taalvariëteit: formeel – informeel / Standaardnederlands – tussentaal – dialect

IN

Situatie 2 De vrijwillige brandweer organiseert elk jaar een verkoop van steunkaarten en van kalenders om extra geld in het laatje te krijgen. Omdat ze tijdens de coronaperiode niet goed wisten wat wel en niet toegelaten was, besloten ze te mailen naar het stadsbestuur om uitleg te vragen. Kies de gepaste taalvariëteit: formeel – informeel / Standaardnederlands – tussentaal – dialect

+ OPDRACHT 5

Onderzoek deze situaties. Welk register gebruik je het best?

N

A Je komt te laat aan op school: problemen door een staking bij de busmaatschappij. Je verontschuldigt je bij het binnenkomen in de les wiskunde. Kies een register: formeel – informeel / dialect – tussentaal – Standaardnederlands Formuleer een zin:

VA

B Je plande om samen met vrienden te gaan bowlen. Je voelt je wat ziekjes. Kies een register: formeel – informeel / dialect – tussentaal – Standaardnederlands Formuleer een boodschap:

©

waarheen

Je kunt: • • • •

in een gepaste communicatieve situatie of context verschillende soorten afkortingen gebruiken; het verschil tussen formeel en informeel taalgebruik aangeven; taalvariëteiten herkennen en het verschil aangeven tussen geschreven en gesproken taal en tussen dialect, tussentaal en standaardtaal; je taal aanpassen aan de ontvanger en het spreekdoel.

LES 6 Welke taal gebruik jij? Over taalvariatie

229


Op zoek naar afkortingen Je stelt een lijst op met minstens vijftien afkortingen.

Oriënteren

o

v

u

r

Voorbereiden

o

v

u

r

IN

1 Maak een keuze: • een lijst met afkortingen die in bepaalde vakken voorkomen • een lijst van afkortingen die jij in je communicatie gebruikt (sms, chat …) en nu aan je grootouders wilt leren

2 Doe een brainstormoefening: verzamel de afkortingen, selecteer er vijftien en noteer de verklaring ernaast.

Uitvoeren

N

3 Zoek naar een interessante indeling (bv. per vak, per thema, per soort …).

o

v

u

r

4 Je ontwerpt een bruikbaar instrument dat verschillende keren als een soort geheugensteuntje gebruikt kan worden. Wees creatief!

VA

5 Breng dat mee naar de klas. In groepen van drie of vier stel je jouw werk voor. Tijdens de voorstelling gebruik je Standaardnederlands.

Reflecteren

o

v

u

r

6 Hoe ging het?

jij

je klasgenoot

Je hebt vijftien afkortingen met hun verklaring genoteerd.

1234

1234

Je gebruikt een gepaste indeling.

1234

1234

Het resultaat is een creatief ontwerp.

1234

1234

Tijdens het groepswerk gebruik je Standaardnederlands.

1234

1234

©

Je traject naar succes

Werkpuntje voor jezelf:

Werkpuntje voor je klasgenoot:

woord

het instrument: een tool of hulpmiddel; wat gebruikt wordt om een doel te bereiken, gereedschap …

230

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen


Uitdaging: waag een gokje! quiz je mee? Oriënteren

o

v

u

r

1 In dit deel leerde je heel wat over instructietaal, over soorten vragen, over de verleden tijd en het voltooid deelwoord en ook wat over taalvariëteiten. Dat oefen je verder in op een creatieve en communicatieve manier.

Voorbereiden

o

v

u

r

Uitvoeren

o

v

u

r

IN

2 Maak eerst de oefeningen op diddit om alles grondig in te oefenen.

VA

N

3 Ga nu aan de slag. Waag een gokje! Een leerling kiest een beeld. De klas raadt het beeld door ja-neevragen te stellen. Iedereen bedenkt enkele ja-neevragen. De leraar duidt aan wie een vraag mag stellen. Wie denkt dat hij het antwoord weet, staat op. Je krijgt slechts één kans om een gok te wagen. Als het antwoord klopt, ben jij de volgende om een beeld te kiezen. Zo niet, dan blijf je vragen stellen tot iemand het correcte antwoord kan geven. Gebruik beelden zoals deze. Die zijn duidelijk en iedereen kent ze.

Wie of waar ben ik?

Noteer de naam van een plaats of een persoon op een blaadje. Toon dat niet aan de klas. Eén leerling komt vooraan in de klas en geeft antwoorden. De klas stelt vragen en moet de plaats of de persoon achterhalen.

©

Variant 1: Er worden enkel ja-neevragen gesteld. Variant 2: Er worden ook vraagwoordvragen gesteld. Aandachtspunt: de leerling voor de klas moet kort antwoorden en zo weinig mogelijk verklappen. Aan het woord over een woord Werk in groepjes van drie of vier leerlingen. Verknip de woordkaart die je van de leraar krijgt. Leg de blanco zijde naar boven gericht. Kies om beurten een kaart. Geef uitleg over het woord op de kaart. De andere groepsleden raden het woord.

woord

de variant: een vorm die enigszins van de gewone afwijkt

LES 6 Welke taal gebruik jij? Over taalvariatie

231


Uitvoeren

o

v

u

r

Bv. auto – Dit voorwerp zie je elke dag als je naar school fietst.

tip

– Het is vrij groot en ook vrij duur. – Je hebt het in diverse vormen en kleuren. Als je begint met ‘het heeft vier wielen’, dan raadt de klas het meteen. Vermijd dat.

Geef niet te snel te veel informatie prijs. Vertel eerst heel algemene zaken.

IN

De miniquiz Organiseer een miniquiz! Vorm groepjes van drie leerlingen. Je leraar duidt een groep aan die tegen je groep speelt en geeft instructies over hoe je deze miniquiz zult spelen. – Zorg voor een ondoorzichtig zakje of een doos waarin je kleine kaartjes kunt stoppen. Verknip de woordenkaart en leg de kaartjes met de blanco zijde naar boven. – Elke groep kiest om beurten een kaartje. Verdeel alle kaartjes.

– Vervolgens zoekt elke groep passende vragen bij de woorden die op het kaartje staan. Het antwoord op de vraag mag maar uit één woord bestaan. Dat is het woord op het kaartje. – Beide groepen stoppen hun kaartjes in hun doos.

N

– Elke groep komt om beurten aan het woord. – Ofwel raadt enkel de leerling die het kaartje trekt het antwoord, ofwel mag je samen zoeken. Bepaal dat vooraf. – Houd de stand bij.

VA

Reflecteren

o

v

u

r

4 Hoe ging het?

jij

je klasgenoot

Je stelt duidelijke en correcte ja-neevragen en vraagwoordvragen.

1234

1234

Je beoordeelt de gestelde vragen en je verbetert die indien nodig.

1234

1234

Je omschrijft woorden correct en duidelijk.

1234

1234

Je neemt op een ernstige en eerlijke manier deel aan een miniquiz.

1234

1234

©

Je traject naar succes

Dit deel is nu afgerond. Bekijk ook de werkpuntjes en de criteria bij elke pitstop of leesstop van dit deel. Vul aan voor jezelf:

232

dit gaat vlot:

dit vraagt training:

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen


De laatste ronde OPDRACHT 1

Gebruik elk woord uit het lijstje één keer. Kies uit: markeren – stokpaardje – barrière – fascinerend – dreunen – instrument – baart – tentakels

2 een synoniem voor daveren

3 een woord voor je geliefkoosd onderwerp

4 een woord dat past in ‘de … van een octopus’

5 een instructiewoord

6 een ander woord voor tool

7 een bijvoeglijk naamwoord

8 een ander woord voor versperring

OPDRACHT 2

Zoek telkens twee verbanden aan de hand van drie trefwoorden. groenten

jonge hond

kwispelstaarten

gerecht

nalezen

geluid

zindelijkheidstraining

spelfout verbeteren

Frankrijk

weerkaatsing

in de bergen

N

tikfout zien

OPDRACHT 3

IN

1 een woord dat past bij ‘Oefening … kunst.’

Anagrammen. Welk woord zoeken we?

VA

1 LEKTENATS (armen van inktvis)

2 DOTJESPRAAK (favoriet onderwerp)

3 GOMGROMVANS (wijze van omgaan met elkaar) OPDRACHT 4

Hoe noem je het jong van deze dieren? Vul in.

hond

hen

kat

varken

paard

schaap

©

olifant

OPDRACHT 5

Het woord ‘trainen’ gebruiken we ook in andere talen. Rangschik deze woorden bij ‘hun’ taal. crèche – mailen – etage – chatten – deadline – ambiance – spaghetti – ballerina – siësta – opera – gamba – outfit – paella – bureau – commando – blanco

Engels

DE LAATSTE RONDE

Frans

Italiaans

Spaans

233


De laatste ronde OPDRACHT 6

Bekijk deze vier activiteiten die je pas na veel trainen echt onder de knie hebt.

Kies minstens twee foto’s. Noteer er een passend onderschrift bij. Gebruik in je onderschrift zeker één woord uit elke rij. Zoek de betekenis van moeilijke woorden op. diabolo – Rubik’s kubus – kalligrafie – bottle flip oefenen – minutieus – coördinatie – engelengeduld – breinbreker – gelukstreffer

N

IN

Rij 1: Rij 2:

OPDRACHT 7

Geef een woord uit de woordfamilie.

VA

Kies voor een zelfstandig naamwoord of een bijvoeglijk naamwoord. Gebruik het daarna in een zin. a variëren:

(zn)

zin:

b fascineren:

(zn)

zin:

c priemen:

(bn)

zin:

©

d lokaliseren:

(bn)

zin:

OPDRACHT 8

Combineer de cijfers en letters.

Welk woord past het best bij het synoniem van ‘trainen’?

234

1

2

3

4

5

6

dresseren

opleiden

coachen

africhten

klaarstomen

repeteren

A

B

C

D

E

F

agent

debutant

paard

tekst

hond

ploeg

1

2

3

4

5

6

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen


deel 5

VA

N

IN

verleiden

1 Bekijk het beeld. Beschrijf wat je ziet. Wat zie je niet? Wat zou er gebeuren? 2 Bestudeer ook de houding en de mimiek van beiden.

3 Welke verhalen ken je waarin een appel een rol speelt?

©

4 Waaraan denk je bij het woord ‘appel’? Werk per twee en zoek zo snel mogelijk elk 12 woorden die volgens jou met appel te maken hebben. Stel per twee jullie keuze voor aan de klas. 5 Wie of wat wil de fotograaf benadrukken? Hoe doet hij dat? Zijn kleuren hier belangrijk? Welke kleuren spelen een rol?

woord

de mimiek: de gezichtsuitdrukking

235


ZEEHONDEN Koen D’Haene

10

15

‘Kijk, daar in de verte zie je de vuurtoren van Ameland’, zegt Haroen als het weer stil is. Het is het sein voor Tessa om weer dicht bij hem te lopen. ‘Als je goed naar de stroming kijkt, zie je een rimpeling op de plaats waar de twee zeeën tegen elkaar botsen. Het water van de Noordzee is net wat krachtiger dan dat van de Waddenzee.’ Haroen gaat op zijn knieën zitten en Tessa voelt kriebels in haar buik als ze zich naast hem vlijt. Ineens legt hij een vinger op haar mond en wijst met zijn andere hand naar een verre plaats in zee. ‘Kijk eens …’ fluistert hij. ‘Daar, honderd meter verder, in de richting van de vuurtoren. Zeehonden!’ Ineens zijn de kriebels weg en in een flits staat Tessa recht. Ze is gek van zeehonden. Ze tuurt in de verte. Zouden die zwarte stippen dan echt …? ‘Ik zie alleen zwarte stippen … Dat zijn scholeksters, toch?’ ‘Neen …’ zegt hij. ‘Het zijn zeehonden. Ben ik zeker van. Ze liggen te zonnen op de zandbank. Wacht.’ Hij neemt zijn smartphone, maakt zoemend een foto en geeft haar het toestel. ‘Kijk maar.’ Tessa kijkt naar de stippen. ‘Mmmm … Scholeksters. Net zoals we er op onze tocht wel honderd hebben gezien. Die vogels met hun akelige gekrijs.’ Haroen kijkt ontgoocheld. ‘Het zijn echt zeehonden … Wacht …’ Hij neemt zijn rugzak af, plaatst hem naast haar en doet zijn sportschoenen uit. ‘Wat ga je doen?’ ‘Ik laat je de zeehonden zien’, zegt hij. Zonder omkijken stapt hij in de richting van de verre zandbank. Het water komt snel tot bij zijn knieën. ‘Je komt niet zover, hoor’, roept Tessa tegen de wind in. ‘Jawel’, hoort ze vaag. Hij loopt verder de zee in, zijn smartphone hoog boven zich. Nu en dan blijft hij staan en kijkt hij door het toestel in de richting van de zandbank. Het toestel klikt en hij gaat verder. Het water reikt stilaan tot zijn middel. Waar hij nu is, verandert het kabbelende water in een deinende stroming. De golven komen boven zijn navel, maar het houdt hem niet tegen.

VA

20

IN

5

Haroen en Tessa zwaaien opgelucht naar de toeristen op de huifkar die weer in de richting van het strandpaviljoen over het zand hobbelt. Oef! Het voorbije half uur verstoorden joelende kinderen en hun veel te luid roepende ouders de rust op het eiland. Haroen en Tessa zijn helemaal te voet gekomen. Ze liepen drie uur op de grens van zand en water en genoten van de zon, de wind en de zee. En van elkaar. ‘Zou hij nu ook verliefd op mij zijn?’ dacht Tessa. Ze durfde zijn hand niet vastnemen. Dat is iets voor oude mensen. Haar ouders doen het weleens, hand in hand door de stad wandelen. Meestal schaamt ze zich dan en gaat ze snel wat verder lopen. De plaats waar ze langs liepen, heette Cupido’s polder en dat vond ze heel romantisch. Maar hem een hand geven … Mmmm, toch maar niet. Straks misschien, als ze helemaal alleen zouden zijn. En als ze durft. Maar toen kwamen die vervelende toeristen en bleven ze zwijgend en verveeld over het strand lopen. Schelpjes zoeken.

N

1

25

30

©

35

woord

het paviljoen: lichtgebouwd huisje of overdekte stellage in parken, op festivalterreinen joelen: luid en uitbundig roepen romantisch: dromerig, zonder rekening te houden met de werkelijkheid vlijen: zachtjes neerleggen kabbelen: zachtjes golven deinen: langzaam op en neer gaan

236

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 5 Verleiden


50

55

VA

60

IN

45

Ineens blijft hij staan. Ze ziet hem aarzelen om nog verder te gaan en ze merkt snel waarom. Een stap verder en het water komt tot aan zijn kin. Er moet een diepe slenk zijn daar. De waddenkust is erg verraderlijk, zeker aan het einde van het eiland bij de botsende stromingen. En het is vloed, dan moet je nog meer oppassen. Haroen aarzelt. Hij blijft staan en kijkt achter zich. Hij schat de afstand in en zet dan aarzelend een stap. ‘Nee, doe het nou niet!’ schreeuwt Tessa. Ze kijkt ontzet naar hem. Hij struikelt, staat weer even rechtop, zet strompelend door het water enkele stappen achteruit. Ineens reikt het water nog nauwelijks tot aan zijn middel. ‘Kom snel terug!’ roept ze. ‘Ik geloof je wel, hoor. Het zijn zeehonden, geen scholeksters!’ Haroen hoort haar niet. Hij keert zich weer om en zoekt aarzelend naar een veilige weg om dichter bij de zandbank te komen. Hij beukt tegen de stroming nu. God, als hij nu valt, zuigen de golven hem mee en leidt de stroming hem snel van het eiland weg. Elke zomer moet de kustwacht hier mensen redden. ‘Haroen, kom toch terug nu. Dit hoeft echt niet!’ Even blijft hij staan en dan keert hij zich bruusk om. Met neergeslagen hoofd komt hij terug in haar richting. Ze haalt opgelucht adem. Ze schudt haar sandalen af en mikt ze samen met zijn sportschoenen op een hoopje droger zand. Ze loopt in zijn richting. Het duurt maar even of ze staat met het water tot aan haar dijen bij hem. ‘Sorry … ‘ zegt hij. ‘Ik kon geen duidelijke foto maken. Maar het waren echt zeehonden, hoor!’ ‘Ik geloof je wel, Haroen. Dat moest je echt niet voor me doen!’ ‘Ik weet het wel. Maar ik wou het zo graag voor jou. Je bent gek van zeehonden …’ Ze kijkt naar de zon die schittert op zijn blote huid. En naar zijn gespierde armen. ‘Ook zonder die zeehondjes ben je mijn held’, zegt ze. ‘Zo moedig dat je was!’ ‘Tja, moedig …’ zegt hij triest. ‘Je bent een schat, jij. En de moedigste jongen van de hele wereld. Ik ben zo blij dat je ervoor koos om terug te komen. Stel je voor dat je verdronk, dan was ik je helemaal kwijt.’ Hij kijkt verbaasd op. ‘Kwijt?’ Tessa bloost. ‘Wel ja, kwijt. Ik wil niet verder zonder jou …’ Zijn sombere blik verdwijnt en in de plaats verschijnt een brede glimlach. ‘Kom hier’, zegt hij. Hij geeft haar een zoen op haar wang. Hij legt zijn armen om haar middel en trekt haar wat dichter tegen zich aan. ‘Zeg … Ik moest veel doen om jou die zoen te kunnen geven, hoor!’ Beluister het verhaal en maak kennis Ze schiet in de lach. Ze wil hem nu ook zoenen, met de auteur Koen D’Haene. maar hij houdt haar af. ‘En toch … Het waren echt zeehonden!’ ‘Gekkie!’ kirt ze. de slenk: geul in een strand of schor, schorre ontzet: ontsteld, door schrik verbijsterd beuken: hard slaan of kloppen

N

40

65

70

©

75

80

85

woord

237


Geloof je wat reclame belooft?

1

laat je niet verleiden DOOR RECLAME

KRITISCH KIJKEN EN LUISTEREN

1

BETROUWBARE EN MISLEIDENDE INFORMATIE onderscheiden

Achter de schermen van de reclame OPDRACHT 1

Bespreek de vragen bij de foto.

1 Wat zijn deze mensen van plan, denk je? Waar zijn ze? 2 Waarom kijken ze verleidelijk? 3 Waar vind je foto’s als deze terug?

IN

les

N

4 Wat was er allemaal nodig om deze foto te maken?

VA

5 Voor welk soort product zou er reclame gemaakt worden?

OPDRACHT 2

Bekijk een fragment uit een consumentenprogramma.

Het programma test of de beweringen in reclamespots waar zijn. Doet het product wat het belooft? Of moet je het allemaal met een korreltje zout nemen? 1 Kijk naar de reclametests op diddit.

Focus je tijdens het kijken op deze vragen:

a Welke bewering test het programma op de waarheid?

©

b Op welke manier doen ze dat?

c Wat is hun besluit?

2 Bespreek je antwoorden eerst per twee, daarna klassikaal.

woord

de consument: iemand die een product of dienst koopt, een verbruiker of klant de bewering: iets waarvan je zegt dat het zo is met een korreltje zout nemen: niet te letterlijk nemen, het niet allemaal zomaar geloven

238

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 5 Verleiden


OPDRACHT 3

Luister naar drie radiospots.

1 Schrijf het merk op waarvoor ze reclame maken en het product dat ze aan de man brengen. Omschrijf kort hoe ze jou proberen te overtuigen. PRODUCT

Hoe probeert de spot de luisteraar te overtuigen?

IN

MERK

2 Geloof jij die spots?

a Kies een reclamespot. Is die betrouwbaar? Geef je mening.

N

De spot voor                   bevat betrouwbare info. O helemaal niet akkoord – O eerder niet akkoord – O eerder akkoord – O helemaal akkoord b Welke kritische vragen kun je bij deze spots stellen? Verzin er twee.

VA

Bv. Korting is leuk, maar heb je wel iets nodig?

hoe

Kritisch luisteren of kijken

©

Kritisch luisteren of kijken betekent dat je niet zomaar alles gelooft wat de zender beweert of belooft. Je gaat na hoe betrouwbaar de informatie is. Je toetst de beweringen aan je eigen mening of ervaring of je raadpleegt een andere bron. Mogelijke kritische vragen die je kunt stellen. • Waarom wil je dit product zo graag hebben? • Heb je het echt nodig? • Is het zijn prijs waard? • Heb je de reclame vergeleken met gelijkaardige producten of met andere aanbiedingen? • Weet je zeker dat het product doet wat het belooft?

woord

iets aan de man brengen: iets verkopen

LES 1 Geloof je wat reclame belooft?

239


OPDRACHT 4

Zoek de ontbrekende woorden.

1 Reclameteksten bulken van de positieve woorden die je een prettig gevoel proberen te geven. In deze reclametekst voor een jeugdvakantie werden ze geschrapt. Luister naar het origineel. Onthoud zo veel mogelijk positieve woorden. TROEVEN

positieve versie

negatieve versie

Tijdens deze vakantie verblijf je in het mooie Ostello Costa Alta, een recent gerenoveerde jeugdherberg, gelegen in het park

IN

van Monza.

Je bezoekt de stad Bergamo. De kabeltrein brengt je naar het centrum van deze leuke stad en ’s avonds krijg je er een

echte Italiaanse pizza op jouw bord. Ook de stad Como en het

Comomeer zelf mogen een bezoekje van je verwachten. Een

ijsje op het mooie stadsplein van Como of genieten van het

N

prachtige uitzicht van het Comomeer: alles is hier mogelijk.

Je verkent het grote park van Monza per fiets en koelt af in een

heus waterpretpark, Acqua World, waar verschillende glijbanen op jou wachten.

VA

De monitoren staan klaar om dit alles in een zalig Kazoujasje te stoppen.

Zoals je ziet: deze vakantie is de ideale mix tussen Italiaanse cultuur, ontspanning en Kazoufun!

Naar: ‘Troeven’, www.kazou.be

2 Noteer de ontbrekende positieve woorden uit de tekst in de tweede kolom. 3 Maak nu antireclame en noteer enkele negatief klinkende woorden in de derde kolom.

©

4 Luister naar het resultaat van je buur. Welke van beide versies overtuigt om mee te gaan op vakantie? Waarom is dat zo? 5 Welke synoniemen worden in de originele tekst gebruikt voor deze woorden? •

nieuw:

vernieuwd:

echt:

verrukkelijk:

volmaakt:

woord

bulken: uitpuilen, er is een massa van het origineel: de oorspronkelijke versie

240

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 5 Verleiden


6 Wat gaat er al goed bij deze luisteropdrachten? Beoordeel jezelf. Je bereidt je voor door de opdracht goed te lezen waardoor je weet wat je moet doen. Opdracht 2 Opdracht 3 Opdracht 4

 niet akkoord  niet akkoord  niet akkoord

 akkoord  akkoord  akkoord

Opdracht 2 Opdracht 3 Opdracht 4

 niet akkoord  niet akkoord  niet akkoord

 akkoord  akkoord  akkoord

IN

Je stelt jezelf vooraf vragen als: welke boodschap verwacht je? Wat weet je er al van? Wat is het doel van die boodschap?

Je kunt je tijdens het kijken of luisteren concentreren (bv. door de ogen te sluiten, door niet naar klasgenoten te kijken, door te noteren als dat mag …). Opdracht 2 Opdracht 3 Opdracht 4

 niet akkoord  niet akkoord  niet akkoord

 akkoord  akkoord  akkoord

Waar ga je volgende keer op letten?

N

 Je zorgt ervoor dat je precies weet wat je moet doen.  Je gaat na wat je al over het onderwerp weet.  Je luistert de hele tijd aandachtig.

VA

Digitale reclamevormen OPDRACHT 5

Wees aandachtig. Laat je niet afleiden. Verscherp je aandacht door mee te denken. Maak beelden in je hoofd.

Luister naar acht korte teksten.

1 Welke voorbeelden ken je van reclameboodschappen in de digitale wereld?

2 Luister naar de korte informatieve teksten over digitale reclametechnieken en plaats er het juiste voorbeeld bij. tekst

1

2

3

4

5

6

7

8

voorbeeld

©

2

tip

3 Vertel in je eigen woorden wat deze foto’s je over die vormen van reclame leren.

A

LES 1 Geloof je wat reclame belooft?

B

241


D

IN

C

F

N

E

©

VA

G

H

Je kunt: • • •

242

beoordelend luisteren en kijken naar reclameboodschappen in de media; kritische vragen stellen bij die boodschappen; informatie kritisch beoordelen: is de informatie correct en betrouwbaar?

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 5 Verleiden

waarheen


Laat je niet zomaar verleiden! • • • • • •

Breng een voorbeeld van een reclameboodschap mee die erin slaagt om jou te verleiden. Je werkt in duo’s. Stel het product en de advertentie kort aan elkaar voor. Vertel waarom je overtuigd bent om het te kopen. Na het luisteren stel je elkaar kritische vragen. Beantwoord de vragen duidelijk.

tip

Oriënteren

o

v

u

r

1 Wat moet je meebrengen naar de klas?

IN

Kies een product dat jij ook echt zelf zou kunnen kopen.

2 Aan welke voorwaarden moet je voorbeeld voldoen?

3 Wanneer moet je het voorbeeld meebrengen naar de klas?

N

4 Wat kun je er allemaal over vertellen?

Voorbereiden

o

v

u

r

5 Zoek een geschikte reclameboodschap.

6 Noteer op een kladblad een drietal redenen waarom je het product zou kopen.

VA

7 Overloop de kritische vragen en bedenk er een goed antwoord op. 8 Oefen een paar keer hardop wat je zult zeggen.

Uitvoeren

o

v

u

r

9 Aan de slag nu.

Als spreker: stel je advertentie voor aan je klasgenoot. Als kritische luisteraar: luister naar de mening van je klasgenoot. Als kritische luisteraar: stel gepaste kritische vragen.

©

• • •

LES 1 Geloof je wat reclame belooft?

243


Reflecteren

o

v

u

r

10 Beoordeel jezelf. Je traject naar succes Beoordeel het werk van je klasgenoot. 1234

Hij bereidt zich voor op mogelijke kritische vragen die je kunt stellen.

1234

Beoordeel je eigen luisterwerk.

IN

De advertentie past bij de opdracht.

Je concentreert je op zijn mening: waarom wil hij het kopen?

1234

Je stelt kritische vragen.

1234

Werkpuntje voor jezelf:

©

VA

N

244

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 5 Verleiden


les

2

Naar het reclamebureau

reclameonderzoekje uitvoeren: delen herkennen en strategieën inzetten

functie en belang van het beeld omschrijven

klasfolder of klasposter ONTWERPEN

1

Reclame onder de loep OPDRACHT 1

IN

RECLAMETECHNIEKEN herkennen

Wat is reclame? Bespreek samen deze vragen.

1 Zag of hoorde je vandaag al reclames die je opgevallen zijn? Welke? 2 Welke tekstsoort is reclame? Wat is het tekstdoel? 3 Probeer reclame te omschrijven.

Onderzoek de reclames.

N

OPDRACHT 2

1 Bekijk de reclames op p. 245-246.

2 Zoek een antwoord op de vragen van het communicatiemodel (zender, boodschap, ontvanger, bedoeling, kanaal, effect) voor twee reclames. Kies er twee samen met je buur en bespreek. Noteer de oplossingen op een apart blad.

VA

3 Kon je voor beide reclames op alle vragen een antwoord formuleren? Op welke vragen niet? Hoe komt het? 4 Bestudeer de reclames en maak een rangschikking per soort. Werk in een tabel op een apart blad. Bespreek per twee welke indeling je zou kunnen maken.

©

A

C

LES 2 Naar het reclamebureau

B

D

E

245


F

I

IN

H

G

Hey, Toerke doen met mijne C4 Cactus?

Was da voor paard?

©

M

246

L

N

K

VA

J

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 5 Verleiden


OPDRACHT 3

Welke delen vind je in een reclametekst?

1 Deze woordenschat kun je gebruiken tijdens verdere gesprekken over reclame.

wat

IN

a  Een slogan of slagzin is een kernachtige, korte zin, vooral gebruikt voor reclame of om een standpunt of mening duidelijk te maken.

b  Een logo is een afbeelding (of enkele letters) waaraan je een merk of bedrijf herkent.

c  De broodtekst is het blok met een grote tekstmassa.

N

d  De keuze voor een beeld, foto, tekening of illustratie, kleur, formaat en verhouding is belangrijk.

2 Zoek de verschillende delen in enkele van de reclames. Wat ontbreekt weleens? Waarnaar gaat meestal veel aandacht?

©

VA

3 Bekijk de reclame van TUC opnieuw. Duid de verschillende delen aan en benoem.

LES 2 Naar het reclamebureau

247


4 Welke technieken heeft de reclamemaker volgens jou gebruikt? Bespreek per twee. a Bekijk de beelden en onderzoek de combinatie beeld – tekst. Denk aan kleur, formaat, (welke) personen … Noteer welke technieken je vaak ziet terugkeren. b Onderzoek de taal. Bespreek verder per twee. • • • •

IN

Vind je zinnen of alleen woorden? Welke zinnen? Speelt de maker met klanken? Hoe is een slogan opgebouwd? Wat valt op aan de taal, de lengte van de slogan? Noteer welke taaltechnieken vooral terugkeren.

wat

Reclame

Bestudeer enkele reclametechnieken.

VA

OPDRACHT 4

Wat: een vorm van communicatie. Doel: overtuigen; iemand overhalen om iets te kopen of te doen. Kanaal: veelgebruikte media voor reclame zijn: posters op billboards, folders, advertenties op radio en televisie, promotiefilms in de bioscoop, banners op internetpagina’s, advertenties in kranten en tijdschriften. Op vrijwel elk voorwerp kan reclame worden opgenomen, zelfs op kleding, de zijkanten van trams, bussen, taxi’s en auto’s, de achterkant van toegangsbewijzen van grote evenementen … Hoe: allerlei reclametechnieken.

N

• • •

1 Hoe proberen reclamemakers de interesse te wekken van de doelgroep? Bekijk de reclames opnieuw en zoek drie trucjes.

2 Lees nu de kaders waarin enkele reclametechnieken opgesomd zijn. Bekijk de reclames op p. 245-246 opnieuw. Welke passen bij een bepaalde techniek? Noteer de letter ernaast. RECLAMETECHNIEKEN – OM KLANTEN TE OVERTUIGEN

RECLAME

©

Getuigenissen: om de beste kwaliteit van hun product aan te tonen, gebruiken reclamemakers woorden en beelden van gewone gebruikers, experts of allebei. Ook gebruiken ze soms bekende personen. Associatie: een product koppelen aan aangename dingen om zo naar dat product te laten verlangen. Daarvoor gebruiken ze vaak kinderen, baby’s, leuke momenten en ander vergelijkbaar beeldmateriaal. Slogan: roept de herinnering aan het merk, het product of de dienst op. Spelen met taal, bv. om de slogan te laten opvallen: rijm, verschillende soorten zinnen, aanspreken van de lezer …

woord

de/het billboard: een groot reclamebord

248

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 5 Verleiden


3 Onderzoek ook de taal in de reclames. Lees deze voorbeelden van spelen met taal. Noteer waar mogelijk een letter van een reclame ernaast. spelen met taal

RECLAME

Woorden beginnen met dezelfde letter(s).  Knappe koks kunnen meer met Miele. (Miele – elektrische apparaten) Het einde van twee woorden klinkt hetzelfde.  Geschenken doen aan boeken denken. (Standaard Boekhandel)

Ze herhalen woorden.  Carglass herstelt, Carglass vervangt.

IN

Ze gebruiken woorden in hun figuurlijke betekenis.  VTM, zoveel om te delen

Ze verzinnen een nieuw woord, een woord dat nog niet eerder werd gebruikt.  Goede foto’s maken flitssimpel. Ze nemen een woord onveranderd over uit een andere taal.  Connecting people. (Nokia)

Ze spelen met de betekenis, de klank en de schrijfwijze van woorden.  4FM, het klinkt tussen ons. (‘tussen ons klikken’ en ‘klinken’)

Lezen over reclame OPDRACHT 5

N

2

Lees de tekst en beantwoord de vragen.

VA

1 Bekijk de titel. Waarover zou de tekst kunnen gaan?

2 Bedenk een vraag waarop je graag een antwoord wilt krijgen.

Meneer Proper wordt sexy verleider

De bijna zestig jaar oude detergentenmascotte Meneer Proper gaat de verleidingstoer op. Komende zondagnacht is hij te zien in een reclamespotje dat zal worden uitgezonden tijdens de Super Bowl, de finale van het kampioenschap American football.

©

‘Mr. Clean’ zoals hij in het Engels heet, is strakker dan ooit in zijn kenmerkende witte broek en T-shirt. Al kuisend brengt hij een vrouw het hoofd op hol, maar dan komt de aap uit de mouw. De reacties op het spotje zijn verschillend. Meneer Propers bazen – Proctor&Gamble – verwachten in ieder geval veel van de campagne. Het bedrijf kocht nooit eerder een spotje tijdens de Super Bowl en is bereid om veel te betalen. Wellicht kijken zondag meer dan 114 miljoen mensen live. De prijzen voor reclamespots variëren tussen 4,5 miljoen en 5,84 miljoen dollar. Meneer Proper verscheen in 1958 voor het eerst in een reclame. De mascotte heeft al jaren een eigen Twitterpagina die inmiddels door meer dan 22 500 ‘fans’ wordt gevolgd. Op de pagina telt hij af naar zondag. Naar: ‘Meneer Proper wordt sexy verleider’, www.hln.be

LES 2 Naar het reclamebureau

249


3 Lees het artikel en beantwoord de vragen klassikaal. a Leg het communicatiemodel bij dit artikel. Bespreek. b Zou je na het lezen van het artikel het spotje willen bekijken? Waarom wel/niet? c Waarom is het voor de reclamemaker interessant dat er ook een krantenartikel over de campagne verschijnt? d Begrijp je de twee onderstreepte delen? Zoek naar een verklaring.

+ Een bedrijf werkt met een herkenbaar logo, herkenbare kleuren ... die terugkeren in elke reclame van het bedrijf. Zoek verschillende reclames met een logo. Dat kan online of in een meegebracht tijdschrift.

IN

OPDRACHT 6

a Op welke plaats staat het logo? Is dat in elke reclame gelijk? b Zoek een logo van een reclame die je leuk/mooi vindt.

c Zoek een logo van een reclame die je spannend/boeiend vindt. d Zoek een logo van een reclame die je saai vindt.

Je kunt:

© 250

waarheen

op een reclameboodschap het communicatiemodel toepassen; de functie (en het effect) van (bijgeleverde) beelden vaststellen; de belangrijke delen van een reclameboodschap aanduiden (slogan, logo …); het belang van het beeld bij de boodschap omschrijven; enkele reclamestrategieën / -technieken in de reclameboodschappen herkennen.

VA

• • • • •

N

e Bespreek in groepjes.

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 5 Verleiden


Creatief met reclame Maak een folder of een poster voor de klas. Werk in duo’s, maak samen de keuzes.

Oriënteren

o

v

u

r

1 Wat wil je ontwerpen? Wie is je doelpubliek? 2 Hoe ziet een folder eruit? Hoe is die samengesteld? En een poster? 3 Wat bied je in de folder of op de poster aan? Bekijk de keuzes.

Voorbereiden

o

v

u

r

IN

4 Wees ook creatief met taal. Gebruik minstens een van de technieken in de slogan.

5 Kies een van beide mogelijkheden: een klasfolder of een poster?

N

De klasfolder a Kies het thema in teken van gezondheid, bv. gezonde voeding, bewegen, hygiëne … Het thema is duidelijk zichtbaar in de folder. b Maak per twee één bladzijde uit een folder: knip, plak, teken … en bundel al die bladzijden. c Op je bladzijde staat een speelse slogan. Speel met taal in die slogan. d Vertel een ander duo waarom je bepaalde keuzes maakte.

VA

De klasposter of affiche a Maak reclame voor je klas of een activiteit van je klas. b Je poster bevat minstens één slogan en één beeld. Speel met taal in de slogan. c Vertel een ander duo waarom je bepaalde keuzes maakte. • Wat heb je nodig om aan de slag te kunnen gaan? • Maak afspraken en noteer ze.

De afspraken:

Wie?

Tegen wanneer?

Oké?

©

Wat?

LES 2 Naar het reclamebureau

251


Uitvoeren

o

v

u

r

De klasfolder a Bundel alles tot een eigen klasfolder. b Bedenk een naam voor de ‘klas’ waar de folder vandaan komt.

Reflecteren

o

v

u

r

6 Beoordeel jezelf. Je traject naar succes

IN

De klasposter of affiche a Waar wil je de klasposter of affiche voorstellen/ophangen? b Bedenk twee argumenten voor de plaats die je voorstelt.

Je komt goed voorbereid naar de klas en houdt je aan de afspraken (zie tabel afspraken). 1 2 3 4 Je geeft duidelijk je eigen mening weer.

1234

Je kunt duidelijke argumenten formuleren in gesprek met het andere duo.

1234

Je werk bevat een geslaagde slogan met aandacht voor taal.

1234

Het thema is zichtbaar in de folder / op de affiche.

1234

Je stelt een plaats voor om de poster op te hangen of de folder voor te stellen.

1234

N

Je luistert goed naar de inbreng van de ander.

Een werkpuntje voor jezelf:

©

VA

252

1234

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 5 Verleiden


les

Zeg het met … 3 een bijvoeglijk naamwoord bijvoeglijk naamwoord herkennen en gebruiken

1

Hoe ‘kleur’ je een tekst? OPDRACHT 1

IN

trappen van vergelijking gebruiken

verzonnen product PROMOTEN

Bekijk aandachtig deze tekst en beantwoord daarna de vragen.

Lommel wordt een levend museum

In de zomer vind je ze in elke stad: levende standbeelden. Ze hebben prachtige kostuums aan en

N

staan stil tot je een munt in hun hoed werpt. Dit weekend komen ze samen in Lommel. De stad wordt een museum van levende standbeelden.

Niet iedereen mag in Lommel beeld spelen. Enkel de beste artiesten van Europa werden geselecteerd. Hun kostuums zijn heel mooi. Ze kunnen urenlang stilstaan. En ze zijn erg origineel.

VA

Bonte boel

De organisatoren zorgen voor een wandelroute door de stad. Op je weg ontdek je klassieke beelden die van steen of brons lijken. Je ziet het verschil met een echt standbeeld bijna niet! Er zijn ook kleurrijke, poëtische en grappige figuren. Sommigen zijn alleen, anderen staan in groep. Maar je ziet niet alleen standbeelden. Op je wandeling ontmoet je ook acteurs en acrobaten. Zij voeren een toneeltje op. Je weet niet waar je eerst moet kijken! Kortom: een origineler uitstapje bestaat niet! Naar: ‘Tip: Festival Beeldig Lommel’, Wablieft

1 Wat is het tekstdoel?

©

2 Tot welke tekstsoort behoort deze tekst?

3 Wat is het centrale thema of de hoofdgedachte van de tekst? 4 Lees de tekst nu intensief. In deze tekst vind je heel wat zelfstandige naamwoorden. Ken je ze nog? Test jezelf en onderstreep ze allemaal. Heb je meer dan vijf fouten? Ga naar diddit. Heb je minder dan vijf fouten? Ga rechtstreeks naar oefening 5.

LES 3 Zeg het met … een bijvoeglijk naamwoord

253


5 In de tekst op p. 253 vind je woorden die iets over een zelfstandig naamwoord vertellen. Ze geven bijvoorbeeld een eigenschap of kenmerk van het zelfstandig naamwoord weer. Markeer die woorden. Trek een pijl naar het zelfstandig naamwoord waarover ze iets vertellen. 6 Schrijf vijf van de gemarkeerde woorden in de eerste kolom van deze tabel. Noteer in de tweede kolom telkens het bijbehorende zelfstandig naamwoord. WOORDEN DIE EEN EIGENSCHAP OF KENMERK

ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN

IN

WEERGEVEN =

7 Waarom zijn die woorden volgens jou ook belangrijk in de tekst? Bespreek mondeling.

Lees nu deze tekst over het Beeldenfestival.

N

OPDRACHT 2

Op zaterdag 17 en zondag 18 juni wordt Lommel weer omgetoverd tot de plek van België. Voor de tiende keer op rij vormt het stadscentrum het decor van het Beeldenfestival.

VA

Geniet van beelden, beeldenacts, straatartiesten, steltenlopers, kinderbeelden, randanimatie. De organisatie heeft een topeditie klaar! Voor dit evenement kun je terecht in het stadscentrum van Lommel: zaterdag 17 juni en zondag 18 juni van 14 uur tot 18 uur. De programmaboekjes zijn één week voor het festival te koop voor € 1,50 bij Toerisme Lommel en CC De Adelberg. Naar: ’10 jaar Beeldig Lommel’, www.beeldiglommel.be

1 Wat merk je op bij het lezen van deze tekst? Bespreek mondeling.

©

2 Herschrijf één alinea van de tekst op een apart blad en voeg meer info toe.

woord

de act: een optreden of deel van een optreden de randanimatie: activiteiten om mensen bezig te houden, naast de hoofdactiviteit de editie: een versie, aflevering het evenement: een belangrijke gebeurtenis

254

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 5 Verleiden


wat Het bijvoeglijk naamwoord: functie en plaats Het bijvoeglijk naamwoord (bn) is een woordsoort die iets over een zelfstandig naamwoord vertelt. Het geeft meer informatie. Het maakt een tekst vollediger, maar ook mooier en kleurrijker. Bv. het levende museum Het bijvoeglijk naamwoord kan voor het zelfstandig naamwoord staan in de zin. Bv. Ze hebben prachtige kostuums aan.

OPDRACHT 3

IN

Het kan ook achteraan in de zin staan. Het is dan een deel van het naamwoordelijk gezegde. Bv. Ze zijn erg origineel.

Bekijk de tabel bij opdracht 1 opnieuw. Onderzoek de bijvoeglijke naamwoorden.

1 Welke verschillen merk je op?

tip

Let op de schrijfwijze.

2 Probeer uit de voorbeelden af te leiden wanneer je een verbuigings-e toevoegt.

Als het zelfstandig naamwoord in het meervoud staat, voeg je een / geen ‘e ‘ toe aan het bijvoeglijk naamwoord.

Als het zelfstandig naamwoord een de-woord is, voeg je een / geen ‘e ‘ toe aan het bijvoeglijk naamwoord.

Als het zelfstandig naamwoord een het-woord is, voeg je een / geen ‘e ‘ toe aan het bijvoeglijk naamwoord.

Let op het verschil tussen de zelfstandige naamwoorden waar ze bij staan.

VA

Uitzondering:

tip

N

wat

Het bijvoeglijk naamwoord: de verbuiging

Soms moet je het bijvoeglijk naamwoord verbuigen: je voegt dan een ‘e’ toe aan de grondvorm. Bv. de prachtige kostuums

©

Je verbuigt het bijvoeglijk naamwoord NIET als het voor een het-woord staat in het enkelvoud, behalve na het, dit, dat of een bezittelijk voornaamwoord. Bv. een kleurrijk standbeeld MAAR: dit kleurrijke standbeeld

OPDRACHT 4

Herlees deze zin en beantwoord de vragen.

Een origineler uitstapje bestaat niet. 1 Markeer het bijvoeglijk naamwoord (bn). 2 Weet je het nog? Wat is er aan de hand met dit bijvoeglijk naamwoord? Hoe noem je die vorm? 3 Wat is de grondvorm van dit bijvoeglijk naamwoord? Hoe noem je die vorm? LES 3 Zeg het met … een bijvoeglijk naamwoord

255


4 Ken je een nog sterkere vorm? Hoe zeg je bijvoorbeeld dat er geen enkel uitstapje origineler is dan dit? Dan is dit uitstapje het … .

5 Wat voeg je aan het grondwoord toe om de vergrotende en overtreffende trap te vormen? 6 Ken je onregelmatige vormen? Geef enkele voorbeelden.

IN

wat

Het bijvoeglijk naamwoord: de trappen van vergelijking

Om zaken met elkaar te vergelijken worden de trappen van vergelijking gebruikt. Je geeft ermee aan hoe sterk een bepaalde eigenschap aanwezig is.

Oefenen met bijvoeglijke naamwoorden

VA

2

de stellende trap (knap) de vergrotende trap (knapper)  grondwoord + er de overtreffende trap (knapst)  grondwoord + st

N

• • •

OPDRACHT 5

Bekijk aandachtig deze tekst en beantwoord de vragen.

De bal controleren door opperste concentratie, dat is wat alle

grote voetballers doen. Ook Sven. En doordat hij deelneemt aan de Olympic Moves, kan hij zich ook naast het veld beter concentreren. Het geeft hem energie en zelfvertrouwen. Dat is essentieel voor zijn drukke leven thuis en op school.

©

Olympic Moves is de grootste schoolsportcompetitie in Nederland. De ambitie is dat er meer dan 150 000 jongeren tussen de 12 en de 15 jaar aan meedoen. En als Coca-Cola ondersteunen we dat van harte. Er worden diverse sporten beoefend, van voetbal tot atletiek en streetdance, dus er is voor elk wat wils. Ga naar coca-colanederland.nl/actieve_leefstijl en doe mee. Naar: ‘Sven Pouw voetbalt voor Olympic Moves-campagne in reclame Coca-Cola’, www.reclamewereld.blog.nl

woord

de ambitie: gedrevenheid, eerzucht, ernaar streven om veel te bereiken

256

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 5 Verleiden


1 Wat is het doel van de tekst? 2 Markeer in de tekst de naam van het product dat wordt aangeprezen. 3 Tot welke woordsoort behoort dat woord? 4 Onderstreep alle bijvoeglijke naamwoorden. Trek een pijl naar het zelfstandig naamwoord waarover ze iets zeggen.

Zoek de bijvoeglijke naamwoorden in deze fragmenten.

A

IN

OPDRACHT 6

Maak ook deze week elke dag kans op gratis tickets voor de langverwachte, zinderende, culturele zomer. Laat u met het hele gezin verrassen door de boeiendste en meest diverse tentoonstellingen, in alle uithoeken van het land. Naar: www.steps.be

N

B Kleren die je lange tijd niet draagt, krijgen een muffe geur. Misschien doet het je denken aan de geur van een oude mantel van je oma of opa of van vintagekleren en geeft het je een nostalgisch gevoel, of … misschien heb je toch liever kleren die niet muf ruiken! Enkele tips om muffe geuren te verbannen.

VA

Naar: H. Deweirdt. ‘Zo maak je komaf met die muffe geur in je kleren’, www.steps.be

OPDRACHT 7

Markeer de bijvoeglijke naamwoorden in de krantenkoppen.

Noteer daarna onder het bn de stellende en de vergrotende of overtreffende trap.

1 Deze ontroerende kerstreclame verspreidt een mooie boodschap

2 Arya werd beroemd als ‘de dikste jongen ter wereld’, tot hij op dieet ging en begon te sporten

©

3 Dit zijn de favoriete winterbestemmingen van de Belg

4 Greenyard: een korte droom, maar ook nachtmerries

5 Cadeau voor een boekenwurm gezocht? Deze boeken zijn een goed idee! 6 Chinese autoverkoop kent sterkste terugval in dertig jaar

LES 3 Zeg het met … een bijvoeglijk naamwoord

257


OPDRACHT 8

Overdrijf! Maak een zin waarin je een kenmerk van een persoon opneemt. Werk zoals in het voorbeeld.

Bv. Mijn oma is een lieve dame. Maar … Mijn oma is een nog lievere dame; nee, die van mij is de liefste. Jouw zin: Reageer nu op dezelfde manier op de zin van de leerling naast jou. Noteer de trappen van vergelijking die je gebruikte.

IN

OPDRACHT 9

Markeer de bijvoeglijke naamwoorden. Noteer daarna de trappen van vergelijking.

De weerman voorspelt drie zonnige dagen. De natte kampplaatsen kunnen weer opdrogen en de jongste kinderen zullen nog enkele leuke en ontspannende dagen doormaken voor het einde van de week.

Vergrotende trap

Overtreffende trap

VA

N

Stellende trap

+

OPDRACHT 10

Lees dit artikel over reclame aandachtig en beantwoord de vragen.

Digitaal wereld vol reclame

©

In amper twee decennia heeft de klassiek reclamewereld haar horizonten moeten verruimen. De digitaal reclamewereld biedt enorm mogelijkheden en kan een bijzonder uitdaging betekenen voor kinderen en jongeren. Zij worden dagelijks blootgesteld aan digitaal reclameboodschappen. Het tijdperk van digitaal reclame vraagt dat jongeren en volwassenen kritisch kunnen omgaan met interactief boodschappen. Vaak zijn digitaal reclamevormen erg subtiel en zelfs moeilijk herkenbaar. Daarom is het niet altijd duidelijk voor jongeren dat het om commercieel boodschappen gaat, en bovendien komt vaak hun privacy in het gedrang, want niet zelden worden persoonlijk gegevens opgevraagd. Naar: ‘Jongeren en reclame: Digitale wereld vol reclame’, www.mediawijs.be

woord

interactief: onderling samenwerkend commercieel: gericht op het maken van winst

258

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 5 Verleiden


+

1 Wat loopt er mis? 2 Onderstreep de bijvoeglijke naamwoorden waarbij het fout loopt. Pas ze aan. Noteer het bijvoeglijk naamwoord én het bijbehorende zelfstandig naamwoord.

IN

+ OPDRACHT 11

Lees de reclameboodschap.

N

Deze reclamemakers kunnen van jou nog wat leren! Hun boodschap kan nog een stuk aantrekkelijker. Zonder ontbijt moeten ze niet tegen me praten. Daarom ga ik er elke ochtend tegenaan met Kelloggs Corn Flakes. Dat zijn maisvlokken. Met wat melk erover zijn die Corn Flakes een begin van een drukke dag.

VA

Naar: ‘Reclame voor ontbijtgranen Kellogg’s Corn Flakes’, www.huisvanalijn.be

1 Herschrijf de reclameboodschap op een apart blad. 2 Klaar? Ruil je reclameboodschap met die van een klasgenoot. Zoek in de reclameboodschap van je klasgenoot bijvoeglijke naamwoorden. Omcirkel ze met potlood.

waarheen

©

Je kunt: • • • • •

een aantal eigenschappen van het bijvoeglijk naamwoord opsommen; bijvoeglijke naamwoorden aan een boodschap toevoegen om ze aantrekkelijker te maken; een bijvoeglijk naamwoord herkennen in een tekst; een bijvoeglijk naamwoord verbuigen als dat nodig is; de trappen van vergelijking gebruiken.

LES 3 Zeg het met … een bijvoeglijk naamwoord

259


Een verzonnen product promoten Bedenk een product dat (of een dienst die) nog niet bestaat en promoot dat aan je klasgenoten. Waarom moeten zij dat product (of die dienst) absoluut kopen? Wat maakt het zo bijzonder?

Oriënteren

o

v

u

r

1 Welke opdracht moet je uitvoeren? 2 Welk eindproduct moet je afleveren?

Voorbereiden

o

v

u

r

IN

3 Hoeveel tijd krijg je?

4 Verzamel ideeën. Maak een woordspin op een apart blad. Zet de productnaam of de dienst in het midden en schrijf er bijzondere eigenschappen rond. 5 Selecteer. Markeer de eigenschappen die je wilt gebruiken in je reclameboodschap.

o

v

u

r

N

Uitvoeren

6 Schrijf je reclameboodschap uit op een apart blad.

7 Maak een schets bij je boodschap. Hoe zal je product of dienst eruitzien?

o

v

u

r

VA

Reflecteren

In orde Je traject naar succes

jij

je klasgenoot

Je boodschap is aantrekkelijk.

1234

1234

Je gebruikt voldoende bijvoeglijke naamwoorden.

1234

1234

Je verbuigt de bijvoeglijke naamwoorden indien nodig.

1234

1234

Je gebruikt enkele trappen van vergelijking.

1234

1234

Werkpuntje voor jezelf:

©

Werkpuntje voor je klasgenoot:

260

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 5 Verleiden


les

4

Hocus, pocus, poëzie LEESERVARING BIJ GEDICHTEN VERWOORDEN

KENMERKEN VAN POËZIE OPSOMMEN

1

Liefde voor poëzie OPDRACHT 1

ZICH CREATIEF UITDRUKKEN

IN

WAARDERING UITSPREKEN

poëzie schrijven

Beluister het radioprogramma met Bart Moeyaert.

1 Beantwoord de vragen mondeling. a Welk gedicht raakt je het meest? Waarom?

b Waarom heeft Bart Moeyaert dat gedicht gemaakt? Wat was de aanleiding?

N

c Welke woorden blijven je bij omdat je ze mooi/ontroerend/… vond? 2 Benieuwd naar nog een gedicht van Bart Moeyaert? Beluister ‘Siberië’.

OPDRACHT 2

Lees of beluister enkele gedichten. Welk gedicht betovert jou?

VA

1 Lees of beluister de gedichten op diddit. Naar welk gedicht gaat jouw voorkeur uit? Vertel waarom.

2 Jouw mening telt! Je krijgt één gouden buzzer en één rode buzzer. Welk gedicht heeft jou betoverd (gouden buzzer)? Voor welk gedicht ga je op de vlucht (rode buzzer)?

Ik druk op de gouden buzzer voor het gedicht omdat

©

Dat gedicht gaat over

Ik herken deze gevoelens (wie wil, kan kiezen uit het lijstje):

Gevoelens: angstig – verdrietig – dankbaar – enthousiast – eenzaam – gefrustreerd – haatdragend – gelukkig – gestrest – hoopvol – jaloers – kwaad – machtig – meevoelend – moedeloos – moedig – ongelukkig – onverschillig – opgelucht – schuchter – sympathiek – teleurgesteld – tevreden – timide – trots – uitgelaten – verlegen – verliefd – vernederd – verrast – wanhopig – weemoedig –zelfverzekerd – …

woord zie p. 262

LES 4 Hocus, pocus, poëzie

261


Ik druk op de rode buzzer voor het gedicht omdat

Dat gedicht gaat over Ik herken deze gevoelens (wie wil, kan kiezen uit het lijstje hieronder):

IN

Gevoelens: angstig – verdrietig – dankbaar – enthousiast – eenzaam – gefrustreerd – haatdragend gelukkig – gestrest – hoopvol – jaloers – kwaad – machtig – meevoelend – moedeloos – moedig ongelukkig – onverschillig – opgelucht – schuchter – sympathiek – teleurgesteld – tevreden timide – trots – uitgelaten – verlegen – verliefd – vernederd – verrast – wanhopig – weemoedig zelfverzekerd – …

– – – –

3 Bespreek in groep.

N

a Welk gedicht kon jou bekoren?

b Welk gedicht vond je maar niets?

VA

c Denken je groepsgenoten daar hetzelfde over? Kun je hen anders naar jouw favoriete gedicht laten kijken? Probeer hen te overtuigen van jouw keuze.

2

Associeer, allitereer … excuseer? OPDRACHT 3

Onderzoek de taal van poëzie.

1 Hoe noem je:

een regel tekst in een gedicht?

©

een tekstblokje in een gedicht?

262

woord

gefrustreerd: ontevreden en geërgerd omdat iets niet loopt zoals jij het wilt onverschillig: je nergens om bekommeren schuchter: verlegen, timide timide: verlegen, schuchter vernederd: zich minderwaardig voelen weemoedig: een beetje droevig zijn bekoren: verleiden

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 5 Verleiden


2 Hoe vindt een dichter de juiste woorden? Bedenk vijf woorden die beginnen met ‘vl’.

Dat noem je associëren. De gevonden woorden zijn associaties.

IN

Bedenk vijf woorden die te maken hebben met ‘vlinder’.

Dat noem je allitereren. De gevonden woorden zijn alliteraties.

3 Zoek associaties en alliteraties. Durf jij de associatie- of alliteratierace aan?

wat

N

De taal van poëzie Een gedicht bestaat uit versregels of verzen. Een tekstblokje noem je een strofe. De taal in een gedicht is heel beeldend. Bv. Je bent een boomgaard, eigenlijk, waarvan ik graag de vruchten pluk ...

VA

De dichter maakt gebruik van associaties. Associëren betekent verbanden leggen en daardoor op nieuwe woorden komen. Bv. lente  zon  natuur  groen  … In een gedicht vind je soms ook alliteraties of beginrijmen. Dat zijn woorden met dezelfde beginklanken. Bv. vrolijke vrienden

©

In sommige gedichten rijmen de laatste woorden van een vers met elkaar. Dat noem je een eindrijm.

waarheen

Je kunt: • • • •

enkele kenmerken van poëzie opsommen; je eigen leeservaringen verwoorden; je waardering uitspreken over enkele gedichten; je eigen inspiratie aanboren om een eenvoudig gedicht te schrijven.

LES 4 Hocus, pocus, poëzie

263


Verleid met woorden Breng poëzie in de klas. Nodig leerlingen, leraren, ouders uit om te komen kijken en te genieten van een vleugje magie.

Oriënteren

o

v

u

r

1 Welke teksten zul je schrijven?

3 Voor welk publiek zul je iets maken?

Voorbereiden

o

v

u

r

IN

2 Wat is het tekstdoel?

4 Werk in groepjes van drie of vier. Elk groepje schrijft drie of vier gedichten. Daarbij gebruik je één of meer technieken. Kies zelf met welke techniek je begint. Ben je klaar? Dan probeer je een andere techniek. Hoe moeilijker, hoe meer sterren bij de techniek opgenomen zijn.

Uitvoeren

N

Benodigdheden per groepje: enkele balpennen en potloden, een gom, kladpapier en een krant.

o

v

u

r

VA

5 De verschillende technieken staan op diddit.

Reflecteren

o

v

u

r

6 Welke techniek lag jou het meest?

7 Welke techniek vond je erg moeilijk?

©

8 Van welk gedicht ben je het meest tevreden?

264

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 5 Verleiden


9 Noteer dat gedicht hier.

IN

N

VA

10 Lees de gedichten van de andere groepen.

Voor welk gedicht van een ander groepje druk jij op de gouden buzzer?

©

Waarom krijgt dat gedicht jouw voorkeur?

In orde Je traject naar succes

jij

je klasgenoot

Je hebt minstens drie gedichten gemaakt.

1234

1234

Je hebt elke techniek juist toegepast.

1234

1234

Je werk ziet er netjes uit.

1234

1234

Je gedichten zijn creatief en origineel.

1234

1234

Werkpuntje voor jezelf:

LES 4 Hocus, pocus, poëzie

265


les

5

Ik nodig je uit uitnodiging opbouwen: w-vragen

kenmerken en doel van overtuigende tekst geven

aantrekkelijke uitnodiging SCHRIJVEN

1

Wat is een goede uitnodiging? OPDRACHT 1

Onderzoek de uitnodiging.

IN

KENMERKEN VAN EEN UITNODIGING toelichten

Werk per twee. Beantwoord de vragen mondeling en ga aan de slag met de voorbeelduitnodigingen die je zelf meebracht. Heb je zelf geen uitnodiging meegebracht? Dan kijk je naar de uitnodigingen op diddit. 1 Voor welke gelegenheid heb je zelf al eens een uitnodiging ontvangen? 2 Voor welke gelegenheid heb je zelf al een uitnodiging gemaakt?

N

3 Wat is het doel (tekstdoel) van een uitnodiging?

4 Via welke kanalen kun je een uitnodiging aan de ontvanger bezorgen?

VA

5 Kies een voorbeelduitnodiging. Bekijk de voorbeelden aandachtig en beantwoord de vragen in de tabel. vragen

Voor welke gelegenheid is dit een uitnodiging?

Voor wie is de uitnodiging bedoeld? (doelpubliek)

©

Op welke vragen geeft de uitnodiging nog een antwoord? Noteer het vraagwoord en het bijbehorende antwoord.

Is de informatie op de uitnodiging correct of niet correct?  Onderzoek ook of je spelfouten of slecht gebouwde zinnen kunt vinden. Is de informatie op de uitnodiging gepast?  Onderzoek of de lezer in de je-vorm of de u-vorm aangesproken wordt.  Is de woordkeuze aan het doelpubliek aangepast?

266

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 5 Verleiden

uitnodiging 1

uitnodiging 2


Is de uitnodiging aantrekkelijk?  Wat maakt de uitnodiging aantrekkelijk of net niet aantrekkelijk?  Sluiten de foto's/prenten/kleuren aan bij de gelegenheid?

Zou jij op deze uitnodiging willen ingaan? Waarom wel/niet?

IN

Is de uitnodiging duidelijk?  Begrijp jij alle info? Waarom wel/niet?

wat

Een goede uitnodiging

Een uitnodiging is een tekst/kaart/brief … waarmee je iemand voor een bepaalde gelegenheid uitnodigt.

N

Een uitnodiging heeft meestal twee tekstdoelen: mensen informeren en hen overtuigen. Het hoofddoel is overtuigen. Een uitnodiging richt zich tot een welbepaald publiek. Dat kun je dikwijls afleiden uit de taal (woordkeuze) en het uitzicht (prenten/illustraties).

VA

Een uitnodiging geeft een antwoord op deze vragen. • Wie nodigt uit? / Wie is uitgenodigd? • Waar vindt het feest of evenement plaats? • Wanneer vindt het feest of evenement plaats? • Waarom wordt er gefeest? Wat is de gelegenheid? Wat voor feest of evenement is het? • Wie moet ik verwittigen? Je kunt een uitnodiging overbrengen via verschillende kanalen, bv. post, e-mail, facebook, sms, affiche … Dat is afhankelijk van de gelegenheid en de doelgroep.

©

Een goede uitnodiging voldoet aan een aantal criteria. Ze is: • volledig: alle nodige gegevens worden vermeld. • correct: de informatie is correct; je gebruikt de juiste spelling en een degelijke zinsbouw. • gepast: de woordkeuze is aangepast aan het doelpubliek. • duidelijk: iedereen begrijpt de informatie op je uitnodiging. • aantrekkelijk: de kleuren, prenten, foto’s en lay-out zijn aangepast aan het doelpubliek en de gelegenheid.

waarheen

Je kunt: • • • •

tekstkenmerken, tekstdoel en leesdoel van een overtuigende tekst geven; de kenmerken van een goede uitnodiging opsommen en toelichten; aanwijzen hoe een uitnodiging is opgebouwd; een uitnodiging opstellen voor leeftijdsgenoten.

LES 5 Ik nodig je uit

267


Een verleidelijke uitnodiging maken Ga zelfstandig aan de slag om een volledige, duidelijke en aantrekkelijke uitnodiging te maken.

Oriënteren

o

v

u

r

1 Voor welke gelegenheid maak jij een uitnodiging? Vink aan: een verrassingsfeestje voor de verjaardag van je beste vriend/vriendin een slaapfeestje voor je verjaardag een bioscoopavondje met vrienden/vriendinnen een poëziemoment in onze klas

Voorbereiden

o

v

u

IN

O O O O

r

2 Wat is de bedoeling van jouw uitnodiging?

3 We is je doelpubliek? Wie ga jij uitnodigen?

N

4 Vul alle nodige info aan in de woordspin.

VA

Wie?

Wanneer?

Wat?

mijn uitnodiging

©

268

Waarom? Extra info?

Waar?

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 5 Verleiden


Uitvoeren

o

v

u

r

5 Maak een eerste versie van je uitnodiging op een apart blad.

Reflecteren

o

v

u

r

6 Wissel jouw uitnodiging met die van een klasgenoot. Beoordeel elkaars werk. je klasgenoot

De inhoud is volledig en correct. Je vindt op elke vraag een antwoord: wie, wat, waar, wanneer, waarom.

1234

1234

Het is duidelijk voor wie de uitnodiging bedoeld is.

1234

1234

Je gebruikt de juiste aanspreekvorm (je of u) voor je doelpubliek.

1234

1234

De woorden zijn correct gespeld.

1234

1234

Je hebt voldoende aandacht voor uitzicht en lay-out. De uitnodiging is aantrekkelijk.

1234

1234

IN

jij

N

In orde Je traject naar succes

Werkpuntje voor jezelf:

Werkpuntje voor je klasgenoot:

VA

7 Maak een definitieve versie. Gebruik de uitnodiging vervolgens om leerlingen te overtuigen om naar je feest of je evenement te komen. Succes!

©

g n i g i Uitnod

LES 5 Ik nodig je uit

269


Uitdaging: word reclame-expert Oriënteren

o

v

u

r

1 Observeer reclames. Onderzoek twee reclameboodschappen. Wat zijn succescriteria voor een geslaagde reclame? Beantwoord die vraag in een presentatie. 2 Vertrek met een van de vragenlijsten op diddit. Overloop de vragenlijst en maak afspraken. Probeer een en ander te voorspellen. Iedereen noteert de afspraken.

Voorbereiden

o

v

u

IN

Geef de verzamelde informatie aan elkaar door. Wat uitleg over de reclame zelf kan nodig zijn. Welke reclames onderzoek jij? Markeer de opdracht voor je expertengroep. a buitenreclame: zoek reclame op twee verschillende plaatsen (bushokje, muur van een woning, tram, in het station, langs de (snel)weg …). Noteer de plaats. b reclame in een tijdschrift of krant: kies twee verschillende tijdschriften en/of kranten. c reclame op tv: kies twee verschillende zenders en kijk op twee verschillende tijdstippen. Noteer de zender en het tijdstip. Voor, tijdens of na een programma? Welk programma? d reclame op internet: kies twee verschillende websites. Geef een korte omschrijving van de website: waarover gaat de website? Wie is de zender en wie de doelgroep?

r

Uitvoeren

N

3 Werk als reclame-expert met je vragenlijst. Bekijk vooraf de evaluatiefiche. Voor een algemeen oordeel kun je gebruikmaken van de beoordelingswoorden op diddit.

o

v

u

r

VA

4 Elke groep brengt in een presentatie het antwoord op de vraag over een ‘geslaagde’ reclame’.

Reflecteren

o

v

u

r

5 Hoe verliep het groepswerk? Beoordeling groepswerk

1234

Je werkt constructief mee aan het groepswerk.

1234

Je geeft duidelijk je eigen standpunt weer.

1234

Je luistert goed naar de inbreng van anderen.

1234

Je wisselt duidelijk informatie uit met de andere groepsleden.

1234

©

Je komt goed voorbereid naar het groepswerk. (vragenlijst)

Dit deel is nu afgerond. Bekijk ook de werkpuntjes en de criteria bij elke pitstop of leesstop van dit deel. Vul aan voor jezelf: •

dit gaat vlot:

dit vraagt training:

woord

constructief: opbouwend, vormend, waarmee men iets kan doen

270

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 5 Verleiden


De laatste ronde OPDRACHT 1

Beluister de zes geluiden.

1 Noteer bij elk geluid een diernaam en het werkwoord dat bij het geluid hoort. 2 Vul in het derde vakje de figuurlijke betekenis van het werkwoord in. Bv. geluid: muis – werkwoord: piepen – figuurlijke betekenis: met een zacht en fijn stemmetje spreken geluid

dier

werkwoord

figuurlijke betekenis

1 2

IN

3 4 5 6

3 Zoek naar andere werkwoorden die de klank van het geluid nabootsen of een beweging weergeven. Vul het juiste werkwoord in. a Kinderen vieren op een luidruchtige en drukke wijze feest of tonen hun vrolijkheid. Ze

.

N

b De stormwind        ,        ,        . c De golven slaan tegen het schip. Ze         het schip. d Het water in het beekje        .

e Het water golft zacht of        .

Combineer de cijfers en letters.

VA

OPDRACHT 2

Kies een synoniem of verklaring in de laatste kolom. woord

synoniem en/of verklaring

de kritiek

A

betoveren, in hoge mate boeien

2

joelen

B

geremd in je spreken en doen, bedeesd, verlegen

3

interactief

C

de geul, smal kanaal in strand of schor

4

bekoren

D

beoordeling van iets

5

romantisch

E

grootse, merkwaardige gebeurtenis of happening

6

kabbelen

F

op elkaar inwerkend

7

tieren

G

zachtjes golven

8

timide

H

vreugdevol en luid, uitbundig roepen

9

het evenement

I

dromerig, dweperig

10

de slenk

J

luidruchtig woedend schreeuwen

©

1

1

2

DE LAATSTE RONDE

3

4

5

6

7

8

9

10

271


De laatste ronde OPDRACHT 3

1

Vul in het tekstblokje de ontbrekende woorden aan. Kies het juiste woord uit het kader.

gefrustreerd – ambitie – competitie – kritiek – act

bekijken de toeschouwers de         van de cowboys. De aanhoudende           tussen de twee mannen op hun paarden vindt het publiek maar flauwtjes. Beiden willen ze de beste ruiter zijn. Hun         is bijna te ruiken in de circustent. Na de voorstelling komt er veel           op hun eerzuchtig gedrag. 2

onverschillig – evenement – schuchter – editie – bewering

IN

Het was de eerste         van een hartverwarmend        . Wie had ooit geloofd dat heel

Vlaanderen op het puntje van zijn stoel zou zitten tijdens de live-uitzending op de digitale televisie? Niemand geloofde

die         vooraf. Het optreden van een         meisje liet niemand          . Haar fijne stemmetje vulde elke woonkamer. 3

promotie – man – commercieel – korreltje

Wees op je hoede en neem reclameboodschappen met een          zout. Want           reclame wil je verleiden om een product te kopen. Hoe meer         een product krijgt, hoe sneller           het kopen. Laat je dus niet te snel verleiden en neem alles eens rustig onder

N

de        . Want bedrijven willen absoluut hun product aan de         brengen. 4 romantisch – ontzet – bulken – bekoren

De Brusselse rapper Damso kan me wel         . Hij is mijn lievelingsartiest. Ik draag zelfs een T-shirt van hem! Zijn stijl is eerder rustig en zijn teksten hebben een diepere betekenis. Het zijn geen

VA

rapteksten, er wordt wel wat in gevloekt! Ik houd er niet van als zangers de werkelijkheid mooier maken. Zeg het zoals het is, liedjes          dikwijls van vreselijke liefdespijn. Af en toe voel ik me          bij het beluisteren van een raptekst. 5

weemoedig – constructief – interactief – randanimatie

Tijdens de wielerwedstrijd is er heel wat          in het dorp. De            brengt veel drukte met zich mee. Iedereen werkt            mee aan het opzetten van allerlei activiteiten. Aan de kraampjes halen kleine kinderen hun hart op. Ze vissen eendjes en zoeken de mooiste prijs uit. Veel dorpelingen kijken al uit naar de volgende wielerwedstrijd en nemen          afscheid van elkaar. Ook

©

dit jaar was het weer een supergezellige dag.

Bouw zelf een kort verhaaltje met vijf gekozen woorden uit De laatste ronde. OPDRACHT 4

Speel het spel Zeg geen Ja, Zeg geen Nee: Schooleditie.

Wat heb je nodig? • kaarten met vragen

een zandloper

Hoe werkt het precies? Werk in groepjes van vier leerlingen. Je speelt een leuk gezelschapsspel dat zorgt voor hilarische momenten. • Pak een kaart en lees de vragen zo snel mogelijk voor aan de tegenstander. • Zolang je tegenstander geen ‘ja’ of ‘nee’ zegt, blijft hij in het spel. • De speler die wel met ‘ja of ‘nee’ antwoordt, mag niet meer meedoen. • Wie aan het einde van het spel overblijft, is de winnaar. • De overgebleven leerlingen spelen nu tegen elkaar.

272

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 5 Verleiden


deel 6

VA

N

IN

onderzoeken

1 Bekijk het beeld. Wie zie je? Wat zijn ze aan het doen volgens jou? 2 Hoe zie je dat het de bedoeling is om te leren?

3 Wat heeft de fotograaf ‘centraal’ in beeld gebracht?

©

4 Wat betekent ‘kadrage’? Bespreek het kader waarin de fotograaf hier zijn ‘verhaal’ brengt. 5 Is alles even scherp in beeld gebracht?

273


BAS’ ROTTE ZOMER Sebastiaan Leenaert

10

15

Bas baant zich een weg door het maïsveld. Probeert het geruisloos te doen, maar dat lukt niet. De bladeren schuren en krassen zijn armen 55 en benen. Hoort hij kinderstemmen? Dat toch niet? Bizarre gemuteerde kinderen. Maïsvelden zijn griezelig. Vogelverschrikkers en monsters en sektes. Opnieuw die fantasie van hem. Toch gaat hij recht op de lichtbundel af. Het licht maakt onregelmatige 60 bewegingen, traag en rond. Een zoeklicht, denkt Bas, het is een zoeklicht. Kan niet anders … Even alles op een rijtje zetten. Nuchter. Wat zijn de feiten? Een lichtbundel. ’s Nachts. In een afgelegen gebied. 65 Wat kan ik uit de feiten afleiden? Het komt van mensen. Dieren bedienen geen zoek­ lichten. Misschien is het geen zoeklicht. Misschien is het een signaal, een boodschap. 70 Bas stopt. Of een baken, om gevaar aan te duiden. Hij knipt zijn zaklamp uit. Luistert aandachtig, kijkt schichtig over zijn schouder, naar boven, en dan weer voor zich uit. 75 Het is een lokmiddel. Een val. En ik ben de prooi. De draak klauwt en briest en … Zou ik … Zal ik … Ik ga terug.

Vandaag was het op de koop toe moordend heet. De hitte zit in de nacht. Bas lummelt in zijn onderhemdje in het deurgat van de boerderij. Voor zijn neus scharrelt een late legkip verdwaasd in het grind. Haar laatste wapenfeit voor vandaag. De kerk slaat twaalf keer. Ma en pa slapen al lang. Bas kon niet slapen door de hitte. Hij probeert een boek te lezen. Iets over een tovenaar, over een tovenaarsschool. Saaier dan verwacht eigenlijk. Bas drinkt van zijn waterfles en staart in de donkere verte. Tiktak tiktak.

VA

20

Tractorlichten schijnen niet omhoog! Misschien … Bas’ fantasie slaat op hol. Fragmenten uit films die hij ooit zag: maïsmonsters die dorpen terroriseren, freaky pubers met staalblauwe ogen maken volwassenen af, ufo’s en graancirkels. Bizarre gemuteerde kinderen. En een creepy soundtrack eroverheen. 45 The X-files. Daar heb je de lichtbundel weer! Eropaf! Ik ga op onderzoek! Bas sluipt stil de trap op naar zijn kamer, grijpt zijn zaklamp en steekt een Zwitsers zakmes in zijn 50 schoudertas. Zijn gsm. Foto’s nemen. Bewijsmateriaal vastleggen. Deur toe. Stil de trap naar beneden.

40

IN

5

Bas verveelt zich rot. De zomervakantie is eindeloos. Dagen vol verveling, weken oeverloos uitkijken over de goudgele maïsvelden. Tiktak tiktak. Er beweegt niks. Er is zelfs geen wind die verfrissing kan brengen. De boeren wachten op de oogst, drinken bier op het kerkplein en vertellen over saai en saaist. Als de kerk twaalf uur luidt, strompelen ze lui huiswaarts voor het middagmaal. Dan doen ze een dut. Om vier uur ‘s middags zitten ze opnieuw op het kerkplein en drinken ze meer bier. En maar geeuwen en kletsen. Boeren gaan niet op vakantie. Vakantie? En wie let er op de koebeesten als wij weg zijn? Jij misschien? Geen zomerstrand in Spanje, geen trektochten door de Alpen, zoals Bas’ vrienden uit de stad. Hun moeders zijn advocaten, hun vaders fabriekseigenaars of politici. Bas’ ma en pa zijn boeren. En boeren gaan niet op vakantie. Bas zit op internaat, in de stad, en dat vindt hij best. Maar dat maakt de zomers nog ellendiger. Geen maten hier. Geen 4G-internet, geen bioscoop of shoppingcenter.

N

1

25

30

©

35

En dan verandert er iets. Iets beweegt. Uit de velden stijgt een lichtbundel op. Bas knijpt zijn ogen samen. Wat is dat? De brede lichtstraal tast traag de duistere hemel af. Bizar. Heel vreemd. Maar de lichtbundel is alweer verdwenen. Vast niks, een jongdemente boer die met zijn tractor door de velden crost. Terug naar de Tovenaar. ‘De draak klauwt en briest en …’

274

woord

strompelen: met veel moeite lopen lummelen: zijn tijd verdoen zonder iets degelijks uit te voeren; lanterfanten jongdement: op jonge leeftijd niet goed meer kunnen nadenken en onthouden briesen: brullen, razen terroriseren: geweld uitoefenen, schrik aanjagen muteren: anders worden, veranderen zich een weg banen: doordringen het baken: lichtpunt, merkteken dat richting aangeeft schichtig: schuw, bedeesd, angstig

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 6 Onderzoeken


90

95

140

145

150

VA

100

135

IN

85

130

105

©

110

115

120

125

‘Billie, ja, dat zei hij. En iets over een ster aan de hemel.’ ‘Je moet gedroomd hebben. Dat was het. Een droom.’ ‘Antoon is lang dood. Hij woonde in het oudste huis van het dorp, het huis met de datum boven de deur. Antoon maakte de Grote Oorlog mee, en de ratten, vier jaar in de loopgraven. Hij zat er te lang en werd er gek van verveling.’ ‘Dat was Antoon, die man vannacht?’ ‘Dat kan niet. Antoon is lang dood.’ ‘En Billie? Wie is Billie?’ ‘Antoon is lang dood, Bas, vergeet het.’ En de kerktoren luidt twaalf uur en de boeren strompelen huiswaarts voor het middagmaal, zo snel als ze kunnen. Dan doen ze een dut. Vandaag zullen ze niet meer buiten komen. Maria komt afrekenen. Ze veegt haar handen af aan haar schort. Haar handen zijn nooit vuil. ‘Anderhalve euro, Bas, voor je cola.’ Maria is de cafébazin van het café met het terras op het kerkplein. Sinds jaar en dag. ‘Billie was het zoontje van Antoon’, zegt ze. ‘Zijn zoon?’ Maria knikt. ‘Het was een luchtgevecht boven het maïsveld. Een Duitse piloot stortte neer. Triestig.’ ‘De Duitsers?’ ‘De Tweede Wereldoorlog. We waren bezet. Meneer pastoor vertelde Antoon dat Billie een ster aan de hemel geworden was.’ Maria neemt de euro’s. ‘Hij was aan het spelen in het veld. Zijn lijf helemaal verbrand.’ *** Bas wacht. In de verte slaat de klok twaalf uur. Een zachte wind schuurt de maïsbladeren tegen elkaar. Hij kijkt naar de hemel. De lichtbundel verschijnt. Het licht is zwakker deze nacht. Bas wacht. Dan hoort hij de zwakke stem van Antoon. ‘Sterre aan de hemel. Waar ben je?’ ‘Hier,’ zegt Bas, ‘ik ben hier.’ De maïsplanten wijken opzij en Antoon stapt uit de duisternis, zijn zaklantaarn gericht op Bas’ gezicht. ‘Billie?’ Zijn ogen zijn dof. ‘Hier ben ik,’ zegt Bas opnieuw, ‘ik ben hier.’ Op het gezicht van Antoon verschijnt een glimlach. ‘Je bent oké, Billie, je bent oké.’ Jong licht in zijn ogen.

N

80

Nee. Avontuur. Eindelijk gebeurt er iets in dit godvergeten hol. Misschien sta ik op het punt een megaontdekking te doen. Onderzoek is gevaarlijk. Maar morgen ben ik wereldberoemd. Bas speurt opnieuw de hemel af. Het licht is verdwenen. Verdorie. Nu heb ik te lang gewacht. Mijn kans verkeken. Bas haalt zijn schouders op. Ach, foert. Ik maak mezelf wat wijs … Het was toch niks. Hij knipt zijn zaklamp opnieuw aan, draait zich om en loopt terug richting de boerderij. Dan stopt hij. Hij hoort iets. Een zwakke stem. Ze klinkt verdrietig. Hol. ‘Sterre aan de hemel. Waar ben je?’ Huh? Wat? Bas keert op zijn stappen terug. Waar komt de stem vandaan? Hij duwt de maïsplanten opzij. ‘Sterre? Billie? Waar ben je?’ Op een paar meter van Bas staat een oude man. Bas herkent hem niet. Hij woont niet in het dorp. Hij ziet er honderden jaren oud uit. De man staart Bas aan. Er verschijnt jong licht in zijn ogen. ‘Billie?’ Bas schudt zijn hoofd. ‘Neen. Bas.’ Voorzichtig. Stilletjes. ‘Bas?’ Bas knikt. De ogen van de man vragen nog even verder en worden dan dof. ‘Juist, je zegt het. Juist. Bas. Niet Billie.’ Hij knipt zijn zaklamp aan, richt de krachtige bundel naar de hemel en verdwijnt tussen de maïskolven. Bas blijft verbaasd achter. *** De boeren wachten op de oogst, vertellen over saai en saaist. Tiktak tiktak. Het is nog geen twaalf uur, er is tijd voor meer bier. Bas zat nooit eerder op het terras van het café op het kerkplein. Hij voelt zich onwennig, met zijn cola, in zijn korte broek. ‘Vannacht’, zegt hij, aarzelend, ‘zag ik een man in het maïsveld.’ De boeren kijken op. ‘In het maïsveld? Vannacht? Wat deed ge daar?’ ‘De man zag er superoud uit. Hij dacht dat ik Billie was.’ Open monden. ‘Billie?’ De boeren kijken elkaar aan. Sprakeloos. Ze nemen haastig een slok van hun bier.’ ‘Weet je het zeker, Bas?’ ‘Hij dacht dat jij Billie was?’

155

160

165

170

Beluister het verhaal en maak kennis met de auteur Sebastiaan Leenaert.

275


routeplanner van deel 6 onderzoeken

Klas

Nr.

Bekijk de uitdaging van dit deel aandachtig en word tekstchirurg. Je wordt uitgedaagd om te laten zien hoe goed je een tekst kunt ontleden. De kennis en vaardigheden die daarvoor nodig zijn, kun je op verschillende manieren inoefenen. Verken daarom de lessen van dit deel.

IN

Maak een keuze om enkele of alle lessen van dit deel zelfstandig of klassikaal af te werken. De volgorde van de lessen binnen het deel A en B en het tempo bepaal je zelf. Je start met deel A. In de tabel vind je een voorstel van het aantal lesuren per les. Baseer je daarop. De leraar begeleidt je. De leraar zorgt voor correctiesleutels waar nodig.

Duid in de tabel de volgorde aan van de lessen die je zult afwerken. Kruis aan wat van je leraar mag en wat moet. Duid ook aan welke les zelfstandig en welke les klassikaal wordt gemaakt. Werk voor het groepswerk samen met iemand die (ongeveer) dezelfde volgorde kiest.

N

Zet een teken in de laatste kolom als de les is afgerond. Succes!

JOUW ROUTEPLANNER

lessen

aantal lesuren

Beeld en verhaal: ‘Bas’ rotte zomer’ Verken de uitdaging en de andere lessen + planning

1

Les 1: Zakelijke teksten onder de loep

2

Les 2: Het grote luisterexperiment

2

Les 3: Foutloos spellen

2

Les 4: Op zoek naar een boek

2

moet

VA

A

volgorde

©

B

Uitdaging: Word tekstchirurg

1-2

De laatste ronde

0,5 - 1

totaal

276

10,5 - 12

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 6 Onderzoeken

mag

zelfstandig

klassikaal

afgerond


les

Zakelijke teksten onder de loep

1

tekstdelen rangschikken

kernzin en HOOFDGEDACHTE aangeven

GETUIGENVERSLAG GEVEN

1

Logisch gerangschikt? OPDRACHT 1

Zoek de volgorde.

Geloof jij in buitenaards leven?

IN

alinea’s en verbanden AANDUIDEN

1 Lees zin a. Kun je een krantenbericht daarmee beginnen? JA / NEE 2 Lees zin f. Kun je het bericht daarmee eindigen? JA / NEE

N

Bestaat buitenaards leven? a Ook als maar een klein deel van die planeten gunstige omstandigheden heeft, is het mogelijke aantal bewoonbare planeten erg groot. b Tot nu toe hebben wetenschappers alleen leven op aarde gevonden. c Velen zijn er echter van overtuigd dat er ook elders leven moet zijn.

VA

d Alleen al in ons sterrenstelsel zijn er honderden miljarden sterren, waarvan er vele planeten hebben. e De vraag of buitenaards leven bestaat, is dus grotendeels afhankelijk van hoe makkelijk of moeilijk het is om leven te beginnen. f

Want het universum is enorm groot en het leven dat wij kennen, kan onder zeer afwisselende omstandigheden gedijen.

R. Dinwiddie. Hapklare wetenschap. Baarn, Tirion Natuur

3 Zoek de eerste zin. Welke zin geeft een algemeen antwoord op de vraag of er buitenaards leven bestaat?

4 Zoek de laatste zin. Welke zin bevat een besluit?

©

5 Markeer in de overgebleven zinnen woorden of woordgroepen die je de logische volgorde van de zinnen ‘verklappen’. Zulke woorden die alinea’s of zinnen met elkaar verbinden, noem je signaalwoorden.

6 Herstel nu de volgorde van de zinnen. Noteer ze in de tabel. 7 Alle zes de zinnen horen bij elkaar en vormen één blokje tekst. Hoe kun je dat aan de lezer duidelijk maken?

8 Hoe wordt zo’n blokje tekst genoemd?

woord

gunstig: positief, goed, voordelig het universum: het heelal, de ruimte gedijen: goed groeien, makkelijk overleven, bloeien

LES 1 Zakelijke teksten onder de loep

277


OPDRACHT 2

Zoek opnieuw de juiste volgorde.

Middernachtzon a Beide duren zes maanden. b Dat is de middernachtzon. c Nergens op aarde zit er zo’n verschil tussen de seizoenen. d De Noordpool en de Zuidpool kennen maar twee seizoenen, zomer en winter. e In die periode, midden in de zomer, zijn er dagen dat de zon 24 uur achter elkaar schijnt. Na zes maanden waarin de zon nooit tevoorschijn komt, volgt een periode van zes maanden daglicht.

R. Dinwiddie. Hapklare wetenschap. Baarn, Tirion Natuur

1 Met welke zin kan het bericht beginnen? 2 Met welke zin kan het eindigen?

IN

f

3 Markeer in de overgebleven zinnen de woorden die verwijzen naar al eerder genoemde woorden of zinnen. Zulke woorden noem je verwijswoorden.

N

4 Herstel nu de volgorde van de zinnen. Noteer de volgorde in de tabel. Lees daarna eens hardop.

wat

Alinea’s en kernzinnen

VA

De tekstdelen noem je alinea’s. Een tekst bestaat meestal uit verschillende alinea’s. Korte teksten, zoals een nieuwsbericht, kunnen ook uit slechts één alinea bestaan. Alinea’s hebben een bepaalde opbouw. Ze bestaan uit de kerngedachte (of kernzin) en een uitleg of uitwerking ervan. De kernzin van de alinea bevat de hoofdgedachte. Meestal is de eerste of de tweede zin van de alinea de kernzin. Soms is het de laatste zin. Alinea’s worden met elkaar verbonden door verwijswoorden en signaalwoorden. Verwijswoorden verwijzen terug naar iets wat al genoemd is, of wijzen vooruit naar iets wat kort erna komt. Ze voorkomen dat dezelfde woorden herhaald worden.

©

Signaalwoorden geven een signaal dat er een bepaald verband bestaat tussen zinnen of delen van zinnen, maar ook tussen alinea’s.

Een alinea Zo kun je een alinea herkennen: • er is één kerngedachte of kernzin per alinea; • die kerngedachte staat voor- of achteraan in een alinea; • dikwijls is er een witregel (blanco tekstregel) tussen twee alinea’s; • soms springt de eerste regel in; • de laatste regel is meestal niet helemaal volgeschreven.

278

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 6 Onderzoeken

hoe


OPDRACHT 3

Onderzoek de alinea’s.

1 Hoeveel planeten kun jij opsommen? Bekijk de tekst. Nieuwe planeten ontdekt

IN

A In totaal ontdekten de wetenschappers zeven planeten. En daar is iets bijzonders aan. ‘Ze zijn alle zeven aardeachtig’, zeggen ze. ‘Precies zusjes van onze aarde.’ Drie van de zeven planeten bevinden zich op een goede afstand van de dwergster. Dat wil zeggen dat ze niet te ver staan. Want dan is het te koud en zal het aanwezige water in ijs veranderen. Ze staan ook niet te dicht. Want dan is het te heet en verdampt het water. Er kan dus vloeibaar water aanwezig zijn. Dat is een voorwaarde voor buitenaards leven. Denk daarbij wel niet meteen aan groene wezens. Buitenaards leven kan ook betekenen dat er heel kleine organismen zijn, zoals bacteriën. De planeten zullen nu nog verder worden bestudeerd. B In 2015 ontdekte het team een dwergster. Dat is een ster die niet zo veel licht uitstraalt. Een dwergster is ongeveer tien keer kleiner dan de zon en duizend keer zwakker. De ster kreeg de naam Trappist-1. Dat is een soort bier dat in België erg populair is. Het team vond het grappig om de ster daarnaar te vernoemen. Rond de ster Trappist-1 zweven een aantal planeten. Die heeft het team twee jaar lang bestudeerd.

N

C Wetenschappers ontdekten onlangs zeven nieuwe planeten. Die zijn ongeveer zo groot als de aarde. Een internationaal team van wetenschappers deed de ontdekking. Aan het hoofd van dat team staat een Belg. Zijn naam is Michaël Gillon. Hij speurt de hemel af met een telescoop. Die bevindt zich in een woestijnachtig gebied in Chili. Daar is het namelijk 300 nachten per jaar helder. In België is dat maar twee nachten per jaar. De telescoop wordt wel bestuurd vanuit Luik. Naar: ‘Nieuwe planeten ontdekt’, Kits online, www.kits.be

VA

2 Ga aan de slag met deze opdrachten en vragen.

a Lees de eerste zin van de drie alinea’s. Waarom kan alinea A niet de eerste alinea zijn?

b Wat staat meestal vermeld in de eerste alinea van een zakelijke tekst?

c In welke alinea komt de eerste zin daarvoor in aanmerking?

d Zet de alinea’s in de juiste volgorde.

©

e Lees de tekst aandachtig (intensief lezen). Zijn de uitspraken juist of fout? Zeg waarom ze fout zijn. A Het team van onze landgenoot Michaël Gillon ontdekte zeven nieuwe planeten.

B Een van de planeten is vernoemd naar een populair Belgisch bier. C Op drie van de zeven planeten is buitenaards leven mogelijk.

LES 1 Zakelijke teksten onder de loep

279


D Elk van de zeven ontdekte planeten lijkt qua omvang op onze aarde. E Op elk van de zeven ontdekte planeten is buitenaards leven mogelijk.

wat Zakelijke tekst Een zakelijke tekst heeft een vaste opbouw.

IN

Die bestaat uit een inleiding met het hoofdonderwerp of centrale thema.

In de volgende alinea’s (het midden) wordt dat hoofdonderwerp uitgewerkt. De alinea's zijn met elkaar verbonden door signaalwoorden. Die signaalwoorden verraden dikwijls de structuur van een tekst. Ze duiden bijvoorbeeld een logische volgorde of oorzaken en gevolgen aan.

2

In verband met … OPDRACHT 4

N

In de laatste alinea, die je het slot noemt, wordt meestal het hoofdonderwerp herhaald of je leest er een besluit of een goede raad.

Ontdek de verbanden.

Als je de informatie uit een langere tekst wilt onthouden, probeer dan na een bepaald deel voor jezelf samen te vatten wat je las. Herhaal dat voor de verschillende delen.

VA

Zou jij je aanmelden voor een ‘one-way ticket’ naar Mars?

tip

1 Lees de tekst.

Wat doet 340 dagen in de ruimte met je lichaam?

©

5

Een Amerikaanse en een Russische astronaut zijn veilig teruggekeerd naar de aarde. Bijna een jaar verbleven ze in het ruimtestation ISS voor een experiment: wat gebeurt er met je lichaam als je zo lang in de ruimte verblijft? Eén ding hielden beide heren er alvast aan over: een dikker hoofd.

10

15

280

Experiment 340 dagen brachten de Amerikaanse astronaut Scott Kelly en de Russische kosmonaut Michail Kornijenko door in de ruimte. Bijna een jaar dus. Ze verbleven in het internationaal ruimtestation ISS, dat al sinds 1998 baantjes rond de aarde draait. Normaal gezien blijven astronauten niet zo lang in de ruimte, maar Kelly en Kornijenko deden een experiment: nagaan welke impact het menselijk lichaam door een lang verblijf in de ruimte moet ondergaan. Wetenschappers willen dat heel graag weten.

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 6 Onderzoeken

© NASA / Robert Markowitz

1


30

35

40

Dikker hoofd Als evenwichtsexpert zal Wuyts de Russische kosmonaut de volgende maanden onderzoeken. ‘In de ruimte is er geen boven of onder, je evenwichtsstelsel gaat minder goed functioneren. Daardoor krijg je onder andere minder goede oogreflexen. Er gaat ook meer water naar je hoofd. Daarom krijgen astronauten vaak een dikker hoofd in de ruimte.’ Intussen heeft Kelly alweer zijn normale lengte, maar of hij voor de rest weer de oude is? ‘Na zes maanden in de ruimte heb je een week nodig om te recupereren’, aldus Wuyts. ‘Kelly en Kornijenko waren echter langer weg. Nog even afwachten dus.’ Naar Mars Waarom is het zo belangrijk te weten wat de ruimte met ons lichaam doet? Dat heeft alles te maken met toekomstige ruimtereizen. Tot nu toe reisden ruimtevaarders niet verder dan onze maan. Die trip duurt – heen en terug – zes dagen. Maar tegen 2026 willen we ook naar Mars en die reis kan jaren duren. De eerste kolonisten moeten dan in vorm blijven en mogen ook niet verslappen, want op Mars staat er niemand klaar om hen te dragen …

VA

45

Vier centimeter gegroeid De resultaten van het onderzoek kennen we pas over twee maanden, maar sommige effecten zijn nu al zichtbaar. Zo konden Kelly en Kornijenko na de landing niet staan of lopen; men moest hen wegdragen. Kelly was ook bijna vier centimeter gegroeid. ‘Een ruimtereis brengt heel ons systeem in de war’, vertelt Floris Wuyts, professor Fysica aan de Universiteit Antwerpen. ‘Het begint al bij staan en lopen. Dat kun je in de ruimte niet, je zweeft voortdurend. Daardoor verzwakken de spieren in je benen. Je botten worden bovendien minder sterk: er komen gaatjes in en je verliest botkalk, iets wat men osteoporose noemt.’

IN

25

N

20

Tweelingbroer Een belangrijke figuur in het onderzoek was Mark Kelly, de identieke tweelingbroer van Scott, die op de aarde bleef. Omdat tweelingen bijna perfect op elkaar gelijken, onderzochten de wetenschappers beide broers ook op identieke wijze. Ze analyseerden hun bloed en urine bijvoorbeeld en namen regelmatig tests af. Nu kunnen ze vergelijken. ‘We hebben altijd gedacht dat je sneller ouder wordt in de ruimte’, leggen de onderzoekers uit. ‘We willen dat nu ook bewijzen.’

50

55

©

Naar: J. De Bodt. ‘Wat gebeurt er met je lichaam na 340 dagen in de ruimte?’, Het Nieuwsblad, www.nieuwsblad.be

woord

identiek: dezelfde, gelijk analyseren: onderzoeken, ontleden de osteoporose: snellere afbraak dan aanmaak van bot (bv. bij ouder worden), waardoor de botten broos worden en de kans op breuken stijgt functioneren: werken de kolonist: wie als een van de eersten een bepaald gebied betreedt

LES 1 Zakelijke teksten onder de loep

281


2 Zoek een synoniem in de tekst. Welk woord gebruikt de schrijver? a Kelly en Kornijenko deden een experiment: nagaan welke inwerking het menselijke lichaam door een lang verblijf in de ruimte moet ondergaan. im b De wetenschappers onderzochten beide broers ook op dezelfde wijze. i c Na zes maanden in de ruimte heb je een week nodig om te herstellen. re

Kies uit: reden – tegenstelling – oorzaak

IN

3 Lees deze zinnen opnieuw. Zoek de juiste verbanden tussen de woorden, tussen de delen van een zin of tussen zinnen.

a Normaal gezien blijven astronauten niet zo lang in de ruimte, maar Kelly en Kornijenko deden een experiment.

b Het begint al bij staan en lopen. Dat kun je in de ruimte niet, je zweeft voortdurend. Daardoor krijg je onder meer minder goede oogreflexen.

N

c Omdat tweelingen bijna perfect op elkaar gelijken, onderzochten de wetenschappers beide broers ook op identieke wijze.

VA

wat

Signaalwoorden

Tegenstelling of verschil Als je wilt zeggen dat twee dingen verschillend zijn, kun je dat doen met een tegenstelling of verschil. In een tekst staan dikwijls tegenstellingen of verschillen. Je kunt dat zien aan deze signaalwoorden: maar, toch, hoewel, ondanks, echter, niet, in tegenstelling tot en het tegenovergestelde.

Een oorzaak-gevolg of reden-gevolg In een tekst kun je aangeven dat er iets gebeurt (gevolg) en waardoor dat gebeurt of waarom dat gebeurt (oorzaak of reden).

©

In een tekst staan dikwijls zinnen met een oorzaak/reden en gevolg. Je kunt dat zien aan deze signaalwoorden: omdat, doordat, door, want, daarom, hierdoor, daardoor, namelijk en zodat. Bv. Het is al weken aan het regenen. Daardoor is de rivier buiten haar oevers getreden. Oorzaak: Het is al weken aan het regenen. Gevolg: De rivier is buiten haar oevers getreden. g Aan het woord 'daardoor' kun je zien dat het om een oorzaak en gevolg gaat. Bv. Sien is dolgelukkig, omdat ze voor de Blind Auditions geselecteerd is. Reden: Ze is voor de Blind Auditions geselecteerd. Gevolg: Sien is dolgelukkig. g Aan het woord 'omdat' kun je zien dat het om een reden en gevolg gaat.

282

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 6 Onderzoeken


4 De gemarkeerde woorden verwijzen naar een woord, woordgroep of zin. Schrijf onder de zin wat het verwijswoord aanduidt. a Bijna een jaar bleven ze in het ruimtestation ISS. (r. 2-3) b We willen dat nu ook bewijzen. (r. 23) c Het begint al bij staan en lopen. (r. 27-28)

+

IN

d Wetenschappers willen dat heel graag weten. (r. 16-17) e Ze analyseerden hun bloed en urine. (r. 21) f

Dat kun je in de ruimte niet, je zweeft voortdurend. (r. 32)

N

g Op Mars staat niemand klaar om hen te dragen … (r. 55-56)

VA

waarheen

Je kunt: •

©

• • • •

verbanden aanduiden tussen woorden, tussen delen van een zin, tussen zinnen en tussen alinea’s; informatie onthouden; deeltjes van een tekst tussendoor samenvatten; zinnen van een tekst logisch rangschikken; alinea’s van een tekst logisch rangschikken.

LES 1 Zakelijke teksten onder de loep

283


Je bent een belangrijke getuige Oriënteren

o

v

u

r

Je bent getuige bij een van de situaties op de foto’s. Vertel. 1 Bekijk de foto’s. Welke foto trekt je aandacht? Kies een foto om mee verder te werken.

N

IN

2 Wat zou er gebeurd kunnen zijn? Waar zou het gebeurd kunnen zijn?

Voorbereiden

o

v

u

r

3 Bedenk waarom of waardoor het gebeurd kan zijn. Of bedenk wat het gevolg kan zijn. Formuleer een zin met een passend signaalwoord. Werk op een apart blad.

VA

4 Stel dat je getuige was van de gebeurtenis. Welke vragen verwacht je dan van een reporter die je interviewt? Schrijf er minstens drie op.

Uitvoeren

o

v

u

r

5 De leraar projecteert de foto. Een medeleerling interviewt je als getuige. Jij vertelt wat je hebt gezien en gehoord. Kies een emotie (bv. woedend, zenuwachtig, angstig, geschokt …) waarin je jouw verslag brengt.

©

Reflecteren

o

v

u

r

6 Hoe ging het? In orde Je traject naar succes

jij

je klasgenoot

Je vertelt een oorzaak, reden of gevolg.

ja/nee

ja/nee

Je geeft randinformatie over de gebeurtenis.

1234

1234

Je getuigt in de gekozen emotie.

1234

1234

Je getuigenis komt geloofwaardig over.

1234

1234

Werkpuntje voor jezelf:

284

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 6 Onderzoeken


les

Het grote luisterexperiment

2

gericht luisteren en kijken

luisteren en kijken met voorkennis noteren TIJDENS HET LUISTEREN

Is voorkennis een voordeel?

INFORMATIE ONTHOUDEN

IN

1

VERTELLEN ALS EEN professor

Je kunt je afvragen of je beter en gerichter kunt luisteren als je al iets weet over het onderwerp van de tekst. Als je vooraf meer weet, zou je dan op een betere manier luisteren en onthouden? OPDRACHT 1

Bereid de luisteropdracht voor. Luister naar een fragment over het voetbal.

1 Bepaal eerst tot welke groep voetballers jij behoort: de fervente voetballer, de occasionele voetballer of de niet-voetballer. Beantwoord de vragen.

N

a Ben je supporter van een voetbalclub?  ja (1 punt) –  nee (0 punten)

b Hoeveel soorten spelers (op het veld) kun je opsommen?  > 4 (3 punten) –  3 (2 punten) –  < 3 (1 punt)

VA

c Vanaf hoeveel meter van de doellijn wordt een strafschop of penalty genomen? (juist = 1 punt)

Naar Clive Gifford, GOAL! Alles over voetbal

d Wat is een hattrick? (juist = 1 punt)

e Wat is buitenspel? Omschrijf of teken het. (juist = 1 punt)

©

2 Wat verwacht je? Welke groep zal het meest van het luisterfragment begrijpen en onthouden? Formuleer een hypothese. Ik verwacht dat

woord

fervent: enthousiast, fanatiek, geestdriftig, gepassioneerd, ijverig, vurig occasioneel: toevallig, af en toe, bij gelegenheid de hypothese: een aanname, veronderstelling die je wilt bewijzen

LES 2 Het grote luisterexperiment

285


OPDRACHT 2

Luister naar het fragment.

Het fragment heet ‘De spelers in een 4-4-2’ uit het boek GOAL! Alles over voetbal van Clive Gifford. Na een tweede luisterbeurt stellen de leerlingen zich op in een 4-4-2. De elfde speler staat in het doel. Voor het luisteren Welke aanpak (luisterstrategie) zul je toepassen? Markeer.

Tijdens het luisteren a Luister geconcentreerd. Laat je niet afleiden.

IN

oriënterend – globaal – zoekend – intensief – studerend – kritisch luisteren

b Denk mee. Noteer de eerste keer sleutelwoorden (= woorden die volgens jou belangrijk zijn) op een kladblad. c Controleer en vul aan bij een tweede luisterbeurt. Na het luisteren

N

Controleer of voorkennis een rol speelt. 1 Markeer de groep waartoe jij behoort. Bereken je score op opdracht 1. FERVENTE VOETBALLER Je bent een kenner.

6 punten of meer

meer dan 2, maar minder dan 6 punten

VA

opdracht 1

OCCASIONELE VOETBALLER Je weet iets van voetballen.

NIET-VOETBALLER Je weet nog niet zo veel van voetballen. 2 punten of minder

aantal klasgenoten per groep

gemiddelde score op de controleopdracht

2 Hoeveel klasgenoten zitten er in elke groep? Noteer het in de tabel. 3 Wat is de gemiddelde score op de controleopdracht per groep? Noteer in de tabel.

4 Was je hypothese juist? Wat kun je besluiten?

©

hoe

De invloed van voorkennis op luisteren Als je al iets weet over het onderwerp, betekent dat dat je over enkele ‘kapstokken’ beschikt waaraan je gemakkelijk nieuwe voorkennis kunt haken. Anders gezegd, voorkennis zorgt dat je je werkgeheugen minder belast, waardoor je je beter kunt concentreren en nieuwe informatie kunt vasthouden. Voorkennis is zonder twijfel een voordeel. Dat wil niet zeggen dat je niet kunt luisteren zonder voorkennis. Je zult zonder voorkennis (of met weinig voorkennis) geconcentreerder moeten luisteren om de informatie te onthouden.

286

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 6 Onderzoeken


OPDRACHT 3

Heb je de boodschap begrepen?

a Wat heb je juist geschetst? (4 punten)  middellijn  middenstip  penaltystip  doellijn b Heb je de keeper (positie) juist? (1 punt)  ja  nee c Heb je de verdedigers juist opgesteld? (1 punt)  ja  nee

N

d Heb je de middenvelders juist opgesteld? (1 punt)  ja  nee

IN

Maak de controleopdracht. Gebruik je notities. Schets een voetbalveld. Teken zeker de middellijn, de middenstip, de middencirkel en de penaltystip. Teken hoe een 4-4-2-opstelling eruitziet. Zorg dat je ploeg scoort in doel A. Gebruik je notities.

e Heb je de spitsen juist opgesteld? (1 punt)  ja  nee

VA

Totaal:    / 8

hoe

De invloed van noteren tijdens het luisteren

Je onthoudt informatie beter als je noteert: je behoudt je focus en blijft beter geconcentreerd. Noteren helpt je ook om de structuur te ontdekken. Als je sleutelwoorden noteert, onthoud je bovendien makkelijker de kern van de boodschap.

©

Om sneller te noteren kun je afkortingen gebruiken.

2

Luisteren en kijken met een voorsprong OPDRACHT 4

Ga aan de slag met onderzoeksvragen.

tip Denk na over hoe je snel en duidelijk notities kunt nemen.

Je kunt je afvragen of je anders luistert en kijkt als je weet waarop je moet letten. 1 Formuleer nu zelf een onderzoeksvraag. 2 Wat is je hypothese? Ik verwacht dat LES 2 Het grote luisterexperiment

287


Bekijk één keer het filmfragment van de Damiaanactie waarin Ella en Filomena een ziekenhuis in India bezoeken. Ze komen er alles te weten over lepra. De klas wordt in tweeën verdeeld. De ene helft mag de vragen vooraf doornemen, de andere helft niet. Je mag noteren tijdens het luisteren. Voor het luisteren en kijken Welke aanpak (luisterstrategie) zul je toepassen? Markeer.

Tijdens het luisteren en kijken

IN

oriënterend – globaal – zoekend – intensief – studerend – kritisch luisteren

a Luister en kijk geconcentreerd. Laat je niet afleiden.

b Denk mee. Noteer sleutelwoorden op een kladblad en maak woordgroepen waar dat kan.

Na het luisteren en kijken

a Beantwoord de vragen. De leraar geeft je een vragenblad. b Bespreek mondeling.

N

A Welke groep scoort het best? De groep die inzage had in de vragen of de groep die geen inzage had? B Was je hypothese juist? Wat kun je besluiten?

hoe

VA

Gericht luisteren of kijken

Als je vooraf weet wat gevraagd zal worden en als je dus gericht kunt luisteren of kijken, dan heb je als luisteraar een niet te onderschatten voordeel.

©

Richt je aandacht dus op wat je precies wilt weten. g Je hoeft immers enkel aandacht te hebben voor een beperkt stuk informatie, waardoor je werkgeheugen niet overbelast raakt. g Het is makkelijker om je te focussen omdat je weet wat er zal komen. g Lees vooraf aandachtig de vragen en opdrachten.

Je kunt: • • • • •

288

geconcentreerd en gericht luisteren; sleutelwoorden noteren tijdens het luisteren; afkortingen gebruiken om sneller te noteren; informatie onthouden; vertellen of verslag uitbrengen over wat je gehoord hebt.

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 6 Onderzoeken

waarheen


Word je een echte professor of net niet? Kruip in de huid van professor Eustachius en presenteer de bevindingen uit de experimenten in maximaal één minuut. Verwerk er exact één leugen in zodat je medeleerlingen je als nepprofessor kunnen ontmaskeren. De presentatie van de bevindingen gebeurt in duo’s. Hoe pak je dat aan?

Oriënteren

o

v

u

r

IN

1 Waarover moet je als professor vertellen?

2 Hoe gedraagt een typische professor zich? 3 Wat moet je als luisteraar doen?

Voorbereiden

o

v

u

r

4 Selecteer enkele bevindingen of besluiten van het grote luisterexperiment. 5 Verzin één leugen.

VA

N

6 Noteer op een kladblad de tekst van je presentatie en noteer de uiteindelijk versie hier. Je notities moeten geen volledige zinnen zijn.

©

7 Oefen een paar keer hardop wat je zult zeggen. Let op vlotheid en overtuigingskracht.

LES 2 Het grote luisterexperiment

289


Uitvoeren

o

v

u

r

8 Als professor: vertel je klasgenoot over de resultaten van het grote luisterexperiment. Als aandachtig luisteraar: zoek de leugen. Wie is de snoodaard?

Reflecteren

o

v

u

r

9 Hoe ging het?

Hij presenteert overtuigend.

IN

Beoordeel de mondelinge presentatie van de professor.

1234

Hij presenteert de bevindingen van het grote luisterexperiment correct en volledig. Beoordeel je eigen luisterwerk. Je concentreert je tijdens de presentaties.

1234

ja

nee

©

VA

N

Je vindt de leugen.

1234

woord

de snoodaard: een boef, een bedrieger

290

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 6 Onderzoeken


les

31

Foutloos spellen lange, korte en andere klanken correct spellen sprintdictee MAKEN

Schrijf je wat je hoort? Hoor je wat je schrijft? OPDRACHT 1

IN

1

Luister naar de tien reeksen van woorden.

1 In elke reeks ontbreekt het laatste woord. Vul de reeks aan terwijl je luistert. Denk goed na over de spelling. cel

cirkel

carnaval

reeks 2

kwartaal

quiz

kwartel

reeks 3

karamel

kanarie

kantine

reeks 4

café

diner

logé

reeks 5

bikini

lelie

spinazie

VA

N

reeks 1

reeks 6

gefascineerd

lieverd

automaat

reeks 7

niveau

bureau

gitaarsolo

reeks 8

roem

boerka

boerderij

reeks 9

koud

wenkbrauw

dauw

fantasie

politie

reeks 10 conditie

©

a In elke reeks zit een vreemde eend in de bijt. Onderstreep het woord dat niet in het rijtje past. b Licht mondeling toe waarom. c Wat kun je besluiten? Je schrijft niet altijd wat je           en je hoort niet altijd wat je          . Klanken die je op               uitspreekt, worden soms anders geschreven (café, diner). uitspreekt, worden soms met

Klanken die je op dezelfde letter geschreven (cirkel, carnaval).

woord

een vreemde eend in de bijt: een vreemde tussen allemaal bekenden de bijt: een onbevroren plek in het ijs

LES 3 Foutloos spellen

291


wat Klanken en letters Zinnen bouw je met woorden. Die zijn op hun beurt samengesteld uit klinkers en medeklinkers die je uitspreekt als klanken. Wat je hoort, is een klank. Wat je ziet en schrijft, is een letter. Er zijn twee soorten letters: 1 klinkers: a, e, i, o, u + y 2 medeklinkers Je schrijft niet altijd wat je hoort!

+

IN

Ons alfabet bestaat uit 26 letters. Het woord 'alfabet' komt van de eerste en de tweede letter uit het Griekse alfabet: alfa en bèta.

2 Maak zelf een goede zin van minstens acht woorden waarin je het woord correct gebruikt. Bv. gefascineerd: Mijn vader is gefascineerd door alles wat met ruimtevaart te maken heeft.

b boerka:

VA

N

a trend:

2

Korte en lange klanken OPDRACHT 2

Vul de zinnen aan met een woord uit opdracht 1.

1 Een groep van vier muzikanten noem je een …

.

2 Een ander woord voor een vervolgserie op tv is een …

.

©

3 Mijn vader is … door alles wat met Ierland te maken heeft. Mij zegt het weinig.

4 Ik ga tweemaal per week sporten om mijn … op peil te houden.

5 Die koekjes met een laagje … zijn overheerlijk!

6 Door de opwarming van de aarde is het … van de zeespiegel alweer gestegen.

292

7 Zal ik een badpak aantrekken of toch maar mijn …?

8 Ken jij het verschil tussen een lunch en een …? Lunchen doe je ’s middags, dineren doe je ’s avonds.

9 Aalst staat bekend om zijn … en ‘voil jeanetten’.

10 In onze gerenoveerde B&B kunnen we nu zes … ontvangen.

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 6 Onderzoeken


OPDRACHT 3

Lees de zin uit het opstel van een leerling.

2 Toch is er iets fout gelopen. Wat? Verbeter maar.

IN

1 Kun je de boodschap begrijpen?

3 Onderzoek hoe je korte en lange klanken correct spelt. Bespreek samen. a Lees het fragment uit FC De Kampioenen op p. 294.

b Zoek in het fragment minstens één voorbeeld voor elke rij. Schrijf de woorden op de juiste plaats en accentueer de klank. korte klank

N

zitten,

binnen een woord lange klank enkel geschreven op het einde van een woord binnen een woord

choco,

boodschappen,

VA

lange klank dubbel geschreven

praten,

andere klank

op het einde van een woord

thee,

klinkt als twee klanken bij, na elkaar (tweeklank) klinkt dof

we,

4 Wat gebeurt er met de medeklinker bij een korte klank?

©

5 Wanneer wordt een lange klank enkel geschreven binnen een woord?

6 Hoe wordt een lange klank op het einde van een woord geschreven?

woord

accentueren: markeren, onderstrepen, beklemtonen

LES 3 Foutloos spellen

293


IN N VA

© H. Leemans. FC De Kampioenen – De Trouwpartij. Antwerpen, WPG Uitgevers

294

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 6 Onderzoeken


hoe Verdubbelen, verenkelen of gewoon schrijven Zo moet je verdubbelen (bv. vissen). Hak het woord in klankgroepen. Klankgroep = wat je hoort als je een woord in stukjes zegt. Bv. m(o)/der – p(o)/ten Pas de regel toe op de laatste klank van elke klankgroep. Hoor je op het einde van de klankgroep een korte klank? Schrijf dan één klinker en twee medeklinkers. Bv. modder

Zo moet je verenkelen (bv. apen). Hak het woord in klankgroepen.

IN

Dus: Ik luister naar het einde van de klankgroep. g Ik hoor een korte klank. g Ik schrijf één klinker en twee medeklinkers. Bv. potten

Pas de regel toe op de laatste klank van elke klankgroep. Hoor je op het einde van de klankgroep een lange klank? Schrijf dan één klinker en één medeklinker. Bv. dr(oo)/men g dromen

N

Dus: Ik luister naar het einde van de klankgroep. g Ik hoor een lange klank. g Ik schrijf één klinker en één medeklinker. Bv. p(oo)/ten g poten Zo schrijf je gewoon. Hak het woord in klankgroepen.

VA

Pas de regel toe op de laatste klank van elke klankgroep. Hoor je op het einde van de klankgroep een andere klank? Schrijf het woord dan gewoon. Bv. blijven Dus: Ik luister naar het einde van de klankgroep. g Ik hoor een andere klank. g Ik schrijf gewoon. Bv. flinke boetes.

Moeilijke gevallen:

dubbele ee op het einde van een woord

goochelen, loochenen

dubbele oo voor een ch

sluw, schaduw

enkele u voor een w in gesloten lettergreep

slaatje, parapluutje

dubbele klinker in verkleinwoorden van woorden die eindigen op een ongedekte klinker

©

fee, zeepaard, meenemen

LES 3 Foutloos spellen

295


OPDRACHT 4

Vul in met c/cc, k of s. Rangschik de woorden in de kolommen.

een re ept / een een

omiek /

ent / de Grote O

einen / de ele

eaan / een

triciteit / een

de provin ie Limburg / een halve meter of 50 / een het

irkel / een

ymbool / een

amera / een re lamefolder /

ysteem / een do ent / vijftig kilo ement / entimeter / de bios

oop / een

avia / een

olonie / iemand feli iteren met zijn verjaardag / de sport lub / een inse t / het ollege / dat woord heeft een a

us / een

c klinkt als k

ijfer / een eti

et / een

k klinkt als k

onta on

t/ lusie

s klinkt als s

VA

N

IN

c klinkt als s

ent / het cir

ouvenir

3

Ou of au? Ei of ij? OPDRACHT 5

Vul aan. Schrijf het woord opnieuw in de tweede kolom. 2 Vul in met ij of ei.

r   we aardappelen

kaps   zen

ber   w

uitw   den over iets

f   teuil

pijn l   den

h   weel

openbaar v   len

kl   w

nagelv   l

gustus

rad   sjes

©

1 Vul in met ou of au.

296

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 6 Onderzoeken


Vervolledig de woorden. Schrijf het woord opnieuw in de tweede kolom.

OPDRACHT 6

1 Vul in met een lange ‘oo’-klank.

risic

niv

gitaars  l

shamp

bur

cad

diab  l

g  chelaar

sn  daard

IN

ontg  chelen

2 Vul in met een ‘ie’-klank.

3 Vul in met een lange ‘ee’-klank.

b  k  n

lab  rint

s  steem

kanar   s  mpath  k sp  naz   spaghett

caf

pur

comit

muntth

vuurz

l  lie

jen  ver

pat

VA

anal  se

tw  ling

N

p  ram  de

mach  ne

acn

+

OPDRACHT 7

Schrijf je deze woorden met i, ie of y? Schrijf de woorden volledig in de juiste krantenkop. l

nx

h

pnose

privac

©

Na drie eeuwen is de        opnieuw de grootste kat in Hoge Venen.         ZORGT VOOR EEN PIJNLOZE

! Facebook schendt uw

h

acinten

detect ves

cab

BEVA LLING.

nes

oekers. de         in Hallerbos veel bez eien blo de n kke tro il apr van d ken Het laatste wee

De politie ontvangt steeds meer klachten tegen

.

DE PANNE WIL AUTHENTIEK E         OP HET STRAND BESCHERMEN.

LES 3 Foutloos spellen

297


4

Dezelfde klank, andere betekenis? Ontdek het verschil.

OPDRACHT 8

1 Lees deze woorden hardop. Wat merk je op? verrassen – verassen / rauw – rouw Gebruik elk woord in een zin. Wat merk je op?

+

IN

2 Maak een goede zin met rouw en een goede zin met rauw.

3 Ken je nog een andere betekenis voor recht en verband? Schrijf die onder de afbeeldingen.

VA

+

N

verband:

©

recht:

wat

Homoniem ‘Recht’ en ‘verband’ hebben minstens twee verschillende betekenissen. Andere voorbeelden zijn: licht, kan, haar … Homoniemen zijn woorden die er hetzelfde uitzien of op dezelfde manier worden uitgesproken, maar verschillen in betekenis.

298

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 6 Onderzoeken


OPDRACHT 9

Ga aan de slag met homoniemen.

Gebruik de homoniemen in twee afzonderlijke contexten op een apart blad. Werk telkens met een andere betekenis.

2

bal

1 bank

7 toon

6 kraan

8 kussen

4 blik

5 veer 9 kant

10 niet

Bestudeer deze korte zinnen en ontdek wat ze betekenen.

IN

OPDRACHT 10

3 meter

1 Dat is een hele stapel. Hij is helemaal stapel. stapel:

2 Het is echt een lokaal probleem. Het is echt een probleem om een vrij lokaal te vinden. lokaal:

Welke betekenis hebben de woorden in de zinnen?

N

+

Katten spinnen, ijsberen vissen, gieren vliegen en honden slapen. Spinnen: Vissen:

VA

vliegen:

Katten, spinnen, ijsberen, vissen, gieren, vliegen en honden slapen. Spinnen: Vissen:

Vliegen:

Zoek een extra betekenis en maak er een zin mee. Noteer de zinnen op een kladblaadje. spinnen:

©

vissen (figuurlijk):

vliegen (figuurlijk):

waarheen

Je kunt: • • •

korte, lange en andere klanken correct schrijven; verduidelijken waarom je bepaalde klanken zo schrijft; de betekenis van homoniemen achterhalen.

LES 3 Foutloos spellen

299


Sprintdictee Neem deel aan het sprintdictee en win.

Oriënteren

o

v

u

r

1 Werk per vier. Je vormt twee duo’s die op een grote afstand van elkaar zitten. 2 De leraar geeft elke groep twee reeksen van acht woorden en een invulblad.

IN

3 Het doel is de woorden die de andere groep kreeg op jullie blad te schrijven. Je rent naar de woorden van de andere groep om ze te memoriseren en ze dan weer stilletjes te dicteren aan je partner, die ze in de juiste kolom noteert. 4 Je mag zo vaak teruglopen als je wilt, maar er mag slechts één iemand lopen. 5 Het duo dat als eerste alle reeksen juist heeft, wint.

Voorbereiden

o

v

u

r

Uitvoeren

N

6 Bepaal een tactiek en spreek af.

o

v

u

r

7 Bij het startsignaal mag je beginnen.

VA

8 Loop, memoriseer, dicteer en schrijf.

Reflecteren

o

v

u

r

9 Hoe ging het?

©

In orde Je traject naar succes

jij

je klasgenoot

Je maakt vooraf goede afspraken.

ja / nee

ja / nee

Je onthoudt de woorden.

1234

1234

Je dicteert verstaanbaar.

1234

1234

Je schrijft de woorden correct.

1234

1234

Werkpuntje voor jezelf:

woord

memoriseren: uit het hoofd leren

300

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 6 Onderzoeken


les

4

Op zoek naar een boek

thema bepalen vanuit COVER EN ACHTERPLAT

BOEK CREATIEF presenteren BOEKENWEBSITES vergelijken

1

Jongens en meisjes en boeken OPDRACHT 1

Wat lees jij zoal?

1 Wat kun je zoal lezen door de dag heen?

IN

LEESGEDRAG ONDERZOEKEN

2 Ben je een ‘boekenverslinder’ of eerder een ‘boekenzweter’? Vreet je de lettertjes op of krijg je er hoofdpijn van? a Waaraan denk jij bij ‘een boek lezen’? Vink aan.

verrijkend

gevoelig

spannend

fantasie

aangenaam

informatie

saai

leerzaam

vakantie

gezellig

opwekkend

wereld

einde

verplicht

realiteit

lastig

vervolg

tuin

alleen

regendagje

zon

avontuur

zwembad

geschiedenis

leuk

vermoeiend winter dun

VA

triestig

N

ontspannend

b Onderzoek of er een verschil is tussen waaraan jongens en meisjes denken bij een boek lezen. Welke drie woorden werden door de jongens het meest gemarkeerd? En welke drie door de meisjes? Kruis aan wat het best bij jou past. Onderzoek wat jongens en meisjes het meest aankruisten. aantal meisjes

aantal jongens

 Je leest graag en veel. Hoe meer boeken je kunt verslinden, hoe liever!  Af en toe lees je wel een boek, maar dan het liefst tijdens de vakantie.  Je leest enkel boeken als het moet, maar dan vind je dat wel leuk.

©

 Boeken lezen is voor jou een zware opdracht. Niet tof!

c Hoe verklaar je die gelijkenissen of verschillen?

woord

een boek verslinden: een boek snel en met veel leesplezier lezen

LES 4 Op zoek naar een boek

301


OPDRACHT 2

Waar lees je het liefst?

Hier lees ik het liefst

IN

Schrijf onder elke foto wat je op die plaats het liefst zou willen lezen. Noteer er ook bij waarom je daarvoor precies die plaats verkiest. Wat is de populairste plaats voor de jongens? En voor de meisjes? Hoe verklaar je dat?

Hier lees ik het liefst

Ik kies die plaats omdat

VA

N

Ik kies die plaats omdat

Hier lees ik het liefst

Ik kies die plaats omdat

Ik kies die plaats omdat

©

Hier lees ik het liefst

302

Hier lees ik het liefst

Hier lees ik het liefst

Ik kies die plaats omdat

Ik kies die plaats omdat

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 6 Onderzoeken


2

Welk boek past bij jou? OPDRACHT 3

Zoek een passend boek.

1 Hoe ga je op zoek? Waar zoek je precies? 2 Deze sites bieden je interessante informatie over alles wat met lezen te maken heeft. a Ontdek de verschillende sites. Vergelijk ze met elkaar.

IN

b Geef in de tabel jouw waardering. overzichtelijke site: informatie is snel en vlot te vinden www.boekenzoeker.be

groot aanbod aan allerlei informatie

gericht op jongeren en leuk om te zoeken

aantal sterren

VA

N

www.jeugdbibliotheek.nl

www.pluizuit.be

©

www.ikhaatlezen.be

www.winob.be

LES 4 Op zoek naar een boek

303


OPDRACHT 4

Zoek op de boekenwebsites.

Beantwoord deze vragen. Sommige vragen zijn doordenkertjes! Geef aan op welke site jij het antwoord het makkelijkste vond. Zet een kruisje in de rechterkolom als het ook op een andere site te vinden is. vraag

antwoord

het vlotst gevonden op de site

ook te vinden op de site

Waar ontwaakt de hoofdfiguur Tobias in het boek Vermist? Gideon Samson schreef het boek Eilanddagen. Wie is het hoofdpersonage in dat boek? Bij welke uitgeverij is het boek Jaspers vlinders van Johan Vandevelde uitgegeven?

IN

Wie is de auteur van het boek Roodkontje?

Een keuze maken!

VA

3

N

Wat breekt het meisje in het boek van Astrid Witte?

OPDRACHT 5

Zoek een boek via de sites van opdracht 3.

1 Welke gegevens over je gekozen boek vind je er allemaal op? Vul aan. Welke gegevens zoek je?

Waar zijn die te vinden?

titel

auteur

©

uitgeverij jaar van uitgave

tekst op het achterplat (schrap wat overbodig is): passende lengte / te lang / te kort / te veel informatie / te weinig informatie er wordt te veel / niet te veel verklapt informatie of het boek wel of niet vertaald is ISBN-nummer (= internationaal standaardboeknummer: een unieke, wereldwijd gebruikte standaard voor de identificatie van boeken en aanverwante producten) Andere gegevens die jou opvallen?

2 Lees een paar alinea’s van het begin en van het einde van het boek. Wat kom je al te weten?

304

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 6 Onderzoeken


4

Covers, titels, flapteksten en thema’s Allerlei onderwerpen kunnen in boeken aan bod komen: avontuur, oorlog, liefde, vriendschap, muziek, familieproblemen … OPDRACHT 6

Voorspel de inhoud.

N

IN

1 Waarover denk je dat dit boek zal gaan? Overleg per twee.

VA

R. Ruggenberg. Haaieneiland. Amsterdam, Querido

2 Bekijk de covers en lees het achterplat of de flaptekst aandachtig. a Markeer in de teksten enkele belangrijke woorden die volgens jou met de cover te maken kunnen hebben. b Combineer vervolgens de covers met de passende teksten. c Onder de tekst schrijf je één of meer thema’s die volgens jou in het verhaal voorkomen. d Leg uit waarom je denkt dat dat het thema van het verhaal is.

B Ward woont samen met zijn Venezolaanse moeder in Nederland, maar officieel bestaat hij niet. Ward is namelijk staatloos. Wanneer de politie zijn moeder oppakt en het land uitzet, staat Ward er alleen voor. De enige die hem kan helpen, is zijn Nederlandse vader, dus hij besluit hem te gaan zoeken. Ward leidt een dakloos bestaan en is steeds onderweg, uit angst voor de politie. Gelukkig kan hij zich uitleven in freerunning, alleen dan voelt hij zich even vrij.

©

A De conciërge op Joricks school is vermoord. Uit nieuwsgierigheid gaat Jorick kijken op de plaats van de misdaad, maar dat had hij nooit moeten doen. Nog nooit had hij een dode van zo dichtbij gezien. Een onbezonnen actie waarna de nietszeggende ogen van de dode hem nog lang zullen blijven achtervolgen …

LES 4 Op zoek naar een boek

305


D Het is maart 1725 als Tijs en Maarten aan boord gaan van de walvisvaarder Jonge Eva. Tijs weet het zeker: in de ijzige wateren van het verre Groenland wacht het avontuur. Nu hij en zijn beste vriend Maarten een plekje hebben veroverd op de walvisvaarder van Klaas Daalder, houdt niets hem nog tegen een held te worden en het hart van de mooie Antje te veroveren. Maar het leven op het schip valt hem zwaar, ze hebben last van de ijzige kou en de dichte mist en komen zelfs vast te zitten.

IN

C Amir rijdt voor het circus van zijn vader uit. Hij vertelt verhalen en hangt affiches op. Op een dag steekt hij een onbekende grens over. Zo belandt hij in het Witte Land, waar alles anders is. Kinderen en volwassenen hebben er geen rechten. Maar heeft niet iedereen recht op een beetje geluk? Amir gaat de strijd aan, samen met Boris, Sam en de muis Dante. Een brandend actuele jeugdroman over kinderrechten, en over de vluchteling in ieder van ons.

E Het lijkt wel alsof een duistere kracht de stad in zijn greep heeft. Het aantal moorden en verdwijningen is op enkele maanden tijd dramatisch toegenomen, en ook op de school van Maikel duiken een paar obscure figuren op. Wie is de mysterieuze Johanna die zich zo afzijdig houdt? Waarom vertelt de nieuwe geschiedenisleraar alleen gruwelverhalen uit de 19de eeuw? En waarom wordt iedereen zo snel verslaafd aan dat nieuwe computerspel? Voor ze het weten belanden Maikel en zijn vrienden in de onderbuik van Brussel, waar ze de strijd moeten aanbinden met een ongekend leger bovennatuurlijke wezens.

N

VA

B. Mastenbroek. Walvisvaarders. Rijswijk, De vier windstreken

R. Molemaker. Moord op school. Haarlem, Holland

©

A. Bon. Freerun. Amsterdam, Moon

J. Vandevelde & B. Vermeer. Nachtwild. Sint-Niklaas, Abimo

306

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 6 Onderzoeken

L. Bormans. Recht op geluk. Tielt, Lannoo


wat Informatie over het boek Een ander woord (synoniem) voor onderwerp is thema. Het thema van een boek is datgene waarover dat boek vooral gaat en waar het verhaal rond geschreven is.

Meer weten voor je het boek leest? Bestudeer de ‘buitenkant’ van het boek.

IN

hoe De cover van een boek vertelt al iets over het verhaal. Alhoewel een auteur natuurlijk niet te veel wil verklappen met de cover. De uitgever probeert de voorkant van het boek zo aantrekkelijk mogelijk te maken: een mooie foto, een tekening, een raadselachtige afbeelding …

Je kunt:

waarheen

onderzoeken of er een verschil is over hoe jongens en meisjes denken over (boeken) lezen; verschillende informatieve sites over boeken met elkaar vergelijken; de juiste informatie uit een website halen; het thema van een boek bepalen door covers en flapteksten grondig te lezen en te bekijken; een boek op een creatieve manier presenteren; de presentatie van jezelf of een klasgenoot op een objectieve manier beoordelen.

©

VA

• • • • • •

N

Het achterplat of de flaptekst op de achterkant maakt je meestal meer duidelijk. Belangrijk is natuurlijk om de lezer net voldoende, maar niet te veel informatie te geven. Het doel van die tekst is om de lezer zin te laten krijgen om dat boek te lezen.

LES 4 Op zoek naar een boek

307


Creatief aan de slag! Je maakt een posterpresentatie of een kijkdoos.

Oriënteren

o

v

u

r

Voorbereiden

o

v

u

r

2 Hoe ga je te werk?

IN

1 Bij een posterpresentatie werk je met afbeeldingen of foto’s. Een kijkdoos bevat een aantal voorwerpen.

VA

N

a Maak je een posterpresentatie? Kies dan zes duidelijke afbeeldingen uit die je op een groot stuk karton of een groot stevig blad kleeft. Elke afbeelding heeft te maken met een fragment of personage uit je verhaal.

©

b Als je voor een kijkdoos kiest, zoek je een zestal voorwerpen die aan je verhaal gelinkt zijn. Die stop je in een doos(je).

308

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 6 Onderzoeken


Uitvoeren

o

v

u

r

3 Vertel kort waarover het verhaal gaat en welke personages erin meespelen. a Posterpresentatie

De klas kiest een van de afbeeldingen of foto’s waarover je iets meer moet vertellen. Elke afbeelding geeft voldoende en duidelijke informatie. Situeer elke afbeelding in het tijdsverloop/verhaallijn van het fragment. Voeg een extra afbeelding toe die te maken heeft met een personage: een verzonnen personage of iemand die echt meespeelt in het verhaal. De klas moet achterhalen of het personage verzonnen is of niet.

IN

• • • •

b Kijkdoos • • • • •

N

Toon de inhoud aan de klas. De klas kiest in je doos een willekeurig voorwerp dat te maken heeft met een fragment, een personage, een spannend moment … uit het verhaal. Je verklapt voorlopig het tijdsverloop niet. De klas legt de voorwerpen in de goede (chronologische) volgorde zoals ze in het verhaal voorkomen. Je kunt daarbij tips geven zonder al te veel te verklappen. Zet de leerlingen op een dwaalspoor. Voeg één voorwerp toe dat helemaal niets met je verhaal te maken heeft. Vertel zo geloofwaardig mogelijk.

Reflecteren

o

v

u

r

4 Hoe ging het?

VA

In orde Je traject naar succes

jij

je klasgenoot

Je presentatie is inhoudelijk goed en correct uitgewerkt. Ze is 1234 niet te lang en ook niet te kort.

1234

De voorwerpen van je kijkdoos of de foto’s op je poster zijn 1234 goed gekozen. Je kunt ze duidelijk linken aan het verhaal.

1234

a De afbeeldingen van je posterpresentatie situeer je correct in het tijdsverloop of de verhaallijn van het verhaal.

1234

1234

Je brengt de presentatie op een boeiende, aantrekkelijke en 1234 passende manier.

1234

©

b De klas kan jouw voorwerpen uit de kijkdoos in de goede chronologische volgorde leggen. Je gaf voldoende tips over het tijdsverloop.

Werkpuntje voor jezelf:

LES 4 Op zoek naar een boek

309


Uitdaging: word tekstchirurg Kun jij een tekst tot op het bot ontleden?

Oriënteren

o

v

u

r

Voorbereiden

o

v

u

r

IN

1 Bekijk de teksten op diddit gedurende één minuut. Vertel daarna aan je buur welke teksten je je herinnert.

2 Bij welke tekst past welke titel? Bespreek het met je buur. TEKST

TITEL

Onderzoek wijst uit: hoge concentraties gif in plastic speelgoed. Duitse kicks De pulse jet go kart Dolfijne vakantie

Uitvoeren

N

Een intelligente en scherp ruikende zeereus

o

v

u

r

VA

3 De teksten bieden een antwoord op één of meer vragen. Vul de tabel op diddit aan met passende antwoorden. Werk op een apart blad. Ga in de bronnen (teksten) op (onder)zoek!

Reflecteren

o

v

u

r

4 Hoe ging het?

jij

je klasgenoot

Je beantwoordt (onderzoeks)vragen over een tekst correct.

1234

1234

Je verklaart je keuze voor een antwoord duidelijk.

1234

1234

1234

1234

©

Je traject naar succes

Je werkt op een vlotte manier samen. Werkpuntje voor jezelf:

Dit deel is nu afgerond. Bekijk ook de werkpuntjes en de criteria bij elke pitstop of leesstop van dit deel. Vul aan voor jezelf:

310

dit gaat vlot:

dit vraagt training:

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 6 Onderzoeken


De laatste ronde OPDRACHT 1

Gebruik elk woord uit het lijstje één keer.

Kies uit: briesen – occasioneel – analyse – terrorist – verslinden – muteren – accentueren – bijt

b een synoniem voor ‘veranderen’

c een woord voor een geluid dat paarden maken

d een woord dat past in ‘de vreemde eend in de …’

e een antoniem voor ‘regelmatig’

f

een ander woord voor ‘markeren’

g een woord voor iemand die gewelddaden pleegt h een woord dat past in ‘een boek …’ OPDRACHT 2

Leid een zelfstandig naamwoord af van het werkwoord. Markeer het gepaste lidwoord. zn

functioneren

de – het

accentueren

de – het

koloniseren

de – het

terroriseren

de – het

analyseren

de – het

N

werkwoord

Zoek twee verbanden aan de hand van drie trefwoorden.

VA

OPDRACHT 3

IN

a een woord voor ‘onderzoek’

bot

heelal

ouderdom

oerknal

ontkalking

sterren

OPDRACHT 4

Anagrammen. Welk woord wordt gezocht? Bekijk de tip tussen de haakjes.

b HOESTHYPE (te bewijzen veronderstelling)

c CENTNEONRUIF (werken)

©

a ENTVERF (fanatiek, enthousiast)

OPDRACHT 5

Markeer het woord dat het best past in de context van de vetgedrukte woorden.

baken

paard

schip

streep

osteoporose

oog

zenuw

bot

snoodaard

valstrik

winter

kunst

gedijen

plant

ster

racewagen

identiek

ziekte

tweeling

raadsel

gunstig

onderzoeker

vertroeteling

klimaat

memoriseren

stress

geweld

geheugensteuntje

DE LAATSTE RONDE

311


De laatste ronde lummelen

uitgeput

lui

streng

jongdement

vergeten

therapie

revalidatie

briesen

slang

vlieg

paard

OPDRACHT 6

Bouw bruggen. Zoek de woorden die passen bij de omschrijvingen.

De laatste letter van woord a = de eerste letter van woord b enzovoort.

OPDRACHT 7

N

2 a onderzoeken, ontledingen (mv) b als je snel schrikt of bang bent, schuw c positief, goed, voordelig

IN

1 a dezelfde, gelijke b wie als een van de eersten een bepaald gebied betreedt c geweld uitoefenen, onderdrukken

Wat onderzoeken deze wetenschappers? Verbind correct. Er is één vakgebied te veel. Zoek de naam van de wetenschapper die past bij het vakgebied dat overblijft.

VA

Kies uit: hart en bloedvaten – weer – lichaam van de vrouw – huid – fauna en flora – geestelijke toestand – stoffelijke overblijfselen uit het verleden – misdaad criminoloog archeoloog

dermatoloog cardioloog

gynaecoloog

meteoroloog bioloog

©

blijft over:

OPDRACHT 8

Vul de zinnen aan met een passend woord. Je krijgt de eerste letter.

a De muziekapp op mijn smartphone f          niet meer. Ik zal de app moeten bijwerken.

b De bank biedt ook deze maand nog g          voorwaarden om te lenen. c Mijn oom is een f          schaker. Hij gaat elke week schaken en is zelfs voorzitter van de club. d Dit jurkje zal je taille prima a          . Trek het maar aan! e De s          werd op heterdaad betrapt.

312

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 6 Onderzoeken


deel 7

VA

N

IN

scoren

1 Beschrijf wat je ziet.

2 Waarom past de afbeelding bij het thema Scoren? 3 Wat gebeurde er voor deze foto genomen werd?

©

4 Welk gevoel kun je van het gezicht van de voetbalspeelster aflezen? 5 Wat zie je scherp in het beeld? Wat is onscherp? Is de keuze scherp-onscherp van de fotograaf volgens jou een goede keuze? Bespreek.

313


PENALTYKILLER Do Van Ranst

10

15

Lou: Niemand wilde het geloven. ‘Een meisje? Voetballen?’ ‘Nee’, zei ik dan. ‘Niet voetballen, maar ballen pakken. Ik wil in het doel!’ Mijn moeder greep naar haar hart. Mijn vader schudde het hoofd. Mijn oudere zus, Ella, rolde met haar ogen en vroeg zich hardop af of ik misschien lesbisch was. Ik sloeg ze weg met mijn hand, die rotreacties. En als ik die kon wegslaan, dan zeker een bal. Rindert: Niemand wilde het geloven. Ik voetballer. ‘Jij met je ADHD?’ lachte Fin, toen ik het hem vertelde na de gymles waarin ik de zoveelste bal naar de verkeerde had geschopt of vlak bij mijn voeten toch nog was kwijtgeraakt. Ik had er zelfs een in eigen doel getrapt, maar Beernaart, onze turnleraar, keurde het met een knipoog naar me af. ‘Ik zal bewijzen dat ik het kan’, zei ik toen tegen Fin. ‘Scoren!’ Fin lachte. Iedereen die erbij stond lachte. Ik niet. Ik balde mijn vuisten. Fin zag het. ‘Ze zoeken bij ons nog een spits’, zei hij. Met een monkellachje. Maar ik zei: ‘Oké.’

Lou: Misschien hadden ze gelijk. Ik heb het hele seizoen lang nog geen enkele bal gepakt. Sommige waren gewoon té snel, té onverwachts, té leep. Mijn moeder boos naar de coach toe: ‘Natuurlijk kan dat meisje die ballen niet pakken. Heb je gezien wat voor een reus ze voor zich had? Bestaat er niet zoiets als een meisjesploeg?’ Daar had ze ergens wel een punt. Ik was het enige meisje van de ploeg. Een echte meisjesploeg hebben ze in het dorp niet. Maar ik sta mijn mannetje wel. En dan nu het grapje van de eeuw: een meid met ballen! (dat is zowat de grap van elke match omdat ik niet meer mag doen dan de ballen het veld opdragen). Ik zit haast altijd op de bank. De coach schakelt me soms vijf minuten voor affluiten in. Áls we flink op voorsprong staan en niks meer te verliezen hebben. Of als onze echte doelman, Benno, gekwetst is of zo. Zoals nu. Hij hield een vlijmscherpe strafschop uit de netten, maar kopte de paal. Twee weken out.

VA

20

IN

5

Rindert: Ik sta voor het doel, oog in oog met de doelman. Doelvrouw. Lou. Zo heet ze. Ze heeft haar voeten ver uit elkaar, haar handen op de knieën. Een seconde lang moet ik aan rugby denken. Niet aan voetbal. In mijn hoofd heeft ze zwarte strepen onder haar ogen en op haar wangen. Oorlogsstrepen. Schuin achter Lou schreeuwen en roepen haar supporters. Of beter: haar vriendinnen. Achter en naast mij schreeuwt niemand. In mijn ooghoeken zie ik Fin met half dichtgeknepen ogen naar me kijken. Naar mij en naar de bal vlak voor me. De tijd staat even stil. Een of andere voetbalgod heeft de stekker uit de klok getrokken. De tijd is blijven staan op 89:52:04. Ik zou snel-snel kunnen uitrekenen hoelang de match nog duurt, maar laat ik de tijd voor het eindsignaal van de scheidsrechter nuttig gebruiken. Of die nu stilstaat of niet.

N

1

25

30

©

35

Rindert: Ik ben al het hele seizoen spits, maar werd nog maar vier keer opgesteld. ‘Je moet nog veel leren’, zegt de coach. ‘Kijken met je ogen.’ Maar zopas kreeg Django rood omdat hij de bal nog een keer het doel intrapte nadat de keeper van de tegenstanders met zijn hoofd loeihard de doelpaal had geraakt. Hij bleef wel een minuut lang levenloos liggen en Django deed een vreugdedansje. Dan moet je het veld af. Na Django moet normaal gezien Fin het veld op. Maar zijn rechtervoet ligt in het gips. Volgens de andere spelers komt hij nu supporteren voor het doelmeisje van de andere ploeg dat steeds op de bank zit, Lou. Haar vader is zijn tandarts. ‘Ze is mooi’, zegt hij. Ik sta oog in oog met haar. ‘Niet vinden dat ze mooi is, niet vinden dat ze mooi is’, denk ik bij mezelf. Ik kijk naar Fin. Hij kijkt naar Lou.

40

woord

oog in oog staan met: recht tegenover elkaar staan (tegenstanders of onverwachte ontmoetingen) in mijn ooghoeken: zonder er rechtstreeks naar te kijken, tersluiks, heimelijk de spits: aanvaller de monkellach: glimlach uit genoegen of uit spot vlijmscherp: heel scherp

314

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 7 Scoren


55

60

Rindert: Als een meisje mijn bal uit het doel houdt, kap ik ermee, denk ik. Dat had ik misschien al eerder moeten doen. Ik had er nooit aan moeten beginnen. Lou slaat op haar knieën en roept iets. Ze slaat zich met een handschoen op de borst. De meiden scanderen haar naam. Ik haal met mijn rechter uit. De punt van mijn spike raakt op een manier waarvan ik vermoed dat het niet kwaad is. Onze coach roept mijn naam. Ik weet ook niet waarom. Mijn ogen volgen de bal die hoogte neemt. Lou opent haar armen en kiest ervoor om naar de linkerkant te springen, maar mijn bal gaat rechts en komt loeihard tegen de lat terecht. In het publiek weerklinkt er een ‘hoew’. Ik denk: goed, ik stop ermee. Lou ligt op de grond, met haar armen uitgestrekt voor zich.

Lou: Ik zie hoe de bal de lat raakt, maar niet loodrecht omlaag valt, maar met een lichte knik naar het net toe. Misschien valt de bal over de krijtstreep en wordt die toch als doelpunt … nog voor mijn gedachten klaar zijn, spring ik op en laat me naar de andere kant vallen, met mijn handschoenen als een kommetje tegen het gras, waar de bal precies invalt. De Friedl- en Gingermeiden schreeuwen het uit. De jongen staat met open mond naar de bal te kijken, die ik tegen mijn borst gedrukt houd. Ik laat de bal los en hol naar de jongen. Ik omhels hem en geef hem een zoen, net naast zijn mond. De scheidsrechter fluit. De klok zegt dat het 90:03:19 is.

VA

65

IN

50

N

45

Lou: Ze dachten eerst dat ik een jongen was omdat ik Lou heet. Ze dachten dat het van Louis kwam. Aan Louize hadden ze niet gedacht. Stomme jongens. Het was voor het eerst dat er een meisje meedeed. Ze keken me met grote ogen aan toen ik het veld op kwam, in mijn favoriete joggingpak: pastelblauw met glitters! Iedereen zweeg en bewoog niet meer. Ik stak mijn tong uit, naar niemand in het bijzonder. Iets anders wist ik niet te verzinnen. ‘Lou’, siste mijn moeder, die me naar het veld had gebracht. ‘Doe normaal.’ En nu sta ik oog in oog met een jongen die hard gaat trappen. Het staat op zijn gezicht te lezen. Om de bal in mijn doel te trappen heeft hij een speler van ons aan zijn truitje tegen de grond getrokken. Een wonder dat de scheidsrechter het niet heeft gezien, want het zag er heel erg geel uit. Zijn ogen zien vuurrood. Het lijkt alsof dit de enige kans is die hij ooit nog krijgt om te scoren. Behalve de Friedl- en Gingermeiden die gillen alsof ze een bandlid van de Inflatable Wails zien, kun je een speld horen vallen. Op kwart voor negen zie ik mijn moeder naar haar gezicht grijpen. Op de klok staat 89:52:04.

70

Lou: De meiden hebben me al twee keer opgetild en vier keer omhelsd. Ginger pakt me bij de schouders beet. Ze kijkt me recht in het bezwete gezicht aan. ‘Wat?’ ‘Dat jij dat durfde, die jongen zoenen!’ ‘Dat was toch de afspraak? De eerste speler waarvan ik een bal uit de netten hou, kus ik.’ ‘Ja, maar Lou, hij is nog leuk ook.’ ‘Zal mij een zorg wezen’, zeg ik. Ik kijk achterom. De tegenstanders bestormen de Beluister het verhaal en maak kennis douches. met de auteur Do Van Ranst. Hij kijkt achterom. Ik steek mijn tong naar hem uit. Hij krijgt een kleur. Dat kan ik zien van aan de andere kant van het veld. een speld horen vallen: doodstil kappen met iets/iemand: ophouden met, breken met (spreektaal) Ik denk: ik pakte die bal. scanderen: als blijk van bewondering of afkeuring in lettergrepen uitroepen En: hij heeft gescoord. de handen in elkaar slaan: samenwerken

©

75

Rindert: Alle spelers slaan de handen in elkaar. Zoals altijd na een match. ‘Niet kwaad, hoor’, knipoogt de coach. Ik knik. Ik sla mijn hand in die van Fin. Hij kijkt me recht in de ogen. Hij heeft een andere kleur. Hij opent zijn mond om iets te zeggen, maar ik ben sneller. ‘Ik denk’, zeg ik, ‘dat ik zonet gescoord heb.’ Hij kijkt me aan. Een paar seconden. Dan lacht hij. ‘Ik denk het ook, verdomme’, gromt hij.

80

85

woord

315


les

Hoe doe je dat?

1

luisteren NAAR INSTRUCTIES

SOORTEN ZINNEN BOUWEN

IMPERATIEF gebruiken

signaalwoorden in stappenplan aanduiden EN GEBRUIKEN

1

Keitof knutselen OPDRACHT 1

Maak zelf een cactus.

VA

N

1 Bekijk de foto’s en de tekst. Wat zie je?

IN

delen van instructie aanduiden

MONDELINGE INSTRUCTIE VOORSTELLEN

Wil je wat groen op je kamer dat nooit kan verwelken en waaraan je niet te veel aandacht moet schenken? Met deze ‘keitoffe’ cactus zul je ongelooflijk scoren!

2 Bereid de luisteropdracht voor. Beantwoord eerst de vragen. Beluister daarna het eerste luisterfragment. a Beluister het eerste fragment en noteer op een apart blad welk deel er ontbreekt.

©

b Beluister opnieuw en vul aan wat ontbreekt.

c Beluister het tweede fragment en vertel wat misloopt.

OPDRACHT 2

Volg een stappenplan.

1 Lees de stappen en voer de opdrachten uit. Werk in duo's. a Zet de stappen in de juiste volgorde. b Welke woorden duiden de volgorde van de stappen aan? Onderstreep die woorden.

316

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 7 Scoren


2 Hoe noem je die woorden? Wat is de functie/taak van die woorden? stappen Neem vervolgens wat nieuwe witte verf, doop daar een dun kwastje in en schilder op iedere steen cactusstekels. Maak reeksen stipjes, kruisjes en lijntjes naast en onder elkaar. Als je heel gedetailleerd wilt werken, kun je hier een nailart-penseeltje voor gebruiken.

B

Doe daarna wat witte en groene nagellak of muurverf op een schoteltje en meng verschillende tinten groen. Ga voor natuurlijke tinten, zodat je cactussen straks levensecht lijken.

C

Neem vijf tot tien van je gladde keien. Zorg ervoor dat ze niet allemaal precies hetzelfde zijn qua vorm en maat.

D

Vul ten slotte je pot voor twee derde met zand of kleine steentjes. Daar zet je de beschilderde stenen straks tussen.

E

Als je cactusstenen helemaal droog zijn, dan kun je ze rechtop in je gevulde pot zetten.

F

Verf dan iedere kei in een andere tint groen. Laat de stenen goed drogen voor je verdergaat.

G

Spoel eerst de keien goed af in water.

IN

A

N

3 Welke van de zinnen hebben een onderwerp? Markeer die zinnen. 4 Welk verschil merk je op tussen de gemarkeerde zinnen en de andere zinnen van het stappenplan?

VA

a Omcirkel in die andere zinnen het werkwoord dat je ertoe aanzet om iets te doen.

b Noteer de infinitieven van die werkwoorden in het kader. INFINITIEF

©

INFINITIEF

c Hoe noem je die vorm van het werkwoord in de bevelende zinnen?

d Vul de tweede en vierde kolom in het kader aan met die werkwoordsvorm en zet er een titel boven. e Hoe vorm je die werkwoordsvorm?

LES 1 Hoe doe je dat?

317


hoe Een instructie geven Bouw een instructie op rond verschillende delen: een inleiding, de benodigdheden, een stappenlijst en soms een tip. Gebruik de imperatief. Maak bevelende zinnen.

OPDRACHT 3

Waarom happy stones schilderen?

IN

Illustraties maken je instructie niet alleen aantrekkelijk voor de gebruiker, ze zorgen er ook voor dat hij de informatie sneller kan verwerken.

Lees de tekst. Noteer in de tabel de infinitief en de stam van de onderstreepte werkwoorden.

N

Happy stones schilderen Een Happy Stone is een steen die door iemand mooi beschilderd is en vervolgens ergens neergelegd om de vinder blij te maken. Wie zo’n steen vindt, mag die mee naar huis nemen. Je kunt de steen ook op een ander plekje neerleggen om iemand anders een geluksmomentje te bezorgen. Zo zwerven de beschilderde stenen door het hele land om mensen blij te maken. Lief hè? Het idee om stenen te beschilderen en achter te laten is jaren geleden al ontstaan in het buitenland. Begin 2020 is deze rage ook in Nederland overgenomen. Tijdens de eerste lockdown gingen kinderen op berenjacht, en nu op stenenjacht. Een ideale manier om kinderen te laten knutselen én ze met een doel te laten wandelen.

VA

Naar: ‘Stenen schilderen met kinderen: benodigdheden en tips’, www.kidstravelservice.nl

STAM

©

INFINITIEF

318

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 7 Scoren

INFINITIEF

STAM


2

Boeken kaften ... gemakkelijk? OPDRACHT 4

Bekijk een filmpje over boeken kaften.

VA

N

IN

1 Lees de tekst en bekijk de afbeeldingen. Staan de stappen in de goede volgorde? Plaats de passende cijfers naast elke stap. Begin bij 1 en eindig bij 10.

Markeer in de stappen een aantal sleutelwoorden. Vertel de instructie voor de klas. Lees de tekst niet letterlijk af. Gebruik die sleutelwoorden en geef zo je eigen stappenplan. Welke verschillen merk je tussen een mondelinge en een schriftelijke instructie?

©

2 Zoek een passend signaalwoord.

a De instructie over boeken kaften bevat verschillende stappen. Lees deze zinnen. Leg je boek opengeslagen op het kaftpapier. Vouw het papier precies in het midden. Vouw het kaftpapier om je boek. Vouw de flapjes om de voor- en de achterkant. Van de rug knip je de stroken schuin in. Haal je boek uit de kaft en vouw de stukjes naar binnen. Leg je boek netjes in de flapjes die je daarnet maakte. Sluit je boek. Met plakband plak je de omgevouwen hoeken aan elkaar. Sluit het boek. Verstevig de rug met stukjes plakband.

LES 1 Hoe doe je dat?

319


b Stel dat de volgorde door elkaar gehaald wordt, zou je dan weten wat je eerst moet doen en wat volgt? Door welke woorden toe te voegen maak je dat nog duidelijker? c Herschrijf de zinnen en voeg er een passend signaalwoord aan toe. Werk op een apart blad. Kies uit: vervolgens – daarna – nu – dan – eerst – ten slotte – als volgende stap – een volgende stap is – aansluitend – daaropvolgend – nadien

hoe

IN

Signaalwoorden gebruiken Om de zinnen vloeiend met elkaar te verbinden, gebruik je signaalwoorden. Die woorden geven het signaal dat er bv. iets opgesomd wordt. Eerst, daarna, vervolgens, als volgende stap, aansluitend, ten slotte … zijn voorbeelden van signaalwoorden die aangeven dat er verschillende stappen na elkaar komen of opgesomd worden. In een instructie geven die signaalwoorden duidelijk aan in welke volgorde de stappen komen.

a Wat stel je vast?

N

3 Onderstreep in elke zin het onderwerp, zoek het wwg of nwg en markeer daarin de persoonsvorm.

b Welke zinnen zijn geen bevelende zin?

VA

c Werk op een apart blad. Maak van vijf bevelende zinnen naar keuze een mededelende zin. Bv. Neem een boek uit het rek, Jeroen. g Jeroen neemt een boek uit het rek. d Maak van die vijf mededelende zinnen nu een vragende zin waarop je met ja of nee kunt antwoorden.

wat

De instructie

©

Een goede instructie: • begeleidt de luisteraar of lezer door alle stappen van de taak die hij wil uitvoeren; • moedigt hem aan om een handeling of taak zorgvuldig uit te voeren; • legt duidelijk uit waarom hij een bepaalde handeling zo moet uitvoeren en niet anders; • bevat enkel belangrijke/nodige informatie.

waarheen

Je kunt: • • • • • •

320

de verschillende delen van een instructie benoemen en aanduiden; de signaalwoorden in een stappenplan aanduiden en in een zin gebruiken; een eenvoudige woordspin en een eenvoudig schema opmaken; correcte mededelende, vragende en bevelende zinnen bouwen; een instructie volgens de passende strategie bekijken, beluisteren, voorstellen en beoordelen; je uitspraak, articulatie en houding bij het spreken verzorgen.

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 7 Scoren


zo doe je dat … Je kunt kiezen om deze spreekopdracht individueel of met zijn tweeën voor te bereiden en uit te voeren.

Oriënteren

o

v

u

r

Voorbereiden

o

v

u

r

IN

1 Stel een instructie voor aan je klasgenoten. Kies een onderwerp dat je medeleerlingen interessant kunnen vinden of doe het aan de hand van de filmpjes in opdracht 4. Waarover kun je praten? Bv. over een speciaal recept, een gezelschapsspel, de voorbereiding of organisatie van een feestje, het klaarmaken van je bagage voor een sportkamp, een avonturenreis of een weekend met de jeugdbeweging.

Uitvoeren

N

2 Werk eerst de grote structuur uit: plaats de stappen in een logische volgorde. Vermijd te veel technische woorden, maar te eenvoudig taalgebruik hoeft ook niet. Zorg voor enkele leuke details of tips. Kies werkwoorden die precies weergeven wat je bedoelt.

o

v

u

r

VA

3 Heb je je woordspin, mindmap of schema bij de hand? Staat alle materiaal klaar? Denk aan de aandachtspunten tijdens het spreken. Lees die in het reflectiekader.

Reflecteren

o

v

u

r

4 Hoe ging het?

jij

je klasgenoot

Je maakt een duidelijke mindmap of een duidelijk schema.

1234

1234

Je plaatst de stappen in een logische volgorde en je gebruikt signaalwoorden.

1234

1234

Je kiest passende taal en je voegt een aantal interessante details aan je instructie toe.

1234

1234

Je verzorgt je articulatie, je stemvolume en je houding bij het spreken.

1234

1234

©

Je traject naar succes

Werkpuntje voor jezelf:

LES 1 Hoe doe je dat?

321


les

Scoren maar …

2

SCHEMA'S opstellen: VERSCHILLEN EN GELIJKENISSEN

INTENSIEF LEZEN

alinea’s husselen EN ORDENEN

1

Wat is het verschil? OPDRACHT 1

Lees de tekst ‘Onbekende sporten’.

IN

VERBANDEN ZOEKEN

1 Lees de tekst oriënterend en beantwoord de vragen mondeling. a Waarom lees je deze tekst? Wat is het leesdoel? b Wat verwacht je te lezen?

2 Lees de tekst globaal en beantwoord de vragen mondeling.

N

a Wat weet je al over het onderwerp?

b Hoe kun je het lezen van deze tekst het best aanpakken? c Wie is de zender en wat zou zijn bedoeling kunnen zijn?

VA

d Welke vragen stel jij je als lezer over het onderwerp? Op welke vragen zal de tekst een antwoord geven?

3 Lees de tekst intensief alinea per alinea en beantwoord de vragen. Probeer af en toe samen te vatten wat je las.

Onbekende sporten

5

Voetbal, tennis en hockey kennen we allemaal. Wie even langer nadenkt, komt ook nog wel tot karate, volleybal en atletiek. Maar er zijn ook sporten die volledig onbekend zijn en maar door een paar mensen beoefend worden.

©

1

10

Parkour Een van die sporten is bijvoorbeeld parkour. Die sport is in Frankrijk ontstaan en is ook wel bekend als le parkour of PK. De bedoeling is dat deelnemers (traceurs genaamd) hindernissen in de stad op een zo vloeiend en snel mogelijke manier overwinnen. In de praktijk betekent dat over hekken klimmen, van daken springen … Eigenlijk een beetje apenkooien in de buitenlucht dus. Parkour eist fysiek het nodige van het lichaam, maar het gaat de bedenkers van de sport ook om de filosofie erachter: vrijheid en het verleggen van grenzen. Vlak na de uitvinding in Frankrijk ontwikkelde een aantal Engelsen een eigen variant: freerunning of freestyle parkour. Daarbij is het de bedoeling om zo sierlijk mogelijk van start naar finish te gaan.

woord

apenkooien: tikkertje spelen op gymtoestellen fysiek: lichamelijk de filosofie: een levensbeschouwing

322

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 7 Scoren


25

30

Hébertisme Verwant aan parkour is hébertisme, dat in tegenstelling tot parkour de natuur als speelgebied heeft. Bomen, bergen en beken spelen dus een grote rol. In Franstalig België is het een begrip en er is zelfs een bond: de Fédération Belge d’Hébertisme. Niet zo vreemd natuurlijk, want een beetje hébertist kan zich beter uitleven in de Belgische Ardennen dan in de Kempen.

IN

20

Parkour is een uitermate risicovolle sport. Al het geklim, en vooral het gespring, eist het nodige van het lichaam. Zo is de schok die je krijgt bij parkoursprongen gemiddeld twee keer groter dan die bij een autobotsing. Goed kunnen landen is daarom van levensbelang. Parkour is dan ook geen sport om zomaar aan te beginnen. Toch heeft de sport ook veel positieve effecten. Die zijn vergelijkbaar met de effecten van atletiek en gymnastiek: meer spierkracht, lenigheid en uithoudingsvermogen.

Het voordeel is dat het zich afspeelt in de frisse buitenlucht; In die zin is het dus goed te vergelijken met survival. Net als bij parkour geldt bij hébertisme dat het geen sport is om zomaar aan te beginnen. Beoefenaars zullen eerst over een aantal basistechnieken en het nodige uithoudingsvermogen moeten beschikken. Builderen Builderen is een sport die ontwikkeld is door de Fransman Alain Robert. Dat zegt nog niets over het principe van de sport, maar de bijnaam van Robert schept al meer duidelijkheid: Spider-Man. Inderdaad, builderen is het beklimmen van gebouwen zonder touw. Robert beklom inmiddels meer dan zeventig wolkenkrabbers en werd daarbij een aantal keer gearresteerd. Overigens gaat het bij builderen niet altijd om de sport. Velen krijgen een kick van het feit dat de beklimming vrijwel altijd illegaal is. Het spreekt voor zich dat builderaars de nodige ervaring op klimgebied hebben en niet zomaar tegen een wolkenkrabber op lopen.

N

15

35

VA

Flyboarden Bij kitesurfen staat de beoefenaar – een kiter of kitesurfer – op een kleine surfplank, waarna hij zich laat voorttrekken door een kite, een grote vlieger. Flyboarden, ook wel landboarden genoemd, lijkt heel erg op kitesurfen, al worden de golven van de zee ingeruild voor sneeuw of zand en de surfplank voor een groot skateboard. Op het strand zitten daar wielen onder, in de sneeuw uiteraard niet.

40

Bij het flyboarden hangt de flyboarder achter een kitesurfvlieger, een snowkite of een grote matrasvlieger. Het doel van de sport is niet zozeer het halen van een hoge snelheid, maar het maken van allerlei sprongen en bewegingen: freestylen.

©

45

Een variant van het flyboarden is uitgevonden door Franky Zapata, een professionele jetskiracer uit Frankrijk. Na jaren ervaring met het bouwen en onderhouden van jetski’s realiseerde hij zich dat de sterke waterpomp ook gebruikt kon worden om externe apparaten van stuwkracht te voorzien. Nadat hij diverse prototypes had getest, introduceerde hij in 2011 zijn vliegende flyboard.

50

Flyboarden draait dan ook meer om de kick dan om het verbeteren van het lichaam. Het is een spectaculaire, extreme sport die door de toegankelijkheid voor jong en oud in korte tijd zeer populair is geworden. Al zijn de lenigheid en het uithoudingsvermogen die het oplevert natuurlijk ook mooi meegenomen.

Naar: R. Faasen. ‘Onbekende sporten: van parkour tot schaakboksen’, www.gezondheidsnet.nl en www.aquafly.nl

woord

uitermate: in hoge mate, buitengewoon, extreem de bond: een vereniging arresteren: aanhouden, inrekenen illegaal: onwettig n legaal: wettig freestylen: in een vrije stijl een sport of sportonderdeel beoefenen, improviseren introduceren: voorstellen extreem: tot de grens gaand

LES 1 Scoren maar …

323


Werk in groepjes rond één bepaalde sport. Vul telkens de naam van de onbekende sport in. Duid daarna het antwoord op de vragen aan in de alinea die je met je groep leest. a Wat voor sport is en wat is het doel van die sport? b Waar is die sport ontstaan? c Wie is de uitvinder van die sport? e Hoe noem je de persoon die die sport beoefent? f

Wat is het verschil tussen die sport en andere sporten?

g Met welke bekende sport kun je die sport vergelijken?

IN

d Welke variant bestaat er van die sport?

4 Welke woorden kun je gebruiken om de tekst samen te vatten?

a Plaats de woorden uit de vragen in oefening 3 in de eerste kolom van het schema.

©

VA

ONDERWERP:

N

b Gebruik de sleutelwoorden van de alinea over de onbekende sport. Noteer ze in de tweede kolom van het T-schema.

c Controleer in je groep of je aan de hand van het schema aan de andere groepen de hoofdzaken over de onbekende sport kunt vertellen.

324

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 7 Scoren


OPDRACHT 2

Zoek het verband.

1 Verbind drie woordgroepen uit de eerste kolom met drie woordgroepen uit de tweede kolom. Hoe wil jij in het leven scoren? • • • • • • • •

• • • • • • • •

als knap atleet/bokser/zwemmer … als bekende gitarist/pianist/goochelaar … als een luiwammes. als mama/papa. als de meest geliefde … als voetbalspeler/tennisspeler/songwriter … als succesvolle hiphopper. als getalenteerde rapper / buitenlandse reporter.

IN

Ik wil graag scoren … In de toekomst wil ik resultaat boeken … Nooit wil ik geliefd worden … Ooit wil ik geliefd zijn … Morgen wil ik mijn vrienden verrassen … Kon ik maar reageren … Ik zie mezelf … Ik hoop later te scoren …

a Welk verband ontstaat er tussen de twee woordgroepen? b Welk woord geeft dat telkens aan? Markeer het.

c Hoe noem je een woord dat het verband aangeeft/signaleert?

2 Verbind drie woordgroepen uit de eerste kolom met drie woordgroepen uit de tweede kolom.

N

Waarmee of met wie kun jij jezelf vergelijken? • • • • • • • •

VA

Hopelijk scoor ik later nog veel meer … Kon ik maar hetzelfde resultaat behalen … Mijn doelpunten zijn … Ik ben verliefd … Ben ik zo groot … Ik scoorde beter … Vorige week was ik zo ziek … Na het proefwerk trilde ik …

• • • • • • • •

zoals de meeste van mijn klasgenoten. als een hond. als een riet. dan de meeste jongens van de voetbalploeg. als de slimste van de klas. evenzeer verrassend. als je vader? dan tennisspeler X of voetballer Y.

3 Onderzoek de tekst over de onbekende sporten bij opdracht 2. Vind je in de alinea’s een vergelijkend verband? Markeer de signaalwoorden in de zinnen. 4 Welke andere woordgroepen of signaalwoorden kunnen ook dat verband aangeven? Zoek in de alinea over parkour en hébertisme.

©

wat

Vergelijkend tekstverband

In een tekst met een vergelijkend tekstverband brengt de schrijver over een bepaald onderwerp gelijkenissen en verschillen aan. Bv. Kon ik maar voetballen zoals die getalenteerde speler. Rugby is in vergelijking met voetbal een veel ruwere balsport. Signaalwoorden: zoals, evenals, als, alsof, of, gelijk (schrijftaal), dan, evenzeer, evenzo, eveneens, idem, dat komt overeen met, dat lijkt op, dat is te vergelijken met, in vergelijking daarmee, op dezelfde wijze is, een vergelijkbare situatie is, dat is in overeenstemming met, een gelijksoortig geval doet zich voor bij, de overeenkomsten zijn opmerkelijk

LES 1 Scoren maar …

325


OPDRACHT 3

Vergelijk de alinea’s.

1 Lees deze twee alinea’s. alinea 2: Hassa uit Mongolië

Veel kinderen uit nomadengezinnen gaan naar een internaat. Hassa woont tijdens het schooljaar bij zijn zus. Hij zit op een gewone dagschool. Zijn broer zit op een gewone school. Op de school wordt in twee ploegen lesgegeven: ’s morgens, ’s middags. Hassa komt na de middag, van 14 uur tot 18 uur. In de school is geen stromend water. De kinderen moeten buiten naar het toilet. Ze moeten hun handen schoonmaken met vochtige doekjes.

Veel kinderen uit nomadengezinnen gaan naar een internaat. Omdat Hassa tijdens het schooljaar bij zijn zus woont, zit hij net als zijn broer op een gewone dagschool. Op de school wordt in twee ploegen lesgegeven: ’s morgens en ’s middags. Hassa komt na de middag, van 14 uur tot 18 uur. In de school is geen stromend water, zodat de kinderen buiten naar het toilet moeten en hun handen moeten schoonmaken met vochtige doekjes.

a Welk verschil merk je op?

IN

alinea 1: Hassa uit Mongolië

b Welke signaalwoorden zorgen daarvoor? Markeer ze in de tweede alinea en leg uit.

c Lees de informatie over schoolkinderen in andere landen. Markeer in het eerste deel van de tekst het signaalwoord dat een vergelijkend verband weergeeft.

N

Ksenia uit Rusland

VA

Ksenia is twaalf en woont in Sint-Petersburg in Rusland. Ze zit op een particuliere middelbare school. Daar krijgt ze meer vakken dan op een gewone staatsschool, onder meer volkskunde, journalistiek en talen. Ksenia’s school was vroeger een kerk. Dat er geen speelplaats is, vindt ze niet zo erg, omdat er wel een gymzaal is. Veiligheidsagenten in dienst van de school controleren wie er binnenkomt en worden betaald door de ouders.

De kinderen mogen kiezen waar ze gaan zitten. Om kletskousen het zwijgen op te leggen, zet de leraar soms jongens naast meisjes. Volgens Ksenia helpt dat niets. Aysima uit Turkije

©

Aysima is elf en woont met haar vader, moeder en jongere zus in Istanbul, Turkije. De school kijkt uit op de Bosporus, de rivier die het Europese deel van de stad scheidt van het Aziatische deel. Ze woont in een multiculturele buurt van Istanbul. Daar staan moskeeën, kerken en synagogen vlak bij elkaar.

woord het nomadengezin: een rondzwervend gezin, een gezin zonder vaste woonplaats het internaat: een kostschool particulier: niet voor iedereen toegankelijk iemand het zwijgen opleggen: iemand de mond snoeren, verbieden te spreken multicultureel: uit (elementen van) verschillende culturen samengesteld

326

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 7 Scoren


Naar Aysima’s school gaan           Armeense           Turkse kinderen en beide talen worden er gesproken. Nu ze elf is, draagt ze een grijs en roze uniform. Het uniform van kinderen tot tien is blauw. In Aysima’s klas zitten 34 leerlingen. Ze heeft geluk, want in Turkije tellen de klassen soms wel zeventig kinderen. Fundi uit Zuid-Afrika Fundi is twaalf en zit op een internaat in Richmond in Zuid-Afrika. Om de drie weken gaat ze naar huis

IN

om haar familie te zien. De schoolgebouwen staan verspreid op de glooiende heuvels aan de rand van Richmond. Vlakbij ligt de stad Pietermaritzburg, waar veel van Fundi’s schoolgenoten later de middelbare school zullen bezoeken. Voor elk vak heeft Fundi een andere leraar en ze vindt hen allemaal           tof. Juf Mkhize onderwijst korfbal. Fundi’s klas telt 27 leerlingen, van wie ruim de helft op internaat zit.

P. Smith, Z. Shalev, C. Bingham, E. Greenwood, C. Love, L. Mack, F. Star. Jouw school – mijn school – Kinderen en hun scholen over de hele wereld. Tielt, Lannoo

d Zorg voor een vergelijkend verband.

N

In enkele alinea’s van de tekst ontbreken de signaalwoorden. Vul ze in zodat er een duidelijk vergelijkend verband weergegeven wordt.

e Duid in de tekst de signaalwoorden aan die een vergelijkend verband aanduiden.

VA

De dag dat ik gevangen werd, had ik een wonderzoete droom. Een paar dagen eerder had ik voor het eerst eitjes gelegd aan de rand van het water. Tussen de stenen glinsterden de eitjes als kleine sterren. Ik was zo trots als een pauw. Ik droomde dat ik de eitjes zag uitkomen. Met elke slag van hun staart, met elke beweging van hun doorzichtige vinnen, werden de visjes groter en sterker dan je je maar kon voorstellen. Ze zwommen in een wijde kring naar boven. Het leek wel of ze dansten. Sommige visjes kwamen overeen met mij: een karper die zich elegant door het water bewoog. Een toekomstige Koningin van de Rivier. Naar: Dierbaar. Spannende en aaibare dierenverhalen en -gedichten. Tielt, Lannoo

waarheen

Je kunt:

signaalwoorden die het vergelijkende tekstverband aangeven markeren; een voorgedrukt schema invullen; de juiste signaalwoorden voor een vergelijkend verband gebruiken; de volgorde van gehusselde alinea's herstellen.

©

• • • •

woord

glooiend: met een flauwe helling aflopend de schoolgenoot: iemand die ook deel uitmaakt van dezelfde school

LES 1 Scoren maar …

327


Een tekst begrijpen en alinea’s husselen Je gooit een tekst door elkaar voor een andere groep. Welke groep slaagt erin om die weer in de goede volgorde te zetten?

Oriënteren 1

o

v

u

r

Maak een keuze uit de teksten A, B en C. Lees de teksten enkel oriënterend en globaal. Wie dezelfde tekst kiest, vormt een groepje.

Voorbereiden

o

v

u

r

IN

Als je de tekst goed begrijpt, verwissel je de alinea’s, zodat de samenhang zoek is. Maak met je groep een gehusselde tekst als opdracht voor de andere groepen.

2 Lees de tekst intensief. Voer daarna de opdrachten uit.

a Markeer de woorden die jij of iemand van de groep niet begrijpt. b Zoek de verklaring.

3 Hussel de tekst door elkaar voor de andere groepen.

N

a Duid eerst zelf alle alinea’s aan.

b Welke opvallende kenmerken vind je in de inleiding? c Hoe kun je zien dat een van de alinea’s het slot is?

d Lees alinea per alinea en onderstreep de signaalwoorden die een vergelijkend verband aanduiden.

VA

e Verknip de tekst en herschik de alinea’s zodat er geen logische volgorde meer is.

f

Bekijk de nieuwe volgorde en duid de kernzinnen aan.

g Ga na of je de alinea’s weer in de juiste volgorde kunt zetten.

Uitvoeren

o

v

u

r

4 Maak de opdrachten.

a Knip en plak de tekst als oefening voor de andere groepen.

©

b Voorzie onder de tekst een raster, zodat de juiste volgorde ingevuld kan worden. c Als je de opdracht te moeilijk vindt, kun je een tip geven. Vul op één plaats in het raster de juiste letter van de alinea al in.

328

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 7 Scoren


hoe De juiste volgorde zoeken OVUR Lees de tekst oriënterend en globaal. • • •

Waarover gaat de tekst? Wat is volgens jou de titel van de tekst? Wat verwacht je te lezen?

OVUR Zoek de juiste volgorde van de alinea’s. • •

IN

Lees elke alinea intensief, duid de sleutelwoorden en kernzinnen aan. Bedenk welke alinea de tekst zou kunnen inleiden. Welke alinea geeft aan waarover de tekst zal gaan en vertelt de hoofdzaken? Welke alinea zou de tekst kunnen afsluiten? Die verwijst naar de inleiding, de titel, het hoofdonderwerp of zorgt voor een besluit. Die alinea rondt het geheel af. Welke alinea’s vormen het midden? Let op de signaalwoorden, ze duiden dikwijls de volgorde aan door een verband aan te geven: een chronologisch verband (Wat komt er eerst in de tijd?), een oorzaak-gevolgverband, een opsommend verband of een vergelijkend verband.

• •

OVUR Vul het raster onder de tekst correct in, zodat de juiste volgorde zichtbaar wordt. • •

N

Schrijf de titel en tussentitels bij de tekst en de alinea’s in het raster. Markeer in de alinea’s de signaalwoorden die een vergelijkend verband aangeven.

OVUR Even checken! •

VA

Lees de tekst hardop in de juiste volgorde en ga na of er een logisch verband ontstaat. Zo niet, pas de tekst opnieuw aan.

Reflecteren 5

o

v

u

r

Hoe ging het?

©

In orde Je traject naar succes

Je voorziet alle alinea’s van een letter.

1234

Onder de gehusselde tekst staat een raster met het juiste aantal alinea’s.

1234

Je kunt de tussentitels bij elke alinea invullen.

1234

Je kunt zelf de tekst opnieuw correct samenstellen met behulp van de kernzinnen, sleutelwoorden en signaalwoorden.

1234

Je gaat na of sommige alinea’s een andere plaats kunnen krijgen.

1234

Werkpuntje voor jezelf:

LES 1 Scoren maar …

329


les

Stap voor stap

3

NADENKEN OVER INSTRUCTIES instructies aanpassen

Hoe voer je de handelingen uit? OPDRACHT 1

gepaste TAAL IN EEN INSTRUCTIE gebruiken

IN

1

instructie SCHRIJVEN

bedenken KENMERKEN INSTRUCTIE

Zoek de kenmerken van een goede instructie.

1 Noteer op een apart blad voor jezelf met kernwoorden minstens vier kenmerken van een instructie. In totaal zijn er zeven kenmerken. Als je er maar twee kunt opnoemen, dan lees je opnieuw wat een instructie is op p. 320 of in de Trajectwijzer.

VA

N

2 Bekijk de foto’s. Leg uit wat je ziet.

a Heb jij zo’n voorwerp al zelf gemaakt?

b Uit welk land komt die gewoonte oorspronkelijk?

c Vul in de tekst hieronder de ontbrekende woorden in. Kies uit: Italiaans – Spaans – Chinees – piñata – verjaardag – verjaardagstaart – kinderfeestje – Italianen – Spanjaarden – Chinezen Sommige woorden moet je meer dan eenmaal gebruiken. Soms moet je het woord aanpassen aan de zin.

Een               maken is onder meer een               traditie.

©

De               ontdekkingsreiziger Marco Polo nam in de dertiende eeuw de traditie mee vanuit China. In Italië kreeg het ding vervolgens de naam             ,

afgeleid van pignatta, wat ‘breekbare pot’ betekent. De traditie werd daarna overgenomen door de               . Vroeger was het gebruikelijk om de           op de eerste zondag van de vasten stuk te slaan.

Inmiddels heeft de              geen religieuze betekenis meer en wordt hij gebruikt voor              en             . De figuren zien er leuk uit en ze zijn heel makkelijk zelf te maken.

woord

religieus: godsdienstig

330

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 7 Scoren


d Lees de instructie om zo’n traditionele figuur te maken. e Ontdek wat er misloopt met deze instructie. Noteer dat in de rechterkolom.

Dit heb je nodig Emmer, kranten, knutsellijm, vulling (snoep, cadeautje, confetti), crêpepapier, schaar, plakband, houten stok van ongeveer 45 centimeter lang,

IN

Zo maak je het Maak in een emmer de behanglijm aan volgens de instructies.

De ballon met behanglijm en de repen krant er. Smeer hem vervolgens weer in met behanglijm en plak er nog een laag papierrepen op. Breng ongeveer vier lagen aan en laat ze een uurtje drogen.

Als ze (bijna) droog zijn, plak je er nog een aantal lagen papier op, totdat het stevig aanvoelt. Laat de ballon uiteindelijk nog twee dagen drogen. Het papier-maché moet hard zijn, zodat je de ballon lek kunt prikken.

N

Met een schaar een opening in de ballon, zodat er een klepje ontstaat dat je na het vullen weer makkelijk dicht kunt plakken met plakband. Let erop dat het gat groot genoeg is om te vullen met snoepjes, confetti en/of een cadeautje. De basis is nu klaar.

VA

Scheur eerst de kranten in reepjes en blaas de ballon op. Knoop dan het touw vast aan het tuitje. Het crêpepapier in stroken en knip er horizontaal streepjes in, zodat er sliertjes ontstaan. Tip: Om een leuk effect te creëren, plak je de stroken crêpepapier over elkaar heen. Bedenk van tevoren wat je wilt maken en stem er de kleuren en het knutselmateriaal op af. Gebruik je fantasie!

hoe

Een goede instructie schrijven

©

Wil je als schrijver je lezer ertoe aanzetten om jouw instructie uit te voeren? • Zoek een passende titel. • Som alle benodigdheden op. • Zet de stappen in de juiste volgorde. • Voeg signaalwoorden toe in je zinnen om de juiste volgorde duidelijker aan te geven.

LES 3 Stap voor stap

331


2

Zelf aan de slag OPDRACHT 2

Herschrijf de instructie, denk aan de taal.

Herschrijf de instructie zodat de lezer een duidelijke boodschap krijgt en de handeling nauwkeurig kan uitvoeren. Sommige werkwoorden kun je meer dan één keer gebruiken. Kies uit: leggen – brengen – maken – vlechten – vermijden – rijgen – splitsen – snijden – aanbrengen

Helmgras houdt het duinzand op zijn plaats. Het is sterk en buigzaam genoeg om ermee te vlechten en te weven, zodat je er figuurtjes van kunt maken zoals dit poppetje.

IN

Poppen van helmgras

eerst een bosje helmgras en          een knoop aan één eind; dan heb je het hoofd.

N

vervolgens de grasstengels in drie bosjes en          ze gedeeltelijk, waardoor de romp ontstaat.          de rest in zes bosjes en          twee vlechten voor de benen.          in de uiteinden daarvan een knoop, zodat de voeten worden gevormd.          dan een dunnere bos helmgras.          aan één eind een knoop aan en

VA

een vlecht van de bos tot bijna het andere eind.          deze vlecht door

de lussen in het boveneinde van de romp, zodat de armen ontstaan.          knopen in de

losse eindjes.

Veiligheidstip

Gras kan snijwondjes veroorzaken, dus          er met je vingers langs te strijken!

©

J. Schofield & F. Danks. Het strandboek - Ontdek wat je allemaal kunt doen bij meren, rivieren en aan zee. Zeist, Christofoor

hoe

De taal in de instructie Als je als schrijver je lezer ertoe wilt aanzetten om jouw instructie nauwkeurig uit te voeren, gebruik je bevelende zinnen. Daarin gebruik je dikwijls de imperatief. Breng afwisseling in de woordkeuze en vervang de loperwerkwoorden ‘doen’ en ‘maken’.

332

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 7 Scoren


3

De boel loopt in het honderd OPDRACHT 3

Werk de instructie af.

1 Lees de instructie. Verbeter wat misliep.

IN

Speel dit spel aan beschut water, bijvoorbeeld van een baai, een meer of een rivierpoel, op een dag met weinig wind.

Houd een steen losjes tussen duim en wijsvinger van je werphand. Werp vanaf heuphoogte met een snelle polsbeweging de steen zo horizontaal mogelijk, zodat hij over het wateroppervlak springt en huppelt. Verzamel platte ovale of ronde stenen die gemakkelijk in je hand passen. Trek de andere vingers samen onder de steen.

Hoe ver scheert je steen over het water? Hoeveel keer heeft hij gestuit? Het wereldrecord van 2007 staat op 51 keer! Kun jij dat verbeteren? Maak er met je vrienden een wedstrijd van, waarbij ieder vijf keer mag werpen.

N

J. Schofield & F. Danks. Het strandboek - Ontdek wat je allemaal kunt doen bij meren, rivieren en aan zee. Zeist, Christofoor

a Bedenk eerst een titel voor de instructie. Schrijf die boven de tekst. b Uit hoeveel alinea’s bestaat de instructie?

c In welke alinea loopt het mis? Hoe kun je die alinea verbeteren?

VA

d Herschrijf de stappen van de alinea waar het misliep.

©

2 Hoe wordt de instructie afgesloten? Bespreek samen.

a Markeer de afsluitende zinnen (tekstblokje/alinea). b Vind je dat als lezer belangrijk?

c Wat gebeurt er daardoor met de boodschap van de schrijver?

waarheen

Je kunt: • • • • •

aanduiden wat er in een instructie ontbreekt; de stappen van een instructie op de juiste plaats zetten; de juiste signaalwoorden gebruiken; bevelende zinnen vormen; een instructie schrijven voor je klasgenoten.

LES 3 Stap voor stap

333


Schrijvend scoren bij je vrienden? Durf je voor een knotsgekke instructie te kiezen? Doe het gerust. Ben je een waaghals en een durver? Wil je je informeren over een bepaalde sprong? Wil je een heksentoer uithalen of een ingewikkelde knoop kunnen leggen? Aan jou de keuze!

Oriënteren

o

v

u

r

Voorbereiden

o

v

u

r

IN

1 Zoek een spel, een lekker recept, een goocheltruc, een knutselwerk, een hobby … Bedenk wat je precies wilt uitleggen in een duidelijke instructie.

2 Verzamel zo veel mogelijk informatie over jouw onderwerp voor een instructie.

a Selecteer wat je zult gebruiken. Schrap overbodige informatie. Voeg één tip of slotzin toe. b Zoek ook afbeeldingen of maak zelf tekeningen om de instructie nog te verduidelijken.

Uitvoeren

N

c Gebruik het schrijfkader dat je op diddit vindt en schrijf een eerste versie van je instructie. Houd rekening met wat je leerde in de vorige opdrachten.

o

v

u

r

3 Je schrijft een instructie die voldoet aan de criteria in ‘Je traject naar succes’. 4 Lees de instructie aandachtig en vink de criteria in het kader aan.

VA

a Pas de instructie opnieuw aan als je instructie niet voldoet aan de criteria. b Vraag aan een medeleerling om jouw instructie te lezen en te beoordelen. c Schrijf daarna de aangepaste instructie over. d Voeg er de illustraties bij.

Reflecteren

o

v

u

r

5 Hoe ging het?

©

In orde Je traject naar succes

Boven je instructie staat een duidelijke titel.

1234

Je begint met een korte inleiding.

1234

De instructie bevat een lijst met alle benodigdheden.

1234

De instructie bestaat uit minimaal vijf stappen in een welbepaalde volgorde.

1234

Bij enkele stappen gebruik je signaalwoorden zodat de volgorde duidelijk is.

1234

De instructie bestaat uit bevelende zinnen.

1234

Je eindigt met een passende slotzin of een toffe tip.

1234

Voelt je klasgenoot zich aangesproken om de instructie uit te voeren?

ja

Werkpuntje voor jezelf:

334

jij

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 7 Scoren

nee


les

4

Je favoriete boek? hamvraag STELLEN EN BEANTWOORDEN

genieten VAN VERHALEN verhalen BEOORDELEN

verhalen interpreteren

Het is een pareltje, een aanrader, geweldig, schitterend!

IN

1

jeugdboeken SCORE TOEKENNEN

NIEUWS

Boekenjury KJV is een jury van kinderen en jongeren tussen 4 en 16 jaar. Juryleden krijgen een lijst van boeken om te beoordelen. Soms komen ze samen in leesgroepen om te praten over de boeken.

WAT IS KJV? HOE WORD IK LID?

Als je als jurylid alle titels van jouw leeftijdsgroep hebt gelezen, dan mag je stemmen. Op het stemformulier noteer je je top 8.

WELKE BOEKEN LEZEN WE?

Alle stemmen van heel Vlaanderen worden verzameld en geteld.

OPDRACHT 1

N

DE INTERNETJURY

Lees wat er over boeken gezegd wordt.

1 Wat moet je weten als je iets over boeken wilt vertellen? Bespreek samen.

VA

2 Wat onthoud jij van boeken?

3 Lees de commentaar van de lezers van de Kinder- en Jeugdjury. Welke reactie vind je de beste? 04.11 Lotte Het verhaal van Bettie Elias is enorm meeslepend en realistisch. Het is zeker een aanrader. Het zit vol spanning en emotie. Toen ik aan het lezen was, zat ik precies zelf in het boek.

©

06.01 Ruben Ik vond het een mooi boek met een mooi verhaal. Alleen jammer dat het een soort strip was. Dat maakte het meer een stripboek. Wel een mooie boodschap, soms ook moeilijk om te lezen en te begrijpen. 14.12

Tijs Ik vond het redelijk moeilijk om te lezen en het was ook redelijk kort. Het verhaal was ook niet echt leuk en soms moeilijk om te lezen/begrijpen.

LES 4 Je favoriete boek?

335


15.01

Tülin Ik vond dit een heel mooi en aangrijpend boek. Je wordt zo meegesleept in het verhaal over een kleine jongen met een grote droom en de liefde tussen hond en baasje.

12.11 Ruben Het was een SUPERleuk boek. Het begin was een beetje onduidelijk, maar dat werd snel beter. Toch spijtig dat het niet verder ging. Suzanna Het had een spannend verhaal kunnen worden, maar het komt me te ongeloofwaardig over. Het toeval speelt een wel erg grote rol. Er bestaan al veel jeugdboeken over tieners die in geheime missies worden betrokken en dit is een van de minder geslaagde. Dit is het eerste deel van de reeks ‘Vic Falls Missions’. Benieuwd naar het vervolg ben ik wel. Het verhaal is immers geschreven door een duo met een vlotte pen, dat de spanning probeert hoog te houden.

4 Vergelijk de laatste commentaar met de vorige.

Welke score verdient een verhaal of jeugdboek?

VA

2

Onderzoek de taal. Welke verschillen zie je? Vergelijk de zender/schrijver van dit stukje met die van de andere reacties. Wat kun je erover vertellen? Waaruit kun je dat afleiden?

N

• •

IN

20.11

OPDRACHT 2

Stel criteria op voor een ‘goed’ boek.

1 Stel per twee een lijst op met criteria waaraan een jeugdboek moet voldoen. a Kies de vijf belangrijkste criteria uit de lijst van zestien. Het belangrijkste plaats je bovenaan. b Vergelijk de lijsten met de andere klasgenoten en stel een klaslijst op.

©

Het verhaal …

Het onderwerp (thema) …

336

1 is realistisch.

2 is aangrijpend.

Het kan zich Het ontroert je, werkelijk (in de verovert je hart. realiteit) afspelen.

3 vertelt over hoe mensen vroeger leefden.

4 is gefantaseerd.

Het geeft je een nieuwe kijk op het verleden.

De gebeurtenissen zijn verzonnen, soms onmogelijk.

5 spoort je aan om na te denken over bepaalde omstandigheden, gebeurtenissen of over het gedrag van mensen.

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 7 Scoren


De opbouw …

6 zorgt dat je snel snapt waarover het verhaal gaat.

7 is chronologisch. De schrijver vertelt het verhaal zoals het gebeurde.

8 met een duidelijke voorstelling van de personages en de omstandigheden.

9 midden in een actie. Stilaan wordt duidelijk wie, wat, wanneer, waar en hoe alles verloopt.

De personages …

10 komen echt tot leven.

11 zijn herkenbaar.

IN

Het verhaal begint …

Het lijkt wel alsof je ze werkelijk kent. Het verhaal eindigt …

12 met een happy end. Alles loopt gelukkig weer goed af!

Tijdens het lezen …

Je kunt jezelf gemakkelijk met een personage vergelijken. (identificeren)

13 met een triestig einde.

14 met een open einde.

Misschien wil je wel huilen.

Je kunt als lezer zelf verder verzinnen hoe het afloopt.

15 blijven veel gebeurtenissen je verrassen.

Na het lezen …

N

Het verhaal blijft spannend.

16 raad je anderen het boek spontaan aan.

VA

c Vul je persoonlijk scorebord voor de beoordeling van een verhaal in. Je vindt het scorebord bij de reflectie in de leesstop op p. 344.

Luister, lees en beoordeel! OPDRACHT 3

Beluister het verhaal.

1 Beluister het eerste deel van het verhaal ‘De dankbare olifant’. Beantwoord daarna de vragen in groepjes. a Bij welk stuk zat je op het puntje van je stoel? b Ben je benieuwd naar wat er gaat gebeuren?

©

3

c Hoe komt het dat je als luisteraar erg nieuwsgierig wordt?

d Op welke vraag wil je na het beluisteren van dit eerste deel een antwoord krijgen? Noteer de vraag.

LES 4 Je favoriete boek?

337


2 Beluister het tweede deel van het verhaal. Beantwoord daarna de vragen in groepjes. Je kunt antwoorden op een apart blad noteren, maar dat hoeft niet voor elke vraag. a Welke personages komen aan bod in het verhaal? b Waarover gaat het verhaal? c Heb jij respect voor bepaalde mensen? Waarom krijgen zij van jou respect (waardering)? d Waarom doodt de olifant de man niet? e Waarom was de man heel bang? f

Kun je begrijpen dat de olifant de andere passagiers wel doodt? Waarom wel/niet?

g Zou dit ook in de wereld van de mens gebeuren? i

Bedenk een andere titel voor dit verhaal.

IN

h Hoe zou jij reageren als anderen iemand van je gezin pijn doen of vermoorden?

wat

De cliffhanger

Een cliffhanger is een techniek uit de film- en televisiewereld, maar wordt ook gebruikt in verhalen, boeken en toneelstukken.

N

Een verhaal van bv. een serie of aflevering, film of boek eindigt op een moment waarop de spanning het grootst is. Bovendien is het niet duidelijk hoe het afloopt. Op dat moment is het verhaal nog niet afgerond en blijft de kijker of lezer met een onbevredigd gevoel achter. Hij is erg nieuwsgierig naar het verdere verloop. En dat is meestal in een volgende aflevering of een volgend hoofdstuk te zien of te lezen.

VA

De term ‘cliffhanger’ betekent letterlijk iets wat over een rotswand bungelt en de afgrond of de zee in dreigt te tuimelen.

3 Ken je het verhaal? Vertel over de figuur in de tekening.

©

a Lees het verhaal en beantwoord de vragen.

Pinokkio

Zodra Geppetto thuis was, pakte hij zijn gereedschap en wilde meteen aan zijn marionet beginnen. ‘Hoe zal ik hem noemen?’ zei hij tegen zichzelf. ‘Pinokkio! Die naam zal hem geluk brengen.’ Hij maakte eerst de haren, daarna het voorhoofd en vervolgens de ogen. Maar wat was hij verbaasd toen hij merkte dat de ogen, zodra ze af waren, bewogen en hem strak aankeken.

woord

de marionet: een pop die je kunt laten bewegen met touwtjes aan de armen en benen

338

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 7 Scoren


C. Collodi. Pinokkio.

N

IN

Na de ogen maakte hij de neus. Maar zodra de neus klaar was, begon die te groeien: hij groeide en groeide maar en was binnen een paar minuten een enorm lange neus waar geen einde aan kwam. Na de neus maakte hij de mond. De mond was nog niet klaar of hij begon al te lachen en Geppetto voor de gek te houden. Na de mond maakte hij de kin en daarna de hals, de schouders, de borst, de armen en de handen. De handen waren nog maar net af of Geppetto voelde dat de pruik van zijn hoofd werd getrokken. Hij keek op en wat zag hij? Zijn pruik lag in de handen van de marionet, die hem op zijn eigen hoofd zette! Door dat brutale en ondeugende gedrag werd Geppetto verdrietiger dan hij in zijn hele leven ooit was geweest. Hij keek Pinokkio aan en zei: ‘Deugniet van een zoon! Je bent nog niet eens af en je hebt al geen respect meer voor je vader!’ Nu moest hij nog de benen en de voeten maken. Toen die klaar waren, pakte Geppetto de marionet onder de armen en zette hem neer op de vloer om hem voetje voor voetje te leren lopen. Toen Pinokkio’s benen goed en wel soepel waren, begon hij alleen rond te stappen en door de kamer te hollen. Totdat hij bliksemsnel met één sprong buiten op straat belandde en aan het rennen sloeg. De arme Geppetto ging erachteraan. ‘Houd ‘m tegen! Houd ‘m tegen!’ schreeuwde hij. Uiteindelijk kwam er een agent op het lawaai af. Hij ging dapper midden op straat staan, met zijn benen uit elkaar. Zonder zich een millimeter te verroeren greep de agent Pinokkio keurig bij zijn buitensporig lange neus en overhandigde hem aan Geppetto, die zei: ’We gaan meteen naar huis. En daar zwaait er wat, reken daar maar op!’ Pinokkio liet zich bij dat dreigement op de grond vallen en wilde niet meer verder lopen. Ondertussen waren er groepjes nieuwsgierigen en zwervers om hem heen komen staan. ‘Arme marionet,’ zeiden sommigen, ‘hij heeft gelijk dat hij niet naar huis wil. Wie weet hoe hard die vreselijke Geppetto hem zal slaan!’ Er was zo’n opschudding, dat de agent Pinokkio liet gaan en de arme Geppetto naar de gevangenis bracht.

VA

b Welke uitspraken passen wel/niet bij dit verhaal? Plaats een kruisje achter de uitspraak in de tabel. uitspraken

wel

niet

1 Geppetto is de echte vader van Pinokkio.

2 Pinokkio heeft geen respect voor Geppetto.

3 Geppetto was heel gelukkig met de creatie (het maken) van Pinokkio. 4 Pinokkio komt traag tot leven.

5 Geppetto behandelt Pinokkio zoals het hoort.

6 Nieuwsgierigen en zwervers hebben een grote invloed op de politieman. 7 De mensen die Pinokkio opmerken, reageren zoals het hoort.

©

c Bespreek in je groep waarom je die uitspraken hebt aangeduid.

woord

zich verroeren: bewegen n geen vin verroeren: totaal niet bewegen buitensporig: onredelijk, onmatig, buiten de maat

LES 4 Je favoriete boek?

339


OPDRACHT 4

Lees en luister naar de vragen in je hoofd.

1 Terwijl je een verhaal leest, duiken in je gedachten vragen op. Dat vertraagt het lezen, want daardoor dwaal je af. Misschien fantaseer je zelfs over je toekomst, je voorbije verjaardag, een enge ervaring … Of misschien begrijp je niet waarom een personage zich op een bepaalde manier gedraagt. a Lees het verhaalfragment en luister naar de vragen die plots in je hoofd opduiken. Showbizzkiss

10

15

Ik raak met mijn schouder haar schouder, haar hele lichaam draait een kwartslag, waarmee ik mij een doorgang naar de trap verschaf. Als een kat glip ik door een gat in de haag. Op mijn kamer gooi ik me op bed en sluit mijn ogen. Slapen komt niet in me op. Ik denk na. Over wat nu weer de aanleiding was voor de honderdste ruzie met opa. Want ik weet dat mama me volgt. Dat ze om uitleg komt. Zo gaat het altijd. ‘Veilig?’ vraagt ze. Ik zwijg. Ik hoop dat ze op mijn bed komt zitten, haar hand op mijn voorhoofd legt. En dat doet ze ook. Dat doet ze altijd. Erom vragen doe ik niet. Allang niet meer. Ik ben onderhand zestien. ‘Wat gebeurde er?’ vraagt ze. Ik blaas en haal mijn schouders op. ‘Hij wou weer leuke dingen met je doen?’ ‘Leuke dingen, leuke dingen!’ Ik laat het wit van mijn ogen zien. ‘Je moet hem begrijpen, Maarten. Hij denkt dat je nog steeds elf bent of zo.’ ‘Acht ja!’ roep ik. ‘Acht!’ ‘Geef hem een keertje zijn zin’, zucht ze. ‘Mam!’ roep ik. Waarbij ik rechtop ga zitten, om haar echt in het gezicht te kijken, mijn ogen te laten zien, de wanhoop erin. ‘Hij vroeg of ik wilde figureren in “Kwastje en de bezemwagen”!’ Mam schiet in de lach. Ik niet. Ze kucht en doet bijzonder haar best om weer ernstig te kijken. ‘Lieverd’, zegt ze. Ze verbijt nog steeds haar lach. ‘Doe maar’, zeg ik. ‘Lach je te pletter!’ Ik ga weer op bed liggen, maar dan met mijn rug naar haar toe. Ze aait mijn schouders. Heerlijk is dat. ‘Kwastje en de bezemwagen?’ vraagt ze. ‘Ga weg.’ ‘Je weet dat opa trots op je is.’ ‘Was’, zeg ik. ‘Was!’ ‘Kom, Maarten. Waar haal je dat nu vandaan dat hij dat nu niet meer zou zijn?’ Dat haal ik natuurlijk nergens vandaan. Dat opa vandaag voor de zoveelste keer bij ons was om me mee te krijgen naar zo’n duffe opname van een duffe kleuterserie betekent gewoon dat hij de draad weer met me wil opnemen. Met precies die woorden had hij het ook gezegd: ’We pikken de draad weer op, kerel. Het kan weer een springplank zijn!’

VA

20

IN

5

Maarten speelt mee in een musical en beleeft heerlijke tijden in de spotlights. Maar drie jaar later wil hij niet meer aan die rol herinnerd worden. In dit boek lees je Maartens verhaal van binnenuit.

N

1

25

©

30

35

woord

onderhand: intussen, ondertussen

340

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 7 Scoren


45

50

55

Ik had intussen heel de tijd mijn handen op mijn oren en riep aldoor ‘Neeneeneeneeneenee!’ Weer gelanceerd. ‘Weet je nog?’ mijmerde hij. ‘Pinokkio.’ En hij deed alsof er een deugddoende rilling over zijn rug liep. ‘Zwijg over die aap’, had ik gezegd. Ik ben hem zat. Die houten pop met zijn potsierlijke jasje. Die stomme veel te grote strik. Zijn belachelijke neus. ‘Doe maar niet zo laag, Maarten!’ riep hij. ‘Zo een kans krijg je nooit meer.’ Opa had geknikt. Maar dan zo’n knik waar ik het schijt aan heb. Zo eentje waarbij hij schuin naar de vloer keek en in zijn blik nog half mijn benen ving en ‘Goed, goed’, mompelde. En: ’Jij je zin.’ Hij had zijn pet in zijn beide handen en stond er heel de tijd in te knijpen, alsof het een stressbal was. ‘Danlaat ik je maar’, fluisterde hij. Ik moest weer mijn grote mond opzetten. ‘Doe dat vooral’, hapte ik. Daar kon hij niet tegen. Hij bewoog zijn hoofd in een ruk naar mijn gezicht, maar zijn ogen bleven ter hoogte van mijn nek steken. Ik was ondertussen een flink hoofd groter dan hij en dat was hij nog niet gewend. Hij slikte iets weg en riep dat ik een ondankbaar, verwaand jong was. Toen plette hij me tussen onze muur en de voordeur en verdween. Dampend.

IN

40

D. van Ranst & M. van Hove. Showbizzkiss. Amsterdam, Querido

b Noteer drie vragen die bij je opkwamen tijdens het lezen van het verhaalfragment. 1 2

N

3

c Overloop in groepjes van drie of vier leerlingen de vragen. Welke vraag is volgens jullie de belangrijkste?

VA

wat

De hamvraag

De hamvraag is de belangrijkste vraag. Op die vraag weet je als lezer niet meteen het antwoord.

Het gaat over zaken die je wilt weten, die je eigenaardig, raadselachtig, onbegrijpelijk, onduidelijk of raar vindt in een verhaal.

d Bedenk een antwoord op de hamvraag van de groep.

Bespreek en lees meer.

©

OPDRACHT 5

1 Hoe zou jij de situatie aanpakken? Bespreek mondeling. a Stel je voor dat jouw opa je ondankbaar zou noemen, wat zou jij dan doen?

b Stel dat je mag deelnemen aan een auditie voor een musical of toneelstuk. Hoe zou jij je voorbereiden? Zou jij het aan je klasgenoten vertellen? Waarom wel/niet? c Stel dat jij succes boekt met de hoofdrol in een optreden. Zou je het tof vinden om zo te scoren in je vriendengroep? Hoe denk je dat anderen zullen reageren? Welke moeilijkheden kunnen daardoor ontstaan? Hoe zou je de tijdelijke roem aanpakken?

2 Stel dat je een toverkoffer bezit. Wat zou jij willen toveren? Voor wie en waarom zou je dat willen? a Als je een kort verhaal wilt lezen en interpreteren, gebruik je dit stappenplan.

woord

interpreteren: uitleggen

LES 4 Je favoriete boek?

341


hoe Een verhaal lezen en interpreteren 1 Stel jezelf vragen tijdens het lezen. 2 Kies een hamvraag. 3 Bespreek je hamvraag met anderen. 4 Formuleer een (voorlopig) antwoord op je hamvraag.

IN

5 Verantwoord je antwoord voor jezelf en anderen.

b Lees het verhaal ‘Toverkoffer en tinteltenenzand’. c Dit is de hamvraag:

d Vergelijk dit verhaal met de vorige drie verhalen. Wat zijn de gelijkenissen en wat zijn de verschillen? De dankbare olifant

Pinokkio

Showbizzkiss

Toverkoffer en tinteltenenzand

WIE? Wat gebeurt er in het verhaal?

VA

WAT?

N

Wie zijn de personages?

Waar speelt het verhaal zich af? WAAR?

©

Wanneer speelt het verhaal zich af? WANNEER?

Waarover gaat het verhaal? ONDERWERP/ THEMA

Is het verhaal realistisch of gefantaseerd?

realistisch gefantaseerd

realistisch gefantaseerd

realistisch gefantaseerd

realistisch gefantaseerd

woord

verantwoorden: uitleggen waarom je iets doet

342

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 7 Scoren


e Wat vind jij het mooiste moment in het verhaal ‘Toverkoffer en tinteltenenzand’? Waarom houd je van dat moment? f

Op welke momenten zou jij de rode koffer in je leven kunnen gebruiken? Vertel maar.

g In welke landen is er momenteel oorlog en weinig of geen hoop voor het volk? h Hoe eindigt het verhaal? Lees de zin opnieuw. Welk leven staat hen volgens jou te wachten?

VA

N

IN

3 Wat vind je van de vier verhaalfragmenten? Welke uitspraken uit je eigen beoordelingsscore kun je op deze verhalen toepassen? Geef elk verhaal de juiste plaats op het podium. Eentje valt naast de prijzen.

waarheen

Je kunt:

een verhaal/boekfragment beoordelen met voorgedrukte uitspraken; je eigen mening over een verhaal/boekfragment geven; genietend luisteren en een waardeoordeel uitspreken; verhalen interpreteren door een aantal stappen te doorlopen; vragen over het gelezen of beluisterde verhaal beantwoorden.

©

• • • • •

LES 4 Je favoriete boek?

343


De kroon op het werk Je kiest één van de vijf verhalen, leest het en geeft het een score.

Oriënteren

o

v

u

r

Houd je van fantasie of eerder van realistische verhalen? Interesseert het verleden je? Duid je keuze aan: • een realistisch verhaal: ‘Oma’s laatste feest’ (Bettie Elias) • een fantastisch verhaal (sprookje): ‘Kleine meid’ (Geert De Kockere) • een spannend verhaal: ‘Naar de top’ (Dan Gemeinhart) • een verhaal over het verleden: ‘De koop’ (Marleen Nelen) • een hier-en-nu-verhaal: ‘Nessie’ (Guy Didelez en Frank Pollet)

Voorbereiden

o

v

u

IN

1

r

2 Beoordeel het verhaal aan de hand van de vijf gekozen uitspraken op p. 339.

o

v

u

r

N

Uitvoeren

3 Noteer een hamvraag en een mogelijk antwoord op een apart blad. 4 Gebruik dit persoonlijke scorebord bij de beoordeling van een verhaal of jeugdboek. scorebord

gekozen verhaal

VA

titel:

uitspraak

1234

uitspraak

1234

uitspraak

1234

uitspraak

1234

uitspraak

1234

SCORE

/20

©

5 Verwoord je mening over het verhaal mondeling.

Reflecteren

o

v

u

r

6 Hoe ging het? Je traject naar succes Je kunt een hamvraag formuleren en beantwoorden.

1234

De zelfgekozen uitspraken kun je toetsen aan het verhaal.

1234

Je kunt je mening over het verhaal vlot verwoorden.

1234

Werkpuntje voor jezelf:

344

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 7 Scoren


Uitdaging: op naar de top Speel Slangen & Ladders: voer de opdrachten alleen, met een klasgenoot of de hele groep uit.

Oriënteren + Voorbereiden

o

v

u

r

1 Bereid het spel voor! Dit is de eerste opdracht, behaal met je groep de beste score. Open de envelop met de eerste opdracht, lees de spelregels en het doel van het spel. Overleg welke leerling van je groep het spel uitlegt. Oefen even en vink de criteria aan in de tabel bij ‘Je traject naar succes’.

IN

• • •

De leraar bepaalt je score aan de hand van de criteria. Let ook op je spreektechniek. In orde Je traject naar succes

Je instructie bevat deze delen: een korte inleiding, de benodigdheden, de spelregels en het doel van het spel.

1234

Je legt het spel duidelijk uit, zodat de luisteraar weet hoe hij het moet spelen.

1234

Je vertelt enkel belangrijke/nodige informatie.

1234

Je verwoordt de spelregels vlot (zonder stopwoordjes).

1234

o

v

u

r

VA

Uitvoeren

N

Werkpuntje voor jezelf:

2 Speel het spel met de klas. Een van de groepen wordt jury, beoordeelt en controleert de opdrachten die de groepen uitvoeren. De jury houdt ook de score bij.

Reflecteren

o

v

u

r

3 Hoe ging het?

Je traject naar succes

1234

De opdrachten zijn gemakkelijk uit te voeren.

1234

Je hebt eerlijk gespeeld.

1234

Al spelende heb je nog wat bijgeleerd.

1234

©

Je hebt enthousiast meegespeeld.

Dit deel is nu afgerond. Bekijk ook de werkpuntjes en de criteria bij elke pitstop of leesstop van dit deel. Vul aan voor jezelf: •

dit gaat vlot:

dit vraagt training:

UITDAGING: OP NAAR DE TOP

345


27

28

29

30

FINISH

25

18

19

20

16

15

VA

17

23

10

©

9

8

START

346

21

N

26

IN

24

14

13

11

12

6

7

1

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 7 Scoren

2

22

5

3

4


De laatste ronde OPDRACHT 1

Vervang de woorden.

1 Vervang de gemarkeerde woorden door een passend samengesteld woord. 2 Zoek voor het gevonden woord in zinnen b, c, e en f twee andere woorden die met hetzelfde woord beginnen en aanduiden dat iets buitensporig is. 3 Bestaat het woord ‘de vlijm’? Wat betekent het? gepast samengesteld woord

IN

a Het mes is bijzonder scherp. b Het geluid was extreem luid. c De hond is uitermate ziek. d De kat is buitengewoon mager. e De zoon is enorm lui. Het verhaal is bijzonder oud.

OPDRACHT 2

Vul de zin aan zodat je de betekenis van de woorden uit de context kunt afleiden.

N

f

twee andere woorden – iets buitensporigs

1

Het is illegaal

A de Bond Beter Leefmilieu?

2

De minister van Justitie is

B ik vind je wél lief!

Ben jij ook lid van

Als je vriend alleen maar roddels rondstrooit dan

D en bleef angstvallig achter de boom zitten.

C voor ze weer rondtrekken.

5

Na het verlies van hun woningen door de hevige brand zullen

E

een schoolgenoot van mijn vader.

6

Al snel introduceert vader

F

maar wel door een particulier verkocht.

7

Jammer, maar je interpreteert mijn brief werkelijk verkeerd,

G om zonder geldige papieren in een land te verblijven.

8

Het nomadengezin zal zeker zes maanden in het nieuwe pand blijven wonen

H leg je hem best het zwijgen op.

9

Zijn prooi verroerde zich niet

VA

3 4

10 Het herenhuis werd niet door een makelaarsbedrijf 2

3

4

5

zijn nieuwe vriendin aan zijn kinderen. de families de handen in elkaar slaan.

6

7

8

9

10

©

1

I J

OPDRACHT 3

Wat past in de zin? Markeer het juiste woord.

1 Mijn klas is multicultureel/multifunctioneel. Ik vind het fijn om in contact te komen met vreemde gebruiken.

2 Die lenige man was uitermate/uitmuntend geschikt voor de job. 3 Na de ruzie mocht ze die avond van haar ouders geen vin verroeren / geen vlieg meer kwaad doen, enkel roerloos op een stoel zitten.

DE LAATSTE RONDE

347


De laatste ronde OPDRACHT 4

Vul de zinnen aan met een uitdrukking. Let op de context van de zin.

Kies uit: bijzetten – brilstand – de 12de man achter je staan – een speld – goede benen – misslaan – oog in oog – te hard van stapel – uit de hand – uit de naad 1 Als je iets te snel aanpakt en je onvoldoende voorbereidt, dan loop je

.

2 Werk je erg vlug en hard, dan zul jij je            lopen. 3 De stewards zorgen ervoor dat de sportwedstrijd niet            loopt.

IN

4 Een wielrenner die prima getraind is en zich fit voelt, heeft           . 5 Wil je scoren, dan moet je alle zeilen           .

6 Let op dat je geen fouten maakt en domme dingen zegt, zorg ervoor dat je de bal niet

.

7 Krijg je alle steun van het publiek in het voetbalspel, dan heb je

.

8 Bij een 0-0 eindstand, spreek je van een           .

9 De jonge voetbalsupporter stond enkele seconden            met de voetbalheld.

10 In het stadion kon je            horen vallen, iedereen hield de adem in en vroeg zich af of de

OPDRACHT 5

N

voetballer opnieuw zou scoren. In groep scoren met balspelen: wat weet je erover?

1 Noem vijf verschillende balspelen.

VA

2 Hoe kun je scoren bij fopbal?

3 Rug aan rug • Zoek de betekenis van begrippen en uitdrukkingen uit de voetbalwereld of uit de basketbalwereld. • Verdeel de klas in een even aantal groepen (maximum acht leerlingen per groep). Elke groep duidt twee afgevaardigde leerlingen aan om het spel te starten. • Van elke groep zitten twee leerlingen rug aan rug. • Leerling één heeft een lijst met sleutelbegrippen, leerling twee krijgt een foto of tekening van het begrip. Hij beschrijft waar hij naar kijkt en leerling één probeert te raden om welk begrip het gaat. • De leerling die de tekening of foto beschrijft mag het juiste sleutelbegrip of de uitdrukking niet gebruiken.

©

4 Houd een groepsgesprek. Kies een van de uitspraken. • Sommige sporten zijn enkel voor jongens. • Meisjes en jongens kunnen in dezelfde ploegen spelen. • Als je geen sport beoefent, word je al snel als lui bestempeld. • In de media wordt te veel aandacht aan sport besteed. OPDRACHT 6

Ga aan de slag met het verhaal. Lees in je groep het deel van het verhaal verteld vanuit een personage: Lou of Rindert.

1 Beeld het fragment uit. Zorg dat je klasgenoten heel duidelijk aan de lichaamshoudingen kunnen merken over welk fragment het gaat. 2 Maak een tableau vivant van het fragment en laat leerlingen van de andere groepen vertellen welk fragment uitgebeeld wordt. 3 Maak van het tableau vivant een foto, post de foto’s (bijvoorbeeld op Pinterest), zodat iedereen ze kan bekijken. Of zet de foto’s in de juiste volgorde om opnieuw het verhaal op te bouwen.

348

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 7 Scoren


deel 8

VA

N

IN

liken

1 Beschrijf wat je op de foto ziet. Wat zie je niet?

2 Welke gevoelens herken je bij de persoon op de foto? Waaruit leid je dat af? 3 Heb jij een gezicht dat gemakkelijk je gevoelens verraadt? Vertel over een situatie waarin dat duidelijk was.

©

4 Past dit beeld volgens jou bij ‘liken’? Waarom wel/niet? 5 Bespreek je houding. • •

Hoe breng je je beeld: van onderen naar boven of omgekeerd of werk je vanop ooghoogte? Hoe neem je een close-up of een totaalbeeld?

349


Vind ik leuk Piet De Loof

10

15

20

VA

25

IN

5

Ik like de status van de U15 van mijn voetbalclub. 0-1 winst. Uit bij White Star Lauwe. Altijd moeilijk. Ik like een filmpje van Fré, die na de toets zijn Franse woordenlijst ritueel verbrandt. En duidelijk niet meer weet dat je die moet meenemen naar het volgende trimester. Ik like een fotoalbum van opa, die weer veel te veel beelden heeft gepost van zijn uitstap met wandelclub Hanske de Krijger. Het is zo’n avond. Scrollen door de tijdlijn van Facebook, Facebook afsluiten en jezelf erop betrappen dat je twee minuten later weer door dezelfde tijdlijn scrolt. Maar nu komen er berichten. Warre via WhatsApp. ‘Gewonnen bij White Star Lauwe,‘ tikt hij, ‘ook gezien? Goal van Brian, kort voor tijd. Ze zeggen dat hij wordt gescout door enkele grote ploegen.’ Of dat klopt? ‘Weet ik niet’, antwoord ik. ‘Ah … oké. Ik zag dat je de Facebookstatus likete. Dus misschien wist je meer.’ ‘Nee. Echt niet.’ Mijn gsm gaat af. Fré is buiten adem en begint al te spreken nog voor ik zelf iets heb kunnen zeggen. Dat hij een idioot is, zegt hij zelf, maar dat wist ik al. ‘Blijkbaar moet je die Franse woordenlijst ook volgend trimester nog gebruiken.’ ‘U-hu.’ ‘Ik heb het hele pak in de haard gesmeten.’ ‘Ja, dat heb ik gezien.’ ‘Ik weet het, je bent de enige die het filmpje heeft geliket.’ ‘Echt?’ ‘Ja, en toen begon het tot me door te dringen dat het misschien toch niet zo grappig was als ik dacht.’ ‘Tja …’ ‘Zeg … Mag ik jouw woordenlijst kopiëren? Jij hebt die zo goed bijgehouden en aangevuld.’ ‘Ja’, zeg ik, al denk ik: ‘Nee, want jij moest weer eens opvallen, en jij maakte mij belachelijk na mijn spreekbeurt, en jij kiest me nooit als we ploegen samenstellen bij het voetballen.’ Terzelfder tijd wordt er aan de deur gebeld. Ik verwacht het gehaaste voorkomen van een bol.com-bezorger – eindelijk die plaat van Brian Eno! – maar de man die er staat, is heel wat bleker en ouder. En bekender. ‘Opa?!’ ‘Dag jongen’, zegt hij, wat hij al zo lang doet dat ik mij soms afvraag of hij mijn naam nog wel kent. Hij brandt meteen los: ‘Zeg, ik heb vandaag enkele foto’s gepost van onze laatste wandeling met de club.’ ‘Ja, ik heb dat gezien.’ ‘Gezien? Méér dan dat! Je hebt ze leuk gevonden!’ ‘Geliket, ja. Nog maar pas, ik b …’ ‘… ben meteen in mijn auto gesprongen, ja!’ ‘Hoe? Waarom?’ Opa spreidt zijn armen in een alles verklarend, bijna pauselijk gebaar: ‘Waarom? Dat is zo simpel als eentje en eentje twéé is.’ ‘Ja?’ ‘Maar ja! Ik wist niet dat jij zo graag wandelde!’ ‘Dat valt wel mee, opa …’

N

1

30

©

35

40

woord

ritueel: volgens de godsdienstige gebruiken scouten: op zoek zijn naar (nieuw talent) losbranden: (figuurlijk) zich met veel emotie uiten, zijn hart luchten, je verhaal op een enthousiaste manier beginnen te vertellen pauselijk: van of door de paus

350

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


55

60

VA

65

IN

50

N

45

Hij kijkt wantrouwig. ‘Hoezo, dat valt wel mee? Je hebt het toch leuk gevonden? Dat hele album!’ ‘Ik vind zo veel leuk op Facebook. Ik bedoel: ik vond het gewoon leuke foto’s, maar wandelen zelf vind ik niet zo leuk.’ ‘Nee?’ ‘Niet écht.’ ‘Dus je dacht: ik ga de ouwe een plezier doen en zijn foto’s liken, maar eigenlijk is het niet helemaal gemeend?’ ‘Maar jawel. Alleen …’ In zijn ogen trekt iets droevigs voorbij, zijn schouders zakken. ‘Dat zijn nu dingen die ik niet begrijp. Als mijn vrouw foto’s post van haar uitstap met Markant, dan ga ik die foto’s niet liken – het mogen nog de mooiste foto’s ter wereld zijn. Want die vrouwenbende van Markant, ik word er ziek van … Maar als jij, mijn oudste kleinzoon, het héle album van onze wandeling leuk vindt, dan denk ik: die wil meer, die is gebeten, het wandelaarsbloed kruipt waar het niet gaan kan. Ik ga hem dus direct uitnodigen voor onze dauwwandeling van zaterdag … Maar ja. Je wandelt dus niet graag.’ Er bekruipt mij een schuldgevoel. En het besef dat het vandaag niet de eerste like is met directe gevolgen … ‘Kijk,’ zeg ik, ‘misschien dat ik zaterdag toch eens kom kijken …’ ‘Komen kijken? Wat valt er nu aan wandelaars te zien? Doe gewoon mee. Je zult er deugd van hebben, eens goed marcheren.’ ‘Maar ik moet zaterdag …’ ‘Jij moet niets, jongen! Jonge gasten moeten zich meer ontspannen. Een gezonde geest in een gezond lichaam.’ ‘Opa, ik …’ ‘Het kietelt, hè? Ik zie het, jongen, ik zie het aan je oogjes. Zaterdag om acht uur aan de kerk, oké? En smeer je kuiten maar in!’ ‘Ja, opa.’ Hij steekt wat houterig zijn duim op. ‘Vind ik leuk! Je opa zo’n plezier doen. En je moeder maar zagen dat je met geen stokken achter je computer vandaan te krijgen bent – die vrouwen kunnen nogal overdrijven, hè. Ze kan meegaan met die van Markant!’ ‘…’ ‘Tot zaterdag!’ Een kwartier later heeft opa zijn Facebook-status aangepast: gaat zaterdag met zijn kleinzoon flink wandelen! Vind ik leuk.

70

75

©

80

Beluister het verhaal en maak kennis met de auteur Piet De Loof.

woord

marcheren: in de pas lopen, te voet gaan houterig: niet lenig en niet levendig, stram, onhandig

351


les

Surfen en liken

1

informatie verzamelen en vergelijken

ONLINE TEKSTEN BEOORDELEN

1

Klopt dat wel? Ken je deze? Bespreek samen.

VA

N

OPDRACHT 1

IN

persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden GEBRUIKEN

presentatie BRENGEN

1 Wat is Twitter en wat is Facebook? a Zoek het op het internet op.

b Vertel op welke webpagina je de beste omschrijving vond. c Wie heeft een Facebookaccount, Instagramaccount of YouTubekanaal?

2 Zoek het antwoord op deze vragen. Ga naar de site van WAT WAT. a Hoe oud moet je zijn om een Facebookaccount te mogen hebben?

©

b Hoe kun je een foto die iemand van jou op Facebook geplaatst heeft, laten verwijderen? c Welke twee tips tegen cyberpesten die je op de site vindt, spreken je aan? Noteer. d Op het internet doen mensen zich soms voor als iemand anders. Wat helpt je om te weten te komen of iemand werkelijk is wie hij beweert te zijn? e Surf verder op die webpagina. Geef nog twee zaken die voor leeftijdgenoten interessant zijn om te weten. f

352

Wat je leest, lees je grondig en kritisch. Klopt alles wel? Praat verder in de klas over die zaken. Plaatsen gebruikers van sociale netwerken nieuwsberichten soms vlug online zonder de feiten grondig te controleren? Welke voorbeelden kun je daarvan geven?

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


OPDRACHT 2

Welk nieuwsbericht zou jij ‘liken’?

1 Kleur de duimpjes. Wat het meest ingekleurd is, wil je als eerste lezen en dat ‘like’ je dus het meest. 2 Geef telkens een duidelijke reden waarom je dat bericht wel, niet of helemaal niet goed vindt.

Mertens schenkt Napoli bijna stuntzege bij PSG, ook Witsel scoort belangrijke goal voor Dortmund

Stad Antwerpen 22 hrs Agenda bij de hand? 9/12 opent Winter in Antwerpen met optredens van o.a. Dimitri Vegas & Like Mike, Natalia & Jef Neve! Het volledige programma vind je hier: http://bit.ly/2jmLB1.

ANTWERPEN.BE

IN

Dimitri Vegas & Like Mike openen Winter in Antwerpen

Rode Duivels Dries Mertens, Axel Witsel en Thomas Meunier hebben zich laten zien in de Champions League. Mertens schonk zijn club Napoli ei zo na een stuntzege op het veld van PSG, waar Meunier met een voorzet Mario Rui eerder al tot een eigen doelpunt gedwongen had. Witsel effende dan weer de weg voor Borussia Dortmund voor een knappe zege tegen Atlético Madrid in de groep van Club Brugge.

www.nieuwsblad.be

N

www.facebook.com/stad.antwerpen

VA

School in Brussel geëvacueerd na gaslek: lek gedicht, situatie onder controle

Best verkocht

In Brussel zijn vanochtend uit voorzorg 300 studenten van de Nieuwlandcampus geëvacueerd na een gaslek. Er zijn geen gewonden. Het gaslek is intussen gedicht en de situatie is onder controle.

H

Mijn groot zoekboek De waanzinnige boomhut van 78 Gert Verhulst verdiepingen Nederlandstalig Andy Griffiths, Terry Denton Nederlandstalig

€ 14,99

€ 12,99

©

Drie keer niks Het mega moppenboek Jeff Kinney Nederlandstalig Nederlandstalig

€ 10,00

et gaslek bevond zich aan de hoofdingang van de school, in de Nieuwlandstraat. Daar zou bij boorwerken in een kelderverdieping in een huis naast de campus een gasleiding geraakt zijn. Sibelga en de Brusselse brandweer zijn ter plaatse en hebben intussen alles onder controle. De leerlingen en het personeel van de school zullen via de achterzijde naar hun lokalen kunnen terugkeren van zodra de brandweer de nodige controles heeft uitgevoerd. Ook de crèche op de site werd geëvacueerd en is momenteel gesloten.

€ 14,99

www.standaardboekhandel.be

www.vrt.be/vrtnws/

LES 1 Surfen en liken

353


OPDRACHT 3

Vergelijk de berichten.

1 Lees en vergelijk deze drie nieuwsberichten met elkaar. tekst 2

tekst 3

Een afscheid in schoonheid, het was Usain Bolt niet gegund. Nadat hij de finale op de 100 meter al verloor, droop de Jamaicaan op het WK atletiek met lege handen af nadat hij zelf met een blessure moest opgeven in de finale van de 4x100 meter. Is er nog een beter bewijs nodig dat het tijd was voor Usain Bolt om te stoppen dan zijn ‘laatste race’ in Londen? Na ongeveer 50 meter in zijn spurt greep de Jamaicaan naar zijn linkerbil, een grimas op het gelaat. Over and out. Heel het stadion hield de adem vol ongeloof in, maar hoe hard Bolt nog probeerde om zich staande te houden, het ging niet meer. Zijn carrière eindigde niet met een twaalfde WK-goud, maar wel liggend op de piste, kreunend van de pijn, terwijl anderen triomfeerden.

Geblesseerd opgeven in de finale van de 4x100 meter, het was een afscheid in mineur voor Usain Bolt op het WK in Londen. Nu blijkt dat de Jamaicaan een stevige spierscheuring opgelopen heeft. Niet bepaald het gedroomde afscheid voor de achtvoudig olympisch kampioen, die zeker en vast nog altijd wereldtop was en dat wellicht nog een tijdje zou blijven. Hij droop ontgoocheld en zonder ereronde af. Bolt zette zelf de MRI-foto op Twitter, nadien werden de foto en z’n uitleg weer verwijderd. ‘Helaas heb ik een spierscheuring in mijn hamstring’, schreef Bolt. ‘Ik zal drie maanden moeten herstellen.’

De laatste race in zijn fenomenale loopbaan is voor Usain Bolt op een anticlimax uitgedraaid. De Jamaicaan, snelste man ter wereld, nog altijd in vorm, nog niet afgeschreven en zeker nog de te kloppen sprinter, raakte bij het WK als slotloper op de 4x100 meter geblesseerd aan zijn bovenbeen en kon niet meer verder. Bolt krabbelde na een tijdje weer op en liet zich vervolgens toejuichen door de 56 000 toeschouwers in het olympisch stadion. Hij gaat ondanks zijn mislukte laatste sprintoptredens met pensioen als de snelste en meest gelauwerde atleet ooit.

N

IN

tekst 1

Naar: De Morgen, www.demorgen.be

VA

Naar: www.sporza.be

Naar: Het Laatste nieuws, www.hln.be

2 Vertellen de onderstreepte stukken hetzelfde?

©

354

woord

de blessure: een verwonding of een letsel de grimas: een vertrokken gelaatsuitdrukking waarbij te zien is dat iemand pijn heeft de carrière: een loopbaan, de activiteiten op vlak van sport of in beroepsverband die iemand heeft uitgevoerd door de jaren heen triomferen: zegevieren, de overwinning behalen en dat tonen in mineur: in een sombere stemming, niet vrolijk de hamstring: een spier aan de onderkant van het dijbeen fenomenaal: verbazingwekkend de anticlimax: een hoogtepunt dat uitblijft aan het einde van een verhaal lauweren: verheerlijken

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


OPDRACHT 4

Zoek zelf één of meer nieuwsthema’s en vergelijk ze met elkaar.

Geven verschillende bronnen dezelfde informatie? Vergelijk de bronnen met elkaar en maak er een nieuw stukje van met de informatie die jij vertrouwt. Vind je niet vlot bronnen over hetzelfde onderwerp? Dan kun je aan de slag met de nieuwsberichten die je leraar je bezorgt. Het onderwerp in de teksten is Gelijkenissen over het onderwerp zijn zijn er verschillen tussen de teksten. Dan gaat het over

2

Herhalingen vermijden OPDRACHT 5

Ontdek de voornaamwoorden.

IN

Over

N

1 Lees het fragment uit tekst 1 opnieuw. Een afscheid in schoonheid, het was Usain Bolt niet gegund. Nadat Usain Bolt de finale op de 100 meter al verloor, droop Usain Bolt op het WK atletiek met lege handen af nadat Usain Bolt zelf met een blessure moest opgeven in de finale van de 4x100 meter.

VA

a Over wie gaat het?

b Welke woorden geven dat aan? Markeer ze.

c Welke andere woorden worden in de oorspronkelijke tekst op p. 354 gebruikt om naar Usain Bolt te verwijzen?

d Welke van die woorden vervangt de naam van een persoon en is een persoonlijk voornaamwoord?

e Markeer in deze tekst de persoonlijke voornaamwoorden. Achterstevoren

©

Nina is een kind van negen jaar en zij kan andersom praten. In een tv-programma liet Nina zien wat ze kan: ieder woord dat jij tegen haar zegt, kan ze moeiteloos omdraaien. Ken je haar? Achterstevoren praten is een kunstje dat mensen al heel lang doen. Oude mensen hebben dat geleerd tijdens de oorlog. Ze praatten Nederlands, maar doordat ze alles andersom zeiden, kon de vijand het niet verstaan. Hij vermoedde zelfs niets. Als je woorden andersom zegt, zijn ze soms moeilijker uit te spreken. Draai bijvoorbeeld krant om en je krijgt tnark, met een rare tn aan het begin. Ook Jeroen, een jongen van 13, kan het vlot. Als je goed naar hem luistert, hoor je nog meer vreemde dingen: als hij slingeraap omdraait, zegt hij paaregnils, met gn als twee verschillende klanken: g en dan n. Maar in slingeraap zeg je niet eerst een n en dan een g, maar je spreekt ze samen uit, als één klank achter in je keel. Willen we hem nadoen? Ik wil het wel eens proberen. Zoeken we samen naar een oefenmoment? Laat je mij iets weten? Naar: www.onzetaal.nl

LES 1 Surfen en liken

355


f

Plaats de voornaamwoorden die je markeerde op de passende plaats in de tabel. Vul de tabel daarna verder aan met de ontbrekende voornaamwoorden. HET PERSOONLIJK VOORNAAMWOORD persoon

als onderwerp

1

enkelvoud

ik Bv. Vandaag ga ik zwemmen.

2

enkelvoud vertrouwelijk

als ander zinsdeel mij/me Bv. Els heeft mij zien zwemmen.

3

enkelvoud mannelijk enkelvoud vrouwelijk enkelvoud onzijdig

1

meervoud

2

meervoud vertrouwelijk meervoud beleefd meervoud

N

3

IN

enkelvoud beleefd

wat

Voornaamwoorden

VA

Voornaamwoorden zijn verwijswoorden. Ze verwijzen naar andere woorden in een zin. Ze vervangen andere woorden en zorgen voor variatie of afwisseling. Een tekst wordt vlotter en aangenamer om te lezen: de vervelende herhalingen zijn er niet meer. Bv. De atleet wint de sprint. Bovendien loopt de atleet een wereldrecord. g De atleet wint de sprint en bovendien loopt hij een wereldrecord. De ploegdokter loopt naar de geblesseerde speler en de ploegdokter verzorgt de geblesseerde speler. g De ploegdokter loopt naar de geblesseerde speler en hij verzorgt hem.

©

De vetgedrukte woorden zijn persoonlijke voornaamwoorden.

+

OPDRACHT 6

356

Markeer in teksten 1, 2 en 3 bij opdracht 3 alle persoonlijke voornaamwoorden.

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


OPDRACHT 7

Zorg voor variatie.

Onderstreep de herhaling. Gebruik een passend persoonlijk voornaamwoord voor de herhaling. 1 Op een dag deed Gert een ontdekking. Gert zag dat geurige hapjes tussen het riet dreven. 2 Het was een perfecte morgen. Het licht drong door tot op de bodem van de rivier. Het licht kleurde de wereld in allerlei tinten.

IN

3 De meisjes hielden hun ogen wijd open. Luid zongen de meisjes vrolijke liedjes.

4 De wind doet het water rimpelen.De wind zingt een schitterend melodietje.

5 In mijn leven is vriendschap één van de mooiste waarden. Vriendschap biedt twee vrienden veel levensvreugde.

OPDRACHT 8

N

Waar verwijs je naar?

Onderstreep de persoonlijke voornaamwoorden en markeer in de tekst waarnaar het verwijst.

VA

In verschillende landen bestonden ze al en nu dus ook in Italië: de pizza-automaten. Eén duw op de knop en enkele minuten later verschijnt er een vers gebakken pizza, zonder dat je daarvoor enig menselijk contact moet ondergaan. Een pizza bestellen wordt dus net zo makkelijk als een blikje frisdrank uit de automaat halen. Mr Go Pizza Hoewel er in de meeste gevallen nauwelijks aandacht wordt besteed aan zo’n automaat, is dat in Rome anders. Mr Go Pizza, zoals de eerste Italiaanse pizza-automaat heet, verscheen enkele weken geleden in het Romeinse straatbeeld. Hij doet al heel wat stof opwaaien. Nochtans beweert initiatiefnemer Massimo Bucolo dat de vier pizza’s die hij aanbiedt, gemaakt worden met ingrediënten van de beste kwaliteit. Maar een pizza klaargemaakt door een machine, daar kunnen de Italianen niet mee lachen. Zij zien die automaat liever niet in Rome verschijnen! Of de automaat veel succes zal hebben bij de lokale bevolking, valt dan ook te betwijfelen.

©

Naar: ‘Ophef in Italië: Rome krijgt een eerste pizza-automaat en daar is niet iedereen blij mee’, www.metrotime.be

LES 1 Surfen en liken

357


OPDRACHT 9

Zoek welk woord het verwijswoord vervangt.

Onderstreep de verwijswoorden. Trek een pijl van het verwijswoord naar de woorden die ze vervangen. Dieren in het wild zijn een inspiratiebron voor ons, maar ze zijn ook onontbeerlijk om de natuur en ons welzijn in evenwicht te houden. ‘Bedreigde diersoorten’, www.wwf.be

De gemiddelde persoon doet er goed aan om het haar om de twee à drie dagen te wassen. Maar er is niet echt een algemene regel. Het hangt ervan af of je al dan niet een vette hoofdhuid hebt en hoe je

IN

comfortgevoel is, hoe je hoofdhuid aanvoelt. Wanneer je haar gestyled is, kun je soms wat langer wachten om het te wassen. Er wordt in elk geval aanbevolen om het nooit langer dan twee weken niet te wassen. Naar: ‘Hoe vaak moet je je haar wassen?’, www.gezondheid.be

OPDRACHT 10

Onderstreep de voornaamwoorden.

Onderstreep in het fragment uit Mijn vader maakt wapens van Geert Spillebeen de persoonlijke voornaam­ woorden.

VA

N

Hoggy was een warme ziel. Ze was ons tweede moedertje. Die arme kindermeid wist soms geen raad met al mijn vragen. Waarom de olifant zo’n klein staartje had en waar de zebra zijn strepen vandaan haalde, dat wist ik al. Hoghart pikte die weetjes gewoon uit onze huisbibliotheek. Daar stonden die gekke, fabelachtige boeken van Rudyard Kipling. We hadden ze allemaal. Hoggy las me er al uit voor toen ik amper kon lopen. Grappig en razend spannend. G. Spillebeen. Mijn vader maakt wapens. Wielsbeke, De Eenhoorn

OPDRACHT 11

Vul aan met een voornaamwoord.

©

Vul in de tekst ‘De cello van mevrouw Rozas’ de ontbrekende en passende persoonlijke voornaamwoorden aan. De dromerige Orfeo beleeft een moeilijke tijd. Zijn vader is weg, zijn moeder heeft verdriet en op school wordt       gepest.       vlucht in zijn eigen wereld, waar geluid centraal staat. Geluiden die       raken, noteert       in een boekje. Op een dag ontmoet       de oude mevrouw Rozas. De klank van haar cello fascineert      .      is dan ook verrukt als      aanbiedt hem celloles te geven. Maar waarom speelt       zelf nooit meer op het instrument? Waarom praat       niet graag over vroeger? Pas na haar dood ontrafelt Orfeo het geheim van mevrouw Rozas en haar cello. P. De Loof. De Cello van mevrouw Rozas. Waasmunster, Abimo

358

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


OPDRACHT 12

Onderzoek ook deze voornaamwoorden.

1 Lees de zinnen. Na ongeveer vijftig meter in zijn spurt greep de atleet naar zijn linkerbil. Hij zei: ‘Helaas heb ik nu een spierscheuring in mijn hamstring.’ a Over wie wordt hier iets verteld? b Van wie zijn die linkerbil en die hamstring?

2 Vul de ontbrekende woorden in.

IN

c Welke woorden duiden aan dat iets het bezit is van iemand?

De fiets is van Sarah.

Het is Sarahs fiets.

Het is         fiets.

De auto is van opa.

Het is opa’s auto.

Het is         auto.

wat

N

Voornaamwoorden Naast persoonlijke voornaamwoorden bestaan er ook bezittelijke voornaamwoorden. Ze geven aan dat iets het bezit is van iemand of aan iemand toebehoort.

VA

Bv. Mijn zus verkocht haar fiets aan haar vriendin.

OPDRACHT 13

Lees deze ‘weetjes’ en ‘berichtjes’.

a Markeer alle bezittelijke voornaamwoorden.

1 Een zeester ‘ruikt’ haar prooi door met haar pootjes te wapperen.

2 Mijn eerste wedstrijd op topniveau was meteen geslaagd! 3 Slingerapen kunnen met hun staart net zo goed voelen als met hun vingers. 4 Om zijn groeiende tanden kort te houden moet een bever blijven knagen.

5 Weefmieren gebruiken hun kinderen als lijmtube tijdens het bouwen van hun huis.

©

6 Eenzaam op jouw hotelkamer? Huur een goudvis voor 3,50 euro per nacht. 7 Uw tuin een opknapbeurt geven? Bel ons voor een afspraak!

LES 1 Surfen en liken

359


b Plaats de bezittelijke voornaamwoorden die je markeerde op de passende plaats in de tabel. c Vul de tabel verder aan met de ontbrekende voornaamwoorden.

tip Houd rekening met het verschil tussen jou en jouw en tussen u en uw. Bv. Dat boek is van jou. Het is dus jouw boek. Die auto is van u. Het is dus uw auto.

HET BEZITTELIJK VOORNAAMWOORD bij een zelfstandig naamwoord

IN

persoon enkelvoud

mijn boek / fiets

2

enkelvoud vertrouwelijk

boek/fiets

enkelvoud beleefd

boek/fiets

enkelvoud mannelijk

boek/fiets

enkelvoud vrouwelijk

boek/fiets

enkelvoud onzijdig

boek/fiets

1

meervoud

boek (het boek)/       fiets (de fiets)

2

meervoud vertrouwelijk

boek/fiets

meervoud beleefd

boek/fiets

meervoud

boek/fiets

3

VA

3

N

1

OPDRACHT 14

tip

Gebruik nooit twee keer het woord jullie na elkaar. Bv. Hebben jullie je boeken? jullie jullie

Lees ‘Mijn vader maakt wapens’ opnieuw.

©

Markeer de bezittelijke voornaamwoorden in het fragment bij opdracht 10. Doe dat ook in de tekst bij opdracht 11.

waarheen

Je kunt: • • • •

360

nieuwsberichten over hetzelfde onderwerp met elkaar vergelijken; vragen over online teksten correct beantwoorden; nieuwsberichten en online teksten beoordelen; persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden op een correcte manier gebruiken.

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


Een nieuwsbericht voor de klas Breng per twee een korte uiteenzetting over een artikel.

Oriënteren

o

v

u

r

Voorbereiden

o

v

u

r

IN

1 Je vertelt daarbij vooral de hoofdzaken. Je leest en selecteert de gevonden informatie kritisch. Beperk je tot een drietal minuten.

2 Zoek een kort artikel over een actueel nieuwsitem in een (online) tijdschrift of krant. Het onderwerp bepaal je zelf. Denk bij de keuze aan je publiek en kies een passend onderwerp. 3 Zoek in verschillende bronnen informatie over het nieuwsitem. Vergelijk die artikels of nieuwsberichten met elkaar. Bepaal welke betrouwbare elementen je uit de artikels overhoudt. Maak met die betrouwbare gegevens een nieuw, maar kort nieuwsbericht.

Uitvoeren

tip

Kijk op websites van kranten of van journaals.

N

4 Duid sleutelwoorden aan die je tijdens de uiteenzetting kunt gebruiken.

o

v

u

r

VA

5 Maak een eenvoudige mindmap met PowerPoint (of Prezi, of een ander presentatiepakket dat je kent). Selecteer een drietal beelden die je presentatie ondersteunen.

Reflecteren

o

v

u

r

6 Hoe ging het?

©

In orde Je traject naar succes

jij

je klasgenoot

Je kiest een passend onderwerp voor een korte uiteenzetting. 1 2 3 4

1234

Je zoekt en selecteert op een vlotte manier informatie.

1234

1234

Je vergelijkt artikels met elkaar en kiest er de belangrijke elementen uit.

1234

1234

Je maakt een gestructureerde en overzichtelijke mindmap.

1234

1234

Je presentatie is duidelijk en goed van lengte.

1234

1234

Je werkt op een vlotte manier samen met een klasgenoot.

1234

1234

Je luisterhouding is correct tijdens de andere presentaties.

1234

1234

Werkpuntje voor jezelf:

LES 1 Surfen en liken

361


les

Expressief met taal

2

KUNST VAN voorlezen ’toepassen’: articulatie, tempo, intonatie ...

verhalen delen

eigen mening geven

luisteren EN EXPRESSIEF VOORLEZEN

1

N

IN

feedback geven

Liken, likete, geliket OPDRACHT 1

Bekijk het filmpje. Formuleer je mening.

VA

1 Noteer onder de zes emoji wat ze betekenen.

©

2 Lees de verzen of gedichten en teken er een emoji bij. Geef je mening.

A

LEES op en neer

Anoniem

362

blij: ik zeg dan

Ik denk aan jou

mij? aan jij Denk

B

C

J. ’t Lam

Anoniem

Je gezicht is je eigen weerbericht als je in de spiegel kijkt kun je je eigen bui zien hangen.

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken

Goede morgen maandag Hoe gaat het met dinsdag? Doe de groeten aan woensdag; En zeg tegen donderdag, Dat ik met de trein van vrijdag, Zaterdag en zondag kom logeren.


D

E

Toen Tim in de wiskundeles plots ernstig vroeg waarom de school zo rechthoekig was schaterde de klas het uit.

De kat speelt viool op een oude zool; en de koe klept met de klepel.

Gedurende de Franse les zocht hij ernstig naar het ezelsbruggetje op een landkaart. De klas lachte luid.

De hond slaat de trom op een ijzeren kom en de schotel schudt de lepel.

Bij de les geschiedenis beet Tim ernstig de punten van zijn kleurpotloden af en vroeg om ketchup. Enkelen lachten.

Maar de wakkere haan springt over de maan, en alles houdt op met zingen.

Nachtmuziek

Tijdens het middagmaal at Tim ernstig met mes en vork zijn wiskundeboek. Eén lachte. Te luid. Toen de leraar Nederlands ernstig vroeg waar Tim was lachte niemand meer.

IN

Ernstig mis

F

Dolfijn

J. Vercammen. Ik ben ik. Hasselt, Heideland

N

D. Billiet. Op de vlucht voor een landkaartje. Leuven, Davidsfonds/Infodok

Wat zou jij gedaan hebben had je die haan over de maan zien springen?

VA

Als ik een wens mocht doen, zou ik wensen dat ik een dolfijn was in een schone blauwe zee. Pats het water in, pats het water uit, pats het water in, pats het water uit, pats het water in, pats het water uit, pats het water in, pats het water uit, pats het water in, pats het water uit, tot het donker wordt. H. van Reek. L.I.K. Amsterdam, Querido

a Van welk gedicht houd je het meest? Vertel waarom je ervan houdt. b Welk gedicht vind je het minst aantrekkelijk? Waarom is dat zo? c Welk gedicht maakt je verdrietig en/of boos? Hoe komt dat? d Welk gedicht tovert een glimlach op je gezicht? Vertel waarom. e Ken je een gedicht dat je aan het lachen brengt? Breng het mee. Welk gedicht of rijmpje zou je graag willen voordragen?

©

f

3 Wie bewonder jij omdat hij vlot, mooi en goed Nederlands spreekt? Waarom vind je dat? Hoe spreekt hij dan? Ik bewonder omdat

Wie bewonder jij omdat hij boeiend kan voorlezen? Ik bewonder omdat

LES 2 Expressief met taal

363


4 Bekijk en beluister de verschillende fragmenten in het filmpje. Iemand leest voor uit … a Kies wat je wilt beoordelen. Teken één duimpje in de juiste kolom. de inhoud (van het fragment)

de houding (gezicht, handen …)

de taal (van de voorlezer)

b Als je gekozen hebt, zoek je in de klas iemand die hetzelfde koos en beoordeel je samen.

Je koos voor inhoud. 1 de luisteraar.

Denk na over …

IN

c Als je de drie voorleesfragmenten hebt beoordeeld, kun je samen voor jouw deel criteria noteren. Gebruik daarvoor de emoji op p. 362.

2 het onderwerp.

1 het lichaam.

VA

Denk na over …

N

Je koos voor houding.

2 het gezicht en de handen.

Je koos voor taal.

1 de stem.

©

Denk na over …

364

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken

2 de verstaanbaarheid.


5 Welk voorleesmoment vond jij het tofst? Verantwoord je keuze. a Formuleer je mening in één of twee duidelijke zinnen. De woorden in het kader kunnen je helpen om je boodschap nauwkeurig te verwoorden. Met ‘goed’ als antwoord weet de voorlezer te weinig over zijn prestatie. het voorleesmoment (in zijn geheel beoordelen) schitterend – boeiend – interessant – ontroerend – verstaanbaar – verrassend – expressief – rustig – dynamisch – luid – gevoelig – stil

IN

b Lees de beoordeling van je klasgenoot. Noteer er een emoji bij en verduidelijk je keuze. 6 Wanneer is iemand een prima voorlezer? Som de belangrijke voorwaarden op.

hoe

Voorlezen

Voorlezen draait rond gedeeld plezier, gedeeld verdriet, gedeelde verhalen.

N

Daarom is een boeiende tekst van het grootste belang, maar ook een gepassioneerde voorlezer. Die zet zijn lichaam en mimiek in om de personages tot leven te brengen. Hij lacht om hun gekke, grappige of guitige streken. Je noemt het expressie.

VA

Bovendien zijn intonatie en een gepast spreektempo noodzakelijk: ze dragen bij tot de betekenis van het verhaal. Spreek rustig en duidelijk, zodat de luisteraar de tijd krijgt om het verhaal te begrijpen. De goede voorlezer zoekt vooraf uit waar hij pauzes zal inbouwen of wanneer hij zijn stem tot een spannend volume kan laten dalen. Hij kleurt zijn taal met vrolijkheid, spanning of verdriet waar het verhaal dat vraagt.

Word jij als voorlezer geliket? OPDRACHT 2

Onderzoek hoe je voorlezen tot een succes maakt. Wat doe je vóór het lezen?

©

2

1 Bekijk het instructiefilmpje en let vooral op de tips die van jou een goede voorlezer maken. 2 Lees de tekstfragmenten en kies een voorleestekst op basis van de tips in het instructiefilmpje. Mijn tekstkeuze:

Ik koos dat fragment omdat

woord

dynamisch: de dynamiek of de beweging betreffend, vol kracht gepassioneerd: hartstochtelijk, met hartstocht, met passie

LES 2 Expressief met taal

365


OPDRACHT 3

Denk na over wat je enkele minuten voor het voorlezen kunt doen.

1 Vertel vooraf kort iets over de inhoud van het verhaal. Daarbij is een mindmap of spreekblaadje handig. 2 Hoe ga je te werk? Beantwoord de vragen en noteer met sleutelwoorden wat je de luisteraars wilt vertellen. Start met het opzoeken van informatie. a Wie is de auteur? Wat is de titel van het boek of het verhaal? b Welke personages zijn belangrijk voor het fragment? c Wat gebeurt er in het verhaal? Wat is het onderwerp van het verhaal? e Waarop moeten de luisteraars letten?

OPDRACHT 4

IN

d Waarom wil je dat fragment voorlezen?

Lees wat je doet tijdens het voorlezen.

1 Stip aan wat voor jou meer inspanning vraagt.

hoe

Tijdens het voorlezen

VA

N

 Start met een buikademhaling, zodat je wat rustiger wordt en je stem kracht krijgt.  Lees het verhaal rustig, duidelijk en expressief voor. De gepaste mimiek en het gevoel dat je in je stem steekt (of de stemkleur) zullen je zeker helpen.  Gebruik de mogelijkheden van je stem, maar maak er geen toneelstukje van.  Maak af en toe gebaren om de woorden te ondersteunen.  Las soms bewust een pauze in.  Let op hoe je het boek vasthoudt. Laat je gezicht er niet achter verdwijnen.

2 Dit is het vervolg van het voorgelezen verhaal over de edelhond. Kies om beurten een fragment van het verhaal. Lees het voor. Een klasgenoot beoordeelt je.  Melchior deed er het zwijgen toe. Balthasar stond op om meer hout te halen. Ze sliepen onder de blote hemel. In het oosten pinkte de ster die ze waren gevolgd. ’s Nachts was het koud in de woestijn. De hazewind rilde als een riet. Het knechtje was klaar met zijn werk en ging een beetje verderop naast het vuur liggen om te slapen. Hij rolde zich in zijn mantel tot alleen een stukje van zijn kroeshaar zichtbaar bleef.

©

 ‘Kom hier’, lokte Caspar de hond met een restje vlees dichterbij. Het dier liet zich niet verleiden. Het at slechts wat de meester hem gaf. Hij was een edelhond, geen bedelhond. Hij kroop bij Balthasar onder het deken en krulde zich op. Zijn neus raakte zijn staart. Hij hoorde de mannen praten over de ster en over alle hemellichamen die ze kenden: Jupiter, Venus, Saturnus, Mars. De hond dommelde weg. Hij trok met zijn poten in zijn slaap. Het knechtje droomde ook. Hij jammerde zacht.  ‘Sirius’, zei Balthasar en de hazewind bewoog zijn oren, omdat hij zijn naam herkende. Maar de prins van Shaba had wat anders bedoeld. Hij wees naar het sterrenbeeld van de Grote Hond, dat helder aan de hemel schitterde. Zo zwart als de nachtelijke koepel was, zo wit fonkelde één ster meer dan alle andere. ‘Sirius’, herhaalde Balthasar en deze keer legde hij toch zijn hand op de kop van het dier. Caspar keek nog wel even opzij. Maar Melchior bleef naar de hemel staren. P. Gaudesaboos, S. vanden Heede, J. van Leeuwen, C. Cneut, J. Devrome & S. Van Doninck. Dierbaar, Spannende en aaibare dierenverhalen en -gedichten. Tielt, Lannoo

366

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


3 Deze oefeningen kunnen je helpen. a Ademhaling Als je spreekangst hebt of nerveus bent om voor een groep te spreken, dan kunnen ademhalingsoefeningen je helpen om rustig te worden en de juiste spreekadem te vinden. • • • •

IN

Adem rustig in via je neus alsof je even aan een bloem ruikt. Laat je adem zachtjes ontsnappen alsof je een kaars langzaam uitblaast. Adem een aantal keren via de neus in en uit. Leg je handen op je buik. Laat bij een inademing je buikspieren wat verslappen. Bij de uitademing en het spreken zorg je voor spierspanning, waardoor je stem meer kracht krijgt.

b Articulatie

Je hoeft niet luider te praten om verstaanbaar te zijn, maar je moet wel goed articuleren: spreek klanken, lettergrepen en woorden nauwkeurig en duidelijk uit. Deze tongbrekers kunnen je helpen om goed te articuleren. Oefenen maar!

De slome slak eet slappe sla. Gooi geen groene groenten in de grote gracht. Leentje leerde Lotje lopen op de lange Lindelaan. Maar omdat Lotje niet wilde lopen, liet Leentje Lotje staan. Ruud rups raspt rap rode ronde radijsjes. Un chasseur sachant chasser chasse sans son chien. The big black bear bit the big black bug, made the big black bear bleed blood.

N

• • • • • •

c Intonatie, klemtoon, inlassen van pauze en expressie

VA

De kwaliteit van je stem en de juiste lichaamstaal zorgen ervoor dat een boodschap blijft hangen. Bereid je voor met deze tips. •

©

Markeer in de tekst op welk moment je gelaatsuitdrukking of mimiek verandert en wanneer je eventueel je handen gebruikt om de woorden te ondersteunen. Herlees de tekst in stilte en duid aan wanneer je een pauze wilt inlassen. Vergelijk met je klasgenoot of hij op hetzelfde moment pauzes inlast. Lees opnieuw voor en beoordeel elkaar. Lees de tekst voor met een heel boze stem, een blije stem, een angstige stem … Verandert je mimiek terwijl je dat oefent? Welke verschillen merk je nog op? Beluister elkaar en beoordeel de intonatie, de klemtoon, het inlassen van pauzes en de expressie.

LES 2 Expressief met taal

367


jij

je leraar

Je toon varieert voldoende. Je durft spelen met de toonhoogte of intonatie.

1234

1234

Er klinken gevoelens in je stem: angst, boosheid, vreugde …

1234

1234

Je last voldoende pauzes in. (tempo)

1234

1234

Je handen ondersteunen de boodschap.

1234

1234

Je stem klinkt zacht, luid, stil … (volume)

1234

1234

Je mimiek wisselt.

1234

1234

Je articuleert goed.

1234

1234

Werkpuntje voor jezelf:

IN

In orde Je traject naar succes

Als het goed lukt, vraag de leraar dan om je ademhaling, articulatie, stemvolume en tempo te controleren. Daarna start je met de volgende opdracht. OPDRACHT 5

Voorlezers gevraagd. Oefen met zijn vieren.

N

1 Je oefent deze fragmenten. Je bereidt je voor met de opgegeven tips. Op diddit staan nog andere fragmenten die je kunt oefenen.

A

VA

‘Hebbes!’ juichte Derek, terwijl hij de slang achteloos in het midden vastpakte. Vanaf dat moment ging niets meer volgens het script. Zoals Mickey had verwacht, ging Bijter volledig door het lint. Eerst beet hij Derek in zijn ene arm en toen in de andere arm. Hij beet hem in zijn pols. En hij beet hem zelfs in zijn kin. ‘Jeminee’, jammerde Derek telkens, maar hij liet niet los. C. Hiaasen. Hap! Rotterdam, Lemniscaat

B

Ik fietste naar huis, ging door de voordeur naar binnen, deed hem heel zacht achter me dicht, sloop naar binnen en de trap op. Ik ging op bed liggen, onder het dekbed dat ik ver over me heen trok. Wat is er gebeurd? Wat had hij gezegd? Is hij verliefd? Op wie? Niet op mij? Was er niks? En die kus dan? En onze voeten die elkaar raakten onder de tafel? Waren het alleen maar voeten en had ik de rest erbij bedacht?

©

A. Kranendonk. Lynn! Rotterdam, Lemniscaat

waarheen

Je kunt: • • • •

368

een literair fragment expressief voorlezen; je toon, tempo, articulatie, ademhaling en stemvolume aanpassen aan de voor te lezen tekst; genietend luisteren en een eigen oordeel formuleren over het voorgelezen fragment; medeleerlingen positieve feedback geven na een voorleesbeurt.

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


De grote voorleesronde Je leest expressief een literair fragment voor aan je klasgenoten.

Oriënteren

o

v

u

r

1 Kies uit drie opdrachten. a Je leest in de klas voor.

IN

b Je leest voor in een vlog. Die opdracht pak je in duo’s aan. Zoek een medeleerling en beslis samen waarover je zult voorlezen. c Je leest voor aan een groepje leerlingen.

Je kunt een vlog snel en makkelijk in elkaar zetten, maar daar moet je wel enkele dingen voor weten. Wil je een vlog maken? Bezoek dan de website op diddit en let op de tips.

Voorbereiden

o

v

u

r

2 De keuze van het literair fragment is belangrijk. Denk daarbij aan deze elementen. Je leest enthousiaster als het fragment je werkelijk boeit. Je bereidt je voor aan de hand van de criteria in het reflectiekader. Oefening baart kunst! Hoe meer je oefent, hoe beter je kunt voorlezen.

o

v

u

r

VA

Uitvoeren

N

• • •

O Ik lees voor in de klas. O Ik lees voor in een vlog. O Ik lees voor aan een groepje leerlingen.

©

Ik werk samen met

LES 2 Expressief met taal

369


Reflecteren

o

v

u

r

3 Je geeft positieve feedback en baseert je daarvoor op deze symbolen.

Je past het volume aan de tekst aan. Je leest voldoende luid.

Je vindt de juiste toon en klemtoon.

IN

Je mimiek verrast de Er zit vaart en rust in luisteraar. het verhaal: het gepaste tempo.

Je last de juiste pauzes in.

Je leest expressief voor!

VA

N

Je handen ondersteunen de boodschap.

De inhoud verbaast me.

De inhoud is geweldig.

Je leverde een schitterende prestatie!

4 Hoe ging het?

In orde Je traject naar succes

je klasgenoot 1234

Er zit vaart en rust in het verhaal: het gepaste tempo.

1234

1234

Je past het volume aan de tekst aan. Je leest voldoende luid.

1234

1234

Je vindt de juiste toon en klemtoon.

1234

1234

Je articulatie is verzorgd.

1234

1234

Je last de juiste pauzes in.

1234

1234

©

Je mimiek en het bewegen van je handen verrassen de luisteraar. 1 2 3 4

Werkpuntje voor jezelf:

Werkpuntje voor je klasgenoot:

370

jij

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


les

Wie zijn ze?

3

leesvoorkeur aangeven

karaktereigenschappen personages beschrijven

stripverhaal en jeugdboekfragment beoordelen

Veel of weinig karakter hebben OPDRACHT 1

Bekijk de stripplaatjes.

letterlijk en figuurlijk onderscheiden en begrijpen

IN

1

(Facebook)profiel MAKEN

1 Lees de karakterbeschrijving van de stripfiguren en combineer die met de stripplaatjes. Over wie gaat het? karakterbeschrijving

stripplaatjes

A

2

Ze is een geweldige moederfiguur en tante. Ze sleurt haar neefje en nichtje dikwijls mee op avontuur. Ze heeft een boon voor …

B

3

Hij is een echte ijdeltuit en wil altijd de held zijn. Als dat niet lukt, ligt hij dwars, zeker als een ander met de eer gaat lopen. Hij heeft een goed hart en schiet iedereen te hulp.

C

©

VA

1

N

Zij is stoer en vrolijk en heeft een grote mond, maar wel een klein hartje. Soms is ze jaloers, dikwijls erg nieuwsgierig en altijd heeft ze zin in avontuur.

4

Deze dubbelgespierde borstkas kan elke boef de baas en heeft een hart van goud. Hij komt uit de oertijd, dus weet niemand hoe oud hij is. Hij is slim, spreekt een beetje raar en heeft veel geduld.

D

5

Je vindt geen slimmere professor. Met zijn teletijd­ machine kun je door de tijd reizen. De striphelden vliegen de hele wereld rond in zijn Gyronef. Hij is meestal zeer ernstig, maar dikwijls ook verstrooid.

E

LES 3 Wie zijn ze?

371


Hij is supercool, houdt van gamen en voetbal en het 6

beleven van spannende avonturen. Hij is dapper en slim en springt voor iedereen in de bres. Hij is een

F

echte held. W. Vandersteen. De stoute steenezel. Antwerpen, Standaard Uitgeverij/WPG Uitgevers België 2

3

4

5

6

IN

1

2 Welke stripfiguur past het best bij jouw karakter? Waarom vind je dat?

OPDRACHT 2

Bekijk de cover en lees de titel.

1 Voorspel wat je verwacht te lezen. Noteer vijf kernwoorden.

2 Lees het achterplat en ga na of je voorspelling ermee overeenstemt.

N

a Wat kom je nog meer te weten? b Markeer het in de tekst.

VA

Een wonderkind, zo wordt Clara (14) genoemd. Als pianiste wordt ze overal toegejuicht. Tot het tijdens een belangrijk concert fout gaat. Heel erg fout … Pas een maand later kan Clara weer naar school. Het pianospelen heeft ze opgegeven. Maar aan de schoolpoort komt alles weer boven: het fatale concert, het urenlange studeren en natuurlijk de muziek. Verward trekt Clara de stad in, samen met haar vriendin Sofie (17), een wereldwijs fotomodel. De hele dag dolen ze rond in Brugge, de stad vol schoonheid en herinneringen.

Lees dit fragment uit De schoonheid van Clara.

©

OPDRACHT 3

1

5

10

372

Wel een uur slentert Clara rond. Eigenlijk weet ze helemaal niet waarheen. Ze kan niet terug naar huis, nu tenminste nog niet. Eerst kan ze maar beter een goede uitleg verzinnen waarom ze vanmorgen de schoolpoort voorbij is gelopen. Of moet ze weer bekennen dat ze de deur van het verleden niet heeft durven dichtslaan? Voor het eerst in een maand loopt ze zomaar in de stad rond, zonder plan, zonder doel. Ze ziet er best beeldig uit, in haar simpele blauwe schooluniform. De spray op haar kapsel houdt perfect: de ene sliert haar valt voor haar gezicht, de andere los op haar schouder. Het haar verdeelt haar gezicht in twee delen, en zo voelt ze zich ook: ze bestaat voor een deel uit de Clara van voor het ongeval en een deel uit de Clara van erna. Hoe langer ze rondloopt, hoe meer de stad op haar drukt. Iedereen in deze stad is met het verleden bezig: de toeristen met hun plannen vol historische bezienswaardigheden, de winkels met prenten en ansichtkaarten van eeuwenoude gebouwen, de musea pronken met beelden en schilderijen uit een tijd die al lang voorbij is. In deze stad vol verleden kan Clara niet anders dan aan vroeger te denken. En de toekomst? Tja … Ze ziet een spreuk op een witgekalkte muur, onder een gouden Mariabeeldje dat twee meter hoog in een glazen kastje hangt:

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


15

Waarom angst hebben voor de toekomst? Was het verleden dan zo mooi? Het passeert in een flits, net zoals het gezin met twee jonge meisjes die op een brugje een foto van elkaar maken. Het ene meisje draait zich koket naar de camera en trekt gekke gezichten. Ze lijkt op Clara toen ze zo oud was en toen alles nog zo simpel leek.

Te koop.

30

Clara staart naar de affiche voor het raam van een failliete winkel in de Mariastraat. In het duister ziet ze de contouren van roerloze meubels. Het fluorescerende oranje van de affiche vloekt ermee. Er gaat iets triests van uit, van de lege winkel, en van de affiche. Clara denkt aan hoe de uitbater de affiche heeft opgehangen. Hoe hij zijn winkel voor de laatste keer afsloot, om nooit meer open te doen. Die man had letterlijk de deur van het verleden dichtgeslagen. Te koop.

Mislukt, had er ook kunnen staan. Mislukt, zoals Clara. Gefaald op wat het belangrijkste moment uit haar leven moest worden: de wedstrijd die de start van een grote carrière zou inluiden. Clara was zomaar weggelopen van het podium, middenin dat ene stuk dat ze zo goed kon spelen, dat ze al honderden keren had gespeeld, zelfs voor hem. Niemand had het kunnen geloven. Niet Clara. Niet zij, het meisje met zoveel talent.

VA

35

IN

25

Clara zweeft door de straten, gedragen door herinneringen aan de voorbije jaren. Ze denkt aan de piano, waar ze sinds een maand niet meer heeft op gespeeld. Ze denkt aan papa, die niet met haar lijkt te durven praten en met geen woord over het ongeval of de piano rept. En als ze door de Stoofstraat loopt, het smalste straatje van de stad, denkt ze aan Sofie. Wat was het lang geleden dat ze hier hadden gelopen. Wat was Sofie toen trots geweest dat ze links en rechts de muren kon aanraken als ze haar armen spreidde. Makkelijk zat – Sofie was drie jaar ouder. Clara probeerde het nu ook, maar nog altijd kwam ze net te kort.

N

20

Talent.

40

45

Dat was het woord waar alles om draaide sinds ze als kleuter de pianoklas was binnengekomen en die ene noot had aangeslagen die alles zou veranderen. Clara had Talent, met een hoofdletter. Dat leek eerst wel handig: je kon alles beter en sneller dan de rest. Het ging vanzelf, je hoefde er niet eens veel moeite voor te doen. Het leek wel ademen: dat kon je ook zonder dat je het ooit had hoeven te leren. Maar aan al dat Talent zat een groot nadeel: het was nooit genoeg, het kon altijd beter. Je kon hetzelfde liedje nog wel een beetje sneller spelen, of een beetje anders. Er was altijd wel een noot die nog mooier kon, of harder of zachter. Alles kon. Alles moést kunnen. P. De Loof. De schoonheid van Clara. Waasmunster, Abimo

©

1 Beantwoord de vragen. Bespreek samen. Je hoeft niet elk antwoord te noteren. Welke woorden passen bij Clara? Markeer ze in het kader. Waarom koos je die woorden? betrouwbaar of onbetrouwbaar – gevoelig of gevoelloos – eigenwijs of gehoorzaam – talentvol of talentloos – angstig of dapper – tobberig/piekerend of zorgeloos – zenuwachtig of ontspannen/relaxt – gelukkig of ongelukkig – wanhopig of hoopvol – nieuwsgierig of ongeïnteresseerd – blij of verdrietig – zelfverzekerd of onzeker …

woord

de contour: de omtrek fluorescerend: fluoresceren: licht uitstralen

LES 3 Wie zijn ze?

373


2 Waarom is het moeilijk voor Clara om in de stad aan de toekomst te denken? 3 Met welke woorden vertelt de schrijver dat ze niet echt ziet wat er in de stad gebeurt?

IN

4 Kun jij jezelf in die situatie herkennen? Ben jij soms enkel lijfelijk ergens aanwezig, maar niet met je gedachten? Wat was daarvoor de aanleiding? Kun je dat met Clara’s situatie vergelijken? Vertel! 5 Waarom denk je dat Clara de schoolpoort voorbijloopt?

6 Aan welke drie personen denkt Clara tijdens haar zwerftocht in de stad? 7 Hoe reageert haar vader na de noodlottige gebeurtenis?

8 Denk je dat jouw vader (of moeder) op dezelfde manier zou reageren? Vertel eens. 9 Hoe wil Clara haar probleem oplossen?

N

10 Welk verschil en welke gelijkenis ziet Clara als ze zich vergelijkt met de man van de winkel? 11 Heeft ‘talentvol zijn’ enkel voordelen of heeft het ook nadelen? a Welk nadeel heeft Clara duidelijk ondervonden? b Hoe ga je best om met talent?

VA

12 Wat is volgens jou de ‘hamvraag’ voor dit verhaalfragment? Bedenk een mogelijk antwoord op die vraag. Vergelijk je hamvraag met de vraag van de andere leerlingen. De vraag die het meest voorkomt, noteer je. Bespreek in klasverband het mogelijke antwoord op de gekozen hamvraag.

13 a Markeer de karaktereigenschappen van twee stripfiguren uit opdracht 1. b Welk verschil merk je op tussen de personages van een verhaal en de stripfiguren?

©

c Waarvan houd jij het meest: van karakters die in het verhaal evolueren of van karakters die altijd voorspelbaar blijven? Verantwoord je keuze. Ik houd van

want

woord lijfelijk: lichamelijk evolueren: ontwikkelen, veranderen

374

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


2

In eigen persoon OPDRACHT 4

Neem jij selfies? Bespreek samen deze vragen.

1 Neem je dikwijls of af en toe een selfie? Waarom doe je dat? 2 Post je selfies op sociale media? Waarom wel/niet of wanneer wel/niet? 3 Bekijk je selfies van anderen op sociale media? Waarom doe je dat?

IN

4 Geef je commentaar op selfies? Zo ja, welke boodschap breng je dan? 5 Lees de titel van het verhaal ‘Zoenen met een selfie’. Wat verwacht je in dit verhaal te lezen?

©

VA

N

6 Lees het fragment.

LES 3 Wie zijn ze?

375


IN N VA

© 376

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


IN N VA

© LES 3 Wie zijn ze?

377


IN N VA

© 378

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


IN N VA

© LES 3 Wie zijn ze?

379


IN N VA

© 380

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


IN N VA

© LES 3 Wie zijn ze?

381


IN N

F. Adam & B. Dombrecht. Zoenen met een selfie. Wielsbeke, De Eenhoorn

VA

a Welke beoordelingswoorden passen bij het verhaal? Markeer ze. Vertel aan je buur waarom je voor die woorden koos.

grappig – droevig – begrijpelijk – onbegrijpelijk – gevoelig – doet me niets – interessant – oninteressant – verrassend – voorspelbaar – griezelig – rustgevend – kinderachtig – voor mijn leeftijd – opgewekt – origineel – niet origineel – sfeervol – sfeerloos – leerzaam – niet leerzaam – geloofwaardig – ongeloofwaardig

b Herken je jezelf in dit verhaal? JA / NEE

c Welke overeenkomsten of tegenstellingen met jouw selfie vind je in het verhaal? d In welke omgeving bevindt de hoofdpersoon zich?

e Passen de twee schilderijen bij het verhaal? Waarom wel/niet?

©

f Past het verhaal in onze tijd? Waarom wel/niet? Schrijf twee woorden op die naar onze tijd verwijzen. g De auteur vormt zelf nieuwe woorden om uit te drukken hoe het personage zich voelt. Weet jij wat hij precies bedoelt met: ‘Merk ik hoe kringloopwinkelachtig ik me voel als ik mezelf verkoop als hip en cool’?

En wat zijn volgens jou skateboardbenen en glimlachtanden?

h Bedenk zelf een nieuw woord om een bepaald gevoel aan te duiden. Bv. Op maandag voel ik me startlui en vrijdagmiddag voel ik al veel kriebelhaartjes.

382

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


3

Men zegt, de mensen … OPDRACHT 5

Bekijk en lees de cover.

1 Over wie gaat het verhaalfragment? Kwallenbloei

©

VA

N

IN

Iets anders wat ik wil vertellen over kwallen is dit: ze nemen de wereld over. Wist je dat? Bijna niemand heeft het in de gaten. Dat is onze eigen schuld, want het boeit niemand. Mensen kijken liever naar een kat die piano speelt, ze willen weten welke filmster in een afkickcentrum zit of wie het vriendje van wie heeft afgepikt. Ze zijn bezig met internetspelletjes of ze vragen zich af welke kleur oogschaduw ze zullen kopen of hoe ze er op een foto het leukst uitzien. Maar intussen komt er in de zeeën steeds meer kwallenbloei. Gek woord, hé? Kwallenbloei, alsof het gaat over bloemen die bloeien in een zonnige tuin. Maar het is gewoon een zwerm kwallen. Er komen er steeds meer. Tenminste, volgens de wetenschappers. Dat komt door de mensen. Wij halen vis uit de zee. Veel te veel vis. Die vissen brengen we naar fabrieken en daar worden er vissticks en kibbeling van gemaakt. We brengen de vissen naar kapitein Iglo. Of we leggen ze in de winkel, waar je die glibberige vissen op bergen ijs ziet liggen. En omdat wij dat doen, worden de kwallenzwermen steeds groter. De kwallen krijgen steeds minder concurrentie van de andere dieren. Er komen er steeds meer, ze bewegen zich voort in grote groepen en ze verslinden alles. De zee wordt steeds warmer, wat voor bijna iedereen heel erg is. En er komen ook steeds meer chemicaliën in het zeewater. In grote delen van de zee zit tegenwoordig niet meer genoeg zuurstof. Maar kwallen zijn gek op warm zeewater, ze hebben helemaal geen last van chemicaliën, en de zuurstof die ze nodig hebben, hebben ze gewoon bij zich in hun waterige lijf. Er zijn nu al zo veel kwallen dat elektriciteitscentrales soms moeten sluiten omdat de buizen voor het koelwater verstopt zitten met duizenden kwallen. En ze stelen het eten van dieren waarvan je het nooit zou verwachten, zoals de pinguïns in Antarctica. Er is zelfs een wetenschapper die denkt dat op een dag de walvissen zullen uitsterven door de kwallen. Niemand weet dat. Niemand denkt daarover na of praat erover. Het is ontzettend belangrijk nieuws, maar wanneer heb jij nou voor het laatst een kwal op tv gezien? En toch stikt het ervan, echt waar. Ze zijn overal. En ze bewegen zich geluidloos en in grote aantallen voort door de donkere zee. A. Benjamin. Suzy en de kwallen. Amsterdam, Van Goor

woord

in de gaten hebben: doorkrijgen hoe de dingen in elkaar zitten of zicht houden op de situatie het afkickcentrum: een inrichting waar je een ontwenningskuur kunt volgen de kibbeling: stukjes gepaneerde en gefrituurde vis de concurrentie: de wedijver de chemicaliën: scheikundige stoffen

LES 3 Wie zijn ze?

383


2 Geloof jij wat het hoofdpersonage over de kwallen vertelt? Waarom wel/niet? Vertel. 3 Noteer elementen (woorden) die ervoor zorgen dat het verhaal geloofwaardig of ongeloofwaardig wordt. ongeloofwaardig

IN

geloofwaardig

4 Vindt de verteller, Suzy, de mensen interessant? Waarom wel/niet? Bespreek. 5 Lees het krantenartikel over de kwallen in de Noordzee.

N

a Welke elementen vind je ook in het verhaalfragment terug? Markeer de zinnen (of delen ervan) in het artikel.

Steeds meer kwallen in de Noordzee

VA

In de Noordzee zitten steeds meer kwallen, onder meer omdat ze door de overbevissing steeds minder concurrentie hebben. ‘Daarom is het belangrijk dat we onze zeeën zo duurzaam mogelijk beheren’, zegt marien bioloog Jan Seys. Niet alleen door de overbevissing krijgen kwallen steeds meer vrij spel. Ook de nitraten en fosfaten die

via de landbouw in zee terechtkomen, zijn voor kwallen een lekkere brok én ze hebben ook geen last van de klimaatopwarming.

©

Het zijn voorlopig nog vooral ongevaarlijke kwallen, zoals de oorkwal, die de Noordzee bevolken. ‘Maar als de klimaatopwarming zich doorzet, is het niet uitgesloten dat soorten uit het zuiden ook bij ons opduiken’, zegt Jan Seys. ‘Ik denk dan bijvoorbeeld aan de parelkwal die rond de Middellandse Zee toch vaak problemen veroorzaakt en waarbij soms hele stranden ontruimd moeten worden.’ Volgens Seys is de opmars van de kwal in de Noordzee enkel te stuiten door een duurzaam beheer van onze zeeën, waardoor de vispopulatie opnieuw stijgt en de kwallen weer concurrentie naast zich moeten dulden. ‘En in de mate van het mogelijke moeten we ook de klimaatopwarming aanpakken’, aldus nog Seys. Naar: ‘Steeds meer kwallen in de Noordzee’, www.deredactie.be

b Hoe kan de kwallenbloei volgens Seys gestopt worden? Onderstreep het antwoord in het artikel.

384

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


c Lees het opschrift op het bord.

EN GEWOON E LLEN! A W K E J T STELLE A Waarover gaat het?

IN

B Het gaat in de boodschap over de letterlijke / figuurlijke betekenis. Maak een keuze en markeer wat juist is.

+

Wat betekenen uitspraken zoals ‘een kwal van een kerel’?

N

C

1 Onderzoek deze constructies en verduidelijk wat ze volgens jou betekenen. Verzin per twee telkens een situatie waarin je die kunt gebruiken.

VA

‘Beer van een vent’ doet wat vijf mensen voor hem niet lukt: tilt auto op om vastzittende jongen te bevrijden na botsing

Bron: www.bndestem.nl

-

een beer van een vent een aap van een jongen een tijger van een moeder

2 Vergelijk deze constructies. Waar verwijst ‘kanjer’ telkens naar?

een kanjer van een meid

een kanjer van een leraar

©

een kanjer van een auto

een kanjer van een voetballer een kanjer van een vrouw

tip Figuurlijk taalgebruik kun je gebruiken om te overdrijven of om iets mooi te laten klinken.

LES 3 Wie zijn ze?

385


VA

N

IN

6 Lees deze pagina uit de strip De stoute steenezel.

©

nabjaar

W. Vandersteen. De stoute steenezel. Antwerpen, Standaard Uitgeverij/WPG Uitgevers België

woord

de nabjaar: een vreemde, rare kerel, synoniem van abjaar, napsjaar, hapsjaar, apsjaar (Antwerps dialect)

386

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


a Onderzoek de zinnen. A Wat ontbreekt in die eerste zinnen? Waarom is dat hier geen probleem? B Vergelijk met de volgende zinnen. Markeer in de andere zinnen de verwijswoorden. Zeg mondeling naar wie of wat ze verwijzen. b Wat is volgens de plaatjes een steenezel? A Over welke betekenis gaat het in dit beeldverhaal?

IN

B Wanneer zeg jij van iemand dat hij of zij een steenezel is? C Wat bedoel je dan precies?

c Werk met z’n vieren en combineer de begrippen en de figuurlijke betekenis zo snel mogelijk. spring-in-’t-veld

A

zeer dom mens

2

uilskuiken

B

niet ernstig persoon

3

viesneus

C

(scheldwoord) bangerd, bangerik, schijtlaars, bangeschijter

4

roddeltante

D

iemand die niets doet in het leven

5

losbol

6

N

1

iemand die een teruggetrokken bestaan leidt, niet opvalt

kruidje-roer-me-niet

F

iemand die zeer koppig is, van geen toegeven wil weten

7

bolleboos

G

spotnaam voor een kouwelijk mens

8

flierefluiter

H

iemand die zich van de andere familieleden of leden van een bepaalde groep in het goede of kwade onderscheidt

9

muurbloempje

I

iemand die voor alles de neus optrekt

10

keikop

J

iemand die zeer begaafd is, bijzonder in iets uitmunt, een uitblinker

11

steenezel

K

roddelaarster

12

buitenbeentje

L

iemand die kleingeestige opmerkingen maakt, een vitter

13

heilig boontje

M

levendig, beweeglijk kind

14

angsthaas

N

iemand die snel op zijn of haar tenen getrapt is

15

muggenzifter

O

iemand die zich buitengewoon braaf gedraagt en doet alsof hij een heilige is

16

koukleum

P

stommeling, sufferd

VA

E

2

3

©

1

4

5

6

7

8

9

10

11

12

13

14

15

16

d Welke woorden uit de tabel passen bij jou? Markeer.

LES 3 Wie zijn ze?

387


4

Wat verkies je? Vergelijk de fragmenten uit de vorige opdrachten.

OPDRACHT 6

1 Welke verschillen en overeenkomsten merk je op tussen de verschillende fragmenten? verhaalfragmenten ‘De schoonheid van Clara’, ‘Suzy en de kwallen’

VA

verhaal

N

lay-out

personages

graphic novel / literair stripboek Zoenen met een selfie

IN

thema/ onderwerp

strip(verhaal) De stoute steenezel

2 Wat lees jij het liefst? Leg je keuze kort uit. Ik kies voor omdat

©

Je kunt: • • • • •

388

vertellen wat je het liefst leest: een verhaal, stripverhaal of graphic novel; het karakter van een personage beschrijven en beoordelen; woorden die een karaktertype weergeven gebruiken; een verhaalfragment beoordelen met behulp van de beoordelingswoorden; letterlijke en figuurlijke taal onderscheiden en begrijpen.

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken

waarheen


Profiel van een personage Voor het gelezen jeugdboek ga je met een personage van het boek aan de slag. Je maakt voor dat personage een virtueel Facebookprofiel aan.

Oriënteren

o

v

u

r

Voorbereiden

o

v

u

r

IN

1 Kies uit deze mogelijkheden: • een pagina uit een fotoboek van het personage • een PowerPointpresentatie met vijf dia’s als karakterschets • een collage van foto’s en/of tekeningen op een tekenblad

2 Beantwoord de vragen om een personage uit het boek te kiezen.

a Welk personage van het gelezen jeugdboek boeit je het meest of verafschuw je? b Welk personage is jouw tegenpool. Welk personage wil je helemaal niet zijn? c Welk personage bewonder je?

N

d In welk personage herken jij karaktereigenschappen of talenten van jezelf? 3 Stel een mindmap samen over het gekozen personage.

a Noteer de naam van het gekozen personage in het midden van een A4-blad.

VA

b Gebruik zes takken: (1) uiterlijke kenmerken (2) innerlijke eigenschappen (3) talenten (4) interesses (5) bijzonderheden (6) belangrijke gebeurtenissen Vul elke tak aan met voorbeelden uit het jeugdboek. Vul enkel sleutelwoorden aan, geen zinnen.

4 Zoek afbeeldingen of maak tekeningen die bij de sleutelwoorden van de mindmap passen.

©

5 Gebruik foto’s, tekeningen en woorden om het profiel van het personage samen te stellen.

Uitvoeren

o

v

u

r

6 Voer de gekozen opdracht uit en gebruik de mindmap, de afbeeldingen, tekeningen en sleutelwoorden.

woord

virtueel: denkbeeldig

LES 3 Wie zijn ze?

389


Reflecteren

o

v

u

r

7 Hoe ging het? Je traject naar succes 1234

Je besteedt voldoende tijd aan de uitwerking van de opdracht.

1234

Het profiel geeft een duidelijk beeld van het personage. In het profiel staan foto’s, tekeningen, beelden en woorden.

1234

Werkpuntje voor jezelf:

©

VA

N

IN

Je bereidt de opdracht voldoende voor, zodat je een profiel kunt samenstellen.

390

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


4

Boeiend presenteren

presenteren VOOR EEN GROEP

PowerPointpresentatie opstellen

Spreken voor een groep OPDRACHT 1

OVERTUIGEN ALS marktkramer

gericht kijken en luisteren

mindmap maken

1

informatie zoeken en vergelijken

IN

les

Bekijk het filmpje. Bespreek daarna deze vragen mondeling.

1 Waarover gaat het?

2 Zou jij op die manier een spreekopdracht opnemen? Waarom wel of waarom niet? 3 Wat doet de spreker volgens jou goed?

N

4 Wat zou je anders aanpakken? 5 Waarmee zul je rekening houden als je voor een groep iets vertelt? Som drie zaken op waaraan jij spontaan denkt.

Een sterke opener

VA

2

OPDRACHT 2

Bekijk het filmpje. Beantwoord daarna de vragen.

1 Markeer de tips die in het filmpje gegeven worden.

Je geeft je publiek een hand. Je maakt contact met je publiek. Je lacht naar iedereen en maakt een klein grapje. Je wint het vertrouwen van je publiek. Je werpt een strenge blik naar wie de aandacht verliest. Je kijkt het hele publiek aan, zodat de toehoorders zien dat je hen wilt bereiken.

©

• • • • • •

2 Welke tips voor het presenteren krijg je nog in dit filmpje?

OPDRACHT 3

Welke houding neem je aan bij een presentatie? Bekijk het filmpje.

Wat wil je uit het filmpje onthouden?

LES 4 Boeiend presenteren

391


3

Zender, boodschapper en ontvanger OPDRACHT 4

Gebruik de vragen van het communicatiemodel om je te oriënteren op de taak.

Stap 1 1 Wie ben jij als zender/spreker? 2 Wie zijn de ontvangers? Ken jij je publiek goed?

4 Wat is je boodschap?

IN

3 Hoe ga je te werk? OF Op welke manier breng je de boodschap?

a Welke onderwerpen interesseren je? Waarover kun je vlot praten? b Over welk onderwerp kun je al veel vertellen?

c Zou dat onderwerp jouw publiek kunnen interesseren? Waarom wel/niet? d Kun je daarover ook wat beeldmateriaal tonen?

6 Welk effect wil je?

N

5 Wat is de bedoeling?

7 Welk kanaal gebruik je?

VA

Stap 2

8 Zoek informatie op over je onderwerp. Selecteer de informatie die je wilt gebruiken.

Stap 3

9 Maak over je onderwerp een eenvoudige, maar duidelijke mindmap of een woordspin. Werk op een apart blad.

tip

Denk ook aan de antwoorden op de vragen van het communicatiemodel!

©

De mindmap of woordspin is de basis. Noteer nog meer woordgroepen of zinnen om je spreekopdracht verder uit te bouwen.

Stap 4

10 Maak een PowerPointpresentatie. Breng daarin de kern van wat je over je gekozen onderwerp wilt vertellen. Wanneer zou je zelf aandachtig luisteren? Denk daaraan als je je PowerPointpresentatie maakt. Hoe ga je te werk? a Bekijk de foto’s of afbeeldingen die verwijzen naar een aantal tips bij het maken van een PowerPoint­ presentatie. Ze geven aan wat je beter wel of beter niet doet bij het opstellen van dia’s. Werk daarvoor per twee. b Gebruik dit kader als checklist voor een goede PowerPointpresentatie.

392

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


hoe Een PowerPointpresentatie Aandachtspunten voor een geslaagde PowerPointpresentatie.

• • • • • •

Gebruik een titeldia, een schema als inleiding en bouw dan je midden verder uit. Met een passend slot sluit je af. Plaats niet te veel tekst op één dia: houd je aan de regel van 7 X 7. Gebruik een voldoende groot en goed leesbaar lettertype. Kleur is een extra troef. Overdrijf niet met kleuren en ook niet met effecten. Zorg ervoor dat je PowerPointpresentatie niet overladen is met dia’s. Controleer je tekst en vooral ook je titels op spelfouten. Speel je PowerPointpresentatie volledig af en spreek daarbij ook als voorbereiding.

IN

Stap 5

11 Met je gestructureerde mindmap, je PowerPointpresentatie en alle tips die je leerde, ben je klaar voor je presentatie. b Oefen per twee.

Je kunt:

waarheen

een toelichting geven bij een beoordeling in een klassengesprek; duidelijke en correcte antwoorden formuleren bij een kijk- en luisterfragment; informatie opzoeken en die kritisch met andere informatie vergelijken; een duidelijke en eenvoudige PowerPointpresentatie opstellen die je presentatie ondersteunt.

©

VA

• • • •

N

a Hoe kun je die grondig inoefenen? Heb je suggesties? Praat erover in een klassengesprek.

LES 4 Boeiend presenteren

393


Word marktkramer Je brengt diverse leuke zaken mee naar de klas die je wilt verkopen. Die verkoop je niet echt, want alles komt na de les terug bij de eigenaar.

Oriënteren

o

v

u

r

IN

1 Welke voorwerpen kunnen dat zijn? g boeken, een klein parfumstaaltje, een stukje taart dat je zelf gebakken hebt (dat kun je moeilijk teruggeven), een tekening, schilderij of kaartje dat je zelf maakte, een knutselwerkje …

Je probeert individueel of per twee een aantal voorwerpen te verkopen aan iemand uit de klas die aan jouw marktkraampje komt winkelen. Op jouw beurt ga je zelf shoppen in de klas.

Voorbereiden

o

v

u

r

Uitvoeren

N

2 Om je producten zo goed mogelijk voor te stellen, maak je een beknopte PowerPoint­ presentatie (met maximaal vier dia’s – een titel, twee inhoudelijke dia’s en een slot) die jouw producten in de verf zet. Daarvoor heb je een tablet of pc nodig. Stal je voorwerpen op een aantrekkelijke manier uit.

o

v

u

r

VA

3 Wat je vertelt en hoe je dat doet, is belangrijk. Gebruik de PowerPointpresentatie ter ondersteuning. Overtuig je klanten. Prijs je producten aan. Zorg voor een maximale opbrengst. Als koper probeer je zo veel mogelijk te krijgen en zo weinig mogelijk uit te geven. Onderhandel met elkaar op een correcte, beleefde en rustige manier.

Reflecteren

o

v

u

r

4 Hoe ging het?

jij

je klasgenoot

Je maakt een duidelijke, aantrekkelijke en beknopte mindmap of een schema en een PowerPointpresentatie.

1234

1234

Je overtuigt met wat en hoe je vertelt, met je houding en met je PowerPointpresentatie.

1234

1234

Je handelt op een rustige, correcte en beleefde manier.

1234

1234

Je werkt op een correcte manier samen.

1234

1234

©

Je traject naar succes

Werkpuntje voor jezelf:

394

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


les

Striphelden tellen

5

ZOEKEND LUISTEREN: STRIPS

WOORDSOORTEN HERKENNEN

bingo SPELEN

1

Ken je deze striphelden? OPDRACHT 1

Lees de tekst.

1 Duid in de tekst sleutelwoorden aan.

IN

telwoorden AANDUIDEN EN GEBRUIKEN

VA

N

Twee van de bekendste Belgische stripfiguren zien er vanaf nu anders uit: Suske en Wiske zitten in een nieuw, eigentijdser jasje. De vernieuwing moet helpen om de dalende verkoopcijfers op te krikken. Suske draagt nu een trui met een kap en Wiske krijgt borstjes, net als Sidonia trouwens. In meer dan zeventig jaar zijn er al ruim tweehonderd miljoen albums van Suske en Wiske verkocht, maar de laatste jaren neemt de verkoop af. De uitgever hoopt dat deze ingreep die tendens kan keren. ‘Willy Vandersteen heeft ervoor gekozen om Suske en Wiske een levende strip te houden’, zegt Toon Horsten, ‘in tegenstelling tot bijvoorbeeld Hergé, die besliste dat Kuifje na zijn dood moest stoppen.’ Willy Vandersteen tevreden? Ook Leen Vandersteen, dochter van Willy Vandersteen, is tevreden met de verandering en ze hoopt dat haar vader dat ook zou zijn. ‘Hopelijk zijn we goed bezig met zijn erfenis, maar dat denk ik wel. De figuurtjes zijn wie ze zijn en beleven nog altijd dezelfde avonturen. Alleen doen ze dat nu in een vorm die beter bij de tijd past’, zegt Leen. De Planeetvreter, het 339ste album van Suske en Wiske, komt volgende woensdag uit. Naar: nieuws.vtm.be

2 Bekijk twee korte beeldfragmenten.

©

Lees de vragen vooraf om zoekend te luisteren. Bekijk de beeldfragmenten. Beantwoord daarna de vragen. Markeer het juiste antwoord.

Suske en Wiske zien er vanaf nu zo uit.

© 2018 Standaard Uitgeverij/WPG Uitgevers België

Vergelijk de gemarkeerde sleutelwoorden met een klasgenoot. Vertel waarom jij voor bepaalde sleutelwoorden koos.

woord

tendens: een trend of ontwikkeling

LES 5 Striphelden tellen

395


Hoelang worden er al stripalbums van Suske en Wiske uitgebracht?

meer dan 70 jaar – meer dan 100 jaar – meer dan 72 jaar

b

Het hoeveelste album is De Planeetvreter?

het 330ste – het 359ste – het 339ste

c

In welk jaar was er veel drukte/opschudding rond de verandering van de figuren?

in 1950 – in 1981 – in 2001 – in 2010

d

Wie is de stripauteur?

Roger Leloup – Willy Vandersteen – Merho – Jef Nys

e

Waarom kwam er een make-over/ vernieuwing?

nieuwe tekenaar – hoop op betere verkoop – wens van de dochter

f

Hoeveel stripalbums werden er al verkocht?

meer dan 100 miljoen – meer dan 200 miljoen – meer dan 175 miljoen – meer dan 300 miljoen

g

Hoe ziet het Vlaamse stripduo er vandaag uit?

gekker – eigentijdser – dommer – leuker

h

Zou de dochter de verandering op Facebook liken?

i

Zou jij de make-over liken op Facebook of via Twitter of andere sociale media? Waarom wel/ niet?

OPDRACHT 2

IN

a

ja, want de personages zien er mooi uit – neen, want ze zijn te veel veranderd – ja, want ze beleven dezelfde verhalen

Onderzoek de gemarkeerde woorden in de uitspraken.

N

1 Rangschik de gemarkeerde woorden in de tabel. a

c

VA

titel

b

gemarkeerde woorden

woordsoorten

©

2 Wat geven de woorden in de kolommen a, b, c en d aan? Noteer een titel bij elke kolom in de tabel.

3 Hoe zou je de woorden kunnen (be)noemen? Vul dat in de kolom woordsoorten in. 4 Wat is het betekenisverschil tussen de eerste en de tweede kolom?

396

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken

d


wat Het telwoord De woorden die iets te maken hebben met tellen, noem je telwoorden. Bv. Op 24 februari word jij 13 jaar. Ken je het eerste album van Willy Vandersteen?

IN

Het hoofdtelwoord Hoofdtelwoorden geven een aantal of nummer aan. • Bepaalde hoofdtelwoorden zijn getallen als vijf, miljoen, drieëntwintig. Ook beide is een bepaald hoofdtelwoord; het duidt altijd een tweetal aan. • Onbepaalde hoofdtelwoorden zijn veel en weinig en hun trappen van vergelijking (veel – meer – meest en weinig – minder – minst). Het rangtelwoord De rangtelwoorden geven de rangorde of plaats in een reeks aan. Bv. Hij eindigde op de derde plaats, maar zijn vriend op de eerste! • Bepaalde rangtelwoorden geven een duidelijke plaats in een reeks aan. • Onbepaalde rangtelwoorden geven een minder precieze plaats in een reeks aan. Het zijn woorden als laatste, middelste, hoeveelste en zoveelste.

OPDRACHT 3

Lees de krantenkoppen.

N

1 Markeer de telwoorden.

Renault viert veertig jaar Fo rmule OPN IEUW OP

VA

VER MIST E KAT DUIK T NA ZEVEN JAAR

1 met gele theepot

gers in de neus Kittel wint vierde Touretappe met vin Amerikaanse tiener wint twee keer de lotto in één week tijd

Al 38 mensen mogen Tomorrowland niet binnen: politie screent elke festivalg

anger

©

Familie gaat zwemmen in zee en raakt in problemen . En dan vormen 80 badgasten plots vliegensvlug menselijke ketting op Konta eerste Britse halve finaliste

Wimbledon sinds 1978, Pliskova nieu

we nummer 1

SLECHTE DAG? VIJF DINGEN WAAR JE METEEN VROLIJK VAN WORDT

Husky getraumatiseerd na aanval door zeven andere honden

‘6de massale uitstervingsgolf bedreigt menselijk e beschaving’ Deze drie dagelijkse gewoontes mak

en je gelukk iger

Heldhaftige man redt elf puppy’s van verdrinkingsdood

LES 5 Striphelden tellen

397


2 Rangschik de gemarkeerde telwoorden in de tabel. HOOFDTELWOORDEN

RANGTELWOORDEN

a Onderzoek de schrijfwijze van de hoofdtelwoorden in de krantenkoppen. Wat valt je op? b Onderzoek de schrijfwijze van de rangtelwoorden in de krantenkoppen. Wat valt je op?

IN

c Bedenk voor jezelf een aantal krantenkoppen of titels van strips met telwoorden.

3 Spoor de telwoorden op in de inhoud van dit stripverhaal.

a Noteer de hoofdtelwoorden en de rangtelwoorden in het kader onder de tekst. DE INHOUD VAN HET STRIPVERHAAL ‘Ik wil er twee’

VA

N

‘Ik wil een hond. Een die het altijd doet, ook zonder batterijen.’ Evert zegt het al voor de honderdste, de duizendste, de honderdduizendste keer. ‘Ik wil een hond, ik wil een hond, ik wil een hond.’ Maar vandaag zegt hij er nog iets anders achteraan: ‘Ik wil een hond, anders ga ik bij opa wonen.’ De volgende ochtend vertrekt Evert al vroeg. Door de stille straten, het park … Maar ineens springt er een beest uit de struiken. Een pikzwart beest. Een warm en humoristisch verhaal over een vindingrijk jongetje. H. Hagen. Ik wil er twee! Amsterdam, Van Goor

BEPAALDE HOOFDTELWOORDEN

BEPAALDE RANGTELWOORDEN

©

b Hoe vorm je een rangtelwoord?

+

Spelling van het telwoord Deze hoofdtelwoorden schrijf je in één woord: • alle hoofdtelwoorden tot 1000 Bv. eenentwintig, zevenenveertig, achtennegentig, tweehonderdvijftig • alle veelvouden van honderd en duizend die gevormd worden met een hoofdtelwoord tot 100 of met een veelvoud van 100 Bv. driehonderd, zestienhonderd, vijfenzestighonderd, zevenduizend, vierennegentigduizend, vijfhonderdduizend

398

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


2

Hoe benoem je de woorden in zinnen? OPDRACHT 4

Lees het gedicht en vergelijk de stripfiguren.

1 Markeer alle zelfstandige naamwoorden.

Plus je telefoonnummer. En het nummer van je paspoort. Deel dat getal door je gewicht in ponden. Tel uit je winst! Je mag er zijn. J. Van Hest. Fluiten naar de overkant. Amsterdam, Elsevier

IN

Tel de sterren van de zomernacht. Tel er je geboortedatum bij op.

2 Noteer de woorden die een aantal of hoeveelheid weergeven.

N

3 Onderzoek de woordsoorten in het gedicht.

a Noteer de woorden van het gedicht in de juiste kolom.

b Voer de opdrachten in het gedicht uit en je bekomt telwoorden. Noteer ze ernaast. Noteer ze ook in de kolom. WERK­WOORDEN

TEL­WOORDEN

VOORNAAMLID­ WOORDEN WOORDEN

©

VA

ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN

OPDRACHT 5

Onderzoek de woordsoorten. Lees de krantenkoppen. Noteer de onderstreepte woorden in de juiste kolom in de tabel.

1 Wie vaccin weigert, krijgt tweede kans om zich te laten vaccineren 2 Nog exact 100 dagen tot WK wielrennen in Vlaanderen, organisator Christophe Impens: “Hopen op véél publiek”

LES 5 Striphelden tellen

399


3 Twee gratis PCR-testen voor wie nog niet de kans kreeg om zich te laten vaccineren 4 Zoo Antwerpen niet blij met wilde vos: “Al eet hij vooral hamburgers en frietjes” 5 In luxe oud worden: op bezoek in drie Antwerpse sterrenverblijven voor senioren 6 Bijna drie jaar vóór Dansercoer overleed avonturier Marc Sluszny (56): “Dit brengt alle emoties naar boven”

OPDRACHT 6

WERKWOORD

TELWOORD

VOORNAAMWOORD

VOOR­ ZETSEL

BIJVOEGLIJK NAAMWOORD

IN

ZELFSTANDIG NAAMWOORD

Onderzoek de zeven weetjes over Fanny.

N

1 Markeer de verschillende woordsoorten in een andere kleur. Duid de zelfstandige naamwoorden, de werkwoorden, de telwoorden, de voornaamwoorden en de lidwoorden aan. Zeven weetjes over Fanny

VA

Haar verjaardag is op 15 februari.

Ze stond drie keer op de cover van P-magazine als stripfiguur. Ze verscheen voor het eerst in Kiekeboe in 1977. Ze had in totaal meer dan 27 vriendjes.

In 2006 kreeg ze haar eigen standbeeld in Middelkerke.

Hoe klinkt Fanny in het echt? Dat moet je aan Clara Cleymans vragen. Zij nam in 2012 een stemmetje voor de blondine op.

©

In de musical ‘Baas boven baas’ werd ze dan weer gespeeld door Véronique Leysen.

2 Welke woordsoort komt het meeste voor? 3 Welke woordsoort komt maar één keer voor? Onderstreep het woord.

waarheen

Je kunt: • • • • •

400

zoekend luisteren; telwoorden in een zin aanduiden en toevoegen; het verschil tussen een hoofdtelwoord en een rangtelwoord verwoorden; bepaalde en onbepaalde hoofd- en rangtelwoorden van elkaar onderscheiden; woordsoorten herkennen.

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


Bingo spelen Oriënteren

o

v

u

r

1 Luister naar de tekst. Vul zo snel mogelijk de gevraagde woordsoorten in. Als je klaar bent, roep je ‘bingo’.

Voorbereiden

o

v

u

r

Uitvoeren

o

v

3 Speel bingo!

u

r

IN

2 Herlees het kader over de telwoorden, hoofd- en rangtelwoorden en de voornaamwoorden. Zoek in de trajectwijzer het zelfstandig naamwoord en het bijvoeglijk naamwoord op.

BINGO bijvoeglijk naamwoord

rangtelwoord

hoofdtelwoord

VA

N

zelfstandig naamwoord (enkelvoud)

zelfstandig naamwoord (verklein­woord)

©

Reflecteren

o

v

u

voornaamwoord

werkwoord

voorzetsel

zelfstandig naamwoord (meervoud)

r

4 Hoe ging het? Je traject naar succes Je onderscheidt de telwoorden van de andere woordsoorten.

1234

Je herkent een hoofdtelwoord en een rangtelwoord.

1234

Je geeft een voorbeeld van een hoofdtelwoord en een rangtelwoord in een zin.

1234

Werkpuntje voor jezelf:

LES 5 Striphelden tellen

401


Uitdaging: mijn talent Vertel aan de anderen wie je bent en welke talenten je hebt.

Oriënteren

o

v

u

r

Beluister het lied van Paris, een personage uit ‘De Mestkever’. Werk op een apart blad.

2 Bedenk een titel voor het lied.

IN

1 Welke verschillen en gelijkenissen vind je tussen dit lied en het verhaal van Piet De Loof? Denk aan het onderwerp, het personage en de boodschap van het verhaal. a Hoe stel je jezelf aan anderen/klasgenoten/Facebookvrienden voor? Maak een woordspin. Wat wil je hen vertellen? Waarvoor of waarom wil je geliket worden? Welke talenten heb jij?

N

b Duid aan hoe jij jezelf en je talenten wilt voorstellen.  met een talentenkaart  met een PowerPointpresentatie  met een mindmap  met een digitale strippagina

Voorbereiden

o

v

u

r

3 Ga op zoek naar je talenten en eigenschappen. Weet je ook waar je niet goed in bent? 4 Verzamel alle gegevens en zoek afbeeldingen. Misschien past een stripfiguur bij je? Laat je inspireren door de talentenkaarten van enkele stripfiguren bij les 5.

VA

5 Bedenk de lay-out van de presentatie, de strippagina, de talentenkaart of de mindmap. 6 Kies hoe jij je taak wilt voorstellen. Duid een van de mogelijkheden aan.  foto van je talentenkaart  digitale stripbladzijde  PowerPointpresentatie  mindmap of taak Denk terug aan één of meer situaties die beantwoorden aan minstens vijf van de criteria op diddit.

o

v

u

r

©

Uitvoeren

7 Maak je talentenkaart, je digitale strippagina, je PowerPointpresentatie of je mindmap. Vertrek vanuit de communicatiesituatie. Beantwoord de vragen in het kader op diddit.

402

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


Reflecteren

o

v

u

r

8 Hoe ging het? jij

je klasgenoot

Je past de boodschap aan de ontvanger (leeftijd, doelgroep, belang, verwachting …) aan.

1234

1234

Je boodschap is duidelijk.

1234

1234

De talentenkaart, de PowerPoint, de mindmap of de strippagina vertellen wie je werkelijk bent.

1234

1234

Werkpuntje voor jezelf:

IN

Je traject naar succes

Dit deel is nu afgerond. Bekijk ook de werkpuntjes en de criteria bij elke pitstop of leesstop van dit deel. Vul aan voor jezelf: dit gaat vlot:

dit vraagt training:

©

VA

N

LES 5 Striphelden tellen

403


De laatste ronde OPDRACHT 1

Vul de zin aan met een synoniem voor de woorden tussen haakjes.

Kies uit: virtueel, lijfelijk, in mineur, triomf, metamorfose 1 Het feest eindigde             (somber) nadat vastgesteld werd dat een genodigde geld gestolen had. 2 Na de             (zege) van vorige vrijdag kenden de voetballers vandaag een nederlaag. 3 Leef niet te veel in een             (denkbeeldige) wereld, het maakt je ongelukkig als je weer in de werkelijkheid belandt.

OPDRACHT 2

IN

4 Ik houd niet van het             (lichamelijke) contact op een volgepropte bus.

Combineer de woorden. Vul het zelfstandig naamwoord in dat bij die woorden past. Enkele letters werden al ingevuld.

1 A . TICLI . A . teleurstelling

eindigen in

tegengestelde van hoogtepunt

domper op de feestvreugde

2

N

. A . . I . RE

loopbaan

promotie maken

VA

3 . EN . L . Y

achtereenvolgens

strafschop

sportterm

het voetbal

goed vooruitkomen

tijdstraf van tien minuten

OPDRACHT 3

Wat past in de zin? Markeer het juiste woord.

1 Het was een fenomenale / maniakale halve finale: er werd driemaal gescoord door de tegenploeg.

2 De terging / tendens van jongeren om gezonder te eten kun je alleen maar toejuichen. 3 De gamer leeft meer in de manuele / virtuele wereld dan in de werkelijkheid.

©

4 Door de mist zag je enkel de contouren / krachttoeren van de kerk. 5 Ken jij Antwerpen, een heel dynamische / statische stad? Het bruist er van het leven.

404

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


De laatste ronde OPDRACHT 4

Vorm werkwoorden en zelfstandige naamwoorden.

1 Vorm een werkwoord met het zelfstandig naamwoord. Gebruik het afgeleide werkwoord correct in de zin. Let op de juiste spelling. a DE BLESSURE:            De doelman had zich na die harde trap ernstig

.

b DE CONCURRENTIE:            met zijn zus, want ook zij speelt voetbal als de beste.

De spits

IN

c HET AFKICKCENTRUM:            Vorig jaar               mijn broer d DE GRIMAS:            Tijdens de zware beklimming van de berg

van een gameverslaving.

de renner voortdurend.

Zijn gezichtsuitdrukking verandert zodra hij een grotere inspanning levert.

2 Vorm een zelfstandig naamwoord met het werkwoord. Gebruik het afgeleide zelfstandig naamwoord correct in de zin. a EVOLUEREN:

van de prestaties van de tennisspeler was opmerkelijk.

N

De

b LAUWEREN:            De burgemeester legde een

rond de schouders van de gelukkige winnaar.

c TRIOMFEREN:

VA

Gisteren behaalden de Rode Duivels een enorme

. Ze speelden een knappe match.

d VERANTWOORDEN:            De leraar vroeg me een

OPDRACHT 5

voor de slechte score voor de laatste toets.

Ga aan de slag met woorden bij het verhaal: Engelse en andere vreemde woorden.

1 Schrijf de infinitief van tien Engelse werkwoorden die jij in het Nederlands gebruikt in de eerste kolom.

2 Zoek de Engelse vorm op en noteer die in de tweede kolom. Engels

©

Nederlands

DE LAATSTE RONDE

405


De laatste ronde OPDRACHT 6

Speel leentjebuur. Werk in groepjes.

1 Lees de zinnen die de leraar je geeft en plaats ze zo snel mogelijk in de juiste volgorde. 2 Noteer de juiste volgorde van de zinnen in de tabel. Enkele zinnen werden al ingevuld. 3 Rangschik de woorden in vetjes in de juiste kolom. Van welke taal zijn ze geleend? Tekst 1 1

2

3

4

H

6

7

F Engels

8

9

C

Duits

Latijn

Grieks

Tekst 2 1

2

F

N

IN

Frans

5

3

4

5

G

Engels

Duits

VA

Frans

Ontdek beeldtaal en enkele vreemde talen.

©

OPDRACHT 7

406

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken

6

7

8

9

D

Latijn

Grieks


De laatste ronde 1 Zet de beeldtaal om in een zin. 2 Lees de 15 vertaalde zinnen onder de Nederlandse boodschappen. Schrijf de juiste taal bij elke zin. Gebruik de talen in het kader. Japans, Fins, Fries, Grieks, Zuid-Afrikaans, Zweeds, Italiaans, Engels, Duits, Turks, Pools, Latijn, Frans, Deens, Spaans Ik vind het leuk.

We love nature.

I like it.

Nous aimons la nature.

J'aime ça.

Wir lieben die Natur.

Ich mag es

Ons is lief vir die natuur.

Ek hou daarvan.

Vi älskar naturen.

Jag gillar det.

私たちは自然を愛する。

私はそれが好きです。

Nos encanta la naturaleza.

Me gusta.

Wy leafde de natuer.

Ik fyn it.

Αγαπάμε τη φύση.

Ego amo eam. Μου αρέσει.

Jeg kan godt lide det.

VA

Vi elsker naturen.

N

Amamus natura.

Nederlands

IN

We houden van de natuur.

Rakastamme luontoa.

Pidän siitä.

Biz doğayı seviyoruz.

Beğendim.

Amiamo la natura.

Mi piace.

Kochamy naturę.

Lubię to.

Vertaal de twee boodschappen nog in een andere taal, als iemand in je groep een andere moedertaal heeft.

©

3 Onderzoek de zinnen met behulp van de vragen.

a Vind je ‘we’ en ‘ik’ gemakkelijk terug in de andere talen? b Bij welke talen klinkt het anders? c Welk zelfstandig naamwoord kun je terugvinden in de andere talen? Bij welke talen lukt dat goed? d Noteer drie woorden uit de Engelse, Franse, Latijnse taal die je ook in je eigen moedertaal gebruikt. e Gebruik jij woorden uit andere talen in het Nederlands? Welke woorden gebruik jij?

DE LAATSTE RONDE

407


De laatste ronde OPDRACHT 8

Luister naar ‘Gebruikt u woorden uit andere talen in het Nederlands?’

Beantwoord deze vragen. 1 Welke woorden gebruiken de geïnterviewden in het Nederlands? 2 Welke vreemde woorden heb je onthouden? Noteer ze en geef een betekenis.

IN

3 Kun jij in een andere taal iets vertellen over je lievelingseten? Probeer maar.

4 Over welke gerechten werd er in de andere talen gesproken?

©

VA

N

408

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


deel 9

VA

N

IN

springen

1 Wat zie je in dit beeld?

2 Wanneer zou jij hoog in de lucht willen springen? Of een gat in de lucht kunnen springen? 3 Welk perspectief herken je in deze foto: een kikkerperspectief of een vogelperspectief?

©

4 Verduidelijk wat beide perspectieven betekenen. 5 Welk effect bereikt de fotograaf met deze keuze?

409


© Iris Beeckman

BEVROREN Evelien De Vlieger

10

15

20

VA

25

IN

5

‘Je telt tot tien en dan moet je springen’, zeiden Eenhoorn, Jakala en Arend als uit één mond. De andere leiders waren bezig met een bosspel achter de verkennerstenten. Joren stond wankel op de ruwe stam van een overhellende wilg. Iedereen wist dat hij hoogtevrees had. Maar de leiding had zin in wraak. ‘Komaan jongens, Joren kan precies niet meer tot tien tellen, laten we hem helpen.’ ‘Eén’, brulden ze. ‘Ben je een verkenner of brengen we je terug naar de welpen, Joren?’ riep Eenhoorn. ‘Kun je voetje van de grond spelen.’ ‘Ja, je staat al goed’, lachte Arend. Eenhoorn was niet de ergste van de drie. Ook voor Arend was Joren niet echt bang. Maar Jakala was wild. Zij was de reden waarom hij hier nu stond, met het angstzweet in zijn handpalmen en onder hem de oneindige diepte. Nu ja, oneindig. Toch zeker vijf meter. Of vier, drie misschien? ‘Twee!’ Joren aarzelde. Hij wilde het meteen achter de rug hebben. Hen niet het plezier gunnen om tot tien te tellen en van alles naar zijn hoofd te slingeren. Maar zodra hij naar beneden keek, werd hij stijf als een tak. Alleen als ze hem braken, zou hij in het water belanden. ‘Drie!’ Jakala kon zomaar uit haar vel springen, zonder aanleiding. Joren vroeg zich af hoe zo iemand het tot leidster had geschopt. Omdat ze twee gezichten had? Hij was een van de enigen die zich niet liet verblinden door haar lieve kant. ‘Vier! Komaan, Joren. Zet gewoon een stapje naar voren.’ Arend. ‘Haha, dat rijmt!’ brulde Jakala. Duh, nog niet gemerkt? dacht Joren. Alles rijmt op mijn naam. Heb je watten in je oren? Mag ik je even de grond in boren? Was je maar nooit geboren. Dat laatste meende hij niet. Als hij eenmaal die boom af was, zouden ze dat zelf wensen, want hij zou meteen naar de eenheidsleider gaan en laten weten hoe het zat met hun nachtelijke tochtjes naar het dorp. ‘Vijf!’ ‘Laat je gewoon vallen, het is maar water!’ riep Eenhoorn. ‘Of zal ik je een handje komen helpen?’ Arend stond aan de voet van de wilg die met zijn takken over het water helde alsof hij de overkant wilde aanraken. Hij stond er om Joren tegen te houden als hij de boom af zou willen lopen in plaats van te springen. Maar hij was het allang moe, zag Joren. De grootste spring-in-’t-veld van de scoutsgroep moest de wacht houden? Geen sterk plan. De nachtelijke tochtjes naar het dorp bevielen hem vast meer: actie, spanning, kilometers vreten. En pakjes friet met mayonaise! ‘Het wordt tijd dat die rat eens doet wat we vragen. Tijd om te tellen, jongens. Waar zaten we?’ Jakala. ‘Zes!’ riepen Arend en Eenhoorn. ‘Ik heb niet eens iets gezegd!’ riep Joren. ‘Maar je was het wel van plan’, zei Eenhoorn. Joren antwoordde niet, maar Eenhoorn had gelijk, hij wás onderweg geweest naar de eenheidsleider. ‘Als jullie me laten gaan, verklap ik niets’, zei Joren. Jakala grijnsde. ‘Goed geprobeerd, maar voor kleine ratten kunnen we niet te mild zijn. Zeg eerst maar eens wat je precies te vertellen had.’ ‘Als je me laat gaan.’ ‘Eerst opbiechten. En we tellen ondertussen verder, we hebben niet de hele dag. Zeven!’ Bij zes leek alles nog veraf, maar zeven was anders. De tien lonkte, en bij acht zou dat nog erger worden, straks trilde hij van de zenuwen het water in. Hij stamelde dat hij hen gevolgd was naar het dorp. Dat hij gezien had hoe ze bier dronken op een terras. En daarna was hij terug naar het kamp gelopen.

N

1

30

©

35

40

woord

wankel: wie of wat niet stevig staat en gemakkelijk uit balans kan raken zonder aanleiding: zomaar, zonder reden stamelen: stotteren, gebrekkig spreken

410

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 9 Springen


50

55

©

VA

N

60

‘Helemaal in je eentje?’ zei Eenhoorn. ‘Respect. Dat had ik niet gedurfd op mijn dertiende.’ ‘Acht!’ riep Arend, die er korte metten mee wilde maken. ‘Helpt het als ik zelf in het water kom?’ ‘Wat zeg jij nu?’ beet Jakala hem toe. ‘Je gaat het hem toch niet gemakkelijker maken? Wat maakt het uit? Iedereen gaat toch weleens in het dorp iets drinken? Dat hij maar naar de eenheidsleider loopt. Hij kan ons niets maken. En ik word helemaal opgevreten door de muggen, dus ik ben hier weg.’ ‘Negen!’ riep Jakala. ‘Jij blijft hier! We zouden dit samen doen, weet je wel.’ ‘Ach, het joch weet niets, dat zie je toch’, zei Eenhoorn. ‘Arend, jij loopt die stam op om Joren een handje te helpen als ik “tien” roep’, zei Jakala. ‘Wacht!’ riep Joren. ‘Ik verklap niets! Echt niet! Als je me gewoon laat gaan.’ ‘Ik stel voor dat we stemmen’, zei Eenhoorn. ‘Wie wil hem laten gaan?’ Jakala haalde haar schouders op, dat onnozele stemmen altijd. Arend was al halverwege de stam, maar stak net als Eenhoorn onmiddellijk een hand in de lucht. Joren zette zich schrap, de diepte lag al dichterbij, zijn hart sprong niet meer tot in zijn keelgat telkens als hij naar beneden keek. ‘Jullie krijgen er nog spijt van, jongens’, zei Jakala en toen hoorden ze een SPLASH! van jewelste. Aan de overkant klauterde Joren kletsnat de oever op: de kant het dichtste bij het kamp. Hij zou het eerst bij de tent van de eenheidsleider zijn. Hij had gesprongen, dus hij was vrij om te gaan vertellen dat het drietal geld uit de kas van de kookploeg nam, elke avond. Hij stoof weg onder het gejoel van Eenhoorn en Arend: ‘Woehoe, je deed het, Joren, we zijn trots op je!’

IN

45

Beluister het verhaal en maak kennis met de auteur Evelien De Vlieger.

woord

korte metten mee maken: zonder veel omhaal en zonder veel nadenken te werk gaan om zo snel mogelijk klaar te zijn

411


routeplanner van deel 9 Springen

Klas

Nr.

Bekijk de uitdaging om een moodboard te maken eerst aandachtig. De kennis en vaardigheden die daarvoor nodig zijn, kun je op verschillende manieren inoefenen. Verken daarom de lessen van dit deel. Maak een keuze om enkele of alle lessen van dit deel zelfstandig of klassikaal af te werken. De volgorde van de lessen binnen het deel A en B en het tempo bepaal je zelf. Je start met deel A. In de tabel vind je een voorstel van het aantal lesuren per les. Baseer je daarop. De leraar begeleidt je.

IN

De leraar zorgt voor correctiesleutels waar nodig.

Duid in de tabel de volgorde aan van de lessen die je zult afwerken. Kruis aan wat van je leraar mag en wat moet. Duid ook aan welke les zelfstandig en welke les klassikaal wordt gemaakt. Werk voor het groepswerk samen met iemand die (ongeveer) dezelfde volgorde kiest. Zet een teken in de laatste kolom als de les is afgerond. Succes!

lessen

volgorde

aantal moet lesuren

Beeld en verhaal: ‘Bevroren’ Verken de uitdaging en de andere lessen + planning

1

VA

A

N

JOUW ROUTEPLANNER

2-3

Les 2: Ik weet meer dan ik denk

2

Les 3: Ik ga op reis en ik neem mee …

2

Uitdaging: Spring de vakantie in

1

©

B

Les 1: Wat ik deze zomer echt wil doen …

De laatste ronde

totaal

412

0,5 - 1 8,5 - 10

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 9 Springen

mag

zelfstandig

klassikaal

afgerond


les

Wat ik deze zomer echt wil doen …

1

gepaste leesstrategieën inzetten

informatie kritisch bekijken

MINIBROCHURE OPMAKEN

1

De bucketlist OPDRACHT 1

IN

informatiebronnen raadplegen

Bekijk de tekst ‘Zes dingen die ik echt nog wil doen op reis’.

Beantwoord vragen 1 tot en met 7. 1 Som drie tekstkenmerken op.

N

2 Welke tekst herken je? Hoe weet je dat?

3 Waarom schreef de auteur de tekst? Wat is het tekstdoel?

VA

4 Waarom zou jij de tekst lezen? Wat is het leesdoel?

5 Welke leesstrategie paste je toe om de vorige vier vragen te beantwoorden? Markeer. globaal lezen – oriënterend lezen – zoekend lezen – kritisch lezen – intensief lezen

6 Wat is het hoofdonderwerp van de tekst? Waar vind je dat terug?

©

7 Welke leesstrategie gebruikte je om het antwoord op de vorige vraag te vinden?Markeer. globaal lezen – oriënterend lezen – zoekend lezen – kritisch lezen – intensief lezen

8 Lees de tekst nu intensief.

woord

de bucketlist: een lijst met dingen die je zeker nog wilt doen/beleven

LES 1 Wat ik deze zomer

echt wil doen …

413


ZES dingen die ik echt nog wil doen op reis EEN HELIKOPTERVLUCHT MAKEN Waar maakt me eigenlijk niet uit, maar wat zou ik toch graag een helikoptervlucht willen maken. Volgens mij geeft dat een enorm gevoel van vrijheid en moet het zó bijzonder zijn om een gebied vanuit de lucht te zien.

IN

PARAGLIDEN Ik heb iets met ‘in de lucht zijn’. Nadat ik mijn eerste parachutesprong maakte op Texel, raakte ik verknocht aan de adrenaline die dat teweegbrengt. Een vrije val van een halve minuut en vervolgens een paar minuten genieten van het uitzicht. Ik wil meer! En toen hoorde ik hoe cool paragliden moet zijn … Dat wil ik ook! MACHU PICCHU BEKLIMMEN - PERU Ik ben dus nog nooit in Zuid-Amerika geweest. Eigenlijk staat alles daar nog op mijn verlanglijst, maar mijn allergrootste wens is toch wel om Machu Picchu te mogen aanschouwen. Een brok geschiedenis die je gezien móét hebben.

VA

N

HET NOORDERLICHT ZIEN Tot nu toe heb ik het altijd op het nippertje gemist in Fins Lapland en Noorwegen. Ik heb het wel eens aanschouwd vanuit het vliegtuig, maar dat telt eigenlijk niet. Een collega van mij heeft het dit jaar wél gezien en die kon er niet over ophouden: het was te magisch voor woorden. Fingers crossed dat ik dit ook gauw mag afvinken!

©

LOPEN OVER DE CHINESE MUUR - CHINA Mijn vriend is er al eens geweest en elke keer als ik zijn foto’s zie, denk ik: ik wil ook. Wat een immens bouwwerk is dat! Voor mij is dat dé reden om eens naar China af te reizen. Dat geeft me meteen ook een goede reden om de rest van dat bizarre land te ontdekken.

EEN DAGJE PRET IN FERRARI LAND - SALOU Een dagje de waaghals uithangen in het gloednieuwe pretpark Ferrari Land in Salou mag zeker niet ontbreken! Dat park heeft met de Red Force de hoogste en snelste verticale achtbaan van Europa. Verder is er een vrijevaltoren van 55 meter hoog die ik zeker niet wil missen.

Naar: ‘Tien dingen die ik echt nog wil doen op reis’, www.reisdoc.nl

woord

verknocht: gehecht aanschouwen: zien, bekijken immens: heel groot, reusachtig

414

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 9 Springen


2

Aan de slag met informatiebronnen OPDRACHT 2

Onderzoek de tekst uit opdracht 1. Werk per twee.

1 Hoeveel alinea’s telt die tekst?

2 Welke delen ontbreken? Kruis aan.  inleiding (onderwerp aankondigen)  midden (onderwerp uitwerken)  slot (samenvatting of besluit)

IN

3 Voeg de ontbrekende tekstdelen toe. Je mag het werk verdelen. Houd het kort! Noteer de inleiding boven de tekst en het slot eronder of werk op een apart blad. 4 Maak op een apart blad een schematische voorstelling van het midden van de tekst. Leg uit waarom je voor die voorstelling kiest. 5 Welke items van die bucketlist zouden ook op de jouwe staan?

N

6 Welke nieuwe items zou je nog willen toevoegen? Maak een eigen bucketlist met vier bestemmingen waar je zeker nog naartoe wilt reizen.

VA

OPDRACHT 3

Ga aan de slag met je eigen bucketlist.

1 Omcirkel in je bucketlist je drie favoriete bestemmingen.

2 Zou je de tekst uit opdracht 1 kunnen gebruiken om informatie te zoeken over een bepaalde reisbestemming of reisactiviteit?

©

3 Ga via een zoekmachine (Google) op het internet op zoek naar informatie over jouw favoriete bestemmingen. Welke zoektermen zul je gebruiken?

4 Welke leesstrategieën gebruik je als je op het internet op zoek gaat naar geschikte informatie? Markeer. globaal lezen – oriënterend lezen – zoekend lezen – kritisch lezen – intensief lezen 5 Bekijk het instructiefilmpje over de betrouwbaarheid van een bron.

LES 1 Wat ik deze zomer

echt wil doen …

415


6 Welke vragen stel je om na te gaan of een bron geschikt is of niet? 7 Werk samen met een klasgenoot. Onderzoek de bronnen die je gekozen hebt. a Welke informatie krijg je over de vakantiebestemming?

IN

b Is die informatie betrouwbaar? Formuleer samen een antwoord. Leg je antwoord ook uit.

c Zie je naast de informatie nog andere teksten op die webpagina?

N

d Welke andere bronnen (niet internet) zou je kunnen raadplegen om informatie te verzamelen over een vakantiebestemming?

VA

hoe

Informatiebronnen raadplegen

Als je op zoek gaat naar informatie, dan kun je verschillende bronnen raadplegen via verschillende kanalen: het internet, kranten, tijdschriften, brochures, radioprogramma’s, televisieprogramma’s … Door oriënterend en globaal te lezen zie je snel welke bronnen geschikt zijn en welke niet. Het is belangrijk om na te gaan of de bron betrouwbaar is. Dat doe je door: na te kijken wie de auteur van de bron is; te onderzoeken met welke reden de bron gemaakt werd; na te gaan of de bron recent is en dus niet gedateerd.

©

• • •

waarheen

Je kunt: • • • • •

de juiste leesstrategieën inzetten; verschillende informatiebronnen opsommen; snel en efficiënt informatie vinden via een zoekmachine op het internet; onderzoeken of een informatiebron betrouwbaar is; kritisch naar een tekst kijken.

woord

gedateerd: niet recent, verouderd

416

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 9 Springen


Op bezoek in het reisbureau Maak een minibrochure over je favoriete bestemming.

Oriënteren

o

v

u

r

1 Werk in duo’s en bekijk je bucketlists. Zie je overeenkomsten? Welke bestemming zou je samen willen bezoeken? Is er geen enkele overeenkomst? Probeer je klasgenoot dan te overtuigen om jouw favoriete bestemming te bezoeken.

Voorbereiden

o

v

u

r

IN

2 Waar vind je informatie over die bestemming? Welke bronnen zou je kunnen raadplegen?

3 Zoek drie verschillende informatiebronnen over die bestemming. Noteer de bronnen die je gebruikt. Kijk goed na of ze betrouwbaar zijn. Herbekijk eventueel het instructiefilmpje.

N

4 Zoek uit waarom die bestemming de moeite waard is. Wat is bijzonder? Noteer dat in maximaal vijf goede zinnen.

VA

is de moeite waard om te

bezoeken omdat

Bovendien

Ook

©

Tot slot

5 Zoek vijf activiteiten die je op die bestemming kunt doen of bezienswaardigheden die je kunt bezoeken. Maak een lijstje. Denk aan een bepaalde volgorde.

LES 1 Wat ik deze zomer

echt wil doen …

417


Uitvoeren

o

v

u

r

6 Giet alle informatie nu in een minibrochure. Gebruik de vijf zinnen over de bestemming en lijst de bezienswaardigheden op. Voeg minstens één foto toe. Kijk je werk na met behulp van het reflectiekader.

Reflecteren

o

v

u

r

IN

7 Je leraar legt een wereldkaart in de klas. Prik jouw minibrochure op de juiste plaats op de kaart.

8 Neem een kijkje bij de wereldkaart. Jij beoordeelt de minibrochure van een ander team. In orde Je traject naar succes

jij

je klasgenoot

Je beschrijft de reisbestemming in vijf goede zinnen.

1234

1234

Je lijst vijf bezienswaardigheden op.

1234

1234

12

12

1234

1234

Je zorgt voor minstens één foto die bij de bestemming aansluit.

N

Je tekst komt overtuigend over. Werkpuntje voor jezelf:

©

VA

418

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 9 Springen


les

21

Ik weet meer dan ik denk

woordbetekenissen achterhalen

1

Woordbetekenissen vinden

OPDRACHT 1

IN

woordbetekenissen voor bingo opnemen

Luister naar de tekst ‘De opmars van de drone’.

1 Vul terwijl je luistert de tien weggelaten woorden in.

Kies uit: continu – dar – precisie – hypergevoelige – in spe – prototype – defibrillator – paparazzi – autonoom – juristen – geavanceerde – vliegtuig – hyperactieve

De opmars van de drone

N

1

Ze beschikken over            sensoren en intelligente computerchips. Ze hebben piepkleine camera’s en instrumenten om stoffen zoals gif mee op te sporen. Drones, onbemande vliegtuigjes, zijn wereldwijd in opmars. Maar wat zijn die drones? Zijn ze een uitkomst of kleven er ook nadelen aan?

VA

5

Wat is een drone?

Een onbemand luchtvaartuig of ’drone’ is een luchtvaartuig zonder piloot aan boord. Het toestel wordt dikwijls op afstand bestuurd, waarbij de bestuurder zich vlakbij kan

10

bevinden, maar ook op duizenden kilometers afstand. Het woord drone komt van het woord ‘dran’, dat in het Oudengels         betekent: een mannelijke honingbij. Het betekent letterlijk ‘diep

©

gezoem’.

Drones worden sinds 11 september 2001 (9/11) steeds meer ingezet door het Amerikaanse leger.

15

Intussen gebruiken veel andere landen die drones ook steeds vaker voor militaire toepassingen.

De ingebouwde sensoren en gps-systemen zorgen ervoor dat bombardementen met uiterste         uitgevoerd kunnen worden. Ook vanaf grote afstand.

Naast militaire doeleinden hebben drones tegenwoordig steeds vaker een bredere toepassing in allerlei sectoren, zoals de hulpverlening, de beveiliging en de horeca.

woord

in opmars zijn: in aantal toenemen de horeca: hotels, restaurants en cafés

LES 2 Ik weet meer dan ik denk

419


20

Ambulancedrone Een voorbeeld van een toepassing in de hulpverlening is de ambulancedrone. Het zal nog wel even duren voordat hij echt rondvliegt, maar het         ambulancedrone dat de Vlaming Alec Momont ontwikkelde, lijkt veelbelovend. De onbemande,         vliegende drone kan een         razendsnel afleveren in geval van een hartinfarct. Er is direct contact mogelijk met de

25

mensen ter plekke via een livestream video- en geluidsverbinding. De drone weet de patiënt te vinden door het mobiele telefoonsignaal van de beller. Hij haalt snelheden van wel 100 kilometer per uur, weegt

IN

vier kilo en kan een last van vier kilo dragen. De ambulancedrone zal eerst nog veel meer getest moeten worden, want hij is nog niet uitgeprobeerd met echte patiënten. 30

Kritiek

Inzet van drones voor militaire doeleinden is al jaren onderwerp van discussie. Veel juristen en

mensenrechtenorganisaties veroordelen het gebruik ervan. Het veroorzaakt namelijk een groot aantal (burger)slachtoffers.

Een ander punt van kritiek is dat onbemande vliegtuigjes een gevaar kunnen vormen voor de veiligheid

35

N

van het luchtverkeer. De drones nemen razendsnel in aantal toe en het is al eens gebeurd dat een drone op een vliegtuig stuitte.

Ook wordt steeds vaker gewezen op de mogelijke schending van de privacy. Drones hebben de meest            technologie en gevoelige gegevens kunnen zo op straat komen te liggen. En wat zou er gebeuren als deze kleine bespiedmachientjes         in handen vallen van

VA

40

? Of in handen van terroristen?

2 Hoeveel woorden heb je kunnen invullen?     /10

De woorden die je invulde, zijn best moeilijke woorden. Zet een kruisje onder het woord als je het met je eigen woorden kunt verklaren. hypergevoelig

dar

precisie

defibrillator

©

3 Er zijn verschillende manieren om de betekenis van woorden te achterhalen. Bekijk het filmpje over woordleerstrategieën. Zoek daarna de betekenis van de vetgedrukte woorden. a Ze beschikken over hypergevoelige sensoren.

tip hyper = heel erg

Betekenis?

Hoe heb je dat gevonden?

woord

de jurist: advocaat, rechtsgeleerde stuiten: botsen de privacy: persoonlijke levenssfeer

420

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 9 Springen


Ken je nog woorden met ‘hyper’? Geef er twee.

tip

b Het woord ‘drone’ komt van het woord ‘dran’, dat is Oudengels voor ‘dar’. Wat betekent het?

Zie tekstregel 12.

Hoe heb je dat gevonden?

Betekenis? Hoe heb je dat gevonden?

Welk woord herken je in ‘precisie’?

tip

Welke informatiebron kun je gebruiken?

N

d Het vliegtuigje kan een defibrillator razendsnel afleveren in geval van een hartinfarct. Betekenis?

tip

IN

c De ingebouwde sensoren en gps-systemen zorgen er namelijk voor dat bombardementen met uiterste precisie uitgevoerd kunnen worden.

Hoe heb je dat gevonden?

VA

hoe

Woordleerstrategieën

Wat doe je als je een woord in een tekst niet begrijpt? Dan pas je één of meer woordleerstrategieën toe. Dit zijn belangrijke woordleerstrategieën. 1 Je bestudeert de woordbouw. Daarvoor ga je bij samenstellingen en afleidingen op zoek naar de betekenis van de afzonderlijke woorddelen. 2 Je probeert het woord vanuit de context te verklaren. Je bekijkt de illustraties. Of je zoekt een synoniem, antoniem, uitleg of voorbeeld in de zinnen voor of na het onbekende woord.

©

3 Je kijkt naar de woordfamilie. Je vergelijkt met woorden die je al kent. Je gaat op zoek naar bekende delen in het woord of woorden die erop lijken, zowel in je eigen als in een vreemde taal. 4 Lijkt het onbekende woord op een woord in een andere taal? Je zoekt naar taalverwantschap. 5 Als je de betekenis niet kunt afleiden, dan gebruik je een informatiebron. Je zoekt het woord op in een woordenboek of op het internet. 6 Als je de betekenis zelf niet kunt vinden, dan vraag je de betekenis aan iemand die het woord wel begrijpt.

4 Er wordt gezegd dat drones sinds 11 september 2001 (9/11) steeds meer ingezet worden door het Amerikaanse leger. Wat is er toen gebeurd? Waarom denk je dat ze almaar vaker ingezet worden sindsdien? Vertel. LES 2 Ik weet meer dan ik denk

421


5 Zoek nu de betekenis van de overige woorden uit de tekst en duid de woordleerstrategie aan. Leg eventueel uit in de laatste kolom. WOORD

BETEKENIS

STRATEGIE  woordbouw  context  woordfamilie  informatiebron  taalverwantschap  ik ken de betekenis

Het prototype ambulancedrone (…) lijkt veelbelovend.

 woordbouw  context  woordfamilie  informatiebron  taalverwantschap  ik ken de betekenis

De onbemande, autonoom vliegende drone kan een defibrillator razendsnel afleveren.

VERKLARING

IN

Het betekent letterlijk ‘diep continu gezoem’.

 woordbouw  context  woordfamilie  informatiebron  taalverwantschap  ik ken de betekenis

 woordbouw  context  woordfamilie  informatiebron  taalverwantschap  ik ken de betekenis

En wat zou er gebeuren als deze kleine bespiedmachientjes in spe in handen vallen van paparazzi?

 woordbouw  context  woordfamilie  informatiebron  taalverwantschap  ik ken de betekenis

En wat zou er gebeuren als deze kleine bespiedmachientjes in spe in handen vallen van paparazzi?

 woordbouw  context  woordfamilie  informatiebron  taalverwantschap  ik ken de betekenis

©

VA

N

Drones hebben de meest geavanceerde technologie.

6 Zoek zelf nog een moeilijk woord in de tekst. Wat is de betekenis? Duid de woordleerstrategie aan.

422

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 9 Springen

 woordbouw  context  woordfamilie  informatiebron  taalverwantschap


2

Prettige woordstoornissen

+ OPDRACHT 2

Lees de drie woorden.

Ze worden verklaard in De foute woordenboek. 1 Wat betekenen ze? Geef er zelf een betekenis aan. Fantaseer maar.

puitenverblijf: blafond:

IN

afwasbeer:

2 Vind je het moeilijk of makkelijk om de betekenis te achterhalen?

3 Wat doe je als je zelf een betekenis verzint?

©

VA

N

waarheen

Je kunt: • • •

woordbetekenissen achterhalen door een gepaste strategie in te zetten; taalregisters en taalvariëteiten herkennen en benoemen: formeel en informeel, Standaardnederlands en dialect; het gepaste taalregister gebruiken en beoordelen in verschillende communicatieve situaties.

LES 2 Ik weet meer dan ik denk

423


Win bingo als redacteur van ‘de foute woordenboek’ Oriënteren

o

v

u

r

1 Werk per twee en ga aan de slag als redacteur. De leraar geeft je een woord uit ‘De foute woordenboek’. Wat betekent het woord volgens jou? Fantaseer maar. Woord: Verklaring:

o

v

u

r

IN

Voorbereiden

2 Formuleer de uitleg zo dat die recht uit het woordenboek lijkt te komen.

3 Gebruik het woord in een context. Bedenk een situatie of een zin waarin het gebruikt wordt.

Uitvoeren

N

o

v

u

r

VA

4 a Alle door de duo’s verklaarde woorden worden geprojecteerd. b Je krijgt van de leraar een bingokaart met alle verklaarde woorden. c Elk om de beurt gebruikt een duo zijn woord in een context. Je zegt het woord niet, maar vervangt het door ‘piep’. d Daarna geeft het duo de zelfbedachte betekenis. e De andere duo’s zetten een kruis over het verklaarde woord op de bingokaart. f Wie vijf woorden op een rij heeft, roept ‘bingo’. g De leraar controleert de bingokaart. Bij een foute oplossing speel je verder.

Reflecteren

o

v

u

r

5 Je beoordeelt je eigen groep. Je leraar geeft je de originele oplossingen.

©

In orde Je traject naar succes

Je bedenkt een geloofwaardige betekenis.

1234

Je gebruikt het woord in een passende context.

1234

Je werkt vlot samen met je partner.

1234

Je raadt goed de betekenis van de andere woorden.

1234

Werkpuntje voor jezelf:

woord

de redacteur: een persoon die de inhoud van een blad (bv. krant) samenstelt

424

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 9 Springen


les

3

Ik ga op reis en ik neem mee …

genres ontdekken

leeservaring en -voorkeur verwoorden placemat-verhaal schrijven

genietend lezen

een goed boek

OPDRACHT 1

IN

1

Wat is een goed boek? Beantwoord de vragen.

1 Wanneer is een boek voor jou ‘een goed boek’? Je dacht daarover al even na in het deel ‘Scoren’. 2 Welk ‘goed boek’ heb je onlangs gelezen? Naar welke wereld nam de auteur je mee? 3 Bespreek met een klasgenoot. Heb je dezelfde smaak? Of net niet? 4 Houd je vooral van fictie of eerder van non-fictie?

N

tip

non-fictie: de realiteit zoals in een zakeliijke tekst fictie: verzonnen tekst zoals in een verhaal

een genre voor elke dag

VA

2

OPDRACHT 2

Groepeer de jeugdboeken.

Werk in groepen. Welke boeken horen samen en welke zeker niet? Overleg met je klasgenoten en beredeneer je keuze. Na elke ronde krijg je van de leraar extra informatie. Je kunt je keuze dan eventueel aanpassen. Paultje, echt geen jongen

Ule

De vloek

iBoy

Jonkvrouw

De mysterieuze zolder

Horowitz horror

Havikskruid

Mijn vader maakt wapens

Eilanddagen

Inwijding

©

Malou van de mussen

genre

hier-en-nu-verhalen

historische verhalen

fantasieverhalen

boeken (titels)

LES 3 Ik ga op reis en ik neem mee …

425


genre

boeken (titels)

1 Welke titels van jeugdboeken kon je meteen in de juiste kolom zetten? Hoe komt dat?

IN

2 Bij welke jeugdboeken bleef je twijfelen? Waarom? 3 Over welke jeugdboeken heb je lang gediscussieerd? Hoe kwam dat? OPDRACHT 3

Bepaal het genre.

Werk in groep. Gooi de dobbelsteen. Het aantal ogen bepaalt welk genre je groep onder de loep zal nemen. Markeer dat genre. Vraag 1 behandel je in groep. Vraag 2, 3 en 4 maak je individueel.

= historisch

= griezel

= oorlog

= sciencefiction

= fantasie

N

= hier en nu

VA

Een hier-en-nu-verhaal: Paultje, echt geen jongen 1

5

©

10

Paultje gluurde tussen de spijlen van de trap door naar beneden en luisterde. Zijn moeder was in de winkel. Hij sloop op kousenvoeten naar zijn slaapkamer. Zijn mond werd droog van de spanning, zijn hart hamerde. Met trillende handen schoof hij de broodzak vanonder zijn bed en pakte de pop eruit. Betoverd liet hij zijn wijsvinger over het wipneusje van de pop glijden. ’Nu hebben we toch een pop’, zei Paulien. Paultje wiegde de pop terwijl Paulien een slaapliedje neuriede Na het dutje kamde hij de poppenharen. Ze voelden zijdeachtig aan. Met een elastiekje probeerde hij een paardenstaart te maken. Toen hij het elastiekje om de staart bond, zwaaide zijn slaapkamerdeur open. ‘Waarom kom je niet als ik je roep?’ Madeleine hapte naar adem toen ze de pop zag. Haar gezicht werd hard, haar ogen kil. ‘Hoe kom jij aan die pop?’ Paul sloeg zijn ogen neer. ‘Is die van Elsje?’ Een overbodige vraag. Ze had de pop op het sinterklaasfeest gezien. Paultje zweeg. Madeleine ging voor hem staan. ‘Ik geloof mijn ogen niet! Hoe kan je zoiets doen?’ Haar hand kwam hard op zijn wang terecht. Paultje duizelde. Zijn gezicht stond in brand. Nog nooit had zijn moeder hem geslagen. ‘Als je vader dat te weten komt, begaat hij een ongeluk!’ Speeksel spatte uit haar mond en woest griste ze de pop uit zijn handen. ‘Je vertelt niemand over die pop. Hoor je me? Niemand! En je steelt nooit meer.’ Paultje schudde het hoofd. Tranen stroomden over zijn wangen. Zijn luchtpijp voelde als schuurpapier en hij kreeg een hoestbui.

15

20

25

426

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 9 Springen


30

Madeleine draaide zich om en liep driftig zijn slaapkamer uit en de trap af. Haar vingers knepen zo hard in het poppenhoofd dat onder haar duim een diepe deuk ontstond. Ze verstopte de pop diep in een lade achter de blikken doos met schoensmeer en borstels. Terwijl ze dat deed, viel het weesgegroet haar in. Ze bad niet hardop, maar herhaalde het keer na keer in haar hoofd. Ze had haar zoon geslagen. Tot haar eigen ontsteltenis was dat niet omdat hij de pop gestolen had. Het waren zijn meisjesmanieren die haar zorgen baarden. B. Minne. Paultje, echt geen jongen. Wielsbeke, De Eenhoorn

HET JONGSTE MAARTJE

5

10

VA

15

Tijdens het eten hangt er in de schommelkeuken een gespannen sfeer. De huishoudster doet pinnig, Bertje lacht af en toe, maar durft geen woord tegen mij te zeggen en Anna en Catharina kijken me nauwelijks aan. Cornelis houdt zich afzijdig, hij noemt me nooit meer Malou. Ik voel me hier niet welkom. Toch is Nelleke de enige die openlijk vijandig doet. Ze heeft haar eigen beddenbak helemaal in haar eentje tot in de uiterste hoek van de kamer geschoven, zo ver mogelijk bij de mijne vandaan. Als we op een avond met alle vrouwen in de schommelkeuken zitten, komen Cornelis en Bertje met driftige passen binnen. Bertje bloost zowaar. Die jongen is een sukkelaar, hij is nog magerder dan Hendrik. ‘Er is een heks voor de vierschaar gebracht en veroordeeld!’ zegt Cornelis. ‘Ze heet Clara Joossen en komt uit Straatsburg. Ze heeft bekentenissen afgelegd in het Steen!’ ‘Wat heeft ze dan bekend?’ vraagt Nelleke. ‘Tijdens een heksensabbat in Lembeke heeft ze met Roeland de duivel gedanst en hem op zijn blote kont gekust. Ze heeft de Zwarte Dood naar Antwerpen gelokt!’ ‘Ze heeft zeker pas bekend nadat ze gefolterd werd?’ zegt Elodie zacht. ‘Dat arme mens.’ ‘Heksen verdienen ons medeleven niet’, zegt mevrouw Margaretha scherp. ‘Wanneer wordt die toverkol op de brandstapel gezet?’ ‘Morgenvroeg op de Grote Markt. Ze wordt eerst gewurgd.’ ‘Ik heb nog nooit in mijn leven meegemaakt dat er in Antwerpen een heks werd verbrand’, zegt Elodie. ‘Gegeseld of verbannen, dat wel, maar op de brandstapel gezet … Heeft de meester iets te maken met die veroordeling, Cornelis?’ ‘Nee, het komt door toedoen van oud-schepen Johannes Baxius, dat is een heksenjager.’ ‘Mag ik alsjeblieft naar de heksenverbranding gaan kijken?’ smeekt Nelleke. ‘Ben je gek? Jij blijft hier!’ zegt Elodie. ‘We mogen niet buitenkomen van de meester’, zegt mevrouw Margaretha. ‘Ik ga kijken!’ Bertje kijkt triomfantelijk de tafel rond. Hij heeft gesproken zonder te stotteren. ‘Jij mag gaan als Cornelis meegaat’, zegt de huishoudster. ‘Dat is toch niks voor een kind, Margaretha’, zegt Elodie. ‘Ik ben geen k-k-kind! Ik ben al v-v-veertien!’ De volgende avond ziet Bertje doodsbleek als hij aan tafel schuift. Ook Cornelis is stil. De lepels tikken in de kommen. Iedereen wacht. Als die twee blijven zwijgen, houdt Nelleke het niet meer uit. ‘Hoe was het?’ vraagt ze. Bertje kijkt niet op van zijn kom en prevelt: ‘Het s-s-s-stonk v-v-vvverschrikkelijk!’ ‘En ‘t was een vreselijk gezicht’, vult Cornelis aan. ‘Het was nog een jonge vrouw. Ze zag er helemaal niet uit als een heks.’ Elodie maakt een kruisteken. ‘God hebbe haar ziel.’

N

1

IN

Een historisch verhaal: Malou van de mussen

20

©

25

30

35

LES 3 Ik ga op reis en ik neem mee …

427


40

‘Voor heksen moet je niet bidden en schijn bedriegt’, zegt mevrouw Margaretha. ‘Haar betovering werkte blijkbaar nog tot na haar dood! God heeft door het open dak van de vierschaar toegekeken terwijl de schepenen hun oordeel velden. Hij zal wel gezien hebben dat het goed was. Dat mag je niet in twijfel trekken, Elodie!’ N. Elpers. Malou van de mussen. Amsterdam, Van Goor

Een griezelverhaal: De vloek

10

15

VA

20

IN

5

Vrijdag, laatste lesuur. In de klas klinkt het gebruikelijke rumoer dat altijd opstijgt tijdens het wisselen van lessen en leraars. Speciaal voor de geschiedenisles is Stella op de tweede rij naast Kat gaan zitten. Op Frankies plaats, want die is ziek. Haar smartphone ligt op haar schoot. Kat werpt er een fronsende blik op, maar zegt er niets van. Kat doet al de hele dag afwezig. Zij en Dizzy hebben ruzie, maar ze willen geen van beiden vertellen waarover. Stella’s vingertoppen glijden over het touchscreen van de nagelnieuwe smart­phone. Die heeft ze onlangs van papa gekregen om goed te maken dat hij veertien avonden op rij niet thuis was wegens gemeenteraden, problemen met de brandweer, huldigingen van sportlui, besprekingen met de politie enzovoorts. Met dit toestelletje kun je makkelijk een gesprek opnemen, dat heeft ze getest. Ze wil Jelle bewijzen dat mevrouw Goedhart hen manipuleert, dat ze in hun brein zit te wroeten als een boze fee. Hij lijkt dat idee nog niet helemaal te aanvaarden, al doet hij lang niet meer zo stug. ‘Kat, kun je het niet goedmaken met Dizzy?’ vraagt ze zacht. ‘Dizzy?’ Kat steekt een vinger in haar mond en maakt een veelzeggend braakgeluid. Maar daar komt mevrouw Goedhart aan. Ivar veert overeind en klapt in zijn handen, alsof de eerste minister op bezoek is! Is dat een ‘Noordse’ gewoonte misschien? Maar Ivar komt niet echt uit een of ander Scandinavisch land, toch? Stella schudt met haar hoofd. Er is iets mis met haar geheugen, alsof er links en rechts een radertje losspringt. Mevrouw Goedhart ziet er opmerkelijk stralend uit. Kwam ze hier niet de eerste dag binnengekreupeld, tandeloos en gerimpeld als een oude appel? Nu lijkt ze een jonge oma van halfweg de vijftig! Doorheen haar grijze haar schemert hier en daar wat rood. Haar ogen zijn helder nu. Het ene is blauw en het andere … groen! Een beetje rouge op haar wangen fleurt haar bleke teint op. Ze draagt nog steeds dezelfde hakken, maar haar oudedametjesjurk heeft ze geruild voor een zwarte die rond haar slanke lijf spant. Het model staat haar echt goed, al zou Stella er een riempje bij dragen. Heeft de oude dame vanmorgen met de strijkbout haar rimpels gladgestreken? Of karrenvrachten vitamines geslikt? Of haar gezicht laten opspuiten? Ze loopt naar het bureau, nog altijd een beetje mank, maar toch niet meer zo onzeker als eerst. Het is intussen een vertrouwd beeld: het zwarte handtasje, de ellebogen op het bureaublad, de vingertoppen tegen elkaar. Maar de reumaknobbels zijn minder uitgesproken en de tanden minder geel. Zonder veel inleiding loodst mevrouw Goedhart hen de Tweede Wereldoorlog in. ‘Op Stella’s verzoek’, knipoogt ze. Stella en de anderen leven in Duitsland, waar Hitler aan de macht is. Ze zijn bevriend met ene Fritz. De vader van Fritz en zijn grote broers zitten bij de SS. Over een jaar of wat wil Fritz ook bij de SS, het elitekorps van Hitler. Dan mag hij zich zo’n jofel, grijs uniform aanmeten, en iedereen wegmaaien die hem voor de voeten loopt. Het begint te schemeren in de mistige straten van Berlijn. Aan de muren en tegen de ramen hangen affiches waarop joodse mensen worden afgebeeld als inhalige duivels met haakneuzen. Van hun valse grijns kun je aflezen wat voor stiekeme bedriegers ze zijn, dieven, zeg maar. Stella kent geen enkele jood persoonlijk, maar Hitler, hun leider, zegt dat die lui voor geen meter deugen en dus walgt ze van hen. Met Fritz voorop banjeren ze met een groepje door de straten. Het plan? Een jood vinden en hem dan zo hard in elkaar rammen dat hij een uur nodig heeft om zijn tanden bij elkaar te rapen. Dat zegt Fritz.

N

1

25

©

30

35

40

428

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 9 Springen


55

60

65

VA

70

IN

50

Ze zingen anti-joodse leuzen, maar zo horen die schurken hen natuurlijk al van ver aankomen. Fritz, die wat op Frankie lijkt, draait zich om en legt een vinger op zijn lippen. De sfeer wordt grimmiger, de nevel dikker. Al wie van de norm afwijkt, moet eraan. Joden zeker, ze besmetten het ras. Duitsers moeten zuiver blijven. Naast Stella lopen Kat en Fatiha. Is Fatiha wel raszuiver? Geen tijd om erover na te denken, want Fritz wijst naar een portiek waarin twee schimmen elkaar staan te zoenen. ‘Flikkers!’ gilt Fritz. ‘Pak ze!’ De twee hebben hen opgemerkt en stuiven weg. Stella en de anderen achtervolgen hen door straten en stegen. Tot de twee jongens elk een andere kant op rennen. Eentje zijn ze al gauw kwijt, maar de andere is niet zo snel. Zijn blonde haar maakt hem extra zichtbaar. ‘Nemen jullie de volgende steeg!’ schreeuwt Fritz. ‘We sluiten die nicht in!’ ‘Hij kan geen kant meer op!’ hijgt Kat. De blonde jongen – is dat Dizzy niet? – staat midden op een kruispunt. Hij speurt paniekerig om zich heen naar een gaatje waarlangs hij kan ontsnappen, maar ze sluiten hem van alle kanten in. ‘Maak hem af!’ galmt de stem van Fritz. Kat vliegt als eerste op Dizzy af. Stella schopt tegen zijn arm. Fatiha rukt aan zijn haar. Hij probeert weg te kruipen, maar een paar jongens houden hem tegen de grond gedrukt. Fritz roept en tiert. In een van de huizen gaat een deur open. Jelle komt naar buiten gestrompeld met maaiende armen en in zijn rechterhand een opengevouwen zakmes. Hij stort zich op Dizzy, steekt de punt van het mes in zijn hals. ‘Stóóóp!’ schreeuwt opeens iemand luid. ‘Hou daarmee op!’ Het is Arne. Hij rukt wild aan Jelles arm. En Stella? Ze is niet meer in Berlijn, maar gewoon in de klas. Ze staan met zijn allen om Dizzy heen, die op zijn rug tussen de tafeltjes ligt met Jelle bovenop hem. Arne hangt aan Jelles arm. Dizzy’s neus bloedt, zijn ene oog zwelt op. Over zijn keel loopt een striem waaruit wat druppeltjes bloed opwellen. ‘Ga door! Maak hem af!’ krijst mevrouw Goedhart. ‘Geef hier, Jelle.’ Stella wringt het mes uit zijn hand. Zijn vingers gaan vanzelf open. ‘Ga toch door!’ De lerares slaat met haar vuist op het bureau. Een jongen vloekt. Fatiha begint te huilen. Alleen Ivar zit nog braaf op zijn stoel. Hij glimlacht gelukzalig, alsof hij op de eerste rij zit voor een 3D-fiIm. Hij mist nog net een zak popcorn. ‘Wat is er gebeurd?’ Fatiha opent haar vingers. Er valt een pluk blond haar op de grond.

N

45

W. Stroobant. De vloek. Leuven, Davidsfonds/Infodok

Een sciencefictionverhaal: iBoy

Er zijn mensen die zo goddelijk zijn, zo uitzonderlijk, dat ze van nature, op grond van hun buitengewone talenten, alle morele oordelen of wettelijke verordening te boven gaan. Er bestaat geen wet waaronder mensen van dat kaliber vallen. Zij zijn zelf de wet. Aristoteles

©

1

5

10

15

Toen ik weer de huiskamer in kwam, zat Ben nog steeds onderuitgezakt op de bank tv te kijken en kon ik zijn moeder in de keuken horen afwassen. Ik liep naar hem toe en ging naast hem zitten. ‘Alles in orde?’ bromde hij, zonder zijn ogen van het scherm los te maken. ‘Nee, niet echt’, zei ik. Hij haalde zijn schouders op en bleef naar de tv kijken. Ik zat een tijdje in stilte mijn best te doen om fragmenten van het online tv-programma in mijn hoofd te negeren, die me vast hadden kunnen vertellen waar hij naar keek als ik het echt had willen weten. Maar dat wilde ik niet. ‘Zal ik jou eens wat zeggen’, zei ik zachtjes tegen Ben. ‘Als jij me vertelt wat je hebt gedaan om de Crows zo nijdig te krijgen, vertel ik niemand over de iPhone.’ ‘Wat?’ snauwde hij, terwijl zijn ogen zich plotseling van het scherm losscheurden. ‘Je verstond me wel.’ ‘Ik weet niet waar je het over hebt.’

LES 3 Ik ga op reis en ik neem mee …

429


30

35

40

VA

45

IN

25

N

20

‘Dat weet je wel’, zei ik. ‘Ik wil alleen maar weten waarom de Crows hier langskwamen om je een pak op je donder te geven. AIs je me dat vertelt, houd ik mijn mond over dat jij die iPhone hebt gestolen.’ Op dat moment riep zijn moeder uit de keuken: ‘Alles goed daar, Ben?’ ‘Ja, mam’, riep hij terug. ‘Ik zit met Tom te praten. Alles in orde.’ Hij draaide zich weer naar mij en ging zachter praten. ‘Hoe weet jij dat van die iPhone?’ Omdat stukken ervan in mijn hersenen zitten, wilde ik zeggen, daarom. En op een of andere manier – op een onwerkelijke, onvoorstelbare, ongelooflijke manier – zijn die stukjes iPhone aan mijn hersenen gekoppeld en verbinden ze me met alles waar een iPhone verbinding mee kan maken en meer, en dat is een hele hoop. En ergens in die hoop zit een serie codes of sleutels – een soort beveiligingsdata – die als zodanig mij totaal niks zegt, maar op een of andere manier (alweer) wordt alles gefilterd/vertaald naar iets wat ik wel begrijp en zo weet ik dat deze iPhone nooit verkocht is of geregistreerd, en nauwelijks is gebruikt. Ik zie ook een aangifte van diefstal en een verklaring die de manager van de Groothandel Autotelefoons in Highstreet heeft afgelegd met informatie over de diefstal van een iPhone op 2 maart. De beschrijving van de dief is een beschrijving van jou, Ben. Zo weet ik dat jij de iPhone hebt gestolen, oké? Maar dat vertelde ik hem natuurlijk niet. In plaats daarvan zei ik: ‘Het maakt niet uit hoe ik dat weet. Ik weet het gewoon. En als je wilt dat je moeder en de politie het ook te weten komen …’ ‘Mijn moeder?’ zei hij spottend. ‘Vertel haar maar wat je wilt. Daar heb ik schijt aan.’ ‘O ja?’ zei ik. ‘Waarom fluister je dan?’ Hij keek me een tijdje woedend aan en probeerde de stoere, overal-schijt-aan-hebbende jongen uit te hangen, maar ik wist dat het maar schijn was. Alle bendejongens hier uit de buurt zijn bang voor hun moeder. Dat zullen ze natuurlijk nooit toegeven, maar hoe oud ze ook zijn, hoe gewelddadig, doortrapt of gevoelloos ook … vanbinnen zijn het allemaal moederskindjes. En Ben was niet anders. ‘Dus’, zei ik. ‘Ga je vertellen wat er gebeurd is? Of wil je dat ik even met je moeder ga praten?’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Ik noem geen namen …’ ‘Ik vroeg niet om namen. Ik wil alleen weten wat er gebeurd is.’ ‘Oké’, siste hij. ‘Maar praat een beetje zachtjes, ja?’ Ik keek hem aan. ‘Ik wacht nog steeds …’ ‘Hoor eens,’ fluisterde hij, ‘het had niks met die iPhone te maken, ja? Niet echt … ik bedoel, ik was met een stel van de FGH toen ik hem pikte, maar …’ ‘De FGH? Wat deed je met hen?’ ‘Niks. Gewoon een beetje rondhangen, je weet wel …’ ‘Ik dacht dat je met de Crows omging?’ ‘Nou, ja … maar het werd daar een beetje heftig, weet je wel …’ ‘Wat bedoel je?’ Hij aarzelde. Ik zei: ‘Wat bedoel je, Ben?’ Hij zuchtte. ‘Ze wilden dat ik een gozer een afstraffing zou geven, je weet wel, hem met een mes steken … waarom weet ik niet. Hij was niet van de FGH of zo, gewoon een of andere jongen … ik denk dat hij een Crow beledigd had, een kerel die …’ Hij aarzelde weer. ‘Ja, nee … ik weet niet meer wie het was. Maar in elk geval gaven ze me een mes en zeiden dat ik die kerel een jaap moest geven. Niet erg of zo, gewoon een snee in zijn been, je weet wel …’ ‘En dat heb je geweigerd?’ ‘Ja … ik bedoel, ik wilde niemand steken, jezus.’ Hij keek me aan en ineens was de kille, stoere, doortrapte jongen die hij voorgaf te zijn, verdwenen en was er alleen nog maar de jongen van vroeger over. Hij snufte, veegde zijn neus af. ‘Ik zei dat ik het niet ging doen’, zei hij. ‘Kwamen ze daarom hier langs?’ vroeg ik. ‘Omdat je zei dat je het niet wilde?’ Hij knikte. Hij snoof minachtend. ‘Jij hebt het niet gedaan, Ben’, verzekerde ik hem. Zíj hebben het gedaan. Zij zijn de enigen die verantwoordelijk zijn.’ ‘Ja, maar als ik niet …’ ‘Zo moet je niet denken.’ ‘Ik kan het niet helpen.’ ‘En die iPhone?’ vroeg ik.

50

©

55

60

65

70

430

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 9 Springen


85

90

95

VA

100

IN

80

N

75

Hij snoof nog eens heftig, slikte snot en tranen door. ‘Ik weet het niet … ik denk dat iemand nadat ze me in elkaar hadden geslagen hem uit mijn zak heeft gehaald … ik kan het me niet echt herinneren.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik denk dat ze hem gewoon voor de lol uit het raam hebben geflikkerd, je weet wel …’ Voor het eerst keek hij naar mijn hoofdwond. ‘Ik weet niet wie hem gegooid heeft, Tom.’ ‘Zou je het zeggen als je het wel wist?’ ‘Ik denk het niet. Ik bedoel, je weet toch hoe het is …’ ‘Ja …’ ‘Het heeft geen zin.’ ‘Wat niet?’ ‘Proberen erachter te komen wie het gedaan heeft. Het maakt geen enkel verschil.’ ‘Dat hoor ik steeds.’ ‘Ja, nou … het is zo.’ Ik keek hem aan, in tweestrijd tussen medelijden en iets wat dicht bij minachting lag. Ondanks zijn stommiteit dat hij zich om te beginnen bij de Crows en de FGH had aangesloten, was het toch echt niet zijn schuld dat hij in elkaar was geslagen en dat zijn zus was verkracht. En ik begreep volkomen waarom hij geen namen wilde noemen en niet eens op straf uit was voor Lucy’s aanvallers en de zijne, maar hij had ongelijk dat het geen verschil uitmaakte. Misschien maakte het geen verschil wat betreft het ongedaan maken van wat Lucy en hem overkomen was, maar het pakken en straffen van hun overvallers zou weleens kunnen betekenen dat iemand anders hetzelfde bespaard zou blijven. Maar hoe zit dat, vroeg ik mezelf af, dat je voor Ben bijna minachting voelt omdat hij weigert namen te noemen, maar je bij Lucy dat gevoel niet hebt? Daar had ik geen antwoord op. ‘Vallen de Crows je nog steeds lastig?’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Niet echt … wel waarschuwingen, je weet wel. Houd je mond, want anders … dat soort dingen.’ ‘En de FGH?’ ‘Hoezo de FGH?’ ‘Ga je daar nog mee om?’ ‘Nee.’ Hij keek me aan. ‘Je bent toch niks van plan, hè?’ ‘Nee’, zei ik. ‘Nee, ik ben niks van plan.’ K. Brooks. iBoy. Amsterdam, De Harmonie

Een oorlogsverhaal: Ule

1

©

5

De woorden van memee blijven door mijn hoofd galmen, terwijl we zwijgend verder stappen. Maar dan houdt Guust het niet langer uit. ‘Zou memee ook muilentrekkers in die ransel hebben gestopt?’ vraagt de snoeper zich hardop af. ‘Dat zien we deze middag wel, als we stoppen om te eten’, antwoord ik. ‘We …’ De woorden blijven steken in mijn keel, wanneer ik opeens vanuit het bos achter het kasteel van Herlegem een groep soldaten in grijze uniformen zie opdagen. Heel even staan we alle vijf als aan de grond genageld en staren we als versteend naar het dozijn zwaarbewapende pinhelmen. Ik kijk vragend naar moe. Die is al even verrast en weet het ook even niet. Vluchten heeft geen enkele zin. Die pinhelmen halen ons zo in. ‘Gewoon verder stappen’, zegt Dree. ‘Hopelijk negeren ze ons.’ Maar de pinhelmen lopen recht op ons af. ‘En ze verkracht’n de vrouw’n en de jonge meiskes!’ Een van de barbaren, een bonk van een kerel met een grote, gekrulde snor, roept ons iets in het Duits toe. Maar we doen alsof we hem niet horen en versnellen onze pas. Tot overmaat van ramp krijgt Bella uitgerekend nu weer een van haar kuren en zet ze haar zinnen op het gras aan de kant van de weg. ‘Vort, Bella!’ snauwt Dree.

10

15

LES 3 Ik ga op reis en ik neem mee …

431


Hij rukt met al zijn kracht aan het touw. Maar Bella verzet met moeite nog een poot. Drees ogen schieten razendsnel van links naar rechts, op zoek naar een stok. Maar die vindt hij niet. De pinhelmen halen ons moeiteloos in. De krulsnor roept ons weer iets toe, waarop de anderen luid in de lach schieten. Hij loopt op Dree af, terwijl de aandacht van de andere soldaten vooral uitgaat naar moe en mij. Het angstzweet breekt me uit. Bolster blaft de vreemdelingen nijdig toe.

25

Krulsnor, duidelijk de leider, ziet er in zijn strak zittende, grijze uniform en ondanks het zware pistool, dat in een zwartlederen holster aan zijn broekriem bengelt, helemaal niet gewelddadig uit, integendeel. Hij lijkt zelfs een beetje op Polle Trompies. De bonk glimlacht ons vriendelijk toe, legt zijn hand op Bella's rug en zegt iets wat ik niet versta. Misschien is hij ook wel een boer. En zegt hij dat hij thuis ook koppige koeien heeft en dat hij eens zal laten zien hoe hij die aanpakt. Hij steekt zijn hand uit en beduidt Dree hem het touw te geven. Dree aarzelt en kijkt naar moe. Maar veel geduld heeft de krulsnor blijkbaar niet. Hij grist het touw uit Dree zijn handen en geeft een teken aan een van zijn kompanen. Die stapt kordaat op moe af, graait op zijn beurt het touw uit haar hand en wandelt vrolijk Iachend met Stula weg. Nog een andere pinhelm, een kerel met ijzige, staalblauwe ogen en een klein, onnozel snorretje komt op me af en wil het touw uit mijn handen rukken. ‘Je moet altijd opkomen voor jezelf en je nooit laten doen. Nooit. Door niemand …’ Dus geef ik Mirza niet zomaar prijs en blijf het touw stevig vasthouden. Tot grote ergernis van de pinhelm, die me een ijskoude, hatelijke blik toewerpt. Ik kijk moe strak aan en schrik van de doodsbange blik in haar ogen. Haar gezicht is asgrauw. Bolster stopt met blaffen en gromt woest naar mijn belager. Zijn nekhaar komt dreigend overeind. ‘Lassen Sie diese Ziege, Adolf’, zegt de jongste van de bende pinhelmen. Maar lJsoog negeert zijn jongere kompaan en blijft krachtig aan het touw rukken. ‘Laat dat touw los, Ule!’ zegt moe. Dan gaat alles opeens erg snel. IJsoog duwt mij met zijn andere hand brutaal achteruit en rukt het touw bruusk uit mijn hand. Bolster aarzelt niet en zet, tot hilariteit van de andere pinhelmen, zijn tanden in de kuit van de bruut. De barbaar trekt zonder aarzelen zijn Lugerpistool, richt het op Bolster en haalt, voor wij goed en wel beseffen wat er gebeurt, de trekker over.

35

40

45

N

30

IN

20

VA

M. de Bel. Ule. Antwerpen, Manteau

Een fantasieverhaal: De mysterieuze zolder

1

©

5

Caitlin was Nick de hele dag uit de weg gegaan. Daar had ze haar redenen voor, al hadden die weinig te maken met Nick maar alles met het voorwerp dat ze op zijn garageverkoop had gekocht. De dag daarvoor, op zondagochtend, had ze haar kunstwerk willen creëren. Ze deed haar vernielkleren aan, legde een dekzeil op de vloer van de garage en zette de arme, weerloze bandrecorder in het midden. Ze stapte op het apparaat af, woog de moker in haar handen en vroeg zich af hoeveel klappen ze zou moeten geven om het op precies de juiste manier te verminken. Maar ze had nog nooit zo'n ouderwetse bandrecorder gebruikt en ze moest toegeven dat het ding haar intrigeerde. Zou hij het nog doen? Er was nergens een snoer te zien, maar toen ze op AFSPELEN drukte begonnen de spoelen te draaien en gleed de band over de leeskop. Kennelijk was de band leeg. Ze stopte met afspelen, plugde de microfoon in en drukte op OPNEMEN. ‘Test, test. Mijn naam is Caitlin Westfield. Test, test.’ Ze spoelde de band terug tot de teller weer op nul stond en speelde de opname af. ‘Test, test’, klonk haar stem door het draadrooster van de speaker. ‘Mijn naam is Caitlin Westfield en dit is zonde van m'n tijd.’ Ze hoorde het bijna niet, omdat ze, als ze eerlijk was niet goed had geluisterd en inderdaad had gedacht dat dit zonde van haar tijd was.

10

15

20

432

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 9 Springen


35

40

45

VA

50

IN

30

N

25

‘Dat is gek’, zei ze en trok de conclusie dat ze het verkeerd verstaan had. Ze speelde het nogmaals af en toen ze hetzelfde hoorde, besloot ze dat ze het inderdaad zo gezegd moest hebben. Wat kon er voor andere verklaring zijn? Om dat definitief te bewijzen, drukte ze weer op OPNEMEN. ‘Test, test. Ik test dit stomme apparaat nog een keer, zodat ik het tenminste met een gerust hart aan barrels kan slaan.’ En toen ze het afspeelde zei haar stem: ‘Test, test. Ik test dit stomme apparaat nog een keer omdat ik anders hysterisch word.’ Nu werd Caitlin inderdaad bijna hysterisch. Als er sprake was van een truc, kon zij er in elk geval geen verklaring voor bedenken. Haar hart begon ongezond snel te bonzen. Ze drukte weer op OPNEMEN en terwijl de banden draaiden, bekeek ze het apparaat vanuit alle mogelijke hoeken, om te zien of er iets vreemds aan was. Op dat moment ging haar mobieltje. Ze haalde het uit haar zak en zag dat het Theo was. Haar vriendje had de neiging om op de meest ongelegen momenten te bellen. Ze zette de telefoon op de luidspreker en legde hem neer, zodat ze beide handen vrij had om de bandrecorder te onderzoeken. ‘Hé, Caitlin, met mij.’ ‘Hoi.’ ‘Wat ben je aan het doen?’ ‘Kunstproject.’ ‘O. We waren van plan met wat mensen naar het winkelcentrum te gaan. Misschien kunnen we naar die nieuwe horrorfilm gaan kijken.’ ‘Lijkt me leuk, maar ik ben voorlopig nog wel even bezig’, zei Caitlin. ‘Kom je later langs?’ ‘Ja, tuurlijk. Lekker samen chillen.’ ‘Dag, Theo.’ ‘Dag.’ Pas toen ze had opgehangen, besefte ze dat de bandrecorder nog draaide. Ze drukte op STOP, staarde minstens een minuut lang naar het apparaat en weigerde te geloven dat ze dacht wat ze dacht … terwijl ze zich tegelijkertijd realiseerde dat, als wat ze dacht klopte, dit iets waanzinnigs was. Ze spoelde de band terug tot '000' en drukte op AFSPELEN. ‘Hé, Caitlin, met mij.’ ‘Hoi.’ ‘Mij een zorg wat je aan het doen bent, maar je wilt natuurlijk dat ik het vraag, dus vooruit dan maar.’ N. Shusterman & E. Elfman. De mysterieuze zolder. Houten, Van Holkema & Warendorf

1 Wat vind je leuk en wat niet leuk aan het fragment?

©

2 Zou je het boek willen lezen? Waarom wel/niet?

3 Welke typische zaken voor dat genre heb je in het fragment ontdekt? 4 Heb je in het fragment ook zaken ontdekt die voor een ander genre kenmerkend zijn? Welke?

LES 3 Ik ga op reis en ik neem mee …

433


+ OPDRACHT 4

Stel een leesprofiel op.

Markeer per lijn één item. Wissel daarna je blad met een klasgenoot. Zoek een perfecte boekenmatch voor dat leesprofiel op www.boekenzoeker.org. Gebruik de minihandleiding bij het onlinelesmateriaal. Je leesprofiel

Boekenmatch: Ik koos voor dit boek: omdat

IN

dikke boeken / dunne boeken fictie / non-fictie geloofwaardig / ongeloofwaardig hoofpersoon = een jongen / hoofdpersoon = een meisje / hoofdpersoon = een dier hier en nu / historisch / sciencefiction / oorlog / fantasie / griezel grappig / ernstig / echt gebeurd om lekker bij weg te dromen / om over na te denken / om mee op onderzoek te gaan

N

wat

Jeugdliteratuur – genres

VA

Jeugdliteratuur is literatuur speciaal voor jongeren met onderwerpen die hen aanspreken. Afhankelijk van het thema kun je verschillende genres onderscheiden. • • • • •

©

Het hier-en-nu-verhaal speelt zich af in onze tijd; alle gebeurtenissen zijn uit het leven gegrepen. Het historisch verhaal speelt zich af in een bepaalde periode in het verleden en gebruikt op een geloofwaardige manier elementen uit die tijd. Het oorlogsverhaal gaat over oorlog en de gevolgen ervan op mensen en hun omgeving. Het fantasieverhaal is volledig verzonnen. Er komen dikwijls magische wezens in voor of gebeurtenissen die niet echt kunnen gebeuren. Het sciencefictionverhaal loopt in de toekomst of in een tijd waarin de wetenschap ver vooruit is. Andere planeten, ruimtewezens en tijdreizen komen erin voor. Het griezelverhaal zorgt voor een hoge dosis spanning en gaat over zaken die ons schrik aanjagen, zoals geesten, monsters, zombies …

In een verhaal van een bepaald genre kunnen ook elementen voorkomen uit andere genres.

waarheen

Je kunt: • • • •

434

een aantal genres opsommen binnen de jeugdliteratuur; kenmerken geven van deze genres: hier-en-nu-verhaal, historisch verhaal, oorlogsverhaal, fantasieverhaal, sciencefictionverhaal en griezelverhaal; je leeservaring verwoorden bij een bepaald genre; je leesvoorkeur verwoorden.

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 9 Springen


Genre zoekt auteur Je wordt auteur voor één dag.

Oriënteren

o

v

u

r

1 Werk in groepen. Gooi de dobbelsteen en markeer met welk genre je groep aan de slag zal gaan. = griezel

= oorlog

= sciencefiction

= fantasie

IN

= hier en nu

= historisch

2 Je wordt auteur voor één dag. Je krijgt een bepaald genre toegewezen. Met welke elementen zul jij rekening houden?

N

VA

Voorbereiden

o

v

u

r

3 Leg de placemat in het midden van de tafel. Elke leerling neemt plaats bij één vak van de placemat. Het middelste vak laat je open. Bij elk vak hoort een andere opdracht. Je voert de opdracht uit van jouw vak. Personage: bedenk een personage dat past bij het genre dat jij toegewezen kreeg. Geef dat personage een naam en beschrijf het personage met minimaal acht en maximaal tien sleutelwoorden. Als je voldoende tijd hebt, kun je ook een schets maken. Tijd: in welke tijd zal jouw verhaal zich afspelen? Beschrijf met minimaal acht en maximaal tien sleutelwoorden. Als je voldoende tijd hebt, kun je ook een schets maken.

©

Ruimte: waar zal jouw verhaal zich afspelen? Beschrijf die plaats met minimaal acht en maximaal tien sleutelwoorden. Als je voldoende tijd hebt, kun je ook een schets maken. Gebeurtenis: beschrijf één belangrijk moment / één belangrijke gebeurtenis uit jouw verhaal in minimaal acht en maximaal tien sleutelwoorden. Als je voldoende tijd hebt, kun je ook een schets maken.

4 Bedenk een goede titel voor je verhaal. Schrijf die in het middelste vak van de placemat.

LES 3 Ik ga op reis en ik neem mee …

435


Uitvoeren

o

v

u

r

5 Alle placemats liggen verspreid in het klaslokaal. Wandel door alle verhalen. Kun je achterhalen bij welk genre ze horen? Vul de titels in op de juiste plaats in de tabel. hier-en-nu-verhaal

IN

historisch verhaal

fantasieverhaal

griezelverhaal

N

sciencefictionverhaal

VA

oorlogsverhaal

Reflecteren

o

v

u

r

6 Je beoordeelt de placemat van een andere groep.

©

In orde Je traject naar succes

Je zorgt voor een originele titel.

1234

Het personage hoort thuis bij het genre én past bij de beschreven tijd en ruimte.

1234

De beschrijving van tijd en ruimte past bij het genre.

1234

De gebeurtenis bevat voldoende elementen die bij het genre passen.

1234

Werkpuntje voor jezelf:

436

jij

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 9 Springen


Uitdaging: Spring de vakantie in Maak je eigen moodboard in vakantiestijl.

Oriënteren

o

v

u

r

1 Bekijk deze foto’s. Heb je zelf ook zo’n foto? Bespreek wat je ziet.

IN

Kies uit: Atomium (Brussel) – Eiffeltoren (Parijs) – Flanders Fields (België) – Ha Long Bay (Vietnam) – Machu Picchu (Peru) – Stonehenge (Engeland) – Taj Mahal (India) – Tower Bridge (Londen)

©

VA

N

LES 3 Ik ga op reis en ik neem mee …

437


Voorbereiden

o

v

u

r

2 Werk per twee. Zoek op het internet waar je die bezienswaardigheden vindt. Duid hun naam aan op een kaart. Welke leesstrategie heb je toegepast om de antwoorden te vinden?

Uitvoeren

o

v

u

r

IN

3 Kies samen een van de bezienswaardigheden waarover je meer te weten wilt komen.

4 Zoek een betrouwbare website over die bezienswaardigheid. Noteer de gegevens en zoek vijf moeilijke woorden.

5 Wat zou jij je klasgenoten over de bezienswaardigheid willen vertellen? Werk verder op een apart blad. a Noteer acht kernwoorden.

b Schrijf een onderschrift (een of twee zinnen) bij de foto waarin je de belangrijkste info vermeldt. c Knip jouw foto uit en noteer het onderschrift erbij.

N

d Noteer op de achterkant van de foto de bron die je gebruikt hebt.

Reflecteren

o

v

u

r

VA

6 Hoe ging het?

In orde Je traject naar succes

jij

je klasgenoot

De informatie in je onderschrift is correct.

1234

1234

Je onderschrift past bij de foto.

1234

1234

Je onderschrift bevat waardevolle info voor een toerist.

1234

1234

Je gebruikt een correcte spelling.

1234

1234

Werkpuntje voor jezelf:

©

Werkpuntje voor je klasgenoot:

Dit deel is nu afgerond. Bekijk ook de werkpuntjes en de criteria bij elke pitstop of leesstop van dit deel. Vul aan voor jezelf:

438

dit gaat vlot:

dit vraagt training:

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 9 Springen


De laatste ronde OPDRACHT 1

Zoek een gepast woord of een uitdrukking bij de afbeeldingen.

IN

Bij deze afbeeldingen hoort een woord of een uitdrukking uit het verhaal ‘Bevroren’ van Evelien De Vlieger. Plaats dat woord of die uitdrukking onder de afbeelding en verklaar.

N

VA

OPDRACHT 2

Gebruik die woorden of uitdrukkingen.

Verzin een nieuwe, duidelijke context, die voldoende ruim is en waarin je het woord of de uitdrukking gebruikt.

©

OPDRACHT 3

Evelien De Vlieger besteedt veel aandacht aan taal. Hoe zegt de auteur het in het verhaal?

Herschrijf de zin met de woorden die de auteur in de tekst gebruikt heeft. a Joren stond stevig klaar vlak bij de diepte die hij onder zich zag. b Arend wilde er heel snel een einde aan maken.

DE LAATSTE RONDE

439


De laatste ronde c Hij liet zich niet beïnvloeden door Jakala die lief deed. d Mag ik even heel wat negatieve dingen over je vertellen? e Zijn jouw oren verstopt? Pictionary of uitbeelden: raad de woorden.

1 Werk in kleine groepjes.

IN

OPDRACHT 4

2 Uit opdracht 1 en 3 kies je een uitdrukking of een woord.

3 Beeld dat woord uit of probeer het te tekenen op het bord in de klas. 4 De anderen raden. 5 Je mag niets vertellen. OPDRACHT 5

Vervang wat onderstreept is door een ander woord dat je leerde. Herschrijf de zin als dat nodig is.

N

a Mijn kleine broertje kan echt niet zonder zijn knuffelbeertje.

b In het centrum van de stad liepen de betogers plots op een muur van politieagenten die hen de doorgang belemmerden.

VA

c Na de aanslagen ging het nieuws als een vuurtje de wereld rond en overal hadden de personen die bepaalden wat op welke plaats in de krant komt de handen vol.

d Dat roddelblaadje gebruikte zomaar foto’s van een familievakantie van de eerste minister, wat toch wel een schending is van de gegevens uit de persoonlijke levenssfeer van mensen.

e Maar liefst drie rechtsgeleerden vertegenwoordigden de beschuldigde arts. Hij maakte zware fouten tijdens de operatie.

f

Het nieuwe voetbalstadion van Tottenham Hotspur in Londen is een modern, maar ook een bijzonder groot bouwwerk.

©

g Mijn grootouders hebben al veertig jaar niets meer veranderd aan het interieur van hun woning en ze geven toe dat het er toch een beetje verouderd uitziet. Even opfrissen zou welgekomen zijn!

h Eerlijk? Op een circuit met een formule 1-wagen enkele rondjes rijden plaats ik bovenaan mijn rijtje dingen dat ik ooit nog eens wil doen.

i

De voorbijgangers stonden vaak even stil en keken naar de artiest die een ongelooflijke krijttekening op de

grond maakte.

440

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 9 Springen


De laatste ronde OPDRACHT 6

Kies een passend woord om de zin aan te vullen.

Kies uit: jurist – immens – stuiten – privacy – bucketlist a Dat is een         groot pretpark. Je kunt er wel dagen in vertoeven! b Op mijn         staat een luchtdoop helemaal bovenaan. Wat zou ik graag een parachutesprong maken. c Er is een enorme fout gebeurd in die firma bij de verwerking van groenten. We geven de zaak in handen van een        . d Die foto’s toon ik niet aan iedereen. We moeten de         toch respecteren, hoor.

IN

e Het voorstel om iedereen loonsverhoging te geven         op heel wat onbegrip van de directie van het bedrijf. OPDRACHT 7

Ontcijfer de anagrammen. Schrijf het woord dat je vindt in de rechterkolom.

tederdage wachsunanoe

knervocht beenluit OPDRACHT 8

N

tacrudeer

Heb je een idee hoe het verhaal ‘Bevroren’ verder zou kunnen verlopen?

VA

1 Eerst werk je individueel: bedenk elk zelf één spannend moment dat volgend op het verhaal kan gebeuren. 2 Ga in kleine groepjes aan de slag en leg je ideeën samen.

3 Werk samen een vervolg uit op het fragment dat niet langer dan één pagina is. 4 Het verzonnen vervolg op het verhaal lees je nu voor.

5 Kies een vijftal goedgekozen dia’s of afbeeldingen die naar jullie mening passen bij de sfeer van het fragment. 6 De luisteraars kunnen die beelden tijdens het voorlezen bekijken. 7 Laat ze in een passende volgorde zien.

©

8 Houd rekening met alle aandachtspunten voor spreken die je al leerde in de vorige delen.

DE LAATSTE RONDE

441


IN N VA

© 442

NIEUW TRAJECT Nederlands 1   DEEL 9 Springen