TvT accent - Taal 4: zorgschrift b - correctiesleutel

Page 1



accent

Taal

Z-schrift 4B Correctiesleutel Tine Geenen Karolien Willems Leen Bresseleers Ann Kellen Marieke Saelens

Coรถrdinatie Dirk Dobbeleers

Met medewerking van Ides Callebaut


Tijd voor Taal accent Taal 4 bestaat uit: - Werkschrift A en B - Werkschrift A en B correctiesleutel - Z-schrift A en B - Z-schrift A en B correctiesleutel - Taalboek A en B - Handleiding A en B - Toets- en Remediëringsmap - Set wandplaten - Klasbib - Bordboek Plus - Bingel.be - methodesite: www.tvtaccent.be Tijd voor Taal accent Taal - Z-schrift 4B correctiesleutel Tine Geenen, Karolien Willems Leen Bresseleers, Ann Kellen en Marieke Saelens Met medewerking van: Ides Callebaut Coördinatie: Dirk Dobbeleers Omslagontwerp: Nancy Kers en Karttouch Lay-out: CAT en Lieve Lenaerts Zetwerk: Lieve Lenaerts Tekeningen: Gunter Segers

Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei Fotokopieerapparaten doeleinden. Jammer genoeg zijn algemeen ontstaanverspreid boeken niet en vele met mensen hetzelfdemaken gemakerals haast kopieën. onnadenkend Boeken samenstellen gebruik van voor kost allerlei veel doeleinden. inzet, tijd en Jammer geld. Degenoeg vergoeding ontstaan van de boeken auteurs niet enmet vanhetzelfde iedereengemak die bij als het kopieën. maken enBoeken verhandelen samenstellen van boeken kost veel beinzet, tijdis,en trokken komt geld. voort De vergoeding uit de verkoop vanvan de auteurs die boeken. en van In België iedereen beschermt die bij het demaken auteurswet en verhandelen de rechten van van boeken die mensen. betrokken is,ukomt Wanneer van boeken voort uitofde van verkoop gedeelten van die eruitboeken. zonder In toestemming België beschermt kopieën demaakt, auteurswet buitende derechten uitdrukkelijk van die bij mensen. wet Wanneer uuitzonderingen, bepaalde van boeken of ontneemt van gedeelten u heneruit dus zonder een stuk toestemming van die vergoeding. kopieën maakt, Daarombuiten vragen deauteurs uitdrukkelijk en uitgevers bij wet u bebepaalde uitzonderingen, schermde teksten niet zonder ontneemt schriftelijke u hen toelating dus een stuk te kopiëren van diebuiten vergoeding. de uitdrukkelijk Daarom vragen bij wet auteurs bepaalde enuitzonderingen. uitgevers u beschermde Verdere informatie teksten niet overzonder kopieerrechten schriftelijke entoelating de wetgeving te kopiëren met betrekking buiten detot uitdrukkelijk reproductie bijvindt wet bepaalde u op www.reprobel.be. uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Diegenen De uitgever die desondanks heeftmenen ernaarzekere gestreefd rechten de relevante te kunnen auteursrechten doen gelden, te wordt regelen verzocht volgens zichde totwettelijke de uitgever bepalingen. te melden.Diegenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te melden. © Uitgeverij Van In, Wommelgem, 2013 © Uitgeverij Van In, Wommelgem, 2013 Alle rechten voorbehouden. Behoudens de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave Alle rechten worden vermenigvuldigd, voorbehouden. opgeslagen Behoudens in de eenuitdrukkelijk geautomatiseerd bij wetgegevensbestand bepaalde uitzonderingen of openbaar mag niets gemaakt, uit deze op welke uitgave wijze worden ook, zonder vermenigvuldigd, de voorafgaande opgeslagen en schriftelijke in een geautomatiseerd toestemming van gegevensbestand de uitgever. of openbaar gemaakt, op welke wijze ook, zonder de voorafgaande en schriftelijke toestemming van de uitgever.

Eerste druk druk,2013 eerste bijdruk 2014 ISBN 978-90-306-6741-4 978-90-306-6731-5 D/2013/0078/172 D/2013/0078/173 Art.nr. 554815/01 554800/02 NUR 191


Les 1: Ambras op ’t gras?!

Je leert verschillende tekstsoorten herkennen. Je leert de inhoud van teksten begrijpen door aandachtig te lezen.

Hoe vind ik de betekenis van een moeilijk woord of een moeilijke uitdrukking? Misschien helpen deze tips: - Lees de hele zin. Kun je de betekenis afleiden uit de zin? - Splits het woord. (cadeaubon = cadeau + bon = een bon waarmee je een cadeau kunt kopen) - Vraag uitleg aan iemand. - Zoek het woord op in een woordenboek of op de computer.

1

Over welke tekstsoort gaat het? Waarom heeft de auteur die tekst geschreven? Zo ga je te werk: 1 Lees de teksten in je taalboek aandachtig. 2 Zoek moeilijke woorden eventueel op in het woordenboek. 3 Duid per tekst de juiste tekstsoort aan met een kruisje. 4 Duid ook telkens aan waarom de auteur de tekst heeft geschreven. Welke tekstsoort? een verhaal

tekst 1

tekst 2

tekst 3

tekst 4

tekst 5

X

een reclametekst X

een stripverhaal een brief een gedicht

X

een krantenartikel

X

een informatieve tekst

X

een instructie Waarom heeft de auteur die tekst geschreven? om je te ontspannen

X

X

X

om je iets te doen kopen om je informatie te geven

X

X

om je te leren hoe je iets kunt maken

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 1

3


4

2

Lees opnieuw tekst 1 in je taalboek op blz. 4. Beantwoord de vragen. In de tekst staat: De woorden die hard als keien en scherp als spijkers zijn. Wat bedoelt de schrijver daarmee?  Het zijn kwetsende woorden.  De woorden worden altijd luid uitgesproken.  De woorden bestaan uit letters die je scherp moet uitspreken. Welke zin gebruikt de schrijver om te zeggen dat Lena het beu is?

Lena is het goed zat. Waarom zouden de ouders van Lena zo vaak ruzie maken? Geef twee mogelijke oorzaken. 1 2 3

bv. omdat ze elkaar niet graag meer zien omdat ze geheimen hadden voor elkaar

Lees opnieuw tekst 2 in je taalboek op blz. 5. Beantwoord de vragen.

bv. zijn gezichtsuitdrukking, de rode kleur van zijn gezicht dezwarte zwarteletters kronkellijntjes naast zijn gezicht, de dikke

Waaraan merk je dat de agent boos is? Som twee dingen op. 1 2

Op het einde zegt de agent: “Uit mijn ogen!” Wat bedoelt hij daarmee?

Dat ze moeten weggaan. 4

Lees opnieuw tekst 3 in je taalboek op blz. 6. Beantwoord de vragen. Vat de hoofdgedachte van de tekst in één zin samen.

New York Pizza is boos op concurrent Dr. Oetker omdat hun pizza’s fel op elkaar lijken. In de tekst staat: Maar drie nieuwe pizza’s die Dr. Oetker pas op de markt bracht (…) Wat betekent die zin?  Die pizza’s worden enkel op de markt verkocht.  Dr. Oetker biedt drie nieuwe pizza’s te koop aan in de winkels.  Dokter Oetker brengt drie nieuwe pizza’s met een bestelwagen naar de markt en naar de winkels. Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 1


5

Lees opnieuw tekst 4 in je taalboek op blz. 7. Beantwoord de vragen. Welke betekenis heeft het woord ‘blik’ in deze tekst? Gebruik eventueel het woordenboek.

naar iets of iemand kijken Hoe voelt het personage in dit tekstfragment zich? Hoe zou dat komen?

In de steek gelaten, jaloers. Zijn beste vriend gaat samen met iemand anders naar de boomhut die zij samen gemaakt hebben. 6 Lees opnieuw tekst 5 in je taalboek op blz. 8. Beantwoord de vragen.

bv. Na de boosheid en het verdriet

Bedenk een passende titel voor dit fragment.

Ga je akkoord met de inhoud van de tekst?  ja  nee

eigen invulling

Waarom?

fragment 2 Omdat de personages daar ruzie krijgen met de agent omdat ze op het gras lopen.

7 Ambras op ’t gras?! Bij welk tekstfragment past de titel het best? Waarom?

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 1

5


6

Les 2a: Vriendin of vrienduit?

Je leert gedichten aandachtig beluisteren en beter begrijpen.

1

Kijk en luister aandachtig naar elk gedicht. Vul het nummer van het gedicht in bij de juiste tekening. Opgelet, er is één gedicht waarbij je geen passende tekening kunt aanduiden.

1

6

3

5

4

7 Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 2a


Les 3: Op een dag …

Je schrijft een tekst over een gebeurtenis die je meegemaakt hebt. Je leert een inleiding, een midden en een slot schrijven.

1

de emotie

het gevoel

Welke gebeurtenissen passen bij deze emoties? Noteer zoveel mogelijk woorden.

bijvoorbeeld

begrafenis verjaardag verlies feest pijn leuk spel ongeval

ruzie diefstal

ruzie iets verloren tegenslag

Voor ik schrijf, denk ik na: hoe schrijf ik een meesterwerk? Misschien helpen deze tips: - Denk eerst na: waarover wil je schrijven? - Verzamel ideeën en orden ze. - Bedenk ook een idee voor je inleiding en slot. - Schrijf je tekst uit. - Lees je werk na. - Verbeter schrijffouten en herschrijf stukken die je minder goed vindt. - Werk netjes!

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 3

7


8

VOOR

2 Noteer in de televisie een gebeurtenis die jij meegemaakt hebt en waarover je een verslag wilt schrijven. Verzamel zoveel mogelijk kernwoorden.

eigen invulling

4 Schrijf je tekst uit. Zorg voor een inleiding, een midden en een slot.

eigen invulling

inleiding

TIJDENS

3 Kleur de woorden die je in de inleiding wilt gebruiken geel. in het midden wilt gebruiken blauw. in het slot wilt gebruiken groen.

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 3


midden slot 5 Herlees je tekst een aantal keer. Probeer je verhaal vlotter te maken. 6 Bedenk een leuke, passende titel voor je tekst. 7 Herschrijf je tekst.

inleiding

eigen invulling

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 3

9


10

NA

slot

midden

eigen invulling

8 Vul in: + = goed, +/– = bijna goed, – = niet goed

Dit vind ik:

Door mijn inleiding krijg je zin om mijn tekst verder te lezen.

Dit vindt de juf/meester:

eigen invulling

In het midden geef ik voldoende informatie. INHOUD

Ik bedacht enkele mooie slotzinnen om mijn verhaal af te sluiten. Ik schreef de gebeurtenissen in de juiste volgorde.

VORM

SPELLING

In mijn tekst zijn de inleiding, het midden en het slot duidelijk herkenbaar. De woorden waarbij ik moet verdubbelen of verenkelen zijn correct geschreven. Ik schreef de werkwoordsvormen correct.

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 3


Les 4: Kwaad, kwader, kwaadst!

Je leert zinnen aanvullen met bijvoeglijke naamwoorden. Je leert het bijvoeglijk naamwoord, het zelfstandig naamwoord, het werkwoord en het lidwoord in zinnen aanduiden. Je leert hoe je de trappen van vergelijking kunt vormen.

Wat is een bijvoeglijk naamwoord? Een bijvoeglijk naamwoord vertelt hoe iets of iemand is. Meestal staat een bijvoeglijk naamwoord voor een zelfstandig naamwoord. Het past zich aan dat zelfstandig naamwoord aan. Bv. een nieuw bankstel een groot geluk een nieuwe iPad een grote deugniet Soms staat het bijvoeglijk naamwoord ook ‘los’. Dan zegt het hoe het onderwerp is. Vandaag ben ik zo vrolijk.

Reclamemakers zijn dol op bijvoeglijke naamwoorden. Kleur ze allemaal. DE BESTE EN DE LEKKERSTE CHOCOLADE

Nieuwe collectie

Verschillende kleuren

Niet elke kleur is beschikbaar in de winkel Voeding tegen de beste prijzen

draagbare pc

Vloeibaar wasmiddel met zachte frisheid Normale prijs per l: € 8,68

Halve maantjes ricotta

De promotie is geldig t.e.m. 14 maart.

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 4

11


12

1

De tijger ligt in het De De Deze

2

eigen invulling

Vul de zin aan met een bijvoeglijk naamwoord.

gras. auto van papa is vuil. plant staat op de

kast.

reis zal ik nooit vergeten!

Zoek bij de zelfstandige naamwoorden enkele passende bijvoeglijke naamwoorden.

spannend

eigen invulling verhaal

spelletje

taart

3

Kleur elke woordsoort in de juiste kleur: - lidwoord groen, - bijvoeglijk naamwoord geel, - zelfstandig naamwoord blauw, - werkwoord rood. Let op: sommige woorden moet je niet kleuren! Wat een stomme ruzie! Mijn mama en papa roepen boze woorden. Ik droom van een dag met alleen lieve, schattige woordjes.

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 4


Wat zijn ‘trappen van vergelijking’? ‘Leuk’ is een bijvoeglijk naamwoord. Maar sommige dingen zijn leuker dan leuk. Om dat uit te drukken, gebruiken we de ‘trappen van vergelijking’. Bv. Dit is een leuke mop. Ik ken een mop die nog leuker is. Dit is echt de leukste mop ooit.

4

Noteer bij elke tekening de passende bijvoeglijke naamwoorden volgens de trappen van vergelijking.

jong 5

jonger

jongst

langer

lang

langst

Vul de zinnen aan met het juiste bijvoeglijk naamwoord. Mijn kleine broer is best wel braaf, maar mijn zusje is braver. Natuurlijk ben ik thuis het

braafst

!

De verhalen van Bart Demyttenaere vind ik grappig, maar de verhalen van Roald Dahl vind ik nog Het

grappiger grappigst

. vind ik de mopjes over Jantje!

In zwemmen ben ik goed, maar in tekenen ben ik Ik ben het

best

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 4

beter

.

in wiskunde!

13


14

6

Maak telkens een goede zin met het gegeven bijvoeglijk naamwoord. goedkoper:

eigen invulling

oudste:

slechtste:

7

Vul de zinnen aan. Bv.: De juf is boos.

→ de boze juf

Dat monster is eng.

Die kandelaar is oud.

→ de

De man is ongelukkig. →

het

de

enge oude ongelukkige

monster kandelaar man

En nu omgekeerd! Deze radio is De buren zijn Deze hamster is 8

nieuw luidruchtig schattig

. → de nieuwe radio . → de luidruchtige buren . →

de schattige hamster

Kies een bijvoeglijk naamwoord. Noteer de trappen van vergelijking. Schrijf een kort verhaaltje waarin je die trappen van vergelijking gebruikt. Ik kies:

eigen invulling →

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 4


Les 5: De Bulstronk

Je leert een verhaal lezen en begrijpen. Je bestudeert de personages uit het verhaal. Je denkt na over wat echt en wat verzonnen is.

1

chronologisch

beginnend bij het eerste en eindigend bij het laatste

Orden de volgende fragmenten chronologisch van 1 tot 6.

3 5 2

De Bulstronk vraagt voor de eerste keer aan Robert hoeveel zeven keer twee is. Robert stuitert op de grond als een voetbal. Nico spelt al zingend het woord ‘schadelijk’ voor het Hoofd.

4

6 1 2

De Bulstronk zegt: “Kleine mensjes zouden uit het gezicht moeten worden gehouden. Ze zouden onzichtbaar moeten worden opgeborgen in doosjes, net als haarspelden en knopen.” Juffrouw Engel leert de kinderen versjes om te leren spellen.

“Nou, dolgraag”, zei het Hoofd met een stem waar het sarcasme vanaf droop. De schuine tekst betekent:  dat er speeksel uit haar mond drupt.  dat ze het op een gemene manier zegt.  dat ze het met een poeslief stemmetje zegt.

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 5

15


16

3

Naar wie of wat verwijzen deze woorden? Zijn moeder vond het prachtig en liet het expres extra lang worden. → Zijn =

Robert

Ik laat je niet los voor je het zegt! → Ik =

de Bulstronk, het Hoofd

Ze zouden onzichtbaar moeten worden opgeborgen in doosjes … → Ze = 4

kleine mensjes, kinderen

Noteer de woorden in de juiste kolom. spelliedjes – het Hoofd – een duivelse blik – Wat een bespottelijke flauwekul! – een hekel aan vlechten en paardenstaarten – juffrouw Engel – Laat hem alstublieft los!

het Hoofd een duivelse blik Wat een bespottelijke flauwekul! een hekel aan vlechten en paardenstaarten

spelliedjes juffrouw Engel Laat hem alstublieft los!

Wie van de twee leerkrachten vind je het leukst?

eigen invulling Waarom?

5

Geef een voorbeeld uit het verhaal van iets dat verzonnen is en van iets wat echt gebeurd kan zijn. verzonnen:

eigen invulling

echt:

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 5


6 Hoeveel punten geef je Roald Dahl voor zijn tekst? Leg uit waarom.

eigen invulling

Ik geef deze tekst

/10, omdat

7 Beschrijf wat jouw ideale leerkracht allemaal kan en doet in de klas. Mijn droomleerkracht is

eigen invulling

Mijn droomleerkracht heeft Mijn droomleerkracht gebruikt 8 Lees het vervolg van het verhaal in je taalboek op blz. 16. 9 Stel je voor dat de Bulstronk plots in de allerliefste vrouw op aarde veranderde. Hoe zou ze deze zinnen dan tegen de kinderen gezegd kunnen hebben? Schrijf het in de tekstballon. “Kleine mensjes zouden uit het gezicht moeten worden gehouden. Ze zouden onzicht­baar moeten worden opgeborgen in kleine doosjes, net als haarspelden en knopen. Ik kan onmogelijk inzien waarom kinderen er zo lang over moeten doen om groot te worden. Volgens mij doen ze het expres.”

eigen invulling

10 Wat zal er gebeuren met Erik Inkt? Verzin een vervolg.

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 5

eigen invulling

17


18

Les 8: Van klein tot groot verdriet

Je leert de structuur in een informatieve tekst herkennen.

1

Vul de drie delen van een tekst aan in de kaders. Geef ze een verschillende kleur. Kleur de eigenschappen die bij de delen horen in dezelfde kleur. Een informatieve tekst bestaat uit drie delen:

1

de inleiding 1 In dit tekstdeel kondigt de auteur aan dat de tekst over verdriet gaat.

2

2

het midden

3

het slot

1

3

Dit tekstdeel wil de lezer nieuwsgierig maken naar het vervolg van de tekst.

De auteur geeft een samenvatting van de tekst: iedereen heeft al wel eens verdriet.

2

3

2

In dit tekstdeel wordt het thema van de tekst, verdriet, uitgewerkt.

Dit tekstdeel begint met het woord ‘kortom’.

In dit tekstdeel krijg je de meeste informatie.

Hoe wordt de Nederlandse wetenschapper Ad Vingerhoets soms genoemd? Hoe komt dat?

hij zich huilprofessor al jarenlang verdiept in het hoe en waarom van het huilen.

Ad Vingerhoets wordt

3

genoemd, omdat

Zoek in het midden van de tekst een ander woord voor ‘baby’.

pasgeborene Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 8


de hoofdgedachte

waarover de tekst gaat

4

Zoek in de inleiding van de tekst vijf zelfstandige naamwoorden. Noteer ze in de kaders. Rangschik ze daarna alfabetisch.

eigen invulling

5

1

2

3

4

5

In het midden van de tekst staat: Opmerkingen als: “Denk er niet aan, dan gaat het wel weer over” of, erger: “Ach, stel je zo niet aan” bieden geen troost. Wat betekent dat?

Wie verdriet heeft, voelt zich dan nog ellendiger omdat het lijkt alsof ze niet verdrietig mogen zijn. 6

Zoek de betekenis van de onderstaande woorden op in het woordenboek. Uitsluitend betekent

enkel en alleen; met uitsluiting van anderen juist niet; omgekeerd

Integendeel betekent

7

Probeer in één zin de hoofdgedachte van de tekst te omschrijven.

bijvoorbeeld Over het hoe en waarom van verdriet Huilen en troosten Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 8

19


20

8

Waarom zou de schrijver deze tekst geschreven hebben?

Om wat meer info te geven over huilen, troosten en verdriet. 9

Waar staat het woord 'ellendiger' in de tekst?  i n de inleiding  i n het midden  i n het slot Schrijf het woord op de juiste trap. Vul de andere trappen aan.

ellendigst

ellendiger ellendig

10 De schrijver vergelijkt verdriet met gewicht: Je kunt het niet laten verdwij­nen, maar je kunt het wel helpen dragen en dan wordt het minder zwaar. Kun jij een andere vergelijking bedenken?

eigen invulling

Verdriet is als

, omdat

11 Bedenk een nieuw slot voor deze informatieve tekst. Werk eerst op een kladblad of in je kladschrift.

eigen invulling

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 8


Les 1: Aan het werk!

Je leert informatie aflezen uit diagrammen en tabellen.

1

Op het internet werd een grote enquête gehouden. Los met behulp van het diagram in je taalboek op blz. 23 de vragen op. Welk beroep werd het meest gekozen?

het diagram een soort tekening waarop je gegevens kunt aflezen de enquête een vragenlijst

modeontwerper Welk beroep staat op de vijfde plaats in de top 20?

piloot

kok eigen invulling

Welk beroep werd door ongeveer 200 kinderen gekozen? Welk van deze beroepen lijkt jou het leukst? Waarom?

Welk van deze beroepen lijkt jou het minst leuk? Waarom?

Welk beroep vind jij een typisch jongensberoep? Waarom?

Welk beroep vind jij een typisch meisjesberoep? Waarom?

Wat is een kraamverzorg(st)er?

iemand die pasgeboren baby’s verzorgt Wat is het verschil tussen een voetballer en een profvoetballer?

Een voetballer voetbalt als hobby, een profvoetballer als beroep. Hij wordt er dus ook voor betaald. Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 1

21


22

het woon-werkverkeer

het verkeer van je woonplaats naar je werk en omgekeerd

het vervoermiddel

Maak een diagram van de gekozen beroepen in jouw klas. naam beroep

eigen invulling

5 2

daar verplaats je je mee, bv. fiets, auto, trein

10

15

20

Bekijk het diagram over woon-werkverkeer in het taalboek op blz. 23. Los de vragen op. Dit soort diagram wordt een ‘taartdiagram’ genoemd. Heb je enig idee waarom?

Het lijkt op een ronde taart, in partjes. Met welk vervoermiddel gaan de meeste mensen naar hun werk?

met de auto Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 1


te voet Omdat de afstand meestal te groot is.

Welk vervoermiddel wordt het minst gekozen? Hoe zou dat komen?

Rangschik de vervoermiddelen van meest naar minst gebruikt.

auto > fiets > trein > firmawagen > bus/tram/trolley > autopassagier > te voet eigen invulling

Noem één voordeel en één nadeel van met de auto gaan werken. voordeel: nadeel:

eigen invulling

Noem één voordeel en één nadeel van met de fiets gaan werken. voordeel: nadeel:

Bedenk nog twee vervoermiddelen die niet in het diagram voorkomen.

eigen invulling

3

Luister naar het verhaal. Bekijk daarna deze tekening. Vanwaar al die boetes? Geef radeloze Ronny advies: hoe kan hij die boetes voorkomen?

Het bedrijf ROTA in Gent maakt reclame op zijn auto. De reclame kan ook gelezen worden als ROT-AGENT. Vandaar alle boetes. Agenten worden niet graag uitgescholden. Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 1

23


24

4 Kruis de juiste betekenis aan van het woord ‘voorkomen’ in deze zin. verhinderen

X

Schrikdraad voorkomt dat de koeien uit de wei lopen.

5

gebeuren

Het komt bijna nooit voor dat ik dingen vergeet.

X

Komt het vaak voor dat Emme te laat komt?

X

Beter voorkomen dan genezen!

X

Een alerte voorbijganger kon het ongeluk nog net op tijd voorkomen.

X

Bedenk zelf een enquête van drie vragen. Laat die invullen door een persoon naar keuze.

eigen invulling

1

?  altijd

 meestal

 af en toe

 zelden

 nooit

2

?  altijd

 meestal

 af en toe

 zelden

 nooit

3

?  altijd

 meestal

 af en toe

 zelden

 nooit

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 1


Les 2: Kleef raak!

Je maakt het spelbord voor ‘Wie is het?’ door de instructies van je partner nauwkeurig op te volgen.

Gewonnen? Kleur een bolletje.    Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 2

  25


26

Les 3: Mijn cv

Je leert een formulier invullen met informatie over jezelf. het cv

curriculum vitae: korte beschrijving van iemands opleidingen en werkervaringen

VOOR

1

De directeur is dringend op zoek naar een nieuwe leerkracht. Zet een kruisje bij de persoon die jij zou aannemen.

eigen invulling

naam: Jef Sjofel leeftijd: 40 jaar e-mail: jef.sjofel@kidcity.be hobby’s: alles behalve opruimen studies: leraar lager onderwijs

naam: Lisa Luilak leeftijd: 28 jaar e-mail: platterust@hotmail.com hobby’s: in de zetel zitten studies: leraar lager onderwijs

Ik zou

naam: Staf De Strenge leeftijd: 51 jaar e-mail: staf.de.strenge@zwem.org hobby’s: lezen, fietsen, zwemmen studies: leraar lager onderwijs

het liefst als leerkracht willen,

omdat

TIJDENS

2

Maak je eigen cv.

naam:

eigen invulling

adres: e-mail: geboortedatum: geboorteplaats:

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 3


nationaliteit: burgerlijke staat (omcirkel): verliefd – verloofd – getrouwd – niets van dat alles hobby’s: talenten:

lievelingskleur:

de nationaliteit

Als je de Belgische nationaliteit hebt, ben je Belg.

de burgerlijke staat

vertelt hoe jouw situatie is: getrouwd? alleenstaand? gescheiden? samenwonend?

solliciteren

een brief of mail sturen naar een bedrijf omdat je daar graag wilt werken

lievelingseten: eigenschappen: Voor deze job wil ik solliciteren: Dit beroep wil ik zeker niet uitoefenen: Naam kleuterschool? Plaats kleuterschool? Naam lagere school? Plaats lagere school?

NA

3

Zeg het anders … en beter!

bijvoorbeeld Hartelijk bedankt. Nen dikke merci.

Deze job lijkt me megacool.

Deze job lijkt me erg boeiend. Yo den baas!

Dag meneer/mevrouw.

Toedeloe!

Dag! Groetjes!

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 3

27


28

Les 4: Homoniemen en synoniemen

Je leert nadenken over dingen waar meerdere woorden voor bestaan (synoniemen) en over woorden met meerdere betekenissen (homoniemen).

Wat zijn synoniemen? Soms bestaan er meerdere woorden om eenzelfde voorwerp, persoon, handeling ... te omschrijven. Bv. Anna loopt naar de woonkamer. Simon rent naar de living. Eigenlijk doen ze allebei hetzelfde. Woorden die ongeveer hetzelfde betekenen, noemen we synoniemen. 1

Wat doen deze mensen? Zeg het twee keer op een andere manier.

zoenen kussen

gooien werpen

telefoneren (op)bellen

poetsen schoonmaken

lopen rennen

rekenen tellen

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 4


2

Vervang het vette woord in de zin door een synoniem. Je hoeft niet de hele zin over te schrijven. Ik heb het koud. Staat de radiator aan?

verwarming

De landbouwer werkt op zijn veld.

Hoe heet jouw leraar?

meester

Daarvoor heeft hij geen spade nodig.

Vroeger schreef men met een veer.

pluim

boer

schop

Hij woont op de vierde etage.

verdieping

Papa kijkt altijd boos. Mijn oma heet NaĂŻma.

kwaad

grootmoeder

De zelfbedieningszaak heeft een groot uitstalraam.

supermarkt

Er rijdt een dokter mee met die ambulance.

arts

ziekenwagen

seizoen

Het voorjaar is mijn favoriete jaargetijde.

De lente

grote etalage

Wat zijn homoniemen? Er bestaan woorden met verschillende betekenissen. Bv. Wanneer iemand een kogel afvuurt, is dat een schot. Maar een kerel uit Schotland is ook een Schot. Een woord met meerdere betekenissen noemen we een homoniem. Homoniemen klinken hetzelfde, maar hebben niet altijd dezelfde schrijfwijze. Denk maar aan zei - zij, mei - mij ... Ook dat zijn homoniemen! 3

Leg het vette woord in je eigen woorden uit. Je mag een woordenboek raadplegen. Na lang treuzelen kwamen de ministers eindelijk tot een akkoord. Polly gaat op gitaarles. Ze speelt een mooi akkoord.

overeenkomst een combinatie van noten/ klanken

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 4

29


30

Baby Aya was erg moe van al dat spelen. Ze zal vast snel inslapen. Poes Minoes is al lange tijd erg ziek. Vana­vond laat de dierenarts haar inslapen. Wat een avontuur! We bouwen een vlot en varen de rivier af. Ik keek heel erg op tegen mijn huiswerk. Gelukkig ging het erg vlot.

4

in slaap vallen laten doodgaan door een spuitje te geven aan elkaar gebonden stammen of planken makkelijk, snel

Drie vakjes horen telkens bij elkaar. Geef ze dezelfde kleur.

haring

dichter

scherp uiteinde, bv. van een potlood

gedicht of lied

bol ding om mee te spelen

persoon die gedichten schrijft

punt

grijze vis die in de zee leeft

dansfeest

pin waarmee je een tent vastzet in de grond

het tegengestelde van verder

kun je verdienen door op een toets een vraag correct te beantwoorden

vers

bot

niet scherp

deel van je skelet

bal

pas geoogst of klaargemaakt

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 4


5

Maak met deze homoniemen telkens een zin. Zorg ervoor dat de twee betekenissen duidelijk worden.

eigen invulling

wei wij

licht ligt

ijs eis

6

Doe hetzelfde maar bedenk zelf een homoniem.

7

Zoek een woord dat een synoniem én een homoniem is. Leg het ook uit. Bv. ‘stuk’ betekent hetzelfde als ‘deel’ (synoniem), maar het betekent ook ‘kapot’ (synoniem). Het woord ‘stuk’ heeft dus meerdere betekenissen (homoniem).

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 4

eigen invulling

eigen invulling

31


32

Les 5: Een postbode krijgt nooit post.

Je leert een verhaal lezen en de verhaallijn ontdekken. Je staat stil bij enkele spreekwoorden die in de les aan bod komen. Je oefent verwijswoorden.

1

De postbode uit het verhaal gebruikt heel wat spreekwoorden. Kun jij de juiste betekenis achterhalen? Onbekend is onbemind.  Als je iemand niet kent, kun je er niet verliefd op worden.  Als je iets niet kent, kun je het niet leuk vinden.  Je trouwt met een schoenlapper. Schoenlapper, blijf bij je leest.  Als je schoenen stuk zijn, moet je ze naar een schoenlapper brengen.  Schoenlappers lezen moeilijke boeken.  Doe wat je het beste kunt. Er zit een reukje aan.  Dat is iets raars.  Dat stinkt verschrikkelijk.  Dat ruikt naar parfum. Boer, blijf bij je beest.  Boeren moeten flink voor hun dieren zorgen.  Doe wat je het beste kunt.  Dieren horen thuis op een boerderij.

2

Deze zinnen vind je terug in de tekst. Over wie of waarover gaat het vette woord? Morgen steek ik je in het nieuw. → je =

het tuinhek

Want dit heb ik niet gebracht. → dit =

het pak

Hij rook even aan het papier. → Hij =

de postbode

Het rook naar nat. → Het =

het pak of het papier Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 5


3

Het gevolg is telkens gegeven. Ga in de tekst op zoek naar een gepaste oorzaak. Tip: stel bij jezelf telkens de vraag ‘waarom?’. Zijn voeten sleepten hem naar huis.

Omdat hij moe was. Morgen steek ik je in het nieuw.

Omdat het hek er kleurloos bij hangt. Dit is goed fout!

Omdat hij het zelf niet gebracht heeft. Dit pak lijkt me verdacht.

Omdat zijn gevoel zegt dat er iets mee is. Ik moet me haasten, ik moet me haasten!

Omdat hij thuis wil zijn als de postbode komt. 4

Los op. Hoelang werkt de postbode op donderdag?

een halve dag Waarom wordt het tuinhek niet geel geverfd?

Omdat geel te zonnig is. (Het tuinhek klaagt te veel.) Wat zei de postbode toen hij het pak voor de deur zag staan?

O nee, dat niet. Zeg dat het niet waar is. Waarom sturen mensen een postbode nooit een cadeau of brief, volgens de postbode?

Omdat hij toch overal komt. Welke geur heeft het pakje?

Het pakje rook naar nat. Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 5

33


34

5

Nummer in de juiste volgorde. Raadpleeg de tekst. raadplegen

Hij loopt tien rondjes rond zijn huis.

bij iets of iemand te rade gaan

Hij belt aan en zet het pak neer. Hij pakt het pak netjes in. Hij zet zijn pet op. Hij denkt dat hij het pak vergeten is. Hij loopt achterom om de deur open te maken. Hij schrijft zijn adres er in krulletters op. Hij bedankt de postbode.

6

Wat zou er in het pak zitten? Laat je fantasie maar werken.

eigen invulling

7 Ben je benieuwd naar de inhoud van het pak? Lees dan zeker het boek.

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 5


8

9

Wie moppert? Kleur de tekstballonnen rood.

mopperen zeuren

Altijd hetzelfde liedje ... Ik vertel een verhaal en niemand wil naar me luisteren. Dat vind ik echt niet leuk!

Altijd maar die regen. Daar word ik nog eens gek van. En nu heb ik ook nog eens mijn paraplu vergeten. Pfff...

Er wordt regen voorspeld. Denk eraan om morgen allemaal een regenjas mee te nemen!

Het vlees was te rauw en de soep was te heet. Het dessert veel te zoet. Hier komen we niet terug!

Ik zou het super vinden als jullie knap luisteren wanneer ik een verhaal vertel.

Kunt u het vlees iets harder bakken, alstublieft? Ik vind het wat te rauw.

Voor één keer mag het! Zeur, mekker, zanik, mopper er lustig op los! Maar ... blijf wel beleefd!

eigen invulling

Je hebt het koud.

In de rij steekt iemand je voor.

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 5

35


36

Les 6: Een drukke agenda

Je leert vragen stellen en beantwoorden. Zo vind je welk beroep beoefend wordt.

1

Stel vragen aan je partner. Kom zo te weten wat hij of zij precies deed deze week.

maart

maandag u. dinsdag u.

17

woensdag

18

donderdag

u.

u.

eigen invulling 19 20

Ik waag een gokje:

vrijdag u. zaterdag u.

maart

21

zondag u.

23

22

Ik waag een gokje: 2

Bedenk nu zelf een beroep. Stel een gepaste agenda samen.

maandag u. dinsdag u. woensdag u. donderdag u.

maart

17

vrijdag

18

zaterdag

19

zondag

u.

u.

u.

eigen invulling 21 22 23

20 Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 6


Les 7: Samenstellingen en afleidingen Je leert over samenstellingen en afleidingen.

Wat is een samenstelling? We bedenken niet voor elk nieuw ding een nieuw woord. Soms plakken we twee of meer bestaande woorden aan elkaar. Zo krijgen we een nieuw woord. We noemen zo’n woord een samenstelling. Bv. voetbal, handdoek, politiekantoor ... Samenstellingen kunnen ook uit meerdere woorden bestaan. Bv. hottentottententententoonstellingen ...

1

Ken je deze samenstellingen?

regenworm

schoenendoos

zaklamp

fietshelm

spuitbus

fruitsla

vuurwerk

waspoeder

mustang

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 7

37


38

2

Geef de stam van deze werkwoorden. Maak er dan een samenstelling mee door een passend naamwoord te kiezen. infinitief

stam

tover

toveren slapen koken eten timmeren zoeken rekenen reizen lezen

3

slaap kook eet timmer zoek reken reis lees

eigen invulling

naamwoord +

stok

samenstelling

toverstok

=

+

=

+

=

+

=

+

=

+

=

+

=

+

=

+

=

Kun jij samenstellingen bedenken met meerdere naamwoorden?

wegen

eigen invulling

+

bouw bedrijf wegenbouwbedrijf +

=

+

+

=

+

+

=

+

+

=

+

+

=

+

+

=

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 7


Wat is een afleiding? Sommige woorden bestaan uit een woord waaraan een klein stukje is toegevoegd. Je leidt ze af van een bestaand woord. Ik heb honger, dus ben ik hongerig. Soms staat het toegevoegde stukje vooraan. Dat noemen we een voorvoegsel. bezoeken, oneerlijk, verkopen, geknor ... Soms staat het toegevoegde stukje achteraan. Dat noemen we een achtervoegsel. zielig, zekerheid, eerlijk ... Woorden met zo’n toegevoegd stukje noemen we afleidingen. 4

Zoek in de tekst alle afleidingen met een voorvoegsel. Sorteer ze in de juiste kolom. “Halt! Niet meer bewegen!” Dit was duidelijk geen verzoek. Elisa bleef staan. Muisstil en onbeweeglijk. “Was ik maar onzichtbaar, net als een spook”, bedacht ze. Al was dat natuurlijk onzin. Spoken bestaan immers niet. Alhoewel! Pas nog had ze een wetenschappelijk artikel gelezen. Daarin werden tien redenen gegeven om toch in spoken te geloven. Plots rook Elisa onraad. Waren dit wel echt agenten? Ze kon het niet nalaten hen nog eens te bekijken. “Kan ik jullie wel vertrouwen?”, riep ze hen toe. “Wat een gedoe! Hoe kon ik hier toch in verzeilen?”, dacht Elisa. Het ziet ernaar uit dat ik dit met mijn leven zal bekopen ...” En dat allemaal door die onvriendelijke verkoper!

be-

on-

ge-

bewegen onzin gelezen bedacht onraad gegeven bestaan onvriendelijke geloven bekijken onbeweeglijk gedoe bekopen onzichtbaar Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 7

ver-

verzoek vertrouwen verzeilen verkopen

39


40

5

Bedenk zelf enkele afleidingen zoals gevraagd. Opgelet! De woorden die je schrijft, moeten ook in het woordenboek staan. -lijk

6

-ig

eigen invulling -heid

Bedenk nu zelf een verhaaltje waarin minstens zes woorden uit oefening 4 en 5 voorkomen.

eigen invulling

7

Maak een woordslang. Begin met een woord naar keuze.

eigen invulling

Bijvoorbeeld: onderzoek – zoektocht – tochtstrip – stripverhaal – verhaallijn – lijnrechter – rechterhand – handleiding – leidingwater – waterval – valscherm

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 7


Les 8: Wie zoekt, die vindt … een job! Je leert verbanden herkennen en aanduiden. Je leert wat signaalwoorden zijn.

Wat zijn signaalwoorden? Signaalwoorden zijn korte woorden. Ze leggen een verband tussen verschillende delen van een zin of zinsdeel. Signaalwoorden zorgen voor structuur in een tekst. Er bestaan verschillende signaalwoorden: - tijdsvolgorde, bv. toen, daarna, dan - tegenstelling, bv. maar, echter - voorwaarde, bv. als … dan ...

1

Vul aan. Mia wordt

de vergelijking

twee dingen naast elkaar leggen die een overeenkomst vertonen, bv. een man als een boom

het middel

wat je gebruikt om een doel te bereiken

de opsomming

een lijst van na elkaar opgenoemde dingen

kraanmachiniste

Zoek in de tekst kleine woordjes die een vergelijking aangeven:

als, dan, zoals secretariaatsmedewerker

Carlo wordt

Zoek in de tekst kleine woordjes die een middel aangeven:

met behulp van, met, daarmee kapper

Luca wordt

Zoek in de tekst kleine woordjes die een opsomming aangeven:

ten eerste, verder, ook, nog reisconsulent

Dario wordt

Zoek in de tekst kleine woordjes die een tijdsverband aangeven:

eerst, vroeger, dan, daarna kinderverzorgster

Kaat wordt

Zoek in de tekst kleine woordjes die een tegenstelling aangeven:

maar, echter bakkershulp

Romelu wordt

Zoek in de tekst kleine woordjes die een voorbeeld aangeven:

bijvoorbeeld, zoals

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 8

41


42

2

het verband

Kleur de signaalwoorden groen. Vul het verband in. Lucie houdt van lezen, maar haar broer Fin niet. verband:

Als dingen met elkaar verband houden, hebben ze met elkaar te maken.

tegenstelling

Warre is een sportfreak. Hij houdt van sporten zoals basketbal, zwemmen en fietsen. verband:

voorbeeld

Ik lees in bed vaak boeken met behulp van een zaklamp. verband:

middel

Jij danst bijna zo elegant als een nijlpaard. verband:

vergelijking

Ik poets mijn tanden grondig vooraleer ik naar de tandarts ga. verband:

3

tijdsverband

Verbind de zinnen of zinsdelen door een signaalwoord te gebruiken.

tegenstelling

bijvoorbeeld

- Je wilt wel. - Je kunt niet.

Je wilt wel, maar je kunt niet. middel

- Je gaat naar school. - fiets

Je gaat naar school met de fiets. voorbeeld

- Je houdt van fruit. - appels, peren, ananas ...

Je houdt van fruit zoals appels, peren, ananas ... tijdsverband

- Je stond op. - Je poetste je tanden. - Je vertrok naar school.

Eerst stond je op, dan poetste je je tanden en ten slotte vertrok je naar school. Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 8


Les 1: Oud, ouder, oudst

Je leert een informatieve tekst lezen. Je leert zelf vragen bedenken bij die tekst en lost de vragen van je vrienden op.

fictie

verzonnen teksten

non-fictie

VOOR

weetteksten

1 Sorteer de tekstsoorten. nieuwsbericht – e-mail – stripverhaal – gedicht – reclametekst – uitnodiging – verhaal

fictie

non-fictie

5 stripverhaal 2 gedicht

1 nieuwsbericht 7 e-mail

6 verhaal

4 uitnodiging 3 reclametekst

TIJDENS

2 Beluister de teksten. Vul het nummer in bij de passende tekstsoort.

3 Noteer vijf duidelijke vragen waarop je partner straks een antwoord moet vinden. Stel twee gesloten en drie open vragen.

eigen invulling

1

? antwoord:

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 1

43


44

2 ? antwoord:

3 ? antwoord:

4 ? antwoord:

5 ? antwoord:

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 1


evalueren

beoordelen, bespreken (om ervan te leren)

Hoe is een verhaal of tekst opgebouwd?

NA

Elke goede tekst begint met een inleiding. Zo kom je al een beetje te weten waar de tekst over zal gaan. Het midden van de tekst is het belangrijkste deel van het verhaal. Met het slot neemt de schrijver afscheid. Zo is zijn tekst mooi afgerond.

4 We gaan nu je klasgenoot evalueren. Kon je de tekst goed volgen? ja nee

eigen invulling

Werd er lang genoeg gewacht bij een punt of komma? ja nee

5 Kleur in deze e-mail de inleiding groen, het midden geel en het slot blauw.

Hoi oma Lang geleden! Gaat alles goed met je? Hoe was jullie vakantie aan zee? Het weer was vast erg mooi. Jammer dat we dit jaar niet konden langskomen. Volgende week ben ik jarig. Heb je zin om dan mee te komen feesten? We eten kippenbilletjes, mmmm ... Ik kijk er al naar uit om je weer te zien! Tot mails! Veel groetjes aan opa! Leon

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 1

45


46

Les 2a: Nooit te oud om te leren

Je leert de juiste illustratie aan het juiste nieuwsbericht koppelen. Je leert vraagjes over de beluisterde berichten beantwoorden.

1

Beluister de nieuwsuitzending. Schrijf het nummer van het nieuwsbericht onder de tekening die erbij past.

1

3

2 Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 2a


2

Beantwoord de vragen. Fragment 1: Op kamers bij een bejaarde Mijn moeilijke woorden:

Geef twee voordelen van ‘op kamers gaan’ bij een bejaarde. 1 2

Het is veel goedkoper. Je komt in een gezellige omgeving terecht.

Zet een kruisje in de juiste kolom.

waar

Meer dan 200 studenten zijn al op kamers bij bejaarden.

X X

De studenten moeten elke zaterdag mee spelletjes spelen. Studenten kunnen hun kamer naar eigen smaak inrichten.

niet waar

X

De deur van de kamer moet altijd op slot.

X

Bejaarden spelen elke zaterdag mens-erger-je-niet.

X

Fragment 2: Verslaafd aan studeren Mijn moeilijke woorden:

In welke stad gaat Marie-Hélène naar de universiteit?

in Gent Wat was de grote droom van Marie-Hélène?

Haar droom was onderwijzeres worden. Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 2a

47


48

Waarom kon ze die droom niet waarmaken?

Omdat ze moest gaan werken toen haar moeder ziek werd. Wanneer besliste ze om opnieuw te gaan studeren?

Toen haar pensioen naderde. Bedenk zelf een nieuwe titel voor dit nieuwsbericht.

eigen invulling

Fragment 3: 102-jarige mag eindelijk naar de eerste kleuterklas. Mijn moeilijke woorden:

Jij bent de schepen van onderwijs. Ga langs bij Jozef en leg hem uit hoe het misverstand kon gebeuren.

De computer hield enkel rekening met de laatste twee cijfers van je geboortejaar. Zo kwam je bij peuters uit het geboortejaar 2009 terecht.

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 2a


3

Kruis aan over wie het gaat. jonge student

eenzame bejaarde

Jozef

MarieHélène

Het was mijn droom om onderwijzeres te worden. Je komt over het algemeen terecht in een gezellige, warme omgeving.

X X

Hij heeft van alle basisscholen in zijn dorp een brief gekregen.

X

Ik begeleid tot vier keer per jaar groepsreizen in China.

X

Ze zullen het op prijs stellen als je je avond eens opoffert om mee te spelen.

X

De kamer die je krijgt, kun je naar eigen smaak inrichten.

X

4 Kies vier woorden uit jouw ‘moeilijke woorden’. Zoek de betekenis op in het woordenboek. -

eigen invulling

:

-

:

-

:

-

:

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 2a

49


50

Les 2b: Vraag maar raak!

Je leert geschikte vragen stellen om informatie te verkrijgen. Je leert om in een interview korte en duidelijke antwoorden te geven.

1

eigen invulling

Kies een persoon om te interviewen die ouder is dan 50 jaar. naam van de geïnterviewde persoon: naam van de interviewer:

2

Omcirkel wat juist is of vul aan. De persoon die ik interview, is mijn oma – opa – buurman – buurvrouw –

3

Stel deze vragen. Schrijf de antwoorden meteen op. 1 Hoe oud ben je? 2 In welke stad/gemeente woon je? 3 Wat zijn je hobby’s? 4 Wat is je lievelingseten? 5 Heb je kleinkinderen? Hoeveel? 6 Hou je van wandelen? Waarom wel/niet? 7 Werk je nog? (Zo ja: wat is je beroep? Zo nee: sinds wanneer ben je met pensioen? En wat was je beroep?) Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 2b


4 Verzin drie vragen die je nog zou willen stellen. Schrijf ook die antwoorden op.

1

eigen invulling ?

antwoord:

2

?

antwoord:

3

?

antwoord:

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 2b

51


52

Les 3: Krasse knarren

Je oefent op het lezen van tabellen, grafieken en diagrammen. Je leert gegevens alfabetisch (of anders) ordenen. Je schrijft een brief naar een bejaarde.

1 Maak een aanwezigheidsregister. Rangschik de bewoners in alfabetische volgorde. Begin met de achternaam. Vul daarna de andere gegevens aan. naam

Davids Descamps Goffin Goosens Goossens Jaspers Loriers Moerdijk Moeremans Philips Sels Sels Thomas 2

voornaam

Roza Wannes Robert Ferre Felix Bob Antonia Berthe Mil Catherine Charles Gusta ' Rene

leeftijd

88 86 83 79 91 92 95 86 90 96 90 92 87

bezoekers deze week 4 5 9 2 0 3 1 4 0 4 5 2 1

Maak een top 5 van de oudste bewoners. 1 2 3 4 5

Catherine Philips Antonia Loriers Bob Jaspers Gusta Sels Felix Goossens Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 3


3 Een groepje bejaarden speelt bowling op de Wii. Kleur hun scores in het staafdiagram. 122 120 118 116 114 112 110 108 106 104 102 100 98 96 94

Ferre

Wannes

Antonia

Roza

4 Het taartdiagram geeft het aantal kleinkinderen weer van de groep Krasse Knarren. Zoek in je taalboek hoeveel bejaarden tot elke categorie behoren. 0 tot 3 kleinkinderen: 4 tot 6 kleinkinderen: 7 tot 9 kleinkinderen: 10 tot 12 kleinkinderen:

3 4 5 1

bejaarde(n) bejaarde(n) bejaarde(n) bejaarde(n)

10 – 12 0–3

7–9 4–6

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 3

53


54

5

Schrijf onderaan de voornamen van de bewoners (neem de volgorde van oefening 1). Maak dan een lijngrafiek die weergeeft hoeveel bezoekers elke bewoner deze week kreeg. Je vindt het aantal bezoekers in oefening 1.

Roza Wannes Robert Ferre Felix Bob Antonia Berthe Mil Catherine Charles Gusta ' Rene

10 9 8 7 6 5 4 3 2 1

6

Beantwoord de volgende vragen. Wie was er deze week jarig, denk je?

Robert Waaruit leid je dat af?

Hij kreeg het meeste bezoek. Bij wie zou jij graag eens op bezoek gaan?

eigen invulling

Waarom?

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 3


7 Schrijf een brief. Misschien ken je zelf een oudere persoon naar wie je met plezier een brief stuurt. Of je kiest in de tabel bij oefening 1 een oudje dat geen bezoek gekregen heeft. Schrijf hier je brief in het klad.

eigen invulling

,

Controleer en kruis aan als het in orde is, of verbeter indien nodig. Ik heb bij het schrijven gelet op Ik heb alle eigennamen met een hoofdletter geschreven. Mijn brief heeft een inleiding, een midden en een slot. Vraag een lijntjesblad aan je juf of meester en schrijf je brief netjes over.

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 3

55


56

Les 4: Betekenissen

Je oefent allerlei leerstof over ‘betekenissen’ verder in.

1

Verbind elke tekstballon met de juiste persoon. Let vooral op de lichaamstaal. Hebben jullie die sneeuwpop zelf gemaakt? Onvoorstelbaar! Wat een knappe prestatie!

2

eigen invulling

Altijd maar dat regenweer. Een punthoofd krijg ik ervan. Nu ben ik het echt wel beu!

Wat heb jij gedaan? Een snoepje gestolen? Dat meen je niet! Hoe durf je zoiets te doen!

Wat zou het jongetje zeggen? Schrijf het antwoord op.

eigen invulling

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 4


3

a Lees de tekst aandachtig.

WOON- EN ZORGCENTRUM

Krasse Knarren WIE KAN BIJ ONS TERECHT? Woon- en zorgcentrum (WZC) Krasse Knarren biedt zorgbehoevende bejaarden hulp bij dagelijkse handelingen zoals wassen, koken, poetsen en eten. Ze krijgen er de zorg die ze nodig hebben. Ook ouderen met een beperkte mobiliteit of aandoening zoals dementie, reuma of artritis kunnen bij ons terecht. EEN AANGENAAM WOONKADER Krasse Knarren wil een 'nieuwe thuis' zijn waar bewoners op een aangename wijze hun laatste levens­ jaren kunnen doorbrengen. Wij willen in niets lijken op een ziekenhuis. We maken het verschil door veel comfort en een huiselijk kader. Dat merk je aan de warme kleuren, gezellige living met open haard en parketvloeren, sfeervol meubilair en een fraaie afwerking. Omdat er slechts één bouwlaag is, komt er ook veel natuurlijk licht binnen. Krasse Knarren telt 85 apparte­ mentjes die zijn opgedeeld in drie afzonderlijke delen. Het leven vindt plaats op kleine schaal omdat de bewoners per vijftien woonkamers een vaste personeelsequipe krijgen

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 4

toegewezen. Op diverse plaatsen zijn ruime zithoeken ingericht waar de bewoners elkaar of bezoekers kunnen ontmoeten. Het rusthuis is uitgerust met een heleboel aangepaste voorzieningen zoals een snoezelkamer, kapsalon, beautyruimte, kinelokalen, een kapel en een cafetaria. De binnentuinen zijn rolstoeltoegankelijk. De individuele kamers hebben een oppervlakte van 24 m² en kunnen gedeeltelijk worden uitgerust met eigen meubels. Ze beschikken alle­ maal over een bed, een toilet met douche, een koelkast, telefoon, tv- en internetaansluiting. Sommige kamers geven uit op de straat, andere op de binnentuin.

57


58

afleiden

besluiten, bv. Papa kon uit de punten afleiden dat Ariana niet voldoende gestudeerd had.

b Zoek de betekenis van deze woorden door: - ze te vragen aan iemand die je kent. dementie:

ziekte, vooral bij oudere mensen, waardoor je veel vergeet ruimte waar je heerlijk kunt relaxen

snoezelkamer:

- ze in stukjes te verdelen en te analyseren. zorgbehoevend:

wanneer je zorg nodig hebt aangepast aan of toegankelijk voor rolstoelgebruikers

rolstoeltoegankelijk:

- ze af te leiden uit de context. aandoeningen:

ziektes aanbod, iets dat voorzien wordt

voorziening:

- ze op te zoeken in het woordenboek. artritis:

ziekte waardoor je gewrichten ontsteken ploeg

equipe:

c Zijn er nog woorden die je niet begrijpt? Schrijf ze hier en zoek hun betekenis op.

eigen invulling

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 4


4

Vul aan. dagelijkse handelingen

aandoeningen

wassen koken poetsen eten

dementie reuma artritis

aangepaste voorzieningen

snoezelkamer kapsalon beautyruimte kinelokaal kapel cafetaria

5 Geef een synoniem. Je vindt de woorden terug in de tekst. een manier een living schoonmaken verschillende luxe apart

een wijze een woonkamer poetsen diverse comfort afzonderlijk

6 Noteer het tegengestelde. Je vindt de woorden terug in de tekst. gesloten



weinig



volledig



wisselende



gemeenschappelijk  krap



open veel gedeeltelijk vaste individueel ruime

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 4

59


60

7 Noteer bij de zinnen of ze letterlijk of figuurlijk bedoeld zijn. Ik ben echt moe. Hopelijk kan ik vannacht goed slapen.

letterlijk

Mijn papa is heel erg sterk. Hij kan mij gemakkelijk optillen!

letterlijk

Ik ben zo trots op mijn kleinkinderen. Mijn neus gaat ervan krullen.

figuurlijk

Kun je de figuurlijk bedoelde zin ook uitleggen?

Het betekent dat je ergens heel trots op bent. 8 Welk spreekwoord past bij welke situatie? Schrijf het juiste nummer bij elke situatie. 1 het kind bij zijn naam noemen 2 oude koeien uit de gracht halen 3 jong geleerd is oud gedaan 4 alles bij het oude laten 5 een kinderhand is gauw gevuld 6 het kind met het badwater weggooien

O jee. Zo meteen gaat oma wéér vertellen over die keer dat ik zo zeurde.

Papa had geen tijd om een souvenir te kopen. Cas was al lang blij met een zoen.

Felix kleurde buiten de lijntjes. Hij versnipperde dan maar de hele tekening.

Als kind was Tim ook al een waterrat. Misschien is hij daarom nu zwemkampioen.

“Luister”, zei opa duidelijk. “Dat feest gaat niet door. Ik heb er gewoon geen zin in.”

Leve grijs! Na lang twijfelen besloot oma haar haren toch niet blond te verven.

2

3

5

1

6

4

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 4


Les 5: Malika en de stofmonsters

Je staat opnieuw stil bij de verhaallijn en bij de eigenschappen van de personages.

1

iemand overtuigen

iemand iets doen geloven

Lees het verhaal in je taalboek op blz. 33-37. Lees dan de teksten hieronder. Kleur het bolletje bij de tekst die juist is groen. Sinds opa doodging, weet oma zich geen raad meer. Ze is altijd bang, voelt zich alleen en doet niets anders dan poetsen. Ze is van plan om naar Marokko te verhuizen. Daar woont haar familie. Malika en Farida zijn beste vriendinnen. Samen proberen ze oma ervan te overtuigen dat ze een computer met internet nodig heeft. Zo kan ze online karate leren. Nu opa dood is, voelt oma zich vaak alleen. Malika houdt oma vaak gezelschap en spoort haar aan nieuwe dingen te leren en te ontdekken. Dat is niet altijd makkelijk. Gelukkig helpt Farida oma te overtuigen. Oma poetst en poetst. Dat deed ze vroeger ook al. Maar sinds opa dood is, kan ze er niet meer mee stoppen. Het liefst stoft ze af en dweilt ze. Stofzuigen en ramen lappen, daar houdt ze niet zo van.

2

Hieronder staat telkens een gevolg. Ga in de tekst op zoek naar de oorzaak. Ik begrijp mijn familie niet zo goed, omdat

ze een andere taal spreken.

In de auto zijn mijn broers doodstil, omdat

ze op hun PSP spelen.

mama heel hard huilde en regelmatig in een zakdoek snoot. ze geen rijbewijs heeft.

Alle passagiers staarden ons aan, omdat

Oma doet geen benzine in de auto, omdat

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 5

61


62

het feit

3

Wat kun je vertellen over de familie van Malika? Noteer vier feiten.

eigen invulling

1

iets waarvan zeker is dat het gebeurd is of dat het waar is

2 3 4 4

Zoek in de tekst een uitdrukking die hetzelfde betekent. Ze praat over van alles en nog wat.

Ze praat over koetjes en kalfjes. Oma is moeilijker te overtuigen dan opa.

Oma is een veel hardere noot dan opa. Papa zingt vals.

Papa zingt als een jankende kat. Daarvoor heb ik heel lang moeten zeuren.

Daar heb ik een eeuwigheid voor moeten zeuren. Nu wordt de echte bedoeling duidelijk.

Nu komt de aap uit de mouw. 5

Zet de zinnen in de juiste volgorde.

3 4 1 2 5 6

Opa wordt begraven. Malika gaat voor oma naar de supermarkt. Malika krijgt – na lang zeuren – een computer. Opa gaat dood. Farida komt op bezoek. Oma ‘skypet’ met haar familie. Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 5


het fragment

een deel, een stuk

6

Feit of mening? Zet een kruisje.

FEIT

MENING

Als oma danst, lijkt ze wel een rockster.

X

Soms verslikte opa zich. “Dat komt door het stof!”, riep oma.

X

Met skype kun je gratis bellen naar Marokko.

X

Een computer heeft internet nodig.

X

Leren in een klas is gezelliger dan online leren.

X

7 Farida zegt: “Internet heeft heel veel voordelen.” Welke vind je in de tekst?

Je kunt naar grappige filmpjes kijken. Je kunt Nederlands leren. Je kunt karate leren via internet. Je kunt de hele dag gratis bellen naar Marokko.

- - - - 8

De schrijver van de tekst, Fikry El Azzouzi, wil een stripverhaal van het verhaal maken. Kies een geschikt fragment en help hem op weg.

eigen invulling

Vind je dit leuk? Ga dan nog even verder met je (strip)verhaal op een blaadje!

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 5

63


64

Les 7: Vraag? Mededeling. Bevel!

Je leert verschillende soorten zinnen herkennen en gebruiken.

Ken jij deze vier soorten zinnen? de uitroep

de vraag

Eek! Een muis!

Hoe heet jij, muisje?

Je herkent een uitroep aan: - de toon - het uitroepteken (in een geschreven tekst)

Je herkent een vraag aan: - de toon - het vraagteken (in een geschreven tekst) Vooraan staat een vraagwoord of persoonsvorm.

het bevel

de mededeling

Ga weg, muis!

De muis is weg.

Je herkent een bevel aan: - de toon - het uitroepteken (soms, in een geschreven tekst) Een bevel heeft meestal geen onderwerp.

Je herkent een mededeling aan: - de toon - de punt (in een geschreven tekst)

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 7


1

2

Geef de zinnen die bij elkaar horen dezelfde kleur.

eigen invulling

Vandaag komt opa op bezoek.

Wat ben jij groot geworden!

Hoe gaat het met die kleinzoon van je?

U gaat toch niet weg, mevrouw De Wilde?

Ik kan ze niet uitstaan!

Ik denk dat ik even buiten ga zitten.

Doe niet zo bespottelijk!

Joe kon zijn ogen niet geloven.

Wat kon hij ertegen doen?

Breng hem maar naar voor!

Welke soort zinnen vind je in oefening 1? Schrijf de zinnen op de juiste plaats in het schema. bevel

Doe niet zo bespottelijk! Breng hem maar naar voor!

uitroep

Ik kan ze niet uitstaan! Wat ben jij groot geworden!

mededeling

Vandaag komt opa op bezoek. Ik denk dat ik even buiten ga zitten. Joe kon zijn ogen niet geloven. Wat kon hij ertegen doen? Hoe gaat het met die kleinzoon van je? U gaat toch niet weg, mevrouw de Wilde?

vraag

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 7

65


66

3

Bekijk de borden aandachtig. Kruis aan. Hier geen fietsen plaatsen

mededeling bevel uitroep vraag

Hoe weet je dat?

Omdat de borden zeggen wat je moet (of net niet mag) doen.

4

Schrijf onder elk fragment: uitroep, bevel, mededeling of vraag.

vraag

bevel

uitroep

vraag

uitroep

mededeling eigen invulling

Ga jij akkoord met de mededeling van Jommeke?  ja  nee Waarom?

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 7


5

Kies de zin die het best bij de situatie past. Papa en Liv wandelen op straat. Liv let niet goed op en wil net oversteken wanneer er een vrachtwagen in volle vaart komt aangereden. Liv, zou je alsjeblieft even willen uitkijken, liefje? Er komt een vrachtwagen aan, Liv. Kijk uit!

De krokusvakantie staat voor de deur. Juf Dolores zou graag hebben dat de plantjes voldoende water krijgen om de week door te komen. Geef de planten water, Esra! Was er maar iemand die de planten wou water geven. Esra, kun jij misschien de planten nog even water geven? Hakima babysit op een koppig kleutertje. Wat ze ook probeert, hij doet niet wat ze vraagt. Integendeel. Hij doet – om haar te pesten – altijd net het tegengestelde. Hou daar nu toch mee op! Wil je alsjeblieft stoppen met zo lastig te doen? Loop maar weg en doe vooral niet wat ik vraag!

Verzin telkens een zin die bij de situatie past. Het is heet buiten. Je hebt enorm veel zin in ijs. Je hebt het gevoel dat je neervalt als je geen ijsje krijgt. Mama staat in de keuken en de ijsjeskar rijdt net voorbij. Hoe probeer jij een ijsje te krijgen? bevel zin:

uitroep

mededeling

vraag

eigen invulling

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 7

67


68

Je broer is een pestkop eerste klas! Hij is je al een half uur aan het kriebelen. Je moet er bijna van huilen. Hij moet nu echt ophouden! Met welke zin doe jij je broer stoppen? bevel

uitroep

mededeling

eigen invulling vraag

zin:

Een zin is niet altijd wat hij lijkt. “Willen jullie nu eens opletten?”, zegt een boze juf. Is dát nu een vraag? Zo lijkt het wel. ✔ Er is een vragende toon. ✔ Er staat een vraagteken. ✔ De persoonsvorm staat vooraan. Toch wil de juf niet dat we antwoorden. Integendeel: ze wil dat we opletten! Dit is dus een bevel.

6 Verzin zelf een bevel, maar vermom het als een vraag.

eigen invulling

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 7


Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 8

Kruishoutem Klemskerke Bruxelles

jongen meisje

Rooskens 12-12 -2015

Noedels

Raystan 04-03-2015 meisje meisje

04-11-2015

Sterckers

Lekkers

Kabongo 15-09-2015 jongen

Sid

Esra

Nasr

Aishvini

Lili

Souad

12-10-2015

06-12-2015 jongen

meisje

01-10-2015

Stijnen

Emme

Berchem

Brussel

Gent

Borgerhout

Zoersel

23-02-2015 jongen

stad

Stuyven

geslacht

Daan

dag en maand

naam

1

voornaam

Les 8: Babyboom! Je leert informatie terugvinden in korte informatieve tekstjes en die informatie vergelijken met andere gegevens. Je staat opnieuw stil bij signaalwoorden.

Lees aandachtig de geboortekaartjes in je taalboek op blz. 38 - 39. Vul het overzicht in.

69


70

Wat zijn signaalwoorden? Signaalwoorden geven een verband weer tussen verschillende zinsdelen of binnen één zinsdeel. Ze geven structuur aan een tekst.

2 Omcirkel de signaalwoorden. Om welk verband gaat het? tijd – middel – voorbeeld – vergelijking – opsomming – tegenstelling Geen enkele baby is zo schattig als die van mij. Niemand weet wanneer de baby ophoudt met huilen. Eindelijk! Mama kreeg de baby stil met een tutje. De kindjes hadden leuke namen zoals Finn, Dries, Romy ... De kersverse moeder zag er moe maar gelukkig uit. De baby sliep meteen nadat hij zijn papje op had. Het kleintje eet al groenten zoals worteltjes en witloof.

3

vergelijking tijd middel opsomming tegenstelling tijd voorbeeld

Omcirkel de signaalwoorden in de sms’jes. Om welk verband gaat het?

oorzaak en gevolg

Kleur in elke sms de oorzaak blauw en het gevolg groen. 1 Dag, Levi! Proficiat met de geboorte van Nasr. Het lukt me niet deze week op bezoek te komen omdat ik het druk heb op het werk. Groetjes aan Anna

2

Sid is geboren! Hij is nog een beetje te klein en moet daarom nog even in de warme kamer blijven. xxx Cas

3 Dag, kleine Lili! Ik kom je morgen pas bewonderen aangezien we vandaag nog aan zee zijn. Alvast veel lieve zoentjes van oma en opa.

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 8


Signaalwoorden van voorwaarde Een voorwaarde is iets wat nodig is, vóór iets anders kan gebeuren. Bv. Als je een goed rapport hebt, dan krijg je een taartje van papa. Je krijgt het taartje dus pas als je een goed rapport hebt.

4

Vul een gepaste voorwaarde in. Omcirkel de signaalwoorden.

eigen invulling

Als je

,

dan mag je buiten spelen. Indien je

,

dan mag je langer opblijven. Wanneer je niet

,

dan moet je vroeg naar bed vanavond! Als je nog één keer

,

dan mag je straks niet mee naar de bioscoop.

5

Vul de oorzaak of het gevolg aan.

eigen invulling

Omdat

,

huilde de baby een beetje langer dan gewoonlijk. Papa was vergeten luiers te kopen. Daarom

Aangezien de crèche vandaag gesloten was,

Omdat

,

kreeg Finn twee zakjes suikerbonen.

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 8

71


72

Les 1: Kranig water

Je zoekt argumenten en tegenargumenten in teksten. de watersommelier

1

Als watersommelier mag jij elk water proeven. Kleur de bolletjes die volgens jou passen bij de smaak van het water.

eigen invulling

water 1:

2

zout zacht

fris hard

pittig bitter

droog licht

leeg zoet

water 2:

zout zacht

fris hard

pittig bitter

droog licht

leeg zoet

water 3:

zout zacht

fris hard

pittig bitter

droog licht

leeg zoet

een reden die je geeft om iemand te overtuigen

eigen invulling

Welke argumenten voor water uit flessen kun je uit de tekst van F. Lessenwater halen? 1 2 3 4 5

4

het argument

Omcirkel welk water jij het lekkerst vond. water 1 – water 2 – water 3

3

Iemand die gespecialiseerd is in de smaak van water. Een wijnsommelier komt vaker voor: dat is een wijnkenner.

Flessenwater is er in allerlei verpakkingen, volgens de trend van het moment.

Flessenwater is gemakkelijk te vervoeren. Je kunt het water in de supermarkt kopen. Je kunt de fles hergebruiken. Een lege fles brengt weinig afval voort.

Welke argumenten voor kraantjeswater kun je uit de tekst van K. Raan halen? 1 2 3 4 5

Water is het meest gecontroleerde voedingsproduct. Het is rijk aan calcium en magnesium. Het bevat geen bacterien doordat er chloor aan toegevoegd is. Het kost 100 tot 400 keer minder dan flessenwater. Het is in overvloed beschikbaar, je draait gewoon de kraan open. Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 1


Les 2a: De dolfijn

Je leert belangrijke informatie uit een informatief filmpje halen.

VOOR

1 Welke vragen heb jij over dolfijnen?

eigen invulling

1 2

TIJDENS

2 Vul het schema aan. FAMILIE VAN DE

tandwalvissen de tuimelaar schut grijs wit melk bij de moeder longen blaasgat sturen snel te zwemmen

(de meest bekende dolfijn)

BESCHERMING Met

kleuren:

(bovenaan) en

JONGEN

Voeding?

ADEMHALING

Met hun

Bovenaan op hun kop zit een

VINNEN

- Borstvinnen om te

- Staartvin om

- De rugvin zorgt voor de balans. Wat wil dat zeggen? Kies één antwoord.  het evenwicht (om mooi recht te blijven)  om op te vallen bij de mannetjes/vrouwtjes  om er als een haai uit te zien en andere dieren af te schrikken

(onderaan)

.

NA

3 Kreeg je een antwoord op je vragen? Antwoord op vraag 1:

eigen invulling

Antwoord op vraag 2:

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 2a

73


74

Les 2b: Een spreekbeurt

Je bedenkt vragen over het spreekbeurtonderwerp van enkele van je medeleerlingen.

1

noteren

aantekeningen maken

Dit is het onderwerp van mijn spreekbeurt: Dit willen mijn medeleerlingen over het onderwerp te weten komen: 1

eigen invulling

? 2 ? 3 ? 4 ? 5 ?

2

Tijdens de spreekbeurt van antwoorden op deze vragen: 1

eigen invulling

noteer ik de

? antwoord:

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 2b


2 ? antwoord:

3 ? antwoord:

4 ? antwoord:

5 ? antwoord:

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 2b

75


76

Les 3: Mijn spreekbeurt gaat over ...

Je leert in een inhoudstafel en een register informatie opzoeken voor je spreekbeurt.

de alinea

Een tekst is verdeeld in alinea’s. Dat zijn stukjes die op een nieuwe regel beginnen.

Hoe vind ik wat ik zoek in een lange tekst of boek? In een boek of tijdschrift: • Zoek in de inhoudstafel (vooraan). De onderwerpen staan gerangschikt zoals ze voorkomen in het boek. • Zoek in het register (achteraan). Een register is een lijst met belangrijke woorden of namen die alfabetisch gerangschikt staan met het nummer van de pagina waar je ze kunt vinden.

VOOR

In een tekst: • Lees de eerste en laatste zin van elke alinea (daarin staat meestal de belangrijkste info uit die alinea). • Lees de alinea snel door. Vind je woorden die bij je vraag passen?

Ideeën verzamelen

Waarover kan ik spreken? Ga op zoek naar deelonderwerpen. Tip 1: ga eens kijken naar de woordspin over de dolfijn. Daar staat een deelonderwerp bovenaan in elk vakje. Tip 2: gebruik de inhoudstafel of het register uit je boek. Daaruit kun je ideeën halen. Schrijf je onderwerp in het midden en schrijf de deelonderwerpen errond. Schrijf bij elk deelonderwerp enkele sleutelwoorden.

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 3


eigen invulling

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 3

77


78

TIJDENS

Middelen kiezen

- Zoek ik foto’s uit een boek of op het internet? - Maak ik een tekening om iets duidelijker te maken? - Zijn er voorwerpen die ik kan meebrengen? - Welke? - Kan ik een powerpointpresentatie maken? Schrijf je middelen hieronder. -

ja    

nee    

eigen invulling

- - - Inhoud vastleggen

Stop in je spreekbeurt één weetje dat NIET waar is. Schrijf het hier op.

eigen invulling

Probeer dat weetje zo onopvallend mogelijk aan bod te laten komen. Je medeleerlingen proberen het te ontdekken tijdens je spreekbeurt. Leg de inhoud van je spreekbeurt nu vast. Maak op een apart wit blad opnieuw een woordspin. Schrijf alle deelonderwerpen op met daarbij de belangrijkste woorden. Houd de woordspin tijdens je spreekbeurt bij de hand!

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 3


Les 4: De kikkerkoning

J e leert dat sommige zinnen zeggen wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt en dat in andere zinnen staat hoe of wat het onderwerp is of wordt.

1

Schrijf de zinnen in de juiste kolom. Het prinsesje zit graag bij de vijver. Ze speelt met haar gouden bal. Het prinsesje is verdrietig. De prinses wil niet met zo’n vieze kikker aan tafel. Het prinsesje doet de deur open. De prinses is een beetje ongeduldig. Wat het onderwerp doet ... -

Het prinsesje zit graag bij de vijver.

-

Ze speelt met haar gouden bal.

De prinses is een beetje ongeduldig.

-

Het prinsesje doet de deur open.

-

Het prinsesje is verdrietig.

-

-

Wat het onderwerp is ...

-

De prinses wil niet met zo’n vieze kikker aan tafel.

-

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 4

79


80

2

Doe nu hetzelfde voor de dolfijn en je juf of meester.

Wat de dolfijn is ...

Wat de dolfijn doet ... -

-

-

-

-

-

Wat de juf of meester is ... -

-

-

-

-

-

Wat de juf of meester doet ...

eigen invulling

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 4


3

En nu met deze tien zinnen! Ik zit in bad. Grote zus drinkt een glas water. Papa doet de vaat. Hij is een flinke huisvader. Opa heeft dorst. Hij zit in de zetel. Kleine zus speelt op de trap. De hond is lui. Mama stopt de vuile was in de trommel. Het water van het zwembad is koud. Wat het onderwerp doet ... -

Ik zit in bad.

- -

Grote zus drinkt een glas water. Papa doet de vaat.

-

-

Het water van het zwembad is koud.

-

-

Hij zit in de zetel.

-

-

Opa heeft dorst.

Hij is een flinke huisvader. De hond is lui.

-

-

Wat het onderwerp is ...

-

Kleine zus speelt op de trap. Mama stopt de vuile was in de trommel.

- -

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 4

81


82

Les 5: Hoog water

Je maakt opdrachten bij een verhaal door de gepaste woorden uit een zoekraster te halen.

1

Kleur ĂŠĂŠn woord dat volgens jou het beste past bij regen. Zoek zelf nog twee woorden.

eigen invulling

paraplu

druppels

koud

plassen

overstroming

regenboog

nat

gezellig

wolken

2

springen

Los de vragen op. weglopen

spanning

diefstal

achterlaten

blijdschap

vakantie

verdrinken

dijkbreuk

overstroming

verdriet

reddingsboot

ruzie

vertrekken

zinken

gevaar

verbazing

veilig

voor altijd

kiezen

weg

druk

opluchting

gewoon

verrassend

herkenbaar

vervelen

interessant

verhuizen

zenuwachtig

ontroerd

grappig

moeilijk

1 Zoek in het raster een woord dat past bij:

bijvoorbeeld

- het begin van dit fragment.

verdrinken, verdriet, reddingsboot, gevaar

- het midden van dit fragment.

achterlaten, vertrekken

- het einde van dit fragment.

spanning, veilig Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 5


2 Zoek in het raster drie woorden die volgens jou het beste bij het verhaal passen.

bv. dijkbreuk, overstroming, achterlaten

Zoek in het raster drie woorden die niet bij het verhaal horen.

bv. diefstal, blijdschap, ruzie

3 Zoek in het raster twee woorden waarvan je vindt dat ze in het verhaal erg goed bij elkaar horen.

bv. dijkbreuk, achterlaten

Omdat Emiel en zijn familie door de dijkbreuk hun huis moeten achterlaten.

Waarom?

4 Zoek in het raster een woord dat past bij: Emiel Kevin

mama

papa

kiezen weg verdriet zenuwachtig

5 Zoek in het raster een woord dat past bij jouw gevoel bij het verhaal.

Waarom?

eigen invulling

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 5

83


84

Les 6: Mijn spreekbeurt

Je leert een spreekbeurt houden. Je leert aandachtig luisteren naar de spreekbeurt van anderen. Je leert je medeleerlingen beoordelen met een kijk- en luisterkaart.

VOOR

1 Maak een taakverdeling. Wie houdt zijn/haar spreekbeurt?

eigen invulling Wie beantwoordt de vragen op blz. 74 - 75?

Wie vult de kijk- en luisterfiche in? vraag 1, 2, 3:

vraag 4, 5, 6:

vraag 1, 2, 3:

vraag 4, 5, 6:

vraag 1, 2, 3:

vraag 4, 5, 6:

vraag 1, 2, 3:

vraag 4, 5, 6:

vraag 1, 2, 3:

vraag 4, 5, 6:

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 6


TIJDENS

2 Vul de kijk- en luisterfiche in.

eigen invulling

1 Gebruikt de spreker moeilijke woorden? Welke? 2 Praat de spreker voldoende luid en duidelijk? 3 Kijkt de spreker te veel op het blad met de woordspin (zo veel dat het stoort)? 4 Heeft de spreker voldoende illustraties bij? 5 Kijkt de spreker je soms aan? 6 Vond je het onderwerp interessant? Waarom wel/niet?

NA

3 Evalueer jezelf.

eigen invulling

1 Heb ik gezegd wat ik wilde? Ben ik niets vergeten?

2 Wat heb ik goed gedaan?

3 Wat moet ik de volgende keer beter doen?

4 Welke reacties heb ik gekregen?

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 6

85


86

De visser

Een domme goudvis

maakt

kust

vangt

De directeur

Een trage schildpad

vertelt

onderwerp

elke morgen

Wanneer?

met veel plezier

Hoe?

een gebakken vis

garnalen.

een verhaal

Wat?

in de pletsende regen

op de speelplaats.

Waar?

1

Wat doet het onderwerp? (werkwoord)

eigen invulling Les 7: Een watercontract Je denkt na over de betekenis van de informatie die gegeven wordt in andere zinsdelen.

Maak de zinnen in de tabel af door minstens vier kolommen in te vullen.

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 7


2

Lees deze zinnen. 1 Vissersboot

gezonken

2

Kust verwacht toeloop

3

Grootste cruiseschip in Antwerpen

4

Nieuwe vis ontdekt

5

Schip verliest olie

6 Vorst

doet boot zinken

Het zijn krantenkoppen. Raad wat er in de berichten staat die met deze krantenkoppen worden aangekondigd. 1

eigen invulling

2 3 4 5 6 Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 7

87


88

3

Vul elke krantenkop aan zodat de lezer meer informatie krijgt. Antwoord daarbij op vragen als: Wat? Waarmee? Hoe? Waarom? Waar? Wanneer?

eigen invulling bv. Vissersboot gezonken voor de kust van Oostende bv. Kust verwacht toeloop in het paasweekend

1

2 3 4

bv. Grootste cruiseschip in Antwerpen tot eind dit jaar bv. Nieuwe vis ontdekt in de Atlantische Oceaan

5

bv. Schip verliest olie na de botsing

6

4

bv. Vorst doet boot zinken in ijskoud kerstweekend

Zoek in kranten een drietal krantenkoppen. Kleef ze hieronder en geef onderaan wat meer informatie. Denk aan de W-vragen. Krantenkop 1

Meer informatie:

eigen invulling

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 7


Krantenkop 2

Meer informatie:

Krantenkop 3

Meer informatie:

5 Bedenk zelf één krantenkop over iets dat onlangs in je klas of op school is gebeurd. Schrijf er een kort artikel bij. Krantenkop:

eigen invulling

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 7

89


90

Les 8: Drinken vissen water? VOOR

Je schrijft een informatieve tekst over de spreekbeurt van een medeleerling.

Opdracht verwoorden

Wat was het schrijfdoel van het tekstje ‘Drinken vissen water'? Kleur het juiste bolletje groen. amuseren: de lezers vermaken door iets leuks te vertellen informeren: de lezers uitleggen hoe iets in elkaar zit overtuigen: de lezers van een mening overtuigen activeren: de lezers aanzetten om iets te gaan doen

Voor ik schrijf, denk ik na.

TIJDENS

Deze keer let ik extra op de vorm en de bladschikking. • Hoe wil ik de titel schrijven? (Waar, met welke letters ...) • Hoe vorm ik de alinea’s? • Waar wil ik illustraties invoegen? • ...

Uitschrijven

Ga terug naar blz. 74 - 75. Daar vind je de vragen en de antwoorden die je tijdens de spreekbeurt noteerde. Maak er een boeiende tekst van. Schrijf je tekst hieronder in het klad.

eigen invulling

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 7


NA

Evaluatie: nakijken en verbeteren

Kijk na en verbeter indien nodig. Ik lees mijn tekst na. Ik let daarbij op schrijffouten. Ik denk aan de spellingregels die ik al ken. Als ik twijfel over de schrijfwijze van een woord, zoek ik het op in het woordenboek of op internet. Bij het nalezen let ik ook op de zinnen. Is elke zin goed te begrijpen? Ik heb gezorgd voor een titel en verschillende alinea’s. Mijn tekst staat niet te dicht op elkaar. Ik heb belangrijke woorden onderstreept of in kleur gezet. Ik heb gezorgd voor duidelijke illustraties. Ze staan op de juiste plaats. Ik schrijf heel mooi. Alles oké? Schrijf je tekst dan mooi en foutloos over op een lijntjesblad. Je leerkracht zal hem ophangen in de klas. Bekijk ook de werkjes van je klasgenoten. Hoe hebben zij het aangepakt?

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 8

91


92

Les 1: Pretparken van overal

Je vindt de belangrijkste informatie in korte teksten terug. Je leert over het verschil tussen feit en mening.

1

Lees de teksten in je taalboek op blz. 57 - 60. Vul aan.

Belantis Duitsland een wildwaterbaan uit een piramide Het is er leerrijk.

naam pretpark: land:

Wat is er zo speciaal aan?

Wat is Marcs mening over het pretpark?

Harmonyland Japan Alles draait rond Hello Kitty en haar vriendjes. Hello Kitty is meer voor meisjes dan voor jongens.

naam pretpark: land:

Wat is er zo speciaal aan?

Wat is Marcs mening over het pretpark?

Ferrari World Verenigde Arabische Emiraten Je vindt er de snelste achtbaan ter wereld. De achtbaan is voor hem iets te snel. naam pretpark: land:

Wat is er zo speciaal aan?

Wat is Marcs mening over het pretpark?

Thema 10: Ei-land • Les 1


Bonbonland Denemarken Alle attracties zijn er kleurrijk, grappig en vrolijk. Het park is minder geschikt voor kinderen ouder dan tien jaar.

naam pretpark: land:

Wat is er zo speciaal aan?

Wat is Marcs mening over het pretpark?

Everland Zuid-Korea een pratende olifant De olifant is wat overroepen.

naam pretpark: land:

Wat is er zo speciaal aan?

Wat is Marcs mening over het pretpark?

Six Flags Verenigde Staten de hoogste rollercoaster Kingda Ka De rollercoaster heeft vaak panne.

naam pretpark: land:

Wat is er zo speciaal aan?

Wat is Marcs mening over het pretpark?

Tivoli Gardens Denemarken Het blijft open tot 12uur ’s nachts, het is er sprookjesachtig mooi . . Vooral het vuurwerk is de moeite. naam pretpark:

land:

Wat is er zo speciaal aan?

Wat is Marcs mening over het pretpark?

Thema 10: Ei-land • Les 1

93


94

2

Vul in.

Welk pretpark is het leerrijkst?

Belantis

Je kunt er veel leren over landen en hun geschiedenis.

Waarom?

Welk pretpark zal bij jonge kinderen het meest aanspreken?

Bonbonland

De attracties zijn kleurrijk, grappig en vrolijk. Ze zijn gericht op kinderen jonger dan tien jaar.

Waarom?

Welk pretpark lijkt je het gezelligst?

eigen invulling

Waarom?

Welk pretpark lijkt je het leukst?

eigen invulling

Waarom?

Thema 10: Ei-land • Les 1


Les 2: Klopt die kop wel?

Je leert nadenken over de betekenis van de informatie die gegeven wordt in andere zinsdelen dan het onderwerp en de persoonsvorm.

de nocturne

avondopening

het voorval

een gebeurtenis die vaak onverwacht of ongewoon is

Welk zinsdeel in de rest van de zin geeft een antwoord op de vraag: • (aan/voor) wie? • hoe? • wanneer? • waar? • waarom? • ... We kunnen in een zin niet enkel zeggen wat of wie iemand is of doet. Een zin kan ook extra informatie bevatten. Die informatie staat in een zinsdeel. Bv. Ik heb gisteren bij onze buren goed voor de baby gezorgd omdat ... 1

Wanneer?

Waar?

Lees de krantenartikels. Vul de krantenkoppen aan. Kust en pretparken verwachten

Hoe?

Voor wie?

veel volk

Waarom?

in pinksterweekend

In Plopsaland verwachten ze de komende week een gezellige drukte. Het pretpark rekent dankzij het mooie weer op achtduizend bezoekers per dag. Ook Bellewaerde in Ieper verwacht veel volk. Het pretpark werd in een lentekleedje gestopt. Er zijn overal perkjes met bloeiende tulpen, dansoptredens van bloemenmeisjes, nocturnes met vuurwerk en voor de gelegenheid is er een lentezoektocht. Ook aan de kust wordt het druk. Alle hotels en vakantiecentra zitten zo goed als vol. Voedselvergiftiging velt

vier studenten

Vier studenten hebben een voedselvergiftiging opgelopen in het pretpark Kriebelland. De studenten aten 's middags hamburgers bij het restaurant ‘Lekkere Pret’, naast de achtbaan ‘Koprollen maar’. Een paar uur later begon de ellende. Mike L. (18) is één van de slachtoffers. "We hebben last gehad van diarree en van pijn en krampen in de buik", laat Mike aan ons weten. “Schandalig dat Kriebelland dit soort eten durft verkopen. Als ik iets bestel, ga ik er gewoon van uit dat het goed is." Alle zestig studenten van de groep brachten een bezoek aan het park. Zij kregen allemaal een bonnetje voor een hamburgermenu. Volgens Mike is het dus goed mogelijk dat er meer mensen ziek zijn geworden. Bij Kriebelland was er niemand aanwezig die op het voorval kon reageren. Thema 10: Ei-land • Les 2

95


96

de benarde positie wanneer je in moeilijkheden zit

hun leven

Steilste achtbaan ter wereld geeft twee bezoekers

de schrik van

Twee waaghalzen kregen even de schrik van hun leven toen ze een ritje maakten met de Jumbo High, ’s werelds steilste achtbaan. Ze kwamen namelijk ondersteboven vast te zitten op zo’n 15 meter boven de grond. Een wagentje brengt je 30 meter hoog om vervolgens een duik te maken van 112 graden. Je voelt de kracht die piloten in een gevechtsvliegtuig voelen. Maar gisteren liep het fout met de attractie. Een wagentje kwam vast te zitten op zo’n 15 meter boven de grond. Tot overmaat van ramp hing het karretje ondersteboven. Zo duurde de rit heel wat langer dan de normale duur van een ritje, namelijk 1 minuut en 15 seconden. Pas na 20 minuten konden de waaghalzen door medewerkers van het pretpark worden bevrijd uit hun benarde positie. Ze kwamen er met de schrik vanaf. 2

Op welke vraag geven de onderstreepte zinsdelen een antwoord? Kleur het juiste bolletje. Vier studenten hebben een voedselvergiftiging opgelopen in het pretpark Kriebelland. Waar? Wanneer? De studenten aten 's middags hamburgers in restaurant ‘Lekkere pret’, naast de achtbaan ‘Koprollen maar’. Waar? Wanneer?

3

Omcirkel het onderwerp in de zin. Zet het werkwoord dat zegt wat het onderwerp doet tussen schuine strepen. Onderstreep het zinsdeel dat een antwoord geeft op de vraag 'Hoe?'. Tot overmaat van ramp hing het karretje ondersteboven.

4

Omcirkel het onderwerp in de zin. Zet het werkwoord dat zegt wat het onderwerp doet tussen schuine strepen. Onderstreep het zinsdeel dat een antwoord geeft op de vraag ‘Wanneer?’. Pas na 20 minuten bevrijdden medewerkers de waaghalzen uit het karretje. Thema 10: Ei-land • Les 2


5

Vul de verhaaltjes aan. Tussen haakjes staat waarover het zinsdeel moet gaan. Dromen

eigen invulling

(waar?) zit ik te dromen over de komende vakantie. Wat zal ik tijdens die twee maanden allemaal doen? Ik koop

(wat?). Neen, ik ga liever (waarheen?) omdat ik dan mijn vrienden zie.

Dat is cool! Ik speel

(wat?) (waar?).

Bij slecht weer ga ik

(waarheen?).

Plots zegt de leerkracht

(hoe?): "Ben je weer aan het dromen?"

Ik antwoord

(hoe?): "Ja, sorry, nog maar pas, ik dacht dat het

al

(wat?) was!"

Mysterieuze verdwijning Er was eens een oud mannetje dat steeds

(wat?)

(aan wie?) gaf. Iedereen vond het mannetje

(hoe?).

Op een dag was hij verdwenen. De mensen dachten dat hij gestorven was

(waarom?).

Maar dat was niet zo. Hij was

(hoe?) vertrokken

(waarheen?) om andere mensen te plezieren. Wat een vriendelijk mannetje! 6

Vul aan. Schrijf tussen haakjes op welke vraag je een antwoord geeft met je aanvulling. Theodor schrikt even (

wanneer

wanneer hij Jeppe hoort

?).

na de zomer verbouwereerd hoe

Ik denk dat u het best eens terugbelt Mama kijkt

(

Jeppe het telefoontoestel in de houder zet. Jeppe komt

nieuwsgierig

Thema 10: Ei-land • Les 2

(

hoe

(

wanneer

?).

?) toe terwijl

?) kijken. 97


98

Les 4: Attracties om te kleuren

Je maakt herhalingsoefeningen over woorden, werkwoorden, zinnen en het gebruik van het woordenboek.

A WERKWOORDEN - Wat is de tijd van een werkwoord? Het gebeurt nu (t.t.) of het gebeurde vroeger (v.t.). - Wat is een infinitief? Ik zal … - Wat is een stam? Ik … Je kunt de taalweters op blz. 118 en 119 nog eens lezen voor je aan de oefeningen begint.

1

In welke tijd staat de persoonsvorm in deze zin? Het kostte hem heel wat moeite om ze los te maken en te verstoppen.

verleden tijd 2

a Zet de persoonsvorm in elke zin tussen schuine strepen. b Kleur de stam van de persoonsvorm blauw. c Kleur de uitgang van de persoonsvorm groen. d Schrijf achter elke zin de infinitief. Finn schrikt van Jeppes hevige reactie. Er blinken tranen in zijn ogen. Mis je je ouders en je andere vrienden niet? Het kostte hem heel wat moeite om ze los te maken en te verstoppen. Wat doet hij hier eigenlijk nog?

schrikken blinken missen kosten doen

Thema 10: Ei-land • Les 4


3

Zet de woorden die in het verhaal in het vet staan op de juiste plaats in de tabel. Het Speeleiland “Finn! Romy! Mama! De zitjes zijn weg!”, roept Jeppe. “Hoezo weg?”, vraagt Romy. “Ik heb ze nochtans goed vastgemaakt”, zegt Finn. “Ja, blijkbaar toch niet goed genoeg. Ze zijn nergens te vinden!” Finn schrikt van Jeppes hevige reactie. “Kom, Romy, we gaan zoeken”, zegt mama. Dat laat Romy zich geen twee keer zeggen. Ze is blij dat ze iets kan doen en dat ze weg kan, want de sfeer tussen Finn en Jeppe is te snijden. “Ik heb al goed gezocht!”, roept Jeppe mama en Romy na. Hij is helemaal over zijn toeren. “Wat is er aan de hand?”, vraagt Theo die op het lawaai is afgekomen. Finn legt uit wat er gebeurd is en vertelt dat Jeppe hem de schuld geeft. Hij heeft blijkbaar de stoeltjes niet goed genoeg vastgemaakt. Theo lacht in zijn vuistje. Hij weet dat de stoeltjes wel goed waren vastgemaakt. Het kostte hem heel wat moeite om ze los te maken en te verstoppen. “Zou jij niet beter naar huis gaan? Mis je je ouders en je andere vrienden niet?” Daarmee raakt Theo een gevoelige snaar bij Finn. Hij mist zijn ouders inderdaad erg. Er blinken tranen in zijn ogen. Wat doet hij hier eigenlijk nog? Hij probeert zijn vriend te helpen en wat krijgt hij? Stank voor dank! Een mooie vriend is dat! 1e persoon ik 2e persoon jij 3e persoon hij/zij/het

4

enkelvoud

heb zou vertelt

wij/we

meervoud

gaan

jullie zij/ze

zijn

Veranderen deze werkwoorden van klank in de verleden tijd? Omcirkel het juiste antwoord. Het kostte hem heel wat moeite.

ja

nee

Marc schonk Ei-land aan de mama van Jeppe.

ja

nee

Mama voelde zich ellendig.

ja

nee

Thema 10: Ei-land • Les 4

99


100

EVALUEREN

5

Verbeter je oefeningen. Per goed antwoord kleur je één deel van de attractie. Je kunt maximum veertien delen kleuren.

B ZINNEN - Een zin bestaat vaak uit een onderwerp en wat erover gezegd wordt. Er zijn vier soorten zinnen: mededeling, uitroep, vraag, bevel. - Hoe vind ik de persoonsvorm en het onderwerp? Maak een ja-neevraag. - De persoonsvorm komt dan vooraan. - Het onderwerp komt na de persoonsvorm. - Andere zinsdelen geven een antwoord op de vragen: wat?, aan/voor wie?, hoe?, wanneer?, waar?, waarom? … Je kunt de taalweters op blz. 119, 120 en 121 nog eens lezen voor je aan de oefeningen begint. 1

Onderstreep in het verhaal: één zin die iets meedeelt (mededelende zin) met rood, één zin die iets vraagt (vragende zin) met blauw, en één zin die iets beveelt (bevelende zin) met groen. De Eierdopjes

eigen invulling

Plots neemt Finn een besluit. Hij wil zo snel mogelijk terug naar huis. Er is maar één iemand die hem daarbij kan helpen: de kapitein. De kapitein graaft nog steeds uit alle macht putten. Hij voelt zijn armen niet meer. Hij is dat harde werk meer dan beu. Hij heeft heimwee naar de zee. En een schat heeft hij ook nog niet gevonden. “Breng me alsjeblieft terug naar huis!”, valt Finn met de deur in huis. De kapitein stopt met graven. “Wat zei je?”, vraagt hij verbaasd. “Ik wil terug naar huis!”, herhaalt Finn. “Ik vind het hier maar niets. Thema 10: Ei-land • Les 4


Het is onbegonnen werk om het pretpark te herstellen. Ik wil thuis van de vakantie genieten.” “Dat zal niet gaan, want ik heb hier nog belangrijk werk te doen”, antwoordt de kapitein. Finn fronst zijn wenkbrauwen. “Heel belangrijk werk”, herhaalt de kapitein. “Zoals putten graven?”, vraagt Finn. “Ik ben op zoek naar een schat. Ik heb hem bijna gevonden.” “Een schat? Hier? Hier is helemaal geen schat! Wie heeft je dat wijsgemaakt?", lacht Finn. “Jullie zeiden dat, op de boot?” Finn begint onbedaarlijk te lachen. “Als het pretpark af is en er komen veel mensen, dan hoopten we schatrijk te worden. Wij hebben nooit over een schat gepraat.” De kapitein denkt even na. Of hij het helemaal begrijpt, weet Finn niet, maar alleszins is hij ontgoocheld. “Als hier geen schat ligt, wat doe ik hier dan nog? Kom, jongen, ik zal je naar huis brengen. Mij zien ze hier ook nooit meer terug! Wat een verloren tijd!” Finn vraagt aan de kapitein of hij aan de anderen wil vertellen dat zij vertrekken. 2

Geef deze zinnen leestekens. Zet die jerrycans terug ! Jeppe, Romy en Finn werken ondertussen hard verder . Hoe is het mogelijk ?

3

Omcirkel het onderwerp. Zet de persoonsvorm tussen schuine strepen. Finn begint onbedaarlijk te lachen. Een schat heeft hij ook nog niet gevonden.

4

Zet deze zinnen in het meervoud. Ik wil terug naar huis.

Wij willen terug naar huis.

Hij is dat harde werken meer dan beu.

Ze zijn dat harde werken meer dan beu.

5

Op welke vraag geeft het onderstreepte zinsdeel een antwoord? Jullie zeiden dat, op de boot? Voor wie? Wanneer? Waar? Wat? Dat zal niet gaan, want ik heb hier nog belangrijk werk te doen. Waarom? Wanneer? Voor wie?

Thema 10: Ei-land • Les 4

101


102

EVALUEREN

6

Verbeter je oefeningen. Per goed antwoord kleur je één deel van de attractie. Je kunt maximum elf delen kleuren.

C WOORDEN (deel 1) - Zelfstandige naamwoorden zijn woorden die een naam geven aan personen, dingen, planten, dieren … - Personen hebben een eigennaam, die altijd met een hoofdletter wordt geschreven. Ook dieren, dingen of plaatsen hebben soms een eigennaam. - Lidwoorden: de, het, een. - Een bijvoeglijk naamwoord vertelt hoe iets of iemand is. - Een werkwoord vertelt wat een mens, dier of ding doet. - We gebruiken verkleinwoorden om iets kleins of liefs aan te duiden, om te zeggen dat iets niet zo belangrijk is of dat je iets of iemand niet leuk vindt. - Meestal wordt er aan het enkelvoud -en of -s toegevoegd om een zelfstandig naamwoord in het meervoud te zetten. - Het geslacht van het naamwoord bepaalt welk lidwoord je moet kiezen en met welk woord je naar het naamwoord moet verwijzen. de → mannelijk (hij) of vrouwelijk (zij) het → onzijdig (het) - Trappen van vergelijking, bv. leuk, leuker, leukst. Je kunt de taalweters op blz. 122 - 125 nog eens lezen voor je aan de oefeningen begint. 1

In het verhaal staan woorden vetjes gedrukt. Zet ze op de juiste plaats in de tabel. Het Roerei De kapitein doet wat Finn hem gevraagd heeft. Finn blijft op de achtergrond. Mama kijkt hem verbaasd aan, Jeppe kijkt nog verbaasder en Romy het meest verbaasd. “En ik dan?”, vraagt ze. “Jij kunt hier blijven als je wilt”, antwoordt Finn. Hij durft niemand aan te kijken. Romy twijfelt. Stiekem is ze verliefd op Jeppe. Maar niemand weet dat en ze wil ook niet dat iemand het weet. Misschien kan ze hier de vonk nog wel doen overslaan. Thema 10: Ei-land • Les 4


“Ik blijf!”, zegt ze beslist. “Maar ik ga je wel missen!”, voegt ze eraan toe. Ze geeft haar broer een dikke knuffel. “Tot later!” Meer kan Finn niet uitbrengen. Het afscheid pakt hem. Maar voor zichzelf ziet hij geen toekomst meer op Ei-land. “Wacht eens even. Als u nu terugkeert,” richt mama zich tot de kapitein, “hoe geraken wij dan terug op het einde van de vakantie?” “Dan kom ik jullie halen. Tot zolang ga ik proberen nog wat centjes te verdienen. Nu ik niet schatrijk ben.” Jeppe is geschrokken van de beslissing van zijn vriend. Finn wou wel heel snel vertrekken. Hij was daarstraks misschien wel wat te kwaad. Zou Finn alleen daarvoor terug naar huis willen? Finn klonk van in het begin al niet zo enthousiast. Misschien is zo’n avontuur te stresserend voor hem. Jeppe wil zeker niet opgeven. Hij moet de droom van oom Marc waarmaken. Het pretpark zal en moet er komen. Een halfuurtje later zwaaien Finn en de kapitein van op het dek naar de achterblijvers. Wanneer de kapitein enkele uren later in het ruim afdaalt om een jerrycan benzine te halen, stelt hij vast dat er nog maar enkele jerrycans staan. “Potverdorie, Theo heeft die jerrycans toch van mijn boot gehaald! Zo vallen we straks zonder brandstof op volle zee!”

lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord werkwoord

2

de dikke Romy zwaaien

Is het een eigennaam? ja nee

Zoek in de tekst drie zelfstandige naamwoorden in het meervoud.

eigen invulling 3

Vind je ook een verkleinwoord in de tekst?

centjes

Waarvoor wordt dit verkleinwoord in het verhaal gebruikt? om iets kleins aan te duiden om iets liefs of gezelligs aan te duiden om te zeggen dat iets niet erg is om te laten voelen dat je iets of iemand niet leuk vindt Thema 10: Ei-land • Les 4

103


104

Schrijf een tweede verkleinwoord uit de tekst op.

halfuurtje

Waarvoor wordt dit verkleinwoord in het verhaal gebruikt? om iets kleins aan te duiden om iets liefs of gezelligs aan te duiden om te zeggen dat iets niet erg is om te laten voelen dat je iets of iemand niet leuk vindt 4

Vervang in deze zin Romy door haar broer Ruben. Schrijf de zin opnieuw. Romy geeft haar broer een dikke knuffel. Ruben

5

geeft zijn broer een dikke knuffel.

Maak met het woord 'kwaad' een trap van vergelijking.

kwaadst kwader kwaad

EVALUEREN

6

Verbeter je oefeningen. Per goed antwoord kleur je één deel van de attractie. Je kunt maximum dertien delen kleuren.

Thema 10: Ei-land • Les 4


C WOORDEN (deel 2) - Een samenstelling bestaat uit twee of meer bestaande woorden aan elkaar. - Een afleiding is een woord waaraan vooraan of achteraan een klein stukje is toegevoegd. Dat stukje noemen we een voor- of achtervoegsel. - Een synoniem is een woord dat ongeveer dezelfde betekenis heeft. Je kunt de taalweters op blz 125 en 126 nog eens lezen voor je aan de oefeningen begint.

1 Rangschik de woorden alfabetisch door te nummeren. wenkbrauwen

moeite

snaar

schat

4

1

3

2

2 Zoek de betekenis van het woord ‘heimwee’ op in het woordenboek.

verlangen om terug te keren

3 Geef vijf woorden die passen bij het begrip gevoelens. gevoelens

eigen invulling

4 Geef een begrip dat past bij al deze woorden:

delen van een schip

ruim dek

5 Geef een synoniem van het woord ‘zitje’:

Thema 10: Ei-land • Les 4

mast

boeg anker

stoeltje 105


106

stilte bv. handig achtervoegsel

6

Geef een tegenstelling van het woord ‘lawaai’:

7

Maak een afleiding met het woord ‘hand’:

Heb je een voor- of achtervoegsel toegevoegd? 8

Onderstreep in deze zin twee samenstellingen. Finn begint onbedaarlijk te lachen. “Als het pretpark af is en er komen veel mensen, dan hoopten we schatrijk te worden. Wij hebben nooit over een schat gepraat.”

EVALUEREN

9

Verbeter je oefeningen. Per goed antwoord kleur je één deel van de attractie. Je kunt maximum tien delen kleuren.

Thema 10: Ei-land • Les 4


Les 5: Saboteurs?!

Je geeft je mening over het verhaal. Je verwoordt waarom iets echt kan gebeuren of niet.

1

Zet de gebeurtenissen uit het verhaal in de juiste volgorde.

2 3 1 4 5 2

Jeppe belt met Finn. Ze besluiten een gouden ei als val te plaatsen. Romy maakt een volière, Jeppe een deel van Speeleiland. Finn overtuigt de kapitein om terug te varen. Het eiland staat in brand.

Wie is je favoriete personage in het verhaal?

eigen invulling

Waarom?

Welk personage ligt je minder? Waarom?

Wat is een ‘goed’ verhaal? Deze vraagjes kunnen je wellicht helpen beslissen: - Leef je mee met wat er gebeurt? - Is het verhaal herkenbaar? - Verrast het verhaal je? - Vind je het boeiend, spannend of grappig? - Raakt het je? - ... Hoe vaker je ‘ja’ antwoordt op die vragen, hoe beter het verhaal je bevalt. Vorm je eigen mening! Laat je niet door anderen leiden.

Thema 10: Ei-land • Les 5

107


108

3

Vind je het verhaal over Ei-land een goed verhaal?

eigen invulling

ja

nee

Waarom?

4

Kan dit echt gebeuren?

eigen invulling

Kan het dat Romy de verzameling kleurrijke vogels zelf vangt? Waarom?

Kan het dat Jeppe en Finn hun ruzie bijleggen?

ja

nee

Waarom?

Kan het dat je een eiland erft van een grootoom? Waarom?

5

Lees het gedicht.

Vergeet me Ik verdrink soms in een boek de spanning sleurt me mee in een stroom van woorden drijf ik naar de zee meestal strand ik als ze roepen kom je eten alleen als ik lees mag iedereen mij vergeten Uit: De dichter is een tovenaar - Hans Hagen

Thema 10: Ei-land • Les 5

ja

nee

ja

nee


Welke stellingen passen volgens jou bij het gedicht? De ik-persoon uit het gedicht is op vakantie aan de zee. De ik-persoon wordt niet graag gestoord om te komen eten terwijl hij leest. De ik-persoon is verdwaald op het strand. De ik-persoon houdt van lezen. Welke stellingen passen bij jou?

eigen invulling

Ik geloof dat je door een boek te lezen precies op reis kunt zijn. Op reis gaan is helemaal iets anders dan je op reis voelen door een verhaal. Ik begrijp niet wat er zo leuk is aan boeken lezen. Ik ben van plan de eerstkomende vakantie veel te lezen. 6 Zoek twee mogelijke sabotages van Theo in het verhaal. 1 2

de vogels die verdwenen zijn de brand

7 We bespraken het woord doelloos al. Welk woord met het achtervoegsel -loos staat in het verhaal?

spoorloos

Vul deze zinnen aan met woorden die eindigen op -loos. Bij de tandarts krijg je een verdovend spuitje. Hopelijk kan de tandarts het gaatje in je tand

pijnloos

oplossen.

Op sommige zondagen mogen er geen auto’s rijden in het centrum van steden en gemeentes. Die zondagen worden

autoloze

zondagen

genoemd. Je hebt 10/10 op je toets. Je toets is dus Het is zondag en je bent vroeg wakker. Je probeert

foutloos geluidloos

.

de trap af te komen om televisie te kijken. Je hoopt dat je ouders niet wakker worden. Door de brand kan het gezin niet meer terug naar huis. Ze zijn nu

dakloos

. Thema 10: Ei-land • Les 5 109


110

Les 6a: Krijg jij ook zin om op reis te gaan? Je leert kritisch luisteren naar reclamespotjes.

poëtisch

taal zoals in een gedicht

Waarom zou ik naar reclame leren luisteren? Je wordt elke dag bedolven onder de reclameberichten, of je dat nu wilt of niet. Reclamemakers doen er alles aan om op te vallen, om je te verleiden of om je iets aan te smeren. Een verwittigd man is er twee waard. Laat je dus niet verleiden!

het reclamebureau van Jetair

1

Wie is de spreker?

2

Schrijf een korte samenvatting van wat hij zegt.

De nieuwe vakantiebrochures met grote vroegboekkortingen zijn nu te verkrijgen. eigen invulling ons overtuigen de brochures te bekijken en een reis te boeken voor iedereen en zeker voor wie een reis wil boeken Is de boodschap volgens jou betrouwbaar?

3

ja

nee

Wat is zijn bedoeling?

Voor wie heeft de spreker dit bedoeld?

4

Hoe spreekt hij? (leuk, duidelijk, verzorgd, slordig, poëtisch ...)

twee grappige kinderen, het is leuk Welke weg (taal, tekstsoort) en welke middelen (direct, telefoon, radio, micro, andere geluiden, lichaamstaal, illustraties ...) gebruikt hij?

Het is een reclamespotje op de radio. 5

In welke omstandigheden spreekt hij?

Het is opgenomen in een studio. Thema 10: Ei-land • Les 6a


Les 6b: Een telefoongesprek voeren Je leert hoe je een telefoongesprek moet voeren.

TIPS voor een goed telefoongesprek - Begroet de ander. Stel jezelf beleefd voor. (Hallo, je spreekt met ...) - Vraag of je niet stoort. - Vertel duidelijk waarom je belt. - Schrijf op wat je niet wilt vergeten. - Neem afscheid.

eigen invulling

1 Vul in. a Beslis eerst wie welke rol krijgt. leerling 1 = kind dat rugzak vergeten is:

(naam)

leerling 2 = pretparkmedewerker:

(naam)

b Oefen met dit telefoongesprek. - Leerling 1 vormt het nummer. - Leerling 2 antwoordt op een vriendelijke manier en stelt een vraag: Goedendag, (bedenk een naam) van

je spreekt met

(bedenk de naam van het pretpark). Met wie spreek ik, alsjeblieft? - Leerling 1 antwoordt op de vraag: Goedendag, met - Leerling 2 vraagt hoe hij/zij leerling 1

(je naam).� (naam) kan helpen: Hoe

kan ik je helpen? - Leerling 1 vertelt waarom hij/zij belt: - Leerling 2 vertelt dat dat wel vervelend moet zijn en vraagt aan leerling 1 of hij/zij weet waar de rugzak ergens kan liggen:

Thema 10: Ei-land • Les 6b

111


112

- Leerling 1 antwoordt op de vraag: - Leerling 2 vraagt hoe de rugzak eruitziet: - Leerling 1 antwoordt op de vraag: - Leerling 2 biedt een oplossing aan: - Leerling 1 zegt dat het een goede oplossing is: - Leerling 2 vraagt naar het adres: - Leerling 1 geeft haar/zijn adres en bedankt de persoon: - Leerling 2 zegt dat het geen probleem is en beëindigt het gesprek:

2

Kies één situatie uit. Voer een telefoongesprek.

eigen invulling

Je hebt een pretpark bezocht en een voedselvergiftiging opgelopen. Je belt naar de directeur van het pretpark. Je kind is thuisgekomen en heeft lange tijd ondersteboven gehangen in een defecte attractie. Je belt als ouder naar de directie van het pretpark. Je bent je rugzak vergeten in het pretpark. Je kind is thuisgekomen met een kapotte bril. Het is met zijn/haar hoofd tegen de wand van een karretje gebotst. Je belt als ouder om te vragen of het pretpark de kosten van de bril terugbetaalt.

Thema 10: Ei-land • Les 6b


Les 7: Bezoekers gezocht!

Je bespreekt de verschillen tussen een reclametekst en een nieuwsbericht.

1 Beantwoord de vragen over de tekst op blz. 68 - 69 in je taalboek. TEKST 1 Waarom moet je volgens de tekst zeker naar Ei-land gaan?

Omdat er meer dan 15 spannende attracties zijn.

Hoe geraak je daar?

met de boot, op kade 18

Ben je overtuigd omdat je iets krijgt? Wat krijg je dan?

Ja, je krijgt gratis een campingplaats als je voor vier dagen reserveert.

Krijg je door de tekst zin om naar Ei-land te gaan? Waarom?

eigen invulling

ja

nee

TEKST 2 Wat is er speciaal aan Ei-land?

Het is het allereerste themapark ter wereld dat helemaal in het teken van eieren staat. Waarvoor is Ei-land klaar?

om duizenden bezoekers te ontvangen

Word je overtuigd om naar Ei-land te gaan? Waarom?

ja

nee

Nee, het tekstje geeft enkel informatie.

Welk soort tekst is dit volgens jou? Hoe weet je dat?

Het is een nieuwsbericht, dat kun je bijvoorbeeld zien aan de bron ‘Belga nieuws’. Thema 10: Ei-land • Les 7

113


114

TEKST 3 Kost een ticket voor Ei-land veel? Hoe weet je dat?

Nee, het is te koop voor een appel en een ei. Dat betekent: niet veel.

Is het pretpark volgens de tekst voor iedereen bedoeld? Zou dat echt zo zijn?

Nee, niet voor zachtgekookte eitjes. Dat is niet echt zo. Het is als grap bedoeld. eigen invulling

Welke attractie vind jij leuk? Waarom?

Krijg je door de tekst zin om naar Ei-land te gaan?

ja

nee

eigen invulling

Waarom?

TEKST 4 Welk zeldzaam dier kun je in de Ei-zoo bewonderen?

het vogelbekdier

Is het pretpark volgens de tekst voor iedereen het bezoeken waard? Hoe weet je dat?

Ja, er zijn wilde attracties, maar ook attracties voor de allerkleinsten of de Ei-zoo voor wie even wat rust wil. eigen invulling

Krijg je door de tekst zin om naar Ei-land te gaan?

ja

nee

Waarom?

Welk soort tekst is dit volgens jou? Hoe weet je dat?

een verslag, omdat iemand zijn uitstap naar Ei-land beschrijft Thema 10: Ei-land • Les 7


2

Zet kruisjes in de juiste kolommen. Kleur in de linkerkolom van de tabel de eigenschappen waaraan een goede reclametekst moet voldoen groen.

de eigenschap

iets dat past bij een persoon of ding

beknopt

kort en toch duidelijk

de slogan

een mooi bedachte zin waarmee je reclame voor iets maakt

de lay-out

hoe een tekst eruitziet: welke lettertypes, kleur, prenten, bladschikking

1 Welke teksten zijn beknopt geschreven?

2

X

3

X X

Welke teksten zijn voluit geschreven?

X X

Welke teksten hebben een titel?

3

4

Welke teksten werken met een slogan?

X

X

Bij welke teksten is de lay-out heel belangrijk?

X

X

Welke teksten hebben passende tekeningen?

X

X

In welke teksten worden overdrijvingen gebruikt?

X

X

In welke teksten worden veel bijvoeglijke naamwoorden gebruikt?

X

Door welke teksten word je aangesproken om naar Ei-land te gaan?

X

X

X X

X

1 (of 3) Omdat je overtuigd wordt om naar het Ei-land te gaan.

Welke tekst is volgens jullie de beste reclametekst voor het pretpark Ei-land? Waarom?

Thema 10: Ei-land • Les 7

115


116

Les 8: Een folder voor Ei-land VOOR

Je leert in groepjes een folder maken.

Opdracht verwoorden

Denk samen na over wat er allemaal in jullie folder moet komen.

Ideeën verzamelen

Eén iemand schrijft op (hieronder of op een apart blad).

eigen invulling

Thema 10: Ei-land • Les 7


1 Wanneer schrijf ik een KOMMA? De komma wordt gebruikt om even te rusten in een zin. Tussen de woorden in een opsomming schrijven we een komma. Bv. Er zijn lieve, brave, leuke en ondeugende kinderen. Er zijn ook lieve, brave, leuke en ondeugende juffen en meesters.

TIJDENS

Uitschrijven

Maak met je groepje een folder.

NA

2 Wanneer schrijf ik een DUBBELE PUNT? - Voor een aanhaling (iets wat iemand zegt): bv. Juf zei: “Taal is veruit het leukste vak!” - Voor een uitleg: bv. Wij hebben een bijzonder land: er zijn wel drie officiële talen.

Evaluatie: nakijken en verbeteren

Kijk na en verbeter indien nodig: Ik heb bij het schrijven gelet op het gebruik van hoofdletters. Ik heb minstens één keer een komma op de juiste plaats gebruikt. I k heb minstens één keer een dubbele punt op de juiste plaats gebruikt. Laat de tekst verbeteren door de leerkracht. Schrijf hem dan mooi en foutloos over op een net blad.

Thema 10: Ei-land • Les 7

117


118

Wat is de tijd van een werkwoord? Dat kun je meestal aan de persoonsvorm zien. Het gebeurt nu: tegenwoordige tijd (t.t.) bv. Het regent. Dat is niet zo erg. Ik kan nu toch niet naar buiten. Het gebeurde vroeger: verleden tijd (v.t.) bv. Het regende. Dat was niet zo erg. Ik kon toch niet naar buiten.

Wat is een infinitief? De infinitief is de vorm die je terugvindt in een woordenboek. Bv. werken, slapen, gaan, schrijven … Je vindt de infinitief door er ‘ik zal ...’ voor te zetten. Bv. ik zal slapen, ik zal kopen ...

Wat is een stam? De stam is de ik-vorm van een werkwoord. Je vindt de stam door ik voor het werkwoord te plaatsen, bv. ik snoep, ik werk, ik slaap.


Welke werkwoorden veranderen van klank? Welke niet? De meeste werkwoorden krijgen in de verleden tijd -de(n) of -te(n) bij de stam. Bv. speel – speelde, werk – werkte, hoor – hoorde ... Sommige werkwoorden veranderen van klank in de verleden tijd. Bv. geef – gaf, drink – dronk, loop – liep … Hoe weet ik of een werkwoord wel of niet van klank verandert? Daar bestaat jammer genoeg geen trucje voor. Of toch: eentje! Veel luisteren, spreken, lezen en schrijven. (Dit helpt ook: leg een lijstje aan van werkwoorden die van klank veranderen.)

Waaruit bestaat een zin? Een zin bestaat heel vaak uit een onderwerp en wat erover gezegd wordt (= rest van de zin). Een voorbeeld: Na deze les zijn we echt wel heel slimme kinderen. Over wie of waarover wordt er iets gezegd in deze zin? Wat is het onderwerp? we Wat wordt er over het onderwerp gezegd in deze zin? zijn echt wel heel slimme kinderen na deze les.

Wat is een persoonsvorm? De werkwoordsvorm die bij het onderwerp past, heet de persoonsvorm. Bv. Bij het onderwerp ik hoort de persoonsvorm kom, bij het onderwerp jij hoort de persoonsvorm komt ... De persoonsvorm staat graag in de buurt van zijn onderwerp.

Hoe vind ik de persoonsvorm? Je vindt de persoonsvorm door de ja-neevraag te stellen. De persoonsvorm staat dan altijd vooraan. Bv. Opa houdt van snorkelen. → Houdt opa van snorkelen?

119


120

Wat is een onderwerp? In een zin zeggen we iets over een mens, dier of ding. Waarover of over wie? Dat is het onderwerp van die zin. Bv. De jachtluipaard is het snelste dier. Over wie of waarover wordt in die zin iets gezegd? Over de jachtluipaard. De jachtluipaard is het onderwerp van de zin. Wat wordt er gezegd over de jachtluipaard? Dat dat het snelste dier is (is het snelste dier). Bv. De meester geeft Max gelijk. Over wie of waarover wordt in die zin iets gezegd? Over de meester. De meester is het onderwerp van de zin. Wat wordt er gezegd over de meester? Dat hij Max gelijk geeft (geeft Max gelijk).

Wat is een zinsdeel? Een zinsdeel is een deel van een zin dat kan bestaan uit één woord of uit een woordgroep. Welk zinsdeel in de rest van de zin geeft een antwoord op de vraag: • (aan/voor) wie? • hoe? • wanneer? • waar? • waarom? • ... We kunnen in een zin niet enkel zeggen wat of wie iemand is of wat iemand doet. Een zin kan ook extra informatie bevatten. Die informatie staat in een zinsdeel. Bv. Ik heb gisteren bij onze buren goed voor de baby gezorgd omdat ...

Wanneer?

Waar?

Hoe?

Voor wie?

Waarom?


Ken jij deze vier soorten zinnen? de uitroep

de vraag

Eek! Een muis!

Hoe heet jij, muisje?

Je herkent een uitroep aan: - de toon - het uitroepteken (in een geschreven tekst)

Je herkent een vraag aan: - de toon - het vraagteken (in een geschreven tekst) Vooraan staat een vraagwoord of persoonsvorm.

het bevel

de mededeling

Ga weg, muis!

De muis is weg.

Je herkent een bevel aan: - de toon - het uitroepteken (soms, in een geschreven tekst) Een bevel heeft meestal geen onderwerp.

Je herkent een mededeling aan: - de toon - de punt (in een geschreven tekst)

121


122

Wat zijn zelfstandige naamwoorden? Dat zijn woorden die een naam geven aan personen, dingen, planten of dieren. personen dingen dieren planten

 papa, directeur, mevrouw, juf, Moussa ...  kast, lijm, deur, schaar, Pritt ...  hond, schaap, dinosaurus, Pekkie ...  klimop, lelie, iep ...

Wat is een eigennaam? Mijn naam is Ides. Hoe heet jij? We hebben allemaal een eigen naam. Die schrijven we met een hoofdletter. Ook dieren, dingen of plaatsen hebben soms een eigen naam. Het is de naam die hen door iemand gegeven wordt. Deze eigennamen schrijven we ook met een hoofdletter. Bv. Mijn hond heet Bas. Mijn lijm heet Pritt. Ik woon in de stad Brussel.

Wat is een lidwoord? Er zijn drie lidwoorden: de, het, een. Lidwoorden staan altijd bij een zelfstandig naamwoord, bv. de grap, het bezoek, een plons. Het lidwoord een kun je bij alle zelfstandige naamwoorden gebruiken. Bij de en het lukt dat niet altijd. Drie vierde van alle zelfstandige naamwoorden zijn de-woorden. Woorden in het meervoud hebben altijd de als lidwoord. Verkleinwoorden hebben het als lidwoord.


Wat is een bijvoeglijk naamwoord? Een bijvoeglijk naamwoord vertelt hoe iets of iemand is. Meestal staat een bijvoeglijk naamwoord voor een zelfstandig naamwoord. Het past zich aan dat zelfstandig naamwoord aan. Bv. een nieuw bankstel een groot geluk een nieuwe iPad een grote deugniet Soms staat het bijvoeglijk naamwoord ook ‘los’. Dan zegt het hoe het onderwerp is. Vandaag ben ik zo vrolijk.

Wat is een werkwoord? Hoe vind ik het? Een werkwoord (of doewoord) vertelt wat iemand (of iets) doet. Bv. Ik /eet/graag bananen. Je vindt het werkwoord door de ja-neevraag te stellen. Het werkwoord komt dan vooraan. Bv. /Eet/ ik graag bananen?

123


124

Wat zijn verkleinwoorden? Verkleinwoorden zijn naamwoorden met het achtervoegsel -je (of -pje, -tje, -etje) erbij. We gebruiken ze om: iets kleins aan te duiden.

iets liefs aan te duiden. Mijn juf is een schatje!

Ik plant een boompje.

te zeggen dat iets niet zo belangrijk is. Het was een ongelukje!

te zeggen dat je iets/iemand niet leuk vindt.

Stop daar eens mee, ventje!

Wat betekent ‘meervoud’? Aan zelfstandige naamwoorden kun je horen en zien of het om eentje (enkelvoud) gaat of om meer (meervoud). - In de meeste gevallen wordt -s of -en aan het enkelvoud toegevoegd. Bv. mens – mensen, bed – bedden , meisje – meisjes ... - Er zijn ook bijzondere meervouden. Bv. kind – kinderen, ei – eieren, moeilijkheid – moeilijkheden, koe – koeien ...


Het geslacht van het naamwoord bepaalt welk lidwoord je moet kiezen en met welk woord je naar het naamwoord moet verwijzen. de → mannelijk (hij) of vrouwelijk (zij) het → onzijdig (het)

Wat zijn ‘trappen van vergelijking’? ‘Leuk’ is een bijvoeglijk naamwoord. Maar sommige dingen zijn leuker dan leuk. Om dat uit te drukken, gebruiken we de ‘trappen van vergelijking’. Bv. Dit is een leuke mop. Ik ken een mop die nog leuker is. Dit is echt de leukste mop ooit.

Wat is een samenstelling? We bedenken niet voor elk nieuw ding een nieuw woord. Soms plakken we twee of meer bestaande woorden aan elkaar. Zo krijgen we een nieuw woord. We noemen zo’n woord een samenstelling. Bv. voetbal, handdoek, politiekantoor ... Samenstellingen kunnen ook uit meerdere woorden bestaan. Bv. Hottentottententententoonstellingen ... Samenstellingen schrijven we meestal aan elkaar, tenzij ze aan elkaar moeilijk te lezen zijn. Bv. na-apen, zo-even ...

125


126

Wat is een afleiding? Sommige woorden bestaan uit een woord waaraan een klein stukje is toegevoegd. Je leidt ze af van een bestaand woord. Bv. Ik heb honger, dus ben ik hongerig. Soms staat het toegevoegde stukje vooraan. Dat noemen we een voorvoegsel. Veelvoorkomende voorvoegsels zijn: • be- (belonen) • oer- (oerstom) • on- (onbeleefd) • hyper- (hypernerveus) • ver- (verdienen) • aarts- (aartsmoeilijk) • ge- (geloven) • ont- (ontdekken) • her- (herbeginnen) • ... Soms staat het toegevoegde stukje achteraan. Dat noemen we een achtervoegsel. Veelvoorkomende achtervoegsels zijn: • -je (kindje) • -heid (eerlijkheid) • -er (langer) • -ig (zielig) • -ster (loopster) • -achtig (kinderachtig) •…

Wat zijn synoniemen? Soms bestaan er meer woorden om eenzelfde voorwerp, persoon, handeling ... te omschrijven. Bv. Anna loopt naar de woonkamer. Simon rent naar het salon. Eigenlijk doen ze allebei hetzelfde. Woorden die ongeveer hetzelfde betekenen, noemen we synoniemen. Gebruik af en toe eens een synoniem in je tekst. Zo wordt je verhaal echt boeiend!