__MAIN_TEXT__
feature-image

Page 1


accent

Taal

Werkschrift 4B Correctiesleutel Leen Bresseleers Ann Kellen Marieke Saelens

Coรถrdinatie Dirk Dobbeleers

Met medewerking van Ides Callebaut


Tijd voor Taal accent Taal 4 bestaat uit: - Werkschrift A en B - Werkschrift A en B correctiesleutel - Z-schrift A en B - Z-schrift A en B correctiesleutel - Taalboek A en B - Handleiding A en B - Toets- en Remediëringsmap - Set wandplaten - Klasbib - Bordboek Plus - Bingel.be - methodesite: www.tvtaccent.be Tijd voor Taal accent Taal - Werkschrift 4B correctiesleutel Leen Bresseleers, Ann Kellen en Marieke Saelens Met medewerking van: Ides Callebaut Coördinatie: Dirk Dobbeleers Omslagontwerp: Nancy Kers en Karttouch Lay-out: CAT en Lieve Lenaerts Zetwerk: Lieve Lenaerts Tekeningen: Gunter Segers

Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hen dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toelating te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Diegenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te melden. © Uitgeverij Van In, Wommelgem, 2013 Alle rechten voorbehouden. Behoudens de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, op welke wijze ook, zonder de voorafgaande en schriftelijke toestemming van de uitgever.

eerste bijdruk Eerste druk, tweede bijdruk2015 2015 978-90-306-5660-9 ISBN 978-90-306-5613-5 D/2013/0078/169 D/2013/0078/168 513903/02 Art.nr. 513839/03 NUR 191


Tijd voor Taal accent Les 1: Ambras op ’t gras?!

Je leert verschillende tekstsoorten herkennen. Je leert de inhoud van teksten begrijpen door aandachtig te lezen.

Hoe vind ik de betekenis van een moeilijk woord of een moeilijke uitdrukking? Misschien helpen deze tips: - Lees de hele zin. Kun je de betekenis afleiden uit Ze schrijft dat de zin? het ‘ambras’ is tussen ons. - Splits het woord. (cadeaubon = cadeau + bon = een Wat zou dat bon waarmee je een cadeau kunt kopen) betekenen? - Vraag uitleg aan iemand. - Zoek het woord op in een woordenboek of op de computer.

1

Over welke tekstsoort gaat het? Waarom heeft de auteur die tekst geschreven? Zo ga je te werk: 1 Lees de teksten in je taalboek aandachtig. 2 Zoek moeilijke woorden eventueel op in het woordenboek. 3 Duid per tekst de juiste tekstsoort aan met een kruisje. 4 Duid ook telkens aan waarom de auteur de tekst heeft geschreven. Welke tekstsoort? een verhaal

tekst 1

tekst 2

tekst 3

tekst 4

tekst 5

X

een reclametekst X

een stripverhaal een brief een gedicht

X

een krantenartikel

X

een informatieve tekst

X

een instructie Waarom heeft de auteur deze tekst geschreven? om je te ontspannen

X

X

X

om je iets te doen kopen om je informatie te geven

X

X

om je te leren hoe je iets kunt maken Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 1

3


4

Tijd voor Taal accent 2

Lees tekst 1 opnieuw en beantwoord de vragen. In de tekst staat: De woorden die hard als keien en scherp als spijkers zijn. Wat bedoelt de schrijver hiermee? O Het zijn kwetsende woorden. O De woorden worden altijd luid uitgesproken. O De woorden bestaan uit letters die je scherp moet uitspreken. Welke zin gebruikt de schrijver om te zeggen dat Lena het beu is?

Lena is het goed zat. Waarom zouden de ouders van Lena zo vaak ruzie maken? Geef twee mogelijke oorzaken. 1 2

3

omdat ze elkaar niet graag meer zien omdat ze geheimen hadden voor elkaar

bv.

Lees tekst 2 opnieuw en beantwoord de vragen. Waaraan merk je dat de agent boos is? Som twee dingen op. 1 2

bv. zijn gezichtsuitdrukking, de rode kleur van zijn gezicht de zwarte kronkellijntjes naast zijn gezicht, de dikke zwarte letters

Op het einde zegt de agent: “Uit mijn ogen!” Wat bedoelt hij hiermee?

Dat ze moeten weggaan. 4

Lees tekst 3 opnieuw en beantwoord de vragen. Vat de hoofdgedachte van deze tekst in één zin samen.

New York Pizza is boos op concurrent Dr. Oetker omdat hun pizza’s fel op elkaar lijken. In de tekst staat: Maar drie nieuwe pizza’s die Dr. Oetker pas op de markt bracht (…) Wat betekent die zin? O Deze pizza’s worden enkel op de markt verkocht. O Dr. Oetker biedt drie nieuwe pizza’s te koop aan in de winkels. O Dokter Oetker brengt drie nieuwe pizza’s met een bestelwagen naar de markt en naar de winkels. Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 1


Tijd voor Taal accent 5

Lees tekst 4 opnieuw en beantwoord de vragen. Welke betekenis heeft het woord ‘blik’ in deze tekst? Gebruik eventueel het woordenboek.

naar iets of iemand kijken Hoe voelt het personage in dit tekstfragment zich? Hoe zou dat komen? Leg uit.

In de steek gelaten, jaloers. Zijn beste vriend gaat samen met iemand anders naar de boomhut die zij samen gemaakt hebben. 6

Lees tekst 5 opnieuw en beantwoord de vragen. Bedenk een passende titel voor dit fragment:

Na de boosheid en het verdriet bv.

Ga je akkoord met de inhoud van deze tekst? Waarom wel/niet?

eigen invulling 7

Ambras op ’t gras?! Bij welk tekstfragment past deze titel het best? Leg uit.

Bij fragment 2 omdat de personages daar ruzie krijgen met de agent omdat ze op het gras lopen.

Zoekt u misschien ruzie?

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 1

Nee! ’t Is ambras dat ik zoek! AMBRAS, zeg ik u!

5


6

Tijd voor Taal accent Les 2a: Vriendin of vrienduit?

Je leert gedichten aandachtig beluisteren en beter begrijpen.

1

Kijk en luister aandachtig naar elk gedicht. Vul het nummer van het gedicht in bij de juiste tekening. Opgelet, er is één gedicht waarbij je geen passende tekening kunt aanduiden.

de intonatie

de toonhoogte in woorden en zinnen

1

6

3

5

4

7 Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 2a


Tijd voor Taal accent Les 3: Op een dag …

VOOR

Je schrijft een tekst over een gebeurtenis die je meegemaakt hebt. Je leert een inleiding, een midden en een slot schrijven.

1 Welke gebeurtenissen passen bij deze emoties? Noteer zo veel mogelijk woorden.

de emotie

het gevoel

bijvoorbeeld

begrafenis verlies pijn ongeval

verjaardag feest leuk spel

ruzie diefstal

ruzie iets verloren tegenslag

Voor ik schrijf, denk ik na: hoe schrijf ik een meesterwerk? Misschien helpen deze tips:

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 3

- Denk eerst na: waarover wil je schrijven? - Verzamel ideeën en orden ze. - Bedenk ook een idee voor je inleiding en slot. - Schrijf je tekst uit. - Lees je werk na. - Verbeter schrijffouten en herschrijf stukken die je minder goed vindt. - Werk netjes!

7


8

Tijd voor Taal accent 2 Kies een gebeurtenis die jij meegemaakt hebt en waarover je een verslag wilt schrijven. Noteer die gebeurtenis in de televisie. Verzamel zoveel mogelijk ideeĂŤn rond deze gebeurtenis. Schrijf de kernwoorden errond.

eigen invulling

4 Schrijf je tekst uit. Zorg voor een inleiding, een midden en een slot. Schrijf enkel op de volle lijnen, niet op de stippellijnen!

eigen invulling inleiding

TIJDENS

3 Kleur de woorden die je in de inleiding wilt gebruiken geel. Kleur de woorden die je in het midden wilt gebruiken blauw. Kleur de woorden die je in het slot wilt gebruiken groen.

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 3


slot

midden

Tijd voor Taal accent

5 Herlees je tekst een aantal keer. Probeer je verhaal nog vlotter te maken. Herschrijf je tekst met groene balpen op de stippellijnen. 6 Bedenk een leuke, passende titel voor je tekst.

eigen invulling

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 3

9


10

Tijd voor Taal accent 7 Schrijf heel je tekst netjes over. Denk aan je titel.

NA

eigen invulling

8 Vul in: + = goed, +/– = bijna goed, – = niet goed

Dit vind ik:

Door mijn inleiding krijg je zin om mijn tekst verder te lezen.

Dit vindt de juf/meester:

eigen invulling

In het midden geef ik voldoende informatie. INHOUD

Ik bedacht enkele mooie slotzinnen om mijn verhaal af te sluiten. Ik schreef de gebeurtenissen in de juiste volgorde.

VORM

SPELLING

In mijn tekst zijn de inleiding, het midden en het slot duidelijk herkenbaar. De woorden waarbij ik moet verdubbelen of verenkelen zijn correct geschreven. Ik schreef de werkwoordsvormen correct.

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 3


Tijd voor Taal accent Les 4: Kwaad, kwader, kwaadst!

Je leert zinnen aanvullen met bijvoeglijke naamwoorden.  Je leert het bijvoeglijk naamwoord, het zelfstandig naamwoord, het werkwoord en het lidwoord in zinnen aanduiden. Je leert hoe je de trappen van vergelijking kunt vormen.

Wat is een bijvoeglijk naamwoord? Een bijvoeglijk naamwoord vertelt hoe iets of iemand is. Reclamemakers zijn dol op bijvoeglijke naamwoorden. Zo ook in deze reclameboodschappen.

Dan is 'bijvoeglijk' zelf een bijvoeglijk naamwoord!

DE BESTE EN DE LEKKERSTE CHOCOLADE

Nieuwe collectie

Verschillende kleuren

Niet elke kleur is beschikbaar in de winkel Voeding tegen de beste prijzen

draagbare pc

Vloeibaar wasmiddel met zachte frisheid

Halve maantjes ricotta

Normale prijs per l: € 8,68

De promotie is geldig t.e.m. 14 maart.

Waar vind ik een bijvoeglijk naamwoord? Meestal staat een bijvoeglijk naamwoord vóór een zelfstandig naamwoord. Het past zich aan dit zelfstandig naamwoord aan. Mag ik jouw bijvoeglijk naamwoord zijn?

een nieuw bankstel een nieuwe iPad

een groot geluk een grote deugniet

Soms staat het bijvoeglijk naamwoord ook ‘los’. Dan zegt het hoe het onderwerp is. Vandaag ben ik zo vrolijk.

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 4

11


12

Tijd voor Taal accent 1

Vul de zin aan met een bijvoeglijk naamwoord.

eigen invulling

De tijger ligt in het

gras.

De

auto van papa is vuil.

De

plant staat op de

Deze 2

kast. reis zal ik nooit vergeten!

Zoek bij de zelfstandige naamwoorden enkele passende bijvoeglijke naamwoorden.

spannend

eigen invulling verhaal

spelletje

taart

3

Herken jij de woordsoorten in de zinnen? Kleur elke woordsoort in de juiste kleur. Opgelet, sommige woorden moet je niet kleuren! lidwoord

bijvoeglijk naamwoord

zelfstandig naamwoord

werkwoord

Wat een stomme ruzie! Mijn mama en papa roepen boze woorden. Ik droom van een dag met alleen lieve, schattige woordjes. Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 4


Tijd voor Taal accent

Wat zijn ‘trappen van vergelijking’? ‘Leuk’ is een bijvoeglijk naamwoord. Maar sommige dingen zijn leuker dan leuk. Om dat uit te drukken, gebruiken we de ‘trappen van vergelijking’. Dit is een leuke mop. Ik ken een mop die nog leuker is. Dit is echt de leukste mop ooit.

4

En ik nog beter!

Noteer bij elke tekening de passende bijvoeglijke naamwoorden volgens de trappen van vergelijking.

jong 5

Ik wil de beste zijn!

jongst

jonger

lang

langer

langst

Vul de zinnen aan met het juiste bijvoeglijk naamwoord. Denk aan de trappen! Mijn kleine broer is best wel braaf, maar mijn zusje is braver. Natuurlijk ben ik thuis het

braafst

!

De verhalen van Bart Demyttenaere vind ik grappig. Maar de verhalen van Roald Dahl vind ik nog Het

, grappiger vind ik de mopjes over Jantje! grappigst

In zwemmen ben ik goed, maar in tekenen ben ik Ik ben het

best

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 4

beter

.

in wiskunde! 13


14

Tijd voor Taal accent 6

Maak telkens een goede zin met het gegeven bijvoeglijk naamwoord. goedkoper:

eigen invulling

oudste: slechtste:

7

Vul de zinnen aan. Kijk goed naar het voorbeeld. Voorbeeld: De juf is boos. →

de boze juf

Dat monster is eng.

het

Die kandelaar is oud.

de

De man is ongelukkig.

de

enge oude ongelukkige

monster kandelaar man

En nu omgekeerd! Deze radio is De buren zijn Deze hamster is 8

.

de nieuwe radio

.

de luidruchtige buren

. →

de schattige hamster

Kies een bijvoeglijk naamwoord en noteer de trappen van vergelijking. Schrijf een kort verhaaltje waarin je de trappen van vergelijking gebruikt. Ik kies:

9

nieuw luidruchtig schattig

eigen invulling

Bedenk een zin waarin je drie zelfstandige naamwoorden en twee bij­voeglijke naamwoorden gebruikt. Kleur de zelfstandige naamwoorden blauw en de bijvoeglijke naamwoorden geel.

eigen invulling

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 4


Tijd voor Taal accent Les 5: De Bulstronk

Je leert een verhaal lezen en begrijpen. Je bestudeert de personages uit het verhaal. Je denkt na over wat echt en wat verzonnen is.

1

Orden de volgende fragmenten chronologisch. Wat eerst komt, geef je nummer 1, wat laatst komt, geef je nummer 6.

3 5 2

De Bulstronk vraagt voor de eerste keer aan Robert hoeveel zeven keer twee is. Robert stuitert op de grond als een voetbal. Nico spelt al zingend het woord ‘schadelijk’ voor het Hoofd.

4

6 1 2

De Bulstronk zegt: “Kleine mensjes zouden uit het gezicht moeten worden gehouden. Ze zouden onzichtbaar moeten worden opgeborgen in doosjes, net als haarspelden en knopen.” Juffrouw Engel leert de kinderen versjes om te leren spellen.

“Nou, dolgraag”, zei het Hoofd met een stem waar het sarcasme vanaf droop. Wat schuin gedrukt staat betekent: O dat er speeksel uit haar mond drupt. O dat ze het op een gemene manier zegt. O dat ze het met een poeslief stemmetje zegt.

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 5

15


16

Tijd voor Taal accent 3

Naar wie of wat verwijzen deze woorden? Zijn moeder vond het prachtig en liet het expres extra lang worden. → zijn =

Robert

Ik laat je niet los voor je het zegt! → ik =

de Bulstronk, het Hoofd

Ze zouden onzichtbaar moeten worden opgeborgen in doosjes … → ze = 4

kleine mensjes, kinderen

Noteer de woorden in de juiste kolom. spelliedjes – het Hoofd – een duivelse blik – Wat een bespottelijke flauwekul! – een hekel aan vlechten en paardenstaarten – juffrouw Engel – Laat hem alstublieft los!

het Hoofd een duivelse blik Wat een bespottelijke flauwekul! een hekel aan vlechten en paardenstaarten

spelliedjes juffrouw Engel Laat hem alstublieft los!

Wie van de twee leerkrachten vind je het leukst? Waarom?

eigen invulling

5

Roald Dahl gebruikt graag fantasie in zijn verhaal. Geef een voorbeeld uit het verhaal van iets dat verzonnen is en een voorbeeld van wat echt gebeurd kan zijn. Verzonnen:

eigen invulling

Echt:

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 5


Tijd voor Taal accent 6 Hoeveel punten geef je Roald Dahl voor zijn tekst? Leg uit waarom. Ik geef deze tekst

/10, omdat

eigen invulling

7 De leerkracht uit jouw dromen?! Beschrijf wat jouw ideale leerkracht allemaal kan en doet in de klas. Vul de zin telkens aan met een andere eigenschap. Mijn droomleerkracht is

eigen invulling

Mijn droomleerkracht heeft Mijn droomleerkracht gebruikt 8 Lees het vervolg van het verhaal in je taalboek op blz. 16. 9 “Kleine mensjes zouden uit het gezicht moeten worden gehouden. Ze zouden onzicht­ baar moeten worden opgeborgen in kleine doosjes, net als haarspelden en knopen. Ik kan onmogelijk inzien waarom kinderen er zo lang over moeten doen om groot te worden. Volgens mij doen ze het expres.” Stel je voor dat de Bulstronk – net voor ze deze zinnen zou zeggen – plots veranderde in de allerliefste vrouw op aarde. Wat zou ze dan tegen de kinderen kunnen gezegd hebben? Schrijf het in de tekstballon.

eigen invulling

10 Wat zal er gebeuren met Erik Inkt? Verzin een vervolg.

eigen invulling

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 5

17


18

Tijd voor Taal accent Les 8: Van klein tot groot verdriet

Je leert de structuur in een informatieve tekst herkennen.

Welk potje verdriet zou ik kiezen?

1

Een informatieve tekst bestaat uit drie delen. Vul de naam van die delen aan in de kaders en geef ze een verschillende kleur. Kleur de eigenschappen die bij die delen horen in dezelfde kleur. Een informatieve tekst bestaat uit drie delen:

1:

de inleiding

het midden

3:

het slot

1

1

3

In dit tekstdeel kondigt de auteur aan dat de tekst over verdriet gaat.

Dit tekstdeel wil de lezer nieuwsgierig maken naar het vervolg van de tekst.

De auteur geeft een samenvatting van de tekst: iedereen heeft al wel eens verdriet.

2

3

2

In dit tekstdeel wordt het thema van de tekst, verdriet, uitgewerkt.

2

2:

Dit tekstdeel begint met het woord ‘kortom’.

In dit tekstdeel krijg je de meeste informatie.

Hoe wordt de Nederlandse wetenschapper Ad Vingerhoets soms genoemd? Hoe komt dat?

huilprofessor genoemd, omdat hij zich al jarenlang verdiept in het hoe en waarom van het huilen.

Ad Vingerhoets wordt

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 8


Tijd voor Taal accent 3

Zoek in het midden van de tekst een ander woord voor ‘baby’.

pasgeborene 4

Zoek in de inleiding van de tekst vijf zelfstandige naamwoorden en noteer ze in de kaders. Rangschik ze nadien alfabetisch.

eigen invulling

5

In het midden van de tekst staat: Opmerkingen als: “Denk er niet aan, dan gaat het wel weer over” of, erger: “Ach, stel je zo niet aan” bieden geen troost. Hoezo? Leg uit.

Wie verdriet heeft, voelt zich dan nog ellendiger omdat het lijkt alsof ze niet verdrietig mogen zijn. 6

De schrijver gebruikt de woorden uitsluitend en integendeel. Zoek de betekenis van deze woorden op in het woordenboek. Uitsluitend betekent Integendeel betekent

7

enkel en alleen; met uitsluiting van anderen juist niet; omgekeerd

Probeer in één zin de hoofdgedachte (waarover de tekst gaat) van deze tekst te omschrijven.

bijvoorbeeld

Over het hoe en waarom van verdriet Huilen en troosten

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 8

19


20

Tijd voor Taal accent 8

Waarom zou de schrijver deze tekst geschreven hebben?

Om wat meer info te geven over huilen, troosten en verdriet 9

De schrijver gebruikt het woord ellendiger. Dit woord staat in: de inleiding – het midden – het slot (schrap wat niet past). Schrijf dit woord op de juiste trap en vul de andere trappen aan.

ellendigst ellendiger ellendig

10 De schrijver vergelijkt verdriet met gewicht: Je kunt het niet laten verdwij­nen, maar je kunt het wel helpen dragen en dan wordt het minder zwaar. Kun jij een andere vergelijking bedenken?

eigen invulling

Verdriet is als

, omdat

11 Bedenk een nieuw slot voor deze informatieve tekst. Werk eerst op een kladblad of in je kladschrift.

eigen invulling

Thema 6: Ruzie of ambras? • Les 8


Tijd voor Taal accent Les 1: Aan het werk!

Je leert informatie aflezen uit diagrammen en tabellen.

1

Op het internet werd een grote enquête gehouden. De vraag was: Wat wil jij later worden? Bijna 4 500 kinderen namen eraan deel. In het diagram vind je de top 20. Welk beroep werd het meest gekozen?

modeontwerper Welk beroep staat op de vijfde plaats in de top 20?

piloot

kok eigen invulling

Welk beroep werd door ongeveer 200 kinderen gekozen? Welk van deze beroepen lijkt jou het leukst? Waarom? Welk van deze beroepen lijkt jou het minst leuk? Waarom? Welk beroep vind jij een typisch jongensberoep? Waarom? Welk beroep vind jij een typisch meisjesberoep? Waarom? Wat is een kraamverzorg(st)er?

iemand die pasgeboren baby’s verzorgt Wat is het verschil tussen een voetballer en een profvoetballer?

Een voetballer voetbalt als hobby, een profvoetballer als beroep. Hij wordt er dus ook voor betaald.

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 1

21


22

Tijd voor Taal accent Maak een diagram van de gekozen beroepen in jouw klas.

naam beroep

5 2

10

15

20

Bekijk het diagram over woon-werkverkeer in het taalboek op blz. 23. Dit soort diagram wordt een ‘taartdiagram’ genoemd. Heb je enig idee waarom?

Het lijkt op een ronde taart, in partjes. Met welk vervoermiddel gaan de meeste mensen naar hun werk?

met de auto

te voet Omdat de afstand meestal te groot is.

Welk vervoermiddel wordt het minst gekozen? Hoe zou dat komen?

Rangschik de vervoermiddelen van meest naar minst gebruikt.

auto > fiets > trein > firmawagen > bus/tram/trolley > autopassagier > te voet Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 1


Tijd voor Taal accent Noem één voordeel en één nadeel van met de auto gaan werken. voordeel:

eigen invulling

nadeel: Noem één voordeel en één nadeel van met de fiets gaan werken. voordeel:

eigen invulling

nadeel: Vind je nog voor- en nadelen? Knap zo! Noteer maar!

eigen invulling

auto: voordeel: nadeel: fiets: voordeel: nadeel: Bedenk nog twee vervoermiddelen die niet in het diagram voorkomen.

3

Luister naar het verhaal. Bekijk daarna deze tekening. Begrijp je het probleem? Vanwaar al die boetes? Geef radeloze Ronny advies: hoe kan hij die boetes voorkomen?

Het bedrijf ROTA in Gent maakt reclame op zijn auto. De reclame kan ook gelezen worden als ROT-AGENT. Vandaar alle boetes. Agenten worden niet graag uitgescholden.

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 1

23


24

Tijd voor Taal accent 4 Kruis de juiste betekenis aan van het woord ‘voorkomen’ in deze zin. verhinderen

X

Schrikdraad voorkomt dat de koeien uit de wei lopen. Het komt bijna nooit voor dat ik dingen vergeet.

X

Komt het vaak voor dat Emme te laat komt?

X

Beter voorkomen dan genezen!

X

Een alerte voorbijganger kon het ongeluk nog net op tijd voorkomen.

X

geen van beide

Dag buurman, kom je voor mama of voor papa?

5

gebeuren

Bedenk zelf een enquête van drie vragen. Laat die invullen door een persoon naar keuze.

eigen invulling

1

O altijd

O meestal

O af en toe

? O zelden

O nooit

2

? O altijd

O meestal

O af en toe

O zelden

O nooit

3

? O altijd

O meestal

O af en toe

O zelden

O nooit

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 1


Tijd voor Taal accent Les 2: Kleef raak!

blanco

Je maakt het spelbord voor ‘Wie is het?’ door de instructies van je partner nauwkeurig op te volgen.

Gewonnen? Kleur een bolletje.    Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 2

oningevuld, opengelaten

  25


26

Tijd voor Taal accent Les 3: Mijn cv VOOR

Je leert een formulier invullen met informatie over jezelf.

1 Wie van de drie? De directeur is dringend op zoek naar een nieuwe leerkracht. Zet een kruisje bij de persoon die jij zou aannemen.

eigen invulling

naam: Jef Sjofel leeftijd: 40 jaar e-mail: jef.sjofel@kidcity.be hobby’s: alles behalve opruimen studies: leraar lager onderwijs

de werkgever

geeft andere mensen werk en betaalt hen daarvoor

de werknemer

werkt voor een werkgever

solliciteren

een brief of mail sturen naar een bedrijf omdat je daar graag wilt werken

het cv

afkorting van curriculum vitae (levensloop); brief waarop informatie staat over jou, je studies, je werkervaring ...

de burgerlijke staat

vertelt hoe jouw situatie is: getrouwd? alleenstaand? gescheiden? samenwonend?

naam: Lisa Luilak leeftijd: 28 jaar e-mail: platterust@hotmail.com hobby’s: in de zetel zitten studies: leraar lager onderwijs naam: Staf De Strenge leeftijd: 51 jaar e-mail: staf.de.strenge@zwem.org hobby’s: lezen, fietsen, zwemmen studies: leraar lager onderwijs Ik zou

de kandidaat

iemand die misschien geschikt is voor een bepaalde job

de nationaliteit

Als je de Belgische nationaliteit hebt, ben je Belg.

het liefst als leerkracht willen,

omdat

TIJDENS

Ken je me nog? Ik spreek Latijn. Ik leer je nog een woord: cv komt van het Latijnse woord ‘curriculum vitae’. Dat betekent ‘de loop van het leven’.

2 Nu jij! Maak je eigen cv.

eigen invulling naam: adres: e-mail: geboortedatum: Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 3


Tijd voor Taal accent

geboorteplaats: nationaliteit: burgerlijke staat (omcirkel): verliefd – verloofd – getrouwd – niets van dit alles hobby’s: talenten: lievelingskleur: lievelingseten: eigenschappen: Voor deze job wil ik solliciteren: Dit beroep wil ik zeker niet uitoefenen: Naam kleuterschool? Plaats kleuterschool? Naam lagere school?

NA

Plaats lagere school?

3 Zeg het anders … en beter!

bijvoorbeeld Hartelijk bedankt.

Nen dikke merci.

Deze job lijkt me megacool.

Deze job lijkt me erg boeiend. Yo den baas!

Dag meneer/mevrouw. Toedeloe!

Dag! Groetjes! Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 3

27


28

Tijd voor Taal accent Les 4: Homoniemen en synoniemen

Je leert nadenken over dingen waar meerdere woorden voor bestaan (synoniemen) en over woorden met meerdere betekenissen (homoniemen).

1

Wat doen deze mensen? Zeg het twee keer op een andere manier.

zoenen kussen

gooien werpen

telefoneren (op)bellen

poetsen schoonmaken

lopen rennen

rekenen tellen

Wat zijn synoniemen? Soms bestaan er meerdere woorden om eenzelfde voorwerp, persoon, handeling ... te omschrijven. Anna loopt naar de woonkamer. Simon rent naar de living. Eigenlijk doen ze allebei hetzelfde. Woorden die ongeveer hetzelfde betekenen, noemen we synoniemen.

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 4


Tijd voor Taal accent 2

Vervang het vette woord in de zin door een synoniem. Je hoeft niet de hele zin over te schrijven. Ik heb het koud. Staat de radiator aan?

verwarming

De landbouwer werkt op zijn veld.

Hoe heet jouw leraar?

meester

Daarvoor heeft hij geen spade nodig.

Vroeger schreef men met een veer.

pluim

boer schop Hij woont op de vierde etage.

verdieping

Papa kijkt altijd boos. Mijn oma heet Naïma.

kwaad

grootmoeder

De zelfbedieningszaak heeft een groot uitstalraam.

supermarkt

grote etalage

Er rijdt een dokter mee met die ambulance.

arts

ziekenwagen

seizoen

Het voorjaar is mijn favoriete jaargetijde.

De lente 3

Leg het vette woord met eigen woorden uit. Weet je het niet? Raadpleeg dan je woordenboek. Na lang treuzelen kwamen de ministers eindelijk tot een akkoord.

Polly gaat op gitaarles. Ze speelt een mooi akkoord.

overeenkomst

een combinatie van noten/ klanken

Baby Aya was erg moe van al dat spelen. Ze zal vast snel inslapen.

Poes Minoes is al lange tijd erg ziek. Vana­vond laat de dierenarts haar inslapen.

in slaap vallen

laten doodgaan door een spuitje te geven

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 4

29


30

Tijd voor Taal accent Wat een avontuur! We bouwen een vlot en varen de rivier af.

Ik keek heel erg op tegen mijn huiswerk. Gelukkig ging het erg vlot.

aan elkaar gebonden stammen of planken

makkelijk, snel

Wat zijn homoniemen? Er bestaan woorden met verschillende betekenissen. Wanneer iemand een kogel afvuurt, is dat een schot. Maar een kerel uit Schotland is ook een Schot. Een woord met meerdere betekenissen noemen we een homoniem. Homoniemen klinken hetzelfde, maar hebben niet altijd dezelfde schrijfwijze. Denk maar aan zei ̶ zij, mei ̶ mij ... Ook dat zijn homoniemen!

4

Drie vakjes horen telkens bij elkaar. Zoek ze en geef ze eenzelfde kleur. Raadpleeg een woordenboek als je dat nodig vindt.

haring

dichter

scherp uiteinde, bv. van een potlood

gedicht of lied

bol ding om mee te spelen

persoon die gedichten schrijft

punt

grijze vis die in de zee leeft

dansfeest

pin waarmee je een tent vastzet in de grond

het tegengestelde van verder

kun je verdienen door op een toets een vraag correct te beantwoorden

vers

bot

niet scherp

deel van je skelet

bal

pas geoogst of klaargemaakt

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 4


Tijd voor Taal accent 5

Nu jij! Maak met deze homoniemen telkens een zin. Zorg ervoor dat beide betekenissen duidelijk worden.

eigen invulling

wei wij licht ligt ijs eis

6

Dezelfde opdracht als hiervoor. Maar ... bedenk nu zelf een homoniem!

7

Sommige woorden zijn een synoniem én een homoniem. Bijvoorbeeld: ‘Stuk’ is een synoniem van ‘deel’. Maar ‘stuk’ is ook een homoniem. Het betekent zowel 'deel' als ‘kapot’. Zoek nu zelf een woord dat een synoniem en een homoniem is. Leg het ook even uit.

eigen invulling

eigen invulling

Eén stuk? Dat zijn er veel meer!

Wat een stuk!

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 4

31


32

Tijd voor Taal accent Les 5: Een postbode krijgt nooit post.

Je leert een verhaal lezen en de verhaallijn ontdekken. Je staat stil bij enkele spreekwoorden die in de les aan bod komen. Je oefent verwijswoorden.

1

De postbode uit het verhaal gebruikt heel wat spreekwoorden. Kun jij de juiste betekenis achterhalen? Onbekend is onbemind. O Als je iemand niet kent, kun je er niet verliefd op worden. O Als je iets niet kent, kun je het niet leuk vinden. O Je trouwt met een schoenlapper. Schoenlapper, blijf bij je leest. O Als je schoenen stuk zijn, moet je ze naar een schoenlapper brengen. O Schoenlappers lezen moeilijke boeken. O Doe wat je het beste kunt. Er zit een reukje aan. O Dat is iets raars. O Dat stinkt verschrikkelijk. O Dat ruikt naar parfum. Boer blijf, bij je beest. O Boeren moeten flink voor hun dieren zorgen. O Doe wat je het beste kunt. O Dieren horen thuis op een boerderij.

2

Deze zinnen vind je terug in de tekst. Over wie of waarover gaat het vette woord? Morgen steek ik je in het nieuw. → je =

het tuinhek

Want dit heb ik niet gebracht. → dit =

het pak

Hij rook even aan het papier. → hij =

de postbode

Het rook naar nat. → het =

het pak of het papier Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 5


Tijd voor Taal accent 3

Hoe komt het? Het gevolg is telkens gegeven. Ga in de tekst op zoek naar een gepaste oorzaak. Stel bij jezelf telkens de vraag ‘Waarom?’. Zijn voeten sleepten hem naar huis.

Omdat hij moe was. Morgen steek ik je in het nieuw.

Omdat het hek er kleurloos bij hangt. Dit is goed fout!

Omdat hij het zelf niet gebracht heeft. Dit pak lijkt me verdacht.

Omdat zijn gevoel zegt dat er iets mee is. Ik moet me haasten, ik moet me haasten!

Omdat hij thuis wil zijn als de postbode komt. 4

Dit lukt ook! Hoelang werkt de postbode op donderdag?

een halve dag Waarom wordt het tuinhek niet geel geverfd?

Omdat geel te zonnig is. (Het tuinhek klaagt te veel.) Wat zei de postbode toen hij het pak voor de deur zag staan?

O nee, dat niet. Zeg dat het niet waar is. Waarom sturen mensen een postbode nooit een cadeau of brief, volgens de postbode?

Omdat hij toch overal komt. Welke geur heeft het pakje?

Het pakje rook naar nat.

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 5

33


34

Tijd voor Taal accent 5

Wanneer de postbode het pakje opmerkt, doet hij dit ... Nummer in de juiste volgorde. Raadpleeg zeker de tekst!

Hij loopt 10 rondjes rond zijn huis.

raadplegen

bij iets of iemand te rade gaan

Hij belt aan en zet het pak neer. Hij pakt het pak netjes in. Hij zet zijn pet op. Hij denkt dat hij het pak vergeten is. Hij loopt achterom om de deur open te maken. Hij schrijft zijn adres er in krulletters op. Hij bedankt de postbode.

6

Wat zou er in het pak zitten? Laat je fantasie maar werken.

7

Wat zit er echt in het pak? Knap zeg! Jij las het boek verder en ontdekte de inhoud van het pak. Laat je ons meegenieten?

eigen invulling

eigen invulling

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 5


Tijd voor Taal accent 8

9

De postbode moppert erop los. Wie moppert ook? Kleur die tekstballonnen rood. Altijd hetzelfde liedje ... Ik vertel een verhaal en niemand wil naar me luisteren. Dat vind ik echt niet leuk!

Altijd maar die regen. Daar word ik nog eens gek van. En nu heb ik ook nog eens mijn paraplu vergeten. Pfff...

Er wordt regen voorspeld. Denk eraan om morgen allemaal een regenjas mee te nemen!

Het vlees was te rauw en de soep was te heet. Het dessert veel te zoet. Hier komen we niet terug!

Ik zou het super vinden als jullie knap luisteren wanneer ik een verhaal vertel.

Kunt u het vlees iets harder bakken, alstublieft? Ik vind het wat te rauw.

Voor één keer mag het! Zeur, mekker, zanik, mopper er lustig op los! Maar ... blijf wel beleefd!

eigen invulling

Je hebt het koud.

In de rij steekt iemand je voor.

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 5

35


36

Tijd voor Taal accent Les 6: Een drukke agenda

Je leert vragen stellen en beantwoorden. Zo vind je welk beroep beoefend wordt.

1

Nieuwsgierig neusje! Stel vragen aan je partner. Kom zo te weten wat hij of zij precies deed deze week.

maart

maandag u. dinsdag u.

17

woensdag

18

donderdag

u.

u.

eigen invulling

19 20

Ik waag een gokje:

vrijdag u. zaterdag u.

maart

21

zondag u.

23

22

Ik waag een gokje: 2

Bedenk nu zelf een beroep. Stel een gepaste agenda samen.

maandag u. dinsdag u. woensdag u. donderdag u.

eigen invulling maart

17

vrijdag

18

zaterdag

19

zondag

u.

u.

u.

21 22 23

20 Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 6


Tijd voor Taal accent Les 7: Samenstellingen en afleidingen Je leert over samenstellingen en afleidingen.

Wat is een samenstelling? We bedenken niet voor elk nieuw ding een nieuw woord. Soms plakken we twee of meer bestaande woorden aan elkaar. Zo krijgen we een nieuw woord. We noemen zo’n woord een samenstelling. Bv. voetbal, handdoek, politiekantoor ... Samenstellingen kunnen ook uit meerdere woorden bestaan. Bv. hottentottententententoonstellingen ...

1

Ken je deze samenstellingen?

regenworm

schoenendoos

zaklamp

fietshelm

spuitbus

fruitsla

vuurwerk

waspoeder

huismus

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 7

37


38

Tijd voor Taal accent 2

Er zijn ook samenstellingen waarbij het eerste deel bestaat uit de stam van een werkwoord. Geef de stam van deze werkwoorden. Maak er vervolgens een samenstelling mee.

eigen invulling

infinitief toveren slapen koken eten timmeren zoeken rekenen reizen lezen

3

stam

tover

slaap kook eet timmer zoek reken reis lees

naamwoord

samenstelling

+ stok

=

+

=

+

=

+

=

+

=

+

=

+

=

+

=

+

=

toverstok

Kun jij samenstellingen bedenken met meerdere naamwoorden? Doe het zo:

eigen invulling

wegen

+ bouw

+ bedrijf

=

+

+

=

+

+

=

+

+

=

+

+

=

+

+

=

wegenbouwbedrijf

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 7


Tijd voor Taal accent

Wat is een afleiding? Sommige woorden bestaan uit een woord waaraan een klein stukje is toegevoegd. Je leidt ze af van een bestaand woord. Ik heb honger, dus ben ik hongerig. Soms staat het toegevoegde stukje vooraan. Dat noemen we een voorvoegsel. bezoeken, oneerlijk, verkopen, geknor ...

Ik hou van afleiding, juf!

Soms staat het toegevoegde stukje achteraan. Dat noemen we een achtervoegsel. zielig, zekerheid, eerlijk ... Woorden met zo’n toegevoegd stukje noemen we afleidingen.

4

Voorvoegsel? Aan de slag! Zoek in deze tekst alle afleidingen met een voorvoegsel en sorteer ze in de juiste kolom. “Halt! Niet meer bewegen!” Dit was duidelijk geen verzoek. Elisa bleef staan. Muisstil en onbeweeglijk. “Was ik maar onzichtbaar, net als een spook”, bedacht ze. Al was dat natuurlijk onzin. Spoken bestaan immers niet. Alhoewel! Pas nog had ze een wetenschappelijk artikel gelezen. Daarin werden tien redenen gegeven om toch in spoken te geloven. Plots rook Elisa onraad. Waren dit wel echt agenten? Ze kon het niet nalaten hen nog eens te bekijken. “Kan ik jullie wel vertrouwen?”, riep ze hen toe. “Wat een gedoe! Hoe kon ik hier toch in verzeilen?”, dacht Elisa. Het ziet ernaar uit dat ik dit met mijn leven zal bekopen ...” En dat allemaal door die onvriendelijke verkoper! be-

on-

ge-

ver-

bewegen bedacht bestaan bekijken bekopen

onzin onraad onvriendelijke onbeweeglijk onzichtbaar

gelezen gegeven geloven gedoe

verzoek vertrouwen verzeilen verkopen

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 7

39


5

Achtervoegsel? Aan de slag! Ook dit kun je zelf. Bedenk zelf enkele afleidingen zoals gevraagd. Opgelet! De woorden die je schrijft, moeten ook in het woordenboek staan.

eigen invulling

-lijk

6

-ig

-heid

Bedenk nu zelf een verhaaltje waarin minstens zes woorden uit oefening 4 en 5 voorkomen.

eigen invulling

Maak een woordslang. Begin met een woord naar keuze. Bijvoorbeeld:

eigen invulling

p v er

onderzoek – zoektocht – tochtstrip – str i

haal

n – verhaallijn – lijnrechter – rechterha

– ha

s c her

n d l e i d i n g – l e i d i n g w a t e r – w a t e r v a l – v al

m–

7

d

40

Tijd voor Taal accent

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 7


Tijd voor Taal accent Les 8: Wie zoekt, die vindt ‌ een job!

Je leert verbanden herkennen en aanduiden. Je leert wat signaalwoorden zijn.

1

Werk aan de winkel! Mia wordt

kraanmachiniste

Zoek in deze tekst kleine woordjes die een vergelijking aangeven:

als, dan, zoals Luca wordt

kapper

Zoek in deze tekst kleine woordjes die een opsomming aangeven:

ten eerste, verder, ook, nog Kaat wordt

kinderverzorgster

Zoek in deze tekst kleine woordjes die een tegenstelling aangeven:

maar, echter

Carlo wordt

secretariaatsmedewerker

Zoek in deze tekst kleine woordjes die een middel aangeven:

met behulp van, met, daarmee Dario wordt

reisconsulent

Zoek in deze tekst kleine woordjes die een tijdsverband aangeven:

eerst, vroeger, dan, daarna Romelu wordt

bakkershulp

Zoek in deze tekst kleine woordjes die een voorbeeld aangeven:

bijvoorbeeld, zoals

Wat zijn signaalwoorden? Signaalwoorden zijn korte woorden. Ze leggen een verband tussen verschillende delen van een zin of zinsdeel. Signaalwoorden zorgen voor structuur in een tekst. Er bestaan verschillende soorten signaalwoorden. Ze duiden allemaal een verband aan. Sommige woorden vertellen iets over de tijdsvolgorde (toen, dan, daarna ...). Andere woorden geven een tegenstelling aan (maar, echter ...). Nog andere signaalwoorden vertellen iets over een voorwaarde (als ..., dan ...). Er zijn heel wat signaalwoorden, en ook heel wat verbanden.

Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 8

41


42

Tijd voor Taal accent 2

Lees de zinnen. Kleur de signaalwoorden groen. Vul het verband in. Moeilijk? De taalweter op de vorige bladzijde kan je helpen! Lucie houdt van lezen, maar haar broer Fin niet. verband:

het verband

1 een stuk dunne stof voor op een wonde 2 Als dingen met elkaar verband houden, hebben ze met elkaar te maken.

tegenstelling

Warre is een sportfreak. Hij houdt vooral van sporten zoals basketbal, zwemmen en fietsen. verband:

voorbeeld

Ik lees in bed vaak boeken met behulp van een zaklamp. verband:

middel

Jij danst bijna zo elegant als een nijlpaard. verband:

vergelijking

Ik poets mijn tanden grondig vooraleer ik naar de tandarts ga. verband:

3

tijdsverband

Nu jij! Verbind de zinnen of zinsdelen. Gebruik een signaalwoord.

tegenstelling

- Je wilt wel. - Je kunt niet.

Je wilt wel, maar je kunt niet. middel

- Je gaat naar school. - fiets

Je gaat naar school met de fiets. voorbeeld

- Je houdt van fruit. - appels, peren, ananas ...

eigen invulling

Je houdt van fruit zoals appels, peren, ananas ... tijdsverband

- Je stond op. - Je poetste je tanden. - Je vertrok naar school.

Eerst stond je op, dan poetste je je tanden en ten slotte vertrok je naar school. Thema 7: Op wie doen wij een beroep? • Les 8


Tijd voor Taal accent Les 1: Oud, ouder, oudst

VOOR

Je leert een informatieve tekst lezen. Je leert zelf vragen bedenken bij die tekst en lost de vragen van je vrienden op.

de registratie

opnemen in een register, een officiële lijst

1 Fictie of non-fictie? Sorteer deze tekstsoorten: nieuwsbericht – e-mail – stripverhaal – gedicht – reclametekst – uitnodiging – verhaal.

fictie

non-fictie

5 stripverhaal

1 nieuwsbericht

2 gedicht

7 e-mail

6 verhaal

4 uitnodiging 3 reclametekst

TIJDENS

2 Beluister de teksten. Vul het nummer in bij de passende tekstsoort uit oefening 1. 3 Tekst gelezen? Noteer vijf duidelijke vragen waarop je partner straks een antwoord moet vinden. Stel twee gesloten en drie open vragen. Opgelet: het antwoord moet je niet noteren! Dat laten we straks met veel plezier aan je partner over.

1 ? antwoord:

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 1

43


44

Tijd voor Taal accent

2 ? antwoord:

3 ? antwoord:

4 ? antwoord:

5 ? antwoord:

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 1


NA

Tijd voor Taal accent 4 Kon je de tekst goed volgen? ja nee

eigen invulling Even de spreker evalueren!

Werd er lang genoeg gewacht bij een punt of komma? ja nee

Hoe is een verhaal of tekst opgebouwd? We houden er niet van als iemand iets schrijft zonder inleiding en zonder slot. (Zoals we er ook niet van houden als iemand zomaar met de deur in huis valt.) Daarom begint elke goede tekst met een inleiding. Zo kom je al een beetje te weten waar de tekst over zal gaan. Het midden van de tekst is het belangrijkste deel van het verhaal. Met het slot neemt de schrijver afscheid. Zo is zijn tekst mooi afgerond. 5 Heb je nog wat tijd over? Kleur dan in deze e-mail de inleiding groen, het midden geel en het slot blauw.

Hoi oma Lang geleden! Gaat alles goed met je? Hoe was jullie vakantie aan zee? Het weer was vast erg mooi. Jammer dat we dit jaar niet konden langskomen. Volgende week ben ik jarig. Heb je zin om dan mee te komen feesten? We eten kippenbilletjes, mmmm ... Ik kijk er al naar uit om je weer te zien! Tot mails! Veel groetjes aan opa! Leon

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 1

45


46

Tijd voor Taal accent Les 2a: Nooit te oud om te leren

Je leert de juiste illustratie aan het juiste nieuwsbericht koppelen. Je leert vraagjes over de beluisterde berichten beantwoorden.

1

Beluister de nieuwsuitzending. Schrijf het nummer van het nieuwsbericht onder de tekening die erbij past.

1

3

2 Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 2a


Tijd voor Taal accent 2

Beantwoord de vragen. Op kamers bij een bejaarde Mijn moeilijke woorden:

Noem twee voordelen van ‘op kamers gaan’ bij een bejaarde. 1 2

Het is veel goedkoper. Je komt in een gezellige omgeving terecht.

Waar of niet waar? Zet een kruisje. Meer dan 200 studenten zijn al op kamers bij bejaarden.

waar

niet waar

X X

De studenten moeten elke zaterdag mee spelletjes spelen. Studenten kunnen hun kamer naar eigen smaak inrichten.

X

De deur van de kamer moet altijd op slot.

X

Bejaarden spelen elke zaterdag mens-erger-je-niet.

X

Verslaafd aan studeren Mijn moeilijke woorden:

In welke stad gaat Marie-Hélène naar de universiteit?

in Gent Wat was de grote droom van Marie-Hélène?

Haar droom was onderwijzeres worden. Waarom kon ze die droom niet waarmaken?

Omdat ze moest gaan werken toen haar moeder ziek werd. Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 2a

47


48

Tijd voor Taal accent Wanneer besliste ze om opnieuw te gaan studeren?

Toen haar pensioen naderde. Bedenk zelf een nieuwe titel voor dit nieuwsbericht.

eigen invulling 102-jarige mag eindelijk naar de eerste kleuterklas. Mijn moeilijke woorden:

Jij bent de schepen van onderwijs. Ga langs bij Jozef en leg hem uit hoe het misverstand kon gebeuren.

De computer hield enkel rekening met de laatste twee cijfers van je geboortejaar. Zo kwam je bij peuters uit het geboortejaar 2009 terecht.

3

Dit kun je ook! Over wie gaat het? Kruis aan.

jonge student

eenzame bejaarde

Jozef

Het was mijn droom om onderwijzeres te worden. Je komt over het algemeen terecht in een gezellige, warme omgeving.

MarieHélène X

X

Hij heeft van alle basisscholen in zijn dorp een brief gekregen.

X

Ik begeleid tot vier keer per jaar groepsreizen in China.

X

Ze zullen het op prijs stellen als je je avond eens opoffert om mee te spelen.

X

De kamer die je krijgt, kun je naar eigen smaak inrichten.

X

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 2a


Tijd voor Taal accent 4 Kies vier woorden uit jouw woordenbalkjes en zoek de betekenis op in het woordenboek.

eigen invulling

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 2a

49


50

Tijd voor Taal accent Les 2b: Vraag maar raak!

VOOR

Je leert geschikte vragen stellen om informatie te verkrijgen. Je leert om in een interview korte en duidelijke antwoorden te geven.

eigen invulling

Kies een geschikte persoon om te interviewen. Er is slechts één voorwaarde. De persoon moet ouder zijn dan 50 jaar. Verder ben je helemaal vrij: je oma? je opa? je buurvrouw? Het kan allemaal. naam van de geïnterviewde persoon:

naam van de interviewer:

Omcirkel wat juist is of vul aan. De persoon die ik interview, is mijn oma – opa – buurman – buurvrouw –

Stel deze vragen en schrijf de antwoorden meteen op. 1 Hoe oud ben je?

2 In welke stad/gemeente woon je?

3 Wat zijn je hobby’s?

4 Wat is je lievelingseten?

5 Heb je kleinkinderen? Hoeveel?

6 Hou je van wandelen? Waarom wel/niet?

7 Werk je nog? (Zo ja: wat is je beroep? Zo nee: sinds wanneer ben je met pensioen? En wat was je beroep?)

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 2b


Tijd voor Taal accent Welke vragen zou je nog willen stellen? Verzin er drie. Schrijf ook deze antwoorden meteen op.

eigen invulling 1 ?

2 ?

3 ?

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 2b

51


52

Tijd voor Taal accent Les 3: Krasse knarren

Je oefent op het lezen van tabellen, grafieken en diagrammen. Je leert gegevens alfabetisch (of anders) ordenen. Je schrijft een brief naar een bejaarde.

Davids Descamps Goffin Goosens Goossens Jaspers Loriers Moerdijk Moeremans Philips Sels Sels Thomas 2

voornaam

Roza Wannes Robert Ferre Felix Bob Antonia Berthe Millie Catherine Charles Gusta ' Renee

Maak een top 5 van de oudste bewoners. 1 2 3

Catherine Philips Antonia Loriers Bob Jaspers

4 5

verklaring van de tekens

typisch

kenmerkend, karakteristiek

1 Maak een aanwezigheidsregister. Rangschik de bewoners in alfabetische volgorde. Begin met de achternaam. Vul daarna de andere gegevens aan. naam

de legende

leeftijd

88 86 83 79 91 92 95 86 90 96 90 92 87

bezoekers deze week 4 5 9 2 0 3 1 4 0 4 5 2 1

Gusta Sels Felix Goossens

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 3


Tijd voor Taal accent 3 Een groepje bejaarden speelt bowling op de Wii. Kleur hun scores in het staafdiagram. 122 120 118 116 114 112 110 108 106 104 102 100 98 96 94

Ferre

Wannes

Antonia

Roza

4 Het taartdiagram geeft het aantal kleinkinderen weer van de groep Krasse Knarren. Zoek in je taalboek hoeveel bejaarden tot elke categorie behoren. Kijk naar het voorbeeld. 0 tot 3 kleinkinderen: 4 tot 6 kleinkinderen: 7 tot 9 kleinkinderen: 10 tot 12 kleinkinderen:

3 4 5 1

bejaarde(n) bejaarde(n) bejaarde(n) bejaarde(n)

10 – 12 0–3

7–9 4–6

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 3

53


54

Tijd voor Taal accent 5

Maak een lijngrafiek die weergeeft hoeveel bezoekers elke bewoner deze week kreeg. Je vindt het aantal bezoekers in oefening 1. Schrijf eerst onderaan de voornamen van de bewoners.

Roza Wannes Robert Ferre Felix Bob Antonia Berthe Millie Catherine Charles Gusta ' Renee

10 9 8 7 6 5 4 3 2 1

6

Weet je ook het antwoord op deze vragen? Wie was er deze week jarig, denk je?

Robert Waaruit leid je dat af?

Hij kreeg het meeste bezoek. Bij wie zou jij graag eens op bezoek gaan? Waarom?

eigen invulling

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 3


Tijd voor Taal accent 7 Zoek in de tabel bij oefening 1 welke oudjes deze week geen bezoek kregen. Schrijf hen een brief. Of misschien ken je zelf een oudere persoon waar je met plezier een brief naar stuurt? Dat is natuurlijk eens zo leuk!

eigen invulling

Schrijf hier je brief in het klad.

,

Klaar? Controleer en kruis aan als het in orde is, of verbeter indien nodig. Ik heb bij het schrijven gelet op Ik heb alle eigennamen met een hoofdletter geschreven. Mijn brief heeft een inleiding, een midden en een slot. Vraag een lijntjesblad aan je juf of meester en schrijf je brief netjes over. Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 3

55


56

Tijd voor Taal accent Les 4: Betekenissen

Je oefent allerlei leerstof over ‘betekenissen’ verder in.

1

Verbind elke tekstballon met de juiste persoon. Let vooral op de lichaamstaal. Hebben jullie die sneeuwpop zelf gemaakt? Onvoorstelbaar! Wat een knappe prestatie!

2

eigen invulling

Altijd maar dat regenweer. Een punthoofd krijg ik ervan. Nu ben ik het echt wel beu!

Wat heb jij gedaan? Een snoepje gestolen? Dat meen je niet! Hoe durf je zoiets te doen!

Wat zou het jongetje zeggen? Schrijf het antwoord in de tekstballon.

eigen invulling

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 4


Tijd voor Taal accent 3

Lees de tekst aandachtig.

WOON- EN ZORGCENTRUM

Krasse Knarren WIE KAN BIJ ONS TERECHT? Woon- en zorgcentrum (WZC) Krasse Knarren biedt zorgbehoevende bejaarden hulp bij dagelijkse handelingen zoals wassen, koken, poetsen en eten. Ze krijgen er de zorg die ze nodig hebben. Ook ouderen met een beperkte mobiliteit of aandoening zoals dementie, reuma of artritis kunnen bij ons terecht. EEN AANGENAAM WOONKADER Krasse Knarren wil een 'nieuwe thuis' zijn waar bewoners op een aangename wijze hun laatste levens­ jaren kunnen doorbrengen. Wij willen in niets lijken op een ziekenhuis. We maken het verschil door veel comfort en een huiselijk kader. Dat merk je aan de warme kleuren, gezellige living met open haard en parketvloeren, sfeervol meubilair en een fraaie afwerking. Omdat er slechts één bouwlaag is, komt er ook veel natuurlijk licht binnen. Krasse Knarren telt 85 apparte­ mentjes die zijn opgedeeld in drie afzonderlijke delen. Het leven vindt plaats op kleine schaal omdat de bewoners per vijftien woonkamers een vaste personeelsequipe krijgen

toegewezen. Op diverse plaatsen zijn ruime zithoeken ingericht waar de bewoners elkaar of bezoekers kunnen ontmoeten. Het rusthuis is uitgerust met een heleboel aangepaste voorzieningen zoals een snoezelkamer, kapsalon, beautyruimte, kinelokalen, een kapel en een cafetaria. De binnentuinen zijn rolstoeltoegankelijk. De individuele kamers hebben een oppervlakte van 24 m² en kunnen gedeeltelijk worden uitgerust met eigen meubels. Ze beschikken alle­ maal over een bed, een toilet met douche, een koelkast, telefoon, tv- en internetaansluiting. Sommige kamers geven uit op de straat, andere op de binnentuin.

Even herhalen! Wanneer je een woord niet helemaal begrijpt, kun je de betekenis op verschillende manieren te weten komen.

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 4

57


58

Tijd voor Taal accent Zoek de betekenis van deze woorden door:

afleiden

1 Als iets je afleidt, moet je er steeds aan denken. Je vergeet waar je mee bezig bent. 2 Afleiden betekent ook: besluiten, bv. Papa kon uit de punten afleiden dat Ariana niet voldoende gestudeerd had.

- ze te vragen aan iemand die je kent. dementie:

ziekte, vooral bij oudere mensen, waardoor je veel vergeet snoezelkamer:

ruimte waar je heerlijk kunt relaxen - ze in stukjes te verdelen en te analyseren. zorgbehoevend:

wanneer je zorg nodig hebt rolstoeltoegankelijk:

aangepast aan of toegankelijk voor rolstoelgebruikers - ze af te leiden uit de context. aandoeningen:

ziektes voorziening:

aanbod, iets dat voorzien wordt - ze op te zoeken in het woordenboek. artritis:

ziekte waardoor je gewrichten ontsteken equipe:

ploeg Zijn er nog woorden die je niet begrijpt? Schrijf ze hier en zoek hun betekenis op.

eigen invulling

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 4


Tijd voor Taal accent 4

Vul de boven- of onderliggende begrippen aan. dagelijkse handelingen

wassen koken poetsen eten

aandoeningen

aangepaste voorzieningen

dementie

snoezelkamer kapsalon beautyruimte kinelokaal kapel cafetaria

reuma artritis

5 Geef een synoniem. Je vindt de woorden terug in de tekst. een manier een living schoonmaken verschillende luxe apart

wijze woonkamer poetsen diverse comfort afzonderlijk

6 Noteer het tegengestelde. Je vindt de woorden terug in de tekst. gesloten weinig volledig wisselende gemeenschappelijk krap

open veel gedeeltelijk vaste individueel ruime

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 4

59


60

Tijd voor Taal accent 7 Lees wat deze oudjes en jochies zeggen. Bedoelen ze dat letterlijk of figuurlijk? Ik ben echt moe. Hopelijk kan ik vannacht goed slapen.

Mijn papa is heel erg sterk. Hij kan mij gemakkelijk optillen!

Ik ben zo trots op mijn kleinkinderen. Mijn neus gaat ervan krullen.

letterlijk

letterlijk

figuurlijk

Kun je de figuurlijke uitspraak ook uitleggen?

Het betekent dat je ergens heel trots op bent. 8 Welk spreekwoord past bij welke situatie? Schrijf het juiste nummer bij elke situatie. Kies uit: 1 het kind bij zijn naam noemen 2 oude koeien uit de gracht halen 3 jong geleerd is oud gedaan

4 alles bij het oude laten 5 een kinderhand is gauw gevuld 6 het kind met het badwater weggooien

O jee. Zo meteen gaat oma wéér vertellen over die keer dat ik zo zeurde.

Papa had geen tijd om een souvenir te kopen. Cas was al lang blij met een zoen.

Felix kleurde buiten de lijntjes. Hij versnipperde dan maar de hele tekening.

Als kind was Tim ook al een waterrat. Misschien is hij daarom nu zwemkampioen.

“Luister”, zei opa duidelijk. “Dat feest gaat niet door. Ik heb er gewoon geen zin in.”

Leve grijs! Na lang twijfelen besloot oma haar haren toch niet blond te verven.

2

3

5

1

6

4

Gelukt? Wow! Jij bent hier duidelijk voor in de wieg gelegd! Daarmee bedoelen we:

dat het echt iets voor jou is. Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 4


Tijd voor Taal accent Les 5: Malika en de stofmonsters

Je staat opnieuw stil bij de verhaallijn en bij de eigenschappen van de personages.

1

2

iemand overtuigen

Lees het verhaal in je taalboek op blz. blz. 33 – 37. Lees dan de tekst in de tekstballonnen. Wie heeft het bij het rechte eind? Kleur die tekstballon groen.

iemand iets doen geloven

Sinds opa doodging, weet oma zich geen raad meer. Ze is altijd bang, voelt zich alleen en doet niets anders dan poetsen. Ze is van plan om naar Marokko te verhuizen. Daar woont haar familie.

Malika en Farida zijn beste vriendinnen. Samen proberen ze oma ervan te overtuigen dat ze een computer met internet nodig heeft. Zo kan ze online karate leren.

Nu opa dood is, voelt oma zich vaak alleen. Malika houdt oma vaak gezelschap en spoort haar aan nieuwe dingen te leren en te ontdekken. Dat is niet altijd makkelijk. Gelukkig helpt Farida oma te overtuigen.

Oma poetst en poetst. Dat deed ze vroeger ook al. Maar sinds opa dood is, kan ze er niet meer mee stoppen. Het liefst stoft ze af en dweilt ze. Stofzuigen en ramen lappen, daar houdt ze niet zo van.

Hieronder staat telkens een gevolg. Ga in de tekst op zoek naar de oorzaak. Ik begrijp mijn familie niet zo goed, omdat

ze een andere taal spreken.

In de auto zijn mijn broers doodstil, omdat

ze op hun PSP spelen.

mama heel hard huilde en regelmatig in een zakdoek snoot. Oma doet geen benzine in de auto, omdat ze geen rijbewijs heeft. Alle passagiers staarden ons aan, omdat

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 5

61


62

Tijd voor Taal accent Zoek zelf nog een oorzaak of gevolg in de tekst.

3

eigen invulling

Wat kun je vertellen over de familie van Malika? Noteer minstens vier feiten.

eigen invulling

1 2 3 4 4

Zoek in de tekst een uitdrukking die hetzelfde betekent. Ze praat over van alles en nog wat.

Ze praat over koetjes en kalfjes. Oma is moeilijker te overtuigen dan opa.

Oma is een veel hardere noot dan opa. Papa zingt vals.

Papa zingt als een jankende kat. Daarvoor heb ik heel lang moeten zeuren.

Daar heb ik een eeuwigheid over moeten zeuren. Nu wordt de echte bedoeling duidelijk.

Nu komt de aap uit de mouw. 5

Zet de zinnen in de juiste volgorde. Wat eerst gebeurt, geef je het nummer 1.

3 4 1 2 5 6

Opa wordt begraven. Malika gaat voor oma naar de supermarkt. Malika krijgt – na lang zeuren – een computer. Opa gaat dood. Farida komt op bezoek. Oma ‘skypet’ met haar familie. Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 5


Tijd voor Taal accent 6

Feit of mening? Zet een kruisje.

FEIT

Als oma danst, lijkt ze wel een rockster.

X

Soms verslikte opa zich. “Dat komt door het stof!”, riep oma.

X

Met skype kun je gratis bellen naar Marokko.

7

X

Een computer heeft internet nodig.

X

Leren in een klas is gezelliger dan online leren.

X

Farida zegt: “Internet heeft heel veel voordelen.” Welke dan? Zoek in de tekst. -

8

MENING

Je kunt naar grappige filmpjes kijken. Je kunt Nederlands leren. Je kunt karate leren via internet. Je kunt de hele dag gratis bellen naar Marokko.

De schrijver van de tekst, Fikry El Azzouzi, wil een stripverhaal van het verhaal maken. Kies een geschikt fragment en help hem op weg.

eigen invulling

Vind je dit leuk? Ga dan nog even verder met je (strip)verhaal!

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 5

63


64

Tijd voor Taal accent Les 7: Vraag? Mededeling. Bevel!

Je leert verschillende soorten zinnen herkennen en gebruiken.

Ken jij deze vier soorten zinnen? Eek! Een muis!

Hoe heet jij, muisje?

de uitroep

de vraag

Je herkent een uitroep aan: - de toon - het uitroepteken (in een geschreven tekst)

Je herkent een vraag aan: - de toon - het vraagteken (in een geschreven tekst) Vooraan staat een vraagwoord of persoonsvorm.

Ga weg, muis!

De muis is weg.

het bevel

de mededeling

Je herkent een bevel aan: - de toon - het uitroepteken (soms, in een geschreven tekst) Een bevel heeft meestal geen onderwerp.

Je herkent een mededeling aan: - de toon - de punt (in een geschreven tekst)

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 7


Tijd voor Taal accent 1

Geef de zinnen die bij elkaar horen dezelfde kleur. Welke zinnen bij elkaar horen, beslis je zelf. Je moet je keuze wel kunnen uitleggen.

eigen invulling

2

Vandaag komt opa op bezoek.

Wat ben jij groot geworden!

Hoe gaat het met die kleinzoon van je?

U gaat toch niet weg, mevrouw De Wilde?

Ik kan ze niet uitstaan!

Ik denk dat ik even buiten ga zitten.

Doe niet zo bespottelijk!

Joe kon zijn ogen niet geloven.

Wat kon hij ertegen doen?

Breng hem maar naar voor!

Welke soort zinnen vind je in oefening 1? Schrijf de zinnen op de juiste plaats in het schema.

bevel

Doe niet zo bespottelijk! Breng hem maar naar voor!

uitroep

Ik kan ze niet uitstaan! Wat ben jij groot geworden!

mededeling

vraag

Vandaag komt opa op bezoek. Ik denk dat ik even buiten ga zitten. Joe kon zijn ogen niet geloven. Wat kon hij ertegen doen? Hoe gaat het met die kleinzoon van je? U gaat toch niet weg, mevrouw de Wilde?

Schrijf in elke kolom nog een voorbeeld dat je zelf verzint. Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 7

65


66

Tijd voor Taal accent 3

Bekijk de borden aandachtig. Kruis aan.

Hier geen fietsen plaatsen

mededeling bevel uitroep vraag

Hoe weet je dat?

Omdat de borden zeggen wat je moet (of net niet mag) doen. 4

Schrijf onder elk fragment: uitroep, bevel, mededeling of vraag.

vraag

bevel

uitroep

vraag

uitroep

mededeling

Ga jij akkoord met de mededeling van Jommeke? Waarom wel/niet?

eigen invulling

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 7


Tijd voor Taal accent 5

Lees de volgende situaties. Kies de zin die het best bij de situatie past. Papa en Liv wandelen op straat. Liv let niet goed op en wil net oversteken wanneer er een vrachtwagen in volle vaart komt aangereden. Liv, zou je alsjeblieft even willen uitkijken, liefje? Er komt een vrachtwagen aan, Liv. Kijk uit!

De krokusvakantie staat voor de deur. Juf Dolores zou graag hebben dat de plantjes voldoende water krijgen om de week door te komen. Geef de planten water, Esra! Was er maar iemand die de planten wou water geven. Esra, kun jij misschien de planten nog even water geven?

Hakima babysit op een koppig kleutertje. Wat ze ook probeert, hij doet niet wat ze vraagt. Integendeel. Hij doet – om haar te pesten – altijd net het tegengestelde. Hou daar nu toch mee op! Wil je alsjeblieft stoppen met zo lastig te doen? Loop maar weg en doe vooral niet wat ik vraag! Nu jij! Verzin telkens een zin die bij de situatie past. Het is heet buiten. Je hebt enorm veel zin in ijs. Je hebt het gevoel dat je neervalt als je geen ijsje krijgt. Mama staat in de keuken en de ijsjeskar rijdt net voorbij.

eigen invulling

Hoe luis jij een ijsje af? bevel

uitroep

mededeling

vraag

zin: Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 7

67


68

Tijd voor Taal accent Je broer is een pestkop eerste klas! Hij is je al een half uur aan het kriebelen. Je moet er bijna van huilen. Hij moet nu echt ophouden!

eigen invulling

Met welke zin doe jij je broer stoppen? bevel

uitroep

mededeling

vraag

zin:

Een zin is niet altijd wat hij lijkt. Is dát nu een vraag? Zo lijkt het wel. ✔ Er is een vragende toon. ✔ Er staat een vraagteken. ✔ De persoonsvorm staat vooraan. Toch wil de juf niet dat we antwoorden. Integendeel: ze wil dat we opletten! Dit is dus een bevel. Leuk hé, hoe we met taal spelen? Zelfs een boze juf.

6 Verzin zelf een bevel, maar vermom het als een vraag.

eigen invulling

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 7


3 kg 100 g

Rooskens

Noedels

Esra

Nasr

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 8

Kabongo 53 cm 3 600g

Lili

Souad

/

4 kg

3 kg Lekkers 48 cm 400 g

Aishvini Raystan 50 cm

/

/

Sterckers 52 cm 4 kg

Sid

2 kg 900 g

Stijnen 47 cm

Emme

3 kg

Stuyven

/

naam grootte gewicht Rodenbachlaan 3 2980 Zoersel Reuzenstraat 31 2140 Borgerhout Dodoensstraat 16 9000 Gent Amerikastraat 25 1000 Brussel Klein Achterbroek 7 2600 Berchem Poststraat 9 Kruishoutem Dorpsstraat 1 8420 Klemskerke Rue Nancy 1000 Bruxelles

adres

15-09-2015 �

12-10-2015 �

04-03-2015 �

06-12-2015 �

12-12 -2015 �

04-11-2015 �

01-10-2015 �

23-02-2015 �

geboorte- geslacht datum

1

Daan

voornaam

Tijd voor Taal accent

Les 8: Babyboom! Je leert informatie terugvinden in korte informatieve tekstjes en die informatie vergelijken met andere gegevens. Je staat opnieuw stil bij signaalwoorden.

Lees aandachtig de geboortekaartjes in je taalboek op blz. 38 – 39 en vul het overzicht in.

69


70

Tijd voor Taal accent 2 Ken je de signaalwoorden nog? Ze geven een verband weer. Omcirkel de signaalwoorden. Om welk verband gaat het? Kies uit: tijd – middel – voorbeeld – vergelijking – opsomming – tegenstelling. Geen enkele baby is zo schattig als die van mij. Niemand weet precies wanneer de baby zal ophouden met huilen. Eindelijk! Mama kreeg de baby stil met een tutje. De kindjes hadden leuke namen zoals Finn, Dries, Romy ... De kersverse moeder zag er moe maar gelukkig uit. De baby sliep meteen nadat hij zijn papje op had. Het kleintje eet al groenten zoals worteltjes en witloof.

vergelijking tijd middel opsomming tegenstelling tijd voorbeeld

3 Onderstreep Oncirkel de signaalwoorden de signaalwoorden in deinsms’jes. de sms’jes. Om welk verband gaat het?

oorzaak en gevolg

Kleur in elke sms de oorzaak blauw en het gevolg geel. 1

2

Dag, Levi! Proficiat met de geboorte van Nasr. Het lukt me niet deze week op bezoek te komen omdat ik het druk heb op het werk. Groetjes aan Anna

3

Sid is geboren! Hij is nog een beetje te klein en moet daarom nog even in de warme kamer blijven. xxx Cas

Dag, kleine Lili! Ik kom je morgen pas bewonderen aangezien we vandaag nog aan zee zijn. Alvast veel lieve zoentjes van oma en opa.

Klaar? Vergelijk met iemand die ook klaar is.

Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 8


Tijd voor Taal accent

Wat zijn signaalwoorden ook alweer? Even opfrissen: Signaalwoorden geven een verband weer tussen verschillende zinsdelen, of binnen één zinsdeel. Ze geven structuur aan een tekst. Er bestaan verschillende soorten signaalwoorden. Ze duiden allemaal een verband aan. Een verband dat je nog niet leerde, is de voorwaarde. Een voorwaarde is iets wat nodig is, vóór iets anders kan gebeuren. Bv. Als je een goed rapport hebt, dan krijg je een taartje van papa. (Je krijgt het taartje dus pas als je een goed rapport hebt.) Doe dus maar extra je best! 4

Jij bent nu mama of papa. Vul een gepaste voorwaarde in. Kleur daarna de signaalwoordjes blauw. Als je

eigen invulling

de voorwaarde

iemand die een voorwaarde stelt, stelt een eis. Wat hij eist, moet eerst gebeuren. Anders doet hij niet wat je wilt.

,

dan mag je buiten spelen. Indien je

,

dan mag je langer opblijven. Wanneer je niet

,

dan moet je vroeg naar bed vanavond! Als je nog één keer

,

dan mag je straks niet mee naar de bioscoop. 5

Vul de oorzaak of het gevolg aan. Omdat

eigen invulling

,

huilde de baby een beetje langer dan gewoonlijk. Papa was vergeten luiers te kopen. Daarom

Aangezien de crèche vandaag gesloten was,

Omdat

,

kreeg Finn twee zakjes suikerbonen. Thema 8: Jong geleerd is oud gedaan • Les 8

71


72

Tijd voor Taal accent Les 1: Kranig water

de watersommelier

Iemand die gespecialiseerd is in de smaak van water. Een wijnsommelier komt vaker voor: dat is een wijnkenner.

Je zoekt argumenten en tegenargumenten in teksten.

1

Vandaag ben jij de watersommelier! Proef elk water en kleur de bolletjes die volgens jou passen bij de smaak van het water groen. water 1 zout zacht

het argument

een reden waarom het is zoals jij zegt

eigen invulling

de zegen

het geluk

fris hard

pittig bitter

droog licht

leeg zoet

fris hard

pittig bitter

droog licht

leeg zoet

fris hard

pittig bitter

droog licht

leeg zoet

water 2 zout zacht water 3 zout zacht 2

Welk water vind jij het lekkerst? Omcirkel je keuze. water 1 – water 2 – water 3

3

eigen invulling

Welke argumenten voor water uit flessen kun je uit de tekst van F. Lessenwater halen? 1

Flessenwater is er in allerlei verpakkingen, volgens de trend van het moment.

Flessenwater is gemakkelijk te vervoeren. 3 Je kunt het water in de supermarkt kopen. 4 Je kunt de fles hergebruiken. 5 Een lege fles brengt weinig afval voort. 6 Het is goed voor de gezondheid omdat het veel mineralen bevat. 7 Een flesje water neemt weinig plaats in. 2

4

Welke argumenten voor kraantjeswater kun je uit de tekst van K. Raan halen?

Water is het meest gecontroleerde voedingsproduct. 2 Het is rijk aan calcium en magnesium. .. 3 Het bevat geen bacterien doordat er chloor aan toegevoegd is. 4 Het kost 100 tot 400 keer minder dan flessenwater. 5 Het is in overvloed beschikbaar, je draait gewoon de kraan open. 6 Het is altijd lekker koel. 7 Er zijn geen vrachtwagens nodig, geen verpakkingen 1

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 1


Tijd voor Taal accent Les 2a: De dolfijn VOOR

Je leert belangrijke informatie uit een informatief filmpje halen.

Welke vragen heb jij over dolfijnen?

eigen invulling

1

NA

2 Kreeg je een antwoord op je vragen?

eigen invulling

Antwoord op vraag 1: Antwoord op vraag 2:

Vul het schema aan. FAMILIE VAN DE

tandwalvissen de tuimelaar (de meest bekende dolfijn) BESCHERMING Met

grijs wit

schut kleuren: (bovenaan) en (onderaan)

ADEMHALING

VINNEN

longen

Met hun

blaasgat

sturen snel te zwemmen

- Borstvinnen om te

Bovenaan op hun kop zit een .

JONGEN Voeding?

melk bij de moeder

- Staartvin om

- De rugvin zorgt voor de balans. Wat wil dat zeggen? Kies één antwoord. het evenwicht (om mooi recht te blijven) om op te vallen bij de mannetjes/vrouwtjes om er als een haai uit te zien en andere dieren af te schrikken

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 2a

73


74

Tijd voor Taal accent Les 2b: Een spreekbeurt

Je bedenkt vragen over het spreekbeurtonderwerp van enkele van je medeleerlingen.

1

de notitie

de aantekening

eigen invulling

Dit is het onderwerp van mijn spreekbeurt: Dit willen mijn medeleerlingen over het onderwerp te weten komen: -

? ? ? ? ?

2

Tijdens de spreekbeurt van op deze vragen:

noteer ik de antwoorden

eigen invulling ?

Antwoord:

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 2b


Tijd voor Taal accent

? Antwoord:

? Antwoord:

? Antwoord:

? Antwoord:

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 2b

75


76

Tijd voor Taal accent Les 3: Mijn spreekbeurt gaat over ...

Je leert in een inhoudstafel en een register informatie opzoeken voor je spreekbeurt. de inhoudstafel

Overzicht (vooraan in een boek) van wat je allemaal in een boek kunt vinden.

het register

Lijst (meestal achteraan in een boek) met belangrijke woorden of namen. In een register kun je opzoeken waar een bepaald onderwerp in een boek wordt besproken.

de alinea

Een tekst is verdeeld in alinea’s. Dat zijn de stukjes die op een nieuwe regel beginnen.

Hoe vind ik wat ik zoek in een lange tekst of boek?

VOOR

In een boek of tijdschrift: • Zoek in de inhoudstafel (vooraan). De onderwerpen staan gerangschikt zoals ze voorkomen in het boek. • Zoek in het register (achteraan). De onderwerpen staan alfabetisch gerangschikt.

Ideeën verzamelen

In een tekst: • Lees de eerste en laatste zin van elke alinea (daarin staat meestal de belangrijkste info uit die alinea). • Lees de alinea snel door. Vind je woorden die bij je vraag passen?

Waarover kan ik spreken? Ga op zoek naar deelonderwerpen. Tip 1: ga eens kijken naar de woordspin over de dolfijn. Daar staat een deelonderwerp bovenaan in elk vakje. Tip 2: gebruik de inhoudstafel of het register uit je boek. Daaruit kun je ideeën halen. Schrijf je onderwerp in het midden en schrijf de deelonderwerpen errond. Schrijf bij elk deelonderwerp enkele sleutelwoorden.

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 3


Tijd voor Taal accent

eigen invulling

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 3

77


78

TIJDENS

Tijd voor Taal accent Middelen kiezen

Welke middelen kies ik?

eigen invulling

- Zoek ik foto’s uit een boek of op het internet? - Maak ik een tekening om iets duidelijker te maken? - Zijn er voorwerpen die ik kan meebrengen? - Kan ik een powerpointpresentatie maken? Schrijf je middelen hieronder. -

Inhoud vastleggen

Wat wordt het?

eigen invulling

Stop in je spreekbeurt één weetje dat NIET waar is. Probeer dat zo onopvallend mogelijk te doen. Je medeleerlingen proberen het te ontdekken tijdens je spreekbeurt.

Leg de inhoud van je spreekbeurt nu vast. Maak op een apart wit blad opnieuw een woordspin. Schrijf alle deelonderwerpen op met daarbij de belangrijkste woorden. Houd de woordspin tijdens je spreekbeurt bij de hand!

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 3


Tijd voor Taal accent Les 4: De kikkerkoning

J e leert dat sommige zinnen zeggen wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt en dat in andere zinnen staat hoe of wat het onderwerp is of wordt.

1

Schrijf de zinnen in de juiste kolom. Het prinsesje zit graag bij de vijver. Ze speelt met haar gouden bal. Het prinsesje is verdrietig. De prinses wil niet met zo’n vieze kikker aan tafel. Het prinsesje doet de deur open. De prinses is een beetje ongeduldig.

Wat het onderwerp doet ... (het prinsesje – de prinses – ze)

Het prinsesje zit graag bij de vijver. Ze speelt met haar gouden bal. Het prinsesje doet de deur open. De prinses wil niet met zo’n vieze kikker aan tafel.

Wat het onderwerp is ... (het prinsesje – de prinses – ze)

Het prinsesje is verdrietig. De prinses is een beetje ongeduldig.

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 4

79


80

Tijd voor Taal accent 2

3

Doe nu hetzelfde voor de dolfijn en je juf of meester.

eigen invulling

Wat de dolfijn doet ...

Wat de dolfijn is ...

Wat de juf of meester doet ...

Wat de juf of meester is ...

En nu met deze tien zinnen! Ik zit in bad. Grote zus drinkt een glas water. Papa doet de vaat. Hij is een flinke huisvader. Opa heeft dorst. Hij zit in de zetel. Kleine zus speelt op de trap. De hond is lui. Mama stopt de vuile was in de trommel. Het water van het zwembad is koud. Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 4


Tijd voor Taal accent Wat het onderwerp doet ...

Wat het onderwerp is ...

Ik zit in bad.

Hij is een flinke huisvader.

Grote zus drinkt een glas water. Papa doet de vaat.

De hond is lui. Het water van het zwembad is koud.

Opa heeft dorst. Hij zit in de zetel. Kleine zus speelt op de trap. Mama stopt de vuile was in de trommel.

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 4

81


82

Tijd voor Taal accent Les 5: Hoog water

Je maakt opdrachten bij een verhaal door de gepaste woorden uit een zoekraster te halen.

1

Kleur één woord dat volgens jou het best bij regen past. Zoek zelf nog twee woorden.

eigen invulling

paraplu

druppels

koud

plassen

overstroming

regenboog

nat

gezellig

wolken

2

springen

Zoekraster HOOG WATER weglopen

spanning

diefstal

achterlaten

blijdschap

vakantie

verdrinken

dijkbreuk

overstroming

verdriet

reddingsboot

ruzie

vertrekken

zinken

gevaar

verbazing

veilig

voor altijd

kiezen

weg

druk

opluchting

gewoon

verrassend

herkenbaar

vervelen

interessant

verhuizen

zenuwachtig

ontroerd

grappig

moeilijk

1 Zoek in het zoekraster een woord dat past bij:

bijvoorbeeld verdrinken, verdriet, reddingsboot, gevaar

- het begin van dit fragment.

- het midden van dit fragment.

achterlaten, vertrekken

- het einde van dit fragment.

spanning, veilig

2 Zoek in het raster drie woorden die volgens jou het beste bij het verhaal passen.

bv. dijkbreuk, overstroming, achterlaten

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 5


Tijd voor Taal accent Zoek in het raster drie woorden die niet bij het verhaal horen.

bv. diefstal, blijdschap, ruzie

3 Zoek in het raster twee woorden waarvan je vindt dat ze in het verhaal erg goed bij elkaar horen.

bv. dijkbreuk, achterlaten

Waarom?

Omdat Emiel en zijn familie door de dijkbreuk hun huis moeten achterlaten.

4 Zoek in het raster een woord dat past bij:

kiezen Kevin weg mama verdriet papa zenuwachtig Emiel

bijvoorbeeld

5 Zoek in het raster een woord dat past bij jouw gevoel bij het verhaal. Waarom?

eigen invulling

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 5

83


84

Tijd voor Taal accent Les 6: Mijn spreekbeurt

VOOR

Je leert een spreekbeurt houden. Je leert aandachtig luisteren naar de spreekbeurt van anderen. Je leert je medeleerlingen beoordelen met een kijk- en luisterkaart.

1 Taakverdeling Wie houdt zijn/haar spreekbeurt?

Wie beantwoordt de vragen op blz. 74 - 75?

eigen invulling Wie vult de kijk- en luisterfiche in? vraag 1, 2, 3: vraag 4, 5, 6: vraag 1, 2, 3: vraag 4, 5, 6: vraag 1, 2, 3: vraag 4, 5, 6: vraag 1, 2, 3: vraag 4, 5, 6: vraag 1, 2, 3: vraag 4, 5, 6:

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 6


TIJDENS

Tijd voor Taal accent 2 Kijk- en luisterfiche

eigen invulling

1 Gebruikt de spreker moeilijke woorden? Welke? 2 Praat de spreker voldoende luid en duidelijk? 3 Kijkt de spreker te veel op het blad met de woordspin (zo veel dat het stoort)? 4 Heeft de spreker voldoende illustraties bij? 5 Kijkt de spreker je soms aan?

NA

6 Vond je het onderwerp interessant? Waarom wel/niet? 3 Fiche zelfevaluatie

eigen invulling

1 Heb ik gezegd wat ik wilde? Ben ik niets vergeten?

2 Wat heb ik goed gedaan?

3 Wat moet ik de volgende keer beter doen?

4 Welke reacties heb ik gekregen?

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 6

85


86

Tijd voor Taal accent Les 7: Een watercontract

Je denkt na over de betekenis van de informatie die gegeven wordt in andere zinsdelen.

in de pletsende regen een gebakken vis

garnalen.

een verhaal

Een domme goudvis

De visser

maakt

vangt

De directeur

Een trage schildpad

vertelt

onderwerp

kust

elke morgen

met veel plezier

Wat? Hoe?

Wat doet het onderwerp? (werkwoord)

Wanneer?

eigen invulling

op de speelplaats.

Maak de zinnen in de tabel af. Je moet minstens vier kolommen invullen.

Waar?

1

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 7


Tijd voor Taal accent 2

Lees deze zinnen. 1

ezon Vissersboot g 2

ken

Kust verwa

cht toeloo

p

3

Grootste cruiseschip in Antwerpen 4

ekt

d Nieuwe vis ont 5

6

Schip verliest olie

Vorst doet boot zin

ken

Het zijn krantenkoppen. Begrijpen jullie ze? Raad wat er in de berichten staat die met deze krantenkoppen worden aangekondigd. 1

eigen invulling

2 3 4 5 6

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 7

87


88

Tijd voor Taal accent 3

4

Vul elke krantenkop aan zodat de lezer meer informatie krijgt. Antwoord daarbij op vragen als: Wat? Waarmee? Hoe? Waarom? Waar? Wanneer? 1

bv. voor de kust van Oostende

2

bv. in het paasweekend

3

bv. tot eind dit jaar

4

bv. in de Atlantische Oceaan

5

bv. na de botsing

6

bv. in ijskoud kerstweekend

eigen invulling

Zoek in kranten een drietal krantenkoppen. Kleef ze hieronder en geef onderaan wat meer informatie. Denk aan de W-vragen. Krantenkop 1

Meer informatie:

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 7


Tijd voor Taal accent Krantenkop 2

Meer informatie:

Krantenkop 3

Meer informatie:

5

Bedenk zelf twee krantenkoppen over dingen die onlangs in je klas of op school zijn gebeurd. Schrijf er een kort artikel bij. Krantenkop:

Krantenkop:

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 7

89


90

Tijd voor Taal accent Les 8: Drinken vissen water? VOOR

Je schrijft een informatieve tekst over de spreekbeurt van een medeleerling.

Opdracht verwoorden

Wat was het schrijfdoel van het tekstje ‘Drinken vissen water'? Kleur het juiste bolletje groen.

TIJDENS

amuseren: de lezers vermaken door iets leuks te vertellen informeren: de lezers uitleggen hoe iets in elkaar zit overtuigen: de lezers van een mening overtuigen activeren: de lezers aanzetten om iets te gaan doen Uitschrijven

Ga terug naar blz. 74 - 75. Daar vind je de vragen en de antwoorden die je tijdens de spreekbeurt noteerde. Maak er een boeiende tekst van. Schrijf je tekst hieronder in het klad.

eigen invulling

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 7


Tijd voor Taal accent

NA

Ben je klaar met je kladversie? Lees dan dit. Na het schrijven herlees ik mijn tekst. Deze keer let ik extra op de vorm en de bladschikking. • Hoe wil ik de titel schrijven? (Waar, met welke letters ...) • Hoe vorm ik de alinea’s? • Waar wil ik illustraties invoegen? • ...

Op alle vragen een antwoord gevonden? Aan de slag dan! Schrijf je tekst netjes over, en maak er een prachtwerk van!

Evaluatie: nakijken en verbeteren

Kijk na en verbeter indien nodig. Ik lees mijn tekst na. Ik let daarbij op schrijffouten. Ik denk aan de spellingregels die ik tot nu toe al ken. Als ik twijfel over de schrijfwijze van een woord, zoek ik het op in het woordenboek of op internet. Bij het nalezen let ik ook op de zinnen. Is elke zin goed te begrijpen? Ik heb gezorgd voor een titel en verschillende alinea’s. Mijn tekst staat niet te dicht op elkaar. Ik heb belangrijke woorden onderstreept of in kleur gezet. Ik heb gezorgd voor duidelijke illustraties. Ze staan op de juiste plaats. Ik schrijf heel mooi. Alles oké? Schrijf je tekst dan mooi en foutloos over op een lijntjesblad. Je leerkracht zal hem ophangen in de klas. Bekijk ook de werkjes van je klasgenoten. Hoe hebben zij het aangepakt?

Thema 9: Drink water of je krijgt een droge mond! • Les 8

91


92

Tijd voor Taal accent Les 1: Pretparken van overal

Je vindt de belangrijkste informatie in korte teksten terug. Je leert over het verschil tussen feit en mening.

1

Lees de teksten in je taalboek op blz. 57 - 60 en vul aan.

Belantis Duitsland

naam pretpark:

naam pretpark:

land:

land:

Wat is er zo speciaal aan?

een wildwaterbaan uit een piramide Wat is Marcs mening over het pretpark?

Het is er leerrijk.

Ferrari World Verenigde Arabische Emiraten

Japan

Wat is er zo speciaal aan?

Alles draait rond Hello Kitty en haar vriendjes. Wat is Marcs mening over het pretpark?

Hello Kitty is meer voor meisjes dan voor jongens.

Bonbonland Denemarken

naam pretpark:

naam pretpark:

land:

land:

Wat is er zo speciaal aan?

Je vindt er de snelste achtbaan ter wereld. Wat is Marcs mening over het pretpark?

De achtbaan is voor hem iets te snel.

Harmonyland

Wat is er zo speciaal aan?

Alle attracties zijn er kleurrijk, grappig en vrolijk. Wat is Marcs mening over het pretpark?

Het is minder geschikt voor kinderen ouder dan tien jaar. Thema 10: Ei-land • Les 1


Tijd voor Taal accent

Everland Zuid-Korea

Six Flags Verenigde Staten

naam pretpark:

naam pretpark:

land:

land:

Wat is er zo speciaal aan?

Wat is er zo speciaal aan?

een pratende olifant Wat is Marcs mening over het pretpark?

de hoogste rollercoaster Kingda Ka Wat is Marcs mening over het pretpark?

De olifant is wat overroepen.

De rollercoaster heeft vaak panne.

Tivoli Gardens Denemarken

naam pretpark: land:

Wat is er zo speciaal aan?

Het blijft open tot 12 uur ’s nachts, het is er sprookjesachtig mooi ... Wat is Marcs mening over het pretpark?

Vooral het vuurwerk is de moeite. Thema 10: Ei-land • Les 1

93


94

Tijd voor Taal accent 2

Vul de tabel in. Welk pretpark is het leerrijkst?

Belantis Waarom?

Je kunt er veel leren over landen en hun geschiedenis.

Welk pretpark zal bij jonge kinderen het meest aanspreken?

Bonbonland Waarom?

De attracties zijn kleurrijk, grappig en vrolijk. Ze zijn gericht op kinderen jonger dan tien jaar. eigen invulling Welk pretpark lijkt je het gezelligst? Waarom?

eigen invulling Welk pretpark lijkt je het leukst? Waarom?

Thema 10: Ei-land • Les 1


Tijd voor Taal accent Les 2: Klopt die kop wel?

de nocturne

Je leert nadenken over de betekenis van de informatie die gegeven wordt in andere zinsdelen dan het onderwerp en de persoonsvorm.

avondopening

het voorval

een gebeurtenis die vaak onverwacht of ongewoon is

Kust en pretparken verwachten

veel volk

in pinksterweekend

In Plopsaland verwachten ze de komende week een gezellige drukte. Het pretpark rekent dankzij het mooie weer op achtduizend bezoekers per dag. Ook Bellewaerde in Ieper verwacht veel volk. Het pretpark werd in een lentekleedje gestopt. Er zijn overal perkjes met bloeiende tulpen, dansoptredens van bloemenmeisjes, nocturnes met vuurwerk en voor de gelegenheid is er een lentezoektocht. Ook aan de kust wordt het druk. Alle hotels en vakantiecentra zitten zo goed als vol. Welk zinsdeel in de rest van de zin geeft een antwoord op de vraag: Vertel eens: waar was het? Hoe? Met wie? Wanneer?

• (aan/voor) wie? • hoe? • wanneer? • waar? • waarom? • ...

Een zin zegt altijd wat of wie iemand is of doet. Een zin kan ook extra informatie bevatten. Die informatie staat in een zinsdeel. Bv. Ik heb gisteren bij onze buren goed voor de baby gezorgd omdat ... 1

Wanneer?

Waar?

Hoe?

Voor wie?

Waarom?

Lees deze twee krantenartikels. Vul de krantenkop aan. Voedselvergiftiging velt

vier studenten

Vier studenten hebben een voedselvergiftiging opgelopen in het pretpark Kriebelland. De studenten aten 's middags hamburgers bij het restaurant ‘Lekkere Pret’, naast de achtbaan ‘Koprollen maar’. Een paar uur later begon de ellende. Mike L. (18) is één van de slachtoffers. "We hebben last gehad van diarree en van pijn en krampen in de buik", laat Mike aan ons weten. “Schandalig dat Kriebelland dit soort eten durft verkopen. Als ik iets bestel, ga ik er gewoon van uit dat het goed is." Alle zestig studenten van de groep brachten een bezoek aan het park. Zij kregen allemaal een bonnetje voor een hamburgermenu. Volgens Mike is het dus goed mogelijk dat er meer mensen ziek zijn geworden. Bij Kriebelland was er niemand aanwezig die op het voorval kon reageren.

Thema 10: Ei-land • Les 2 95


hun leven

Steilste achtbaan ter wereld geeft twee bezoekers

de schrik van

Twee waaghalzen kregen even de schrik van hun leven toen ze een ritje maakten met de Jumbo High, ’s werelds steilste achtbaan. Ze kwamen namelijk ondersteboven vast te zitten op zo’n 15 meter boven de grond. Een wagentje brengt je 30 meter hoog om vervolgens een duik te maken van 112 graden. Je voelt de kracht die piloten in een gevechtsvliegtuig voelen. Maar gisteren liep het fout met de attractie. Een wagentje kwam vast te zitten op zo’n 15 meter boven de grond. Tot overmaat van ramp hing het karretje ondersteboven. Zo duurde de rit heel wat langer dan de normale duur van een ritje, namelijk 1 minuut en 15 seconden. Pas na 20 minuten konden de waaghalzen door medewerkers van het pretpark worden bevrijd uit hun benarde positie. Ze kwamen er met de schrik vanaf.

96

Tijd voor Taal accent

de benarde positie

wanneer je in moeilijkheden zit

2

Op welke vraag geven de onderstreepte zinsdelen een antwoord? Kleur het juiste bolletje blauw. Vier studenten hebben een voedselvergiftiging opgelopen in het pretpark Kriebelland. Waar? Wanneer? De studenten aten 's middags hamburgers in restaurant ‘Lekkere pret’, naast de achtbaan ‘Koprollen maar’. Waar? Wanneer?

3

Lees de zin. Omcirkel het onderwerp. Zet het werkwoord dat zegt wat het onderwerp doet tussen schuine strepen. Onderstreep het zinsdeel dat een antwoord geeft op de vraag 'Hoe?'. Tot overmaat van ramp hing het karretje ondersteboven.

4

Lees de zin. Omcirkel het onderwerp. Zet het werkwoord dat zegt wat het onderwerp doet tussen schuine strepen. Onderstreep het zinsdeel dat een antwoord geeft op de vraag ‘Wanneer?’. Pas na 20 minuten bevrijdden medewerkers de waaghalzen uit het karretje. Thema 10: Ei-land • Les 2


Tijd voor Taal accent 5

Lees beide verhaaltjes. Vul aan. Tussen haakjes staat waarover het zinsdeel moet gaan.

eigen invulling

Dromen (waar?) zit ik te dromen over de komende vakantie. Wat zal ik tijdens die twee maanden allemaal doen? Ik koop

(wat?). Neen, ik ga liever

(waarheen?) omdat ik dan mijn vrienden zie. Dat is cool! Ik speel

(wat?)

Bij slecht weer ga ik

(waarheen?).

Plots zegt de leerkracht

(waar?).

(hoe?): "Ben je weer aan het dromen?"

Ik antwoord

(hoe?): "Ja, sorry, nog maar pas, ik dacht dat het al (wat?) was!"

Mysterieuze verdwijning Er was eens een oud mannetje dat steeds

(wat?)

(aan wie?) gaf. Iedereen vond het mannetje

(hoe?).

Op een dag was hij verdwenen. De mensen dachten dat hij gestorven was

(waarom?).

Maar dat was niet zo. Hij was

(hoe?) vertrokken

(waarheen?) om andere mensen te plezieren. Wat een vriendelijk mannetje!

6

Goed geluisterd? Vul dan aan. Schrijf tussen haakjes op welke vraag je een antwoord geeft met je aanvulling.

na de zomer ( wanneer ?). Theodor schrikt even wanneer hij Jeppe hoort ( wanneer ?). hoe Mama kijkt verbouwereerd ( ?) toe terwijl Jeppe het Ik denk dat u best eens terugbelt

telefoontoestel in de houder zet. Jeppe komt

nieuwsgierig

(

hoe

?) kijken. Thema 10: Ei-land • Les 2 97


98

Tijd voor Taal accent Les 4: Attracties om te kleuren

Je maakt herhalingsoefeningen over woorden, werkwoorden, zinnen en het gebruik van het woordenboek.

A WERKWOORDEN Het Speeleiland “Finn! Romy! Mama! De zitjes zijn weg!”, roept Jeppe. “Hoezo weg?”, vraagt Romy. “Ik heb ze nochtans goed vastgemaakt”, zegt Finn. “Ja, blijkbaar toch niet goed genoeg. Ze zijn nergens te vinden!” Finn schrikt van Jeppes hevige reactie. “Kom, Romy, we gaan zoeken”, zegt mama. Dat laat Romy zich geen twee keer zeggen. Ze is blij dat ze iets kan doen en dat ze weg kan, want de sfeer tussen Finn en Jeppe is te snijden. “Ik heb al goed gezocht!”, roept Jeppe mama en Romy na. Hij is helemaal over zijn toeren. “Wat is er aan de hand?”, vraagt Theo die op het lawaai is afgekomen. Finn legt uit wat er gebeurd is en vertelt dat Jeppe hem de schuld geeft. Hij heeft blijkbaar de stoeltjes niet goed genoeg vastgemaakt. Theo lacht in zijn vuistje. Hij weet dat de stoeltjes wel goed waren vastgemaakt. Het kostte hem heel wat moeite om ze los te maken en te verstoppen. “Zou jij niet beter naar huis gaan? Mis je je ouders en je andere vrienden niet?” Daarmee raakt Theo een gevoelige snaar bij Finn. Hij mist zijn ouders inderdaad erg. Er blinken tranen in zijn ogen. Wat doet hij hier eigenlijk nog? Hij probeert zijn vriend te helpen en wat krijgt hij? Stank voor dank! Een mooie vriend is dat!

Weet ik nog: - wat de tijd van een werkwoord is? - wat een infinitief is? - of werkwoorden een stam hebben? - of werkwoorden ook een uitgang hebben? - welke werkwoorden van klank veranderen en welke niet? Hoe weet ik dat? Je kunt de taalweters op blz. 118 en 119 nog eens lezen vooraleer je aan deze oefeningen begint. 1

Lees de zin. In welke tijd staat de persoonsvorm? Het kostte hem heel wat moeite om ze los te maken en te verstoppen.

verleden tijd

Thema 10: Ei-land • Les 4


Tijd voor Taal accent 2

a Zet de persoonsvorm in elke zin tussen schuine strepen. b Schrijf achter elke zin de infinitief. c Kleur de stam van de persoonsvorm blauw. d Kleur de uitgang van de persoonsvorm groen.

schrikken blinken missen

Finn schrikt van Jeppes hevige reactie. Er blinken tranen in zijn ogen. Mis je je ouders en je andere vrienden niet? Het kostte hem heel wat moeite om ze los te maken en te verstoppen.

kosten doen

Wat doet hij hier eigenlijk nog? 3

Zet de woorden die in het verhaal in het vet staan op de juiste plaats in de tabel.

wij/we jij

2e persoon

jullie

vertelt zijn

hij, zij, het

3e persoon

4

heb gaan zou

ik

1e persoon

zij/ze

Veranderen deze werkwoorden van klank in de verleden tijd? Omcirkel het juiste antwoord. Het kostte hem heel wat moeite.

ja

nee

Marc schonk Ei-land aan de mama van Jeppe.

ja

nee

Mama voelde zich ellendig.

ja

nee

Thema 10: Ei-land • Les 4

99


100

Tijd voor Taal accent

EVALUEREN

5

Verbeter je oefeningen. Per goed antwoord kleur je één deel van de attractie. Je kunt maximum veertien delen kleuren.

B ZINNEN De Eierdopjes Plots neemt Finn een besluit. Hij wil zo snel mogelijk terug naar huis. Er is maar één iemand die hem daarbij kan helpen: de kapitein. De kapitein graaft nog steeds uit alle macht putten. Hij voelt zijn armen niet meer. Hij is dat harde werk meer dan beu. Hij heeft heimwee naar de zee. En een schat heeft hij ook nog niet gevonden. “Breng me alsjeblieft terug naar huis!”, valt Finn met de deur in huis. De kapitein stopt met graven. “Wat zei je?”, vraagt hij verbaasd. “Ik wil terug naar huis!”, herhaalt Finn. “Ik vind het hier maar niets. Het is onbegonnen werk om het pretpark te herstellen. Ik wil thuis van de vakantie genieten.” “Dat zal niet gaan want ik heb hier nog belangrijk werk te doen”, antwoordt de kapitein. Finn fronst zijn wenkbrauwen. “Heel belangrijk werk”, herhaalt de kapitein. “Zoals putten graven?”, vraagt Finn. “Ik ben op zoek naar een schat. Ik heb hem bijna gevonden.” “Een schat? Hier? Hier is helemaal geen schat! Wie heeft je dat wijsgemaakt?", lacht Finn. “Jullie zeiden dat, op de boot?” Finn begint onbedaarlijk te lachen. “Als het pretpark af is en er komen veel mensen, dan hoopten we schatrijk te worden. Wij hebben nooit over een schat gepraat.” De kapitein denkt even na. Of hij het helemaal begrijpt, weet Finn niet, maar alleszins is hij ontgoocheld. “Als hier geen schat ligt, wat doe ik hier dan nog? Kom, jongen, ik zal je naar huis brengen. Mij zien ze hier ook nooit meer terug! Wat een verloren tijd!” Finn vraagt aan de kapitein of hij aan de anderen wil vertellen dat zij vertrekken. Thema 10: ?Ei-land • Les 4


Tijd voor Taal accent

Weet ik nog: - dat er verschillende soorten zinnen zijn? - wat een zin is? - hoe ik de persoonsvorm en het onderwerp vind? - wat je in een zin nog kunt zeggen? Lees de taalweters op blz. 119, 120 en 121 nog eens vooraleer je aan deze oefeningen begint.

1

2

Onderstreep in het verhaal: één zin die iets meedeelt (mededelende zin) met rood, één zin die iets vraagt (vragende zin) met blauw en één zin die iets beveelt (bevelende zin) met groen.

eigen invulling

Geef deze zinnen leestekens. Zet die jerrycans terug ! Jeppe, Romy en Finn werken ondertussen hard verder . Hoe is het mogelijk?

3

Omcirkel het onderwerp en zet de persoonsvorm tussen schuine strepen. Finn begint onbedaarlijk te lachen. Een schat heeft hij ook nog niet gevonden.

4

Zet deze zinnen in het meervoud. Ik wil terug naar huis.

Wij willen terug naar huis. Hij is dat harde werken meer dan beu.

Ze zijn dat harde werken meer dan beu. 5

Op welke vraag geeft het onderstreepte zinsdeel een antwoord? Kruis aan. Jullie zeiden dat, op de boot? Voor wie? Wanneer? Waar? Wat? Dat zal niet gaan, want ik heb hier nog belangrijk werk te doen. Waarom? Wanneer? Voor wie?

Thema 10: Ei-land • Les 4

101


102

Tijd voor Taal accent

EVALUEREN

6

Verbeter je oefeningen. Per goed antwoord kleur je één deel van de attractie. Je kunt maximum elf delen kleuren.

C WOORDEN (deel 1) Het Roerei De kapitein doet wat Finn hem gevraagd heeft. Finn blijft op de achtergrond. Mama kijkt hem verbaasd aan, Jeppe kijkt nog verbaasder en Romy het meest verbaasd. “En ik dan?”, vraagt ze. “Jij kunt hier blijven als je wilt”, antwoordt Finn. Hij durft niemand aan te kijken. Romy twijfelt. Stiekem is ze verliefd op Jeppe. Maar niemand weet dat en ze wil ook niet dat iemand het weet. Misschien kan ze hier de vonk nog wel doen overslaan. “Ik blijf!”, zegt ze beslist. “Maar ik ga je wel missen!”, voegt ze eraan toe. Ze geeft haar broer een dikke knuffel. “Tot later!” Meer kan Finn niet uitbrengen. Het afscheid pakt hem. Maar voor zichzelf ziet hij geen toekomst meer op Ei-land. “Wacht eens even. Als u nu terugkeert,” richt mama zich tot de kapitein, “hoe geraken wij dan terug op het einde van de vakantie?” “Dan kom ik jullie halen. Tot zolang ga ik proberen nog wat centjes te verdienen. Nu ik niet schatrijk ben.” Jeppe is geschrokken van de beslissing van zijn vriend. Finn wou wel heel snel vertrekken. Hij was daarstraks misschien wel wat te kwaad. Zou Finn alleen daarvoor terug naar huis willen? Finn klonk van in het begin al niet zo enthousiast. Misschien is zo’n avontuur te stresserend voor hem. Jeppe wil zeker niet opgeven. Hij moet de droom van oom Marc waarmaken. Het pretpark zal en moet er komen. Een halfuurtje later zwaaien Finn en de kapitein van op het dek naar de achterblijvers. Wanneer de kapitein enkele uren later in het ruim afdaalt om een jerrycan benzine te halen, stelt hij vast dat er nog maar enkele jerrycans staan. “Potverdorie, Theo heeft die jerrycans toch van mijn boot gehaald! Zo vallen we straks zonder brandstof op volle zee!”


Tijd voor Taal accent

Weet ik nog: - wat zelfstandige naamwoorden zijn? - wat een eigennaam is? - wat een lidwoord is? - wat bijvoeglijke naamwoorden zijn? - wat werkwoorden zijn? - waarom we verkleinwoorden gebruiken? - hoe ik te weten kom of het om één of om meer dan één persoon, dier, plant of ding gaat? - waarom ik moet weten of een woord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is? - wat de trappen van vergelijking zijn? Lees de taalweters op blz. 122 - 125 nog eens vooraleer je aan deze oefeningen begint.

1

In het verhaal staan woorden vetjes gedrukt. Zet ze op de juiste plaats in de tabel. lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord werkwoord

2

de dikke Romy zwaaien

Is dit een eigennaam? ja nee

Zoek in de tekst drie zelfstandige naamwoorden in het meervoud en schrijf ze op.

eigen invulling 3

Vind je ook een verkleinwoord in de tekst?

centjes Waarvoor wordt dit verkleinwoord in het verhaal gebruikt? om iets kleins aan te duiden om iets liefs of gezelligs aan te duiden om te zeggen dat iets niet erg is om te laten voelen dat je iets of iemand niet leuk vindt Thema 10: Ei-land • Les 4 103


104

Tijd voor Taal accent Schrijf een tweede verkleinwoord uit de tekst op.

halfuurtje Waarvoor wordt dit verkleinwoord in het verhaal gebruikt? om iets kleins aan te duiden om iets liefs of gezelligs aan te duiden om te zeggen dat iets niet erg is om te laten voelen dat je iets of iemand niet leuk vindt 4

Vervang in deze zin Romy door haar broer Ruben. Schrijf de zin opnieuw. Romy geeft haar broer een dikke knuffel. Ruben

5

geeft zijn broer een dikke knuffel.

Hij was daarstraks misschien wel wat te kwaad. Maak met het woord 'kwaad' een trap van vergelijking. Schrijf de woorden op de trappen.

kwaadst kwader kwaad

EVALUEREN

6

Verbeter je oefeningen. Per goed antwoord kleur je één deel van de attractie. Je kunt maximum dertien delen kleuren.

Thema 10: Ei-land • Les 4


Tijd voor Taal accent C WOORDEN (deel 2) De Eierdooier Weet ik nog: - wat een samenstelling is? - wat een afleiding is? - wat een voorvoegsel is? - wat een achtervoegsel is? - wat een tegenstelling is? - wat een synoniem is? Lees de taalweters op blz. 125 en 126 nog eens vooraleer je aan deze oefeningen begint.

1 Rangschik de volgende woorden alfabetisch. wenkbrauwen – moeite – snaar – schat

moeite, schat, snaar, wenkbrauwen 2 De kapitein graaft nog steeds uit alle macht putten. Hij voelt zijn armen niet meer. Hij is dat harde werk meer dan beu. Hij heeft heimwee naar de zee. En een schat heeft hij ook nog niet gevonden. Zoek de betekenis van het woord ‘heimwee’ op in het woordenboek.

verlangen om terug te keren 3 Geef vijf woorden die passen bij het begrip gevoelens.

eigen invulling gevoelens

4 Geef een begrip dat past bij al deze woorden: ruim dek mast boeg anker

delen van een schip

5 Geef een synoniem van het woord ‘zitje’:

stoeltje Thema 10: Ei-land • Les 4 105


106

Tijd voor Taal accent 6

Geef een tegenstelling van het woord ‘lawaai’:

7

Maak een afleiding met het woord ‘hand’:

stilte handig

Heb je vooraan iets toegevoegd (voorvoegsel) of heb je achteraan iets toegevoegd (achtervoegsel)? 8

achtervoegsel

Onderstreep in deze zin twee samenstellingen. Finn begint onbedaarlijk te lachen. “Als het pretpark af is en er komen veel mensen, dan hoopten we schatrijk te worden. Wij hebben nooit over een schat gepraat.”

EVALUEREN

9

Verbeter je oefeningen. Per goed antwoord kleur je één deel van de attractie. Je kunt maximum tien delen kleuren.

Thema 10: Ei-land • Les 4


Tijd voor Taal accent Les 5: Saboteurs?!

Je geeft je mening over het verhaal. Je verwoordt waarom iets echt kan gebeuren of niet.

1

Zet de gebeurtenissen uit het verhaal in de juiste volgorde. Wat eerst gebeurt, krijgt het nummer 1.

2 3 1 4 5 2

Jeppe belt met Finn. Ze besluiten een gouden ei als val te plaatsen. Romy maakt een volière, Jeppe een deel van Speeleiland. Finn overtuigt de kapitein om terug te varen. Het eiland staat in brand.

Wie is je favoriete personage in het verhaal? Waarom?

eigen invulling

Welk personage ligt je minder? Waarom?

Wat is een ‘goed’ verhaal? Waarom ween je nu? Ik vind het zo erg voor Madelief!

Dat is een moeilijke vraag. Niet iedereen heeft namelijk dezelfde smaak. Deze vraagjes kunnen je wellicht helpen beslissen: - Leef je mee met wat er gebeurt? - Is het verhaal herkenbaar? - Verrast het verhaal je? - Vind je het boeiend, spannend of grappig? - Raakt het je? - ... Hoe vaker je ‘ja’ antwoordt op deze vragen, hoe beter het verhaal je bevalt. Vorm je eigen mening! Laat je niet door anderen leiden. Ook al vindt de hele wereld een boek slecht, jij mag daar gerust anders over denken.

Thema 10: Ei-land • Les 5 107


108

Tijd voor Taal accent 3

Vind je het verhaal over Ei-land een goed verhaal? Leg uit waarom wel/niet? Maak gebruik van de taalweter hierboven.

eigen invulling

4

Lees de zinnen. Kan dit echt gebeuren? Kruis aan. Leg uit waarom wel/niet. Kan het dat Romy de verzameling kleurrijke vogels zelf vangt?

5

eigen invulling ja

nee

Kan het dat Jeppe en Finn hun ruzie bijleggen?

ja

nee

Kan het dat je een eiland erft van een grootoom?

ja

nee

Lees het gedicht. Vergeet me Ik verdrink soms in een boek de spanning sleurt me mee in een stroom van woorden drijf ik naar de zee meestal strand ik als ze roepen kom je eten alleen als ik lees mag iedereen mij vergeten Uit: De dichter is een tovenaar - Hans Hagen

Welke stellingen passen volgens jou bij het gedicht? Kleur die bolletjes groen. De ik-persoon uit het gedicht is op vakantie aan de zee. De ik-persoon wordt niet graag gestoord om te komen eten terwijl hij leest. De ik-persoon is verdwaald op het strand. De ik-persoon houdt van lezen. Thema 10: Ei-land • Les 5


Tijd voor Taal accent Welke stellingen passen bij jou? Kleur die bolletjes blauw.

eigen invulling

Ik geloof dat je door een boek te lezen precies op reis kunt zijn. Op reis gaan is helemaal iets anders dan je op reis voelen door een verhaal. Ik begrijp niet wat er zo leuk is aan boeken lezen. Ik ben van plan de eerstkomende vakantie veel te lezen. 6 Zoek twee mogelijke sabotages van Theo in het verhaal.

de vogels die verdwenen zijn 2 de brand 1

7 We bespraken het woord ‘doelloos’ al. In het verhaal staat er nog een woord met het achtervoegsel -loos. Welk woord?

spoorloos

Vul deze zinnen aan met woorden die eindigen op -loos. Bij de tandarts krijg je een verdovend spuitje. Hopelijk kan de tandarts het gaatje in je tand

pijnloos

oplossen.

Op sommige zondagen mogen er geen auto’s rijden in het centrum van steden en gemeentes. Die zondagen worden

autoloze

zondagen genoemd.

foutloos

Je hebt 10/10 op je toets. Je toets is dus Het is zondag en je bent vroeg wakker. Je probeert

geluidloos

. de trap

af te komen om televisie te kijken. Je hoopt dat je ouders niet wakker worden. Door de brand kan het gezin niet meer terug naar huis. Ze zijn nu

dakloos

.

Thema 10: Ei-land • Les 5 109


110

Tijd voor Taal accent Les 6a: Krijg jij ook zin om op reis te gaan? Je leert kritisch luisteren naar reclamespotjes.

Waarom zou ik naar reclame leren luisteren? Je wordt elke dag bedolven onder de reclameberichten, of je dat nu wilt of niet. Reclamemakers doen er alles aan om op te vallen, om je te verleiden of om je iets aan te smeren. Een verwittigd man is er twee waard. (En een verwittigde vrouw nog veel meer! ☺) Laat je dus niet foppen!

1

Wie is de spreker?

het reclamebureau van Jetair. 2

Wat zegt hij? Schrijf een korte samenvatting.

De nieuwe vakantiebrochures met grote vroegboekkortingen zijn nu te verkrijgen. Klopt dat met wat ik daarover weet? Is de tekst dus betrouwbaar?

eigen invulling

3

Wat is zijn bedoeling?

ons overtuigen de brochures te bekijken en een reis te boeken Voor wie heeft de spreker dit bedoeld?

voor iedereen en zeker voor wie een reis wil boeken 4

Hoe spreekt hij? (leuk, duidelijk, verzorgd, slordig, poëtisch ...)

twee grappige kinderen, het is leuk Welke weg (taal, tekstsoort) en welke middelen (direct, telefoon, radio, micro, andere geluiden, lichaamstaal, illustraties ...) gebruikt hij?

Het is een reclamespotje op de radio. 5

In welke omstandigheden spreekt hij?

Het is opgenomen in een studio. Thema 10: Ei-land • Les 6a

poëtisch

taal zoals in een gedicht

boeken

reserveren, vastleggen


Tijd voor Taal accent Les 6b: Een telefoongesprek voeren Je leert hoe je een telefoongesprek moet voeren.

TIPS voor een goed telefoongesprek - Begroet de ander. Stel jezelf beleefd voor. (Hallo, je spreekt met ...) - Vraag of je niet stoort. - Vertel duidelijk waarom je belt. - Schrijf op wat je niet wilt vergeten. - Neem afscheid.

1 Oefen met dit telefoongesprek. Vul in.

eigen invulling

Beslis eerst wie welke rol krijgt. leerling 1 = kind dat rugzak vergeten is:

(naam)

leerling 2 = pretparkmedewerker:

(naam)

Leerling 1 vormt het nummer. Leerling 2 antwoordt op een vriendelijke manier en stelt een vraag: “Goedendag, je spreekt met

(bedenk een naam) van (bedenk de naam van het pretpark).

Met wie spreek ik, alsjeblieft?” Leerling 1 antwoordt op de vraag: “Goedendag, met Leerling 2 vraagt hoe hij/zij leerling 1

(je naam).” (naam) kan helpen:

“Hoe kan ik je helpen?” Leerling 1 vertelt waarom hij/zij belt: Leerling 2 vertelt dat dat wel vervelend moet zijn en vraagt aan leerling 1 of hij/zij weet waar de rugzak ergens kan liggen: Leerling 1 antwoordt op de vraag:

Thema 10: Ei-land • Les 6b 111


112

Tijd voor Taal accent Leerling 2 vraagt hoe de rugzak eruitziet: Leerling 1 antwoordt op de vraag: Leerling 2 biedt een oplossing aan: Leerling 1 zegt dat het een goede oplossing is: Leerling 2 vraagt naar het adres: Leerling 1 geeft haar/zijn adres en bedankt de persoon: Leerling 2 zegt dat het geen probleem is en beëindigt het gesprek:

2

Kies één situatie uit. Voer een telefoongesprek. 1 Je hebt een pretpark bezocht en een voedselvergiftiging opgelopen. Je belt naar de directeur van het pretpark. 2 Je kind is thuisgekomen en heeft lange tijd ondersteboven gehangen in een defecte attractie. Je belt als ouder naar de directie van het pretpark. 3 Je bent je rugzak vergeten in het pretpark. 4 Je kind is thuisgekomen met een kapotte bril. Het is met zijn/haar hoofd tegen de wand van een karretje gebotst. Je belt als ouder om te vragen of het pretpark de kosten van de bril terugbetaalt.

3

Bedenk zelf een situatie. Schrijf het telefoongesprek hieronder uit.

Thema 10: Ei-land • Les 6b

eigen invulling


Tijd voor Taal accent Les 7: Bezoekers gezocht!

Je bespreekt de verschillen tussen een reclametekst en een nieuwsbericht.

1 Beantwoord de vragen over de tekst die jij gelezen hebt. TEKST 1 Waarom moet je volgens de tekst zeker naar Ei-land gaan?

Omdat er meer dan 15 spannende attracties zijn. Hoe geraak je daar?

met de boot, op kade 18 Ben je overtuigd omdat je iets krijgt? Wat krijg je dan?

Ja, je krijgt gratis een campingplaats als je voor vier dagen reserveert. Krijg je door de tekst zin om naar Ei-land te gaan? Waarom wel/niet?

eigen invulling

TEKST 2 Wat is er speciaal aan Ei-land?

Het is het allereerste themapark ter wereld dat helemaal in het teken van eieren staat. Waarvoor is Ei-land klaar?

om duizenden bezoekers te ontvangen Word je overtuigd om naar Ei-land te gaan? Waarom wel/niet?

Nee, het tekstje geeft enkel informatie. Welk soort tekst is dit volgens jou? Hoe weet je dat?

Het is een nieuwsbericht, dat kun je bijvoorbeeld zien aan de bron ‘Belga nieuws’. Thema 10: Ei-land • Les 7 113


114

Tijd voor Taal accent TEKST 3 Kost een ticket voor Ei-land veel? Hoe weet je dat?

Nee, het is te koop voor een appel en een ei. Dat betekent: niet veel. Is het pretpark volgens de tekst voor iedereen bedoeld? Zou dat echt zo zijn?

Nee, niet voor zachtgekookte eitjes. Dat is niet echt zo. Het is als grap bedoeld. Welke attractie vind jij leuk? Waarom?

eigen invulling

Krijg je door de tekst zin om naar Ei-land te gaan? Waarom wel/niet?

eigen invulling

TEKST 4 Welk zeldzaam dier kun je in de Ei-zoo bewonderen?

het vogelbekdier

Is het pretpark volgens de tekst voor iedereen het bezoeken waard? Hoe weet je dat?

Ja, er zijn wilde attracties, maar ook attracties voor de allerkleinsten of de Ei-zoo voor wie even wat rust wil. Krijg je door de tekst zin om naar Ei-land te gaan? Waarom wel/niet?

eigen invulling

Welk soort tekst is dit volgens jou? Hoe weet je dat?

een verslag, omdat iemand zijn uitstap naar Ei-land beschrijft

Thema 10: Ei-land • Les 7


Tijd voor Taal accent 2

Zet kruisjes in de juiste kolommen. Kleur in de linkerkolom van de tabel de eigenschappen waaraan een goede reclametekst moet voldoen groen.

de eigenschap

iets dat past bij een persoon of ding

beknopt

kort en toch duidelijk

de slogan

een mooi bedachte zin waarmee je reclame voor iets maakt

de lay-out

hoe een tekst eruitziet: welke lettertypes, kleur, prenten, bladschikking

1 Welke teksten zijn beknopt geschreven?

2

X

3

X X

Welke teksten zijn voluit geschreven?

X X

Welke teksten hebben een titel?

3

4

Welke teksten werken met een slogan?

X

X

Bij welke teksten is de lay-out heel belangrijk?

X

X

Welke teksten hebben passende tekeningen?

X

X

In welke teksten worden overdrijvingen gebruikt?

X

X

In welke teksten worden veel bijvoeglijke naamwoorden gebruikt?

X

Door welke teksten word je aangesproken om naar Ei-land te gaan?

X

X

X X

X

1 (of 3) Omdat je overtuigd wordt om naar het Ei-land te gaan.

Welke tekst is volgens jullie de beste reclametekst voor het pretpark Ei-land? Waarom?

Thema 10: Ei-land • Les 7 115


116

Tijd voor Taal accent Les 8: Een folder voor Ei-land VOOR

Je leert in groepjes een folder maken.

Opdracht verwoorden

Denk samen na over wat er allemaal in jullie folder moet komen.

Uitschrijven

EĂŠn iemand schrijft op (hieronder of op een apart blad).

eigen invulling

Thema 10: Ei-land • Les 8


TIJDENS

Tijd voor Taal accent

Wanneer schrijf ik een KOMMA? Je gebruikt een komma om even te rusten in een zin. Bijvoorbeeld tussen de woorden in een opsomming:

Tussen ons moet geen komma!

Er zijn lieve, brave, leuke en ondeugende kinderen. Er zijn ook lieve, brave, leuke en ondeugende juffen en meesters.

Wanneer schrijf ik een DUBBELE PUNT? - Voor een aanhaling (iets wat iemand zegt): Juf zei: “Taal is veruit het leukste vak!”

Waarom is één punt niet genoeg?

NA

- Voor een uitleg: Wij hebben een bijzonder land: er zijn wel drie officiële talen.

Evaluatie: nakijken en verbeteren

Kijk na en verbeter indien nodig: Ik heb bij het schrijven gelet op het gebruik van hoofdletters. Ik heb minstens één keer een komma op de juiste plaats gebruikt. Ik heb minstens één keer een dubbele punt op de juiste plaats gebruikt. Laat de tekst verbeteren door de leerkracht. Schrijf hem dan mooi en foutloos over op een net blad.

Thema 10: Ei-land • Les 8 117


118

Tijd voor Taal accent

Wat is de tijd van een werkwoord? Aan de persoonsvorm kun je meestal zien of wat de spreker zegt voor hem tegenwoordige tijd (nu) of verleden tijd (vroeger) is:

Het regent. Dat is niet zo erg. Ik kan nu toch niet buiten.

Gisteren regende het ook. Dat was wel erg. Ik kon geen fietstocht maken.

Wat is een infinitief? Ik moet werken. Is dat definitief?

Werken is de infinitief!

De infinitief is de vorm die we gebruiken als de naam van het werkwoord. Het is de vorm die je terugvindt in een woordenboek. Bv. werken, slapen, gaan, schrijven … Je vindt de infinitief door een minizin te maken met ‘ik zal ...’. Bv. ik zal slapen, ik zal kopen ...

Wat is een stam? Ook de stam is een vorm van een werkwoord. Als je de verschillende vormen van een werkwoord naast elkaar zet, kom je meestal een gelijk deel tegen (ik drink – jij drinkt – wij drinken). Dat gelijke deel noemt men de stam. De stam is ook die vorm die je hebt bij de ik-vorm: ik snoep, ik werk, ik slaap ...


Tijd voor Taal accent

Welke werkwoorden veranderen van klank? Welke niet? De meeste werkwoorden krijgen in de verleden tijd -de(n) of -te(n) bij de stam. Bv. speel – speelde, werk – werkte, hoor – hoorde ... Sommige werkwoorden veranderen van klank in de verleden tijd. Bv. geef – gaf, drink – dronk, loop – liep … Hoe weet ik of een werkwoord wel of niet van klank verandert? Daar bestaat jammer genoeg geen trucje voor. Of toch: eentje! Veel luisteren, spreken, lezen en schrijven. (Dit helpt ook: leg een lijstje aan van werkwoorden die van klank veranderen.)

Waaruit bestaat een zin? Een zin bestaat heel vaak uit een onderwerp en wat erover gezegd wordt (= rest van de zin). Een voorbeeld: Na deze les zijn we echt wel heel slimme kinderen. Over wie of waarover wordt er iets gezegd in deze zin? Wat is het onderwerp? we Wat wordt er over het onderwerp gezegd in deze zin? zijn echt wel heel slimme kinderen na deze les.

Wat is een persoonsvorm? De werkwoordsvorm die bij het onderwerp past, heet de persoonsvorm. Bv. Bij het onderwerp ik hoort de persoonsvorm kom, bij het onderwerp jij hoort de persoonsvorm komt ... De persoonsvorm staat graag in de buurt van zijn onderwerp.

Hoe vind ik de persoonsvorm? Je vindt de persoonsvorm door de ja-neevraag te stellen. De persoonsvorm komt zo vooraan te staan. Bv. Opa houdt van snorkelen. → Houdt opa van snorkelen?

119


120

Tijd voor Taal accent

Wat is een onderwerp? In een zin zeggen we iets over iemand of iets. Waarover of over wie? Dat is het onderwerp van die zin. De jachtluipaard is het snelste dier. Over wie of waarover wordt in die zin iets gezegd? Over de jachtluipaard. De jachtluipaard is het onderwerp van de zin. Wat wordt er gezegd over de jachtluipaard? Dat dat het snelste dier is (is het snelste dier).

De jachtluipaard is het snelste dier!

De meester geeft Max gelijk. Over wie of waarover wordt in die zin iets gezegd? Over de meester. De meester is het onderwerp van de zin. Wat wordt er gezegd over de meester? Dat hij Max gelijk geeft (geeft Max gelijk).

Welk zinsdeel in de rest van de zin geeft een antwoord op de vraag: Vertel eens: waar was het? Hoe? Met wie? Wanneer?

• (aan/voor) wie? • hoe? • wanneer? • waar? • waarom? • ...

Een zin zegt altijd wat of wie iemand is of doet. Een zin kan ook extra informatie bevatten. Die informatie staat in een zinsdeel. Bv. Ik heb gisteren bij onze buren goed voor de baby gezorgd omdat ...

Wanneer?

Waar?

Hoe?

Voor wie?

Waarom?


Tijd voor Taal accent

Ken jij deze vier soorten zinnen? Eek! Een muis!

Hoe heet jij, muisje?

de uitroep

de vraag

Je herkent een uitroep aan: - de toon - het uitroepteken (in een geschreven tekst)

Je herkent een vraag aan: - de toon - het vraagteken (in een geschreven tekst) Vooraan staat een vraagwoord of persoonsvorm.

Ga weg, muis!

De muis is weg.

het bevel

de mededeling

Je herkent een bevel aan: - de toon - het uitroepteken (soms, in een geschreven tekst) Een bevel heeft meestal geen onderwerp.

Je herkent een mededeling aan: - de toon - de punt (in een geschreven tekst)

121


122

Tijd voor Taal accent

Wat zijn zelfstandige naamwoorden? Dat zijn woorden die een naam geven aan personen, dingen, planten of dieren. personen dingen dieren planten

 papa, directeur, mevrouw, juf, Moussa ...  kast, lijm, deur, schaar, Pritt ...  hond, schaap, dinosaurus, Pekkie ...  klimop, lelie, iep ...

Wat is een eigennaam?

Mooie naam, vind je ook niet?

Mijn naam is Ides. Hoe heet jij? We hebben allemaal een eigen naam. Die schrijven we met een hoofdletter. Ook dieren, dingen of plaatsen hebben soms een eigen naam. Het is de naam die hen door iemand gegeven wordt. Deze eigennamen schrijven we ook met een hoofdletter. Bv. Mijn hond heet Bas. Mijn lijm heet Pritt. Ik woon in de stad Brussel.

Wat is een lidwoord? Dat is eenvoudig! Er zijn maar drie lidwoorden: de, het, een. Lidwoorden staan altijd bij een zelfstandig naamwoord: de grap, het bezoek, een plons. Het lidwoord een kun je bij álle zelfstandige naamwoorden gebruiken. Bij de en het lukt dat niet altijd. Is Nederlands niet je moedertaal? Dan vind je dit vast supermoeilijk. Enkele tips? - Een kan bij elk zelfstandig naamwoord! - Als je gokt, gok dan op het lidwoord de. (3/4 van alle woorden zijn de-woorden.) Oefenen maar!


Tijd voor Taal accent

Wat is een bijvoeglijk naamwoord? Een bijvoeglijk naamwoord vertelt hoe iets of iemand is. Reclamemakers zijn dol op bijvoeglijke naamwoorden. Zo ook in deze reclameboodschappen.

Dan is 'bijvoeglijk' zelf een bijvoeglijk naamwoord!

DE BESTE EN DE LEKKERSTE CHOCOLADE

Nieuwe collectie

Verschillende kleuren

Niet elke kleur is beschikbaar in de winkel Voeding tegen de beste prijzen

draagbare pc

Vloeibaar wasmiddel met zachte frisheid Normale prijs per l: € 8,68

Halve maantjes ricotta

De promotie is geldig t.e.m. 14 maart.

Waar vind ik een bijvoeglijk naamwoord? Meestal staat een bijvoeglijk naamwoord vóór een zelfstandig naamwoord. Het past zich aan dit zelfstandig naamwoord aan. Mag ik jouw bijvoeglijk naamwoord zijn?

een nieuw bankstel een nieuwe iPad

een groot geluk een grote deugniet

Soms staat het bijvoeglijk naamwoord ook ‘los’. Dan zegt het hoe het onderwerp is. Vandaag ben ik zo vrolijk.

Is 'slapen' ook geen werkwoord, juf?

Wat is een werkwoord? Een werkwoord vertelt wat iemand (of iets) doet.

123


124

Tijd voor Taal accent

Wat zijn verkleinwoorden? Verkleinwoorden zijn naamwoorden met het achtervoegsel -je (of -pje, -tje, -etje) erbij. We gebruiken ze om: iets kleins aan te duiden.

iets liefs aan te duiden. Mijn juf is een schatje!

Ik plant een boompje.

te zeggen dat iets niet zo belangrijk is. Het was een ongelukje!

te zeggen dat je iets/iemand niet leuk vindt.

Stop daar eens mee, ventje!

Wat betekent ‘meervoud’? Aan zelfstandige naamwoorden kun je horen en zien of het om eentje (enkelvoud) gaat of om meer (meervoud). - In de meeste gevallen wordt -s of -en aan het enkelvoud toegevoegd: mens  mensen bed  bedden meisje  meisjes - Er zijn ook bijzondere meervouden: kind  kinderen ei  eieren moeilijkheid  moeilijkheden koe  koeien


Tijd voor Taal accent

Bestaan er mannelijke en vrouwelijke naamwoorden? Ja hoor! Er bestaan trouwens ook onzijdige naamwoorden. Het genus van het naamwoord bepaalt hoe je naar dat woord moet verwijzen. - Hij of zij? De voetballer is moe.  Hij is moe? OF Zij is moe? - Zijn of haar? De klauwen van die leeuw zijn scherp.  Zijn klauwen? OF Haar klauwen? mannelijk vrouwelijk onzijdig

De computer is versleten. De peer is lekker. Hij werkt erg traag. Ze/Zij is lekker sappig. Zijn geheugen zit vol. Haar schil is mooi groen.

Het schaap staat in de stal. Het heeft honger. Zijn voederbak is leeg.

Wat zijn ‘trappen van vergelijking’? ‘Leuk’ is een bijvoeglijk naamwoord. Maar sommige dingen zijn leuker dan leuk. Om dat uit te drukken, gebruiken we de ‘trappen van vergelijking’. Dit is een leuke mop. Ik ken een mop die nog leuker is. Dit is echt de leukste mop ooit.

Ik wil de beste zijn!

En ik nog beter!

Wat is een samenstelling? We bedenken niet voor elk nieuw ding een nieuw woord. Soms plakken we twee of meer bestaande woorden aan elkaar. Zo krijgen we een nieuw woord. We noemen zo’n woord een samenstelling. Bv. voetbal, handdoek, politiekantoor ... Samenstellingen kunnen ook uit meerdere woorden bestaan. Bv. hottentottententententoonstellingen ...

125


126

Tijd voor Taal accent

Wat is een afleiding? Sommige woorden bestaan uit een woord waaraan een klein stukje is toegevoegd. Je leidt ze af van een bestaand woord. Ik heb honger, dus ben ik hongerig. Soms staat het toegevoegde stukje vooraan. Dat noemen we een voorvoegsel. bezoeken, oneerlijk, verkopen, geknor ...

Ik hou van afleiding, juf!

Soms staat het toegevoegde stukje achteraan. Dat noemen we een achtervoegsel. zielig, zekerheid, eerlijk ... Woorden met zo’n toegevoegd stukje noemen we afleidingen.

Wat zijn synoniemen? Soms bestaan er meerdere woorden om eenzelfde voorwerp, persoon, handeling ... te omschrijven. Anna loopt naar de woonkamer. Simon rent naar de living. Eigenlijk doen ze allebei hetzelfde. Woorden die ongeveer hetzelfde betekenen, noemen we synoniemen.

Profile for VAN IN

TvT accent - Taal 4: werkschrift b - correctiesleutel  

TvT accent - Taal 4: werkschrift b - correctiesleutel