TvT accent - Spelling 4: zorgschrift - correctiesleutel

Page 1


Tijd voor Taal accent – Spelling 4 - werkschrift - werkschrift correctiesleutel - Z-schrift - Z-schrift correctiesleutel - stappenblok - Z-blok - handleiding met cd - oefenkaarten - wandplaten Tijd voor Taal accent – Spelling – Z-schrift 4 Tine Geenen, Karolien Willems met medewerking van: Filip Casier, Maarten Dumoulin, Myriam Monstrey, Herlinde Roose, Stijn Storme, Annelore Tanghe, Peter Willems Coördinatie: Jan Seys, Pieter Van Biervliet Omslag: Nancy Kers Illustraties: Tamar De Wit Lay-out: CAT, Lieve Lenaerts Zetwerk: Lieve Lenaerts

Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hen dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toelating te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be.

De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Diegenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te melden.

© Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2018 Alle rechten voorbehouden. Behoudens de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, op welke wijze ook, zonder de voorafgaande en schriftelijke toestemming van de uitgever.

Eerste druk, zesde bijdruk 2018 ISBN 978-90-306-6375-1 D/2013/0078/16 Art.nr. 544566/07 NUR 191


accent

Spelling

Z-schrift 4

Correctiesleutel Tine Geenen Karolien Willems Myriam Monstrey

Coรถrdinatie Jan Seys Pieter Van Biervliet

Met medewerking van Filip Casier Maarten Dumoulin Herlinde Roose Stijn Storme Annelore Tanghe Peter Willems


Woordpakket 1 1

Oefen hier je woordpakket. het eiland

verdwijnen het nieuws de klauw het meisje het lawaai

bouwen jij snauwde

reizen de moeite

eiland verdwijnen nieuws klauw meisje lawaai bouwen snauwde reizen moeite

de schouder hij duwt

altijd de prooi het vrouwtje hij schreeuwde

dikwijls de schaduw

augustus uw

schouder duwt altijd prooi vrouwtje schreeuwde dikwijls schaduw augustus uw

• Je schrijft een ei als het woord op je ei-kaart staat. Neem je ei-kaart erbij! • Je schrijft een au als het woord op je au-kaart staat. Neem je au-kaart erbij! • Bij aai, ooi, oei hoor je een j, maar je schrijft een i, bv. haaj → haai. • Bij eeuw, ieuw en uw schrijf je een u voor de w. 3


2

Schrijf de woorden van het woordpakket in de juiste kolom. ei/ij ou/au aai/ooi/oei

eiland verdwijnen meisje reizen altijd dikwijls 3

eeuw/ieuw/uw

lawaai nieuws moeiteduwt prooi schreeuwde schaduw uw

klauw bouwen snauwde schouder vrouwtje augustus

Vul het juiste woord uit het woordpakket in. In

augustus

is het meestal mooi weer.

bouwen lawaai schreeuwde schouder prooi klauw vrouwtje eiland meisje reizen moeite nieuws bijvoorbeeld haai leeuw kapitein nauw

In onze straat zijn ze een huis aan het

.

De boormachine van papa maakt erg veel De wielrenner

.

toen hij op zijn

De beer ving zijn

met zijn

Het is een oud

.

.

De piraat ontdekte een onbewoond Het

.

en haar ouders

naar Egypte.

Het beklimmen van die berg kostte erg veel Om één uur begint het 4

viel.

.

op televisie.

Zoek zelf een woord dat niet in het woordpakket staat. aai

eeuw

ei

au

ooi

ieuw

ij

ou

gooien

kieuw

ijsbeer

koud

oei

uw

groei

duwen

Klaar? Zet een kruisje. Maak oefening 1 op blz. 59. 4


Woordpakket 2 1

Oefen hier je woordpakket. de lentedag hij jaagt

dankbaar babbelen de aandacht

betalen het spelletje de glimlach de rugzak de geweren

lentedag jaagt dankbaar babbelen aandacht betalen spelletje glimlach rugzak geweren

bibberen het dochtertje het vliegveld

oktober de kanonnen de kachel de leerling

sturen de knuffel ik droeg

bibberen dochtertje vliegveld oktober kanonnen kachel leerling sturen knuffel droeg

• Meestal schrijf je g. Woorden met ch moet je onthouden. • Na een korte klank schrijf je altijd cht, behalve bij ligt, legt en zegt. • Verdubbelen en verenkelen

Ik luister naar het einde van de klankgroep.

5

Ik

Ik

korte klank a, e, i, o, u

1 klinker en 2 medeklinkers verdubbelen

Ik

Ik

lange klank aa, ee, oo, uu

1 klinker en 1 medeklinker verenkelen


2

Schrijf de woorden van het woordpakket in de juiste kolom. ch(t)

g(t)

verdubbelen

aandacht lentedag babbelen glimlach jaagt spelletje dochtertje rugzak bibberen kachel vliegveld kanonnen droeg knuffel 3

Kies uit:

verenkelen

betalen geweren oktober sturen ng/nk

dankbaar leerling

vliegveld – betalen – oktober – knuffel – rugzak Dat meisje had een mooie Op het In

4

vliegveld oktober betalen rugzak

.

vond de jongen een koffer.

zijn bijna alle bladeren afgevallen.

Veel mensen

met een bankkaart.

Hij neemt een

mee naar school.

Schrijf bij elke tekening het juiste woord met g(t) of ch(t).

glimlach vlag 5

knuffel

lacht

vraag gerecht

Kleur de woorden met een verdubbeling groen, die met een verenkeling rood. brommertje

sturen

aardappelen

verhalen rekenen

wijk vestje

aanvallen zwembad

Klaar? Zet een kruisje. Maak oefening 2 op blz. 59. 6


Woordpakket 3 1

Oefen hier je woordpakket. aandachtig mistig verdrietig bezig zenuwachtig moedig droevig ongelukkig ik verkondig

grappig

aandachtig mistig verdrietig bezig zenuwachtig moedig droevig ongelukkig verkondig grappig

stevig toevallig gelukkige vorige hevige zonnige onschuldige prettige rustige haastig

stevig toevallig gelukkige vorige hevige zonnige onschuldige prettige rustige haastig

Je hoort een doffe e maar je schrijft ig(e): rustig, bezig, machtige ‌

7


2

Schrijf de woorden van het woordpakket in de juiste kolom. ig

3

gelukkige vorige hevige zonnige onschuldige prettige rustige

ongelukkig verkondig grappig stevig toevallig haastig

aandachtig mistig verdrietig bezig zenuwachtig moedig droevig

ige

Vul aan met een vorm op ige.

ongelukkige mistige aandachtige grappige zenuwachtige

De jongen is ongelukkig. Het is een

jongen.

Die morgen is het erg mistig. Het is een

morgen.

Dat kind is echt aandachtig in de klas. Het is een De clown is erg grappig. Het is een

leerling.

clown.

De student is zenuwachtig voor de toets. Het is een 4

student.

Vul aan met ig of ige zodat het woord past in de zin.

schuldig griezelig hongerige eeuwig venijnige tijdig prettig handige

schuld

Hij voelde zich

griezel

Dat was een

honger

Het waren

eeuw

Ik blijf je trouw voor

venijn

Dat was een

tijd

De man moet

pret

Het was een

hand

Dat is een

. verhaal.

kinderen. en altijd. opmerking. op het werk zijn. verjaardagsfeestje.

Harry.

Klaar? Zet een kruisje. Maak oefening 3 op blz. 60. 8


Woordpakket 4 1

Oefen hier je woordpakket. tegelijk eigenlijk de eilanden

lijkbleek het onderwijs hij eindigt

geheimzinnige spijtig de leiding

scheiden

tegelijk eigenlijk eilanden lijkbleek onderwijs eindigt geheimzinnige spijtig leiding scheiden

weinig belangrijkste bewijzen eindelijk paardrijden heilig stokstijf hij bereikt

tijdens de woestijn

Je schrijft een ei als het woord op je ei-kaart staat. Neem je ei-kaart erbij! 9

weinig belangrijkste bewijzen eindelijk paardrijden heilig stokstijf bereikt tijdens woestijn


2

Schrijf de woorden van het woordpakket in de juiste kolom. ei

ij

bewijzen tegelijk eilanden lijkbleek paardrijden eindigt stokstijf geheimzinnige onderwijs tijdens spijtig leiding scheiden belangrijkste woestijn weinig heilig eindelijk eigenlijk bereikt ei en ij

3

Rangschik de woorden alfabetisch. woestijn – geheimzinnige – eilanden – belangrijkste – leiding

belangrijkste, eilanden, geheimzinnige, leiding, woestijn 4

Vul aan met ei of ij. Schrijf het woord op.

ij ij ei verdwijnen wandtapijten eigenaardig ei ij ei afscheidsbrief ijsjesverkoper reisverhaal eigen invulling verdw

afsch

5

nen

dsbrief

wandtap

ten

sjesverkoper

genaardig

r

sverhaal

Maak met de woorden een correcte zin. afscheid: spijtig: Klaar? Zet een kruisje. Maak oefening 4 op blz. 60.

10


Woordpakket 5 1

Oefen hier je woordpakket. bekijken de leeftijd het medelijden

ontwijken het ravijn de strijd

tevoorschijn de wijk

giechelen de hersenen

bekijken leeftijd medelijden ontwijken ravijn strijd tevoorschijn wijk giechelen hersenen

naderen veranderen aardig lastig ernstig geweldig nodig enige reusachtige sommige

naderen veranderen aardig lastig ernstig geweldig nodig enige reusachtige sommige

• In woorden met elen, enen, eren hoor je een doffe e. • Je schrijft een ei als het woord op je ei-kaart staat. Andere woorden schrijf je met ij. Neem je ei-kaart erbij! • Je hoort een doffe e maar je schrijft ig(e): rustig, bezig, machtige …

11


2

Schrijf de woorden in de juiste kolom. geweldig – handige – aardig – grappig – reusachtige – lastig – ernstig – gelukkige – enige – sommige – nodig – rustige

3

ig

ige

geweldig aardig grappig lastig ernstig nodig

handige reusachtige gelukkige enige sommige rustige

Vul aan met ei of ij. Schrijf het woord op.

ij ij bekijken strijd ij ei medelijden zeilboot bek

medel

4

ken

str

den

z

d

lboot

ei ij eindelijk ravijn ij ij wijk tevoorschijn ndelijk

w

rav

k

n

tevoorsch

n

Vul aan met elen, enen of eren. Schrijf daarna het woord in de zin.

eren enen eren eren enen eren elen elen

nad

Ze

rek

Wij

led

Die

naderen rekenen lederen

de top van de berg. op je hulp. schoenen wil ik niet dragen.

kalv

Op de boerderij van boer Gust zijn er veel geboren.

tek

Malik kan prachtig

tekenen

vergad

Onze directeur moet bijna elke week

hink

Wij

giech

Wat kunnen die meisjes toch

hinkelen

kalveren

.

vergaderen

.

tijdens de speeltijd op de speelplaats.

giechelen

.

Klaar? Zet een kruisje. Maak oefening 5 op blz. 61. 12


Woordpakket 6 1

Oefen hier je woordpakket. beiden beroemd de kleedkamer het middageten

veilig de bemanning hij loog de gevangenis de bevolking

doodsbang

beiden beroemd kleedkamer middageten veilig bemanning loog gevangenis bevolking doodsbang

de waarzegster

geheimzinnig boeiend de leider

rondlopen de parking de ploeg

spannend de scheidsrechter de verbazing

waarzegster geheimzinnig boeiend leider rondlopen parking ploeg spannend scheidsrechter verbazing

• Schrijf ik d of t op het einde van een woord? ➔ Maak het woord langer! bv. landen dus land, kaarten dus kaart ➔ Soms zitten d- of t-woorden in een ander woord verstopt! bv. brandweer • nk schrijf je zonder g! ➔ Je kunt het woord ook verlengen om de eindletter beter te horen. • Meestal schrijf je g. Woorden met ch moet je onthouden. • Je schrijft een ei als het woord op je ei-kaart staat. Neem je ei-kaart erbij! 13


2

Schrijf de woorden van het woordpakket in de juiste kolom. ei ng eind-d

beiden bemanning veilig gevangenis geheimzinnig bevolking leider doodsbang scheidsrechter parking verbazing 3

g

beroemd middageten kleedkamer loog ploeg boeiend rondlopen waarzegster spannend

Vul in: d of t, ng of nk. Schrijf het woord op.

d ng t d kleedkamer verbazing stout doodsbang ng t ng d bevolking visnet gevangenis scheidsrechter d ng d nk boeiend plotselinge beroemd dankbaar klee

4

kamer

verbazi

bevolki

visne

boeien

plotseli

stou

gevan

e

doo

enis

schei

beroem

da

sbang

srechter

baar

Kleur de woorden waar je de verlengingsregel kunt gebruiken. Schrijf de woorden op. feesttent

eetkamer

vliegtuig

bedsprei

geschenk

eindstreep

bezig

badkamer

braadoven

broodtrommel

spelleider

koning

eigenzinnig

voeg

bang

feesttent geschenk braadoven bang

eetkamer bedsprei eindstreep badkamer broodtrommel koning

Klaar? Zet een kruisje. Maak oefening 6 op blz. 61. 14


Woordpakket 7 1

Oefen hier je woordpakket. eerlijk gevaarlijke dadelijk afschuwelijke heerlijk lelijke duidelijk belachelijke natuurlijk moeilijke

eerlijk gevaarlijke dadelijk afschuwelijke heerlijk lelijke duidelijk belachelijke natuurlijk moeilijke

gemakkelijk mogelijke vrolijk oneerlijke uiteindelijk vreselijke waarschijnlijk wonderlijke vriendelijk verschrikkelijke

gemakkelijk mogelijke vrolijk oneerlijke uiteindelijk vreselijke waarschijnlijk wonderlijke vriendelijk verschrikkelijke

Je hoort een doffe e maar je schrijf (e)lijk(e): heerlijk, moeilijke, mogelijke … 15


2

Schrijf de woorden van het woordpakket in de juiste kolom. lijk

elijk

eerlijk heerlijk natuurlijk vrolijk waarschijnlijk 3

elijke

dadelijk gevaarlijke afschuwelijke duidelijk lelijke belachelijke gemakkelijk moeilijke mogelijke uiteindelijk oneerlijke vreselijke vriendelijk wonderlijke verschrikkelijke

Zoek in het woordpakket het tegenovergestelde woord. oneerlijk onduidelijk mooie

4

lijke

eerlijk duidelijk lelijke

onvriendelijk verdrietig gemakkelijke

vriendelijk vrolijk moeilijke

Verbind het kopje met het juiste staartje. Schrijf het woord op. natuur •

• elijk

besmett •

• lijke

tijd •

• lijk

afschuw •

• elijke

hart •

• elijk

ongeloof •

• lijke

• lijk

persoon •

• elijke

wonder •

natuurlijk tijdelijk hartelijk wonderlijk

besmettelijk afschuwelijke ongelooflijke persoonlijke

Klaar? Zet een kruisje. Maak oefening 7 op blz. 62. 16


Werkwoorden 1

De meeste werkwoorden geven aan wat een mens, dier of ding doet. Voorbeelden Mijn vader bouwt veel kleine vliegtuigen. Ik leer niet graag uit mijn hoofd. De lichten branden de hele dag. Harry wordt morgen zes jaar. Elke dag zwemmen wij 500 meter.

1

Onderstreep de werkwoorden. zwart – komt – vertellen – vijver – gelukkig – bever – gek – rusten – denken – lager – gaan – voetbalt – zwemt – klimt – eter – legt – werken – lopen – nesten – schieten – gooien – stoeltje – hebben – prettig

2

Onderstreep in elke zin de werkwoorden. Schrijf ze daarna op. Lang geleden waren er veel reptielen. Bekende voorbeelden zijn de slang, de krokodil, de schildpad en de dinosaurus. Ze leefden op het land, in de zee of in de lucht. Alle reptielen hebben schubben. Bovendien leggen ze eieren. Dinosaurussen zijn geen gewone reptielen. De poten van een krokodil zitten aan de zijkant. Bij de dinosaurus staan zijn poten recht onder zijn lijf.

waren leggen

zijn zijn

leefden zitten

Bouwt, leer en wordt staan niet in het woordenboek. In het woordenboek kun je de infinitief vinden. De infinitief vind je door ik zal… ervoor te plaatsen. Voorbeelden bouwt leer branden wordt zwemmen

17

ik zal … ik zal … ik zal … ik zal … ik zal …

bouwen leren branden worden zwemmen

hebben staan


3

Zoek de infinitief. Marieke gaat op reis naar Spanje.

Ik zal

Hopelijk wordt het mooi weer.

Ik zal

Ze heeft een beetje zenuwen.

Ik zal

Gelukkig gaan mama en papa ook mee.

Ik zal

Morgen nemen ze het vliegtuig.

Ik zal

Vandaag maakt ze zelf haar koffer.

Ik zal

Wat moet er allemaal mee?

Ik zal

Ze vraagt het aan mama.

Ik zal

Vanavond bezoekt ze haar oma nog.

Ik zal

Daarna kruipt ze in bed.

Ik zal

gaan worden hebben gaan nemen maken moeten vragen bezoeken kruipen

De persoonsvorm vind je door van de zin een ja-neevraag te maken. De persoonsvorm staat dan altijd vooraan. Voorbeelden Bouwt mijn vader veel kleine vliegtuigen? Leer ik niet graag uit mijn hoofd? Branden de lichten de hele dag? Wordt Harry morgen zes jaar? Zwemmen wij elke dag 500 meter? 4

Maak de ja-neevraag. Zet de persoonsvorm tussen schuine strepen. Wij eten elke dag fruit.

/Eten/wij elke dag fruit? /Vertek/ik morgen met de fiets naar Rome? /Heeft/mijn idool een nieuwe hit? /Zwem/jij voor het brevet van een kilometer? /Dragen/de kinderen in Engeland een uniform?

Morgen vertrek ik met de fiets naar Rome.

Mijn idool heeft een nieuwe hit.

Zwem jij voor het brevet van een kilometer?

In Engeland dragen de kinderen een uniform.

18


Werkwoorden 2

Het gebeurt nu: Het gebeurde vroeger: Voorbeelden Ik werk graag in de tuin. Ik werkte graag in de tuin. 1

tegenwoordige tijd (t.t.) verleden tijd (v.t.) t.t. v.t.

Zet de persoonsvorm tussen schuine strepen. Schrijf op in welke tijd de zin staat: t.t. of v.t.

/ / / / / / / / / / / /

Wij eten graag een salade. Gisteren keken we naar een enge film. We wandelden door het bos. Aan de vijver zitten veel vissers. De leeuw sloop naar zijn prooi. Waarom lach je de hele tijd? 2

Schrijf de persoonsvorm op. Omcirkel de juiste tijd.

Karolien moet haar deuren verven. Een tijdje geleden kocht ze de verf al. Ze koos voor mooie kleuren. Ze houdt van groen en rood. Maar alleen kan ze het niet. Ze heeft hulp nodig van haar vader. Hij was vroeger schilder. Dan zal het snel klaar zijn!

19

t.t. v.t. v.t. t.t. v.t. t.t. persoonsvorm (ja-neevraag)

moet kocht koos houdt kan heeft was zal

t.t.

v.t.

t.t.

v.t.

t.t.

v.t.

t.t.

v.t.

t.t.

v.t.

t.t.

v.t.

t.t.

v.t.

t.t.

v.t.


De stam vind je door ik … ervoor te plaatsen.

3

Voorbeelden janken vragen trekken babbelen koken

ik jank ik vraag ik trek ik babbel ik kook

Let op: lezen schrijven

ik lees ik schrijf

z wordt s v wordt f

Geef de stam. infinitief (ik zal…) geven danken springen eten kijken wandelen schrijven kiezen

4

➔ ➔

stam (ik ….)

geef dank spring eet kijk wandel schrijf kies

infinitief (ik zal…) lezen zwemmen krijgen worden picknicken hebben kammen roepen

stam (ik ….)

lees zwem krijg word picknick heb kam roep

Vul de stam in. infinitief (ik zal…)

speel

spelen

Ik

vragen

In het station

tennissen

Op woensdag

antwoorden

Ik

vraag tennis antwoord

graag in de tuin. ik een kaartje. ik met mijn zus. op de vraag van de juf. 20


Werkwoorden 3

Het onderwerp vind je door deze vraag te stellen: Wie of wat doet iets? Het onderwerp kan in het enkelvoud of het meervoud staan. Voorbeelden Ik ga op reis De kraantjes zijn stuk. 1

Vul een passend onderwerp in. Omcirkel na elke zin enkelvoud of meervoud.

We

hij ik

Vrijdag mag

Jan Jullie

(enkelvoud) (meervoud)

bijvoorbeeld: enkelvoud / meervoud enkelvoud / meervoud

bij de leeuwen. ook de dieren verzorgen.

enkelvoud / meervoud

is een beetje jaloers.

enkelvoud / meervoud

willen er ook bij zijn.

enkelvoud / meervoud

Zet de persoonsvorm tussen schuine strepen. Omcirkel na elke zin enkelvoud of meervoud.

/

/ / / / /

Waar komen die insecten vandaan?

enkelvoud / meervoud

Moeder vindt die beestjes heel vies.

enkelvoud / meervoud

Haar zoon vangt ze.

enkelvoud / meervoud

/ / / /

Zijn vriend en hijzelf bestuderen ze.

enkelvoud / meervoud

Tijdens het onderzoek krijgt hij een beet.

enkelvoud / meervoud

enkelvoud Ik vind. Werk jij? Antwoord ik?

meervoud

Jij vindt. Werkt het? Hij/zij antwoordt. ➔

stam

stam + t

Wij vinden. Jullie werken. De kinderen antwoorden. ➔

21

→ ik → de kraantjes

vertrekken naar de zoo.

Op die dag werkt

2

Wie gaat op reis? Wat zijn stuk?

infinitief


3

Zet de persoonsvorm tussen schuine strepen. Zet een kruisje in de juiste kolom.

stam (ik…)

/ / / / / / / / / /

stam + t infinitief (ik zal…)

x x

Morgen gaat Arthur naar de muziekacademie. Hij studeert notenleer.

Zonder notenleer kun je geen instrument leren.

x

x

Zijn mama brengt hem naar de academie.

x

Zijn broertjes gaan ook mee. 4

Geef de juiste vorm. infinitief (ik zal…)

stam (ik ….)

stam + t

infinitief (ik zal…)

stam (ik ….)

stam + t

.vraagt loop loopt vragen speel speelt zeggen zeg rijdt vinden vind rijden zoekt plaag plaagt zoeken stop stopt zitten zit lopen

vraag

zegt

spelen

rijd

vindt

plagen

zoek

zit

5

stoppen

Schrijf van elke persoonsvorm de stam en de infinitief.

De clown kijkt. Wij drinken. Hij antwoordt. Jullie bibberen. Ik zoek. De meisjes lachen. Youssef maakt.

stam (ik…)

infinitief (ik zal…)

kijk

kijken

drink

drinken

antwoord bibber zoek lach maak

antwoorden bibberen zoeken lachen maken 22


Werkwoorden 4 Is het een pv.? (ja-neevraag)

HOE SCHRIJF JE WERKWOORDEN?

NEE Doe gewoon: - je verlengt, gespeeld verplaatst - of je schrijft zoals je het hoort, de vergrote foto de verbrande vinger - of ...

JA t.t.?

v.t.?

Dat leer je volgend jaar!

Hoor je t achteraan?

NEE

JA

Doe gewoon. Bv. kom wachten antwoorden is

1

stam

stam + t

Ik antwoord. Vind ik? Vind jij? Antwoord!

Jij antwoordt. Hij loopt. Zij antwoordt. Het regent. Een ander vindt.

Zet de persoonsvorm tussen schuine strepen. Omcirkel na elke zin tegenwoordige tijd (t.t) of verleden tijd (v.t.).

/ / / / / / // / /

23

Joshua gaat elke dag boodschappen doen voor zijn grootmoeder.

t.t. / v.t.

Marie kan niet zo goed fietsen.

t.t. / v.t.

Onze poes liep gisterenavond weg.

t.t. / v.t.

Waarom wil je niet meer meespelen?

t.t. / v.t.

Tia Hellebaut brak het wereldrecord hoogspringen.

t.t. / v.t.


2

Geef de stam. Vul daarna de juiste werkwoordsvorm in. infinitief (ik zal …) brengen

stam (ik …)

herstellen weten

De postbode

de krant.

De loodgieter

het dak.

Ik

aanvaarden fietsen

antwoorden spelen

Nicky

geen kritiek.

wij tachtig kilometer.

Milan

veel voor zijn rijexamen. tante niet op die vraag?

Soms

branden waaien

het antwoord niet.

Elke dag

studeren

3

brengt breng herstelt herstel weet weet aanvaardt aanvaard fietsen fiets studeren studeer antwoord Antwoordt spelen speel brandt brand waait waai

we samen spelletjes.

Het vlees

aan.

In de herfst

het veel.

Zet een kruisje in de passende kolom. Ja?

Nee?

Ik … … jij/ik?

Hij/zij/het … Wij/jullie … Een ander … Anderen …

stam

stam + t infinitief

x

De hond was razend op de poes.

Liam vindt Frans niet zo leuk.

x x x

De jongens trainen voor de marathon. Hij wordt later de beste wielrenner.

x x x

De auto staat verkeerd geparkeerd. Ons skelet heeft 206 botten. Mijn buurman krijgt de hoofdprijs. De wereld van magie gaat voor je open.

Doe gewoon.

x

Klaas vertelt heel veel over zijn reis.

Ik verveel me tijdens de vakantie.

1 Is het vette woord een pv.? (ja-neevraag) 2 Wie of wat doet iets? (onderwerp)

x x 24


Werkwoorden 5 Is het een pv.? (ja-neevraag)

HOE SCHRIJF JE WERKWOORDEN?

NEE Doe gewoon: - je verlengt, gespeeld verplaatst - of je schrijft zoals je het hoort, de vergrote foto de verbrande vinger - of ...

JA t.t.?

v.t.?

Dat leer je volgend jaar!

Hoor je t achteraan?

NEE Doe gewoon. Bv. kom wachten antwoorden is

1

stam + t

Ik antwoord. Vind ik? Vind jij? Antwoord!

Jij antwoordt. Hij loopt. Zij antwoordt. Het regent. Een ander vindt.

Geef de stam. Vul daarna de juiste werkwoordsvorm in. infinitief (ik zal ‌) vertrekken rijden wandelen vinden kennen hebben vinden worden vragen

25

JA stam

stam (ik ‌)

vertrek rijd wandel vind ken heb vind word vraag

Morgen Ze Daar

vertrekt rijden wandelt vinden kent hebben vindt wordt vraagt

Dat stukje natuur

Milan met het gezin.

naar Noord-Frankrijk. Milan aan de Somme. zijn broers heel mooi.

Dat deel van Frankrijk Na een wandeling Gelukkig De vis Milan

de familie niet. ze echt honger.

papa een restaurant.

goed bevonden.

een dessert.


2

Zet een kruisje in de passende kolom. 1 Is het vette woord een pv.? (ja-neevraag) Ik … … jij/ik?

Hij/zij/het … Wij/jullie … Een ander … Anderen …

stam

stam + t infinitief

x

Het paard heeft veel pijn aan zijn poot.

x

Wie brengt morgen vers brood?

x

Quinten vertelt griezelverhalen aan zus.

x

Na het onweer is heel veel beschadigd.

Dat bootje wordt te zwaar!

Doe gewoon.

x

Samen staan we sterk!

Over die vraag moet je nadenken.

Nee?

2 Wie of wat doet iets? (onderwerp)

Ja?

x x

Waarom slaat hij op de vlucht?

x

Ik heb zaterdag bij Ali gespeeld.

x

De clown lijkt veel dommer dan hij is.

x x

Hij vraagt het antwoord aan zijn vader. Deze film wordt in ons dorp opgenomen.

x

Je hebt de oefening verkeerd opgelost.

x

Waarvoor heb je kokend water nodig?

x

26


Woordpakket 8 1

Oefen hier je woordpakket. de begrafenis de fantasie

normale de resultaten wij staren het betekende

geschreven opgegeten tevreden aangekomen

begrafenis fantasie normale resultaten staren betekende geschreven opgegeten tevreden aangekomen

enorme het fototoestel de krokodil

meegenomen wij veroveren zij amuseren het huwelijk de juwelen het publiek de supermarkt

enorme fototoestel krokodil meegenomen veroveren amuseren huwelijk juwelen publiek supermarkt

Verdubbelen en verenkelen

Ik luister naar het einde van de klankgroep.

27

Ik

Ik

korte klank a, e, i, o, u

1 klinker en 2 medeklinkers verdubbelen

Ik

Ik

lange klank aa, ee, oo, uu

1 klinker en 1 medeklinker verenkelen

Ik

Ik

andere klank

gewoon

Hoor je na de klinker twee verschillende medeklinkers, dan doe je dus ook gewoon.


2

Zet de woorden in de passende kolom. Houd rekening met de onderstreepte klankgroep. begrafenis – opgegeten – veroveren – publiek – fototoestel – geschreven – normale – enorme – amuseren – staren – krokodil – meegenomen – aangekomen – supermarkt – betekende – huwelijk – fantasie – tevreden – juwelen – resultaten apen

zweven

4

muren

opgegeten veroveren publiek geschreven fototoestel amuseren enorme krokodil supermarkt betekende meegenomen huwelijk tevreden aangekomen juwelen

begrafenis normale staren fantasie resultaten 3

over

Kleur de woorden met een verenkeling rood. openmaken

komkommer

zomerdag

verdrietig

buurjongen

limonade

tegenspreken

ovenschotel

karnemelk

ijsberen

Vul in. Schrijf het woord over.

ss ss ss ss vissen vergissing verrassing moerassig l ll ll l betalen toestellen allebei veilig bb bb bb bb bibberen verdubbelen webben ribben m mm m m hamers vermommen tamelijk dames

s of ss

vi

l of ll

beta

b of bb

bi

m of mm ha

en

vergi

ing

verra

en

toeste

eren

verdu

elen

vermo

en

ers

en

a

ing

ebei

moera

ig

vei

ig

en

we

en

ri

ta

elijk

da

es

Klaar? Zet een kruisje. Maak oefening 8 op blz.62. 28


Woordpakket 9 1

Oefen hier je woordpakket. aangevallen de gabbers het karretje het rapport

aanleggen de bestemming de nachtmerrie

verstoppertje binnenste zij herinnerde

aangevallen gabbers karretje rapport aanleggen bestemming nachtmerrie verstoppertje binnenste herinnerde

verschillende de vriendinnen

geschrokken gewonnen stoffig dolgelukkig de raketten de mummie

ondertussen de sukkel

verschillende vriendinnen geschrokken gewonnen stoffig dolgelukkig raketten mummie ondertussen sukkel

Verdubbelen en verenkelen

Ik luister naar het einde van de klankgroep.

29

Ik

Ik

korte klank a, e, i, o, u

1 klinker en 2 medeklinkers verdubbelen

Ik

Ik

lange klank aa, ee, oo, uu

1 klinker en 1 medeklinker verenkelen

Ik

Ik

andere klank

gewoon

Hoor je na de klinker twee verschillende medeklinkers, dan doe je dus ook gewoon.


2

Zet de woorden van het woordpakket in de juiste kolom. zatte vette

kippen

binnenste aangevallen aanleggen bestemming vriendinnen gabbers nachtmerrie herinnerde karretje verschillende raketten rapport verstoppertje dolgelukkig mummie geschrokken gewonnen ondertussen sukkel stoffig stoppen

3

4

bussen

Kleur de woorden met een verdubbeling groen. eetkamer

bibberen

beginnen

toverdrankje

makkelijk

instappen

verhalen

vergaderen

ontspannen

boodschappen

Maak er meer van. een scherp mes  twee een zwarte mol  twee een hoge hak  twee een mooie stof  twee een speciale raket  twee een Spaanse vriendin  twee een vervelende mug  twee een mooie goudvis  twee een zware klus  twee een rode roos  twee

scherpe messen zwarte mollen hoge hakken mooie stoffen speciale raketten Spaanse vriendinnen vervelende muggen mooie goudvissen zware klussen rode rozen

Klaar? Zet een kruisje. Maak oefening 9 op blz. 63. 30


Woordpakket 10 1

Oefen hier je woordpakket. de avonturen

de spinnenwebben de overvallers

bestuderen ondersteboven helaas hij huppelde de pannenkoek de boterhammen de problemen

avonturen spinnenwebben overvallers bestuderen ondersteboven helaas huppelde pannenkoek boterhammen problemen

de krokodillen

gezellig de datum

supergrote de krukken de sterretjes

de gaskamer

de temperatuur de ontploffing

tenslotte

krokodillen gezellig datum supergrote krukken sterretjes gaskamer temperatuur ontploffing tenslotte

Verdubbelen en verenkelen

Ik luister naar het einde van de klankgroep.

31

Ik

Ik

korte klank a, e, i, o, u

1 klinker en 2 medeklinkers verdubbelen

Ik

Ik

lange klank aa, ee, oo, uu

1 klinker en 1 medeklinker verenkelen

Ik

Ik

andere klank

gewoon

Hoor je na de klinker twee verschillende medeklinkers, dan doe je dus ook gewoon.


2

Zet de volgende woorden in de juiste kolom. gezellig – helaas – avonturen – huppelde – pannenkoek – datum – problemen – krukken – tenslotte – gaskamer – sterretjes – supergrote verdubbelen

verenkelen

gezellig huppelde pannenkoek krukken tenslotte sterretjes 3

4

5

helaas avonturen datum problemen gaskamer supergrote

Als je een korte klank hoort aan het einde van de klankgroep, kleur je die groen. Als je een lange klank hoort aan het einde van de klankgroep, kleur je die rood. o ver va llers

be stu de ren

tem pe ra tuur

spi nnen we bben

Vul in. Schrijf het woord over.

ff mm l nn v tt l k eigen invulling

f of ff

ontplo

ing

m of mm

beste

ing

l of ll

vanda

en

n of nn

te

v of vv

gege

t of tt

bloempo

l of ll

evo

k of kk

ka

isveld en

en

utie

elen

on der ste bo ven kro ko di llen

ont plo ffing bo ter ha mmen

ontploffing bestemming vandalen tennisveld gegeven bloempotten evolutie kakelen

Maak één goede zin met de woorden bosklassen en amuseren.

. .

Klaar? Zet een kruisje. Maak oefening 10 op blz. 63. 32


Woordpakket 11 1

Oefen hier je woordpakket. de bankkaarten de blinddoek de handdoeken de goochelaar

meegemaakt teruggevonden de zeemeerminnen het programma het vissersschip

weggelopen

bankkaarten blinddoek handdoeken goochelaar meegemaakt teruggevonden zeemeerminnen programma vissersschip weggelopen

weggooien de oppas

goochelen loochenen sneeuwwit de veearts

vannacht de villa de lotto het tempo

weggooien oppas goochelen loochenen sneeuwwit veearts vannacht villa lotto tempo

• Samengestelde woorden kun je in twee bestaande woorden hakken. ➔ Soms is de eindletter van het eerste woord dezelfde als de beginletter van het tweede. bv. sneeuw + wit → sneeuwwit … • oo voor ch schrijf je altijd dubbel. bv. goochelen • Op het einde van een woord schrijf je a, o, u enkel: ga, zo, nu. • Op het einde van een woord schrijf je ee dubbel, ook als dat woord een deel is van een ander woord: mee, meedoen, twee, tweede.

33


2

Zet de woorden in de juiste kolom. meegemaakt – lotto – goochelen – veearts – programma – goochelaar – villa – zeemeerminnen – tempo – loochenen ee altijd dubbel

oo voor ch

goochelen goochelaar loochenen lotto tempo

meegemaakt veearts zeemeerminnen programma villa a op het einde

3

Hak de samengestelde woorden in twee bestaande woorden. bankkaarten blinddoek handdoeken oppas sneeuwwit teruggevonden vannacht vissersschip weggelopen weggooien

4

o op het einde

bank blind hand op sneeuw terug van vissers weg weg

+ + + + + + + + + +

kaarten doek doeken pas wit gevonden nacht schip gelopen gooien

Rangschik de woorden alfabetisch. loochenen – zeevogels – papa – honderdduizend – menu – goochelaar – koffiekan – armband – foto – varia

armband, foto, goochelaar, honderdduizend, koffiekan, loochenen, menu, papa, varia, zeevogels Klaar? Zet een kruisje. Maak oefening 11 op blz. 64. 34


Woordpakket 12 1

Oefen hier je woordpakket. de beloning

angstig de herinnering

belangrijke de kleding

gevangen de lading

languit de ontdekking

bedank

beloning angstig herinnering belangrijke kleding gevangen lading languit ontdekking bedank

de oplossing de rechtbank de richting

bedenken plotseling enkel de spanning

enkele de verkenning de zonsondergang

oplossing rechtbank richting bedenken plotseling enkel spanning enkele verkenning zonsondergang

nk schrijf je zonder g! âž” Je kunt het woord ook verlengen om de eindletter beter te horen.

2

Schrijf de woorden van het woordpakket in de juiste kolom. ng

nk

35

richting gevangen beloning plotseling lading angstig spanning herinnering languit belangrijke ontdekking verkenning oplossing zonsondergang kleding bedank bedenken enkele rechtbank enkel


3

Vul aan met ng of nk. Schrijf het woord over.

ng verwarming nk drinkbeker ng verrassing ng visvangst nk bankkluis

verwarmi dri

beker

verrassi visva ba 4

st

kluis

ng nk nk ng nk

kledi do

zaak

erbruin

gedro

en

vernederi kla

bord

kledingzaak donkerbruin gedronken vernedering klankbord

Onderstreep de woorden met ng of nk. Schrijf de woorden over. De voorbereiding voor de praktische proef was niet zo eenvoudig. Hij moest geregeld rusten op de banken langs het parcours. Binnen de geringe tijd kon hij de verschillende oefeningen niet uitvoeren. Hij vreesde voor een bekeuring van de sportvereniging. Hij kreeg geen enkele beloning voor deze prestatie. Voor hem was deze wedstrijd een grote ontgoocheling.

voorbereiding banken langs geringe oefeningen bekeuring sportvereniging enkele beloning ontgoocheling Klaar? Zet een kruisje. Maak oefening 12 op blz. 64. 36


Werkwoorden 6 NEE

Is het een pv.?

Doe gewoon: - je verlengt, gespeeld verplaatst - of je schrijft zoals je het hoort, de vergrote foto de verbrande vinger - of ...

(ja-neevraag)

HOE SCHRIJF JE WERKWOORDEN?

JA t.t.?

v.t.?

Dat leer je volgend jaar!

Hoor je t achteraan?

NEE

JA

Doe gewoon. Bv. kom wachten antwoorden is

1

stam + t

Ik antwoord. Vind ik? Vind jij? Antwoord!

Jij antwoordt. Hij loopt. Zij antwoordt. Het regent. Een ander vindt.

Geef de stam. Vul daarna de juiste werkwoordsvorm in. infinitief (ik zal …) gaan vertrekken kunnen vinden houden gaan moeten geven vinden vragen

37

stam

stam (ik …)

ga .vertrek . kan . vind . houd . ga . moet . geef . vind . vraag .

gaan . vertrekt . kunnen . vindt . houdt . gaat . moeten . geeft . vindt . vraagt

Wanneer . Saskia

jullie op sneeuwklassen?

eind januari.

Drie kinderen

niet mee.

Een moeder Ze

Dat

De thuisblijvers De juf Leuk Hij

de busreis te gevaarlijk.

meer van reizen met de trein. vlugger!

wel naar school komen.

opdrachten voor een week.

één van de jongens dit niet.

om die taken thuis te maken.


2

Zet een kruisje in de passende kolom. 1 Is het vette woord een pv.? (ja-neevraag)

Wanneer breng je de boeken naar Kaat?

Ik … … jij/ik?

Hij/zij/het … Wij/jullie … Een ander … Anderen …

stam

stam + t infinitief

x

De professor ontdekt nieuwe zaken.

x x x

Mijn broertje zet zijn eerste stapjes. Ik vergeet soms de naam van mijn juf.

Doe gewoon.

x

Faïza antwoordt niet altijd beleefd.

Waarom word je niet naar huis gebracht?

Nee?

2 Wie of wat doet iets? (onderwerp)

Ja?

x x

Is dat beleefd?

x

Mijn grootouders zijn blij verrast. Tante Anna heeft hard gewerkt.

x

Waarom vertel je niet wat er gebeurd is?

x x

Joachim verbrandt zich aan de hete soep. Dat koude weer vind ik niet leuk. Mijn broer vraagt een racewagen.

x x x

Dat boek is sedert vrijdag uitverkocht.

x

Komen jullie morgen naar mijn film kijken? Karim antwoordt.

x

Haar vader rijdt met een limousine.

x

38


Woordpakket 13 1

Oefen hier je woordpakket. alvast de drukte het internet hij ontdekt

behalve de gasten

kletsnat de terugweg

bont het geritsel

alvast drukte internet ontdekt behalve gasten kletsnat terugweg bont geritsel

de luchtbel

totdat de wiskunde

gewerkt de macht

verderop doordat de holte

minstens de burcht

luchtbel totdat wiskunde gewerkt macht verderop doordat holte minstens burcht

Juist spellen begint bij goed luisteren.

1

luister of kijk 39

2

herhaal en onthoud

3

schrijf

4

controleer


2

Maak de letters los. Plak ze daarna terug aan elkaar. minstens: ontdekt: geritsel: alvast: internet: behalve: totdat: burcht:

3

minstens ontdekt geritsel alvast internet behalve totdat burcht

minstens ontdekt geritsel alvast internet behalve totdat burcht

Vul de zin aan met een woord uit het woordpakket. Die

gasten

uit Frankrijk begrijpen niks van onze gesprekken.

Tijdens de koopjes is er ontzettend veel

drukte kletsnat

in de winkels.

Na tien kilometer fietsen in dit regenweer waren we Op de

terugweg

.

hebben we drie keer moeten stoppen voor

een korte pauze. Die koning gebruikt zijn 4

5

macht

Maak samengestelde woorden. Schrijf het woord op. hand • • map les •

• vat

weg •

• hut

berg •

• dek

handvat lesmap wegdek berghut

verkeerd bij de plaatselijke bevolking.

drink •

• bel

lucht •

• zak

turn •

• weg

terug •

• fles

drinkfles luchtbel turnzak terugweg

Rangschik de woorden alfabetisch. kapot – bont – holte – verderop – vanaf

bont, holte, kapot, vanaf, verderop Klaar? Zet een kruisje. Maak oefening 13 op blz. 65. 40


Woordpakket 14 1

Oefen hier je woordpakket. alsmaar doorstaan het kwartier

de ontvoerders

bedroefd de geesten de liefde de spreekbeurt ik bekeek

gemaakt

alsmaar doorstaan kwartier ontvoerders bedroefd geesten liefde spreekbeurt bekeek gemaakt

meteen verwoest het bestuur de moordenaar

vooraleer daarnet de kampeerplaats het onderzoek de weerwolf de hoorn

meteen verwoest bestuur moordenaar vooraleer daarnet kampeerplaats onderzoek weerwolf hoorn

Juist spellen begint bij goed luisteren.

1

luister of kijk 41

2

herhaal en onthoud

3

schrijf

4

controleer


2

Vul de passende woorden in. kampeerplaats – kwartier We stapten een

kwartier

naar de

kampeerplaats

.

geesten – spreekbeurt Ik hield een

spreekbeurt

over het bestaan van

geesten

.

onderzoek – moordenaar Na lang

onderzoek

vonden ze de

moordenaar

.

meteen – ontvoerders

ontvoerders

De

werden

meteen

gevat.

daarnet – bestuur

bestuur

Het 3

4

daarnet

heeft

vergaderd.

Verbind de woorddelen. Schrijf het woord op. be •

• maakt

lief •

• maar

als •

• de

ge •

• droefd

bedroefd liefde alsmaar gemaakt

weer • ver •

• woest • wolf

door •

• net

daar •

• staan

weerwolf verwoest doorstaan daarnet

Schrijf bij elke tekening het passende woord. speerwerper – stoomboot – koorddanser – hoorn – duikboot

duikboot

stoomboot koorddanser

speerwerper

hoorn

Klaar? Zet een kruisje. Maak oefening 14 op blz. 65. 42


Werkwoorden 7 NEE

Is het een pv.?

Doe gewoon: - je verlengt, gespeeld verplaatst - of je schrijft zoals je het hoort, de vergrote foto de verbrande vinger - of ...

(ja-neevraag)

HOE SCHRIJF JE WERKWOORDEN?

JA t.t.?

v.t.?

Dat leer je volgend jaar!

Hoor je t achteraan?

NEE Doe gewoon. Bv. kom wachten antwoorden is

1

stam + t

Ik antwoord. Vind ik? Vind jij? Antwoord!

Jij antwoordt. Hij loopt. Zij antwoordt. Het regent. Een ander vindt.

Geef de stam. Vul daarna de juiste werkwoordsvorm in. infinitief (ik zal ‌) kijken vinden branden hebben antwoorden weigeren willen zijn eten kunnen helpen

43

JA stam

stam (ik ‌)

kijk vind brand heb antwoord weiger wil ben eet kun help

Ik

kijk

goed bij het oversteken van de weg.

vindt brandt heb antwoordt weigert wil is eet kun helpt

Mijn broer

op straat een mooi horloge.

De kachel van de buurman Gisteren Niels

De postbode Nina

Skeeleren Karsten

In die winkel Morgen

.

ik veel gezocht op internet. op de vraag van de juf. die brief af te geven.

graag model worden. niet altijd gemakkelijk.

elke dag verse groenten. je veel koopjes doen.

Fauve haar oma poetsen.


2

Zet een kruisje in de passende kolom. Vul de juiste uitgang in.

1 Is het vette woord een pv.? (ja-neevraag)

Ja?

Mijn vader loop

t

Bij vloe

t

d

Emiel antwoor Waarom he

b

Hij/zij/het … Wij/jullie … Een ander … Anderen …

stam

stam + t infinitief

x

d x

elke dag mijn poes.

x

vind je veel schelpen.

x

dt niet altijd volledig. je dat niet gevraagd?

Onze juf vertrek

t

x x

naar Mexico.

en graag computerspelletjes. Wie breng t Lies naar het station? Heel wat boeken zijn uitgepu t . Lucas heeft zijn naam veranderd . Ik antwoor d verkeerd. Ylia surf t elke dag drie uur op internet. Met een luxebus rijdt Gertie naar Spanje.

Doe gewoon.

x

niet graag.

Mijn puppy was enkele dagen verdwaal De buurman verjaag

Ik … … jij/ik?

2 Wie of wat doet iets? (onderwerp)

Nee?

x

Wij spel

x x x x x x

44


Woordpakket 15 1

Oefen hier je woordpakket. begonnen het bedraagt

behulpzaam besloten bespeuren bewusteloos gebeten de gebieden de gedachten het geheugen

begonnen bedraagt behulpzaam besloten bespeuren bewusteloos gebeten gebieden gedachten geheugen

gelopen geplaatst de geschiedenis ze veranderde

vertrokken verdwenen vervelend vernietigen jij verscheen

verschrikt

gelopen geplaatst geschiedenis veranderde vertrokken verdwenen vervelend vernietigen verscheen verschrikt

Woorden die beginnen met ge, ver of be, schrijf je met een doffe e.

45


2

Zet de woorden van het woordpakket in de juiste kolom. be ge

begonnen bedraagt behulpzaam besloten bespeuren bewusteloos 3

gebeten gebieden gedachten geheugen gelopen geplaatst geschiedenis

veranderde vertrokken verdwenen vervelend vernietigen verscheen verschrikt

Onderstreep de woorden met ge, be en ver. Schrijf de woorden op. De wielrenner viel bewusteloos na de wedstrijd. Er was geen kat te bespeuren in het informatiekantoor. Ik lees graag over de geschiedenis van de Noormannen. De muziekles was net begonnen. Joeri kan echt vervelend doen tijdens de les. Onze buren zijn plots vertrokken. Hij heeft een nieuw record gelopen. Het weer veranderde na de middag.

4

ver

Vul in met ge, be of ver. Schrijf het woord over. vriezen

be bevriezen ge gevoelig be bevorderen voelig

vorderen

ge geweldig ver verenkelen ver verdwijnen weldig

enkelen

dwijnen

bewusteloos bespeuren geschiedenis begonnen vervelend vertrokken gelopen veranderde ge gezellig ver verdubbelen ge gezien zellig

dubbelen

zien

Klaar? Zet een kruisje. Maak oefening 15 op blz. 65. 46


Woordpakket 16 1

Oefen hier je woordpakket. beleefd benieuwd levend het reuzenrad

dringend de misdaad het schoolhoofd het gebied

onbekend vliegend

beleefd benieuwd levend reuzenrad dringend misdaad schoolhoofd gebied onbekend vliegend

felrood razend voortdurend

de brandwonden

hardste de hoofdprijs het raadsel

razendsnel de held de rechterhand

felrood razend voortdurend brandwonden hardste hoofdprijs raadsel razendsnel held rechterhand

Schrijf ik d of t op het einde van een woord? âž” Maak het woord langer! bv. landen dus land, kaarten dus kaart âž” Soms zitten d- of t-woorden in een ander woord verstopt! bv. brandweer

47


2

Schrijf een woord uit het woordpakket bij de tekening.

brandwonden

held

hoofdprijs

rechterhand 3

4

Kleur de woorden waar de verlengingsregel gebruikt kan worden. honderdduizend

waarzegster

bodem

held

raadsel

dringend

beantwoord

beantwoord

Vul in: d of t. Schrijf het woord over. kamerplan gron gedich voor

5

reuzenrad

t

duren

t d t d

kamerplant grond gedicht voortdurend

har

d hardste d misdaad d dringend t gat ste

misdaa dringen

ga

Vul in: d of t. Schrijf de zin over.

d Is dat geen mooi landschap? d d Waar staat die broodmand? t d d Jacob speelt zondag die voetbalwedstrijd. d t De broodmachine van oma is kapot.

Is dat geen mooi lan Waar staat die broo

schap?

man

Jacob speelt zondag die voe De broo

?

balwe

machine van oma is kapo

strij

.

.

Klaar? Zet een kruisje. Maak oefening 16 op blz. 66. 48


Woordpakket 17 1

Oefen hier je woordpakket. bouwden de goudmijn

houten ijskoude de mevrouwen het oerwoud

ouderwets (de) trouw de tuinkabouter

akelige

bouwden goudmijn houten ijskoude mevrouwen oerwoud ouderwets trouw tuinkabouter akelige

griezelig stekelig ijverig overige hopelijk slaperige afzonderlijke gevaarlijk tamelijk vasthouden

griezelig stekelig ijverig overige hopelijk slaperige afzonderlijke gevaarlijk tamelijk vasthouden

• Je hoort een doffe e maar je schrijft ig(e): rustig, bezig, machtige … • Je hoort een doffe e maar je schrijft (e)lijk(e): heerlijk, moeilijke, mogelijke … • Je schrijft een au als het woord op je au-kaart staat. Andere woorden schrijf je met ou. Neem je au-kaart erbij!

49


2

Schrijf de woorden van het woordpakket in de juiste kolom. ig(e)

ou

bouwden oerwoud goudmijn ouderwets trouw houten ijskoude tuinkabouter mevrouwen vasthouden 3

lijk(e)

akelige hopelijk griezelig afzonderlijke stekelig gevaarlijk ijverig tamelijk overige slaperige

Rangschik de woorden alfabetisch. griezelig – gevaarlijk – afzonderlijke – ijskoude – goudmijn – ijverig

afzonderlijke, gevaarlijk, goudmijn, griezelig, ijskoude, ijverig 4

Vul in: au of ou. Schrijf het woord op.

ou ou au au

landb

w

jonkvr

w

gustus

sn 5

wde

landbouw jonkvrouw augustus snauwde

au ou ou ou

kl verk

inh vr

w

den d

wtje

klauw verkouden inhoud vrouwtje

Vul in: ig, lijk of elijk. Schrijf het woord op.

lijk persoonlijk elijk bangelijk persoon

bang

ig slaperig ig stekelig slaper

stekel

elijk feestelijk lijk ongelooflijk feest

ongeloof

Klaar? Zet een kruisje. Maak oefening 17 op blz. 67. 50


Woordpakket 18 1

Oefen hier je woordpakket.

het applaus

benauwd ik klauterde

nauwelijks nauwkeurig de pauze de adem de bezem de bodem

stiekem

applaus benauwd klauterde nauwelijks nauwkeurig pauze adem bezem bodem stiekem

de avond

vanavond bevriend de bedtijd

donkerblond onbewoond de wenkbrauwen het platteland

stomverbaasd woedend

avond vanavond bevriend bedtijd donkerblond onbewoond wenkbrauwen platteland stomverbaasd woedend

• Je schrijft een au als het woord op je au-kaart staat. Neem je au-kaart erbij! • Schrijf ik d of t op het einde van een woord? ➔ Maak het woord langer! bv. landen dus land, kaarten dus kaart ➔ Soms zitten d- of t-woorden in een ander woord verstopt! bv. brandweer

51


2

3

Schrijf de woorden van het woordpakket in de juiste kolom. au

em

applaus benauwd klauterde nauwelijks nauwkeurig pauze wenkbrauwen

adem bezem bodem stiekem

avond vanavond bevriend bedtijd donkerblond onbewoond platteland stomverbaasd woedend woedende benauwde bevriende

Maak de woorden langer. donkerblond onbewoond stomverbaasd

4

eind-d

donkerblonde onbewoonde stomverbaasde

woedend benauwd

bevriend

Vul in: au of ou. Na de voorstelling was er een daverend appl Daar heb ik tr In de p

au

ou

au

wens geen zin in!

ze verkochten ze veel ijsjes.

De kinderen mochten de hele dag k Hij werkte de oefening heel n

au

au

wkeurig af.

In de vakantie moet ik altijd de was opv Hasse is zo fier als een p

au

au

au ou

wgom k

Ik gebruik liever papieren zakdoekjes als ik verk

In

s.

ou

wen.

den ben.

wen.

w met haar nieuwe jas.

gustus vertrek ik naar de Franse kust.

De filmpjes van kab

ou

ter Wesley vindt hij leuk.

Klaar? Zet een kruisje. Maak oefening 18 op blz. 67. 52


Woordpakket 19 1

Oefen hier je woordpakket. gebracht gezocht

de kustwacht

verkocht middernacht de zoektocht

opgelucht terecht de achterkant

prachtige

gebracht gezocht kustwacht verkocht middernacht zoektocht opgelucht terecht achterkant prachtige

zichtbaar de rechterkant de krachten

reusachtig we mochten

voorzichtig de opdrachten de wachters hij juichte de vacht

zichtbaar rechterkant krachten reusachtig mochten voorzichtig opdrachten wachters juichte vacht

Na een korte klank schrijf je altijd cht, behalve bij ligt, legt en zegt.

53


2

Kleur de woorden met cht. Schrijf die woorden op. rechterkant

gevangene

vergadering verdriet

voorzichtig

zegt

verkocht

zichtbaar middernacht

vacht zichtbaar middernacht

gegeven

mochten voorzichtig

Vul in: gt of cht. Schrijf het woord over.

gt

Hij vraa

een passend antwoord aan zijn buurmeisje.

Volgende week zal het sle Hij li

gt

Dat wa

cht

weer worden.

nog steeds te slapen op de grond.

cht cht cht

Yana wa

al een paar dagen op een brief.

woord ben ik vergeten.

Het voorli 4

mochten

vacht

kustwacht

rechterkant kustwacht verkocht 3

legt

van mijn fiets is defect.

vraagt slecht ligt wacht wachtwoord voorlicht

Welk woord past in de zin? gezocht – rechterkant – voorzichtig – lichaam – toverkracht – fietstocht

lichaam

Voor biologie moeten wij alle beenderen van het Wij wonen aan de Die heks beweert

rechterkant toverkracht gezocht voorzichtig fietstocht

Ik heb lang naar die schat Ik ben steeds heel

Gisteren maakten we een

kennen.

van de straat.

te hebben. .

als ik de straat oversteek. van tachtig kilometer.

Klaar? Zet een kruisje. Maak oefening 19 op blz. 68. 54


Woordpakket 20 1

Oefen hier je woordpakket. het besluit het gemeentehuis de kruiken de onweersbui de ruimte het rusthuis

schuiven uitgeput uitgevonden uitvoeren

besluit gemeentehuis kruiken onweersbui ruimte rusthuis schuiven uitgeput uitgevonden uitvoeren

gelukkig eeuwig triestig vijfentwintig onmogelijk smakelijk werkelijk dagelijks vreselijks jarig

gelukkig eeuwig triestig vijfentwintig onmogelijk smakelijk werkelijk dagelijks vreselijks jarig

• Je hoort een doffe e maar je schrijft ig(e): rustig, bezig, machtige … • Je hoort een doffe e maar je schrijft (e)lijk(e): heerlijk, moeilijke, mogelijke … 55


2

Schrijf de woorden van het woordpakket in de juiste kolom. ig

ui

lijk

rusthuis gelukkig onmogelijk besluit eeuwig smakelijk gemeentehuis schuiven triestig werkelijk kruiken uitgeput onweersbui uitgevonden vijfentwintig dagelijks jarig vreselijks uitvoeren ruimte 3

Onderstreep de woorden met ig en lijk. Schrijf die woorden over. Bij het horen van dit droevige nieuws werden we even stil. Het optreden van de clown TricTrac was prachtig. Hij was helemaal niet gelukkig met de eerste prijs. De tafel is feestelijk gedekt voor mijn verjaardagsfeest. Mijn tante Ria is een deftige dame. Guus is niet altijd vriendelijk voor zijn huisdieren.

4

droevige prachtig gelukkig feestelijk deftige vriendelijk

Vul het woord in het rooster in.

3

7 b 4 m u 6 z o n n i g t e

d a a 2 i 1 o n v e r g e t e l i w u e i z m i 5 t u i n m a n g e

1 Die reis vergeet ik nooit meer, het is

j

8 f e e s t k e l i j k

een ... reis. 2 De raket vliegt in de ... . 3 Gisteren was hij ziek maar vandaag was hij ... in onze klas. 4 De ridders zijn erg ... . 5 In de tuin werkt een ... . 6 De zon schijnt, het is ... weer. 7 De dieven hadden een grote ... . 8 De tafel is ... gedekt.

Klaar? Zet een kruisje. Maak oefening 20 op blz. 68. 56


Werkwoorden 8 Is het een pv.? (ja-neevraag)

HOE SCHRIJF JE WERKWOORDEN?

NEE Doe gewoon: - je verlengt, gespeeld verplaatst - of je schrijft zoals je het hoort, de vergrote foto de verbrande vinger - of ...

JA t.t.?

v.t.?

Dat leer je volgend jaar!

Hoor je t achteraan?

NEE Doe gewoon. Bv. kom wachten antwoorden is

1

stam + t

Ik antwoord. Vind ik? Vind jij? Antwoord!

Jij antwoordt. Hij loopt. Zij antwoordt. Het regent. Een ander vindt.

Geef de stam. Vul daarna de juiste werkwoordsvorm in. infinitief (ik zal …) lezen antwoorden werken worden voetballen schrijven genezen wandelen verraden worden

57

JA stam

stam (ik …)

lees leest antwoord antwoordt werk Werken word wordt voetbal voetbalt schrijf schrijft genees geneest wandel wandelt verraad verraadt word wordt Luna

Dana

veel boeken. niet juist.

jullie graag in de winkel?

Volgend jaar Stijn

Dario

Met deze zalf Mijn zus Fien Er

mijn oma tachtig jaar.

bij een nieuwe ploeg.

in zijn dagboek. de wonde heel snel.

door het spookhuis.

haar tweelingzus nooit.

een baby geboren.


2

Zet een kruisje in de passende kolom. Vul de juiste uitgang in. 1 Is het vette woord een pv.? (ja-neevraag)

Ja?

Deze mountainbike kos

t

Hij/zij/het … Wij/jullie … Een ander … Anderen …

stam

stam + t infinitief

x

d.

d ik een mooie kleur. Walid vertrek t morgen naar huis. Mijn vader heeft naar muziek geluister d . Mama en papa zoek en een nieuwe zetel. Vermij d zonnebaden in de felle zon! Ze hebben dat stukje verover d . In weer en win d . Onze buurman ze t de radio heel luid. Mijn opa vertel t spannende verhalen. Het gevonden juweel is 18 karaat gou d . Zij doe t alsof het een groot geheim is. Het fees t was heel vroeg gedaan. Ik he b niks gedaan.

Doe gewoon.

x

veel geld.

Ze hebben de hele dag gespeel Groen vin

Ik … … jij/ik?

2 Wie of wat doet iets? (onderwerp)

Nee?

x x x x x x x x x x x x x

58


Woordpakket 1 1

Maak met de woorden drie zinnen. Elk woord moet minstens eenmaal voorkomen. duwt – schaduw – snauwde – verdwijnt – uw

eigen invulling

Woordpakket 2 Neem je schema van verdubbelen en verenkelen erbij! 2

59

Vul in. Schrijf het woord over.

v a

v of vv

o

er

a of aa

sl

l of ll

beta

en

e of ee

geb

ten

b of bb

ba

o of oo

beg

s of ss

Pa

u of uu

kr

perig

l e bb o s u

elen nnen en

kken

over slaperig betalen gebeten babbelen begonnen Pasen krukken


Woordpakket 3 3

Zoek bij elke rebus het passende woord.

wa = ei + + ig

- h + ige

gierig

eigenaardige

k=l + ige

+ ig

lastige

handig

Woordpakket 4 4

Onderstreep de ei-woorden in de zinnen. Toen de keizer klein was, ging hij graag met de trein op reis. Op het plein vertrok hij met een trein naar de steile bergen. Hij at graag aardbeien en dronk graag soep met prei. Eindelijk eindigt de geheimzinnige tocht door de woestijn. Tijdens de vakantie bereikt hij een mooi resultaat na lang paardrijden. 60


Woordpakket 5 • In woorden met elen, enen, eren hoor je een doffe e. • Je schrijft een ei als het woord op je ei-kaart staat. Andere woorden schrijf je met ij. Neem je ei-kaart erbij! 5

Zoek drie woorden per moeilijkheid. -elen: -eren: -enen: ei: ij

kakelen naderen tekenen reiziger ijsje

bijvoorbeeld babbelen wandelen kalveren bladeren rekenen hersenen bereikt trein bijna woestijn

Woordpakket 6 6

Maak een goede samenstelling. Schrijf het woord op. wereld • middag • rond •

61

• kamer • beroemd • eten

voetbal •

• lopen

kleed •

• ploeg

wereldberoemd middageten rondlopen voetbalploeg kleedkamer


Woordpakket 7 Je hoort een doffe e maar je schrijft (e)lijk(e): heerlijk, moeilijke, mogelijke … 7

Onderstreep alle doffe klanken in elk woord. Schrijf daarna de woorden over. gevaarlijke

verschrikkelijke

mogelijke

belachelijke

heerlijk

wonderlijke

dadelijk

vriendelijk

gemakkelijk

gevaarlijke verschrikkelijke mogelijke belachelijke heerlijk wonderlijke dadelijk vriendelijk gemakkelijk Woordpakket 8 8

Maak goede zinnen. kopen – in de supermarkt – zij – een fototoestel

Zij kopen een fototoestel in de supermarkt. van de gravin – de krokodil – de juwelen – had – opgegeten

De krokodil had de juwelen van de gravin opgegeten. amuseren – zullen – op het huwelijk – ons – we

We zullen ons op het huwelijk amuseren. 62


Woordpakket 9 Neem het schema van verdubbelen en verenkelen erbij!

9

Vul in. Schrijf het woord over.

v

v of vv

schrij

a of aa

gel

n of nn

heri

eren

e of ee

afb

lden

e of ee

dict

s of ss

uitru

ten

p of pp

mo

eren

p of pp

gra

a nn ee e s pp pp

schrijver geladen herinneren afbeelden dicteren uitrusten mopperen grappig

er

den

ren

ig

Woordpakket 10 10 Vul de passende woorden in.

problemen – de gaskamer – de ontploffing

De ontploffing problemen

de gaskamer

in

zorgde voor

.

pannenkoeken – bakken – supergrote

bakken pannenkoeken

In dat restaurant

63

ze .

supergrote


Woordpakket 11 Samengestelde woorden kun je in twee bestaande woorden hakken. ➔ Soms is de eindletter van het eerste woord dezelfde als de beginletter van het tweede. bv. sneeuw + wit → sneeuwwit … 11 Zoek vijf nieuwe samenstellingen waarbij de eindletter van het eerste woord

dezelfde is als de beginletter van het tweede woord.

feesttent weggeven kleurrijk brooddoos kelderraam

bijvoorbeeld

Woordpakket 12 12 Maak met de woorden drie zinnen.

Elk woord moet minstens eenmaal voorkomen. angstig – verdediging – drinken – tanken – camping

eigen invulling

64


Woordpakket 13 13 Zoek een rijmwoord in je woordpakket.

lacht → rond → kast → dierenvel → stapelbed → paardenkop →

macht bont alvast luchtbel internet verderop

Woordpakket 14 14 Rangschik de woorden alfabetisch.

bekeek – gemaakt – hoorn – geesten – bedroefd – bestuur

bedroefd, bekeek, bestuur, geesten, gemaakt, hoorn kwartier – verwoest – doorstaan – daarnet – vooraleer – kampeerplaats

daarnet, doorstaan, kampeerplaats, kwartier, verwoest, vooraleer 65


Woordpakket 15 Woorden die beginnen met ge, ver of be, schrijf je met een doffe e. 15 Onderstreep alle doffe klanken in elk woord.

vervelend

begonnen

vergeten

verscheen

geschiedenis

veranderde

bewusteloos

gevoelig

Woordpakket 16 16 Maak een goede samenstelling.

Schrijf het woord op. brood • feest • schep • eind • tijd •

• streep • net • schrift • trommel • tent

broodtrommel feesttent schepnet eindstreep tijdschrift 66


Woordpakket 17 17 Maak goede zinnen.

zitten – in het oerwoud – gevaarlijke dieren – er

Er zitten gevaarlijke dieren in het oerwoud. in het kantoor – ijverig – werken – de mevrouwen

De mevrouwen werken ijverig in het kantoor. ouderwets – een tuinkabouter – is – in de tuin

Een tuinkabouter in de tuin is ouderwets.

Woordpakket 18 18 Vul het passende woord in.

bezem – stiekem – vanavond – adem – bodem

Vanavond Ik was buiten

gaan wij naar het vuurwerk aan zee.

adem

Van dit stuk grond werd de Zonder

67

bezem Stiekem

na die grote inspanning.

bodem

onderzocht.

kan de heks niet vliegen. nam dat meisje een koekje uit de kast.


Woordpakket 19 19 Maak een goede samenstelling.

Schrijf het woord op. kust •

• nacht

zoek •

• tocht

zomer •

• wacht

dieren •

• kant

achter •

• vacht

kustwacht zoektocht zomernacht dierenvacht achterkant

Woordpakket 20 20 Maak een goede zin.

vijfentwintig + jarig

eigen invulling

rusthuis + dagelijks

68


Mijn moeilijke woorden Controledictee 1

69

Controledictee 2


Mijn moeilijke woorden Controledictee 3

Controledictee 4

70


Mijn moeilijke woorden Controledictee 5

71


Spellingweters 1 Woorden die je schrijft zoals je ze hoort Tip: Juist spellen begint bij goed luisteren. Hak en luister goed! Woorden: hij praat het dorp het wiel

1

luister of kijk

2

herhaal en onthoud

3

schrijf

4

controleer

2 Korte woorden met een doffe klinker een rit het doel Er is genoeg. de bel pak me! Woorden: je we ze te erop Let op: ĂŠĂŠn is niet hetzelfde als een.

72


3 Woorden met v of f Tip: De v bromt wel! De f bromt niet! Woorden: de fietstocht aftellen beleefd de fakkel we vatten

ffffffff vvvvvroem

4 Woorden met oe Tip: Bij de oe schrijf je eerst de o en dan de e. Woorden: de bedoeling driehoekige droevige de armoede de toekomst

5 Woorden met ie Tip: Bij de ie schrijf je eerst de i en dan de e. Woorden: de merrie de peterselie mammie een serie de zombie

73


6 Woorden met eu Tip: Bij de eu schrijf je eerst de e en dan de u. Woorden: de geldbeugel het reuzenrad ondeugend de keukenkast keuring

7 Woorden met een dubbel kopje of staartje Tip: l en r zijn kleefletters: je hoort iets, maar je schrijft niets. Woorden: vreselijk we grommen we plukken we zwemmen de kleding Let op: melek ď § melk dorep ď § dorp

8 Woorden met ui Tip: Bij de ui schrijf je eerst de u en dan de i. De ui schrijf je zonder j! Woorden: de achtertuin het buitenland huilende duistere het tuinhuisje

74


9 Woorden met aai, ooi, oei Tip: Luister naar het spellied! Je hoort een j maar schrijft een i. Woorden: de papegaai boeiende moois gloeiende ooit refrein Heb je een probleempje bij het schrijven van een woord, dan moet je niet panikeren, want met een liedje wordt het wat eenvoudiger om te leren.

strofe over aai, ooi en oei Als je woorden met een aai of ooi of met een oei moet schrijven, dan schrijf je op ’t einde geen j, maar een i en die moet daar altijd blijven.

10 Woorden met eeuw, ieuw Tip: Luister naar het spellied! Bij eeuw en ieuw schrijf je een u voor de w. Woorden: hij geeuwde Nieuwjaar de sneeuwbal de spreeuw ik vernieuw refrein Heb je een probleempje bij het schrijven van een woord, dan moet je niet panikeren, want met een liedje wordt het wat eenvoudiger om te leren.

75

strofe over eeuw en ieuw In leeuw hoor je eeuw en in nieuw hoor je ieuw. Onthoud hoe je ’t schrijven moet. Je schrijft een u net voor de w en dan pas schrijf je ’t goed.


11 Woorden met sch, schr, str, spr Woorden: het schoolhoofd we schuilen de streken het stripverhaal de schrijver

12 Woorden met ge, ver of be Tip: Woorden die beginnen met ge, ver of be schrijf je met een doffe e. Woorden: we beleefden de bescherming het gegrom gefietst versleten

13 Woorden met doffe e aan het einde Tip: Ook in de woordstukjes en, ens, er, ers, el en els hoor je een doffe e. Woorden: de tunnels de kapster dubbel ik tuimel de bibber

76


14 Woorden met ng of nk, ngt of nkt Tip: nk schrijf je zonder g! Je kunt het woord verlengen om de eindletter beter te horen. Bv. doodsbange dus doodsbang banken dus bank Let op: bangk ď § bank Woorden: het kettinkje blinkende de dierenwinkel de bangerik de hangmatten refrein Heb je een probleempje bij het schrijven van een woord, dan moet je niet panikeren, want met een liedje wordt het wat eenvoudiger om te leren. strofe over ng en nk Op het einde van het woordje ring daar staat een n en een g. De laatste klank van het woordje bank is nk en dat is zonder g. Als de ng of nk in het midden staan dan hoor je het verschil niet goed, maar als je het woordje langer maakt, dan hoor je hoe het moet!

77


15 Woorden met eren, elen, enen Tip: In woorden met eren, elen of enen hoor je zelfs twee keer een doffe e. Woorden: marmeren we knutselen we giechelen we ontwikkelen de kalveren

16 Verkleinwoorden op je, tje, pje, etje Tip: grondwoord + je, tje, pje of tje Bv. boekje = boek + je kindje = kind + je  Denk aan de verlengingsregel! Let op: blad – blaadje glas – glaasje

gat – gaatje bal – balletje

Woorden: het boerderijtje het kwartiertje het neushoorntje het monstertje het parapluutje

78


17 Samengestelde woorden Tip: Samengestelde woorden kun je in twee bestaande woorden hakken. Bv. deur + slot = deurslot Let op: Soms is de eindletter van het eerste woord dezelfde als de beginletter van het tweede woord. Bv: hand + doek = handdoek oor + ring = oorring Woorden: de dwerggeitjes het kelderraampje kleurrijke allang muisstil

18 Woorden met uw Tip: Een lange u voor een w schrijf je altijd enkel. Woorden: de schaduw de zenuwen we spuwen sluw sluwe

79


19 Woorden met ig(e) Tip: Je hoort een doffe e maar je schrijft ig(e). Woorden: giftige gulzig krachtig onveilig sommige

20 Woorden met (e)lijk, (e)lijke Tip: Je hoort een doffe e maar je schrijft (e)lijk(e). Woorden: aantrekkelijk gewoonlijk hartelijk onmogelijk goddelijk

80


21 Woorden met ei Tip: De ei begint met een eitje! Als je een woord in het ei-lied hoort, op de ei-plaat of op de ei-kaart (flap) ziet, dan schrijf je het met een ei. Woorden: het levenseinde de treinreis de vliegreis de paaseieren het afscheidslied Ei-lied

Een ei zoals in ei begint met een eitje! Vandaag leg ik een ei, zei de kip en ze legde een prachtexemplaar. Ze keek ernaar en dacht ‘k zag al vaak zo’n ei, maar ik weet niet goed meer waar. Ze nam haar rugzak en vertrok. Ze zocht de wereld rond. Elk woordje werd goed onderzocht tot ze heel wat eitjes vond. Ik ga op reis met de trein, zei de meid van het plein. In mei zoekt een geit klei in haar eigen wei. Het is geen geheim. Je vindt op de heide geen kleine kei, ook geen boot met een zeil. Einde.

Ei-brief

Beste mama, Ik wil reizen naar het kleinste eiland midden in de zee. Ik moet dus afscheid van je nemen, maar m’n knuffels die gaan mee. Teddy wordt er keizer, en Witje, het meisje, eigenaar van een mooie villa met een zwembad weliswaar. Ik geef ze eieren, allebei, ik koop ze op de markt. Ze lusten ze niet zachtgekookt, maar enkel keihard. Ik bouw er een paleis met een geheime gang. Ik speel er allerlei spelletjes en ik kleur er het behang. Mijn vriendinnetjes zeiden: “Duurt zo’n reis niet wat lang?” Nu ik erover nadenk, komt die toch nog wat te vroeg, want een schoolreis van een dag vind ik al lang genoeg. Ik denk dat ik deze reis een eindje zal uitstellen. Ik hoop dat je vanavond een verhaaltje zult vertellen. Liefs, Stoere Saar

81


22 Woorden met ij Tip: Als je een woord NIET in het ei-lied hoort, op de ei-plaat of op de ei-kaart (flap) ziet, dan schrijf je het met een ij. Woorden: vlakbij waarbij we blijven we kijken de prijsvraag dolblij

23 Woorden met au Tip: Als een woord in het au-lied, in de au-strip of op de au-kaart (flap) komt, dan schrijf je het met een au. Woorden: flauwgevallen lichtblauwe nauwelijks de automaten grauw Au-lied Au! Wat doet dat pijn! Wat doet dat pijn! Al die woorden in mijn hoofd. Alle woorden met een au stop ik vandaag in mijn hersenpan. Laura heeft de auto van de paus met blauwe saus overgoten. En ze pikte ook een veer van een mooie pauw, dat vond iedereen wel flauw. In augustus riep een tijger: “Help me dan! Er hangt kauwgom uit de automaat in mijn wenkbrauw! Ook mijn klauwen zijn vuil en mijn pels is grauw. Toe, was me nu maar gauw!”

82


24 Woorden met ou Tip: Als een woord NIET in het au-lied, de au-strip of op de au-kaart (flap) komt, dan schrijf je het met een ou. Woorden: gehouden goudgele houten gouden de goudmijn

25 Woorden met g of ch Tip: g of ch? Meestal schrijf je g! Let op: pech, lach en zich zijn drie woorden die je moet onthouden! Woorden: een winterdag glimlachen de rugpijn de middagpauze we logen

26 Banaanwoorden Tip: Bij sommige woorden van vreemde oorsprong mag je na de a, die soms kort wordt uitgesproken, niet verdubbelen. Je moet ze onthouden. Veel van die woorden staan op de banaanplaat. Woorden: de kamelen de parapluutjes het plafond de planeet een salon

83


27 Woorden met wr Tip: Sommige woorden worden met vr uitgesproken, maar schrijf je met wr. Je moet ze onthouden: wrat, wringen, wreed ‌ Woorden: wreed wrijven wratten wrevel wrongel wreken

28 Woorden met ond of or Tip: Sommige woorden worden met een doffe e uitgesproken maar met ond of or geschreven. Je moet ze onthouden: avond, motor ‌ Woorden: gisterenavond vrijdagavond horrorfilm

29 Woorden met em Tip: Sommige woorden worden met een doffe e uitgesproken en met em geschreven. Je moet ze onthouden. Woorden: de ademnood de zeebodem de bezems de bliksemafleider de bodemvervuiling

84


30 Woorden met een korte klank Tip: Luister goed: kort of lang? Regel: Een korte klank schrijf je altijd enkel: a, e, i, o, u. Woorden: het holletje de hutten dunner de redder ze blaffen

31 Woorden met achteraan s of f Regel: Op het einde van een woord schrijf je nooit z of v ! Woorden: zombies woonplaats terras de schooljuf de puf

32 Woorden met een lange klank Tip: Luister goed: kort of lang? Regel: Een lange klank schrijf je dubbel: aa, ee, oo, uu. Woorden: de aansteker daarboven de zeebodem de woonkamer voorlezen

85


33 Woorden met ee op het einde Regel: ee op het einde van een woord schrijf je altijd dubbel. Woorden: meemaken meespelen de zeebodem meegenomen meepakken

34 Woorden met a, o of u op het einde Regel: Op het einde van een woord schrijf je a, o en u enkel: ga, zo, nu ‌ Tip: Ook als het woord een deel is van een ander woord, schrijf je a, o en u enkel: jawel, zozeer ‌ Woorden: aha zodra de salto ziezo rara

86


35 Woorden met -d of -t, woorden met -b of -p Regel: Schrijf ik d of t, b of p op het einde van een woord? Maak het woord langer! Bv. landen dus land, kaarten dus kaart lopen dus loop, hebben dus heb Tip: Verlengen doe je zo: voeg aan het einde van een woord e, en of er toe. Soms zitten d- of t-woorden in een ander woord verstopt. Bijvoorbeeld: brandweer De regel vind je ook op de flap van je werkschrift. Woorden: donkerblond onbekend razendsnel de bladzijde doodziek

87


36 Woorden met gt of cht Tip: gt of cht? ja korte klank? a, e, i, o, u

cht

Let op: ligt, legt, zegt nee

gt

Je kunt ook naar het schema kijken op de flap van je werkschrift. Regel: Na een korte klank schrijf je altijd cht, behalve in ligt, legt en zegt. Woorden: de fietstocht de gedachten hij onderzocht opgelucht verlicht refrein Heb je een probleempje bij het schrijven van een woord, dan moet je niet panikeren, want met een liedje wordt het wat eenvoudiger om te leren. strofe over cht Het woordje nacht heeft c h t want die a die klinkt heel kort. Na een andere klank schrijf je g en t. Zo krijg je een goed rapport. De kip ligt in het hok, legt een ei en zegt tok tok. In dit rijmpje hoor je ligt, legt, zegt die schrijf je toch met g en t. 88


37 Verenkelen of verdubbelen Regel: Klankgroepen zijn woordstukjes die je gemakkelijk kunt meeklappen. Bv. pop heeft ĂŠĂŠn klankgroep, appelmoes heeft drie klankgroepen. Hoor je op het einde van de klankgroep een korte klank, dan verdubbel je de medeklinker. Hoor je op het einde van de klankgroep een lange klank, dan verenkel je de klinker. Hoor je op het einde van de klankgroep een andere klank, dan doe je gewoon. Tip: Hak het woord eerst in klankgroepen. Pas de regel toe op de laatste klank van elke klankgroep! Vergeet niet: klinkers kun je roepen, medeklinkers kun je niet roepen. Het schema vind je ook terug op de flap. ik

ik 1 klinker en 2 medeklinkers

Ik luister naar het einde van de klankgroep.

korte klank

verdubbelen

ik

ik 1 klinker en 1 medeklinker

lange klank

verenkelen

ik

ik

andere klank

gewoon

Woorden: afspreken het leventje de gewassen de linnenbak het marsmannetje

89

Zatte vette kippen stoppen bussen GROEN

Apen zweven over muren ROOD

Zieke schilders moeten genoeg rusten omdat ...

Tip Hoor je na de klinker twee verschillende medeklinkers, dan doe je dus ook gewoon.


38 Werkwoorden: de tegenwoordige tijd Regel: 1 De persoonsvorm vind je door van de zin een ja-neevraag te maken. De persoonsvorm staat dan altijd vooraan. Bv. Bouwt mijn vader veel kleine vliegtuigen? 2 Het onderwerp vind je door de vraag te stellen: Wie of wat doet iets? Het onderwerp kan in het enkelvoud of meervoud staan. 3 Je kunt het werkwoordschema enkel gebruiken als je de pv. gevonden hebt. Op de flap van je schrift vind je het schema ook, zodat je het ter ondersteuning bij de oefeningen kunt gebruiken. Woorden: Ik zwem. 1 Jij vergeet. 1 Loop jij? 1 Hij/zij antwoordt. 1 Wij babbelen. Is het een pv.? (ja-neevraag)

HOE SCHRIJF JE WERKWOORDEN?

JA t.t.?

Doe gewoon.

kom wachten antwoorden is

stam Ik antwoord. Vind ik? Vind jij? Antwoord!

JA

Doe gewoon: - je verlengt, gespeeld verplaatst - of je schrijft zoals je het hoort, de vergrote foto de verbrande vinger - of ...

v.t.?

Dat leer je volgend jaar!

Hoor je t achteraan?

NEE

NEE

stam + t Jij antwoordt. Hij loopt. Zij antwoordt. Het regent. Een ander vindt.

Je kunt ook vervangen door werken. Hoor je dan achteraan een t, dan moet je ze ook schrijven.

90


39 Woorden met oo voor ch Regel: oo voor ch schrijf je altijd dubbel. Woorden: hij goochelt hij loochent ik goochel

40 De punt, het vraagteken, het uitroepteken Regel: De punt sluit een zin af: . Het vraagteken sluit een vraagzin af: ? Het uitroepteken sluit dikwijls een zin af met een wens, een bevel of een waarschuwing: !

41 De komma en de dubbele punt Regel: De komma brengt een rustpauze in een opsomming aan. De dubbele punt kondigt een opsomming aan. Bv. Jan verzamelt vlinders, bladeren, stenen en schelpen. Dit drinkt Jan graag: wijn, bier, melk en fruitsap.

42 Hoofdletters Regel: Je schrijft een hoofdletter bij een: - naam en voornaam, - straatnaam, - plaatsnaam, - naam van een (kerkelijke) feestdag.

91