Page 1

BOEK

ERK EERW

Pr

oe

fv

er

si

e

L

XL

Vicky Aerts Stijn Buysschaert Leen Lammertijn Tom Rambaut Ria Van der Mueren


deel 4

oe

fv

er

si

e

trainen

Pr

1 Bekijk het beeld. Beschrijf wat je ziet. Wat zie je niet? 2 Wat doen de jongens? Ken je het woord voor die sport? 3 Zou jij dat ook kunnen? Zou je er hard voor moeten trainen? 4 Oefening baart kunst, wordt weleens gezegd. Geloof je dat? Leg uit vanuit je eigen ervaring. 5 Welk beeld zou jij aan het werkwoord trainen koppelen? 6 Vind je dit een geslaagde foto? Waarom wel/niet? 7 Hoe zou dit beeld tot stand gekomen zijn? 8 Is het belangrijk dat je de gezichten ziet? Waarom wel/niet? 9 Zou een close-up volgens jou hetzelfde effect hebben? Wat is het effect van een close-up?

187


© Tom Vansteenkiste

BLOED, ZWEET EN TRA(I)NEN Winny Ang

1

‘Looooooooooooopen. Springen. Bukken. Onbeweeglijk op de grond liggen. Lopen. Onopvallend. Rechtsomkeer maken. Lopen. Niet huilen. Glimlachen. Slikken. Niet bang zijn, niet bang zijn, niet bang zijn. Rusten. Slapen – maar altijd met één oog open.’ Die woorden dreunen door het hoofd van Ahmed. Het is de diepe stem van zijn papa. Of is het zijn eigen stem?

5

‘Bekijk het als een training, een training om te overleven. Een loopwedstrijd met hindernissen waarvoor oefenen noodzakelijk is. Je moet al je zintuigen gebruiken, alles nauwgezet observeren. Denk aan de naam die we je gegeven hebben, Ahmed, prijzenswaardig …’ Mama knikt bemoedigend en pakt hem stevig vast, net voor zijn vertrek geeft ze hem een zilverkleurige ketting. ‘Die ketting is nog van mijn oma geweest, ze zal je beschermen tijdens je tocht.’

e

10

er

20

Priemende blikken, als speldenkoppen in de rug. De klasgenoten kijken naar hem. De mond van meneer Jansen staat lichtjes open, er is net een vraag uit ontsnapt. ‘Oh, waar gaat het ook alweer over …?’ vliegt door Ahmeds hoofd. Enya, zijn buurmeisje, fluistert hem toe: ‘Het is DE ezel.’ Meneer Jansens wenkbrauwen gaan omhoog. Hij is een gedreven leraar met een krullende snor. ‘Oefenen, oefenen en nog eens oefenen. De enige manier om Nederlands te leren, is elke dag, elke minuut, elke seconde trainen’, zegt hij kordaat en vriendelijk tegelijkertijd. Hij hapt naar adem en vervolgt: ‘Het is zoals je spieren trainen. Een marathon loop je ook niet na één dag trainen. Probeer je te focussen, Ahmed.’

fv

15

si

Het bonkt in zijn hoofd, een grote prop krijgt Ahmed niet weggeslikt, het is een slijmerige octopus met minstens acht kronkelende tentakels. Ahmed voelt even aan de ketting verborgen onder zijn gestreepte T-shirt.

De tentakels wringen zich overal tussen, papa’s stem echoot: ‘Focussen … denk niet aan het slechte en moeilijke, train je gedachten. Blijf ademen.’

25

oe

Ahmed kijkt rond: in zijn klas zitten vijf jongens en zes meisjes, de jongste is twaalf en de oudste is vijftien jaar. Ze komen uit alle windstreken. Een ratatouille van talen, tinten, geuren … Ze zouden elkaar nooit tegengekomen zijn als ze niet waren gevlucht naar België. Sommigen met ouders, sommigen alleen.

35

‘Je moet getraind zijn in onzichtbaar worden, als een soort kameleon die verdwijnt in de achtergrond.’ De vele adviezen van papa blijven van toepassing, zelfs nu Ahmed veilig in België is. Dat had hij echt niet verwacht. Ahmeds zintuigen staan nog op scherp: eten dat anders smaakt, klanken die de eerste maanden geen enkel houvast bieden, kou lijden op de speelplaats. Alles is nieuw. Hij zou nu wel een kameleon willen zijn, niet te veel opvallen.

Pr 30

In een flits krijgt hij het heel benauwd; Ahmed zit weer in de laadbak van een rammelende bestelwagen. Zijn maag keert zich om. Meer dan drieëntwintig uren geen spoortje daglicht zien. Zonder enig tijdsbesef en met een penetrerende geur van te veel mensen bij elkaar, zo onbeweeglijk mogelijk zitten. Proberen denken aan zijn favoriete gerechten (een zoet bladerdeeggebakje met dadels en honing), de hobbelige weg naar school … en vooral blijven ademen. Wanneer Ahmed aan die tocht denkt, weet hij niet vanuit welke magische wolk hij zijn kracht haalde om het vol te houden. Bloed, zweet en tranen kostte het om door te gaan.

woord

dreunen: trillen, daveren, bonken de tentakel: beweeglijk orgaan waarmee organismen hun prooi vangen priemend: doordringend echoën: weerklinken, weerschallen, galmen de ratatouille: Frans gerecht dat bestaat uit allerlei gestoofde groenten; figuurlijk: een bont allegaartje, een mengelmoes

188

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen


Het missen van zijn familie en vrienden is een glibberig gevoel dat uitdijt naar alle uithoeken van zijn lichaam. Gelukkig bestaan Skype, Facebook en WhatsApp. Ahmeds smartphone is vastgelijmd aan zijn lichaam. Als hij niet kan slapen, kijkt hij urenlang filmpjes. Hij bidt dat zijn familie snel naar België kan komen.

‘En zoals jullie weten: oefening baart kunst’, zo eindigt meneer Jansen zijn betoog. Iedereen lacht, dit is werkelijk het stokpaardje van meneer Jansen, hij herhaalt het tot vervelens toe in elke les. Hij kijkt met een bemoedigende glimlach naar zijn leerlingen en geeft een knipoog aan Ahmed.

Pr

oe

fv

er

50

Hij logeert nu bij nonkel Sabih, een verre oom die nog bij zijn papa op school heeft gezeten. Dat voelt een beetje vertrouwd aan. Ahmed heeft pas leren fietsen in België. Dat vergde ook veel training in het park achter zijn hoek. Na school gaat hij vaak een ijsje eten met een paar klasvrienden, zijn favoriete smaak: speculaas met nootjes. Thuis gooit hij pistachenoten en honing op zijn ijs, een heerlijke combinatie.

e

45

Boven de speelplaats ziet Ahmed laaghangende wolken. Zijn gedachten gaan naar zijn stad, ver weg. Een stad vol geroezemoes en kleine steegjes, talloze geuren door elkaar en een warmte die je – zeker over de middag – platslaat. Zijn huis met zijn ouders en zijn kleine zusje Nema. Haar gejengel klinkt hier als muziek in Ahmeds oren. Gisteren gaf ze hem een kushandje op het scherm.

si

40

Beluister het verhaal en maak kennis met de auteur Winny Ang.

189


routeplanner van deel 4 trainen 

Klas 

Nr. 

Bekijk de uitdaging over quizzen, gokken en raden aandachtig. De kennis en vaardigheden die daarvoor nodig zijn, kun je op verschillende manieren inoefenen. Verken daarom de lessen van dit deel. Maak een keuze om enkele of alle lessen van dit deel zelfstandig of klassikaal af te werken. De volgorde van de lessen binnen het deel A en B en het tempo bepaal je zelf. Je start met deel A. Les 1 valt buiten deze routeplanner. In de tabel vind je een voorstel van het aantal lesuren per les. Baseer je daarop. De leraar begeleidt je. De leraar zorgt voor correctiesleutels waar nodig.

si

e

Duid in de tabel de volgorde aan van de lessen die je zult afwerken. Kruis aan wat van je leraar mag en wat moet. Duid ook aan welke les zelfstandig en welke les klassikaal wordt gemaakt. Werk voor het groepswerk samen met iemand die (ongeveer) dezelfde volgorde kiest.

er

Zet een teken in de laatste kolom als de les is afgerond. Succes!

JOUW ROUTEPLANNER aantal moet lesuren

Beeld en verhaal: ’Bloed, zweet en tra(i)nen’

0,5 - 1

Verken de uitdaging en de andere lessen + planning

0,5

oe

A

volgorde

Les 2 Het was …: verleden tijd en voltooid deelwoord

Pr

Les 3 Korte en lange zinnen

B

2

1 - 1,5

Les 6 Welke taal gebruik jij? Over taalvariatie

1

Les 4 Schrijven kun je leren

2

Les 5 Vragen over vragen

2

Uitdaging: Waag een gokje! De laatste ronde TOTAAL

190

mag

fv

lessen

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen

1-2 0,5 - 1 10,5 - 13

zelfstandig

klassikaal

afgerond


les

Beluister of lees een boek

1

luisterboek en jeugdboek kiezen

mening formuleren GERICHT NOTITIES NEMEN

voorkeur uitdrukken

Voor het luisteren of lezen OPDRACHT 1

Zoek informatie en maak dan de juiste keuze.

e

1

junior recensent worden

er

si

Bespreek deze vragen klassikaal of per twee. • Van welke bibliotheek ben jij lid? • Ben je nog geen lid? Ga dan op zoek naar informatie: wat moet je doen om lid te worden van een bibliotheek in de buurt (van je school of van waar je woont)? • Is er een schoolbibliotheek of misschien zelfs een klasbibliotheek? • Reserveer je weleens digitaal een boek in de bib? Raadpleeg je de catalogus om te kijken welke boeken er zijn in de bib waar jij lid bent? • Welke boeken kun je niet alleen lezen, maar ook beluisteren? Wat zijn luisterboeken en Daisy-boeken?

oe

fv

Op stap naar de bibliotheek. Ga eventueel per twee naar de bib waar je lid bent en vraag de bibliothecaris of een medewerker van de bib naar deze zaken. • Kun je in de bib luisterboeken van jeugdauteurs lenen? Welk systeem in verband met luisterboeken gebruikt de bib? • Worden luisterboeken dikwijls geleend? Door wie? Welke boeken worden dan vooral geleend? Welk genre? Voor welke doelgroep? • Kan de medewerker enkele ervaringen van leners van luisterboeken vertellen? Onthoud er zeker een. • Noteer minstens drie titels: in de bib kun je zowel het boek als het luisterboek lenen.

Pr

Kies een boek: luisterboek én jeugdboek (zelfde titel – zelfde auteur). Breng over het bezoek aan de bibliotheek een kort (mondeling) verslag uit in de klas.

LES 1 Beluister of lees een boek

191


2

Luisteren en lezen OPDRACHT 2

Maak een keuze.

1 Kies een van deze mogelijkheden. a Het luisterboek: je beluistert een hoofdstuk. Het leesboek: je leest het boek helemaal. b Het luisterboek: je beluistert het hele boek. Het leesboek: je leest (minstens) een hoofdstuk.

e

c Het boek is niet opgebouwd in hoofdstukken: je beluistert of leest een afgerond geheel of 20 bladzijden. Je bespreekt die optie met de leraar. Het verhaal ken je wel helemaal, door ofwel alles te beluisteren of alles te lezen. De volgende opdrachten maak je met het luisterfragment en het fragment dat je op diddit vindt.

Neem notities tijdens het luisteren of lezen.

er

OPDRACHT 3

si

2 Je combineert lezen en luisteren: je volgt mee in het boek terwijl je luistert.

Na het lezen en luisteren krijg je nog een opdracht. Tijdens het lezen of luisteren neem je enkele notities. Noteer niets in het boek, maar neem een apart blad of een klein schriftje.

fv

a Je kunt een antwoord geven op deze w-vragen: wie, wat, waar en wanneer? b Hoelang heb je gelezen of geluisterd (hele verhaal)?

c Ontdek je een verschil tussen het voorgelezen verhaal en het geschreven verhaal? Welk?

Pr

oe

d Geef je mening over het verhaal en over het lezen of luisteren: waar gaat je voorkeur naar uit?

192

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen


3

Na het luisteren of lezen Geef je mening.

er

si

e

OPDRACHT 4

fv

1 Lees enkele zinnen die een recensent schreef over een jeugdboek.

oe

‘Mr. Poppins’ is het verhaal van Guille, die later graag Mary Poppins wil worden. Meteen van bij het begin is het een fascinerend verhaal waarin je wordt meegezogen. Elk hoofdstuk wordt afwisselend door iemand anders verteld. […] Het boek is heel moeilijk in een hokje te plaatsen. Er worden zo veel verschillende onderwerpen aangeraakt: anders zijn, rouwen, verschillende culturen, verdriet, psychologische hulp … Op het eerste gezicht allemaal zware onderwerpen (en dat zijn ze ook), maar de auteur slaagt erin om ze op een zeer toegankelijke manier te verwerken. De taal is eenvoudig en licht gehouden, het lettertype eerder groot en ook de marges van de pagina’s zijn breed. Je vliegt als het ware door het boek heen.’ (Mr. Poppins van Alejandro Palomas)

Pr

Naar: K. Simaeys. ‘Mr. Poppins’, www.pluizer.be

a Wat doet een recensent?    

b Markeer een zin waar de recensent het over de inhoud heeft. c Onderstreep een zin waar het over de taal gaat.

woord

fascinerend: betoverend, spannend, avontuurlijk psychologisch: wat te maken heeft met de menselijke geest

LES 1 Beluister of lees een boek

193


d Kruip in de huid van een recensent en geef kort je mening over het verhaal. A Schrijf minstens drie zinnen over de inhoud van het gelezen of beluisterde boek.       B Schrijf twee zinnen over de manier waarop de auteur zijn verhaal brengt. Denk daarbij ook aan de taal.

e

 

si

  2 Hoe heb je het luisteren / lezen ervaren?

  

Pr



fv



Ik vind … omdat … Ik onthoud … Ik ervaar luisterboeken als … Ik verkies … omdat … Ik …

oe

• • • • •

er

Formuleer minstens drie ik-boodschappen waarin je je mening geeft over het beluisteren of lezen van een boek. Waar gaat je voorkeur naar uit? Kies uit deze formuleringen.



Je kunt: • een boek beluisteren of lezen en je voorkeur geven; • gericht notities nemen tijdens het luisteren of lezen; • je mening formuleren in een ik-boodschap.

194

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen

waarheen


word junior recensent Werk per twee en ken sterren toe aan de boeken die je beluisterde of las: van 1 tot 4 sterren.

OriĂŤnteren

o

v

u

r

1 Ken je de sterren bij films, tv-programma’s en liedjes? Staat de uitleg van de sterren ergens genoteerd? Zoek het eens op.

Voorbereiden

o

v

u

e

2 Wat betekenen voor jou de verschillende scores? Wanneer verdient een boek 1, 2, 3 of 4 sterren?

r

o

v

u

r

er

Uitvoeren

si

3 Omschrijf de verschillende scores/criteria voor het aantal sterren.

Reflecteren

fv

4 Geef nu sterren aan de boeken die je beiden las. Noteer die op een kaartje met titel en auteur en breng die ergens aan in de klas zodat anderen die ook kunnen bekijken.

o

v

u

r

oe

5 Zoek een titel van een boek dat je kent. Ga je akkoord met het aantal sterren dat erbij staat? Ken je geen enkel boek? Spreek dan een klasgenoot aan en vraag waarom zijn boek zo veel sterren kreeg. Je traject naar succes

jij 1234

Je kunt helder uitleggen waarom je boek precies zo veel sterren kreeg.

1234

Pr

Je kunt duidelijke omschrijvingen maken voor de scores/sterren.

Dit heb je over jezelf geleerd: 

 

LES 1 Beluister of lees een boek

195


les

Het was … : verleden tijd en 2 voltooid deelwoord verleden tijd gebruiken

persoon, getal, stam, uitgang inzetten voltooid deelwoord vormen

gepaste tijd bij communicatie kiezen

Weet je het nog? OPDRACHT 1

Lees de tekst. Beantwoord daarna de vragen.

e

1

spelkampioen WORDEN

er

si

(1) Een zwaluw scheert vlak boven mijn hoofd door de azuurblauwe lucht. (2) Het felle zonlicht verjaagt de laatste restjes van mijn heerlijke droom. (3) Ik knipper slaperig met mijn ogen, ga rechtop zitten en rek me uit. (4) De zon staat al boven de abdij van Ename (…) (5) Onze geiten Lokke en Liza grazen nog altijd gulzig onder de Grote Olm. M. de Bel. Nelle, Blankgoud. Antwerpen, Van Halewyck

fv

1 Over wie zou het verhaal gaan? Markeer in elke zin het onderwerp blauw.  2 Onderstreep alle werkwoorden.

oe

3 Markeer de persoonsvormen geel.

4 In welke persoon en in welk getal staan de onderwerpen en de persoonsvormen? 

Pr



5 Schrijf in deze tabel de persoonsvormen over. Elke zin is genummerd. Noteer ook de stam van het werkwoord. ZIN

PERSOONSVORM

1 2 3 3 3 4 5

196

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen

STAM


6 Wat verdwijnt er wanneer je de stam vormt?  7 Hoe vorm je het werkwoord? Vul aan. derde persoon enkelvoud (ott) =                   eerste persoon enkelvoud (ott) =                   8 Vul deze werkwoorden in de zinnen correct in. Gebruik de tegenwoordige tijd. a knikken – trappen – rijden

b afvragen

si

Je         je         wat het nou is …

e

Hij        ,         het gaspedaal wat dieper in en         met ronkende motor een vrachtwagen voorbij.

c snappen

er

‘Ik         het', zeg je en je         het ook echt.

Als opdracht 1 niet zo goed lukte, ga dan naar diddit voor extra oefeningen op de tegenwoordige tijd.

Het werkwoord is een persoonsvorm

Lees deze zinnen over Marc de Bel.

oe

OPDRACHT 2

fv

2

Toen Marc de Bel nog een kind was, viel hij uit een boomhut. Na wat huilen en met enkele builen krabbelde hij overeind en meteen flitsten er tientallen wilde boekideeën door zijn jongenshoofd …

Pr

1 Kies wat past.

In de zinnen lees je over vroeger – nu – de toekomst. De zinnen staan dus in de verleden – tegenwoordige – toekomende tijd.

2 Hoe zie je dat? (twee manieren)

                                3 Markeer die woorden in de tekst. Gebruik daarvoor twee kleuren. 4 Geef de infinitief van de werkwoorden. 

LES 2 Het was … : verleden tijd en voltooid deelwoord

197


5 Hoe zijn de werkwoorden aangepast om de verleden tijd aan te geven?      6 Onderzoek per twee de werkwoorden die in de verleden tijd staan in dit fragment uit het sprookje Repelsteeltje. Je werkt niet met de zinnen die in een lichtere kleur staan.

tip

Een werkwoord dat meer dan één keer in de tekst voorkomt, noteer je maar één keer.

e

Rangschik de werkwoorden in kolommen. Schrijf een passende titel boven de kolom en noteer onderaan een eenvoudige regel. Werk daarbij met wat je bij oefening 5 formuleerde.

er

si

Repelsteeltje Er was eens een molenaar. Hij was arm, maar hij had een mooie dochter. Op een keer kwam hij in gesprek met de koning en om zich een zeker aanzien te geven zei hij tegen hem: ‘Ik heb een dochter die van stro goud kan spinnen.’ De koning sprak tot de molenaar: ‘Dat is een kunst die mij wel bevalt. Als je dochter zo knap is als je zegt, breng haar dan morgen naar mijn paleis, dan zal ik haar op de proef stellen.’

oe

fv

Toen ze het meisje bij de koning brachten, leidde hij haar een kamer binnen die helemaal vol met stro lag. Hij gaf haar een spinnewiel en een haspel en sprak: ‘Ga maar aan het werk en als je tussen vannacht en morgenochtend dit stro niet tot goud gesponnen hebt, dan moet je sterven.’ Daarna deed hij zelf de kamer op slot en het meisje bleef alleen achter. Daar zat de arme molenaarsdochter. Ze was ten einde raad; zij wist niet hoe je van stro goud moest spinnen en haar angst werd steeds groter, zodat ze ten slotte in tranen uitbarstte.

Pr

Toen ging plots de deur open en een klein mannetje stapte naar binnen en sprak: ‘Goedenavond, molenarinnetje, waarom huil je zo?’ ‘Ach,’ antwoordde het meisje, ‘ik moet van stro goud spinnen en dat kan ik niet.’ Het mannetje sprak: ‘Wat geef je mij, als ik het voor je spin?’ ‘Mijn halsketting’, zei het meisje. Het mannetje nam de ketting aan, ging aan het spinnewiel zitten en snorre, snorre, snor, hij trok driemaal en de spoel was vol. Daarna zette hij een andere spoel op en snorre, snorre, snor, hij trok opnieuw driemaal en ook de tweede was vol. Dat ging zo door tot de ochtend, toen was al het stro gesponnen en waren alle spoelen vol goud. De koning kwam al bij zonsopgang en toen hij het goud bekeek, was hij erg verbaasd en heel blij; in zijn hart verlangde hij naar nog meer goud. Hij liet de molenaarsdochter naar een andere kamer brengen die nog veel groter was en vol met stro lag. Hij beval haar dat ook in één nacht tot goud te spinnen als haar leven haar lief was. Het meisje wist zich geen raad en huilde. Toen ging de deur weer open en het kleine mannetje verscheen en sprak: ‘Wat geef je mij, als ik dit stro voor je tot goud spin?’ (…) Gebroeders Grimm. Repelsteeltje, een sprookje van de gebroeders Grimm. www.grimmstories.com

198

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen


e

TITEL

Pr

oe

fv

er

si

VOORBEELDEN REGEL

5 Vul de gepaste tijd in. – ‘Hoe komt het’, vraagt een leeuw in de dierentuin aan een andere, ‘dat ik altijd vers vlees krijg en jij alleen bananen?’ – ‘Tja,’ antwoordt de andere, ‘eigenlijk           (willen) ze een aap kopen, maar toen           (blijken) dat er geen voorhanden           (zijn),           (kopen) ze mij.’ Waarom is er een wisseling van tijd in de tekst? 

LES 2 Het was … : verleden tijd en voltooid deelwoord

199


OPDRACHT 3

Markeer het onderwerp in elke zin. Zet de zin in de verleden tijd.

1 Noteer de stam van het werkwoord. 2 Lees de zin. Markeer daarin het onderwerp. 3 Noteer de uitgang. 4 Vul nu het werkwoord in de zin in: gebruik de verleden tijd. STAM

UITGANG

ZIN Toen            Raymie twee andere

ontmoeten

deelnemers.

e

WERKWOORD/ INFINITIEF

wedstrijd.

si

Op dansles            ze samen plannen voor de

maken

Ze            de instructies van de bekende

volgen

er

danslerares.

Plots            zich allerlei geruchten over een

verspreiden

van de deelnemers.

           die geruchten een gevaar voor de

fv

betekenen

anderen?

Raymie            lange tijd niets, maar plots            ze toch aan de bedoelingen van Billie.

oe

vermoeden twijfelen saboteren

Pr

K. Dicamillo. Neem mijn hand. Tielt, Lannoo

200

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen

Billie            inderdaad de wedstrijd …


OPDRACHT 4

Zet de werkwoorden in de gepaste tijd.

De komma, daar is eeuwenlang aan gewerkt Aristophanes van Byzantium         (leven) zo’n 2200 jaar geleden. Als bibliothecaris        (meeschrijven) hij         aan wetenschappelijke edities van boeken van Griekse dichters. Allemaal woorden achter elkaar, dat          (vinden) hij maar niets. Daarom           (beginnen) hij ter verduidelijking punten te zetten. Dat           (doen) hij boven, in het midden van en onder aan de regel. Bij zo’n punt           (kunnen) je even op adem komen tijdens het lezen en voorlezen van de teksten. Vanaf de dertiende eeuw           (gebruiken) schrijvers en later drukkers de slash, het teken /, als

e

aanduiding om in een zin even te pauzeren.

In de vijftiende eeuw           (starten) de beroemde drukker Aldus Manutius (1449-1515) met het

si

vervangen van de slash door de gekrulde komma. Vanaf de zeventiende eeuw           (worden) dat teken algemeen gebruikt in teksten.

er

Zo’n komma, hebben we die nu nog wel nodig? Ja hoor! Komma’s en andere leestekens hebben echt wel nut. Naar: Onze Taal

OPDRACHT 5

De geschiedenisles: houd jij van geschiedenis?

 

Pr



oe



fv

Waarover ging de vorige les? Noteer twee zinnen in de gepaste tijd.

LES 2 Het was … : verleden tijd en voltooid deelwoord

201


wat De verleden tijd Iets wat in het verleden gebeurde, staat in de verleden tijd. Je kunt aan een zin in de verleden tijd bijvoorbeeld het woord ‘gisteren’ of ‘toen’ toevoegen. Iets wat vandaag of in het heden gebeurt, staat in de tegenwoordige tijd. Aan die zin kun je bijvoorbeeld het woord ‘nu’ toevoegen. Wat in de toekomst komt, kun je met een tijdsaanduiding in de toekomst aangeven of je gebruikt de toekomende tijd. De toekomende tijd herken je aan het werkwoord ‘zullen’. Dat kun je op verschillende manieren vervoegen. Bv. Ik zal het morgen aan mijn ouders vragen. Zou hij het morgen nog wel weten?

e

1 De verleden tijd heeft dezelfde klank als in de infinitief. STAM + DE(N) of STAM + TE(N)

wij/jullie/zij wachtten, wasten, hoopten

er

ik/jij/hij/u antwoordde, voorspelde, duidde aan, raadde

Er zijn maar twee verschillende uitgangen: de enkelvoudsuitgang en de meervoudsuitgang. Meestal is er geen probleem bij de keuze van ‘-te’ of ‘-de’. Niemand zegt bv. ‘ik werkde’ of ‘ik opente’. Je hoort dat het ‘werkte’ en ‘opende’ moet zijn.

si

ik /jij/hij/u wachtte, waste, stichtte, hoopte

wij/jullie/zij antwoordden, voorspelden

Voor wie toch een regel wil: Je gebruikt de uitgang ‘-te’ als de stam eindigt op een medeklinker (kijkletter) van ’t kofschip of ’t fokschaap. In alle andere gevallen gebruik je de uitgang ‘-de’.

fv

hij wachtte, werkte, kefte, kuste, juichte, hoopte

oe

hij opende, speelde, wandelde, groeide

Pr

hij beleefde, verhuisde

Let op bij werkwoorden zoals beleven/ verhuizen. De stam is beleev/verhuiz (v en z zijn hier de kijkletter). Dus krijgen ze volgens de regel de uitgang ‘-de’ in de verleden tijd ondanks het feit dat je hier ‘f’ en ’s’ schrijft (letters van ‘t kofschip).

2 De verleden tijd heeft een andere klank dan in de infinitief. Veel werkwoorden hebben in de verleden tijd een andere klank dan in de infinitief. bv. vergeten – vergat, kijken – keek, lezen – las ik/jij/hij/u keek, liep, las, at, nam, bad, bood, bond … wij/jullie/zij – liepen, lazen, aten, namen, baden, boden, bonden …

202

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen

Er worden voor de hele vervoeging in de verleden tijd maar twee verschillende vormen gebruikt: de enkelvoudsvorm en de meervoudsvorm.


OPDRACHT 6

Lees de cover van Nelle, een boek van Marc de Bel dat zich in het verleden afspeelt.

Zet de werkwoorden in de verleden tijd. Vlaanderen, 1635 Na de terechtstelling van haar tante Clara als heks, krijgt de vijftienjarige Nelle de Vos onderdak bij de oude Agripus en zijn kleinzoon Wiete. Bij hen vindt ze weer rust, geborgenheid en liefde. De wereld lacht haar toe, zeker nu ze allicht zwanger is en samen met Wiete opnieuw poppenkast gaat spelen op de kermissen in de omliggende dorpen.

fv

er

si

e

Maar de katholieken treden onder druk van de dorpspastoors en de bisschoppen almaar strenger en brutaler op tegen de duivelse kunstenmaekers, terwijl de roep van het Grote Avontuur steeds luider klinkt in de oren van Nelle en Wiete. Bovendien maken ze na de voorstelling kennis met Rikkert en zijn levenslustige zus Mona, die van plan zijn om met een koopvaardijschip mee te varen naar Turkije, waar de zeden heel wat minder streng zijn, de zon het hele jaar door schijnt en poppenkastspelers op handen worden gedragen. Redenen genoeg dus om de harten van Nelle en Wiete sneller te laten kloppen, ondanks verhalen over Barbarijse piraten die naar verluidt veel goud verdienen met het verkopen van op zee buitgemaakte slaven en slavinnen …

   

Pr



oe

Om over na te denken … Waarom zou het gepast zijn om deze tekst in de verleden tijd te schrijven? Waarom zou dat hier niet gebeurd zijn?

OPDRACHT 7

Onderzoek de woordparen in de verleden tijd.

Vul de juiste vorm in. Noteer de infinitief achter elke zin. 1 mistte of miste? Hij          de penalty.          Het          heel erg vanmorgen.          2 speldde of spelde? Hij          het woord correct.

        

Hij          jou iets op de mouw.

        

woord

de penalty: strafschop

LES 2 Het was … : verleden tijd en voltooid deelwoord

203


3

De werkwoordsvorm is geen persoonsvorm OPDRACHT 8

Maak zinnen.

1 Beschrijf wat je vandaag al gedaan hebt in drie zinnen. Ik heb …    

e

2 Noteer ook twee zinnen met zaken die deze week gebeurd zijn. Er is … 

si

 

er

3 Onderzoek de zinnen die je schreef. • Onderstreep het werkwoordelijk gezegde (wwg). • Hoe is het wwg opgebouwd? • Vergelijk jouw zinnen met die van je buur.

fv

4 Verzamel de werkwoordsvormen die geen persoonsvorm zijn weer in kolommen. Let daarbij op de vorming. Werk op een apart blad.

  

oe

5 Formuleer daarna ook een besluit. Vergelijk met de vervoeging in de verleden tijd.

Lees de twee teksten.

Pr

OPDRACHT 9

204

tekst 1

tekst 2

Je hond trainen Je krijgt een nieuwe, jonge hond. Die puppy train je vaak thuis. Als je alleen met hem in de tuin oefent, dan speelt hij niet met andere honden. Een puppy maakt best kennis met andere honden. Zo wordt hij sociaal. In een hondenschool blijft hij in contact met andere, minder bekende honden. Misschien overweeg je daarom toch maar om een hond niet enkel thuis te trainen …

Je hond trainen Je hebt een nieuwe, jonge hond gekregen. Die puppy heb je vaak thuis getraind. Als je alleen met hem in de tuin geoefend hebt, dan heeft hij niet met andere honden gespeeld. Een puppy heeft best kennisgemaakt met andere honden. Zo is hij sociaal geworden. In een hondenschool is hij in contact gebleven met andere, minder bekende honden. Misschien heb je daarom toch maar overwogen om een hond niet enkel thuis te trainen …

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen


1 Welk verschil merk je tussen de twee teksten? Denk aan de tijd.   2 Markeer in de beide teksten het wwg of het nwg in elke zin en noteer ze in de tabel. tekst 2

si

e

tekst 1

er

a De werkwoorden hebben in de eerste kolom een andere vorm dan in de tweede kolom. Welke vorm herken je in de eerste kolom? En in de tweede kolom?  



fv

b Met welke hulpwerkwoorden wordt een voltooid deelwoord (vd) vervoegd? Schrijf de infinitief.



wat

Pr



oe

Hoe weet je dat je bijvoorbeeld ‘gemaakt’ met een -t schrijft en ‘geoefend’ met een -d?

Het voltooid deelwoord

De werkwoordsvormen gewerkt, geopend, gespeeld, gelezen zijn geen persoonsvormen.

Die andere vorm van het werkwoord is het voltooid deelwoord (vd). In een zin met een voltooid deelwoord staat meestal ook een persoonsvorm. Die pv helpt het voltooid deelwoord. Daarom wordt die persoonsvorm ook het hulpwerkwoord genoemd.

Een voltooid deelwoord herken je hieraan: • het eindigt op -t of -d, onregelmatige vormen dikwijls op -en of -n; • het begint dikwijls met ge-, behalve als het werkwoord al begint met be-, her-, ont-, ver- … De vorming van het voltooid deelwoord:  het voltooid deelwoord eindigt op -d of -t (bv. gewerkt, geopend): schrijf de uitgang -d of -t en luister daarvoor naar de verleden tijd.  het voltooid deelwoord eindigt op -en/-n (bv. gevonden, gelezen, gebakken, gegaan): je kent de vervoeging of zoekt die op in een woordenboek of woordenlijst. In een zin waarin je een hulpwerkwoord en een voltooid deelwoord terugvindt, wordt de voltooide tijd gebruikt.

LES 2 Het was … : verleden tijd en voltooid deelwoord

205


OPDRACHT 10 Ontdek het voltooid deelwoord.

1 Onderstreep in de eerste alinea van de tekst alle voltooide deelwoorden. 2 Vanaf de tweede alinea vorm je het voltooid deelwoord van de werkwoorden tussen haakjes. Vroeg beginnen sporten, is dat de boodschap? Florian Van Acker heeft een gouden medaille gewonnen op de Paralympische Spelen. Dat zijn de Olympische Spelen voor mensen met een beperking. Die Spelen hebben in de stad Rio de Janeiro in Brazilië plaatsgevonden. Florian heeft goud gewonnen in het tafeltennis. Ik was zeven jaar toen ik mijn eerste balletje sloeg. Ik kon het meteen goed. Ik heb ook nog andere sporten (beoefenen)            zoals judo en paardrijden. Ik ben geen mens om stil te

e

zitten. Basketten heb ik ook nog (doen)           . Maar dat ben ik ook weer vrij snel beu (worden)           . Ik heb daar hard (lopen)           , maar toch heb ik er

si

zelden of nooit de bal (krijgen)           . Ik wilde liever een sport doen waarin ik zelf de baas was.

er

Ik heb me toen bij een club voor tafeltennis in Zonnebeke (aansluiten)           . Dat was in 2007. Daar ben ik William Claerhout (tegenkomen)           . Hij heeft altijd (vinden)            dat ik goed speelde. William is nog onze buurman (zijn)           ,

fv

dat wist ik toen niet. Hij heeft heel veel voor mij (betekenen)           . Hij heeft ook veel voor mij (doen)           , allemaal gratis. Dat heb ik al vaak als echte vriendschap (benoemen)           , mensen die echt iets willen doen voor elkaar. Aan hem heb ik veel te

oe

danken.

Naar: ‘In de kijker: Op bezoek bij Florian Van Acker’, Wablieft

OPDRACHT 11 Vervolledig deze uitspraken. Vorm het voltooid deelwoord.

Het spijt me dat ik nog niet langs ben

komt van een goede vriend.

(komen)          . Ik ben heel erg

Een fijne dag en veel geluk,

(schrikken)           en wist niet wat ik

dat heb jij (verdienen)          !

moest zeggen. Maar ik denk aan je. Tot gauw.

Woorden schieten tekort. Het spijt me heel erg voor

We hebben samen (lachen)          ,

je. Wat jij (meemaken)           hebt …

(huilen),          ,

Ik ben met stomheid (slaan)          .

(spelen)          , lief en leed

Laten we er het beste van maken.

(delen)          .

Pr

De warmte van deze kaart,

206

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen


tip

OPDRACHT 12 Vergelijk deze krantenkoppen.

1 Onderzoek de koppen.

indert Aantal ongevallen verm

Als je het werkwoord vervangt door ‘werkt’ of ‘gewerkt’, hoor je al snel of je de tegenwoordige tijd of het voltooid deelwoord nodig hebt!

AA NTAL ONGEVA LL EN VERM

INDER D

Aantal ongevallen verminderde Ze zijn alle drie juist, maar waar komt het verschil vandaan als het om verminderen gaat? a Herschrijf de krantenkoppen: maak er een langere zin van.

e



 b Leg uit waarom de drie vormen correct zijn.

er



si



 

a beoefend  b beoefent 

oe

c oefent 

fv

2 Bouw nu zelf zinnen met deze werkwoordvormen.

d geoefend 

e beantwoord 

f beantwoordt 

Pr

g beantwoord 

waarheen

Je kunt: • • • •

verwoorden waarom een juiste verleden tijd noodzakelijk is voor goede communicatie; een verleden tijd herkennen en correct spellen; een tekst in de verleden tijd plaatsen; een voltooid deelwoord herkennen en correct spellen.

LES 2 Het was … : verleden tijd en voltooid deelwoord

207


Wie wordt kampioen? Je krijgt enkele stellingen en zinnen. Telkens geef je op het teken van de leraar aan of je ermee akkoord gaat of niet, of de stelling of de zin klopt of niet.

Oriënteren

o

v

u

r

1 De leraar leest een zin of een stelling. Ga je akkoord of niet? Je staat allen recht en maakt telkens een keuze. De ene kant van de klas betekent akkoord, de andere niet akkoord.

o

v

u

r

e

Voorbereiden

Uitvoeren

o

v

u

si

2 Elke zin of stelling heeft te maken met deze les: verleden tijd en voltooid deelwoord.

r

4 Hoe ging het?

fv

Reflecteren

er

3 De leraar leest. Op zijn teken ga je zo snel mogelijk aan een kant van het lokaal staan. Te lang twijfelen betekent dat je niet meer verder kunt meedoen. Op het teken van de leraar maak je dus snel een keuze!

o

v

u

r

oe

Je traject naar succes

1234

Je begrijpt elke stelling goed genoeg om een juiste keuze te maken.

1234

De zinnen over de verleden tijd lukken goed.

1234

De zinnen over het voltooid deelwoord lukken goed.

1234

Stellingen die verwijzen naar theorie lukken goed.

1234

Pr

Je kunt voldoende snel een keuze maken bij het horen van de stelling of zin.

Werkpuntje voor jezelf: 



208

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen


les

Korte en lange zinnen

3

enkelvoudige zin herkennen en bouwen

verbindingswoord/ voegwoord gebruiken

krantenbericht VERZINNEN

samengestelde zin herkennen en bouwen

Zinnen onderzoeken OPDRACHT 1

Bekijk en beluister het filmpje over judo. Lees daarna teksten 1 en 2.

e

1

tekst 2

si

tekst 1

er

Judo is een krachtsport. Veel jongens beoefenen die Judo is een krachtsport. Veel jongens beoefenen die sport. Ook meisjes doen judo. Je hebt er veel kracht sport, maar ook meisjes doen judo. Je hebt er veel voor nodig. Ook techniek is belangrijk. kracht voor nodig en ook techniek is belangrijk. Op school moeten leerlingen vaak stilzitten en als je dan zenuwachtig bent voor toetsen, kun je je uitleven op de mat. Dat is alvast een reden die meisjes geven om aan judo te doen. Ze geven nog andere redenen. Judo is niet alleen voor jongens, want meisjes kunnen het even goed of soms zelfs nog beter.

fv

Op school moeten leerlingen vaak stilzitten. Als je dan zenuwachtig bent voor toetsen, kun je je uitleven op de mat. Dat is alvast een reden die meisjes geven om aan judo te doen. Meisjes geven nog andere redenen. Judo is niet alleen voor jongens. Meisjes kunnen het even goed. Soms zelfs nog beter.

oe

Tijdens wedstrijden mogen meisjes enkel tegen Tijdens wedstrijden mogen meisjes enkel tegen meisjes vechten. Op de training mogen meisjes ook meisjes vechten, maar op de training mogen ze ook tegen jongens kampen. tegen jongens kampen. 1 Welke tekst zou het best passen bij het filmpje op televisie? Welke tekst leest het vlotst? Waarom? 

Pr



2 Lees beide boodschappen aandachtig. boodschap A

boodschap B

Veel jongens beoefenen de sport. Ook meisjes doen judo.

Veel jongens beoefenen de sport, maar ook meisjes doen judo.

Tijdens wedstrijden mogen meisjes enkel tegen meisjes vechten. Op de training mogen meisjes ook tegen jongens vechten.

Tijdens wedstrijden mogen meisjes enkel tegen meisjes vechten, maar op de training mogen ze ook tegen jongens kampen.

a Bekijk de zinnen van boodschap A. Over wie wordt iets gezegd? Markeer de onderwerpen geel. 

LES 3 Korte en lange zinnen

209


b Duid het wwg (groen) of nwg (roze) aan. Onderstreep de persoonsvorm in de zinnen. Staan pv en onderwerp telkens naast elkaar?         c Hoeveel zinnen tel je in boodschap A?         Hoeveel eindleestekens tel je?         Hoeveel eindleestekens tel je in boodschap B?         d Welke verschillen merk je tussen de zinnen van boodschap A en B?   

e



OPDRACHT 2

si



Vul een passend verbindingswoord (voegwoord) in. Kies uit: en, of, maar, want.

er

1 Houd je eerder van tennis        houd je meer van basketbal?

2 Het is erg warm vandaag,        Timo draagt toch een dikke trui.

fv

3 Ze hebben een grote zaal gehuurd,        er worden veel mensen verwacht. 4 Anderlecht werd alweer kampioen        dat hadden veel mensen voorspeld. 5 David Goffin speelde een goeie tenniswedstrijd        vind je dat hij niet goed speelde?

oe

6 Een voetbalwedstijd live meemaken is fantastisch,        de sfeer in een stadion is toch anders dan wat je hoort en ziet op televisie. 7 Ik ben drie weken geblesseerd,        binnenkort kan ik weer trainen.

Pr

8 Een tienkamper is een veelzijdige atleet        hij moet dus veel atletiekdisciplines onder de knie hebben.

OPDRACHT 3

Vul na het verbindingswoord (voegwoord) de zinnen op een correcte manier aan.

1 Zonder aarzelen nam hij de bal en  

2 Zeilen is een olympische sport of   3 Schaken is een denksport die steeds meer jongens en meisjes beoefenen, maar   4 Wie een scherpe tijd wil lopen, moet heel hard trainen, want  

210

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen


OPDRACHT 4

Markeer de samengestelde zinnen met nevenschikking met en, of, maar, want.

Denk je dat jouw brein intussen dolgedraaid is door al dat studeren? Nafi Thiam studeert en ze scoort ook nog een olympische medaille! Tijdens een meeting in Oostenrijk behaalde Belgische atletiekkampioene Nafi Thiam als een van de enige vier vrouwen ooit 7 000 punten in de zevenkamp. Na olympisch goud in Rio is dat een wereldprestatie. Ze moet dus veel trainen, maar ze wil haar hoofd ook vol aardrijkskunde stoppen! Eén woord: respect!

si

Naar: ‘Blokken met wereldkampioene Nafi Thiam’, www.redbull.com

e

Is het lastig om je studies te combineren met topsport? ‘Makkelijk is het niet, maar het is vooral een kwestie van organisatie. Je moet een goede planning opstellen. Daarna moet je die planning gewoon volgen en wordt het een gewoonte. Voor mijn studies krijg ik ook hulp van buitenaf.’

Naar: www.gezondheidsnet.nl

fv

Spoorlopen blijft probleem

er

Gezonde hersenen zorgen voor een goede lichamelijke en geestelijke conditie. Het is daarom belangrijk om ze goed te trainen en te stimuleren. Gelukkig bestaan er diverse geheugenspelletjes en die zijn heel leuk.

oe

Het aantal meldingen van spoorlopers blijft stijgen. Dat heeft spoorwegmaatschappij Infrabel laten weten. Er vielen zelfs al drie doden en drie zwaargewonden. De spoorwegmaatschappij organiseert al jaren campagnes. Daarmee willen ze de gevaren van spoorlopen duidelijk maken. Overal staan verbodsborden, camera's en waarschuwingen om mensen tegen te houden. De campagnes lijken niet te werken en dat vindt Infrabel heel jammer. Spoorlopen is levensgevaarlijk, want treinen kunnen niet altijd tijdig remmen. Spoorlopers krijgen daarom een fikse boete!

Pr

Naar: www.karrewiet.ketnet.be

wat

Enkelvoudige en samengestelde zinnen Ik zal vanavond zeker naar de training gaan. Zaterdag is er een wedstrijd. Dat zijn twee enkelvoudige zinnen. Ik zal vanavond zeker naar de training gaan, want zaterdag is er een wedstijd. Dat is een samengestelde zin. Twee enkelvoudige zinnen kunnen met een verbindingswoord (voegwoord) of een leesteken (komma, dubbele punt, puntkomma) met elkaar verbonden worden. Andere verbindingswoorden (voegwoorden) die dikwijls gebruikt worden: en, maar, of.

Voor de verbindingswoorden (voegwoorden) maar en want, schrijf je een komma. In een tekst vind je een variatie: zowel enkelvoudige als samengestelde zinnen komen aan bod.

LES 3 Korte en lange zinnen

211


OPDRACHT 5

Verbind de zinnen.

1 In de tekst ontbreken enkele verbindingswoorden (voegwoorden). Vul ze aan. 2 Markeer de samengestelde zinnen met nevenschikking. Streepjesvacht De tijger staat misschien wel het meest bekend om zijn mooie goudgele, gestreepte vacht. Door zijn strepen kan hij zich goed verstoppen in het bos. Iedere tijger heeft unieke strepen. De meeste tijgers hebben meer dan honderd strepen op hun vacht,      de strepen van iedere tijger zijn uniek.

si

e

Tijgerbrul De brul van een tijger is goed te horen,      de wilde kat maakt ook ‘infrageluid’. Dat geluid is erg laag. Wij mensen kunnen dat niet horen. Veel andere dieren horen het wel      weten zo dat ze moeten maken dat ze wegkomen. Tijgers kunnen met hun infrageluid ook partners lokken. Het lage gebrul is van veel verder weg te horen dan een gewone ‘brul’.

er

Mensendoder Mensen staan niet op het menu van tijgers,      toch hebben ze de meeste menselijke doden op hun naam staan van alle grote katten,      tijgers en mensen leven in sommige gebieden dicht bij elkaar. Enkel oude tijgers met een onvolledig gebit vallen mensen aan. Voor hen zijn wij een makkelijke prooi      dacht je van niet?

fv

Naar: ‘Weet je dit al over de tijger?’ www.natgeojunior.nl

3 Markeer de samengestelde zinnen met nevenschikking en onderstreep de passende voegwoorden.

oe

Elektrische fiets steeds populairder, ook bij jongeren De elektrische fiets raakt steeds meer ingeburgerd en wordt ook vaker gebruikt om ermee naar het werk te fietsen. Dat blijkt uit de fietsbarometer van VAB. Ook bij jongeren wordt de elektrische fiets populairder. Bijna 1 op de 5 eigenaars van een elektrische fiets is jonger dan 35.

Pr

Uit de VAB-fietsbarometer blijkt dat het fietsgebruik in Vlaanderen is toegenomen. Vooral voor het woonwerkverkeer grijpt de Vlaming vaker naar de fiets. 26 procent van de fietsers gebruikt zijn of haar fiets om naar het werk te gaan, tegenover 20 procent in 2015. Logischerwijs fietsen we dus ook meer kilometers. In 2015 fietste 17 procent meer dan 2000 kilometer per jaar en nu is dat al bijna verdubbeld tot 30 procent. De stadsfiets is nog altijd de meest gebruikte fiets om naar het werk te rijden (75 procent). Toch wisselen almaar meer mensen hun stads- of racefiets in voor een elektrische fiets. 16 procent van de werknemers die met de fiets gaan werken, gebruikt daarvoor een elektrische fiets. In 2015 was dat nog 5 procent. De elektrische fietser blijkt ook steeds jonger te worden. Bijna 1 op de 5 fietsende werknemers jonger dan 35 is in het bezit van een elektrische fiets, maar In 2015 was dat slechts 1 procent en 9 procent van de elektrische fietsers is zelfs jonger dan 25. Meer fietsers, maar ook meer ongevallen Jammer genoeg is ook het aantal ongevallen gestegen en dat zowel bij elektrische fietsers als bij de gebruikers van stads- en racefietsen. Vooral wie de fiets gebruikt voor woon-werkverkeer loopt een hoger risico op een ongeval. 33 procent van hen had de afgelopen 3 jaar een ongeval, ten opzichte van 23 procent voor vrije tijd. VAB rekent hier ook valpartijen of botsingen tegen obstakels bij.

212

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen


VAB roept de overheid op om meer aandacht te hebben voor veilige fietsroutes naar het werk. ‘Anders zou dat wel eens kunnen betekenen dat het grote potentieel van de elektrische fiets in het woon-werkverkeer afgeremd wordt’, klinkt het. Dat potentieel is groot, want 55 procent van wie nog geen elektrische fiets heeft, overweegt er een te kopen. Drie jaar geleden was dat 35 procent. Naar: VRT NWS

e

Zinnen bouwen en variëren OPDRACHT 6

si

2

4 Markeer in een andere kleur de samengestelde zinnen met onderschikking, met bijzinnen.

Schrijf op een apart blad een passende, korte tekst.

er

+

Gebruik daarbij het beeld en de opgegeven woorden. Elk tekstje bevat minstens één samengestelde zin. maar – en

want – of

waarheen

Pr

oe

fv

want – en

Je kunt:

• op een correcte manier enkelvoudige en samengestelde zinnen bouwen; • verbindingswoorden (voegwoorden) op een correcte manier in zinnen gebruiken; • van verschillende enkelvoudige zinnen één samengestelde zin maken.

LES 3 Korte en lange zinnen

213


Kruip in je pen Schrijf een kort, verzonnen nieuwsbericht bij een krantenkop.

Oriënteren

o

v

u

r

1 Vorm groepjes van drie of vier. Maak van de krantenkoppen een volwaardige zin. Daarna maak je van die zin een samengestelde zin zoals in dit voorbeeld.

Voorbereiden

o

v

u

e

Tientallen mensen dakloos na brand in flatgebouw (maar) Bv. Tientallen mensen zijn dakloos geworden na een brand in een flatgebouw. Tientallen mensen zijn dakloos geworden na een brand in een flatgebouw, maar ze zijn ondertussen opgevangen door familie en vrienden.

r

2 De opdracht bestaat uit verschillende delen.

si

Uitvoeren

fv

er

Deel 1: Lees de krantenkoppen en maak er een vlotte, enkelvoudige zin van. Bouw daarna nog een enkelvoudige zin die past als vervolg op je eerste zin. Deel 2: Iedereen van de groep kiest twee zinnen. Deel 3: Een klasgenoot controleert en vervangt enkelvoudige zinnen door samengestelde. Deel 4: Een ander oefent een controle uit.

o

v

u

r

3 Kies een krantenkop.

oe

Postkaart na 43 jaar op beste mming

in Frankrijk (maar)

WAR M WEEKEND OP KOMST (EN)

Pr

chelde (want) s r te s e W in pen hip vastgelo Containersc

Supporters zien Brugge al kampioen (of)

Deel 1: Gebruik het aangegeven verbindingswoord (voegwoord) dat tussen haakjes staat. Vorm met de twee enkelvoudige zinnen een samengestelde zin met het verbindingswoord. Deel 2: Elk groepslid neemt één van de vier zinnen en schrijft er een kort verzonnen stukje bij. Mik op een achttal korte enkelvoudige zinnen. Het wordt een nieuwsbericht bij een krantenkop. Deel 3: Vervolgens geef je je tekst door aan iemand anders van de groep. Hij controleert jouw tekst op eventuele fouten en herschrijft die zodat er minstens drie samengestelde zinnen in voorkomen. Gebruik dus dezelfde zinnen die je kreeg van het groepslid dat de tekst schreef. Deel 4: Als de opdracht af is, geef je de nieuwe tekst opnieuw door aan een derde persoon. Die controleert of alles klopt. Overleg eventueel met elkaar bij twijfel.

214

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen


Reflecteren

o

v

u

r

4 Lees de tekstjes aan elkaar voor en evalueer jezelf en een klasgenoot. Je traject naar succes

jij

je klasgenoot

1234

1234

Je schrijft bij een startzin of krantenkop een vlotte, correcte, korte tekst. 1 2 3 4

1234

Je beoordeelt op een eerlijke en objectieve manier de tekst van iemand anders.

1234

1234

Je zet een tekst met enkelvoudige zinnen op een correcte manier om in een tekst met een aantal samengestelde zinnen.

1234

1234

Je maakt van krantenkoppen enkelvoudige zinnen die beginnen met een hoofdletter en eindigen met een leesteken.

e

Werkpuntje voor jezelf: 

Pr

oe

fv

er

si



LES 3 Korte en lange zinnen

215


les

Schrijven kun je leren

4

schrijfplan gebruiken

structuur in de tekst aanbrengen: VERSLAG SCHRIJVEN

gepaste tijd in de schrijfopdracht kiezen

MOPPEN TAPPEN

voor afwisseling zorgen

Welke tekst, met welke kenmerken? OPDRACHT 1

Denk samen na over deze drie vragen.

e

1

op communicatieve situatie afstemmen

si

1 Wat is een persoonlijk verslag? 2 Welke delen horen in zo’n verslag?

OPDRACHT 2

er

3 Hoe pak je het schrijven van een persoonlijk verslag aan?

Zoek eisen (criteria) voor de schrijfopdracht. Werk per twee of per vier.

fv

1 Lees deze verslagen.

COLLEGETEAM WINT HET BASKETTOERNOOI VOOR SCHOOLPLOEGEN UIT DE EERSTE GRAAD

oe

Ons team begon als favoriet aan het toernooi en ontgoochelde niet.

Pr

Onze ploeg won tegen de Middenschool en het VTI. En telkens met duidelijke cijfers. Onze jongens moesten het in de halve finale opnemen tegen de buren van het Lyceum. Een leuke partij tussen twee goed spelende ploegen werd uiteindelijk door onze jongens gewonnen met 34-21. Onze ploeg moest in de laatste wedstrijd opnieuw tegen het VTI spelen en ook ditmaal trokken wij aan het langste eind. Het werd 33-23. Proficiat aan alle spelers voor hun inzet: Léonard, Yanis, Simon, Ahmed, Wout, Anton, Jarne en Thijs.

SPORTDAG

Op de sportdag vorige week vrijdag zwermden onze leerlingen van de eerste graad uit naar De Gavers in Harelbeke. Dat adembenemende decor nodigt simpelweg uit tot avontuur, sport en spel. De weergoden waren ons niet echt gunstig gezind. Toch trotseerden onze dappere sportievelingen de kou en waagden ze zich aan ‘de grote sprong’ vanaf de steiger. Kanoën en raften zorgden voor een vleugje competitie. Teamwork was eens te meer de sleutel tot succes! Geen boom bleek te hoog, geen touw te gevaarlijk, geen hindernis te moeilijk! De vuile was bij thuiskomst vormde daarvan absoluut het bewijs. Ook de leraren deden (soms onder sociale druk ) gewillig mee.

Kortom, we leerden elkaar op vele terreinen kennen en dat nemen we graag vanaf maandag mee terug naar de klas!

216

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen


2 Wat heb je graag gelezen? Welk fragment vind je leuk? Wat vind je overbodig? 3 Aan welke criteria/eisen moet een goed verslag voldoen? Denk ook aan de negen vragen van het communicatiemodel. Bedenk en noteer twee criteria: a een voor de vorm (taal, opbouw …):    b een voor de inhoud:   

Aan de slag met een schrijfplan OPDRACHT 3

Schrijf een verslag over …

er

2

si

e

4 Zet de criteria in volgorde van belangrijkheid. Nummer ze.

Herinner je je …

fv

Kies een van de onderwerpen om verder mee te werken. Je klasgenoten zullen je tekst lezen en misschien komt die wel op de website van de school?

OF

• • • • •

een leuk familiemoment? het spannendste wat je ooit meemaakte? een moment waarop je echt wel bang was? dat moment waarop je iemand verraste? een toffe dag/periode met vrienden?

Pr

oe

• de overstap van het basis- naar het secundair onderwijs? • een eerste toets in het secundair? • de eerste les geschiedenis, wiskunde, Nederlands, Frans, muziek, lichamelijke opvoeding … (maak een keuze)? • de kennismaking met je klasleraar? • de sportdag? • de cultuurdag?

Bereid stap 1 individueel voor. Werk op een apart blad. Daarna overleg je met een klasgenoot.

Stap 1: Verzamelen van informatie, selecteren, ordenen

1 Verzamel ideeën. a Zoek antwoorden op de vragen wie, wat, wanneer, waar, waarom, hoe? b Je vertelt iets wat zich vroeger afspeelde: denk dus goed na over welke ‘tijd’ je zult gebruiken. Wees consequent! Waarvoor kies je?  2 In welke volgorde breng je de info in het middendeel (twee alinea’s)? Vertel de verschillende stappen/gebeurtenissen in een logische volgorde. Zoek verschillende tijdsaanduidingen. 3 Maak keuzes voor de belangrijkste zaken. Bedenk ook wat de anderen graag zouden lezen.

LES 4 Schrijven kun je leren

woord

consequent: duidelijk, rechtlijnig

217


Stap 2: Wat wil je vertellen? 4 Overleg met een klasgenoot wat er wel en niet bij hoort en hoe je het schrijven zult aanpakken. a Vertel in één minuut wat jij wilt schrijven. Luister naar wat je buur gaat schrijven. Stel vragen aan elkaar over een ‘deelonderwerp’: bv. over de tijd (wanneer) en/of de plaats (waar). b Vertel nu in een minuut hoe je de tekst zult schrijven: wat doe je achtereenvolgens? Luister naar de aanpak van je buur. Probeer twee tips te geven die jij als lezer belangrijk vindt. c Kom tot afspraken: waarvoor kies je? Stap 3: Hoe ga je alles formuleren?

si

e

d Schrijf nu twee alinea’s. Werk op een apart blad, of maak een digitale versie. Houd daarbij rekening met de afspraken en de criteria. • Breng de hoofdzaken. • Hoe kun je die goed en duidelijk formuleren? • Heb je een hulplijn nodig? Het woordenboek of de woordenlijst? Een spellingcorrector? De leraar? • Herlees wat je geschreven hebt!

fv

er

Leg die alinea’s voor aan je klasgenoot. Lees dan samen na en stuur elkaar bij. • Markeer de tijdsaanduidingen als eerste controle. • Gebruik middelen zoals de spellingcorrector. • Gebruik de tips en de criteria om aan zelfreflectie te doen: stel elkaar vragen om te zien of je met de criteria aan de slag ging.

oe

e Werk je tekst af met een uitnodigende inleiding en een passend slot. • Wat hoort in een inleiding? • Wat komt in het slot? • Welke titel kies je?

Pr

f Lees eerst de tekst (zelf ) na voor je die aan ‘een lezer’ bezorgt. Bekijk nog even deze reflectievragen. • Wat vind je zelf het beste stukje? • Wat lijkt er niet zo goed of vlot? • Wat lijkt nog niet te kloppen? • Heb je verteld wat je wou? • Past je taalgebruik bij een verslag en bij het publiek dat je voor ogen hebt? • Wat zou je lezer graag over dit onderwerp te weten willen komen? • Wat wil je met je tekst bereiken? Wat is je tekstdoel? Klopt dat? • Merk je een logische lijn in je tekst?

218

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen


g Een klasgenoot leest jouw tekst en geeft commentaar. Je krijgt zowel positieve feedback als enkele tips. Gebruik daarvoor de vragen uit f. Noteer kort wat je straks gaat herwerken. Dat mag met kernwoorden. Positieve feedback:     Tips:   

e

 Stap 4: Reviseren op basis van commentaar: nalezen en herschrijven

Stap 5: Verzorgen en publiceren

er

si

h Verwerk de commentaar. • Zou je zelf de tekst lezen na het zien van de titel? Hoe kun je zorgen dat die titel de lezer aantrekt? • Zou de inleiding meer moeten aanspreken, spannender moeten zijn? • Pas aan en herschrijf die delen die nodig zijn. • Werk je digitaal? Zet de spelling- en grammaticacontrole aan. Wees kritisch.

fv

• Is je tekst klaar voor ‘publicatie’? Verzorg de afwerking: lay-out, spelling en interpunctie, zinnen, het gebruik van de tijd … • Informeer of je tekst kans maakt om op de website van de school gepubliceerd te worden. i Vul nu deze evaluatie in, voor jezelf en voor een klasgenoot van de andere groep.

oe

Je traject naar succes

jij

je klasgenoot

1234

Je tekst beantwoordt aan de ‘kenmerken’ (criteria) van een verslag.

1234

1234

Je tekst bevat de hoofdzaken: je hebt verteld wat je wou.

1234

1234

Je tekst is goed gestructureerd en bevat een inleiding, midden en slot.

1234

1234

Je hebt je tekst aan de tips van je klasgenoot aangepast.

1234

1234

Je kunt feedback en tips formuleren voor een andere leerling.

1234

1234

Pr

Je hebt de stappen vlot kunnen volgen.

Werkpuntje voor jezelf: 



Werkpuntje voor je klasgenoot:  

woord

reviseren: de tekst beter maken op basis van commentaar/feedback

LES 4 Schrijven kun je leren

219


hoe Een schrijfplan Voor het schrijven

fv

er

si

e

1 Nadenken over taalgebruik: beantwoord de vragen van het communicatiemodel.

oe

2 Plannen: een schrijfplan maken g verzamelen, selecteren, ordenen Wat weet je er al over? Wat zoek je op in boeken en op het internet? Stel jezelf vragen zoals wie, wat, waar, wanneer, waarom, waarmee, hoe. Breng de gegevens van verschillende informatiebronnen samen.

selecteren

Zoek welke info je kunt gebruiken: wat is (minder) belangrijke info? Wat past bij je bedoeling en bij je publiek? Wat wil je schrijven? Kies een tekst en houd rekening met de kenmerken van die tekst.

Pr

verzamelen

ordenen

In welke volgorde wil je de ‘boodschap’ brengen? Waarmee begin je? Wat staat in het midden? Hoe eindig je? Zorg voor een duidelijke structuur: inleiding – midden (met verschillende alinea’s) – slot (IMS). Maak een schrijfplan en een kladversie, schrijf een en ander op. Aan welke criteria (eisen) moet de taak voldoen? Met welke werkpuntjes uit vorige opdrachten moet jij rekening houden?

220

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen


Tijdens het schrijven 3 Formuleren: schrijven, structureren, herlezen Schrijf je tekst voor de eerste keer uit: houd rekening met je bedoeling, gebruik je voorbereiding. Heb aandacht voor de inhoud: correct, volledig (zeker de kern), duidelijk, gepast? Zorg voor een logische samenhang in de tekst, in de alinea’s en in de zinnen. Formuleer zo duidelijk en volledig mogelijk, zodat je lezers goed weten wat je bedoelt. Denk aan de woordkeuze en het taalregister. Schrijf aandachtig: zo maak je minder fouten en hoef je niet opnieuw te beginnen. Je kunt hulp zoeken voor wat je niet goed geformuleerd krijgt (bij een mede­ leerling of de leraar). Herlees geregeld wat je geschreven hebt.

4 Reviseren: nalezen en herschrijven

Lees je tekst kritisch na of laat hem nalezen. Controleer de inhoud, de samenhang, de titel, de opbouw of structuur, de formulering (woorden, zinnen …).

er

nalezen

si

Na het schrijven

e

uitschrijven

Vraag je af of je je doel kunt bereiken.

fv

Bekijk kritisch of en hoe je met vorige werkpuntjes rekening houdt. Verbeter waar nodig. herschrijven Herschrijf de tekst die je aan je lezer aflevert. De tekst is: aantrekkelijk – duidelijk – correct – gepast.

oe

5 Verzorgen en publiceren: inhoud – vorm – taalgebruik verzorgen

Wees precies en zorgzaam. Check ook de leestekens en de spelling. Verzorg je tekst volgens de tekst die je gekozen hebt. Vraag je af of je het de lezer gemakkelijk hebt gemaakt om jouw tekst te lezen. Je tekst ga je publiceren: je krijgt een ‘echte’ lezer.

Pr

publiceren

waarheen

Je kunt: • een verslag schrijven over een gegeven schoolse opdracht; • structuur aanbrengen in de tekst: IMS (inleiding – midden – slot); feiten t.o.v. meningen; keuze tijd: bepalingen en werkwoordtijd sporen; vasthouden aan de gekozen tijd; gepaste signaalwoorden; • in opgegeven alinea’s werken; • correcte zinnen schrijven met een afwisselende zinsbouw; • je eigen tekst reviseren.

LES 4 Schrijven kun je leren

221


Word moppentapper Vertel een mopje over dieren. De structuur in een mop is erg belangrijk. Pas op het einde mag je de ‘pointe’ of ontknoping brengen. • Je mop bevat een variatie aan zinnen. • Je vertelt in de verleden tijd. • Houd rekening met de opdracht en gebruik het schrijfplan nu als spreekplan. • Oefen eerst per twee. Geef elkaar tips en feedback. • Breng je mop dan voor de klas.

Oriënteren

o

v

u

r

Voorbereiden

o

v

u

si

e

1 Hoe vertel je een leuke mop? Ken je een mop over dieren of zoek je in een boekje met moppen of op internet?

r

er

2 Werk voor deze opdracht met een plan voor spreken, afgeleid van het schrijfplan. Vervolledig. Voor het spreken

 

fv



oe

Tijdens het spreken   

Pr

   

Na het spreken 

Uitvoeren

o

v

u

r

3 Vertel je dierenmop en houd daarbij rekening met de criteria.

222

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen


Reflecteren

o

v

u

r

4 Hoe ging het? Je traject naar succes

jij

je klasgenoot

Je hebt de stappen van schrijven naar spreken kunnen omzetten.

1234

Je tekst beantwoordt aan de ‘kenmerken’ van een mop.

1234

1234

Je gebruikt Standaardnederlands.

1234

1234

Je mop is goed gestructureerd: de pointe komt op het einde.

1234

1234

Je kunt feedback en tips formuleren voor een andere leerling.

1234

1234

e

Werkpuntje voor jezelf:  

si

Werkpuntje voor je klasgenoot: 

Pr

oe

fv

er



LES 4 Schrijven kun je leren

223


les

Vragen over vragen

5

instructie/vraag/opdracht herkennen en onderzoeken

geheugen trainen antwoorden formuleren

De foute toets of vraag? OPDRACHT 1

Bestudeer een van je vorige toetsen en leer voor de toekomst.

e

1

1 Bespreek per twee of klassikaal deze opdracht.

  b Tot welk vak behoort die vraag?

fv

c Wat vind jij precies moeilijk?

er

a Noteer een vraag die jij moeilijk vindt.

si

Denk aan een toets of vraag die voor jou moeilijk was. Herinner je je het vak? Het onderwerp van de toets? Een specifieke vraag?

d Ging het fout met die vraag? Waar dan wel? Of waarom net niet?

oe

e Waar liep of loopt het bij jou weleens fout? Voor of tijdens de toets?

Pr

2 Neem een toets van om het even welk vak. Het mag uiteraard ook van het vak Nederlands zijn. Selecteer minstens twee soorten vragen. Bespreek per twee welke soorten vragen het volgens jou zijn en hoe het antwoord er moet uitzien.

2

De ene vraag is de andere niet OPDRACHT 2

Lees de vraag en de opdracht.

A Wanneer kookt water? B Kleur de Schelde blauw. 1 Wat is het verschil tussen A en B?   2 Met welk woord begint vraag A? Markeer. 3 Geef vijf vraagwoorden. 

224

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen


4 Met welk woord begint de opdracht? Onderstreep. 5 Geef vijf instructiewoorden. 

wat Een instructie, een vraag, een opdracht Welke instructie krijg je? Moet je een vraag beantwoorden of een opdracht uitvoeren? Een opdracht kan zowel verbaal als non-verbaal zijn. Verbaal betekent met woorden, non-verbaal zonder woorden, bv. iets vergelijken of iets kleuren.

Ken je de hobby van je buur?

si

OPDRACHT 3

e

Vraagwoorden zijn bv. hoe, wanneer … Instructiewoorden zijn bv. markeer, doorstreep …

Stel hem enkele vragen: maak drie ja-neevragen en drie w-vragen of vraagwoordvragen. Denk aan het gebruik van hoofdletters en leestekens.

er

Ja-neevragen: 1  2 

fv

3 

wat

oe

Ja-neevraag = een vraag waarop je enkel met ja of nee kunt antwoorden. Die vraag begint altijd met de persoonsvorm. Bv. Lees jij graag strips van Suske en Wiske?

Pr

W-vragen of vraagwoordvragen: 1  2  3 

wat

W-vraag of vraagwoordvraag = een vraag die begint met wie, wat, waar, wanneer, waarom (= w-vraag), hoe … Het antwoord op die vraag is uitgebreider. Bv. Waar lees jij het liefst?

LES 5 Vragen over vragen

225


OPDRACHT 4

Bestudeer nog meer soorten vragen.

1 Maak een keuze: werk met een van de drie teksten. Neem de taak van je leraar een keertje over en stel vier vragen over de tekst. Schuif de tekst en de vragen door naar je buur, hij noteert de antwoorden. a Neem een boek of cursus van een van de vakken die je vandaag hebt. b Werk met deze teksten.

1

Weersverwachting voor vandaag en volgende nacht

er

si

e

Vandaag is het eerst overal zwaarbewolkt tot betrokken. In het zuidoosten kan er wat lichte regen vallen, gevolgd door enkele buien. Elders kunnen er na de middag plaatselijk enkele buien vallen. Een lokaal onweer is daarbij niet uitgesloten. Tegen het einde van de middag verschijnen er in het westen wat meer opklaringen. De maxima liggen tussen 18 graden in de Ardennen en 22 graden in de Kempen bij een matige en aan de kust soms vrij krachtige wind die draait van zuid naar zuidwest. Vanavond zijn er afwisselend buien, mogelijk met onweer, en enkele opklaringen. Vooral na middernacht zijn er over heel het land onweersbuien mogelijk. Plaatselijk kunnen de buien hevig zijn. De temperaturen dalen naar waarden tussen 15 en 17 graden. De wind is meestal matig en aan de kust soms vrij krachtig uit zuid tot zuidwest.

2

fv

Naar: www.meteo.be

Weersverwachting voor morgen vrijdag

Pr

oe

Vrijdag krijgen we 's ochtends perioden van lichte regen in de noordelijke helft van het land en nog enkele (onweers)buien in het zuiden. Na de middag neemt de buienneiging geleidelijk af vanuit het westen en verschijnen er stilaan brede opklaringen. Tussen de opklaringen door kan er her en der wel nog een bui vallen. De kans daarop is het grootst in het zuidoosten van het land. De maxima schommelen tussen 17 graden in de Hoge Ardennen en 21 of 22 graden in het centrum. De zuidwestenwind waait matig, aan zee vrij krachtig. Vrijdagavond zijn er mogelijk nog enkele buitjes in het zuidoosten. Elders is het droog. 's Nachts wordt het meestal licht- tot halfbewolkt. Tegen de ochtend komt er vanuit het westen meer bewolking en kan er een spatje regen vallen aan de kust. De minima liggen tussen 8 en 15 graden bij een meestal matige zuidwester. Naar: www.meteo.be

226

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen


3

Heel wat Vlamingen bewegen te weinig om gezond te zijn, want gezond bewegen is meer dan slenteren of kuieren. Nochtans is stevig wandelen, recreatief zwemmen of fietsen haalbaar voor velen en goed voor lichaam én geest. Matig intensief bewegen levert je meer gezondheidsvoordeel op dan licht intensieve bewegingen: zowel fysiek als mentaal. Beweeg dagelijks dus ook een stukje aan matige intensiteit. Je vindt deze manier van bewegen terug in de middelste groene zone van de bewegingsdriehoek. De bewegingsintensiteit van de lagen eronder en erboven is respectievelijk lager en hoger. Wat is matig intensief bewegen?

si

Matig intensief bewegen, wat doet dat met je? Je gaat sneller ademen, dat noemen we aeroob bewegen. Je hart slaat sneller. Je bent niet buiten adem. Je kunt nog gewoon praten.

e

Op de figuur zie je twee cirkelhelften. De bovenste helft staat voor lang stilzitten of ‘sedentair gedrag’, de andere helft geeft de drie vormen van lichaamsbeweging weer.

fv

er

Moet je sporten om matig intensief te bewegen? Nee, zeker niet. Sporten kan matig intensief zijn, maar doe je in je vrije tijd en heb je meestal gepland. Het verschil met licht intensief bewegen? Bij matig intensief bewegen kan je nog praten, maar een liedje zingen lukt al moeilijker. Wist je dat je ook in je dagelijkse leven vaker matig intensief beweegt dan je denkt?

oe

Enkele voorbeelden: fietsen naar school of het werk harken in de tuin ramen wassen

Denk dus niet dat je buitengewone inspanningen moet doen: voldoende matig intensieve beweging, levert je al heel wat gezondheidsvoordeel op. Naar: gezondleven.be

Pr

c Stel deze vier soorten vragen. Noteer die op een apart blad. Laat plaats om een antwoord te noteren. A een ja-neevraag B een vraagwoordvraag C een meervoudige vraag D een meerkeuzevraag

2 Bespreek de vragen per twee na de oefening. a Zijn alle vragen duidelijk beantwoord en krijg je de antwoorden die je verwacht? Waarom / waarom niet? b Welke vragen zijn moeilijk op te stellen? Waarom? c Welke zijn moeilijk te beantwoorden? Waarom?

LES 5 Vragen over vragen

227


3 Noteer nu zelf een besluit: wat is een meervoudige vraag en wat is een meerkeuzevraag?     

Vraag en antwoord OPDRACHT 5

Markeer de vraagwoorden of de instructiewoorden.

Combineer de twee kolommen. Wat wordt er verwacht?

si

3

e



Hoe verklaren wetenschappers de werking van de zwaartekracht?

1

zeggen hoe het werkt

b

Waar ligt Suriname?

2

een naam geven

c

Rangschik de namen alfabetisch.

3

een definitie geven

d

Duid in de afbeelding de stamper in de bloem aan. 4

e

Leg uit hoe je een nieuw contact kunt opnemen op je smartphone.

5

een plaats aangeven, lokaliseren

er

a

fv

je mening geven

Som de provincies van België op.

6

duidelijk maken waarom het zo is

Waarom worden baby’s ingeënt tegen een reeks ziektes?

7

een opsomming geven (zonder uitleg)

h

Hoe noem je iemand die huidziektes onderzoekt?

8

een oorzaak/reden geven

i

Wat is een lijnstuk?

9

de juiste term geven

j

Wat vind je van de nieuwste strip van Suske en Wiske?

10 een kruisje, letter, symbool op een afbeelding plaatsen

k

Wanneer eindigde de Eerste Wereldoorlog?

11

l

Wie is de eerste minister van ons land?

12 een getal geven

Pr

oe

f g

m Hoeveel landen behoren tot de Europese Unie? a

b

c

d

e

f

een tijdstip geven

13 in een bepaalde volgorde zetten g

h

i

j

k

l

m

woord

lokaliseren: bepalen waar iets zich bevindt

228

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen


OPDRACHT 6

Onderzoek de vraag.

Hoe zou het antwoord eruit moeten zien? a Wat is een ‘parfait’? A Vraagwoord(en)?  Hoeveel delen in de vraag / het antwoord?     B Waarover wordt er iets gevraagd?  C Formuleer het antwoord. Een 

(onderwerp van de vraag)

is 

A Vraagwoord(en)? 

B Waarover wordt er iets gevraagd? 

er

Hoeveel delen in de vraag / het antwoord?    

si

b Waar bevinden de nieren zich en welke functie hebben ze?

e

(uitleg).



C Welk(e) woord(en) moet(en) zeker in je antwoord komen? 

fv

D Formuleer het antwoord.

            (onderwerp van de vraag) bevinden zich 



oe

                  (positie geven). Hun functie is  (functie geven).

c Waarom gebruik je het best zonnecrème als je lang buiten bent in de zon? A Vraagwoord(en) 

Pr

Hoeveel delen in de vraag / het antwoord?     B Wat moet zeker in je antwoord komen? 

C Formuleer het antwoord. Ik 

(onderwerp van de vraag)

omdat  

LES 5 Vragen over vragen

(reden geven).

229


hoe De relatie tussen de vraag en het antwoord Afhankelijk van de soort vraag pas je jouw manier van antwoorden aan. Ontleed de vraag voor je een antwoord formuleert!

OPDRACHT 7

Hoe ziet het antwoord eruit? Bespreek mondeling.

e

O Welk vraagwoord/instructiewoord staat er? Hoeveel delen komen er in het antwoord? V Wat moet zeker in je antwoord komen? Wat heb je nodig om je opdracht uit te voeren? U Formuleer het antwoord of voer de opdracht uit. R Controleer de vorige drie stappen.

1 Waarmee kun je de lengte meten?

tip

Markeer het vraagwoord of instructiewoord.

2 Teken bovenaan het blad een driehoek ABC.

er

3 Leg uit: groenten blancheren.

si

Bv. Hoelang duurde de Eerste Wereldoorlog? Het antwoord geeft een periode: aantal jaren.

4 Noteer de naam van drie auteurs die nu een boek in de Kinder- en Jeugdjury hebben. 5 Wie is de nieuwe trainer van de eerste ploeg?

fv

6 Hoeveel dagen telt februari in een schrikkeljaar? 7 Wanneer start het eerste lesuur na de middag?

8 Zet in de juiste volgorde, rangschik van klein naar groot: 0.15 – 1.5 – 15 – 0.3 inleiding titel illustratie slot tussentitel alinea midden

Pr

OO OO OO OO OO OO OO

oe

9 Welke drie delen vind je altijd in een goede tekst terug? Vink aan.

10 Welk woord past bij welk vak? Koppel de woorden met de vakken door de passende bolletjes met elkaar te verbinden. een passer O een atlas O de beschaving O energie O werkwoorden O

230

O aardrijkskunde O wiskunde

O techniek O geschiedenis O Nederlands

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen


hoe Vraag bepaalt opbouw van antwoord Je antwoord bestaat uit evenveel delen als er vraagwoorden of instructiewoorden zijn. Bepaalde vraagwoorden hebben vaste antwoordvormen. De informatie in het antwoord is aan het vraagwoord gekoppeld.

Nog meer schooltaal ‌ OPDRACHT 8

si

4

e

Waarom? reden, oorzaak Waar? plaats Wie? naam/persoon Wanneer? tijdsaanduiding, periode

Wat betekent het?

er

Leid de betekenis van de cursief gedrukte woorden af uit de context van de zin. Zoek nadien pas de betekenis op in het woordenboek. Je noteert alleen de betekenis die in de zin past. 1 Ik heb je vraag niet goed begrepen. Formuleer je ze eens opnieuw?

fv

Je denkt dat formuleren betekent:  In het woordenboek vind je: 

2 Je zult een goede verklaring moeten hebben waarom je te laat bent!

oe

Je denkt dat verklaring betekent:  In het woordenboek vind je: 

3 Illustreer je antwoord met een voorbeeld uit de les.

Pr

Je denkt dat illustreren betekent:  In het woordenboek vind je: 

4 Als huiswerk schematiseer je de tekst die we tijdens de les lazen. Je denkt dat schematiseren betekent:  In het woordenboek vind je: 

5 Vergelijk de grafieken. Je denkt dat vergelijken betekent:   In het woordenboek vind je:  

LES 5 Vragen over vragen

231


OPDRACHT 9

Ontleed de vraag of opdracht.

1 Wat bedoelt je leraar geschiedenis? a Geef de kenmerken van de gotische kunst.  b In de les van vandaag behandelen we het ontstaan van de middeleeuwse stad.  c Geef drie oorzaken van de bevolkingsdaling in de 14de eeuw. 

e

2 Wat bedoelt je leraar Nederlands? a Je moet dringend je schrijfwijze verzorgen.

si



b Het onderwerp van je spreekopdracht mag je zelf kiezen.

er



c Ik maak geen onderscheid tussen de meisjes en de jongens in de klas. Iedereen is gelijk. 

fv

3 Wat bedoelt je leraar wiskunde?

a Vergeet niet al je gegevens te controleren voor je die berekening maakt.

oe



b Bewijs mij dat je voor deze toets gestudeerd hebt. 

4 Wat bedoelt je klasleraar?

Pr

a Ik wil elke week in de agenda een overzicht zien van alle resultaten. 

b Wat concludeer je na de aanmerking in je agenda van je leraar techniek? 

waarheen Je kunt: • • • •

232

een vraag of opdracht correct lezen; de informatie uit de vraag gebruiken om het antwoord te formuleren; een juist en volledig antwoord formuleren; verschillende soorten vragen herkennen.

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen


Geheugenwerk trainen Zoek ezelsbruggetjes om moeilijk te onthouden zaken beter in je geheugen te krijgen. Eerst leren en dan vlot vragen en opdrachten kunnen aanpakken ...

Oriënteren

o

v

u

r

1 Wat is een ezelsbruggetje?  2 Krijg je van een leraar soms een ezelsbruggetje aangereikt? Voor welk vak? Geef hier een voorbeeld.

e



Voorbereiden

o

v

u

si



r

er

3 Waar kun je ezelsbruggetjes vinden? Noteer een bron die je raadpleegt. Selecteer de meest geschikte bronnen. 



o

v

u

r

oe

Uitvoeren

fv



4 Zoek voor drie verschillende vakken minstens één ezelsbruggetje en noteer dat op een apart blad. Noteer er het vak bij en de bron. Probeer ook het verband te verklaren. Bv. Om te concurreren moet je met zijn tweeën zijn. g Je kunt niet met jezelf concurreren, daarom schrijf je meer dan één r.

Pr

5 Heb je zelf al een ezelsbruggetje gemaakt? Deel dat met je klasgenoten. Noteer dat ook. 6 Stel een (toets)vraag waarbij je minstens een van de ezelsbruggetjes kunt gebruiken.

Reflecteren

o

v

u

r

7 Hoe ging het? Je traject naar succes Je kunt websites vinden met ezelsbruggetjes.

1234

Je noteert de bron van de geselecteerde websites.

1234

Werkpuntje voor jezelf:  

LES 5 Vragen over vragen

233


les

Welke taal gebruik jij? Over taalvariatie

6

afkortingen begrijpen en gebruiken taalvariatie of taalvariëteit (h)erkennen

afkortingenlijst OPSTELLEN

Begrijp je de boodschap? OPDRACHT 1

Bekijk, lees, beluister deze fragmenten.

1 Denk aan de vragen van het communicatiemodel.

er

si

Gericht kijken, luisteren en lezen doe je aan de hand van vragen. • Wie is de zender/ontvanger? • Wat is de boodschap? • Waarover zou de boodschap gaan? • Wat is de bedoeling?

e

1

formeel en informeel taalgebruik gepast inzetten: dialect of Standaardnederlands

A  Als we kussen, dan geven we een pieper.’

luggage

luggage

Pr

oe

fv

Als we werken, dan doen we deure. Als we prutsen, dan zijn we aan tjoolen. Als we voortdoen, dan geven we sjette. En als we westvlaanderen, dan doen we dat met hart en ziel.

B

234

C  'Ma ge kunt ni zonder, hè?'

D ‘Ek verkuup verscheilende sorten alme, gelijk

E  ‘Ik wil vanavond eens flink boozen en shaken!’

F  ‘Heb jij al een pinpas om te pinnen?’

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen

tournaviezn, liern, okkers, moar uuk dingn veur de lochting, gelijk kurtwoans en rikkn.’


G ‘Aangezien wij aanstaande week tien jaar gehuwd H ‘Of m.a.w. d.w.z. dat we e.e.a. zullen krijgen.’ zijn, nodigen wij u alsook uw partner uit op een I ’t Is 4U.’ diner in onze woonst.’ J K Brabants

sjoon

gère

graag

gaer

gelijk

zoals, direct

wie, geliek

mee

met, meteen

mit

gij

jij

geer, doe

wijd

ver

wied

neì

nieuw

nuuj, nuud

e

mooi

si

3 Waar zit volgens jou het probleem?

er



Limburgs

skon

2 Welke boodschappen begrijp je helemaal? 

Hollands

 

  

oe

fv

4 Wanneer is een dialect spreken volgens jou geen probleem?

5 a Welke woorden uit deze voorbeelden gebruiken jongeren als ze met elkaar communiceren? 

Pr

b Geef zelf enkele voorbeelden van jongerentaal. 

c Wanneer gebruik jij jongerentaal? Wanneer zeker niet? Waarom is dat zo?  

6 In welke situaties is het gebruik van standaardtaal belangrijk? Geef minstens drie voorbeelden. Denk aan de negen vragen van het communicatiemodel.    

LES 6 Welke taal gebruik jij? Over taalvariatie

235


7 a Waarvoor staan deze afkortingen: m.a.w. – d.w.z. – e.e.a.?  b Wanneer gebruik jij zelf afkortingen?  c Welke afspraken kun je maken over het gebruik van afkortingen op school?  

Kan en mag het korter? OPDRACHT 2

si

2

e



Lees de uitleg over de soorten afkortingen.

er

Vul zelf minstens twee voorbeelden aan in de laatste kolom. NAAM

VERKORTE SCHRIJFWIJZE VAN

woord dat of woordgroep die we bij het lezen vervangen door volledige woorden

symbolen

(inter)nationaal vastgelegde schrijfwijze voor begrippen

met punt(en)

oe

zonder punt(en)

woorden die je als een reeks letters uitspreekt

zonder punt(en)

letterwoorden

woorden die je als een woord uitspreekt

zonder punt(en)

Pr

initiaalwoorden

verkortingen

VOORBEELD

fv

(echte) afkortingen

SCHRIJFWIJZE

woord(groep) waarvan een of meer woorddelen weggelaten wordt

zonder punt(en)

wat Afkortingen Een afkorting is een verzamelnaam voor woorden die niet volledig geschreven worden. De officiële afkortingen worden op die manier ingedeeld. De juiste schrijfwijze van officiële afkortingen kun je opzoeken in het woordenboek. ‘Eigen’ afkortingen kun je gebruiken als je (snel) notities wilt nemen.

236

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen


3

Hoe moet het? OPDRACHT 2

Bekijk de communicatieve situaties.

1 Bespreek ze eerst per twee. a Wie is er in gesprek? Waarover zou het gesprek kunnen gaan? Welke taal gebruiken ze?

B

si

e

A

D

oe

b Vul de tabel aan.

fv

er

C

Welke gesprekken horen bij elkaar?

Pr

Wie is er in gesprek?

Welk soort gesprek voeren ze? Markeer.

ernstig gesprek / losse babbel

ernstig gesprek / losse babbel

Welke taal gebruiken ze? Markeer.

dialect / Standaardnederlands

dialect / Standaardnederlands

c Noteer boven de tweede en derde kolom of het om een formele of informele communicatieve situatie of context gaat.

LES 6 Welke taal gebruik jij? Over taalvariatie

237


2 Bekijk de twee brieven. Let op de uiterlijke verschillen. Vul daarna de tabel aan: markeer wat klopt.

A Kaat Janssens Leuvensesteenweg 44 1800 VILVOORDE Reizen Delmonte Brouckèreplein 6 1000 BRUSSEL Vilvoorde, 20 juli 2019 Reis naar Oostenrijk van 10 tot 19 juli 2019 Geachte heer of mevrouw Graag wil ik u danken voor de goede organisatie van de fietsreis in Oostenrijk.

e

Zoals u in het bijgevoegde beoordelingskaartje kunt lezen, ben ik erg tevreden over de reis. Toch zou ik graag twee punten willen signaleren waarover ik minder te spreken ben. Toen ik de reis in uw kantoor in Vilvoorde boekte, stond op de boekingsdocumenten dat de treinreis niet meer afzonderlijk geboekt hoefde te worden. Toen ik twee weken later de reisdocumenten kreeg, bleek dat we toch nog met het reisbureau contact moesten opnemen om de treinreis te regelen. Ik heb daarna drie keer moeten bellen voordat het duidelijk werd dat de treinreis al geregeld was. Voorts wil ik melden dat de reisbrochure geen precies overzicht geeft van wat in de reis begrepen is. Zo was het voor ons niet duidelijk of de lunchpakketten wel of niet bij de reissom inbegrepen waren.

si

Met vriendelijke groeten

Kaat Janssens

fv

er

Bijlage: beoordelingskaartje

Pr

oe

B

brief A

238

brief B

Wie schrijft naar wie?

Zender en ontvanger kennen elkaar wel / niet.

Zender en ontvanger kennen elkaar wel / niet.

Wat is de bedoeling van de zender?

informeren / overtuigen / ontroeren / ontspannen

informeren / overtuigen / ontroeren / ontspannen

Welk soort brief stuurt de zender?

zakelijke / persoonlijke brief

zakelijke / persoonlijke brief

Welke taal (kunnen) ze gebruiken?

dialect / Standaardnederlands

dialect / Standaardnederlands

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen


hoe Gepaste taal: formeel en informeel Schrijven naar of spreken met een vriend(in) kan heel informeel. Je hoeft je niet aan allerlei afspraken te houden. De taal of de vorm van de boodschap kun je vrij kiezen, het kan in het dialect of in standaardtaal. Er bestaan ook veel vormen van tussentaal. Anders is het als je bijvoorbeeld de leraar of de directeur aanspreekt. Dan houd je je beter aan de strikte omgangsvormen: dat is een formele situatie en dan gebruik je Standaardnederlands.

Lees de zinnen.

si

OPDRACHT 4

e

Wanneer je een tekst schrijft, houd je o.a. rekening met: • de ontvanger: naar wie schrijf je? • de bedoeling: wat wil je bereiken? • de boodschap: wat wil je vertellen? • het uitzicht van de tekst. • de manier waarop je de boodschap brengt.

ZIN

er

1 In elke zin staat een vetgedrukt woord. Markeer schrijftaal of spreektaal in de tweede kolom. Noteer in de derde kolom de andere taalvariëteit. SCHRIJFTAAL OF SPREEKTAAL?

ANDERE TAALVARIËTEIT

fv

1 Op het einde van de dag krijg ik goesting om naar schrijftaal / spreektaal televisie te kijken. 2 Aanvankelijk was hij de beste van de ploeg.

schrijftaal / spreektaal

oe

3 Zend hem maar naar de bibliotheek met zijn boek: schrijftaal / spreektaal hij zal zelf de boete moeten betalen. 4 Ze was te laat: ze kreeg echter geen uitbrander. 5 Hij kocht naast sportschoenen tevens een nieuw trainingspak.

Pr

6 We hadden het nieuwtje reeds opgevangen. 7 Dat is een machtige prestatie.

schrijftaal / spreektaal schrijftaal / spreektaal schrijftaal / spreektaal schrijftaal / spreektaal

8 Hij probeerde zijn tijd op de 100 m te verbeteren.

schrijftaal / spreektaal

9 Opgelucht deelde de trainer zijn ploeg het eindresultaat mede.

schrijftaal / spreektaal

10 Vermits je onvoldoende oefent, zouden je cijfers kunnen tegenvallen.

schrijftaal / spreektaal

woord

de omgangsvorm: de manier waarop mensen met elkaar omgaan

LES 6 Welke taal gebruik jij? Over taalvariatie

239


2 Wat gebruik je wanneer? Zul jij bepaalde woorden die schrijftaal zijn zelf gebruiken?  3 Welke spreektaalwoorden uit het vorige lijstje zul jij bij voorkeur ook in een vlotte tekst gebruiken? Noteer de nummers van de zinnen. 

wat Taalvariëteit: schrijftaal en spreektaal Taal kan variëren en hangt af van de persoon tot wie jij je richt, de plaats waar jij je bevindt, de bedoeling … of van de communicatieve situatie of context.

e

Taal bestaat uit verschillende taalvariëteiten.

si

Alle taalvariëteiten van het Standaardnederlands die vooral in geschreven teksten voorkomen, noem je ‘schrijftaal’.

Je kunt:

fv

er

Alle taalvariëteiten die je vooral in de gesproken taal terugvindt, noem je ‘spreektaal’. De begrippen ‘schrijftaal’ en ‘spreektaal’, ‘geschreven taal’ en ‘gesproken taal’ worden door elkaar gebruikt. Het onderscheid tussen spreektaal en schrijftaal komt in grote mate overeen met het onderscheid tussen informeel en formeel taalgebruik.

waarheen

Pr

oe

• in een gepaste communicatieve situatie of context verschillende soorten afkortingen gebruiken; • het verschil tussen formeel en informeel taalgebruik aangeven; • taalvariëteiten herkennen en het verschil aangeven tussen geschreven en gesproken taal en tussen dialect, tussentaal en standaardtaal; • je taal aanpassen aan de ontvanger en het spreekdoel.

240

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen


Op zoek naar afkortingen Je stelt een lijst op met minstens vijftien afkortingen.

Oriënteren

o

v

u

r

Voorbereiden

o

v

u

e

1 Maak een keuze: • een lijst met afkortingen die in bepaalde vakken voorkomen • een lijst van afkortingen die jij in je communicatie gebruikt (sms, chat …) en nu aan je grootouders wilt leren

r

si

2 Doe een brainstormoefening: verzamel de afkortingen, selecteer er vijftien en noteer de verklaring ernaast.

Uitvoeren

o

v

u

r

er

3 Zoek naar een interessante indeling (bv. per vak, per thema, per soort …).

4 Je ontwerpt een bruikbaar instrument dat verschillende keren als een soort geheugensteuntje gebruikt kan worden. Wees creatief!

oe

fv

5 Breng dat mee naar de klas. In groepen van drie of vier stel je jouw werk voor. Tijdens de voorstelling gebruik je Standaardnederlands.

Reflecteren

o

v

u

r

6 Hoe ging het?

jij

je klasgenoot

Je hebt vijftien afkortingen met hun verklaring genoteerd.

1234

1234

Je gebruikt een gepaste indeling.

1234

1234

Het resultaat is een creatief ontwerp.

1234

1234

Tijdens het groepswerk gebruik je Standaardnederlands.

1234

1234

Pr

Je traject naar succes

Werkpuntje voor jezelf:   Werkpuntje voor je klasgenoot:  

woord

het instrument: een tool of hulpmiddel; wat gebruikt wordt om een doel te bereiken, gereedschap …

LES 6 Welke taal gebruik jij? Over taalvariatie

241


Uitdaging: waag een gokje! quiz je mee? Oriënteren

o

v

u

r

1 In dit deel leerde je heel wat over instructietaal, over soorten vragen, over de verleden tijd en het voltooid deelwoord en ook wat over taalvariëteiten. Dat oefen je verder in op een creatieve en communicatieve manier.

Voorbereiden

o

v

u

r

Uitvoeren

o

v

u

e

2 Maak eerst de oefeningen op diddit om alles grondig in te oefenen.

r

Waag een gokje!

oe

fv

er

si

3 Ga nu aan de slag. Een leerling kiest een beeld. De klas raadt het beeld door hem janeevragen te stellen. Iedereen bedenkt enkele ja-neevragen. De leraar duidt aan wie een vraag mag stellen. Wie denkt dat hij het antwoord weet, staat recht. Je krijgt slechts één kans om een gok te wagen. Als het antwoord klopt, ben jij de volgende om een beeld te kiezen. Zo niet, dan blijf je vragen stellen tot iemand het correcte antwoord kan geven. Gebruik beelden zoals deze. Die zijn duidelijk en iedereen kent ze.

Pr

Wie of waar ben ik?

Noteer de naam van een plaats of een persoon op een blaadje. Toon dat niet aan de klas. Eén leerling komt vooraan in de klas en geeft antwoorden. De klas stelt vragen en moet de plaats of de persoon achterhalen. Variant 1: Er worden enkel ja-neevragen gesteld. Variant 2: Er worden ook vraagwoordvragen gesteld. Aandachtspunt: de leerling voor de klas moet kort antwoorden en zo weinig mogelijk verklappen. Aan het woord over een woord Werk in groepjes van drie of vier leerlingen. Verknip de woordkaart die je van de leraar krijgt. Leg de blanco zijde naar boven gericht. Kies om beurten een kaart. Geef uitleg over het woord op de kaart. De andere groepsleden raden het woord.

242

TRAJECT Nederlands 1 XL   DEEL 4 Trainen


Uitvoeren

o

v

u

r

Bv. auto – Dit voorwerp zie je elke dag als je naar school fietst.

tip

– Het is vrij groot en ook vrij duur. – Je hebt het in diverse vormen en kleuren.

Geef niet te snel te veel informatie prijs. Vertel eerst heel algemene zaken.

Als je begint met 'het heeft vier wielen', dan raadt de klas het meteen. Vermijd dat. De miniquiz

e

Organiseer een miniquiz! Vorm groepjes van drie leerlingen. Je leraar duidt een groep aan die tegen je groep speelt en geeft instructies over hoe je deze miniquiz zult spelen. – Zorg voor een ondoorzichtig zakje of een doos waarin je kleine kaartjes kunt stoppen. Verknip de woordenkaart en leg de kaartjes met de blanco zijde naar boven.

si

– Elke groep kiest om beurten een kaartje. Verdeel alle kaartjes.

– Vervolgens zoekt elke groep passende vragen bij de woorden die op het kaartje staan. Het antwoord op de vraag mag maar uit één woord bestaan. Dat is het woord op het kaartje. – Beide groepen stoppen hun kaartjes in hun doos.

er

– Elke groep komt om beurten aan het woord.

– Ofwel raadt enkel de leerling die het kaartje trekt het antwoord, ofwel mag je samen zoeken. Bepaal dat vooraf.

o

v

u

r

oe

Reflecteren

fv

– Houd de stand bij.

4 Hoe ging het?

jij

je klasgenoot

Je stelt duidelijke en correcte ja-neevragen en vraagwoordvragen.

1234

1234

Je beoordeelt de gestelde vragen en je verbetert die indien nodig.

1234

1234

Je omschrijft woorden correct en duidelijk.

1234

1234

Je neemt op een ernstige en eerlijke manier deel aan een miniquiz.

1234

1234

Pr

Je traject naar succes

Dit deel is nu afgerond. Bekijk ook de werkpuntjes en de criteria bij elke pitstop of leesstop van dit deel. Vul aan voor jezelf: • dit gaat vlot:  • dit vraagt training: 

LES 6 Welke taal gebruik jij? Over taalvariatie

243


De laatste ronde OPDRACHT 1

Gebruik elk woord uit het lijstje één keer.

markeren – barrière – stokpaardje – uitdijen – revisie – consequent – ratatouille – lokale – psychologisch – concluderen – fascinerend               

2 een synoniem voor toenemen

              

3 een woord voor je geliefkoosd onderwerp

              

4 een woord dat bij past bij ‘de … recherche’

              

5 twee instructiewoorden

              

6 een ander woord voor herziening

              

7 een woord dat men gebruikt voor ‘mengelmoes’

              

8 een woord dat bij past ‘iemand … bijstaan’

              

9 een ander woord voor belemmering

              

10 een antoniem voor saai, onaantrekkelijk

              

si

Zoek drie verbanden aan de hand van drie trefwoorden.

er

OPDRACHT 2

e

1 een bijvoeglijk naamwoord dat past bij ‘… handelen’

hulpmiddel

vangarm

tool

nalezen

spelfout zien

octopus

gereedschap

beweeglijk

fv

tikfout zien

 hondje geen arts 

kwispelstaarten

geestelijke gezondheid

geluid

zindelijkheidstraining

burn-out

oe

weergalm

in de bergen

Anagrammen. Welk woord past in de zin?

Pr

OPDRACHT 3

a Je moet niet lang naar de politicus luisteren om te ontdekken dat duurzame energie zijn DOTJESPRAAK is.                     

b In de Chinese cultuur zijn er tal van MAVOSMENGRONG die wij vreemd vinden maar voor hen volstrekt normaal zijn.                      OPDRACHT 4

244

Hoe noem je het jong van deze dieren?

hond

hen

kat

varken

paard

schaap

olifant

eend

DE LAATSTE RONDE


De laatste ronde OPDRACHT 5

‘Trainen’ gebruiken we ook in andere talen. Rangschik deze woorden bij ‘hun taal’.

crèche – mailen – failliet – chatten – deadline – charmant – trottoir – ballerina – siësta – terracotta – gambaoutfit – paella – maffia – commando – blanco Italiaans

Spaans

Bouw bruggen. Zoek de woorden die passen bij de omschrijvingen. De laatste letter van woord a = de eerste letter van woord b enzovoort.

si

OPDRACHT 6

Frans

e

Engels

er

1 a onderdeel van een soort b beweeglijk orgaan waarmee organismen hun prooi vangen c plaatselijk

oe

fv

2 a bont allegaartje b hoorbare terugkaatsing van geluid c manier waarop mensen met elkaar omgaan

Bekijk deze vier activiteiten die je pas na veel trainen echt onder de knie hebt.

Pr

OPDRACHT 7

Kies minstens twee foto’s. Noteer er een passend onderschrift bij. Gebruik in je onderschrift zeker één woord uit elke rij. Zoek de betekenis van moeilijke woorden op. Rij 1: Rij 2:

diabolo – Rubik’s kubus – kalligrafie – bottle flip oefenen – minutieus – coördinatie – engelengeduld – breinbreker – gelukstreffer

















DE LAATSTE RONDE

245


De laatste ronde Welke woorden zoeken we? 9i 1 g

7i

10 i 3 g

4 8i g

5 g

er

6 g

OPDRACHT 9

2 g

e

OPGAVE 1 … blikken (= doordringende; letterlijk: doorboren met een scherp voorwerp) 2 onderwerp waar iemand het liefst over praat 3 oefening ... kunst (= veel oefenen verbetert de prestaties) 4 de tekst beter maken op basis van commentaar/feedback 5 zich uitstrekken, zich verspreiden 6 Engels woord voor ‘instrument’ 7 ander woord voor ‘versperring’ 8 gezeur 9 … geur (= sterke en doordringende) 10 … in je hoofd (= zachtjes trillen door een hard geluid)

si

OPDRACHT 8

Geef een woord uit de woordfamilie.

fv

Kies voor een zelfstandig naamwoord of een bijvoeglijk naamwoord. Gebruik het daarna in een zin. a variëren: 

oe

zin: 

(zn)

b fascineren:  zin: 

(zn)

c priemen: 

Pr

zin: 

(bn)

d lokaliseren: 

(bn)

zin: 

OPDRACHT 10 Combineer de cijfers en letters.

Welk woord past het best bij het synoniem van ‘trainen’?

246

1

2

3

4

5

6

dresseren

opleiden

coachen

africhten

klaarstomen

repeteren

A

B

C

D

E

F

agent

debutant

paard

tekst

hond

ploeg

1

2

3

4

5

6

DE LAATSTE RONDE

Profile for VAN IN

Traject Nederlands 1 XL- Proefdeel 4  

Traject Nederlands 1 XL- Proefdeel 4