Skip to main content

Taaltoer - ik lees met hup en aap - thema 1 - LWS spoor 1 + extra voorlopig proefmateriaal

Page 1


Sleutelwoorden opdeflappen

Leestafels opdeflappen

Taaltoer

Ik lees met hup en aap

Beste leerkracht

‘ik lees met hup en aap’ maakt deel uit van de taalmethode Taaltoer van de kleuters tot en met het zesde leerjaar

Taaltoer – ik lees met hup en aap blijft de vertrouwde Directe SysteemMethode waarmee leerlingen vlot en vloeiend leren lezen. De leerlijn spelling is geïntegreerd en versterkt het leren-lezen-proces.

Nieuw in Taaltoer – ik lees met hup en aap is de versterking van de andere taaldomeinen via taalvaardigheidslessen en de thematische link met onze nieuwe methode Wereldwijzer voor de zaakvakken.

Dit is voorbeeldmateriaal van Taaltoer – ik lees met hup en aap, voor het eerste thema: ‘Ik ben welkom!’. Dit thema legt de inhoudelijke link met het instapthema van Wereldwijzer.

Het leeswerkschrift (spoor 1) vind je hierna, van pagina 3 tot 57 We duiden graag wat er precies verandert t.o.v. de vorige versie. In het leeswerkschrift is vooral de leerlijn vlot en vloeiend lezen opgenomen.

Vanaf pagina 59 tonen we hoe we aan de hand van enkele taalvaardigheidslessen hoe we de thematische link met Wereldwijzer uitwerken en zo het kennisrijke curriculum in de klas brengen. Dat resulteert in taalvaardige en wereldwijze leerlingen.

TAALTOER – IK LEES MET HUP EN AAP HEEFT 8 THEMA’S WAARVAN ER 7 GELINKT ZIJN AAN WERELDWIJZER (EN DE ZAAKVAKKEN):

Taaltoer - ik lees met hup en aap Vakdiscipline Wereldwijzer

Thema 1 Ik ben welkom! disciplines samen (instapthema)

Kijk eens om je heen

Thema 2 Zoek het uit wetenschap niet-levende natuur Op onderzoek

Thema 3 Wat een leven wetenschap levende natuur Overal leven

Thema 4 Lang geleden geschiedenis

Toen alles begon

Thema 5 Bol van verrassingen aardrijkskunde Wat een wereld

Thema 6 Aan de slag techniek

Thema 7 Er was eens geschiedenis

Thema 8 Een wereld onder water specifiek taalthema

Handen uit de mouwen

Hoe schrijven begon

We zetten in elk thema sterk in op taalvaardigheid (begrijpend lezen en luisteren, creatief met taal, stellen en spreken), taaldenken, samen lezen en woordenschat. Zo kan de overgang naar leerjaar 2 vlotter verlopen en bieden we een methode die alle taaldomeinen evenwichtig behandelt.

Taaltoer

ik lees met hup en aap

Leeswerkschrift

1

Thema 1: Ik ben welkom!

De steunkleur in het leeswerkschrift maakt duidelijk met welk van de zaakvakken er samenhang is (bv. blauw = aardrijkskunde, groen = wetenschap levende natuur, …). Het instapthema (oranjegeel) raakt verschillende disciplines van de zaakvakken aan.

Dit is het leeswerkschrift van thema 1 (spoor 1) dat verbinding maakt met het instapthema van Wereldwijzer, onze nieuwe methode voor de zaakvakken.

Dit is voorbeeldmateriaal van Taaltoer – ik lees met hup en aap, voor thema 1: ‘Ik ben welkom!’. Dit thema legt de inhoudelijke link met het instapthema van Wereldwijzer Meer voorbeeldmateriaal kun je bekijken via taaltoer.vanin.be Planning:

Taaltoer – ik lees met hup en aap verschijnt tegen september 2026.

Opgelet, dit is voorlopig proefmateriaal (gebaseerd op de minimumdoelen, in afwachting van de definitieve leerplannen).

In Taaltoer - ik lees met hup en aap komen deze pictogrammen voor: lezen schrijven spreken luisteren kleuren

omcirkelen

aankruisen

een lijn trekken / verbinden verdieping tekenen knippen en plakken

Gebruik van nieuwe iconen over de verschillende nieuwe methodes heen. Zo is het voor de leerlingen meteen duidelijk wat van hen verwacht wordt.

Dit leermiddel is onderdeel van de lesmethode Taaltoer van Uitgeverij VAN IN. Het is ontwikkeld met de intentie dat iedere leerling zich herkent en thuis voelt in beeld en tekst. Heb je op- of aanmerkingen, dan kun je contact opnemen met Uitgeverij VAN IN.

Van dit leermiddel kun je een aangepaste digitale versie aanvragen bij ADIBib, de service voor leerlingen met lees- of schrijfproblemen. Meer informatie vind je op www.adibib.be.

Auteurs Taaltoer - ik lees met hup en aap: Veerle Billet, Rien Broere, Veerle Cremery, Liesbeth De Potter, Kristof Deproft, Johan Dirickx, Martine Lemoine, Stijn Moekaars, Ineke Peeters, Maril Rijks, Eveline Van Baalen, Anneke Van den Broeck, Inge Willemsen, Daan Debuysere, Bea Willems

Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van deze mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hen dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. Ook voor het onlinelesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden.

© Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, (2026). Alle rechten voorbehouden. Tekst- en datamining (TDM) niet toegestaan.

1 kleur de eerste letter groen. kleur dan de tweede letter blauw.

De leerlijn vlot en vloeiend lezen blijft grotendeels behouden.

1 kleur de eerste letter groen. kleur dan de tweede letter blauw.

De 12 basissleutelwoorden blijven dezelfde.

Hier wordt het sleutelwoord ‘ik’ visueel ingeoefend. Daarbij kleuren de leerlingen nu de letters in de kleur die ze krijgen in de lettermachine:

Korte klanken: groen

Lange klanken: rood

Tweeklanken: geel

Medeklinkers: blauw

2 lees het woord in het grote fotokader. zoek het in de andere kaders. kleur het.

2 lees het woord in het grote fotokader. zoek het in de andere kaders. kleur het.

3 kleur de vakjes met het woord ‘ik’.

3 kleur de vakjes met het woord ‘ik’.

Het verduidelijktpictogramwat de leerlingen moeten doen.

4 kleur de foto’s met ‘ik’.

5 omcirkel het woord ‘ik’ in de zinnen. let op! soms zit het verstopt in een ander woord.

dit ben ik.

ik ga graag naar school.

ik lees de i.

ik lees de k.

ik lees het woord ik.

na school ga ik naar huis.

ik heb een tas.

ik zie een kat. de kat heet rik.

ze geeft een lik.

Binnen eenzelfde leeswerkschrift differentiëren we op tempo en op moeilijkheid. Het pijltje geeft aan dat deze alinea een uitdaging vormt. Sterk lezers kan je met het tweede spoor aan de slag laten gaan.

6 kleur de vakjes die naast elkaar het woord ‘ik’ vormen. anpikomlik uksmiklikn

1 trek een lijn van de ‘i’ naar de woorden waarin je een ‘i’ hoort.

In het tweede spoor komt deze opdracht ook aan bod, maar dan met een extra moeilijkheid (de leerlingen moeten aanduiden waar in het woord ze de klank horen).

In Taaltoer - ik lees met hup en aap zetten we sterker in op convergente differentiatie, waardoor je eenvoudigerklasmanagement wordt.

i2 trek een lijn van de ‘k’ naar de woorden waarin je een ‘k’ hoort.

3 omcirkel ‘ik’ in de woorden.

bliksem

prik bal an slikken

ik klas kin bil elk kam kip

knikker

De specifieke leesopdrachten krijgen een gekleurd kadertje en het icoon van het boekje = lezen.

trillen kan deur kil i i i

blik

k ik k ik kik

ik kik. kik ik?

ik kik.

1 kleur de eerste letter groen. kleur dan de tweede letter blauw.

De instructie plaatsen bovenaanwede opdracht, zodat je opgewezenleerlingenworden de functie van geschreven taal.

2 lees het woord bij de juf. zoek het bij de kinderen. kleur het. an an as al an am ik an af an

3 kleur de vakjes met het woord ‘an’.

4 kleur de baby’s met ‘an’. al an ik as an an af an

5 omcirkel het woord ‘an’ in de zinnen. let op! soms zit het verstopt in een ander woord. is an in huis? ja, an is er. ik roep an wel. an, an, kom je? kijk, daar is an al. dan ga ik op weg, van huis naar school. dat is mijn plan. kom jij mee, an?

6 kleur de vakjes die naast elkaar het woord ‘an’ vormen. kanosinank lukankklan

1 trek een lijn van de ‘a’ naar de woorden waarin je een ‘a’ hoort.

a2 trek een lijn van de ‘n’ naar de woorden waarin je een ‘n’ hoort.

3 omcirkel ‘an’ in de woorden. pannen pad van

vuur ik

De vormgeving is sober, zodat je leerlingen niet afgeleid worden. Niet-functionele illustraties werden verwijderd.

ik kan. kan ik? ik kan. nan kan. kan nan? nan kan. nik kan. kan nik? nik kan.

8 wat hoort samen? verbind.

1 kleur de eerste letter groen. kleur dan de tweede letter blauw.

In Taaltoer – ik lees met hup en aap introduceren we een nieuw personage: El. El is een jongen die bij An in de buurt woont en in dezelfde klas zit. Samen beleven ze allerlei avonturen.

2 lees het woord in het eerste kledingstuk. zoek het in de andere kleren. kleur het.

3 kleur de vakjes met het woord ‘el’.

4 kleur de kleren met ‘el’.

eg el es el el an en eb

5 omcirkel het woord ‘el’ in de zinnen. let op! soms zit het verstopt in een ander woord. daar gaat el. el trekt aan het touw. dan loopt el vlug weg. slim van el, zeg.

el telt tot tien. is hij niet weg, dan is el gezien.

snel el, weg van die bel.

Deze pijl geeft de leesrichting aan.

6 kleur de vakjes die naast elkaar het woord ‘el’ vormen. elnelkiael ielaelklel

1 trek een lijn van de ‘e’ naar de woorden waarin je een ‘e’ hoort.

e2 trek een lijn van de ‘l’ naar de woorden waarin je een ‘l’ hoort.

3 omcirkel ‘el’ in de woorden.

el ik en el el en ik

e n an en el el en an

en ik en an an en el

el n el nel ek n ek nek en k en ken il k il kil el l el lel al l al lal

el

nel lel an kan nan ik lik kik

ek lek nek ak lak kak in kin lin ken kil kan lik nel lal kin nek lak

ik ken nel. ik ken an. el ken ik. nik ken ik.

ik kan.

ik kan.

ik kan op de fiets in het park. an kan. an kan rennen op het plein. el kan. el kan goed klimmen op het rek.

ik kan op de fiets in het park. an kan. an kan rennen op het plein. el kan. el kan goed klimmen op het rek.

ik lik.

ik lik.

ik lik aan een bol ijs. ik lak. ik lak de kast met verf.

ik lik aan een bol ijs. ik lak. ik lak de kast met verf.

ik ken el.

ik ken el.

ik ken el van de klas op school.

ik ken el van de klas op school.

ik ken an. ik ken an van het plein bij ons. ken ik an? ken ik an van het plein of de school?

Leestekstjes van spoor 1 en spoor 2 naast elkaar. Zo kunnen de dezelfdeleerlingenopdracht uitvoeren, wat hetmaaktgemakkelijker om je klas samen te houden.

ik ken an. ik ken an van het plein bij ons. ken ik an? ken ik an van het plein of de school?

ken ik nel? ken ik nel van de buurt of van het park?

ken ik nel? ken ik nel van de buurt of van het park?

ik ken an en nel. ik ken an en nel van de school.

ik ken an en nel. ik ken an en nel van de school.

10 wat hoort samen? verbind. lik

10 wat hoort samen? verbind.

lik

nek

nek

kan

kan

el

lel

spoor 1: nak en nel

tok tok tok! wie is daar? nak. wie is nak?

spoor 2: wil je een lik?

Samenleesteksten waarbij leerlingen (spoor 1 en spoor 2) samen een verhaal lezen.

zie je me niet? ik zie je kin. maar die kan hier niet in.

1, 2, 3 … nek?

Hier komt het expressief lezen al aan bod. Een goede voorbereiding op het theaterlezen in leerjaar 2.

De leerkracht modelleert en toont hoe expressief lezen een verhaal tot leven brengt. Een leesvraag helpt je om ook aan tekstbegrip te werken.

mijn teen?

ik heb er 1, 2, 3 … en nog meer! dat is veel te veel.

mijn nek dan? bij een nek hoort een kop. mijn kop is wel heel groot.

De teksten vlot en vloeiend lezen, waaronder de samenleesteksten, sluiten ook bij het thema aan.

zeg nak, ik zag een kin, een teen en een nek.

maar ben je ook heel?

een lik hoeft niet. ik kruip snel mijn hol weer in. dag nak! nak! ? kin en nek en ? nel lik? lik

mijn naam is nel. dag nel.

geef ik je een lik?

kom uit je hol. dan weet je het. dag nak. dag, hoe heet jij?

1 kleur de eerste letter rood. kleur dan de tweede letter blauw.

2 lees het woord in de grote appel. zoek het in de andere appels. kleur het.

3 kleur de vakjes met het woord ‘eet’. anel eetik eeneet eeteek

4 kleur het fruit met ‘eet’.

eer

eef eet eet een en eet eet

5 omcirkel het woord ‘eet’ in de zinnen. let op! soms zit het verstopt in een ander woord.

ik eet soep.

dan eet ik veel friet. ik eet wel twee borden.

ik eet en ik eet. nu eet ik nooit meer.

ik weet, ik weet dat ik te veel eet.

nog een laatste beet. wat is die heet.

6 kleur de vakjes die naast elkaar het woord ‘eet’ vormen. eeetleeteeneet eeleeteneeteea

1 trek een lijn van de ‘ee’ naar de woorden waarin je een ‘ee’ hoort.

2 trek een lijn van de ‘t’ naar de woorden waarin je een ‘t’ hoort.

3 omcirkel ‘eet’ in de woorden.

meet beet iets muur geen heet

eten eetbaar gereed

eed eet

teen deur dieet

klaar

eet – at – al – el 4 5

ee t

ee n

ee k

ee l t

eet – et – at – an

eet – eek – ak – ik

ik

in it il el en et ek an al at ak eet een eek eel ik t ik tik el t el tel eet k eet n eet een t een n een eek l eek t eek eel n eel k eel

kan – kin – tin – tik

keel – keet – keek – teek

lak – lat – nat – kat

een een teen een tak een lel een lat een kan een keel een kin een lik een tik een teek

el eet. el eet een koek.

ik lik.

ik lik aan mijn bol ijs. an eet. an eet een peer.

ik lik en el eet.

ik lik aan mijn bol ijs en el eet een koek. ik lik en an eet en el eet. ik lik aan mijn bol ijs en en an eet mee.

ik tel en el eet.

ik keek en el keek.

ik tel tot tien en el eet zijn peer.

ik keek naar de bol ijs en el keek naar de peer.

an eet.

eet an een teen? nee.

an eet een ...

nel eet een …   .

Deze hele opdracht is een uitdaging.

nik eet een …   .

ik eet een …  .

eet leen een …  ?

nee, leen eet een

11 wat hoort samen? verbind.

1 kleur de eerste letter rood. kleur dan de tweede letter blauw.

2 lees het woord bij de grote aap. zoek het bij de andere apen. kleur het.

3 kleur de vakjes met het woord ‘aap’.

4 kleur het eten met ‘aap’. aap aan aal aap paa aap een

5 omcirkel het woord ‘aap’ in de zinnen. let op! soms zit het verstopt in een ander woord. de aap is in het hok. er is een man bij de aap. de aap ziet de pet. aap pakt de pet. nu is de aap net een man. de man ziet de aap. is dat zijn pet? aap, de pet valt. kom hier, aap. raap op, die pet.

6 kleur de vakjes die naast elkaar het woord ‘aap’ vormen.

1 trek een lijn van de ‘aa’ naar de woorden waarin je een ‘aa’ hoort.

2 trek een lijn van de ‘p’ naar de woorden waarin je een ‘p’ hoort.

sleep kaap

schaap

paal schaar slaap gaat knaapje

brulaap gaap

slaapzak

hoop

aa p

aa n

aa i p a p e p ee p

aa l

aa k

aa t p

aap

k aap

kaap aan l aan laan

aat laat

taal

kaap

laan p aal

p et p ik k ip l ip n ip

pet – pel – tel – til laan – leen – peen – teen

tak – tik – kik – lik

ik ken an. en ik ken el. een kip. een aap. een kip en een aap.

paal

pet

teen

lip

pan

9 wat is juist? kruis aan.

pan

kan

pen

laat

kaal

net

is juist? kruis aan.

an en een kip

ik in een laan

ik en een aap

een aap aan een paal

een kip in een laan

an aan een paal

Tekstbegrip komt ook uitgebreid aan bod in de taalvaardigheidslessen, vanuit het themaverhaal en authentieke bronnen (zie meer info vanaf pagina 59).

el eet pap

een kip op een tak

el aan een paal

een teen in een net

een pet in een net

een net aan een paal

Vanaf thema 5 werken we in het gemeenschappelijk leeswerkschrift aan tekstbegrip op woordniveau, zinsniveau en tekstniveau.

een aap aan een tak

een kat op een tak

een kip op een kat

1 kleur de eerste letter geel. kleur dan de tweede letter blauw.

2 lees het woord in het ijsje links. zoek het in de andere ijsjes. kleur het.

3 kleur de vakjes met het woord ‘ijs’. ikeet ijsaap ijlijk ijsijs

4 kleur de lepels met ‘ijs’.

5 omcirkel het woord ‘ijs’ in de zinnen. let op! soms zit het verstopt in een ander woord.

er is ijs en ijs.

ijs in de zomer. dat is ijs om te eten. en ijs in de winter. dat is ijs om te schaatsen.

en ijs in je glas. dat is ijs voor je drank. zo is je drank fris.

dat is wijs.

Deze alinea is uitdagender omdat het basissleutelwoord ijs verwerkt zit in een mkm-woord.

6 kleur de vakjes die naast elkaar het woord ‘ijs’ vormen. sijsatijlijsp ijstijslnijijs

1 trek een lijn van de ‘ij’ naar de woorden waarin je een ‘ij’ hoort.

2 trek een lijn van de ‘s’ naar de woorden waarin je een ‘s’ hoort.

3 omcirkel ‘ijs’ in de woorden.

grijs lijst rijst wegwijs bewijs

hijs

ijs l ijs lijs ijs t ijs tijs ijs s ijs sijs ij i s a s e s ee s aa s ijs ij k ij l ij p ij n s

schepijs

p l n

p ijl

p ijp

p ijn l ijs l ijn l ijk n ijl n ijn n ijp

ijk l ijk k ijk ijl p ijl n ijl ijn p ijn l ijn ijp p ijp n ijp is s is n is l is lijs – tijs – sijs kijk – pijp – lijk pijl – pijn – lijn

ijs is as es aas ees sijs sis tas les kaas lees kijk lijn pijn pijp lijk nijl tijs – pijl – lijn – kijk – pijp

lees – nat – pees – kin – sap

tas – les – pit – kaas – laat

ik ken el.

el eet ijs.

ik kijk sip.

pik ik ijs?

ik eet kaas.

ik sip sap.

ik lik ijs.

ik eet en ik eet.

kijk, een kat. een kat in een tas.

kijk, een aap. een aap aan een paal.

kijk, een kip. een kip in een net.

an en sap. sap aan een kin. sap aan een kaak.

kin is nat.

kaak is nat.

ik lees een les.

ik tel.

ik ken 1, 2, 3.

ik pak een pen.

ik kan een taak.

an eet.

eet an een aap?

eet an een pak kaas?

ik til een kan. lap! een kan op een teen. pijn aan een teen. pak ijs!

eet an een peen met een pit?

nee, nee! an eet ijs!

ik lees.

ik lees een p.

ik lees an.

ik lees pan.

ik lees al.

lek en peen.

pek en teen.

pak en taak.

tak en kaak.

ik lees al een les.

ik pas in een pak.

ik eet kaas.

ik kijk sip.

9 wat hoort samen? verbind. pak

pijl

nek

lat

ik lees een dik boek.

ik lees een p en a en n.

ik lees an, maar het is kan.

ik lees pan, maar het is dan.

ik lees al veel.

lek en peen, ijs en wijs.

pek en teen, kat en wat.

pak en taak, lus en haak.

tak en kaak, snoep en vaak.

ik lees al een les taal.

ik pas in een pak van wol.

ik eet kaas, als een muis.

ik kijk sip, want ik heb de hik.

lees

spoor 1 aap en slak

ik kijk

we doen een spel!

ik kijk niet. steek je weg.

spoor 2 ik ben weg

ik tel: 1, 2, 3 … 10! kan nee! 1 tel

ik tel tot 10 en dan zoek ik je. ik doe mee!

nee, kan niet!

jij bent niet snel, slak. dan tel ik wel tot 100. dat kun je niet.

wel, maar dat duurt veel te lang.

het is geen punt hoor. ik ben in 1 tel weg.

ik tel: 1, 2, 3 … 10!

dat lukt je niet.

maar ik tel wel tot 10.

ik kijk. tak? paal? net?

ik kijk! waar is slak? niet op de tak.

niet bij de paal. niet in het net. slak, waar ben je?

hier in mijn huis! lap, dat telt niet! wel, ik was weg en je zag me niet! lap!

Zo oefen je met je kind

Op de volgende bladzijden vind je oefenblaadjes voor thuis. Hieronder formuleren we enkele tips om samen met je kind aan de slag te gaan.

Bekijk samen met je kind het sleutelwoord.

• Je kind leest het sleutelwoord hardop. Dit zijn de sleutelwoorden van het eerste leeswerkschrift: ik – an – el – eet – aap – ijs.

• Je kind wijst de eerste letter van het sleutelwoord aan en leest de letter hardop: i – a – e – ee – aa – ij.

• Je kind wijst de laatste letter van het sleutelwoord aan en leest de letter hardop: k – n – l – t – p – s.

Start vervolgens met de opdrachten.

Zo oefen je de geleerde letters samen in.

• Je kind leest de letters of woorden die jij aanwijst. Doe voor of verwijs terug naar het sleutelwoord als deze opdracht moeilijk gaat.

• Oefen nu het sleutelwoord met een extra (gekende) letter ervoor of erachter. In de opdrachten staat die letter vetgedrukt.

• Oefen verder met de woordrijen of teksten.

Belangrijk

• Bij het lezen van letters

Let goed op de uitspraak van een letter. Je kind leest de letter fonetisch (= de klank die je hoort in het woord): k en niet kaa.

• Bij het lezen van woorden

De bedoeling is dat je kind vlot gaat lezen. Door te werken met sleutelwoorden (lettergroepjes) zorgen we ervoor dat het hakken en plakken tot een minimum beperkt wordt. Door veel te oefenen zal het steeds vlotter gaan. Neem de tijd die nodig is. Vijf à tien minuten per dag oefenen is zinvoller dan eenmaal per week een uur.

Bingel

Surf via de QR-code naar Bingel. Daar vind je een video om je op weg te helpen. Je kunt de correcte uitspraak van de letters beluisteren en je krijgt tips om samen met je kind de oefenblaadjes te maken.

i k i k i k k i i

In elk leeswerkschrift zitten oefenblaadjes om thuis te oefenen.

Ouders worden ondersteund (o.a. met video’s) om hun kinderen correct te kunnen helpen.

k ik k ik kik

ik kik. kik ik?

ik kik.

a i k i n k i a k i n n

ik i n in an a k ak

ik kik an kan ik nik an nan in kin

ik in ik an ak al el en ek ikanalel

ik

nik

lik kik an kan nan al lal el nel lel

ek

lek nek in kin lin ak lak kak il kil nil

ik ken an. ik ken nel.

ik ken el.

ik ken an en nel en el.

ken ik an?

ken ik nel?

ken ik el?

ken ik an en nel en el?

ik at et een

nik

kik

lik

tik

kat nat lat net let neen leen

kan kik

kin kil

kit ken keel keet kat kan nik nel nek nat neen let lik

teen

teek

at

een lek

tak

tik

tel

el – eet – in – al – at

ik – en – an – el – een

tik – lel – neet – nan

kik – tel – keet – lik

aa n t k a n n ee k e i ee t a i p aa e t ee aa k p aa a p e i p l l l

in il it ip ak al ap at ek en et ep eek eep eel een aak aan aal aat

ik an el

nik

lik

tik kik kil kin lip pin

eet aap

keet neen

leek

teek leen leep keek teen

een aap.

een aap en an. el en een aap. een aap en el en an.

een aap aan een tak? een aap aan een paal? nee, een aap aan el.

ij k p i a i ij s a s p aa t ee k s l ij l t e ij aa ee t k n aa n e s p

ikanel in il it ip is ak

eet aap ijs

eek

een

eel

ees

eep aak aan aal aat aas ijk ijn ijl ijt ijp ijk kijk

net – pet – pel – pijl

lees – pees – pas – kas lijk – kijk – kik – tik

pees – las – sijs – kas – les

ik – an – el – eet – aap – ijs

aap eet at ik aak ijk el al aal ijl an in en een aan ijs is as es aas

ik eet ijs el an aap in een ijk es as aan ijl en at aal al aas aak kik nek les taak pijl ken nel lik tik pen kan nat laat teen pit kaap nee lap til pijn

ik pak een lap.

een kaas in een tas.

pijn aan een teen.

ik lees een les.

een kip is kaal.

ik ken al: i – k – a – n – e – l – ee – t – aa – p – ij – s.

ik lees al: i – k – a – n – e – l – ee – t – aa – p – ij – s.

ik lees en ik lees: ik – an – el – eet – aap – ijs.

Sterk taalonderwijs door een slimme samenhang met de zaakvakken

In het kader van het kennisrijke curriculum zoeken we naar thematische linken tussen taal en de zaakvakken (aardrijkskunde, geschiedenis, wetenschap en techniek), zodat leerlingen dieper in de thema’s kunnen duiken.

Die thematische link komt vooral aan bod in de taalvaardigheidslessen. Die lessen keren terug in dezelfde volgorde, zodat je leerlingen vertrouwd geraken met de routines.

Onder taalvaardigheid verstaan we in Taaltoer – ik lees met hup en aap de domeinen begrijpend lezen en luisteren (tekstbegrip), creatief met taal, stellen en spreken

De raakvlakken met de zaakvakken zijn het duidelijkst in die lessen taalvaardigheid, waar de opdrachten een talige invulling geven aan het thema uit Wereldwijzer. Functionaliteit staat daarbij voorop: de kennis en vaardigheden worden ingezet met een duidelijk doel.

Themawoorden die opduiken tijdens de taalvaardigheidslessen gieten we in handige woordkaarten, die je een plaats kan geven op een woordmuur. Op de achterzijde van de woordkaarten vind je steeds een woordverklaring en een voorbeeldzin.

Ik ben welkom!, les 1

de

een woning in een groot gebouw

Ik ben welkom!, les 13

het appartement

Ik ben welkom!, les 1

een klein kind dat pas geboren is en nog niet kan lopen of praten

Ik ben welkom!, les 1

© Uitgeverij VAN IN

een woning in een groot gebouw Mijn tante woont in een appartement.

Ik ben welkom!, les 13

een gebouw waarin mensen wonen

TT_ILMHEA_woordkaarten.indd 1

TT_ILMHEA_woordkaarten.indd 2

TT_ILMHEA_woordkaarten.indd 3

TT_ILMHEA_woordkaarten.indd 1

02-02-2026 11:06

het appartement

het huis

Ik ben welkom!, les 13

© Uitgeverij VAN IN

Ik ben welkom!, les 1

een klein kind dat pas geboren is en nog niet kan lopen of praten

02-02-2026 11:06

Ik ben welkom!, les 1

iemand die geen kind meer is

de baby

een woning in een groot gebouw

Ik ben welkom!, les 13

© Uitgeverij VAN IN

een gebouw waarin mensen wonen

het huis

02-02-2026 11:06

Ik ben welkom!, les 13

© Uitgeverij VAN IN

een klein kind dat pas geboren is en nog niet kan lopen of praten

De baby slaapt in de wieg.

Taaltoer 1 – Woordkaarten © Uitgeverij VAN IN

de volwassene: iemand die geen kind meer is

Mijn papa is een volwassene.

02-02-2026 11:06

het huis: een gebouw waarin mensen wonen

Ik ben welkom!, les 1

02-02-2026 11:06

Taaltoer 1 – Woordkaarten © Uitgeverij VAN IN

Ons huis heeft een rode deur.

TT_ILMHEA_woordkaarten.indd 2

Ik ben welkom!, les 13

02-02-2026 11:06

Taaltoer 1 – Woordkaarten © Uitgeverij VAN IN

TT_ILMHEA_woordkaarten.indd 1 02-02-2026 11:06

de volwassene: iemand die geen kind meer is Mijn papa is een volwassene.

Taaltoer 1 – Woordkaarten © Uitgeverij VAN IN

TT_ILMHEA_woordkaarten.indd 2

© Uitgeverij VAN IN

02-02-2026 11:06

02-02-2026 11:06

DE

VAN DE TAALVAARDIGHEIDSLESSEN IN EEN THEMA:

Themaverhaal (begrijpend luisteren)

Elk thema krijgt een nieuw en origineel themaverhaal, geschreven door bekende en bekroonde jeugdauteurs, geïllustreerd in uiteenlopende stijlen en gepresenteerd als prentenboek en bordles. Je bereidt de leerlingen voor op het themaverhaal door moeilijke woorden uit te lichten en het prentenboek samen te bestuderen (cover, achterflap).

Je leest het themaverhaal interactief voor aan de leerlingen of maakt gebruik van de voorziene audio-opname. Na het voorlezen, introduceer je de startzin van het thema. Die startzin krijgt in de loop van het thema meer betekenis. In het overeenkomende thema van Wereldwijzer wordt gewerkt met een startvraag die een antwoord krijgt doorheen het thema. Sommige themaverhalen gaan we herhaald en verdiepend lezen (beluisteren), omdat ze daar uitermate geschikt voor zijn.

De startzin van het eerste thema is: De eerste indruk is vaak fout. De leerlingen breiden tijdens het thema hun kennis, woordenschat en vaardigheden uit. Die gebruiken ze om op het einde van het thema de startzin te beargumenteren.

De auteurs en illustratoren van de themaverhalen zijn niet de minste!

1 Bel naar El – Brigitte Minne / Luc Sauviller

2 Het mysterie van de verdwenen armband – Brigitte Minne / Luc Sauviller

3 Duif van huis – Yoeri Slegers / Yoeri Slegers

4 De schat in de grot – Kristien Dieltiens / Seppe Van den Berghe

5 Roona en het mensbeest – Marthe Nelissen / Mevin

6 De uitvinding van Mevrouw Ling – Brigitte Minne / Luc Sauviller

7 En toen werd het weer lente – Joke Guns / Katrijn Jacobs

8 Gestrand op een eiland – Reina Ollivier / Koen Aelterman

De juf deelt tekenpapier uit.

‘Je mag zelf kiezen wat je tekent’, zegt ze.

Met een zucht pakt An haar tekendoos, ze tekent niet zo graag.

El is duidelijk wel artistiek. Hij keert meteen zijn pennenzak vol potloden om. An tekent haar oude huis met Raapje op de vensterbank en kijkt even opzij.

Op het blad van El staat een diepblauwe zee vol kleurige vissen.

De tekening is prachtig.

Spread uit het themaverhaal van thema 1 met An en El. Dit is een verkleinde weergave. Het normale formaat is 30x30 cm.

Na veel weken oefenen, schrijft An in mooie letters ‘hup’ en ‘aap’.

Ze kijkt tevreden naar haar schrift en ploft dan op de bank neer.

In de kom van Raapje liggen brokjes.

Meestal eet Raapje haar kom leeg.

‘Raapje!’, roept An. ‘Raapje-raap!’

Raapje is niet in de keuken en ook niet in de badkamer.

De deur staat op een kier.

O nee, mama heeft de deur niet goed gesloten.

‘Raapje-raap!’, roept An en ze stormt de trap af.

Help, ook de voordeur staat open.

Raapje moet op straat gelopen zijn.

Ans knieën knikken en haar hart bonst in haar keel.

Waar woon jij?

Dat is een vraag met veel antwoorden! Want je hebt niet alleen één of meer plekken die je ‘thuis’ noemt, je woont ook in een straat, een gemeente, een land … Volg het stappenplan en ontdek mee waar jij allemaal woont!

Plaats 1: je thuis

Welke plek of plekken noem jij thuis?

Ik woon in

een huis.

twee huizen.

een appartement.

twee appartementen.

Plaats 2: je straat

Elke plek waar je woont heeft een huisnummer dat hoort bij de straat.

TIP: Dit kun je vragen aan je mama, papa of iemand anders die bij jou woont.

Wat is de naam van de straat of de straten waar jij woont?

Wat is je huisnummer in de straat of straten?

Plaats 3: je gemeente

Een hoop straten samen vormen een gemeente. Een gemeente kan een stad of een dorp zijn.

Een dorp is meestal kleiner, er zijn minder winkels, scholen, bedrijven … In een dorp wonen minder mensen dan in een stad. Het is er dus rustiger en meer mensen kennen elkaar. Meestal is er ook meer natuur in de buurt.

In een stad leven mensen dan weer dichter op elkaar, daarom is het er drukker. Winkels, scholen … zijn vlakbij en er valt altijd wel wat te beleven.

Ken je de naam van de gemeente(s) waar je woont?

Weet je ook of het een stad of dorp is?

Dan hebben we bijna je adres! Adres? Wat is dat?

Elk prentenboek eindigt met een non-fictie spread waarin de woordenschat uit het thema nog eens aan bod komt.

Plaats 4: je adres

Net zoals je thuis in de straat een nummer heeft, heeft ook elke gemeente een nummer. Dat getal heet de postcode en bestaat uit vier cijfers.

Zoek de postcode van jouw gemeente(s) op.

Ha! Nu heb je alle stukjes van je adres(sen):

je huisnummer je straat de postcode van je gemeente de naam van je gemeente

Zoek ook het adres van je school.

TIP: Kijk eens op de website van je school of op een brief van de school die je meekreeg.

een dorp in het groen

Plaats 5: je land

TIP: Zoek thuis de envelop van een brief of kaart voor jou of iemand die bij jou woont.

Het land waarin je woont, heet België. Dit is de kaart van ons land, het heeft een beetje een gekke vorm. Doet het je ergens aan denken? Misschien kun je er een grappige tekening van maken?

een stad met veel gebouwen

TIP: Ook dit kun je thuis vragen, maar je leerkracht heeft vast ook een lijst waar dat op staat.

Dus de volgende keer als iemand je vraagt waar je woont, kun je zeggen: ik woon op véél plekken!

Een voor een schoven ze op hun buik op de rollende keien de opening in. Het leek wel een glijbaan.

De gang was smal en lang. De stenen waren vochtig en overal sijpelde water langs de wand.

Het werd kouder en donkerder.

De gang was erg lang. Ze kropen tot ze licht zagen.

Daar stond Lily, in een reusachtige grot.

‘Het lijkt hier wel een paleis’, fluisterde ze.

Met ingehouden adem keken ze rond. Ja, daar leek het inderdaad op.

‘Moet je eens kijken!’, zei Maurice. Hij bescheen de wanden.

Overal waren tekeningen en muurschilderingen te zien.

Er waren ook geheimzinnige tekens in de wanden gehakt. Gingen die over de schat?

De grote ruimte ging over in een kronkelige gang. Overal lagen vreemde voorwerpen op de grond.

Opeens kwam Robot kwispelstaartend naar Lily gelopen.

‘Nu laat ik je niet meer los’, zei ze. Ze knoopte de deken en Robot stevig om haar middel.

Het aanbod van prentenboeken is heel divers, zowel inhoudelijk als qua illustraties.

Dit is een spread uit het prentenboek van thema 4 over de grotten van Lascaux.

Creatief met taal

Aan de hand van een spelvorm diepen we de inhoud van het themaverhaal uit. De leerlingen worden uitgedaagd om verschillende taalvaardigheden in te zetten.

In de les ‘creatief met taal’ van thema 1 stellen de leerlingen zichzelf voor aan de hand van naamkaartjes. Zo komen ze vanalles te weten over hun klasgenoten. Doel is om vragen te leren formuleren en om over zichzelf te kunnen spreken.

Authentieke bronlessen

In elk thema introduceren we een authentieke bron, die we herhaald en verdiepend lezen, beluisteren of bekijken (in het geval van een audiovisuele bron). Daarbij putten we inspiratie uit de technieken van close reading/listening. De focus ligt op effectieve lees- en luisterstrategieën, het verdiepend verkennen van de bron en het verrijken van de woordenschat. Waar mogelijk leggen we een verband met de startzin die we introduceerden aan het begin van het thema. In sommige thema’s passen we dat herhaald en verdiepend lezen toe op het themaverhaal zelf. Dat is bijvoorbeeld het geval bij thema 4, waar ‘De schat in de grot’ het verhaal van de grotten van Lascaux vertelt.

De authentieke bron in thema 1 is het gedicht ‘Ik ben geen schattig kind.’ van Erik van Os. Dat gedicht wordt in drie leessessies uitgediept:

• het gedicht lezen en navertellen

• het gedicht lezen en de vorm verkennen

• regels en afspraken formuleren

Erik van Os

Begrijpend luisteren

In deze les focussen we op de luistervaardigheid van de leerlingen. Dat gebeurt aan de hand van diverse opdrachten, waarbij we ook het spelenderwijs leren niet uit het oog verliezen. Ook in deze lessen is er ruimte voor authentiek audiovisueel materiaal.

In de les begrijpend luisteren van thema 1 moeten de leerlingen geluiden herkennen en de voorwerpen benoemen en omschrijven.

Doel van de les is

• met aandacht luisteren

• onder begeleiding woordenschat uitbreiden

Stellen

Als kinderen kunnen lezen, hebben ze toegang tot – aanvankelijk zeer eenvoudige – informatieve of verhalende teksten. Een gevolg is dat een groot deel van de leerlingen, als ze eenmaal zijn gaan lezen, ook graag zelf wil schrijven. Taaltoer – ik lees met hup en aap helpt de leerlingen tot een goede opbouw te komen en zich af te vragen voor wie, waarover en hoe ze schrijven. Natuurlijk verloopt dat stap voor stap en met de nodige begeleiding van de leerkracht.

Zo gaan de leerlingen bv. zinnen vormen bij de prenten met de spilfiguren.

Spreken

Afsluiten doen we met een leuke spreekopdracht die de inhouden van de eerdere taalvaardigheidslessen samenbrengt. Hier grijpen we ook terug naar de startzin die we introduceerden aan het begin van het thema.

De startzin ‘De eerste indruk is vaak fout.’ wordt via de werkvorm omdat-maar-dus (O-M-D) bevestigd, ontkracht, aangevuld en/of verklaard.

VLOT EN VLOEIEND LEZEN EN DE TAALVAARDIGHEIDSLESSEN IS ER OOK NOG

Taaldenken: over de leestekens in thema 1

Spelling: zie de aparte bundel Spelling

Bekijk voorbeeldmateriaal op taaltoer.vanin.be

NAAST

1 kleur de eerste letter groen. kleur dan de tweede letter blauw.

Taaltoer – ik lees met hup en aap zet sterk in op convergente differentiatie

Van thema 1 tot en met thema 4 voorzien we in de leeswerkschriften 2 sporen. Omdat het in die eerste vier thema’s gaat om het leren lezen en schrijven van de letters en lettercombinaties op basis van de basissleutelwoorden, voorzien we daar een tweede spoor voor leerlingen die al kunnen lezen.

Taaltoer – ik lees met hup en aap zet in op convergente differentiatie. We houden de klas zoveel mogelijk bij elkaar en laten opdrachten voor de leerlingen in de twee sporen zoveel mogelijk naast elkaar lopen, zodat je klasmanagement haalbaar blijft. In beide sporen zijn er uitdagende opdrachten voor snelle leerlingen.

Vanaf thema 5, wanneer alle letters gekend zijn, komen we weer samen in één gezamenlijk leeswerkschrift waarin we nog voldoende uitdaging verwerken voor de sterkere lezers.

OVERZICHT LEESNIVEAUS TWEE SPOREN

Thema 1 -> Thema 5 -> Thema 8

Spoor 1 avi start avi M3 met uitdaging E3 avi E3 met uitdaging M4

Spoor 2 avi start / avi M3

2 lees het woord bij de juf. zoek het bij de kinderen. kleur het. an an as al an am ik an af an

3 kleur de vakjes met het woord ‘an’.

ijs ij s

i a e ee aa ij

k n l t p s

t n l k

ee eeteeneeleek

a at an al ak

e et en el ek

i it in il ik

p k n l t

aa aapaakaanaalaat

a ap ak an al at

ee eepeekeeneeleet

e ep ek en el et

i ip ik in il it

s p l t k n

ij ijs ijp ijl ijt ijk ijn

e es ep el et ek en

a as ap al at ak an

i is ip il it ik in

ee eeseepeeleeteekeen

aa aasaapaalaataakaan

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook