__MAIN_TEXT__

Page 1

STORIA 2 classic

HD

Kris Merckx Wim Moreau Jacky Philips Luc Van den Broeck Jos van Dooren Ann Wachters

r pl aa In

ki

o.l.v. Gorik Goris

em

Guy Jossart

jk ex

Caroline Jans

ST RIA HD CLASSIC 2 LEERBOEK

Paul De Volder

LEERBOEK

ISBN 978-90-306-9529-5

594236

vanin.be


r

pl aa

em

jk ex

ki

In


INHOUD Les 1 Inleiding 

5

A De eerste stappen in het tweede jaar

9

D Het Romeinse Rijk

Les 2 Even je geheugen opfrissen

9

Les 17 Rome begint als een bescheiden koninkrijk74

B Een eerste kennismaking met het Middellandse Zeegebied

14

72

Les 18 De Romeinse republiek

77

Les 19 Rome wordt machtig

80

Ontdekplaat* Rome wordt machtig 16

Les 4 Oudere samenlevingen in het Middellandse Zeegebied

Les 20 De veroveringen veranderen de Romeinse samenleving

83

19

Les 21 De burgeroorlogen 

87

Les 5 De Minoïsche samenleving

22

Les 22 Augustus, de eerste keizer

91

Overzicht B

27

Les 23 De bloei van het Romeinse Rijk 

94

pl aa

28

Les 6 Mykeners, de eerste Grieken

30

Ontdekplaat* Bloei en verval van het Romeinse Rijk Les 24 De economie in het Romeinse Rijk 98 Les 25 Het verval van het Romeinse Rijk

em

C De bloei van de Griekse wereld Ontdekplaat* Mykeners, de eerste Grieken Les 7 De Grieken: politiek verdeeld, cultureel één

102

Ontdekplaat* Bloei en verval van het Romeinse Rijk

35

Ontdekplaat* Een Griekse stadstaat

jk ex

Les 8 De Griekse kolonisatie (750 -550 v.C.) 

r

Les 3 De natuurlijke omstandigheden in het Middellandse Zeegebied

39

Les 26 Het Romeinse leger in de keizertijd 106

Ontdekplaat* Het Romeinse leger in de keizertijd Overzicht D

109

Les 10 Het ontstaan van de democratie (Athene)45

E De klassieke kunst

110

Les 11 De Atheners zijn niet gelijk 

Les 27 De Griekse bouwkunst

112

ki

Les 9 De Griekse economie

42

48

Historisch denken over kinder- en mensenrechten52

Ontdekplaat* De Griekse en Romeinse bouwkunst

Les 12 De Spartaanse militaire oligarchie

54

Les 28 De Romeinse bouwkunst

58

Ontdekplaat* De Griekse en Romeinse bouwkunst

In

Les 13 De Perzische oorlogen (500 - 449 v.C.) Ontdekplaat* De Perzische oorlogen Les 14 De Peloponnesische oorlogen

60

Les 15 De hellenistische rijken

63

Les 16 Historisch denken: Atlantis

67

Overzicht C

71

Les 29 De beeldende kunsten bij de Grieken

116

121

Ontdekplaat* De Griekse beeldende kunst Les 30 De beeldende kunsten bij de Romeinen

125

Les 31 Theater en literatuur in de klassieke oudheid 

128

Overzicht E

133

INHOUD

3


F De godsdienst in de klassieke oudheid134

I Het dagelijkse leven bij de Romeinen172

Les 32 De Griekse en de Romeinse godsdienst136

Les 40 De Romeinen in hun vrije tijd 

174

Les 41 Gezin en opvoeding bij de Romeinen

178

Ontdekplaat* Orakel van Delphi

Les 33 De Olympische Spelen in de oudheid

Les 42 Rome: een stad vol tegenstellingen 181

140

Ontdekplaat* De Olympische Spelen 143

Les 35 Het visioen van Constantijn

147

Overzicht F 

151

152

Les 36 Wetenschap en filosofie 

154

Les 37 Techniek

158

Overzicht G

161

H De Romeinen in onze gewesten

162

Les 38 Romeinen en Galliërs

164 167

jk ex

Les 39 De Gallo-Romeinse samenleving

In

ki

Overzicht H

4

INHOUD

Les 44 Het federale België 

171

191

K Een referentiekader voor het verleden

196

Les 45 Herhalingsoefeningen

198

Les 46 Herhalingsles

200

Woordenlijst

202

Sleutel- en structuurbegrippen

204

em

G Wetenschap en techniek in de klassieke oudheid

184

Les 43 België: een parlementaire democratie186

pl aa

Les 34 Het christendom

J De democratie vandaag

r

Ontdekplaat* De Griekse en Romeinse godsdienst

* De ontdekplaten vind je bij het onlinelesmateriaal.


1

Inleiding

1|

Op verkenning in STORIA HD Classic 2

r

Het leerboek

pl aa

Je vindt de inhoud van het leerboek op blz. 3. Kijk eens hoeveel lessen er gepland zijn en in hoeveel groepen of onderdelen je ze kunt onderverdelen. Elk onderdeel heeft een titel. Als je die leest, weet je welke onderwerpen je dit schooljaar bestudeert. Bijna elke les in STORIA heeft dezelfde structuur. De volgende verkleinde weergaven maken die duidelijk. 3 Een krachtige inleiding met de probleemstelling(en) van de les

De leerlingenraad is in elke secundaire school verplicht. Leerlingen krijgen op die manier inspraak. Elke leerling kan zich kandidaat stellen en verkozen worden om in de raad de klas te vertegenwoordigen. Men beschouwt dat als ‘democratisch’. De Atheners zijn de eersten die het woord ‘democratie’ gebruiken. Wat verstaan zij eronder?

AFSCHAFFING KONINGSCHAP

1

ARISTOCRATIE

De macht van de adel wordt betwist

v.C

6

54

hun boerderijen en trekken naar het centrum van Athene. In 546 v.C. grijpt Pisistratos de macht, ten nadele van de adel. Hij heeft alle macht en draagt de titel ‘tyrannis’ (tiran). Pisistratos behoudt de verbeteringen van Solon en verbetert het leven van het gewone volk. Met de bouw van nieuwe tempels en steun aan de nijverheid verschaft hij werk. De kleine boeren helpt hij financieel bij het overschakelen naar de wijnbouw of de olijventeelt. Pisistratos gaat de geschiedenis in als een goede tiran en een weldoener. Na zijn dood volgen zijn zonen hem als ‘tirannen’ op. Zij worden verdreven door de edellieden onder leiding van Kleisthenes. Hij maakt van Athene in 508 v.C. een democratie.

In

7 Ondertitels leiden de verschillende delen van de les in.

2

8 Moeilijke woorden krijgen een ander kleurtje. Ze worden verklaard in de marge bij de lestekst en ook in de woordenlijst vanaf blz. 202.

3 4 5

de begrippen ‘schuldslavernij’, ‘aristocratie’, ‘tirannie’, ‘democratie’, ‘directe democratie’, ‘volksvergadering’ en ‘Raad van Vijfhonderd’ uitleggen uitleggen welke groepen de macht van de adel betwisten en waarom uitleggen hoe Solon de politieke problemen oplost de werking van de democratie in Athene uitleggen uitleggen waarom de democratie in Athene beperkt is

KUNNEN de hedendaagse democratie met de Atheense vergelijken het huidige begrip ‘tiran’ vergelijken met dat van Athene

RANDINFO • Spreekgestoelte van de volksvergadering op de Pnyx in Athene (4e eeuw v.C.)

schuldslaven: mensen die als slaaf verkocht kunnen worden, omdat ze schulden hebben

• De loterijmachine (klérotérion)

In Athene kon elke burger door het lot aangewezen worden om recht te spreken en de volksvergadering voor te bereiden. BRON 1 A Kijk nu eens. Er is vanmorgen een (volks-)vergadering bijeengeroepen en wie is er aanwezig? Helemaal niemand. Waar is iedereen? Zeker aan het kletsen op de agora (plein), terwijl ze proberen de vergadering te ontduiken. Geen verantwoordelijkheidsgevoel. Zelfs de raadsleden zijn niet verschenen, terwijl zij toch de vergadering zouden moeten leiden. Ze zullen natuurlijk wel komen, maar te laat, zich duwend een weg naar voren banend. (...) Hè, hè, daar zijn ze: de raadsleden, allemaal langslapers, zich een weg banend naar voren, precies zoals ik zei.

BRON 1-2-3 - 4 Kleisthenes deelt alle burgers in tien groepen (fylen) in. Een fyle bestaat uit alle burgers van een bepaalde stadswijk, een plattelandswijk en een havenwijk. Zo probeert men de samenwerking tussen de verschillende wijken te verbeteren. In elke fyle loot men vijftig burgers van minstens dertig jaar. Zij vormen de Raad van Vijfhonderd (boulè). Die bereidt de vergaderingen van de volksvergadering voor. De rechters worden ook via loting aangeduid. Elke mannelijke burger vanaf twintig jaar mag deelnemen aan de volksvergadering (ecclesia). Die vergadert zo’n veertig keer per jaar. De volksvergadering beslist over nieuwe wetten en over oorlog en vrede. De Atheense burgers beslissen dus zelf.

DE BLOEI VAN DE GRIEKSE WERELD

2

• Zoek in een naslagwerk de hedendaagse betekenis van het woord ‘tiran’ op. • Leren leren: haal uit de lestekst de kernwoorden.

De democratie in de stadstaat Athene

C

1

1 2

KLEISTHENES: DEMOCRATIE

ki

De Griekse poleis hadden vroeger koningen (monarchie). Maar in de 8e eeuw v.C. zijn die uit de meeste poleis verdwenen. De macht komt in handen van een kleine groep families die veel land bezitten. Die grootgrondbezitters vertellen dat zij en hun bezittingen afstammen van mythische voorvaderen of zelfs van goden of halfgoden. Zij vinden zichzelf beter dan andere vrije mensen. Ze beschouwen zich als de besten (in het Grieks ‘aristoi’). Die aristocraten of edellieden vormen algauw een aparte groep individuen, die onder elkaar het bestuur van de polis regelen. De rijke grootgrondbezitters hebben dus alle politieke macht. Dat geldt ook voor Athene. Twee grote groepen burgers in de polis Athene pikken dat na 650 v.C. niet langer: de handelaars-ondernemers (de geldadel) eisen inspraak. De arme vrije boeren eisen kwijtschelding van hun schulden en een herverdeling van de grond. In 594 v.C. bevrijdt Solon, een adellijke bestuurder, de schuldslaven. Atheense burgers kunnen niet meer verkocht worden omdat ze schulden hebben. Zij worden van dan af vervangen door oorlogsslaven en gekochte ‘vreemde slaven’ (zie les 11). Solon verdeelt de burgers, naargelang van hun rijkdom, in vier klassen. De eerste twee klassen bestaan uit rijke grootgrondbezitters en handelaars. Zij leveren de bestuurders van de polis. De gewone boeren zitten in de derde klasse. De armen behoren tot de vierde klasse. Alle mannelijke burgers uit alle klassen mogen naar de volksvergadering (zie verder). De landverdeling blijft uit. Vele arme boeren verlaten

PISISTRATOS: TIRANNIE

KENNEN

OPDRACHT

51 0 5 0 v.C 8 . v.C .

.

.

v.C

0

70

6 Deze icoontjes geven aan welke domeinen in de les aan bod komen. Meer info vind je op blz. 9.

5 De tijdlijn situeert de les in de tijd.

Niemand doet dat in hun plaats. Dat heet ‘directe democratie’. Na verloop van tijd worden de leden van de volksvergadering, de Raad van Vijfhonderd en de rechtbank betaald voor hun werk. Zo kunnen ook gewone mannen gemakkelijker deelnemen aan ‘de politiek’. Dat woord betekent eigenlijk ‘bestuur van de polis’. De democratie van Athene is zeer beperkt: enkel vrije mannelijke burgers mogen eraan deelnemen. Armen die hard moeten werken voor hun magere inkomen en burgers die ver van Athene wonen, nemen waarschijnlijk zelden of nooit deel aan het politieke leven. Was Athene dan wel echt zo democratisch? In les 43 vergelijken we de Atheense en de moderne democratie.

Het ontstaan van de democratie (Athene)

jk ex

10

1 Lesnummer

4 Het kaartje vertelt over welk gebied de les gaat.

em

2 Duidelijke lestitel

Uit: Aristophanes (ca. 450-386 v.C.), schrijver van komische toneelstukken, Acharniërs, opgevoerd in 425 v.C.

45

46

B Gemiddeld waren er zo’n 6 000 burgers aanwezig op de volksvergadering in de 5e eeuw v.C. Het aantal stemgerechtigden varieert: zo’n 35 000 in het jaar 480, 43 000 in 431, 29 000 in 425. Vrij naar: M. A. Wes, e.a., De wereld van de Oudheid • Op wie heeft Aristophanes kritiek? Waarom? • Bedenk enkele goede redenen waarom burgers niet naar de volksvergadering komen. • Hoeveel burgers nemen aan de volksvergadering deel in de 5e eeuw v.C.? • Is het toneelstuk een betrouwbare bron als je wilt weten hoe alles tijdens de volksvergadering werkelijk verliep?

LES 10 HET ONTSTAAN VAN DE DEMOCRATIE (ATHENE)

10 In de rubriek RANDINFO vind je extra informatie over de les, o.a. boeiende verhalen die je normaal niet in schoolboeken vindt.

9 Nadat je de les hebt geleerd, moet je deze zaken KENNEN en KUNNEN. De begrippen die je moet kennen, staan altijd bovenaan.

LES 1 INLEIDING

5


12 Kaarten

13 Bronteksten

BRON 3

B Fragment van de inscriptie onder het reliëf

BRON 2 A De stèle (gedenksteen) van de democratie

‘Als er iemand opstaat tegen het volk om de tirannie in te voeren (…) of de democratie in Athene omver te werpen, dan zal degene die hem doodt onschuldig zijn.’

11 Bronnen helpen je een lesonderwerp te bestuderen.

De stèle toont de democratie die het volk van Athene kroont. Agora Museum Athene, ca. 337 v.C.

Duikers op zoek naar oude Griekse amforen

• Wie heeft deze stèle opgericht: de voor- of tegenstanders van de tirannie? • Toon aan dat de schrijvers van deze tekst hevig tekeergaan om de democratie te verdedigen. BRON 3 Wij hebben een staatsvorm die niet een kopie is van de instellingen van onze naburen. In plaats van anderen na te bootsen zijn wij juist een voorbeeld voor hen. Onze staatsvorm heet een democratie, omdat ze in handen is van velen en niet van enkelen. In persoonlijke geschillen verzekeren onze wetten gelijk recht aan allen. (...) Armoede is voor niemand die de staat van nut kan zijn een beletsel, hoe gering zijn aanzien ook is. (...) Verdraagzaam in onze persoonlijke omgang houden wij ons in het openbare leven aan de wet, die wij eerbiedigen. Wij gehoorzamen aan hen die telkens over ons gesteld zijn en aan de wetten, vooral aan die wetten die bescherming bieden aan de verdrukten.

RANDINFO

• • • • •

In welke streken vind je het meeste Griekse aardewerk? Wat kun je daaruit afleiden? Waarom werd er zoveel Grieks aardewerk langs rivieren teruggevonden? Geef vijf hedendaagse landen waar Grieks aardewerk wordt aangetroffen. Bedenk een passende titel voor deze kaart. Waarom zou men een handelsvloot nodig hebben?

De lijkrede van Perikles voor gesneuvelde Atheners, uit: Thucydides, De Peloponnesische Oorlog, II, 37.

Een muntstuk van één euro uit Griekenland

BRON 4 Grieks geld A

Thucydides was een Grieks geschiedschrijver die leefde van ca. 460 tot ca. 398 v.C. Perikles, een groot staatsman, stierf in 429 v.C. Hij was een van de leiders van de voorstanders van de democratie.

B

• Wat is een lijkrede? • Voor wie, bij welke begrafenis werd deze lijkrede geschreven? • Wie heeft deze lijkrede geschreven? • Is Perikles voor of tegen de democratie? • Waarom heet de staatsvorm in Athene, volgens Thucydides, een democratie? • Hoe staat in de tekst dat ‘iedereen gelijk is voor de wet’? • Hoe staat in de tekst dat ook arme burgers gekozen of geloot kunnen worden? • Wat is verdraagzaamheid?

BRON 4 Het schervengericht

44

LES 9 DE GRIEKSE ECONOMIE

ki In

C

DE BLOEI VAN DE GRIEKSE WERELD

47

14 Cursieve tekst onder de bron: informatie over de auteur of maker van de bron

jk ex

15 Opdrachten die je helpen om de bron te ontleden

• Zoek op wie deze Themistokles is, die verbannen wordt. • Waarom zou men die man weg willen?

Op de scherf staat: ‘Themistokles, zoon van Neokles.’

em

• Op welke manier komen de Grieken in contact met het gebruik van geld? • Op de munten staan geen waarden (bedragen) vermeld. Hoe zou men dan de waarde te weten gekomen zijn? • Welke problemen schept het feit dat elke stadstaat zijn eigen munt heeft? • Hoe heeft men vandaag in een groot deel van de Europese Unie dat probleem opgelost? • Bekijk het munstuk van één euro bij de randinfo. Waarom denk je dat Griekenland voor die afbeelding gekozen heeft?

C

Men vertelt dat Kleisthenes begonnen is met het ‘schervengericht’. Een keer per jaar werd aan de volksvergadering gevraagd of het schervengericht nodig was. Als de meerderheid vond dat het nodig was, dan moesten op de volgende volksvergadering minstens 6 000 burgers aanwezig zijn. Die mochten de naam opschrijven van iemand die gevaarlijk was voor de staat. Dat kon iemand zijn die te veel macht kreeg of van wie men vond dat hij beter uit Athene zou verdwijnen. Wie de meeste stemmen kreeg, werd uit Athene verbannen. De banneling moest Athene verlaten en mocht pas na tien jaar terugkeren. Men schreef, of beter men kraste, de naam van diegene die men wilde verbannen op een potscherf, vandaar ‘schervengericht’, in het Grieks ‘ostracisme’.

pl aa

Aanvankelijk gebruikten de Grieken metalen staven als ruilmiddel. Rond 630 v.C. betaalde de Lydische koning zijn soldaten met gestempeld goud. De Griekse huurlingen van zijn leger brachten dat ‘geld’ mee naar hun poleis. Die beginnen hun eigen geld te slaan, meestal van zilver. Elke polis had haar eigen munt, met een eigen waarde die verschilde van de munten van de andere poleis. Je ziet hier staven uit de 7e eeuw v.C. (A) en munten uit Metapontion (6e eeuw v.C.) (B )en Athene (5e eeuw v.C.) (C).

r

16 Afbeeldingen

C

De bloei van de Griekse wereld

OVERZICHT 2000 - 1200 v.C.

ACHAIËRS OF MYKENERS grootgrondbezitters

koning = alle macht

1000 - 800 v.C.

landbouw en handel

ONTSTAAN POLEIS

ontstaan Rome

politieke verdeeldheid, culturele eenheid

grootgrondbezitters

17 Na elk onderdeel vind je een handig overzicht van de geziene leerstof.

750 - 550 v.C.

koning / adel = alle macht

landbouw

GRIEKSE KOLONISATIE landbouw handel nijverheid

grootgrondbezitters handelaars-ondernemers

Romeinse republiek

500 - 323 v.C.

ATHENE

SPARTA sociale ongelijkheid

democratie

oligarchie

mannelijke burgers

Raad der Ouden

PERZISCHE OORLOGEN Delisch-Attische Zeebond

Peloponnesische Bond

Zwarte Zee

Amphipolis

Pella

Eion CHALKIDIKE

THASOS IMBROS

Potidaea THESSALIË

AR AC NI Ë

MESSENIË

e Z e

ZAKYNTHOS

Ionische Zee

Athene

SPARTA

poleis in Hellas verzwakken

LESBOS

Oreus Chalkis Eretria ATTIKA ANDROS

ACHALA Korinthe Olympia Argolis

ATHENE

MYSIË

SKYROS

Histaia

NA LEUKAS CEPHALLENIA

PHRYGIË

LEMNOS

h e s c e ï E g

CORCYRA

Astakos

THRAKIË

MAKEDONIË Aegae

Hermos LYDIË SAMOS

Meander CARIË

DELOS

HET MACEDONISCHE RIJK

Sparta

LAKONIË RHODOS

Delisch-Attische Zeebond Sparta en de Peloponnesische bond Atheense steunpunten

vanaf 323 v.C.

KYTHERA K R E T A

0

100 km

(Alexander de Grote verovert een wereldrijk)

HELLENISTISCHE RIJKEN

OVERZICHT C DE BLOEI VAN DE GRIEKSE WERELD

6

LES 1 INLEIDING

71


het onlineleerplatform bij STORIA HD Classic Leerstof kun je inoefenen op jouw niveau. Je kunt vrij oefenen en de leerkracht kan ook voor jou oefeningen klaarzetten. Je kunt kiezen uit: - oefeningen per les - oefeningen op ‘tijd, ruimte, domein’ - oefeningen op ‘werken met bronnen (HD)’ - oefeningen op ‘kennis’ en ‘begrippen’

ontdekplaat

em

Benieuwd hoe ver je al staat met oefenen en opdrachten? Hier vind je een helder overzicht van je resultaten.

pl aa

Hier kan de leerkracht toetsen en taken voor jou klaarzetten.

r

Hier vind je de opdrachten terug die de leerkracht voor jou heeft klaargezet.

ki

jk ex

Hier vind je het lesmateriaal per les of per leerstofonderdeel. Je merkt ook dat je kunt kiezen tussen verschillende oefeningen. Daarnaast zijn er de ontdekplaten waarmee je zelf aan de slag kunt. Je vindt er allerlei soorten bronnen, filmmateriaal enz. rond een bepaald thema. Ga op ontdekkingstocht en voer de opdrachten uit. Veel plezier!

In

filmpjes

takenblad ontdekplaat STORIA Ontdekplaat

Naam:

Egypte en de Nijl

Klas:

Nr.

Datum:

1 Welke historische vraag wordt er in deze ontdekplaat beantwoord? Onderlijn.

/1

-

Welk verband is er tussen de Nijl en het ontstaan van de Egyptische samenleving?

-

Hoe regelen de Egyptenaren vandaag de overstroming van de Nijl?

2 Bekijk het filmpje en beantwoord de vragen.

/3

Het leven van de Egyptenaren is ingedeeld in 3 seizoenen. Welke? 1= 2= 3= In welk seizoen worden er dijken aangelegd om het water vast te houden? In welk seizoen werken de Egyptenaren aan grote bouwwerken? In welk seizoen wordt er geploegd, gezaaid en gewerkt aan de irrigatie? 3 Juist of onjuist? Omcirkel en verbeter de fouten. Nijlkrokodillen worden in het Oude Egypte ook als huisdier gehouden.

/4 Juist

Onjuist

De Egyptische moedergodin Tawaret wordt afgebeeld als een krokodil.

Juist

Onjuist

De terugkeer van de ibissen valt samen met de oogsttijd.

Juist

Onjuist

Papyrusriet is een zeldzame plant langs de Nijl.

Juist

Onjuist

LES 1 HET ONLINELEERPLATFORM BIJ STORIA HD CLASSIC

7


2|

Geschiedenis studeren: in de klas en thuis

Welkom in de geschiedenislessen van het tweede jaar van het secundair onderwijs. Geschiedenis is heus niet zo moeilijk als sommigen beweren. Het komt erop aan de lessen op de juiste manier aan te pakken. Luister daarom naar de raadgevingen van je leraar. Goed opletten tijdens de lessen brengt je al een hele stap vooruit. Je leraar zal je ook uitleggen hoe je de leerstof thuis kunt herhalen en instuderen. In de loop van het schooljaar zul je merken dat geschiedenis veel meer is dan feiten en datums uit het hoofd leren.

In de klas

Als je aandachtig luistert en actief meewerkt in de klas, zul je de leerstof thuis gemakkelijker kunnen instuderen. In de klas doe je het volgende:

r

prent de titel van de les onmiddellijk in je hoofd; let op de ondertitels; ze vatten de hoofdlijnen van de les samen; het is belangrijk dat je alles begrijpt; woorden of onderdelen die je niet begrijpt, kun je moeilijk onthouden; probeer te antwoorden op vragen die je leraar stelt; bestudeer de bronnen en de opdrachten aandachtig; zorg ervoor dat je notities ordelijk, volledig en foutloos zijn.

Thuis

Voorbereiden

pl aa

• • • • • •

Verkennen

em

Neem wat je nodig hebt om je les in te studeren: je agenda, je leerboek, notities, een te verbeteren test ... Studeer op een rustige en ordelijke plaats, zodat je geconcentreerd kunt werken.

Bestudeer eerst de opbouw van de les. Lees de inleiding en bekijk het kaartje, de domeinen en de tijdlijn. Daarna noteer je de titel en de ondertitels. Zo ken je de hoofdlijnen al.

Lezen en begrijpen

ki

jk ex

Neem de hele les grondig door en controleer of je alles echt begrijpt. De teksten en de bronnen brengen het verhaal van de les. Om het verhaal te begrijpen, moet je ook alle woorden die aan bod komen begrijpen. Bij het vak geschiedenis horen heel wat specifieke begrippen. Let ook op ‘koepelwoorden’: dat zijn algemene begrippen die bij verschillende onderwerpen kunnen passen, zoals ‘oorzaken’, ‘gevolgen’, ‘argumenten’ … Lesteksten kun je samenvatten met een schema of een mindmap. Dat zijn goede geheugensteunen. Bekijk vervolgens het schema in je werkschrift. Dat bevat de hoofdzaken en de kernwoorden. Probeer nu aan de hand van het schema de inhoud van de les op te zeggen. Als je op die manier de les verkent, wordt er heel wat informatie in je geheugen opgeslagen. Je zult dus heel wat tijd besparen bij het instuderen.

Oefenen

In

Tijdens de geschiedenislessen leer je ook historische vaardigheden. Je leert hoe je historische informatie ontdekt, onderzoekt en structureert. Je zult bijvoorbeeld leren om informatie te halen uit bronnen, tijdlijnen en kaarten. Vaardigheden verwerf je door te oefenen. Maak de opdrachten opnieuw en kijk na of je antwoorden juist zijn. De vaardigheden zijn minstens even belangrijk als de inhoud van de les.

Studeren De avond voor een test of examen moet je de les instuderen. Studeer de definities van de begrippen die je moet kennen. Leer het schema uit het hoofd en overloop alle opdrachten nog eens.

Controleren Controleer of je het schema zelf opnieuw kunt samenstellen. Vergelijk met het schema in je werkschrift. Ga na of je elk woord en elk verband tussen de woorden in het schema kunt uitleggen. Raadpleeg de lijst Kennen en Kunnen. Kennen geeft weer wat je van de leerstof moet onthouden en uitleggen. Kunnen somt op welke vaardigheden in de les aan bod zijn gekomen. De lijst Kennen en Kunnen is een prima controlemiddel om na te gaan of je de leerstof beheerst. De puntjes die je onder de knie hebt, vink je aan in het voorziene vakje. Zo heb je altijd een goed overzicht. Op het onlineleerplatform vind je interactieve opdrachten om Kennen en Kunnen verder in te oefenen.

8

LES 1 INLEIDING


Even je geheugen opfrissen Je bestudeert het verleden aan de hand van bronnen. Je vormt je daarbij een beeld van een gebeurtenis, een samenleving, een gewoonte, een persoon ... uit het verleden. De methode om een beeld van het verleden te krijgen noemen we het historisch denken. Verleden jaar heb je daarmee al kennisgemaakt. In dit hoofdstuk frissen we dat alles opnieuw op. In de rest van het leerboek helpen we je bij dat historisch denken met aangepaste vraagjes en opdrachten.

1

Vragen stellen over het verleden en het heden

2

Situeren in het historisch referentiekader

...), een streek (de Kempen, de Westhoek ...) of een stad/gemeente (Antwerpen, Parijs ...). De wereld in zijn geheel is ook een ruimte. We gebruiken dan het begrip ‘globaal’ of ‘wereldwijd’. Zaken die mensen doen, kun je indelen volgens vier maatschappelijke domeinen: politiek, economie, sociaal en cultuur. Politiek gaat over besturen, macht en hoe groepen van mensen samenwerken. In de economie bekijkt men hoe mensen overleven en aan een inkomen geraken. Binnen het sociale domein bestudeert men groepen en hoe mensen samenleven. Het culturele domein is zeer breed en omvat kunst, godsdienst, wetenschap, techniek, onderwijs, sport, gewoonten ....

em

Als je de geschiedenis wilt bestuderen, stel je vragen over gebeurtenissen, personen, gewoonten ... uit het verleden. Dat kan in vergelijking met het heden.

pl aa

r

2

A DE EERSTE STAPPEN IN HET TWEEDE JAAR

jk ex

Het referentiekader is een schema dat je helpt om je weg te vinden in de geschiedenis. Het deelt zaken in volgens tijd, ruimte (plaats) en maatschappelijk domein.

In

ki

Om je te oriënteren in de tijd heb je verschillende hulpmiddelen. Meestal gebruik je de christelijke tijdrekening die de geboorte van Christus gelijkstelt met het jaar 1. Daarnaast zijn er nog andere tijdrekeningen zoals de islamitische en de Joodse tijdrekening. Gebeurtenissen kun je ook chronologisch ordenen: de oudste gebeurtenis wordt eerst geplaatst, dan de tweede oudste enz. Je kunt die op een tijdlijn zetten.

Ons verleden wordt ingedeeld in zeven tijden of tijdvakken: prehistorie, oude nabije oosten, klassieke oudheid, middeleeuwen, vroegmoderne tijd, moderne tijd en hedendaagse tijd. Je vindt ze met hun beginen einddatum op de tijdlijn op de volgende bladzijde. Niet alle tijdvakken duren even lang. Andere samenlevingen, bijvoorbeeld de Chinese, gebruiken ook andere indelingen. De samenlevingen die door de geschiedenis worden bestudeerd, bevinden zich op een bepaalde plaats of in een bepaalde ruimte. De grootte daarvan kan verschillen: een werelddeel (Europa, Azië ...), een gebied (Balkan, Oost-Afrika ...), een land (België, Mali

3

Bronnen kritisch bestuderen en gebruiken

Informatie over het verleden zoek je in bronnen. Een historische bron is een rechtstreekse getuigenis van iets uit dat verleden. Bronnen kun je in twee grote groepen indelen: geschreven en ongeschreven bronnen. Ongeschreven bronnen worden verder onderverdeeld in mondelinge en materiële bronnen. Moderne media zoals film, fotografie en het internet kun je als een aparte soort van bronnen beschouwen. Behalve bronnen gebruiken historici ook werken. Een werk wordt gemaakt op basis van historische bronnen. Zowel een historische bron als een werk kunnen primair of secundair zijn. Primair betekent dat de maker zelf leefde in de periode waarover hij het heeft. Mogelijk heeft hij bepaalde feiten meegemaakt of bepaalde mensen gekend. Een secundaire bron of werk werd in een latere periode gemaakt. Beide soorten kunnen belangrijke zaken vertellen; het ene is niet belangrij-

A DE EERSTE STAPPEN IN HET TWEEDE JAAR

9


5 4

50 17

19 ±

±

±

14

80

±

±

0

50

50

0

. v. C

. v. C 0 0 35 ±

PREHISTORIE OUDE NABIJE OOSTEN KLASSIEKE OUDHEID MIDDELEEUWEN

HEDENDAAGSE TIJD

MODERNE TIJD VROEGMODERNE TIJD

Speciale bronnen en werken zijn historische kaarten. Deze tips helpen je bij het bestuderen van zo’n kaart.

4

Een beeld over het verleden maken

r

Met de informatie uit bronnen vorm je je een beeld over een gebeurtenis, persoon, gewoonte ... uit het verleden. Handige hulpmiddelen daarbij zijn bijvoorbeeld begrippen zoals oorzaak en gevolg, gepland of toeval ... Geschiedkundigen proberen foute beelden over het verleden te verbeteren. In veel historische films, boeken, strips ... gedragen de figuren zich meer zoals hedendaagse mensen dan als mensen uit de tijd waarin het verhaal zich afspeelt. Ook staan er veel foute beelden over het verleden op het internet en in boeken.

pl aa

ker dan het andere. Bronnen kunnen elkaar echter tegenspreken. Je moet dan proberen te weten te komen wat er werkelijk gebeurd is. Deze vragen kunnen je daarbij helpen: Wie heeft de bron gemaakt? Kan de maker op de hoogte geweest zijn van wat hij weergeeft? Waar en wanneer werd de bron gemaakt? Kun je de bron gebruiken om je vragen te beantwoorden? Heeft de bron een doel? Is ze betrouwbaar? Is ze typisch voor de periode of samenleving die je bestudeert? Welke verschillen en gelijkenissen zijn er tussen de bronnen die over hetzelfde onderwerp gaan?

Hoe bestudeer ik een kaart?

em

1 Lees de titel: waarover gaat de kaart? Over welke tijd, welk gebied, welk onderwerp ...? 2 Welke schaal heeft de kaart? Hoeveel keer werd het gebied op de kaart verkleind? 3 Raadpleeg de legende. Wat betekent elk symbool? 4 De bovenkant van een kaart is meestal het noorden. 5 Kijk naar de kaart, lees de namen en vergelijk voortdurend met de legende.

5

Reflectie: nadenken over het verband tussen verleden, heden en toekomst

In

ki

jk ex

Als je een beeld over het verleden hebt gemaakt, kun je dat vergelijken met de situatie vandaag of met wat je verwacht dat er in de toekomst zal gebeuren. Je kunt je ook afvragen of het beeld dat je hebt niet beïnvloed is door jouw mening of die van anderen.

10

KENNEN

KUNNEN

1 de begrippen ‘tijd’, ‘ruimte’ en ‘domein’ uitleggen 2 drie verschillende tijdrekeningen geven 3 het beginpunt van onze tijdrekening geven 4 de zeven tijden met hun begin- en eindjaar in chronologische volgorde opnoemen 5 de vier verschillende maatschappelijke domeinen geven 6 uitleggen wat bronnen en werken zijn 7 de soorten bronnen opnoemen 8 het verschil tussen primaire en secundaire bronnen uitleggen

1 een bron of een gebeurtenis in de juiste tijd en het juiste maatschappelijke domein plaatsen 2 een reeks bronnen sorteren volgens soort 3 informatie opzoeken: in een naslagwerk, op het internet … 4 de vindplaats van informatie correct weergeven 5 een kaart bestuderen en ontleden 6 de vijf onderdelen van historisch denken herkennen 7 vragen over bronnen oplossen

LES 2 EVEN JE GEHEUGEN OPFRISSEN


OPDRACHTEN • • • •

Geef voor elke bron de juiste tijd uit het referentiekader. Geef voor elke bron een of meer maatschappelijk domeinen waarover ze gaat. Welke bronnen gaan over Europa? Welke bronnen zijn secundaire bronnen?

BRON 1 Op 20 januari 2017 legt Donald Trump de eed af als 45e president van de Verenigde Staten.

em

pl aa

r

BRON 2 ‘De geldwisselaar en zijn vrouw’, geschilderd door de Antwerpenaar Quinten Metsijs (1466-1530) in 1514 (Louvre, Parijs, 70 x 67 cm, olieverf op hout)

0

jk ex

BRON 3 De verspreiding van de landbouw in Europa 500 km

Oostzee

In

ki

Noordzee

Atlantische Oceaan

Zee arte Zw

vroege nederzettingen van landbouwers late nederzettingen van jagers/verzamelaars 7000-5400 v.C.

5300-5000 v.C.

6500-5200 v.C.

na 5000 v.C.

Middellandse Zee

• In welk gedeelte van Europa raakt de landbouw het eerst bekend? • Wanneer schakelt men aan de Vlaamse kust over op landbouw?

A

DE EERSTE STAPPEN IN HET TWEEDE JAAR

11


pl aa

r

BRON 4 De sfinx en de piramide van Chefren

em

De sfinx, een gigantische leeuw met mensenhoofd, ligt voor de piramide van Chefren. Het beeld, ter plaatse uit de rotsen gehakt rond 2500 v.C., is 20 meter hoog en 73 meter lang. De sfinx is de bewaker van de piramiden.

BRON 6 De schoolmeester van Eslingen

In

ki

jk ex

BRON 5 Slachtoffers van een gasaanval in de Eerste Wereldoorlog (1914-1918)

Britse soldaten die op 10 april 1918 bij Bethune (Noord-Frankrijk) getroffen werden door Duits gas. Luitenant Thomas Keith Aitken maakte de foto, die wordt bewaard in het Imperial War Museum. Een tekening uit een Duits boek van de 14e eeuw met handgeschreven gedichten en tekeningen. Het wordt bewaard in de universiteit van Heidelberg.

12

LES 2 EVEN JE GEHEUGEN OPFRISSEN


em

pl aa

r

BRON 7 Het bovenste marktplein (agora) van de stad Sagalassos (Anatolië, Turkije), grotendeels opgegraven door Vlaamse archeologen. Het plein kwam tot stand tijdens de Romeinse keizertijd.

BRON 8

ki

jk ex

Cheops gaf alle Egyptenaren het bevel om voor hem te werken. Hij verplichtte hen om rotsblokken uit de groeven in de Arabische bergen te halen en die naar de Nijl te slepen. Anderen gaf hij de opdracht om die stenen op schepen naar de andere oever van de stroom te brengen en ze naar het Libische gebergte te sleuren. Er werd met 100 000 man tegelijk gewerkt. Elke groep werkte drie maanden. Het aanleggen van een weg duurde tien jaar. Daardoor raakte het volk helemaal uitgeput. Uit: Herodotos, Historiën dl II, 124

In

Farao Cheops regeerde van 2551 tot 2528 v.C. Herodotos (485-425 v.C.) is een Griekse schrijver die veel landen rond de Middellandse en de Zwarte Zee bezocht heeft. Hij bezoekt ook Egypte. Voor zijn werk raadpleegt hij tal van bronnen, waaronder mondelinge overleveringen. Hij heeft ook aandacht voor oorzaken en gevolgen. Soms is hij wel lichtgelovig. • • • •

Is de tekening een historische bron of een werk? In welke tijd spelen de beschreven feiten zich af? Hoeveel eeuwen na de feiten schrijft Herodotus dit? Zoek in de info over de auteur nog een gegeven waaruit je kunt besluiten dat hij misschien niet altijd alles juist weergeeft. • Welke historische vraag kun je met de bron NIET met zekerheid beantwoorden? 1 Wie liet de Grote Piramide bouwen? 2 Welke negatieve invloed had de bouw van de piramiden op de Egyptenaren? 3 Hoe werd het materiaal voor de piramiden vervoerd?

A

DE EERSTE STAPPEN IN HET TWEEDE JAAR

13


In de geschiedenislessen bestudeer je niet alleen het verleden, maar heb je ook aandacht voor domeinen en plaatsen. In dit onderdeel maak je kennis met het Middellandse Zeegebied.

pl aa

OUDE NABIJE OOSTEN

jk ex

PREHISTORIE

em

±

35

0

0

v. C

.

r

B

Een eerste kennismaking met het Middellandse Zeegebied

OPDRACHT 1

In

ki

• Bestudeer deze kaart. In les 3 krijg je hier een vraag over.

14

B EEN EERSTE KENNISMAKING MET HET MIDDELLANDSE ZEEGEBIED


r 19

±

17

±

4

50

5

pl aa 50

±

em

50 ±

MIDDELEEUWEN

jk ex

OPDRACHT 2

14

0

. v. C 0 80 ±

KLASSIEKE OUDHEID

HEDENDAAGSE TIJD MODERNE TIJD VROEGMODERNE TIJD

C

A

In

ki

Op de kaartjes zie je een aantal plaatsen waar in het verleden belangrijke gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Koppel elke uitspraak aan het juiste kaartje. 1 De moderne mens ontstaat in Afrika en verspreidt zich van daaruit over de wereld. 2 In de Vruchtbare Sikkel ontstaan waarschijnlijk de eerste landbouwnederzettingen. 3 Het Oude Egypte ontwikkelt zich langs de Nijl.

B

B EEN EERSTE KENNISMAKING MET HET MIDDELLANDSE ZEEGEBIED

15


3

De natuurlijke omstandigheden in het Middellandse Zeegebied

5 4

50

19

17 ±

PREHISTORIE OUDE NABIJE OOSTEN KLASSIEKE OUDHEID MIDDELEEUWEN

±

50

14

±

±

50

0

pl aa

±

±

35

0

80

0

0

v. C

v. C

.

.

r

Vorig schooljaar heb je kennisgemaakt met de levenswijze van de eerste mensen en de eerste landbouwsamenlevingen in de prehistorie en het oude nabije oosten. Dit schooljaar maak je kennis met de Grieken en de Romeinen. Die horen bij de klassieke oudheid. Waar ontwikkelen de Griekse en de Romeinse samenlevingen zich? Welke rol spelen het klimaat en het reliëf daarin? Wat zijn de natuurlijke kenmerken van de Griekse wereld en van het Italische schiereiland?

HEDENDAAGSE TIJD

Het Middellandse Zeeklimaat beïnvloedt de klassieke samenlevingen

De gebieden rond de Middellandse Zee hebben een mild klimaat met voldoende regen en overvloedige zonneschijn. De zomers zijn er lang, warm en droog. De winters zijn er kort, zacht en vochtig. We spreken van een Middellandse Zeeklimaat of mediterraan klimaat. In die gebieden kunnen de meeste mensen van de landbouw leven. Ze telen citrusvruchten (bijvoorbeeld sinaasappelen en citroenen), druiven, olijven en graan. BRON 1

In

ki

bekken: plat, lager gelegen gebied of zee

1

jk ex

schiereiland: land dat langs drie zijden omgeven is door water en langs één zijde verbonden is met het vasteland

em

MODERNE TIJD VROEGMODERNE TIJD

2

Het westelijke en oostelijke bekken van de Middellandse Zee zijn zeer verschillend

Het oostelijke bekken van de Middellandse Zee bevat veel eilanden. De kusten zijn er sterk ingesneden. De inhammen vormen ideale aanlegplaatsen voor schepen. De eilanden zijn handige wegwijzers voor zeevaarders. Vooral het vasteland rond de Egeïsche Zee is erg bergachtig en heeft slechts kleine vruchtbare vlakten. Door het bergachtige reliëf zijn er weinig contacten over het land en blijven de gemeenschappen klein. Een landschap dat contacten bemoeilijkt, noemen we een gesloten ruimte. De bewoners gebruiken vooral de zee om handel te drijven en te BRON 2

16

LES 3 DE NATUURLIJKE OMSTANDIGHEDEN IN HET MIDDELLANDSE ZEEGEBIED

vissen. In dat geval spreken we van een maritieme samenleving. Het westelijke bekken heeft minder eilanden, een grotendeels bergachtig binnenland en aan de kust grote vruchtbare vlakten. Een landschap dat contacten gemakkelijker maakt, noemen we een open ruimte. Daar kunnen de bewoners voldoende voedsel produceren. Ze wagen zich daarom minder op zee In dat geval spreken we van een continentale samenleving. Het bekken heeft weinig eilanden om zich op te oriënteren. De kust is er ook minder ingesneden, zodat er minder aanlegplaatsen zijn voor schepen dan in het oostelijke bekken.

3

De natuurlijke omstandigheden geven de Griekse wereld en het Italische schiereiland hun eigenheid

De Griekse cultuur ontwikkelt zich rond de Egeïsche Zee. De Romeinse cultuur ontstaat op het Italische schiereiland. Op de kaart op blz. 14 krijg je een overzicht van de belangrijkste natuurlijke kenmerken: rivieren, landstreken, gebergten, vruchtbare vlakten … Die geven die gebieden hun eigen karakter.


KUNNEN

1 de begrippen ‘open en gesloten ruimte’ en ‘maritieme en continentale samenleving’ uitleggen 2 drie kenmerken van het Middellandse Zeeklimaat geven 3 de invloed van het klimaat op de landbouw uitleggen 4 drie natuurlijke omstandigheden van het oostelijke bekken van de Middellandse Zee geven en uitleggen 5 drie natuurlijke omstandigheden van het westelijke bekken van de Middellandse Zee geven en uitleggen 6 drie voorbeelden van de invloed van de natuurlijke omstandigheden op de leefomstandigheden van de mens geven voor het westelijke bekken 7 drie voorbeelden van de invloed van de natuurlijke omstandigheden op de leefomstandigheden van de mens geven voor het oostelijke bekken 8 de invloed van het klimaat op de landbouw uitleggen voor het westelijke bekken 9 de invloed van het klimaat op de landbouw uitleggen voor het oostelijke bekken

1 het oostelijke bekken van de Middellandse Zee op een kaart situeren 2 het westelijke bekken van de Middellandse Zee op een kaart situeren 3 de volgende natuurlijke kenmerken en plaatsen van het oostelijke bekken op een kaart situeren: Middellandse Zee, Egeïsche Zee, Grieks schiereiland, Griekse eilanden, Kreta, Klein-Azië, Attika, Peloponnesos, Athene, Sparta 4 de volgende natuurlijke kenmerken en plaatsen van het westelijke bekken op een kaart situeren: Middellandse Zee, Adriatische Zee, Ionische Zee en Tyrreense Zee, Alpen, Apennijnen, Sicilië, Po, Tiber, Rome

40 40 20

20 20 10

20 20 0 0 N in mm0

J J 81 J

75 9,1 75 9,1 9,1

In

Fragment uit een vloermozaïek in het Huis van de Faun, Pompeï, 1e eeuw

65 10,6 65 10,6 10,6

A A 55 A

55 13,2 55 13,2 13,2

M M 32 M

32 17,0 32 17,0 17,0

J J 16 J

16 20,6 16 20,6 20,6

J J 15 J

15 23,4 15 23,4 23,4

A A 33 A

33 23,6 33 23,6 23,6

S S 68 S

68 20,9 68 20,9 20,9

O O 93 O

93 17,0 93 17,0 17,0

N N 111 N

111 12,7 111 12,7 12,7

D D 90 D

Athene (Griekenland) - station 16716 Athene (Griekenland) - station 16716 Athene (Griekenland) - station 16716

NTin inmm °C N in mm T in °C T in °C

J J 45 J

45 10,2 45 10,2 10,2

F F 48 F

48 10,5 48 10,5 10,5

M M 44 M

44 12,4 44 12,4 12,4

A A 25 A

25 16,0 25 16,0 16,0

M M 14 M

14 20,6 14 20,6 20,6

J J6 J

6 25,0 6 25,0 25,0

J J6 J

6 27,8 6 27,8 27,8

A A8 A

8 27,6 8 27,6 27,6

S S 10 S

10 24,3 10 24,3 24,3

O O 48 O

48 19,3 48 19,3 19,3

N N 51 N

51 15,4 51 15,4 15,4

D D 66 D

J

F

M

A

M

J

J

A

S

J 67

F 54

M 73

A 57

M 70

J 78

J 75

A 63

S 59

NTin inmm °C N in mm T in °C T in °C

67 2,5 67 2,5 2,5

54 3,2 54 3,2 3,2

73 5,7 73 5,7 5,7

57 8,7 57 8,7 8,7

70 12,7 70 12,7 12,7

78 15,5 78 15,5 15,5

75 17,2 75 17,2 17,2

63 17,0 63 17,0 17,0

59 14,4 59 14,4 14,4

J

F

M

A

M

J

J

A

S

O O 71 O

71 10,4 71 10,4 10,4

N N 78 N

78 6,0 78 6,0 6,0

0 0

40 40 35 40 35 30 35 30 25 30 25 20 25 20 15 20 15 10 15 10 5 10 5 0 5 0 0

66 12,0 66 12,0 12,0

Ukkel (België) - station 06447 Ukkel (België) - station 06447 Ukkel (België) - station 06447

80 80 70 80 70 60 70 60 50 60 50 40 50 40 30 40 30 20 30 20 10 20 10 0 10 0 N in mm0

10 10 0

90 9,5 90 9,5 9,5

Neerslag Neerslag Neerslag in in mm mm in mm

80 80 70 80 70 60 70 60 50 60 50 40 50 40 30 40 30 20 30 20 10 20 10 0 10 0 N in mm0

M M 65 M

Neerslag Neerslag Neerslag in in mm mm in mm

ki

jk ex

81 8,3 81 8,3 8,3

F F 75 F

D D 76 D

76 3,4 76 3,4 3,4

40 40 35 40 35 30 35 30 25 30 25 20 25 20 15 20 15 10 15 10 5 10 5 0 5 0 0

Temperatuur Temperatuur Temperatuur in in °C°C in °C

30 30 20

per jaar per jaar per 733 jaar 733 15,5 733 15,5 15,5

Temperatuur Temperatuur Temperatuur in in °C°C in °C

60 60 40

NTin inmm °C N in mm T in °C T in °C

RANDINFO

60 60 60 50 50 50 40 40 40 30

per jaar per jaar per 371 jaar 371 18,4 371 18,4 18,4

Temperatuur Temperatuur Temperatuur in in °C°C in °C

pl aa Rome (Italië) - station 16242 Rome (Italië) - station 16242 Rome (Italië) - station 16242

120 120 120 100 100 100 80 80 80 60

em

Neerslag Neerslag Neerslag in in mm mm in mm

r

KENNEN

per jaar per jaar per 821 jaar 821 9,7 821 9,7 9,7

Klimatogrammen, www.meteo.be Klimatogrammen, www.meteo.be Klimatogrammen, www.meteo.be Klimatogrammen, www.meteo.be Les 4 LAndschAPPen en Mensen in heT MiddeLLAndse zeegebied Les 4 LAndschAPPen en Mensen in heT MiddeLLAndse zeegebied MET L e s EEN 4 LEERSTE A n d s c hKENNISMAKING APPen en Mens e n iHET n h eMIDDELLANDSE T M i d d e L L A n d sZEEGEBIED e zeegebied

B

29 29 29

17


em

pl aa

r

BRON 1 Typische landbouwproducten uit het Middellandse Zeegebied

• Welke typische landbouwproducten uit het Middellandse Zeegebied herken je op de afbeeldingen?

B Het oostelijke bekken - De golf van Korinthe, met zicht op de Rion Antirion-brug

In

ki

jk ex

BRON 2 A Het westelijke bekken De baai van Guidaloca, Sicilië

• Bestudeer de kaart op blz. 14. Beschrijf voor zowel het westelijke als het oostelijke bekken: Ǥ de vorm van de kust en de ligging van de eilanden; Ǥ de natuurlijke omstandigheden.

18

LES 3 DE NATUURLIJKE OMSTANDIGHEDEN IN HET MIDDELLANDSE ZEEGEBIED


4

Oudere samenlevingen in het ­Middellandse Zeegebied

r .

.

v. C

v. C

.

v. C

0

0

0

50

±

6

±

81

0

0

10

±

±

4

pl aa

v. C

v. C

0

0

12

21 ±

Akkadische Rijk

em

opkomst Perzische Rijk stichting Carthago koninkrijk Israël? einde late bronstijd

In het oostelijke bekken van de Middellandse Zee ontstaan al vroeg belangrijke samenlevingen

Je weet al dat langs grote stromen de eerste grote rijken ontstaan. Zo leerde je vorig jaar over het Oude Egypte. Vrijwel gelijktijdig komen er in Mesopotamië (min of meer het huidige Irak) enkele belangrijke rijken tot bloei. Het belangrijkste daarvan is het Akkadische Rijk (ca. 2350-2150 v.C.). Koning Sargon I verovert in de 24e eeuw v.C. zelfs zoveel gebieden dat hij ook weleens ‘de eerste grote veroveraar uit de geschiedenis’ wordt genoemd. Zijn rijk onderhoudt handelscontacten met Egypte en andere gebieden uit het oostelijke bekken van de Middellandse Zee. Een van die gebieden is het Minoïsche Kreta (zie les 5). Akkad heeft ook contact met de samenlevingen aan de Indus. Dat alles leidt tot een uitwisseling van ideeën, gewoontes enz. In de loop van de 22e eeuw v.C. houdt het Rijk van Akkad op te bestaan. De reden daarvoor is tot op heden een onderwerp van discussie onder historici: binnenlandse twisten, invallen van vreemde volkeren (op zoek naar nieuwe landbouwgronden), een klimaats­ verandering … Daarna komen er nieuwe rijken tot bloei, o.a. het Assyrische en Babylonische Rijk. Die twee rivaliserende rijken kennen momenten van bloei en verval. Kleine staatjes profiteren daar doorgaans van, maar

In

ki

BRON 1-2

blijven zelden lang bestaan. Meestal worden ze snel weer opgeslokt door hun grotere buren. Tussen ruwweg 1200 en 1000 v.C. worden alle rijken in het gebied getroffen door een reeks rampen. Uit archeologisch onderzoek blijkt dat er in veel steden zware branden zijn geweest (door plunderingen?). Bovendien lijkt er daarna minder handel te zijn geweest. Ook beschikken we vanaf dan voor een hele tijd over minder geschreven bronnen. Sommige historici spreken zelfs van een ‘donkere’ tijd. Die ‘catastrofe’ valt min of meer samen met het einde van de (late) bronstijd. Wat er juist is gebeurd, blijft nog altijd onduidelijk. Het binnenvallen van vijandige volkeren wordt vaak als een oorzaak genoemd. In de 19e eeuw werd door historici de term ‘zeevolkeren’ gebruikt om die invallers te benoemen. Dat begrip is vandaag meer omstreden. Een ‘nieuw’ volk dat zich rond die tijd in het gebied vestigt, zijn de Filistijnen. Uit DNA-onderzoek blijkt dat zij uit het zuidwesten van Europa afkomstig zouden zijn. Zij vestigen zich ten noorden van de Sinaïwoestijn. Dat gebied zal later – in de Romeinse tijd – naar hen genoemd worden: Palestina. Rond diezelfde tijd dringen ook de Hebreeërs of Israëlieten dat gebied binnen. Zij zijn – deels – de voorouders van het latere Joodse volk. Aanvankelijk zijn ze polytheïstisch, geleidelijk aan worden ze monotheïstisch. Uit het jodendom ontstaat later het christendom (zie les 34).

jk ex

1

.

.

. v. C 50

50 23 ±

±

25

0

0

v. C

v. C

.

.

Dit jaar zul je vooral de geschiedenis van de Grieken en de Romeinen bestuderen. Die beschavingen zijn echter beïnvloed door andere – oudere – cultu­ ren en samenlevingen uit vooral het oostelijke Middellandse Zeegebied. De meeste daarvan zijn ook ontstaan rond de Middellandse Zee. Sommige, zoals de Egyptische, zijn ook nu nog erg bekend. Over andere volkeren weten we vandaag veel minder. Toch zijn zij ook belangrijk geweest. Wie waren die andere volkeren? Wat weten we over hen? Welke invloed hebben ze gehad?

bronstijd: term gebruikt door archeologen en historici voor de periode tussen ca. 3000 en 800 v.C. waarin vooral bronzen werktuigen en wapens werden gebruikt. Die periode volgt op de (nieuwe) steentijd en wordt gevolgd door de ijzertijd.

B EEN EERSTE KENNISMAKING MET HET MIDDELLANDSE ZEEGEBIED

19


In het westelijke bekken vestigen zich vanaf de 9e eeuw v.C. nieuwe volkeren

r

em

2

zeevaarders. Men neemt aan dat ze rond Afrika zijn gevaren en ook handelgedreven hebben met het huidige Groot-Brittannië. In de 8e eeuw v.C. domi­ neren zij de Middellandse Zeehandel. Hun schepen varen uiteraard ook naar het westelijke bekken van de Middellandse Zee. Daar stichten zij op de kusten van Noord-Afrika, Zuid-Italië, Frankrijk en Spanje talrijke kolonies. In Spanje nemen de oorspronkelijke bewoners een voorbeeld aan de Feniciërs: ze stichten zelf ook steden en nemen de Fenicische cultuur gedeeltelijk over. De belangrijkste kolonie van Fenicië is het in 814 v.C. gestichte Carthago. Die stad wordt het centrum van de Fenicische cultuur wanneer Fenicië onder controle komt van de grote rijken. Ook in het westelijke bekken krijgen de Feniciërs steeds meer af te rekenen met concurrentie: de Grieken vestigen er zich vanaf het einde van de 7e eeuw v.C. (zie les 8). In de 3e eeuw v.C. komt Carthago in conflict met Rome (zie les 19). Voor de opkomst van Rome wordt een groot deel van Italië overheerst door de Etrusken. De bloeiperiode van hun beschaving is tussen de 7e en 5e eeuw v.C. Over die Etrusken is nog steeds weinig geweten. Zij wonen in steden – de oudste in het westelijke Middellandse Zeebekken – en vormen geen echte eenheid. Ze doen aan landbouw en drijven handel. Ze varen met hun schepen onder andere naar het huidige Zuid-Frankrijk. Vooral de komst van de Grieken brengt hun belangen in gevaar. Daarom werken zij bijvoorbeeld soms met de Feniciërs samen. Toch worden zij op cultureel vlak door de Grieken beïnvloed. Op hun beurt beïnvloeden de Etrusken het opkomende Rome dat hen vanaf de 4e eeuw v.C. onderwerpt.

pl aa

De boeken van het Oude Testament vertellen in de eerste plaats een geloofsverhaal, geen geschiedenis van het Oude Israël. Ze bevatten weinig of geen betrouwbare historische informatie, zeker niet voor de vroegste geschiedenis zoals de Uittocht uit Egypte. Er is ook weinig zekerheid over de Bijbelse koningen David en Salomo en of zij over een machtig koninkrijk Israël geregeerd hebben. Na de 10e eeuw v.C. zijn er meer historische gegevens uit andere bronnen dan de Bijbel. Het gebied wordt achtereenvolgens bezet door de Assyriërs, de Babyloniërs, de Perzen, Grieken en Romeinen. De Perzen, een volk dat oorspronkelijk uit CentraalAzië komt, veroveren een rijk dat zich uitstrekt van het huidige Libië tot aan de Indus. In de 6e eeuw v.C. is het Perzische Rijk het grootste rijk ooit. Alle landen rond het oostelijke deel van de Middellandse Zee behoren ertoe. Enkel een deel van de Grieken ontsnapt aan de onderwerping (zie les 13). Dat samengaan van al die vroegere rijken en samenlevingen zorgt voor een enorme culturele versmelting.

Rond 1000 v.C. komt in het huidige Libanon de Fenicische samenleving tot ontwikkeling. De Feniciërs delen dezelfde godsdienst en dezelfde taal, maar vormen doorgaans geen politieke eenheid. Hun schrift ligt aan de basis van ons huidige alfabet. De Grieken en de Romeinen hebben het later van hen overgenomen. De Feniciërs drijven vooral handel en zijn uitstekende

In

ki

jk ex

BRON 1

20

KENNEN

KUNNEN

1 de begrippen en namen ‘Palestina’, ‘Joden’ en ‘Oud Testament’ uitleggen 2 drie rijken in Mesopotamië opnoemen 3 twee redenen voor het verval van veel rijken geven en uitleggen 4 uitleggen wie de Feniciërs zijn en vier kenmerken geven 5 uitleggen wie de Etrusken zijn en vier kenmerken geven

1 Palestina, Carthago en het gebied van de Etrusken op een kaart aanduiden 2 informatie uit bronnen halen 3 kaarten lezen

LES 4 OUDERE SAMENLEVINGEN IN HET MIDDELLANDSE ZEEGEBIED


BRON 1 Het Middellandse Zeegebied (ca. 2000-500 v.C.) Op de kaart staan de belangrijkste rijken en steden uit die periode en enkele belangrijke bijdragen en uitvindingen uit die tijd.

HETTIETEN

Probeer een punt van kritiek te geven op deze kaart. Waar moet je echt wel op letten als je deze kaart wilt gebruiken? Geef drie huidige landen waar de Grieken kolonies stichtten. Is deze stelling juist of fout: ‘De Grieken stichten enkel kolonies in het oostelijke bekken van de Middellandse Zee.’ In welk huidig land ligt Fenicië? En Carthago? Noem drie zaken die de volkeren rond het Middellandse Zeegebied ‘uitvonden’ en die wij vandaag nog gebruiken.

em

• • • • •

pl aa

r

RIJK VAN AKKAD

BRON 2

In

ki

jk ex

De wereld van de bronstijd is de grootste oudheidkundige ontdekking van de vorige eeuw. Er is in feite anderhalf millennium toegevoegd aan de bekende menselijke geschiedenis, laten we zeggen van 2700 tot 1200 voor Christus. Vijftien eeuwen die voor een groot deel vergeten waren: zo compleet was de instorting van het systeem. Er zijn parallellen voor dit soort instortingen, zoals de verdwijning van het Romeinse Rijk uit westelijk Europa. Daarover is veel geschreven en het is niet overdreven te zeggen dat ‘instortingsliteratuur’ een apart genre is, waarin de oorzaak van de ramp steevast een probleem is uit de tijd van de auteurs, geserveerd met een toefje apocalyptiek. De Amerikaanse archeoloog Eric Cline weet dit niet geheel te vermijden in [zijn boek], waarin hij de ondergang van de bronstijdrijken beschrijft (…). Cline presenteert de catastrofe als het gevolg van een combinatie van omstandigheden, die elk op hun manier het systeem ontregelden. Het staat vast dat er een reeks aardbevingen was (…). Er was langdurige droogte, die duidt op een klimaatomslag. Het bewijs daarvoor is ondertussen alweer sterker geworden. In het Egeïsche Zeegebied en Anatolië heerste politieke onrust, waardoor volken op drift raakten. De migranten volgden de oude handelsroutes en verplaatsten zo de onrust naar andere gebieden. Een bekend voorbeeld is de oorlog die farao Ramses III rond 1177 voor Christus voerde tegen de zogeheten Zeevolken. (...) Wat was oorzaak, wat was gevolg? Op zichzelf had geen van deze factoren hoeven leiden tot de catastrofe die feitelijk heeft plaatsgevonden, maar de situatie kon problematisch worden doordat de diverse partijen zozeer met elkaar samenhingen dat een verandering in één land onvermijdelijk leidde tot instabiliteit bij alle andere betrokkenen. (…) Als zo’n systeem eenmaal in verval raakt, kan de instorting ook volledig zijn, omdat er niets is dat onberoerd en stabiel overeind blijft. Zoals gezegd zijn in de instortingsliteratuur de oorzaken van de ramp doorgaans de problemen uit de tijd van de auteurs. Ook Cline ontkomt er niet aan dat hij onze zorgen over globalisering projecteert op het verleden. Dat is inherent aan de oude geschiedenis, die ons alleen iets kan tonen dat wij herkennen. Uit: Jona Lendering, Hoe de wereld van de bronstijd ten onder ging, www.nrc.nl, 23 mei 2014 Jona Lendering is een Nederlands historicus gespecialiseerd in de Oudheid. Dit zijn fragmenten uit zijn bespreking van het boek van de Amerikaanse historicus en archeoloog Eric H. Cline ‘1177 v.Chr. Het einde van de beschaving’ (Engelse titel: ‘1177 BC: The year civilisation collapsed)’ uit 2014. • Waarom waren de meeste beschavingen die bestonden in het Middellandse Zeegebied tussen ca. 2700 en 1200 v.C. lange tijd grotendeels vergeten? • Welke opmerking maakt de auteur bij het genre van de ‘instortingsliteratuur’? • Noem drie redenen die worden aangehaald voor de ondergang van de bronstijdrijken. • Waarom was die catastrofe zo algemeen, met andere woorden: waarom zijn zoveel rijken tegelijkertijd getroffen?

B EEN EERSTE KENNISMAKING MET HET MIDDELLANDSE ZEEGEBIED

21


5

De Minoïsche samenleving

PALATIALE PERIODE

.

.

-1 2e

ee

uw

r

v. C

v. C uw ee 15 e

13 e

pl aa

±

20 e

ee

16 0 0 -1 65 0

uw

v. C

v. C

.

.

In het begin van de 20e eeuw doet de Britse archeoloog Evans opgravingen in Knossos, op het Griekse eiland Kreta. Daar vindt hij resten van een oude samenleving die hij de Minoïsche samenleving noemt. Waar komt die naam vandaan? Waar in de geschiedenis moet deze samenleving gesitueerd worden? Wat is kenmerkend voor die samenleving? Wanneer en hoe is ze verdwenen?

MYKENERS

1

De Minoïsche samenleving bloeit tussen de 20e en de 14e eeuw v.C.

BRON 1-2 Op basis van zijn opgravingen deelt Evans de Minoïsche geschiedenis op in drie perioden: de vroeg-, midden- en laat-Minoïsche tijd. Die periodes situeert hij ruwweg tussen de 34e eeuw v.C. en de 15e eeuw v.C. Tegenwoordig wordt die indeling minder of niet meer gebruikt. Wetenschappers spreken nu vooral over de prepalatiale periode, de palatiale periode en de postpalatiale periode. Het begrip ‘palatiaal’ verwijst naar de resten van de vele ‘paleizen’ die op het eiland zijn gevonden en die het centrum moeten hebben gevormd van de verschillende Minoïsche rijkjes op Kreta. Over de juiste afbakening van die verschillende periodes bestaat discussie, net zoals over de verdere onderverdeling van die periodes. Tijdens de palatiale periode (ca. 20e eeuw-ca. 15e eeuw v.C.) kent de Minoïsche samenleving op Kreta haar grootste bloei. Die periode valt samen met de overgang van de late steentijd (neolithicum) naar de bronstijd op Kreta.

In

ki

jk ex

migratie: een groep mensen verhuist van de ene plaats naar de andere

em

uitbarsting Thera

2

De opkomst en de ondergang van de Minoïsche samenleving

Ca. 7000 v.C. vestigen de eerste permanente bewoners zich op Kreta. Over die eerste Kretenzers bestaat nog heel wat onduidelijkheid: Waar komen BRON 2

22

LES 5 DE MINOÏSCHE SAMENLEVING

ze vandaan? Zijn ze de rechtstreekse voorouders van de Minoërs? … Vanaf het vierde millennium v.C. neemt de bevolking toe (door nieuwe migratie?) en ontstaan er nieuwe en steeds grotere nederzettingen, onder andere Knossos. Aanvankelijk is Knossos nog een bescheiden plaatsje, maar geleidelijk groeit de nederzetting uit tot een groot ‘paleis’ met waarschijnlijk zo’n 20 000 inwoners (ca. 1700 v.C.). Ook elders op het eiland ontwikkelen zich dergelijke paleizencomplexen. Vermoedelijk zijn al die paleizen zelfstandige ‘staatjes’. Tussen de 20e en de 15e eeuw v.C. zijn die paleizen bloeiende centra van handel, industrie en kunst. Toch worden gedurende die periode veel van die paleizen – ook Knossos – meermaals verwoest. Wat de oorzaken van die verwoestingen zijn, is onduidelijk: aardbevingen, invallen, oorlogen … De uitbarsting van een vulkaan op het eiland Thera (Santorini) in de 17e eeuw v.C. heeft heel waarschijnlijk rampzalige gevolgen gehad voor de Minoïsche samenleving op Kreta. Die vulkaan­ uitbarsting moet in elk geval een van de zwaarste uitbarstingen uit de menselijke geschiedenis zijn geweest. Vanaf de 15e eeuw v.C. beginnen de Mykeners (zie les 6) zich op het eiland te vestigen. Hun komst betekent het einde van de Minoïsche samenleving. Sommige paleizen blijven wel in gebruik. In de loop van de 13e-12e eeuw v.C. gaat ook de Mykeense samenleving ten onder. Dat betekent het definitieve einde voor de paleizen op Kreta.


De Kretenzers zijn vooral zeevaarders en handelaars. Dat blijkt enerzijds uit de vele teruggevonden fresco’s waarop schepen en andere taferelen over de zee staan afgebeeld. Anderzijds zijn heel wat (kunst)voorwerpen gemaakt van materialen die niet op het eiland voorkomen. Bijvoorbeeld het brons dat de Minoërs op grote schaal gebruiken, wordt gemaakt van koper en tin. Beide grondstoffen moesten van elders en soms zelfs van heel ver worden ingevoerd. Door die handelscontacten, o.a. met het oude Egypte, ontstaat er een culturele beïnvloeding. Zo ontwik­ kelen de Kretenzers een soort beeldschrift dat waarschijnlijk door het Egyptische hiërogliefenschrift is beïnvloed. Later wordt het beeldschrift vervangen door een eigen schrift (Lineair A, zie ook les 6). Dat heeft men tot nu toe nog niet helemaal kunnen ontcijferen. Het feit dat de Minoërs een nu totaal onbekende taal spraken, heeft daar deels mee te maken. Met de komst van de Mykeners komt een nieuw schrift in gebruik, het Lineair B, dat men wel heeft kunnen ontcijferen. Het belang van de handel in de Minoïsche samen­ leving kan ook afgeleid worden uit het feit dat de meeste paleizen grote opslagplaatsen hebben voor olie, graan en andere producten. Aanvankelijk zijn de verschillende paleizen zelf­ standige centra. Toch is er een duidelijke culturele verbondenheid. Zo zijn alle paleizen min of meer volgens eenzelfde grondplan en in eenzelfde stijl gebouwd. Opmerkelijk is ook dat geen enkel paleis ommuurd is. Dat doet vermoeden dat de Minoïsche samenleving eerder een vreedzame cultuur was. Ook het ontbreken van gewelddadige thema’s in de kunst kan dat vermoeden nog versterken. Later ontwikkelt zich op Kreta toch een meer centraal bestuur. Het paleis van Knossos is dan waarschijnlijk de ‘hoofdstad’ van Kreta.

RANDINFO De verwoestende uitbarsting van een vulkaan op het niet verafgelegen eiland Thera moet op Kreta veel schade veroorzaakt hebben. Tot voor kort geloofde bijna iedereen dat die uitbarsting zich ca. 1500 v.C. had voorgedaan. Dat zou het verdwijnen van de nieuwe paleizen mee kunnen verklaren. Nieuw onderzoek leert echter dat de ramp op Thera waarschijnlijk in de 17e eeuw v.C. heeft plaatsgevonden. De ondergang van de oude paleizen zou op die manier gedeeltelijk verklaard kunnen worden. Maar wat is dan de verklaring voor de verwoesting van de nieuwe paleizen?

In

ki

jk ex

em

BRON 2-3

daarover is nog lang niet gesloten. Ook over andere kwesties zijn archeologen het niet eens: Was de Minoïsche cultuur wel zo geweldloos? (Recente vondsten van mensenoffers en zelfs vormen van kannibalisme doen daar twijfel over rijzen.) Heersten de Kretenzers wel over een écht zeerijk? Hebben de Mykeners Kreta in één keer veroverd of hebben ze er zich geleidelijk gevestigd? Zijn die Minoïsche paleizen niet eerder tempels of culturele centra? Enz.

r

Enkele kenmerken van de Minoïsche cultuur

pl aa

3

4

Recent onderzoek brengt nieuwe visies aan, maar vele vragen blijven onbeantwoord

Door het grotendeels ontbreken van ont­ cijferde, geschreven bronnen blijft de geschiedenis van het oude Kreta nog altijd een beetje mysterieus. Archeologische bronnen kunnen ons veel leren, maar lang niet alles. Zo is er momenteel nog steeds weinig geweten over het dagelijkse leven in de Minoïsche tijd of over de sociale verhoudingen. Bovendien kunnen de archeologische vondsten op verschillende manieren begrepen worden. Betekenen bijvoorbeeld de veelvuldige afbeeldingen van vrouwen ook dat vrouwen een belangrijke rol speelden? De discussie BRON 4

KENNEN 1 de begrippen ‘Minoïsch’, ‘Minotaurus’, ‘mythologie’, ‘migratie’ en ‘labyrint’ uitleggen 2 de drie periodes in de Minoïsche geschiedenis opnoemen en uitleggen 3 de ontdekker van de Minoïsche samenleving noemen 4 de mythe van koning Minos en de Minotaurus verklaren 5 de Minoïsche samenleving in de tijd situeren 6 drie mogelijke verklaringen voor de verwoestingen van de Minoïsche paleizen geven 7 twee zaken opnoemen die aantonen dat de Kretenzers handelaars en zeevaarders waren 8 een manier waarop de Egyptenaren de Kretenzers hebben beïnvloed, opnoemen 9 het belangrijkste paleis van Kreta noemen 10 twee discussiepunten in het moderne onderzoek over het oude Kreta geven

KUNNEN 1 informatie uit kaarten en teksten halen

B EEN EERSTE KENNISMAKING MET HET MIDDELLANDSE ZEEGEBIED

23


r • Bekijk afbeeldingen A, B en C. Geef twee redenen waarom men aan de Minoïsche samen­leving het verhaal van de Minotaurus heeft verbonden.

em

Een bekende Griekse mythe vertelt het verhaal van koning Minos, een zoon van de Griekse oppergod Zeus en de Fenicische prinses Europa. Hij heerst over Kreta. Omdat zijn macht steunt op de zee(handel), wil hij de zeegod Poseidon te vriend houden. Hij vraagt aan de god een dier, dat hij dan aan hem zal offeren. Poseidon stuurt Minos een prachtige stier. Minos vindt de stier echter té mooi om te offeren. Hij offert daarom een andere stier. Poseidon is daardoor beledigd en besluit Minos te straffen. Hij betovert daarom de vrouw van Minos. Zij wordt hopeloos verliefd op de stier. Die verliefdheid gaat zelfs zover dat zij met het dier wil vrijen. Zij laat een houten koe maken waarin ze kan kruipen om de stier te verleiden. Het vervolg kun je zelf wel raden. Kort daarna bevalt zij van hun kind. Het kind blijkt echter een monster te zijn: half mens, half stier. Minos besluit het monster, de Minotauros, op te sluiten in een speciaal daarvoor gebouwd doolhof, het Labyrint. Elk jaar moeten de door Kreta onderworpen gebieden een aantal jongeren sturen om geofferd te worden aan die Minotaurus. Uiteindelijk weet Theseus, een jongeman uit Athene, met behulp van Ariadne, de dochter van Minos, het monster te doden. Vele eeuwen later zouden geleerden de term ‘minoïsch’, afgeleid van Minos, gebruiken om dat mythologische Kreta te beschrijven. De ontdekkingen van Evans bewijzen echter dat er op Kreta echt een oude en machtige samenleving heeft bestaan. Evans hoeft dan ook niet ver te zoeken naar een naam voor die samenleving. Bovendien ziet hij in wat hij opgraaft zelfs bewijzen voor de oorsprong van de mythe van koning Minos.

BRON 2 A Plattegrond van het paleis van Knossos

pl aa

BRON 1 De oorsprong van de term ‘Minoïsch’

jk ex

B Bronzen stierenkop, opgegraven in Knossos en deels gerestaureerd. Het object werd waarschijnlijk gebruikt bij religieuze plechtigheden. De kop kan achteraan gevuld worden met vocht dat via de snuit kan ontsnappen. ­(Nationaal Archeologisch Museum Heraklion, 26 cm hoog, ca. 1500 v.C.)

In

mythe: een verhaal over goden en mensen dat een antwoord op grote levensvragen of een verklaring voor bepaalde zaken geeft

ki

• Geef twee argumenten waarom je dit verhaal niet als geloofwaardig kunt beschouwen. • Zoek op wie de mythologische architect is van het Labyrint. (Hij was ook degene die de houten koe voor de vrouw van Minos had ontworpen.)

mythologie: geheel van verhalen over goden en bovennatuurlijke krachten, die de mens en de natuurverschijnselen verklaren

24

LES 5 DE MINOÏSCHE SAMENLEVING


C Kretenzisch sierpleisterwerk (gerestaureerd) in het paleis van Knossos, Archeo­logisch Museum van Heraklion (78,2 x 104,5 cm; ca. 1400 v.C.)

pl aa

r

Lange tijd werd gedacht dat dit werk een voorstelling was van een soort ‘sport’ of religieuze plechtigheid waarbij jonge mensen (jongens en/of meisjes?) over een aanstormende stier springen. Niet iedereen aanvaardt die interpretatie. Misschien is de afbeelding gewoon decoratief of stelt ze iets spiritueels voor? Zoals bij zovele zaken over de Minoërs is hierover het laatste woord nog niet gezegd.

BRON 3 A Kreta in reliëf

Minoïsch paleis

em

Khania

Knossos

Mallia

Phaistos

Myrtos

50 km

Pseira

Zakros

Kommos

jk ex

0

boven 2000 m 1000 - 2000 m 500 - 1000 m 200 - 500 m 0 - 200 m

In

ki

B (Vermoedelijke) Handelsroutes van de Kretenzers

• Beschrijf het reliëf van het eiland. • Kijk naar de ligging van de paleizen. Probeer een verklaring te geven voor die ligging. • Wat was de eenvoudigste manier om de ­verschillende paleizen te bereiken? • Waarom bevond Kreta zich in een gunstige positie om handel te drijven? • Met welke gebieden dreef Kreta handel? • Waarom kan de vulkaanuitbarsting op Thera het leven op Kreta verstoord hebben?

B EEN EERSTE KENNISMAKING MET HET MIDDELLANDSE ZEEGEBIED

25


RANDINFO

Aardewerken kruiken in de kamers van het Paleis van Knossos. Hierin bewaart men voedselvoorraden zoals graan, olijfolie en wijn. De kruiken zijn bijna levensgroot.

jk ex

em

pl aa

Helaas, dan toch geen love en peace op het Kreta van de Minoërs. Nieuw onderzoek noemt de Minoërs even bloeddorstig als hun ­Minotaurus. Een vredeseiland, het was ook te mooi. Amper een eeuw geleden groef de Britse archeoloog Arthur Evans op Kreta het paleis van Knossos op. (…) Wat hem opviel, was het gebrek aan zware verdedigingsmuren. Kreta lag bezaaid met open paleizen, geen stoere burchten. De Minoërs waren vreedzaam, besloot Evans, ze voerden geen oorlog, maar dreven handel en dansten. ‘Kunnen we zo positief zijn over de menselijke natuur?’ vraagt Barry Molloy van de universiteit van Sheffield zich af. (…) Molloy ging op zoek naar bewijzen van geweld, krijgers en oorlog. Hij vond er ­verrassend veel. Volgens hem zagen mannen zichzelf als krijgers. Via gevechtssporten toonden ze hun vaardigheden in het openbaar. Ze deden aan boksen, worstelen, boogschieten, jagen en natuurlijk het tot de verbeelding sprekende stierspringen. ‘In de Minoïsche kunst krioelt het van de dubbele bijlen. In jacht­scènes zijn schilden en helmen te zien’, schrijft Molloy in het vakblad The Annual of the British School at Athens. ‘Dat past meer bij het beeld van een krijger dan van een jager. De jacht als voorbereiding op het gevecht. Zelfs in het nog niet ontcijferde hiërogliefenschrift van de Minoërs duiken bogen, pijlen en dolken op.’ (…) ‘Zelfs de beroemde Myceners, de helden van de Trojaanse Oorlog, namen de Minoïsche oorlogsstijl over’, beweert Molloy. ‘Kreta was de bakermat van de wapens die Europa zouden domineren tot in de middeleeuwen: zwaarden, strijdbijlen, schilden, speren en waarschijnlijk ook het harnas.’ ‘Evans’ utopische idee is al een poos verlaten door moderne onderzoekers’, zegt Molloy. ‘Maar in de populaire cultuur blijft het beeld van een vreedzaam volk maar opduiken.’ Volgens Molloy was oorlog niet alleen een deel van de Minoïsche samenleving, maar zelfs een dominant deel. ‘Religie, kunst, industrie, politiek en handel draaiden allemaal rond krijgstradities.’

r

BRON 4

In

ki

Of toch niet? Jan Driessen, archeoloog aan de UCL in Louvain-la-­Neuve, doet opgravingen in dezelfde streek op Kreta als Molloy. (…) Driessen benadrukt vooral wat er ontbreekt. Eén: defensieve muren. Twee: graven van krijgers vóór 1450 v.C. Drie: afbeeldingen van krijgers. De Egyptenaren en de Hettieten in Turkije, tijdgenoten van de Minoërs, tekenden naar hartenlust slagvelden, belegeringen en executies. Niets daarvan op Kreta. Dan toch een vredeseiland? Een wetenschappelijke discussie om in te verdwalen, zo zonder draad van Ariadne. Uit: Natan Van Wildemeersch, Kretenzers waren wél oorlogszuchtig, in: De Standaard, 31 januari 2013 • Waarom geloofde Evans dat de Minoërs vreedzaam waren? • Geef drie redenen waarom Molloy twijfelt aan de vreedzaamheid van de Minoërs. • Hoe blijkt uit de tekst dat de discussie over de kwestie nog niet is besloten?

26

LES 5 DE MINOÏSCHE SAMENLEVING

Arthur Evans met een van de vondsten bij de opgravingen in Knossos (zie ook bron 2B op blz. 24)


B

Een eerste kennismaking met het Middellandse Zeegebied

OVERZICHT

KRIM

eën

Ad

nn ij

IBERISCH SCHIEREILAND

n

e

pe

ene

p

A

Pyr

l

A

CENTRAAL EUROPA

ria

ti

ne

sc

n ITALISCH SCHIEREILAND

M i d d e l l a n d s e

he

Z w a r t e Ze

e

MILD KLIMAAT

BALKAN

Z Ege

e e

ïsch

boven 2000 m 500 - 1500 m

ee eZ

s A t l a

1500 - 2000 m

NOORD-AFRIKA

200 - 500 m

Z e e

100 - 200 m 500 km

r

0 - 100 m

0

boven 2000 m

M i d d e l l a n d s e

1500 - 2000 m

Z e e

500 - 1500 m

pl aa

WESTELIJK BEKKEN - minder eilanden - grote vruchtbare vlakten

KLEINAZIË

200 - 500 m 100 - 200 m 0 - 100 m

0

500 km

OOSTELIJK BEKKEN - veel eilanden - bergachtig vasteland

HET OUDE EGYPTE

em

KRETA

(Minoïsche samenleving)

MESOPOTAMIË - Akkad - Assyrië - Babylon

jk ex

GRIEKEN

MIGRATIES (1200-1000 v.C.)

FENICIËRS

(ca. 1000 v.C.)

KANAÄN (Palestina) Hebreeërs (joden) één god

(vanaf 8e eeuw v.C.)

In

ETRUSKEN

ki

CARTHAGO (814 v.C.)

Filistijnen

GRIEKEN (vanaf 7e eeuw v.C.)

HET PERZISCHE RIJK (vanaf 6e eeuw v.C.)

ROMEINEN

OVERZICHT B EEN EERSTE KENNISMAKING MET HET MIDDELLANDSE ZEEGEBIED

27


em

v. C 0 0 35 ±

OUDE NABIJE OOSTEN

jk ex

PREHISTORIE

In

ki

Het Philippeion op de archeologische site van Olympia

28

C DE BLOEI VAN DE GRIEKSE WERELD

r

pl aa

Vele mensen beschouwen de Griekse cultuur als de basis van onze samenleving. Ze zeggen dat de Grieken onze manier van leven vooral op het politieke en ­culturele domein hebben beïnvloed. In dit onderdeel onderzoek je vooral politieke en socio-economische kenmerken van de Grieken uit de klassieke oudheid. In welke mate gelijken ze op onze samenleving? De meeste culturele kenmerken komen in andere onderdelen aan bod.

.

C

De bloei van de Griekse wereld


r jk ex

MIDDELEEUWEN

19

4

50

±

17

±

HEDENDAAGSE TIJD MODERNE TIJD VROEGMODERNE TIJD

Wagenmenner van Delphi, Archeologisch Museum van Delphi, bronzen beeld, 180 cm hoog

In

ki

Vaas, ca. 420 v.C., 37 cm hoog

5

pl aa 50

±

em

50 ±

14

0

. v. C 0 80 ±

KLASSIEKE OUDHEID

De tiran van de stad Gela in Sicilië laat het beeld oprichten naar aanleiding van de overwinning van zijn paardenspan tijdens de Pythische Spelen van Delphi in 478 of 474 v.C.

C DE BLOEI VAN DE GRIEKSE WERELD

29


6

Mykeners, de eerste Grieken

BLOEI

1

In

cyclopen: eenogige reuzen

BRON 1-2-3 Archeologische opgravingen leren ons dat Griekssprekenden ca. 2000 v.C. het Griekse vasteland binnentrekken. Historici noemen die Grieken uit de bronstijd Mykeners, naar de meest indrukwekkende vindplaats: Mykene. De belangrijkste centra van de Mykeense bronstijdcultuur vinden we in ommuurde burchten of paleizen van Mykene, Pylos en Argos op de Peloponnesos. Vanaf ca. 1600 v.C. tot ca. 1200 v.C. schittert de Mykeense cultuur in Griekenland. De zware muren en de talrijke bronzen wapenrustingen wijzen op een samenleving waarin oorlog nooit ver weg is. Nieuw is het gebruik van door paarden getrokken strijdwagens. Egyptische teksten getuigen zelfs van Mykeense huursoldaten in krijgsdienst ver van Griekenland. Historici denken dat het midden en het zuiden van Griekenland verdeeld was in een onbekend aantal vorstendommen zoals Thebe, Tiryns, Pylos en Athene.

jk ex

paleiseconomie: het paleis bewaart en verdeelt (voedsel)voorraden en granen.

De komst van de Grieken

ki

administratie: het verzamelen, ordenen en bijhouden van gegevens

2

Het Lineair B getuigt van Griekse aanwezigheid op Kreta

Hebben de Mykeners Knossos op het eiland Kreta veroverd in de 14e eeuw? Talrijke teksten op kleitabletten geschreven in ‘Lineair B’, dat afgeleid is van het Lineair A, getuigen in elk geval van Griekse aanwezigheid op het eiland. De taal van het Lineair B is vroeg-Grieks. Het Lineair A van Kreta is zeker geen BRON 4 -5

30

. v. C

.

0

v. C

±

10

0

0

0

12

±

ONDERGANG

Grieks. Het staat wel vast dat de Mykeners in het midden van de 14e eeuw de leiding over de regio hebben overgenomen van de Kretenzers. Op de Lineair B-tabletten, gevonden in Knossos en Pylos, vinden we vooral aantekeningen van de paleisadministratie: leveringen aan het paleis vanuit de omliggende dorpen, schenkingen aan heiligdommen. Zo ontstaat bij historici het beeld van een Mykeense paleiseconomie. Alles draait om het paleis: het bewaart de (voedsel)voorraden, verdeelt granen, bestuurt de omliggende dorpen. Soldaten van het paleis beschermen de bevolking die in oorlogstijd schuilt achter de cyclopische muren. Verrassend is de rijkdom die we vinden in de grafkamers: gouden dodenmaskers, drinkbekers, sieraden. Hoe geraakt het arme Griekenland aan die rijkdom? Plundertochten overzee? Handel?

em

GROEI

pl aa

±

±

16

20

0

0

0

0

v. C

.

v. C

.

r

Vanaf 2000 v.C. dringen Indo-Europese stammen het Griekse schiereiland binnen. De nieuwe indringers liggen aan de basis van de Griekse samenleving. Wie zijn de eerste Grieken en waar gaan ze zich vestigen? Hoe ziet hun samenleving eruit? Hoe komt er een einde aan hun samenleving?

LES 6 MYKENERS, DE EERSTE GRIEKEN

3

Mykene heeft handelscontacten met Kreta, Egypte en het Nabije Oosten

BRON 1 Handelaars uit Egypte en het Nabije Oosten zeilen naar Griekenland op zoek naar metalen en andere handelswaar. Mykeense handelaars (en rovers?) hebben contacten op de westkust van Klein-Azië, met de kusten van Syrië en Palestina, het eiland Cyprus, Egypte en Zuid-Italië. Zij vestigen zelfs kolonies langs die kusten (zie ook les 8). In de late bronstijd ontstaat zo een netwerk met Egypte en de staten van het Nabije Oosten.


KENNEN 1 de begrippen ‘Mykene’, ‘cyclopen’, ‘paleiseconomie’, ‘Lineair B’ en ‘kleitablet’ verklaren 2 de opkomst, het hoogtepunt en het verval van de Mykeense cultuur in de tijd situeren 3 de handelspartners van de Mykeners opnoemen 4 uitleggen hoe historici weten dat de Mykeners Grieks spraken

KUNNEN

1 op een blinde kaart Kreta, Mykene, Athene en de Peloponnesos aanduiden 2 het onderscheid maken tussen wat historisch zeker is en wat historici vermoeden

In

ki

jk ex

BRON 1 De Egeïsche wereld

In deze en vorige lessen blijven veel historische vragen onbeantwoord. Historici moeten immers een duidelijk onderscheid maken tussen wat zeker en onzeker is op het moment dat zij geschiedenis schrijven.

em

Ca. 1250-1000 v.C. verzwakt dat netwerk. Er is politieke onrust en politiek verval in Mesopotamië en Egypte. In de Mykeense vorstendommen stuikt de rijke paleiseconomie in elkaar. De oorzaken zijn niet duidelijk. Zijn de natuurlijke rijkdommen uitgeput? Kan de landbouw de groeiende bevolking niet voeden? Zijn oorlog en rivaliteit tussen de leidende groepen de oorzaak? Of zijn er toch vreemde invallers die de verzwakte Mykeense vorstendommen aanvallen? Zeker is dat rond 1200 v.C. enkele Mykeense centra worden verwoest, en grote groepen in de Griekse wereld ronddolen en de zee oversteken. Een aantal Grieken vestigt zich op de kusten van het huidige Turkije. Oorlogen zijn waarschijnlijk de voornaamste oorzaak van die verwoestingen. De luxueuze cultuur verdwijnt, het Lineair B wordt niet meer gebruikt. Wat blijft, zijn de verhalen waarin ook de namen van de voornaamste Griekse goden opduiken, die in de Mykeense tijd al werden vereerd. Het zal eeuwen duren voor Griekenland zich herstelt.

Zeker of onzeker?

r

4

Mykene gaat ten onder in oorlogen en migraties

5

pl aa

De invloed van de cultuur van Kreta op de Mykeense samenleving is duidelijk. Artistieke motieven en de vormgeving van voorwerpen zoals vazen, schalen en muurschilderingen verwijzen ernaar. Er is zeker ook invloed van Egypte.

PELOPONNESOS

• Over welke hedendaagse gebieden strekte de macht van de Mykeners zich uit? • Geef drie hedendaagse steden die al bestonden in de Mykeense periode.

C DE BLOEI VAN DE GRIEKSE WERELD

31


em

pl aa

r

BRON 2 A Reconstructietekening van Mykene

In

ki

jk ex

B De Leeuwenpoort

• Waarom ligt Mykene op een hoogte? Is dat gemakkelijk voor de bevoorrading? • Waaraan kun je zien dat de Mykeners zich willen beschermen?

32

LES 6 MYKENERS, DE EERSTE GRIEKEN


B Grafcirkel in Mykene

pl aa

r

BRON 3 A Gouden dodenmasker (16e eeuw v.C., Nationaal Archeologisch Museum, Athene)

ki

jk ex

em

C Het tholosgraf van Klytaemnestra en het Schathuis van Atreus

In

De eerste archeologen die Mykene ontdekten, dachten deze mythische stad uit de ‘Ilias’ gevonden te hebben. Zij wezen dat graf toe aan koningin Klytaemnestra. In zulke graven werden edellieden en vorsten begraven. Daarvan getuigen ook de grafgiften zoals het gouden dodenmasker uit bron 3A (doorsnede tholos 12,96 m; hoogte 13,50 m). Het graf is waarschijnlijk uit de 13e eeuw v.C. Rechts zie je een nog grotere ‘bijenkorfkoepel’ van de zogenaamde Schatkamer van Atreus in Mykene (ca. 1300 v.C.). De stenen ringen hebben een steeds kleinere diameter en vormen zo een ‘valse’ koepel. De koepel heeft een doorsnede van 14,6 meter en is 13,5 meter hoog. • Zoek op wie Klytaemnestra was (opgelet: verschillende schrijfwijzen zijn mogelijk). • Zoek op wat ‘tholos’ betekent. • Beschrijf het tholosgraf met je eigen woorden.

C DE BLOEI VAN DE GRIEKSE WERELD

33


BRON 4 A Een tabletje Lineair B, het eerste Grieks

BRON 5 A De politieke structuur (van Mykene) was die van een autocratische monarchie, geregeerd door de ‘wanax’. Die bestuurde zijn territorium met behulp van een hiërarchie van ambtenaren. Er was een speciale klasse van priesters en priesteressen. Het volk was georganiseerd in een ontwikkeld klassensysteem en slavernij was alom verspreid. Bron: whc.unesco.org B

pl aa

r

Overal was de plaatselijke bevolking aan de heren in de burcht of het paleis onderworpen, maar over de precieze maatschappelijke verhoudingen zijn we nog slecht ingelicht.

em

De Kretenzers en de Mykeners schreven op kleitabletten, vooral om de voorraden bij te houden. De taal die de Mykeners gebruikten, was vroegGrieks. De paleizen waarin de tabletten bewaard werden, zijn verwoest door branden, waardoor de tabletten gebakken werden. Enkele duizenden dergelijke tabletten zijn op die manier bewaard gebleven. Gewoonlijk werden die tabletten schoongeveegd en opnieuw gebruikt. B

Uit: F.G. Naerebout en H.W. Singer, De oudheid, 2002

• Waarover zijn beide bronnen het eens? • Wat zou je kunnen besluiten? Probeer maar.

jk ex

In hun eigen taal noemden de Grieken zichzelf overigens nooit ‘Grieken’. Dat woord komt van de naam die de Romeinen hun gaven: ‘Graeci’. Uit: M.I. Finley, De oude Grieken

Hoe noemden de Grieken zichzelf? Wie gaf de Grieken de naam Grieken? Waarvoor werd het Lineair B vooral gebruikt? Leg uit: ‘Het is een geluk bij een ongeluk dat we uit de Mykeense tijd nog kleitabletten hebben.’

In

ki

• • • •

RANDINFO

Cyclopen bouwen geen cyclopische muren Volgens de mythe werd Mykene gebouwd door cyclopen, eenogige reuzen. Als je die enorme steenblokken ziet, is de verleiding groot om dat te geloven. Maar zulke reuzen hebben geen reusachtige gebouwen nodig om zich te beschermen, laat staan dat ze als bange kleine mensen zulke reusachtige steenblokken zouden gebruiken om burchtmuren te bouwen. De foto toont de ingang van de indrukwekkende, cyclopische trap die 18 meter diep toegang geeft tot een groot ondergronds waterreservoir. Dat wordt gevoed door een ondergrondse leiding die water aanvoert van buiten de omwalling.

34

LES 6 MYKENERS, DE EERSTE GRIEKEN


7

De Grieken: politiek verdeeld, cultureel één

ARCHAÏSCHE TIJD

Hellas bestaat uit afzonderlijke, zelfstandige poleis

r

Het gebied waar de Grieken wonen, noemt men Hellas. De Romeinen spreken eerder over Griekenland. De eerste stam die zij er ont­moeten, noemt zichzelf immers Grieks. Je weet al dat Hellas zeer bergachtig is (zie les 3): veel steile bergketens, diepe dalen en een aantal kleine vlakten. Zo’n reliëf bemoeilijkt het samenleven in grote gemeenschappen. In plaats daarvan ontstaan er overal kleine individuele boerenneder­zettingen. Op een goed verdedigbare plaats, zoals een hoge rots of steile helling, bouwt men vaak een burcht of akropolis. Rond die burcht drijft men handel of vervaardigt men producten. Zeer dikwijls worden er openbare gebouwen, tempels, theaters ... opgericht. Zo ontstaat er een centrum dat belangrijk is voor de omgeving. Na verloop van tijd groeit het centrum uit tot een stedelijke ruimte. Samen met de omliggende rurale gebieden en de nabijgelegen dorpen vormt het een stadstaat: de polis. De eerste poleis ontstaan in het zuiden en oosten van Hellas tussen 1000 v.C. en 800 v.C. In het westen en het noorden laat de ontwikkeling langer op zich wachten. Elke polis probeert voor zichzelf genoeg voedsel en gebruiksvoorwerpen te produceren. Daardoor is de stadstaat economisch onafhankelijk van andere poleis. Ook op politiek vlak wil de polis onafhankelijk zijn en zichzelf besturen. Dat noemt men autonomie. Elke polis heeft dus haar eigen bestuur, wetten, leger en rechtspraak. De meeste poleis zijn vrij klein. Athene, een van de

grootste stadstaten, is qua oppervlakte niet groter dan het huidige Groothertogdom Luxemburg. Het telt in de 5e eeuw v.C. ongeveer 260 000 inwoners. Andere poleis hebben amper 10 000 inwoners. De Grieken vormen dus niet één staat of land. Hellas bestaat uit verschillende poleis. Die voeren vaak oorlog met elkaar om bijvoorbeeld hun grondgebied uit te breiden.

In

ki

jk ex

BRON 1-2-3

.

.

v. C 30 ±

33

±

KLASSIEKE TIJD HELLENISTISCHE TIJD

em

1

0

pl aa

DONKERE EEUWEN

v. C

. v. C 0

9

4

±

±

±

12

80

0

0

0

v. C

v. C

.

.

Verschillende stammen hebben Hellas bereikt. Vormen zij na verloop van tijd één Griekse staat? Hoe organiseren de Grieken zich? Bestaat er een Grieks gemeenschapsgevoel?

2

Hellas vormt een eenheid op cultureel gebied

BRON 1- 4 -5 - 6 De Grieken van de verschillende poleis voelen zich wel verwant aan elkaar. Drie zaken op cultureel gebied zorgen ervoor dat zij zich één grote gemeenschap voelen: de taal, de dichter Homeros en de godsdienst. De Grieken beseffen dat ze allemaal dezelfde taal spreken. Iedereen die geen Grieks spreekt, beschouwen zij als een ‘barbaar’. Vreemde talen klinken voor hen als onduidelijk gestotter (‘bar-bar-bar’). De dichter Homeros (8e eeuw v.C.) zou twee heldendichten gemaakt hebben: de ‘Ilias’ en de ‘Odyssee’. In die werken beschrijft hij welke deugden een Griek moet hebben: dapperheid, verstand, trouw, eergevoel, zelfopoffering en doorzettingsvermogen. Overal in Hellas leest men de gedichten van Homeros. Zo krijgen de Grieken een soortgelijke kijk op het leven en op hoe men zich moet gedragen. Homeros en Hesiodos (700 v.C.), een andere belangrijke Griekse dichter, stellen in hun werken de Griekse godenwereld voor. Homeros kiest enkele goden uit het grote aantal dat door de Griekse stammen wordt

stedelijke ruimte: verstedelijkt gebied, met dichtere bebouwing rurale ruimte: landelijk gebied stadstaat: in de klassieke oudheid een centrum met de omliggende landbouwgebieden en dorpen. De stadstaten zijn politiek en economisch onafhankelijk. autonomie: zelfregering

C DE BLOEI VAN DE GRIEKSE WERELD

35


vereerd. Alle Griekse stadstaten vereren na verloop van tijd de goden die ze bij Homeros terugvinden. Zo krijgen de Grieken gemeenschappelijke goden. Die samenhorigheid vind je ook terug in godsdienstige spelen. De bekendste zijn de Olympische Spelen, ter ere van de oppergod Zeus (zie les 33). Bepaalde

plaatsen, zoals de berg Olympos, zijn voor alle Grieken heilig. Ze geloven dat de goden er wonen. De culturele eenheid van de Grieken blijkt ook uit hun kunstvoorwerpen en bouwwerken. Over heel Hellas hebben ze ongeveer dezelfde stijl.

KUNNEN

1 de begrippen ‘Hellas’, ‘rurale ruimte’, ‘stedelijke ruimte’, ‘stadstaat’, ‘polis’ en ‘autonomie’ uitleggen 2 drie kenmerken van een polis geven 3 drie kenmerken van de Griekse culturele eenheid opsommen 4 met twee voorbeelden de belangrijke rol van Homeros in de Griekse cultuur uitleggen 5 de politieke verdeeldheid van Hellas aantonen 6 de culturele eenheid van Hellas aantonen

1 informatie uit een kaart afleiden 2 geschreven bronnen intensief lezen en er informatie in opzoeken 3 de grootte van een Griekse polis inschatten door ze te vergelijken met hedendaagse landen, regio’s, provincies en gemeenten

pl aa

In

ki

jk ex

em

BRON 1 De godsdienst in Hellas

• Vergelijk Hellas met het Griekenland van nu. Welke verschillen bemerk je? • Toon met behulp van de kaart aan dat goden in heel Hellas worden vereerd. • Noem drie poleis waar Hera wordt vereerd.

36

LES 7 DE GRIEKEN: POLITIEK VERDEELD, CULTUREEL ÉÉN

r

KENNEN


OPDRACHT • Maak van de lestekst zelf een schema, waarin je de hoofdgedachten en belangrijkste nevengedachten terugvindt. B De Akropolis in Athene

Uit: Pausanias, Beschrijving van Griekenland, X, 4

BRON 3 Oppervlakte van enkele stadstaten Athene (Attika) Korinthe Argos 22 stadstaten samen in Phokis

em

Pausanias van Lydië (2e eeuw), reiziger en aardrijks­ kundige, bezocht Palestina, Egypte, Italië en Rome. Griekenland is echter zijn favoriete bestemming. Hij beschrijft verschillende poleis in Hellas.

• Bekijk de foto. Welk terrein leent zich uitstekend voor het ontstaan van een polis? • Waarom denk je dat die ligging belangrijk is?

pl aa

Op twintig stadiën (ongeveer 4 km) van Chaeronea ligt de polis der Panopaïers, als men werkelijk de naam polis mag geven aan lieden die geen bestuursgebouwen hebben, geen gymnasion, geen theater, geen openbaar plein, geen watertoevoer die een vergaarbak voedt, en die daar op de rand van een ravijn wonen in half in de grond gegraven hutjes als schuilhutten van bergbewoners. Toch is hun gebied afgebakend van dat van hun buren en zenden zij afgevaardigden naar de vergadering van Phokis (een polis waar vertegenwoordigers van verschillende poleis uit dezelfde streek samenkomen). Ten slotte vertellen zij dat de naam van hun polis is afgeleid van die van de vader van Epeios. (Deze Epeios, wiens vader Panopeus heette, was de bouwer van het Trojaanse paard.)

r

BRON 2 A

jk ex

• Wat hebben de Panopaïers in tegenstelling tot de meeste poleis niet? • Wat is blijkbaar voldoende om een polis te zijn?

In

ki

BRON 4 A De strijd tussen Achilles en Hector voor de stad Troje

2 550 km2 880 km2 1 400 km2 1 650 km2

• Vergelijk deze oppervlakten met de oppervlakte van Vlaanderen, jouw provincie en jouw gemeente. Zoek zelf de juiste gegevens.

B Nu begreep Hector dat zijn laatste uur ­geslagen was en hij sprak: ‘Ach, nu hebben de goden mij tot de dood geroepen. Ik dacht dat de held Deïphobos bij mij was, maar hij is in de stad: de godin Athena heeft mij misleid. De dood is dicht bij mij en ontkomen is niet meer mogelijk. Zo is het blijkbaar besloten door Zeus en Apollo (goden), die mij tot nu altijd goed hebben beschermd. Komaan, laat ik zorgen dat ik niet roemloos sterf, maar zo vechten dat ook het nageslacht erover zal spreken.’ Uit: Homeros, Ilias, boek 22

Detail van een Grieks mengvat uit de 5e eeuw v.C. (British Museum)

Homeros (8e eeuw v.C.) was een Griekse dichter. Twee van zijn gedichten, de ‘Ilias’ en de ‘Odyssee’, worden beschouwd als de belangrijkste werken van de oud-Griekse literatuur. In zijn verhalen spelen helden en goden de hoofdrol. • Hoeveel goden komen in de tekst voor? • Welke ‘deugd’ toont Hector hier? Kies uit: verstand – dapperheid – bescheidenheid. • Wat vind jij van die ‘deugd’?

C DE BLOEI VAN DE GRIEKSE WERELD

37


BRON 5

C Het paard van Troje De Mykonosvaas (675 v.C.) is een van de oudste voorstellingen van het paard van Troje.

Er is de bloed- en taalverwantschap met het Griekse volk, de gemeenschappelijke heiligdommen, de goden en de offerplechtigheden evenals onze gelijksoortige zeden. (…) Wees ervan overtuigd dat wij nooit met Xerxes (de koning van Perzië) een akkoord zullen sluiten. Bewerking van Herodotos, Historiën, boek VIII, hoofdstuk 144 De Griek Herodotos leefde van 485 tot 425 v.C. Hij reisde de toen gekende wereld af en verzamelde gegevens over volkeren en landen. In zijn geschiedenisverhaal worden de verbanden tussen de feiten vanzelf duidelijk. Hij gelooft dat de goden de mens beïnvloeden.

pl aa

r

• Welke kenmerken maken van de Grieken een eenheid?

BRON 6 De betekenis van het woord ‘barbaar’

D

Het woord ‘barbaar’ komt uit het oude Griekenland. De Grieken geven die benaming aan alle mensen die geen Grieks spreken. Voor de Grieken klinken de vreemde klanken van die mensen als ‘barbarbar’. De Romeinen veranderen voor het eerst de betekenis van het woord ‘barbaar’. Voor hen past de naam bij alle volkeren die geen Griekse of Romeinse tradities kennen, zoals de verschillende stammen aan de Romeinse grenzen. Vandaag gebruiken we het woord ‘barbaars’ vooral om te verwijzen naar wrede, primitieve en onbeschaafde handelingen. Een ‘barbaar’ is een persoon die zulke handelingen uitvoert.

jk ex

em

De Grieken voeren weg aan boord van hun schepen, terwijl een andere groep onder leiding van de befaamde Odysseus zich in de buik van het houten paard op de marktplaats van Troje bevond. De Trojanen hadden het houten paard zelf de burcht binnengetrokken. Daar stond het paard nu, en de Trojanen discussieerden wat ze ermee moesten doen. Sommigen wilden het vernietigen met hun bijlen. Anderen waren van mening het naar de top van de burcht te slepen en dan van de rotsen te duwen. Nog anderen wilden het laten staan, waar het stond, als een monument voor de goden. En dit laatste gebeurde. (…) Het heilige Troje werd verwoest door de Grieken, die uit de holle buik van paard stormden en de stad verwoestten. Naar: Homeros, Odyssee, boek 8

• Welke betekenis heeft het woord ‘barbaar’ bij de Grieken? • Hoe is de betekenis van het woord ‘barbaar’ veranderd?

In

ki

• Op welke manier slagen de Grieken er volgens Homeros in om de stad Troje te verwoesten? • Zoek op wat een ‘Trojaans paard’ in de computerwereld is. Waarom zou het die benaming gekregen hebben?

Een 19e-eeuwse voorstelling van de Hunnen als barbaren

38

LES 7 DE GRIEKEN: POLITIEK VERDEELD, CULTUREEL ÉÉN


50

pl aa

stichten de Grieken zo veel bloeiende kolonies dat dit gebied de naam ‘Magna Graecia’, Groot-Griekenland, krijgt. De Grieken hebben twee soorten kolonies. Exploitatie­kolonies doen aan mijnbouw of zorgen voor landbouw en veeteelt. Handelskolonies vormen steun- en verbindingspunten voor de handel. Tussen de overzeese kolonies en de moedersteden ontwikkelt zich een drukke handel. Hellas importeert eerst en vooral graan, daarnaast nog diverse soorten metaal, regionale producten, slaven enz. Het exporteert meestal wijn, olie, aardewerk en andere afgewerkte producten. Veel bekende steden langs de Middellandse Zee zijn van oorsprong Grieks: Marseille, Nice, Syracuse, Napels, Byzantium (nu Istanbul) enz. Dankzij de handel verschijnt er, naast de oude grondadel, een nieuwe groep rijken: de handelaarsondernemers. Steunend op hun geldbezit eisen zij om deel te nemen aan het bestuur.

em

Je weet al dat Hellas heel weinig vruchtbare grond heeft. Dat schept natuurlijk een voedsel­ probleem als de bevolking aangroeit. Bovendien is het grootste deel van die vruchtbare grond in handen van een kleine groep grootgrondbezitters. De grote groep armen vindt dat uiteraard niet eerlijk. Er dreigen conflicten tussen arm en rijk. Om de over­b evolking te bestrijden en conflicten te vermijden, zoekt men naar nieuwe landbouwgronden. Dat gebeurt meestal overzee. Een kolonie is een gebied waar een Griekse moeder­ polis een dochterpolis of kolonie sticht. Beide poleis zijn onafhankelijk van elkaar. Dat verschilt duidelijk van de Europese kolonies uit de vroegmoderne en moderne tijd. Die kolonies worden bestuurd door het moederland en moeten vooral winst en prestige opleveren. Het belang van het moederland staat hierbij centraal. De Griekse moederpolis en dochterpolis onderhouden daarentegen stevige contacten en drijven vooral handel met elkaar. De kolonies leveren grondstoffen aan de moederpolis en kopen er ook producten.

In

ki

jk ex

BRON 1-2

2

De Griekse kolonies zorgen voor nieuwe handelsrelaties

BRON 2-3 - 4 -5 Tussen de 8e en 6e eeuw v.C. ontstaat er een verzameling van Griekse kolonies langs de kusten van de Middellandse Zee en de Zwarte Zee. Zelden koloniseert men het binnenland. In Zuid-Italië

3

0

r 0

55

0 75

De Grieken lossen een aantal samenlevingsproblemen op door te koloniseren

v. C

v. C

v. C

. v. C 0 80

GRIEKSE KOLONISATIE

1

.

.

Onder een kolonie verstaat men de nederzetting van een volk in een vreemd land. Het moederland controleert politiek en economisch de kolonie. Is dat bij de Grieken ook zo? Waarom en waar koloniseren zij? Wat zijn daarvan de gevolgen? Waarom stopt de Griekse kolonisatie?

.

8

De Griekse kolonisatie (750–550 v.C.)

De kolonisatie verspreidt en verandert de Griekse cultuur

BRON 5 De Griekse cultuur verspreidt zich door de kolonisatie over de Middellandse Zeewereld. De kolonisten brengen hun taal, godsdienst, kunst, architectuur en gewoontes mee naar de overzeese gebieden. Hierdoor kan een stad in Zuid-Italië er erg Grieks uitzien. Anderzijds nemen de Grieken ook heel wat van andere volkeren over: op basis van het Fenicische alfabet maken ze een Grieks alfabet, van de Lydiërs nemen ze het gebruik van munten over. Omstreeks 550 v.C. komt er een einde aan de stichting van kolonies. De moedersteden kunnen dankzij de handelsrelaties met onder andere de kolonies

kolonisatie: in de klassieke oudheid het oprichten van een dochterpolis door een moederpolis; beide poleis zijn onafhankelijk van elkaar en drijven handel moederpolis: een polis uit Hellas die elders een andere polis of kolonie opricht. Die kolonie is dan een dochterpolis. importeren: buitenlandse waren invoeren regionaal: plaatselijk, behorend tot een bepaalde streek exporteren: inlandse waren uitvoeren handelaar-ondernemer: de eigenaar van een bedrijf of onderneming die producten maakt en/of verkoopt

C DE BLOEI VAN DE GRIEKSE WERELD

39


voldoende levensmiddelen invoeren om de bevolking te onderhouden. Daardoor verdwijnt de noodzaak om te emigreren. Bovendien verhinderen andere volkeren

dat de Grieken zich nog verder verspreiden. In het westen stoten de Grieken op de Etrusken en de Carthagers. In het oosten liggen de Perzen dwars.

KUNNEN

1 de begrippen ‘kolonisatie’, ‘regionaal’, ‘moederpolis’, ‘importeren’, ‘exporteren’ en ‘handelaar- ondernemer’ uitleggen 2 vier oorzaken van de Griekse kolonisatie uitleggen 3 drie kenmerken van een Griekse kolonie geven 4 de Griekse kolonisatie in de tijd situeren 5 de invloed van de kolonisatie op de economie uitleggen 6 de relatie tussen moederpolis en dochterpolis uitleggen 7 vier gevolgen van de Griekse kolonisatie geven 8 uitleggen waarom de Griekse kolonisatie stopt 9 het verschil tussen de Griekse kolonisatie in de klassieke oudheid en de Europese kolonisatie in de vroegmoderne en moderne tijd uitleggen

1 Griekse kolonies op een kaart aanduiden 2 informatie op een kaart zoeken 3 geschreven bronnen intensief lezen en er informatie in opzoeken 4 informatie afleiden uit materiële bronnen

BRON 1 Aristoteles over de grondadel in de 8e eeuw v.C.

BRON 2 De stichting van Cyrene door Thera omstreeks 631 v.C. Tegen het midden van de 5e eeuw maakt het eiland Thera een periode door van sociale onlusten als gevolg van misoogsten. Het orakel van Delphi gaf de koning die het eiland bestuurde de raad een expeditie naar Libia te zenden om er een kolonie te stichten. Zonder enthousiasme deden de Theraiers dat. Een door de koning bijeengeroepen volksvergadering besloot de leiding toe te vertrouwen aan een zekere Battos. Een zoon per gezin zou als toekomstige kolonist worden aangewezen. De aangewezenen zouden verplicht zijn zich in te schepen op straf van de dood en zich te vestigen in de nieuwe kolonie. Het zou hun niet worden toegestaan naar Thera terug te keren, behalve indien na vijf jaren hardnekkig volhouden de onderneming volkomen mislukte. Na dat besluit nam de aangewezen groep plaats op twee pentekonters (schepen met vijftig roeiers): dat wil zeggen dat men moest rekenen op ten hoogste tweehonderd mensen.

ki

jk ex

Daarna was er lange tijd onenigheid tussen de hogere klasse en het gewone volk. (...) In het bijzonder waren de armen, hun vrouwen en hun kinderen, de slaven van de rijken. (...) Het hele land was in handen van een klein aantal. Als de boeren hun pacht niet betaalden, konden zij en hun kinderen in slavernij worden gedompeld.

em

pl aa

r

KENNEN

Uit: Aristoteles, De politeia van Athene, 2

In

De Griekse geleerde Aristoteles (Stagira, 384-322 v.C.) is een leerling van Plato en zelf de leraar van Alexander de Grote. Hij leeft en werkt in Athene. • Toon aan dat de gewone man het moeilijk had om te overleven in Hellas, een gebied waar landbouw de voornaamste bron van levensonderhoud was.

Bewerking van Herodotos, Historiën, boek IV, hoofdstuk 150 De Griek Herodotos leefde van 485 tot 425 v.C. Hij reisde de toen gekende wereld af en verzamelde gegevens over volkeren en landen. In zijn geschiedenisverhaal worden de verbanden tussen de feiten vanzelf duidelijk. Hij gelooft dat de goden de mens beïnvloeden. • Zoek in een historische atlas de ligging van Thera, Delphi, Libia en Cyrene op. • Waarom sticht men de kolonie? • Hoe staan de Theraiers tegenover de beslissing van de koning om een kolonie te stichten? • Hoeveel mensen emigreren? Vind je dat veel? Houd rekening met wat je al weet over de polis.

40

LES 8 DE GRIEKSE KOLONISATIE (750-550 V.C.)


BRON 5 A Een stenen reliëf uit Locri, ZuidItalië (afmetingen: 18 x 15 cm)

BRON 3 De Griekse kolonisatie

Atlantische Oceaan

c tis

ia he Ze

Croton

SICILIË

COSSYRA

Megara

MALTA

Zee Leptis

Griekse kolonies Fenicië en kolonies 0

e e Ze ïsch Ege

Carthago

moederland Hellas

Trebizonde

Byzantion Abdera Kalcedon Apollonia

Apollonia Cyrene

500 km

CYPRUS

Byblos Tyrus

KRETA

Naucratis

em

pl aa

• Vergelijk met een hedendaagse kaart van Europa. Geef de naam van drie hedendaagse landen waar de Grieken in de klassieke oudheid kolonies vestigen. • Zoek zelf op in een atlas of naslagwerk. Geef de hedendaagse naam van Massilia, Nikaea en Byzantion. • Zoek op de kaart de polis Byzantion. Waarom is die strategisch gelegen? • Welk ander volk heeft ook kolonies langs de Middellandse Zee?

r

Tarente

IBIZA

Middellandse

Tingis

Zee

e

Mainakè

Z w a rt e

r Ad

Massilia Alalia

Hemeroskopeion Gades

Nikaea

au

Po Adria

Nijl

Agathè Empurias

Tanais

Olbia

Don

B Het Griekse theater van Syracuse, Sicilië

In

ki

jk ex

BRON 4 Handelswaren die men in Hellas uit de kolonies invoert

Persefone, de Griekse vruchtbaarheidsgodin, en haar man Hades, de Griekse god van de onderwereld, bewonderen de vruchten van het land.

• Geef drie metaalsoorten die de Grieken uit hun kolonies invoeren. • Wat voert men in uit Egypte? • Wat voert men in uit het huidige Zuid-Italië?

• Tot welke categorieën behoren de bronnen? • Toon met behulp van de bronnen aan dat de Griekse cultuur zich verspreidt naar de overzeese gebieden. • Welke producten zijn blijkbaar belangrijk voor de kolonisten? • Beschrijf het stenen reliëf met je eigen woorden.

C DE BLOEI VAN DE GRIEKSE WERELD

41


ondernemer: een persoon die in een handelstak of bedrijf zelfstandig, voor eigen rekening en risico werkt. Hij bezit daarvoor de nodige productiemiddelen en werkt met arbeidskrachten.

Ons woord ‘economie’ komt van het Griekse ‘oikonomia’. Dat betekent letterlijk huishoud­kunde (oikos = huis en nomos = regel).

LES 9 DE GRIEKSE ECONOMIE

. v. C 30 ±

33

r

0

RANDINFO

42

HELLENISTISCHE TIJD

2

em

Aanvankelijk zijn de Grieken hoofdzakelijk boeren en veetelers. Het gebrek aan vruchtbare grond en het grootgrondbezit zorgen ervoor dat de kleine boeren moeilijk kunnen concurreren of hun schulden aflossen. Daarom zoeken ze andere mogelijkheden om te overleven: koloniseren (zie les 8), handeldrijven of ambachten beoefenen. De kolonisatie stimuleert de handel, die op zijn beurt de nijverheid beïnvloedt. Van de uit kolonies ingevoerde grondstoffen maakt men allerlei gebruiks- en luxevoorwerpen, die men vervolgens weer uitvoert. Pottenbakkers maken niet alleen vaatwerk voor huishoudelijk gebruik, maar zorgen ook voor uitstekende kruiken en amforen. Met dat aardewerk transporteren de Grieken olie en wijn. Vooral in Athene ontwikkelt zich zo een keramiek­ nijverheid die een internationaal succes kent. In bloeiende handelssteden specialiseert de ambachtsman zich in een onderdeel van het productieproces. Ook de scheepsbouw en havenaanleg komen tot bloei. Handelspoleis hebben immers nood aan een vloot en goede havens. Athene beschikt met Piraeus over een goed uitgebouwde haven. In rijke stadstaten groeien de bouwsector en de marmer­winning dankzij grootscheepse openbare werken. Die dienen om een verhoogde werkgelegenheid te creëren. BRON 1-2-3

In

amfoor: een kruik met twee oren die de Grieken en Romeinen meestal gebruikten om voeding te bewaren en te vervoeren

Handel en transport zorgen voor een bloeiende nijverheid

jk ex

ambacht: een beroep waarbij iets met de hand wordt gemaakt, bv. pottenbakker of wever

1

ki

nijverheid: een bedrijfsvorm waarbij grondstoffen worden verwerkt

KLASSIEKE TIJD

pl aa

ARCHAÏSCHE TIJD

±

±

±

4

80

9

0

0

v. C

v. C

v. C

.

.

De vorige les heeft al enkele elementen van de Griekse economie belicht. Dit hoofdstuk gaat daar wat dieper op in. Welke beroepen tref je bij de Grieken aan? Hoe verandert de handel de maatschappij? Als voorbeeld verwijzen we geregeld naar de stadstaat Athene.

.

9

De Griekse economie

De handel schept een geldeconomie

Vroeger werd handelswaar betaald met ruilmiddelen, zoals rundvee, of met metalen staven. De groeiende internationale handel maakt het echter moeilijk om de juiste ruilwaarde van alle producten te bepalen. Daarom voert men gemunt geld in, een systeem dat men overneemt van de koningen van Lydië. Die gebruiken gouden munten. De Atheners slaan vooral zilveren munten. Athene beschikt immers over rijke zilvermijnen, die het volop ontgint. Aangezien de meeste poleis hun eigen munten slaan, ontstaan er beroepen zoals geldwisselaar en bankier. BRON 4

3

De rijken controleren de economie

De adel en rijke handelaars beheersen de economie. Zij bezitten grond, kapitaal, schepen en/of bedrijven. Zij kopen de grondstoffen en verkopen de afgewerkte producten. Hun huis is de draaischijf van de meeste economische activiteiten. Vrouwen nemen daarbij taken op zoals spinnen, weven of broodbakken. Ambachtslieden werken dikwijls in opdracht van de rijken. Meestal zijn het ingeweken vreemdelingen die geen volledig burgerrecht bezitten. In de mijnbouw en grotere bedrijven werken de ondernemers zowel met vrijen als met slaven. De kleine boer probeert te overleven door hard te werken op de akkers van de rijken.


KENNEN

KUNNEN

1 de begrippen ‘ambacht’, ‘nijverheid’, ‘ruileconomie’, ‘geldeconomie’, ‘ondernemer’ en ‘arbeids­ specialisatie’ uitleggen 2 vier voorbeelden van de invloed van de handel op de nijverheid uitleggen 3 de evolutie van ruilhandel naar geldeconomie in vier stappen uitleggen 4 uitleggen waarom de rijken de economie beheersen

1 de bruikbaarheid en representativiteit van beschilderd aardewerk beoordelen als bron van informatie over de Griekse economie 2 gegevens uit een tekst met een tekening vergelijken 3 informatie uit een historische kaart selecteren 4 met een voorbeeld toelichten waarom mensen verwijzen naar het verleden

BRON 1 Beschilderd Attisch aardewerk B

C

© Granger

pl aa

r

A

em

A Oliekruik, hoogte: 17,15 cm, ca. 550-530 v.C., Metropolitan Museum of Art, New York B Amfora, hoogte: 40,64 cm, ca. 520 v.C., British museum, Londen C Mengvat, hoogte: 35,7 cm, ca. 430-425 v.C., Ashmolean Museum, University of Oxford

jk ex

• Vind je dat dit soort bronnen bruikbaar en representatief is om informatie te verzamelen over de Griekse economie? Leg uit. • Beschrijf de mensen en activiteiten die zijn afgebeeld op deze vazen.

BRON 2 Athene en zijn haven Piraeus (5e eeuw v.C.)

In

ki

Piraeus (A) is een kleine kaap op ca. 6 km afstand van de stad Athene (B), met een aan de landzijde afge­sloten haven, de Kantharos (C) of grote haven aan de westkant en de kleine haven van Zea en Munichia (D) aan de oostkant. In 460 v.C. werd het hele gebied van Piraeus met Athene tot één complex verenigd door de aanbouw van de lange muren (E). Vanaf de oude rede van Phaleron werd een muur (F) opgetrokken tot aan de stad Athene, die ook aan de westkant verbonden werd met een muur tot aan de Kantharoshaven. Perikles liet een gedeelte van het woonhaven­gebied aanleggen volgens een systeem dat herinnert aan een schaakbord (G). Naast de scheeps­timmerwerven, dokken en scheepshuizen werden er graansilo’s, opslagplaatsen, magazijnen en handelskantoren gebouwd. In 445 v.C. werd ertussenin een derde lange muur (H) opgetrokken op minder dan 200 m van de westelijke muur. • Elke letter in de tekst komt overeen met een cijfer op de tekening. Zoek uit wat bij elkaar hoort.

C DE BLOEI VAN DE GRIEKSE WERELD

43


BRON 3

pl aa

r

Duikers op zoek naar oude Griekse amforen

RANDINFO

em

In welke streken vind je het meeste Griekse aardewerk? Wat kun je daaruit afleiden? Waarom werd er zoveel Grieks aardewerk langs rivieren teruggevonden? Geef vijf hedendaagse landen waar Grieks aardewerk wordt aangetroffen. Bedenk een passende titel voor deze kaart. Waarom zou men een handelsvloot nodig hebben?

BRON 4 Grieks geld

Een muntstuk van één euro uit Griekenland

B

In

ki

A

jk ex

• • • • •

Aanvankelijk gebruikten de Grieken metalen staven als ruilmiddel. Rond 630 v.C. betaalde de Lydische koning zijn soldaten met gestempeld goud. De Griekse huurlingen van zijn leger brachten dat ‘geld’ mee naar hun poleis. Die beginnen hun eigen geld te slaan, meestal van zilver. Elke polis had haar eigen munt, met een eigen waarde die verschilde van de munten van de andere poleis. Je ziet staven uit de 7e eeuw v.C. (A) en munten uit Metapontion (6e eeuw v.C.) (B) en Athene (5e eeuw v.C.) (C). • Op welke manier komen de Grieken in contact met het gebruik van geld? • Op de munten staan geen waarden (bedragen) vermeld. Hoe zou men dan de waarde te weten gekomen zijn? • Welke problemen schept het feit dat elke stadstaat zijn eigen munt heeft? • Hoe heeft men vandaag in een groot deel van de Europese Unie dat probleem opgelost? • Bekijk het munstuk van één euro bij de randinfo. Waarom denk je dat Griekenland voor die afbeelding gekozen heeft?

44

LES 9 DE GRIEKSE ECONOMIE

C


10

Het ontstaan van de democratie (Athene)

AFSCHAFFING KONINGSCHAP

1

ARISTOCRATIE

r

51 0 5 0 v. 8 C. v. C .

pl aa

70

54

6

0

v. C

v. C

.

.

De leerlingenraad is in elke secundaire school verplicht. Leerlingen krijgen op die manier inspraak. Elke leerling kan zich ­kandidaat stellen en verkozen worden om in de raad de klas te vertegenwoordigen. Men beschouwt dat als ‘democratisch’. De Atheners zijn de eersten die het woord ‘democratie’ gebruiken. Wat verstaan zij eronder?

PISISTRATOS: TIRANNIE

De macht van de adel wordt betwist

hun boerderijen en trekken naar het centrum van Athene. In 546 v.C. grijpt Pisistratos de macht, ten nadele van de adel. Hij heeft alle macht en draagt de titel ‘tyrannis’ (tiran). Pisistratos behoudt de verbeteringen van Solon en verbetert het leven van het gewone volk. Met de bouw van nieuwe tempels en steun aan de nijverheid verschaft hij werk. De kleine boeren helpt hij financieel bij het overschakelen naar de wijnbouw of de olijventeelt. Pisistratos gaat de geschiedenis in als een goede tiran en een weldoener. Na zijn dood volgen zijn zonen hem als ‘tirannen’ op. Zij worden verdreven door de edellieden onder leiding van Kleisthenes. Hij maakt van Athene in 508 v.C. een democratie.

schuldslaven: mensen die als slaaf verkocht kunnen worden, omdat ze schulden hebben

In

ki

jk ex

em

De Griekse poleis hadden vroeger koningen (monarchie). Maar in de 8e eeuw v.C. zijn die uit de meeste poleis verdwenen. De macht komt in handen van een kleine groep families die veel land bezitten. Die grootgrondbezitters vertellen dat zij en hun bezittingen afstammen van mythische voorvaderen of zelfs van goden of halfgoden. Zij vinden zichzelf beter dan andere vrije mensen. Ze beschouwen zich als de besten (in het Grieks ‘aristoi’). Die aristocraten of edellieden vormen algauw een aparte groep individuen, die onder elkaar het bestuur van de polis regelen. De rijke grootgrondbezitters hebben dus alle politieke macht. Dat geldt ook voor Athene. Twee grote groepen burgers in de polis Athene pikken dat na 650 v.C. niet langer: de handelaars-ondernemers (de geldadel) eisen inspraak. De arme vrije boeren eisen kwijtschelding van hun schulden en een herverdeling van de grond. In 594 v.C. bevrijdt Solon, een adellijke bestuurder, de schuldslaven. Atheense burgers kunnen niet meer verkocht worden omdat ze schulden hebben. Zij worden van dan af vervangen door oorlogsslaven en gekochte ‘vreemde slaven’ (zie les 11). Solon verdeelt de burgers, naargelang van hun rijkdom, in vier klassen. De eerste twee klassen bestaan uit rijke grootgrondbezitters en handelaars. Zij leveren de bestuurders van de polis. De gewone boeren zitten in de derde klasse. De armen behoren tot de vierde klasse. Alle mannelijke burgers uit alle klassen mogen naar de volksvergadering (zie verder). De landverdeling blijft uit. Vele arme boeren verlaten

KLEISTHENES: DEMOCRATIE

2

De democratie in de stadstaat Athene

Kleisthenes deelt alle burgers in tien groepen (fylen) in. Een fyle bestaat uit alle burgers van een bepaalde stadswijk, een plattelandswijk en een havenwijk. Zo probeert men de samenwerking tussen de verschillende wijken te verbeteren. In elke fyle loot men vijftig burgers van minstens dertig jaar. Zij vormen de Raad van Vijfhonderd (boulè). Die bereidt de vergaderingen van de volks­ vergadering voor. De rechters worden ook via loting aangeduid. Elke mannelijke burger vanaf twintig jaar mag deelnemen aan de volksvergadering (ecclesia). Die vergadert zo’n veertig keer per jaar. De volksvergadering beslist over nieuwe wetten en over oorlog en vrede. De Atheense burgers beslissen dus zelf. BRON 1-2-3 - 4

C DE BLOEI VAN DE GRIEKSE WERELD

45


Niemand doet dat in hun plaats. Dat heet ‘directe democratie’. Na verloop van tijd worden de leden van de volksvergadering, de Raad van Vijfhonderd en de rechtbank betaald voor hun werk. Zo kunnen ook gewone mannen gemakkelijker deelnemen aan ‘de politiek’. Dat woord betekent eigenlijk ‘bestuur van de polis’. De democratie van Athene is zeer beperkt: enkel vrije mannelijke burgers mogen eraan deelnemen. Armen die hard moeten werken voor hun magere inkomen en burgers die ver van Athene wonen, nemen waarschijnlijk zelden of nooit deel aan het politieke leven. Was Athene dan wel echt zo democratisch?

KENNEN 1 de begrippen ‘schuldslavernij’, ‘aristocratie’, ‘tirannie’, ‘democratie’, ‘directe democratie’, ‘volksvergadering’ en ‘Raad van Vijfhonderd’ uitleggen 2 uitleggen welke groepen de macht van de adel betwisten en waarom 3 uitleggen hoe Solon de politieke problemen oplost 4 de werking van de democratie in Athene uitleggen 5 uitleggen waarom de democratie in Athene beperkt is

KUNNEN 1 de hedendaagse democratie met de Atheense vergelijken 2 het huidige begrip ‘tiran’ vergelijken met dat van Athene

r

OPDRACHT

pl aa

• Zoek in een naslagwerk de hedendaagse betekenis van het woord ‘tiran’ op. • Leren leren: haal uit de lestekst de kernwoorden.

RANDINFO • S  preekgestoelte van de volksvergadering op de Pnyx in Athene (4e eeuw v.C.)

In

BRON 1 A

ki

jk ex

em

• D  e loterijmachine (klérotérion)

Kijk nu eens. Er is vanmorgen een (volks)vergadering bijeengeroepen en wie is er aanwezig? Helemaal niemand. Waar is iedereen? Zeker aan het kletsen op de agora (plein), terwijl ze proberen de vergadering te ontduiken. Geen verantwoordelijkheidsgevoel. Zelfs de raadsleden zijn niet verschenen, terwijl zij toch de vergadering zouden moeten leiden. Ze zullen natuurlijk wel komen, maar te laat, zich duwend een weg naar voren banend. (...) Hè, hè, daar zijn ze: de raadsleden, allemaal langslapers, zich een weg banend naar voren, precies zoals ik zei. Uit: Aristophanes (ca. 450-386 v.C.), schrijver van komische toneelstukken, Acharniërs, opgevoerd in 425 v.C.

46

LES 10 HET ONTSTAAN VAN DE DEMOCRATIE (ATHENE)

In Athene kon elke burger door het lot aan­gewezen worden om recht te spreken en de volksvergadering voor te bereiden.

B Gemiddeld waren er zo’n 6 000 burgers aanwezig op de volksvergadering in de 5e eeuw v.C. Het aantal stemgerechtigden varieert: zo’n 35 000 in het jaar 480, 43 000 in 431, 29 000 in 425. Vrij naar: M. A. Wes, e.a., De wereld van de Oudheid • Op wie heeft Aristophanes kritiek? Waarom? • Bedenk enkele goede redenen waarom burgers niet naar de volksvergadering komen. • Hoeveel burgers nemen aan de volksvergadering deel in de 5e eeuw v.C.? • Is het toneelstuk een betrouwbare bron als je wilt weten hoe alles tijdens de volksvergadering werkelijk verliep?


B Fragment van de inscriptie onder het reliëf

BRON 2 A De stèle (gedenksteen) van de democratie

‘Als er iemand opstaat tegen het volk om de tirannie in te voeren (…) of de democratie in Athene omver te werpen, dan zal degene die hem doodt onschuldig zijn.’ De stèle toont de democratie die het volk van Athene kroont. Agora Museum Athene, ca. 337 v.C.

r

• Wie heeft deze stèle opgericht: de voor- of tegenstanders van de tirannie? • Toon aan dat de schrijvers van deze tekst hevig tekeergaan om de demo­cratie te verdedigen.

pl aa

BRON 3

em

Wij hebben een staatsvorm die niet een kopie is van de instellingen van onze naburen. In plaats van anderen na te bootsen zijn wij juist een voorbeeld voor hen. Onze staatsvorm heet een democratie, omdat ze in handen is van velen en niet van enkelen. In persoonlijke geschillen verzekeren onze wetten gelijk recht aan allen. (...) Armoede is voor niemand die de staat van nut kan zijn een beletsel, hoe gering zijn aanzien ook is. (...) Verdraagzaam in onze persoonlijke omgang houden wij ons in het openbare leven aan de wet, die wij eerbiedigen. Wij gehoorzamen aan hen die telkens over ons gesteld zijn en aan de wetten, vooral aan die wetten die bescherming bieden aan de verdrukten.

jk ex

De lijkrede van Perikles voor gesneuvelde Atheners, uit: ­Thucydides, De Peloponnesische Oorlog, II, 37.

Thucydides was een Grieks geschiedschrijver die leefde van ca. 460 tot ca. 398 v.C. Perikles, een groot staatsman, stierf in 429 v.C. Hij was een van de leiders van de voorstanders van de democratie.

• Wat is een lijkrede? • Voor wie, bij welke begrafenis werd deze lijkrede geschreven? • Wie heeft deze lijkrede geschreven? • Is Perikles voor of tegen de democratie? • Waarom heet de staatsvorm in Athene, volgens Thucydides, een democratie? • Hoe staat in de tekst dat ‘iedereen gelijk is voor de wet’? • Hoe staat in de tekst dat ook arme burgers gekozen of geloot kunnen worden? • Wat is verdraagzaamheid?

In

ki

BRON 4 Het schervengericht

Op de scherf staat: ‘Themistokles, zoon van Neokles’.

Men vertelt dat Kleisthenes begonnen is met het ‘schervengericht’. Een keer per jaar werd aan de volksvergadering gevraagd of het schervengericht nodig was. Als de meerderheid vond dat het nodig was, dan moesten op de volgende volksvergadering minstens 6 000 burgers aanwezig zijn. Die mochten de naam opschrijven van iemand die gevaarlijk was voor de staat. Dat kon iemand zijn die te veel macht kreeg of van wie men vond dat hij beter uit Athene zou verdwijnen. Wie de meeste stemmen kreeg, werd uit Athene verbannen. De banneling moest Athene verlaten en mocht pas na tien jaar terugkeren. Men schreef, of beter men kraste, de naam van diegene die men wilde verbannen op een potscherf, vandaar ‘schervengericht’, in het Grieks ‘ostracisme’. • Zoek op wie deze Themistokles is, die verbannen wordt. • Waarom zou men die man weg willen?

C DE BLOEI VAN DE GRIEKSE WERELD

47


11

De Atheners zijn niet gelijk

ARISTOCRATIE

1

r

De Atheense bevolking bestaat uit burgers, metoiken en slaven

jk ex

BRON 1-2 In de polis Athene maken de burgers in de 5e en 4e eeuw v.C. een onderscheid tussen ‘burgers’, ‘metoiken’ en ‘slaven’. De inwoners van de Atheense poleis van wie de grootouders en overgrootouders altijd in de polis gewoond hebben, noemen zichzelf na een tijd ‘burgers’. Vanaf het midden van de 5e eeuw mogen enkel kinderen van Atheense ouders zich burger noemen. Als een van je ouders niet uit Athene komt, kun je dus geen burger zijn. De Atheense polis wordt bestuurd door de mannelijke burgers (zie les 10). De Atheense burgervrouwen leven binnenshuis. Getrouwde vrouwen komen zonder begeleiding niet op straat. Altijd speelt er een man baas over een vrouw. Als ze jong zijn, is dat hun vader, later hun man of hun zoon.

In

ki

metoik: vreemdeling die in de polis woont; hij is geen burger.

De burgers van Athene noemen de ‘vreemde’ inwoners die geen slaven zijn ‘metoiken’. De metoiken (letterlijk ‘met-ons-wonenden’) zijn dus vreemdelingen. Het gaat om mensen van buiten de grenzen van de polis die toestemming krijgen om een langere tijd tussen de burgers te wonen. Om in Athene te mogen wonen, betalen alle metoiken elk jaar een hoge verblijfsbelasting. Ze werken in de handel en de nijverheid. Alleen burgers mogen grond bezitten. Metoiken kunnen dus geen boer worden. Elke metoik staat onder toezicht van een burger. Burgers en

48

51 0 5 0 v. 8 C. v. C .

PISISTRATOS: TIRANNIE

KLEISTHENES: DEMOCRATIE

metoiken betalen dezelfde belasting en vervullen naargelang hun rijkdom hetzelfde soort militaire dienst. Rijke metoiken en burgers kunnen immers de uitrusting van een hopliet, een zwaarbewapende infanterist, betalen. Minder rijken komen in de lichte infanterie of de marine terecht. In Athene leven net als in andere Griekse poleis ook arme burgers. Zoals de arme metoiken moeten zij hard werken om rond te komen.

em

AFSCHAFFING KONINGSCHAP

pl aa

70

54

6

0

v. C

v. C

.

.

Zijn alle mensen vandaag gelijk? Overal ter wereld? En bij ons in Vlaanderen? Blijkbaar niet: mannen verdienen immers meer dan vrouwen. Migranten vinden moeilijker werk dan Vlamingen. Eeuwenlang al maken mensen een onderscheid tussen ‘wij’ en ‘zij’, tussen het eigen volk en anderen. Dikwijls worden die anderen niet zo goed behandeld. Is dat in het democratische Athene van de klassieke oudheid ook het geval?

LES 11 DE ATHENERS ZIJN NIET GELIJK

2

In de polis Athene wonen veel slaven

In de oudheid is slavernij heel gewoon. In de 7e eeuw v.C. kent de polis Athene ‘schuldslaven’: boeren die hun schulden niet kunnen betalen en hun vrijheid verliezen. Zij kunnen verkocht worden als slaaf. Solon bevrijdt de schuldslaven (zie les 10). Daarmee verdwijnt de slavernij echter niet. De schuldslaven worden vervangen door oorlogsslaven die van elders komen. De Atheners kopen ook slaven op de slavenmarkt. In de 5e eeuw v.C. neemt de slavernij in Athene nog toe. De meeste slaven zijn ‘barbaren’ (niet-Grieken). Slaven hebben weinig rechten. Ze zijn het bezit van een meester en bezorgen die profijt. Veel slaven werken bij hem of worden door hem verhuurd. De grootste groep werkt in de mijnen en heeft een onmenselijk hard leven. Slaven in de huishouding hebben het meestal beter. Sommige slaven werken als bankier of zelfs als ... leraar. BRON 3


Een slaaf mag geen gezin of kinderen hebben. Goederen bezitten is ook niet toegestaan. Sommige kindslaven en volwassen slaven worden seksueel misbruikt. Soms wordt er een slaaf vrijgelaten. Enkele vrijgelatenen zijn zelfs rijk. Heel wat gewone Griekse burgers dromen ervan om slaven te bezitten. Ze nemen je immers het werk uit handen. Zo kun je jezelf als burger bezighouden met prettigere dingen, zoals het bestuur van de polis.

3

Slavernij vandaag

Slavernij is overal verboden en toch bestaat ze nog! Wereldwijd werd het aantal moderne slaven in 2016 geschat op 40 miljoen. Zo’n 25 miljoen daarvan verrichten dwangarbeid en 15 miljoen worden gedwongen uitgehuwelijkt. Vrouwen en meisjes zijn het vaakst slachtoffer. Miljoenen kinderen werken als slaaf in steengroeven en mijnen, in de tapijtindustrie in India, als huishoudhulp in Haïti ... Veel kinderen worden onder dwang kindsoldaat of belanden in de prostitutie. BRON 3 - 4

OPDRACHT

pl aa

r

• Zoek op Wikipedia of Wikikids op wat ‘slavernij’ betekent.

RANDINFO

Korinthisch keramieken plaatje

jk ex

em

• Mijningang van een zilvermijn in Thorikos (Attika)

Toegang tot een zilvermijn in Thorikos (Attika) waar slaven in onmenselijke omstandigheden moeten werken

In

ki

Vindplaats: Penteskouphia (in de buurt van Korinthe) Datering voor 500 v.C., 10,4 x 13,2 cm, Antikensammlung, Berlijn Arbeiders werken in een groeve of een mijn. Bovenaan bevinden zich twee gaatjes. Men neemt aan dat het plaatje werd opgehangen in een heiligdom en vanwege de vindplaats gaat men ervan uit dat het een wijgeschenk is voor Poseidon.

KENNEN

KUNNEN

1 de begrippen ‘burgers’, ‘metoiken’ en ‘slaaf’ uitleggen 2 de verschillen tussen burgers, metoiken en slaven geven 3 de kenmerken van burgers, metoiken en slaven uitleggen 4 de plichten van burgers, metoiken en slaven geven 5 de soorten slaven opsommen en uitleggen 6 een hedendaags voorbeeld van schuldslavernij geven

1 bronnen ontleden en vergelijken 2 slavernij in de oudheid vergelijken met situaties in de hedendaagse tijd

C DE BLOEI VAN DE GRIEKSE WERELD

49


BRON 1 A

B

De natuur heeft de neiging het lichaam van vrije mensen anders te maken dan dat van slaven: dit laatste sterk genoeg om werk te doen dat nodig is, het eerste juist rechtop lopend en onbruikbaar voor zulk werk, maar bruikbaar voor het leven als burger van een polis.’

Sommige soorten gereedschap zijn levend oftewel bezield, andere levenloos en onbezield. Een stuurman heeft bijvoorbeeld het roer als onbezield, de tweede stuurman als bezield werktuig: bij technische vaardigheden dient een helper als werktuig. Zo is elk afzonderlijk bezit een werktuig dat het leven dient, het bezit als geheel een verzameling werktuigen, en de slaaf een levend bezit.

Uit: Aristoteles, Politica p. 43

Uit: Aristoteles, Politica, p. 40

Wie of wat is die ‘laatste’? Wie of wat is die ‘eerste’? Wie doet ‘zulk werk’? Is het lichaam van een vrije mens geschikt om slavenwerk te doen, volgens Aristoteles? • Waarvoor is het lichaam van een vrije mens wel gemaakt?

• Al staat het niet in deze vertaling, toch zegt Aristoteles dat een slaaf een levend werktuig is. Leg uit. • Hoe noemen wij vandaag iemand die met het roer een schip bestuurt: een werktuig?

BRON 2

pl aa

r

• • • •

BRON 3 A Schuldslaven

jk ex

Art. 10 Belgische grondwet (1831)

Zo begint het. Om geneesmiddelen te kopen voor hun kind, of simpelweg om wat te eten te hebben, gaan straatarme en vaak ongeletterde mensen een lening aan. Ze betalen terug met hun arbeid. Ze werken absurd veel: zeven dagen op zeven in ruil voor wat eten en onderdak. En ze werken absurd lang: vaak hun hele leven, en soms gaat de schuld gewoon over op hun kinderen. Armoede, en de bereidheid van mensen om anderen uit te buiten, vormen het hart van het probleem. Schuldslavernij komt vooral voor in het westen van Afrika en het zuiden van Azië. Het is ook daar meestal illegaal, maar de overheid is zelden bereid of in staat de wet toe te passen. (...)

em

Er is in de Staat geen onderscheid van standen. De Belgen zijn gelijk voor de wet. (...)

Uit: Het Nieuwsblad, 24 augustus 2004

ki

B Jeanne Devos vecht met de schuldslaven tegen de slavernij

In

Door haar werk en verschillende ontmoetingen kwam zuster Jeanne tot het besef dat armoede vooral vrouwen en kinderen treft, in het bijzonder zij die in slavernij leefden. ‘De meest uitgebuite mensen in India zijn seksslaven, meiden en verwaarloosde kinderen.’ Vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw besliste zuster Jeanne voor hun rechten te gaan vechten in Mumbai (Bombay). Met de hulp van drie andere zusters uit de congregatie organiseerde ze verschillende ontmoetingen tussen ‘kleine meiden’, zodat zij in groep konden opkomen voor hun rechten. Iedereen zei dat dit onmogelijk was en dat er nooit solidariteit zou ontstaan tussen huishoudhelpers. Maar zuster Jeanne ging door met haar plan. Het aantal deelnemers steeg zo snel dat de National Domestic Workers Movement, officieel opgericht in 1985, vandaag actief is in 24 staten van het land en bestaat uit 14 000 groepen, 2 miljoen leden telt en werkt in 28 talen. Ze strijden allemaal voor een menswaardige werkomgeving voor huishoudhulpen en voor hun waardigheid. In de bijna 30 jaar tijd dat de beweging bestaat, droeg ze bij aan een aantal ingrijpende wetswijzigingen in diverse staten, waaronder de erkenning van huishoudelijk werk als volwaardig werk. ‘Vandaag hebben deze mensen een naam, ze zijn geen dienaren meer, maar huishoudelijke bedienden. Deze benaming betekent veel omdat het een arbeidscontract inhoudt.’ Er werden ook wetten aanvaard rond minimumlonen voor huishoudelijk bedienden en hun werktijden. Het blijft echter een dagelijkse strijd … Uit: www.readmylips.be

50

LES 11 DE ATHENERS ZIJN NIET GELIJK


C Kinderarbeid

D Kinderarbeid vandaag Een van de twee winnaars van de Nobelprijs voor de vrede, Kailash Satyarthi, zegt vereerd te zijn dat hij de prijs gewonnen heeft, samen met kinderrechtenactiviste Malala Yousafzai. Het Nobelcomité kende de vredesprijs dit jaar toe aan Kailash Satyarthi en Malala Yousafzai ‘voor hun strijd tegen de onderdrukking van kinderen en voor het recht van kinderen op onderwijs’. (…)

r

Een jongen in een eetstokjesfabriek in Vietnam

Bron: De Standaard, 10 oktober 2014

B Hoeveel slachtoffers van moderne slavernij?

jk ex

BRON 4 A Moderne slavernij

em

pl aa

• Komt slavernij vandaag nog voor? • Mogen mensen in slavernij gehouden worden? • Hoe staat in bron 3A dat schuldslavernij eigenlijk verboden is in de landen waar het nog voorkomt? • Leg met je eigen woorden uit hoe mensen in schuldslavernij geraken. • Vanaf welke leeftijd mag je in België gaan werken? • Op welke manieren worden volgens de teksten ­kinderen vandaag nog als slaven gebruikt?

In

ki

Volgens Amerikaans hoogleraar Kevin Bales is er sprake van moderne slavernij ‘als een persoon onder controle staat van een ander persoon die geweld en dwang toepast om die controle in stand te houden, en als het doel van die controle uitbuiting is’. Op basis van die definitie schatte een onderzoek dat er in 2016 wereldwijd 45,8 miljoen slaven waren; 58 % daarvan woonde in de top 5 landen India, Pakistan, China, Bangladesh en Oezbekistan. Uit: ‘Moderne slavernij’, Wikipedia, 7 september 2019 • Zoek op wat ‘uitbuiting’ betekent. • Hoe staat in de definitie van Kevin Bales dat een moderne slaaf niet vrij is? • Hoe staat in de tekst hoe men die slaaf van zijn vrijheid berooft? • Zoek op waar de top 5-landen liggen. Je moet ze op een blinde kaart kunnen aanwijzen!

Volgens de Internationale Arbeidsorganisatie ILO (Nederlands IAO) waren meer dan 40 miljoen mensen het slachtoffer van moderne slavernij in 2016. De IAO stelde ook nieuwe cijfers voor inzake kinderarbeid: 152 miljoen kinderen tussen 5 en 17 jaar waren vorig jaar het slachtoffer van kinderarbeid. Vrouwen en meisjes zijn het vaakst het slachtoffer van moderne slavernij: hun aantal wordt geschat op bijna 29 miljoen of 71 procent van het totale aantal slachtoffers. Volgens het onderzoek waren zo’n 25 miljoen mensen het slachtoffer van gedwongen arbeid en werden 15 miljoen mensen gedwongen om te trouwen. Uit het persbericht van het ILO, 19 september 2017 • Zoek op waar het ILO zijn zetel heeft. • Wie is of wie zijn het vaakst slachtoffer van moderne slavernij? • Hoeveel kinderen tussen 5 en 17 jaar waren het slachtoffer van kinderarbeid? • In welk jaar was dat? • Hoeveel slachtoffers van moderne slavernij waren er in 2019?

C DE BLOEI VAN DE GRIEKSE WERELD

51


HISTORISCH DENKEN over mensen- en kinderrechten Je weet dat in de Atheense democratie niet iedereen gelijk is. Ook heb je gezien dat er vandaag nog vormen van slavernij en kinderarbeid bestaan. Mensen die zich daartegen verzetten doen een beroep op mensen- en kinderrechten. Ook in België bestond er vroeger kinderarbeid. In deze oefening sta je even stil bij die problematiek. Los de opdrachten bij de bronnen op.

OPDRACHTEN 1 Bronnen situeren Geef voor elke bron de tijd waaruit hij stamt.

pl aa

r

2 Bronnen bestuderen Geef voor elke bron aan of het om een primaire of secundaire bron gaat.

em

3 Een historische vraag stellen We geven je vier historische vragen. a Wat moet je onder kinderarbeid verstaan? b Wanneer kwam er een einde aan kinderarbeid in België? c Welke rol speelde het onderwijs in het einde van de kinderarbeid in België? d Is kinderarbeid vandaag wereldwijd verboden? • Geef voor elke vraag de bron(nen) die je nodig hebt om ze te beantwoorden. Je mag ook die uit les 11 gebruiken. • Formuleer zelf een vijfde historische vraag (ze mag op een van de andere lijken).

jk ex

4 Een beeld over het verleden vormen Omschrijf op basis van je onderzoek kort wat we onder kinderarbeid in België verstaan. Houd daarbij rekening met deze vragen: Wat is kinderarbeid? Wat is kinderslavernij? Waarom gingen kinderen in België werken? Wanneer en hoe is er een einde aan gekomen?

ki

5 Nadenken over een beeld van het verleden Is deze uitspraak juist of onjuist? Motiveer je antwoord. ‘Kinderarbeid kwam in België in het verleden zeer veel voor.’

BRON 1 Verklaring van de Rechten van het Kind De Verenigde Naties wensen de wereldvrede te bewaren en economische en sociale vooruitgang te boeken. In 1948 keuren ze de ‘Universele Verklaring van de Rechten van de Mens’ goed. Omdat kinderen kwetsbaar zijn, komt er in 1959 een plechtige ‘Verklaring van de Rechten van het Kind’.

In

Verenigde Naties: internationale organisatie gesticht in 1945 waarvan de meeste landen in de wereld lid zijn. Afkorting: VN of UNO (United Nations Organisation)

In 1989 volgt een ‘Kinderrechtenverdrag’. Volgens dat verdrag is elke persoon die nog geen achttien jaar oud is een kind. Verklaringen en verdragen krijgen enkel betekenis als een land die omzet in wetten, wat niet altijd gebeurt … In België wordt het verdrag een wet in 1992.

52

HISTORISCH DENKEN

1 Non-discriminatie: alle rechten gelden voor alle kinderen. 2 Kinderen hebben recht op bijzondere bescherming om zich te kunnen ontwikkelen. 3 Elk kind heeft recht op een naam en nationaliteit. 4 Elk kind heeft recht op sociale zekerheid en gezondheidszorg. 5 Kinderen met een handicap hebben recht op bijzondere zorg. 6 Elk kind heeft recht op liefde, begrip en ouderlijke zorg. 7 Elk kind heeft recht op onderwijs. 8 Kinderen hebben bij voorrang recht op hulp. 9 Elk kind heeft recht op bescherming tegen mishandeling, uitbuiting en kinderarbeid. 10 Elk kind heeft recht op een opvoeding tot begrip en verdraagzaamheid, vrede en vriendschap.


BRON 2 Uit de memoires van Pol de Witte

Anders dan in de buurlanden bleef de wettelijke beperking van de kinderarbeid in België lang achterwege. In 1884 verbood een Koninklijk Besluit ondergrondse mijnarbeid aan jongens van minder dan twaalf en meisjes van minder dan veertien jaar. In 1889 werd fabrieksarbeid voor kinderen onder de twaalf jaar verboden en de maximale arbeidstijd per dag voor jongens tot veertien jaar en meisjes tot zestien jaar vastgesteld op twaalf uur. In 1911 werd ondergrondse mijnarbeid verboden voor meisjes en vrouwen van alle leeftijden en voor jongens onder de veertien jaar. Pas in 1914 werd – als een gevolg van de wet op de leerplicht – de beroepsarbeid van kinderen onder de veertien jaar verboden.

pl aa

r

Uit: E. Gerard, e.a., De christelijke arbeidersbeweging in België, Deel 2 Professor Emmanuel Gerard (1952) is historicus en gaf les aan de faculteit sociale wetenschappen van de KU Leuven.

BRON 4 Kinderen staken

In Sint-Niklaas legden in 1894 de kinderen uit een breigoedfabriek het werk neer. Onmiddellijk werden onderhandelingen gestart tussen de werkgevers en de ouders van de kinderen. Naast de directe eis om minder lang te moeten werken (aanpassing van hun arbeid), vroegen de kinderen ook zelf gehoord te kunnen worden (…) wanneer er betwistingen waren. De volgende dag reeds hernamen de kinderen het werk, nadat zij garanties gekregen hadden om minder lang te moeten werken.

jk ex

em

Pol de Witte, een Gentenaar (1848-1929) schrijft in 1924 zijn levensverhaal (autobiografie). In 1986 wordt dat levensverhaal gepubliceerd. Hij vertelt ook over zijn kinderjaren. Zijn vader werkt in een katoenspinnerij aan een spinmolen, een machine die draden spint. Soms breken die draden en moet de ‘monteerder’ die draden in mekaar draaien. Wij naderen de maand december 1857. Op een maandagavond kwam vader thuis, zeggend: ‘Ik ben weer mijn kleine monteerder kwijt, ik zal Pol meenemen. Hij is nu genoeg geleerd, en hoe vroeger zij beginnen, hoe gemakkelijker dat het werken erin komt. We zullen er ook nog drie frank per week bij uitsparen.’ Moeder maakte enige tegenwerpingen, en ik begon te schreien, waarop vader zeer boos werd en mij begon uit te schelden voor luiaard, het lelijkste wat er op de wereld bestond. ‘Een luiaard’, voegde hij erbij, ‘is het poeder niet waard om omver geschoten te worden.’ Tot slot werd mij te kennen gegeven dat ik reeds de volgende morgen mee moest. Nog geheel slaapdronken werd ik even na vijf uur gewekt, want de fabriek begon om zes uur. Het werk dat ik te doen had werd mij getoond, het bestond erin de draden, die braken bij het uitkomen van de molen, aaneen te frummelen. In het begin was ik zeer bang, daar ik meende dat de molen op mij ging vallen; na enige tijd werd ik eraan gewoon. (…) Het fabriekswerk en de omgang met de werkgezellen bevielen mij in het geheel niet. Ik treurde om de school waar ik gaarne naartoe ging, vlijtig leerde en door de meester aangemoedigd werd. Pol blijft nog drie weken in de fabriek werken. Omdat zijn ouders hem niet kunnen onderhouden als hij niet gaat werken, gaat hij bij zijn grootouders wonen en mag hij terug naar school tot zijn eerste communie.

BRON 3 Kinderarbeid en leerplicht

Uit: Pol de Witte, Alles is omgekeerd. Hoe de werklieden leefden 1848-1918, 1986.

ki

BRON 5 Vakbonden van werkende kinderen

In

De leden van NATRAS zijn trots op wat ze doen. Ze vinden dat ze het recht hebben om te werken. Ze hebben, zeggen ze, recht op respect en op verbetering van hun werkomstandigheden. ‘Kinderen moeten zelf kunnen uitmaken hoeveel uren ze werken’, zegt Ana Maria Catin Torrentes (17 jaar) uit Managua. Zij is coördinator van NATRAS. Eind 1996 houden vakbonden van kindarbeiders in het Indiase Kundapur hun eerste wereldwijde bijeenkomst. De deelnemers eisen het recht op werk op. Ze zeggen van regeringen en vakbonden te verwachten dat die kinderarbeid beter regelen en controleren. Het werk mag niet te zwaar of gevaarlijk zijn, de werkdagen niet te lang en het werk moet goed betaald worden.

Uit: Bart de Wilde, Kinderen en arbeid: onverzoenbaar of toch niet? Sampol 1999/09 De auteur is historicus en gespecialiseerd in de geschiedenis van de textielnijverheid. Hij heeft ook gepubliceerd over werkende kinderen in België tussen 1800 en 1914. BRON 6 De jongen die in Genoelselderen meewerkt in de fruitpluk zal door de band niet als kindarbeider te boek staan; de jongen die iets dergelijks doet in de sinaasappelpluk in India zal doorgaans wel als kindarbeider in de statistieken terechtkomen. Als meisjes en jongens werken, kan dat juist een positieve bijdrage leveren aan hun ontwikkeling. (…) Als kinderen daarbij niet naar school gaan, dient dit probleem als zodanig te worden opgelost in plaats van het onder de problematiek van ‘kinderarbeid’ te plaatsen.

Uit: Kinderarbeid, Centrum voor mondiaal onderwijs, http://www.cmo.nl

Uit: Kristoffel Lieten, Kinderarbeid in India: stigmatisering en verhulling, Brood en Rozen, 2001/4

Kindervakbonden ontstaan in de laatste decennia van de 20e eeuw, niet alleen in Zuid-Amerika in landen zoals Peru, Chili en Nicaragua, maar ook in India.

Kristoffel Lieten is hoogleraar kinderarbeid aan de universiteit van Amsterdam.

HISTORISCH DENKEN

53


54

. v. C 0 .3 ca

pl aa .3

ca

HELLENISTISCHE TIJD

Op het hoogtepunt van zijn macht telt Sparta ongeveer 10 000 mannen met volwaardig burgerschap. De Spartaanse burger of soldaat houdt zich niet met landbouw, handel of nijverheid bezig. Ze krijgen twee stukken grond, één in Lakonië en één in Messenië. Heloten bewerken voor hen die grond; dat geeft hen de mogelijkheid om zich te concentreren op hun militaire taken. De perioiken zijn vrij en mogen grond bezitten, maar hebben geen politieke rechten. Zij zijn geen Spartaanse burgers. De perioiken verrichten militaire dienst en betalen belastingen. In het dagelijkse leven doen ze dienst als boer, ambachtsman of handelaar. Zij doen ook dienst als soldaten in het Spartaanse leger. De heloten vormen de grootste bevolkingsgroep binnen Sparta. Ze bezitten geen rechten en bewerken de gronden voor de Spartanen. Het zijn dus slaven.

em

jk ex

BRON 2 In de meeste poleis bezitten de grootgrond­ bezitters of de adel de politieke macht. Vaak krijgen edelen en grootgrondbezitters de macht in handen. In de archaïsche tijd nemen ze op vele plaatsen de macht over van de koningen. Er blijven wel koningen in vele poleis, maar hun macht is verminderd. In sommige poleis hebben ze nog een beperkte ceremoniële of religieuze functie.

2

r

30

0 9 .4 ca

In vele poleis neemt de adel de macht van de koning over

De Spartanen heersen over perioiken en heloten

BRON 1-2 Sparta ontstaat rond 900 v.C. in het zuiden van de Peloponnesos. De Spartanen veroveren in de daaropvolgende eeuwen heel het omliggende Lakonië en Messenië. Zij onderwerpen er de oorspronkelijke bevolking. Daardoor beschikken zij over voldoende grond en arbeidskrachten om in hun levensonderhoud te voorzien. De Spartaanse bevolking bestaat uit drie groepen: de echte Spartaanse burgers, de perioiken en de heloten. Je zou het kunnen vergelijken met een standenmaatschappij. Je hebt rechten en plichten die afhangen van de groep of stand waartoe je behoort. De mannelijke Spartaanse burgers worden vanaf hun zevende jaar opgeleid tot geharde militairen. Ze blijven soldaat tot ze 60 jaar worden. Zij beschermen het Spartaanse grondgebied en hun staatsorganisatie.

In

standen­ maatschappij: een samenleving waarin mensen rechten en plichten hebben naargelang de stand waartoe ze behoren.

1

KLASSIEKE TIJD

ki

heloten: betekent eigenlijk ‘gevangenen’

v. C

. v. C

v. C 0 0 .8 ca

ARCHAÏSCHE TIJD

oligarchie: een regering door enkelingen die tot de bevoorrechte stand behoren

.

Uit de vorige les weet je dat Athene evolueert naar een democratie. Je weet ook dat Hellas bestaat uit een verzameling onafhan­kelijke poleis, met elk hun eigen bestuur. Hoe organiseert die andere belangrijke ­p olis, Sparta, haar bestuur? Wie heeft de leiding? Wie neemt er deel aan het ­b estuur? Wat zijn de verschillen met Athene?

.

12

De Spartaanse militaire oligarchie

LES 12 DE SPARTAANSE MILITAIRE OLIGARCHIE

3

In Sparta regeert een kleine groep vooraanstaanden

De Spartaanse wetgeving die in de 6e eeuw v.C. wordt toegepast, zou van de hand zijn van een zekere Lykourgos, die geleefd zou hebben in de 9e-8e eeuw v.C. We weten niet zeker of de man echt heeft bestaan. Oorspronkelijk besturen twee koningen de stadstaat. Geleidelijk aan krimpt hun macht in tot legeraanvoerder in oorlogstijd. De echte macht berust bij de ‘Raad der Ouden’, de ‘gerousia’. Die bestaat uit 28 Spartanen, ouder dan 60 jaar, door de volksvergadering voor het leven gekozen. Verder zijn ook de BRON 3 - 4


KUNNEN

r

1 De begrippen ‘oligarchie’, ‘perioiken’ en ‘heloten’ uitleggen 2 uitleggen wie de macht heeft in Sparta 3 de Spartaanse bevolkingsgroepen opsommen 4 de kenmerken van de drie bevolkingsgroepen geven 5 het Spartaanse militarisme verklaren 6 de kenmerken en de bevoegdheden van de Spartaanse bestuursorganen opsommen 7 de functie van de Peloponnesische Bond uitleggen 8 Twee verschillen met het Atheense bestuurssysteem geven

pl aa

1 geschreven bronnen aandachtig lezen en er informatie uit afleiden 2 de betrouwbaarheid van bronnen beoordelen 3 informatie afleiden uit een schema 4 Sparta, Lakonië en Messenië op een kaart situeren

In

ki

jk ex

BRON 1 Macht van Sparta in 505 v.C

KENNEN

em

twee koningen lid van de gerousia. Zij ontwerpen wetten en vormen de hoogste rechtbank. De volksvergadering bestaat uit alle mannelijke Spartanen ouder dan 30 jaar. Hun macht is echter niet zo groot. Ze mogen geen voorstellen doen en ze hebben niet het recht om te spreken. Wel keuren ze wetten goed of af en benoemen ze vijf eforen. Die eforen of ‘opzichters’ bezitten uitgebreide bevoegdheden: de wetten toepassen, elke aantasting van het politieke systeem bestrijden, het gedrag van de inwoners controleren ... Zowel ambtenaren als koningen leggen aan hen rekenschap af. De eforen worden maar voor één jaar gekozen. Zo zie je dat in Sparta een kleine groep burgers het bestuur beheerst. Een bestuursvorm waaraan maar enkelen deelnemen, noemt men een oligarchie. In de 6e eeuw v.C. vormt Sparta de sterkste militaire macht in de Peloponnesos. Sparta biedt zwakkere poleis een bondgenootschap aan: in ruil voor hulptroepen en de erkenning van het Spartaanse leiderschap, krijgt een polis Spartaanse bescherming. Zij verliest daarbij haar zelfstandigheid niet. Dat bondgenootschap biedt zo veel garanties voor orde en veiligheid dat bijna de hele Peloponnesos toetreedt tot de ‘Peloponnesische Bond’.

• Op welk schiereiland ligt Sparta? • Geef de naam van de streek waar Sparta ligt. • Vermeld twee bondgenoten van Sparta.

C DE BLOEI VAN DE GRIEKSE WERELD

55


Lees bronnen 2A en B. Onderzoek de betrouwbaarheid van de tekst van Ploutarchos. Beantwoord deze vragen.

BRON 2 Ploutarchos en het leven van Lykourgos A Ploutarchos, informatie over de auteur

• Hoeveel tijd verloopt er tussen de gebeurtenissen en de periode dat Ploutarchos leeft? • Beschikt Ploutarchos over voldoende bronnen? • Vermeldt Ploutarchos zijn bronnen? • Zijn de bronnen van Ploutarchos duidelijk of laten ze hem twijfelen? • Hoe gebruikt Ploutarchos zijn bronnen? Schrijft hij ze gewoon over of onderzoekt hij die bronnen op een kritische manier? • Heeft Ploutarchos een bijbedoeling bij het schrijven van dit verhaal? • Noem twee zaken die de betrouwbaarheid van Ploutarchos verhogen. • Noem twee zaken die de betrouwbaarheid van Ploutarchos verminderen.

De Griekse schrijver en filosoof Ploutarchos wordt geboren in de Griekse streek Boeotië in 46 n.C. en overlijdt in ca. 120 n.C. in Delphi. Daar is hij priester. Delphi is dan een belangrijk centrum van kennis en informatie. Hij schrijft onder andere een reeks biografieën over bekende Grieken en Romeinen. Zo vergelijkt hij het leven van de Romeinse koning Numa Pompilius met dat van de Spartaanse wetgever Lykourgos. Ploutarchos schrijft verhalen met een boodschap. Hij wil de lezer voorbeelden geven van wat goed is.

pl aa

Besluit: Is de tekst van Ploutarchos betrouwbaar of niet? Argumenteer.

C Ploutarchos over de Spartaanse staat Onder de vele vernieuwingen die Lykourgos invoerde, was de eerste en de meest belangrijke de invoering van de ‘gerousia’, de Raad van de Ouden. Volgens Plato vormde die een tegenwicht voor het ’koortsige’ bestuur van de koningen. Doordat de stem van de Raad van de Ouden gelijk is aan die van de koningen in de belangrijkste zaken zorgde ze voor veiligheid en gematigdheid. Want de staat zwaaide voortdurend heen en weer: de ene keer ging ze de richting uit van de koningen en de tirannie, de andere keer zwaaide ze in de richting van de volksmassa en de democratie. Nu kreeg de staat het meest stabiele en meest ordelijke bestuurssysteem omdat Lykourgos de Raad van Ouden in het midden plaatste en zo voor een evenwicht zorgde. De 28 leden van de Raad kozen steeds de kant van de koningen als ze de democratie moesten tegenwerken en ze steunden het volk om de tirannie te voorkomen. (…) Ik denk dat Lykourgos voor 28 leden koos opdat het er 30 zouden zijn als je de koningen erbij telde.

jk ex

em

Over de wetgever Lykourgos kan niets met zekerheid gezegd worden. Er zijn verschillende verhalen over zijn geboorte, zijn reizen, zijn dood en vooral zijn werk als wetgever en staatsman. Het minste eensgezindheid is er bij historici over de periode waarin hij leefde. Sommigen zeggen dat hij leefde in de tijd van Iphitos en samen met hem het Olympisch bestand instelde. Onder andere Aristoteles beweert dat; als bewijs verwijst hij naar de discus in Olympia met als opschrift de naam van Lykourgos. Maar zij die terugrekenen op basis van de regeertijd van de opeenvolgende Spartaanse koningen, zoals Eratosthenes en Apollodorus, tonen aan dat Lykourgos al vele jaren voor de eerste Olympiade leefde. (…) Hoe dan ook, al is de geschiedenis nog zo onzeker, ik zal proberen die auteurs te volgen die de minste kritiek oproepen of die de meest betrouwbare getuigen gebruiken. Op die manier probeer ik een samenhangend verhaal te schrijven.

r

B Wie is Lykourgos?

ki

Vrij naar Ploutarchos, Het leven van Lykourgos, inleiding

In

Ploutarchos vermeldt koning Iphitos van Elis. (Zie kaart, bron 1.) Die zou in 776 v.C. de Olympische Spelen hebben georganiseerd nadat hij met de Griekse stad Pisa en met Sparta een Olympische wapenstilstand had gesloten. Lykourgos is hier de vertegenwoordiger van Sparta. Dat zou betekenen dat Lykourgos in de 8e eeuw v.C. leeft. Andere schrijvers situeren Lykourgos in de 9e eeuw v.C. Aristoteles is een van de meest bekende filosofen en wetenschappers uit de klassieke oudheid. Hij leeft in de 4e eeuw v.C. Eratosthenes is een Griekse wetenschapper uit de 3e eeuw v.C. die in het Egyptische Alexandrië leeft. Daar is hij bibliothecaris, waardoor hij de belangrijkste teksten van de klassieke oudheid kan lezen. Hij berekent zeer nauwkeurig de omtrek van de aarde. Apollodorus van Athene leeft in de 2e eeuw v.C. en is een belangrijk wetenschapper.

56

LES 12 DE SPARTAANSE MILITAIRE OLIGARCHIE

Vrij naar Ploutarchos, Het leven van Lykourgos • Is Ploutarchos een voorstander van democratie? Argumenteer. • Formuleer in je eigen woorden de nuttigheid van de ‘Raad van de Ouden’ volgens Lykourgos.


BRON 3 De Spartaanse bestuursvorm Koningen (uitvoeren)

2

o  pperbevelhebber leger godsdienstige functies (Spartanen)

b  eslissingen

Raad van de Ouden

28

+  60 jaar voor het leven gekozen (Spartanen)

w  etten maken hoogste rechtbank volksvergadering voorbereiden

Eforen

5

+  30 jaar voor één jaar aangeduid

w  etten uitvoeren controle: koningen, ambtenaren

a lle Spartanen + 30 jaar

w  etten goed- of afkeuren niet: discussiëren eforen aanduiden

Volksvergadering

r

Welke bevolkingsgroepen uit de lestekst nemen niet aan het bestuur deel? Bewijs dat niet alle Spartaanse mannen aan het bestuur deelnemen. Welk bestuursorgaan heeft eigenlijk de meeste macht? Welke mensen zetelen erin? Leg de Spartaanse bestuursvorm aan je klasgenoten uit.

RANDINFO

Leven in Sparta

In Sparta werden niet alleen mannen, maar ook vrouwen getraind. Men was er immers van overtuigd dat een gezonde, fitte vrouw sterkere kinderen zou baren. Daardoor hadden de Spartaanse vrouwen een groot voordeel ten opzichte van vrouwen uit andere poleis: ze hoefden niet de hele dag binnen te blijven. Een gezellige fuif zat er voor de jeugd niet meteen in. Dronkenschap was ten strengste verboden en ook lekker eten was hen niet gegund. De Spartanen stonden bekend om hun afschuwelijke eten. In hun zogenaamde ‘zwarte soep’ gooiden ze varkenskookvocht, zout en azijn. Lekker toch? De Atheners konden het niet nalaten grapjes te maken over het wansmakelijke Spartaanse eten: ‘De Spartanen beweren dat ze de moedigste mensen van de hele wereld zijn. Om hun voedsel te eten, moet je dat ook wel zijn.’ Of nog: ‘Het is niet zo vreemd dat de Spartanen bereid zijn op het slagveld te sterven. Alles is beter dan hun eten naar binnen te werken.’ Moedig waren ze wel, die Spartanen en ze hadden allicht meer doorzettingsvermogen dan jij, bij het studeren? Jonge militairen kregen zo weinig mogelijk voedsel, zodat ze al snel honger kregen. Voedsel stelen mocht van de ‘leraars’, maar je moest vindingrijk zijn en je mocht je niet laten betrappen. Vossenvlees was voor de Spartanen een van de vleeslekkernijen. Tja, smaken kunnen verschillen ... Op een dag stal een hongerige jonge Spartaan een kleine vos om zijn honger te stillen. Maar iemand merkte hem bij zijn diefstal op. Hij verborg de vos snel onder zijn mantel. Toen ze hem ondervroegen, beweerde hij geen vos gezien te hebben. Maar plots viel hij dood neer. De vos had onder zijn mantel zijn buik opengebeten. De jongen had al die tijd geen kik gegeven! Van heldenmoed gesproken!

In

ki

jk ex

em

BRON 4 Hedendaags standbeeld van de Spartaanse koning Leonidas

pl aa

• • • •

De koning vertraagde met een kleine groep strijders in 480 v.C. de opmars van het ­Perzische leger. De koning vocht zich liever dood dan te vluchten. • Waarom zou je het verhaal van ­Leonidas typisch voor de Spartanen kunnen ­noemen?

C DE BLOEI VAN DE GRIEKSE WERELD

57


0

r

79 . 4 v. 78 C . v. C .

KLASSIEKE OUDHEID

50

±

pl aa

±

±

4

v. C

v. C ±

4

80

v. C

0

0

9 4

50

±

±

±

80

0

v. C

.

.

De Egeïsche Zeewereld is omringd met Griekse poleis. Die onderhouden een druk handelsverkeer en bouwen een bloeiende economie op. Rond 550 v.C. worden de stadstaten op de kusten van Klein-Azië bedreigd door het machtige Perzische Rijk. Wie zijn die Perzen? Kunnen de kleine Griekse poleis zo’n machtige vijand aan?

.

13

De Perzische oorlogen (500-449 v.C.)

oprichting Delisch-Attische Zeebond opstand van de Griekse stadstaten slag bij de Thermopylae

Het Perzische Rijk bedreigt Hellas

jk ex

De Indo-Europese Perzen veroveren in de 6e eeuw v.C. grote stukken van het Nabije Oosten. Het Perzische Rijk strekt zich uit van de Indus tot aan de Egeïsche Zee. Zelfs Egypte hoort erbij. De Perzische koning is een alleenheerser. In 546 v.C. worden de Griekse stadstaten op de kust van Klein-Azië onderworpen. Onder leiding van de stad Milete komen zij in 500 v.C. in opstand. De opstandelingen vragen hulp aan alle Grieken. Alleen Athene en Eretria zenden schepen naar de opstandelingen. De Perzische koning Darius kan de opstand met veel moeite onderdrukken. Hij wil vervolgens Hellas innemen en zo de handel langs de Egeïsche en de Zwarte Zee overnemen. Een eerste Perzische inval in 492 v.C. wordt op land door de Thrakiërs en op zee door een zware storm tegen­ gehouden.

In 2

De Perzische oorlogen geven Athene aanzien en macht

In 490 v.C. ontscheept een Perzisch leger in de vlakte van Marathon. Athene vraagt de andere stadstaten om hulp. Alleen Plataeae helpt. In een veldslag verslaat Athene een enorme Perzische overmacht. Omdat Athene de overwinning behaalt zonder de hulp van Sparta, de sterkste landmacht, stijgt zijn aanzien. Maar in 480 v.C. bedreigen de Perzen onder koning Xerxes opnieuw Hellas. De Grieken zijn nu beter voorbereid: een aantal Griekse BRON 1

58

stadstaten heeft een verbond gesloten tegen de Perzen. Athene heeft zijn vloot uitgebreid. Een kleine Griekse landmacht onder Spartaanse leiding delft het onderspit bij de Thermopylae. De Perzen verwoesten Athene. De Atheense bevolking heeft zich op tijd teruggetrokken op het eiland Salamis. In de nauwe engte van Salamis verslaat een Atheense vloot de Perzische vloot (480 v.C.). Xerxes trekt zijn leger terug. In 479 v.C. proberen de Perzen nogmaals Hellas te onderwerpen. Zij verwoesten nogmaals Athene. De Spartanen vernietigen bij Plataeae het Perzische landleger. De Atheense vloot verslaat vervolgens de Perzische vloot bij Mykale. De dreiging is nu afgewend en Athene speelt heer en meester over de Egeïsche Zee. Perzië aanvaardt dat door in 449 v.C. de onafhankelijkheid van de Griekse stadstaten in Klein-Azië te erkennen.

em

1

slag bij Salamis

ki

Thrakiërs: volk dat ten noordoosten van Hellas leeft. De Grieken beschouwen hen als oorlogs- en drankzuchtige barbaren.

slag bij Plataeae

LES 13 DE PERZISCHE OORLOGEN (500-449 V.C.)

3

Door de Delisch-Attische Zeebond wordt Athene de leidende stadstaat

Uit angst voor nieuwe Perzische aanvallen sluiten ongeveer tweehonderd Griekse stadstaten een bondgenootschap: de Delisch-Attische Zeebond. De leiding berust bij Athene, dat de sterkste vloot heeft. (Sparta en andere poleis op de Peloponnesos zijn geen lid hiervan.) De bondgenoten van de Zeebond willen samen een nog sterkere vloot uitbouwen als bescherming tegen de Perzen. De stadstaten die geen schepen of soldaten kunnen leveren, storten geld in de gemeenschappelijke bondskas. Die wordt bewaard BRON 2


op het eiland Delos. Na verloop van tijd zorgt enkel Athene voor de manschappen en schepen, terwijl de bondgenoten een bijdrage betalen. Zo wordt Athene een sterke zeemacht die zijn bondgenoten overheerst. Perikles laat in 454 v.C. de bondskas overbrengen naar Athene en gebruikt het geld om de stad te verfraaien. Onder meer een groot deel van de bouw van de tempels op de Akropolis werd hiermee betaald. Wanneer het Perzische gevaar geweken lijkt, wensen vele poleis zich los te maken van de Atheense overheersing. Athene duldt dat niet en onderdrukt elke afscheidingspoging van een bondgenoot met geweld.

KENNEN 1 drie belangrijke verschillen tussen Hellas en het Perzische Rijk uitleggen 2 twee oorzaken van de Perzische oorlogen geven 3 kort het verloop van de Perzische oorlogen vertellen 4 uitleggen waarom vooral Athene door de Perzische oorlogen aanzien en macht krijgt 5 de verdeeldheid van de Grieken tijdens de oorlogen uitleggen 6 de functie van de Delisch-Attische Zeebond uitleggen 7 het machtsmisbruik van Athene uitleggen

KUNNEN

BRON 2 De Delisch-Attische Zeebond (477 v.C.)

In

ki

jk ex

em

BRON 1 De Perzische oorlogen

pl aa

r

1 de belangrijkste feiten uit de Perzische oorlogen op een tijdlijn plaatsen 2 met behulp van de tijdlijn het verloop ervan met eigen woorden schetsen 3 op een blinde kaart Perzië en de gebieden die in strijd zijn met Perzië aanduiden 4 een legende op een kaart lezen en begrijpen

• Is Hellas volledig verenigd in de strijd tegen Perzië? Motiveer je antwoord. • Welke van beide partijen staat er volgens jou het beste voor? ­Motiveer je antwoord. • Lees de lestekst. Geef drie Griekse overwinningen die op de kaart staan afgebeeld.

De Atheners ontvingen met instemming van de bondgenoten (…) de leiding (over de Bond). Ze bepaalden onmiddellijk welke steden geld zouden betalen en welke steden oorlogsschepen tegen de barbaren zouden leveren. Ze gaven toe dat hun doel was om compensatie te zoeken voor de geleden verliezen door het land van de Perzische koning te verwoesten. (…) Aanvankelijk legde men het bedrag vast op 460 talenten. De schatkist bevond zich op het eiland Delos (…) Uit: Thucydides, De Peloponnesische Oorlog, I,96 De geschiedkundige Thucydides (ca. 460-398 v.C.) streeft in zijn werk objectiviteit na. • Verklaar de naam ‘Delisch-Attische Zeebond’. • Waarom een zeebond, denk je? • Wie heeft de leiding? • Wat is het doel van het bondgenootschap? • Welke twee soorten bijdragen kunnen de steden leveren? Aan wie? Wat moet die stadstaat daarmee doen?

C DE BLOEI VAN DE GRIEKSE WERELD

59


KLASSIEKE OUDHEID begin Peloponnesische oorlogen: Sparta vs. Athene

1

dood Perikles

Een groeiende spanning tussen Sparta en Athene leidt tot oorlog

In

ki

jk ex

BRON 1 Het machtige Athene onderdrukt zijn bondgenoten van de Delisch-Attische Zeebond en misbruikt zijn macht. Athene aast op het leiderschap over heel Hellas. Onder Perikles ontwikkelt Athene zich tot het economische en culturele centrum van Hellas. De Atheners versterken de stad en verbinden haar met de havenstad Piraeus. Die verbindingsweg loopt tussen twee lange muren. Sparta, de leider van de Peloponnesische Bond, vreest aan invloed in te boeten. De Spartaanse adel ziet ook niet graag dat Athene zijn democratische systeem verspreidt. Bijgevolg neemt de spanning tussen beide stadstaten toe. Een conflict tussen de stad Corcyra en haar moederstad Korinthe doet de bom barsten. Korinthe, een bondgenoot van Sparta, controleert de graanhandel met Sicilië en vormt de grootste handelsrivaal van Athene op zee. Corcyra vraagt Athene om hulp in het conflict. Athene grijpt die kans om de invloed van Korinthe te verminderen. Sparta kan niet anders dan zijn bondgenoot bijstaan. De maritieme macht (zeemacht) Athene en de continentale macht (landmacht) Sparta staan nu tegenover elkaar. De hegemonie over Hellas vormt de inzet.

60

LES 14 DE PELOPONNESISCHE OORLOGEN

4

v. C

.

r 0

4

tocht naar Sicilië: nederlaag van Athene

2

em

hegemonie: overwicht, overheersing

pl aa

13

4

4

4

31

29

v. C

v. C

v. C

.

.

In de vorige les heb je geleerd dat vooral Athene de vruchten plukt van de Griekse overwinning op de Perzen. Hoe reageert Sparta, de grootste militaire landmacht van Hellas, op het groeiende overwicht van Athene? Wat zijn de gevolgen van die reactie? Wat doen de andere poleis?

.

14

De Peloponnesische oorlogen

Athene geeft zich over: einde Peloponnesische oorlogen

De Peloponnesische oorlogen maken een einde aan het Atheense overwicht

BRON 2-3 De bewoners van Attika, beducht voor het sterke Spartaanse leger, trekken zich terug binnen de muren van Athene. Perikles rekent op zijn vloot. Sparta verwoest Attika, maar Athene blijft overeind. De stad weerstaat een Spartaans beleg dankzij de bevoorrading langs de ommuurde weg die Piraeus met Athene verbindt. De Atheense vloot teistert ondertussen de kusten van de Peloponnesos. Het dreigt een lange en uitputtende oorlog te worden, tot de pest uitbreekt in het overbevolkte Athene. Perikles, de grote leider, bezwijkt in 429 v.C. Zijn opvolgers zijn onbekwaam en hun maatregelen zaaien verdeeldheid in Athene. Zolang Sparta de aanvoer van graan en goud uit Thrakië en de Zwarte Zee niet kan stoppen, behoudt Athene echter het overwicht. Met behulp van Perzisch geld rust Sparta een vloot uit die de belangrijke toevoer afsluit. De Atheners willen zich van graan voorzien door Syracuse in Sicilië te veroveren. Zo zouden zij ook de voedseltoevoer naar de Peloponnesos onder controle krijgen, wat Sparta voor problemen zou plaatsen. Het Siciliaanse avontuur loopt voor Athene echter uit op een verpletterende nederlaag in 413 v.C. De strijd tussen Athene en Sparta duurt nog een paar jaar, met wisselend succes voor beide partijen. Uiteindelijk verslaat de Spartaanse vloot de Atheense in de Dardanellen. In 404 v.C. geeft Athene zich over. Het moet zijn vloot en kolonies afstaan en de lange muren afbreken. Sparta


beheerst Hellas. De Spartaanse overheersing is al even onrechtvaardig als de Atheense. Verschillende poleis bestrijden zowel Sparta als elkaar. Athene, Thebe, Sparta en Perzië sluiten afwisselend bond­ genootschappen met elkaar. De Perzen moedigen daarbij graag de verdeeldheid onder de Griekse stadstaten aan. In ruil voor steun geeft Sparta zelfs de controle over de Griekse poleis in Klein-Azië aan Perzië. De onderlinge rivaliteit maakt de Griekse poleis in de 4e eeuw v.C. tot een gemakkelijke prooi voor een buitenlandse veroveraar.

KENNEN 1 2 3 4 5

de begrippen ‘continentaal’ en ‘maritiem’ uitleggen twee oorzaken van de Peloponnesische oorlogen geven vier tegenstellingen tussen Athene en Sparta uitleggen de aanleiding van de Peloponnesische oorlogen uitleggen uitleggen hoe de Peloponnesische oorlogen een einde maken aan het overwicht van Athene 6 uitleggen waarom de Griekse poleis verzwakken in de 4e eeuw v.C.

KUNNEN

RANDINFO

em

Standbeeld van Perikles voor het stadhuis van Athene

pl aa

r

1 de belangrijkste feiten uit de Peloponnesische oorlogen op een tijdlijn plaatsen 2 met behulp van de tijdlijn het verloop ervan met eigen woorden schetsen 3 informatie uit een kaart halen 4 aanleiding en oorzaken onderscheiden

jk ex

BRON 1 Oorzaken van de Peloponnesische oorlogen

In

ki

Steeds meer stadstaten doen een beroep op Sparta tegen de ­ emoeizucht en heerszucht van Athene. b De inwoners van Korinthe, boos en verontwaardigd over de verre­ gaande bemoeizucht van de Atheners, gingen hen openlijk in Sparta beschuldigen. De inwoners van Megara schaarden zich ­achter Korinthe met de klacht dat het uit alle door Athene gecon­ troleerde markten en havens werd geweerd en verjaagd, wat duidelijk in strijd was met de vredesregelingen die alle Grieken onderschreven hadden. Ook de eilandbewoners van Aegina smeekten de Spartanen discreet om hulp: zij beweerden misbruikt te worden en met geweld onderdrukt, maar durfden de Atheners niet openlijk te vernoemen. Uit: Ploutarchos, Parallelle levens, Leven van Perikles, 29,4

OPDRACHT • Een oorzaak schept een aantal gevolgen. Ze veroorzaakt iets. Een aanleiding zet slechts iets in beweging. Een oorzaak heeft meer gewicht dan een aanleiding. Zoek in het eerste deel van de lestekst de oorzaken van en de aanleiding tot de Peloponnesische oorlog.

De Griek Ploutarchos (46-120) wil in zijn werk vooral de deugd en moed van grote mannen aantonen. • Welke steden klagen? Zijn het bondgenoten of rivalen van Athene? • Waarover wordt er geklaagd? • Waarom durft Aegina niet openlijk te klagen? Wat bewijst dat? • Wat verlangen die steden van Sparta? • Waarom juist van Sparta?

C DE BLOEI VAN DE GRIEKSE WERELD

61


BRON 2 De Peloponnesische oorlogen (431-404 v.C.)

MACEDONIË

em

pl aa

r

• Wie zijn de tegenstanders? • Welke twee grote machtsblokken tref je hier opnieuw aan? • Wat is de inzet van de strijd? • Waarom zou het koninkrijk Macedonië een bondgenoot van Sparta kunnen zijn? • Waarom noemen sommige historici deze oorlog weleens ‘de eerste wereldoorlog uit de oudheid’?

jk ex

BRON 3 Over de strijd tussen Athene en Melos, 416 v.C.

In

ki

(De Atheners zeggen dat verzet nutteloos is, aangezien ze veel sterker zijn dan de Meliërs (inwoners van Melos). De Meliërs antwoorden na overleg.) ‘Atheners, wij zijn niet tot een andere conclusie gekomen dan voorheen en wij zullen een stad die 700 jaar in vrijheid heeft geleefd niet in één kort ogenblik daarvan beroven. Wij zullen trachten ons te redden, vertrouwend op de gunst van de goden (...), en op de hulp (…) van de Spartanen. Toch doen wij het voorstel dat wij uw vrienden zullen zijn, vijandig aan geen van beide partijen, (en) dat gij ons land zult verlaten nadat we een verdrag hebben gesloten dat voor ons beiden (Atheners en Meliërs) aanvaardbaar is.’ (De Atheners gaat niet akkoord, en nemen de stad in na een belegering.) ‘De Atheners doodden alle volwassen mannen die in hun handen vielen en verkochten alle vrouwen en kinderen als slaaf. Zij vestigden zichzelf in de stad, en zonden er later 500 kolonisten heen.’ Naar: Thucydides, De Peloponnenische Oorlog, boek V – vertaald door M.A. Schwartz Thucydides (ca. 460-398 v.C.) was een Atheens legeraanvoerder en geschiedschrijver van de Peloponnesische Oorlog tussen Athene en Sparta. In 424 v.C. werd hij voor twintig jaar uit Athene verbannen omdat hij een belangrijke versterking verloor aan Sparta. Hij gebruikte zijn ballingschap om van ooggetuigen informatie in te winnen over de oorlog en die op schrift te stellen. Hij probeert relatief objectief verslag te doen van de oorlog. • • • • • •

62

Gaat het om een primaire of een secundaire bron? Waarom zou je de auteur als betrouwbaar kunnen beschouwen? Waarom willen de Meliërs zich niet overgeven? Op de steun van wie rekenen de Meliërs? Welk voorstel doen de Meliërs? Wat is hun lot? Wat doet Athene nadien met de stad? Waarom?

LES 14 DE PELOPONNESISCHE OORLOGEN


pl aa

KLASSIEKE OUDHEID

0 50 ±

r

v. C

v. C

3 32 ±

±

35 ±

33

9

6

v. C

. v. C 0 80 ±

.

.

De Macedoniërs profiteren van de Griekse verdeeldheid om Hellas te overheersen. Wie zijn die Macedoniërs? Hoe vestigen zij hun heerschappij? Welke gevolgen heeft dat voor de toenmalige samenleving?

.

15

De hellenistische rijken

ALEXANDER DE GROTE PHILIPPOS II

Perzië. Een ‘klus’ die hij in vier jaar tijd klaart. Alexander verwoest daarbij de Perzische hoofdstad Persepolis. Hij doet dat uit wraak voor de Perzische vernieling van Athene in 480 v.C. Een Perzische legeraanvoerder vermoordt de Perzische ‘godkoning’ Darius III. Alexander de Grote roept zichzelf uit tot zijn opvolger. Hij droomt van de wereldheerschappij en rukt verder op naar Indië. Zijn leger steekt wel de Indus over, maar weigert daarna nog verder te trekken. Sommige soldaten zijn immers al jaren van huis. Daarom keert Alexander terug. In Babylon wordt de ‘veroveraar’ ziek en hij sterft (323 v.C.).

em

1

Philippos II verenigt de Grieken

Macedonië is een koninkrijkje ten noorden van Hellas waar de grootgrondbezitters de koning kiezen. De Grieken beschouwen de aan hun verwante Macedoniërs als barbaren. Koning Philippos II (359-336 v.C.), een bewonderaar van de Griekse cultuur, wenst in de 4e eeuw v.C. een machtig rijk op te bouwen. Hij wil ook de groeiende macht van de Perzen tegenhouden. Philippos verovert Thrakië (goud- en zilvermijnen) en Thessalië. In 338 v.C. verslaat hij de verbonden legers van Athene en Thebe. Philippos II sticht de Korinthische bond, een militair bondgenootschap: de Griekse poleis blijven zelfstandig, maar aanvaarden de Macedonische leiding. Als veldheer en soldaat verheerlijkt Philippos de Spartaanse staat. Sparta wordt daarom vrijgesteld van het lidmaatschap. De polis verliest wel een groot deel van haar grondgebied. De koning plant vervolgens een aanval op Perzië, maar wordt in 336 v.C. vermoord.

In

ki

jk ex

BRON 1

2

Alexander de Grote verovert een wereldrijk

Alexander volgt op twintigjarige leeftijd zijn vader Philippos II op. De troonopvolger heeft een Griekse opvoeding gekregen en combineert het Griekse denken met de Macedonische doortastendheid. Hij verwoest Thebe, omdat die stad tegen hem in opstand komt. Als onbetwist leider van de Griekse wereld start Alexander in 334 v.C de verovering van BRON 2-3

3

hellenisme: ‘hellenistisch’ betekent ‘Griekssprekend’ en ‘Grieksgezind’. In het hellenisme vermengen oosterse gewoontes en Griekse cultuur­ elementen zich tot een nieuwe samenlevingsvorm, waarin het Griekse aspect toon­ aangevend is.

Het rijk van Alexander de Grote valt uiteen

BRON 4 -5 Naar oosters gebruik beschouwt Alexander zich als goddelijke alleenheerser die regeert over een groot rijk. De democratie en het polismodel hebben afgedaan. Alexander voert een hellenistische politiek: om de Griekse cultuur te verspreiden wil hij zijn niet-Griekse onderdanen met Grieken vermengen. Daarvoor organiseert hij volksverhuizingen en stimuleert hij gemengde huwelijken. Zelf huwt Alexander oosterse prinsessen. De alleenheerser sticht nieuwe steden die hij telkens naar zichzelf ‘Alexandrië’ noemt. De bevolking is er gemengd. Het Grieks geldt als de standaardtaal van ambtenaren, wetenschappers, kooplui en soldaten. De Attische munt wordt de eenheidsmunt van het hele rijk. Maar Alexanders regeerperiode is te kort om een hecht rijk te vormen. Zijn generaals, de Diadochen, bestrijden elkaar en het rijk valt uiteen in verschillende kleinere

C DE BLOEI VAN DE GRIEKSE WERELD

63


vorstendommen. Die hellenistische rijken maken een economische en culturele bloeiperiode mee. Paleizen en steden schitteren van pracht en praal. Toch is het enkel een toplaag van de bevolking die profiteert van de hellenistische bloei. De gewone bevolking betaalt zware belastingen en beschikt over een zeer klein inkomen. De vermenging van verschillende volkeren mislukt ook. De onderlinge strijd verzwakt de rijken. Vanaf de 2e eeuw v.C. delven ze het onderspit tegen de Romeinen en oosterse volkeren (o.a. de Parthen).

KENNEN 1 2 3 4 5 6

het begrip ‘hellenistische politiek’ uitleggen uitleggen waarom Philippos II Hellas wil veroveren uitleggen hoe Philippos II Hellas onderwerpt kort uitleggen hoe Alexander de Grote Perzië verovert vijf kenmerken van een hellenistische politiek geven uitleggen hoe het rijk van Alexander uiteenvalt

KUNNEN

r

1 de politiek van Alexander vergelijken met die van de Atheense democratische polis 2 het rijk van Alexander op een blinde kaart situeren 3 twee kaarten met elkaar vergelijken

pl aa

BRON 1 Demosthenes tegen Philippos II van Macedonië

em

Maar ik zie dat allen hem laten betijen. (...) Hij mag nu dingen doen waarvoor de Grieken in het verleden oorlog zouden voeren. Onbeperkte speelruimte krijgt hij om de Griekse wereld geleidelijk maar zonder verpozen te schenden en te plunderen, om de steden te belegeren en tot slavernij te brengen. Maar toen de Atheners in het verleden zich in hun betrekkingen met sommigen hun rechten schenen te buiten te gaan, meenden allen dat ze met de verdrukten moesten meevechten; toen de Lakedaemoniërs (Spartanen) aan de leiding waren (over Hellas) en uw vroegere hegemonie hadden overgenomen poogden zij meer dan billijk was de orde te verstoren; en aanstonds grepen allen naar de wapens. (...) Welnu, al die vergrijpen van de Spartanen gedurende die dertig jaar, al die van onze (Atheense) voorouders gedurende die zeventig jaar, hebben minder te betekenen, Atheners, dan het onrecht dat Philippos de Grieken berokkende gedurende die minder dan dertien jaar sinds hij is opgedoken. (...)

jk ex

Uit: Demosthenes, Derde rede tegen Philippos II

Demosthenes (322-284 v.C.), Atheens redenaar en democratisch politicus, verzet zich tegen de toenemende macht van de Macedonische koning Philippos II. Hij geldt als de grootste redenaar van de klassieke oudheid.

In

ki

• Wat verwijt Demosthenes de Grieken? • Wat verwijt Demosthenes Philippos II? • Maak een identiteitskaart van deze bron.

BRON 2 A

Alexander was weetgierig en hield van lezen. De Ilias van Homeros hield hij voor het handboek van krijgskunde en dapperheid. Toen hij zich in Azië bevond, waar andere boeken niet te krijgen waren, liet hij zich Griekse werken opsturen: Philistos, Euripides … (...) Aanvankelijk liep hij hoog op met Aristoteles, ja, hij hield van hem, zoals hijzelf zei, evenzeer als van zijn vader: van deze heb ik het leven ontvangen, zei hij, maar Aristoteles leerde mij wel te leven. Uit: Ploutarchos, Parallelle levens, Leven van Alexander De Griek Ploutarchos (46-120) genoot de gunst van de Romeinse keizers Trajanus en Hadrianus. Hij schreef talrijke biografieën van beroemde Grieken en Romeinen. Hij wil in zijn werk vooral de deugd en moed van grote mannen aantonen. • Waaruit blijkt dat Alexander zeer veel van de Grieken afwist? • Hoe heet de leermeester van Alexander?

64

LES 15 DE HELLENISTISCHE RIJKEN


In

ki

jk ex

BRON 3 Het wereldrijk van Alexander

em

pl aa

r

B Ruiterstandbeeldje van Alexander de Grote (brons, 104 x 100 cm, 1e eeuw, teruggevonden in Pompeï, Archeologisch Museum, Napels)

• Geef acht hedendaagse landen die geheel of gedeeltelijk in het rijk van Alexander liggen. • Je begrijpt dat je, om zo’n rijk te besturen, moeilijk regelmatig van de ene hoek naar de andere kunt reizen. Wat zou jij doen om toch controle te krijgen over zo’n groot gebied? • Tel het aantal steden dat Alexander gesticht heeft. Waarom zou hij dat gedaan hebben? • Waar stierf Alexander? In welk jaar? Hoe lang heeft hij over de verovering van een wereldrijk gedaan?

C DE BLOEI VAN DE GRIEKSE WERELD

65


BRON 4 Alexander voorgesteld in een Romeins mozaïek (Huis van de Faun, Pompeï, 1e eeuw) RANDINFO

jk ex

• ‘Alexander blijft na zijn dood lang populair.’ Juist of fout? Motiveer je antwoord.

em

pl aa

r

De vechtende Alexander op een sarcofaag, Archeologisch Museum van Istanbul, 4e eeuw n.C., afkomstig uit Libanon

In

ki

BRON 5 De hellenistische rijken of Diadochenrijken, ca. 301 v.C.

• Vergelijk deze kaart met die in bron 3. Wat is er veranderd? • Hoeveel tijd verloopt er tussen de situatie op beide kaarten?

66

LES 15 DE HELLENISTISCHE RIJKEN

sarcofaag: meestal stenen (maar ook houten) kist waarin men de dode plaatste


16

Historisch denken: Atlantis Atlantis zou een continent zijn dat ooit tussen Afrika en Amerika lag en in de oceaan is verzonken. Die oceaan wordt dan ook de Atlantische Oceaan genoemd. De Griekse geleerde Plato vertelt dat verhaal voor het eerst in de 4e eeuw v.C. Veel later wordt het weer opgepikt en verder aangedikt. In tal van films, series, boeken, stripverhalen en tekenfilms komt Atlantis aan bod. In deze les onderzoek je wat je onder Atlantis moet verstaan.

pl aa

r

OPDRACHTEN 1 Bronnen situeren Welke bronnen stammen niet uit de hedendaagse tijd?

em

2 Bronnen bestuderen • Geef voor elke bron aan om welke soort bron het gaat: – geschreven – ongeschreven; – primair – secundair. • Welke bron is geen historisch werk?

jk ex

3 Een historische vraag stellen We geven je drie historische vragen. a Wat is Atlantis en wanneer zou het bestaan hebben? b Ligt Atlantis aan de oorsprong van alle beschavingen? c Is Atlantis een verzinsel? – Geef voor elke vraag de bronnen die je nodig hebt om ze te beantwoorden. – Onderzoek of elke bron wel betrouwbaar is om de vraag te beantwoorden. Bekijk de gegevens over de maker en waar en wanneer de bron gemaakt is. – Formuleer zelf een antwoord op vraag c. – Formuleer zelf een vierde historische vraag (ze mag op een van de andere lijken).

In

ki

4 Een beeld over het verleden vormen Omschrijf op basis van je onderzoek kort wat we onder Atlantis moeten verstaan. Houd rekening met deze hulpvragen: Wat is Atlantis? Wie en wanneer schrijft voor het eerst over Atlantis? Wat beweren sommigen dat Atlantis was? Waarom kan daaraan getwijfeld worden? 5 Nadenken over een beeld van het verleden Zijn deze uitspraken juist of onjuist? • Mensen proberen soms aan overblijfselen die ze vinden verhalen uit het verleden te koppelen. • Mensen passen het verhaal van Plato aan om te bewijzen dat ze Atlantis gevonden hebben. • Het beeld dat we van het verleden hebben, kan veranderen als we nieuwe bronnen vinden.

67

B

DE PREHISTORIE

67


BRON 1 Het eiland Atlantis volgens Plato A

Uit: Plato, Critias, 360 v.C.

pl aa

r

Het verhaal dat Critias vertelt, heeft hij van zijn grootvader gehoord, die het op zijn beurt van een vriend van Solon had. Die laatste heeft het in Egypte van priesters uit de stad Saïs vernomen. ‘Om te beginnen moeten wij ons herinneren dat het meer dan negenduizend jaar geleden is dat er volgens de doorgegeven verhalen een oorlog plaatsvond tussen de volkeren die voorbij de Zuilen van Herakles [Straat van Gibraltar] woonden en alle volkeren aan deze zijde (…) Men zegt dat onze stad [Athene] de leider was van de ene partij (…) Aan het hoofd van de andere kant stonden de koningen van het eiland Atlantis dat (…) vroeger groter was dan Libië [Noord-Afrika] en Klein-Azië tezamen. Thans is het ten gevolge van aardbevingen verzonken en vormt het nog slechts een ondoordringbare modder­ massa en een belemmering voor de schepen die van hieruit naar de open zee willen ...’ (…) De oude hoofdstad was rijk aan natuurlijke bronnen en er was voedsel in overvloed. Hoge bergen boden beschutting tegen de noordenwind en over de weiden zwierven dieren zoals olifanten en paarden, die dronken uit meren en rivieren. Er regeerden tien koningen over dit paradijselijke eiland en de bewoners leefden er in volmaakte harmonie (…) en zij [de vorsten] hadden een enorme rijkdom, meer dan wat andere koningen en heersers ooit in hun bezit hadden of zullen hebben, zowel in de stad als op het platteland bezat men al wat men nodig had (…) het eiland zelf voorzag in de meeste zaken die nodig waren om te leven (…) Uit de aarde groef men alles op wat er maar te vinden was, zowel vast als vloeibaar en vooral (…) orichalcum (…) in die tijd even waardevol als goud (…)

In twee geschriften, ‘Critias’ en ‘Timaios’, verwijst de Griekse filosoof Plato (427-347 v.C.) naar het eiland Atlantis. Plato laat in zijn werken dikwijls personen vertellen. C Tekening uit de 17e eeuw, gebaseerd op Plato

ki

jk ex

em

B Tekening gebaseerd op de beschrijvingen van Plato

In

Tekening van de hoofdstad van Atlantis, gemaakt in de hedendaagse tijd

Op deze kaart bevindt het noorden zich aan de onderkant. Het oosten, met Spanje en Afrika, ligt links.

BRON 2 Een popsong uit 1968 Het continent Atlantis was een eiland dat, voor de Zondvloed, in het gebied lag dat wij nu de Atlantische Oceaan noemen. Zo uitgestrekt was het dat prachtige zeelieden, in schepen met beschilderde zeilen, vanuit haar westelijke kust met gemak naar de zuidelijke en noordelijke Amerika’s reisden. Naar: Donovan, Atlantis, 1968

In het oosten was Afrika haar buur, slechts gescheiden door een korte zeestraat van enkele zeemijlen. Het grote Egyptische tijdperk is slechts een overblijfsel van de Atlantische cultuur. De voorwereldlijke koningen koloniseerden de wereld. Alle goden uit de mythologische drama’s, in alle legenden uit alle landen, kwamen uit het mooie Atlantis. Zich bewust van haar lot stuurde Atlantis schepen naar alle windstreken.

In 1968 brengt de Schotse zanger Donovan (°1946) de song Atlantis uit. Hij baseert zich op de geschriften van Ignatius L. Donnelly, een schrijver uit de 19e eeuw, die beweert dat Atlantis de oorsprong vormt van alle beschavingen. Zijn boek heeft de ingewikkelde titel ‘De Antediluviaanse Wereld’. De song wordt in 2001 opnieuw uitgebracht, o.a. ter gelegenheid van de Disneytekenfilm ‘Atlantis’.

68

LES 16

Historisch denken: Atlantis


BRON 3 Sporen van Atlantis? A Santorini (Thera)?

B Voor de Spaanse kust? Satellietbedrijf denkt ruïnes van Atlantis gevonden te hebben: voor de kust van Spanje

jk ex

em

Volgens het bedrijf [Merlin Burrows] liggen de ruïnes van de beschaving voor de Spaanse kust, ten noorden van de stad Cadiz. In de buurt van nationaal park Doñana, waarvan wetenschappers denken dat het ooit een binnenzee was. En het beweert dat er ook ten noorden en ten zuiden van het park bewijsmateriaal te vinden is van de oude beschaving, in de vorm van resten van 15 andere nederzettingen in zee. De experts gebruikten satellietbeelden, luchtfotografie en grondobservaties om hun vaststellingen te doen en vonden naar eigen zeggen opmerkelijke parallellen met het verhaal van Plato.

pl aa

www.historymuseum.ca

r

Santorini (Thera) is een eiland in de Middellandse Zee dat eigenlijk de restanten vormt van een grote vulkaan. Omstreeks 1646 v.C. ontplofte die vulkaan met een kracht gelijk aan 40 atoombommen. Een groot deel van het eiland werd weggeblazen. Vloedgolven overspoelden de kusten en andere eilanden van de Middellandse Zee. Tot voor kort dacht men dat die een einde maakten aan de Minoïsche beschaving op Kreta. Dat zou dan aan de basis liggen van de Atlantislegende. De ondergang van de Minoïsche beschaving gebeurde echter enkele honderden jaren later. Bovendien kloppen de ligging en de data niet met het Atlantis van Plato.

ki

Uit: Het Laatste Nieuws, 16 november 2018

C De archeoloog Carl Feagan over de ontdekking bij de Spaanse kust

In

Ik laadde Google Earth op en ging naar de locatie op de kaart. Ik zocht ongeveer 20 minuten naar de ‘cirkels’ (…) De ovale figuren die ze beschreven waren er. Ze vertoonden een zeer eigenaardig patroon. En er waren twee verschillende soorten van die figuren. De randen waren zeer brokkelig. Niet wat je verwacht van figuren die honderden jaren oud zouden zijn en zeker niet van figuren die meer dan tienduizend jaar oud zouden zijn. Mijn eerste ingeving was om na te gaan of ze in de recente geschiedenis te zien waren. Als je de tijdlijn in Google Earth enkele jaren terugzet, verdwijnen de cirkelvormige figuren gewoon. Ze zijn er niet meer. Daarom begon ik een snelle opzoekopdracht via Google. Nog geen minuut later vond ik een biologische studie uit begin 2004 over dezelfde locatie waar Merlin Burrows Atlantis situeert. De ‘cirkels’ die Merlin Burrows gevonden had, waren experimentele vijvers die men in 2004 en 2005 in Doñana National Park aangelegd had om plankton te bestuderen. Na een tijdje haalde Merlin Burrows elke verwijzing naar hun zogenaamde ontdekking van Atlantis van hun website. Uit: Archeology Review, 24 januari 2019 Carl Feagan is een Amerikaans archeoloog die allerlei verzinsels over de archeologie wil weerleggen.

B

DE PREHISTORIE

69


BRON 4 Atlantis, een verzinsel? A allegorie: een beeld dat men schetst om iets abstract voor te stellen. Bijvoorbeeld: een mooie vrouw of man om de liefde voor te stellen.

Atlantis is een verzonnen stad, gebruikt als allegorie in twee dialogen van Plato (‘Critias’ and ‘Timaios’) om de staat en het nationalisme in het algemeen te bekritiseren … Plato beschrijft Atlantis als een agressor tegen Athene, 9000 jaar voor zijn tijd. Plato leefde zelf ongeveer 2400 jaar geleden (...) Plato beschrijft de Atlantiërs als slechte mensen die slaven maken van de volkeren die ze onderwerpen …

agressor: aanvaller, degene die een oorlog begint

Carl Feagan in: Archeology Review, 24 januari 2019

• •

pl aa

De priesters van Saïs benadrukten volgens Critias’ personage echter dat de Atlantisch-Atheense oorlog zo’n 8000 jaar voor de tijd van Solon gevoerd was –bijna 9000 jaar voor Christus: veel ouder dan enig bewijs dat moderne archeologen tot dusver vonden van een beschaving in het Middellandse Zeegebied of waar dan ook ter wereld (…) Blijft echter het feit dat Egyptologen geen enkele Egyptische tekst gevonden hebben die van de Atlantislegende verhaalt, los van het beweerde tijdstip, niet in Saïs noch elders (…) Plato’s dialogen vertolken zijn filosofie en vertonen een aantal vreemde kenmerken. Een daarvan is het gebruik van buitengewone, als waar voorgestelde verhalen om zijn ideeën helder uit te drukken. … bespreekt Plato de werktuigen die in de opvoeding van de jeugd aangewend moeten worden. Een daarvan is het gebruik van volledig verzonnen verhalen, aan de jeugd gepresenteerd als waargebeurde geschiedenis.

em

r

B

Stukjes uit Kevin Christopher, Atlantis: Feit & Fictie (skepp.be/nl/buitenaards-leven-complotten/atlantis-feit-fictie)

In

ki

jk ex

SKEPP is een organisatie van wetenschappers die beweringen en verschijnselen onderzoekt die zeer onwaarschijnlijk of onmogelijk zijn.

70

KENNEN

KUNNEN

1 kort omschrijven wat je onder Atlantis dient te verstaan

1 bronnen situeren in de tijd 2 bronnen indelen per soort en met elkaar vergelijken 3 bronnen onderzoeken op hun bruikbaarheid en betrouwbaarheid 4 informatie uit een bron halen 5 het beeld van het verleden beoordelen

LES 16

Historisch denken: Atlantis


C

De bloei van de Griekse wereld

OVERZICHT 2000 - 1200 v.C.

ACHAIËRS OF MYKENERS grootgrondbezitters

koning = alle macht

1000 - 800 v.C.

landbouw en handel

ONTSTAAN POLEIS

ontstaan Rome

koning / adel = alle macht

grootgrondbezitters

750 - 550 v.C.

pl aa

r

politieke verdeeldheid, culturele eenheid

landbouw

GRIEKSE KOLONISATIE

landbouw handel nijverheid

jk ex

em

grootgrondbezitters handelaars-ondernemers

500 - 323 v.C.

Romeinse republiek

ATHENE

SPARTA

sociale ongelijkheid oligarchie

mannelijke burgers

Raad der Ouden

In

ki

democratie

Eion CHALKIDIKE

IMBROS

h e s c e ï E g

N AR AC Ë

MESSENIË

Athene

e Z e

Ionische Zee

ACHALA Korinthe Olympia Argolis

SPARTA

poleis in Hellas verzwakken

LESBOS

Oreus Chalkis Eretria ATTIKA ANDROS

I AN

ZAKYNTHOS

ATHENE

PHRYGIË MYSIË

SKYROS

Histaia

CEPHALLENIA

Astakos

THASOS

LEMNOS

THESSALIË

LEUKAS

Peloponnesische Bond

Zwarte Zee

Amphipolis

Pella

Potidaea CORCYRA

Delisch-Attische Zeebond

THRAKIË

MAKEDONIË

Aegae

PERZISCHE OORLOGEN

Hermos

LYDIË SAMOS

Meander CARIË

DELOS

HET MACEDONISCHE RIJK

Sparta

LAKONIË RHODOS

Delisch-Attische Zeebond Sparta en de Peloponnesische bond Atheense steunpunten

vanaf 323 v.C.

KYTHERA K R E T A

0

100 km

(Alexander de Grote verovert een wereldrijk)

HELLENISTISCHE RIJKEN

OVERZICHT C DE BLOEI VAN DE GRIEKSE WERELD

71


Rome ontstaat omstreeks 1000 v.C. en is aanvankelijk niet groter dan een dorp. Later groeit het uit tot een stad en zelfs tot een heus rijk. In de volgende hoofdstukken leer je hoe de Romeinen hun grondgebied verder uitbreiden en welke gevolgen dat heeft voor de samenleving en het bestuur.

HET KONINKRIJK

mythische stichting

jk ex

ontstaan Rome

OPDRACHT

In

ki

• Het Romeinse Rijk is zo groot geweest dat je vandaag zowel in Europa, Afrika als Klein-Azië restanten van Romeinse bouwwerken terugvindt. Hier zie je enkele voorbeelden. In welk hedendaags land ligt elk bouwwerk? Zoek het juiste antwoord op.

De ‘Porta Nigra’ in Trier

72

D HET ROMEINSE RIJK

. v. C 9 50

±

±

em

±

10

0

75

3

0

v. C

v. C

.

.

pl aa

r

D

Het Romeinse Rijk

Romeinse villa in Volubilis

DE REPUBLIEK


4

76

r em

±

pl aa

1

. v. C 27 ±

Sagalassos

In

Leptis Magna

ki

jk ex

HET KEIZERRIJK

D HET ROMEINSE RIJK

73


HET KONINKRIJK ontstaan Rome

mythische stichting

Het ontstaan van Rome: mythe en feiten

In

ki

jk ex

BRON 1 De Romeinen zijn Indo-Europeanen die zich omstreeks 1000 v.C. op het Italische schiereiland hebben gevestigd. Ze geloven zelf dat ze afstammen van de tweeling Romulus en Remus. De wetenschap vertelt echter een ander verhaal: in de 10e eeuw v.C. ontstaan de eerste nederzettingen in Latium, een moerassig, heuvelachtig en vruchtbaar gebied aan de Tiber. De bewoners van deze streek zijn eenvoudige herders en boeren. Aan de kust wordt er aan zoutwinning gedaan. De stad Rome ligt gunstig: midden op de verbindingsweg tussen het noorden en het zuiden van Italië. De heuvels en moerassen vormen een natuurlijke bescherming tegen invallers. De afstand tussen Rome en de zee is groot genoeg om veilig te zijn voor zeerovers. De Tiber is ideaal om goederen te vervoeren en de zee te bereiken.

2

Etrusken, Italiërs en Grieken bevolken het Italische schiereiland

BRON 5 De Etrusken wonen in het noordwesten van Italië. Hun gebied ligt hoofdzakelijk tussen twee stromen: de Arno en de Tiber. Het midden van Italië wordt bevolkt door Italische volksstammen, onder wie de Latijnen en Sabijnen. Het zuiden van Italië wordt bewoond door Grieken. Ze stichten tussen de 8e en 5e eeuw v.C. op veel plaatsen in het Middellandse Zeegebied kolonies. Hun gebied in Italië wordt dan ook Groot-Griekenland genoemd.

74

LES 17 ROME BEGINT ALS EEN BESCHEIDEN KONINKRIJK

r

76 4

.

1

v. C

27

HET KEIZERRIJK

3

em

1

DE REPUBLIEK

pl aa

v. C 9 50

10

0

75

0

3

v. C

v. C

.

.

Omstreeks 1000 v.C. ontwikkelt zich op het Italische schiereiland (zie les 3) de Romeinse samenleving. Hoe is Rome ontstaan? Welke volkeren leven op het Italische schier­eiland? Welke kenmerken heeft de Romeinse ­samenleving? Hoe wordt het bestuur in het oude Rome georganiseerd?

.

17

Rome begint als een bescheiden koninkrijk

Kenmerken van de Romeinse samenleving

BRON 2-3 - 4 De familie is de basis van de Romeinse samenleving. Het familiehoofd, de ‘pater familias’, heeft alle macht. Hij bezit alles en beslist alles. Verschillende families met dezelfde voorvader vormen samen een gens (meervoud: gentes) of geslacht. In de 6e eeuw v.C. zijn er ongeveer 60 gentes in Rome. De Romeinse samenleving bestaat uit verschillende groepen: de patriciërs of aristocraten geloven dat ze afstammen van de stichters van Rome. Ze bezitten bijna alle grond. De patriciërs kiezen de koning en geven hem raad. De gewone burgers worden plebejers genoemd. Ze bezitten persoonlijke vrijheden, maar hebben geen politieke macht. Het gaat meestal om boeren, ambachtslieden en handelaars. Vele boeren zijn afhankelijk van een patriciër of staan onder zijn bescherming. De slaven vormen een andere groep. Slaven zijn meestal krijgsgevangenen of hun afstammelingen. Meestal kennen zij een zwaar bestaan. Ze hebben weinig of geen rechten en worden beschouwd als een zaak.

4

De koning bezit de grootste macht in het Romeinse bestuur

De eerste bestuurders van Rome zijn koningen. Een koning wordt gekozen voor het leven. Hij is opperpriester, opperrechter en opperbevelhebber. De koning beschikt dus over bijna alle macht. Hij kan aan de senaat, die bestaat uit familiehoofden van de belangrijkste patriciërs­ families, bijstand en raad vragen. De koning kan ook de BRON 4


BRON 1 Romulus en Remus

KUNNEN

1 het bestuur van het Romeinse koninkrijk in een schema weergeven

em

BRON 5 De Etrusken die ten noorden van Rome in Etrurië leven, hebben een grote invloed op de Romeinen. Een aantal Etrusken wordt koning van de stadstaat Rome. De Etrusken hebben de Romeinen ook nog op andere manieren beïnvloed. De Romeinen nemen van hen de waarzeggerij over. Auguren of voorspellers proberen de toekomst te voorspellen via voortekens in de natuur en door het bestuderen van dierlijke ingewanden. De gladiatorenspelen komen via de Etrusken ook bij de Romeinen terecht. In de bouwkunst leren de Romeinen van hen om te werken met bakstenen, rondbogen, gewelven ... Ze bouwen naar hun voorbeeld onder meer bruggen, riolen en wegen. Via de Etrusken komen de Romeinen in contact met de Grieken, die de Romeinse kunst zullen beïnvloeden.

1 de begrippen ‘pater familias’, ‘patriarchale samenleving’, en ‘gens’ uitleggen 2 de mythische stichting van Rome bondig navertellen 3 uitleggen wat de wetenschap over het ontstaan van Rome zegt 4 vijf redenen voor de gunstige ligging van Rome geven 5 uitleggen wie de drie bevolkingsgroepen van Rome zijn en hun kenmerken opsommen 6 de functie en de macht van de koning, de senaat en de volksvergadering uitleggen 7 vijf voorbeelden van de Etruskische invloed op Rome geven en uitleggen

r

5

De invloed van de Etrusken op de stadstaat Rome

KENNEN

pl aa

volksvergadering samenroepen. In de volksvergadering zetelen alle mannelijke patriciërs. Net als de senaat heeft de volksvergadering weinig inspraak. Ze kiest wel de koning.

BRON 2 De Romeinse samenleving Romeinse mannen hadden veel meer macht en autoriteit dan vrouwen. De wetten, maar ook de traditie, bezorgden de mannen die macht. De wet gaf de man de volledige heerschappij over de familia. Dat was niet het gezin zoals wij het kennen: het omvatte het gezin (vader, moeder, kinderen), maar ook de andere mensen en bezittingen in het huis. ‘Huishouden’ is dus de beste vertaling voor familia. Het gezinshoofd, de man, bezat alles wat zich in het huis bevond: vrouw, kinderen, slaven en meubels. Het gezinshoofd was ook de gezinspriester, die offerde aan de huisgoden. Vrouwen mochten niet deelnemen aan het openbare leven en zeker niet stemmen bij verkiezingen.

Uit: Een nieuwe geest (Time Life)

• Waarom is ‘gezin’ of ‘familie’ geen goede omschrijving voor f­ amilia? Welk woord is beter? Waarom? • Wie had in de Romeinse maatschappij de macht? Zoek daarvan drie voorbeelden in de tekst. Zoek in een woordenboek op wat een patriarchale samenleving is. • Is er ondertussen veel veranderd aan de positie van de vrouw in de samenleving? Leg uit.

In

ki

jk ex

De eerste geschiedenis van Rome verschijnt pas tegen het einde van de 3e eeuw v.C. Veel Griekse en Romeinse schrijvers baseren zich op oude mythes. Een van de bekendste verhalen is dat van de tweeling Romulus en Remus. Ze zijn de zonen van de oorlogsgod Mars en een menselijke prinses. Hun menselijke oom, bevreesd voor zijn troon, wil hen doden. De tweeling wordt in een mandje in de Tiber geworpen. Het mandje strandt in de modder van de rivier. De kinderen worden gered en gezoogd door een wolvin. Later verslaan zij hun oom. Romulus sticht de stad Rome op 21 april van het jaar 753 v.C. Voordien heeft hij zijn broer gedood. De tweeling had immers ruzie over de heuvel waar de stad gebouwd moest worden. Livius, een Romeins schrijver, is ervan overtuigd dat de stad beschermd wordt door de goden. Hij laat daarom in zijn verhaal Romulus uitroepen: ‘Ga, en verkondig aan de Romeinen dat het de wil der goden is dat mijn Rome de hoofdstad van de wereld zal zijn.’

• Vertel de mythe over het ontstaan van Rome met je eigen woorden bondig na. • Wat is een mythe? • Haal minstens twee onwaarschijnlijkheden uit het verhaal van de stichting van Rome. • Hoeveel jaren verstrijken er ongeveer tussen de stichting van Rome en het opschrijven van de eerste mythes? Wat betekent dat voor de betrouwbaarheid van de verhalen?

Uit: M. Corbishely, De Romeinse Wereld

D HET ROMEINSE RIJK

75


BRON 3 Rantsoenen voor de slaven

BRON 4 Het bestuur in het koninkrijk Rome

Als de slaven ziek zijn, moeten zulke grote rantsoenen niet uitgedeeld worden. Verkoop uitgeputte ossen, besmet rundvee en besmette schapen, wol, huiden, een oude wagen, oud gereedschap, een oude slaaf, een ziekelijke slaaf en andere zaken die overbodig zijn. (…) Rantsoenen voor de werkers: vier ‘modii’* tarwe in de winter en in de zomer vierenhalf, voor de slaven die op het land werken. Drieënhalf voor de opziener, de huisbewaarder, de meesterknecht en de schaapsherders.

VERKIEZING

HET KONINKRIJK

Uit: Cato, De Agri Cultura

(*) 1 modius = ca. 8,75 liter

r

volksvergadering

• Welke drie bestuursinstellingen bestonden er tijdens de koningstijd? Hoe kun je dat op het schema zien? • Wie heeft de meeste macht? Hoe kun je dat op het schema zien? • Welke taak heeft de senaat? • Welke taak heeft de volksvergadering?

B Beeld uit een Etruskisch graf, aardewerk, 6e eeuw v.C. Museo Nazionale Etrusco di Villa Giulia, Rome

In

ki

jk ex

BRON 5 A Etruskische vaas, 6e eeuw v.C.

senaat

em

• De rantsoenen zijn in de winter kleiner dan in de zomer. Hoe komt dat? • Hoe verklaar je de nog kleinere rantsoenen voor bijvoorbeeld de opziener en de huisbewaarder? • Wat moet men doen met oude en ziekelijke slaven? • Waarmee worden slaven vergeleken?

• Beschrijf met je eigen woorden een van deze drie kunstvoorwerpen.

76

LES 17 ROME BEGINT ALS EEN BESCHEIDEN KONINKRIJK

advies

pl aa

Marcus Porcius Cato Maior (234-149 v.C.) behoort tot de leidende families in Rome. Cato bekleedt verschillende ambten. Hij verdedigt de oude Romeinse tradities en verzet zich tegen allerlei buitenlandse invloeden (de Griekse inbegrepen). In zijn werk ‘De Agri cultura’ geeft hij de landheer praktische raad.

koning (levenslang) = opperpriester = opperrechter = opperbevelhebber

C Fluitspeler, grafschildering, 5e eeuw v.C.


1

mythische stichting

Rome wordt een republiek

Tijdens het Romeinse koninkrijk krijgen de koningen na verloop van tijd te veel macht. Ze houden geen rekening meer met de volksvergadering en de senaat. Volgens de mythe verjagen de Romeinen in 509 v.C. de laatste koning: de Etrusk Tarquinius Superbus. Het bestuur in Rome ondergaat zware veranderingen. De Romeinen willen niet langer een koning. Rome wordt een republiek of ‘res publica’, ‘zaak van het volk’. De volksvergadering kiest uit de groep van de patriciërs twee consuls. Zij regeren voor een periode van slechts één jaar. De consuls staan in voor het dagelijkse bestuur van Rome en voeren het leger aan. Ze controleren elkaar en kunnen elkaars beslissingen tenietdoen (vetorecht). Het hogepriesterschap, dat ook in handen was van de koning, wordt voortaan toevertrouwd aan een ‘pontifex maximus’.

magistraten. Toch moeten de beslissingen van de volksvergadering steeds goedgekeurd worden door de senaat voordat ze geldig zijn.

2

Plebejers vechten om gelijke politieke rechten

BRON 3 - 4 -5 Rome start vanaf 500 v.C. met de verovering van het Italische schiereiland. Daarvoor heeft men extra soldaten en geld nodig. De plebejers moeten soldaat worden en meer belastingen betalen. In ruil worden ze volwaardige burgers die mogen deelnemen aan de volksvergadering. In werkelijkheid zijn het echter de patriciërs en rijke plebejers die meer stemmen hebben in het bestuur. Door de oorlogen krijgen heel wat plebejers problemen. Als ze als soldaat voor Rome gaan strijden, is er niemand om hun landerijen te bewerken. Ze beschikken niet zoals de patriciërs en rijke plebejers over slaven. Om zelf iets aan hun problemen te doen, willen de plebejers meer inspraak in de politiek. Omdat de patriciërs niet naar hen willen luisteren, weigeren de plebejers om nog langer te vechten. Ze weten dat ze onmisbaar zijn in het leger. Beetje bij beetje krijgen de plebejers meer rechten. Zo ontstaat de functie van volkstribuun. Die verdedigt in de volksvergadering hun rechten. Hij kan beslis­ singen van andere instellingen en bestuurders tenietdoen. Hij beschikt dus over een vetorecht. Ook het ­optekenen van wetten die geldig zijn voor het hele Romeinse volk, is een belangrijke overwinning. Vanaf 367 v.C. mag een van de twee consuls zelfs een plebejer zijn. In 287 v.C. worden de patriciërs en plebejers politiek gelijk. Maar de gelijkheid lost voor de plebejers de

jk ex

ki

In

De senaat wordt de machtigste instelling van de republiek. Hij telt driehonderd leden aangeduid voor het leven. De senaat geeft raad aan de consuls, zorgt voor de veiligheid van de staat, onderhoudt de buitenlandse betrekkingen en is verantwoordelijk voor de eredienst, de geldzaken en de openbare werken. Als de twee consuls het niet eens kunnen worden, mag de senaat een dictator aanstellen voor zes maanden. De dictator moet dan alleen orde op zaken stellen. Ook de volksvergadering krijgt meer macht tijdens de republiek. Zij stemt over wetsvoorstellen (maar kan er zelf geen indienen), beslist over oorlog en vrede en kiest de consuls en andere

76 4

r

HET KEIZERRIJK

em

BRON 1-2

1

. 27

DE REPUBLIEK

pl aa

HET KONINKRIJK ontstaan Rome

v. C

v. C 9 50

10

0

75

0

3

v. C

v. C

.

.

Het Romeinse bestuurssysteem wijzigt zich en binnen de samenleving ontstaan er conflicten. Hoe komt er een einde aan het koninkrijk Rome? Hoe wordt het bestuur in de ­Romeinse republiek georganiseerd? Welke problemen bestaan er tussen de ­verschillende bevolkingsgroepen in Rome?

.

18

De Romeinse republiek

republiek: staat waar het hoogste gezag in handen is van een verkozen president pontifex maximus: de opperpriester dictator: een uitzonderlijk door de senaat benoemde magistraat die tijdelijk buitengewone macht krijgt magistraat: (in het oude Rome) bestuurder

D HET ROMEINSE RIJK

77


problemen niet op. Wie consul wil worden, moet eerst heel wat andere ambten bekleden. Die zijn niet bezoldigd. Om verkozen te worden, een verkiezingscampagne te voeren en stemmen te kopen heb je veel geld nodig. Enkel rijke plebejers kunnen dat betalen. De rijke plebejers met hoge functies vergeten de wensen van het gewone volk snel. Zo ontstaan er nieuwe problemen tussen de nobiles (patriciërs en rijke plebejers) en de proletariërs (het gewone volk). Uiteindelijk veroorzaken die burgeroorlogen.

KENNEN

burgeroorlog: een oorlog waarbij de strijdende partijen deel uitmaken van hetzelfde land

pl aa

KUNNEN

r

1 de begrippen ‘republiek’, ‘consul’, ‘pontifex maximus’, ‘vetorecht’, ‘nobiles’ en ‘proletariërs’ uitleggen 2 het einde van het koninkrijk uitleggen 3 vijf verschillen tussen het koninkrijk en de republiek opsommen 4 het ontstaan van het koninkrijk en de republiek in de tijd situeren 5 de vijf taken van de senaat tijdens de republiek opsommen 6 twee taken van de volksvergadering tijdens de republiek opsommen 7 de politieke gelijkheid tussen patriciërs en plebejers in de tijd situeren

1 het bestuur van de Romeinse republiek in een schema weergeven 2 uit een tijdlijn de politieke strijd van de plebejers afleiden

BRON 1 De volksvergadering

BRON 2 Het bestuur tijdens de republiek

em

In de volksvergadering mochten de mannelijke Romeinse burgers komen stemmen over wetsvoorstellen. Die vergadering kon alleen bij elkaar worden geroepen door bepaalde magistraten. Gewone burgers konden zelf geen voorstel indienen. Ze konden enkel een wetsvoorstel van een magistraat aanvaarden of verwerpen, niet aanpassen. De stemming was niet per ‘hoofd’, maar per ‘groep’ (centurie). De centuriën bevatten niet allemaal evenveel mensen. Er waren veel (ongeveer 80) centuriën van zeer rijke burgers – ook al waren er in totaal niet zo veel rijke burgers. Van de lagere klassen, die in totaal uit veel meer burgers bestonden, waren er slechts zo’n 20-30 centuriën. Aangezien elke centurie in totaal voor één stem telde in de hele vergadering, wonnen de rijke burgers dus de stemmingen.

ki

VERKIEZING

jk ex

DE REPUBLIEK (vanaf 509 v.C.)

twee consuls (één jaar)

= opperpriester = bestuur = opperbevel advies buitenlandse politiek senaat (300 leden)

In

• Leg in je eigen woorden uit waarom Romeinse burgers niet evenveel macht hadden in de volksvergadering. • Geef twee verschillen met de werking van onze huidige democratie. • Juist of fout? ‘De volksvergadering kon zelf nieuwe wetten maken.’ • Voor welke burgers zou het moeilijk zijn geweest om te gaan stemmen?

78

LES 18 DE ROMEINSE REPUBLIEK

pontifex maximus

veiligheid financiën openbare werken

volksvergadering

• • • • • •

oorlog en vrede

Welke bestuursinstellingen bestonden er tijdens de republiek? Wie heeft de meeste macht? Hoe kun je dat op het schema zien? Welke taak heeft de senaat? ‘De senaat maakt de wetten.’ Juist of fout? Welke taak heeft de volksvergadering? Met welke Griekse polis stemt de Romeinse republiek het meest overeen: Athene of Sparta? Geef twee gelijkenissen.


BRON 4 Enkele datums uit de strijd om gelijkheid tussen ­patriciërs en plebejers 498 494 486

Uit: Titus Livius, Ab urbe condita, II 23, 1-2 De geschiedkundige Livius (59 v.C.-17 n.C.) behoort tot de vriendenkring van Augustus. In zijn werk wil hij de grootheid van Rome aantonen en de oude deugden ophemelen.

Het plebs trekt zich terug op de Heilige Berg en verkrijgt twee volkstribunen. Spurius Cassius, die een akkerwet ten gunste van het volk voorstelt, wordt van de Tarpeïsche rots geworpen.

451

De decemviri stellen de Wet der Twaalf Tafelen op.

421

Plebejers mogen ook quaestor worden.

367

Het consulaat wordt toegankelijk voor plebejers.

366

Lucius Sextius is de eerste plebejer die consul wordt.

356

Plebejers mogen ook dictator worden.

351

Plebejers mogen ook censor worden.

337

Plebejers mogen ook praetor worden.

305

Plebejers mogen ook aediel worden.

300

Plebejers mogen ook hogepriester worden.

em

• Wie is niet tevreden? Waarom niet? • Wie bedoelen ze met ‘onze medeburgers’? • Wat zullen de plebejers vragen, denk je?

Opstand van het plebs

r

Maar er dreigde niet alleen een oorlog met de Volsci. De burgers waren in conflict met elkaar; onderlinge meningsverschillen tussen de patriciërs en de plebejers waren uitgebarsten in een golf van haat. (…) (De plebejers) klaagden luid dat zij tot slavernij waren gebracht en onderdrukt werden door hun medeburgers, terwijl ze in het buitenland vochten voor de vrijheid en voor het rijk. Ze zeiden dat de vrijheid van de plebejers veiliger was tijdens de oorlog dan in vredestijd, en veiliger te midden van vijanden dan te midden van medeburgers.

pl aa

BRON 3 Klacht van de plebejers

287

De besluiten van de volksvergadering worden rechtsgeldig.

In

ki

jk ex

• Hoe weten we dat de datums altijd in de periode v.C. liggen? • Hoeveel jaren verlopen er ongeveer tussen de eerste en de laatste toegevingen van de patriciërs? Gaat het moeilijk of gemakkelijk? • Toon aan dat de patriciërs, zeker in het begin, niet graag toe­ gevingen doen. • Vanaf welk ogenblik raken de zaken duidelijk in een stroom­ versnelling? Waarom?

BRON 5 Een slimme jongeman uit een rijke familie diende normaal gesproken in het leger te blijven tot hij ver in de twintig was. Dan stelde hij zich verkiesbaar als quaestor (beheerder van de financiën). Later kon hij aediel worden (hoofd van politie, openbare gezondheidszorg of de openbare spelen) of tribuun (gekozen om de rechten van de plebejers te beschermen). Als hij tegen de veertig liep, stelde hij zich verkiesbaar als praetor (rechter en generaal) en als hij vooraan in de veertig was, kon hij een van de twee consuls worden. Geen enkel ambt werd bezoldigd. • Wat betekent ‘de ambten waren niet bezoldigd’? • Om verkozen te worden moet men elke keer opnieuw een verkiezingscampagne voeren. Wie slaagt er dan in om de sociale ladder te beklimmen en waarom? Wie wordt er in feite uitgesloten? • De opeenvolging van ambten die een Romein moet doorlopen om consul te kunnen worden, heeft wel één groot voordeel. Welk?

D HET ROMEINSE RIJK

79


Rome wordt meester in Italië

Rome breidt zijn macht uit in Latium. Het voert oorlog tegen Latijnse en Etruskische steden. De stadstaat heeft echter niet altijd succes: omstreeks 390 v.C. veroveren Galliërs (Kelten) Rome voor een korte tijd. Maar de Romeinen herstellen zich van die nederlaag en onderwerpen de meeste Latijnse steden. De inwoners van sommige van die steden krijgen het Romeinse burgerrecht. Daardoor hebben ze evenveel rechten en plichten als de oorspronkelijke Romeinen. Die veroveren ook de Griekse kolonies in Zuid-Italië. Omstreeks 270 v.C. regeert Rome over heel Italië ten zuiden van de rivier de Po. BRON 5

ki

2

De Middellandse Zee wordt een Romeinse zee

In

Volgens de mythe stichten Feniciërs de stad Carthago in 814 v.C., op de noordkust van Afrika. Carthago groeit uit tot een machtige handelsstad. Rome en Carthago voeren tussen 264 v.C. en 146 v.C. drie keer oorlog met elkaar. In de geschiedenis zijn ze gekend als de Punische oorlogen. Tijdens de eerste Punische oorlog vechten de twee partijen voor de controle over Sicilië. Rome wint de harde oorlog en verwerft de eerste gebieden buiten Italië. Tijdens de tweede Punische oorlog brengt de beroemde Carthaagse generaal Hannibal de Romeinen verschillende zware nederlagen toe. Bij Cannae wordt het Romeinse leger verpletterend verslagen: in één BRON 1-2-3

80

.

.

v. C

r

v. C

6

9

14

v. C 1 20

14

3e PUNISCHE OORLOG

dag sneuvelen er 50 000 Romeinse soldaten! Dankzij de steun van hun bondgenoten in Midden-Italië wint Rome uiteindelijk ook deze oorlog. Intussen verovert een Romeins leger onder leiding van Scipio het Carthaagse gedeelte van Spanje. In 201 v.C. sluit Carthago voor de tweede maal vrede met Rome. Tijdens de derde Punische oorlog verwoesten de Romeinen Carthago volledig. Het gebied wordt in 146 v.C. bij Rome ingelijfd als de Romeinse provincie ‘Africa’. Rome is aardig op weg om de grootste militaire en economische macht te worden in het Middellandse Zeegebied. Het beschikt over het best georganiseerde leger van die tijd. De Romeinse bevolking is echter oorlogsmoe. Soldaten keren naar Italië terug en vinden hun akkers er meestal totaal verwaarloosd terug. Vaak zijn ze zo ontmoedigd dat ze alles in de steek laten en werk zoeken in de steden. Voor vele Romeinen breken moeilijke tijden aan.

em

provincia: een veroverd gebied buiten Italië; heeft meestal de betekenis van een wingewest

1

2e PUNISCHE OORLOG

jk ex

Punisch: naar de Latijnse benaming voor Feniciërs en ­Carthagers. ­Romeinen ­noemen de ­Carthagers ‘Poeni’

pl aa

ROME VEROVERT ITALIË 1e PUNISCHE OORLOG

.

. 8 21

1 24

v. C

v. C

. v. C

. 26

2 27

4

v. C

v. C 3 34

.

De Romeinse republiek groeit uit van een kleine stadstaat tot een rijk. Hoe gebeurt dat? Hoe verwerft een stad als Rome zo’n enorm rijk? Hoe slaagt Rome erin om al die veroverde gebieden blijvend te controleren?

.

19

Rome wordt machtig

LES 19 ROME WORDT MACHTIG

3

Verdeel en heers

BRON 4 Een veroverd gebied buiten Italië wordt een ‘provincia’ van Rome genoemd. De verschillende stammen en steden in een gebied krijgen een verschillende behandeling: sommige krijgen veel vrijheid en voordelen; andere worden volledig onderworpen en moeten bijvoorbeeld zware ­b elastingen betalen. Als je trouw blijft aan Rome, krijg je misschien meer voordelen of meer vrijheid. Het verschil in behandeling en de mogelijkheid om beloond te worden, zorgen ervoor dat de meeste


veroverde gebieden Rome blijven gehoorzamen. De verschillende steden of stammen zijn dikwijls ook jaloers op elkaar. Als er ergens een opstand uitbreekt, zijn er altijd groepen, steden of stammen die trouw blijven aan Rome. De Romeinen zaaien dus eerst verdeeldheid in een gebied en treden vervolgens op als scheidsrechter die straft en beloont. De veroverde gebieden zijn verplicht troepen te leveren en belastingen te betalen. In ruil daarvoor krijgen ze bescherming. Rome heeft een goed getraind leger, verspreid over het hele rijk. Een uitgebreid net van heerbanen maakt een snelle verplaatsing van de legertroepen mogelijk. Al die maatregelen voorkomen dat plaatselijke opstanden zich uitbreiden. Via de heerbanen is er bovendien veel handelsactiviteit en komen mensen in contact met elkaar.

KENNEN 1 2 3 4 5

uitleggen hoe Rome meester wordt in Italië de oorzaak van de Punische oorlogen verklaren de afloop van de drie Punische oorlogen uitleggen het verdeel-en-heersprincipe van de Romeinen uitleggen vier manieren geven waarop Rome de overwonnen gebieden overheerst

KUNNEN 1 het verloop van de tweede Punische oorlog op een kaart aanduiden 2 aan de hand van een schema en geschreven bronnen de verdeel-en-heerstactiek uitleggen

em

pl aa

r

heerbaan of heirbaan: stevig aangelegde stenen wegen die de meeste delen van het Romeinse Rijk met elkaar verbinden (voor de handel en vlotte verplaatsing van legertroepen)

BRON 1 De tochten van Hannibal (2e Punische oorlog, 218-201 v.C.)

Py

ren

jk ex

en Alp Ticino (218 v.C.)

bij de Metarus Hasdrubal (207 v.C.)

Trebia (218 v.C.)

eeë

n

ki

Capua

In Carthaagse overwinning Romeinse overwinning

n

isc

he

Ze

e Cannae (216 v.C.)

SARDINIË

Middellandse Zee Sci p

tocht van Scipio ‘Africanus’, Romeins veldheer

ne

tocht van Hannibal

nij

Rome

Saguntum (219 v.C.)

Cartagena

iat

en

CORSICA

Ad r

Ap

Trasimeense Meer (217 v.C.)

s’ (204 v.C.) icanu ‘Afr o i Carthago Zama (202 v.C.)

0

SICILIË

Syracuse (212 v.C.) 500 km

• Beschrijf de tocht van Hannibal met je eigen woorden. • Welk gebergte steekt hij over om in Italië te geraken? • Verklaar waarom het Romeinse gezegde ‘Rome verliest weleens een veldslag, maar nooit een oorlog’ hier zeker van toepassing is.

D HET ROMEINSE RIJK

81


BRON 2 Capena (Latium), 3e eeuw v.C., Villa Giulia, Rome

BRON 3 Marcus Porcius Cato Maior (234-149 v.C.) zag de hernieuwde bloei van Carthago na de tweede Punische oorlog met lede ogen aan. De Carthaagse landbouw beconcurreerde de landbouwproductie van de grote Romeinse landheren waartoe Cato behoorde. Hij eindigde daarom elke toespraak in de senaat, om het even wat het onderwerp was, met de woorden: ‘Ceterum censeo Carthaginem esse delendam.’ (Vertaling: ‘Overigens ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden.’) Tijdens de derde Punische oorlog (149-146 v.C.) verwoesten de Romeinen het zwakkere Carthago en vervangen het door een Romeinse kolonie.

• De Romeinen lijden aanvankelijk nederlagen tegen de Griekse koning Pyrrhos (280-275 v.C.) en de Carthaagse aanvoerder Hannibal (2e Punische oorlog, 218-201 v.C.). Deze plaat toont een van de oorzaken. Verklaar. • Met welk hedendaags wapen zou je dit strijdmiddel kunnen vergelijken?

r

• Welke tactiek gebruikt Cato om de senatoren aan het bestaan van Carthago te ­herinneren? • Bewijs dat Cato zich door eigenbelang laat leiden.

pl aa

BRON 4 DIVIDE ET IMPERA

DIVIDE ET IMPERA politiek

recht om te kiezen recht om verkozen te worden

ROMEINS RECHT

eigendomsrecht huwelijksrecht

volledig

jk ex

kolonies

gedeeltelijk

volledig

em

privaat

steden met Latijns recht (geen politieke rechten)

geen

geen

onderworpen steden geen zelfbestuur

ki

verbonden steden zelfbestuur

bevoorrechte steden

In

kunnen bevorderd of gedegradeerd worden

• Rome probeert opstanden in de veroverde gebieden te voorkomen. Dat lukt aardig. Het geheim zit hem onder andere in de behandeling van die gebieden. Het schema vat die behandeling samen. Leg het met je eigen woorden uit. BRON 5 Hoe Rome koloniseerde in Latium (303 v.C.) Tijdens (...) werd er geen oorlog gevoerd buiten de grenzen. Het was bijna helemaal rustig. In Sora en Alba stichtte men kolonies. Voor Alba, bij de Aequen, lieten zich 6 000 kolonisten inschrijven. Sora maakte deel uit van het land der Volscen, maar de Samnieten hadden het bezet; men zond er 4 000 man naartoe. Hetzelfde jaar verleende men het burgerrecht aan de Arpinaten en Trebulanen. De ­Frusinaten verloren een derde van hun land omdat men tot de bevinding was gekomen dat zij de Hernici tot opstand hadden aangespoord: de leiders van die samenzwering werden na onderzoek van de consuls op last van de senaat, met stok- en bijlslagen gestraft. Uit: Titus Livius, Ab urbe condita, X, hoofdstuk 1 De schrijver Livius (59 v.C.-17 n.C.) is van rijke afkomst. Met zijn werk over de geschiedenis van Rome wil hij de Romeinen trots maken op hun rijk. Livius is bevriend met keizer Augustus, maar heeft een voorkeur voor de Republiek. • Haal uit de tekst twee feiten die aantonen dat Rome het ‘verdeel-en-heersprincipe’ toepaste in de veroverde gebieden.

82

LES 19 ROME WORDT MACHTIG


v. C 1 12

v. C 3 13

.

.

r .

.

v. C

6

9

14

1

20

2e PUNISCHE OORLOG

14

v. C

v. C

pl aa

ROME VEROVERT ITALIË 1e PUNISCHE OORLOG

.

.

8 21

1 24

v. C

v. C

. v. C

. 26

2 27

4

v. C

v. C 3 34

.

Rome heeft zijn macht door de Punische ­oorlogen gevoelig uitgebreid. De stad groeit van een boerengemeenschap uit tot de belangrijkste handelsstad in het Middellandse Zeegebied. Kan iedereen evenveel van die evolutie ­profiteren? Wat zijn de socio-economische en politieke gevolgen van de veroveringen?

.

20

De veroveringen veranderen de Romeinse samenleving

3e PUNISCHE OORLOG

1

De kleine boer in Italië gaat ten onder

em

dood Tiberius Gracchus dood Gaius Gracchus

In

ki

jk ex

BRON 1 De gewone Romeinse boer wint weinig met de Punische oorlogen. Hij moet gaan vechten en tijdens de veldtochten kan hij zijn akkers niet bewerken. Bovendien verhoogt Rome dikwijls de belastingen om de oorlogen te betalen. Na de oorlogen verbetert de toestand van de boer niet: hij kan niet concurreren met de goedkope landbouwproducten die vanuit de veroverde gebieden worden ingevoerd. Vele kleine, vrije boeren verkopen hun boerderijtje en zoeken ander werk in de steden. Ze trekken vooral naar Rome. Rijke Romeinen kopen kleine boerderijen op en voegen ze samen tot latifundia, grote landbouwbedrijven. Daarop werken zeer veel slaven die grote hoeveelheden olijven, druiven en graan moeten telen.

De proletariërs zijn echter niet machteloos. De arme plebejers mogen ook stemmen. Doordat de proletariërs met zeer velen zijn, vrezen de rijken hen. Om opstanden te voorkomen geeft de staat hen gratis of goedkoop graan. Om hen bezig te houden organiseert ze ook allerlei spektakels (wagenrennen, gevechten ...). Zo wordt de kleine boer een arme stedeling die leeft van ‘brood en spelen’.

2

In Rome neemt de tegenstelling tussen arm en rijk toe

In Rome vinden de vroegere kleine boeren weinig of geen werk. Ook daar werkt men liever met goedkope slaven. Rome wordt een stad met zware sociale tegenstellingen. De nieuwkomers vormen samen met de arme plebejers een grote groep van bezitlozen of proletariërs. Daartegenover staat een kleine groep van rijken: patriciërs en rijke plebejers. Ze vormen de nobilitas. Een andere machtige kleine groep zijn de ‘ridders’ (equites). Zij verdienen geld met handel en bankzaken. BRON 2-3

3

De Gracchen proberen de boerenstand te herstellen

BRON 4 -5 - 6 De volkstribuun en rijke plebejer Tiberius Gracchus probeert met een landwet de landbouwgrond te herverdelen onder de armen. Hij weet dat dit op hevig verzet van de senaat zal stuiten; de meeste senatoren zijn immers grootgrondbezitters. Tiberius is razend populair bij het gewone volk. Zijn tegenstanders in de senaat laten hem echter vermoorden. Tien jaar later probeert zijn broer Gaius Gracchus wraak te nemen op de senaat en zijn werk verder te zetten. Als volkstribuun lanceert hij drie wetten: de eerste geeft land aan de armen, de tweede zorgt voor goedkoop graan en de derde maakt de militaire dienst voor het gewone volk draaglijker (o.a. geen legerdienst onder 17 jaar, uitrusting betaald door de staat). Gaius probeert ook de ridders aan zijn kant te krijgen door hen rechterlijke macht te geven, in plaats van de senatoren. Hij verliest echter veel steun van het volk omdat hij in ruil voor grond voordelen wil geven aan buurvolkeren van Rome. Ook Gaius wordt omgebracht.

D HET ROMEINSE RIJK

83


4

Een nieuwe politieke strijd: optimates tegen populares

KENNEN

Na de dood van de Gracchen ontstaan er twee politieke kampen: de ‘populares’ en de ‘optimates’. De ‘populares’ of de volkspartij zijn politici die de volks­vergadering alle macht willen geven. De ‘optimates’ daarentegen willen dat de macht bij de senaat blijft. Beide groepen willen zo veel mogelijk macht voor zichzelf. Rome wordt ondergedompeld in een eeuw van bloederige burgeroorlogen tussen beide kampen. De strijd tussen beide partijen laait hevig op in de 1e eeuw v.C.

1 de begrippen ‘latifundia’, ‘proletariër’, ‘patriciër’, ‘plebejer’, ‘nobilitas’, ‘optimates’, ‘populares’ en ‘populist’ uitleggen 2 uitleggen waarom de kleine boeren in de problemen komen tijdens en na de Punische oorlogen 3 het ontstaan van de proletariërs verklaren 4 drie voorstellen van de Gracchen opnoemen 5 de optimates met de populares vergelijken

KUNNEN

pl aa

r

1 informatie uit bronnen halen 2 een auteur en een bron beoordelen 3 een historisch vraag over de gebroeders Gracchus formuleren 4 bronnen met elkaar vergelijken 5 actuele voorbeelden van populisten geven

BRON 2

em

BRON 1

In

ki

jk ex

Op een dag gebeurde het in Rome dat een oude man die er erbarmelijk uitzag zich het forum opsleepte. Zijn kleren waren overdekt met vuil; nog vreselijker zag zijn bleke, uitgemergelde lichaam eruit. Een lange baard en lange losse haren gaven aan zijn gezicht een wilde aanblik. Ondanks zijn vervallen uiterlijk werd hij herkend; men zei dat hij onderofficier was geweest en dappere daden had verricht. Zelf ontblootte hij met trots zijn borst en toonde zijn littekens, die van vele eervolle gevechten getuigden. Hij vertelde dat hij in de oorlogen had gediend, dat zijn hoeve was verbrand en zijn vee door de vijand was weggedreven, dat hij leningen had moeten aangaan, die door rente op rente nog hoger waren geworden, zodat ze de rest van zijn vermogen hadden opgeslokt. Ten slotte had een verterende ziekte zijn lichaam aangetast. Zijn schuldeisers hadden hem toen naar een tuchthuis gebracht, waar hij dwangarbeid moest verrichten. Nu toonde hij zijn rug, die misvormd was door de sporen van gesel­slagen. Toen de mensen dat zagen, ging er een kreet van afschuw op. Heel de stad werd onrustig. Allen die door schuld in moeilijkheden waren, stroomden de straat op en smeekten hun medeburgers om hulp. Uit: Titus Livius, Ab urbe condita, II, 23 De schrijver Livius (59 v.C.-17 n.C.) is van rijke afkomst. Met zijn werk over de geschiedenis van Rome wil hij de Romeinen trots maken op hun rijk. Ze moeten de oude Romeinen als voorbeeld nemen. Hij wil eerder een mooi verhaal brengen dan een gedetailleerde beschrijving van de gebeurtenissen. Livius is bevriend met keizer Augustus, maar heeft een voorkeur voor de Republiek. • In welke toestand verkeert de man in deze tekst? • Waar ligt het begin van al zijn problemen? Bewijs. • Is dit een primaire of een secundaire bron? Leg uit.

84

LES 20 DE VEROVERINGEN VERANDEREN DE ROMEINSE SAMENLEVING

Niet van het begin af was ik de buurman van een rijkaard. Rond mij heen bevonden zich de goederen van vele inwoners van gelijke stand, die als goede buren leefden en ieder voor hun eigen gebruik een klein stuk land bebouwden. Hoe anders is het nu ... De grond die eens het bestaan verzekerde van al deze burgers is nu een latifundium geworden: het hoort aan één rijke man toe. Zijn bezit deinde naar alle richtingen uit. De boerenhofsteden die het opslokte werden gesloopt en de heiligdommen van de voorvaderen verwoest. De eigenaars van weleer hebben de beschermgod van hun haardsteden moeten verlaten, zij zijn weggetrokken met vrouw en kroost. Nu ligt de wijde vlakte stil en verlaten. Overal sluit de rijkdom me in als een muur: hier ligt de tuin van de rijkaard, daar zijn akkers, hier zijn wijnbergen, ginds zijn weiden en bossen ... Een anonieme auteur uit de 2e of 3e eeuw, wiens werk later foutief werd toegeschreven aan de Romeinse redenaar Quintilianus. • De tekst valt in twee delen uiteen. Welke? • Welke situatie vindt de schrijver de beste? Bewijs. • Voelt hij zich er nog thuis? Bewijs. • Waar zijn de vroegere buren naartoe, denk je?


BRON 3 Vandaag hebben bijna alle gezinshoofden haastig een toevlucht gezocht binnen de (stads)muren en ze hebben de sikkel en de ploeg achtergelaten. Ze houden zich liever bezig in het theater en het circus dan op de graanvelden en in de wijngaarden. Daarom komt het graan dat wij opslaan en waarmee we ons voeden uit Afrika en Sardinië. Daarom kruiden wij (onze) wijn die met ­schepen van de eilanden Kos en Chios komt. Uit: M.T. Varro, De re rustica, II, inleiding Marcus Terrentius Varro (116-26 v.C.) wordt weleens de grootste geleerde van de Romeinse oudheid genoemd. Zijn geschrift over de landbouw vormt een belangrijke bron voor de agrarische t­ oestanden in de 1e eeuw v.C.

pl aa

r

• Welke gevolgen heeft de plattelandsvlucht? • Vergelijk bron 3 met bronnen 1 en 2. Vat elke bron met je eigen woorden samen. Spreken de bronnen elkaar tegen of niet? Motiveer je antwoord. • Zoek in een naslagwerk of tijdschrift informatie over de plattelandsvlucht in India of een ander derdewereldland (in de hedendaagse tijd).

BRON 4

em

De gebroeders Tiberius en Gaius Gracchus, leden van een oud Romeins geslacht, trekken zich het lot van de armen aan. Zij proberen als volkstribuun de macht van de nobiles te breken. Tiberius Gracchus wordt in 133 v.C. vermoord samen met 3000 aanhangers. Zijn jongere broer ondergaat in 121 v.C. hetzelfde lot. Hun maatregelen w ­ orden ingetrokken. Ploutarchos schrijft over de maatregelen van Gaius:

jk ex

‘Van de wetten die hij indiende om zijn populariteit bij het volk te vergroten en de senaat buitenspel te zetten was er een die betrekking had op de landbouw. Die ­verdeelde het land van de staat onder de arme burgers. Een andere wet ging over het leger. Die bepaalde dat soldaten van staatswege kleding kregen zonder dat er iets werd afgehouden van hun soldij en dat niemand jonger dan 17 jaar opgeroepen zou worden als soldaat. (…) Een andere wet had betrekking op de graanvoorraden en verlaagde de marktprijs van graan voor de armen.’ Uit: Ploutarchos, Parallelle levens, Gaius Gracchus, 5

Welk dubbel doel streeft Gaius na? Hebben de maatregelen enig effect gehad? Verklaar. Is dit een primaire of secundaire bron? Leg uit. Geef vijf kenmerken van de auteur. Welk doel heeft de auteur met zijn werk? Waarvoor moet je oppassen als je Ploutarchos als bron wilt gebruiken? Waarom zouden geschiedkundigen het werk van Ploutarchos toch als bron gebruiken? Welk beeld van Gaius Gracchus krijg je als je de bron leest? Waaruit blijkt dat Gaius volgens de schrijver ook aan zichzelf dacht?

In

• • • • • • • • •

ki

De Griek Ploutarchos (46-120) was rijk en had gestudeerd. Hij bekleedde in Griekenland belangrijke functies zoals priester van Apollo in Delphi. Hij verzorgde de contacten tussen Athene en Rome. Daar raakte hij in de gunst van de keizers Trajanus en Hadrianus. Hij bekleedde onder hen verschillende functies. Ploutarchos schreef biografieën van beroemde Grieken en Romeinen. Hij beschrijft hen zodanig dat ze als voorbeeld kunnen dienen voor zijn lezers en vermeldt enkel die feiten die daarvoor belangrijk zijn. Hij heeft ook een voorliefde voor sensationele details.

D HET ROMEINSE RIJK

85


BRON 5 De redenaar of orator (bronzen beeld, 1e eeuw v.C., Museo Archeologico Firenze)

BRON 6 … Gaius Gracchus, die zich populair had gemaakt als magistraat, stelde zich kandidaat voor volkstribuun. Hij was de jongere broeder van Tiberius Gracchus (…) Van het ogenblik dat hij verkozen was, begon hij acties tegen de senaat. Hij stelde voor dat er op kosten van de staat aan elke burger een maandelijkse bedeling van graan zou gebeuren. Dat was daarvoor niet de gewoonte geweest. Zo plaatste hij zich aan het hoofd van het gepeupel (…) Vlak daarna slaagde hij erin om zich voor een tweede keer te laten verkiezen (…) Nadat hij bij wijze van spreken het volk gekocht had, begon hij de ridders op te vrijen … Uit: Appianus van Alexandrië, Burgeroorlogen, boek I (1-3)

pl aa

r

De Griek Appianus (ca. 95-165) bekleedde belangrijke functies in Egypte en werd uiteindelijk een belangrijke advocaat in Rome. Hij schrijft een Romeinse geschiedenis. Zijn werk is niet chronologisch geordend, maar volgens de plaatsen waar iets gebeurd is. Zijn werk over de burgeroorlogen is het meest volledige verslag van die periode dat blijven bestaan is. Appianus verwijst nauwelijks naar de bronnen die hij gebruikt heeft. • • • •

em

Gaat het om een primaire of secundaire bron? Geef vier kenmerken van de auteur. Waarom zou men zijn werk belangrijk vinden? Bekijk opnieuw bron 4. Is Appianus kritischer dan Ploutarchos over Gaius Gracchus? Leg uit. • Waarin stemmen beide bronnen overeen? • Wat lijkt het belangrijkste doel van Gaius Gracchus geweest te zijn? • Formuleer een historische vraag over Gaius Gracchus die je met deze bronnen zou kunnen oplossen.

jk ex

Een redenaar of orator kan zeer goed speechen.

In

ki

• Het beeld toont de typische houding van een ­redenaar uit die tijd. Waarom moesten politici als de Gracchen goed kunnen spreken? • Schrijf zelf een korte rede (maximaal een bladzijde) waarin je het tragische lot van de Gracchen beschrijft en een gedenkteken voor hen eist. Breng je rede voor de klas.

86

LES 20 DE VEROVERINGEN VERANDEREN DE ROMEINSE SAMENLEVING

OPDRACHT Je zou de gebroeders Gracchus populisten kunnen noemen. Hieronder vind je twee definities. a Iemand die opkomt voor het volk en strijdt tegen een elite die veel macht heeft. Met de steun van het volk wil hij veranderingen doorvoeren. b Iemand die zich populair wil maken bij het volk door het te vleien en in alles gelijk te geven. Zo verwerft hij macht en invloed. De steun van het volk is belangrijker dan de inhoud van de boodschap. • Welke definitie geldt min of meer voor de gebroeders Gracchus? • Geef een voorbeeld van een hedendaagse populist. Dat mag zowel iemand zijn die beantwoordt aan definitie a als aan definitie b. Leg ook uit waarom je dat vindt.


.

.

r

v. C

v. C

27

pl aa

De burgeroorlog tussen Marius en Sulla brengt de republiek aan het wankelen

Tweede Slag bij Actium Triumviraat Caesar vermoord

minder succesvol. Hij wordt wel, tegen alle regels in, jaren na elkaar tot consul verkozen. Maar net als de Gracchen (zie les 20) weet hij geen landverdeling door te voeren. Hij slaagt er ook niet in om de Italische bondgenoten van Rome het burgerrecht te geven. In beide gevallen worden hij en de volkspartij tegengewerkt door de aristocratische senaat. In 91 v.C. komen de bond­genoten van Rome daarom in opstand. Die wordt pas bedwongen wanneer de senaat hun na een bloedige strijd het burgerrecht geeft. Onmiddellijk na die ‘bondgenotenoorlog’ wordt Rome opnieuw geconfronteerd met een buitenlandse bedreiging. Ditmaal is het Mithridates, de koning van een rijk in Klein-Azië, die een oorlog tegen Rome begint. Lucius Cornelius Sulla, een aanhanger van de senaat, wordt nu aangesteld om de strijd te voeren. Marius en zijn medestanders gaan daar niet mee akkoord. Terwijl Sulla tegen Mithridates vecht, vestigen zij in Rome een schrikbewind waarbij duizenden aanhangers van de senaatspartij worden vermoord. Het zal het begin zijn van een reeks van gewapende conflicten waarbij Romeinen tegen Romeinen vechten, Daarmee zijn de burgeroorlogen begonnen. Wanneer Marius sterft, keert Sulla naar Rome terug. Gesteund door zijn legers weet hij alle macht naar zich toe te trekken. Tussen 82 en 79 v.C. regeert hij officieel als ‘dictator’ over Rome. Hij vervolgt nu op zijn beurt de aanhangers van de populares. Ook herstelt hij (in naam) de macht van de senaat. In werkelijkheid ligt de macht in Rome vanaf dan bij de persoon of groep die het leger achter zich heeft. Niet langer de wet, maar de macht van de sterkste bepaalt het politieke leven in Rome.

em

1

KEIZERRIJK

Eerste Triumviraat

Bondgenotenoorlog Sulla

31

4

3

4

4

Marius

.

v. C

v. C 0 6

BURGEROORLOGEN

v. C

.

.

In de vorige les heb je geleerd dat de v­ eroveringen van Rome verregaande gevolgen hebben voor de Romeinse samenleving. Zowel op sociaal (arm tegen rijk) als op politiek vlak (populares tegen optimates) komt de bestaande situatie onder druk te staan. In de 1e eeuw v.C. neemt die druk nog toe. Uiteindelijk zal de Romeinse republiek zelfs ophouden te bestaan. Hoe is dat gebeurd? Wie heeft daarin allemaal een rol gespeeld? Wat komt er in de plaats van de republiek?

9 1 v 8 8 .C . v. C .

10

7

v. C

.

21

De burgeroorlogen

In

ki

jk ex

BRON 1-2 Tegen het einde van de 2e eeuw krijgt het groeiende Romeinse Rijk af te rekenen met enkele buitenlandse bedreigingen. Zo is er enerzijds de koning van Numidië (min of meer het huidige Algerije) die zich tegen Rome afzet. Anderzijds bedreigen enkele Germaanse stammen, de Cimbren en de Teutonen, de Romeinse provincies in Gallië. Onder druk van de populares benoemt de senaat in 107 v.C. Gaius Marius tot consul. Hij moet het rijk beschermen. Daarvoor heeft hij een sterk en groter leger nodig. Marius begint daarom soldaten te rekruteren onder de groeiende klasse van bezitlozen. Voor hen zijn een militaire carrière en het vooruitzicht op buit en beloning een ideale manier om aan hun armoedige bestaan te ontsnappen. De oprichting van een echt beroepsleger heeft echter verregaande gevolgen. De vroegere Romeinse soldaten kwamen uit de bezittende klassen. Zij vochten ter verdediging van hun eigen bezittingen en bovendien wilden zij niet té lang vechten omdat zij terug naar hun bezittingen wilden. De nieuwe militairen willen juist via het leger aan bezit geraken. Omdat een succesvolle aanvoerder hun dat kan bieden, zullen zij dan ook sneller naar hem luisteren dan naar de senaat. Zo begint het Romeinse leger meer een instrument te worden van ambitieuze generaals die streven naar meer macht dan een middel ter bescherming van de staat. Marius en zijn nieuwe legers boeken in elk geval succes. Zowel de Numidiërs als de Germanen worden verpletterend verslagen. Op politiek vlak is Marius

D HET ROMEINSE RIJK

87


Het optreden en ook de dood van Sulla maken geen einde aan de tegenstellingen binnen de Romeinse samenleving. Op dat moment krijgt Rome ook nog eens af te rekenen met nieuwe bedreigingen: piraten die de Middellandse Zee onveilig maken, Mithridates die opnieuw van zich laat horen, een slavenopstand in Zuid-Italië (onder leiding van Spartacus) en corrupte gouverneurs in enkele provincies. Een krachtig optreden is nodig. Enkele sterke persoonlijkheden zien nu hun kans om aan de macht te komen. De belangrijksten zijn Gnaeus Pompeius, Marcus Licinius Crassus en Gaius Julius Caesar. Aanvankelijk onderdrukken vooral Pompeius en Crassus de vijanden van Rome. Na de militaire successen vormen ze in 60 v.C. samen met Caesar, de nieuwe sterke man van de populares, een driemanschap of triumviraat dat het Romeinse Rijk zal besturen. Caesar krijgt de Gallische provincies toegewezen. Tussen 58 en 51 v.C. verovert Caesar vanuit die gebieden héél Gallië. Hij steekt zelfs de zee over en voert even strijd met de Britten. Zijn militaire successen doen zijn roem enorm toenemen. Ondertussen is Crassus gesneuveld tijdens zijn strijd tegen de Parthen, een Centraal-Aziatisch volk dat heerste over het huidige Iran. Zij zullen tot in de 3e eeuw n.C. een bedreiging blijven vormen voor het Romeinse Rijk.­ Pompeius vreest Caesar en zoekt toenadering tot de senaat. Hij wil vooral zijn eigen macht veiligstellen. De senaat wil in elk geval dat Pompeius afrekent met Caesar. Die verslaat echter Pompeius en vestigt een alleenheerschappij. De republiek lijkt nu voorbij. In 44 v.C. wordt Caesar door zijn tegenstanders in de senaat vermoord!

Marcus Antonius (een belangrijke medewerker van Caesar) en Gaius Octavianus (achterneef en adoptiefzoon van Caesar) slagen erin om de moordenaars van Caesar uit te schakelen. Samen met Marcus Aemilius Lepidus (een derde vertrouweling van Caesar) vormen ze in 43 v.C. een nieuw triumviraat. Lang houdt die samenwerking niet stand. Lepidus is politiek zwak en zal na verloop van tijd op een zijspoor worden gezet. Marcus Antonius, die over het oosten van het rijk heerst, sluit ondertussen een verbond met de Griekse koningin van Egypte, Cleopatra. Hij huwt haar zelfs. Rome ziet dat verbond als een bedreiging. Octavianus grijpt in en verslaat in 31 v.C. het koppel, dat kort daarna zelfmoord pleegt. Octavianus lijft vervolgens het rijke Egypte in bij het Romeinse Rijk. Hij controleert daardoor een nog groter geworden Romeins Rijk. Octavianus geeft ondertussen de macht officieel terug aan de senaat en herstelt daarmee de republiek. Dat is echter maar schijn. In werkelijkheid behoudt hij de macht. Niet alleen wordt hij erkend als princeps senatus (‘de eerste van de senaat’), maar in 27 v.C. krijgt hij van de senaat ook de eretitel Augustus (‘de verhevene’). Daarmee begint een nieuwe fase in de geschiedenis van Rome: het keizerrijk.

jk ex

em

pl aa

BRON 1-3

3

Met Octavianus begint het keizerrijk

r

2

Pompeius en Caesar geven de republiek de doodsteek

RANDINFO

In

ki

Crassus (ca. 114-53 v.C.) had als bijnaam Dives, ‘de rijke’. Hij was erg op geld belust en vergaarde tijdens zijn leven enorme rijkdommen. Alle manieren om daaraan te geraken waren voor hem geoorloofd: corruptie, afpersing, slavenhandel ... Volgens sommige antieke schrijvers zouden de Parthen daarom, nadat ze Crassus verslagen hadden, gesmolten goud in zijn mond hebben gegoten.

Cleopatra VII (69-30 v.C.) is waarschijnlijk een van de beroemdste of meest beruchte vrouwen uit de geschiedenis. Ze behoorde tot de Grieks-Macedonische Ptolemaeïsche dynastie die gesticht werd door een generaal van Alexander de Grote. Ze groeide op tegen de achtergrond van een machtsstrijd tussen familieleden om de Egyptische troon. Om te overleven wendde ze zich tot Caesar, met wie ze een verhouding zou hebben. Na zijn dood volgde een relatie met Marcus Antonius. Nadat die verslagen was en zelfmoord had gepleegd, maakte ze ook aan haar eigen leven een einde. Doorheen de geschiedenis is ze door vele kunstenaars, onder wie ook de Engelse dichter Shakespeare, voorgesteld als een machtsbeluste mannenverslindster. Hedendaagse historici proberen dat beeld de laatste jaren bij te stellen.

88

LES 21 DE BURGEROORLOGEN


KUNNEN

1 de begrippen ‘burgeroorlog’, ‘bondgenotenoorlog’ en ‘triumviraat’ uitleggen 2 uitleg geven bij de rol die deze figuren hebben gespeeld in deze periode: Marius, Sulla, Pompeius, Caesar, Marcus Antonius, Cleopatra en Octavianus 3 de aanleiding geven waarom Marius tot consul is benoemd 4 de verschillen tussen een beroepsleger en een burgerleger uitleggen 5 uitleggen waarom er onder Marius een burgeroorlog uitbreekt 6 uitleggen waarom er een tweede burgeroorlog uitbreekt 7 de afloop van de tweede burgeroorlog navertellen 8 de oorzaken en het verloop van de derde burgeroorlog geven

1 uitleggen waarom de motivatie van soldaten in een beroepsleger verschilt van die van een burgerleger 2 uitleggen waarom de oorzaken van de burgeroorlogen door de tijd heen veranderen 3 uit geschreven bronnen oorzaken van de burgeroorlogen afleiden 4 de uitbreiding van het Romeinse Rijk van een kaart afleiden

pl aa

In

ki

jk ex

em

BRON 1 Het Romeinse Rijk (100 v.C.-31 v.C.)

r

KENNEN

• Welke gebieden worden tussen het begin van de 1e eeuw v.C. en 31 v.C. door de Romeinen veroverd? • Welke veldheer heeft daarbij een belangrijke rol gespeeld? • Welk groot rijk grenst aan het Romeinse Rijk en zal geregeld een bedreiging vormen?

D HET ROMEINSE RIJK

89


BRON 2 Dadelijk maakte Sulla een lijst van 80 veroordeelden op, zonder deze aan de magistraat bekend te maken. Omdat dat algemene verontwaardiging uitlokte, liet hij een dag voorbijgaan en schreef hij er nog 220 anderen op, de derde dag opnieuw zoveel. Daarop sprak hij tot het volk en zei dat diegenen wier naam hij zich herinnerde nu opschreef en de anderen, wier naam hij vergeten was, later zou opschrijven. Wie een veroordeelde onderdak verschafte of het leven redde, zou met de dood bestraft worden, zelfs als het een broer, zoon of verwant was. Voor elke moord gaf hij een beloning van twee talenten (een geldbedrag), ook als een slaaf zijn heer en een zoon zijn vader ombracht. Het meest schreeuwende onrecht was hierbij dat de kinderen en de nakomelingen van de vogelvrijverklaarden (mensen die niet meer door de wet beschermd worden) van hun eer en hun goederen werden beroofd. De proscriptie (vogelvrijverklaring) bleef niet tot Rome beperkt, maar vond in alle steden van Italië plaats. Het aantal slachtoffers van haat en vijandschap was klein in vergelijking met het aantal onder hen die om hun rijkdommen werden vermoord. Uit: Ploutarchos, Parallelle levens, Sulla, 31

pl aa

r

Ploutarchos (46-120) was een Griekse geschiedschrijver die in de gunst stond van de Romeinse keizers Trajanus en Hadrianus. Zijn ‘Parallelle levens’ is een serie van biografieën van bekende figuren uit de Griekse en de Romeinse geschiedenis. Hij bespreekt ze in paren en zoekt naar overeenkomsten tussen beiden. Hij probeert enerzijds eerlijk te zijn en is redelijk geïnformeerd. Anderzijds heeft hij ook veel aandacht voor pittige details uit het persoonlijke leven en wil hij zijn lezers wijze lessen van deugd en moed bieden. De figuur van Sulla wordt naast die van de Spartaanse generaal Lysander (midden 5e eeuw v.C.-395 v.C.) geplaatst. Die laatste was een bekwaam, maar wreed bevelhebber. Ploutarchos wilde met zijn geschriften vooral wijze lessen van deugd en moed naar voren brengen. • • • • •

BRON 3

jk ex

em

Wat gebeurt er met de mensen die op de lijst komen? Wie stelt die lijst samen? Wat is een vogelvrijverklaarde? Waarom worden de meesten vermoord? Waarom noemen we de strijd tussen Marius en Sulla een burgeroorlog? Geef een recent voorbeeld van een burgeroorlog. • Waarom, denk je, heeft Plutarchus de figuur van Sulla naast die van Lysander geplaatst?

In

ki

Toch wegen andere woorden en daden van hem zo zwaar, dat de mening overheerst dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn absolute macht en terecht vermoord is. Immers, niet alleen aanvaardde hij overdreven eerbewijzen: een steeds verlengd consulaat, het ambt van dictator en censor voor het leven, daarbij de titel van ‘Imperator’, de toenaam ‘Vader des Vaderlands’, een standbeeld, en een ereplaats in het theater. Maar hij liet zich ook eerbewijzen toekennen die de menselijke maat te buiten gaan: een gouden zetel in het senaatsgebouw en op de rechtbank; een processiewagen en een draagbaar waarop zijn beeld prijkte tijdens de processie; en een maand die naar hem genoemd is. (...) Niet minder arrogant waren de uitspraken die hij in het openbaar deed. Hij zei dat de republiek niets voorstelde, een holle naam was zonder vorm of inhoud. Uit: Suetonius, De vita Caesarum, 121 Suetonius (ca. 75-150) was een Romeins historicus en ambtenaar. Hij werkte o.a. aan het hof van keizer Hadrianus (reg. 117-138). Daardoor had hij toegang tot veel archieven. ‘De vita caesarum’ (Over het leven van de keizers) is zijn bekendste werk. Het is een biografie van de eerste twaalf keizers van het Romeinse Rijk, van Caesar (officieel eigenlijk geen keizer) tot Domitianus (vermoord in 96). De levensbeschrijvingen zijn allemaal volgens hetzelfde stramien opgebouwd en vertonen soms een sterke overeenkomst. Verder besteedt Suetonius vooral aandacht aan anekdotes en pittige details en schandalen. • Is Suetonius een voor- of tegenstander van Caesar? Motiveer je ­antwoord. • Is er veel tijd tussen het gebeuren en het schrijven van de bron?

90

LES 21 DE BURGEROORLOGEN


1

mythische stichting

Octavianus wordt Augustus

organisatie van gratis spelen maakt dat niemand zich verveelt. Zijn aanhangers beloont hij met geld of politieke functies. Ook laat hij grootse bouwwerken uitvoeren, zoals theaters, aquaducten, monumenten en tempels. Daarbij worden veel werklozen ingezet. Augustus gebruikt de bouwprojecten om zichzelf te vereren. Literaire werken, munten en beelden dienen hetzelfde doel. Dankzij die propagandamiddelen verstevigt hij zijn heerschappij. Hij brengt rust, orde en welvaart in het Romeinse Rijk. Zijn tegenstanders heeft hij uitgeschakeld. De periode van binnenlandse spanning met bloedige burgeroorlogen is voorbij. De senaat is hem zo dankbaar voor alles dat ze hem de titel ‘pater patriae’ (vader des vaderlands) geeft.

76

autocratie: een regeringsvorm waarbij de macht wordt uitgeoefend door één persoon

In

ki

jk ex

BRON 1

4

r

14

HET KEIZERRIJK AUGUSTUS

em

Na zijn terugkeer in Rome bestuurt Octavianus het rijk met een grote sluwheid. In 27 v.C. herstelt hij na de burgeroorlogen de republiek. Hij geeft aan de senaat zijn taken terug. Octavianus weet dat de senaat vreest voor een nieuwe burgeroorlog. Die vraagt dan ook zoals verwacht aan Octavianus om het rijk te blijven besturen. De senatoren bieden hem zelfs twee titels aan: ‘princeps’ (eerste man) en ‘Augustus’ (‘verhevene’). Daarnaast noemt hij zich ook ‘caesar’, naar zijn adoptievader Julius Caesar. Augustus wil de republiek schijnbaar behouden. Maar in werkelijkheid vestigt hij een autocratie waarbij hij de touwtjes nog steeds in handen heeft. Hij laat de meeste instellingen en ambten bestaan, maar hij zorgt er wel voor dat hij de belangrijkste functies zelf inneemt. Zo is hij consul, volkstribuun voor het leven, ‘pontifex maximus’ … De senaat krijgt de macht over de rustige provincies. Augustus bestuurt zelf de onrustige provincies of grensprovincies en behoudt de leiding over het leger. Ook belangrijke provincies zoals Egypte blijven onder zijn gezag. Met deze handige en sluwe leider is het Romeinse keizerrijk geboren.

1

. 27

DE REPUBLIEK

pl aa

HET KONINKRIJK ontstaan Rome

v. C

v. C 9 50

10

0

75

0

3

v. C

v. C

.

.

Met Octavianus ontstaat de Romeinse keizertijd. Hij is de eerste echte keizer. Wat zijn de belangrijkste kenmerken van het bestuur van Octavianus? Hoe maakt Octavianus zich als alleenheerser populair bij de ­senaat en de gewone bevolking? Hoe slaagt ­Octavianus erin om het Romeinse Rijk te verdedigen?

.

22

Augustus, de eerste keizer

2

Augustus versterkt zijn macht

Om zijn macht te behouden gaat Augustus zeer doordacht te werk. Hij neemt populaire maatregelen om de bevolking te plezieren. Dankzij de grote opbrengsten uit Egypte kan hij regelmatig graan en soms geld uitdelen aan de armen in de stad. De BRON 1-2-3

3

Augustus kiest voor natuurlijke grenzen

Om de veiligheid in zijn rijk te garanderen kiest Augustus voor natuurlijke grenzen. In het westen en het zuiden vormen de Atlantische Oceaan en de woestijnen betrouwbare grenzen. Na een mislukte poging om Germania te veroveren, dienen de Rijn en de Donau als grenzen in het noorden. In het oosten bakenen de Eufraat, de Zwarte Zee en de Arabische woestijn het rijk af. De legioenen verdedigen de grenzen tegen invallers van buitenaf. Ook binnen het rijk blijft het vrij rustig. In rebelse provincies zijn legioenen aanwezig. Op de Middellandse Zee houdt een vloot voortdurend een oogje in het zeil. Keizer Augustus brengt vrede in het Romeinse keizerrijk. Het gaat om een ‘gewapende vrede’: de Romeinse legioenen zorgen voor vrede en veiligheid in het keizerrijk. BRON 2- 4

D HET ROMEINSE RIJK

91


KUNNEN

1 het begrip ‘autocratie’ uitleggen met voorbeelden 2 uitleggen waarom Octavianus zijn macht aan de senaat teruggeeft 3 uitleggen waarom de senaat steeds meer macht geeft aan Octavianus 4 de macht van de senaat en Augustus met elkaar vergelijken 5 uitleggen hoe Augustus zijn macht versterkt 6 uitleggen waarom Augustus voor natuurlijke grenzen kiest

1 uitleggen waarom je kunt zeggen dat Augustus de republiek afschaft, maar ze ook laat bestaan 2 geschreven bronnen met elkaar vergelijken en hun betrouwbaarheid inschatten 3 op een blinde kaart de natuurlijke grenzen van het Romeinse Rijk aanduiden

B

em

BRON 1 A

pl aa

r

KENNEN

Nadat hij het leger voor zich had gewonnen door geschenken, het volk door korenuitdelingen en iedereen door de zoete verlokking van rust, groeide zijn macht geleidelijk en trok hij de bevoegdheden van de senaat, van de overheidspersonen en van de wetten naar zich toe. Daarbij ontmoette hij van niemand tegenstand omdat de felste republikeinen gevallen waren, hetzij op het slagveld, hetzij door vogelvrijverklaring. Wie er van de adel overgebleven was, werd des te meer met rijkdom en erebaantjes beloond naarmate hij zich bereidwilliger toonde in dienstvaardigheid (…) Nu de nieuwe orde in de staat gevestigd was, bleef er begrijpelijkerwijs in geen enkel opzicht iets over van de vroegere ongerepte geest: afgedaan had de gelijkheid voor de wet en iedereen lette aandachtig op de bevelen van de vorst, waarbij men niets moest duchten voor het heden zolang Augustus, nog in de kracht van zijn jaren, zichzelf, zijn dynastie en de vrede handhaafde (…) Ongetwijfeld heerste er vrede, maar een bloedige.

In

ki

jk ex

Nadat ik de burgeroorlogen beëindigd had en toen ik met instemming van iedereen de hoogste macht in handen had, heb ik in mijn zesde en zevende consulaat het ­bestuur over de staat vanuit mijn macht weer overgedragen in handen van de senaat en het volk van Rome. Als dank voor deze weldaad heb ik bij senaatsbesluit de titel ‘Augustus’ gekregen, zijn van staatswege de deur­posten van mijn huis met lauriertakken versierd, is boven mijn deur de ‘burgerkroon’ bevestigd en is er een gouden schild in het senaatsgebouw van Julius geplaatst. De ­inscriptie op dit schild zegt dat het mij is aangeboden door de senaat en het volk van Rome vanwege mijn dapperheid, zacht­zinnigheid, rechtvaardigheid en plichtsbetrachting. Na dit tijdstip stond ik in invloed ver boven ieder ander, maar ik heb niet meer macht gehad dan de mensen die in de verschillende ambten mijn collega’s waren. Uit: Res gestae divi Augusti, 34 Augustus liet die zelfgeschreven propagandatekst over zijn daden verspreiden in alle provincies van het Romeinse Rijk.

92

LES 22 AUGUSTUS, DE EERSTE KEIZER

Uit: Tacitus, Annalen (jaarboeken), Boek I Publius Cornelius Tacitus (ca. 56-117) is de belangrijkste geschiedschrijver van zijn tijd. Omdat geschiedschrijving in de oudheid geldt als een vorm van literatuur, is stijl heel belangrijk. Alles wat de stijl van de tekst kan schaden, wordt aangepast of weggelaten. Bovendien is hij een aanhanger van de oude republiek. Toch geldt hij als een goed waarnemer. • Welke titel krijgt Octavianus van de senaat? • Waarom krijgt hij die titel? • Wie is de auteur van bron 1A, en wat is de functie of bedoeling van die bron? • Welk beeld schetst Augustus van zichzelf en hoe spreekt Tacitus dat tegen? • Welke bron is volgens jou het meest betrouwbaar?


BRON 2

BRON 3 A Keizer Octavianus of Augustus

r

Toen ik ‘princeps senatus’ was, heeft de senaat het heiligdom van Janus Quirinus drie keer laten sluiten. Onze voorouders wilden dat de deuren gesloten waren wanneer er in het hele rijk van het Romeinse volk, te land en ter zee, door overwinningen vrede heerste. Men zegt dat dit heiligdom tussen de stichting van Rome en mijn geboorte slechts twee keer gesloten is geweest.

B

pl aa

Uit: Res gestae divi Augusti, 13 • Wanneer worden de poorten van het heiligdom van Janus Quirinus gesloten? • Gebeurde dat vaak? Wat kun je daaruit afleiden over de tijd van Augustus?

• Octavianus voorgesteld als een ‘pontifex maximus’. Zoek dat begrip in je woordenlijst op. • Vergelijk bronnen 3A en B. Welke verschillen merk je in de houding van Octavianus?

jk ex

em

• Octavianus voorgesteld als een ‘imperator’. Zoek in je woordenboek op wat dat is. • Geef drie uiterlijke kenmerken die zijn macht uitdrukken.

BRON 4 Het Romeinse Rijk, 60 v.C.-14 n.C.

Rijn

GERMANEN

GALLIA

Donau

PANNONIA

AT MOESIA IA THRACIA

LM

Tiber

Rome

DA

HISPANIA

KA SP ISC

BOSPORAANS RIJK

ZEE HE

In

ATLANTISCHE OCEAAN

NOORDZEE

ki BRITTEN

ZWARTE ZEE

MA CE

ASIA

CAPADOCIA Ti gris

DO NI

M

ID

AFRICA IA

MIDDELLANDSE ZEE

Eufra at SYRISCHE WOESTIJN

SYRIA

A

NU

MAURETANIA

JUDEA

CYRENAICA

DE RO

veroveringen door Caesar (60-44 v.C.)

AEGYPTUS Ni jl

beschermde gebieden in 14 n.C.

E

ZE

Romeinse Rijk onder keizer Augustus (31 v.C. - 14 n.C.)

0

ve n IS e t r ude Kaa ARABISCHE in o s l WOESTIJN ta gro o ersie, v r ette de z 1000 km

• Welke natuurlijke grenzen had het Romeinse Rijk in 14?

D HET ROMEINSE RIJK

93


FLAVIËRS

pl aa

EERSTE KEIZERS

18

r

9

6

69

27

v. C

0

De Romeinse republiek houdt op te bestaan aan het einde van de 1e eeuw v.C. Keizers regeren vanaf dan over het groeiende rijk. Gedurende twee eeuwen veroveren de Romeinen onder hun leiding nog heel wat gebieden. In de 2e eeuw n.C. bereikt het Romeinse Rijk daardoor het toppunt van zijn macht. Wie zijn die succesvolle keizers? Welke gebieden weten zij te onderwerpen? Welke invloed hebben de Romeinen uitgeoefend op de veroverde gebieden?

.

23

De bloei van het Romeinse Rijk

ADOPTIEKEIZERS

dood Marcus Aurelius

In 14 n.C. overlijdt Augustus. Tijdens zijn leven heeft hij verschillende opvolgers aangewezen. Die zijn allemaal (in verdachte omstandigheden) vóór hem overleden. Uiteindelijk wordt hij opgevolgd door zijn stiefzoon Tiberius. Tiberius en zijn onmiddellijke opvolgers zijn allemaal familie van elkaar. Ze zijn echter geen al te beste heersers. Vooral Caligula en Nero staan in de geschiedenis bekend als erg bloeddorstige en zelfs gestoorde figuren. De senaat probeert daarom af en toe de republiek te herstellen. Die pogingen mislukken, vooral omdat de senaat onderling verdeeld is. Ondertussen groeit de macht van Rome. Alle landen rond de Middellandse Zee staan stevig onder Romeinse controle. Zonder te overdrijven spreekt men over het ‘Mare Nostrum’ (‘Onze Zee’). Ook economisch en cultureel bloeit het rijk. In 68 wordt keizer Nero vermoord. Na een korte machtsstrijd komt een andere familie aan de macht: de Flaviërs. BRON 1-2

ki

In 2

De Flaviërs breiden het rijk nog verder uit (69-96)

De eerste van de Flaviërs is Vespasianus. Hij krijgt af te rekenen met een opstand van Joden in Palestina. Samen met zijn zoon en opvolger Titus onderdrukt hij die opstand en verwoest hij in 70 Jeruzalem. In de Joodse geschiedenis is dit een van de grootste rampen. Ter nagedachtenis van die en BRON 3

94

nog andere overwinningen laten de Flaviërs belangrijke monumenten optrekken in Rome. Het meest bekende is het Colosseum, een gigantisch gebouw waar ter vermaak van de Romeinse bevolking bloedige gladiatoren­spelen worden georganiseerd. Tijdens de regering van Vespasianus’ tweede zoon, Domitianus, wordt de verovering van Brittannië voltooid. Domitianus zelf treedt echter in de voet­ sporen van Caligula en Nero. Hij vestigt een schrik­ bewind en wordt uiteindelijk ook vermoord.

em

1

De eerste keizers versterken de macht van Rome, maar zijn geen goede heersers

jk ex

imperialisme: het streven van een land naar uitbreiding van het grondgebied ten koste van andere landen of volkeren

LES 23 DE BLOEI VAN HET ROMEINSE RIJK

3

Onder de adoptiekeizers (96-180) bereikt de macht van Rome zijn hoogtepunt

De volgende keizers komen door adoptie op de troon. De heersende keizer zoekt tijdens zijn leven de best mogelijke opvolger en adopteert die. Op die manier komt de ‘Spanjaard’ Trajanus in 98 aan de macht. Hij is de eerste keizer die niet in Italië is geboren. Trajanus is een bekwaam bestuurder en militair. Hij breidt het rijk uit tot zijn grootste omvang. Zo verovert hij onder andere het huidige Roemenië. Die verovering heeft vandaag nog invloed. In Roemenië spreekt men tot op de dag van vandaag een Romaanse taal, het Roemeens. Na zijn dood komt er een einde aan het Romeinse imperialisme. De nieuwe keizer Hadrianus (reg. 117-138) zal geen nieuwe veroveringen doen. Hij geeft een aantal van de door Trajanus veroverde gebieden prijs en beslist om de grenzen van het rijk (limes) te beveiligen tegen invallen van buitenaf. In Brittannië laat hij zelfs een heuse muur bouwen die het huidige Schotland afscheidt van de rest van het eiland. Onder het BRON 1-3


herstellen. Ondertussen wordt het rijk ook getroffen door wat men later de ‘Antonijnse Pest’ of de ‘Plaag van Galenus’ heeft genoemd. Die pandemie heeft waarschijnlijk het leven gekost aan ongeveer 10 % van de Romeinse bevolking. Om welke ziekte het juist ging, is onderwerp van discussie. De meeste historici zijn het wel eens dat de pandemie een ontwrichtend effect moet hebben gehad op de Romeinse samen­ leving. Commodus (reg. 177-192), de zoon en opvolger van Marcus Aurelius, is veel minder bekwaam dan zijn vader en bovendien meer geïnteresseerd in het leiden van een luxeleven dan in een goed bestuur. Onder zijn bewind begint de macht van het Romeinse Rijk te wankelen en kondigt zich een lange periode van instabiliteit aan die bekend is geworden als ‘de crisis van de 3e eeuw’ (zie les 25).

pandemie: een epidemie op wereldwijde schaal

KENNEN

KUNNEN

1 informatie uit kaarten en teksten halen 2 kritisch nadenken over historische bronnen 3 informatie uit afbeeldingen afleiden

In

ki

jk ex

em

1 de begrippen ‘Mare Nostrum’, Flaviërs ‘adoptiekeizers’, ‘imperialisme’ en ‘Pax Romana’ uitleggen 2 uitleggen waarom de eerste keizers geen goede keizers zijn, maar de macht van Rome wel versterken 3 vier kenmerken van de Flaviërs opsommen 4 van de drie groepen keizers telkens één belangrijke keizer noemen

RANDINFO

pl aa

r

bewind van Hadrianus en zijn opvolger Antoninus Pius (reg. 138-161) kent het enorme rijk een periode van relatieve vrede en welvaart. De ‘Pax Romana’ (‘Romeinse Vrede’) is meer dan ooit een feit. De adoptiekeizers en vooral Hadrianus laten grootse werken uitvoeren die zowel de bevolking dienen als de macht van Rome en de keizer benadrukken. Men bouwt wegen, aquaducten, tempels, thermen, triomfbogen, erezuilen ... Er worden zelfs hele steden opgetrokken. Een aantal van die constructies behoort tot de belangrijkste uit de oudheid. Sommige kun je zelfs nu nog bewonderen. Voor het eerst in hun geschiedenis worden de Romeinen zelfs meer bewonderd en gerespecteerd dan gevreesd en gehaat. Keizer Marcus Aurelius (reg. 161-180) krijgt af te rekenen met invallen van buurvolkeren. Hij moet verschillende oorlogen voeren om de grenzen weer te

In het jaar 79 komt nabij Napels de vulkaan Vesuvius tot uitbarsting. Daardoor worden een aantal Romeinse steden verwoest. De belangrijkste van die steden is Pompeï, dat begraven wordt onder een metersdikke laag van asse en steen. Na de ramp trekken de overlevenden weg om zich elders te vestigen. Pompeï raakt vergeten. In de 18e eeuw wordt de stad echter opnieuw ontdekt en begint men ze langzaam op te graven. Pompeï blijkt een archeologische schatkamer te zijn en leert ons tot op heden heel veel over het (dagelijkse) leven van de Romeinen.

D HET ROMEINSE RIJK

95


BRON 1 Het Romeinse Rijk in zijn grootste omvang (117) • Noem één Europees, één Aziatisch en één Afrikaans land dat aan het begin van de 1e eeuw n.C. tot het Romeinse Rijk behoort. • Welke gebieden verovert Trajanus? • Welke gebieden worden na de dood van Trajanus opnieuw prijsgegeven? kalenden: eerste dag van de maand in de Romeinse kalender

BRON 2 A Over keizer Caligula en zijn dood

pl aa

r

in het begin

In

ki

jk ex

em

Hij was zo een gepassioneerde supporter van het groene team (bij het wagenrennen) dat hij voortdurend dineerde in hun stallen en er de nacht doorbracht, en tijdens een van zijn feesten met hen gaf hij de wagenmenner Eutychus twee miljoen sestertiën als geschenk. De dag voor de spelen stuurde hij zijn soldaten (naar de stallen) om de buurt stil te houden, zodat het paard Incitatus niet gestoord zou worden. Naast een marmeren stal, een voederbak van ivoor, purperen dekens en een halsband van dure edelstenen gaf hij dit paard zelfs een eigen huis, een groep slaven en meubels (…); en er wordt zelfs gezegd dat hij plannen had om het (paard) consul te maken. (…) Op de negende dag voor de kalenden van februari rond het zevende uur twijfelde hij of hij zou opstaan voor het middageten omdat zijn maag nog steeds overhoop lag van het overdadige eten van de vorige dag, maar uiteindelijk stond hij op na het aandringen van zijn vrienden. In de overdekte gang door welke hij moest passeren waren sommige jongens van goede komaf die (…) waren opgeroepen om toneel te spelen, hun rol aan het voorbereiden. Hij stopte om te kijken en hen aan te moedigen. Vanaf dit moment zijn er twee versies van het verhaal: sommigen zeggen dat, terwijl hij aan het praten was met de jongens, Chaerea achter hem verscheen en hem een diepe wonde toebracht in de nek na eerst ‘Pak aan’ te hebben geroepen en dat vervolgens de tribuun Cornelius Sabinus, die de andere samenzweerder was, Gaius (Caligula) aankeek en hem in de borst stak. Anderen zeggen dat Sabinus, na het gezelschap te hebben laten wegsturen door een aantal centurions die ook in het complot zaten, naar het wachtwoord vroeg, en wanneer Gaius ‘Jupiter’ antwoordde, hij schreeuwde ‘zo zal het zijn’ en terwijl Gaius rondkeek, hij diens kaakbeen splijtte met een houw van zijn zwaard. Terwijl hij op de grond lag en met kronkelende ledematen aangaf dat hij nog steeds leefde, brachten de anderen hem dertig wonden toe; (…) Sommigen staken hun zwaarden zelfs in zijn genitaliën. (…) Met hem stierf ook zijn vrouw Caesonia, door een centurion doodgestoken met zijn zwaard, terwijl de hersenen van zijn (driejarige) dochter tegen een muur te pletter werden geslagen. Uit: Gaius Suetonius Tranquillus, Caligula, in: Over de levens van de keizers, ca. 121 Suetonius (ca. 75-150) was een Romeins historicus en ambtenaar. Hij werkte o.a. aan het hof van keizer Hadrianus (reg. 117-138). Daardoor had hij toegang tot veel archieven. ‘De vita caesarum’ (Over het leven van de keizers) is zijn bekendste werk. Het is een biografie van de eerste twaalf keizers van het Romeinse Rijk, van Caesar (officieel eigenlijk geen keizer) tot Domitianus (vermoord in 96). De levensbeschrijvingen zijn allemaal volgens hetzelfde stramien opgebouwd en vertonen soms een sterke overeenkomst. Net als bij de moord op Caesar doen er zich kort voor de moord op Caligula bijvoorbeeld allerlei (gelijkaardige) voortekenen voor. Voorts besteed Suetonius vooral aandacht aan anekdotes en pittige details en schandalen. Het oudste bewaarde manuscript van het werk dateert uit de 9e eeuw. Gaius Caesar Augustus Germanicus (12-41), beter bekend als Caligula (wat ‘soldatenlaarsje’ betekent), is een van de meest beruchte Romeinse keizers. Hij regeerde van 37 tot 41. In de bronnen die bewaard zijn en waarvan de meeste na zijn dood zijn geschreven wordt hij doorgaans als extreem wreed en zelfs waanzinnig beschreven. Cassius Chaerea was een Romeins militair in dienst van Caligula. Hij was ook de leider van de samenzwering tegen de keizer, volgens Suetonius onder meer omdat die hem voortdurend belachelijk maakte. Na de moord werd hij gearresteerd en ter dood veroordeeld. Hij pleegde zelfmoord.

96

LES 23 DE BLOEI VAN HET ROMEINSE RIJK


B Nero Om aannemelijk te maken dat het hem nergens zo goed naar de zin was als in Rome, richtte Nero zelf op openbare plaatsen festijnen aan en gedroeg zich alsof de hele stad zijn paleis was. (…) Tigellinus (een medewerker van Nero) liet op de vijver van Agrippa een vlot bouwen, zo dat dit, door andere vaartuigen getrokken, kon varen, waarop een gastmaal was aangericht. De schepen waren afgezet met goud en ivoor en als roeiers daarop dienden schandknapen, ingedeeld naar leeftijd en naar hun routine in de ontucht. Hij had gevogelte en wild uit verre landen laten komen en zeedieren helemaal vanuit de Oceaan. Langs de oevers van de vijvers stonden bordelen met, te kust en te keur, vrouwen uit de eerste stand, en daartegenover zag men hoeren met ontblote lichamen. (…) Uit: Tacitus, Annales (jaarboeken), boek XV

pl aa

r

Tacitus (ca. 56-ca. 117) was een Romeins senator en historicus. Hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste Romeinse geschiedschrijvers. Omdat geschiedschrijving in de oudheid geldt als een vorm van literatuur, is stijl heel belangrijk. Alles wat de stijl van de tekst kan schaden, wordt aangepast of weggelaten. Tacitus staat bekend als een goed waarnemer, maar ook als bewonderaar van de oude republiek. Zijn ‘Annales’ vormen een overzicht van de Romeinse geschiedenis tussen 14 en 61. De naam van het werk komt niet van hem; het is later zo genoemd wegens de jaar-per-jaarstructuur. Het oorspronkelijke werk bestond waarschijnlijk uit 16 boeken, die echter niet allemaal bewaard zijn gebleven. Het oudste nog bewaarde deel is een middeleeuwse kopie van rond het jaar 1000.

jk ex

em

• Caligula en Nero worden vaak als waanzinnige heersers voorgesteld. Vind je daarvan in de fragmenten een mogelijk bewijs terug? Motiveer je antwoord. • Hoe blijkt dat Suetonius waarschijnlijk verschillende bronnen heeft gebruikt bij het schrijven van de tekst over (de moord op) Caligula? • Noem twee mogelijke redenen waaruit blijkt dat het werk van Suetonius toch niet helemaal betrouwbaar te noemen is. • Naast het feit dat je dus voorzichtig moet zijn met de informatie die klassieke schrijvers ons bieden, welk ander probleem stelt zich ook bij de hedendaagse studie van die antieke teksten?

B De Muur van Hadrianus

In

ki

BRON 3 A Het aquaduct van Segovia

Dit aquaduct is gebouwd rond het einde van de 1e of het begin van de 2e eeuw. Het is in totaal 17 km lang en bracht water uit de omliggende bergen naar de stad. • Zoek op in welk huidig land Segovia ligt. • Waarom wordt de Romeinse samenleving vaak als een grote beschaving beschouwd, denk je? • Hoe blijkt dat de ‘Pax Romana’ toch niet helemaal een vreedzame periode was? • Geef nog twee andere historische voorbeelden van beroemde muren.

In opdracht van keizer Hadrianus werd in Britannia een 117 km lange muur gebouwd die de noordgrens van het rijk markeerde. Enerzijds diende hij om de stammen die in het noorden van het eiland leefden buiten te houden. Anderzijds gold de ca. 5 m hoge muur ook als symbool voor de Romeinse macht. De opvolger van Hadrianus, Antoninus Pius, bouwde iets noordelijker nog een nieuwe muur, maar die werd snel weer verlaten.

D HET ROMEINSE RIJK

97


r

v. C 0

De veroveringen van Rome zijn aanvankelijk een ramp voor de economie van de overwonnen gebieden: tijdens de veroveringsoorlog worden goederen en mensenlevens vernietigd. De Romeinen plunderen ook het gebied. Bovendien moeten de overwonnenen dikwijls een schatting aan Rome betalen (zie les 19). Vooral de Romeinse elite profiteert van de overwonnen gebieden. Als plaatselijke bestuurders buiten zij de overwonnenen uit. Vanuit alle hoeken van het groeiende rijk en vanuit het buitenland stromen de goederen naar Rome. De stad groeit in de 1e eeuw v.C. van circa tweehonderdduizend naar 1 miljoen inwoners. Rome, een enorme bouwwerf, heeft bouwmateriaal nodig: marmer (voor zijn tempels, theaters en pleinen), lood (voor de waterleiding) enz. Per jaar verbruikt de stad zo’n 150 000 ton graan, 75 miljoen liter wijn en 30 miljoen liter olijfolie. Handelaars leveren het grootste gedeelte van al die goederen. De handel bloeit. Het grootste deel van de bevolking leeft echter van de belastingen die de (andere) inwoners van het rijk betalen. Onder keizer Augustus krijgen zo’n 200 000 mannen gratis graan. Rome en de andere steden van het rijk produceren weinig, maar consumeren veel. Daarom vergelijken sommige auteurs Rome met een parasiet. Toch is Rome lange tijd ook het belangrijkste handelscentrum, ‘de markt van heel de wereld’. In Rome komen niet alleen goederen aan. Er vertrekken er ook veel. Om het leger aan de grenzen van het rijk te bevoorBRON 1-2

In 98

raden, worden gigantische hoeveelheden voedsel (graan, wijn, olie, azijn, varkens, vissaus ...) en grondstoffen (metalen en leder voor wapens en tenten) vervoerd en verhandeld. Dat gebeurt over zee, langs de rivieren en over de heerbanen.

em

Alle wegen leiden naar Rome … en de grenzen

ki

pachter: iemand die grond mag bewerken in ruil voor een vergoeding

1

ROME WERELDHANDELSCENTRUM

jk ex

parasiet: organisme dat zich enkel kan voortplanten ten koste van een plant of dier

pl aa

20

BLOEIENDE HANDEL

LES 24 DE ECONOMIE IN HET ROMEINSE RIJK

20

1

0

Je weet uit de vorige lessen dat Rome een wereldrijk verovert. Wie profiteert daarvan het meest? Welke gevolgen hebben de ­verovering voor de handel, de nijverheid en de landbouw? Worden ook de gewone man en vrouw beter van dat enorme wereldrijk?

.

24

De economie in het Romeinse Rijk

2

Een bloeiende handel

Het hoogtepunt van de handel in de klassieke oudheid heeft plaats tijdens het Romeinse Rijk tussen 200 v.C. en 200 n.C. Dat gebeurt vooral in en rond de Middellandse Zee (het ‘Mare Nostrum’), zoals blijkt uit archeologisch onderzoek van scheepswrakken en amfora. Pas in de 16e eeuw wordt er opnieuw zoveel vervoerd over de Middellandse Zee. Via de Rode Zee bereiken Romeinse handelaars Indië. Ze kopen er allerlei luxeproducten zoals zijde, specerijen en wierook. Noodzakelijke producten, zoals metalen en enorme ladingen graan, vinden hun weg langs rivieren en heerbanen naar de verschillende steden van het keizerrijk. Die steden groeien: in het westen tot in de 3e eeuw, in het oosten tot in de 6e eeuw. BRON 3

3

Landbouw blijft de belangrijkste economische activiteit

Zoals in de hele klassieke oudheid werkt meer dan 95 % van de inwoners van het Romeinse Rijk in de landbouw. In de 3e en de 2e eeuw v.C. maken senatoren en andere rijken zich in Italië meester van uitgestrekte percelen grond (zie les 20). Op de latifundia produceren zij vooral wijn, olijfolie en graan. BRON 4 -5 - 6


KENNEN

pl aa

KUNNEN

r

1 de begrippen ‘latifundia’ en ‘pachter’ uitleggen 2 drie redenen voor de slechte economische toestand van de veroverde gebieden geven 3 uitleggen waarom Rome en andere steden weinig produceren, maar veel consumeren 4 de bloei van de Romeinse handel in tijd en ruimte situeren 5 bewijzen dat de landbouw de belangrijkste economische activiteit blijft 6 drie technische vernieuwingen opsommen 7 met een voorbeeld aantonen dat nieuwe technische middelen de kijk op geschiedenis kunnen veranderen of bevestigen

1 de herkomst van handelsproducten op een kaart terugvinden 2 met behulp van bronnen het belang van Rome voor de handel aantonen 3 met behulp van een schema het verschil tussen hedendaagse en Romeinse landbouwopbrengsten uitleggen 4 verbanden leggen tussen de veroveringen en het grootgrondbezit enerzijds en de slavernij en de armoede op het platteland anderzijds

RANDINFO

jk ex

em

Op een latifundium of villa werken vooral slaven. Zelfs de rentmeester die voor de eigenaar de villa beheert, is dikwijls een slaaf. Rijke grondbezitters bezitten verschillende latifundia verspreid over Italië. Vele kleine zelfstandige boeren kunnen de concurrentie niet aan en geven hun bedrijf op. Ze worden pachter of trekken naar Rome. In de keizertijd neemt het grootgrondbezit verder toe. Dat gebeurt vooral in Italië, Sicilië, Gallië, Spanje en de Balkan. De kleine vrije boer verdwijnt nooit helemaal. Hij pacht meestal landbouwgrond van de grootgrondbezitter. In de landbouw en de metaalnijverheid gebruiken de Romeinen enkele technische vernieuwingen: persen voor wijn en olijfolie en watermolens die tot vijf keer sneller draaien dan molens aangedreven door ezels. In de mijnbouw drijven die molens pompen en pletmachines aan. Uit sporen van looduitstoot in ijs op Groenland leiden wetenschappers af dat de economie vanaf het einde van de 1e eeuw v.C. tot het midden van de 2e eeuw succesvol was. Zo zie je maar dat nieuwe bevindingen in de wetenschap de kijk op oude geschiedenis kunnen veranderen of bevestigen.

In

ki

De markten van Trajanus (Rome)

De ‘markten van Trajanus’ bestonden uit een reeks gebouwen. Er was een heus winkelcentrum met 150 winkels, verdeeld over drie verdiepingen en een overdekte markt. Letterlijk alles uit het Romeinse wereldrijk en de toen bekende wereld was er te krijgen. De gebouwen, waar ook ruimte was voor grote vergaderingen en kantoren, werden voltooid in het begin van de 2e eeuw.

D HET ROMEINSE RIJK

99


BRON 1

BRON 2

En de kooplieden der aarde wenen en rouwen om haar (de stad Rome), omdat niemand meer hun ladingen koopt, hun ladingen van goud, zilver, edelgesteente en parels, van fijn linnen, purper, zijde en scharlaken, allerlei welriekend hout, allerlei snijwerk van ivoor en allerlei voorwerpen van het kostbaarste hout, van koper, ijzer en marmer, kaneel, specerij, reukwerk, mirre, wierook, wijn, olie, bloem en tarwe, lastdieren, schapen, (lading) van paarden en wagens en slaven ... En iedere stuurman en elke kustvaarder en de zeelieden en allen die de zee bevaren, bleven van verre staan en riepen, toen zij de rook van haar verbranding zagen, zeggende: Welke stad was aan deze grote stad gelijk!

Vanuit alle hoeken van de aarde en van de zeeën stromen de producten van alle seizoenen en van alle landen naar U toe, van de rivieren en de meren en al wat de industrie van Grieken en Barbaren kan voortbrengen. Zoveel transportschepen komen aanleggen aan de kade van de Tiber, dat Rome in zekere zin de markt van heel de wereld is. Het fruit van Indië en Arabië, de weefsels van Babylon, de juwelen van het verste Barbarenland komen naar Rome op de gemakkelijkste manier. Aelius Aristides, Grieks auteur uit de 2e eeuw n.C. Opgelet! Als deze schrijver over Babylon schrijft, dan heeft hij het niet over Rome. Hij bedoelt de stad Babylon aan de Eufraat.

In

ki

jk ex

BRON 3 De handel in het Romeinse Rijk

em

• Wat zeggen de zeelieden, de stuurmannen en elke kustvaarder over Rome? • Waar verkochten die handelaars al die ladingen ­producten? • Geef het land van herkomst van de volgende producten: zijde, ivoor, purper en peper. Raadpleeg bron 3.

• Wie of wat is ‘U’ in de eerste zin? • Via welke route komen de goederen uit Arabië in Rome terecht? • Zoek op waar Babylon ligt. In welk hedendaags land ligt het? • Waarom noemt de schrijver Rome ‘de markt van heel de wereld’?

pl aa

De eerste christenen kennen Rome. In hun geschriften – de evangelies en de Openbaring of Apocalyps – noemen ze Rome ook Babylon. In een ‘droom’ voorspelt de auteur ook de ondergang van Rome.

r

Uit: De Openbaring 18, 11-18

• Welke twee soorten transport geeft de kaart weer? • Welke producten worden in onze gewesten voortgebracht? • Geef telkens één product dat geproduceerd wordt in: Gallië / de omgeving van Marseille / Carthago.

100

LES 24 DE ECONOMIE IN HET ROMEINSE RIJK


BRON 5 Landbouwopbrengsten in de oudheid en vandaag

BRON 4 De rijken hebben beslag gelegd op het grootste deel van de niettoegewezen grond (ager publicus: grond van iedereen of gemene grond). Op den duur voelden zij er zich zeker van dat niemand hen die zou afnemen en zij richtten hun ogen op de kleine aangrenzende eigendommen van de arme boeren. Zij palmden die in, soms op vriendelijke wijze door aankoop, soms met geweld. Zo bebouwden ze van toen af geen akkers meer, maar enorme domeinen. Uit: Appianus (ca. 95-165), ‘De Romeinse Burgeroorlog’, I,7, in: De Romeinse geschiedenis

pl aa

• Is dit een primaire of een secundaire bron? • Hoe geraken ‘de rijken’ in het bezit van de niet-toegewezen grond? Hoe zegt de schrijver dat? Zeg het met je eigen woorden. • Hoe geraken de rijken aan de kleine eigendommen van de arme boeren?

Vandaag voedt één Amerikaanse boer die uitgerust is met een machinepark honderd mensen. In de oudheid voedden tien b ­ oerenfamilies één extra familie.

r

Appianus is een Griekse historicus uit ­Alexandrië. Zijn werk over de Romeinse burgeroorlog is het enige dat een lange periode beschrijft, van de 2e eeuw v.C. tot 36 v.C. Hij ziet vooral sociale problemen als oorzaak van de gebeurtenissen.

• ‘In het Romeinse Rijk is er een hogere landbouwopbrengst dan vandaag.’ Juist of fout? Motiveer je antwoord.

em

BRON 6 IJskernen op Groenland tonen de economische evolutie van het Romeinse Rijk. A

B

In

ki

jk ex

Het ijs van Groenland herbergt looddeeltjes die in de Romeinse tijd in de atmosfeer terecht zijn gekomen. Dat gebeurde bij de winning van lood en zilver, het edelmetaal dat voorkomt in looderts. Wind vervoerde de metaaldeeltjes naar het noorden, waar ze neersloegen in de sneeuw en uiteindelijk werden opgenomen in de ijslaag die het land bedekt. Wetenschappers zijn erin geslaagd aan de hand van 400 meter ijs de 2000 jaar Europese geschiedenis te reconstrueren. … Het loodgehalte in de atmosfeer – en daarmee in het ijs – blijkt een belangrijke graadmeter voor de stand van het Romeinse Rijk. Het nam toe in tijden van vrede en welvaart en nam af tijdens burgeroorlogen en epidemieën. De gletsjers weerspiegelen economische activiteit: van zilver maakten de Romeinen een van hun meest gangbare munten, de denarius. Lood gebruikten ze voor waterleidingen, wijnvaten, de bedekking van scheepsrompen. … Samen met collega’s analyseerde McConnell in Kopenhagen een deel van een staaf die de Denen in de jaren negentig in Groenland uit het ijs hadden geboord … bij elkaar 423 meter – afkomstig van 159 tot 582 meter diepte. Een diepte die correspondeerde met een periode van 1900 jaar tussen 1100 voor Christus en 800 na Christus. … Uit het midden van de ronde ijskernen sneden de onderzoekers dunne staafjes die ze op een verwarmde keramische plaat langzaam lieten smelten. Het smeltwater werd onderzocht op dertig elementen, waaronder lood. … Het lukte de wetenschappers loodemissies – met een kleine onzekerheidsmarge – tot op het jaartal te achterhalen. Uitstoot afkomstig uit Romeinse mijnen in Duitsland, Zuid-Frankrijk en Spanje. Uit: de Volkskrant, 22 juni 2018

Na 17 v.C. stijgt de uitstoot van lood snel, de uitstoot blijft hoog tot 160 n.C., opnieuw met korte­ termijnschommelingen. De periode van hoge uitstoot valt samen met het hoogtepunt van het Romeinse keizerrijk onder de Pax Romana (…) Het einde van die hoge uitstoot valt samen met de epidemie na de dood van keizer Antoninus (zie les 23), waarschijnlijk een pokken­epidemie. (…) Met de epidemie start de ommekeer en begint een periode van lage looduitstoot van het midden van de 8e eeuw n.C. Vrij naar het tijdschrift PNAS, mei 2018 • Waarvoor gebruikten de Romeinen zilver? Hoe kun je aan de toename of afname van de productie van zilver de vooruitgang of neergang van de economie meten? • Hoe kun je aan de toename van de lood­ uitstoot de vooruitgang van de economie meten? • Beschrijf hoe men vandaag de looduitstoot in het Romeinse keizerrijk in het pakijs van Groenland meet. • Vanaf welke datum stijgt de looduitstoot en blijft die hoog? Wanneer begint die uitstoot te dalen? • Welk verband leggen de wetenschappers met de Romeinse geschiedenis?

D HET ROMEINSE RIJK

101


Diocletianus Constantijn wordt keizer

De soldatenkeizers en de crisis van de 3e eeuw betekenen een verzwakking voor het rijk

In

ki

jk ex

BRON 1 Aan de grenzen van het Romeinse Rijk wonen heel wat volkeren die jaloers zijn op Rome. Sommige willen de rijkdommen van het keizerrijk voor zichzelf. Om invallen van die volkeren af te slaan, beschermen veel legioenen de grenzen van het rijk. De aanvoerders en de manschappen van die troepen beseffen na verloop van tijd dat Rome niet zonder hen kan. Zij vragen dan ook steeds meer geld en stellen steeds hogere eisen aan de keizerlijke regering. In 192 wordt keizer Commodus vermoord en ontstaan er problemen over zijn opvolging. Sommige generaals menen dat zij beter het bestuur van het rijk op zich kunnen nemen. Zij trekken met hun legioenen naar Rome. Een burgeroorlog is het gevolg. Uiteindelijk komt generaal Septimius Severus als overwinnaar uit de strijd. Zijn familie blijft aan de macht tot 235. In dat jaar wordt de laatste keizer van de Severische dynastie vermoord. Dan breekt een lange periode van politieke instabiliteit aan. Die periode (235-284) is bekend geworden als de ‘periode van de soldatenkeizers’ of de ‘crisis van de 3e eeuw’. Een keizer die in die periode aan de macht wil blijven, moet nog meer dan vroeger steun van de legioenen hebben. Daar is veel geld voor nodig. Daarom verhogen de opeenvolgende keizers telkens de belastingen. Bovendien verminderen ze voortdurend de hoeveelheid zilver in de Romeinse munten. Zo kunnen ze meer geld slaan, maar vermindert wel de waarde van het geld. Onvermijdelijk begint de Romeinse economie daaronder te lijden. Geregeld wordt een regerende keizer ten val gebracht

102

76 4

r

39

5

6

definitieve splitsing rijk

einde West-Romeinse Rijk

door een generaal die zijn troepen nóg meer geld belooft. Doordat de legioenen te pas en te onpas hun standplaats verlaten om naar Rome te trekken, blijven de grenzen onverdedigd. Enkele buurvolkeren van het Romeinse Rijk profiteren daarvan om plundertochten te houden tot ver achter de grenzen. Die invallen en de burgeroorlogen ontregelen nog meer de economie en bemoeilijken vooral de landbouwproductie. De oorlogen, hongersnood en ziektes zorgen voor een bevolkingsdaling. In bepaalde regio’s moeten steeds minder mensen de steeds hogere belastingen betalen. Sommige, vooral rijkere, gebiedsdelen verzetten zich tegen het slechte bestuur en de hogere belastingen. Ze proberen zich van het rijk af te scheuren. Af en toe poogt een bekwame keizer de orde te herstellen. Dikwijls wordt hij het slachtoffer van opstandige generaals.

em

1

pl aa

28

23

SOLDATENKEIZERS EN CRISIS VAN DE 3E EEUW

30

4

In de vorige les heb je geleerd dat het R ­ omeinse Rijk in de 2e eeuw n.C. het hoogtepunt van zijn macht bereikt. Daarna gaat het echter bergaf. Uiteindelijk zal het rijk zelfs ophouden te bestaan. Wat zijn de oorzaken van dat verval? Hoelang heeft de doodstrijd van het Romeinse Rijk geduurd? Wie of wat is er in de plaats van het Romeinse Rijk gekomen?

5

25

Het verval van het Romeinse Rijk

LES 25 HET VERVAL VAN HET ROMEINSE RIJK

2

Een heropleving onder Diocletianus en Constantijn

Diocletianus, die in 284 via een staatsgreep keizer wordt, probeert het rijk een stabieler bestuur te geven. Ten eerste ontneemt hij de senaat zijn laatste restje macht. De keizer wordt officieel de enige machthebber in het rijk. Hij regeert in naam van de goden en laat zich vereren als een god. Vervolgens splitst ­Diocletianus het rijk op in twee delen (Oost en West) die elk door een keizer (een ‘Augustus’) worden geregeerd. Elke ‘Augustus’ moet een medekeizer (een ‘Caesar’) aanstellen die hem helpt bij het bestuur. Na de dood van een keizer volgt de medekeizer hem op. Die stelt vervolgens een nieuwe medekeizer aan. Dat systeem, de tetrarchie of ‘viermansheerschappij’, moet BRON 2-3


Nieuwe invallen van barbaarse volkeren

De opvolgers van Constantijn krijgen opnieuw af te rekenen met opstandige legioenen en nieuwe invallen. Die laatste vormen het grootste probleem. De vooral Germaanse invallers willen niet meer alleen plunderen, maar zich voorgoed in het rijk vestigen. Tussen het einde van de 4e eeuw en het begin van de 6e eeuw zullen grote groepen Germanen naar het westen migreren. Die ‘barbaarse’ migraties zijn later met de term ‘volksverhuizingen’ bedacht. Over het werkelijke aantal mensen dat in die periode is gemigreerd bestaat veel onduidelijkheid. Historici zijn het wel eens dat de verschillende groepen invallers die bekend werden onder de namen ‘Franken’, ‘Visigoten’ ... geen homogene groepen waren. De invallers zoeken o.a. betere levensomstandigheden (nieuwe landbouwgronden, een milder klimaat …) en profiteren van de slecht verdedigde grenzen van het Romeinse Rijk.

ki

KENNEN

jk ex

em

BRON 3

r

3

De Germanen vluchten ook voor de Hunnen, een oprukkend ­Aziatisch steppevolk. Sommige groepen mogen zich officieel in het rijk vestigen. De Romeinen hopen hen als bondgenoten tegen andere invallers te gebruiken. Die Germaanse bondgenoten, maar ook de Romeinen, komen hun afspraken niet altijd na. Sommige Germanen beginnen zich zelfs te bemoeien met de Romeinse politiek. In 395 beslist keizer Theodosius om het Romeinse Rijk definitief in een westelijk en een oostelijk deel te splitsen. Het West-Romeinse Rijk stort in de 5e eeuw volledig in elkaar. Rome, al lang niet meer de hoofdstad van het rijk, maar wel nog altijd van grote symbolische betekenis, wordt zowel in 410 als in 455 geplunderd door Germaanse troepen. In 476 zet een ­Germaanse generaal de toenmalige West-Romeinse keizer, het kind Romulus Augustulus, af. Omdat er geen nieuwe keizer wordt aangesteld, wordt die gebeurtenis weleens beschouwd als het symbolische einde van het West-Romeinse Rijk. Ondertussen hadden allerlei Germaanse koninkrijken eigenlijk het westerse rijk al lang vervangen. Toch was het Romeinse Rijk niet verdwenen. In het oosten bleef het nog bijna 1000 jaar voortbestaan. Dat (Oost-)Romeinse Rijk zal in de geschiedenis bekend worden als het Byzantijnse Rijk. Het kende eveneens een bewogen geschiedenis met momenten van bloei en verval. Vanaf de 13e eeuw begon de definitieve neergang. Uiteindelijk werd de hoofdstad Constantinopel in 1453 veroverd door de Ottomanen (Turken). Daarmee kwam een definitief einde aan het Romeinse Rijk, al beschouwden andere rijken zich graag als opvolger van het Romeinse Rijk (bv. het Duitse Rijk, Rusland ...).

pl aa

het bestuur gemakkelijker maken en de opvolging regelen. Diocletianus treedt tevreden af. Zijn opvolgers raken echter met elkaar in conflict. Uiteindelijk slaagt één man erin om alle macht naar zich toe te trekken: Constantijn (keizer in 306, alleenheerser van 324-337). Als keizer neemt hij enkele belangrijke beslissingen die grote gevolgen zullen hebben. Zo verleent hij in 313 de christenen godsdienstvrijheid (zie les 34). Hij besluit ook om de hoofdstad van het rijk naar het veiligere en rijkere oosten te verplaatsen. Zijn keuze valt op het oorspronkelijk Griekse stadje Byzantium aan de Bosporus, de toegang tot de Zwarte Zee. Dat ‘nieuwe Rome’ wordt naar hem ‘Constantinopel’ genoemd.

In

1 de begrippen ‘soldatenkeizers’, ’crisis van de 3e eeuw’, ‘medekeizer’ en ‘tetrarchie’ uitleggen 2 in zes stappen uitleggen waarom het Romeinse Rijk verzwakt ten tijde van de soldatenkeizers 3 uitleggen hoe Diocletianus probeert de macht van Rome te herstellen 4 de veranderingen onder Diocletianus, Constantijn en Theodosius uitleggen 5 drie oorzaken van de Germaanse volksverhuizingen geven 6 uitleggen hoe de Romeinen reageren op de Germanen en daarvan de gevolgen geven 7 de splitsing van het Romeinse Rijk en het einde van het West-Romeinse Rijk in de tijd situeren

KUNNEN 1 informatie uit kaarten, teksten en tabellen halen 2 het Oost- en het West-Romeinse Rijk op een kaart aanduiden 3 bronnen met elkaar vergelijken 4 met je eigen woorden de ondergang van het Romeinse Rijk uitleggen

D HET ROMEINSE RIJK

103


BRON 1 A Romeinse keizers van 180-305

• • • • •

Decius (249-251) Trebonianus Gallus (251-253) Aemilianus (253) Valerianus (253-260)

vermoord vermoord vermoord

Gallienus (253-268) Postumus (260-268) Claudius II Goticus (268-270) Quintillus (270) Aurelianus (270-275) Tacitus (275-276) Florianus (276) Probus (276-282) Carus (282-283) Carinus (283-285) Numerianus (283-284) Diocletianus (284-305)

pleegde zelfmoord vermoord waarschijnlijk vermoord vermoord vermoord waarschijnlijk vermoord vermoord vermoord

r

tegenkeizer*, vermoord tegenkeizer, gesneuveld vermoord medekeizer, vermoord vermoord vermoord vermoord vermoord pleegde zelfmoord medekeizer, gesneuveld vermoord medekeizer, vermoord vermoord gesneuveld of vermoord

gesneuveld vermoord vermoord gevangengenomen door de Perzen en waarschijnlijk vermoord medekeizer, vermoord tegenkeizer, vermoord

pl aa

Commodus (180-192) Pertinax (193) Didius Julianus (193) Septimius Severus (193-211) Pescennius Niger (193-195) Clodius Albinus (195-197) Caracalla (211-217) Geta (211) Macrinus (217-218) Heliogabalus (218-222) Alexander Severus (222-235) Maximinus Thrax (235-238) Gordianus I (238) Gordianus II (238) Balbinus (238) Pupienus (238) Gordianus III (238-244) Philippus Arabs (244-249)

* Er waren in heel die periode wel meer ‘tegenkeizers’, maar enkel de belangrijkste zijn in deze lijst opgenomen.

Zijn A en B historische bronnen of werken? Wat was de gemiddelde regeringsduur van een Romeinse keizer tijdens die periode? Waarom was die zo kort? Welk gevolg voor de sterkte van het rijk heeft dat volgens jou gehad? Waarom? Hoe heeft Didius Julianus de keizerstitel verworven? Heeft zijn bewind lang geduurd?

BRON 2 De ‘tetrarchen’, porfier (steen), 136 cm hoog

em

B De troonsbestijging van Didius Julianus (193)

In

ki

jk ex

De pretorianen (de keizerlijke lijfwacht) hadden door de wrede moord op Pertinax de troon geschonden en onteerden door hun daaropvolgende gedrag zijn waardigheid. (…) Zij beklommen de vestingwallen en verkondigden met luide stem dat de Romeinse ­wereld bij opbod zou worden verkocht aan de hoogste bieder. Dit schandelijke aanbod, deze on­ beschaamde uitspatting van bandeloosheid, verwekte alom in de stad leed, schaamte en verontwaardiging. Ten slotte bereikte het nieuws Didius Julianus, een welgestelde senator die – door welke rampen de staat ook werd getroffen – zich verlustigde in de geneugten van de dis. De ijdele grijsaard haastte zich naar de kazerne, (…), en begon van de voet van de omheining tegen hem (Sulpicianus, een andere kandidaat) op te bieden. Sulpicianus had reeds een schenking van vijfduizend drachmen per soldaat beloofd, toen Julianus, begerig naar buit, de som tot 6 250 ­drachmen verhoogde. De poorten van de kazerne gingen onmiddellijk open voor de koper; de soldaten riepen hem tot keizer uit en zwoeren hem trouw. Uit: Edward Gibbon, Herfsttij en ondergang van het Romeinse Rijk, 1776-1789 Edward Gibbon (1737-1794) was een van de eerste moderne historici. Hij schreef dit werk uit een grote bewondering voor het antieke Rome en wilde zijn tijdgenoten ervan overtuigen niet dezelfde fouten te maken die hadden geleid tot de ondergang van Rome.

104

LES 25 HET VERVAL VAN HET ROMEINSE RIJK

In 286 stelde Diocletianus het ‘viermansbestuur’ of de ‘tetrarchie’ in. Deze beelden stellen de twee keizers en hun medekeizers voor. Diocletianus is de tweede figuur links (met baard). De beeldengroep bevindt zich momenteel in Venetië. Oorspronkelijk komen de beelden uit Constantinopel. Een Venetiaanse mythe vertelt dat het om vier dieven gaat die versteend werden nadat ze hadden ingebroken in de kathedraal van Venetië. • Hoeveel keizers krijgt het rijk onder Diocletianus?


In

ki

jk ex

em

B Het einde van het West-Romeinse Rijk

pl aa

r

BRON 3 A Het laat-Romeinse Rijk

• • • • • • • •

Noem drie hedendaagse landen die geheel of gedeeltelijk deel uitmaken van het Oost-Romeinse Rijk. Tot welk ‘volk’ behoren de meeste groepen die het West-Romeinse Rijk bedreigen? Noem twee groepen die al in de 4e eeuw de grenzen van het West-Romeinse Rijk overschrijden. Geef één oorzaak voor de migratie van die groepen. Welk rijk bedreigt het Oost-Romeinse Rijk? Welk Germaans ‘volk’ vestigt zich uiteindelijk in onze gebieden? In welke huidige landen vestigen zich de Vandalen? In welke hedendaagse landen vind je de namen Franken, Angelen en Alemannen terug?

D HET ROMEINSE RIJK

105


Het Romeinse leger is getraind en gedisciplineerd

Het Romeinse leger is ingedeeld in verschillende legioenen en hulptroepen. Het bestaat uit ruiterij, voetvolk en marine. Een legioen telt ongeveer 5000 Ă 6000 manschappen. De meeste legioenen verblijven bij de grenzen van het Romeinse Rijk en doen ook dienst als politie. Vanaf de 3e eeuw daalt het aantal soldaten in een legioen en bevinden de troepen zich in grote steden in het binnenland. De keizer staat aan het hoofd van het leger. De officieren komen uit belangrijke Romeinse families. Romeinse burgers die gezond zijn en die geen misdaad begaan hebben, mogen soldaat worden. De meeste militairen zijn vrijwilligers die voor een militaire loopbaan kiezen. Het Romeinse leger is zeer sterk dankzij de training en de discipline. De soldaten krijgen gevechtstraining en worden geoefend in uithouding. Een legionair moet bijvoorbeeld grote afstanden te voet kunnen afleggen (35 km per dag met een bepakking die ongeveer 40 kg weegt). Een goede soldaat luistert naar de bevelen van zijn leiders. Militairen die dat niet doen, worden gestraft. De doodstraf, zweep- en stokslagen, ontslag ... behoren tot de straffen. Soldaten die gehoorzamen en goed vechten, kunnen beloond worden. Zij krijgen promotie, geld enz. Dankzij die discipline vormen de soldaten op het slagveld een hechte groep die niet zo gemakkelijk overwonnen kan worden.

In

ki

jk ex

BRON 1-2-3 - 4

106

LES 26 HET ROMEINSE LEGER IN DE KEIZERTIJD

76 4

r

1

. 27

pl aa

1

mythische stichting

DE REPUBLIEK

HET KEIZERRIJK

De Romeinse militairen zijn ook goede bouwers. Ze leggen wegen aan en bouwen kampen en forten. Een legioen dat door vijandelijk gebied trekt, bouwt elke avond een met houten palen en aarde ommuurd kamp. De pretorianen zijn speciale troepen. Ze verblijven in Rome en dienen als lijfwacht van de keizer. Ze krijgen echter te veel macht en worden in 312 afgeschaft. Soldaten die geen Romeins burger zijn, komen bij de hulptroepen terecht. Sommigen hebben een specialiteit en dienen als ruiters, boogschutters, slingeraars ... Al in de 1e eeuw zijn er meer hulptroepen dan legioenen.

em

HET KONINKRIJK ontstaan Rome

v. C

v. C 9 50

10

0

75

0

3

v. C

v. C

.

.

In de voorgaande lessen heb je de opkomst en ondergang van het Romeinse Rijk bestudeerd. Het Romeinse leger speelt daarin een belangrijke rol. Wat maakt het Romeinse leger zo sterk? Wie wordt er soldaat? Waarom gaat men in het leger? Om het niet te ingewikkeld te maken, bestudeer je enkel het leger in de keizertijd.

.

26

Het Romeinse leger in de keizertijd

2

De Romeinse soldaten krijgen veel voordelen

De gewone soldaten blijven twintig jaar in dienst. Een militaire loopbaan is aantrekkelijk omdat de soldaten goed betaald worden en promotie kunnen maken. Hoe hoger de rang, hoe hoger het loon. Romeinen die carrière maken in het leger, krijgen ook meer aanzien in de Romeinse samenleving. Op het einde van de dienst krijgt een legionair ergens in het rijk een stuk landbouwgrond. Vanaf de 2e eeuw vervangt men dat door een som geld. Soldaten die langer in het leger wensen te blijven, kunnen een nieuw contract tekenen. Ze krijgen dan opslag, een hogere rang en dikwijls lichter werk. Soldaten van de hulptroepen blijven 25 jaar in dienst. Ze verdienen minder dan de legionairs, maar worden na hun militaire dienst Romeinse burgers.


Het leger heeft veel invloed

KENNEN 1 de begrippen ‘legioen’, ‘pretorianen’ en ‘hulptroepen’ uitleggen 2 de samenstelling van het Romeinse leger uitleggen 3 de verschillen tussen legioenen en hulptroepen uitleggen 4 de voordelen van een militaire loopbaan geven 5 de invloed van het leger op economie, cultuur en politiek uitleggen

KUNNEN

r

1 met behulp van een schema de indeling van een legioen uitleggen 2 een Romeinse versterking aan de hand van een prent beschrijven 3 op een foto vier restanten van Romeinse versterkingen aanduiden

jk ex

em

Het Romeinse leger heeft een economische, culturele en politieke invloed. De legerkampen en de forten zijn goed voor de plaatselijke handel en nijverheid. De soldaten hebben immers voedsel, kleding, schoeisel enz. nodig. Ze geven ook veel geld uit aan ontspanning (drank, gokken, vrouwen …). De legioenen verspreiden de Romeinse cultuur: ze bouwen bijvoorbeeld in de Romeinse stijl. In het westen spreken de soldaten Latijn. Zo verspreiden ze die taal. Het leger is een belangrijke politieke macht. De legioenen beginnen zich vanaf de 3e eeuw steeds meer te bemoeien met de binnenlandse politiek (zie les 24). Ze steunen bijvoorbeeld succesvolle generaals om keizer te worden. Meestal belooft die hen een grote som geld. Soms heeft elk legioen wel een kandidaat. Er volgt dan een verschrikkelijke burgeroorlog. De overwinnaar wordt keizer, maar moet voortdurend een staatsgreep van een andere generaal vrezen. In de 4e en 5e eeuw laten de Romeinen steeds meer andere volkeren voor zich vechten. Vreemde stammen mogen zich bijvoorbeeld in grensgebieden vestigen. In ruil daarvoor moeten ze de Romeinse grens bewaken en verdedigen.

pl aa

3

6 TOT 10 COHORTEN

In

ki

BRON 1 De indeling van een legioen (5000 à 6000 manschappen)

3 MANIPELS

• Uit welke delen bestaat een legioen? • ‘Een legioen telt slechts twee centuriones.’ Juist of fout? • Hoeveel manschappen telt een cohort als een l­egioen uit 6000 soldaten bestaat? Kies uit: 5  00 à 1000 / 600 à 1000 / 838 à 1000 / 144 à 555.

2 CENTURIONES

D HET ROMEINSE RIJK

107


BRON 2 De muur van Hadrianus De ‘muur van Hadrianus’ geeft in het noorden van het huidige Engeland de grens weer tussen het Romeinse Rijk en het gebied van de Keltische Picten. Op bepaalde plaatsen bouwden de Romeinen wachttorens en forten langs de muur. Keizer Hadrianus (117-138) liet vanaf 122 het bouwwerk optrekken. B De muur vandaag

• Zoek op bron A de volgende onderdelen: wachttoren, muur, heerbaan, klein fort en gracht. • Geef twee onderdelen van A die je terugvindt in B.

em

BRON 4 A De zuil van Trajanus (Rome, 98-117 n.C.)

In

ki

jk ex

BRON 3 Een uniform van de hulptroepen

pl aa

r

A De muur in de 2e eeuw

B Detail van de zuil

• Wat zijn de soldaten hier aan het doen?

RANDINFO

• Geef drie onderdelen van hun uitrusting.

Romeinse soldaten in de beroemde schildpadformatie

108

LES 26 HET ROMEINSE LEGER IN DE KEIZERTIJD


D

Het Romeinse Rijk

OVERZICHT

(politiek en socio-economisch)

ca. 1000-509 v.C.

KONINKRIJK

Griekse poleis + Griekse kolonisatie

stadstaat: koning heeft alle macht

senaat + volksvergadering

plebejers

patriciërs (grondbezitters)

Athene / Sparta / Macedonië

stadstaat

r

REPUBLIEK

pl aa

509-27 v.C.

2 consuls + senaat + volksvergadering VEROVERINGEN

verarming plebejers

patriciërs

politieke gelijkheid voor plebejers (286 v.C.)

verdeel en heers + uitbuiting veroverde gebieden + Rome centrum handel

em

Rijk (‘Mare Nostrum’)

1e eeuw: sociale en politieke spanningen

plattelandsvlucht pachters

rijke plebejers + patriciërs

jk ex

arme plebejers

PROLETARIËRS

NOBILITAS

POPULARES

OPTIMATES

ki

BURGEROORLOGEN

Octavianus / Augustus

KEIZERRIJK keizer

In

27 v.C. - 476 / 1453 n.C.

latifundia

macht senaat

Augustus en opvolgers Flaviërs

BLOEI VAN HET RIJK

Adoptiekeizers

VERVAL (3e eeuw)

oorzaken: soldatenkeizers - + invallen + daling bevolking HERSTEL:

Diocletianus en Constantijn

splitsing West-Oost

Constantinopel + godsdienstvrijheid

4 keizers VOLKSVERHUIZINGEN + OPSTANDIGE LEGIOENEN

SPLITSING RIJK (395)

West-Romeinse Rijk

Oost-Romeinse Rijk

476

1453

OVERZICHT D HET ROMEINSE RIJK

109


v. C 0 0

r

em

35 ±

OUDE NABIJE OOSTEN

jk ex

PREHISTORIE

pl aa

Je hebt in de vorige onderdelen de Grieken en de Romeinen uitvoerig bestudeerd. Tot op vandaag vind je op verschillende plaatsen in Europa en de rest van de wereld verwijzingen naar hun kunst. Lang na de klassieke oudheid blijft men bijvoorbeeld Griekse en Romeinse kunstenaars als voorbeeld nemen. In dit onderdeel bestudeer je de belangrijkste kenmerken van de klassieke bouw-, beeldhouw- en schilderkunst.

.

E

De klassieke kunst

BRON 2 De tempel van Ramses II bij Aboe Simbel

In

ki

BRON 1 Prehistorische grotschilderingen

• Waarom schildert de prehistorische mens waarschijnlijk dieren op de grotwanden? • Waarom zijn de beelden van de farao zo groot?

HERHALINGSOEFENING • Vorig schooljaar heb je al kennisgemaakt met de kunst van de prehistorie en het Oude Egypte. STORIA frist je geheugen hier even op.

110

E DE KLASSIEKE KUNST


r jk ex

19

4

50

±

17

±

MIDDELEEUWEN

EIGEN TIJD

NIEUWSTE TIJD NIEUWE TIJD

BRON 4 De Ishtarpoort van Babylon

In

ki

BRON 3 Egyptische muurschildering

5

pl aa 50

±

em

50 ±

14

0

. v. C 0 80 ±

KLASSIEKE OUDHEID

• In welk huidig land ligt Babylon?

• Hoe schilderen de Egyptenaren mensen: in vooraanzicht of in zijaanzicht?

E DE KLASSIEKE KUNST

111


ARCHAÏSCHE TIJD

schacht: het deel van de zuil tussen voetstuk en kapiteel

2

De klassieke Griekse bouwkunst wordt gekenmerkt door eenvoud en duidelijkheid. De Griekse tempel, de woning van de god, vormt in tegenstelling tot onze kerken geen ontmoetingsplaats voor de gelovigen. De godheid woont er en priesters voeren de godsdienstige rituelen in het gebouw uit.

LES 27 DE GRIEKSE BOUWKUNST

. v. C 30 ±

r

v. C 0

De Griekse tempel volgt meetkundige regels

BRON 2-3

112

HELLENISTISCHE TIJD

Offers worden buiten voor het tempelgebouw gebracht. De Griekse tempel heeft overal dezelfde delen: de onderbouw bestaat uit drie rondom doorlopende treden. Op de bovenste treden rusten de zuilen. Die ondersteunen de hoofdbalk, het fries, de kroonlijst en het fronton. Sommige tempels hebben veel versiering (beeldhouwwerk) aangebracht op fries en fronton. Onze voorstelling van een witte tempel is niet juist. Overal zie je kleur op beelden en gebouwen. Een ommuurde kamer met het beeld van de godheid (de cella) vormt het centrale gedeelte van de tempel. Die rechthoekige kamer wordt met een of meer zuilengangen omgeven. Het grondplan is dus een rechthoek omgeven door zuilen. De voor- en achterzijde van de tempel zijn ongeveer dezelfde. Ook de zijkanten lijken als twee druppels water op elkaar. Het hele gebouw bestaat uit verschillende meetkundige figuren: rechthoeken, driehoeken, vierkanten ... De ‘architecten’ van toen passen de Griekse wiskundige kennis zeer nauwgezet toe. Dat maakt deze bouwkunst zo evenwichtig. Als bouwmateriaal gebruikt men vooral kalksteen en marmer. De stijl van de tempel kan men vooral afleiden uit het soort zuilen dat hij heeft. De Dorische zuil, de oudste en soberste, komt vaak vrij log over. Hij heeft geen voetstuk. De schacht vertoont groeven (cannelures) die niet diep, maar wel breed zijn. Het kapiteel bestaat uit een rond zuilkussen met daarop een vierkanten dekplaat. De ‘slankere’ Ionische zuil heeft een meer versierd kapiteel met krullen en een dunne dekplaat. De schacht heeft diepere groeven. Een derde soort zuil, de Korinthische zuil, wordt pas vanaf de 4e eeuw v.C. populair. Die zuil lijkt

em

In

kapiteel: bovenste gedeelte van een zuil; die dient om de last op een smaller vlak van bv. de zuil over te brengen

De meeste openbare gebouwen (tempels, theaters ...) worden in opdracht van de polis en haar bestuurders gebouwd. Vaak zijn ze verbonden met de Griekse godsdienst. In het begin is er weinig planning. Men bouwt zoals het uitkomt. Na verloop van tijd krijgt dat groeiende centrum een wanordelijk uitzicht. In de 5e eeuw v.C. starten sommige Griekse steden in Klein-Azië met een stadsplanning of urbanisatie. Men gebruikt daarbij een dambordpatroon. In Athene krijgt de Akropolis onder het bestuur van Perikles zijn bekende vorm. Hij wil nieuwe tempels bouwen op de Akropolis na de verwoestingen door de Perzen in 480 v.C. Met het geld van de Delisch-Attische Zeebond en met de hulp van architecten, kunstenaars en vaklui bouwen ze het bekendste voorbeeld van de klassieke Griekse bouwkunst. De nieuwe bouwwerken moeten de macht van Athene uitdrukken. De Griekse bouwkunst is daarom vaak monumentaal. BRON 1

jk ex

fronton: het bovenste gedeelte van een gevel, vaak in de vorm van een driehoek

1

De Griekse bouwkunst is een openbare, monumentale kunst

ki

fries: (in de Griekse architectuur) een horizontale strook met schilder- of beeldhouwwerk boven de architraaf of hoofdbalk

KLASSIEKE TIJD

pl aa

±

±

±

4

33

9

80

0

0

v. C

v. C

.

.

Griekse bouwwerken hebben talloze ­kunstenaars uit latere tijden geïnspireerd. ­Vandaag nog bewonderen vele duizenden toeristen de overblijfselen van Griekse ­bouwwerken. Wat zijn de typische kenmerken van die Griekse bouwkunst? Na deze les zou je die kenmerken moeten herkennen. Waarvoor dienen die gebouwen?

.

27

De Griekse bouwkunst


3

Ook burgerlijke gebouwen krijgen veel aandacht

triglief: sierelement met drie rechtopstaande groeven metoop: sierelement met vaak halfverheven beeldhouwwerk, tussen trigliefen bas-reliëf: halfverheven beeldhouwwerk akoestiek: wetenschap die zich bezighoudt met het geluid,, bv. hoe klinkt het geluid in een ruimte?

KENNEN 1 de begrippen ‘openbare gebouwen’, ‘monumentale bouwkunst’ en ‘stadsplanning’ uitleggen 2 De begrippen ‘akoestiek’, ‘fries’, ‘fronton’, ‘kapiteel’, ‘metoop’, ‘triglief’ en ‘stoa’ verklaren 3 drie kenmerken van een Griekse tempel geven 4 verschillen tussen Dorische, Ionische en Korinthische zuilen geven 5 de doelen van de verschillende Griekse gebouwen vermelden

KUNNEN 1 uit afbeeldingen de kenmerken van een Grieks gebouw afleiden 2 Griekse gebouwen herkennen 3 de Dorische, Ionische en Korinthische zuilen op afbeeldingen herkennen

A Hippodamos

B Milete in de 5e eeuw v.C.

jk ex

BRON 1 Stadsplanning

em

pl aa

Voor de bevolking bouwt men theaters, bibliotheken, stadions, stoa’s (zuilengangen) ... Het Griekse klimaat laat een dagelijks leven in de openlucht toe. Griekse theaters worden bijvoorbeeld zonder dak gebouwd met de zitplaatsen opgetrokken tegen een natuurlijke heuvelrug. Ze bieden plaats aan duizenden toeschouwers. Vandaag zijn vele toeristen nog altijd verbaasd over de geweldige akoestiek in die theaters.

bladmotief: versiering met bladeren

r

op de Ionische zuil, maar heeft een kapiteel dat rijkelijk versierd is met een bladmotief. Het fries bevat beeldhouwwerk: in de Dorische tempel bestaat dat uit trigliefen en metopen. Het fronton wordt meestal versierd met halfverheven beeldhouwwerk (bas-reliëf).

In

ki

De filosoof Aristoteles beschrijft Hippodamos (498-408 v.C.) als een ijdele man met lange haren. Hippodamos pleit voor een regelmatige stadsplanning. Hij wil een stad met rechte straten, het zogenaamde dambordpatroon, waarbij de verschillende delen van de stad voorbehouden worden voor aparte groepen: ambachtslui, boeren en soldaten. Daarnaast is er een opdeling tussen plaatsen met een religieuze functie zoals tempels, plaatsen met een openbare functie zoals markten en overheidsgebouwen en plaatsen die privébezit zijn. Hij is bekend voor de heropbouw van de stad Milete aan de kust van Klein-Azië. Vele Griekse en Romeinse steden, maar ook hedendaagse steden, worden volgens zo’n dambordpatroon aangelegd.

• Geef een kenmerk van de stadsplanning van Hippodamos die je van de kaart kunt afleiden. • Voor welke drie functies maakt hij ruimte in de stad?

E DE KLASSIEKE KUNST

113


BRON 2 Dorische (A), Ionische (B) en Korinthische (C) zuilen B

C

r

A

BRON 3 De Akropolis met het Parthenon in Athene

In

ki

jk ex

em

A De Akropolis

pl aa

• Plaats de kenmerken bij de juiste zuil. Bij elke zuil horen vier kenmerken. Sommige kenmerken zul je bij verschillende zuilen moeten plaatsen. vrij ‘log’ – vrij ‘slank’ – schacht met ondiepe groeven – schacht met diepe groeven – rond kapiteel met vierkanten dekplaat – kapiteel met krullen – kapiteel met bladmotief met voetstuk – zonder voetstuk

Akropolismuseum Parthenon Erechtheion

Akropolis betekent letterlijk ‘hoge stad’. Hier kan men zijn toevlucht zoeken in tijden van gevaar. In de 5e eeuw v.C. laat de Atheense bestuurder Perikles daar een nieuwe reeks tempels bouwen.

B Het Parthenon

114

LES 27 DE GRIEKSE BOUWKUNST

De bekendste tempel is het Parthenon, ter ere van Athena Parthenos, de maagd Athena. Zij is de beschermgodin van de stad. Die tempel is in een recordtijd gebouwd (447-438 v.C.). De foto toont de tempel aan de westelijke kant. Het Parthenon heeft een grondvlak van ca. 72 meter bij ca. 36 meter. Voor de zuilen en het bovengedeelte gebruikt men geen kalksteen maar marmer, massaal ontgonnen in de marmergroeve van de Penteliconberg, 16 km ten noordoosten van Athene. Grote blokken marmer worden eerst op sleden geladen en daarna overgeladen op enorme wagens. Muilezels trekken die wagens dan op verstevigde wegen naar de Akropolis.


C Grondplan van het Parthenon

D De voorzijde van een tempel zoals het Parthenon

N

A

C

B

D

• Koppel de juiste benaming aan de juiste letter. Kies uit: metoop – triglief – kapiteel – fronton – fries. F Het Parthenon in Nashville, VS (1897)

jk ex

• Vermeld twee kenmerken van het Parthenon. (Je mag de lestekst bekijken.) • Bekijk de zuilen (D). Tot welke bouwstijl behoort deze tempel?

em

De bolletjes stellen zuilen voor. De dikke lijnen zijn muren.

pl aa

r

E

In

ki

E Het Erechtheion met de kariatiden

Het Erechtheion is een tempel waar goden zoals Athena en Poseidon worden vereerd, maar ook mythische koningen, onder wie Erechtheius. Het dak wordt ondersteund door zes vrouwenfiguren die de Grieken ‘meisjes’ noemen. Wij kennen hen beter onder de naam die de Romeinse architect Vitruvius aan hen geeft in de 1e eeuw v.C.: de kariatiden. • Welke functie hebben de kariatiden?

In verschillende periodes van de architectuur inspireert men zich op de klassieke architectuur. Dat merk je in overheidsgebouwen, kerken, paleizen ... Hier gaat men nog een stap verder. In Nashville imiteert men gewoon het Parthenon naar aanleiding van een tentoonstelling. Men gebruikt er wel beton als bouwmateriaal. • Geef twee gelijkenissen met het originele Parthenon. • Geef twee verschillen met het originele Parthenon. (Denk aan het materiaalgebruik en de functie van het gebouw.)

E DE KLASSIEKE KUNST

115


De Romeinse bouwkunst is praktisch en monumentaal

ki

In

Openbare gebouwen met praktische functies

BRON 3 - 4 -5 - 6 -7 De Romeinse staat richt gebouwen op voor ‘alle’ Romeinse burgers. Zo hebben de meeste Romeinse steden een forum, een godsdienstig en

116

LES 28 DE ROMEINSE BOUWKUNST

76 4

r

1

. 27

De Romeinse bouwwerken drukken vaak de macht van het klassieke Rome uit. Vele gebouwen zijn dan ook stevig gebouwd en groots van opzet. De Romeinen nemen van de Etrusken de koepel, de rondboog en het tongewelf over. Zij voegen daar het ‘kruisgewelf’ aan toe. Via het hellenisme komen ze in contact met de Griekse bouwkunst. De hellenisten vervangen de klassieke Griekse soberheid en rust gedeeltelijk door grootsheid en veel versiering. De Romeinen nemen van hen ook de Korinthische stijl over. De Romeinen passen zelf ook nieuwe technieken toe: ze maken beton uit een mengsel van steen, kalk, vulkanisch zand en water. Met dat beton kunnen zij grotere en hogere gewelven bouwen. Tegen een betonnen constructie bouwen ze vaak een bakstenen muur. Soms wordt die vervolgens met marmeren platen bekleed. Ook gebruiken ze dikwijls zuilen in en rond hun gebouwen. Bij de Grieken zijn de zuilen functioneel: ze ondersteunen een balk. Bij de Romeinen daarentegen hebben ze vaak een esthetische functie. Ze moeten het geheel mooier maken. BRON 1-2

2

HET KEIZERRIJK

maatschappelijk centrum van de stad. Je vindt er onder andere tempels, basilica’s, triomfbogen, markten ... Om de goden te eren bouwt men overal tempels. Keizer Hadrianus (117-138) laat het bekende Pantheon bouwen: een tempel voor verschillende goden tegelijk en overbekend voor zijn prachtige enorme koepel van beton. De basilica’s zijn overdekte gebouwen die dienstdoen als handelsbeurs en gerechtsgebouw. Het grondplan van de basilica vormt later de basis voor de christelijke basiliek. Om roemrijke gebeurtenissen en/of personen te eren richten de Romeinen triomfbogen en triomfzuilen op. Die bouwwerken hebben uiteraard geen echt praktisch nut. Om zijn vrije tijd door te brengen beschikt de Romein over tal van mogelijk­heden: in grote amfitheaters zoals het Romeinse Colosseum (70-80) houdt men onder andere gladia­torenspelen. In een circus of renbaan worden paardenwedrennen georganiseerd. De Romein bezoekt zeer regelmatig de thermen: openbare badplaatsen (zie les 40). Het Romeinse theater heeft, in tegenstelling tot het Griekse theater, achter de scène een hoge muur waarin zich vaak nissen bevinden met beelden van keizers en goden. Verschillende Romeinse steden hebben een water- en rioleringsnetwerk. Reusachtige aquaducten brengen het water naar de steden. De thermen en de huizen van rijken zijn vaak aange­sloten op dat netwerk. Viaducten, heerbanen en bruggen moeten het transport van goederen en leger vergemakkelijken.

em

1

mythische stichting

jk ex

pantheon: het geheel van alle goden; bij uitbreiding: gebouw gewijd aan alle goden

DE REPUBLIEK

pl aa

HET KONINKRIJK ontstaan Rome

v. C

v. C 9 50

10

0

75

0

3

v. C

v. C

.

.

De Romeinen hebben overal in het rijk verschillende bouwwerken opgetrokken. Je vindt er in Europa, Azië en Noord-Afrika. Sommige bouwwerken zijn zelfs zeer goed bewaard. Wat zijn de typische kenmerken van de Romeinse bouwkunst? Door wie worden de Romeinen beïnvloed? Welke bouwwerken richten zij op?

.

28

De Romeinse bouwkunst


KUNNEN

1 het doel van monumentale bouwkunst uitleggen 2 de invloed van de Etrusken en het hellenisme op de Romeinse bouwkunst uitleggen 3 twee vernieuwingen in de Romeinse bouwkunst uitleggen 4 het voordeel van beton uitleggen 5 het verschil tussen functioneel en esthetisch gebruik van zuilen uitleggen 6 de functie van een forum, basilica, Pantheon, Colosseum, circus, thermen, aquaducten en triomfbogen geven

1 uit afbeeldingen de kenmerken van een Romeins gebouw afleiden 2 Romeinse gebouwen op afbeeldingen herkennen 3 het functionele en esthetische gebruik van zuilen op afbeeldingen herkennen 4 een forum, basilica, Pantheon, Colosseum, aquaducten en triomfbogen op afbeeldingen herkennen

r

KENNEN

In

ki

jk ex

em

pl aa

BRON 1 Zicht op het Forum Romanum (Rome)

De drie zuilen die nog overeind staan, zijn alles wat nog rest van de tempel van Castor en Pollux. De triomfboog erachter is gebouwd in 203 als geschenk aan keizer Septimus Severus en zijn zonen. • Tot welke stijl behoort de tempel van Castor en ­Pollux? Waaruit kun je dat afleiden? • Waarom wordt er een triomfboog gebouwd?

E DE KLASSIEKE KUNST

117


BRON 2

pl aa

r

Je ziet hieronder toepassingen van enkele technieken uit de Romeinse bouwkunst. Geef de namen van die constructies.

In

ki

jk ex

BRON 3 Het theater van Marcellus (Rome)

em

• Leg met je eigen woorden uit wat een kruisgewelf is. • In welke van de andere documenten van deze les vind je nog een rondboog terug? • Wat is het grote voordeel van het werken met kruisgewelven?

Met de bouw van het theater werd gestart onder Caesar. Het werd verder afgewerkt onder Augustus (13 v.C.). Het gebouw werd genoemd naar een overleden neef van Augustus. • Voor welk ander beroemd gebouw heeft dit theater als voorbeeld gediend? Kijk naar de andere documenten. • Welke functie hebben de zuilen hier: functioneel of esthetisch?

118

LES 28 DE ROMEINSE BOUWKUNST


pl aa

r

BRON 4 De Basilica Nova (Rome)

Een basilica deed dienst als handelsbeurs en gerechtsgebouw. De Basilica Nova werd gebouwd in de 4e eeuw. De overgebleven bogen zijn elk 24 meter hoog en 20 meter breed.

In

ki

jk ex

BRON 5 Het Colosseum (Rome)

em

• Welke constructie zie je hier veelvuldig terugkomen?

Amfitheater voor gladiatorenspelen gebouwd onder de Flavische keizers (69-96). Afmetingen: 45,5 meter hoog, ovale vorm van 156 bij 188 meter doorsnede. Bouwmaterialen: ‘beton’, baksteen en marmer. Capaciteit: 50 000 toeschouwers. • Welke bouwconstructie komt hier veelvuldig voor? • Het Colosseum heeft drie soorten zuilen: zoek ze op de foto en benoem ze. • Julius Caesar komt soms voor in stripverhalen. Sommige tekenaars verwerken in die tekeningen het Colosseum. Waarom kan dat niet?

E DE KLASSIEKE KUNST

119


pl aa

r

BRON 6 Het Pantheon (Rome)

em

Het Pantheon werd tussen 118 en 128 gebouwd als tempel voor de goden. Keizer Hadrianus geldt als bouwheer. Misschien was hij ook de ontwerper. De Korinthische zuilen aan de buitenzijde zijn 12 meter hoog, 1,5 meter dik en ongeveer 60 ton zwaar. De koepel weegt ongeveer 5000 ton en heeft een doorsnede van 43 meter. Via een opening van 9 meter bovenaan in de koepel valt er licht naar binnen. Bouwmaterialen: ‘beton’, baksteen en marmer. • Welk soort zuil zie je op de foto? • Vergelijk deze tempel met een Griekse tempel (bv. het Parthenon).

In

ki

jk ex

BRON 7 De Pont du Gard (Zuid-Frankrijk)

In de 1e eeuw ontwierpen de Romeinen deze constructie, gebouwd op 49 meter hoogte, om water te leveren aan de stad Nemausus, de huidige Franse stad Nîmes. • Je ziet een bouwwerk dat tegelijk viaduct en aquaduct is: leg uit. • Welke bouwconstructie is ook hier duidelijk zichtbaar?

120

LES 28 DE ROMEINSE BOUWKUNST


ARCHAÏSCHE TIJD

. v. C ±

30

r

v. C 0

HELLENISTISCHE TIJD

beeld dynamisch maar toch evenwichtig. Dikwijls toont de kunstenaar een momentopname: de beweging is als het ware verstild of ‘bevroren’. De kunstenaar geeft het naakte lichaam anatomisch vrij juist weer, maar beeldt de mens wel geïdealiseerd uit: mooi en perfect. Het gelaat drukt zelden de gevoelens uit die bij de houding of de afgebeelde situatie passen. De beelden stralen rust en evenwicht uit. Het lijken geen gewone stervelingen, maar goden. Een van de bekendste beeldhouwers uit de klassieke periode is Phidias (500-430 v.C.). Met een groep medewerkers voert hij projecten uit op de Akropolis. Ook zijn tijdgenoten Myron en Polykleitos zijn grote meesters. In de vierde eeuw beelden kunstenaars meer echte, persoonlijke emoties uit. Voor de verhoudingen van het menselijk lichaam wordt de verhouding 1/8 de norm; het hoofd bedraagt een achtste deel van het lichaam. Grote namen uit die periode zijn Lysippos en Praxiteles. Vaak zijn de beelden in brons gegoten. Die originelen zijn meestal niet bewaard gebleven. De meeste beelden kennen we via (Romeinse) kopieën. De Grieken versieren hun tempels met reliëf. Figuren worden uitgehouwen in de stenen van het bouwwerk. Zowel de vrijstaande beelden als de reliëfs worden vaak beschilderd.

em

1

KLASSIEKE TIJD

De Griekse beeldhouwkunst evolueert van statisch naar dynamisch

pl aa

±

±

±

4

33

9

80

0

0

v. C

v. C

.

.

Beeldhouwwerk en schilderingen beelden iets of iemand uit. Die kunstuitingen behoren daarom tot de zogenaamde beeldende kunsten. Producten van de Griekse beeldende kunsten zijn op grote schaal uit Griekenland weggehaald door verzamelaars. Daarom vind je in zeer veel musea tot ver buiten Europa beelden en beschilderd aardewerk uit de Griekse oudheid. Ze zijn een belangrijke inspiratiebron voor de kunst uit latere perioden. Wat zijn de kenmerken van de Griekse beeldhouwkunst? Wat maakt de Griekse schilderkunst zo typisch?

.

29

De beeldende kunsten bij de Grieken

In

ki

jk ex

BRON 1-2 In de Griekse beeldhouwkunst onderscheidt men traditioneel drie grote periodes of stijlen: de archaïsche, de klassieke en de hellenistische. De archaïsche periode (ca. 800-ca. 490 v.C.) is vooral bekend voor de typische kouros- en korèbeelden. Waarschijnlijk dienen ze als geschenk voor een godheid of als gedenkteken bij een graf. De kouros beeldt een rechtopstaande, naakte jongeman uit. Hij is frontaal en statisch voorgesteld; het beeld toont geen of weinig beweging. De kouros is symmetrisch: de linker- en rechterhelft zijn grotendeels gelijk. Typisch is ook de zogenaamde ‘archaïsche’, wat geheimzinnige glimlach. De vrouwelijke tegenhanger van de kouros is de korè. Die jonge vrouw draagt een gedrapeerd kleed. Ze is iets minder stijf afgebeeld.

BRON 3 - 4 -5 Vanaf ca. 490 v.C. besteden de kunstenaars nog meer aandacht aan de juiste verhoudingen en een anatomisch juiste weergave van het lichaam. Ze houden ook rekening met het standpunt van de toeschouwer. De beelden vertonen meer beweging, maar de ‘archaïsche’ glimlach blijft. Die evolutie ontwikkelt zich verder tot de ‘klassieke’ stijl. In de klassieke periode (ca. 490-ca. 330 v.C.) zijn de beelden nog meer in beweging. Symmetrie maakt plaats voor het ‘contrapost’. Bij een staande figuur is het bekken licht gekanteld. Het rechterbeen is gestrekt, het linkerbeen gebogen. Door ook de linkerarm gebogen en de rechterarm gestrekt af te beelden oogt het

Kunsthistorici gebruiken de term ‘hellenis­ tische kunst’ voor de Griekse beeldhouwkunst in de periode die samenvalt met de veroveringen van Alexander de Grote en de regering van zijn opvolgers (ca. 330-ca. 30 v.C.). In die periode verspreidt de Griekse beeldhouwkunst zich naar de veroverde gebieden. Ook de manier waarop kunstenaars hun BRON 6 -7

E DE KLASSIEKE KUNST

121


onderwerpen uitbeelden, verandert. Idealisering maakt plaats voor meer realisme. De beelden lijken almaar meer mensen van vlees en bloed, uit alle lagen van de bevolking en van alle leeftijden. Kunstenaars beelden ook gewone, dagelijkse activiteiten van de mens uit. Ze beklemtonen meer en meer de gevoelens en het karakter van de afgebeelde figuren. De verstilde beweging van de ‘klassieke stijl’ evolueert naar een dramatische, vaak ingewikkelde beweging.

2

De Griekse schilderkunst op aardewerk kent verschillende stijlen

realistisch: XXX

pl aa

r

BRON 8 Van de Griekse schilderkunst zijn vooral de schilderingen op gebruiksvoorwerpen in aardewerk of keramiek (gebakken klei) bewaard gebleven. Amforen,

bekers, kruiken en schalen worden beschilderd met mythologische taferelen en scènes uit het dagelijks leven. Daarom zijn die ‘vazen’ een waardevolle bron voor de kennis van de Griekse samenleving. De decoratie van dat aardewerk evolueert van geometrische patronen tot ingewikkelde taferelen met veel personages. Ook de manier waarop de versieringen zijn aangebracht, varieert. Wanneer de figuren op een rode vaas zwart zijn, spreekt men van de zwartfigurige stijl. Bij de roodfigurige stijl is de vaas zwart en zijn de figuren rood. Van de muurschilderingen is weinig teruggevonden. Dankzij Romeinse kopieën en mozaïeken kunnen archeologen zich wel enigszins een idee vormen van die Griekse schilderkunst.

KUNNEN

KENNEN

1 uit niet-geschreven bronnen kenmerken van de Griekse beeldhouwkunst halen 2 een beeldhouwwerk typeren als archaïsch, klassiek of hellenistisch 3 continuïteit, verandering en evolutie herkennen in Griekse beelden

jk ex

em

1 de begrippen ‘evolutie’, ‘periode’, ‘verandering’, ‘kunstuiting’ uitleggen 2 de begrippen ‘dynamisch’, ‘contrapost’, ‘statisch’, ‘geïdealiseerd’, ‘realistisch’, ‘reliëf’ uitleggen 3 de drie periodes/stijlen in de Griekse beeldhouwkunst geven en situeren in de tijd 4 vijf kenmerken van de archaïsche periode/stijl geven 5 vijf kenmerken van de klassieke periode/stijl geven 6 vier kenmerken van de hellenistische periode/stijl geven 7 de drie perioden/stijlen vergelijken 8 de twee verschillende stijlen in de Griekse schilderkunst vergelijken 9 telkens één voorbeeld geven van continuïteit, evolutie en verandering in de Griekse beeldhouwkunst

BRON 1 Kouros en korè

B Korè, ca. 550-520 v.C., 2,12 m, Akropolismuseum Athene

In

ki

A Kouros, ca. 540-515 v.C., 1,95 m, Akropolismuseum Athene

• Het kourosbeeld is symmetrisch. Argumenteer. • Geef twee verschillen tussen de kouros en de korè.

122

LES 29 DE BEELDENDE KUNSTEN BIJ DE GRIEKEN


BRON 2 De Kouros Moschoforos of Kalfsdrager, ca. 570 v.C., 1,65 m, Akropolismuseum Athene

pl aa

r

BRON 3 De schijfwerper van Myron

Romeinse kopie van een Grieks origineel in brons uit de 5e eeuw v.C., 1,55 m, marmer, Museo Nazionale Romano, Rome • Geef twee verschillen met een kourosbeeld.

em

Dit is het oudste levensgrote beeld dat op de Akropolis gevonden is. De man (Rhombos) draagt op zijn schouders een offerkalf voor de godin Athena.

BRON 5 De speerdrager van Polykleitos

jk ex

• Geef twee verschillen met de kouros uit bron 1A.

In

ki

BRON 4 Poseidon, Apollo en Artemis

Detail van een reliëf op de fries van het Parthenon, ca. 448-429 v.C., 104 x 134 cm, Akropolismuseum Athene • Beschrijf hoe de goden hier worden afgebeeld.

Romeinse kopie (eind 2e-begin 1e eeuw v.C.) van een bronzen origineel (ca. 450 v.C.), 2,12 m, Nationaal Archeologisch Museum, Napels

E DE KLASSIEKE KUNST

123


BRON 6 Laocoöngroep

r

BRON 7 Jongen met doorn in de voet

pl aa

1e eeuw v.C-1e eeuw n.C., marmer, mogelijk kopie van een bronzen origineel van ca. 150 v.C., 242 cm hoog, Vaticaanse musea, Vaticaanstad. De Trojaanse priester Laocoön en zijn twee zonen worden gewurgd door zeeslangen. Het beeld is in 1506 ontdekt in het paleis van Nero in Rome.

em

• Vergelijk de anatomie en de houding van de personages van bronnen 5 en 6. Wat stel je vast? • Vergelijk ook de gelaatsuitdrukking bij beide beelden.

jk ex

1ste eeuw v.C., 73 cm, brons, Capitolijnse musea, Rome • Vergelijk met de onderwerpen van de andere beelden. Wat is hier opmerkelijk?

BRON 8 Zwarte en rode figuren in Grieks aardewerk B

In

ki

A

• Vergelijk de kleur van de figuren en de achtergrond op beide afbeeldingen.

124

LES 29 DE BEELDENDE KUNSTEN BIJ DE GRIEKEN


HET KONINKRIJK

1

mythische stichting

Vooral realistische beeldhouwkunst en schilderkunst

Heel wat Griekse kunstenaars leven en werken in Italië. Ze kopiëren massaal Griekse beelden. De Romeinen baseren zich verder op de Etruskische beeldhouwkunst. In Etruskische graven hebben archeologen mooie beelden teruggevonden. Ondanks die invloeden ontwikkelen de Romeinen een eigen Romeinse kunst. De borstbeelden van politici vertonen een enorme zin voor realiteit. De geportretteerde wordt uitgebeeld zoals hij is: met zijn gebreken en zijn minder mooie kanten. Je herinnert je nog wel dat de Grieken hun goden en helden geïdealiseerd voorstellen. Ook in de Romeinse beeldhouwkunst slaat het realisme soms over naar idealisme. Keizer Augustus bijvoorbeeld wordt mooier afgebeeld dan in werkelijkheid om zijn grootheid en macht te benadrukken. Talloze bouwwerken en huizen van rijke Romeinen worden vaak versierd met bas-reliëfs die een verhaal of gebeurtenis uitbeelden: een processie, een succesvolle veldtocht, belangrijke momenten uit het leven van iemand ... Men noemt die daarom ook historische reliëfs. Zij bieden enorm veel informatie over de tijd van toen. Op de muren van openbare gebouwen en Romeinse huizen staan dikwijls realistische schilderingen. Ze hebben stillevens, landschappen en menselijke figuren als thema. De Romeinen baseren zich ook hier weer op Griekse voorbeelden.

76 4

r

HET KEIZERRIJK

Prachtige mozaïeken versieren eerst de vloeren en daarna ook de wanden. Men gebruikt daarvoor gekleurde steentjes, email of stukken glas. Op die manier beeldt men allerlei taferelen uit.

2

Steensnijkunst en edelsmeedkunst bewijzen het Romeinse vakmanschap

In

ki

jk ex

BRON 1-2-3 - 4

1

. v. C 27

DE REPUBLIEK

em

ontstaan Rome

pl aa

v. C 9 50

±

10

0

75

0

3

v. C

v. C

.

.

Je weet uit de vorige lessen dat de Romeinen zich door tal van volkeren en/of culturen laten beïnvloeden. Toch krijgen we geleidelijk een typische Romeinse kunst. Wat zijn daarvan de belangrijkste kenmerken? Wat is er zo ­speciaal aan de Romeinse beeldende kunst?

.

30

De beeldende kunsten bij de Romeinen

De Romeinen blinken uit in de steensnijkunst. Ze maken prachtige cameeën: figuren worden in edelsteen uitgesneden of gegraveerd en als juweel gebruikt. De Romeinse edelsmeden bewerken edelmetalen. Ze versieren zilveren bekers met bijvoorbeeld een historisch reliëf. Die juwelen worden gemaakt in opdracht van de zeer rijken onder de bevolking. Vaak zijn de hoogste politieke machthebbers (consuls, keizers) de belangrijkste opdrachtgevers. Dat geldt trouwens voor alle grote kunstvoorwerpen. BRON 5

E DE KLASSIEKE KUNST

125


KENNEN

KUNNEN

1 de begrippen ‘realisme’ en ‘idealisme’ uitleggen 2 de invloed van de Grieken en de Etrusken uitleggen 3 vier voorbeelden van eigen Romeinse beeldende kunst opsommen en telkens de belangrijkste kenmerken geven 4 voorbeelden van steensnijkunst en edelsmeedkunst geven

1 aan de hand van een beeldhouwwerk (portret) de termen ‘realisme’ en ‘idealisme’ uitleggen 2 via het internet of een ander naslagwerk twee andere afbeeldingen zoeken van een camee, mozaïek, realistisch portret, historisch reliëf en Etruskische kunst 3 aan de hand van een afbeelding beschrijven hoe je een mozaïek maakt

• Bekijk de uitdrukking van de gezichten: hoe zou je die omschrijven? • Op de voorgrond zie je een kapiteeltje: op welke invloed wijst dat?

ki

jk ex

em

pl aa

r

BRON 1 Etruskische grafkunst: sarcofaag in gebakken klei uit Caere (114 x 119 cm, 520 v.C., Museo Nazionale Etrusco di Villa Giulia, Rome)

In

BRON 2 Realistische portretkunst in Rome

Publius Cornelius Scipio

Cicero

Commodus

Lucius Junius Brutus

• Verklaar de term ‘realisme’ aan de hand van deze beelden. • Bekijk opnieuw bron 3 in les 22 over Augustus. Wordt de keizer realistisch of idealistisch afgebeeld?

126

LES 30 DE BEELDENDE KUNSTEN BIJ DE ROMEINEN


BRON 4 Mozaïekkunst (fragment). Uitbeelding van de slag van Issos (333 v.C.) tussen Alexander de Grote en Darius III (Nationaal ­Museum, Napels)

pl aa

r

BRON 3 De zuil van Trajanus (Rome, 98-117)

em

• Beschrijf aan de hand van dit fragment hoe je een mozaïek maakt. Lees daarvoor ook de lestekst.

In

ki

jk ex

BRON 5 Camee. De Gemma Claudia: links keizer Claudius en rechts ­Germanicus met hun respectieve vrouwen (49 n.C., 12 cm hoog, Kunsthistorisches Museum, Wenen)

De zuil bevat een spiraalreliëf dat de veldtocht tegen Dacië uitbeeldt. • Leg uit wat een spiraalreliëf is. • Wat is het belang van deze ­kunstvorm? • Waarvoor wordt een camee gebruikt, denk je? • Beschrijf de techniek met je eigen woorden. • In het midden zie je een adelaar afgebeeld. Waarvan is die vogel het symbool? • Geef uit de geschiedenis nog een voorbeeld van een figuur die of een rijk dat de ‘adelaar’ als symbool gebruikt.

E DE KLASSIEKE KUNST

127


31

Theater en literatuur in de klassieke oudheid

PREHISTORIE

OUDE NABIJE OOSTEN

4

5

50

17

19 ±

±

±

0 50

±

pl aa

±

±

35

80

0

0

0

v. C

v. C

.

.

14

50

r

Theater, scène, drama, komedie en tragedie … Die woorden vinden hun oorsprong in de Griekse oudheid. In die periode ontstaat het toneel zoals we het nu kennen. Thema’s en figuren uit de Griekse en Romeinse literatuur zijn ook vandaag nog populair in theater en film. Hoe ontstaat het toneel? Hoe ziet een Grieks theater eruit? Welke literaire werken brengen de Grieken en de Romeinen voort?

KLASSIEKE OUDHEID

MIDDELEEUWEN

HEDENDAAGSE TIJD

MODERNE TIJD

jk ex

BRON 1-2-3 - 4 Tijdens de wijnfeesten voor de god Dionysos dragen mannen gehuld in een geitenvel religieuze verhalen voor. Eén man danst en zingt. De rest van de mannen antwoordt in koor. Die kleine, openbare taferelen groeien, waarschijnlijk in de 6e eeuw v.C., uit tot echte toneelvoorstellingen. Dionysos wordt, naast de god van de wijn en de vruchtbaarheid, ook de god van het theater genoemd Zowat elke Griekse stad krijgt een theater, meestal tegen de flank van een heuvel. De toeschouwers hebben er meestal een prachtig uitzicht over de omgeving. Gemaskerde en verklede mannen spelen op het podium twee genres die vandaag ook nog bestaan: de tragedie of het treurspel en de komedie of het blijspel. Een tragedie is meestal een triest verhaal dat uitbeeldt hoe mensen met hun gevoelens en problemen omgaan. Aischylos, Sophocles, Euripides en Aristophanes zijn bekende tragediedichters. Een komedie spot vaak met personen en gebeurtenissen uit het dagelijks leven of met politici. Aristophanes is vooral bekend als komediedichter. Anders dan vandaag is het Griekse toneel een mengeling van poëzie, muziek en dans. De acteurs zingen en spreken in verzen. Het koor, opgesteld op het halfronde orchestra, geeft in verzen commentaar op de gebeurtenissen. Daarom doet het nu meer aan opera denken.

In

continuïteit: wat (in wezen) hetzelfde blijft

1

In Griekenland liggen religieuze en mondelinge tradities aan de basis van theater en literatuur

ki

filosofie: Etymologisch bestaat dit woord uit twee Griekse woorden: ‘filia’ (liefde) en ‘sofia’ (wijsheid). Letterlijk betekent filosofie dus ‘liefde voor de wijsheid’. Synoniem: wijsbegeerte.

em

VROEGMODERNE TIJD

128

LES 31 THEATER EN LITERATUUR IN DE KLASSIEKE OUDHEID

Ook de andere literaire genres zijn gebaseerd op een mondelinge traditie. De epische gedichten toegeschreven aan Homeros (8e eeuw v.C.), de ‘Ilias’ en de ‘Odyssee’ (zie les 7), vertellen oudere mythologische verhalen: goden en helden spelen er de hoofdrol. De Griekse waarden en idealen worden benadrukt. Die verhalen worden pas later opgeschreven. Vanaf het midden van de 8e eeuw v.C. is er een evolutie in de dichtkunst. Er komt meer aandacht voor individuele gevoelens en ervaringen. Het oudst bekende grote werk in proza zijn de ‘Historiën’ van Herodotos (5e eeuw v.C.). Hij wordt beschouwd als de grondlegger van de geschiedenis­ wetenschap. Hij verzamelt bronnen, wil die kritisch onderzoeken en zoekt naar samenhang tussen feiten: oorzaken en gevolgen. Kortom, hij ontwikkelt de historische methode. In diezelfde eeuw schrijft de filosoof Plato de eerste filosofische werken. Hij ontwikkelt o.a. een nieuw literair genre, de ‘dialogen’. Daarin laat hij zijn leraar, de filosoof Socrates, fictieve gesprekken voeren met bekende Atheners. Hij stelt hen filosofische vragen om na te denken over mens en samenleving. Wat is liefde en vriendschap? Hoe kunnen we goed van kwaad onderscheiden? Hoe komen we tot echte waarheid en kennis? Is de dood het einde? De geschriften van Plato bouwen verder op de mondeling overgeleverde filosofie van zijn voorgangers.


2

In de Romeinse literatuur gaan continuïteit en verandering hand in hand

Net zoals in de andere kunsten inspireren de Romeinen zich ook in de literatuur op de Griekse traditie. Ze vertalen veel Griekse gedichten en toneelstukken in het Latijn. Daarnaast zijn er ook Romeinse auteurs die originele werken creëren. De advocaat en politicus Cicero schrijft in de 1e eeuw v.C. onder andere redevoeringen over rechtspraak en politiek. Caesar beschrijft zijn Gallische oorlogen. Onder keizer Augustus (27 v.C.-14 n.C.) kent de Latijnse letterkunde een hoogtepunt. De kunstliefhebber Maecenas, een rijke vriend en medewerker van de keizer, verzamelt auteurs rond zich en steunt ze

r

BRON 5 - 6 -7

financieel en/of met grond. Ze moeten de keizer en zijn idealen verheerlijken. In hun werken staan de eerbied voor de oude Romeinse zeden en gewoonten centraal, bijvoorbeeld deugdzaamheid, dapperheid en waardigheid. De dichter Vergilius schrijft de ‘Aeneis’, een groots epos over de oorsprong van Rome. De historicus Livius beschrijft in ‘Ab urbe condita’ de geschiedenis van het Romeinse Rijk. Hij wil de historische feiten zo goed mogelijk neerschrijven. Toch verheerlijkt hij net als Vergilius de grootsheid van Rome. Beide auteurs leggen ook een mythologisch verband tussen het oude Troje, het ontstaan van Rome en de voorouders van keizer Augustus. Vandaag gebruiken we nog steeds het begrip mecenas voor iemand die kunstenaars sponsort.

KUNNEN

pl aa

KENNEN

1 informatie uit geschreven en nietgeschreven bronnen halen 2 informatie in een woordenboek opzoeken 3 het onderscheid maken tussen mythologische verhalen en historische feiten 4 verbanden leggen tussen maatschappelijke domeinen 5 continuïteit, verandering en evolutie herkennen

jk ex

em

1 de begrippen ‘continuïteit’, ‘evolutie’, ‘filosofie’, ‘mondelinge traditie’ en ‘verandering’ uitleggen 2 de begrippen ‘komedie/blijspel’, ‘tragedie/treurspel’ en ‘mecenas’ uitleggen 3 het ontstaan van het Griekse toneel verklaren 4 de vormelijke kenmerken van een Grieks toneelstuk beschrijven 5 de functie van de maskers uitleggen 6 de locatie van een Grieks theater beschrijven 7 drie onderdelen van een Grieks theater geven 8 drie genres van Griekse literatuur geven 9 drie genres van originele Romeinse literatuur geven 10 het hoogtepunt van de Romeinse literatuur situeren in de tijd 11 het doel van de Romeinse literatuur in de tijd van Augustus uitleggen 12 telkens één voorbeeld geven van continuïteit, evolutie en verandering in de Griekse en/of Romeinse literatuur

In

ki

BRON 1 Vaas, ca. 480 v.C., 40,5 cm hoog, Oudheidkundig Museum, Basel

• Bekijk de afbeelding aandachtig en vergelijk met de lestekst over het Griekse toneel. Wie zijn de figuren rechts? Wat doen ze?

E DE KLASSIEKE KUNST

129


pl aa

r

BRON 2 Een Grieks theater (Epidauros)

Theater van Epidauros, Griekenland, 4e eeuw v.C., plaats voor 14 000 toeschouwers

BRON 3 B

C

In

ki

jk ex

A

em

• Beschrijf de ligging van dit theater in verhouding tot de natuurlijke omgeving. • Welk voordeel biedt dat aan de toeschouwers? • Welke onderdelen vind je ook in hedendaagse theaters en operagebouwen terug?

Vaas, ca. 440-430 v.C., 24,1 cm hoog, 18 cm diameter, Museum voor Schone Kunsten, Boston Twee mannelijke acteurs verkleden zich en maken zich klaar om op te treden.

Mozaïek, 2e eeuw v.C., 74,6 cm, Capitolijnse Musea, Rome Twee toneelmaskers

Detail van een vaas, ca. 410 v.C., 73,5 cm hoog, Nationaal Archeologisch Museum, Napels Acteurs, links een acteur verkleed als de halfgod Heracles met knots en leeuwenvel

Bekijk de afbeeldingen en lees aandachtig de informatie. • • • •

130

Wat leren deze bronnen over het Griekse toneel? Welk soort verhalen worden er verteld? Wat doen de acteurs om hun personages en het verhaal goed over te brengen? Welke van de drie bronnen toont aan dat er op het vlak van het toneel continuïteit is in de klassieke oudheid? Leg concreet uit.

LES 31 THEATER EN LITERATUUR IN DE KLASSIEKE OUDHEID


BRON 5

BRON 4

pl aa

r

O gelukkige landbouwers, als ze zich tenminste bewust zouden zijn van hun rijkdom! De tweedracht van de oorlog is ver van hun bed. Met zijn bodem voorziet de rechtvaardige aarde hen met gemak in hun levensonderhoud. Nee, zij wonen niet in een enorm huis met prachtige poorten, dat ’s morgens een enorme golf van groetende cliënten uitspuwt uit al zijn kamers. Zij vergapen zich niet aan kleurrijke deurposten ingelegd met mooi schildpadleer, aan kledij geborduurd met goud en Corinthisch brons. Hun blanke linnen is niet gekleurd met Syrisch purper en de olie die zij gebruiken is niet bezoedeld door aromatische kruiden. Maar ze zijn zeker van vrede en van een leven zonder leugens, rijk aan diverse schatten (…) Uit: Vergilius, Georgica, boek II

Publius Vergilius Maro is een Romeins dichter (70-19 v.C.) • Welke twee levenswijzen vergelijkt Vergilius? • Welke levenswijze verkiest Vergilius? Staaf je antwoord met een tekstfragment.

jk ex

em

PRAXAGORA: Dames, nu jullie allemaal hier zijn, zet je neer en laat me jullie een vraag stellen. (…) Hebben jullie gedaan wat we zeiden dat we zouden moeten doen (…)? (Ze hadden afgesproken zich te vermommen als mannen.) EERSTE VROUW: (Ze heft haar arm op en toont een enorme pluk haar onder haar oksel.) Ik heb het gedaan. Ik heb mijn haar onder mijn oksels zo lang laten worden dat een leeuw erin zou kunnen verdwalen, net zoals je ons hebt gezegd! En wanneer mijn man naar de markt ging, pakte ik de olie, smeerde er mij mee in en stond zo de hele dag in de zon om mijn lichaam donker te laten worden. PRAXAGORA: (…) Goed. Wel, laten wij, nu er nog sterren aan de hemel staan, verdergaan met onze plannen. De volksvergadering zal bij zonsopgang openen. Wij zijn er klaar voor. Nietwaar, zusters? EERSTE VROUW: Absoluut, bij Zeus! En we moeten er vroeg binnengaan en ons direct voor de plaats van de voorzitter neerzetten. PRAXAGORA: (…) (Ze oefent haar speech.) Nu! Ahum! Ik smeek de goden dat zij al onze wensen vervullen. Mannen, ik maak net zozeer als jullie deel uit van dit land en ik ben echt ongerust, echt verdrietig over de verschrikkelijke stand van zaken in onze stad. Jullie kiezen altijd de verschrikkelijke leiders. Verschrikkelijk! En als een van hen op een dag iets goeds doet en nuttig is, dan is hij daarna gedurende de volgende tien dagen compleet van slag! Dan nemen jullie een andere leider en die is zelfs nog slechter dan de vorige. (…) Uit: Aristophanes, Het vrouwenparlement, naar een vertaling van G. Theodoridis, 2004

ki

Aristophanes (446-385 v.C.) is een blijspeldichter die graag de draak steekt met zijn tijdgenoten. Op het einde van zijn leven wordt Athene minder democratisch. Om moeilijkheden te voorkomen moet hij voorzichtig zijn met wat hij schrijft.

In

• Is dit verhaal een komedie of een tragedie? Argumenteer met een fragment uit de tekst. • Met wie spot de auteur: met de vrouwen of met de mannen? • Een blijspel noemen de Grieken ook een saterspel. Ons woord ‘satire’ is daarvan afgeleid. Zoek de betekenis van dat Nederlandse woord op.

BRON 6

Hoe dat ook mag uitpakken, ik zal in ieder geval het genoegen smaken ook zelf een bijdrage te hebben geleverd aan het in stand houden van de herinnering aan de verrichtingen van het volk, dat de leider is van de hele wereld. (…) Geen onverdacht historisch materiaal, maar een traditie van poëtische verhalen bepaalt de kennis van de tijd vóór de stichting van de stad. Ik ben niet van plan die te bevestigen of te weerleggen. De grijze oudheid mag het menselijke en het goddelijke vermengen en zo het begin van steden een verhevener status geven. Geen volk verdient méér de vrijheid om zijn oorsprong heilig te maken en te herleiden tot een goddelijk initiatief. Het Romeinse volk heeft zo’n grote roem in de oorlog, dat alle volkeren accepteren dat het Mars noemt als de vader van zijn stichter en zijn eigen vader – met dezelfde kalmte waarmee zij het Romeins gezag aanvaarden. Uit: Titus Livius, Ab urbe condita, voorrede Titus Livius (59 v.C.-17 n.C.) is een Romeinse geschiedkundige uit de vriendenkring van keizer Augustus. Hij verhaalt de geschiedenis van Rome vanaf het ontstaan tot 9 n.C. • Livius vindt de bronnen van de tijd vóór de stichting van Rome niet erg betrouwbaar. Juist of onjuist? Argumenteer met een fragment uit de tekst. • Hoe motiveert hij dat het Romeinse volk Mars de vader van zijn stichter en zijn eigen vader kan noemen? Leg uit in je eigen woorden.

131


BRON 7 B

C

Romeinse kopie (2e helft van de eerste eeuw n.C.) van een Grieks origineel (midden 5e eeuw v.C.) , marmer, Glyptothek, München

Romeinse kopie (2e eeuw v.C.) van een Grieks bronzen beeld (4e eeuw v.C.), marmer, Metropolitan Museum of Art, New York

Romeinse kopie (1e eeuw n.C.) van een beeld van de Griekse beeldhouwer Silanion (midden 4e eeuw v.C.), marmer, Vaticaanse Musea, Rome

Aan Homeros (8e eeuw v.C.) worden twee heldendichten toegeschreven: de ‘Ilias’ en de ‘Odyssee’. Die epen vertellen oudere mythologische verhalen waarin goden en helden de hoofdrol spelen. De Griekse waarden en idealen worden erin beklemtoond.

Herodotos (ca. 484-424 v.C.) werd geboren in Halikarnassos in KleinAzië, het huidige Bodrum (Turkije). Hij is de eerste waarvan we weten dat hij bronnen kritisch wil onderzoeken. Die bronnen verzamelt hij onder andere tijdens zijn reizen. Hij maakt een onderscheid tussen wat hij zelf gezien heeft en wat hem verteld wordt. Hij zoekt naar samenhang tussen feiten: oorzaken en gevolgen. Met zijn werk wil hij verhinderen dat ‘de sporen van menselijke gebeurtenissen’ verloren zouden gaan. Zijn ‘Historiën’ handelen onder meer over de oorlogen tussen de Grieken en de Perzen. Hij vertelt ook spectaculaire en mythologische verhalen.

Plato (ca. 427-347) is een Atheens filosoof. Zijn leermeester was Socrates. Die is het hoofdpersonage in een nieuw literair genre dat Plato ontwikkelt: de dialogen. Socrates gaat er telkens in gesprek met andere personen over verschillende onderwerpen. Wat is liefde en vriendschap? Hoe kunnen we goed van kwaad onderscheiden? Hoe komen we tot echte waarheid en kennis? Is de dood het einde? Hij probeert de gesprekspartner te doen inzien dat zijn antwoord geen antwoord op de vraag of geen definitie is. Zo wil Plato de lezer zelf aanzetten tot nadenken. De geschriften van Plato bouwen verder op de mondeling overgeleverde filosofie van zijn voorgangers.

pl aa

em

jk ex ki In

• • • • • •

r

A

Lees de informatie over de Griekse auteurs. Welke literaire genres beoefenen zij? Wat willen die auteurs met hun werk bereiken? Toon aan dat er continuïteit is tussen hun werk en dat van vroegere generaties. Herodotos wordt de vader van de geschiedschrijving genoemd. Geef drie redenen waarom. Waarom moeten we ook kritisch zijn over wat hij schrijft in zijn ‘Historiën’? Geef nog één reden (die niet expliciet vermeld is) waarom we zijn werk als historische bron kunnen gebruiken voor de geschiedenis van de Griekse oudheid. • Kunnen we van de buste van Homeros afleiden hoe hij eruitzag? Staaf je antwoord. • Geef uit de historische achtergrond nog een bewijs dat we kritisch moeten zijn met informatie.

132

LES 31 THEATER EN LITERATUUR IN DE KLASSIEKE OUDHEID


E

OVERZICHT

De klassieke kunst MONUMENTAAL

BOUWKUNST tempel met dezelfde opbouw

Grieken

ETRUSKEN

em

v. C 0 0 .8 ca

Ionisch

Korintisch

schilderingen

.

beeldhouwkunst

symmetrisch + statisch

Dorisch

koepel, rondboog en gewelfbouw

BEELDENDE KUNSTEN

ARCHAÏSCHE PERIODE

pl aa

macht van Rome uitdrukken

Romeinen

r

3 soorten zuilen

Grieks aardewerk roodfigurig

v. C

.

jk ex

zwartfigurig

.4

9

0

KLASSIEKE PERIODE

ca

ideale vorm + momentopname

0

v. C

.

HELLENISTISCHE PERIODE

In

ki

33

realistisch + emoties

ca

.3

0

v. C

.

Romeinen

ROMEINSE PERIODE

realisme + idealisme

realistische schilderingen

mozaïek

THEATER EN LITERATUUR Grieken

toneel: Dionysosspelen

treurspel + blijspel

dichtkunst Romeinen

literatuur

bloeiperiode onder keizer Augustus

OVERZICHT E DE KLASSIEKE KUNST

133


r

Voor vele mensen vandaag en in het verleden is godsdienst belangrijk. Hij geeft antwoord op tal van vragen als: Wat ben ik? Waarom besta ik? Waarom leef ik? Bestaat er een hogere macht? Is er leven na de dood? Het antwoord op die vragen verschilt van godsdienst tot godsdienst. Godsdiensten hebben vaak kenmerken die op elkaar gelijken. Vorig schooljaar heb je kennisgemaakt met de prehistorische godsdiensten en de Egyptische godsdienst. Welke overeenkomsten met het

pl aa

F

De godsdienst in de klassieke oudheid

OUDE NABIJE OOSTEN

jk ex

PREHISTORIE

em

Âą

35

0

0

v. C

.

christendom vind je in de onderstaande documenten terug?

B De Egyptische godin Isis lactans met haar zoontje, de god Horus

In

ki

BRON 1 A Een prehistorisch beeldje dat waarschijnlijk de oermoeder of een andere vruchtbaarheidsgodin voorstelt

Venus van Willendorf, beeldje uit beschilderde kalksteen, 11,1 cm, onzekere datering 30 000-22 000 v.C., Natuurhistorisch Museum, Wenen

134

F DE GODSDIENST IN DE KLASSIEKE OUDHEID

Bronzen beeld, hoogte 55 cm, breedte 23,5 cm, diepte 15 cm, ca. 680-640 v.C., Walters Art Museum, Baltimore

• Met welke figuur uit het christendom kan deze godin min of meer vergeleken worden?


r em

4

19

±

±

17

50

5

pl aa ±

±

14

50

50

0

. v. C 0 80 ±

MIDDELEEUWEN

jk ex

KLASSIEKE OUDHEID

HEDENDAAGSE TIJD MODERNE TIJD

VROEGMODERNE TIJD

In

ki

BRON 2 Fragment uit een Egyptisch dodenboek

Dodenboek van Hoenefer, beschilderd papyrus, hoogte 45 cm, lengte 90,5 cm, ca. 1275 v.C., British Museum, Londen

De god Osiris oordeelt of een overledene binnen mag in het hiernamaals. Op de papyrus staan nog drie andere goden: Anoebis, Thot en Horus. • Met welk gebeuren uit het christendom stemt dit overeen? • Is de Egyptische godsdienst dan monotheïstisch of polytheïstisch?

F DE GODSDIENST IN DE KLASSIEKE OUDHEID

135


De Griekse en de Romeinse godsdienst: een zaak van geven en nemen

De Griekse en Romeinse godsdienst zijn in oorsprong natuurgodsdiensten: ze waren gebaseerd op natuurverschijnselen. Later zullen Grieken en Romeinen zoals de meeste volkeren verschillende goden vereren. Men noemt dat polytheïsme. Maar Grieken en Romeinen spreken niet van geloof als zij hun verhouding met de goden onder woorden brengen. Godsdienst gaat bij hen vooral over het doen van de juiste dingen. De goden zijn verantwoordelijk voor de orde en de normale gang van zaken in de wereld: het slagen van oogsten, het uitblijven van natuurrampen, de overwinning in een oorlog ... De Grieken en de Romeinen sluiten een soort verzekeringspolis met hun machtige bovenburen. Ze richten altaren en tempels op voor de goden en brengen onder andere offers. Zo tonen de mensen hun eerbied voor de goden. In ruil daarvoor leiden die alles wat er op aarde gebeurt in goede banen. Als er toch iets misloopt (een misoogst, een natuurramp, een nederlaag in een oorlog) gaat men ervan uit dat men een bepaalde godheid beledigd heeft. Die belediging kan echter weer ongedaan gemaakt worden door een tegenprestatie (een offer bijvoorbeeld). Wil je vrede met de goden, dan moet je dus de juiste handelingen stellen. Voor de Grieken belangrijke beslissingen nemen, raadplegen ze orakels. Op die speciale plaatsen kan men na het brengen van een offer een godheid om advies vragen. Die antwoordt meestal via een ziener of zieneres. De antwoorden zijn dikwijls raadselachtig en vaag.

In

ki

jk ex

BRON 1-2- 4

136

LES 32 DE GRIEKSE EN DE ROMEINSE GODSDIENST

2

em

1

5 4

50

19

17

±

PREHISTORIE OUDE NABIJE OOSTEN KLASSIEKE OUDHEID MIDDELEEUWEN

±

50

14

±

pl aa

80 ±

±

50

v. C 0

v. C 0 0 35 ±

r

.

0

De Grieken en Romeinen hebben meer dan één god. Wat is de relatie tussen goden en mensen? Hoe stellen ze zich de goden voor? Welke godsdienstige gebruiken hebben de Grieken en Romeinen? Waarin verschillen de Griekse en Romeinse godsdienst van elkaar?

.

32

De Griekse en de Romeinse godsdienst

HEDENDAAGSE TIJD

MODERNE TIJD

VROEGMODERNE TIJD

De goden: een bont gezelschap

De Griekse mythologie verklaart wie en hoe de goden zijn. Veel van die verhalen verklaren allerlei zaken. Het raadsel van de wisseling der seizoenen wordt uitgelegd in het verhaal van de aardmoeder Demeter. Die moet gedurende een deel van het jaar haar dochter Persefone aan de onderwereldgod Hades afstaan. Terwijl ze treurt, wordt het winter. Als haar dochter bij haar terugkeert, begint de lente. De snelle omschakeling van winter naar voorjaar in Griekenland, waarbij de velden binnen enkele dagen vol bloemen staan, ligt aan de basis van die mythe. In tegenstelling tot de Grieken hebben de Romeinen nauwelijks mythen. De Griekse goden zijn niet almachtig. Ze hebben wel wat voordelen op de mensen: ze zijn onsterfelijk, beschikken over speciale krachten en zijn in hun mensengedaanten mooi. Het voorstellen van goden als mensen noemt men antropomorfisme. In Homerische verhalen kunnen de menselijke helden de goden zelfs verwonden. In hun doen en laten zijn de goden allesbehalve beter dan de mensen. Ze maken zich af en toe schuldig aan leugens, diefstallen, overspel en bedrog in al hun vormen. Dikwijls verschijnen de goden als dikke egoïsten. De twaalf voornaamste Griekse goden vormen één bonte familie en wonen op de berg Olympos. De oppergod Zeus, een verwoed rokkenjager, is getrouwd met Hera, een jaloerse en ijdele godin. Alle goden hebben hun functie. Zo is Zeus de god van de bliksem. Elke stad heeft ook zijn eigen beschermgod. Pallas Athene is de bescherm­godin van BRON 3 -5


Goden komen en gaan

Nieuwe en vreemde goden vinden gemakkelijk een plaats. Binnen het polytheïsme is er plaats voor vele andere goden. Grieken en Romeinen zijn godsdienstig verdraagzaam, zolang je maar de voorgeschreven offers aan de goden brengt. Goden kunnen in populariteit stijgen en dalen. Velen doen dan ook aan godsdienstig shoppen: werkt het offer niet bij een bepaalde god, dan probeer je gewoon een andere.

r

1 de begrippen ‘polytheïsme’, ‘orakel’ en ‘mythe’ uitleggen 2 vier kenmerken van de Griekse en Romeinse godsdienst opnoemen 3 de werking van een orakel uitleggen 4 drie verschillen tussen de Griekse en de Romeinse godsdienst uitleggen 5 uitleggen hoe de Grieken en de Romeinen hun goden voorstellen 6 zes gelijkenissen tussen de Griekse en de Romeinse godsdienst uitleggen 7 de godsdienstige verdraagzaamheid van de Romeinen uitleggen en daarvan de gevolgen geven

jk ex

BRON 6

KENNEN

pl aa

3

Grieken en Romeinen herkennen zonder problemen hun eigen goden in die van andere volkeren. Vooral vanaf de 3e eeuw v.C. stellen de Romeinen hun goden met Griekse goden gelijk. Ze nemen geleidelijk elementen van de Griekse mythologie over. Jupiter wordt zo gelijk aan Zeus. Ze voeren vreemde goden of godsdiensten zonder problemen in. De Isiscultus uit Egypte en de Mithrascultus uit Perzië zijn daarvan twee voorbeelden. Als de Romeinen een nieuw gebied veroverden, proberen ze de goden van die streek gunstig te stemmen. Ze voegen ze bij de lijst van vereerde goden of vereenzelvigen ze met de b ­ estaande goden.

em

… Athene. De goden zijn overal aanwezig en kunnen gewoon tussen de mensen komen. Ook de Romeinen kennen talrijke goden. Ze verschillen echter van de Griekse. Oorspronkelijk gaat het om gezichtsloze krachten die je te vriend moet houden. In tegenstelling tot de Griekse goden handelen ze niet zoals stervelingen. Er bestaan dus weinig verhalen over hun activiteiten. De talrijke godheden staan naast elkaar zonder enig verband of enige familie­relatie. Hun persoonlijke geschiedenissen bevatten geen huwelijken of afstamming. Aan het hoofd van het vroegste Romeinse pantheon staat het drietal Jupiter, Mars en Quirinus. Jupiter is de heerser over alle goden en de god van de hemel en het onweer. Hij waakt ook over de Romeinse staat. Grieken en Romeinen hebben geen heilig boek waarin hun geloof is vastgelegd. Ze hebben geen aparte groep priesters. De priesters zijn meestal burgers die voor een bepaalde periode gekozen worden. Ze regelen de feestelijkheden, de offers en de eredienst. Elke gemeenschap kent vaste feestdagen voor haar god. Het is een burgerplicht om aan die feesten deel te nemen. Alle goden krijgen offers die meestal bestaan uit voedsel (graan, vlees ...) dat in een offervuur buiten de tempel verbrand wordt.

KUNNEN

ki

1 geschreven bronnen intensief lezen en er informatie uit afleiden 2 verschillende godsdiensten met elkaar vergelijken

In

BRON 1 Grieks votiefreliëf

Reliëf in pentelisch marmer, ca. 200 v.C., hoogte 61 cm, breedte 79 cm, Glypothek, München Een votief is een dankgeschenk voor verkregen gunsten. • • • •

Waar op de afbeelding staan twee godenparen? Waaraan kun je de goden herkennen? Waarom weten we niet om welke goden het gaat? Beschrijf de afbeelding met je eigen woorden.

F DE GODSDIENST IN DE KLASSIEKE OUDHEID

137


BRON 2 Het orakel van Delphi In het midden van Griekenland, aan de voet van de berg Parnassus, ligt Delphi. Volgens de oude Grieken is het een van de heiligste plaatsen van de wereld. Van overal komen mensen naar de tempel van Apollo om de zieneres advies te vragen. Die zieneres of ‘Pythia’ zit op een driepoot boven een ronde steen die volgens de Grieken het middelpunt van de aarde is. De oude Grieken geloven dat ze namens Apollo advies geeft over wat zij moeten doen of laten. Uit de grond kwamen dampen die de zieneres bedwelmden. Haar adviezen waren vaak vaag en dubbelzinnig, zodat ze door priesters uitgelegd moesten worden. • Welke elementen uit de tekst vind je op de afbeelding terug? • Waarom zijn de uitspraken van de ‘Pythia’ zo vaag en dubbelzinnig? Aegeus, de mythische koning van Athene, vraagt raad aan het orakel van Delphi. Roodfigurige drinkschaal (kylix), ca. 440-430 v.C., Oude museum, Berlijn BRON 3 De Olympische goden

pl aa

B

C

D

jk ex

em

A

r

Hieronder zie je afbeeldingen van enkele Olympische goden.

• Welke goden zie je op de afbeeldingen? Je herkent elke god aan het attribuut, dat verwijst naar zijn of haar macht. 2 Poseidon, de zeegod 4 Apollo, de god van het licht en de muziek

ki

1 Zeus, de oppergod en dus heerser van hemel en aarde 3 Pallas Athene, de godin van de wijsheid

In

BRON 4 A Een offer voor de god Mars

Reliëf op de basis van de zogenaamde Decennaliazuil op het Forum Romanum in Rome, opgericht in 303

138

LES 32 DE GRIEKSE EN DE ROMEINSE GODSDIENST


B Vader Mars, ik smeek je en vraag je welwillend en genadig te zijn tegenover mij en mijn familie en huishouden. Daarvoor heb ik dus bevolen deze suovetaurilia rond mijn velden, mijn land en mijn boerderij te leiden, opdat jij ziektes, zichtbaar en onzichtbaar, voedselschaarste en verwoestingen, rampen en guur weer zou afwenden, terugdringen en verdrijven en opdat jij de mogelijkheid zou geven aan de veldvruchten, het graan, de wijnranken en de jonge gewassen om te groeien en van goede kwaliteit te worden, opdat jij mijn herders en kuddes in veiligheid zou houden en opdat jij gezondheid en kracht zou geven aan mij, mijn familie en mijn huishouden. Met deze bedoeling moeten mijn boerderij, land en velden gezuiverd worden en zoals ik al gezegd heb: wees vereerd met dit offer van deze nog moedermelkzuigende suovetaurilia. Uit: Cato, De agri cultura, 141 De Romein Cato (234-149 v.C.) beschrijft in zijn werk ‘Over het landelijke leven’ het volbrengen van een suovetaurilia-offer.

BRON 5 A De Vestaalse maagden

B

Als straf voor het merendeel van hun vergrijpen krijgen de maagden slaag, waarbij de opperpriester de schuldige soms op het naakte lichaam straft, achter een gordijn op een donkere plaats; maar zij die haar kuisheidsgelofte schendt, wordt levend begraven bij de Collijnse Poort (…) Daar legt men een onderaardse kamer aan, niet groot, met een trap die van boven naar beneden leidt. Er staat een opgemaakt bed in, een brandende lamp en kleine hoeveelheden van de voor het leven noodzakelijke dingen, zoals brood, water in een kan, melk, olijfolie, alsof de Romeinen zich daarmee zouden reinigen van de schuld door honger een leven te vernietigen dat aan de hoogste eredienst was gewijd … Zodra de vrouw beneden is, wordt de trap weggehaald en de toegang tot het vertrek onder een hoop aarde bedolven, die hem aan het oog onttrekt, zodat de plaats even hoog is als de rest van de wal. Zo worden dus diegenen gestraft die hun heilige gelofte van kuisheid breken.

ki

jk ex

em

In Rome staan de Vestaalse maagden in dienst van Vesta, de godin van het haardvuur. Zij wordt vereerd in een cirkelvormige tempel op het Forum Romanum. De tempel bevat geen godenbeeld, maar een haardvuur dat altijd brandend moet worden gehouden. Dat gebeurt door zes Vestaalse maagden, die op jonge leeftijd worden gekozen. Zij leggen een gelofte van kuisheid af: gedurende dertig jaar moeten zij maagd blijven. Bij overtredingen (doven van het vuur, seksuele contacten met mannen) wachten hen zware straffen.

r

Voor welke godheid wordt hier een p ­ rocessie gehouden? Welke dieren zijn de ‘suovetaurilia’? Wat is er speciaal aan die dieren? Wat is de bedoeling van het offer?

pl aa

• • • •

In

Beeld van Vestaalse maagd, gevonden bij opgravingen op het Forum Romanum in Rome

Uit: Ploutarchos, Parallelle levens, Numa Pompilius, 10 • Wat is een belangrijke taak van de Vestaalse maagden? • Wat gebeurt er met een Vestaalse maagd die haar gelofte van kuisheid breekt?

BRON 6 De Mithrascultus

De Mithrascultus in het Romeinse Rijk is waarschijnlijk ontstaan in Rome tijdens de 1e eeuw en van daaruit verspreid over het hele rijk. Tot het einde van de 4e eeuw is de cultus heel populair bij soldaten, handelaars en ambtenaren. De aanhangers worden in verschillende stappen ingewijd en zijn geheimhouding verplicht. Ze komen samen in ondergrondse gebouwen waarbij het plafond het hemelgewelf voorstelt, versierd met planeten, de zon, maan en sterren. Een veelvoorkomend beeldhouwwerk stelt de god Mithras voor die de hemelstier doodt en zo aan de wereld vruchtbaarheid verzekert. • Beschrijf met je eigen woorden de centrale afbeelding. • Waarom is een Mithraeum ingericht als een grot?

F DE GODSDIENST IN DE KLASSIEKE OUDHEID

139


1

Spelen ter ere van Zeus

Tijdens de klassieke oudheid zijn er op verschillende plaatsen in Hellas sportwedstrijden. Ze zijn een manier om de goden te vereren. De oudste en belangrijkste hebben om de vier jaar plaats in Olympia (Peloponnesos). De eerste officiële Olympische Spelen worden in 776 v.C. gehouden, maar daarvoor zijn er al godsdienstige spelen geweest. Historici weten niet of er na 261 nog regelmatig spelen worden gehouden. Wel staat vast dat keizer Theodosius heidense spelen ca. 394 verbiedt. Olympia is een zeer oude heilige plaats. Geleidelijk ontwikkelt het zich tot een groot heiligdom met de tempel van Zeus als centrum. Elke vier jaar trekken burgers van Elis (de stad die de Spelen organiseert) de Helleense wereld rond om de Olympische Spelen aan te kondigen. Alle vrije Helleense mannen mogen eraan deelnemen. Vrouwen mogen noch deelnemen noch komen kijken. Wanneer Hellas een provincie van het Romeinse Rijk wordt (2e eeuw v.C.), kunnen ook burgers van het Romeinse Rijk aan de Spelen deelnemen. Tijdens de Spelen eerbiedigen de Hellenen een bestand van drie maanden: atleten en hun begeleiders krijgen een vrijpas om naar Olympia te reizen. Een eventuele oorlog wordt niet stilgelegd. Een maand voor de aanvang van de Spelen begeven de deelnemers zich ter plaatse om zich er verder voor te bereiden. Twee dagen voor de opening begint een processie van 57 km langs de heilige weg naar Olympia.

In

ki

jk ex

BRON 1-2

140

9 18

OLYMPISCHE SPELEN

em

OLYMPISCHE SPELEN

±

r pl aa

±

77

±

6

39

v. C

4

6

Al meer dan honderd jaar vinden om de vier jaar de Olympische Spelen plaats. Ze zijn ­gebaseerd op spelen in de klassieke oudheid met dezelfde naam. Hoe en waar zijn die ­ontstaan? Wat is kenmerkend voor de ­spelen? Welke sporten worden er beoefend? Wat valt er te winnen?

.

33

De Olympische Spelen in de oudheid

LES 33 DE OLYMPISCHE SPELEN IN DE OUDHEID

De eerste Spelen duren slechts één dag. Later worden het vijf dagen. Drie dagen daarvan (dag één, drie en vijf) zijn voor een groot gedeelte gevuld met gods­dienstige plechtigheden. Op de eerste dag is er een openings­ ceremonie. De deelnemers gaan in processie naar het beeld van Zeus. Daar zweren zij, in aanwezigheid van de scheidsrechters, een eed waarbij zij beloven zich aan de regels te zullen houden (zoals dat vandaag ook nog gebeurt). Daarna zijn er offers van de deelnemende steden voor hun beschermgoden. Hoe groter het geschenk voor Zeus, hoe meer aanzien je krijgt. Op de derde dag offert men honderden ossen aan Zeus. De beenderen worden op het altaar verbrand. Het vlees bewaart men voor de grote feestmaaltijd ’s avonds. Op de vijfde dag brengt men offers aan alle godheden op Olympia. De winnaars van de wedstrijden krijgen hun overwinningsteken in de tempel van Zeus.

2

De oude Olympische sporten

De atleten sporten naakt. In 776 v.C. is er slechts één wedstrijdonderdeel: de lange sprint (dromos). Bij dat loopnummer leggen de atleten 192,27 meter af. Daarna komen er nieuwe loopnummers bij: de middellange afstand (diaulos, tweemaal de afstand van de dromos) en de lange afstand (dolichos of 24-maal de dromos). In 708 v.C. komt de vijfkamp (pentatlon) erbij. Die bestaat uit hardlopen, speerwerpen, discuswerpen, verspringen en worstelen. De atleet die drie van de vijf BRON 3 - 4


te beschermen, dragen ze een lederen of bronzen helm. Het pankration is een vechtsport, waarbij vrijwel alles mag, behalve bijten en elkaar de ogen uitsteken. De tegenstanders schoppen, slaan en stompen elkaar. Een Olympisch winnaar krijgt als beloning voor zijn overwinning een olijftak van de heilige boom van Zeus. Historici vermoeden dat men van die tak misschien kransen maakt. De winnaar wordt in zijn eigen stad uitvoerig beloond. Zo voert Solon in de 6e eeuw v.C. een beloning van 500 drachmen in voor een Atheens winnaar van de Olympische Spelen. Dat bedrag is meer dan het jaarloon van een arbeider. Daarnaast stijgt hij ook in aanzien en krijgt hij een ereplaats bij openbare plechtigheden.

Nike: (spreek uit: Nikei): godin van de overwinning

r

nummers wint, is de winnaar. Verspringen gebeurt anders dan vandaag: de atleten gebruiken gewichten bij het springen. Als er één sport bekendstaat als een klassieke sport, dan is het wel het discuswerpen. Toen men dat onderdeel bij de nieuwe Olympische Spelen van 1896 wilde invoeren, moesten sporters eerst naar oude afbeeldingen van Griekse discuswerpers kijken om te leren hoe men het moest doen. Nieuwe sporten die er nog later bijkomen, zijn het boksen, de wagenrennen en paardenkoersen, de hardloopwedstrijd in volle wapenrusting (hoplitodromos) en het pankration. Het boksen of vuistgevecht is heel gewelddadig. De beoefenaars van deze sport laten rondom hun handen en polsen lederen banden draaien die voorzien zijn van een ijzeren beslag. Om hun hoofd

KUNNEN

1 de klassieke Olympische Spelen in de tijd situeren 2 het doel van de Olympische Spelen uitleggen 3 vier kenmerken van de Olympische Spelen geven 4 uitleggen wie aan de Spelen mag deelnemen 5 vijf Olympische sporten opsommen 6 de beloning van een overwinnaar beschrijven

1 de klassieke spelen met de huidige vergelijken 2 de verschillende sporten op afbeeldingen herkennen

em

pl aa

KENNEN

jk ex

BRON 1 Herakles en de Olympische Spelen

Wanneer de Olympische Spelen precies ontstaan zijn, is niet duidelijk. Verschillende Griekse mythen hebben hun eigen versie. De Griekse schrijver Lysias (ca. 445-380 v.C.) vertelt hier hoe Herakles aan de oorsprong van de Spelen ligt.

In

ki

Tussen vele nobele daden, heren, waarvoor het past om ons Herakles te herinneren, zouden we het feit moeten gedenken dat hij de eerste was, uit liefde voor Griekenland, om deze wedstrijd in te richten. Tot dan waren de steden onderling verdeeld, maar na een einde gesteld te hebben aan de tirannie en hen onderdrukt te hebben die blijk gaven van geweld, richtte hij op de mooiste plaats van Hellas deze wedstrijd van fysieke kracht, wedijver van rijkdom en ontplooiing van intelligentie op, opdat de Hellenen zich zouden verenigen op eenzelfde plaats, om te zien en te luisteren, naar al deze besten. Hij dacht dat deze vereniging het begin zou zijn van een groeiend wederzijds begrip tussen de Hellenen. Uit: Lysias (ca. 445-ca. 380 v.C.), Olympische ­redevoering • • • •

Wat bedoelt de schrijver met ‘deze wedstrijd’? Onder welke naam is Herakles het best bekend? Hoe wordt Olympia hier omschreven? Wat doen de Hellenen in Olympia?

BRON 2 De tempel van Zeus in Olympia In de 5e eeuw wordt in Olympia een zeer grote tempel opgericht ter ere van Zeus. Het beeld van Zeus in de tempel wordt in de oudheid beschouwd als een van de zeven wereldwonderen. Het was twaalf meter hoog (= een flatgebouw van vier verdiepingen!). In zijn rechterhand draagt Zeus een beeld van Nike die ook van goud en ivoor is. De tekening hiernaast is gemaakt op basis van beschrijvingen uit de oudheid. • Waarom zou het beeld in de oudheid als een van de zeven wereldwonderen beschouwd worden? • Nike is een overwinningsgod. Wat is het verband met een bekend sportmerk? • Zag het beeld er oorspronkelijk uit zoals op de hedendaagse tekening?

F DE GODSDIENST IN DE KLASSIEKE OUDHEID

141


BRON 3 Verboden toegang voor vrouwen De Spelen worden voorbehouden voor mannen. Alleen meisjes en enkele priesteressen mogen binnen in het heiligdom van Olympia. Volgens de schrijver Pausanias wordt diegene die de regel overtreedt van de berg Typaion naar beneden gegooid. Maar er is een uitzondering: Ze zeggen dat nooit een vrouw betrapt is, behalve Kallipateira. Ze was een weduwe en – vermomd als een mannelijke trainer – nam ze haar zoon mee naar Olympia om hem te laten deelnemen. Toen haar zoon Peisidoros won, sprong Kallipateira over de omheining waarachter de trainers plaatsnamen en raakte per ongeluk ontbloot. Men ontdekte dus dat zij een vrouw was. Maar men liet haar onbestraft vrij uit respect voor haar vader, haar broers, haar zoon, omdat zij allen Olympische overwinningen hadden behaald. Wel kwam er dankzij dit voorval een wet die de trainers verplichtte zich in de toekomst uit te kleden voordat zij het terrein betraden. Uit: Pausanias (2e eeuw n.C.), Rondleiding door Griekenland

BRON 4 De Olympische sporten In 472 v.C. wordt de duur van de Spelen uitgebreid naar vijf dagen. A

pl aa

r

• Welke straf kregen vrouwen als ze ontdekt werden? • Hoe kwam aan het licht dat Kallipateira een vrouw was? • Waarom kreeg ze geen straf?

B

registratie van de atleten en loting, eedaflegging, offers en plechtigheden ter ere van Zeus

Dag 2

wagenrennen en paardenkoersen, begin van de vijfkamp

Dag 3

offer ter ere van Zeus, loopwedstrijden

Dag 4

boksen, worstelen, pankration, loopwedstrijd met wapens

Dag 5

huldiging van de winnaars, offers en feestmaaltijd

jk ex

ki D

E

In

C

em

Dag 1

• Welke sporten worden er beoefend? • Identificeer de verschillende afgebeelde sporten. • Op afbeelding F wordt een ‘pankration’ voorgesteld. Wat gebeurt er?

142

LES 33 DE OLYMPISCHE SPELEN IN DE OUDHEID

F


34

Het christendom

PREHISTORIE OUDE NABIJE OOSTEN

4

5

50

19

17

±

±

14

r

±

50

0 ±

50

1

pl aa

±

±

35

0

80

0

0

±

v. C

v. C

.

.

Het christendom ontstaat in de eerste eeuw. Het nieuwe geloof groeit van een kleine beweging in enkele eeuwen uit tot de staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk. Wie ligt aan de basis van die nieuwe godsdienst? Hoe heeft het christendom zich verspreid? Hoe wordt het christelijke geloof de staatsgodsdienst? Is de christelijke godsdienst van de eerste eeuwen dezelfde als die van vandaag?

HEDENDAAGSE TIJD

MIDDELEEUWEN

HET VROEGE CHRISTENDOM

De jood Jezus is waarschijnlijk geboren rond 7 à 4 v.C. in Palestina, een uithoek van het Romeinse Rijk. Hij brengt zijn kinder- en jeugdjaren door in Nazareth in Galilea. Op volwassen leeftijd begint Jezus als rondtrekkende prediker de komst van het ‘Rijk van God’ te verkondigen. Hij verzamelt daarbij volgelingen (‘leerlingen’) om zich heen. Rond het jaar 30 trekt hij naar Jeruzalem voor het joodse paasfeest en wekt opschudding in de tempel. Na een laatste maaltijd met zijn leerlingen wordt hij gevangengenomen. Jezus wordt terechtgesteld op bevel van de Romeinse landvoogd Pontius Pilatus. Na zijn dood beginnen zijn leerlingen te verkondigen dat Jezus uit de dood is opgestaan.

dom zich in het Romeinse Rijk en zelfs daarbuiten verspreid: eerst in de steden, later ook op het platteland. Rond het jaar 100 zijn er al vrij grote christelijke gemeenschappen in Palestina, Klein-Azië, Griekenland, Rome en Egypte. Het christendom blijft echter een kleine godsdienst. In de 3e eeuw is er een snelle uitbreiding van ­christelijke gemeenschappen. De eerste christenen profiteren van de grootte en de organisatie van het Romeinse Rijk: zij maken gebruik van de drukbevaren handelsroutes en van het uitgebreide Romeinse wegennet. Men weet weinig over de eerste kerk­ gemeenschappen en hun leden. Het christendom is dan zeker geen godsdienst meer van alleen maar slaven en gewone mensen.

In

ki

jk ex

BRON 1-2

VROEGMODERNE TIJD

em

1

Jezus van Nazareth

MODERNE TIJD

2

De eerste christenen worden soms vervolgd

De eerste leerlingen zijn joden. De apostel Paulus wil het jonge christendom ook buiten het jodendom verspreiden. Na de verwoesting van de joodse tempel in Jeruzalem (70) en de Romeinse onderdrukking van de joodse opstand, groeien joden en christenen definitief uit elkaar. De jonge kerk richt zich meer en meer naar de niet-joodse, vooral hellenistische wereld. In korte tijd heeft het christenBRON 1-2-3 - 4 -5

staatsgodsdienst: de enige toegelaten of officiële godsdienst in een bepaalde staat, bv. het Romeinse Rijk

De Romeinen zijn verdraagzaam voor bijna alle godsdiensten (zie les 32). Aanvankelijk is het christendom slechts een van de vele godsdiensten in het Romeinse Rijk. In de 1e en de 2e eeuw zijn er geen grote georganiseerde christenvervolgingen. Af en toe gaat men op bepaalde plaatsen christenen vervolgen. De eerste bekende vervolging heeft in 64 onder keizer Nero plaats. Dat gebeurt na een hevige stadsbrand. Systematische vervolgingen vinden wel plaats vanaf het midden van de 3e eeuw. Het christendom wordt dan als een bedreiging voor het rijk gezien.

F DE GODSDIENST IN DE KLASSIEKE OUDHEID

143


4

Een nieuwe leer krijgt vorm

1 het ontstaan van het christendom en de rol van Jezus uitleggen 2 de verspreiding van het christendom in het Romeinse Rijk situeren en uitleggen 3 drie fasen in de christenvervolging opsommen en verklaren 4 de godsdienstpolitiek van Constantijn en Theodosius uitleggen en in de tijd situeren 5 de verschillende stromingen en opvattingen over Jezus uitleggen

em

Wat het christelijke geloof inhoudt, ligt bij het ontstaan nog niet helemaal vast. Er bestaan vanaf het begin talrijke stromingen en opvattingen over Jezus. De eerste discussie gaat over de vraag of christenen de voor­ schriften van de joodse godsdienst moeten blijven volgen. Latere discussies gaan bijvoorbeeld over de vraag wat Jezus nu precies met God te maken heeft: is hij gewoon een mens zoals iedereen of is hij meer? Tijdens de 4e en de 5e eeuw zijn er belangrijke concilies die de christelijke leer proberen te omschrijven. De nieuwe beweging staat zonder onderscheid open voor iedereen en verkondigt een ‘goede boodschap’

KENNEN

r

Keizer Constantijn beëindigt de vervolging van de christenen. In het Edict van Milaan (313) schenkt hij iedereen (de christenen inbegrepen) de vrijheid om de godsdienst te volgen die men zelf wil. Constantijn blijft als ‘pontifex maximus’ het hoofd van de oude Romeinse eredienst. Hij toont zich zeer vrijgevig tegenover de christelijke gemeenschap. Het christendom wordt de bevoorrechte godsdienst. De andere godsdiensten krijgen het steeds moeilijker. Tijdens de regering van keizer Theodosius (einde 4e eeuw) wordt het christendom de enige toegelaten godsdienst, een staatsgodsdienst. Zo verbiedt de keizer om nog te offeren aan de oude goden. Wie dat wel doet, wordt streng gestraft. Het christendom is de staatsgodsdienst geworden. BRON 6 -7

(evangelie), die aanslaat. In de vroege Kerk wordt een grote nadruk gelegd op de onderlinge liefde en de zorg voor armen, weduwen en wezen. De wekelijkse eucharistie op zondag neemt een centrale plaats in het leven van de gelovigen in. Het christendom is een godsdienst van het Woord. In de eerste eeuwen is er lang discussie welke geschriften richtinggevend zijn voor het christelijke geloof. De lijst van de boeken van het Nieuwe Testament wordt pas definitief vastgelegd in de 4e eeuw.

pl aa

3

Het christendom als de Romeinse staatsgodsdienst

KUNNEN

ki

jk ex

1 de verspreiding van het christendom op een kaart aanduiden 2 informatie uit geschreven en visuele bronnen afleiden 3 aan de hand van een observatieschema een materiële bron beschrijven

BRON 1 De brand van Rome (64)

In

Inspanningen van mensen, schenkingen door de keizer, zoenoffers aan de goden: niets kon de schande uitwissen, niets het geloof wegnemen dat de brand aangestoken was. Om een eind te maken aan de geruchten wees Nero schuldigen aan, die hij op speciale manieren strafte. Het ging om mensen die bij het volk gehaat waren om hun schanddaden en ‘christenen’ werden genoemd. Ze heetten naar Christus, die onder het bewind van Tiberius door landvoogd Pontius Pilatus ter dood was gebracht. Daardoor was het verderfelijke bijgeloof tijdelijk onderdrukt. Toch stak het later de kop weer op, niet alleen in Judea, bakermat van dat kwaad, maar zelfs in Rome, de stad waar alle gruwelen en kwalijke praktijken van de wereld terechtkomen en worden uitgeleefd. Uit: Tacitus, Annalen XV, 44 De Romeinse geschiedschrijver Tacitus (ca. 56-117) beschrijft in zijn ‘Annalen’ (109) de geschiedenis van zijn tijd. Het fragment is een van de vroegste niet-christelijke verwijzingen naar Jezus. Er is wel discussie of de tekst oorspronkelijk van Tacitus is. • Wie stelt keizer Nero verantwoordelijk voor de brand van Rome? • Welke informatie geeft de tekst over de oorsprong van het christendom?

144

LES 34 HET CHRISTENDOM


pl aa

r

BRON 2 De verspreiding van het christendom

BRON 4 Alexamenos aanbidt zijn God

In

ki

jk ex

BRON 3 Grafschrift voor Licinia Anima

em

• Beschrijf aan de hand van de kaart de verspreiding van het christendom.

Gedenksteen in marmer, 2e-3e eeuw, breedte 33,5 cm, hoogte 30,3 cm, Vaticaanse Musea Symbolen kunnen op verschillende manieren uitgelegd worden. Daarom heeft men een kader nodig om ze te begrijpen. De eerste christelijke symbolen waren alleen voor ‘insiders’ verstaanbaar. Het Griekse woordje ‘ichthus’ betekent vis. Om te begrijpen wat de vis betekende, moest men weten dat hij dienstdeed als een weergave van de letters ΙΧΘΥΣ, de afkorting van Iêsous Xristos Theou (h)Uois Sôtêr (= Jezus Christus, Zoon van God, redder). • Waarom gebruiken de eerste christenen de vis als symbool?

De titel slaat op de Griekse tekst van dit graffito. Het werd aangetroffen op een muur van het paedagogium of de page­ school van het keizerlijke paleis op de Palatijn in Rome. Een jonge figuur vereert een gekruisigde met ezelskop. Er zijn geen soortgelijke afbeeldingen bekend uit deze tijd. Bron: Rome, Antiquarium Palatino hoogte 38 cm, breedte 33,5 cm • Waarom is het moeilijk om de juiste betekenis van het ­graffito te kennen? • Waaruit kun je afleiden dat het hier om een spotprent gaat?

F DE GODSDIENST IN DE KLASSIEKE OUDHEID

145


BRON 5 De dood van bisschop Cyprianus (258) In de Acta Sancti Cypriani (handelingen van de heilige Cyprianus) worden twee processen tegen Cyprianus beschreven. In hoofdstuk 2-4 wordt het tweede proces beschreven, dat plaatsvindt op 14 september 258 in de omgeving van Carthago en onder leiding staat van de proconsul Galerius Maximus. Het vonnis wordt direct uitgevoerd na het proces. Toen hij voor hem stond, zei de proconsul tot bisschop Cyprianus: ‘Jij bent Tascius Cyprianus?’ De bisschop antwoordde: ‘Ja, ik ben het.’ De proconsul Galerius Maximus zei: ‘Weet je dat jij je voorgesteld hebt als hoofd van een heiligschennend geloof?’ Bisschop C ­ yprianus antwoordde: ‘Ik ben het.’ Galerius Maximus zei: ‘De allerheiligste keizers bevelen u te offeren.’ De bisschop antwoordde: ‘Dat doe ik niet.’ De proconsul Galerius Maximus zei: ‘Denk goed na.’ Bisschop Cyprianus zei: ‘Doe wat jij als bevel gekregen hebt. In zo’n rechtvaardige zaak valt er niet na te denken.’ Na beraadslaging (…) sprak Galerius Maximus, (…), dit vonnis uit: ‘Jij hebt lange tijd als heiligschenner geleefd en je hebt heel velen in uw misdadig geloof bijeengebracht, en je hebt je tot vijand van de Romeinse goden en van hun heilige riten gemaakt. (...) Daarom zul je (…) zelf tot voorbeeld dienen van diegenen die jij deelgenoten gemaakt hebt van uw misdadige acties.’ (…) Na het uitspreken van die woorden las hij luid het volgende decreet af van een bordje: ‘Ik geef bevel dat Tascius Cyprianus gestraft wordt met onthoofding.’

Waar vindt het proces plaats? In welk werelddeel ligt die plaats? In welk verband heb je nog van die plaats gehoord? Welke functie heeft Cyprianus? Wat is de aanklacht tegen hem? Wat is het vonnis?

BRON 6 Het edict van Milaan (313)

pl aa

• • • • •

r

Uit: Acta Sancti Cypriani, hoofdstuk 3

em

Keizer Constantijn, Capitolijns museum in Rome, brons, 177 cm

jk ex

In februari-maart 313 ontmoeten de keizers Constantijn (Westen) en Licinius (Oosten) elkaar in Milaan. Zij komen overeen om in brieven aan hun provinciegouverneurs hun godsdienstpolitiek te verduidelijken. Die overeenkomst wordt later het ‘edict van Milaan’ genoemd. ‘… dat wij de christenen en alle anderen de vrije macht geven een godsdienst te volgen, welke men ook wil, zodat, welke godheid er dan ook in de hemelse zetel is, hij tegenover ons en allen die onder ons gezag geplaatst zijn, welwillend en gunstig gestemd kan zijn.’

ki

• Tussen wie wordt een overeenkomst gemaakt? • Wat verkrijgen alle mensen in deze overeenkomst? • Wat wordt van de godheid verwacht?

In

BRON 7 Sarcofaag van Junius Bassus

Sarcofaag, marmer, 4e eeuw (na 359), lengte 234 cm, hoogte 142 cm, Museum van de Sint-Pietersbasiliek, Vaticaanstad • Wat is een sarcofaag? • Beschrijf de sarcofaag met je eigen woorden. • Waar op de sarcofaag staan de volgende ­christelijke verhalen of figuren afgebeeld: Jezus tussen Petrus en Paulus – de intocht in Jeruzalem – Adam en Eva?

146

LES 34 HET CHRISTENDOM


35

Het visioen van Constantijn De Romeinse bisschop en geschiedschrijver Eusebius van Caesarea is de auteur van ‘Het leven van Constantijn’ (339). Daarin beschrijft hij de slag bij de Milvische brug tussen Constantijn en zijn tegenstander Maxentius in 312. Constantijn zou voor de veldslag een visioen gehad hebben waarin de (Griekse) tekst ‘in dit teken zul jij overwinnen’ voorkwam. Na die verschijning zou hij een droom gehad hebben waarin Christus zei dat hij dat teken tegen zijn vijanden moest gebruiken. Constantijn liet daarop een kruisteken met de woorden ‘in dit teken zul jij overwinnen’ aanbrengen op de schilden van zijn soldaten en versloeg zijn concurrent. Tot zover het verhaal van Eusebius. Wat is er gebeurd? Wat kunnen wij daarvan geloven? Is het gewoon een verzonnen verhaal?

pl aa

r

OPDRACHTEN 1 Bronnen situeren Welke bronnen stammen niet uit de hedendaagse tijd?

em

2 Bronnen bestuderen • Geef voor elke bron aan om welke soort bron het gaat: – geschreven-ongeschreven; – primair-secundair. • Welke bron is geen historisch werk?

ki

jk ex

3 Een historische vraag stellen We geven je drie historische vragen. a Wat is het visioen van Constantijn volgens de onbekende feestredenaar, Eusebius en Lactantius? b Is er een andere verklaring voor het visioen mogelijk? c Is het visioen van Constantijn een verzinsel? • Geef voor elke vraag de bronnen die je nodig hebt om ze te beantwoorden. • Onderzoek of elke bron wel betrouwbaar is om de vraag te beantwoorden. Kijk daarbij naar de gegevens over de maker en waar, wanneer en waarom de bron gemaakt is. • Formuleer zelf een antwoord op vraag 3. • Formuleer zelf een vierde historische vraag (ze mag op een van de andere lijken).

In

4 Een beeld over het verleden vormen Omschrijf op basis van je onderzoek kort wat we onder het visioen moeten verstaan. Houd rekening met deze hulpvragen: Wat is het visioen van Constantijn? Wie schrijft voor het eerst over het visioen, wanneer en waarom? Wat beweren hedendaagse geleerden dat het visioen was? Wat denk jij hierover? 5 Nadenken over een beeld van het verleden Zijn deze uitspraken juist of onjuist? • We zijn heel zeker wat het visioen van Constantijn precies was. • Al in de 4e eeuw is er een evolutie over wat het visioen was. • Het beeld dat we van het verleden hebben, kan veranderen als we nieuwe bronnen vinden.

F DE GODSDIENST IN DE KLASSIEKE OUDHEID

147


BRON 1 Keizer Constantijn wordt in de bloemetjes gezet

pl aa

r

Constantijn is in het jaar 310 aanwezig in Trier. De stad is dan de hoofdstad van het westelijke deel van het Romeinse Rijk. Binnenkort worden de vijfjaarlijkse feesten en de stichting van de stad gevierd. Een redenaar krijgt de opdracht een toespraak te schrijven. Het is de bedoeling om Constantijn in de bloemetjes te zetten. Waarschijnlijk vond die plaats in de basilica die Constantijn liet bouwen. Ze deed dienst als ontvangstzaal van het keizerlijk paleis. In de toespraak komt een merkwaardig stukje voor over het bezoek van Constantijn aan een Romeinse tempel.

De basilica in Trier, gebouwd rond 310, is de grootste bewaard gebleven overdekte ruimte uit heel de Romeinse oudheid, groter dan het Pantheon in Rome.

em

U was afgebogen naar de mooiste tempel op aarde, of nee: naar de werkelijk aanwezige Godheid, zoals u hebt gezien. Want ja, u hebt gezien, geloof ik, hooggeachte Constantijn, hoe uw Apollo onder begeleiding van Victoria u lauwerkransen presenteerde, stuk voor stuk voortekens van dertig jaren … Maar wat zeg ik ‘geloof ik’? U hebt gezien, u hebt uzelf herkend in de gedaante van hem aan wie (…) het koningschap over de gehele wereld toekomt (…) Met recht hebt u dus die hoogverheven heiligdommen geëerd met omvangrijke schenkingen … Onbekende auteur, feesttoespraak uit 310. Uit: J. Lendering en V. Hunnink, Het visioen van Constantijn. Een gebeurtenis die de wereld veranderde. 2018

Mensen uit de 21e eeuw vinden het verhaal nogal onwaarschijnlijk, jullie ook wellicht: goden die verschijnen en lauwerkransen aan iemand aanbieden, dat kan toch niet. Is het mogelijk dat Constantijn toch iets heeft ‘gezien’, en wat dan? Vandaag kijken mensen met andere ogen naar de natuur en natuurverschijnselen dan hun voorouders. De Romeinen zagen in natuurverschijnselen soms de goden aan het werk. Sommige historici denken dat Constantijn misschien een halo heeft gezien.

In

ki

jk ex

BRON 2 Hallo, een halo?

Een halo is een natuurverschijnsel dat ontstaat door de lichtinval in hoge wolken die ijskristallen bevatten. Zo ontstaat een verspreid lichteffect rond een duidelijke lichtbron zoals de zon. Een halo kan verschillende vormen aannemen, zoals een lichtkrans rond de zon, maar ook een lichtkrans met stralen. Wie een spectaculair voorbeeld van een halo wil zien: https://www.youtube.com/watch?v=wq5F6njlJMA

148

LES 35 HET VISIOEN VAN CONSTANTIJN


BRON 3 De slag bij de Milvische brug volgens Eusebius in 315 In het volste vertrouwen op de bijstand van God valt de keizer aan. Constantijn versloeg moeiteloos en totaal het eerste, tweede en derde leger van de tiran, waarna hij oprukt door een groot deel van Italië – hij was al bijna in Rome. Eusebius van Caesarea, Kerkgeschiedenis, 315. Uit: J. Lendering en V. Hunink, Het visioen van Constantijn. Een gebeurtenis die de wereld veranderde, 2018

pl aa

r

Eusebius van Caesarea (ca. 260-ca. 340) is een christelijke geleerde uit de oudheid. Hij wordt in 313 bisschop en is een tijd raadsman van keizer Constantijn. Hij is bekend als auteur van diverse historische werken en verzamelt daarvoor vaak bronnen. In 315 verschijnt een deel van zijn ‘Kerkgeschiedenis’. Daarin beschrijft hij ook de slag bij de Milvische brug.

Slag bij de Milvische brug (310) op de boog van Constantijn in Rome, gebouwd ter herinnering aan de overwinning van Constantijn BRON 4 De slag bij de Milvische brug volgens Eusebius in 339

em

Rond twaalf uur ’s middags, even over de helft van de dag, zag Constantijn met eigen ogen aan de hemel boven de zon een zegeteken van licht. Het had de vorm van een kruis met daaronder de woorden: ‘overwin hierdoor’. Uit: Eusebius, Leven van Constantijn, 339, geciteerd in J. Lendering en V. Hunink

jk ex

Naast een kerkgeschiedenis schrijft Eusebius in 339 een boek over het leven van Constantijn. Het werd samengesteld na de dood van de keizer. Door zijn stijl is het meer een eerbetoon aan de keizer dan een historisch werk.

Constantijn kreeg in zijn slaap een aanwijzing; hij moest het hemelse teken van God laten aanbrengen op de schilden en aldus slag leveren. Hij doet zoals hem is opgedragen: hij laat een gekantelde X met omgebogen bovenkant aanbrengen en verbeeldt zo Christus op de schilden. Gewapend met dat teken grijpt het leger de zwaarden.

In

ki

BRON 5 Lactantius over de slag bij de Milvische brug

Portret van Lactantius op een muurschildering uit de 4e eeuw Uit: Lactantius, Dood van de vervolgers, 313, geciteerd in J. Lendering en V. Hunink Lactantius is een vroegchristelijk schrijver en adviseur van keizer Constantijn. Hij publiceert in 313 ‘De dood van de vervolgers’. Hij is niet geïnteresseerd in historische feiten. In zijn beschrijving van de slag bij de Milvische brug schrijft hij onder anderehistorische feiten, zoals blijkt uit zijn beschrijving van de slag bij de Milvische brug.

F DE GODSDIENST IN DE KLASSIEKE OUDHEID

149


BRON 6 Chirho is niet hetzelfde als ‘de chiro’ Wat stelde de ‘gekantelde X met omgebogen bovenkant’ voor? In de streek waar Constantijns familie vandaan kwam, kwamen weergaven van de zon in de vorm van vereenvoudigde sterren voor, zoals een vierpuntige ster in een cirkel of soms met een schacht waaraan een maansikkel was vastgemaakt. Die sterren stelden de zonnegod voor. Het gebruikte teken was beter bekend uit de Romeinse verering van de zon dan uit het christendom. Bovendien laat Constantijn zeker vanaf 310 de zonnegod Apollo op zijn munten afbeelden. Naar J. Lendering en V. Hunink

r

ki

jk ex

em

BRON 7 Om deze brug was het te doen

pl aa

Munt van Constantijn uit ca. 337 met voorstelling van de wapen­standaard en bovenaan het chirho-teken

chirho: eerste twee letters van het Griekse woord ‘Christus’

In

De Milvische brug (Pons Milvius) heet de brug ten noorden van Rome (5 km van het Forum) op het punt waar in de oudheid de Via Flaminia de Tiber oversteekt. Ze was de belangrijkste toegangsweg tot Rome vanuit het noorden en dus dikwijls het toneel van oorlogsgeweld. Het bekendst is de ‘Slag bij de Milvische brug’ waarbij keizer Constantijn in 312 zijn tegenstander Maxentius de beslissende nederlaag toebracht. In de zuidelijke bogen van de huidige Ponte Milvio zijn nog resten van de oude brug aanwezig.

150

KENNEN

KUNNEN

1 in eigen woorden het visioen van Constantijn uitleggen

2 3 4 5 6

LES 35 HET VISIOEN VAN CONSTANTIJN

bronnen situeren in de tijd bronnen indelen naar soort informatie uit bronnen halen bronnen met elkaar vergelijken bronnen beoordelen op betrouwbaarheid en bruikbaarheid


F

OVERZICHT

De godsdienst in de klassieke oudheid

POLYTHEÏSME

GRIEKEN

ROMEINEN beschermgoden

Zeus

Jupiter

Olympische goden + halfgoden mythen (verklaringen)

pl aa

r

beschermgoden voor poleis

verdraagzaam voor

de meeste vreemde godsdiensten

voorspellingen: orakels + waarzeggers

em

priesters = burgers of ambtenaren

spelen ter ere van goden OLYMPISCHE SPELEN

keizer

jk ex

goddelijke eigenschappen 2e eeuw: god

In

JODEN

ki

MONOTHEÏSME

CHRISTENEN

Jezus van Nazareth

veel discussies over inhoud godsdienst

ROMEINSE RIJK

verspreiding + groei van het christendom vervolging

godsdienstvrijheid (313)

staatsgodsdienst (einde 4e eeuw)

OVERZICHT F DE GODSDIENST IN DE KLASSIEKE OUDHEID

151


v. C 0 0 35

em

±

OUDE NABIJE OOSTEN

jk ex

PREHISTORIE

r

pl aa

Vanaf de moderne tijd kennen de wetenschap en de techniek een enorme bloei. Wetenschappers bestuderen het leven, gaan op zoek naar nieuwe medicijnen, proberen aardbevingen te voorspellen … Dankzij nieuwe technieken bouwt men reusachtige bouw­werken. Op technologisch en wetenschappelijk vlak lijkt het alsof de westerse mens een voorsprong heeft op andere samenlevingen uit het heden en het verleden. Hij kijkt dan ook verbaasd naar technische hoogstandjes of wetenschappelijke theorieën uit dat verleden.

.

G

Wetenschap en techniek in de klassieke oudheid

HERHALINGSOEFENING

In

ki

• In dit onderdeel bestudeer je de technische en wetenschappelijke kennis uit de klassieke oudheid. Hieronder vind je een oefening over soortgelijke leerstof van het eerste jaar.

STEEN

KOPER

. v. C 0 0 13

33

55

0

0

0

0

v. C

v. C

.

.

BRON 1 De materiaaltijden in het Nabije Oosten

BRONS

IJZER

• In welke materiaaltijd horen de Perzische oorlogen thuis? • De stichters van Rome gebruiken brons. Welk materiaal gebruikt men op dat moment in het Nabije Oosten?

152

G WETENSCHAP EN TECHNIEK IN DE KLASSIEKE OUDHEID


r em

4

19

±

±

17

50

5

pl aa ±

±

14

50

50

0

. v. C 0 80 ±

MIDDELEEUWEN

jk ex

KLASSIEKE OUDHEID

VROEGMODERNE TIJD

BRON 3 De uitvinding van het wiel in Sumerië, omstreeks 3500 v.C.

In

ki

BRON 2 Mogelijke bouwwijze van een piramide

HEDENDAAGSE TIJD MODERNE TIJD

• Raadpleeg bron 1. In welke materiaaltijd heeft die uitvinding plaats? • Uit hoeveel stukken bestaat het eerste wiel? • Leg met je eigen ­woorden uit hoe men de steenblokken verplaatst.

G WETENSCHAP EN TECHNIEK IN DE KLASSIEKE OUDHEID

153


PREHISTORIE OUDE NABIJE OOSTEN

KLASSIEKE OUDHEID

19

4

5

50

MIDDELEEUWEN

±

±

17

50

14

±

±

50

pl aa

±

±

35

0

80

0

0

v. C

v. C

.

0

r

De wetenschappelijke kennis is sinds een paar eeuwen met grote sprongen vooruitgegaan. Hoe groot is de wetenschappelijke kennis van de Grieken en de Romeinen? Welke zijn de meest ontwikkelde wetenschappen? Hoe verklaren ze natuurverschijnselen en de beweging van de hemellichamen? Hoe ver staat de geneeskunde?

.

36

Wetenschap en filosofie

HEDENDAAGSE TIJD

MODERNE TIJD

1

Een kalender opstellen

Een goede kalender is belangrijk voor de landbouwers. Zij willen immers weten wanneer ze moeten zaaien. Om een kalender op te stellen, zijn ze aangewezen op de hemellichamen: de zon, de maan en de sterren. Daarom is de astronomie of sterrenkunde een belangrijke wetenschap. De Romeinen ontwikkelen een kalender die grotendeels tot op vandaag wordt gebruikt. Oorspronkelijk gaan ze uit van twaalf maanden van 29 of 30 dagen. Een jaar komt daardoor een aantal dagen te kort, want de aarde draait in iets meer dan 365 dagen rond de zon. Hun kalender klopt dus niet! Na verloop van tijd beginnen de seizoenen op een ander moment. De landbouwers vinden dat natuurlijk niet echt handig. De Romeinen proberen dat probleem op te lossen door af en toe een extra maand toe te voegen. Julius Caesar verandert het systeem met de hulp van een Egyptische astronoom. Om de vier jaar voegt hij een dag toe aan de laatste maand van het jaar. (In zijn tijd is dat nog februari.) De namen van de maanden en dagen zijn van Romeinse oorsprong. In onze taal gebruikt men voor de namen van een aantal dagen wel de namen van Germaanse i.p.v. Romeinse goden.

jk ex

BRON 1- 4

In

ki

filosofie: Etymologisch bestaat dit woord uit twee Griekse woorden: ‘filia’ (liefde) en ‘sofia’ (wijsheid). Letterlijk betekent filosofie dus ‘liefde voor de wijsheid’. Synoniem: wijsbegeerte.

em

VROEGMODERNE TIJD

154

LES 36 WETENSCHAP EN FILOSOFIE

2

Wiskunde is meetkunde

In de eerste plaats is wiskunde voor de Grieken zuiver praktijkgericht: hoe moet je iets berekenen of meten? Daarnaast zien ze het ook als een middel om het verstand te oefenen. Ze proberen regels, wetten en formules op te stellen. Pythagoras (6e eeuw v.C.) sticht een eigen school en zijn leerlingen houden zich enkel bezig met wiskundige vraagstukken. Zo bewijzen ze de beroemde stelling van Pythagoras, die nog altijd vaak wordt gebruikt in bijvoorbeeld de bouwkunst. Archimedes berekent onder andere de inhoud van een kegel, een bol en een cilinder. Meetkunde is de basis van de wiskunde in de Griekse oudheid. Erathostenes slaagt erin de omtrek van de aarde te berekenen, louter op basis van meetkundige regels. Getallen zoals wij die kennen, bestaan nog niet. Ook het begrip ‘nul’ is hen onbekend. De Romeinen en de Grieken stellen een aantal basiscijfers voor door de eerste letter van het woord dat voor het cijfer wordt gebruikt. De Grieken gebruiken ook de letters van het alfabet om cijfers voor te stellen: de eerste letter krijgt de waarde 1 enz. Kommagetallen geven ze weer als breuken. Ze definiëren het getallen pi (3,14) en phi (de gulden snede) die in de meetkunde en de bouwkunst nog altijd van groot belang zijn. In de 3e eeuw na Christus voert Diophantos symbolen in voor getallen en wiskundige vergelijkingen. BRON 3


r

Filosofen stellen zich o.a. vragen over het leven: Waar komen we vandaan? Wat gebeurt er na de dood? Wat is het beste politieke systeem? Oorspronkelijk betekent filosofie ‘liefde voor de wijsheid’. Sokrates, Plato en Aristoteles zijn de drie belangrijkste filosofen uit de klassieke oudheid. De Griekse mythen geven een verklaring voor natuurverschijnselen. De Griekse filosofen en wetenschappers geloven echter dat er voor veel dingen een begrijpelijke verklaring bestaat. Ze zijn niet meer tevreden met de mythe dat de goden de wereld hebben geschapen. Dat betekent echter niet dat ze ongelovig zijn! Empedocles meent dat alles is opgebouwd uit aarde, water, lucht en vuur. Die elementen zijn met elkaar vermengd in verschillende hoeveelheden. Democritos gaat nog een stapje verder. Hij beweert dat alles is opgebouwd uit heel kleine ondeelbare deeltjes: de atomen. Door ze op verschillende manieren samen te brengen, ontstaan verschillende stoffen. Die denkbeelden staan heel dicht bij de inzichten van de moderne scheikunde. De wetenschappers in de klassieke oudheid vragen zich af hoe het heelal is opgebouwd en wat de oorzaken zijn van de bewegingen van de hemel­ lichamen. Hoe ontstaan de seizoenen en de verschillen tussen dag en nacht? De meesten geloven dat de aarde het centrum is van het heelal en dat de andere hemellichamen rond de aarde draaien. Aristarchos meent dat de zon het centrum is, dat de aarde cirkelvormig rond de zon wentelt en het heelal zeer groot is. De laatste belangrijke sterrenkundige van de klassieke oudheid is Ptolemaeus. Ook hij beweert dat de aarde centraal in het heelal staat. Bovendien gelooft hij dat de bewegingen van de planeten perfecte cirkels vormen, ook al bewijzen zijn eigen waarnemingen dat dit niet klopt. Om toch zijn gelijk te kunnen behalen, bedenkt hij een ingewikkeld mechanisme van cirkels. Hij slaagt er zelfs in om vrij nauwkeurige voorspellingen te doen. Daarom blijven zijn boeken eeuwenlang de belangrijkste sterrenkundige werken.

In

ki

jk ex

em

BRON 2

na te gaan hoe het ‘lichaam’ daarop reageert. Hij ontsmet zijn chirurgische instrumenten in vuur. De operaties verlopen zonder verdoving zoals wij dat kennen. Galenos maakt wel gebruik van alcohol en opium om de zieke te verdoven. Voor rijke mensen met slechte of rotte tanden is er deze oplossing: tanden van doden of dieren worden met een gouden plaatje in de mond vastgezet als een soort vals gebit. Volgens Romeinse wetten is dat het enige goud dat mag begraven worden. De Romeinse chirurgen kunnen oorlellen herstellen, tatoeages verwijderen en borstverkleiningen toepassen. ­Romeinse artsen doorboren soms een schedel om de druk op de hersenen weg te nemen, veroorzaakt door vocht of botsplinters. Ze voeren oogoperaties uit. Met een holle naald gaat men door de ooglens en doorprikt men de staar, een ophoping van vocht in het oog. De nog vloeibare staar wordt door de holle buis van de naald naar buiten gezogen.

pl aa

3

Filosofie en wetenschap zoeken verklaringen

4

Geneeskunde, meer dan bijgeloof

Hippokrates van Kos onderzoekt eerst de symptomen, stelt dan een diagnose en denkt daarna na over de behandeling. Hij gaat dus te werk zoals een moderne dokter. Galenos van Pergamon studeert in de bibliotheek van Alexandrië in Egypte. Later werkt hij als sportarts bij de gladiatorenspelen en in soldatenziekenhuizen, voor keizer Marcus Aurelius. Hij snijdt ‘levende’ dieren open en sluit bijvoorbeeld tijdelijk zenuwbanen af om BRON 5

KENNEN 1 2 3 4 5 6 7 8 9

het begrip ‘filosofie’ uitleggen het nut en het belang van een goede kalender uitleggen verklaren waarom Caesar schrikkeljaren invoerde twee belangrijke wiskundigen uit de oudheid noemen en zeggen wat ze met wiskunde hebben gedaan twee belangrijke verschillen tussen de wiskunde van de oudheid en de moderne wiskunde opsommen het verschil tussen de mythen en de uitleg van filosofen en wetenschappers aantonen drie filosofen en twee wetenschappers uit de klassieke oudheid opnoemen drie verbazingwekkende geneeskundige prestaties uit de klassieke oudheid opnoemen het belang van Hippokrates voor de geneeskunde uitleggen

KUNNEN 1 kalenders met elkaar vergelijken 2 kennis van de klassieke oudheid vergelijken met die uit onze tijd 3 voorstellingen van het heelal herkennen

G WETENSCHAP EN TECHNIEK IN DE KLASSIEKE OUDHEID

155


BRON 1 De voorstelling van het heelal A Voorstelling van het heelal volgens Aristarchos

B Voorstelling van het heelal volgens Archimedes en andere Griekse en Romeinse wetenschappers

• Hoe ziet Aristarchos het heelal? • Hoe ziet Archimedes het heelal? • Wie van beiden heeft gelijk?

r

BRON 2 Sokrates

em

Uit: Xenophon, Memorabilia

pl aa

Hij verkeerde altijd in het openbaar. Van ‘s morgens vroeg was hij aanwezig in de wandelgangen en gymnasia. Als de markt vol liep, was hij er, en de rest van de tijd was hij daar waar er veel volk was. Hij verkondigde zijn ideeën meestal en wie zin had, kon komen luisteren. Nooit zei of deed hij iets goddeloos of misdadigs. Hij sprak niet over de aard van de kosmos, zoals de meeste andere filosofen. Hij bracht zelf het gesprek onmiddellijk op menselijke aangelegen­ heden. Hij onderzocht wat vroom en wat goddeloos, wat mooi en wat schandelijk was ...

Sokrates was in 399 v.C. tot de gifbeker veroordeeld op beschuldiging van goddeloosheid en bederf van de jeugd in Athene. Xenophon (430-354 v.C. ) beschrijft in een paar anekdotes de persoonlijkheid van deze filosoof

jk ex

• Met welke onderwerpen hield Sokrates zich bezig? • Waarom wil hij de mensen voortdurend aan het nadenken zetten? • Lees de commentaar bij het document. Wat is er met Sokrates gebeurd?

In

ki

BRON 3 Eratosthenes berekent de omtrek van de aarde

b

a

Eratosthenes weet dat op 21 juni – op het ogenblik van de zomerzonne­ wende – de zon in Syene (het huidige Aswan in Egypte) loodrecht boven het aardoppervlak staat en dus loodrecht in een waterput schijnt. Op datzelfde ogenblik werpt de zon in Alexandrië, zijn thuisstad, wel een schaduw af, zodat de zon daar niet recht boven het aardoppervlak staat. Omdat Eratosthenes veronderstelt dat de zon heel ver van de aarde af staat, zodat de zonnestralen als evenwijdige lichtbundels het aardoppervlak raken, kan het verschil in schaduw alleen maar verklaard worden doordat het aardoppervlak gekromd is. Eratosthenes bepaalt dat de zonnestralen een hoek van ongeveer 7,5° maken met de verticale lijn op het aardoppervlak. Op de tekening kun je zien dat hoeken a en b gelijk zijn, zodat de afstand tussen ­Aswan en Alexandrië gelijk is aan 7,5° van het volledige aardoppervlak (een v­ olledige cirkel bedraagt 360°). De afstand is dus 7,5/360 of 1/48 deel van de aard­omtrek. De werkelijke afstand tussen beide steden is bovendien bekend uit de reisverslagen van rondtrekkende karavanen en bedraagt zo’n 5000 stadia. • Van welk onderdeel van de wiskunde maakt de geleerde gebruik? • Zoek zelf de juiste omtrek van de aarde bij de evenaar. Hoeveel zit de ­geleerde er naast?

156

LES 36 WETENSCHAP EN FILOSOFIE


BRON 4 Kalenders 1 jaar

afwijking

1 eeuw

afwijking

1 millennium

afwijking

zonnejaar

365,2422 d.

0 d.

36 524,22 d.

0 d.

365 242,2 d.

0 d.

Egyptisch

365 d.

0,2422 d.

36 500 d.

24 d.

365 000 d.

242 d.

365,25 d.

0,0078 d.

36 525 d.

0,78 d.

365 250 d.

7,8 d.

365,2425 d.

0,0003 d.

362 425 d.

0,03 d.

365 242,5 d.

0,3 d.

juliaans gregoriaans d. = dagen

pl aa

r

Omdat een zonnejaar niet gelijk is aan een exact aantal volledige dagen, zocht men naar kalendersystemen. Zo’n systeem moet ervoor zorgen dat de maanden niet verschuiven ten opzichte van de seizoenen. De meeste systemen werken met schrikkeldagen of schrikkelmaanden, waarmee ze proberen het gemiddelde kalenderjaar zo dicht mogelijk bij de lengte van een zonnejaar te brengen. De juliaanse kalender voerde elke vier jaar een schrikkeldag toe. De gregoriaanse kalender voert elke vier jaar een schrikkeldag toe, behalve in de jaartallen die deelbaar zijn door 100. Uitzondering op die laatste regel vormen de jaren die deelbaar zijn door 400 (bv. 1900 is geen schrikkeljaar, 2000 wel). • Welke kalender is de meest nauwkeurige? Motiveer je antwoord. • Welk verschil stel je vast tussen de juliaanse en de gregoriaanse kalender?

ki

jk ex

em

BRON 5 A

© BBC

In

Een vals gebit werd gemaakt van tanden van dieren of overleden mensen. B Romeinse chirurgische instrumenten en hun ­moderne tegenhangers

© Ancient Discoveries, BBC

© Ancient TV

• Wat kun je uit deze afbeeldingen besluiten? • Welke instrumenten zijn de Romeinse?

G WETENSCHAP EN TECHNIEK IN DE KLASSIEKE OUDHEID

157


37

Techniek

PREHISTORIE OUDE NABIJE OOSTEN

MIDDELEEUWEN

5 4 19

±

17 ±

14

±

50

r

KLASSIEKE OUDHEID

50

0

±

50

pl aa

±

±

35

0

80

0

0

v. C

v. C

.

.

De mens bedenkt voortdurend allerlei technieken om het werk te vergemakkelijken of lichter te maken. Over welke landbouwtechnieken beschikken de mensen tijdens de klassieke oudheid? Met welke kracht worden machines aangedreven? Welke technieken gebruiken de Romeinen bij het optrekken van hun monumentale bouw­werken? Hoe slagen ze erin honderden kilometers heir­ banen aan te leggen? Hoe meet men de tijd? Hoe slagen ze erin om automaten te maken?

HEDENDAAGSE TIJD

MODERNE TIJD

1

Spierkracht en watermolens in de landbouw

De rijke Grieken en Romeinen beschikken over veel slaven die het werk voor hen doen in landbouw, nijverheid en handel. Ze gaan niet meteen op zoek naar technieken om het werk te verlichten of te versnellen. Pas in de 18e eeuw nemen machines stilaan het werk van mensen over dankzij de uitvinding van de stoommachine. Nochtans doet men al in de oudheid proeven met stoom en stoom­machines. De landbouwers gebruiken wel een ploeg, maar die keert de grond niet om. De kracht van trekdieren gaat verloren omdat het haam nog niet is uitgevonden. Het malen van graan is een zeer zware taak die meestal door vrouwen wordt gedaan. Ze gebruiken daarvoor een vijzel. Rond 100 v.C. ontwerpen de Grieken een vijzel aangedreven door een waterrad dat in beweging wordt gebracht door een beek. De Romeinen verbeteren het door het waterrad rechtop te plaatsen. Zo ontstaat de eerste watermolen! Waarschijnlijk zijn de Grieken de uitvinders van de houten schroefpers, waarmee ze olijven en druiven persen. BRON 3 - 4

In

ki

jk ex

haam: hoefijzervormig juk voor een trekdier

em

VROEGMODERNE TIJD

2

Technieken in de bouwkunst

BRON 1 Om stenen op te hijsen, gebruiken de Romeinen een houten kraan. Slaven lopen in een houten rad dat de centrale as met het touw aandrijft. Er zitten niet altijd grijpers aan de kraan: de stenen

158

LES 37 TECHNIEK

zelf hebben oortjes of uithollingen waaraan of waarin men touwen bevestigt om ze op te heffen. De Griekse uitvinder Archimedes bedenkt de dubbele katrol waardoor men nog zwaardere lasten kan optillen. Waarschijnlijk worden de stenen op sleden naar de bouwplaats gebracht. Om een zuilsegment van 5 à 10 ton te verslepen, zijn ongeveer 28 mannen nodig. Sommige bronnen vermelden het gebruik van muildieren. Voor de uitvinding van het haam werden paarden zelden of nooit als trekdier voor zware lasten gebruikt. De Romeinen slagen erin om veel grotere gebouwen te maken dan de Grieken. Dat was mogelijk omdat zij naast natuursteen ook mortel en beton als bouw­ materiaal gebruiken. Daardoor kunnen ze grote koepelgewelven en daken optrekken. De Romeinen gebruiken heel veel rondbogen. Eerst maken ze een houten vorm waarop de blokken in elkaar worden gepast. Achteraf verwijderen ze de houten vorm. De Romeinen leggen honderden kilometers wegen aan naar alle delen van hun rijk. Een heirbaan kan tot acht meter breed zijn en ligt meestal hoger dan het omliggende gebied. Langs beide zijden van de weg graven ze greppels. Boven op de uitgegraven aarde leggen ze de fundamenten met grote stenen. Bovenaan komen dikke kiezellagen. Enkel aan de toegang van en in de steden gebruiken ze straatstenen als bovenste laag.


4

Slimme machines

In de vorige les heb je geleerd hoe belangrijk een goede kalender is voor de landbouwers in de klassieke oudheid. Voor de tijdmeting overdag gebruikt men de zon. Het meest bekend is de zonnewijzer: als de zonnewijzer opgesteld staat, duidt de schaduw van de wijzer het moment van de dag aan. ‘s Nachts gebruikt men o.a. een tijdkaars. De kaars wordt zorgvuldig gegoten zodat ze een vooraf bepaald aantal uren brandt. Op de kaars brengt men een onderverdeling in uren aan. Een waterklok of klepsydra moet je ‘opvullen’. Door een kleine opening vloeit water weg en kun je de verlopen tijd afmeten. De beroemde ingenieur Ktesibios van Alexandrië doet allerlei fantastische uitvindingen waaronder zeer precieze waterklokken. Sommige waterklokken laten op vaste tijdstippen een mechanische vogel fluiten. Ingenieurs bouwen ook mechanische wateruurwerken: een waterrad drijft de wijzerplaat aan. Op de wijzerplaat kun je niet alleen de tijd, maar ook de dag en de maand aflezen. De ‘computer’ van Antikythera is de oudste bekende programmeerbare mechanische computer.

RANDINFO

© Geolines.ru, Moskou

jk ex

Een computer uit de klassieke oudheid?

Heron van Alexandrië (10-70 n.C.) is een ­ingenieur en technisch genie uit Alexandrië. Als eerste beschrijft hij de werking van een stoommachine, de aelopile. In zijn stad zijn er verschillende godsdiensten die zo veel mogelijk aanhangers (en ook geld) proberen te winnen. Het is voor de tempels belangrijk om de aandacht van het publiek te trekken. Zo bedenkt Heron de ‘omenmachine’, een soort mechanisch orakel dat een metalen vogeltje laat fluiten als iemand er een vraag aan stelt. Dat gebeurt willekeurig, maar de gelovige denkt dat de machine hem echt begrijpt! Hij voorziet een tempel van deuren die automatisch opengaan als een priester een offervuur aansteekt. Het mechanisme zit verborgen onder de grond en werkt op stoomkracht. Voor het theater bedenkt hij ‘automatische’ theaters, die bestaan uit een gesloten kast met daarin houten poppen. Het toestel rijdt volledig alleen het podium op, toont bewegende poppen en wisselende achtergronden, geluidseffecten … en verlaat daarna opnieuw het podium. Het toestel werkt met gewichten, zandlopers, katrollen, touwen en pinnen. Heron kan zijn theaters herprogrammeren voor andere voorstellingen door pinnen en touwen te verplaatsen. Moderne ingenieurs staan versteld over het genie van Heron.

em

BRON 2

r

Het meten van de tijd

pl aa

3

ki

3D-reconstructie van de computer van Antikythera

In

De ‘computer’ van Antikythera (ca. 87 v.C.) bestaat uit verschillende lagen gegraveerde platen en tandwielen. Het doel van het instrument was informatie te geven over de stand van de zon, de maan en de vier toen bekende planeten. Een maanwijzer gaf de maanfasen weer, een andere wijzer gaf informatie over de opkomst en de ondergang van de belangrijkste heldere sterren. Het instrument moest elke dag opnieuw worden afgesteld, want het werd niet aangedreven door een constante krachtbron. Door elke dag aan de knop te draaien, kon je de positie van de planeten en andere hemellichamen aflezen. Maar je kon het apparaat ook op een bepaalde datum instellen om zo de standen van zon, maan en planeten op een bepaald punt in de toekomst af te lezen. Net zoals bij een moderne computer zorgt het toestel voor de verwerking van de ingevoerde informatie en toont hij het eindresultaat aan de gebruiker.

KENNEN 1 drie manieren van aandrijving van machines uit de klassieke oudheid opnoemen 2 twee uitvindingen uit de landbouw opnoemen 3 uitleggen hoe men zware stenen verplaatst en opheft 4 uitleggen hoe Romeinse heirbanen worden aangelegd 5 drie manieren van tijdmeting noemen en uitleggen 6 drie uitvindingen van Heron noemen en uitleggen

KUNNEN 1 de werking van een toestel aan de hand van een tekening of foto uitleggen 2 verschillen tussen de techniek in de klassieke oudheid en de eigen tijd benoemen

G WETENSCHAP EN TECHNIEK IN DE KLASSIEKE OUDHEID

159


BRON 1

BRON 4 De graanmolen in Barbegal, nabij Arles in Frankrijk

In

ki

B Een wateruurwerk

jk ex

em

BRON 2 A Stenen zonnewijzer

• Waarvoor dient de schroef van Archimedes? • Waarom is de benaming ‘schroef van Archimedes’ niet helemaal correct?

r

Van welk materiaal is dit toestel gemaakt? Waarvoor dient het? Met welke energie werkt het? Waarom kan er meer last gehesen worden dan er kracht wordt gebruikt?

De schroef van Archimedes is een soort pomp die nu nog wordt gebruikt in bijvoorbeeld een maaidorser (om het graan over te brengen in de wagen). Als de schroef draait, brengt hij het water of de grondstof naar boven in de ­cilinder, zoals een schroef die door hout draait. ­Archimedes heeft de schroef niet uitgevonden, maar hij schrijft erover na een bezoek aan Egypte. Daar heeft hij ze in gebruik gezien.

pl aa

• • • •

BRON 3 De schroef van Archimedes

• Hoe lees je de tijd af op een zonnewijzer? • Leg de werking van een wateruurwerk uit. Raadpleeg de lestekst.

160

LES 37 TECHNIEK

Het water werd vanuit les Alpilles (Provence, Frankrijk) via een aquaduct toegevoerd. • • • •

Wat is het doel van een graanmolen? Hoe worden de molens aangedreven? Hoeveel molens zijn hier tegelijkertijd aan het werk? De molens leveren gemiddeld 4,5 ton bloem per dag. In één brood zit afgerond 900 gram bloem. Van één brood kunnen ongeveer 2,5 mensen eten. Bereken hoeveel mensen dagelijks kunnen leven van 4500 kg.


G

OVERZICHT

Wetenschap en techniek in de klassieke oudheid

TIJDMETING

kalender

hemellichamen (zon, maan en planeten)

landbouw (zaaitijd)

zonnewijzer en wateruurwerk

WISKUNDE

pl aa

r

meten van uren

astronomie belangrijke wetenschap

vooral meetkunde (Pythagoras, Eratosthenes)

mythen

em

FILOSOFIE + WETENSCHAP

jk ex

verklaringen over het leven en natuurverschijnselen

bijgeloof om te genezen

ki

geneeskunde

In

TECHNIEK

LANDBOUW

veel slaven

weinig uitvindingen

BOUWKUNST dubbele katrol

aquaduct mortel en beton

watermolen (Romeinen) pompen

rondbogen heerbanen

irrigatietechnieken

Romeinen

OVERZICHT G WETENSCHAP EN TECHNIEK IN DE KLASSIEKE OUDHEID

161


HET KONINKRIJK

v. C 9

DE REPUBLIEK

mythische stichting

jk ex

ontstaan Rome

50

±

em

±

±

10

0

75

3

0

v. C

v. C

.

.

r

pl aa

Voor de komst van de Romeinen tussen 58 en 51 v.C. leven er in onze gewesten Keltische stammen. Volgens sommige geschiedkundigen gaat het vooral om ­Germanen die Keltische gebruiken hebben overgenomen. In die tijd bestaat Vlaanderen of België nog niet. Onze gewesten horen bij het gebied van de Belgae. Zo noemt de Romeinse veldheer Julius Caesar het volk dat tussen de Seine en de Rijn leeft (zie les 38).

.

H

De Romeinen in onze gewesten

HERHALINGSOEFENING

In

ki

• Vorig schooljaar heb je de Keltische samenleving bestudeerd. Hiernaast vind je als herhaling enkele documenten.

BRON 1 Hallstatt-periode (750-450 v.C.) en La Tène-periode (450-50 v.C.)

• Onze gewesten behoren al vanaf 300 v.C. tot het Keltische gebied. Juist of fout?

162

H DE ROMEINEN IN ONZE GEWESTEN


em

4

76

r pl aa

1

. v. C 27 ±

jk ex

HET KEIZERRIJK

BRON 3 Een veenlijk

In

ki

BRON 2 De sociale piramide bij de Kelten

• Geef de drie belangrijkste groepen na het stamhoofd. • In welke drie beroepsgroepen kun je de gewone ­bevolking indelen?

• Waarom offert men mensen aan de goden, denk je?

H DE ROMEINEN IN ONZE GEWESTEN

163


38

Romeinen en Galliërs

In

ki

jk ex

BRON 1-2-3-4 Gallië vormt geen groot land onder leiding van een koning, zoals Egypte. Verschillende stammen en groepen bewonen het gebied. Hun grondgebied heeft geen vaste grenzen. Je behoort bijvoorbeeld bij de Eburonen door ‘afstamming’, maar niet omdat je op hun grondgebied woont. Stammen trekken vaak naar een ander gebied op zoek naar betere woonplaatsen. Het gebeurt dan ook vaak dat verschillende stammen in conflict raken. De Galliërs of Kelten zijn geen onbekenden voor de Romeinen. Er wonen Gallische stammen in het noorden van Italië en in 387 v.C. plunderen ze zelfs Rome. De Romeinen veroveren in de 2e eeuw v.C. het Gallische gebied ten zuiden van de Alpen en een deel van Zuid-Frankrijk. De rest van Gallië kennen de Romeinen uit verhalen van handelaars en ontdekkingsreizigers. Die verhalen zijn vaak onvolledig of niet helemaal juist. De Romeinse veldheer Julius Caesar zet in de 1e eeuw v.C. de verovering van Gallië voort. Het Romeinse leger is veel beter getraind en uitgerust dan dat van de Gallische stammen. Bovendien profiteert Caesar van de ruzies tussen de verschillende stammen. Een aantal Galliërs vecht zelfs aan de zijde van de Romeinen. Ze hopen zo hun tegenstanders te benadelen. Uiteindelijk dringen de Romeinen het noordelijke deel van Gallië binnen. Daar bieden de stammen, die Caesar de ‘Belgae’ noemt, veel tegenstand. Als de veldheer denkt dat hij een gebied onder controle heeft,

164

5 ±

19

4

50 ±

pl aa

De Romeinen veroveren Gallië

MODERNE TIJD

HEDENDAAGSE VROEGMODERNE TIJD TIJD

komt er telkens wel weer een andere stam in opstand. Vooral de Eburonen onder leiding van Ambiorix bieden veel tegenstand. Ook andere Galliërs, aangevoerd door Vergincetorix, verzetten zich. Caesar straft hen op zeer wrede wijze: hele stammen worden uitgeroeid of als slaven weggevoerd en verkocht. De overblijvende stammen onderwerpen zich en passen zich aan de Romeinse cultuur aan. Een aantal Belgae vlucht over de Rijn of naar de Britse eilanden.

em

1

MIDDELEEUWEN

r

14 ±

±

±

PREHISTORIE KLASSIEKE OUDHEID

17

50

0 50

1 ±

58

v. C

.

De Kelten of Galliërs leven voor de Romeinse veroveringen in de prehistorie. Zij kennen nog geen echt schrift. De verovering door de ­Romeinen betekent voor onze streken het einde van de prehistorie. Hoe verloopt die verovering? Welke gevolgen heeft dat voor de Kelten?

LES 38 ROMEINEN EN GALLIËRS

2

De Romeinen in Gallië

Om Gallië onder controle te kunnen houden, worden op strategische plaatsen legerkampen opgericht. De familieleden van de Romeinse soldaten komen rond het kamp wonen, evenals handelaars en ambachtslieden. Die plaatsen groeien vaak uit tot de eerste steden van onze streken. Atuatuca Tungrorum (het huidige Tongeren) is zo een van de oudste steden van België. Als er ergens een opstand uitbreekt, moeten de legereenheden zich snel kunnen verplaatsen. Daarom leggen de Romeinen heerwegen aan. Ook andere Romeinen komen in de veroverde gebieden wonen. Die kolonisten krijgen een stuk grond toegewezen waarop ze een boerderij kunnen starten. Een heel bekende kolonie is Colonia Agrippina, het huidige Keulen. Sommige stammen hebben zich als bondgenoten bij de Romeinen aangesloten. De Romeinse veroveraars nodigen hen uit om zich te vestigen in de gebieden van de uitgeroeide Belgae. De Tungri en de Taxandri nemen zo bijvoorbeeld het woongebied in van de vroegere Eburonen. Atuatuca


Tungrorum is hun hoofdstad. Het Romeinse grond­ gebied strekt zich nu uit tot aan de Rijngrens. Ten noorden van de Rijn wonen Germaanse stammen. Waarschijnlijk zijn een aantal stammen ten zuiden van de Rijn eveneens van Germaanse oorsprong. Vanaf de 3e eeuw steken steeds meer Germaanse stammen de Rijn over om zich in het vroegere Gallië te vestigen.

KENNEN 1 drie kenmerken van Gallië geven 2 de Romeinse verovering van Gallië in de tijd situeren en beschrijven 3 uitleggen hoe de Romeinen de veroverde gebieden controleren

KUNNEN

em

pl aa

r

BRON 1 De Belgae omstreeks 58 v.C.

1 op een blinde kaart het stamgebied van de Belgae aanduiden 2 historisch denken: met behulp van vragen bronnen situeren, indelen, beoordelen en vergelijken 3 werken met historische vragen bij bronnen

jk ex

• Geef de namen van de hedendaagse landen waarin het stamgebied van de Belgae ligt. Raadpleeg eventueel de kaart van Europa vooraan in je leerboek.

BRON 2 Ploutarchos over Julius Caesar (100-44 v.C.) in Gallië

In

ki

Hij deed in leiderschap en soldatenmoed niet onder voor de grootste Romeinse generaals. Hij leverde meer slagen en doodde meer tegenstanders dan een van hen gedaan had. Want in nog geen tien jaar oorlog nam hij in Gallië achthonderd steden in en onderwierp hij driehonderd volkeren. In totaal streed hij er tegen drie miljoen tegenstanders, van wie hij er één miljoen doodde en een even groot aantal gevangennam. Uit: Ploutarchos, Parallelle levens, Caesar, 15 einde eerste eeuw De Griek Ploutarchos (46-120) was rijk en had gestudeerd. Hij bekleedde in Griekenland belangrijke functies. Hij verzorgde de contacten tussen Athene en Rome. Hij geraakte in de gunst van de keizers Trajanus en Hadrianus en bekleedde onder hen verschillende functies. Hij schreef diverse biografieën van beroemde Grieken en Romeinen. Hij beschrijft hen zodanig dat ze als voorbeeld kunnen dienen voor zijn lezers. Daarbij vermeldt hij enkel die feiten die daarvoor belangrijk zijn. Hij heeft ook een voorliefde voor sensationele details. • Heeft de auteur Caesar zelf gekend? • Waarom moet je oppassen met wat hij over Caesar schrijft? • Welke historische vraag kun je het best beantwoorden met deze bron? 1 Hoeveel Galliërs werden er door Caesar gedood? 2 Hoe gewelddadig verliep de Romeinse verovering van Gallië? 3 Welke gebieden veroverde Caesar?

H DE ROMEINEN IN ONZE GEWESTEN

165


RANDINFO

BRON 3 Julius Caesar over zijn verovering van Gallië De Romeinse veldheer Julius Caesar verovert tussen 58 en 50 v.C. een groot deel van Gallië. Tijdens zijn veldtocht schrijft hij rapporten aan de senaat. Hij geeft die later zelf uit. Caesar wil met zijn successen zichzelf prijzen, zijn aanhang uitbreiden en zijn daden in Gallië goedpraten. Om zijn overwinning nog beter te doen uitkomen stelt hij zijn vroegere vijanden als zeer dapper voor. Van al deze (Gallische) volkeren zijn de Belgae de dappersten. Dat komt omdat zij het verst verwijderd zijn van de beschaafde wereld. Ook doordat zij maar heel zelden bezoek krijgen van kooplui en er in hun land dus bijzonder weinig luxegoederen worden ingevoerd. Die goederen werken verslapping in de hand. Ten slotte doordat ze de naaste buren zijn van de Germanen die aan de overzijde van de Rijn wonen. Zij voeren voortdurend oorlog met die Germanen (…)

Ambiorix, de leider van de ­Eburonen, heeft een standbeeld in Tongeren. Het beeld is opgericht in de 19e eeuw. Men beschouwde de ‘Oude Belg’ als een held en een voorbeeld voor de hedendaagse Belgen. Caesar heeft Ambiorix nooit in handen gekregen. Zijn volk, de Eburonen, heeft hij echter uitgeroeid of als slaven laten wegvoeren. Veel bloedverwantschap tussen de Eburonen en de huidige Belgen of Vlamingen is er waarschijnlijk dus niet.

pl aa

r

Over de opstand van de Belgische Aduatuci Zo’n vierduizend man werd gedood. De rest werd opnieuw de stad ingedreven. De dag nadien braken we de poorten open, die door niemand meer bewaakt werden, en lieten onze soldaten naar binnen gaan. Caesar liet de hele stad, mensen en goederen, in één partij verkopen. Van de opkopers kreeg hij te horen om hoeveel koppen het ging: drieënvijftigduizend. Uit: Julius Caesar, De Bello Gallico, boek I en boek II, ca. 50 v.C.

Het boek van Caesar is de eerste geschreven bron over onze gewesten. Er bestaan uit de 1e eeuw v.C. bijna geen andere geschreven bronnen over ons gebied. Het volledige werk bestaat uit acht boeken. In werkelijkheid gaat het om acht rollen papyrus of perkament.

Is dit een primaire of een secundaire bron? Waarom bericht de auteur over de feiten? Welk beeld schetst Caesar van de Belgae? Waarom zou hij dat doen? Welke historische vraag kan min of meer betrouwbaar beantwoord worden met de bron? 1 Wie leefde er ten tijde van Caesar in onze gewesten? 2 Hoe dapper waren de inwoners van onze gewesten ten tijde van Caesar? 3 In welke luxe leefden de inwoners van onze gewesten? • Waarom gebruiken historici Caesar als bron voor onze gewesten, denk je? • Welke andere bronnen zouden kunnen helpen om de zaken die Caesar beschrijft te bevestigen of te weerleggen? • Welk feit uit bron 3 lijkt te bevestigen wat Ploutarchos in bron 2 beschrijft?

jk ex

em

• • • •

RANDINFO

In

ki

BRON 4 Het Romeinse castellum in Maldegem

In het castellum waren hulptroepen – 1 056 man sterk – gelegerd, die van 172 tot 174 de streek moesten beschermen tegen Germaanse plunderaars. Het castellum vormt een vierkant (één zijde = 157,5 m) en telt twee grachten (4 m breed en 2 m diep). • Beschrijf twee materialen die gebruikt zijn voor het castellum. • Welk begrip is afgeleid van het Romeinse castellum, denk je?

166

LES 38 ROMEINEN EN GALLIËRS

Deze hoodie wordt verkocht via het internet. De opdruk bestaat uit een bewerking van een citaat van Julius Caesar in het Latijn: Horum omnium fortissimi sunt Belgae (van alle mannen zijn de Belgen de dapperste).


76 4

r

27 ±

mythische stichting

HET KEIZERRIJK

em

ontstaan Rome

DE REPUBLIEK

pl aa

HET KONINKRIJK

1

. v. C

v. C 9 50

±

±

±

10

0

75

0

3

v. C

v. C

.

.

Na de verovering van Gallië passen de Galliërs zich aan de Romeinse cultuur aan. Hoe verloopt die aanpassing? Wat verandert er voor de Galliërs? Wat leren de Romeinen van de Galliërs?

.

39

De Gallo-Romeinse samenleving

1

De Romeinen verdelen Gallië in provincies

In

ki

jk ex

BRON 1-2-3 Gallië wordt een onderdeel van het ­ omeinse Rijk. De Romeinen delen de veroverde R gebieden in provincies in. De provincies worden verder onderverdeeld in ‘civitates’. De Romeinen gaan daarbij uit van het grondgebied van een bepaalde stam. De belangrijkste nederzetting binnen een ‘civitas’ wordt de hoofdplaats. Elke ‘civitas’ heeft een eigen bestuur, moet belastingen betalen en soldaten leveren aan het Romeinse leger. Langs de Romeinse heerwegen en langs rivieren ontstaan marktplaatsen. Daar drijven Romeinse handelaars en plattelandsbewoners handel. De boeren van het platteland verkopen er hun voedsel­ overschotten aan de stedelingen. Met het geld dat ze verdienen, kunnen ze luxevoorwerpen kopen, zoals versierd aardewerk. Later leren ze zelf Romeinse producten zoals geglazuurd aardewerk maken. Gallische handelaars slagen er zo in om een aardig fortuin te verwerven.

zoals thermen, aquaducten, tempels ... Op het platteland bouwen de Romeinse kolonisten stenen villa’s tussen de verspreide lemen boerderijen van de Galliërs. De Romeinen proberen de overwonnen Galliërs volledig Romeins te maken om onder andere te verhinderen dat er nog opstanden zouden uitbreken. Het Latijn wordt een belangrijke taal. Moderne talen zoals het Frans ontstaan uit het Latijn. Hoe meer een woonplaats zich aanpast aan de Romeinse cultuur, hoe meer zij met allerlei voorrechten wordt beloond. Zo is het voor een nederzetting bijvoorbeeld een hele eer als ze de titel ‘colonia’ krijgt. Nog belangrijker is dat ze dan veel minder belasting moet betalen. De meeste Gallische goden worden met Romeinse goden gelijkgeschakeld. Maar ook nieuwe godsdiensten zoals het christendom en de Mithrascultus verspreiden zich in Gallië. De Galliërs blijven hun goden nog in de natuur vereren. Onder invloed van de Romeinen beginnen zij stenen tempels te bouwen. De Romeinen ondergaan ook veel invloed van de Galliërs. Zo dragen de Romeinse soldaten in Gallië onder hun uniform de Gallische halflange broek. De rijke Romeinen zijn bovendien verzot op hammen en ganzen die uit Gallië worden ingevoerd. Typisch zuiderse voedingsproducten zoals druiven, peren, kolen en perziken, vallen dan weer erg in de smaak van de Galliërs.

2

De Gallo-Romeinse cultuur

BRON 4 -5 In de vorige les heb je gezien dat er Romeinse steden ontstaan in het veroverde Gallië. Die steden hebben een volledig Romeins karakter. De straten zijn volgens een dambordpatroon gerangschikt. Er verschijnen typisch Romeinse gebouwen

H DE ROMEINEN IN ONZE GEWESTEN

167


KENNEN

KUNNEN

1 het begrip ‘romanisering’ uitleggen 2 de indeling van Gallië in provincies uitleggen 3 het ontstaan van handel tussen Romeinen en plattelandsbewoners beschrijven 4 vijf voorbeelden van de invloed van de Romeinen op de Galliërs opsommen en uitleggen 5 twee voorbeelden van de invloed van de Galliërs op de Romeinen opsommen

1 je eigen streek op een kaart van het Romeinse Rijk situeren 2 de evolutie in de bebouwing aan de hand van afbeeldingen uitleggen 3 kenmerken van een Romeinse stad uit een plattegrond afleiden

In

ki

jk ex

em

pl aa

r

BRON 1 Onze gewesten in de Romeinse tijd

• Geef een synoniem voor ‘civitas’. • Zoek je eigen streek op de kaart. Geef vervolgens de naam van een vicus uit je streek. • ‘Zowel in de hedendaagse tijd als in de klassieke oudheid vormt “Vlaanderen” een verkeersas.’ Juist of fout? Motiveer je antwoord. • Het huidige Vlaanderen zou volgens sommigen weinig geromaniseerd geweest zijn. Bewijs met behulp van deze bron dat zij ongelijk hebben.

168

LES 39 DE GALLO-ROMEINSE SAMENLEVING


BRON 3 Ontwikkeling van de bebouwing van 10 v.C. tot 70 aan de huidige Kielenstraat in Tongeren

em

• Waaraan herken je de Romeinse stadsorganisatie?

pl aa

r

BRON 2 Plattegrond van het Romeinse Tongeren

BRON 4

ki

jk ex

Vroeger trokken de Allobrogen (een Gallische stam) met tienduizenden ten strijde, maar nu beperken zij zich tot het bewerken van de velden. Zij wonen grotendeels in dorpen, maar de belangrijksten onder hen hebben Vienne, de hoofdstad van hun volk en vroeger ook een dorp, omgebouwd tot een stad. (...) De barbaren hier zijn helemaal geen barbaren meer, maar hebben grotendeels een ­Romeins uiterlijk gekregen: in hun taal, hun manier van leven en zelfs in hun bestuur. Bewerking van Strabo, Geographica, IV.1.11 en 1.12

In

De Griekse schrijver Strabo (ca. 60 v.C.-ca. 20 n.C.) reisde veel. Het westen van het Romeinse Rijk heeft hij waarschijnlijk niet bezocht. Hij raadpleegde wel zeer veel boeken in bibliotheken. Zijn werk ‘Geographica’, voor het eerst verschenen in 7 v.C., is het beroemdst.

• Is dit een historische bron of een werk? • Wat stel je ook vast in verband met de wegen op de tekeningen? • Welke dakbedekking hebben de verschillende types huizen?

• Is dit een primaire of een secundaire bron? • Waardoor onderscheiden de belangrijksten zich? • Waarom zijn deze Galliërs volgens Strabo geen barbaren meer? • Welke taal zouden zij spreken? • Waar heeft Strabo zijn informatie over de Allobrogen gehaald, denk je? Maakt hem dat minder betrouwbaar?

H DE ROMEINEN IN ONZE GEWESTEN

169


pl aa

r

BRON 5 A Reconstructie van een Gallo-Romeinse tempel in Tabernum, langs de heerbaan van Augusta Trevorum naar Orolaunum

em

De tempel is onder meer gewijd aan de handelsgod Mercurius. Archeologen hebben ook beelden teruggevonden van de Keltische godin Epona en de Perzische god Serapis. In de 4e eeuw ver­nietigden christenen waarschijnlijk de originele tempel.

In

ki

jk ex

B Mercurius

• Zoek op de kaart in bron 1 de hedendaagse namen van Augusta Trevorum en Orolaunum. • Waaruit blijkt dat onder het Romeinse bewind vreemde godsdiensten hun intrede doen?

170

LES 39 DE GALLO-ROMEINSE SAMENLEVING


5

50

4 19

14

17

50

0 50

±

58

v. C

.

OVERZICHT

1

H

De Romeinen in onze gewesten PREHISTORIE

KLASSIEKE OUDHEID

MIDDELEEUWEN

HEDENDAAGSE TIJD

MODERNE TIJD VROEGMODERNE TIJD

geen eenheid

JULIUS CAESAR

em

noorden van Gallië

onderlinge ruzie

pl aa

BELGAE

r

Kelten, Germanen

jk ex

opstanden van Galliërs en Belgae

ki

ONZE GEWESTEN

veroveringen (58-51 v.C.)

uitroeiing + wegvoering als slaven (voorbeeld Eburonen)

ROMEINSE RIJK (ca. 51 v.C.)

legerplaatsen

steden

Romeinse gebouwen

In

dambordpatroon

kolonies grondgebied voor bondgenoten

Tungri i.p.v. Eburonen

heerwegen nieuwe godsdiensten en gebruiken Latijn

GALLO-ROMEINSE CULTUUR

OVERZICHT H DE ROMEINEN IN ONZE GEWESTEN

171


I

Het dagelijkse leven bij de Romeinen In dit onderdeel bestudeer je hoe de Romeinen hun vrije tijd besteden, hoe het leven er in Rome aan toe gaat en hoe ze hun kinderen opvoeden. Allemaal zaken die je met je eigen levenswijze kunt vergelijken.

HET KONINKRIJK

jk ex

ontstaan Rome

In

ki

Mozaïek van een wagenmenner, waarschijnlijk een gevierd kampioen (teruggevonden in Trier)

De Romeinen houden van allerlei spelen. Wagenwedrennen zijn zeer populair.

172

I HET DAGELIJKSE LEVEN BIJ DE ROMEINEN

. v. C 9 50

±

em

±

±

10

0

75

3

0

v. C

v. C

.

.

pl aa

r

Welke grote verschillen zijn er op dat vlak tussen jou en een Romein uit de klassieke oudheid?

DE REPUBLIEK

mythische stichting

Het theater van Segesta, Sicilië


4

76

r em

±

pl aa

1 ±

. v. C 27 ±

jk ex

HET KEIZERRIJK

Mozaïek uit de Villa Romana del Casale, Sicilië

In

ki

De Romeinse baden in Bath, Groot-Brittannië

I HET DAGELIJKSE LEVEN BIJ DE ROMEINEN

173


De thermen zorgen voor ontspanning, hygiëne en sociaal contact

In vrijwel iedere Romeinse stad zijn er zwembaden. Die badhuizen worden thermen genoemd. De thermen zien er echter helemaal anders uit dan de zwembaden in onze tijd. De Romeinen gaan er in de eerste plaats heen voor de persoonlijke hygiëne, hoewel de rijken thuis ook een bad hebben. De thermen bieden de bezoekers koude, lauwe en warme baden. Voor de verwarming van het water zorgen slaven. Zij stoken een vuur en de warme lucht wordt via buizen tot onder de vloer van de zwembaden geleid. Mannen en vrouwen baden in aparte ruimtes. Er staan ook masseurs ter beschikking. De thermen bieden echter ook heel wat andere mogelijkheden. Buiten zijn er sportterreinen waar de bezoekers zich oefenen in schijngevechten, balspelen of atletiek. Sporten doen ze naakt, dus ook daar zijn vrouwen en mannen gescheiden. Als je dorst hebt, kun je iets gaan drinken in de ‘taberna’. Sommige badhuizen beschikken zelfs over een bibliotheek. De thermen zijn ook een plaats bij uitstek om mensen te ontmoeten.

In

ki

jk ex

BRON 1

2

De spelen verdrijven de verveling en voorkomen opstanden

In de meeste Romeinse steden staan theaters (halve cirkel) en amfitheaters (volledige cirkel). De Romeinen wonen er feesten, wedstrijden, BRON 2-3 - 4 -5

174

LES 40 DE ROMEINEN IN HUN VRIJE TIJD

76 4

r

1

. 27 ±

mythische stichting

HET KEIZERRIJK

toneelstukken, dierengevechten en gladiatorenspelen bij. In Rome staat nog steeds de ruïne van het beroemdste amfitheater, het Colosseum. Het biedt plaats aan 50 000 mensen. De 80 ingangen zorgen ervoor dat iedereen snel naar binnen kan. Het gebouw heeft geen dak, maar waarschijnlijk kon men het met een groot zeil overdekken. De gevechten in de amfitheaters zijn zeer bekend. Men laat veroordeelden tegen elkaar of tegen dieren vechten. Romeinen houden er ook van om zwak­ bewapenden te laten vechten tegen zwaarbewapenden. Die gevechten zijn extra bloederig. Veroordeelden vechten dikwijls tot de dood erop volgt. Iemand die goed gevochten heeft, kan wel genade vragen aan het publiek. De gladiatorengevechten zijn de bekendste gevechtsspektakels. Gladiatoren zijn meestal slaven die eerst een opleiding krijgen om beter te leren vechten. In tegenstelling tot wat vele mensen nu denken, vechten gladiatoren niet totdat de verliezer dood achterblijft. Hun opleiding heeft immers zeer veel geld gekost. Een organisator van gladiatorenspelen moet een schadevergoeding betalen aan een gladiatorenbaas als een van diens strijders dood achterblijft. De kans dat een gladiator een gevecht overleeft, is 95 %. Gladiatoren die vaak winnen, kunnen hun vrijheid terugkrijgen. Ze worden ook rijkelijk beloond en geëerd als sporthelden. Daarom nemen ook vrije Romeinen deel aan de gevechten. De rijken organiseren en betalen de spelen om bijvoorbeeld stemmen te winnen bij de verkiezingen. Julius Caesar organiseert zo vaak spelen dat hij er

em

1

DE REPUBLIEK

pl aa

HET KONINKRIJK ontstaan Rome

v. C

v. C 9 50

±

±

±

10

0

75

0

3

v. C

v. C

.

.

Televisie, computerspelletjes en dergelijke bestaan uiteraard nog niet bij de Romeinen. Ze brengen een deel van hun vrije tijd door in de thermen of op de spelen. Wat zijn de thermen en wat kunnen de Romeinen er doen? Wat zijn de spelen?

.

40

De Romeinen in hun vrije tijd


zich diep voor in de schulden steekt. De spelen zorgen er ook voor dat de grote groep werkloze Romeinen zich niet vervelen. Bovendien voorkomt men zo opstanden. De wagenwedrennen zijn een ander populair tijdverdrijf. De wagenmenners rijden in wagens getrokken door vier paarden. Ze binden de teugels om hun middel, zodat ze niet uit hun handen kunnen glijden. Vaak gebeurt het echter dat ze uit hun wagen vallen

en door de paarden over de grond worden gesleept. Net zoals de gladiatoren zijn succesvolle wagenmenners zeer populair en worden ze rijkelijk beloond. De grootste renbaan is het Circus Maximus in Rome, dat plaats biedt aan 250 000 mensen. De Romeinen gaan ook graag naar het theater. De acteurs zijn over het algemeen mannen. Ze dragen maskers, waardoor elke acteur verschillende rollen kan spelen.

KUNNEN

1 de begrippen ‘thermen’, ‘Romeinse spelen’ en ‘gladiatoren’ uitleggen 2 vier functies van de thermen opsommen 3 de gevechten in het amfitheater uitleggen 4 drie kenmerken van de gladiatoren opsommen 5 drie doelen van de Romeinse spelen geven

1 uit een reconstructietekening en uit afbeeldingen informatie afleiden 2 sociale verschillen in de vrijetijdsbesteding van de Romeinen aantonen

pl aa

r

KENNEN

In

ki

jk ex

em

BRON 1 Reconstructie van de thermen van keizer Caracalla (211-217)

• Geef drie verschillende mogelijkheden voor tijdverdrijf in de thermen. • Wat betekent vandaag het woord ‘thermisch’? Zoek het antwoord eventueel op in een naslagwerk. Naar welk gedeelte van de badhuizen verwijst het woord eigenlijk? • Geef aan de hand van de reconstructie een rondleiding door de thermen.

I HET DAGELIJKSE LEVEN BIJ DE ROMEINEN

175


BRON 3

BRON 2

Driemaal heb ik in mijn eigen naam gladiatoren­gevechten gegeven en vijfmaal in naam van mijn zonen of van mijn kleinzoons. Bij deze spelen hebben ongeveer 10 000 mensen op leven en dood gestreden. (...) Jachtpartijen op Afrikaanse wilde dieren heb ik in mijn naam of die van mijn zonen of kleinzoons in het circus of in het amfi­ theater 26 maal aan het volk gegeven, waarbij ongeveer 3 500 dieren zijn gedood.

Niets doet zoveel kwaad aan het goede karakter dan de gewoonte van te luieren bij de spelen, want daar sluipt de ondeugd listig op iemand toe. (...) Op zoek naar wat pret, geestigheid en ontspanning, woonde ik bij toeval een middagvertoning bij. Het was geen spel meer, maar een ware moordpartij. De mensen hadden geen verdedigingswapens. Ze waren blootgesteld aan slagen op alle punten en elke slag was raak. Ze hadden geen helm of schild om de slagen af te weren. Op deze mannen wacht slechts de dood ...

Uit: Res gestae divi Augusti, 22 Bewerking van Seneca, Brief aan Lucilius, VII

Propagandatekst van de eerste keizer, Augustus (31 v.C.14 n.C.), die op bronzen platen op verschillende plaatsen in het Romeinse Rijk wordt opgehangen. Door de talrijke spelen is hij enorm populair.

• Waarom bezoekt Seneca de spelen? Wat leid je daaruit af in verband met het doel van de spelen? • Wat vindt Seneca van het schouwspel? Motiveer je antwoord.

• Wie is de opdrachtgever van de spelen? • Wat is de bedoeling van de spelen? • Bewijs dat Augustus via de spelen zijn opvolging door een familielid veilig wil stellen.

em

pl aa

r

De Romeinse dichter en filosoof Seneca (ca. 4 v.C.-65 n.C.) is de opvoeder van keizer Nero (54-68). Hij pleit voor mildheid en barmhartigheid.

In

ki

jk ex

BRON 4 Dierengevechten (mozaïek, 2e eeuw n.C., Archeologisch Museum van Tripoli, Libië)

• Welke dieren worden hier getoond? • Waar komen ze vandaan? • Hoe benoemen we vandaag de manier waarop men deze dieren behandelt?

176

LES 40 DE ROMEINEN IN HUN VRIJE TIJD


em

pl aa

r

BRON 5 A Gladiatoren (mozaïek, 4e eeuw n.C., Villa Borghese, Rome)

In

ki

jk ex

B Grafsteen voor Martialis, Klein-Azië, 50 n.C. (Ashmoleon Museum, Oxford)

• Omschrijf met je eigen woorden wat een gladiator precies is. Martialis wordt hier getoond als gladiator.

I HET DAGELIJKSE LEVEN BIJ DE ROMEINEN

177


De Romeinen hebben een patriarchale samenleving: in een Romeins gezin heeft de man het voor het zeggen. Hij bezit alles wat er zich in het huis bevindt: vrouw, kinderen, slaven, meubels ... Slaven, vrouwen en kinderen hebben geen rechten. De vader beslist zelfs letterlijk over leven en dood. Een pas­ geboren kind wordt aan zijn voeten gelegd. Als hij het in de armen neemt, mag het blijven leven; in het andere geval laat men het kind sterven. Veel kinderen sterven door onvoldoende of verkeerde voeding, een gebrekkige medische kennis of slechte hygiëne. Meisjes worden als een echte last beschouwd. Vanaf hun twaalfde kunnen ze uitgehuwelijkt worden. De ouders moeten dan een bruidsschat geven aan de familie van de man. Daarom worden veel meisjes door hun eigen gezin verstoten of als vondeling langs een weg of op een vuilnisbelt achtergelaten. Als ze niet sterven, vallen ze daar vaak in handen van een slavenhandelaar. Hoewel de Romeinse wet verbiedt dat vrije kinderen als slaaf worden verkocht, gebeurt het toch weleens dat arme ouders hun kinderen op de slavenmarkt verkopen. De kans dat ze betrapt worden, is immers zeer klein. Sommige kinderen hebben het geluk door kinderloze echtparen geadopteerd te worden. Vanaf de 1e eeuw v.C. krijgen de vrouwen iets meer rechten: ze mogen scheiden als hun man hen niet goed behandelt. Gelijke rechten krijgen de Romeinse vrouwen echter nooit. BRON 1-2-3 - 4

ki

In 178

LES 41 GEZIN EN OPVOEDING BIJ DE ROMEINEN

76 4

r

1

. 27 ±

‘De man is de baas’

HET KEIZERRIJK

2

em

1

mythische stichting

jk ex

patriarchaal: waarbij de vader of de man een overheersende positie heeft

DE REPUBLIEK

pl aa

HET KONINKRIJK ontstaan Rome

v. C

v. C 9 50

±

±

±

10

0

75

0

3

v. C

v. C

.

.

In het westen hebben vrouwen evenveel rechten als mannen. Scholen zijn gemengd en vrouwen hebben toegang tot alle beroepen. In veel gezinnen gaan zowel de mannen als de vrouwen uit werken. Ook de kinderen kunnen en mogen meer dan vroeger. Ouders die hun kinderen mishandelen, kunnen daarvoor zelfs gerechtelijk vervolgd worden. Wat is de positie van de vrouw in de Romeinse tijd? Welke rechten hebben vrouwen en kinderen? Hoe ziet het Romeinse onderwijs eruit?

.

41

Gezin en opvoeding bij de Romeinen

Enkel de rijke jongens gaan naar school

Vandaag betaalt de overheid het onderwijs in Vlaanderen. Dat geldt niet voor de Romeinse tijd. Het grootste deel van de Romeinse kinderen gaat niet naar school omdat de ouders schoolgeld moeten betalen. Daarom zijn er niet zoveel scholen. Ze liggen ook bijna altijd in een stad. De meisjes en kinderen van armere ouders leren zelden of nooit lezen of schrijven. De meisjes helpen in het huishouden en de jongens leren het vak van hun vader. Sommige ouders sparen om hun kinderen toch naar school te kunnen sturen. Dankzij die opleiding krijgt het kind de kans om hoger in de maatschappij op te klimmen door bijvoorbeeld advocaat, ambtenaar of legerofficier te worden. Bij de rijke Romeinen staat vaak een min of meer geleerde slaaf in voor de opvoeding van de jongens. Het gaat meestal om een Griek omdat de Romeinen veel bewondering hebben voor de Griekse cultuur. De kinderen kunnen van hun zevende tot hun achttiende (of twintigste) naar school. De indeling ziet er een beetje uit zoals in onze tijd. In het basisonderwijs leer je lezen, rekenen en schrijven. In de hogere jaren leer je grammatica en letterkunde en een beetje geschiedenis en aardrijkskunde. De laatste schooljaren zijn gericht op het leren spreken in het openbaar. De leraren zijn bijzonder streng: wie lui is, krijgt stokslagen. In de hogere jaren word je bij elke zware overtreding gegeseld met een BRON 5


leren zweep terwijl de andere leerlingen je vasthouden. Sommige vaders betalen voor al hun kinderen privéleraars. Ook de slavenkinderen mogen de lessen bijwonen.

KENNEN 1 het begrip ‘patriarchaal’ uitleggen 2 twee bewijzen geven voor de macht van de Romeinse man 3 drie oorzaken van de grote kindersterfte opsommen 4 de positie van meisjes en vrouwen beschrijven 5 de verschillen in de opvoeding tussen kinderen van rijke en arme ouders uitleggen

KUNNEN 1 gegevens uit de eigen tijd vergelijken met soortgelijke gegevens uit de klassieke oudheid 2 een opdracht bij een visuele bron oplossen BRON 1

Bewerking van Justinianus, Institutiones

em

pl aa

Het gezagsrecht dat wij over onze kinderen hebben, is eigen aan de Romeinse burgers. (...) Wie (...) geboren is uit u en uw echtgenote, staat onder uw macht en ook hij die van uw zoon en zijn echtgenote afstamt, namelijk uw kleinzoon en kleindochter, staan onder uw macht. Dat geldt ook voor uw achterkleinzoon en achterkleindochter en zo verder. Wie echter uit uw dochter geboren wordt, staat niet onder uw macht, doch onder die van zijn vader.

r

BRON 2

De Oost-Romeinse keizer Justinianus (527-565) verzamelt alle Romeinse wetteksten in een groot wetboek: de ‘Codex Justinianus’.

jk ex

• Waaruit blijkt de macht van de vader? • Op welke wijze bewijst deze tekst dat het Romeinse gezin groter is dan het hedendaagse gezin?

In

ki

BRON 3 Drie beschermgodinnen (Ptuj, Slovenië)

Sta ervoor in dat ze haar plichten als huishoudster vervult. Heeft de meester jou haar als echtgenote toegewezen, wees dan tevreden met haar. Zorg ervoor dat ze jou ontziet. Ze mag niet te zeer op luxe gesteld zijn. Laat haar liefst zo weinig mogelijk omgaan met buren of andere vrouwen en hen evenmin thuis of in haar eigen vertrekken ontvangen. Naar avondmalen gaan, op straat rondslenteren dient ze niet te doen. (...) Ze moet proper zijn, het landgoed schoon en netjes houden, de haard gewijd houden en dagelijks schoonvegen, vooraleer ze slapen gaat. (...) Ze moet ervoor zorgen dat ze voor jou en de hele familie eten klaar heeft. Uit: Cato, De agri cultura, dl. CLXIII De Romeinse staatsman Cato Maior (234149 v.C.) is zeer conservatief. Hij wil dat de levenswijze van de voorouders niet verloren gaat. • Wat is de taak van de vrouw volgens Cato? • ‘Cato botst met de hedendaagse visie op de vrouw.’ Juist of fout? Motiveer je antwoord.

• Je ziet op deze afbeelding ‘beschermgodinnen’. Wie wordt door de godin rechts beschermd?

I HET DAGELIJKSE LEVEN BIJ DE ROMEINEN

179


BRON 4 Vroeger werd elk kind, geboren uit een kuise vrouw, opgevoed op de schoot en aan de borst van zijn moeder, niet in het kamertje van een gekochte voedster. En haar grootste verdienste bestond erin haar huis te behoeden en voor haar kinderen te zorgen. In haar aanwezigheid moet men niets gemeens zeggen, niets oneervols doen. En alleen studie en werk, maar ook ontspanning en spel van de kinderen regelde zij. (...) Nu echter wordt het kind toevertrouwd aan een Griekse dienstbode, bijgestaan door een of andere slaaf, meestal van de gemeenste soort, iemand die voor geen enkel ernstig werk geschikt is ... Uit: Dialogus de oratoribus, 28 (toegeschreven aan Tacitus)

pl aa

r

Tacitus (56-117) behoort tot de Romeinse adel en bekleedt verschillende ambten in het keizerrijk. Hij schrijft geschiedkundige werken, waarbij hij een voorkeur laat blijken voor de oude republiek.

• Welke taak heeft de vrouw? • Welke veranderingen vinden er plaats? • Wat vindt Tacitus van die veranderingen? Motiveer je antwoord.

In

ki

jk ex

em

BRON 5 A Een privéleraar met zijn studenten (Neumagen, 180-185, 60 x 193 cm, Rheinisches Landesmuseum, Trier)

B De methode die de leraars toepassen, is vrij eenvoudig: de kinderen moeten veel van buiten leren. (...) En hoe zit het met het bevorderen van de studiemotivatie? Sommige leraars sporen hun leerlingen aan met beloningen. Maar de methode bij uitstek is het uitdelen van lijfstraffen. Uit: M. Berger, Studium Novum, dl. 2, 1997 • Hoe zet men leerlingen aan tot studeren?

180

LES 41 GEZIN EN OPVOEDING BIJ DE ROMEINEN


1

Wonen in Rome: luxueus of armoedig

De rijken wonen in een groot huis met een stijlvolle inrichting. Naast de voorhal zijn er aan beide zijden winkels die verhuurd worden aan lokale handelaars. Het huis bestaat uit verschillende kamers rond een binnenplaats of atrium waar men de gasten ontvangt. Het atrium heeft in het midden een opening in het dak, waaronder een vijvertje is aangelegd om het regenwater op te vangen. Van daaruit stroomt het water verder naar de waterkelder onder de vloer, waar het wordt opgeslagen. Naast het atrium bevindt zich een woonkamer, waarin het huisaltaar staat, dat gewijd is aan de huisgoden. Daarnaast geven verschillende deuren en gangen toegang tot slaapkamers. Door een kleine gang aan de achterzijde kom je in een tuintje terecht, dat omgeven is door zuiltjes. Rondom de tuin vind je onder andere de keuken, de woonkamer, de eetkamer en de gastenkamers. De huizen van de rijken beschikken meestal over een eigen watervoorziening, vloerverwarming, en persoonlijke baden en toiletten die aangesloten zijn op de riolering. De meerderheid van de Romeinse bevolking heeft het echter niet zo goed. Zij hokken samen in huurkazernes (insulae). Deze appartementsgebouwen worden verhuurd door de rijke Romeinen, die veel geld verdienen aan de enorme groep huurders. Sommige huurkazernes zijn meer dan twintig meter hoog en tellen zeven verdiepingen. De benedenverdieping

76 4

wordt gebruikt als winkelruimte, terwijl de rest bestaat uit ‘flats’. Veel luxe vind je er niet: water moet je aan de fonteinen halen en voor sanitaire behoeften kun je de publieke toiletten gebruiken. Door de grote ramen zijn de kamers bloedheet in de zomer en koud in de winter. ­Schoorstenen ontbreken. Men brandt houtskool in aarden kommen of in een kacheltje. In de huurkazernes is er altijd gevaar voor instortingen en branden. Het leven is er vuil en gevaarlijk. De bevolkingsaangroei doet de prijzen voortdurend stijgen, zodat sommige families zelfs hun ‘flat’ delen. Slapen met vier of vijf in een kamer is dan ook geen uitzondering.

In

ki

jk ex

BRON 1-2-3

r

. 27 ±

mythische stichting

HET KEIZERRIJK

em

ontstaan Rome

DE REPUBLIEK

pl aa

HET KONINKRIJK

1

v. C

v. C 9 50

±

±

±

10

0

75

0

3

v. C

v. C

.

.

Het Oude Rome heeft dezelfde voor- en nadelen als onze grootsteden: de nabijheid van scholen, openbare gebouwen, theaters, allerlei evenementen, lawaai, vervuiling, overbevolking, criminaliteit … Hoe woonde en leefde een Romein ca. 2000 jaar geleden? Wat waren de levensomstandigheden van de arme Romeinen, en wat was het verschil met de rijke Romeinen?

.

42

Rome: een stad vol tegenstellingen

2

Leven of overleven

In de keizertijd krijgen de rijke Romeinen een zwak voor lekker en gevarieerd voedsel. Door de enorme uitbreiding van het rijk sluipen gerechten uit verschillende gebieden de Romeinse keuken binnen. Tijdens banketten wordt voor de rijke Romeinen een groot aantal schotels opgediend. Al liggend aan een bank en steunend op een elleboog eten ze varkensvlees, rundsvlees, verschillende vissoorten, groenten, fruit, melkproducten ... Zo’n feestmaal kan uren duren. Omdat de kinderen en slaven een mindere positie hebben, mogen zij niet mee aan tafel liggen. Om alles door te spoelen, drinken de Romeinen voornamelijk wijn. De doorsnee Romein stelt zich met heel wat minder tevreden. Hij eet zeer sober: een BRON 4 -5

I HET DAGELIJKSE LEVEN BIJ DE ROMEINEN

181


hekeldichter: dichter die wantoestanden aanklaagt of bespot

graanpap vormt zijn voornaamste voedsel. Uit onderzoek van skeletten is gebleken dat vele Romeinen hierdoor sterk ondervoed zijn. In de ‘insulae’ is eten klaarmaken niet zo eenvoudig en daarom koopt hij meestal een warme maaltijd in een van de ontelbare gaarkeukens of snackbars die Rome rijk is.

3

Rome leeft dag en nacht

Rome is een overbevolkte en multiculturele stad. In de straten wriemelt het van het volk. Doordat de winkeliers hun waren op de stoep uitstallen, belemmeren zij de toch al nauwe doorgang. Op enkele uitzonderingen na mogen wagens overdag de stad niet in. Daarom verplaatsen de rijken zich in een draagstoel. ‘s Avonds worden de poorten opengezet, zodat de stad bevoorraad kan worden. Dan drijft men zelfs koeien, paarden, schapen … door de straten naar de slachthuizen. Alleen wie heel rijk is, woont in een rustige wijk en kan zich in Rome een ongestoorde slaap veroorloven. De drukte brengt natuurlijk ook

1 het begrip ‘multicultureel’ uitleggen 2 de woonomstandigheden van rijke en arme Romeinen vergelijken 3 de voeding van rijke en arme Romeinen vergelijken 4 vier nadelen van het leven in Rome uitleggen

KUNNEN

1 aan de hand van een afbeelding een patriciërshuis en een ‘insula’ beschrijven 2 aan de hand van bronnen het leven in Rome met het leven in een moderne grootstad vergelijken

In

ki

jk ex

em

BRON 1 Het huis van een rijke Romein

KENNEN

pl aa

BRON 6

veel vuil met zich mee. In Rome is er geen dienst om het vuil op te halen. Daardoor blijft het vuilnis vaak achter op pleintjes of in de straten, wat natuurlijk voor de nodige stank en ziektes zorgt. Ten slotte zijn er in Rome ook veel dieven, bedelaars, dronkaards, vechtersbazen ... Een modern politiekorps om alles in de gaten te houden ontbreekt. Bovendien is het na zonsondergang erg donker omdat er nauwelijks straatverlichting is. Dat maakt het onveilig om ‘s avonds alleen door de straten te lopen.

r

multicultureel: met mensen uit verschillende culturen en godsdiensten

• Dit is het huis van een rijke Romein. Probeer je aan de hand van deze afbeelding een idee te vormen van het huis. Vergelijk het vervolgens met huizen uit jouw tijd. Welke verschillen merk je op?

BRON 2 Openbare toiletten

In de vele openbare toiletten die Rome rijk was, kon men gemakkelijk een praatje maken of de laatste roddels uitwisselen. Men zat er immers open en ‘bloot’, aangezien er geen scheidingswanden waren. In plaats van papier gebruikte men een spons, die men achteraf spoelde in een goot met stromend water. • Bewijs dat de Romeinen vergeleken met ons andere ideeën hebben rond privacy.

182

LES 42 ROME: EEN STAD VOL TEGENSTELLINGEN


BRON 3 Het leven in een insula (reconstructie, Ostia)

Uit: Juvenalis, satire III, 2e eeuw n.C

r

- o esters en mosselen uit Tarentum, - hazelhoentjes uit Phrygië, gekruid met silphium (knoflookachtig kruid) uit Cyrenaika, - edelvissen uit Pessinus (Klein-Azië), - papegaaivissen uit Cilikië (Klein-Azië), - kraanvogels uit Gades, - struisvogels uit Noord-Afrika, - varkensgebraad uit België, gekruid met een vissaus uit Spanje, - eikels uit Spanje, - noten uit Pontus aan de Zwarte Zee, - dadels uit Egypte, met een geroosterde noot als pit, en gedompeld in honing uit Zuid-Rusland, - vijgen uit Syrië.

pl aa

jk ex

Juvenalis (1e-2e eeuw n.C.) is een Romeins hekeldichter die de uitspattingen van de hogere standen in Rome bekritiseert. Zijn gedichten zijn een belangrijke bron voor het leven in het oude Rome, al mogen we door zijn humoristische toon niet alles letterlijk nemen. Geef een ander woord voor ‘insula’. Waarom bouwde men in de hoogte, denk je? Noem drie nadelen van het wonen in een insula. Denk je dat Juvenalis een betrouwbare bron is voor de woonomstandigheden van de arme Romeinen? Waarom wel/niet?

Daarbij werden wijnen geserveerd uit Spanje, de Rhônestreek, Chios, Samos en de Nijldelta. • Zoek de betekenis op van het woord ‘exotisch’. Waarom kun je hier spreken van exotische gerechten? • In welke houding eten de Romeinen? Lijkt dat je een handige houding om te eten?

BRON 6 Een pondera of oversteekplaats in Pompeii

In

ki

• • • •

De volgende gerechten werden de gasten voorgezet:

em

We wonen in een stad die grotendeels wordt gebouwd met waardeloze ondersteuningen: zo houden onze huisbazen de ineenstorting van hun bezit tegen. Ze behangen grote barsten in de bouwval en verzekeren huurders dat ze veilig kunnen slapen, terwijl het gebouw de hele tijd als een kaartenhuis aan elkaar hangt. Ik woon liever ergens waar branden en nachtelijke paniektoestanden niet de gewoonste zaak van de wereld zijn. Tegen de tijd dat de rook je kamer op de derde verdieping heeft bereikt (terwijl je nog slaapt), brult je heldhaftige onderbuurman om water en is hij bezig zijn boeltje in veiligheid te brengen. Als gelijkvloers alarm wordt geslagen, is de laatste die wordt geroosterd de huurder op zolder, helemaal tussen de nestelende duiven met enkel de dakpannen tussen zichzelf en de open lucht.

BRON 4 Een diner voor Romeinse senatoren

BRON 5 Gaarkeuken of snackbar in Pompeii

• Hoe wordt het eten aan de Romeinen aangeboden? • Waarin worden voedingswaren bewaard?

• Waarom zouden de Romeinen de straat oversteken op een rij stenen? • Aan welk gedeelte van de straat in een moderne stad doet deze oversteekplaats je denken?

I HET DAGELIJKSE LEVEN BIJ DE ROMEINEN

183


v. C 0 0

em

35 ±

OUDE NABIJE OOSTEN

jk ex

PREHISTORIE

In

ki

Vrijheid in de wereld in 2019

Bron: freedomhouse.org, rapport 2019

184

J EEN TOCHT DOOR DE TIJDEN HEEN

r

pl aa

Je hebt in de lessen geschiedenis al kennisgemaakt met verschillende bestuursvormen. Zowel de Egyptische farao als de Romeinse keizer zijn heersers met zeer veel macht. De meeste van hun onderdanen hebben niet veel vrijheid. In Athene heeft (een deel van) het volk politieke macht; ze noemen dat een democratie. Vandaag beschouwen België en andere westerse landen zichzelf ook als democratieën. Wat moet je daaronder verstaan? Welke gelijkenissen en verschillen zijn er met Athene?

.

J

De democratie vandaag


r em

5

4

19

17

50

pl aa 14

50

= volledige vrijheid

MIDDELEEUWEN

jk ex

Legende

50

0

. v. C 0 80 ±

KLASSIEKE OUDHEID

HEDENDAAGSE TIJD

MODERNE TIJD VROEGMODERNE TIJD

ki

= gedeeltelijke vrijheid = geen vrijheid

In

De Amerikaanse organisatie ‘Freedom House’ onderzoekt al vanaf 1941 hoeveel politieke vrijheid en democratie er in de wereld is. Elk jaar publiceert die organisatie haar onderzoeksgegevens. Onder vrijheid verstaat ze het recht op een vrije mening, persvrijheid, stemrecht enz. Bij landen met gedeeltelijke vrijheid zijn sommige van die zaken niet voorhanden. Sommige critici vinden de organisatie te westers en te Amerikaans.

J DE DEMOCRATIE VANDAAG

185


ki

jk ex

BRON 1-2- 4 -5 Het woord ‘democratie’ bestaat uit de Griekse woorden ‘demos’ (volk) en ‘kratein’ (heersen). In een democratie heerst dus het volk. Anders gezegd: het volk heeft de macht of het volk beslist. Zo staat het ook in de Belgische grondwet. De grondwet is de voornaamste wet, ‘de grond’ van alle andere wetten. Geen enkele wet mag in tegenspraak zijn met de grondwet. In deze grondwet staan de rechten en vrijheden van elke Belg en hoe het land wordt bestuurd. Om de vijf jaar kiezen alle Belgen vanaf 18 jaar 150 volksvertegenwoordigers die ons vertegenwoordigen in de Kamer van volksvertegenwoordigers, kortweg ‘de Kamer’ genoemd. De Belgen worden ook vertegenwoordigd door de senatoren in de Senaat. De 60 senatoren worden aangeduid door de parlementen van de gemeenschappen en de gewesten (zie volgende les). Zij beslissen in onze plaats. Wij ­b eslissen dus niet direct, maar indirect (zie les 10). België is dus een indirecte democratie. Kamer en Senaat samen vormen het Federaal Parlement. Het Federaal Parlement, de wetgevende macht, maakt de wetten die alle Belgen moeten naleven. Wetten zijn beslissingen, regels en afspraken die je leven regelen. Ook de plannen van de federale regering moeten door het parlement worden goedgekeurd. Het parlement controleert de regering. De federale regering, de uitvoerende macht, moet ervoor zorgen dat beslissingen of wetten uitgevoerd

In 186

81

19

r

8 4

4 19

één man, één stem

vrouwenstemrecht

stemrecht vanaf 18 jaar

worden. Die regering bestaat uit ministers en staatssecretarissen. Zij moeten door het Federaal parlement aanvaard worden. Honderdduizenden ambtenaren werken voor de regering in de verschillende administraties. De rechtbanken, de rechterlijke macht, vervolgen diegenen die de wetten niet naleven. Het staatshoofd, de koning, heeft weinig macht. De verschillende regeringen en parlementen hebben de werkelijke macht. Naast verkiezingen voor het Federaal Parlement kiezen de burgers regelmatig hun vertegenwoordigers in gemeente- en provincieraden en in de parlementen van de Gemeenschappen en Gewesten en het Europees parlement. De kiezers stemmen op kandidaten van politieke partijen. Die proberen zo veel mogelijk zetels te winnen en de meerderheid te veroveren. Lukt dat niet, dan werken partijen samen om zo een meerderheid te bereiken, want de meerderheid beslist. Wie de meerderheid heeft, mag immers de regering vormen en het land besturen.

em

1

België is een grondwettelijk parlementair koninkrijk

pl aa

meervoudig stemrecht

19

19

18

19

93

18

onafhankelijkheid België

Federaal Parlement: nationaal parlement, voor alle Belgen

5

Jullie weten al dat de Atheense democratie in de 5e en 4e eeuw v.C. beperkt is. Vrouwen, metoiken, slaven en jongeren hebben geen inspraak (zie lessen 10 en 11). België noemt zich vandaag ook een ­democratie. Wat verstaat men daaronder? Hoe werkt de democratie? Is België altijd een democratie geweest? Waarin verschilt ze van de Atheense democratie?

30

43

België: een parlementaire democratie

LES 43 BELGIË: EEN PARLEMENTAIRE DEMOCRATIE

2

De lange weg naar democratie in België

BRON 3 België maakt zich in 1830 los van Nederland. Een jaar later keurt het Nationale Congres, het eerste Belgische parlement, de grondwet goed. Daarin staan veel vrijheden. België is volgens die grondwet een democratie met een parlement, een regering en rechtbanken. De democratie is echter zeer beperkt. Een zeer groot deel van de bevolking mag immers


3

De moderne Belgische en de Atheense democratie

De Belgische parlementaire democratie sluit minder mensen uit dan de Atheense democratie. Vrouwen en mannen, jongeren (vanaf 18 jaar) en ouderen, arm en rijk, iedereen krijgt in het stemhokje één stem. Ook vreemdelingen kunnen burgers worden. Uit lijsten opgesteld door politieke partijen kunnen Belgische burgers hun vertegenwoordigers kiezen. Die beslissen in de parlementen en vaardigen wetten uit. In de volksvergadering in Athene beslissen de burgers zelf, als zij dat willen; zij zijn niet verplicht om naar de volksvergadering te komen. Elke Atheense burger kan door loting verplicht worden in de Raad van vijfhonderd te zetelen. In België is er geen verplichte deelname aan het bestuur. Wel moet elke burger bij verkiezingen naar het stemlokaal.

r

BRON 6 -7- 8

pl aa

niet gaan kiezen. Enkel wie voldoende belastingen betaalt, krijgt stemrecht. In de 19e eeuw zijn dat vooral de rijken. Het parlement en de regering hebben dan ook weinig aandacht voor de problemen van de armen. In 1893 krijgen alle mannen stemrecht. Rijken en belangrijke mensen mogen echter meer stemmen uitbrengen. Na de Eerste Wereldoorlog is men bang dat de gewone mensen in opstand komen. Daarom schaft men in 1919 de extra stemmen af. Elke man mag tijdens verkiezingen één stem uitbrengen. De vrouwen krijgen pas stemrecht in 1948. Vanaf 1981 moeten alle Belgen vanaf hun achttien jaar hun stem gaan uitbrengen. Omdat het zo lang duurde vooraleer gewone mensen, vrouwen en jongeren kiesrecht kregen, zeggen historici dat de democratie in België voor 1981 beperkt was. België heeft dus een lange weg afgelegd naar de democratie.

KENNEN

KUNNEN

ki

BRON 1

1 het verschil tussen directe en indirecte democratie met een voorbeeld aantonen 2 informatie uit een schema afleiden

jk ex

em

1 de begrippen ‘indirecte democratie’, ‘directe democratie’, ‘volksvertegenwoordiging’, ‘wetgevende macht’, ‘uitvoerende macht’, ‘rechterlijke macht’, ‘parlement’ en ‘grondwet’ uitleggen 2 met drie voorbeelden aantonen dat de Belgische democratie voor 1981 beperkt was 3 de functies en de instellingen van de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht uitleggen 4 de rol van de koning uitleggen 5 de Atheense en de Belgische democratie vergelijken

In

Alle machten gaan uit van de Natie. (...) Art. 33 van de Grondwet

• Zoek in een naslagwerk de betekenis van ‘natie’ op. • Wie heeft in België volgens art. 33 van de Grondwet de macht?

BRON 2 De Belgen en hun rechten Art. 10 (...) De Belgen zijn gelijk voor de wet (...). Art. 15 De woning is onschendbaar (...). Art. 19 De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd (...). Art. 23 Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden (...). 1 Het recht op arbeid (...). 3 Het recht op huisvesting (...). Art. 25 De drukpers is vrij (...). Art. 27 De Belgen hebben het recht vreedzaam en ongewapend te vergaderen (...). Uit: De Belgische grondwet • Waar en hoe staat in de grondwet dat niemand het recht heeft om zonder toelating binnen te gaan in de woning van iemand anders? • Leg art. 25 met je eigen woorden uit. • Noem alle vrijheden en rechten op die in het u ­ ittreksel staan.

J DE DEMOCRATIE VANDAAG

187


BRON 3 Evolutie van het stemrecht in België

Jaar

Kiesstelsel

Kiesleeftijd

Kiezers/ bevolking

1831 Cijnskiesrecht (mannen)

25 jaar

1%

1848 Cijnskiesrecht (mannen), met verlaging cijns

25 jaar

2%

1893 Algemeen meervoudig stemrecht (mannen)

25 jaar

22 %

1919 Algemeen enkelvoudig stemrecht (mannen)

21 jaar

28 %

Algemeen enkelvoudig stemrecht (mannen én vrouwen)

21 jaar

65 %

18 jaar

70 %

1981 Verlaging kiesleeftijd

pl aa

1948

r

Opkomstplicht

BRON 4 A Schema’s parlementair stelsel UITVOERENDE MACHT

WETGEVENDE MACHT

RECHTERLIJKE MACHT

Taak?

wetten uitvoeren

wetten maken begroting goedkeuren controle

wetten naleven controleren

Wie?

regering (ministers)

parlement (volksvertegenwoordigers en senatoren.)

onafhankelijke rechtbanken

ki

jk ex

Wat?

C België, een parlementaire democratie

In

B

regeringen: De federale regering en de regeringen van de Gemeenschappen en de Gewesten (zie les 44)

REGERINGEN

parlementen: het Federaal Parlement (Kamer en Senaat), de Parlementen van de Gemeenschappen en Gewesten (zie les 44)

PARLEMENTEN

KIEZERS

188

em

• Vanaf welk jaar kan, volgens de tabel, een meerderheid van Belgen mee beslissen bij verkiezingen? • Waarom bestond er voor 1981 volgens sommige historici geen echte democratie in België? Wat denk je zelf? Argumenteer.

LES 43 BELGIË: EEN PARLEMENTAIRE DEMOCRATIE

• • • • • •

Geef de drie machten. Welke taak hebben de drie machten? Hoe worden de leden van het Federaal Parlement aangeduid? Hoe wordt de federale regering samengesteld? Uit welke twee kamers bestaat het Federaal Parlement? Wie zou de ‘uitvoerende macht’ zijn op federaal niveau?


r

BRON 5 A De koningen van België

pl aa

B

• Noem de opeenvolgende koningen op. • Wie is nu koning? Wie is nu troonopvolger? • Als het oudste kind van de huidige koning een dochter is en het tweede oudste een zoon, wie is dan de troonopvolger? Was dat vroeger ook het geval? • Kan de koning wetten maken, beslissingen nemen?

em

Art. 106 van de Belgische grondwet Geen akte van de Koning kan gevolg hebben, wanneer zij niet mee ondertekend is door een minister, die daardoor alleen reeds, ervoor verantwoordelijk wordt.

BRON 6 Recente opvattingen over democratie

In

ki

jk ex

(…) Zo moet al meteen worden gewezen op het onderscheid tussen directe democratie, die slechts in kleine gemeenschappen denkbaar is, en indirecte democratie of democratie door middel van vertegenwoordiging, waarbij op enigerlei wijze via vertegenwoordigers de burgers bij het regeerproces worden betrokken. (…) Samenvattend zien wij bij beschouwingen over democratie dan ook opdoemen het bestaan van verschijnselen als: Ǥ vrije verkiezingen; Ǥ politieke partijen; Ǥ discussievrijheid: Ǥ meerderheidsbeginsel: Ǥ het respecteren van het individu en het respecteren van de minderheid. Uit: Hans Daudt, Echte politicologie • Waar is volgens de auteur nog directe democratie mogelijk? • Hoe legt de auteur het begrip ‘indirecte democratie’ uit? • Wie wordt in een indirecte democratie betrokken bij het regeerproces? • Wie wordt in een directe democratie betrokken bij het regeerproces? • Welke ‘verschijnselen’ doemen op bij beschouwingen over democratie? Anders gezegd: over welke kenmerken heeft men het nog als men spreekt over democratie?

BRON 7 Van de burger werd verwacht dat hij individueel tot een standpunt kon komen, door na te denken over de argumenten die hij hoorde in de volksvergadering of de volksrechtbank. Hij hoorde zich ook niet te laten leiden door gevoelens voor zijn streek of zijn stam. Gelegenheid tot overleg werd niet gegeven: stemmingen vonden direct na de pleidooien plaats. Alleen het gezonde verstand bepaalde het oordeel. Groepsvorming was verdacht en werd zo veel mogelijk tegengegaan. In de volksvergadering zaten de burgers door elkaar, dus niet bijvoorbeeld per fyle. De historische ervaring had bevestigd dat er niets goeds kwam van partijvorming. In de paar crises die de Atheense democratie meemaakte, werd een kwalijke rol gespeeld door genootschappen van rancuneuze aristocraten. De politieke partij, die tegenwoordig als een noodzakelijk middel voor de kanalisering van menings- en besluitvorming wordt gezien, was taboe. Zij stond de directe relatie tussen de burger en zijn polis in de weg. Vrij naar: Anton van Hooff, Athene • Wat is een taboe? Zoek eventueel op. • Waarom waren de Atheners tegen partijvorming? • Waarom was overleg in de volksvergadering bijna onmogelijk? • Welk argument wordt in de moderne democratie gebruikt om het bestaan van politieke partijen te verdedigen?

J DE DEMOCRATIE VANDAAG

189


pl aa

r

BRON 8 A

jk ex

em

Een minderheid van de burgers was aanwezig op de volksvergadering: 6000 van zo’n 30 000 burgers. Maar zeker bij belangrijke besluiten stroomde het plateau van de heuvel Pnyx vol. Een minimum aantal aanwezigen hoefde niet vooropgesteld te worden als zeer belangrijke zaken aan de orde waren, zoals een oorlogsverklaring. Dan kwam de burger wel opdagen, want de uitslag van de beraadslaging raakte hem direct. Bij een ‘ja’ moest hij immers weldra ten strijde trekken. (…) Een algemene burgervergadering was tot voor kort in moderne staten praktisch niet te organiseren. In kleine Zwitserse kantons kan men vandaag nog wel één keer per jaar bijeenkomen, maar het is fysiek nu eenmaal onmogelijk honderdduizenden of miljoenen burgers te verzamelen. Referenda zijn een vrij primitief middel om het hele volk te laten meebeslissen. Pas met de komst van het internet is het technisch weer mogelijk een algemene volksvergadering te houden, eventueel zelfs dagelijks. Een elektronische Pnyx is heel goed realiseerbaar. Vrij naar: Anton van Hooff, Athene

B

ki

Wat was het maximale aantal burgers aanwezig op de volksvergadering? Wanneer en waarom waren er veel burgers aanwezig op de volksvergadering? Is het meerderheidsbeginsel hier gerespecteerd? Waar kan er wel één keer per jaar en door alle burgers vergaderd worden? Zoek op wat een referendum is. Kunnen wij volgens de auteur wel een algemene volksvergadering houden? Hoe? Met hoeveel mensen? Wat bedoelt de auteur met ‘elektronische Pnyx’?

In

• • • • • • •

Onze democratie is inmiddels in weinig nog vergelijkbaar met de Atheense democratie. De directe participatie van het volk is verdwenen en in plaats daarvan spreken de verkozenen in het parlement namens de kiezers die zij vertegenwoordigen. De moderne democratie is een representatiedemocratie. Gelijkheid voor de wet en vrijheid van spreken bleven echter bewaard. Maar het is niet meer mogelijk om als burger zelf aan het politieke debat in de hoogste vergadering deel te nemen en over voorstellen allerhande een stem uit te brengen. Uit: Robert Nouwen, De erfenis van de Oudheid voor de mens van nu • Hoe noemen wij een representatiedemocratie? Kijk eventueel naar bron 6 of de lestekst. • Is directe democratie volgens deze auteur mogelijk? En volgens de auteur in bron 8A? En volgens de auteur in bron 6? • Wat denk je zelf? Argumenteer!

190

LES 43 BELGIË: EEN PARLEMENTAIRE DEMOCRATIE


19

BELGIË

93

pl aa

r

18

19

70

België is een federale staat die bestaat uit gewesten en gemeenschappen. Buitenlanders vinden dat België een ingewikkeld land is met veel regeringen en parlementen. Misschien deel je wel hun mening. Je hebt bijvoorbeeld een Belgische, een Vlaamse, een Waalse, een Duitstalige, een Franstalige en zelfs een Brusselse regering. Waarom telt ons land zoveel regeringen? Wat is een federale staat? Wat zijn gewesten en gemeenschappen? Welke rol speelt de Europese Unie in België? 30

44

Het federale België

EU

.

FEDERAAL BELGIË

mag beslissen. De Belgische staat moet een deel van zijn macht afstaan aan Vlaanderen en Wallonië. Aanvankelijk weigeren de Walen aan die federalisering mee te werken. Vanaf 1960 gaat het echter slechter met de Waalse staalen steenkoolnijverheid. De Vlaamse economie daarentegen doet het steeds beter. De Waalse nijverheid heeft speciale oplossingen nodig. Daarom zijn Waalse politici na verloop van tijd ook voor het ontstaan van deelstaten. Daarbij wensen de Franstaligen een speciale regeling voor Brussel. Deze stad is voor een groot deel verfranst, maar ligt in Vlaanderen. In het oosten van België zijn er ondanks een zware verfransing nog enkele Duitstalige gemeenten. Die willen ook dat er met hen meer rekening wordt gehouden. Vanaf 1970 start de staatshervorming, die België langzaam omvormt tot een federale staat.

em

1

België discrimineerde de Vlamingen

In onze streken zijn de Nederlandstaligen of Vlamingen altijd in de meerderheid geweest. In de 19e eeuw hebben de rijke burgers echter de macht in België. Zij spreken vooral Frans en kijken neer op de Vlaamse dialecten. Het Frans wordt de taal van het bestuur, het leger, het gerecht en het onderwijs. Willen Vlamingen carrière maken, dan moeten ze die taal gebruiken. De Vlaamse Beweging reageert tegen die discriminatie. Op het einde van de 19e eeuw mag in Vlaanderen naast het Frans ook het Nederlands gebruikt worden in het bestuur, het gerecht en het onderwijs. De Vlaamse beweging wil dat Vlaanderen zich ook economisch verder ontwikkelt. In de 20e eeuw verdwijnt langzaam maar zeker een groot deel van de discriminatie. Het feit dat gewone (Vlaamse) mensen stemrecht kregen, speelt daarin een belangrijke rol. Ondanks die vooruitgang blijven veel belangrijke functies in het bestuur en het gerecht naar Franstaligen gaan. Van Vlaamse ambtenaren en politici verwacht men dat ze tweetalig zijn, terwijl hun Franstalige collega’s nauwelijks Nederlands spreken. In Brussel en omgeving blijft men neerkijken op het ‘Vlaams’ en spoort men de mensen aan om Frans te spreken. De Belgische overheid heeft ook meer aandacht voor Wallonië dan voor Vlaanderen. Zo wordt het spoorwegennet in het zuiden van België zeer goed uitgebouwd. In de eigen tijd nemen de tegenstellingen tussen Vlamingen en Franstaligen verder toe. Beide groepen hebben over zeer veel onderwerpen een andere mening en willen dan ook op een andere manier besturen. Verschillende Vlaamse politici eisen daarom dat Vlaanderen over zijn eigen lot

In

ki

jk ex

BRON 1-2

2

België is een federale staat

In een federale staat is de macht verdeeld tussen instellingen voor het hele land (federaal) en instellingen voor delen van het land (deelstaten). Men heeft in België geprobeerd rekening te houden met de eisen en de wensen van Vlamingen, Walen, Franstalige Brusselaars en Duitstaligen. De federale overheid beslist over het leger, de munt, de werklozensteun, de ziekteverzekering, de pen­sioenen, de spoorwegen, de post en de rechtspraak. Drie gemeenschappen en drie gewesten vormen de deelstaten. Die krijgen tussen 1970 en vandaag steeds meer bevoegdheden. De Vlaamse, Franse en Duitse gemeenschappen beslissen over onderwijs, cultuur, kinderbijslag, welzijn (o.a. hulp aan andersvaliden) ... BRON 3-4

J DE DEMOCRATIE VANDAAG

191


België is lid van de Europese Unie

Als je in België woont, beslissen verschillende besturen of overheden over je doen en laten. Het gebied waarover ze beslissen, kan in grootte verschillen. Er is een lokaal, regionaal, federaal en Europees bestuursniveau. De tabel maakt dat duidelijk. ­ Bestuursniveau Naam

Uitvoerende macht

Wetgevende macht

Europees

Europese Unie (EU)

Europese Commissie

Raad + Europees Parlement

Federaal

België

Regering

Parlement

Regionaal

Vlaanderen

Vlaamse regering

Vlaams Parlement Provincieraad

Lokaal

Provincie

Provinciebestuur

Lokaal

Gemeente

Gemeentebestuur Gemeenteraad (burgemeester + schepenen)

em

België heeft na de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) een belangrijke rol gespeeld in de samenwerking tussen de Europese landen. Ons land is dan ook vanaf het begin, in 1993, lid van de Europese Unie (EU). Die beslist grotendeels over economische zaken, energie, milieu, vervoer ... De uitvoerende macht is in handen van de Europese Commissie. De wetgevende macht is in handen van een Raad, die bestaat uit staatshoofden en ministers van de lidstaten, en het Europese Parlement. Dat laatste wordt verkozen door de burgers van de Europese Unie.

Verschillende bestuursniveaus

KENNEN

KUNNEN 1 op een kaart de drie gemeenschappen en drie gewesten aanduiden 2 de vlaggen van de Europese Unie, België en Vlaanderen herkennen 3 met behulp van een tabel een verschil tussen de regio’s geven

In

ki

jk ex

1 de begrippen ‘regionaal’, ‘Europese Unie’, ‘federale staat’, ‘gewest’ en ‘gemeenschap’ uitleggen 2 een oorzaak van de discriminatie van de Vlamingen geven 3 drie redenen voor het ontstaan van het federale België geven 4 de drie gemeenschappen en drie gewesten opnoemen 5 de naam van de vijf verschillende bestuursniveaus geven

BRON 1

r

3

4

pl aa

De Vlaamse, Brusselse en Waalse gewesten beslissen over materiële zaken, zoals het wegennetwerk, milieu en de economie. De Vlamingen hebben het geheel vereenvoudigd door het Vlaamse gewest en de Vlaamse gemeenschap met elkaar te fuseren. België is niet het enige federale land. De VS, Duitsland en Zwitserland zijn bijvoorbeeld ook federale staten. Ons land is wel ingewikkelder dan die andere landen. De verdeling van de bevoegdheden is ook niet zo vlot verlopen. Daarom eisen sommige Vlaamse politieke partijen meer macht voor de deelstaten. De Vlaamse regering is de uitvoerende macht en het Vlaamse Parlement de wetgevende macht.

Een eenheidstaal is een goede basis voor een stevige staat. Het Frans zal de taal van België moeten worden. Daarom moeten kandidaten uit Wallonië en Luxemburg voorrang krijgen voor functies in het leger, de administratie en de magistratuur. Op die wijze zijn de Vlamingen wel verplicht om Frans te leren. Vertaling van een fragment uit een brief van Charles Rogier aan Jean Raikem, 1834 De Franstalige Luikenaar en liberaal Charles Rogier (1800-1885) is een van de politieke leiders van het in 1830 ontstane België. Van opleiding is hij advocaat. Hij maakt carrière als regeringsleider, minister en provinciegouverneur. Van 1832 tot 1834 is hij minister van Binnenlandse Zaken. Hij vindt dat de Vlamingen er beter van worden als ze Frans zouden spreken: meer kans op werk en meer beschaving ... • Is de bron primair of secundair? • Hoelang na de Belgische onafhankelijkheid is de brief geschreven? • Is de bron bruikbaar om iets over de positie van de Vlamingen in het België van de 19e eeuw te weten te komen? Motiveer je antwoord. • Op welke manier zullen de Vlamingen gediscrimineerd worden volgens deze bron?

192

LES 44 HET FEDERALE BELGIË


7 000 000 6 000 000 5 000 000 4 000 000

BRON 2

3 000 000

De Waalse visie op de Vlaamse gastarbeiders in de Waalse mijnen 2 000 en 000 staalfabrieken in het begin van de 20e eeuw: rosharig, vetzak, vrouwenloper, slechte arbeider, staking­breker. Er komt meer van dat fraais. Het Journal de Charleroi maakt zich in 1 000 000 het nummer van 5 maart 1911 zorgen over de stijging van de criminaliteit in het arrondissement. De krant stelt vast: ‘Men 0 Brussels Vlaams Gewestniet ver moet de oorzaak van de stijging van de criminaliteit in onze industriële gemeenten zoeken:Waals de Gewest meeste misdrijven Hoofdstedelijk Gewest worden gepleegd door individuen die een Vlaamse naam dragen.’ 8 000 000 7 000 000

Uit: Guido Fonteyn, Afscheid van Magritte. Over het oude en nieuwe Wallonië, 2004 6 000 000

8 000 000

Guido Fonteyn is een Vlaamse journalist die veel in Wallonië verblijft 5 000 000en erover schrijft. 100 %

7 000 000

• ‘De 6 000 000

% 4 00090000

5 000 000

70 % 2 000 000 60 %

Vlamingen worden in het begin van de 20e eeuw bekeken zoals de gastarbeiders in Vlaanderen v ­ andaag.’ Juist of 80 % 3 000 000 fout? Verklaar je antwoord.

4 000 000

1 000 000 50 % 40 %0

2 000 000

30 %

BRON 2 A Bevolkingsaantallen regio’s in 2019 0

Vlaams Gewest

8 000 000

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Waals Gewest

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Waals Gewest

em

70 % 15 % 60 % 50 % 12 % 40 %

3 00080000 % % 2 00070000

30 % 9% 20 %

60 % 1 000 000 50 %

20 %

Bron: statbel.fgov.be 10 %

Vlaams Gewest

100 %

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Waals Gewest

jk ex

Vlaams Gewest

30 %

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Waals Gewest

C 90Werklozen tussen 15 en 64 jaar oud in 2019 %

In

ki

80 %

Vlaams Gewest

3%

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

10 % 6% 0%

Vlaams Gewest

3%

Bron: www.fitagency.be

0%

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Waals Gewest

Vlaams Gewest

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Waals Gewest

Vlaams Gewest

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Waals Gewest

Vlaams Gewest

15 %

D Aantal huishoudens waarin geen enkele volwassene betaald werk verricht in 2018 12 %

% 259 % % 206 %

30 % 9% 20 % 10 % 6% 0%

Waals Gewest

80 %

4 000 000 90 %

50 % 12 % 40 %

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

90 %

5 000 000 100 %

70 % 15 % 60 %

Vlaams Gewest

100 %

6 000 000

0%

Waals Gewest

B 20 % Aandeel van de regio’s in de Belgische uitvoer van 10 % 2016 0%

7 000 000

0 40 %

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

pl aa

1 000 000

Vlaams Gewest

r

3 000 000

% 153 %

Waals Gewest

% 100 %

5% 0%

Vlaams Gewest

15 %

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Waals Gewest

Bron: statbel.fgov.be

0% 25 %

12 %

Bron: statbel.fgov.be 20 %

9% 25 %

15 % of fout? Verklaar je antwoord. • ‘Er leven meer Franstaligen dan Nederlandstaligen in België.’ Juist 6% • Toon met gegevens uit de staafdiagrammen aan dat Vlaanderen het economisch beter doet dan Wallonië. 20 % 10 % 3% 15 % 5% 0% 10 %

5%

Vlaams Gewest

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

J DE DEMOCRATIE VANDAAG

Waals Gewest 0%

Vlaams Gewest

Brussels Hoofdstedelijk

Waals Gewest

193


BRON 3 A De gemeenschappen in België

B De gewesten in België Noordzee

NEDERLAND

DUITSLAND

FRANKRIJK

Vlaams Gewest

Franse gemeenschap

Waals Gewest

Duitstalige gemeenschap

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

0

50 km

pl aa

r

Vlaamse gemeenschap

ki

België

In

Europese Unie

jk ex

em

• Noem de drie gemeenschappen en de drie gewesten. • Kies het juiste antwoord. Bij kaart A is Brussel ­gearceerd: Ǥ omdat de tekenaar dat leuk vindt; Ǥ omdat Brussel ook een gemeenschap is; Ǥ omdat Brussel volledig bij de Vlaamse Gemeenschap hoort; Ǥ omdat in Brussel zowel de Vlaamse als de Franse Gemeenschap mag beslissen.

Vlaamse Gemeenschap

194

LES 44 HET FEDERALE BELGIË

Waals Gewest


Brussels Hoofdstedelijk Gewest

pl aa

In

ki

jk ex

em

BRON 4 Het Vlaams Parlement in Brussel

r

Duitstalige gemeenschap

• Kies het juiste antwoord: Het Vlaams Parlement is de uitvoerende – de ­wetgevende – de rechterlijke macht van Vlaanderen.

J DE DEMOCRATIE VANDAAG

195


em

v. C 0 0 35 Âą

OUDE NABIJE OOSTEN

In

ki

jk ex

PREHISTORIE

196

r

pl aa

In dit onderdeel herhaal je de leerstof van de eerste graad met enkele herhalingsoefeningen, die de belangrijkste vaardigheden opnieuw trainen en je kennis over het referentiekader opfrissen. Verschillende elementen uit de voorgaande lessen komen daarbij aan bod. In het werkschrift en bij het onlinelesmateriaal vind je andere syntheseoefeningen terug. Eerst herhaal je even wat een referentiekader eigenlijk is.

.

K

Een referentiekader voor het verleden


r In

ki

19

4

50

±

17

±

±

em

efereren betekent terugverwijzen. Binnen het vak geschiedenis bedoelt men met terugverwijzen: je oriënteren in het verleden. Een ander woord voor kader is schema of structuur. Het referentiekader is met andere woorden een schema dat of structuur die je helpt bij je oriëntatie in het verleden. Het referentiekader geeft je informatie over een tijd, een ruimte en bepaalde gebeurtenissen. Je kent de zeven tijden van ons verleden: prehistorie, oude nabije oosten, klassieke oudheid, middeleeuwen, vroegmoderne tijd, moderne tijd en hedendaagse tijd. Binnen elke tijd kiezen we een plaats op de wereldbol uit waar iets belangrijks gebeurd is. Een ander woord voor plaats is ruimte. De grootte van die ruimte kan verschillen: een continent of werelddeel (Europa, Azië ...), een gebied (Mesopotamië, Oost-Afrika ...), een land (België, Engeland ...), een streek (de Kempen, de Westhoek ...) of een stad (Antwerpen, Parijs ...). De wereld in zijn geheel is ook een plaats. Je weet ook dat gebeurtenissen of ontwikkelingen ingedeeld worden in vier domeinen: politiek, sociaal, economisch en cultureel.

5

pl aa 14

50 ±

MIDDELEEUWEN

jk ex

R

50

0

. v. C 0 80 ±

KLASSIEKE OUDHEID

HEDENDAAGSE TIJD

MODERNE TIJD VROEGMODERNE TIJD

Een referentiekader helpt je dus bij je oriëntatie in het verleden door per tijd een ruimte te geven waar zich belangrijke gebeurtenissen afspelen. Op het einde van elk onderdeel in dit leerboek heb je een overzicht van de geziene leerstof gekregen. Die overzichten maken deel uit van het referentiekader. Let op! De mensen en samenleving die je bestudeert, hebben het referentiekader nooit gekend. Het gaat hier om een hulpmiddel voor jou. Jij weet dat de Kelten in de prehistorie leven. De Kelten zelf hebben dat nooit geweten. In andere werelddelen gebruikt men andere referentiekaders. De Chinezen bijvoorbeeld delen hun verleden anders in.

K EEN REFERENTIEKADER VOOR HET VERLEDEN

197


45

Herhalingsoefeningen

OPDRACHTENREEKS 1

OPDRACHTENREEKS 2

pl aa

BRON 2 Fragment uit het tapijt van Bayeux (borduurwerk uit de 11e eeuw, 0,5 m breed; het volledige wandtapijt is 70 m lang)

jk ex

em

BRON 1 Een Keltische krijger

1 Geef voor elke bron aan of het gaat om een geschreven, mondelinge of materiële bron. 2 Welke bronnen dienen om de macht van iets of iemand aan te tonen? 3 Los de vragen bij bron 8 op.

r

1 Geef voor elke bron de juiste tijd uit het referentiekader. 2 Welke bronnen gaan over mensen uit Europa? 3 Over welk domein gaat elke bron? Motiveer je antwoord.

In

ki

Het tapijt vertelt het verhaal van de verovering van Engeland door de hertog van Normandië (Frankrijk). Er staan onder andere 623 mensen, 55 honden, 202 paarden, 41 schepen en 49 bomen op.

BRON 3 Een file op weg naar de vakantieoorden in het zuiden (periode 1950-1960)

198

LES 45 HERHALINGSOEFENINGEN

BRON 4 Afbeelding van de Egyptische god Thot in een graf (1250 v.C.)


BRON 5 De zuil van Trajanus

Het paleis dient om de macht van de Franse koning aan te tonen.

BRON 8

em

Triomfzuil gebouwd tussen 107 en 112 om de overwinning van keizer Trajanus op de opstandige Daciërs te herdenken.

pl aa

r

BRON 6 Het paleis van Versailles (1722)

In

ki

jk ex

BRON 7 Fragment uit het schilderij ‘Zondagmiddag op het eiland’ (1884-1886) van Georges Seurat

De Engelse historicus Edward Gibbon (1737-1794) beëindigde zijn zesdelig werk over het Romeinse Rijk in 1787 met de woorden: De geschiedschrijver mag zich verheugen over het belang (...) van zijn onderwerp, maar is gedwongen (...) dikwijls te klagen over het tekort aan bronnen. Te midden van de ruïnes van het Capitool kreeg ik het plan om een werk te starten dat twintig jaar (...) mijn aandacht heeft opgeëist en dat ik presenteer aan de belangstelling en het oordeel van het publiek, daarbij zeer goed de tekortkomingen van het werk beseffend. Edward Gibbon, De geschiedenis van de neergang en de val van het Romeinse Rijk, 1776-1788 • Is deze bron primair of secundair? • Zoek zelf de nodige informatie op het internet. Waardoor had Gibbon de tijd om te schrijven? • Hoe bewijst dit citaat van Gibbon dat geschiedenis niet hetzelfde is als het verleden?

KUNNEN

Georges-Pierre Seurat (1859-1891) was een Frans kunstschilder en tekenaar.

1 bronnen en gebeurtenissen in de juiste tijd en bij het juiste domein plaatsen 2 bronnen en gebeurtenissen uit Europa aanduiden 3 een reeks bronnen volgens soort sorteren 4 informatie opzoeken 5 een bron met behulp van vragen bestuderen

LES 45 HERHALINGSOEFENINGEN

199


46 irrigatietechnieken: technieken om akkers met water te bevloeien

Herhalingsles

Aan de hand van een reeks opdrachten en vragen maak je zelf een referentiekader over de leerstof die je de eerste graad gezien hebt. Als je het antwoord niet weet, kun je het opzoeken in de andere lessen. In je werkschrift vind je een kader om de vragen te beantwoorden.

r

1 PREHISTORIE

jk ex

em

pl aa

1 Duid het juiste antwoord aan: Men spreekt van prehistorie als a de mensen zich hullen in beestenvellen en leven van de jacht; b men geen geschreven bronnen gebruikt; c men nog geen landbouw beoefent en rondzwerft; d men materiële bronnen maakt. 2 Ongeveer 1,5 / 2,5 / 3,5 / 4,5 miljoen (1) jaar geleden ontstaan de eerste echte mensen in Afrika / Amerika / Antarctica / Azië / Oceanië / Europa (1). 3 Onze rechtstreekse voorouder heet: homo habilis / homo sapiens sapiens / homo sapiens neanderthalensis / chimpansee / homo erectus (1). 4 Onze voorouders zijn jager-voedselverzamelaars. Wat bedoelt men daarmee? 5 De laatste ijstijd eindigt ca. 20 000 / 15 000 / 10 000 / 5000 v.C. (1). 6 In China / Zuid-Amerika / het Nabije Oosten / de Balkan (1) schakelt de mens omstreeks 20 000 / 15 000 / 10 000 / 5000 v.C. (1) voor het eerst over op landbouw en veeteelt. 7 ‘De mens wordt sedentair.’ Leg die uitspraak uit. 8 De overschakeling op landbouw en veeteelt verandert de prehistorische samenleving grondig. Het gaat dus om een revolutie. Men noemt die gebeurtenis: de industriële revolutie / de neolithische revolutie / de digitale revolutie (1).

ki

NOORDWEST-EUROPA EN ONZE GEWESTEN 9 De eerste mensen in onze gewesten leven van landbouw / veeteelt / jacht en voedselpluk (1). 10 De Kelten leven in de steentijd / kopertijd / bronstijd / ijzertijd (1). 11 De Kelten vormen een / geen (1) groot rijk.

In

(1) Kies het juiste antwoord.

2 OUDE NABIJE OOSTEN (3500-800 v.C.)

1 Langs welke rivieren is een stroomcultuur ontstaan? Schelde / Gele Rivier / Amazone / Wolga / Eufraat en Tigris / Nijl / Mekong / Indus / Rijn (1). 2 De volkeren van het oude nabije oosten doen aan irrigatielandbouw. Verklaar wat men daarmee bedoelt. HET OUDE EGYPTE 3 De Egyptische stroomcultuur ontstond in Afrika / Azië / Amerika / Europa / Oceanië (1). 4 De macht van de farao is het best te vergelijken met die van een verkozen president / dictator / de Belgische koning (1). 5 De Oude Egyptenaren zijn tijdens het grootste gedeelte van hun geschiedenis monotheïstisch /polytheïstisch (1). 6 De piramiden zijn paleizen / voorraadschuren / begraafplaatsen / energiecentrales (1). 7 Hoe heet de Egyptische techniek waarbij men lijken zodanig behandelt dat ze voor lange tijd bewaard kunnen worden?

200

LES 46 HERHALINGSLES


3 KLASSIEKE OUDHEID (800-500 v.C.) HELLAS 1 Wat is een polis? 2 De Grieken vormen een / geen (1) groot rijk. 3 Welke groep mag bij de Atheense democratie meebeslissen? Mannen / metoiken / slaven en vrouwen (1) 4 Athene is een directe / indirecte democratie (1). 5 Sparta is een democratie / oligarchie / geen van beide (1). 6 Wie vecht tegen wie in de Perzische oorlogen? Wie vecht tegen wie in de Peloponnesische oorlogen? 7 In welke eeuw verovert de Makedonische koning Alexander een groot rijk? 8 Wat gebeurt er met het rijk van Alexander na zijn dood?

In

ki

jk ex

em

pl aa

r

ROME 9 Welke periode uit de Romeinse geschiedenis duurt in het westen het langst? Koninkrijk / republiek / keizerrijk (1) 10 Tot welk volk behoort een deel van de Romeinse koningen? Kies uit: Etrusken – Feniciërs – Galliërs – Grieken – Kretenzers – Vlamingen. 11 Wat is een consul? 12 Hoe heet de methode waarmee de Romeinen veroverde gebieden onder controle houden? 13 Geef twee kenmerken van de plebejers. 14 De populares komen tijdens de burgeroorlogen op voor de koningen / de proletariërs / de nobilitas / de optimates. (1) 15 Hoe heet de eerste Romeinse keizer? Van welke Romeinse veldheer is hij familie? 16 In welke eeuw kent het Romeinse Rijk zijn grootste omvang? 17 Geef drie oorzaken voor het verval van het Romeinse keizerrijk. 18 In 476 houdt het Romeinse Rijk op te bestaan. Juist of fout? (1) 19 Waarom stichten de Grieken kolonies? In welke eeuwen doen ze dat? 20 Geef drie producten die tussen de Griekse kolonies en hun moedersteden verhandeld worden. 21 Geef twee kenmerken van slaven. 22 ‘De Romeinse nobilitas bestaan uit de rijke plebejers en de patriciërs.’ Juist of fout? (1) 23 Wat is een Romeinse proletariër? 24 Wanneer kent de handel langs de Middellandse Zee een enorme bloei? 756 v.C.-100 / 200 v.C.-200 / 100-300 / 300 v.C.-476 (1) 25 Een latifundium is een groot / klein / middelgroot (1) landbouwbedrijf. 26 Welke drie soorten zuilen kent de klassieke bouwkunst? 27 Geef twee volkeren waarvan de Romeinen veel overnemen. 28 Teken een rondboog. KENNEN 29 Bij een idealistische afbeelding 1 belangrijke kenmerken van de a geeft men de mensen weer zoals ze in werkelijkheid zijn; prehistorie, oude nabije oosten en b geeft men zijn idealen weer; de klassieke oudheid opnoemen c beeldt men mensen mooier en beter af dan ze zijn; 2 belangrijke kenmerken van de d volgt men de methode van Homeros Idealos; geschiedenis van onze gewesten in e geeft men geen mensen weer. de prehistorie en de klassieke 30 Over welke oorlog dicht Homeros? oudheid opnoemen 31 De Grieken en de Romeinen zijn tijdens een groot deel van hun geschiedenis monotheïstisch / polytheïstisch (1). 32 In welke eeuw wordt het christendom de staatsgodsdienst van KUNNEN het Romeinse Rijk? 1 informatie opzoeken 33 Waarover proberen de Griekse filosofen en wetenschappers 2 vragen en opdrachten over de verklaringen te formuleren? prehistorie, het oude nabije oosten en de klassieke oudheid oplossen ONZE GEWESTEN IN DE KLASSIEKE OUDHEID 1 Welk volk leeft er in onze gewesten bij de komst van de Romeinen? 2 Welke Romeinse veldheer verovert onze gewesten? 3 Wat gebeurt er met de opstandelingen? 4 Geef twee steden uit onze gewesten die in de Romeinse tijd gesticht zijn. 5 Hoe heet de cultuur die ontstaat uit de vermenging van Keltische en Romeinse gebruiken?

LES 46 HERHALINGSLES

201


WOORDENLIJST

amfoor: een kruik met twee oren dat door de Grieken en Romeinen meestal wordt gebruikt om voeding te bewaren en te vervoeren anatomie: bouw van het menselijke lichaam archaïsch: zeer oud; eerste periode/stijl van de Griekse beeldhouwkunst autocratie: een regeringsvorm waarbij de macht wordt uitgeoefend door één persoon autonomie: zelfregering bas-reliëf: halfverheven beeldhouwwerk bladmotief: versiering met bladeren

fronton: het bovenste gedeelte van een gevel, vaak in de vorm van een driehoek gedrapeerd: wanneer stof in plooien valt geïdealiseerd: mooier, beter voorgesteld dan in werkelijkheid haam: hoefijzervormig juk voor een trekdier handelaar-ondernemer: de eigenaar van een bedrijf of onderneming die producten maakt en/of verkoopt heerbaan of heirbaan: stevig aangelegde stenen wegen die de meeste delen van het Romeinse Rijk met elkaar verbinden (voor de handel en vlotte verplaatsing van legertroepen) hegemonie: overwicht, overheersing

hekeldichter: dichter die ondeugden of wantoestanden aanklaagt of bespot hellenisme: ‘hellenistisch’ betekent ‘Griekssprekend’ en ‘Grieksgezind’. In het hellenisme vermengen oosterse gewoontes en Griekse cultuurelementen zich tot een nieuwe samenlevingsvorm waarin het Griekse aspect toonaangevend is.

em

bekken: plat, lagergelegen gebied of zee

frontaal: in vooraanzicht

r

ambacht: een beroep waarbij iets met de hand wordt gemaakt, bv. pottenbakker of wever

fries: (in de Griekse architectuur) een horizontale strook met schilder- of beeldhouwwerk boven de architraaf of hoofdbalk

pl aa

administratie: het verzamelen, ordenen en bijhouden van gegevens agressor: aanvaller, degene die een oorlog begint akoestiek: wetenschap die zich bezighoudt met het geluid. Hoe klinkt bv. het geluid in de ruimte? allegorie: een beeld dat men schetst om iets abstract voor te stellen. Bijvoorbeeld: een mooie vrouw of man om de liefde voor te stellen.

heloten: betekent eigenlijk ‘gevangenen’ imperialisme: het streven van een land naar uitbreiding van het grondgebied ten koste van andere landen of volkeren

jk ex

bronstijd: term gebruikt door archeologen en historici voor de periode tussen ca. 3000 en 800 v.C. waarin vooral bronzen werktuigen en wapens werden gebruikt. Die periode volgt op de (nieuwe) steentijd en wordt gevolgd door de ijzertijd. burgeroorlog: een oorlog waarbij de strijdende partijen deel uitmaken van hetzelfde land

chirho: eerste twee letters van het Griekse woord ‘Christus’ continuïteit: wat (in wezen) hetzelfde blijft

In

ki

contrapost: typische houding in de beeldhouwkunst; een staand persoon heeft het bekken licht gekanteld. Het rechterbeen is gestrekt, het linker gebogen. De linkerarm is gebogen en de rechter gestrekt. cyclopen: eenogige reuzen

dictator: een uitzonderlijk door de senaat benoemde magistraat die tijdelijk buitengewone macht krijgt dynamisch: in de kunst: met een uitdrukking van beweging

irrigatietechnieken: technieken om akkers met water te bevloeien kalenden: eerste dag van de maand in de Romeinse kalender kapiteel: bovenste gedeelte van een zuil. Dient om de last op een smaller vlak van bv. de zuil over te brengen. kolonisatie: in de klassieke oudheid het oprichten van een dochterpolis door een moederpolis; beide poleis zijn onafhankelijk van elkaar en drijven handel

evolutie: (geleidelijke) ontwikkeling in de tijd

kunstuiting: een product van menselijke creativiteit: bouwkunst, schilderkunst, reliëf- en beeldhouwkunst, literatuur, muziek….

exporteren: inlandse waren uitvoeren

magistraat: (in het oude Rome) bestuurder

Federaal Parlement: nationaal parlement, voor alle Belgen

metoik: vreemdeling die in de polis woont, hij is geen burger.

filosofie: Etymologisch bestaat dit woord uit twee Griekse woorden, namelijk ‘filia’ (liefde) en ‘sofia’ (wijsheid). Letterlijk betekent filosofie dus ‘liefde voor de wijsheid’. Synoniem: wijsbegeerte.

202

importeren: buitenlandse waren invoeren

WOORDENLIJST

metoop: sierelement met vaak halfverheven beeldhouwwerk, tussen trigliefen migratie: een groep verhuist van de ene plaats naar de andere


moederpolis: een polis uit Hellas die elders een andere polis of kolonie opricht. Die kolonie is dan een ­dochterpolis.

sarcofaag: meestal stenen (maar ook houten) kist waarin men de dode plaatste

multicultureel: met mensen uit verschillende culturen en godsdiensten

schiereiland: land dat langs drie zijden omgeven is door water en langs één zijde verbonden is met het vasteland

nijverheid: een bedrijfsvorm waarbij grondstoffen worden verwerkt Nike (spreek uit: Nikei): godin van de overwinning oligarchie: een regering door enkelingen die tot de bevoorrechte stand behoren

staatsgodsdienst: de enige toegelaten of officiële godsdienst in een bepaalde staat, bv. het Romeinse Rijk stadstaat: in de klassieke oudheid een centrum met de omliggende landbouwgebieden en dorpen. De stad­ staten zijn politiek en economisch onafhankelijk. standenmaatschappij: een samenleving waarin mensen rechten en plichten hebben naargelang de stand waartoe ze behoren.

r

mythologie: geheel van verhalen over goden en ­b ovennatuurlijke krachten die de mens en de ­natuurverschijnselen verklaren

schuldslaven: mensen die als slaaf verkocht kunnen worden, omdat ze schulden hebben

pl aa

mythe (mythos): een verhaal over goden en mensen dat een antwoord op grote levensvragen of een verklaring voor bepaalde zaken geeft

schacht: het deel van de zuil tussen voetstuk en kapiteel

ondernemer: een persoon die in een handelstak of bedrijf zelfstandig, voor eigen rekening en risico werkt. Hij bezit daarvoor de nodige productiemiddelen en werkt met arbeidskrachten.

statisch: in de kunst: weinig of geen uitdrukking van beweging

pachter: iemand die grond mag bewerken in ruil voor een vergoeding

symmetrisch: beide helften van een voorwerp zijn gelijk

em

stedelijke ruimte: verstedelijkt gebied, met dichtere bebouwing

paleiseconomie: het paleis bewaart en verdeelt (voedsel) voorraden en granen.

triglief: sierelement met drie rechtopstaande groeven

pantheon: het geheel van alle goden; bij uitbreiding: gebouw gewijd aan alle goden

verandering: iets wat op een bepaald moment wijzigt, meestal minder geleidelijk (zie evolutie)

parasiet: organisme dat zich enkel kan voortplanten ten koste van een plant of dier.

Verenigde Naties: internationale organisatie gesticht in 1945 waarvan de meeste landen in de wereld lid zijn. Afkorting: VN of UNO (United Nations Organisation)

jk ex

pandemie: een epidemie op wereldwijde schaal

Thrakiërs: volk dat ten noordoosten van Hellas leeft. De Grieken beschouwen hen als oorlogs- en drankzuchtige barbaren.

patriarchaal: waarbij de vader of de man een overheersende positie heeft

ki

periode: afbakening in de tijd; voor de kunst: een bepaalde stijl in een bepaalde tijd

In

Persefone: vruchtbaarheidsgodin en gemalin van Hades, de god van de onderwereld pontifex maximus: de opperpriester provincia: een veroverd gebied buiten Italië; heeft meestal de betekenis van een wingewest. Punisch: naar de Latijnse benaming voor Feniciërs en Carthagers. Romeinen noemen de Carthagers ‘Poeni’. realistisch: in overeenstemming met de werkelijkheid regionaal: plaatselijk, behorend tot een bepaalde streek reliëf: soort beeldhouwkunst: figuren worden uitgehouwen in de steen van een gebouw en maken dus deel uit van dat gebouw republiek: staat waar het hoogste gezag in handen is van een verkozen president rurale ruimte: landelijk gebied

WOORDENLIJST

203


SLEUTEL- EN STRUCTUURBEGRIPPEN In de geschiedenisles heb je een heleboel nieuwe begrippen geleerd. Sleutelbegrippen zijn woorden die je zullen helpen bij het bestuderen van samenlevingen. Structuurbegrippen helpen je dan weer bij het oriënteren in tijd, ruimte en domein. We vermelden telkens de les waar het begrip voor het eerst aan bod komt. BETROKKEN LES

STRUCTUURBEGRIPPEN

BETROKKEN LES

agrarische (r)evolutie (of: neolithische revolutie)

STORIA 1 Les 7 STORIA 2 Les 46

bron

STORIA 1 Les 3 STORIA 2 Les 2

ambacht

STORIA 1 Les 14 STORIA 2 Les 9

chronologie

STORIA 1 Les 2 STORIA 2 Les 2

ambtenaren

STORIA 1 Les 12 STORIA 2 les 12

continentaal en maritiem

STORIA 2 Les 14

continuïteit

STORIA 1 Les 18 STORIA 2 Les 29

cultureel

STORIA 1 Les 2 STORIA 2 Les 2

aristocratie

STORIA 1 Les 14 STORIA 2 Les 10

r

SLEUTELBEGRIPPEN

STORIA 2 Les 22

burgerrechten

STORIA 2 les 19

duur

cultuur

STORIA 1 Les 2 STORIA 2 Les 2

STORIA 1 Les 2 STORIA 2 Les 2

economisch

democratie

STORIA 2 Les 10

STORIA 1 Les 2 STORIA 2 Les 2

dynastie

STORIA 1 Les 15 STORIA 2 Les 22

eeuw

STORIA 1 Les 2 STORIA 2 Les 2

filosofie

STORIA 2 les 36

evolutie

STORIA 1 Les 10 STORIA 2 les 9

STORIA 1 Les 4 STORIA 2 les 29

globaal

STORIA 2 Les 2

STORIA 1 Les 10 STORIA 2 Les 9

jaar

STORIA 1 Les 2 STORIA 2 Les 2

STORIA 2 Les 23

lokaal

STORIA 1 Les 5 STORIA 2 Les 46

STORIA 1 Les 2 STORIA 2 Les 2

millennium

STORIA 1 Les 2 STORIA 2 Les 2

STORIA 1 Les 18 STORIA 2 Les 21

open en gesloten ruimte

STORIA 2 Les 3

periode

STORIA 2 Les 2

STORIA 1 Les 7 STORIA 2 Les 3

politiek

STORIA 1 Les 2 STORIA 2 Les 2

STORIA 2 Les 5

regionaal

STORIA 2 Les 2

mondelinge traditie

STORIA 2 Les 31

revolutie

monotheïsme

STORIA 1 Les 16 STORIA 2 Les 4/ onder F

STORIA 1 Les 7 STORIA 2 Les 46

sociaal

STORIA 1 Les 2 STORIA 2 Les 2

multiculturele samenleving

STORIA 2 Les 42

stedelijke en rurale ruimte

STORIA 2 Les 7

mythologie

STORIA 2 Les 5

tijdrekening

natuurreligie

STORIA 2 Les 32

STORIA 1 Les 2 STORIA 2 Les 2

nomadische samenleving

STORIA 1 Les 7 STORIA 2 Les 46

verandering

STORIA 1 Les 7 STORIA 2 Les 29

ongelijkheid

STORIA 1 Les 14 STORIA 2 Les 11

oorlog en vrede

STORIA 2 Les 18

patriarchale samenleving

STORIA 2 Les 41

em

geldeconomie

imperialisme jager-verzamelaar kolonisatie

STORIA 2 Les 8

In

ki

kunstuiting

migratie

jk ex

handel

landbouw

204

pl aa

autocratie

SLEUTEL- EN STRUCTUURBEGRIPPEN


polytheïsme

STORIA 1 Les 16 STORIA 2 Les 4/32

republiek

STORIA 2 Les 18

rijk

STORIA 1 Les 13 STORIA 2 Les 19

ruileconomie

STORIA 1 Les 13 STORIA 2 Les 9

schriftsoorten

STORIA 1 Les 21 STORIA 2 les 4

sedentaire samenleving

STORIA 1 Les 7 STORIA 2 Les 46

slavernij

STORIA 1 Les 10 STORIA 2 Les 6

staatsgodsdienst

STORIA 2 Les 34

stadstaat

STORIA 2 Les 7

standenmaatschappij

STORIA 2 Les 12

wetenschappen

STORIA 1 Les 19 STORIA 2 Les 36

r

BETROKKEN LES

In

ki

jk ex

em

pl aa

SLEUTELBEGRIPPEN

SLEUTEL- EN STRUCTUURBEGRIPPEN

205


206

r

pl aa

em

jk ex

ki

In


207

r

pl aa

em

jk ex

ki

In


NOTITIES        

r



pl aa

    

em

  

    

In



ki



jk ex



         

208

Profile for VAN IN

STORIA HD Classic 2 Leerboek  

STORIA HD Classic 2 Leerboek