Page 1

In

ki

jk

ex

em

pl

Biotoopstudie en organisatieniveaus

r

vOOr jOu

aa

NW

OnderzOek editie

1

1 2 3


aa

pl

em

ex

jk

ki

In

r


NW

vOOr jOu

OnderzOek editie

Katern 1

r

Katia De Scheemaeker

aa

Catherine Van Nevel

Hilde Van Wynsberghe i.s.m.

pl

Rachel Delcour

In

ki

jk

ex e

m

Anne Deltour Lieve Evens

Kristine GabriĂŤl Jeanne Rombouts


In ex e

jk

ki aa

pl

m

r


Inhoud Hoofdstuk 2 10

Structuur en samenhang in levende systemen

38

r

Intro natuurwetenschappen

12

1.1 Biotische factoren onderzoeken

17

1.1.1 Bouw van een bloemplant

17

1.1.2 De planten in het bos

18

1.1.3 De dieren in het bos

20

1.2 Abiotische factoren meten

23 23

1.2.2 De luchtvochtigheid in het bos

24

1.2.3 De verlichtingssterkte in het bos

24

1.2.4 De bodemsoort in het bos

25

2.3 Inwendige bouw van gewervelde dieren

46

2.3.1 Organen in de borstholte en in de buikholte

46

2.3.2 Organen werken samen in stelsels

48

Hoofdstuk 3 Bouwstenen van organismen

ex e

1.2.1 De temperatuur in het bos

41

pl

Biotoopstudie: het bos

2.2 Indeling van de gewervelde dieren in klassen

m

Hoofdstuk 1

26

1.4 Invloed van biotische factoren op levende organismen

30

57

3.1 Microscopische bouw van organismen

59

3.2 Samenhang tussen de verschillende organisatieniveaus in een organisme

66

In

ki

jk

1.3 Invloed van abiotische factoren op levende organismen

39

aa

2.1 Kenmerken van gewervelde dieren

3


73

Knipblad C

77

Knipblad D

81

Hoofddelen van een bloemplant

Bijlage 2

Planten drogen - plantenpers

Bijlage 3

r

Knipblad B

Bijlage 1

aa

71

Kenmerken van bladeren - insnijdingen in bladrand - bladschijf - nervatuur - bladvorm

pl

Knipblad A

83 83 84

Bijlage 4

Determineertabel ‘bomen’

85

m

Bijlage 5

Zoekkaart ‘grote dieren in het bos’

89

ex e

Bijlage 6

Zoekkaart ‘kleine bodemdiertjes’

90

Bijlage 7

Zoekkaart ‘sporen van dieren’

91

Bijlage 8

In

ki

jk

4

Determineertabel ‘bodem’

93

Bijlage 9

De boomhoogtemeter

Begrippenlijst

94

95


Hoe werk ik met dit boek?

Biotoopstudie en organisatieniveaus Materie en energie Functies en samenhang van stelsels en biodiversiteit

Vooraan elke katern vind je een korte samenvatting over wat je juist gaat behandelen, gevolgd door een inhoudsopgave. Zo weet je elke les in welk deel je juist bent aanbeland.

In

ki

jk

ex e

m

pl

Katern 1: Katern 2: Katern 3:

aa

r

Voor het vak Natuurwetenschappen werk je dit jaar met het boek NW voor JOU – onderzoekeditie dat bestaat uit drie katernen:

5


In elk hoofdstuk vind je onderzoeksvragen terug.

aa

r

Om die vragen te kunnen beantwoorden, moet je soms een opdracht of experiment uitvoeren. Het is belangrijk om hierbij stap voor stap de opdracht zo nauwkeurig mogelijk uit te voeren.

ex e

m

pl

Met je resultaat kun je zelf een besluit op papier zetten. Het besluit is aangeduid met een achtergrondkleur zodat je bij het leren duidelijk ziet wat je moet kennen en kunnen.

In

ki

jk

Sommige opdrachten werken met een knipblad dat je achteraan in de katern vindt.

6

Alle besluiten samen vormen het onderdeel Om te onthouden dat je achteraan elk hoofdstuk vindt. Hierin is de leerstof van het hele hoofdstuk samengevat.


In

ki

jk

ex e

In de eerste kolom kun je de datum van de toets noteren.

m

pl

aa

De tweede kolom geeft aan wat je juist moet kunnen.

r

Als je leraar een toets aankondigt, zal hij je alvast op weg helpen door je te verwijzen naar de Evalueer jezelf-pagina die je achteraan elk hoofdstuk terugvindt.

Gebruik de laatste kolommen om aan te vinken of je het onderdeel beheerst of niet.

Samen met je leraar noteer je in de derde kolom waar je die leerstof kunt terugvinden.

Maar misschien wil je graag nog wat extra oefeningen maken, en het liefst met behulp van je computer. Dan neem je best een kijkje op www.diddit.be.

7


Leerstof kun je inoefenen op jouw niveau.

r

Je kunt vrij oefenen en de leerkracht kan ook voor jou oefeningen klaarzetten.

pl

m

Hier kan de leerkracht toetsen en taken voor jou klaarzetten.

aa

Hier vind je de opdrachten terug die de leerkracht voor jou heeft klaargezet.

ex e

Benieuwd hoe ver je al staat met oefenen en opdrachten? Hier vind je een helder overzicht van je resultaten.

In

ki

jk

Hier vind je het lesmateriaal per hoofdstuk, o.a. videobestanden. Ga hier ook aan de slag met de ontdekplaat!

8


aa

r

Katern 1 BIOTOOPSTUDIE EN ORGANISATIENIVEAUS In dit katern ga je op verkenning in de natuur.

pl

Je gaat in het bos op zoek naar bloemplanten en andere levende organismen, de levende factoren. Je meet ook enkele niet-levende factoren. Je onderzoekt hoe die levende en niet-levende factoren elkaar beĂŻnvloeden. Je bekijkt ook welke invloed de mens heeft op het bos.

In

ki

jk

ex e

m

Je vraagt je af waaraan je gewervelde dieren herkent. Je bekijkt ze nader en deelt ze in in klassen. Daarna bekijk je de inwendige bouw. Eerst doe je dat macroscopisch, daarna microscopisch. Je stelt vast dat organen samenwerken in stelsels. Je onderzoekt de structuur van organen. Je bekijkt microscopische beelden en je ontdekt weefsels en cellen. Je vergelijkt deze structuren bij bloemplanten en bij gewervelde dieren en ontdekt gelijklopende organisatieniveaus.


INTRO

Natuurwetenschappen

Intro

Natuurwetenschappen

Wat is natuurwetenschappen?

aa

r

Neem knipblad A. Bekijk de afbeeldingen en knip ze uit. Kies zelf een kenmerk. Verdeel dan de afbeeldingen in twee groepen op basis van dat kenmerk. Elke afbeelding mag maar bij 1 groep voorkomen. Groep 2

In

ki

jk

ex e

m

pl

Groep 1

Kenmerk:

Kenmerk:

Doorblader katern 1. Schrap wat fout is: De inhoud van dit katern sluit aan bij groep 1 / groep 2. 10


Intro

Natuurwetenschappen

De inhoud van beide groepen wordt behandeld in het vak natuurwetenschappen. Natuurwetenschappen is het vak dat zowel natuur als natuur behandelt.

aa

r

Welke onderwerpen uit de levende en niet-levende natuur leerden jullie kennen in de lagere school? -

pl

-

m

-

Schrap wat niet thuis hoort bij het vak natuurwetenschappen.

ex e

In de lessen van de lagere school komen er meer onderwerpen / minder onderwerpen aan bod dan

In

ki

jk

in natuurwetenschappen.

11


r aa

1

BIOTOOPSTUDIE: HET BOS

In een bos leven planten, dieren en zwammen samen. Zij vormen de levende factoren in de biotoop bos.

pl

Het voorkomen van deze organismen wordt beĂŻnvloed door de niet-levende factoren van het bos. In dit hoofdstuk ga je

m

naar het bos om de levende factoren te onderzoeken en de

ex e

niet-levende factoren te meten. Je ontdekt hoe ze elkaar beĂŻnvloeden. Je neemt waar hoe ook de mens een invloed heeft op het bos. Je leert planten herkennen. Je maakt

In

ki

jk

hierbij gebruik van determineertabellen en zoekkaarten.

12


Hoofdstuk 1

Biotoopstudie: het bos

Naam van het bos of bospark dat je bestudeert:

Namen groepsleden:

Datum van het bezoek: Weersomstandigheden:

Je doet waarnemingen op verschillende plaatsen die aangeduid zijn op de plattegrond van het terrein: - ‘op een open plek in/naast het bos’ is aangeduid met: - ‘in het midden van het bos’ is aangeduid met:

pl

aa

Klas:

- ‘aan de rand van het bos’ is aangeduid met:

r

zonnig - mistig - bewolkt - regenachtig

-

is

m

aangeduid met:

Gebruik de plattegrond van het terrein om je te oriënteren.

ex e

Je gaat op ontdekking, maar met bepaalde spelregels in je achterhoofd. Vergeet je tijdens de biotoopstudie ook niet aan die spelregels te houden!

opdracht

Bekijk alvast afbeelding 1 en noteer naast elke spelregel het juiste cijfer.

jk

Beschadig de bomen niet.

Pluk of vertrappel geen bloemen of paddenstoelen.

ki

Maak geen lawaai.

In

Verlaat de paden niet. Klim niet in de bomen. Vermijd gemotoriseerd verkeer. Laat geen afval achter. Maak geen vuur. Vang geen (jonge) dieren. Laat honden niet vrij rondlopen. 13


Biotoopstudie: het bos

Hoofdstuk 1

Afb. 1 ontdekkingstocht met spelregels

1 3

aa

r

2

pl

4

6

m

5

In

ki

jk

8

ex e

7

14

10

9


Hoofdstuk 1

Biotoopstudie: het bos

Levende en niet-levende factoren

opdracht Plaats de onderstaande woorden in de juiste kolom. bodem - dieren - licht - mensen - paddenstoelen - planten - stenen - temperatuur vochtigheid - wind Niet-levende factoren

ex e

m

pl

aa

r

Levende factoren

jk

De levende factoren zijn de abiotische / biotische factoren. Die factoren benoem je tijdens de biotoopstudie aan de hand van zoekkaarten.

ki

De niet-levende factoren zijn de abiotische / biotische factoren.

In

Die factoren meet je met gepaste meetinstrumenten.

Determineren betekent het op naam brengen van organismen (planten, dieren, zwammen ...) op basis van hun kenmerken. Bloemplanten kun je herkennen aan de bouw van hun bladeren, bloemen, stengels enz. Wetenschappers gebruiken een ‘flora’. Dat is een boek waarin alle planten van een streek of land beschreven staan. Het boek bevat een hele reeks determineer- of determinatietabellen. Een determineertabel bestaat uit een lijst van nummers waarbij telkens twee of meer beschrijvingen van een plant staan. Eén daarvan is juist. Die beschrijving verwijst naar een ander nummer, waar je opnieuw enkele keuzemogelijkheden vindt. Zo ga je telkens verder, tot je bij de naam van een plant of een dier uitkomt. Dat is dan de naam van de plant die of het dier dat jij voor je hebt. Een determineertabel start altijd bij nummer 1. 15


Biotoopstudie: het bos

Hoofdstuk 1

Een zoekkaart is meestal opgebouwd uit ja-neevragen. Bij ieder antwoord lees je een volgende ja-neevraag. Zo ga je verder, tot je bij de naam en afbeelding van een plant of een dier uitkomt. Dat is dan de plant die of het dier dat jij voor je hebt. Komt de afbeelding niet overeen met de plant of het dier, dan moet je vooraan herbeginnen. Een ja-neezoekkaart begint altijd bij ‘START’. Een zoekkaart kan ook bestaan uit enkel afbeeldingen waarmee je het organisme moet vergelijken.

jk

ex e

m

pl

aa

Om bloemplanten te determineren moet je een aantal basisbegrippen kennen. Die vind je terug in bijlage 3.

r

Bij het determineren of op naam brengen van kleine organismen gebruik je het best een vergrootglas of loep om de kleinste details te kunnen waarnemen.

Afb. 2 determinatietabel bomen uitgegeven door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, afdeling Bos & Groen

ki

Geen bos zonder bomen ... maar een bos is veel meer dan een verzameling bomen. Als je in het bos bent, beschrijf je wat je waarneemt.

In

opdracht

Kijk om je heen. Wat zie je?

Wat hoor je?

Wat ruik je?

16


Hoofdstuk 1

Biotoopstudie: het bos

1.1 Biotische factoren onderzoeken 1.1.1 Bouw van een bloemplant In een bos, op de heide, langs een beek of wegberm zie je bloemplanten. Ze zien er vaak heel verschillend uit. Toch zijn er ook heel wat gelijkenissen. onderzoeksvraag

aa

r

Uit welke grote delen, hoofddelen, is een bloemplant opgebouwd?

- Bekijk enkele bloemplanten of foto’s van bloemplanten. Je ziet meerdere delen. - Noteer telkens naast het cijfer de naam van het deel van de bloemplant dat je herkent. 1

pl

1 2 3 4

ex e

m

2

3

Afb. 3 een bloemplant

In

ki

jk

4

Besluit Een bloemplant is opgebouwd uit 4 hoofddelen: 1 2 3 4

De bouw en functie van bloemen onderzoek je later. 17


Biotoopstudie: het bos

Hoofdstuk 1

1.1.2 De planten in het bos onderzoeksvraag

Waaraan herken je kruiden, struiken en bomen?

WAARNEMING

Kenmerk zoals het is bij ‌

Kenmerk

plant 2

- heel buigzaam

Buigzaamheid van de stengel

- weinig buigzaam

- heel buigzaam

- heel buigzaam

- weinig buigzaam

- weinig buigzaam

- niet buigzaam

- niet buigzaam

ex e

- niet buigzaam

m

Kleur van de stengel

- onder aan de stengel

- onder aan de stengel

- onder aan de stengel

- verspreid over de stengel

- verspreid over de stengel

- verspreid over de stengel

- boven aan de stengel

- boven aan de stengel

- boven aan de stengel

- onder aan de hoofdstengel

- onder aan de hoofdstengel

- onder aan de hoofdstengel

- overal langs de stengel

- overal langs de stengel

- overal langs de stengel

- boven aan de hoofdstengel

- boven aan de hoofdstengel

- boven aan de hoofdstengel

In

ki

jk

Plaats waar de hoofdstengel zich vertakt

plant 3

pl

plant 1

Plaats waar de meeste bladeren zitten

aa

r

- Zoek de plaats waar je leraar drie planten heeft gemarkeerd. - Noteer bij elke plant de gevraagde kenmerken of omcirkel het juiste/meest gepaste antwoord.

Besluit Kruiden, struiken en bomen herken je aan hun stengels. Een kruid heeft een groene en buigzame stengel. Een struik heeft een bruine en weinig buigzame stengel die onderaan vertakt. Een boom heeft een bruine en weinig buigzame stengel die pas op het einde vertakt.

18


Hoofdstuk 1

Biotoopstudie: het bos

Omcirkel het juiste type in de onderstaande tabel. Plant 1

Plant 3

- kruid

- kruid

- kruid

- struik

- struik

- struik

- boom

- boom

- boom

r

Type bloemplant

Plant 2

aa

onderzoeksvraag

Welke bomen vind je in het bos?

pl

Benodigdheden determineertabel ‘bomen’, bijlage 4

Blad 1 Determineerpad:

ex e

WAARNEMING

m

Werkwijze - Verzamel van drie verschillende bomen telkens één blad. - Zoek de naam van de boom met behulp van de determineertabel. - Gebruik je de determineertabel uit bijlage 4, noteer dan het gevolgde determineerpad. - Neem de bladeren mee en droog ze thuis tussen de pagina’s van een telefoonboek of een plantenpers. - Kleef ze op een tekenblad en schrijf er de naam van de boom bij.

Blad 2

jk

Naam van de boom:

Determineerpad:

ki

Naam van de boom: Blad 3

In

Determineerpad:

Naam van de boom:

Besluit In dit bos vind je de volgende bomen:

19


Biotoopstudie: het bos

Hoofdstuk 1

onderzoeksvraag

Welke kruidachtige planten vind je in het bos? Benodigdheden determineertabel of zoekkaart ‘kruidachtige planten’ (onlinelesmateriaal)

r

Werkwijze - Ga in het bos naar de plaats waar je leraar vijf planten markeerde. - Zoek de naam van de bloemplanten met behulp van de determineertabel of zoekkaart.

aa

WAARNEMING Kruidachtige plant 1 is Kruidachtige plant 2 is

pl

Kruidachtige plant 3 is

Kruidachtige plant 5 is

ex e

Besluit

m

Kruidachtige plant 4 is

jk

In dit bos vind je de volgende kruidachtige planten:

1.1.3 De dieren in het bos

ki

onderzoeksvraag

Welke grote dieren vind je in het bos?

In

- Kijk en luister aandachtig. Als je stil bent, hoor en zie je vast enkele dieren in het bos. - Omcirkel de naam van de waargenomen dieren in bijlage 5.

Besluit In dit bos vind je de volgende grote dieren:

20


Hoofdstuk 1

Biotoopstudie: het bos

onderzoeksvraag

Welke kleine dieren vind je in het bos?

r

Benodigdheden - lepel of klein schepje - wit bakje - loeppotje - zoekkaart ‘kleine bodemdiertjes’, bijlage 6

pl

aa

Werkwijze - Zoek onder losliggende stenen, houtstronken, dode bladeren ... (= ‘vindplaats’) naar bodemdiertjes, raap ze op en leg ze in het witte bakje. - Schep op die plek ook wat grond op. Breng alles in het bakje en maak de grote kluiten fijn. Verkruimel de grond zachtjes met je handen. - Zoek zo veel mogelijk verschillende soorten bodemdiertjes en bekijk ze met het loeppotje. - Determineer de bodemdiertjes. Maak gebruik van de zoekkaart. - Laat de diertjes na afloop weer los in de natuur, in de buurt van de plaats waar je ze vond.

Vindplaats

In

ki

jk

ex e

Naam bodemdiertje

m

WAARNEMING

Besluit In dit bos vind je de volgende kleine dieren:

21


Biotoopstudie: het bos

Hoofdstuk 1

onderzoeksvraag

Van welke dieren vind je sporen in het bos? De dieren die in het bos leven, verstoppen zich vaak als er mensen in de buurt zijn. Overdag zitten ze gewoon in hun schuilplaats. Toch zie je dat er dieren in het bos leven, als je oog hebt voor de sporen die ze achterlaten.

aa

r

Werkwijze - Zoek naar sporen die dieren achtergelaten hebben in het bos. Kijk vooral uit naar aangevreten bladeren, paddenstoelen en dennen- of sparrenkegels. Zoek ook veertjes, pootafdrukken, uitwerpselen, lege nesten, spinnenwebben … Opgelet, raak de sporen niet aan! - Zoek aan de hand van de afbeeldingen in bijlage 7 op van welke dieren de sporen kunnen zijn. - Omcirkel de naam van het dier of de dieren die bij de sporen vermeld staan.

ex e

m

pl

Afb. 4 latrine van konijnen

In

ki

jk

© Vildaphoto - Yves Adams

© Vildaphoto - Yves Adams

Besluit In dit bos vind je sporen van de volgende dieren:

22

Afb. 5 pootafdruk van een vos


Hoofdstuk 1

Biotoopstudie: het bos

1.2 Abiotische factoren meten 1.2.1 De temperatuur in het bos onderzoeksvraag

r

Hoe verschilt de temperatuur in een bos van de temperatuur op een open plek?

aa

Benodigdheden bodemthermometer

Meet de temperatuur van de bodem in het bos én op een open plek. • Plaats de bodemthermometer in de grond. • Wacht een drietal minuten en lees de temperatuur af. • Noteer de waarde in de tabel. Vergeet de eenheid niet te vermelden in de eerste kolom!

m

-

pl

Werkwijze - Meet de temperatuur van de lucht in het bos én op een open plek. • Houd de thermometer één meter boven de grond. • Wacht een drietal minuten en lees de temperatuur af. • Noteer de waarde in de tabel. Vergeet de eenheid niet te vermelden in de eerste kolom!

ex e

WAARNEMING

In het bos

Temperatuur van de lucht (in

)

)

jk

Temperatuur van de bodem (in

Op een open plek

ki

Besluit

De luchttemperatuur is in het bos lager / hoger dan op een open plek.

In

De bodemtemperatuur is in het bos lager / hoger dan op een open plek.

23


Biotoopstudie: het bos

Hoofdstuk 1

1.2.2 De luchtvochtigheid in het bos onderzoeksvraag

Hoe verschilt de luchtvochtigheid in het bos van de luchtvochtigheid op een open plek?

r

Benodigdheden hygrometer

WAARNEMING )

m

Luchtvochtigheid (in

Op een open plek

pl

In het bos

aa

Werkwijze - Meet de vochtigheid van de lucht in het bos én op een open plek. - Houd de hygrometer één meter boven de grond. - Wacht een drietal minuten en lees de vochtigheid af. - Noteer de waarde in de tabel. Vergeet de eenheid niet te vermelden in de eerste kolom!

Besluit

ex e

De lucht is in het bos droger / vochtiger dan op een open plek.

1.2.3 De verlichtingssterkte in het bos onderzoeksvraag

jk

Hoe verschilt de verlichtingssterkte in het bos van de verlichtingssterkte op een open plek?

ki

Benodigdheden lichtmeter

In

Werkwijze - Lees de gebruiksaanwijzing van de lichtmeter. - Meet de verlichtingssterkte in het bos én op een open plek. - Noteer de waarde in de tabel. Vergeet de eenheid niet te vermelden in de eerste kolom! WAARNEMING verlichtingssterkte (in

In het bos

Op een open plek

)

Besluit De verlichtingssterkte is in het bos kleiner / groter dan op een open plek. 24


Hoofdstuk 1

Biotoopstudie: het bos

1.2.4 De bodemsoort in het bos onderzoeksvraag

Welke bodemsoort vind je in het bos?

aa

r

Benodigdheden - grondboor - plastic goot met een lengte van 70 cm - determineertabel ‘bodem’

ex e

m

pl

Werkwijze - Draai de boor in de grond tot het oog/de schroef van de boor verdwenen is. - Trek de boor voorzichtig uit de bodem. - Haal de grond uit het oog van de schroef en leg die in het begin van de goot. - Boor daarna in hetzelfde gat om de onderliggende laag op te halen. Leg die grond in de goot, in het verlengde van de eerste boring. - Boor nogmaals in hetzelfde gat. Leg die grond in de goot, in het verlengde van de tweede boring. - Bepaal nu de bodemsoort van de tweede en derde boring aan de hand van de determineertabel in bijlage 8. - Vul het gemaakte gat weer op met de grond, in de juiste volgorde: wat laatst uit het boorgat kwam, moet er eerst weer in!

Besluit

Afb. 6 bodemonderzoek met grondboor

In

ki

jk

De bodemsoort in deze biotoop is

(c) Vildaphoto - Rollin Verlinde

25


Biotoopstudie: het bos

Hoofdstuk 1

1.3 Invloed van abiotische factoren op levende organismen onderzoeksvraag

Hoe beı̈nvloedt het licht de groei van een boom?

aa

r

Benodigdheden - rolmeter van 10 m of touw van 10 m met knopen - boomhoogtemeter - lichtmeter - digitaal fototoestel

WAARNEMING

ex e

m

pl

Werkwijze - Je leraar heeft drie bomen uitgekozen: één aan de rand van het bos, één in het midden van het bos en één die helemaal vrij op een open plek staat. Het zijn alle drie bomen van dezelfde soort en ze zijn ongeveer even oud. - Bekijk elke boom aandachtig. - Teken in de tabel hieronder van elke boom de omtrek (stam + kruin). - Geef op de afbeeldingen telkens aan waar de zonnestralen op de boom invallen. Stel de zonnestralen voor met pijltjes. - Meet de hoogte van de bomen. Gebruik de boomhoogtemeter (zie bijlage 9). - Meet de omtrek van elke boom, op één meter boven de grond. - Meet de verlichtingssterkte onder elke boom, op één meter van de stam. - Beoordeel waar de bodembegroeiing het dichtst is.

Naam van de onderzochte boomsoort =

In

ki

jk

Boom aan de rand van het bos

26

Boom in het midden van het bos

Boom vrij op een open plek


Hoofdstuk 1

Biotoopstudie: het bos

Hoogte van de boom (in

Boom aan de rand van het bos

Boom in het midden van het bos

- minste - middelmatige - meeste

- minste - middelmatige - meeste

Boom vrij op een open plek

)

Omtrek op 1m hoogte (in )

Besluit

dikte van de stam lichtinval op de kruin

ki In

m

Boom aan de rand van het bos

Boom in het midden van het bos

Boom vrij op een open plek

ex e

grote symmetrische kruin

symmetrische kruin hoog op de stam

grote asymmetrische kruin

jk

vorm van de kruin

Aanpassing van de boom aan de omgeving

Omgeving waar de boom groeit

pl

De groei van een boom wordt beïnvloed door het licht. Zet een kruisje in de juiste kolom.

- minste - middelmatige - meeste

aa

Begroeiing onder de boom (omcirkel het meest gepaste)

r

Verlichtingssterkte onder de boom (in )

dunne stam

dikke stam

alleen van boven van boven en langs één zijkant van boven en langs de zijkanten

27


Biotoopstudie: het bos

Hoofdstuk 1

De lagen van het bos Niet alle planten in een bos zijn even groot. Volgens de hoogte en het uitzicht van de planten kun je in een bos vier verdiepingen of lagen onderscheiden: - de boomlaag: kruinen van de bomen, - de struiklaag: struiken en jongste boompjes, - de kruidlaag: kruidachtige planten, - de mos- of strooisellaag: mossen en/of plantenmateriaal.

aa

r

Na het verschijnen van de herfstkleuren werpen loofbomen hun bladeren af. Die afgevallen bladeren vormen samen met takjes, stukjes schors en resten van vruchten en zaden de strooisellaag. Daarin leven allerlei kleine organismen, zoals bodemdiertjes, zwammen en bacteriĂŤn. Die organismen breken de strooisellaag af tot een soort zwarte grond of humus.

pl

opdracht

Duid op de onderstaande afbeelding de vier lagen van het bos aan.

ki

jk

D

ex e

Afb. 7 de vier lagen van het bos

m

Noteer naast elke laag de juiste naam.

In

C

B A

Zoek een plaats in het bos waar je de vier verschillende lagen goed kunt zien. Maak een foto waarop de vier lagen te zien zijn. Duid op de plattegrond van het bos aan waar je de foto genomen hebt. Markeer op het plan de zone die je op de foto ziet. Kleef de foto thuis op een blad. Benoem de lagen die je kunt waarnemen. Welke laag krijgt het meeste zonlicht?

28


Hoofdstuk 1

Biotoopstudie: het bos

Gevolgen van de gelaagdheid van een bos De kruinen van de bomen vormen een dak boven de kleinere houtachtige en kruidachtige planten van het bos. De struiklaag en de bomen bieden bescherming tegen de wind, waardoor het in een bos meestal minder waait. Dankzij de strooisellaag blijft de bodem langer vochtig na een regenbui.

r

Het bos is een plaats waar de temperatuur en luchtvochtigheid weinig schommelen. Zo is het in een bos in de zomer op warme dagen meestal frisser en vochtiger dan in een gebied met lagere begroeiing, zoals een weide.

aa

De kruinen van de boomlaag beletten dat er in de zomer veel zonlicht doordringt tot in de struiklaag en de kruidlaag. Kruidachtige planten die daar overleven, zijn aangepast aan het weinige licht. Het zijn schaduwplanten. In de lente, als de loofbomen nog geen bladeren dragen en er nog voldoende licht de bosbodem bereikt, vind je in heel wat bossen een tapijt van typische voorjaarsbloeiers, zoals wilde hyacinten en bosanemonen. De vochtige strooisellaag krijgt het minste licht. Daar hebben mossen en zwammen het prima naar hun zin.

pl

Afb. 8 voorjaarsbloeiers in een loofbos

ki

jk

ex e

m

(c) Vildaphoto - Rollin Verlinde

In

Afb. 9 mossen en zwammen zijn typische bewoners van de strooisellaag

Afb. 10 het ‘dak’ van het bos

29


Biotoopstudie: het bos

Hoofdstuk 1

1.4 Invloed van biotische factoren op levende organismen onderzoeksvraag

Wat is de invloed van betreding op het voorkomen van planten?

aa

r

Benodigdheden - valpen - valbuis - vouwmeter - lat

WAARNEMING

ex e

m

pl

Werkwijze - Vorm met de vouwmeter een vierkant van 40 cm bij 40 cm. - Leg het vierkant in het midden van een verhard pad. Opgelet, dat pad mag niet verhard zijn door grind, asfalt, beton ... Het is enkel ontstaan doordat dieren en mensen vaak over diezelfde strook grond gelopen hebben (= betreding). - Schat in welke mate het vierkant bedekt is met levende planten. - Plaats de valbuis in het vierkant. Laat een valpen loodrecht in de valbuis vallen. De diepte van de valpen in de grond is een maat voor de bodemhardheid. - Trek de pen uit de grond en meet hoe diep de pen in de grond stak. - Neem het vierkant weg en leg het één meter naast het pad, in het bos. - Schat opnieuw in welke mate het vierkant bedekt is met levende planten. - Plaats de valbuis nu ook in dat vierkant. Laat een valpen loodrecht in de valbuis vallen en meet opnieuw hoe diep de pen in de grond stak.

Bedekking met levende planten (omcirkel het meest gepaste) Diepte valpen (in

Op het pad

Naast het pad, in het bos

volledig - ¾ - ½ - ¼ minder dan ¼

volledig - ¾ - ½ - ¼ minder dan ¼

)

jk

Vaststelling Er komen meer / minder planten voor op een zachtere bodem.

In

ki

Wat zorgt er voor de verharding van de bodem?

Afb. 11 tredplanten groeien op plaatsen die vaak betreden worden

Besluit

30

Daardoor bevat de bodem meer / minder lucht. Welk gevolg heeft dat voor de organismen in en op de bodem? Welke maatregelen kan de mens nemen om de invloed van betreding te verminderen?


Hoofdstuk 1

Biotoopstudie: het bos

onderzoeksvraag

Wat is de invloed van de mens? opdracht Kijk goed om je heen. Waaraan kun je zien dat er mensen in het bos geweest zijn? Beschrijf dat in de tabel. Beoordeel de invloed als positief (+) of negatief (-). Leg uit wat de gevolgen (kunnen) zijn voor het bos, zijn bewoners en zijn bezoekers.

aa

r

- - - -

Oordeel + of -

Gevolgen

In

ki

jk

ex e

m

Invloed van de mens

pl

WAARNEMING

Besluit

31


Biotoopstudie: het bos

Hoofdstuk 1

om te onthouden 1 Biotische factoren onderzoeken

Algemene bouw van bloemplanten

aa

r

Noteer boven de afbeelding de juiste benaming van het hoofddeel van de bloemplant.

Afb. 13

ex e

m

pl

Afb. 14 bloemplant

ki

jk

Afb. 12

In

Afb. 15

Hoofddelen van een bloemplant 1 de wortel 2 de stengel 3 het blad 4 de bloem

32

Afb. 16


Hoofdstuk 1

Biotoopstudie: het bos

om te onthouden biotische factoren = levende factoren plant

dier

mens

grote dieren

+ en - invloed

struik: bruine en weinig buigzame stengel die onderaan vertakt

kleine dieren

boom: bruine en niet buigzame stengel die pas op het einde vertakt

sporen van dieren

onderzoeken met determineertabellen en zoekkaarten

onderzoeken met determineertabellen en zoekkaarten

ex e

m

pl

aa

r

kruid: groene en buigzame stengel

2 Abiotische factoren meten

abiotische factoren = niet-levende factoren

factor

thermometer

eenheid

°C

In

temperatuur van de bodem

vaststelling In het bos is de temperatuur - hoger

ki

jk

temperatuur van de lucht

meten met

- dezelfde - lager dan op een open plek. bodemthermometer

°C

In het bos is de bodemtemperatuur - hoger - dezelfde - lager dan op een open plek.

33


Biotoopstudie: het bos

Hoofdstuk 1

om te onthouden luchtvochtigheid

hygrometer

%

In het bos is het - droger - vochtiger

verlichtingssterkte

lichtmeter

lux

In het bos is het

aa

- donkerder

r

dan op een open plek

- lichter

dan op een open plek grondboor

pl

bodemsoort

3 Invloed van abiotische factoren op levende organismen

m

LICHT heeft invloed op

lagen boomgroei - vorm kruin boomlaag geeft bescherming - dikte stam bladval struiklaag kruidlaag

schaduwplanten in de zomer voorjaarsbloeiers

ex e moslaag - strooisellaag

jk

bodem blijft langer vochtig

mossen en zwammen

ki

4 Invloed van biotische factoren op levende organismen

In

34

MENS

+ invloed

- invloed betreding

weinig begroeiing


temperatuur =

BODEM

vochtigheid = temperatuur = lichtsterkte =

LUCHT

OPEN PLEK

kruidlaag

struiklaag

BOS

r

temperatuur =

BODEM

vochtigheid = temperatuur = lichtsterkte =

LUCHT

abiotische factoren

aa

pl

m

boomlaag

strooisellaag

ex e

jk

ki biotische factoren

abiotische factoren

In Hoofdstuk 1 Biotoopstudie: het bos

om te onthouden

Bron: De Nachtegael

35


Biotoopstudie: het bos

Hoofdstuk 1

evalueer jezelf Biotoopstudie: het bos Datum

Wat kun je? 1 de spelregels waarmee je rekening houdt tijdens de biotoopstudie formuleren 2 formuleren wat biotische factoren zijn

Pagina

aa

r

3 voorbeelden geven van biotische factoren 4 uitleggen hoe je biotische factoren onderzoekt tijdens de biotoopstudie 5 formuleren wat abiotische factoren zijn

pl

6 voorbeelden van abiotische factoren geven 7 uitleggen welke instrumenten je gebruikt om abiotische factoren te meten en hoe je met deze instrumenten werkt 1.1 Biotische factoren onderzoeken 1.1.1 Bouw van een bloemplant

Wat kun je? 1 de vier grote delen van een bloemplant aanduiden en benoemen 1.1.2 De planten in het bos

Pagina

ex e

Wat kun je? 1 verschillen tussen bloemplanten waarnemen en deze verschillen formuleren 2 de verschillen tussen kruiden, struiken en bomen waarnemen en formuleren 3 een kruid, struik en boom beschrijven 4 bomen determineren aan de hand van een determineertabel of zoekkaart 5 kruiden determineren aan de hand van een determineertabel of zoekkaart 1.1.3 De dieren in het bos

jk

Datum

m

Datum

Wat kun je? 1 grote dieren in een bos determineren aan de hand van een zoekkaart 2 bodemdiertjes determineren aan de hand van een determineertabel of zoekkaart 3 aan de hand van zoekkaarten opzoeken van welke dieren de waargenomen sporen zijn 1.2 Abiotische factoren meten

Pagina

Datum

Pagina

In

ki

Datum

Wat kun je? 1 resultaten van metingen aflezen en weergeven

36


Hoofdstuk 1

Biotoopstudie: het bos

evalueer jezelf 1.2.1 De temperatuur in het bos Datum

Wat kun je?

Pagina

1 de temperatuur met het juiste toestel meten

Wat kun je? 1 de luchtvochtigheid met het juiste toestel meten

aa

Datum

r

2 de eenheid voor temperatuur geven 3 formuleren hoe de temperatuur in het bos verschilt van de temperatuur op een open plek en hiervoor een verklaring geven 1.2.2 De luchtvochtigheid in het bos

pl

2 de eenheid voor luchtvochtigheid geven 3 formuleren hoe de luchtvochtigheid in het bos verschilt van de luchtvochtigheid op een open plek en hiervoor een verklaring geven Datum

Wat kun je?

m

1.2.3 De verlichtingssterkte in het bos

Pagina

1 de verlichtingssterkte met het juiste toestel meten

ex e

2 de eenheid voor verlichtingssterkte geven 3 formuleren hoe de verlichtingssterkte in het bos verschilt van de verlichtingssterkte op een open plek 1.2.4 De bodemsoort in het bos Datum

Wat kun je?

Pagina

1 de bodemsoort met het juiste toestel onderzoeken 2 de bodemsoort bepalen aan de hand van een determineertabel

jk

1.3 Invloed van abiotische factoren op levende organismen Wat kun je? 1 onderzoeken hoe het licht de groei van een boom beĂŻnvloedt 2 de invloed van het licht op de groei van een boom beschrijven 3 de lagen van het bos op het terrein benoemen

Pagina

In

ki

Datum

4 de lagen van het bos omschrijven 5 de gevolgen van de gelaagdheid van een bos formuleren

1.4 Invloed van biotische factoren op levende organismen Datum

Wat kun je? 1 onderzoeken wat de invloed van betreding is op het voorkomen van planten 2 de invloed van betreding op het voorkomen van planten beschrijven 3 onderzoeken wat de invloed van de mens is op het bos

Pagina

4 de invloed van de mens op het bos beschrijven

37


r aa

jk

ex e

m

pl

2

Structuur en samenhang in levende systemen

ki

In dit hoofdstuk leer je over gewervelde dieren. Je vergelijkt de uitwendige bouw van enkele dieren. Je ontdekt de

In

gelijkenissen en de verschillen en je deelt ze in in klassen. Je onderzoekt de inwendige bouw van een gewerveld dier. Je stelt vast dat dieren opgebouwd zijn uit verschillende organen die samenwerken aan eenzelfde functie.

38


Hoofdstuk 2

Structuur en samenhang in levende systemen

2.1 Kenmerken van gewervelde dieren onderzoeksvraag

Welk kenmerk hebben alle gewervelde dieren? Afb. 2 vogel

Afb. 3 regenworm

Afb. 4 hagedis

Afb. 6 insect

In

ki

jk

Afb. 5 amfibie

ex e

m

pl

aa

r

Afb. 1 slak

Afb. 7 konijn

Afb. 8 vis

39


Structuur en samenhang in levende systemen

Hoofdstuk 2

opdracht Op de afbeeldingen zie je delen die voor stevigheid zorgen en die de vorm van het dier bepalen. Dat is het skelet. Bij sommige dieren ligt het skelet aan de buitenkant van het lichaam. Omcirkel de afbeeldingen van die dieren in het blauw.

r

Bij de andere dieren is het skelet inwendig. Bij sommige van die dieren bestaat het inwendige skelet uit meerdere beenderen. Omcirkel de afbeeldingen van die dieren in het rood.

aa

Bij alle skeletten zie je een reeks aan elkaar geschakelde beenderen die over de volledige lengte van de romp voorkomen. Dat zijn de wervels. Samen vormen ze de wervelkolom. Kleur op alle afbeeldingen de wervelkolom groen.

pl

Bij ĂŠĂŠn dier zie je geen skelet. Dit dier behoudt zijn vorm door de spanning van de vloeistof in zijn lichaam. Omcirkel de naam van dit dier in zwart.

m

Noteer nu de namen van de afgebeelde dieren in de juiste kolom. Omcirkel de passende naam van die groep dieren.

Dieren zonder wervelkolom

ki

jk

ex e

Dieren met wervelkolom

ongewervelde dieren / gewervelde dieren

In

ongewervelde dieren / gewervelde dieren

Besluit Alle gewervelde dieren hebben een wervelkolom.

40


Hoofdstuk 2

Structuur en samenhang in levende systemen

2.2 Indeling van de gewervelde dieren in klassen onderzoeksvraag

Welke huidbedekking hebben de verschillende klassen van de gewervelde dieren?

aa

Benodigdheden - knipblad B: huidbedekking bij gewervelde dieren - kleurstiften of kleurpotloden: rood, groen, blauw, geel, paars

r

opdracht

In

ex e

ki

Detail huidbedekking

jk

Foto dier

Huid met haren

m

pl

Werkwijze - Bekijk aandachtig de verschillende huidbedekkingen op de foto’s. - Kleur het bolletje op de foto’s van dieren met dezelfde soort huidbedekking in dezelfde kleur. - Kleef de foto’s op de juiste plaats in de tabel. Let op: kleef op de bovenste rij de foto’s van de dieren en op de onderste rij de foto’s van de huidbedekkingen. - Omcirkel onder elke tabel de klasse van gewervelde dieren met dezelfde soort huidbedekking.

Deze dieren zijn zoogdieren / vogels / reptielen / amfibieën / vissen.

41


Structuur en samenhang in levende systemen

Hoofdstuk 2

pl

aa

Detail huidbedekking

r

Foto dier

Huid met beenschubben en slijmlaag

ex e

ki

jk

Detail huidbedekking

Foto dier

Huid met slijmlaag

m

Deze dieren zijn zoogdieren / vogels / reptielen / amfibieĂŤn / vissen.

In

Deze dieren zijn zoogdieren / vogels / reptielen / amfibieĂŤn / vissen.

42


Hoofdstuk 2

Structuur en samenhang in levende systemen

pl

aa

Detail huidbedekking

r

Foto dier

Huid met veren

ex e

ki

jk

Detail huidbedekking

Foto dier

Huid met hoornplaten

m

Deze dieren zijn zoogdieren / vogels / reptielen / amfibieën / vissen.

In

Deze dieren zijn zoogdieren / vogels / reptielen / amfibieën / vissen.

Besluit De klassen van de gewervelde dieren herken je aan de huidbedekking. klasse

vissen

amfibieën

reptielen

vogels

zoogdieren

huidbedekking

43


Structuur en samenhang in levende systemen

Hoofdstuk 2

onderzoeksvraag

Wat is het verband tussen de lichaamstemperatuur en de huidbedekking? Experiment

aa

r

Benodigdheden - vijf plastic flesjes met dop - heet water (¹ 50 °C) - thermometer(s) - bak met water op kamertemperatuur - wollen dekentje - donsdekentje of doos met donsveren - vel plasticfolie - natte doek - nat papier

flesje temperatuur

ex e

WAARNEMING

m

pl

Werkwijze - Vul de plastic flesjes met het hete water. - Wikkel flesje 1 in het wollen dekentje. - Wikkel flesje 2 in het donsdekentje of leg het midden in de doos met donsveren. - Wikkel flesje 3 in de plasticfolie. - Wikkel flesje 4 in de natte doek. - Wikkel flesje 5 in nat papier en leg het in de bak met water. - Meet na ongeveer 30 minuten de temperatuur van het water in de verschillende flesjes.

1

2

3

4

5

jk

Is het water in alle flesjes evenveel afgekoeld?

ki

De gebruikte materialen zijn vergelijkbaar met de huidbedekking bij de verschillende klassen van de gewervelde dieren.

In

Gebruikt materiaal

44

Vergelijkbaar met

wollen dekentje

harige vacht

donsdekentje

verenkleed

plasticfolie

hoornplaten

natte doek

natte slijmerige laag

nat papier

beenschubben en slijmlaag


Hoofdstuk 2

Structuur en samenhang in levende systemen

Besluit Gewervelde dieren met als huidbedekking haren en veren (zoogdieren en vogels) hebben een constante lichaamstemperatuur. Gewervelde dieren met als huidbedekking slijmlaag, hoornplaten of beenschubben

aa

r

(reptielen, amfibieĂŤn en vissen) hebben een wisselende lichaamstemperatuur.

opdracht

In

ki

jk

ex e

m

pl

Sommige gewervelde dieren kunnen niet overleven bij omgevingstemperaturen beneden het vriespunt. Hoe verklaar je dat?

45


Structuur en samenhang in levende systemen

Hoofdstuk 2

2.3 Inwendige bouw van gewervelde dieren Tijdens de dissectie of op de beelden van een dissectie zie je hoe een gewerveld dier inwendig gebouwd is.

2.3.1 Organen in de borstholte en in de buikholte

r

onderzoeksvraag

aa

Welke organen vind je in de borstholte? Welke organen vind je in de buikholte? opdracht

pl

Op de foto’s zie je de inhoud van de borstholte en de buikholte van een konijn. Noteer bij de foto’s de namen van de aangeduide organen. Informatie vind je op knipblad C.

m

Organen in de borstholte Afb. 9 organen vooraan in de borstholte

1

ex e

2

Afb. 10a organen dieper in de borstholte

4 5

6

jk

3

4

4

2

5

3

6

ki

1

In

Orgaan dat borstholte scheidt van buikholte

7 46

Afb. 10b orgaan dat borstholte scheidt van buikholte

7


Hoofdstuk 2

Structuur en samenhang in levende systemen

Organen in de buikholte Afb. 11 organen in de buikholte

Afb. 12 organen in de buikholte

13

8

10

14

aa

12

r

9

11

pl

15

16

13

9

14

m

8 10

15

12

16

ex e

11

Afb. 13 organen in de buikholte

Afb. 14 organen in de buikholte

17

ki

jk

18

In

17 18

21

20

19

20 21

19

47


Structuur en samenhang in levende systemen

Hoofdstuk 2

2.3.2 Organen werken samen in stelsels onderzoeksvraag

Welke organen werken samen aan eenzelfde taak? opdracht

Stelsel

Organen

pl

Organen

aa

r

Knip en kleef de foto’s van knipblad C in de eerste en derde kolom naast de juiste afbeelding. Zorg ervoor dat de foto’s zo geschikt zijn dat je een duidelijke verbindingslijn kunt trekken tussen het orgaan op de foto en datzelfde orgaan op de afbeelding. Noteer boven elke afbeelding de naam van het stelsel.

In

ki

jk

ex e

m

Afb. 15

Functie

48

opnemen van zuurstofgas uit de lucht en afgeven van koolstofdioxide aan de lucht


Hoofdstuk 2

Structuur en samenhang in levende systemen

Organen

Stelsel

Organen

In

ki

jk

ex e

m

pl

aa

r

Afb. 16

Functie

vervoeren van stoffen in het lichaam

49


Structuur en samenhang in levende systemen

Organen

Stelsel

Hoofdstuk 2

Organen

In

ki

jk

ex e

m

pl

aa

r

Afb. 17

50

Functie

verteren en opnemen van stoffen uit het voedsel


Hoofdstuk 2

Structuur en samenhang in levende systemen

Organen

Stelsel

Organen

In

ki

jk

ex e

m

pl

aa

r

Afb. 18

Functie

verwijderen van afvalstoffen uit het lichaam

51


Structuur en samenhang in levende systemen

Organen

Stelsel

Hoofdstuk 2

Organen

In

ki

jk

ex e

m

pl

aa

r

Afb. 19

52

Functie

vorming van zaadcellen


Hoofdstuk 2

Structuur en samenhang in levende systemen

Organen

Stelsel

Organen

In

ki

jk

ex e

m

pl

aa

r

Afb. 20

Functie

rijping van eicellen en ontwikkeling van de jongen

Besluit Organen zijn met elkaar verbonden. Zo’n orgaangroep is een stelsel. In elk stelsel werken organen samen aan één taak. 53


Structuur en samenhang in levende systemen

1

Hoofdstuk 2

om te onthouden 1 Kenmerk van gewervelde dieren

ex e

m

pl

aa

r

Kleur de wervelkolom in het groen.

2 Indeling van gewervelde dieren in klassen vissen

jk

amfibieĂŤn

bedekt met slijmlaag bedekt met hoornplaten

vogels

bedekt met veren

zoogdieren

bedekt met haren

ki

reptielen

In 54

bedekt met beenschubben en slijm


Hoofdstuk 2

Structuur en samenhang in levende systemen

3 Inwendige bouw van gewervelde dieren 1 Organen in borstholte en buikholte hart en bloedvaten luchtpijp en longen slokdarm

borstholte

r

middenrif

2 Organen werken samen in stelsels

pl

buikholte

aa

maag, dunne darm, lever en galblaas, blindedarm, dikke darm, nieren, urineleider, urineblaas, urinebuis, eierstokken, eileiders, baarmoeder, schede, teelballen, zaadleiders

Functie

luchtpijp en longen

opnemen van zuurstofgas uit de lucht en afgeven van koolstofdioxide aan de lucht

mondholte, slokdarm, maag, dunne darm, lever en galblaas, blindedarm, dikke darm

verteren en opnemen van stoffen uit voedsel

spijsverteringsstelsel

hart en bloedvaten

vervoeren stoffen in het lichaam

transportstelsel

nieren, urineleider, urineblaas, urinebuis

verwijderen van uitscheidingsstelsel afvalstoffen uit het lichaam

jk

ex e

m

Organen

ki

eierstokken, eileiders, baarmoeder, schede

ademhalingsstelsel

ontwikkelen van eicellen en zorgen voor de ontwikkeling van jongen

vrouwelijk voortplantingsstelsel

vormen van zaadcellen

mannelijk voortplantingsstelsel

In

teelballen, zaadleiders

Stelsel

55


Structuur en samenhang in levende systemen

Hoofdstuk 2

evalueer jezelf Structuur en samenhang in levende systemen 2.1 Kenmerken van gewervelde dieren Wat kun je? 1 een gewerveld dier herkennen en formuleren waaraan je het herkent 2 op een schets de wervelkolom aanduiden

aa

2.2 Indeling van de gewervelde dieren in klassen

Wat kun je? 1 verwoorden welke huidbedekking voorkomt bij gewervelde dieren 2 gewervelde dieren in klassen indelen op basis van hun huidbedekking 3 de relatie uitleggen tussen de huidbedekking en de lichaamstemperatuur van een gewerveld dier 2.3 Inwendige bouw van gewervelde dieren

m

Wat kun je? 1 de organen die zich bevinden in de borstholte van een gewerveld dier opsommen 2 de organen die zich bevinden in de buikholte van een gewerveld dier opsommen 3 verwoorden door welk orgaan de borstholte en de buikholte gescheiden worden 2.3.2 Organen werken samen in stelsels

Pagina

ex e

Datum

Pagina

pl

Datum

2.3.1 Organen in de borstholte en in de buikholte

Pagina

r

Datum

In

ki

jk

1 de definitie van een stelsel formuleren 2 de organen die samenwerken in het ademhalingsstelsel opsommen 3 de organen die samenwerken in het transportstelsel opsommen 4 de organen die samenwerken in het spijsverteringsstelsel opsommen 5 de organen die samenwerken in het uitscheidingsstelsel opsommen 6 de organen die samenwerken in het mannelijk voortplantingsstelsel opsommen 7 de organen die samenwerken in het vrouwelijk voortplantingsstelsel opsommen 8 de functies van de verschillende stelsels beschrijven

56


r aa

In

ki

jk

ex e

m

pl

3

Bouwstenen van organismen

In dit hoofdstuk leer je hoe organismen microscopisch zijn opgebouwd. Je ontdekt de samenhang tussen de verschillende organisatieniveaus bij een organisme.

57


Bouwstenen van organismen

Hoofdstuk 3

Je bestudeerde gewervelde dieren met het blote oog of macroscopisch. Je stelde vast dat ze opgebouwd zijn uit stelsels, die op hun beurt opgebouwd zijn uit organen.

opdracht Omcirkel wat juist is.

aa

EEN ORGANISME (= levende materie)

r

Afb. 1 kindje

bestaat uit één stelsel / meerdere stelsels.

pl

Stelsels werken alleen / samen.

m

Afb. 2 ademhalingsstelsel

ex e

EEN STELSEL

bestaat uit één orgaan / meerdere organen. Organen werken alleen / samen,

jk

aan één functie / meerdere functies.

In

ki

Met het blote oog kun je niet alle delen waaruit een orgaan is opgebouwd zien. Daarvoor gebruik je een microscoop. Je bestudeert de microscopische bouw van een orgaan.

58


Hoofdstuk 3

Bouwstenen van organismen

3.1 Microscopische bouw van organismen In de volgende onderzoeksvragen ontdek je de kleinste bouwstenen van organismen.

onderzoeksvraag

Hoe zijn organen microscopisch opgebouwd?

aa

r

opdracht

Bekijk aandachtig elke afbeelding. Kleur op de afbeeldingen in rij C de deeltjes die er hetzelfde uitzien in ĂŠĂŠnzelfde kleur. Afb. 6 tong van de mens

pl

Afb. 3 dwars doorgesneden blad

ex e

m

A

Afb. 4 dwarsdoorsnede van het blad (microfoto)

ki

jk

B

Afb. 7 tongdoorsnede van de mens (microfoto)

In

Afb. 5 dwarsdoorsnede van het blad

Afb. 8 tongdoorsnede van de mens

C

59


Bouwstenen van organismen

Hoofdstuk 3

opdracht Noteer bij afbeelding 5 en afbeelding 8 het cijfer dat overeenstemt met het juiste weefsel. Gebruik daarvoor de beschrijving van het weefsel. De groepering van kleine deeltjes die je zowel aan de boven- als aan de onderkant van het orgaan ziet en die het orgaan bedekken.

dekweefsel

2

De groepering van kleine deeltjes met een langwerpige vorm en veel groene bolletjes aan de bovenkant van het blad.

bovenste vulweefsel

3

De groepering van kleine deeltjes met meer ronde vormen, minder groene bolletjes en luchtholten ertussen voor de verluchting van het blad.

onderste vulweefsel

4

De groepering van kleine deeltjes die de nerven van het blad vormen en waarvan sommige deeltjes heel groot en stevig zijn. Ze vervoeren water en opgeloste stoffen.

transportweefsel

5

Een groepering van kleine deeltjes in de tong die zorgen voor de beweeglijkheid.

overlangs en dwars doorgesneden spierweefsel

6

Een groepering van kleine deeltjes in de tong die vorm en stevigheid geven aan het orgaan en het beschermen. Ze verbinden weefsels met elkaar.

bindweefsel

jk

ex e

m

pl

aa

r

1

Besluit

ki

Organen zijn microscopisch opgebouwd uit weefsels. Een weefsel is een groepering van kleine deeltjes met dezelfde vorm.

In

Die deeltjes werken samen aan dezelfde functie. Zowel bij bloemplanten als bij gewervelde dieren komen weefsels voor. Voorbeelden van weefsels bij planten zijn dekweefsel, transportweefsel en vulweefsel. Voorbeelden van weefsels bij dieren zijn spierweefsel, kraakbeenweefsel, zenuwweefsel, bindweefsel en dekweefsel.

60


Hoofdstuk 3

Bouwstenen van organismen

opdracht Omcirkel wat juist is. EEN ORGAAN bestaat uit

r

één weefsel / meerdere weefsels.

alleen / samen, aan

aa

Weefsels werken

één functie / meerdere functies.

Afb. 11 tong van de mens

ex e

m

pl

Afb. 9 dwars doorgesneden blad

Afb. 12 tongdoorsnede van de mens (microfoto)

In

ki

jk

Afb. 10 dwarsdoorsnede van het blad (microfoto)

61


Bouwstenen van organismen

Hoofdstuk 3

onderzoeksvraag

Hoe zijn weefsels microscopisch opgebouwd? opdracht

ex e

Afb. 13 waterpestplant (Hydrocharitaceae)

m

pl

aa

r

Werkwijze - Bekijk aandachtig elke afbeelding. - Overtrek op afbeelding 15 en afbeelding 18, de omtreklijn van één bouwsteen van het weefsel. - Kleur die bouwsteen in.

Afb. 17 nierbuisjes (microfoto)

In

ki

jk

Afb. 14 weefsel van waterpestblad (microfoto) 400 x

Afb. 16 nier

Afb. 15 weefsel van waterpestblad

Afb. 18 nierbuisjes

Besluit Weefsels zijn microscopisch opgebouwd uit kleine deeltjes. Dat zijn cellen. Cellen zijn de bouwstenen van organismen. 62


Hoofdstuk 3

Bouwstenen van organismen

opdracht Omcirkel wat juist is.

aa

r

Afb. 19 dekweefsel van de ajuin

EEN WEEFSEL bestaat uit

één cel / meerdere cellen,

pl

met een

verschillende vorm / dezelfde vorm. Cellen werken alleen / samen, aan

één functie / meerdere functies.

jk

ex e

m

Afb. 20 dekweefsel van de wang

ki

opdracht

In

Welke afbeelding stelt een weefsel voor? Zet er een kruisje bij.

Afb. 21

Afb. 22

Afb. 23

63


Bouwstenen van organismen

Hoofdstuk 3

onderzoeksvraag

Hoe zijn planten- en dierencellen opgebouwd? opdracht - Overtrek de omtreklijn van één cel op afbeelding 24a, 25a en 26a. Afb. 25a dekweefsel van de wang

Afb. 26a dekweefsel van het waterpestblad

ex e

m

pl

aa

r

Afb. 24a dekweefsel van de ajuin

jk

Afb. 24b cel van het dekweefsel van de ajuin

Afb. 25b cel van het dekweefsel van de wang

Afb. 26b cel van het dekweefsel van het waterpestblad

In

ki

- Vergelijk de drie cellen. Zet een kruisje in de juiste kolom van de tabel, als het omschreven deel aanwezig is.

64

Cel van het dekweefsel van de ajuin

Cel van het dekweefsel van de wang

Cel van het dekweefsel van het waterpestblad

Deel van de cel

dikke omtreklijn

1

dunne omtreklijn

2

één duidelijk gekleurd bolletje

3

meerdere groene bolletjes

4

doorschijnend vulsel

5

vloeistofblaas gevuld met water en opgeloste stoffen

6

kleine boonvormige celonderdelen

7


Hoofdstuk 3

Bouwstenen van organismen

- Lees aandachtig de tekst. - Noteer het begrip dat beantwoordt aan de omschrijving in de laatste kolom van de tabel. - Schrijf het juiste cijfer bij elk deel van de cel. (Afb. 24b, 25b, 26b)

opdracht

m

pl

aa

r

Elke plantencel heeft dezelfde basisstructuur. Een plantencel wordt begrensd door een celwand. Die stevige celwand geeft een vaste vorm aan de cel. Aangrenzende cellen zijn door hun celwand vergroeid. Tegen de binnenzijde van de celwand ligt een dun vliesje, het celmembraan. Dat membraan omsluit het cytoplasma, een halfvloeibare, korrelige materie. In het cytoplasma ligt een korrelig bolletje, de celkern. De celkern zorgt ervoor dat de cel in leven blijft. Hij is meestal pas zichtbaar na kleuring. In de cellen van het waterpestblad liggen kleine groene bolletjes in het celplasma. Dat zijn bladgroenkorrels. Je vindt ze terug in alle groene plantendelen. Ze spelen een belangrijke rol bij de voeding van de plant. Dierencellen zijn niet zo duidelijk van elkaar te onderscheiden als plantencellen. Dat komt omdat dierencellen geen celwand bezitten. De dierencel wordt begrensd door een dun celmembraan. Daarin ligt het cytoplasma, een halfvloeibare, korrelige materie waarin de celkern ligt. Zowel bij de plantencel als bij de dierencel zie je kleine boonvormige deeltjes, de mitochondriĂŤn. Het zijn celonderdelen die een rol spelen bij de energieproductie binnen de cel.

ex e

Verbind het juiste begrip met het overeenkomstige deel op beide afbeeldingen. plantencel

dierencel

celwand

In

ki

jk

celmembraan

celkern

cytoplasma

bladgroenkorrel

vacuole

mitochondriĂŤn

Afb. 27 cel van dekweefsel van het waterpestblad

Afb. 28 cel van dekweefsel van de wang

65


Bouwstenen van organismen

Hoofdstuk 3

Besluit Een dierencel is opgebouwd uit:

pl

aa

r

Een plantencel is opgebouwd uit:

m

3.2 Samenhang tussen de verschillende organisatieniveaus in een organisme

ex e

In een jeugdbeweging kun je naar hartenlust spelen onder het toeziend oog van de leiding. Die leiding overlegt op regelmatige tijdstippen met de hoofdleiding, die op haar beurt overlegt met de nationale leiding. Leiding, hoofdleiding en nationale leiding zijn organisatieniveaus. Cel, weefsel, orgaan en stelsel zijn organisatieniveaus die je terugvindt bij bloemplanten en gewervelde dieren. In de volgende opdracht ontdek je de samenhang tussen de verschillende organisatieniveaus in een organisme.

jk

opdracht

Kleef de afbeeldingen van knipblad D op de juiste plaats in de tabel.

In

ki

BLOEMPLANTEN

66

STRUCTUUR cel

GEWERVELDE DIEREN


Hoofdstuk 3

Bouwstenen van organismen

m

pl

orgaan

aa

r

weefsel

organisme

In

ki

jk

ex e

stelsel

67


Bouwstenen van organismen

Hoofdstuk 3

om te onthouden 1 Microscopische bouw van organismen

Afb. 30

ex e

Afb. 29

m

pl

aa

r

Een plantencel is opgebouwd uit: Een dierencel is opgebouwd uit: 1 celwand 1 celmembraan 2 celmembraan 2 cytoplasma 3 cytoplasma 3 celkern 4 celkern 4 mitochondriĂŤn 5 bladgroenkorrels 6 vacuole 7 mitochondriĂŤn

2 Samenhang tussen de verschillende organisatieniveaus in een organisme cel g weefsel g orgaan g stelsel g organisme

jk

Een organisme is opgebouwd uit verschillende stelsels. Een stelsel is opgebouwd uit verschillende organen, die samenwerken aan eenzelfde functie. Een orgaan is opgebouwd uit verschillende weefsels, die samenwerken aan eenzelfde functie. Een weefsel is opgebouwd uit verschillende cellen met dezelfde vorm die samenwerken aan eenzelfde functie. Een cel is een bouwsteen van een organisme.

In

ki

- - - - -

68


Hoofdstuk 3

Bouwstenen van organismen

evalueer jezelf 3 Bouwstenen van organismen Datum

Wat kun je?

Pagina

1 het begrip organisme uitleggen 3.1 Microscopische bouw van organismen Wat kun je?

Pagina

aa

Datum

r

2 het begrip stelsel definiëren en een voorbeeld ervan geven

1 vanuit lichtmicroscopische beelden bij bloemplanten en dieren afleiden dat weefsels gegroepeerd zijn in organen

pl

2 het begrip orgaan definiëren en een voorbeeld ervan geven 3 vanuit lichtmicroscopische beelden bij bloemplanten en dieren afleiden dat cellen gegroepeerd zijn in weefsels

m

4 het begrip weefsel definiëren

5 op een afbeelding van een micropreparaat planten- en dierencellen herkennen

ex e

6 het verschil uitleggen tussen een planten- en een dierencel 7 het begrip cel definiëren en de delen ervan herkennen en aanduiden op een afbeelding 3.2 Samenhang tussen de verschillende organisatieniveaus in een organisme Datum

Wat kun je?

Pagina

In

ki

jk

1 in concrete voorbeelden bij bloemplanten en gewervelde dieren illustreren dat er in een organisme een samenhang is tussen verschillende organisatieniveaus

69


KNIPBLADEN A, B, C EN D

Benodigdheden - schaar - lijm

In

ki

jk

ex e

m

pl

aa

r

Werkwijze - Knip de afbeeldingen en foto’s langs de kniplijnen uit. - Doe wat lijm op de achterzijde. - Kleef ze bij de juiste oefening.

70


In ex e

jk

ki aa

pl

m

r

KNIPBLAD A

71


72

In ex e

jk

ki m

r

3

5 6 7

8

9 10

aa

2

pl

1 4


(c) Vildaphoto - Yves Adams

In

ki

jk

ex e

m

pl

aa

r

knipblad B

73


74

In ex e

jk

ki aa

pl

m

r


In

ki

jk

ex e

m

pl

aa

r

knipblad B (vervolg)

75


76

In ex e

jk

ki aa

pl

m

r


dikke darm

penis

dunne darm

middenrif

maag

ex e

m

pl

hart

aa

r

knipblad C

zaadleider

nier

blindedarm

urinebuis

bloedvaten

longen

urineleider

ki

jk

slokdarm

In

schede

lever + galblaas

77


78

In ex e

jk

ki aa

pl

m

r


eileider

baarmoeder

luchtpijp

eierstok

teelbal

In

ki

jk

ex e

m

pl

urineblaas

aa

r

knipblad C (vervolg)

79


80

In ex e

jk

ki aa

pl

m

r


mondslijmvliescel

plant

ex e

m

pl

bladgroencel

aa

r

knipblad D

mondslijmvliesweefsel

blad

mondholte

In

ki

mens

bladgroenweefsel

jk

bladstelsel

spijsverteringsstelsel

81


82

In ex e

jk

ki aa

pl

m

r


• •

bijlage 1 / bijlage 2

bijlage 3 Kenmerken van bladeren

Geen insnijdingen gaaf scherp

insnijding

scherp

stomp

gezaagd

dubbel gezaagd

stomp

stomp

scherp

stomp

pl

scherp

gekarteld

m

getand

gelobd

gespleten

gespleten

gedeeld

gedeeld

jk

ex e

gelobd

veervormig samengesteld

gegolfd

handnervig

insnijding = tot op de helft van de zijnerf

insnijding niet tot op de helft van de zijnerf

veernervig

insnijding dieper dan de helft van de zijnerf

ENKELVOUDIG BLAD

Insnijdingen in de bladschijf = diepe insnijding

uitsteeksel

handvormig samengesteld

In

SAMENGESTELD BLAD

ki

Insnijding tot op de hoofdnerf

Insnijding niet tot op de hoofdnerf

Insnijdingen in de bladrand = ondiepe insnijding

aa

r

1 Insnijdingen in bladrand - bladschijf

oneven geveerd

even geveerd

7-tallig handvormig samengesteld

3-tallig handvormig samengesteld

2 Nervatuur

veernervig

handnervig

parallelnervig 83


bijlage 3 (vervolg) 3 Bladvorm Om de juiste bladvorm te kunnen waarnemen maak je best een omtreklijn rond de bladschijf. Hieronder volgt een verduidelijking van de voorkomende bladvormen. Breedste deel in het midden van de bladschijf

L=B

L=1,5 à 2 x B

L=2à 3 x B

cirkelrond

ovaal

langwerpig

Breedste deel onder het midden van de bladschijf

bladschijf boven de bladvoet

aa

r

L=4 of meer x B

m

pl

lancetvormig

driehoekig

ex e

eirond

schildvormig

deltavormig

ruitvormig

bladschijf onder de bladvoet

hartvormig

pijlvormig

spiesvormig

geoord

niervormig

In

ki

jk

Breedste deel boven het midden van de bladschijf

omgekeerd eirond

spatelvormig

omgekeerd driehoekig

omgekeerd hartvormig

Breedte overal ± gelijk

lijnvormig 84

lintvormig

zwaardvormig

naaldvormig

priemvormig


bijlage 4

determineertabel ‘bomen’

Om de juiste bladvorm te kunnen waarnemen maak je best een omtreklijnrand rond de bladschijf. Hieronder volgt een verduidelijking van de voorkomende bladvomen. schijfvormig.

Ga naar 2.

b

naaldvormig.

Ga naar 21.

aa

a

2 Het blad is a

enkelvoudig.

b

samengesteld.

Ga naar 3.

Ga naar 17.

b

handnervig.

Ga naar 4.

Ga naar 15.

4 Het blad heeft geen insnijdingen en is dus gaaf.

b

wel insnijdingen.

5 Het blad heeft

ex e

a

m

veernervig.

pl

3 Het verloop van nerven is a

Sporkehout of Vuilboom Ga naar 5.

a

ondiepe insnijdingen, d.w.z. insnijdingen alleen in de bladrand.

Ga naar 6.

b

diepe insnijdingen, d.w.z. insnijdingen in de bladschijf.

Ga naar 12.

6 De bladrand is

r

1 Het blad is

gegolfd, d.w.z. afgeronde insnijdingen en afgeronde uitsteeksels.

Beuk

b

getand, d.w.z. afgeronde insnijdingen en puntige uitsteeksels.

Ga naar 7.

c

gezaagd, d.w.z. puntige insnijdingen en puntige uitsteeksels.

Ga naar 8.

d

gekarteld en driehoekig tot ruitvormig.

Canadapopulier

ki

jk

a

7 De bladvorm is a

Tamme kastanje

ovaal, d.w.z. de lengte van de bladschijf is 1,5 tot 2x de breedte van de bladschijf.

Hulst

In

b

langwerpig, d.w.z. de lengte van de bladschijf is 2 tot 3x de breedte van de bladschijf.

8 De bladrand is a

enkel gezaagd.

Ga naar 9.

b

dubbel gezaagd.

Ga naar 10.

9 De bladvorm is a

langwerpig tot ovaal.

Amerikaanse vogelkers

b

omgekeerd eirond tot cirkelrond met inkeping in de bladtop.

Zwarte els 85


•

bijlage 4 (vervolg)

c

hartvormig.

Linde

d

lancetvormig.

Wilg

ovaal tot langwerpig.

Ga naar 11.

b

omgekeerd eirond.

Hazelaar

c

eirond tot ruitvormig.

Berk

aa

a

11 Het blad heeft een gelijke bladvoet.

b

een ongelijke bladvoet.

Haagbeuk

Olm of Iep

pl

a

r

10 Het blad is

12 Het blad is

gelobd, d.w.z. de insnijdingen komen niet tot aan de helft van de zijnerven.

Ga naar 13.

b

gespleten, d.w.z. de insnijdingen komen tot aan de helft van de zijnerven.

Amerikaanse eik

c

gedeeld, d.w.z. de insnijdingen komen dieper dan de helft van de zijnerven, maar niet tot aan de hoofdnerf

Meidoorn

ex e

m

a

13 Het verloop van nerven is a

geen of een heel korte bladsteel.

Zomereik

b

een duidelijke bladsteel.

Ga naar 14.

14 Het blad heeft spitse lobben.

b

stompe lobben.

jk

a

Amerikaanse eik Wintereik

15 Het blad heeft b

een witte achterzijde.

ki

a

geen witte achterzijde.

Witte abeel Ga naar 16.

16 Het blad heeft

gezaagde lobben.

Esdoorn

getande lobben.

Plataan

In

a

b

17 Het blad is a

veervormig samengesteld.

Ga naar 18.

b

handvormig samengesteld.

Paardenkastanje

18 De deelblaadjes zijn a

gaaf.

Robinia

b

gezaagd.

Ga naar 19.

86


•

bijlage 4 (vervolg)

19 De deelblaadjes zijn a

5 tot 7 in aantal.

Gewone vlier

b

meer dan 7 in totaal.

Ga naar 20.

fijn gezaagd.

Gewone es

b

grof gezaagd.

Lijsterbes

aa

a

r

20 De deelblaadjes zijn

21 De naalden staan

Ga naar 22.

a

in bundels van 2.

b

in bundels van 5.

c

in bundels van meer dan 5.

d

apart.

Weymouthden

pl

Larix of Lork Ga naar 23.

22 De naalden zijn

korter dan 7 cm, de schors van de boom is bovenaan roestbruin.

Grove den

b

tussen de 8 en 15 cm lang en soepel, de schors van de boom is overal zwart, kegels tot 8 cm groot.

Corsicaanse den

c

tussen de 10 en 20 cm lang, de boom heeft heel grote kegels, tot 15 cm.

Zeeden

23 De naalden zijn

ex e

m

a

a

rond tot vierkant in doorsnede.

Fijnspar

b

plat.

Ga naar 24.

24 De naalden staan

naar twee zijden van de tak.

Taxus

b

naar alle zijden van de tak en ruiken naar citroen bij het kneuzen.

Douglasspar

In

ki

jk

a

87


•

bijlage 4 (vervolg)

4a Sporkehout of Vuilboom

m

9c Linde

9d Wilg

17b Paardenkastanje

11b Olm of Iep

ex e

jk ki 9b Zwarte els

aa

7a Tamme kastanje

pl

11a Haagbeuk

9a Amerikaanse vogelkers

In

16b Plataan

6d Canadapopulier

7b Hulst

88

r

10c Berk

6a Beuk

16a Esdoorn

10b Hazelaar

12b/14a Amerikaanse eik 18a Robinia

12c Meidoorn

19a Gewone vlier 13a Zomereik 14b Wintereik

20a Gewone Es

15a Witte abeel 20b Lijsterbes


bijlage 5

pl

aa

r

zoekkaart ‘grote dieren in het bos’

konijn

ex e

m

eekhoorn

bonte specht

In

ki

jk

koolmees

Vlaamse gaai

fazant (

) 89


bijlage 6

hooiwagen

huisjesslak

mier

ex e

kever

m

pl

duizendpoot

aa

r

zoekkaart ‘kleine bodemdiertjes’

naaktslak

oorworm

pissebed

rups

spin

springstaart

regenworm

In

ki

jk

miljoenpoot

teek

90


bijlage 7 zoekkaart ‘Sporen van dieren’

Pootafdrukken

das

kat

aa

hond

r

vos

muis

pl

ree

haas

eekhoorn

ex e

m

konijn

egel

marter

eend

duif

zangvogel

reiger

Uitwerpselen

eekhoorn ree

muis

egel

konijn

In

ki

vos

jk

haas

Wraatsporen

eekhoorn

muis

specht 91


•

bijlage 7 (vervolg) Wraatsporen (vervolg)

r

specht / eekhoorn

aa

lijster

rups / kever

mol

ex e

Resten van verblijfplaats

m

pl

muis

jk

konijn

ki

vogelnest

In

Veren

duif

92

spinnenweb


bijlage 8 DETERMINEERTABEL ‘BODEM’ 1 Verbrokkel de grond van de boring zo veel mogelijk met je hand. Blijven er onbreekbare steentjes over?

r

de grondsoort is grind.

Ja

aa

ga naar 2.

Nee

pl

2 Kun je met de vochtige aarde een samenhangend bolletje zoals een pingpongballetje maken?

de grondsoort is zand.

Nee

m

ga naar 3.

Ja

ex e

3 Kun je de bol uitrollen tot een staafje van 5 mm dikte en 4 cm lengte? ga naar 4.

Ja

de grondsoort is lemig zand.

jk

Nee

4 Kun je de bol uitrollen tot een staafje van 2 mm dikte en 5 cm lengte? ga naar 5.

ki

Ja

de grondsoort is zandig leem.

In

Nee

5 Kun je van het staafje een armbandje maken zonder dat het breekt? Ja Nee

de grondsoort is klei. de grondsoort is leem.

93


•

bijlage 9 DE BOOMHOOGTEMETER’

pl

aa

r

Om de hoogte te meten van planten die groter zijn dan jezelf, gebruik je het best een boomhoogtemeter. Een boomhoogtemeter is een driehoekig instrument voorzien van een kijkbuis en een schietlood.

eigen lengte

boomhoogte

In

ki

jk

ex e

m

- Zorg ervoor dat tijdens het gebruik van de boomhoogtemeter, het touwtje van het schietlood altijd verticaal hangt (evenwijdig met de zijde a). - Kijk ondertussen door de kijkbuis in de richting van de boomtop. - Als je door de kijkbuis de lucht ziet, stap je langzaam naar de boom toe, tot je de top van de boom ziet. - Als je door de kijkbuis de kruin van de boom ziet, stap je langzaam van de boom weg tot je de top van de boom in de kijkbuis ziet. - Als je precies door de kijkbuis de boomtop ziet, dan sta je op de juiste plaats om de hoogte van de boom te meten. De hoogte van de boom is dan gelijk aan de afstand van jezelf tot de boom + je eigen lengte.

afstand tot de boom

94


BEGRIPPENLIJST niet-levende factor (bv. licht, bodemsoort …)

ademhalingsstelsel

groep organen met als functie het opnemen van zuurstofgas en het afgeven van koolstofdioxide

beenschubben

dunne benige plaatjes die het lichaam van een vis bedekken

biotische factor

levende factor (bv. plant, dier, zwam …)

biotoop

gebied waarin bepaalde organismen met elkaar samenleven (bv. bos, heide, vijver, wegberm …)

biotoopstudie

studie van een gebied waarin organismen leven

blad

hoofddeel van een plant dat opgebouwd is uit een bladschijf en een bladsteel

bladgroenkorrel

klein, groen bolletje in het celplasma van plantencellen. Speelt een rol bij de voeding van een plant.

bloemplant

plant die bloemen draagt

bodembegroeiing

planten die de bodem bedekken

bodemhardheid

hardheid van de bodem

bodemvochtigheid

hoeveelheid water dat zich tussen de bodemdeeltjes bevindt boven het grondwaterniveau

boom

m

pl

aa

r

abiotische factor

ex e

plant met één bruine, weinig buigzame stengel (stam) die een eind boven de grond vertakt

boomhoogtemeter

toestel waarmee je de hoogte van een boom bepaalt

boomkruin

gedeelte van een boom met takken en bladeren

boomlaag

ruimte binnen de borstkas

jk

borstholte

laag in het bos waarin de kruinen van de bomen zich bevinden

buikholte

ruimte in het onderste deel van de romp

cel

bouwsteen van een organisme korrelig bolletje in het celplasma. Zorgt ervoor dat de cel in leven blijft.

celmembraan

dun vliesje dat het celplasma omsluit

celwand

buitenste, stevige wand van een plantencel

constante lichaamstemperatuur

lichaamstemperatuur die ongeveer altijd gelijk is en niet afhankelijk is van de omgevingstemperatuur

cytoplasma

halfvloeibare, korrelige stof in een cel tussen de celkern en de celmembraan

determineertabel

tabel waarmee je door vragen te beantwoorden de naam van een organisme opzoekt

determineren

het op naam brengen van organismen (planten, dieren, zwammen …) op basis van hun kenmerken

In

ki

celkern

95


BEGRIPPENLIJST toestel om geluidssterkte te meten

geluidssterkte

kracht van het geluid

gewerveld dier

dier met een wervelkolom, bv. kat, vis, kikker, duif, slang …

grondboor

toestel waarmee een bodemstaal genomen wordt

houtachtige plant

plant met een meestal bruine stengel die bestaat uit een stevige materie, hout

huidbedekking

beschermende structuren op de huid

hygrometer

toestel waarmee je de vochtigheid in de lucht of in de bodem meet. Het meetresultaat wordt uitgedrukt in %.

kruid

plant met groene, buigzame stengel

kruidlaag

laag in het bos waarin kruiden staan (tot 1 m hoog)

lichtmeter

toestel waarmee je de hoeveelheid licht meet. Het meetresultaat wordt uitgedrukt in lux.

luchtvochtigheid

hoeveelheid water(damp) in een bepaalde hoeveelheid lucht

microscoop

toestel dat vergrotende lenzen bevat. Wordt gebruikt om kleine voorwerpen vergroot waar te nemen.

middenrif

orgaan (gespierd vlies) dat de borstholte van de buikholte scheidt

mitochondriën moslaag

m

pl

aa

r

geluidsmeter

ex e

kleine boonvormige onderdelen van de cel = strooisellaag: laag in het bos waarin mossen en zwammen staan en waarin blaadjes en takjes liggen (dikte afhankelijk van het soort bos)

dier zonder wervelkolom, bv. regenworm, slak, mossel, duizendpoot, vlieg, krab, zeester …

orgaan

onderdeel van een stelsel, opgebouwd uit verschillende weefsels die samenwerken aan eenzelfde functie

jk

ongewerveld dier

levend wezen

schutkleur

kleur van de huidbedekking bij dieren die gelijk (of aangepast) is aan die van de omgeving. Op die manier vallen de dieren niet op en zijn ze beschermd tegen vijanden.

ki

organisme

In

skelet

96

alle beenderen van een dier. Het zorgt voor de stevigheid en de vorm van een dier.

slijmlaag

vochtige kleverige laag die de huid glibberig maakt en beschermt tegen ziektekiemen

spijsverteringsstelsel

groep organen met als functie het verteren van voedsel en het opnemen van stoffen in het bloed

stelsel

groep van organen die samenwerken aan eenzelfde functie

stengel

hoofddeel van een plant dat bladeren en/of knoppen draagt, dit deel is geleed

strooisellaag

= moslaag: laag in het bos waarin mossen en zwammen staan en waarin blaadjes en takjes liggen (dikte afhankelijk van het soort bos)


BEGRIPPENLIJST plant met bruine, weinig buigzame stengels die vertakken net boven de grond

struiklaag

laag in het bos waarin struiken en jonge boompjes staan (van 1 m tot 4 m hoog)

temperatuur

maat voor hoe koud of hoe warm het is

thermometer

toestel waarmee je de temperatuur meet

transportstelsel

groep organen met als functie het vervoeren van stoffen in het lichaam

uitscheidingsstelsel

groep organen met als functie het verwijderen van afvalstoffen en stoffen die te veel werden opgenomen

vacuole

met vocht gevulde holte in het cytoplasma

verlichtingssterkte

hoeveelheid licht die valt op een oppervlakte

voortplantingsstelsel

groep organen bij de man met als functie het vormen van zaadcellen, groep organen bij de vrouw met als functie het rijpen van eicellen en het zorgen voor de ontwikkeling van de jongen

weefsel

groep van cellen met dezelfde vorm en die samenwerken aan eenzelfde functie

wervel

klein, kort been, maakt deel uit van de wervelkolom

wervelkolom

m

pl

aa

r

struik

ex e

aaneenschakeling van wervels aan de rugzijde van een dier

wisselende lichaamstemperatuur

lichaamstemperatuur die afhankelijk is van de omgevingstemperatuur

wortel

hoofddeel van een plant dat geen bladeren en geen knoppen draagt, dit deel is niet geleed bladeren die in een krans dicht tegen de grond op een zeer korte stengel staan

jk

wortelrozet

determineerkaart, kaart waarmee je met behulp van vragen en tekeningen de naam van een organisme opzoekt

In

ki

zoekkaart

97


In ex e

jk

ki aa

pl

m

r

98

Notities


In ex e

jk

ki aa

pl

m

r

Notities

99


In ex e

jk

ki aa

pl

m

r

100

Notities


r aa pl em

Katia De Scheemaeker

ex

Catherine Van Nevel

Rachel Delcour Anne Deltour Lieve Evens Kristine GabriĂŤl Jeanne Rombouts

In

ki

jk

Hilde Van Wynsberghe

i.s.m.

Ontdek het onlineleerplatform: diddit! Vooraan in dit boek vind je de toegangscode, zodat je volop kunt oefenen op je tablet of computer. Activeer snel je account op www.diddit.be en maak er een geweldig schooljaar van!

ISBN 978-90-306-9322-2

592569

vanin.be


NW

vOOr jOu

OnderzOek editie

In

ki

jk

ex

em

pl

aa

r

Materie en energie

1

1 2 3


aa

pl

em

ex

jk

ki

In

r


NW

vOOr jOu

OnderzOek editie

Katern 2

r

Katia De Scheemaeker

aa

Catherine Van Nevel

Hilde Van Wynsberghe i.s.m.

pl

Rachel Delcour

In

ki

jk

ex

em

Anne Deltour Lieve Evens

Kristine GabriĂŤl Jeanne Rombouts


aa

pl

em

ex

jk

ki

In

r


Inhoud Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 3

Bouwstenen van niet-levende materie

5

Energievormen en energieomzettingen

1.1 Massa en volume

6

3.1 Energiebronnen

49

1.2 Deeltjesmodel

8

3.2 Energievormen

50

3.3 Energieomzettingen

51

Structuurveranderingen van stoffen

pl

r 59

25 26

ex

2.1 Moleculen veranderen niet van samenstelling

Begrippenlijst

em

Hoofdstuk 2

15

aa

1.3 Zuivere stoffen en mengsels

48

26

2.1.2 Faseovergangen

29

2.1.3 Uitzetten en krimpen van stoffen

34

jk

2.1.1 Aggregatietoestanden

41

In

ki

2.2 Moleculen veranderen van samenstelling

3


Materie en energie

In

ki

jk

ex

em

pl

aa

r

In dit katern leer je de bouwstenen van materie kennen. Je benoemt de bouwstenen als deeltjes, als moleculen. Je stelt materie voor met het deeltjesmodel. Aan de hand van het deeltjesmodel verklaar je het verschil tussen een zuivere stof en een mengsel. Je leert dat als gevolg van een temperatuursverandering stoffen van aggregatietoestand kunnen veranderen, kunnen uitzetten en kunnen krimpen. Hierbij ontdek je dat de samenstelling van de stoffen niet verandert. Met eenvoudig waarneembare veranderingen bij stoffen stel je vast dat de samenstelling van stoffen wel kan veranderen. Bij deze stofomzettingen worden nieuwe stoffen gevormd. Je verklaart al deze verschijnselen van stoffen aan de hand van het deeltjesmodel. In dit katern maak je ook kennis met verschillende energievormen. Je leert hoe een energievorm in een andere energievorm omgezet kan worden zonder dat er energie verloren gaat.


r aa

ki

jk

ex

em

pl

1

Bouwstenen van niet-levende materie

In

In dit hoofdstuk leer je het deeltjesmodel gebruiken om eenvoudige experimenten en dagelijkse waarnemingen van materie te verklaren. Een mengsel van stoffen leer je scheiden met een eenvoudige scheidingstechniek.

5


Bouwstenen van niet-levende materie

Hoofdstuk 1

1.1 Massa en volume In dit hoofdstuk leer je de begrippen massa en volume kennen. Je leerde al over gewicht en volume in de lagere school. Het woord gewicht wordt nu vervangen door het woord massa.

A massa

aa

r

opdracht

Bekijk aandachtig de onderstaande fiches van babyolifant Kai-Mook en babykonijn Hopla. Beantwoord de vragen. Fiche 1

Fiche 2

Afb. 1 babyolifant Kai-Mook

pl

Afb. 2 Vlaamse reus Hopla

• Naam Hopla • Vlaamse reus • Woonplaats: ✓ konijnenhok ✓ 2,0 m op 1,5 m; 1,0 m hoog (= 3,0 m3) ✓ 320 g (geboorte) • Ouders: ✓ mama Flappie (6,5 kg) ✓ papa Doopy (7 kg) • Voedsel: ✓ groenvoer + 50 gram korrels per dag ✓ waterbakje met 500 ml water • Weetjes: ✓ jongen wegen 30 tot 700 gram ✓ groenvoer bestaat uit gras, wortel, witlof, venkel ✓ wild konijn weegt slechts 2 kg

ex

em

• Naam Kai-Mook • Indische olifant • Woonplaats: ✓ Zoo Antwerpen ✓ Egyptische tempel • 80 kg (geboorte) • Ouders: ✓ mama Phyo Phyo (3 620 kg) ✓ papa Alexander (5,5 ton) • Voedsel: ✓ plantaardig, zoals hooi of gras, takken, groenten & fruit • Weetjes: ✓ slurf zuigt 6 tot 10 l water op ✓ maalkies volwassen dier: 50 kg ✓ record slagtand: 3,47 m en 102 kg

- Hoeveel woog babyolifant Kai-Mook bij de geboorte? - Hoeveel gram korrels eet babykonijn Hopla per dag?

ki

jk

Massa is de hoeveelheid stof of materie (bijvoorbeeld de hoeveelheid korrels). Massa is een grootheid. De grootheid massa stel je voor met het symbool m. De hoofdeenheid waarin massa wordt uitgedrukt is kilogram. Je noteert: [m] = kg (kilogram). In het dagelijkse leven worden ook andere eenheden gebruikt.

In

- In welke eenheid druk je de hoeveelheid korrels uit? Bekijk opnieuw de fiches van Kai-Mook en Hopla. Je vindt er nog andere eenheden van massa. Noteer er twee. 1

2

Massa kun je in verschillende eenheden uitdrukken. - Vul aan: 1 kg = g

1 ton =

kg

opdracht Markeer met groen in beide fiches elk voorbeeld dat verwijst naar de grootheid massa. 6


Hoofdstuk 1

B

Bouwstenen van niet-levende materie

volume opdracht Bekijk opnieuw de fiche van babyolifant Kai-Mook. Hoeveel liter water kan een volwassen olifant met

r

zijn slurf opzuigen?

Volume is de ruimte die materie (of een stof) inneemt. Volume is net als massa een grootheid. De grootheid volume stel je voor met het symbool V.

aa

Afb. 3 volwassen olifant die water opzuigt

pl

Een volume van tien liter komt ongeveer overeen met de inhoud van één emmer. - In welke eenheid druk je het volume water uit dat een olifant opzuigt? - Zoek in de fiches twee andere eenheden van volume. 1

em

2

Je kunt verschillende eenheden gebruiken om het volume aan te geven. - Vul aan: 1 ml = 1l=

dm³

jk

ex

cm³

Afb. 4 maatcilinder gevuld met één liter water wordt overgegoten in een kubus van één dm³

ki

opdracht

In

Markeer met rood in beide fiches elk voorbeeld dat verwijst naar de grootheid volume.

opdracht Vul de tabel aan. Grootheid

Symbool van de grootheid

Hoofdeenheid

Symbool van de hoofdeenheid

massa volume lengte 7


Bouwstenen van niet-levende materie

Hoofdstuk 1

1.2 deeltjesmodel

pl

aa

r

De voorwerpen of stoffen die je in het dagelijkse leven omringen, verschillen grondig van elkaar. Sommige stoffen zijn vast. Niet alle vaste stoffen zijn identiek. Keukenzout is opgebouwd uit korrels, terwijl een soeplepel bestaat uit een glanzend metaal. Andere stoffen zijn vloeistoffen, zoals olie en water. Nog andere zijn gassen, zoals waterdamp, die ontstaat bij het koken van aardappelen.

Afb. 6 soeplepel

In

ki

jk

ex

em

Afb. 5 keukenzout

Afb. 7 fles olie

Afb. 8 koken van aardappelen

Alle stoffen (of materie) zijn opgebouwd uit deeltjes. In dit deel onderzoek je of de eigenschappen van die stoffen veranderen in bepaalde omstandigheden. Je probeert daarvoor een verklaring te vinden door de stoffen voor te stellen als deeltjes.

8


Hoofdstuk 1

Bouwstenen van niet-levende materie

onderzoeksvraag

Wat gebeurt er als je suiker in water brengt? Hypothese Wat denk jij dat het antwoord is op deze onderzoeksvraag?

Benodigdheden - plastic beker of glas - water - digitale balans - horlogeglas - suiker - lepel of spatel Werkwijze

em

STAP 1 - Weeg 5 g suiker af. (Tip: tarreren!)

pl

Afb. 9 spatel

aa

r

Experiment

ex

Je kunt materie, en dus ook suiker, voorstellen als deeltjes.

= 1 suikerdeeltje

jk

Afb. 10 deeltjesmodel van suiker

opdracht

In

ki

Je stelt de suikerdeeltjes voor als rode zeshoekjes. Kleur op afbeelding 11 de suikerdeeltjes in de beker.

Afb. 11 beker met suiker

= 1 suikerdeeltje 9


Bouwstenen van niet-levende materie

Hoofdstuk 1

STAP 2 - Vul de plastic beker voor de helft met water. - Wat proef je als je een slokje uit de beker neemt? Ook water kun je voorstellen als deeltjes.

opdracht

= 1 waterdeeltje Afb. 12 beker met water

opdracht

em

pl

STAP 3 Voeg suiker toe aan de beker met water. - Roer goed met de spatel. - Wat proef je als je een slokje uit de beker met suiker neemt?

aa

r

Je stelt de waterdeeltjes voor als blauwe driehoekjes. Kleur op afbeelding 12 de waterdeeltjes in de beker.

jk

ex

Kleur op afbeelding 13 wat er met de suikerdeeltjes is gebeurd nadat je ze aan het water hebt toegevoegd.

= 1 suikerdeeltje

ki

Afb. 13 beker met suikerwater

= 1 waterdeeltje

In

Na het uitvoeren van het experiment zie je de suikerdeeltjes niet meer met het blote oog in de beker met water. Verklaar met het deeltjesmodel wat er gebeurt met de suiker in het water. Suiker is opgelost in water.

Vergelijk de waarnemingen met je hypothese. Wat stel je vast?

Besluit De suikerdeeltjes verspreiden zich tussen de waterdeeltjes: suiker lost op in water. 10


Hoofdstuk 1

Bouwstenen van niet-levende materie

Op afbeelding 12 en afbeelding 13 heb je suiker voorgesteld met zeshoeken en water voorgesteld met driehoekjes. Die zeshoeken en driehoekjes helpen je om verschijnselen van stoffen, zoals het oplossen van suiker in water, beter te leren begrijpen. De zeshoeken en driehoekjes noem je de deeltjes van een stof. Die voorstellingswijze is het deeltjesmodel van de materie. Het deeltjesmodel is de materie (stoffen) voorstellen met behulp van deeltjes. Met het model kun je de verschijnselen van stoffen verklaren. Je zult het deeltjesmodel nog verder gebruiken om experimenten te verklaren.

onderzoeksvraag

aa

r

Wat gebeurt er als je een afgesloten hoeveelheid lucht probeert samen te drukken? Experiment

opening

pl

Benodigdheden meetspuit Werkwijze - Sluit de smalle opening van de meetspuit af met je vinger.

em

- Kun je de zuiger in de meetspuit duwen?

zuiger

ex

Afb. 14 meetspuit

jk

In de volgende opdracht gebruik je opnieuw het deeltjesmodel van de materie om dit verschijnsel (het samendrukken van lucht) te verklaren.

opdracht

In

ki

De luchtdeeltjes in de meetspuit stel je voor als groene bolletjes. Overtrek en kleur op afbeelding 16 de deeltjes na het induwen van de zuiger.

= 1 deeltje lucht Afb. 15 meetspuit met deeltjes lucht

Afb. 16 ingeduwde meetspuit

11


Bouwstenen van niet-levende materie

Hoofdstuk 1

WAARNEMING Omcirkel wat juist is. 1 Na het induwen van de zuiger vergroot / verkleint het volume lucht. 2 Tussen de deeltjes in de meetspuit is er wel / geen lege ruimte. 3 De deeltjes in de meetspuit bevinden zich na het samendrukken dichter bij / verder van elkaar.

r

4 De deeltjes in de meetspuit zijn na het samendrukken groter / kleiner / even groot getekend.

aa

Besluit

Lucht kun je samendrukken. De deeltjes behouden hun afmetingen.

pl

De afstand tussen de deeltjes verkleint.

Opmerking

onderzoeksvraag

em

De deeltjes in het model noem je moleculen. In de lessen chemie van het derde jaar leer je meer over moleculen.

Experiment

jk

Benodigdheden fles parfum

ex

Zijn de deeltjes waaruit materie is opgebouwd in beweging of blijven ze ter plaatse?

ki

Werkwijze - Je leraar opent een fles parfum in de klas. - Als je het parfum waarneemt, steek je je hand omhoog.

In

WAARNEMING

Verklaring

12


Hoofdstuk 1

Bouwstenen van niet-levende materie

opdracht = 1 parfumdeeltje

aa

r

Verklaar dit verschijnsel met het deeltjesmodel. De parfumdeeltjes stel je voor als gele bolletjes. Overtrek en kleur op afbeelding 18 de deeltjes na het openen van de fles.

Afb. 17 gesloten fles parfum met vloeistofdeeltjes en gasdeeltjes (gele bolletjes)

pl em

Besluit

onderzoeksvraag

Afb. 18 geopende fles parfum

Experiment

ex

Wat beĂŻnvloedt de snelheid waarmee de deeltjes bewegen?

jk

Benodigdheden - plastic beker of glas - drie petrischalen - rode inkt of kleurstof - koud, lauw en warm water

ki

Tip: duid elke petrischaal aan met een Romeins cijfer. (I, II, III)

Afb. 19 petrischaal

In

Werkwijze - Giet in elke petrischaal water met een verschillende temperatuur. petrischaal I: koud water petrischaal II: lauw water petrischaal III: warm water - Laat op hetzelfde moment een druppel inkt vallen in het midden van elke petrischaal. Wat zie je? WAARNEMING Rangschik de petrischalen (I, II en III) naar stijgende snelheid waarmee de deeltjes zich verspreiden. Probeer nu de waarneming in de volgende opdracht te verklaren met het deeltjesmodel. 13


Bouwstenen van niet-levende materie

Hoofdstuk 1

opdracht Op deze afbeelding zijn de inktdeeltjes voorgesteld vlak na het aanbrengen van de druppel inkt. De waterdeeltjes stel je opnieuw voor als blauwe driehoekjes. De inktdeeltjes stel je voor als roze bolletjes.

pl

aa

r

Afb. 20 bovenaanzicht petrischaal vlak na het aanbrengen van de druppel inkt

= 1 waterdeeltje

em

= 1 inktdeeltje

Je stelde vast dat de inktdeeltjes zich met verschillende snelheden verspreiden in de drie petrischalen. Maak dat verschil duidelijk door het tekenen van blauwe driehoekjes en roze bolletjes op afbeelding 21.

ki

jk

ex

Afb. 21 verspreiding inktdeeltjes na enige tijd

In

14

koud water

Besluit

lauw water

warm water


Hoofdstuk 1

Bouwstenen van niet-levende materie

1.3 zuivere stoffen en mengsels Als verschillende soorten stoffen samen voorkomen, is het soms nodig om die stoffen van elkaar te scheiden. In dit deel maak je kennis met enkele eenvoudige scheidingstechnieken.

opdracht

aa

r

Bekijk filmpje 1 bij het onlinelesmateriaal of afbeelding 22. Welke stoffen liggen er op de zeef?

Als je twee of meer stoffen samenvoegt, bekom je een mengsel.

Afb. 22 kleuter zeeft het zand

em

pl

De kleuter giet het mengsel in het zeefje. Wat gebeurt er?

Hoe verklaar je dat de ene stof op de zeef blijft liggen, terwijl de andere door de zeef gaat?

ex

De kleuter heeft het mengsel gescheiden. Je past een scheidingstechniek toe om de oorspronkelijke stoffen uit een mengsel te halen. De scheidingstechniek die de kleuter uitvoert in filmpje 1 noem je ziften. Die techniek is enkel mogelijk als de deeltjes van het mengsel voldoende in grootte verschillen.

In

ki

jk

Een ander voorbeeld is het ziften van ongebuild meel om bloem te bekomen. De zemelen blijven op de zeef liggen en alleen de bloem stroomt door de gaatjes van de zeef.

Afb. 23a ongebuild meel

Afb. 23b ziften van ongebuild meel

Afb. 23c bloem en zemelen

Afb. 24 verschil meel en bloem en zemelen

15


Bouwstenen van niet-levende materie

Hoofdstuk 1

Voor het scheiden van mengsels bestaan er heel wat technieken. Hieronder zie je enkele voorbeelden uit het dagelijkse leven. Afb. 26 bloed centrifugeren

aa

r

Afb. 25 aardappelen na het koken afgieten

ex

opdracht

Afb. 28 een gasmasker houdt schadelijke stoffen tegen zodat je ze niet inademt

em

pl

Afb. 27 sla zwieren

Afb. 29 spelende kleuters

In

ki

jk

Bekijk filmpje 2 bij het onlinelesmateriaal of afbeelding 29. Welk mengsel maakt de kleuter?

Hoe kun je dit mengsel scheiden?

De scheidingstechniek die je hier toepast, is nauwkeuriger dan ziften. De zeef wordt vervangen door een filter. Dat is een zeef met heel kleine gaatjes. In de klas gebruik je als filter filtreerpapier. Afb. 30 filtreerpapier

16


Hoofdstuk 1

Bouwstenen van niet-levende materie

onderzoeksvraag

Hoe kun je een mengsel van een vaste stof (zand) en een vloeistof (water) scheiden? Hypothese

r

Experiment

jk

ex

em

pl

aa

Benodigdheden - maatbeker - erlenmeyer - trechter - filtreerpapier - spatel - vaste stof: zand - vloeistof: water

Afb. 32 trechter

ki

Afb. 31 erlenmeyer

In

Werkwijze - Vul de maatbeker voor de helft met water en voeg een lepel zand toe. Roer goed. - Plaats de trechter in de erlenmeyer. - Vouw het filtreerpapier zoals aangegeven op de afbeelding.

Afb. 33 filtreerpapier vouwen

17


Bouwstenen van niet-levende materie

Hoofdstuk 1

aa

r

- Plaats het filtreerpapier in de trechter. Nu heb je een filter. - Maak het filtreerpapier nat met enkele druppels water. - Giet het mengsel in de filter.

pl

Afb. 34 proefopstelling voor en na de filtratie

em

WAARNEMING

De toegepaste scheidingstechniek noem je filtratie.

ex

Vergelijk je waarneming met de hypothese. Wat stel je vast?

Besluit

jk

Een mengsel van een vaste stof (zand) en een vloeistof (water) kun je scheiden door

ki

Geef twee voorbeelden van filtratie in het dagelijkse leven. 1

In

2

Afb. 35a

Afb. 35b

In het derde jaar leer je meer over scheidingstechnieken. 18

Afb. 36


Hoofdstuk 1

Bouwstenen van niet-levende materie

onderzoeksvraag

Wat is het verschil tussen een zuivere stof en een mengsel? opdracht

r

De stoffen zand en water (uit het vorige experiment) kun je voorstellen met het deeltjesmodel.

= 1 zanddeeltje

pl

= 1 waterdeeltje

aa

Afb. 37 maatbeker

= 1 waterdeeltje = 1 zanddeeltje

In

ki

jk

ex

em

Vul afbeelding 38a en 38b aan door de waterdeeltjes en de zanddeeltjes te overtrekken en in te kleuren. Maak opnieuw gebruik van de legende.

Afb. 38a filtratie van zand en water

Afb. 38b filtratie van zand en water

Hoe verklaar je dat de waterdeeltjes door het filtreerpapier stromen en de zanddeeltjes niet?

19


Bouwstenen van niet-levende materie

Hoofdstuk 1

Hoeveel verschillende soorten deeltjes teken je boven op het filtreerpapier na het uitvoeren van de proef? Hoeveel verschillende soorten deeltjes teken je in de erlenmeyer na het uitvoeren van de proef?

pl

aa

r

De deeltjes in de modellen zijn moleculen. Zand en water, dat je bij het begin van de proef hebt samengevoegd in de maatbeker, is een mengsel. Een mengsel bestaat uit verschillende soorten deeltjes of moleculen. Door een scheidingstechniek toe te passen kun je een mengsel scheiden in stoffen die uit één soort deeltjes of moleculen bestaan. Water en zand zijn zuivere stoffen. Een zuivere stof bestaat uit één soort deeltjes of moleculen.

em

Besluit

ex

Materie

Mengsel

bestaat uit één soort deeltjes (moleculen)

bestaat uit verschillende soorten deeltjes (moleculen)

In

ki

jk

Zuivere stof

Afb. 39 deeltjesmodel zuivere stof

20

Afb. 40 deeltjesmodel mengsel


Hoofdstuk 1

Bouwstenen van niet-levende materie

opdracht Omcirkel onder elke voorstelling van het deeltjesmodel of het om een zuivere stof of een mengsel gaat. deeltjesmodel van ijzer

Afb. 42 deeltjesmodel van lucht

zuivere stof / mengsel

pl

aa

r

Afb. 41 deeltjesmodel van ijzer

deeltjesmodel van lucht

zuivere stof / mengsel

ex

em

Om het eenvoudig te houden stelde je bij de proef met de meetspuit de luchtdeeltjes voor als één soort (groene) bolletjes. In werkelijkheid bestaat lucht uit verschillende soorten deeltjes of moleculen.

deeltjesmodel van zuurstofgas

Afb. 44 deeltjesmodel van leidingwater

In

ki

jk

Afb. 43 deeltjesmodel van zuurstofgas

deeltjesmodel van leidingwater

zuivere stof / mengsel Uit deze voorstelling leid je af dat één molecule zuurstofgas is opgebouwd uit twee onderdeeltjes.

zuivere stof / mengsel Ook watermoleculen zijn opgebouwd uit twee onderdeeltjes (één blauw bolletje en twee rode bolletjes). Bij het experiment waar je suiker oploste in water stelde je het water eenvoudig voor als één soort bolletjes. De andere moleculen zijn deeltjes die opgelost zijn in water, bijvoorbeeld calciumdeeltjes. 21


Bouwstenen van niet-levende materie

Hoofdstuk 1

deeltjesmodel van brons

aa

r

Afb. 45 deeltjesmodel van brons

zuivere stof / mengsel

pl

De meer nauwkeurige voorstelling van moleculen leer je in het volgende hoofdstuk.

opdracht

em

Op de top van een berg adem je zuivere lucht in. Is zuivere lucht een zuivere stof? Leg uit. (Tip: bekijk het deeltjesmodel op afbeelding 42.)

ex

In het dagelijkse leven spreek je weleens over zuiver water als je het over drinkwater hebt. Is dat ‘zuivere’ water een zuivere stof? Leg uit.

In

ki

jk

In het dagelijkse leven heeft het begrip ‘zuiver’ een ruimere betekenis dan in de wetenschap. Zuiver water betekent voor jou dat het water drinkbaar en gezond is. Dat geldt ook voor zuivere lucht. In de wetenschap is ‘zuiver’ heel duidelijk omschreven: een zuivere stof bestaat uit één soort moleculen.

22

In de voorgaande experimenten werd water beschouwd als een zuivere stof. Dat is echter niet helemaal juist. In leidingwater zit onder andere opgeloste ‘kalk’ (‘calciumionen’). Denk maar aan de verkalking van huishoudtoestellen, bijvoorbeeld bij een koffiezetapparaat. Dat probleem, en hoe je het kunt verhelpen, komt later aan bod.


Hoofdstuk 1

Bouwstenen van niet-levende materie

om te onthouden 1 Massa en volume symbool van de grootheid

symbool van de hoofdeenheid

symbool van de hulpeenheid

massa

m

kg

g

volume

V

cm³

aa

r

grootheid

2 Deeltjesmodel

em

pl

Materie bestaat uit deeltjes of moleculen. Het deeltjesmodel stelt de materie (stoffen) voor als een verzameling van deeltjes. Het deeltjesmodel laat toe om verschijnselen zoals het oplossen van stoffen te verklaren.

3 Zuivere stoffen en mengsels

ex

Een mengsel bestaat uit verschillende soorten deeltjes of moleculen. Een zuivere stof bestaat uit één soort deeltjes of moleculen.

In

ki

jk

Een scheidingstechniek pas je toe om de oorspronkelijke stoffen uit een mengsel te halen. Een mengsel van twee vaste stoffen kun je scheiden door te ziften. Een mengsel van een niet-oplosbare vaste stof en een vloeistof kun je scheiden door filtratie.

23


Bouwstenen van niet-levende materie

Hoofdstuk 1

evalueer jezelf 1 Bouwstenen van niet-levende materie 1.1 Massa en volume Datum

Wat kun je?

Pagina

1 het begrip massa uitleggen

r

2 het symbool van de grootheid massa noteren 4 het begrip volume uitleggen 5 het symbool van de grootheid volume noteren

aa

3 de hoofdeenheid en de hulpeenheden van massa opsommen

6 de hoofdeenheid en de hulpeenheden van volume opsommen Datum

Wat kun je?

pl

1.2 Deeltjesmodel

Pagina

1 het begrip molecule uitleggen

em

2 het begrip deeltjesmodel uitleggen 3 een deeltjesmodel lezen en uitleggen

4 het deeltjesmodel gebruiken om het oplossen van stoffen te verklaren 5 uit een waarneming afleiden dat in een stof de moleculen voortdurend in beweging zijn

ex

6 uit een waarneming afleiden dat de snelheid waarmee de deeltjes bewegen afhankelijk is van de temperatuur 1.3 Zuivere stoffen en mengsels Datum

Wat kun je?

1 het begrip scheidingstechniek uitleggen

jk

2 de scheidingstechniek ziften uitleggen

3 twee voorbeelden van ziften opsommen

ki

4 de scheidingstechniek filtratie uitleggen

In

5 twee voorbeelden van filtratie opsommen 6 verklaren welke scheidingstechniek je gebruikt om twee vaste stoffen met een verschillende deeltjesgrootte te scheiden 7 verklaren welke scheidingstechniek je gebruikt om een vloeistof en een vaste stof te scheiden

8 het begrip zuivere stof uitleggen 9 het begrip mengsel uitleggen 10 het deeltjesmodel gebruiken om het verschil tussen een zuivere stof en een mengsel aan te duiden 11 uitleggen dat lucht geen zuivere stof is 12 uitleggen dat leidingwater een mengsel is

24

Pagina


aa

In het vorige hoofdstuk maakte je kennis met het

r

2

STRUCTUURVERANDERINGEN VAN STOFFEN

deeltjesmodel. Je leerde de deeltjes benoemen als moleculen.

pl

Nu gebruik je het deeltjesmodel om faseovergangen te verklaren. Je leert hoe stoffen reageren op

em

temperatuursveranderingen. Daarbij verandert de

samenstelling van de stoffen niet. Je ontdekt dat moleculen van samenstelling kunnen veranderen en zo nieuwe stoffen

In

ki

jk

ex

vormen.

25


Structuurveranderingen van stoffen

Hoofdstuk 2

2.1 Moleculen veranderen niet van samenstelling In het vorige hoofdstuk heb je kennisgemaakt met vaste stoffen, vloeistoffen en gassen. Je leert nu het deeltjesmodel gebruiken om het verschil tussen vast, vloeibaar en gas duidelijk te maken.

r

2.1.1 Aggregatietoestanden

aa

onderzoeksvraag

Waarin verandert ijs bij een temperatuurstijging?

Afb. 2 proefopstelling

jk

ex

Afb. 1 bunsenbrander

em

Benodigdheden - metalen staaf - bunsenbrander - lucifers - 3 ijsblokjes - petrischaal

pl

Experiment

In

ki

Werkwijze - Verwarm de staaf in de vlam van de bunsenbrander tot hij gloeiend heet is. - Duw de hete staaf in het ijs. - Welke drie opeenvolgende toestanden van water zie je? WAARNEMING 1

2

Besluit Bij een temperatuurstijging verandert ijs in

26

3


Hoofdstuk 2

Structuurveranderingen van stoffen

IJs gaat over van de vaste toestand via de vloeibare toestand (water) naar de gasvormige toestand (waterdamp). Water komt voor in drie fasen of aggregatietoestanden: vast, vloeibaar en gas. Om een vaste stof over te doen gaan in een vloeistof en daarna in een gas, moet je warmte toevoegen. Een faseovergang is de overgang van de ene fase (aggregatietoestand) naar de andere fase.

onderzoeksvraag

aa

r

Welke verschillen ontdek je als je de deeltjesmodellen van de drie aggregatietoestanden met elkaar vergelijkt? Experiment

pl

Benodigdheden - kleine schoendoos - 20 grote knikkers

WAARNEMING

em

Werkwijze - Leg de 20 knikkers in de schoendoos. - Beweeg de doos zachtjes heen en weer. - Beweeg de doos steeds harder heen en weer. - Vergelijk het heen en weer bewegen van de knikkers met het deeltjesmodel. De knikkers stellen deeltjes voor.

Vergelijking met het deeltjesmodel

1

De afstand tussen de deeltjes is zeer klein. De deeltjes blijven dicht bij elkaar en verplaatsen zich niet ten opzichte van elkaar.

2

De afstand tussen de deeltjes is groot. De deeltjes blijven nog dicht bij elkaar, maar verplaatsen zich wel ten opzichte van elkaar.

3

De afstand tussen de deeltjes is zeer groot. De deeltjes bewegen voortdurend door elkaar en botsen tegen elkaar.

ki

Afb. 3

jk

ex

Waarneming

In

Afb. 4

Afb. 5

27


Structuurveranderingen van stoffen

Hoofdstuk 2

opdracht Bekijk aandachtig de applet via het onlinelesmateriaal. Markeer in de tabel wat juist is. VLOEISTOF

De afstand tussen de deeltjes is zeer klein / groter / zeer groot. - De deeltjes zijn in beweging (‘trillen’), maar behouden hun plaats (hebben ‘vaste buren’). - De deeltjes hebben geen vaste plaats, ze zijn in beweging. - De deeltjes bewegen voortdurend door elkaar en botsen tegen de wanden. - De onderlinge krachten tussen de deeltjes zijn verwaarloosbaar. - De onderlinge krachten tussen de deeltjes zijn klein. - De onderlinge krachten tussen de deeltjes zijn sterk.

ex

em

De afstand tussen de deeltjes is zeer klein / groter / zeer groot. - De deeltjes zijn in beweging (‘trillen’), maar behouden hun plaats (hebben ‘vaste buren’). - De deeltjes hebben geen vaste plaats, ze zijn in beweging. - De deeltjes bewegen voortdurend door elkaar en botsen tegen de wanden. - De onderlinge krachten tussen de deeltjes zijn verwaarloosbaar. - De onderlinge krachten tussen de deeltjes zijn klein. - De onderlinge krachten tussen de deeltjes zijn sterk.

Afb. 8

aa

Afb. 7

De afstand tussen de deeltjes is zeer klein / groter / zeer groot. - De deeltjes zijn in beweging (‘trillen’), maar behouden hun plaats (hebben ‘vaste buren’). - De deeltjes hebben geen vaste plaats, ze zijn in beweging. - De deeltjes bewegen voortdurend door elkaar en botsen tegen de wanden. - De onderlinge krachten tussen de deeltjes zijn verwaarloosbaar. - De onderlinge krachten tussen de deeltjes zijn klein. - De onderlinge krachten tussen de deeltjes zijn sterk.

pl

Afb. 6

GAS

r

VASTE STOF

jk

opdracht

ki

Bekijk de afbeeldingen. Kruis in de onderstaande afbeeldingen het deeltjesmodel van de stof aan bij kamertemperatuur. Afb. 9 deeltjesmodel van ijzer bij kamertemperatuur

In

9a

9b

o

o

Afb. 10 deeltjesmodel van zuurstofgas bij kamertemperatuur 10a

10b

28

o

o


Hoofdstuk 2

Structuurveranderingen van stoffen

Afb. 11 deeltjesmodel van zuiver water bij kamertemperatuur 11a

11b

o

11c

o

o

12b

o

aa

12a

r

Afb. 12 deeltjesmodel van keukenzout bij kamertemperatuur

o 13b

o

13c

em

13a

o

o

ex

2.1.2 Faseovergangen

pl

Afb. 13 deeltjesmodel van azijn bij kamertemperatuur

jk

Bij het eerste experiment van dit hoofdstuk stelde je vast dat een stof, afhankelijk van de temperatuur, in verschillende aggregatietoestanden kan voorkomen. We nemen water als voorbeeld, dat in de drie fasen voorkomt: vast (ijs), vloeistof (water) en gas (waterdamp). onderzoeksvraag

ki

Wat gebeurt er met de samenstelling van de moleculen bij de faseovergang ‘smelten’ en ‘stollen’? Experiment

Afb. 14 kookkolf

Afb. 15 proefopstelling

In

Benodigdheden - bunsenbrander of kookplaat - kookkolf of erlenmeyer of maatbeker - ijsblokjes - diepvries Werkwijze - Doe een vijftal ijsblokjes (vaste stof) in de kookkolf. - Verwarm de kookkolf op de kookplaat of bunsenbrander. - Laat de kookkolf afkoelen en plaats in de diepvries. - Haal de kookkolf de volgende les uit de diepvries. 29


Structuurveranderingen van stoffen

Hoofdstuk 2

WAARNEMING - Overtrek en kleur op afbeelding 16 de deeltjes ijs. - Wat gebeurt er met het ijs als je warmte toevoegt? - Overtrek en kleur op afbeelding 17 de deeltjes water. - Wat gebeurt er met het water als je warmte wegneemt?

waterdeeltje (1 molecule water)

ex

em

ijsdeeltje

aa

Afb. 17 kookkolf

pl

Afb. 16 kookkolf

r

jk

- Welke afbeelding stelt het deeltjesmodel van de kookkolf uit de diepvries voor? afbeelding 16 / afbeelding 17 Verklaring

In

ki

Smelten is de faseovergang van een vaste stof (ijs) naar een vloeistof (water). Door de temperatuur te verhogen voeg je meer en meer energie aan de deeltjes toe. Door de toevoeging van warmte(energie) beginnen de deeltjes meer en meer te trillen. Op een bepaald moment zijn de deeltjes niet meer in staat om hun plaats te behouden. Ze bewegen door elkaar. De vaste stof wordt omgezet in vloeistof. Stollen is de faseovergang van een vloeistof (water) naar een vaste stof (ijs). Door de temperatuur te verlagen, wordt er meer en meer energie weggenomen van de deeltjes. Door het wegnemen van warmte (energie) gaan de deeltjes minder trillen. Op een bepaald moment behouden de deeltjes hun plaats. De afstand tussen de deeltjes wordt steeds kleiner. De vloeistof wordt omgezet in een vaste stof.

Besluit De samenstelling van de moleculen verandert / verandert niet bij de faseovergang ‘smelten’ en ‘stollen’. 30


Hoofdstuk 2

Structuurveranderingen van stoffen

onderzoeksvraag

Wat gebeurt er met de samenstelling van de moleculen bij de faseovergang ‘verdampen’ en ‘condenseren’? Experiment

pl

Werkwijze - Vul de maatbeker voor de helft met water. - Breng het water aan de kook op de kookplaat. - Houd een spiegel boven de maatbeker zodra het water kookt.

aa

r

Benodigdheden - maatbeker van 250 ml - water - spiegel - kookplaat of bunsenbrander

Afb. 18 proefopstelling

WAARNEMING

em

- Wat gebeurt er met het water als je warmte toevoegt?

ex

Op een gegeven moment zie je (water)dampbellen opstijgen uit de vloeistof. Je ziet waterdamp verschijnen boven de vloeistof. Het water kookt. Verdampen is de overgang van de vloeibare fase naar de gasvormige fase. Door de toevoeging van warmte gaan de deeltjes nog meer trillen en komen uiteindelijk volledig van elkaar los. Als de vloeistof kookt, komen de waterdeeltjes los uit de vloeistof. De waterdeeltjes bevinden zich dan in de gasvormige fase.

In

ki

jk

- Overtrek en kleur op afbeelding 19 de waterdeeltjes in de vloeibare aggregatietoestand. - Overtrek en kleur op afbeelding 20 de waterdeeltjes in de gasvormige aggregatietoestand.

Afb. 19

1 molecule water (1 waterdeeltje)

Afb. 20

Door afkoeling wordt de waterdamp weer omgezet naar de vloeibare fase. Vandaar dat je op de spiegel water waarneemt. Dat toont aan dat damp uit waterdeeltjes bestaat. Condenseren is de overgang van de gasvormige fase naar de vloeibare fase.

Besluit De samenstelling van de moleculen verandert / verandert niet bij de faseovergangen ‘verdampen’ en ‘condenseren’. 31


Structuurveranderingen van stoffen

Hoofdstuk 2

onderzoeksvraag

aa

Wat gebeurt er met de samenstelling van de moleculen bij de faseovergangen sublimeren en desublimeren?

r

Bij een toename van de temperatuur (en de toegevoegde energie) verandert een stof van aggregatietoestand. De meeste stoffen gaan in normale omstandigheden over van de vaste aggregatietoestand naar de vloeibare aggregatietoestand en daarna naar de gasvormige aggregatietoestand. Door het toevoegen van warmte(energie) beginnen de deeltjes alsmaar meer te trillen en veranderen op die manier van aggregatietoestand. De deeltjes (moleculen) zijn niet van samenstelling veranderd, maar de afstand tussen de deeltjes is toegenomen.

Hypothese

pl

Welke hypothese past voor jou bij de onderzoeksvraag? Kruis jouw hypothese aan.

em

o De samenstelling van de moleculen verandert, er worden nieuwe moleculen gevormd. o De samenstelling van de moleculen verandert niet. o Ik heb geen idee wat er met de samenstelling van de moleculen zal gebeuren bij sublimeren en desublimeren. Bekijk de afbeelding. Welke aggregatietoestand herken je op de afbeelding?

ex

Dit is niet de normale gang van zaken. Leg uit wat er anders is.

Afb. 21

In

ki

jk

Teken een rode pijl (warmte toevoegen) in het onderstaande schema om de faseovergang van dit voorbeeld te verduidelijken met het deeltjesmodel.

Afb. 23

Afb. 22

32

Afb. 24


Hoofdstuk 2

Structuurveranderingen van stoffen

Bekijk de afbeelding. Wat zie je op het herfstblad?

Teken een blauwe pijl (warmte wegnemen) in het bovenstaande schema om de faseovergang van dit voorbeeld te verduidelijken met het deeltjesmodel. Verklaring Sublimeren is de faseovergang van de vaste toestand naar

aa

Afb. 25

r

Hoe verklaar je dit?

.

pl

Door warmte (energie) toe te voegen, gaan de deeltjes hard trillen. De moleculen komen los van elkaar en bewegen vrij rond. De krachten tussen de moleculen zijn uiterst klein. .

Desublimeren is de faseovergang van de gasvormige toestand naar

em

Bij het afkoelen (energie wegnemen) gaan de deeltjes steeds minder trillen. De moleculen zijn in beweging maar behouden steeds meer hun plaats. De krachten tussen de moleculen zijn zeer groot. Besluit

ex

Bij het sublimeren verandert de samenstelling van de moleculen / verandert de samenstelling van de moleculen niet. Bij het desublimeren verandert de samenstelling van de moleculen / verandert de samenstelling van de moleculen niet.

In

ki

jk

Bekijk de faseovergangen bij het onlinelesmateriaal.

33


Structuurveranderingen van stoffen

Hoofdstuk 2

2.1.3 UitzettEN EN KRIMPEN van stoffen Zowel vaste stoffen als vloeistoffen hebben een eigen volume. In dit hoofdstuk ontdek je dat het volume van stoffen kan veranderen onder invloed van de temperatuur.

aa

Wat gebeurt er als je een metalen bol verwarmt en afkoelt?

r

onderzoeksvraag

Experiment

pl

Benodigdheden - bol en ring van ’s Gravesande - digitale balans - bunsenbrander - lucifers - kroestang

ki

jk

ex

em

Werkwijze - Stel vast dat bij kamertemperatuur de bol precies door de ring van ’s Gravesande gaat. - Weeg de bol op de digitale balans. - Noteer de massa in de eerste kolom. - Neem de bol met de kroestang vast. - Verwarm de bol met de bunsenbrander gedurende drie minuten. - Ga na of de warme bol door de ring gaat. - Noteer je waarneming. - Bepaal de massa van de warme bol met de digitale balans. - Noteer de massa van de warme bol in de tweede kolom. - Laat de bol afkoelen tot op kamertemperatuur. - Gaat de bol door de ring? Noteer je waarneming. - Bepaal de massa van de afgekoelde bol met de digitale balans. - Noteer de massa van de afgekoelde bol in de derde kolom.

Afb. 26 bol en ring van ’s Gravesande

Afb. 27 metalen kroestang

In

WAARNEMING

de bol bij kamertemperatuur m=

g

de verwarmde bol m=

Wat neem je waar als je de verwarmde bol op de ring legt?

Wat neem je waar als je de afgekoelde bol op de ring legt?

34

de afgekoelde bol g

m=

g


Hoofdstuk 2

Structuurveranderingen van stoffen

Deeltjesmodel metaal

Deeltjesmodel metaal

aa

r

Temperatuur verhogen

Afb. 28

Afb. 29

vast / vloeibaar / gasvormig

pl

vast / vloeibaar / gasvormig Vergelijk beide afbeeldingen.

em

Omcirkel onder elke afbeelding de juiste aggregatietoestand. Omcirkel de passende antwoorden.

De aggregatietoestand van het metaal verandert / verandert niet bij het verhogen van de temperatuur. Bij opwarming / afkoeling van het metaal nemen de deeltjes energie op.

ex

De moleculen gaan heviger bewegen.

De afstand tussen de moleculen vergroot / verkleint / blijft gelijk. Het volume van het metaal vergroot / verkleint / blijft gelijk. De moleculen vergroten / verkleinen / blijven gelijk.

In

ki

jk

Besluit Bij het verwarmen verandert de massa van de bol wel / niet.. Het volume van de bol verandert wel / niet. Bij het afkoelen verandert de massa van de bol wel /niet. Het volume van de bol verandert wel / niet.

Besluit Als je de metalen bol verwarmt, zet hij uit. Als je de metalen bol afkoelt, krimpt hij. Tijdens het verwarmen en het afkoelen verandert de massa / verandert de massa niet. Tijdens het verwarmen en het afkoelen verandert het volume / verandert het volume niet.

35


Structuurveranderingen van stoffen

Hoofdstuk 2

onderzoeksvraag

Wat gebeurt er bij het verwarmen en afkoelen van water?

aa

em

pl

Benodigdheden - kookplaat of bunsenbrander - erlenmeyer - doorboorde kurken stop met glazen buis (diameter 3 mm) - gekleurd water (water met rode inkt) - uitwisbare stift

r

Experiment

Afb. 30 proefopstelling

jk

ex

Werkwijze - Vul de erlenmeyer volledig met gekleurd water. - Plaats de kurken stop met glazen buis zo op de erlenmeyer dat er geen lucht in de erlenmeyer zit. - Merk met een stift de stand van het water in de glazen buis bij kamertemperatuur. - Plaats de erlenmeyer op de kookplaat of boven de bunsenbrander. - Noteer je waarneming. - Schakel het verwarmingstoestel aan en verwarm het water gedurende drie minuten. - Noteer opnieuw je waarneming. - Laat het water afkoelen tot op kamertemperatuur. - Noteer je waarneming. WAARNEMING

ki

Wat neem je waar nadat het water gedurende drie minuten verwarmd is?

In

Wat neem je waar nadat het water weer is afgekoeld?

Besluit Bij het afkoelen / verwarmen zet water uit. Bij het afkoelen / verwarmen krimpt water.

36


Hoofdstuk 2

Structuurveranderingen van stoffen

Verklaring Deeltjesmodel gekleurd water

Deeltjesmodel gekleurd water

aa

r

Temperatuur verhogen

Afb. 32

pl

Afb. 31

Vergelijk beide afbeeldingen.

vast / vloeibaar / gasvormig

em

vast / vloeibaar / gasvormig

Omcirkel onder elke afbeelding de juiste aggregatietoestand. Omcirkel de passende antwoorden.

ex

De aggregatietoestand van het water verandert / verandert niet bij het verhogen van de temperatuur. Bij opwarming / afkoeling van het water nemen de deeltjes energie op. De moleculen gaan heviger bewegen.

De afstand tussen de moleculen vergroot / verkleint / blijft gelijk.

jk

Het volume van het water vergroot / verkleint / blijft gelijk. Vloeistoffen zetten meer / minder uit dan vaste stoffen omdat de krachten tussen de moleculen kleiner zijn.

ki

Besluit

Bij het afkoelen / verwarmen zet water uit.

In

Bij het afkoelen / verwarmen krimpt water.

37


Structuurveranderingen van stoffen

Hoofdstuk 2

opdracht 1 Kleur het bolletje bij de juiste uitspraak. -

Als de bol van ’s Gravesande na verwarming niet meer door de ring gaat, betekent dit dat er een toename is van O de massa van de bol. O het volume van de bol. O de massa en het volume van de bol.

aa

r

- Als de ring verwarmd wordt, maar niet de bol, dan wordt O de binnen- en buitendiameter van de ring groter en kan de bol erdoor. O de binnendiameter van de ring kleiner en de buitendiameter groter en kan de bol er niet meer door. O de opening van de ring kleiner.

Afbeelding

ex

em

Afb. 33 hoogspanningskabels

pl

2 Bekijk de afbeeldingen in de eerste kolom. Lees aandachtig de verklaring in de tweede kolom. Omcirkel de juiste verklaringen.

Bij een temperatuurstijging / temperatuurdaling gaan hoogspanningskabels uitzetten en meer doorhangen.

Bij een temperatuurstijging / temperatuurdaling gaan betonstroken uitzetten.

In

ki

jk

Afb. 34 wegdek

Verklaring

38

Afb. 35 thermometer

Afb. 36 thermometer

Het principe van een thermometer steunt op het feit dat vloeistoffen krimpen / uitzetten bij een temperatuurstijging.


Hoofdstuk 2

Structuurveranderingen van stoffen

Afbeelding

Verklaring Bij de overgang van water van de vloeibare naar de vaste toestand (ijs) (temperatuurdaling) neemt het volume toe / neemt het volume af.

aa

r

Afb. 37 ijsblokjes

3 Water, maar ook andere vloeistoffen (alcohol, kwik ...), zetten uit bij verwarming en krimpen bij afkoeling.

pl

Welk meetinstrument is op dat principe gebaseerd?

em

Water is een uitzondering. Als water bevriest, zet het uit. Andere stoffen krimpen als ze stollen (of bevriezen).

4 a Hoe verklaar je dat bovengrondse waterleidingen in de winter kapot kunnen vriezen?

b Hoe vermijd je dat probleem?

ki

jk

ex

5 Bekijk afbeeldingen 38 en 39. Geef een verklaring voor wat er met de fles gebeurd is!

In

Afb. 38 fles water op kamertemperatuur

Afb. 39 fles water uit de diepvriezer

6 Afbeelding 40 toont de afbraak van de kleisteenlagen in de Ardennen onder invloed van insijpelend water en vorst. Na een vorstperiode krijg je een heleboel puin. Hoe kun je dit verklaren?

Afb. 40 kleisteen

39


Structuurveranderingen van stoffen

Hoofdstuk 2

om te onthouden Afb. 32 kleisteenlagen in de Ardennen Moleculen veranderen niet van samenstelling Drie fasen of aggregatietoestanden van stoffen:

r

1 vast 2 vloeibaar 3 gas

Afb. 42

In

ki

jk

Afb. 41

verdampen

ex

smelten

em

sublimeren

pl

De temperatuur stijgt / daalt

aa

Een faseovergang is de overgang van de ene fase (aggregatietoestand) naar de andere fase.

stollen

Afb. 43

condenseren

desublimeren

De temperatuur stijgt / daalt

De samenstelling van de moleculen verandert niet bij een faseovergang. Stoffen zetten uit als je ze verwarmt en krimpen als je ze afkoelt.

40


Hoofdstuk 2

Structuurveranderingen van stoffen

2.2 Moleculen veranderen van samenstelling Bij de overgang naar een andere aggregatietoestand veranderen stoffen van vorm en volume. De samenstelling van de stoffen verandert echter niet. De samenstelling van stoffen kan soms wel veranderen. Dat gaat vaak gepaard met waarneembare veranderingen, zoals kleurverandering, geurverandering, smaakverandering ...

aa

r

opdracht

Bekijk eerst de voorbeelden in kolom 1 en 2. Noteer in de derde kolom welke wijzigingen je waarneemt. Kies uit: kleurverandering – geurverandering – smaakverandering – gasontwikkeling

Afb. 47 verroeste schroef

ex

Afb. 46 schroef

Afb. 45 gekiemde graankorrels

em

Afb. 44 niet-gekiemde graankorrels

Waarnemingen

pl

Voorbeelden

jk

Afb. 48 glas water met bruistablet ernaast

Afb. 51 brandende kaars

In

ki

Afb. 50 kaars

Afb. 49 oplossende bruistablet

Afb. 52 suiker

Afb. 53 verbranden van suiker

In de voorbeelden stel je vast dat stoffen van samenstelling kunnen veranderen. Dat gaat gepaard met waarneembare veranderingen. Er worden nieuwe stoffen gevormd. Je neemt een stofomzetting waar. 41


Structuurveranderingen van stoffen

Hoofdstuk 2

opdracht Bekijk de voorbeelden in de eerste en tweede kolom. Kruis het juiste antwoord aan in de derde of vierde kolom. Voorbeelden

Stofomzetting

Afb. 55 brandende kaars

Afb. 56 ijsje

Afb. 57 smeltend ijsje

em Afb. 59 opgebrande lucifer

jk

ex

Afb. 58 lucifer

pl

aa

r

Afb. 54 kaars

Faseovergang

Afb. 61 beschimmelde boterham

In

ki

Afb. 60 boterham

42

Afb. 62 spons

Afb. 63 spons waar water uitloopt


Hoofdstuk 2

Structuurveranderingen van stoffen

onderzoeksvraag

Wat gebeurt er met de samenstelling van de moleculen bij het branden van een kaars? Experiment

Werkwijze - Steek de kaars aan. WAARNEMING

pl

De kaars heeft zuurstofgas nodig om te kunnen branden.

aa

r

Benodigdheden - kaars van ongeveer 20 cm lengte - lucifers

Waar haalt de kaars dat gas?

Bij de verbranding van kaarsvet (paraffine) worden koolstofdioxide en waterdamp gevormd. Afb. 64 1 molecule koolstofdioxide

em

Afb. 65 1 molecule water

= 1 zuurstofatoom

= 1 zuurstofatoom

= 1 koolstofatoom

= 1 waterstofatoom

ex

Bekijk de volgende afbeelding, die de verbranding van kaarsvet illustreert met het deeltjesmodel.

In

ki

jk

Afb. 66 brandende kaars

= 1 molecule zuurstofgas

= 1 molecule koolstofdioxide

= 1 molecule water

43


Structuurveranderingen van stoffen

Hoofdstuk 2

Verklaring Bij de verbranding van kaarsvet zijn de moleculen van samenstelling veranderd. Bij de overgang naar een andere aggregatietoestand was dat niet het geval! Enkel de afstand tussen de moleculen veranderde. Elke molecule is opgebouwd uit kleinere deeltjes, atomen. Als moleculen van samenstelling veranderen, betekent dit dat er nieuwe combinaties van atomen ontstaan. Op afbeelding 66 wordt dat voorgesteld met bolletjes in verschillende kleuren.

aa

Afb 68 1 atoom zuurstof

r

1 molecule water is opgebouwd uit 2 atomen waterstof en 1 atoom zuurstof.

Afb. 69 1 atoom waterstof

em

Besluit

pl

Afb. 67 1 molecule water

De samenstelling van de moleculen verandert / verandert niet bij de verbranding van kaarsvet. Er gebeurt een stofomzetting.

ex

Opdracht

Bekijk de deeltjesmodellen.

jk

Kruis onder de afbeeldingen het juiste antwoord aan.

In

ki

1

Afb. 70

o De samenstelling van de moleculen verandert. o De samenstelling van de moleculen verandert niet.

44

Afb. 71


Hoofdstuk 2

Structuurveranderingen van stoffen

r

2

Afb. 73

o De samenstelling van de moleculen verandert. o De samenstelling van de moleculen verandert niet.

em

pl

3

aa

Afb. 72

Afb. 74

Afb. 75

In

ki

jk

ex

o De samenstelling van de moleculen verandert. o De samenstelling van de moleculen verandert niet.

45


Structuurveranderingen van stoffen

Hoofdstuk 2

om te onthouden Moleculen veranderen van samenstelling Atomen zijn de kleinere deeltjes waaruit moleculen zijn opgebouwd.

aa

r

Stofomzettingen wijzigen de samenstelling van de moleculen. Er ontstaan nieuwe combinaties van atomen.

‥

Afb. 76 voorstelling van 1 molecule

ex

evalueer jezelf

em

1 atoom

pl

‥ 1 molecule

2 Structuurveranderingen van stoffen

2.1 Moleculen veranderen niet van samenstelling 2.1.1 Aggregatietoestanden

Wat kun je?

jk

Datum

1 de drie aggregatietoestanden van een stof opsommen 2 het begrip faseovergang uitleggen

In

ki

3 het begrip aggregatietoestand uitleggen 4 met een proef verklaren hoe de toestand van ijs verandert bij een temperatuurstijging 5 uit een deeltjesmodel afleiden wat de aggregatietoestand van een stof is 6 met behulp van het deeltjesmodel verklaren hoe de deeltjes van een vaste stof ten opzichte van elkaar bewegen 7 met behulp van het deeltjesmodel verklaren hoe de deeltjes van een vloeistof ten opzichte van elkaar bewegen 8 met behulp van het deeltjesmodel verklaren hoe de deeltjes van een gas ten opzichte van elkaar bewegen

46

Pagina


Hoofdstuk 2

Structuurveranderingen van stoffen

evalueer jezelf 2.1.2 Faseovergangen

Datum

Wat kun je?

Pagina

1 de begrippen smelten en stollen uitleggen

pl

aa

3 de begrippen sublimeren en desublimeren uitleggen 4 met behulp van het deeltjesmodel verklaren dat bij smelten en stollen de samenstelling van de moleculen niet verandert 5 met behulp van het deeltjesmodel verklaren dat bij verdampen en condenseren de samenstelling van de moleculen niet verandert 6 met behulp van het deeltjesmodel verklaren dat bij sublimeren en desublimeren de samenstelling van de moleculen niet verandert 2.1.3 Uitzetten en krimpen van stoffen

r

2 de begrippen verdampen en condenseren uitleggen

Wat kun je? 1 met behulp van een experiment verklaren dat vaste stoffen uitzetten bij verwarming 2 met behulp van een experiment verklaren dat vaste stoffen krimpen bij afkoeling 3 met behulp van een experiment verklaren dat vloeistoffen uitzetten bij verwarming 4 met behulp van een experiment verklaren dat vloeistoffen krimpen bij afkoeling 5 met behulp van het deeltjesmodel de uitzetting van stoffen bij een temperatuursverandering verklaren 6 met behulp van het deeltjesmodel de inkrimping van stoffen bij een temperatuursverandering verklaren 7 uitleggen dat water een uitzondering is bij het bevriezen 8 uit voorbeelden afleiden dat stoffen uitzetten en krimpen bij een temperatuursverandering 2.2 Moleculen veranderen van samenstelling

Pagina

ki

jk

ex

em

Datum

In

Datum

Wat kun je?

Pagina

1 voorbeelden van stofomzettingen opsommen 2 een stofomzetting herkennen op een voorstelling met het deeltjesmodel 3 een molecule van een atoom onderscheiden op een voorstelling met het deeltjesmodel 4 het verschil uitleggen tussen waarneembare stofomzettingen en veranderingen van aggregatietoestand met behulp van een deeltjesmodel

47


r aa

jk

ex

em

pl

3

ENERGIEVORMEN EN ENERGIEOMZETTINGEN

ki

In de lagere school leerde je verschillende energiebronnen

In

kennen.

In dit hoofdstuk maak je kennis met verschillende energievormen. Aan de hand van enkele eenvoudige experimenten ontdek je hoe een energievorm in een andere energievorm kan worden omgezet.

48


Hoofdstuk 3

Energievormen en energieomzettingen

3.1 Energiebronnen onderzoeksvraag

Welke energiebronnen zijn er?

aa

Bekijk aandachtig de volgende afbeelding. Noteer de energiebronnen in de eerste kolom.

em

pl

- -

r

opdracht

Afb. 1 Quinten gaat naar school

Energiebron 1

Benzinemotor

4 5

Windturbine

ex

2 3

Hulpmiddel

Zonnepaneel Waterkrachtcentrale Spieren

jk

Lees nu de onderstaande tekst.

In

ki

Een energiebron bezit energie die niet verloren gaat. Om de energie van een energiebron in een andere vorm van energie om te zetten heb je meestal een hulpmiddel nodig. Hulpmiddelen zijn onder meer een dynamo, een zonnecel, een benzinemotor en een gloeilamp. De energie van een energiebron kan een kracht opwekken die voor beweging zorgt. Als Quinten trapt, gebruikt hij zijn spierkracht om zijn fiets te verplaatsen. Uit welke energiebron haalt Quinten de nodige energie voor zijn spierkracht?

Besluit Er zijn verschillende energiebronnen:

49


Energievormen en energieomzettingen

Hoofdstuk 3

3.2 Energievormen onderzoeksvraag

Welke energievormen zijn er?

r

opdracht

aa

- Lees de volgende tekst. - Duid in de tabel bij de juiste afbeelding, de juiste energievorm aan.

Chemische energie zit opgeslagen in je lichaam, in voedsel en in brandstoffen afkomstig van afgestorven organismen. Die brandstoffen zijn fossiele brandstoffen, zoals aardolie, aardgas en steenkool.

pl

Bewegingsenergie is de energie die bewegende voorwerpen hebben.

em

Warmte is de energie die wordt overgedragen van één lichaam naar een ander ten gevolge van een temperatuurverschil. Elektrische energie wordt geleverd door een batterij, een dynamo … Stralingsenergie is de energie die voortkomt van straling van de zon, de sterren, kachels, magnetrons, een gsm, röntgenapparaten. Afb. 3 windturbine

ki

jk

ex

Afb. 2 autobatterij

In

bewegingsenergie chemische energie warmteenergie elektrische energie stralingsenergie

50

Afb. 4 haardvuur

Afb. 5 sterren


Hoofdstuk 3

Energievormen en energieomzettingen

3.3 Energieomzettingen onderzoeksvraag

pl

aa

r

Welke energieomzettingen vinden er plaats in een fietsdynamo?

Afb. 6 sensibiliseringscampagne

ex

Benodigdheden - fiets met dynamo

em

Experiment

wieltje wieltje

magneet magneet spoel: wikkeling van wikkeling koperdraad spoel: van koperdraad

Afb. 7 fiets + fietsdynamo

jk

Werkwijze - Plaats de dynamo tegen het wiel van de fiets. - Draai aan het wiel. - Beschrijf wat je ziet.

ki

WAARNEMING

In

Verklaring Door de draaiende fietsband beweegt het wieltje van de dynamo. Aan het wieltje zit een magneet vast. De magneet bevindt zich in het midden van een lang stuk opgerolde koperdraad. Die opgerolde koperdraad is de spoel. Wanneer de magneet binnen de koperdraad draait, ontstaat er elektriciteit in de koperdraad. De gevormde elektrische energie wordt omgezet in lichtenergie (stralingsenergie), waardoor de fietslamp brandt en warm wordt.

Besluit In een fietsdynamo wordt bewegingsenergie omgezet in elektrische energie. In de lamp wordt de elektrische energie omgezet in lichtenergie (stralingsenergie) en warmte. 51


Energievormen en energieomzettingen

Hoofdstuk 3

onderzoeksvraag

Welke energieomzetting vindt er plaats in een batterij? Experiment

Afb. 8 platte batterij

pl

Werkwijze Maak de opstelling zoals op de afbeelding.

aa

r

Benodigdheden - halve citroen - zink- en koperplaatje - platte batterij van 4,5 V - twee snoeren - twee krokodillenklemmen - lamphouder - lampje van 6 V

em

zinken plaatje

koperen plaatje

Afb. 9 stroomkring met citroen

Die opstelling noem je een stroomkring.

ex

WAARNEMING Wat stel je vast als je de twee verschillende metalen plaatjes in de citroen brengt?

jk

Werkwijze Vervang de citroen met de plaatjes door de platte batterij.

ki

WAARNEMING Wat stel je vast?

In

Verklaring Het citroensap kun je vergelijken met de inhoud van de batterij. De zink- en koperplaatjes vervangen de positieve en negatieve pool van de batterij. Door het contact van de twee metalen met de zure omgeving ontstaat er een chemische reactie. De chemische energie wordt omgezet in elektrische energie. De elektrische energie doet het lampje branden. Er ontstaat stralingsenergie en warmte.

Besluit In een batterij wordt energie opgewekt doordat twee stoffen (hier koper en zink) met elkaar reageren door de zure oplossing in de batterij. Dat is elektrische energie. Die elektrische energie wordt in het lampje omgezet in .

52


Hoofdstuk 3

Energievormen en energieomzettingen

onderzoeksvraag

Welke energieomzettingen vinden er plaats wanneer een belichte zonnecel een moter aandrijft? Experiment

Afb. 10 proefopstelling

Werkwijze - Sluit de klemmen van een zonnecel aan op de motor. - Belicht de zonnecel.

pl

WAARNEMING

aa

r

Benodigdheden - zonnecel - twee snoeren - motor - lamp of zonlicht

Wat gebeurt er als je de zonnecel naar het licht richt?

Besluit

em

Wat gebeurt er als je de zonnecel van het licht weg richt?

Een zonnecel bestaat uit stoffen die door belichting elektrische energie opwekken.

ex

Stralingsenergie wordt hier omgezet in elektrische energie. Deze kan worden omgezet in bewegingsenergie.

jk

opdracht

ki

Welke toestellen gebruiken met behulp van zonnecellen, de zon als energiebron?

onderzoeksvraag

In

Welke energieomzetting vindt er plaats bij de verwerking van biomassa? Biomassa is een verzamelnaam voor plantaardig en dierlijk materiaal. Bio-energie is de energie die vrijkomt uit biomassa.

Experiment Benodigdheden - thermosfles - vers plantenafval - thermometer 53


Energievormen en energieomzettingen

Hoofdstuk 3

Werkwijze - Breng vers plantenafval in de thermosfles. - Meet de temperatuur in de thermosfles. - Sluit de thermosfles. - Laat de thermosfles enkele uren of dagen staan. - Meet de temperatuur in de thermosfles opnieuw. WAARNEMING begintemperatuur: temperatuur na enkele uren of dagen:

r

°C °C

aa

Verklaring Het afval wordt verwerkt tot compost door de inwerking van bacteriën in aanwezigheid van zuurstofgas. Daarbij komt warmte vrij.

pl

Besluit

Bij de verwerking van biomassa wordt chemische energie omgezet in warmte-

em

energie. Dat is bio-energie.

energie

In Afb. 11 energiestroom: zon g maïs g muizen g buizerd

54

energie

ki

jk

ex

De energie in biomassa en in alle brandstoffen is afkomstig van de zon. Planten hebben zonlicht nodig om te groeien en slaan die energie op in hun cellen. Dieren zijn voor hun voeding (energie) afhankelijk van planten. Er is een energiestroom tussen zon, planten en dieren.

energie


Hoofdstuk 3

Energievormen en energieomzettingen

Vormen van bio-energie en hun toepassingen

r

Houtafval wordt geperst tot houtkorrels, pellets. Die worden in kachels en ovens verbrand voor verwarming. Mest van dieren, groenten-, fruit- en tuinafval (GFT) worden door bacteriën omgezet in biogas. Dat biogas bestaat uit brandbaar methaan en wordt gebruikt als brandstof voor een gasmotor. De vrijgekomen warmte wordt gebruikt om water te verwarmen. In verscheidene landen worden landbouwbedrijven op die manier verwarmd. Zaden van koolzaadplanten worden geperst tot biodiesel. Dit is een brandstof voor auto's. Suikerbieten en suikerriet worden met behulp van bacteriën omgezet in bio-ethanol. Dat wordt gezien als een bruikbaar alternatief voor fossiele brandstoffen.

pl

aa

- - - -

Afb. 13 pelletkachel + pellets

em

Afb. 12 biodieselpomp + koolzaad

Besluit

Uit biomassa kun je bio-energie winnen door verbranding, door inwerking van

ex

bacteriën en door gisting.

onderzoeksvraag

Waarom verkies je biobrandstoffen boven het gebruik van fossiele brandstoffen?

In

ki

jk

De fossiele brandstoffen, steenkool, aardolie, turf en aardgas zijn stoffen die miljoenen jaren geleden zijn gevormd uit dode organismen en waarin zeer veel energie zit opgeslagen. De fossiele brandstoffen rekent men niet tot de biobrandstoffen omdat er massa’s koolstofdioxide in opgeslagen zitten die miljoenen jaren geleden uit de lucht werden gehaald. Bij de verbranding van die fossiele brandstoffen komt er zeer veel koolstofdioxide en waterdamp vrij in de dampkring. Door te grote hoeveelheden van die gassen in de atmosfeer wordt de warmte van de aarde vastgehouden. Dit is het broeikaseffect. De aarde warmt op.

Afb. 14 broeikaseffect

Afb. 15 versterkt broeikaseffect

55


Energievormen en energieomzettingen

Hoofdstuk 3

De brandstoffen die gevormd worden uit biomassa (planten en/of dieren) zijn biobrandstoffen. Een voorbeeld hiervan is het hout van een boom. Aangezien de hoeveelheid koolstofdioxide, die nog niet zo lang geleden door de boom werd opgenomen uit de atmosfeer, ongeveer gelijk is aan de hoeveelheid koolstofdioxide die vrijkomt bij de verbranding van het hout van de boom, dragen biobrandstoffen niet bij tot de opwarming van de aarde.

Besluit

r

Biobrandstoffen verhogen het broeikaseffect wel / niet.

aa

Fossiele brandstoffen verhogen het broeikaseffect wel / niet.

opdracht

Afb. 17 broodrooster

Afb. 18 kampvuur

ki

jk

ex

Afb. 16 mixer

em

pl

Noteer de energieomzetting(-en) bij de volgende afbeeldingen.

Afb. 20 windsurfer

Afb. 21 elektrische radiator

In

Afb. 19 voedingsdriehoek

Afb. 22 gsm

56

Afb. 23 benzinepomp

Afb. 24 waterkoker


Hoofdstuk 3

Energievormen en energieomzettingen

om te onthouden Energiebronnen - energievormen - energieomzettingen Een energiebron bevat energie. Energie komt in verschillende vormen voor. Een energievorm kan in een andere energievorm worden omgezet zonder energieverlies. Mogelijke energieomzettingen zijn:

r

- - - -

aa

bij een fietsdynamo die een lampje doet branden: bewegingsenergie g elektrische energie g stralingsenergie + warmte-energie

bij een batterij die een lampje doet branden: chemische energie g elektrische energie g stralingsenergie + warmte-energie

In

ki

jk

ex

em

bij biomassa: chemische energie g warmte-energie

pl

bij een zonnecel die een motor aandrijft: stralingsenergie g elektrische energie g bewegingsenergie

57


Energievormen en energieomzettingen

Hoofdstuk 3

evalueer jezelf 3 Energievormen en energieomzettingen 3.1 Energiebronnen Datum

Wat kun je?

Pagina

1 voorbeelden van energiebronnen opnoemen 3.2 Energievormen Wat kun je?

Pagina

1 energievormen herkennen op een afbeelding 3.3 Energieomzettingen

Wat kun je? Pagina 1 aan de hand van een experiment met de fietsdynamo aantonen dat bewegingsenergie kan worden omgezet in elektrische energie, stralingsenergie en warmte-energie 2 aan de hand van een experiment aantonen dat in een elektrische schakeling met een batterij en een lamp, chemische energie wordt omgezet in elektrische energie, stralingsenergie en warmte-energie 3 aan de hand van een experiment met een zonnecel aantonen dat stralingsenergie kan worden omgezet in elektrische energie en bewegingsenergie 4 aan de hand van een experiment met biomassa aantonen dat chemische energie kan worden omgezet in warmte-energie 5 de begrippen biomassa en bio-energie verklaren 6 verwoorden aan de hand van een voorbeeld dat de energie in biomassa afkomstig is van de zon en zo voor een energiestroom zorgt 7 met voorbeelden aantonen dat je uit biomassa bio-energie kunt winnen 8 verwoorden waarom het verbranden van biobrandstoffen beter is voor het milieu dan het verbranden van fossiele brandstoffen

In

ki

jk

ex

em

pl

Datum

aa

Datum

58

r

2 energiebronnen herkennen op een afbeelding


begrippenlijst fase waarin een stof zich bevindt (vast, vloeibaar, gasvormig)

atoom

onderdeel van een molecule

biobrandstoffen

brandstoffen gevormd uit planten en/of dieren (biomassa), bijvoorbeeld hout

bio-energie

energie die vrijkomt uit plantaardig en/of dierlijk materiaal

biomassa

massa van plantaardig en dierlijk materiaal

broeikaseffect

proces waarbij de aarde opwarmt, te wijten aan de vorming van een dichte dampkring die de warmtestralen van de zon doorlaat en die van de aarde tegenhoudt

bunsenbrander

verwarmingstoestel op gas dat een hete, straalvormige vlam vormt

condenseren

faseovergang van een gas naar een vloeistof

deeltjesmodel

voorstelling van een stof of materie als een verzameling van deeltjes of moleculen, voorstellingswijze van de materie

desublimeren

faseovergang van een gas naar een vaste stof

digitale balans

toestel waarmee je de massa bepaalt

energie

de mogelijkheid om arbeid te verrichten

energiebron

iets dat energie oplevert. Bijvoorbeeld de zon, wind, hout, voedsel, elektriciteit ‌

erlenmeyer

omgekeerd trechtervormig maatglas

aa

pl

em

overgang van de ene fase naar een andere fase scheidingstechniek om een vaste stof van een vloeistof te scheiden met behulp van een filter (filtreerpapier), scheidingstechniek op basis van deeltjesgrootte

jk

filtratie

ex

faseovergang

r

aggregatietoestand

energierijke brandstoffen die miljoenen jaren geleden gevormd zijn door dode planten en/of dieren. Voorbeelden zijn steenkool, aardolie en aardgas.

gas

stof waarbij de afstand tussen de deeltjes zeer groot is, de deeltjes bewegen voortdurend door elkaar en botsen tegen wanden

ki

fossiele brandstoffen

In

hypothese

een veronderstelling die nog niet bewezen is. Een hypothese maakt deel uit van een onderzoek volgens de wetenschappelijke methode.

kroestang

tang om een porseleinen kroes of potje vast te houden

maatbeker

bekervormig maatglas

maatcilinder

cilindervormig maatglas met maatstrepen

massa

hoeveelheid stof of materie, voorgesteld door de letter m, uitgedrukt in de eenheid kilogram (kg) of gram (g)

mengsel

stof die bestaat uit verschillende soorten deeltjes (moleculen)

59


begrippenlijst kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen van die stof bezit, deeltje waaruit de materie bestaat

petrischaal

rond schaaltje met lage rechtopstaande wand. Bestaat uit bodem en deksel.

recipiënt

kommetje, beker, schaal waarin zich een stof bevindt

smelten

faseovergang van een vaste stof naar een vloeistof

stollen

faseovergang van een vloeistof naar een vaste stof

sublimeren

faseovergang van een vaste stof naar een gas

tarreren

techniek waarbij je de massa van het recipiënt niet meeweegt met de te wegen stof

vaste stof

stof waarbij de afstand tussen de deeltjes zeer klein is, de deeltjes behouden hun plaats

verdampen

faseovergang van een vloeistof naar een gas

vloeistof

stof waarbij de afstand tussen de deeltjes groot is, de deeltjes hebben geen vaste plaats, ze zijn in beweging

volume

ruimte die een stof of materie inneemt, voorgesteld door de letter V, uitgedrukt in de eenheid liter (l) of kubieke meter (m3)

ziften

scheidingstechniek om twee vaste stoffen van elkaar te scheiden met behulp van een zeef, scheidingstechniek op basis van deeltjesgrootte

aa

pl

em

ex

stof die bestaat uit één soort deeltjes (moleculen)

In

ki

jk

zuivere stof

60

r

molecule


r aa pl em

Katia De Scheemaeker

ex

Catherine Van Nevel

Rachel Delcour Anne Deltour Lieve Evens Kristine GabriĂŤl Jeanne Rombouts

In

ki

jk

Hilde Van Wynsberghe

i.s.m.

Ontdek het onlineleerplatform: diddit! Vooraan in dit boek vind je de toegangscode, zodat je volop kunt oefenen op je tablet of computer. Activeer snel je account op www.diddit.be en maak er een geweldig schooljaar van!

ISBN 978-90-306-9322-2

592569

vanin.be


NW

vOOr jOu

OnderzOek editie

In

ki

jk

ex

em

pl

aa

r

Functies in levende systemen en biodiversiteit

1

1 2 3


aa

pl

em

ex

jk

ki

In

r


NW

vOOr jOu

OnderzOek editie

Katern 3

r

Katia De Scheemaeker

aa

Catherine Van Nevel

Hilde Van Wynsberghe i.s.m.

pl

Rachel Delcour

In

ki

jk

ex

em

Anne Deltour Lieve Evens

Kristine GabriĂŤl Jeanne Rombouts


aa

pl

em

ex

jk

ki

In

r


Inhoud Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 5 5

Samenhang tussen de stelsels

1.1 Het voedsel 1.1.1 Voedingsmiddelen en voedingsstoffen 1.1.2 Functie van de voedingsstoffen in ons lichaam 1.1.3 Herkennen van voedingsstoffen in de voedingsmiddelen 1.1.4 Gezonde levensstijl

6

Hoofdstuk 6

14 16

Hoofdstuk 2 Ademhalingsstelsel 2.1 Ademhalingsorganen

42 43 44

ex

2.2 Verschillen tussen ingeademde en uitgeademde lucht 2.3 Gaswisseling in de longen

48

2.4 Celademhaling

50

jk

Hoofdstuk 3 Transportstelsel

ki

3.1 Bloed

Gelijkenissen en verschillen bij de inwendige bouw van gewervelde dieren

89

6.1 Gelijkenissen bij de inwendige bouw van de verschillende klassen van gewervelde dieren

90

6.2 Gelijkenissen en verschillen bij de bouw van het spijsverteringsstelsel bij gewervelde dieren

91

6.3 Gelijkenissen en verschillen bij de bouw van het ademhalingsstelsel bij gewervelde dieren

92

6.4 Gelijkenissen en verschillen bij de bouw van het transportstelsel bij gewervelde dieren

97

em

1.2 Het spijsverteringsstelel 26 1.2.1 Bouw van het spijsverteringsstelsel 26 1.2.2 Functie van het spijsverteringsstelsel 28

aa

12

pl

6

56 57

3.2 Bouw van het transportstelsel 3.2.1 Organen van het transportstelsel 3.2.2 Het hart 3.2.3 De bloedvaten

62 62 63 67

3.3 Bloedsomloop

69

Hoofdstuk 7 Voedselrelaties en biodiversiteit

103

114

79

4.2 Organen die een rol spelen bij de uitscheiding

80

Begrippenlijst 

In

4.1 Noodzaak van uitscheiding

Uitscheidingsstelsel

78

102

7.1 Voedselkringloop 7.1.1 Soorten relaties tussen organismen 7.1.2 Indeling van de organismen volgens hun voedingsgewoonte 7.1.3 Voorstellingen van voedselrelaties 7.2 Biodiversiteit 7.2.1 Relatie tussen biodiversiteit en ecosysteem 7.2.2 Relatie tussen biodiversiteit en economie 7.2.3 Relatie tussen biodiversiteit en ontspanning 7.2.4 Invloed van de mens op de biodiversiteit

Hoofdstuk 4

83

r

Spijsverteringsstelsel

103 104 107

114 117 120 121

135

3


aa

r

Functies in levende systemen en biodiversiteit

In

ki

jk

ex

em

pl

In deze katern leer je de vier stofwisselingsstelsels kennen: het spijsverteringsstelsel, het ademhalingsstelsel, het transportstelsel en het uitscheidingsstelsel. Je ontdekt de werking en de functie van de organen in functie van stofuitwisseling, stof- en energieomzetting. Je zoekt naar de onderlinge samenhang tussen de vier stelsels. Je vergelijkt deze stelsels en het voortplantingsstelsel bij de verschillende klassen van de gewervelde dieren. Je ontdekt de verschillende voedselrelaties die voorkomen in de natuur. Je leert de betekenis en het belang van biodiversiteit kennen.


aa

r

SPIJSVERTERINGSSTELSEL

jk

ex

em

pl

1

In dit hoofdstuk leer je waarom voeding en de variatie

ki

aan voedingsmiddelen noodzakelijk zijn. Je ontdekt dat

In

verkleinen van voedingsmiddelen en voedingsstoffen noodzakelijk is voor de absorptie. Je onderzoekt de verschillende stappen in de vertering en leert ze te situeren in het spijsverteringsstelsel. Je ontdekt wat een gezonde levensstijl is.

5


Spijsverteringsstelsel

Hoofdstuk 1

1.1 Het voedsel 1.1.1 Voedingsmiddelen en voedingsstoffen

r

Voedsel is wat je eet en drinkt om je honger en dorst te stillen. Voedingsmiddelen zijn de producten die je eet en drinkt. Voorbeelden van voedingsmiddelen zijn brood, melk, water en chocolade.

onderzoeksvraag

aa

Wat is de oorsprong van je voedsel?

em

pl

opdracht

Afb. 1 gezond ontbijt

1 Noteer in de tabel de naam van de voedingsmiddelen die je vanochtend als ontbijt gegeten en gedronken hebt.

ex

2 Duid met een kruisje aan of het voedingsmiddel van een plant of van een dier afkomstig is. Afkomstig van

plant (plantaardig voedsel)

dier (dierlijk voedsel)

In

ki

jk

Voedingsmiddel

Besluit Ons voedsel bestaat uit voedingsmiddelen. Voedingsmiddelen zijn afkomstig van een plant (plantaardig) of van een dier (dierlijk). Meestal bestaat een maaltijd uit plantaardige en dierlijke voedingsmiddelen. 6


Hoofdstuk 1

Spijsverteringsstelsel

onderzoeksvraag

Wat is de aggregatietoestand van de voedingsmiddelen die je eet? opdracht

aa

Aggregatietoestand

r

1 Noteer in de eerste kolom de voedingsmiddelen van de vorige onderzoeksvraag. 2 Noteer in de tabel de drie aggregatietoestanden. 3 Zet een kruisje bij de juiste aggregatietoestand van het voedingsmiddel.

ex

em

pl

Voedingsmiddel

In

ki

jk

Besluit

7


Spijsverteringsstelsel

Hoofdstuk 1

onderzoeksvraag

In

ki

jk

ex

em

pl

aa

r

Waaruit zijn voedingsmiddelen samengesteld?

Afb. 2 samenstelling van voedingsmiddelen

8


Hoofdstuk 1

Spijsverteringsstelsel

opdracht 1 Bekijk vijf verpakkingen van voedingsmiddelen. Zorg ook voor een drankverpakking. 2 Noteer bovenaan in de tabel de naam van het voedingsmiddel dat in de verpakking zit. 3 Noteer daaronder de samenstelling van het voedingsmiddel. 1

2

3

4

5

ki

jk

ex

Samenstelling

em

pl

aa

r

Voedingsmiddel

In

Besluit

Voedingsmiddelen zijn mengsels van verschillende voedingsstoffen en een aantal toegevoegde stoffen. Voedingsstoffen zijn stoffen die het organisme opneemt en waardoor het organisme in leven blijft en goed functioneert. Voedingsstoffen noem je ook nutriĂŤnten. Bewaarmiddelen, kleur- en smaakstoffen zijn geen voedingsstoffen. Men voegt ze soms toe aan voedingsmiddelen voor een langere houdbaarheid, een mooiere kleur of een betere smaak. 9


Spijsverteringsstelsel

Hoofdstuk 1

onderzoeksvraag

Waarom is het belangrijk dat je voldoende gevarieerd eet? opdracht In de voedingsmiddelentabel zie je de hoeveelheid water, suiker, eiwitten en vetten van enkele voedingsmiddelen per 100 gram.

ex

g eiwitten 2 0,5 0,5 8 0,5 12 7 0 0 4 0 20 1 0 1 18

g vetten 0,1 0,5 85 1 0,5 11 17 0 100 4 0 5 0,2 0 0,2 16

aa

g suiker 18 15 0,5 51 71 0,5 0,5 0 0 5 0 0 12 100 4 0

pl

g water 79 83 13 38 27 75 75 0 0 86 99,9 74 86 0 94 65

em

per 100 g aardappelen appelen boter brood jam eieren erwten keukenzout maĂŻsolie volle melk mineraalwater rundvlees sinaasappelen suikerklontje tomaten zalm

r

Afb. 3 voedingsmiddelentabel

1 Noteer in de onderste rij van elk blokdiagram de juiste hoeveelheid van elke voedingsstof die in het voedingsmiddel zit. 2 Kleur de blokdiagrammen in. Kleur E geel, V rood, S groen en W blauw. Melk

Appelen

Suikerklontje

Tomaten

Brood

In

ki

jk

Aardappelen

E

V

S W

E

V

S W

E

V

S W

E = eiwit, V = vet, S = suiker en W = water. Elk vakje komt overeen met 10 gram. 10

E

V

S W

E

V

S W

E

V

S W


Hoofdstuk 1

Spijsverteringsstelsel

opdracht

r

1 Noteer in de tabel alle voedingsmiddelen die je bij een broodmaaltijd gegeten en gedronken hebt. Vermeld ook hoeveel je van elk voedingsmiddel gegeten/gedronken hebt. 2 Zoek voor elk voedingsmiddel in een voedingsmiddelentabel op hoeveel eiwitten, vetten, koolhydraten (suikers + zetmeel), water, vezels, ijzer en vitamine C in 100 gram voedingsmiddel zitten. 3 Noteer die waarden in de tabel naast elk voedingsmiddel. 4 Zoek voor elk voedingsmiddel op welke voedingsstof (per 100 gram) het meest voorkomt. 5 Omcirkel die waarde.

pl

aa

Voedingsmiddelen Hoeveelheid Samenstelling: hoeveelheid per 100 gram voedingsmiddel gegeten koolhyvitamine of eiwitten vetten water vezels ijzer draten C gedronken (in g) (in g) (in g) (in g) (in mg) (in g) (in mg) D H A B C E F G

ex

em

Broodmaaltijd

jk

6 Vul het besluit aan.

ki

Besluit

In

Voedingsmiddel

bevat relatief veel ‌ eiwitten vetten koolhydraten (zetmeel + suiker) water vezels ijzer vitamine C

11


Spijsverteringsstelsel

Hoofdstuk 1

Er zit(ten) veel: - koolhydraten in: - vetten in: - eiwitten in: - water in: - ijzer in: - vitaminen in:

aa

r

- vezels in:

pl

Besluit

onderzoeksvraag

em

1.1.2 Functie van de voedingsstoffen in ons lichaam

Wat is de functie van de voedingsstoffen in je lichaam?

ex

Voedsel is nodig om te kunnen sporten, leren, werken, groeien, je lichaamstemperatuur op peil te houden enz.

jk

De voedingsstoffen waaruit de voedingsmiddelen zijn samengesteld, zijn levensbelangrijk voor het lichaam. Ze worden ingedeeld volgens de functie die ze in het lichaam hebben.

Afb. 4 sportende jongen

Afb. 5 gewonde jongen

In

ki

Je bent jong en je groeit nog. Je lichaam maakt voortdurend nieuwe cellen aan. Cellen of weefsels die beschadigd zijn door verwonding of ziekte worden hersteld. De voedingsstoffen in voedingsmiddelen die je lichaam nodig heeft om nieuwe cellen op te bouwen of om oude, beschadigde cellen te herstellen of te vervangen zijn bouwstoffen. Eiwitten, water en mineralen zijn bouwstoffen. Zoals een auto brandstof of energie nodig heeft om te kunnen rijden, zo heb jij ook energie nodig om te lopen, te dansen, te springen, te studeren, te bewegen en te werken. Je hebt ook energie nodig om je lichaamstemperatuur op peil te houden. Brandstoffen leveren die nodige energie. De brandstoffen in onze voedingsmiddelen zijn koolhydraten (suikers + zetmeel) en vetten. Beschermstoffen zijn stoffen die je lichaam beschermen tegen ziekten en/of een rol spelen bij het goed functioneren van het organisme. De belangrijkste beschermstoffen zijn de vitaminen en mineralen. Bij een tekort aan vitaminen treden allerlei ongemakken op, zoals vermoeidheid, slechte eetlust, slapeloosheid en huiduitslag. Ook de vezels in je voeding spelen een belangrijke rol bij het gezond houden van je lichaam. Ze activeren de darmen. Onvoldoende voedingsvezels in de voeding geeft vaak een probleem bij de stoelgang.

12


Hoofdstuk 1

Spijsverteringsstelsel

opdracht Afbeeldingen 6, 7 en 8 stellen de functies van voedingsstoffen symbolisch voor. 1 Zoek in de tekst de functies van de voedingsstoffen die bij de afbeeldingen horen. Noteer onder elke afbeelding de juiste functie. 2 Noteer onder de functie de voedingsstoffen die bepaalde functies voor hun rekening nemen. 3 Noteer in de onderste rij van de tabel de juiste benaming van de groep voedingsstoffen. Afb. 8 paraplu

r

Afb. 7 bouwstenen

pl

aa

Afb. 6 vuur

ex

Voedingsstoffen

em

Functie

jk

Benaming

ki

Besluit

In

De drie functies van voedingsstoffen in het lichaam zijn 1 2 3

In een gezonde en evenwichtige voeding zijn zowel brandstoffen, bouwstoffen als beschermstoffen voldoende aanwezig. Door een tekort aan een voedingsstof kun je ziek worden. Een tekort aan vitamine C leidt tot bloedarmoede, gewrichtspijn en een verminderde weerstand tegen infectieziekten. Calciumtekort zorgt voor een slechte opbouw van de beenderen. Een tekort aan eiwitten kan leiden tot een gebrek aan fitheid en de afbraak van weefsels. 13


Spijsverteringsstelsel

Hoofdstuk 1

1.1.3 Herkennen van voedingsstoffen in de voedingsmiddelen

r

Een diabeticus kan zelf het glucosegehalte in zijn bloed meten. Door een eenvoudige prik in zijn vinger verschijnt een bloeddruppel. Met behulp van een kleine strip en een meettoestelletje kan hij binnen enkele seconden het glucosegehalte in zijn bloed aflezen. Om voedingsstoffen in voedingsmiddelen op te sporen bestaan er in de handel allerlei herkenningsmiddelen of indicatoren. Een herkenningsmiddel of indicator reageert met één bepaalde stof door een kleurverandering.

onderzoeksvraag

aa

Met welk herkenningsmiddel kun je welke voedingsstof opsporen?

In

em

ki

jk

Werkwijze

ex

Benodigdheden - voedingsstoffen * eiwit (albuminepoeder) * glucose (druivensuiker) * water * zetmeel - herkenningsmiddelen * albustix * diastix * lugol (jodiumoplossing) * kobaltchloridepapier - vier schaaltjes

pl

Experiment

- - - - - 14

Afb. 9 proefopstelling

Breng in elk schaaltje één voedingsstof. Noteer in de tabel naast elk herkenningsmiddel de kleur vóór gebruik. Breng het kobaltchloridepapier in contact met de verschillende voedingsstoffen en noteer het resultaat in de tabel. Voeg water toe bij eiwit, zetmeel en glucose en meng goed. Breng de andere herkenningsmiddelen in contact met de verschillende opgeloste voedingsstoffen.


Hoofdstuk 1

Spijsverteringsstelsel

WAARNEMING Herkenningsmiddel

Kleur vóór gebruik

Kleur na contact met voedingsstof water

eiwit

glucose

zetmeel

kobaltchloridepapier

r

diastix

aa

albustix lugol

pl

Vul het besluit aan met de juiste voedingsstof.

em

Besluit

is een herkenningsmiddel voor …

Albustix Diastix

ex

Kobaltchloridepapier

In

ki

jk

Lugol (jodiumoplossing)

15


Spijsverteringsstelsel

Hoofdstuk 1

1.1.4 Gezonde levensstijl ELKE WEEK

onderzoeksvraag

Wat betekent gezond leven?

r

Het Vlaams Instituut Gezond Leven heeft alle huidige wetenschappelijke kennis over gezonde levensstijl samengebracht in een model, de bewegingsdriehoek.

aa

ELKE DAG

ELKE ST

pl

TELT AP

ELKE 30 MIN. EVEN RECHTSTAAN

Afb. 10

Bewegingscategorieën

em

BEWEGINGSDRIEHOEK

Er zijn vier bewegingscategorieën.

licht intensief bewegen

ex

sedentair gedrag

matig intensief bewegen

hoog intensief bewegen

Afb. 11

© Vlaams Instituut Gezond Leven

jk

opdracht

Bekijk afbeelding 10.

ki

Omcirkel in de afbeelding de bewegingen die jij vandaag al deed. Voeg indien nodig een niet-afgebeelde beweging toe aan het passende vak (bv. zwemmen in de donkergroene zone).

In

Tot welke categorie behoren de meeste activiteiten die je tot hiertoe uitvoerde?

Bekijk afbeelding 11. Schat de tijd die je tot nu besteedde aan beweging binnen elke categorie. Noteer onder elk figuurtje in de afbeelding een score van 1 tot 4. 1 staat hierbij voor geen tijd of de minste tijd, 4 voor de meeste tijd. Omcirkel hieronder het veld van de bewegingsdriehoek met jouw hoogste score. oranje

lichtgroen

Wat vind je van dit resultaat? Verklaar kort.

16

middengroen

donkergroen


Hoofdstuk 1

Spijsverteringsstelsel

Op een schooldag breng je veel tijd zittend door. Bij het zittende figuurtje in de bewegingsdriehoek staat een tip. Wat wordt hiermee bedoeld?

Hoe kun je de pauzemomenten tussen de lessen het best benutten?

aa

r

Je dag moet een gezonde mix zijn van zitten, staan en bewegen. Doorloop alle kleurzones van de bewegingsdriehoek maar ‘blijf zo kort mogelijk in de oranje zone’. Hou vooral de korte tekst rond de tip goed vast: ‘Elke stap telt!’

em

pl

Bekijk de infographics. Omcirkel in de afbeeldingen 12 en 13 - in blauw: de voordelen van bewegen die typisch zijn voor kleuters, kinderen en jongeren; - in rood: de voordelen die er zowel zijn voor kleuters, kinderen, jongeren, als voor volwassenen en ouderen; - in zwart: de voordelen die typisch zijn voor volwassenen en ouderen. Noteer hieronder drie voordelen die jij voor jezelf zeer belangrijk vindt. Geef een verklaring bij jouw keuze.

In

ki

jk

ex

Afb. 12

Afb. 13

Besluit Gezond leven betekent

Meer tips over minder zitten en meer bewegen vind je op: https://www.gezondleven.be/themas/ beweging-sedentair-gedrag/bewegingsdriehoek/waarom-is-bewegen-gezond 17


Spijsverteringsstelsel

Hoofdstuk 1

onderzoeksvraag

Wat betekent gezonde voeding? Het Vlaams Instituut Gezond Leven heeft alle huidige wetenschappelijke kennis over gezonde voeding samengebracht in een model, de voedingsdriehoek.

em

pl

MEER

WATER

aa

DRINK VOORAL

r

VOEDINGSDRIEHOEK

ex

ZO WEINIG MOGELIJK

MINDER

jk

Voedingscategorieën

Afb. 14

In

ki

Hieronder zie je de verklaring bij de gebruikte afbeeldingen.

dranken

eieren Afb. 15

18

groenten

kaas

fruit

brood, volkoren graanproducten en aardappelen

melk en alternatieven

noten en zaden

vis

peulvruchten

vlees

oliën en vetten

voeding buiten de voedingsdriehoek © Vlaams Instituut Gezond Leven


Hoofdstuk 1

Spijsverteringsstelsel

opdracht Op pagina’s 12 en 13 leerde je het belang van de verschillende voedingsstoffen kennen. Bekijk afbeelding 14. Welk voedingsmiddel vind je helemaal bovenaan?

pl

Water is een heel belangrijk onderdeel van onze voeding. Dat zie je onmiddellijk als je de voedingsdriehoek bekijkt. Noteer twee kenmerken waaruit je dat afleidt.

aa

r

Markeer waarvoor het lichaam water nodig heeft. brandstof - bouwstof - beschermende stof Verder is water ook nodig als oplosmiddel voor stoffen die in het lichaam vervoerd worden, zoals de andere voedingsstoffen, afvalstoffen, hormonen ...

zone

em

Bekijk de groene en de oranje zones van de voedingsdriehoek. Noteer in de tweede kolom van de tabel de voedingsmiddelen die je in deze laag aantreft. Omcirkel in de derde kolom waarvoor het lichaam de in die voedingsmiddelen aanwezige voedingsstoffen gebruikt. voedingsmiddelen

ex

donkergroen

jk

lichtgroen

In

ki

oranje

gebruikt als brandstof bouwstof beschermende stof brandstof bouwstof beschermende stof brandstof bouwstof beschermende stof

De voedingsstoffen uit deze laatste laag zijn minder interessant voor het lichaam dan gelijksoortige stoffen uit de bovenliggende groep. Onderaan rechts van de voedingsdriehoek zie je een donkerrode bol. Noteer vijf van de daarin voorgestelde producten.

De rode bol is losgekoppeld van de voedingsdriehoek. Geef hiervoor een verklaring.

19


Spijsverteringsstelsel

Hoofdstuk 1

Markeer de eigenschappen van de voedingsmiddelen in deze voedingsgroep. energierijk - zeer natuurlijk - dikmakers - bevatten veel zout - vitaminerijk - vaak zoet - gezond - lekker door kunstmatige smaakstoffen - vers en plantaardig - ongezonde vetten - bevat ongezonde vetten - ultra bewerkte producten - aantrekkelijk door kleurstoffen - grote voedingswaarde - weinig voedingswaarde In de voedingsdriehoek zijn de voedingsmiddelen van boven naar beneden gerangschikt van gezond tot te mijden.

aa

r

Omcirkel de voedingsmiddelen in de onderstaande tabel met de kleur van de laag waarin ze thuishoren in de voedingsdriehoek. volle granen

tofu

plantaardige olie

plattekaas

koekjes

peer

cola

biefstuk

thee

salami

hazelnoten

vis

sla

frisdrank

chips

eieren

volkoren brood

yoghurt natuur

frietjes

kip

noten-granola ongezoet

confituur

kippenham

gepofte bruine rijst ongezoet

water

boter

koffie

em

pl boontjes

tomaat

melk

witloof

croissant

mozarella

bier

energiedrank

garnalen

ex

Bekijk de tabel hieronder. Kleur de cellen in volgens de kleurcode van de voedingsdriehoek.

jk

water

dierlijke producten

rood vlees en boter

ultra bewerkte producten

basis van elke maaltijd

vul hiermee je maaltijd gematigd aan

eet hier niet te veel van

zo weinig mogelijk

In

ki

voornaamste voedingsmiddel

plantaardige producten

Besluit Gezonde voeding betekent dat je - vooral water drinkt; - plantaardige producten neemt als basis voor elke maaltijd; - de inname van dierlijke producten beperkt; - niet te veel rood vlees en vet eet; - zo weinig mogelijk kiest voor ultra bewerkte producten.

20


Hoofdstuk 1

Spijsverteringsstelsel

onderzoeksvraag

Hoe stel je een gezonde maaltijd samen? opdracht

em

pl

Hieronder zie je twee voorstellen voor een gezond ontbijt.

aa

r

ONTBIJT Wat stond er deze ochtend op jouw menu?

Afb. 16

ex

© Vlaams Instituut Gezond Leven

Afb. 17

© Vlaams Instituut Gezond Leven

Vergelijk de ingrediënten van jouw ontbijt met de ingrediënten van de twee gezonde ontbijten. Noteer nu de elementen van jouw ontbijt in de passende kolom van de tabel. Ingrediënten van jouw ontbijt die niet passen in een gezond ontbijt

In

ki

jk

Ingrediënten van jouw ontbijt die passen in een gezond ontbijt

Wat kun je aanpassen om van jouw ontbijt een gezond ontbijt te maken? Noteer in de eerste kolom van de tabel de ingrediënten die je wenst te vervangen. In de tweede kolom noteer je waardoor je ze vervangt. Te vervangen

Vervangen door

Inspiratie nodig? Surf naar: ‘Tips om een gezond ontbijt te maken’. https://www.gezondleven.be/themas/voeding/evenwichtige-gezonde-maaltijd/gezondontbijt 21


Spijsverteringsstelsel

Hoofdstuk 1

opdracht

r

LUNCH Wat zit er in jouw lunchbox?

em

pl

aa

Hieronder zie je twee voorstellen voor een gezonde lunch.

Afb. 18

© Vlaams Instituut Gezond Leven

Afb. 19

© Vlaams Instituut Gezond Leven

ex

Vergelijk de ingrediënten van jouw lunch met de ingrediënten van de twee gezonde lunches. Noteer nu de elementen van jouw lunch in de passende kolom van de tabel. Ingrediënten van jouw lunch die niet passen in een gezonde lunch

In

ki

jk

Ingrediënten van jouw lunch die passen in een gezonde lunch

22

Noteer in de eerste kolom van de tabel de ingrediënten die je wenst te vervangen om van jouw lunch een gezonde lunch te maken. In de tweede kolom noteer je waardoor je ze vervangt. Te vervangen

Vervangen door

Inspiratie nodig? Surf naar: ‘Zo tover je snel een gezonde lunch op tafel’ https://www.gezondleven.be/themas/voeding/evenwichtige-gezonde-maaltijd/gezondelunch


Hoofdstuk 1

Spijsverteringsstelsel

opdracht

r

WARME MAALTIJD Wat staat er vandaag op jouw menu?

em

pl

aa

Hieronder zie je twee voorstellen voor een gezonde warme maaltijd.

Afb. 20

© Vlaams Instituut Gezond Leven

Afb. 21

© Vlaams Instituut Gezond Leven

ex

Vergelijk de ingrediënten van jouw warme maaltijd met de ingrediënten van de twee gezonde warme maaltijden. Noteer nu de elementen van jouw warme maaltijd in de passende kolom van de tabel. Ingrediënten van jouw menu die niet passen in een gezonde warme maaltijd

In

ki

jk

Ingrediënten van jouw menu die passen in een gezonde warme maaltijd

Noteer in de eerste kolom van de tabel de ingrediënten die je wenst te vervangen om van jouw warme maaltijd een gezonde warme maaltijd te maken. In de tweede kolom noteer je waardoor je ze vervangt. Te vervangen

Vervangen door

Inspiratie nodig? Surf naar: ‘Jouw startpakket voor een gezonde warme maaltijd’ https://www.gezondleven.be/themas/voeding/evenwichtige-gezonde-maaltijd/gezondewarme-maaltijd

23


Spijsverteringsstelsel

Hoofdstuk 1

opdracht TUSSENDOORTJES Wat nam je vandaag als tussendoortje?

pl

aa

r

Vergelijk met het voorstel hieronder.

Afb. 22

© Vlaams Instituut Gezond Leven

em

Welke voedingsmiddelen komen overeen met het voorstel?

Noteer in de eerste kolom welk tussendoortje je beter vervangt en in de tweede kolom wat je er voor in de plaats stelt. Gezondere keuze

ex

Te vervangen

jk

Inspiratie nodig? Surf naar: ‘Je energie op peil met een gezond tussendoortje’ https://www.gezondleven.be/themas/voeding/evenwichtige-gezonde-maaltijd/gezondtussendoortje

ki

Besluit

In

Voor het samenstellen van gezonde, evenwichtige maaltijden gebruik je de informatie uit de voedingsdriehoek als leidraad.

Nog enkele aandachtspunten bij de overstap naar gezonde eetgewoonten

24

- Varieer zo veel mogelijk. Eten mag niet saai worden. - Eet samen met anderen op vaste tijdstippen, zo help je elkaar en kom je ook in contact met nieuwe dingen. - Eet bewust en met mate. Voel aan wanneer je verzadigd bent. Eet langzaam en geniet van je eten. Ban je smartphone tijdens het eten. - Pas je omgeving aan. Hou fruit en noten in je omgeving en hou ongezonde tussendoortjes ver weg. - Werk stapsgewijs. Gooi je eetpatroon niet in één keer om, maar pas beetje bij beetje aan. - Geniet van wat je eet. Verwen jezelf met gezonde lekkere dingen en gun jezelf af en toe een kleine minder gezonde uitspatting.


Hoofdstuk 1

Spijsverteringsstelsel

onderzoeksvraag

Hoe herken je gezonde voedingsmiddelen bij het winkelen? De focus bij het bepalen van gezonde voedingsmiddelen ligt niet langer op de voedingsstoffen maar op de voedingsmiddelen en hoe ze samen een evenwichtig voedingspatroon vormen.

Bekijk afbeelding 23. Wat geeft het label aan?

em

opdracht

pl

Afb. 23

aa

r

Om je te helpen bij het samenstellen van evenwichtige voeding is een voedingslabel, de nutriscore, ingevoerd. Het is het eerste label waarvoor beperkt wetenschappelijk bewijs is dat het de consumenten helpt om gezondere voeding te kopen.

De score is een combinatie van letters en kleuren.

ex

Het is het resultaat van het verschil tussen positieve elementen en negatieve elementen. Omcirkel in de onderstaande opsomming de negatieve elementen in het rood en de positieve elementen in het groen.

jk

hoge energiewaarde – groenten – eiwitten – vetten – suikers – vezels – fruit - zout Maak het gebruik van de nutri-score duidelijk door het juiste antwoord te omcirkelen.

In

ki

Voedingsmiddelen die je het best beperkt zijn de voedingsmiddelen met de donkergroene / rode kleur en de letter A / E.

De voedingsmiddelen met de hoogste voedingswaarde, met andere woorden de gezonde voedingsmiddelen die je het best kiest tijdens het winkelen zijn de voedingsmiddelen met de donkergroene / rode kleur en de letter A / E.

25


Spijsverteringsstelsel

Hoofdstuk 1

1.2 Het spijsverteringsstelsel 1.2.1 Bouw van het spijsverteringsstelsel In katern 1 ontdekte je in het hoofdstuk bouwstenen van organismen, de samenhang tussen de verschillende organisatieniveaus en leerde je de organen van het spijsverteringsstelsel kennen.

r

opdracht

In

ki

jk

ex

em

pl

aa

Bestudeer het rompmodel van de mens. Ontdek waar de verschillende organen van het spijsverteringsstelsel in jouw eigen lichaam liggen.

Š SOMSO Modelle

26

Afb. 24 rompmodel


Hoofdstuk 1

Spijsverteringsstelsel

onderzoeksvraag

Uit welke organen bestaat het spijsverteringsstelsel van de mens? opdracht Afbeelding 25 toont je het spijsverteringsstelsel van de mens. Noteer in de tabel bij elk nummer het juiste orgaan. Kies uit de onderstaande lijst.

aa

r

- aars - alvleesklier - blinde darm met appendix - dunne darm - dikke darm - keelholte - lever met galblaas - maag - mondholte - slokdarm

1

em

3

pl

2

4

5

ex

6

8 7

9

jk

10

In

ki

Afb. 25 spijsverteringsstelsel van de mens

Besluit

Spijsverteringsorganen

Spijsverteringsorganen

1

6

2

7

3

8

4

9

5

10

27


Spijsverteringsstelsel

Hoofdstuk 1

1.2.2 Functie van het spijsverteringsstelsel Bij de gewervelde dieren gebeurt de opname van voedingsstoffen in het bloed langs het spijsverteringsstelsel.

onderzoeksvraaG

Laat de darmwand zowel grote als kleine moleculen door?

aa

r

Experiment

De dialyseslang stelt de darmwand voor. Het gedestilleerde water rond de dialyseslang stelt het bloed voor.

pl

Benodigdheden - stuk dialyseslang (25 cm) - wasknijper - mengsel van water, zetmeel en druivensuiker (glucose) - beker gevuld met gedestilleerd water - lugol (jodiumoplossing) - diastixstrookje - trechter

em

Afb. 26 proefopstelling

jk

WAARNEMING

Water 37 C Mengsel van water, zetmeel en druivensuiker

ex

Werkwijze - Knoop ĂŠĂŠn uiteinde van de dialyseslang dicht. - Vul, met behulp van een trechter, de slang met het mengsel. - Leg de slang in de beker met gedestilleerd water en klem het open uiteinde met een wasknijper vast over de rand van de beker. - Test het water na dertig minuten met een diastixstrookje en lugol.

Herkenningsmiddel

Kleur na het testen van water in beker

ki

diastixstrookje

In

lugol (jodiumoplossing)

Verklaring Diastix en lugol zijn

.

Als het diastixstrookje van kleur verandert, wijst dat op de aanwezigheid van

.

Als er na toevoeging van lugol geen kleurverandering optreedt, wijst dat op .

28

Vaststelling De dialyseslang is doorlaatbaar / niet doorlaatbaar voor zetmeel. De dialyseslang is doorlaatbaar / niet doorlaatbaar voor glucose. Zetmeel en glucose zijn voedingsstoffen. De zetmeelmoleculen zijn groter dan de glucosemoleculen.


Hoofdstuk 1

Spijsverteringsstelsel

Besluit De darmwand laat alleen kleine moleculen door. Sommige voedingsstoffen, zoals water, glucose, vitaminen en mineralen, zijn als heel kleine moleculen of deeltjes aanwezig in je voedsel. Ze kunnen snel uit je spijsverteringskanaal in je bloed opgenomen worden.

aa

r

Andere voedingsstoffen, zoals zetmeel, eiwitten, vetten en sommige suikers, moeten eerst verkleind worden.

Voedingsvezels zijn grote moleculen. Ze kunnen niet doorheen je darmwand. Ze worden met de stoelgang uit je lichaam verwijderd.

onderzoeksvraag

pl

Wat gebeurt er met de voedingsmiddelen in je mond?

em

Je onderzoekt dit met behulp van twee experimenten.

Experiment 1 Benodigdheden - stuk wit brood

jk

WAARNEMING

ex

Werkwijze - Eet een stuk wit brood. - Kauw er eventjes op. - Wat gebeurt er met het brood in je mond? - Hoe smaakt het brood als je het een tijdje gekauwd hebt?

In

ki

Verklaring In je mond wordt het voedsel in kleinere stukjes verdeeld, doordat je kauwt met je tanden. Tijdens het kauwen verplaatst je tong het voedsel in je mond. Het voedsel wordt mechanisch verkleind. Het brood wordt in je mond met speeksel gemengd, waardoor het een zoete smaak krijgt.

Experiment 2 Benodigdheden - vier maatcilinders of vier proefbuizen - mengsel van zetmeel en water - warmwaterbad (37° C) - lugol (jodiumoplossing) - diastixstrookjes - vers speeksel (Spoel je mond eerst even met water. Vang dan pas het verse speeksel op in een bekertje.) 29


Spijsverteringsstelsel

Hoofdstuk 1

pl

aa

r

Werkwijze - Vul elke maatcilinder met ongeveer 3 ml water gemengd met zetmeel. - Voeg aan maatcilinders 1 en 2 een druppel jodiumoplossing toe. Schud even om te mengen. Noteer de kleur van het mengsel. - Test de inhoud van maatcilinders 3 en 4 met diastixstrookjes. Noteer je waarnemingen in de tabel. - Voeg aan maatcilinders 2 en 4 enkele druppels van je speeksel toe. - Plaats de vier maatcilinders gedurende twintig minuten in een warmwaterbad. - Bekijk de kleur van de vloeistof in maatcilinders 1 en 2 en vul de tabel in. - Test de inhoud van maatcilinders 3 en 4 met diastixstrookjes. Noteer je waarnemingen in de tabel.

WAARNEMING

em

Afb. 27 proefopstelling

Jodiumoplossing

1 2

kleur bij de start

kleur na twintig minuten

ex

maatcilinder

Diastixstrookjes

jk

3 4

ki

Verklaring De paarse kleur in maatcilinder 2 verdwijnt na een tijdje. Dat wijst op de afwezigheid van .

In

In maatcilinder 4 wordt het diastixstrookje bruin. Dat wijst op de aanwezigheid van .

Daaruit leid je af dat speeksel

afbreekt tot . In je speeksel zitten enzymen die de grotere

zetmeelmoleculen afbreken tot kleinere glucosemoleculen. Die stofomzetting van grote moleculen naar kleine moleculen is chemisch verkleinen of verteren.

30


Hoofdstuk 1

Spijsverteringsstelsel

Besluit De voedingsmiddelen worden op twee manieren verkleind in de mond:

1 mechanisch: door het kauwen.

2 chemisch: door enzymen in het speeksel start de vertering van zetmeel.

zetmeel

glucose

pl

aa

r

Vertering is chemisch verkleinen.

onderzoeksvraag

em

Afb. 28 vereenvoudigde voorstelling van zetmeelmolecule en glucosemolecule

Welke functie heeft de maag?

In

ki

jk

ex

De ingeslikte voedseldeeltjes geraken via de slokdarm in de maag. Het klierweefsel van de maagwand scheidt maagsap af. Maagsap bestaat uit water, een sterk zuur en enzymen. De enzymen in het maagsap starten de chemische verkleining of vertering van de eiwitten. Het maagzuur doet de enzymen beter werken en doodt bacteriĂŤn die met het voedsel in de maag belanden. De knedende beweging van je maag vermengt het maagsap goed met het voedsel. Uiteindelijk ontstaat er een vloeibare spijsbrij. Kleine porties van deze voedselbrij verlaten de maag naar de dunne darm.

31


Spijsverteringsstelsel

Hoofdstuk 1

onderzoeksvraag

Welke functie heeft de dunne darm? opdracht Vul afbeelding 29 verder aan. Kies uit: alvleesklier - lever - galblaas - dunne darm.

em

pl

aa

r

Afb. 29 lever, alvleesklier en dunne darm

In je dunne darm worden drie sappen bij de voedselbrij gevoegd: alvleessap, galsap en darmsap. Alvleessap wordt afgescheiden door de alvleesklier. Alvleessap bevat enzymen die de vertering van zetmeel en eiwitten verderzetten. De enzymen in alvleessap beginnen de vertering van vet nadat het door galsap in kleine druppeltjes verdeeld is. (zie verder)

jk

ex

Darmsap wordt afgescheiden door de kliercellen in je dunne darm. De enzymen in darmsap helpen bij de vertering van zetmeel en suikers tot glucose, vetten tot glycerol en vetzuren en eiwitten tot aminozuren. Die voedingsstoffen worden nu door de wand van je dunne darm in het bloed opgenomen. Dat is absorptie. De vezels en andere onverteerde resten worden door de peristaltiek van je dunne darm naar je dikke darm getransporteerd. Vul de tabel aan.

ki

Organen

In

lever + galblaas alvleesklier dunne darm

Besluit • • 32

Sap dat wordt afgescheiden

Functie


Hoofdstuk 1

Spijsverteringsstelsel

onderzoeksvraag

Welke functie heeft galsap bij de vertering? Galsap wordt gemaakt in de lever en opgeslagen in de galblaas. Galsap wordt in kleine hoeveelheden afgegeven in de dunne darm. In het experiment vervang je galsap door ossengalzeep of afwasmiddel.

r

Experiment

pl

aa

Benodigdheden - twee proefbuizen - proefbuisrekje - olie - water - vloeibare ossengalzeep of afwasmiddel

jk

WAARNEMING

ex

em

Werkwijze - Vul beide proefbuizen met eenzelfde hoeveelheid water. - Voeg aan beide proefbuizen een even dik laagje olie toe. Hoeveel lagen zie je? Noteer dat in de tabel. - Voeg aan ĂŠĂŠn proefbuis een druppel ossengalzeep toe. - Schud beide proefbuizen. Let erop dat je ze met je duim of een dopje goed afsluit voor je begint te schudden. - Zet de proefbuizen in het rekje en laat ze even rusten.

ki

Proefbuis

Afb. 30 proefopstelling

Aantal lagen (een schuimlaag tel je niet mee)

voor het schudden

onmiddellijk na het schudden

na een korte rustperiode

water en olie

In

water, olie en ossengalzeep

Besluit Galsap verdeelt een vetdruppel in kleinere vetdruppeltjes. De vetmoleculen worden niet omgezet naar een andere stof. Er is dus geen vertering. Galsap is geen verteringssap. 33


Spijsverteringsstelsel

Hoofdstuk 1

onderzoeksvraag

Welke functie heeft de dikke darm?

aa

r

Afb. 31 ligging van de dikke darm, endeldarm en aars

1 dikke darm 2 blinde darm 3 appendix 4 endeldarm 5 aars

em

pl

1

ex

2

jk

3

4

5

In

ki

Niet al het voedsel wordt verteerd of omgezet in opneembare voedingsstoffen. De voedselbrij in je dunne darm bevat nog onverteerbare delen, zoals vezels van groenten en fruit. Die komen in je dikke darm terecht. In je dikke darm wordt een groot deel van het vocht aanwezig in de onverteerbare voedselresten, opgenomen door de bloedvaten in de darmwand. Enkel de vaste, onverteerde delen blijven dan over in je dikke darm. Dat zijn de uitwerpselen of de stoelgang. Die uitwerpselen worden opgestapeld in het laatste stuk van je dikke darm, de endeldarm. Na een tijdje worden ze langs je aarsopening uit je lichaam verwijderd. Dat proces heet ontlasting.

Besluit

34


Hoofdstuk 1

Spijsverteringsstelsel

om te onthouden

pl

VOEDINGSMIDDELEN

aa

r

HET VOEDSEL

ex

em

VOEDINGSSTOFFEN

BRANDSTOFFEN

jk

• zetmeel • glucose • vet

• eiwit • water • mineralen

BESCHERMSTOFFEN • vitaminen • mineralen • voedingsvezels

Indicator eiwit - albustix water - kobaltchloridepapier

In

ki

Indicator zetmeel - lugol glucose - diastix

BOUWSTOFFEN

35


36

HOOG INTENSIEF

MINSTENS WEKELIJKS

DIERLIJKE EIWITTEN EN VERVANGERS

ROOD VLEES BOTER ULTRA BEWERKTE PRODUCTEN

NIET TE VEEL

ZO WEINIG MOGELIJK

GROENTEN FRUIT ZADEN ...

MATIG TE GEBRUIKEN

HOOFDBESTANDDEEL MAALTIJD

WATER

gezond eten

bewegingsdriehoek voedingsdriehoek

r

gezond leven gezonde voedingsmiddelen

aa

pl

em

ex

VOORNAAMSTE VOEDINGSMIDDEL

ZO WEINIG MOGELIJK ZITTEN

MATIG INTENSIEF

REGELMATIG

jk

LICHT INTENSIEF

DAGELIJKS

ki

In Spijsverteringsstelsel Hoofdstuk 1

om te onthouden

modellen die je kunt gebruiken om een gezonde levensstijl aan te houden

nutri-score


Hoofdstuk 1

Spijsverteringsstelsel

om te onthouden

VOEDINGSMIDDEL

VOEDINGSRESTEN

pl

VOEDINGSSTOFFEN

r

verkleinen - mechanisch - chemisch

aa

ONTLASTING

em

ABSORPTIE

grote voedselmoleculen vetten

aminozuren

glycerol en vetzuren

ki

jk

speeksel

maagsap

eiwitten

ex

suikers en zetmeel

In

galsap

alvleessap

darmsap glucose

kleine voedselmoleculen

37


Spijsverteringsstelsel

Hoofdstuk 1

syntheseopdracht

In

ki

jk

ex

em

pl

aa

r

1 Kleur op de tekening de organen waar voedsel doorheen gaat groen.

Afb. 32 spijsverteringsstelsel

38


Hoofdstuk 1

Spijsverteringsstelsel

2 Onderstreep die organen in de tabel met groen. Ze vormen het spijsverteringskanaal. 3 Onderstreep de organen die spijsverteringssappen afscheiden in de tabel met rood. 4 Omcirkel de juiste functie. Functie

1

mondholte

mechanisch verkleinen / chemisch verkleinen / absorptie

2

slokdarm

duwt het voedsel naar de maag

3

maag

mechanisch verkleinen / chemisch verkleinen / absorptie

4

lever met galblaas

mechanisch verkleinen / chemisch verkleinen / absorptie

5

alvleesklier

6

dunne darm

7

blinde darm met appendix

heeft bij de mens geen functie

8

dikke darm

onttrekken van vocht aan de onverteerde voedselresten

9

aars

uitgang voor de ontlasting

em

pl

aa

r

Organen

mechanisch verkleinen / chemisch verkleinen / absorptie

ex

mechanisch verkleinen / chemisch verkleinen / absorptie

In

ki

jk

Nr.

39


Spijsverteringsstelsel

Hoofdstuk 1

evalueer jezelf 1 Het spijsverteringsstelsel 1.1 Het voedsel 1.1.1 Voedingsmiddelen en voedingsstoffen Datum

Wat kun je?

Pagina

r

1 voorbeelden geven van voedingsmiddelen

aa

2 de oorsprong van een voedingsmiddel opzoeken 3 de aggregatietoestand van een voedingsmiddel herkennen 4 op de verpakking van een voedingsmiddel de samenstelling aflezen 5 een definitie geven van een voedingsstof

pl

6 verklaren waarom het belangrijk is dat wij gevarieerd eten 7 de gevolgen van een onevenwichtige voeding inschatten Datum

Wat kun je?

em

1.1.2 Functie van de voedingsstoffen in ons lichaam

Pagina

1 verwoorden welke functie voedingsstoffen hebben voor het lichaam 2 de voedingsstoffen indelen naargelang hun functie 1.1.3 Herkennen van voedingsstoffen in de voedingsmiddelen Datum

Wat kun je?

Pagina

ex

1 experimenteel voedingsstoffen opsporen in voedingsmiddelen

2 het juiste herkenningsmiddel opsommen voor eiwit, glucose, water en zetmeel 1.1.4 Gezonde levensstijl Wat kun je?

Pagina

1 verwoorden wat de bewegingsdriehoek voorstelt

jk

Datum

ki

2 verwoorden wat de voedingsdriehoek voorstelt 3 de bewegingsdriehoek toelichten

In

4 de voedingsdriehoek toelichten

5 verwoorden wat de nutri-score voorstelt 6 de nutri-score toelichten 7 je eigen maaltijden analyseren aan de hand van de informatie van de voedingsdriehoek en evalueren of je gezond eet of niet

8 je eigen maaltijden, indien nodig, gezonder en evenwichtiger maken aan de hand van de informatie van de voedingsdriehoek

40


Hoofdstuk 1

Spijsverteringsstelsel

evalueer jezelf 1.2 Het spijsverteringsstelsel 1.2.1 Bouw van het spijsverteringsstelsel Datum

Wat kun je?

Pagina

r

1 op de torso van het menselijk lichaam de tien organen van het spijsverteringsstelsel herkennen en benoemen 2 de spijsverteringsorganen in de borstholte opsommen

aa

3 de spijsverteringsorganen in de buikholte opsommen 1.2.2 Functie van het spijsverteringsstelsel Datum

Wat kun je?

Pagina

1 uitleggen waarom het voedsel moet verkleind worden

3 uitleggen wat chemisch verkleinen is

pl

2 experimenteel aantonen op welke wijze voedsel in de mond wordt verkleind

em

4 een definitie geven van chemisch verkleinen

5 uitleggen hoe het ingeslikte voedsel in de maag geraakt 6 de dubbele functie van de maag verwoorden 7 een definitie geven van absorptie 8 zeggen waar absorptie gebeurt

ex

9 de spijsverteringsorganen opsommen die spijsverteringssappen afscheiden

10 verwoorden welke voedingsstof door welk spijsverteringssap wordt afgebroken 11 de functie van galsap verklaren

jk

12 de organen van het spijsverteringskanaal opsommen in de volgorde van de weg die het voedsel aflegt 13 van elk spijsverteringsorgaan de functie verwoorden en verklaren

ki

14 de verschillende stappen in de vertering opsommen en situeren in het spijsverteringsstelsel

In

15 de functie van de dikke darm verwoorden

41


aa

r

ADEMHALINGSSTELSEL

ki

jk

ex

em

pl

2 In

In dit hoofdstuk bestudeer je de ademhaling. Je ontdekt welke organen je daarbij gebruikt. Je onderzoekt de verschillen tussen ingeademde en uitgeademde lucht. Je leert ook welke betekenis de ademhaling heeft voor je lichaam. 42


Hoofdstuk 2

Ademhalingsstelsel

2.1 Ademhalingsorganen

em

pl

aa

r

Je leerde dat bij het konijn de borstholte en de buikholte van elkaar gescheiden zijn door het middenrif. Je maakte ook kennis met de ademhalingsorganen die samen het ademhalingsstelsel vormen. Het ademhalingsstelsel bestaat uit: de neusholte, de keelholte, de luchtpijp, de luchtpijptakken en de longen.

ex

Afb. 1 longen

opdracht

ki

jk

Noteer in de tabel de juiste naam van elk ademhalingsorgaan.

1

1

2

In

2

3

3

4 5 5 4

Afb. 2 ademhalingsstelsel bij de mens

43


Ademhalingsstelsel

Hoofdstuk 2

2.2 Verschillen tussen ingeademde en uitgeademde lucht onderzoeksvraag

Is er een verschil in waterdamp tussen ingeademde en uitgeademde lucht? Benodigdheden - twee glazen of spiegeltjes

r

Werkwijze - Adem uit in glas A en vergelijk met glas B. Of adem uit tegen spiegel A en vergelijk met spiegel B.

aa

WAARNEMING

Besluit

pl

In uitgeademde / ingeademde lucht zit meer waterdamp dan in uitgeademde / ingeademde lucht. onderzoeksvraag

em

Is er een verschil in temperatuur tussen ingeademde en uitgeademde lucht? Werkwijze - Beweeg in de klas zachtjes met je hand door de lucht. - Adem nu zachtjes uit op je hand.

ex

WAARNEMING

Besluit

jk

Uitgeademde lucht is warmer / kouder dan ingeademde lucht. onderzoeksvraag

ki

Zit er zuurstofgas in de lucht? Om dit experiment goed te begrijpen moet je weten dat zuurstofgas nodig is voor de verbranding.

opdracht

Benodigdheden - lucifer - kaarsje

Werkwijze - Steek met een lucifer een kaarsje aan.

WAARNEMING

In

Besluit Er zit zuurstofgas in de lucht. 44


Hoofdstuk 2

Ademhalingsstelsel

onderzoeksvraag

Benodigdheden - glazen bak - glazen bokaal - water - theelichtje - lucifers

aa

Werkwijze - Vul de glazen bak met ongeveer 3 cm water. - Plaats het theelichtje op het water in de glazen bak. - Steek het theelichtje aan. - Plaats de glazen bokaal met de opening naar beneden over het theelichtje.

r

Hoeveel zuurstofgas zit er in de lucht?

glazen bokaal lucht

pl

Afb. 3 meten van hoeveelheid zuurstofgas in de lucht

em

glazen bak

theelichtje

ex

water

A

WAARNEMING

A begin van de proef - B einde van de proef

B

jk

Hoe hoog staat het water in de bokaal als je de bokaal in de bak plaatst?

ki

Wat gebeurt er na een tijdje met het brandende theelichtje? Wat gebeurt er met het water in de bokaal?

In

Welk volume lucht in de bokaal is vervangen door water? Omcirkel het juiste antwoord: 1/2 - 1/4 - 1/5.

Besluit Het theelichtje dooft als het zuurstofgas opgebruikt is. De ‘verdwenen’ lucht uit de bokaal is dus zuurstofgas. In lucht zit ongeveer 20 % zuurstofgas. 45


Ademhalingsstelsel

Hoofdstuk 2

onderzoeksvraag

Is er een verschil tussen de hoeveelheid zuurstofgas in ingeademde lucht en uitgeademde lucht?

aa

r

Benodigdheden - twee glazen potjes van gelijke grootte - twee kaarsjes (theelichtjes) - lucifers - chronometer - stift

pl

Werkwijze - Neem de twee glazen potjes. Noteer op één potje IN, op het andere UIT. - Steek de twee kaarsjes aan. - Adem enkele keren uit in één potje. - Plaats beide potjes tegelijkertijd over de brandende kaarsjes. - Kijk hoe lang de kaarsjes blijven branden. WAARNEMING

Besluit

em

De kaars in het potje met uitgeademde / ingeademde lucht dooft vlugger.

Uitgeademde lucht bevat minder / meer zuurstofgas dan ingeademde lucht.

ex

onderzoeksvraag

Is er een verschil tussen de hoeveelheid koolstofdioxide in ingeademde en uitgeademde lucht?

jk

Experiment 1

ki

Om dit experiment goed te begrijpen moet je weten dat het gas in spuitwater en in frisdrank koolstofdioxide is. Je onderzoekt hoe helder kalkwater reageert met koolstofdioxide. Benodigdheden - twee proefbuisjes - vers bereid kalkwater

- spuitwater - (plat) water

In

Werkwijze - Vul twee proefbuisjes voor de helft met vers bereid kalkwater. - Voeg aan het ene proefbuisje een beetje spuitwater toe. - Voeg aan het andere proefbuisje een gelijke hoeveelheid gewoon (plat) water toe. WAARNEMING

Besluit Kalkwater blijft helder / wordt troebel door contact met koolstofdioxide. 46


Hoofdstuk 2

Ademhalingsstelsel

Experiment 2 Benodigdheden - twee proefbuisjes - vers bereid kalkwater - rietje

aa

r

Werkwijze - Vul twee proefbuisjes voor de helft met vers bereid kalkwater. - Schud ĂŠĂŠn proefbuisje krachtig. Hierdoor meng je klaslucht of ingeademde lucht met het heldere kalkwater. - Adem door het rietje uit in het andere proefbuisje. Daardoor meng je uitgeademde lucht met het heldere kalkwater. WAARNEMING

pl

Het kalkwater in het proefbuisje met uitgeademde lucht wordt troebel / niet troebel.

Besluit

em

Het kalkwater in het proefbuisje met ingeademde lucht wordt troebel / niet troebel.

Uitgeademde lucht bevat meer / minder koolstofdioxide dan ingeademde lucht.

ex

ALGEMEEN BESLUIT

Noteer in de tabel welke verschillen je hebt ontdekt tussen ingeademde en uitgeademde lucht. Uitgeademde lucht

In

ki

jk

Ingeademde lucht

47


Ademhalingsstelsel

Hoofdstuk 2

2.3 Gaswisseling in de longen onderzoeksvraag

Waar liggen de longen in het lichaam van de mens en hoe zijn ze gebouwd? opdracht 1

aa

Bestudeer de longen in het rompmodel van de mens.

r

Afb. 4 ademhalingsstelsel bij de mens

3

4

pl

2

em

ex

1 luchtpijp 2 luchtpijptak 3 long 4 longtak 5 longtakje 6 longblaasje 7 longhaarvaten

5

5

7

6

jk

Noteer bij elke omschrijving de juiste naam. Je vindt de namen op afbeelding 4. Naam

ki

Omschrijving

vertakking van de luchtpijp

In

vertakking van de luchtpijptak in de long fijne vertakking van de longtak in de long uitstulping in de wand van het zakje aan het uiteinde van een longtakje netwerk van heel fijne bloedvaten rond een longblaasje

De haarvaten zorgen voor een groot contactoppervlak tussen de longlucht en het bloed. De wanden van de haarvaten en van de longblaasjes zijn heel dun en elastisch. Daardoor kunnen je longen uitzetten en weer krimpen. Je longen bevatten geen spierweefsel. De vele bloedvaatjes zorgen voor de roze kleur van je longen. 48


Hoofdstuk 2

Ademhalingsstelsel

onderzoeksvraag

Wat gebeurt er ter hoogte van de longblaasjes? opdracht

aa

r

- Kleur de plaats waar er lucht is blauw. - Kleur de plaats waar er bloed is rood. - Kleur de dunne wand van het longblaasje groen en die van het haarvat oranje.

3

em

1

pl

2

ex

Afb. 5 longblaasje met haarvat

1 longblaasje 2 longhaarvat 3 longtakje

In de longblaasjes vindt een gaswisseling plaats. Moleculen zuurstofgas verplaatsen zich van de longlucht naar het bloed. Moleculen koolstofdioxide verplaatsen zich van het bloed naar de longlucht.

jk

- Duid met groene pijltjes aan hoe de moleculen zuurstofgas zich verplaatsen. - Duid met zwarte pijltjes aan hoe de moleculen koolstofdioxide zich verplaatsen.

In

ki

De heel kleine afstand tussen de longlucht en het bloed en het grote contactoppervlak zorgen voor een snelle en doeltreffende gaswisseling. Door telkens opnieuw lucht in en uit te ademen ververs je de lucht in je longen. Dat is de longventilatie. De longventilatie, samen met de gaswisseling in de longen, noem je longademhaling. Dankzij die gaswisseling bevat uitgeademde lucht meer koolstofdioxide en minder zuurstofgas dan ingeademde lucht.

Besluit In de longblaasjes vindt een gaswisseling plaats. Moleculen zuurstofgas verplaatsen zich van de longlucht naar het bloed. Moleculen koolstofdioxide verplaatsen zich van het bloed naar de longlucht.

49


Ademhalingsstelsel

Hoofdstuk 2

2.4 Celademhaling In het hoofdstuk over de spijsvertering leerde je dat voedingsstoffen door de wand van je dunne darm in het bloed worden opgenomen.

aa

r

Het bloed vervoert de energierijke voedingsstoffen naar de cellen van je lichaam. Wat er met de voedingsstoffen in de cellen gebeurt, kun je vergelijken met het verbranden van suiker in een lepel.

onderzoeksvraag

Wat gebeurt er als je suiker in een lepel verbrandt?

em

Benodigdheden - glucose of kristalsuiker - verbrandingslepel - erlenmeyer - kalkwater - doorboorde stop - bunsenbrander

pl

Experiment

jk

ex

Werkwijze - Steek de verbrandingslepel door de doorboorde stop van de erlenmeyer. - Doe een klein beetje suiker in de verbrandingslepel. - Verwarm de verbrandingslepel boven de vlam van een bunsenbrander tot de suiker brandt. - Breng de verbrandingslepel met de brandende suiker in een met kalkwater gevulde erlenmeyer. Zorg ervoor dat je het water niet raakt en dat de stop goed sluit. - Als de brandende suiker dooft, roer je langzaam het kalkwater om, zodat het zich vermengt met de lucht van de erlenmeyer.

ki

WAARNEMING

In

Verklaring

Besluit Suiker is een energierijke voedingsstof. Bij de verbranding van suiker komt warmte en koolstofdioxide vrij. De verbranding is mogelijk door zuurstofgas in de lucht. 50


Hoofdstuk 2

Ademhalingsstelsel

In de cellen wordt glucose, een voedingsstof, verbrand. Glucose is een brandstof. Voor de verbranding is zuurstofgas nodig. Het zuurstofgas dat opgenomen wordt tijdens je ademhaling wordt langs het bloed vervoerd naar de cellen. Tijdens dat verbrandingsproces komt energie vrij en wordt koolstofdioxide en waterdamp gevormd. Een deel van die energie is warmte; een deel wordt gebruikt voor al je activiteiten. Dat proces, waarbij energie vrijgemaakt wordt uit voedingsstoffen met behulp van zuurstofgas, is de celademhaling.

aa

r

De afvalstoffen van de celademhaling, koolstofdioxide en waterdamp, worden afgevoerd door het bloed en uit je lichaam verwijderd.

koolstofdioxide en water

em

zuurstofgas

Bloed vervoert: zuurstofgas en voedingsstoffen koolstofdioxide en water

pl

Afb. 6 celademhaling

ex

voedingsstoffen

Verbranding van voedingsstoffen in de cellen.

Door verbranding in de cellen komt er energie vrij.

In

ki

jk

Absorptie van voedingstoffen door het bloed.

51


Ademhalingsstelsel

Hoofdstuk 2

om te onthouden

longventilatie

longademhaling

vervoer naar cellen

em

opnemen van zuurstofgas in het bloed

pl

gaswisseling in longen

ex

celademhaling

glucose + zuurstofgas

In

ki

jk

koolstofdioxide + water + energie

52

r

longventilatie + gaswisseling =

uitademen

aa

inademen

afgeven van koolstofdioxide en waterdamp aan de longblaasjes

vervoer naar longen


Hoofdstuk 2

Ademhalingsstelsel

syntheseopdracht

In

ki

jk

ex

em

pl

aa

r

1 Kleur op de tekening de ademhalingsorganen blauw.

Afb. 7 ademhalingsorganen

53


Ademhalingsstelsel

Hoofdstuk 2

aa

r

2 Maak aan de hand van een tabel het onderscheid tussen in- en uitgeademde lucht duidelijk.

3 Noteer naast elk cijfer de juiste benaming.

em

pl

ki

jk

ex

3

1

2 Afb. 8 celademhaling en gaswisseling in de longen

In

4 Maak van de stippellijnen op de afbeelding juist gerichte en gekleurde pijlen, die de verplaatsing van zuurstofgas, koolstofdioxide, waterdamp en voedingsstoffen voorstellen. Gebruik volgende kleuren en vul aan. Blauw Rood Zwart Groen

54


Hoofdstuk 2

Ademhalingsstelsel

evalueer jezelf 2 Ademhaling 2.1 Ademhalingsorganen Datum

Wat kun je?

Pagina

Datum

Wat kun je?

aa

2.2 Verschillen tussen ingeademde en uitgeademde lucht

r

1 de organen van het ademhalingsstelsel opnoemen en hun ligging op een tekening aanduiden en benoemen

Pagina

1 een tabel opmaken en daarin de verschillen schrijven tussen ingeademde en uitgeademde lucht Datum

pl

2.3 Gaswisseling in de longen Wat kun je?

Pagina

1 omschrijven hoe de longen gebouwd zijn

2.4 Celademhaling Datum

Wat kun je?

em

2 uitleggen hoe de gaswisseling gebeurt ter hoogte van de longblaasjes

Pagina

1 de stoffen opsommen die vrijkomen tijdens de verbranding van suiker

ex

2 het gas benoemen dat de verbranding van suiker mogelijk maakt 3 de verbranding van suiker vergelijken met de celademhaling

In

ki

jk

4 het begrip celademhaling nauwkeurig omschrijven

55


r

TRANSPORTSTELSEL

aa

3

In dit hoofdstuk onderzoek je hoe

pl

het transport van stoffen gebeurt. Je leert de samenstelling van

em

het bloed en de functies van de bloedbestanddelen kennen. Je gaat na langs welke weg

ex

het transport gebeurt en welke

In

ki

jk

organen hieraan meewerken.

56


Hoofdstuk 3

Transportstelsel

3.1 Bloed Bloed ken je als een roodgekleurde stroperige vloeistof die voortdurend rond stroomt in je lichaam.

onderzoeksvraag

r

Uit welke delen bestaat je bloed?

aa

Experiment 1

em

Werkwijze - Bekijk aandachtig de proefbuizen. - Vergelijk de situatie met de afbeeldingen 1 en 2. - Omcirkel het juiste antwoord.

pl

Benodigdheden - twee genummerde proefbuizen gevuld met varkensbloed Proefbuis 1 bevat ongestold bloed dat al 24 uur perfect stilstaat. Proefbuis 2 bevat gestold bloed dat al 24 uur perfect stilstaat. Aan het bloed in proefbuis 1 is een stof toegevoegd die het bloed vloeibaar houdt. - twee petrischaaltjes gemerkt met de letters a en b - twee glazen potjes met schroefdeksel gemerkt met de letters a en b - beker met water

Afb. 2

100 ml

100 ml

In

ki

jk

100 ml

ex

Afb. 1

50 ml

50 ml

50 ml

10 ml

10 ml

10 ml

ongestold bloed na 24 uur rust / gestold bloed na 24 uur rust

ongestold bloed na 24 uur rust / gestold bloed na 24 uur rust

57


Transportstelsel

Hoofdstuk 3

- Neem voorzichtig proefbuis 1. - Giet de heldere vloeistof in petrischaal a en bewaar ze voor experiment 2. - Giet de donkere onderste laag in het glazen potje a. - - - -

Neem daarna voorzichtig proefbuis 2. Giet de heldere vloeistof in petrischaal b en bewaar ze voor experiment 2. Giet de onderste laag in het glazen potje b. Bekijk aandachtig de inhoud van potje a en van potje b.

Je ziet loskomende witte draden. Dat zijn gestolde eiwitslierten of fibrinedraden.

em

- Giet nu ook water in het andere potje. - Schud ook dat potje krachtig. - Zie je daar ook witte draden?

aa

Giet water bij de klonter tot het potje voor ongeveer 2/3 gevuld is. Schroef het deksel op het potje en schud krachtig. Giet de intussen roodgekleurde vloeistof af en vul opnieuw met water. Schud nog enige tijd. Bekijk het oppervlak van de klonter.

pl

- - - - -

r

In welk potje is de inhoud geklonterd?

Bij dat bloed werd een antistollingsmiddel gevoegd, waardoor het eiwit fibrinogeen niet gaat stollen tot fibrinedraden. Het fibrinogeen blijft opgelost in de heldere vloeistof. Die heldere vloeistof heet plasma.

ex

Hoeveel plasma bevat 100 ml bloed?

Als je de hoeveelheid heldere vloeistof bij het gestolde en het ongestolde bloed vergelijkt, stel je vast dat er minder heldere vloeistof is bij het gestolde bloed.

ki

jk

Verklaring

In

De vloeistof zonder fibrinogeen heet serum.

Besluit Ongestold bloed bestaat uit: • 55 % • 45 % Gestold bloed bestaat uit: • een lichtgele vloeistof: • een klonter die bestaat uit: Plasma =

58

+


Hoofdstuk 3

Transportstelsel

onderzoeksvraag

Welke stoffen tref je aan in plasma en in serum? Experiment 2

aa

r

Benodigdheden - petrischalen a en b uit het vorige experiment - herkenningsmiddelen - kobaltchloridepapier - albustix - diastix - lugol

pl

Werkwijze - Neem de twee petrischalen. - Omcirkel de juiste vloeistof in elke kolom. - Onderzoek de inhoud van beide schaaltjes met de herkenningsmiddelen. - Noteer de resultaten van je onderzoek in de tabel.

serum / plasma

serum / plasma

Kleur na onderzoek

Kleur na onderzoek

ex

Herkenningsmiddel

Petrischaal b

em

naam van de vloeistof

Petrischaal a

kobaltchloridepapier (blauw)

jk

albustix (geel)

ki

diastix (groen)

In

lugol (geel/oranje)

Besluit

59


Transportstelsel

Hoofdstuk 3

onderzoeksvraag

Welke vaste bestanddelen bevat je bloed? opdracht

em

pl

aa

r

Je bloed bevat verschillende vaste bestanddelen. Bekijk de afbeeldingen 3 en 4 of een preparaat van bloed.

Afb. 3 twee soorten witte bloedcellen omgeven door rode bloedcellen (foto)

Afb. 4 preparaat van bloed (tekening)

ex

In de onderstaande tabel vind je de naam, de functie en een beschrijving van de vaste bestanddelen. - Neem de kenmerken aandachtig door. - Ga na of je de deeltjes herkent op de afbeeldingen 3 en 4. - Voer daarna de tweede opdracht uit. Naam

Functie

- - - - -

bolvormig diameter 0,01 mm duidelijke kern: soms bolvormig, soms als een snoer kleurloos (zonder kleuring) 5 000 – 10 000 per mm³ bloed

witte bloedcel

uitschakeling van vreemde elementen

- - - - - - -

rond schijfje in het midden dunner dan aan de rand diameter ongeveer 0,008 mm dikte ongeveer 0,002 mm geen celkern rode kleur door hemoglobine 4,5 – 5,5 miljoen per mm³ bloed

rode bloedcel

transport van zuurstofgas

- - - -

onregelmatige vorm diameter ongeveer 0,003 mm geen celkern 250 000 – 400 000 per mm³ bloed

bloedplaatjes

bloedstolling

In

ki

jk

Kenmerken

60


Hoofdstuk 3

Transportstelsel

opdracht Noteer in de onderstaande tabel naast alle getekende bestanddelen de juiste naam. Omcirkel bij elk bestanddeel - de juiste vorm. - celkern al dan niet aanwezig. - het formaat (door te vergelijken met dat van de andere bestanddelen). - het aantal (door te vergelijken met dat van de andere bestanddelen). Afb. 5

Afb. 6

Afb. 7

pl

aa

Afbeelding

r

- -

em

Naam

Celkern

onregelmatig

onregelmatig

schijfvormig

schijfvormig

schijfvormig

bolvormig

bolvormig

bolvormig

ja

ja

ja

nee

nee

nee

grootst

grootst

grootst

middelmatig

middelmatig

middelmatig

kleinst

kleinst

kleinst

grootst

grootst

grootst

middelmatig

middelmatig

middelmatig

kleinst

kleinst

kleinst

ki

jk

Formaat

onregelmatig

ex

Vorm

In

Aantal

Besluit De vaste bestanddelen van bloed zijn: • rode bloedcellen • witte bloedcellen • bloedplaatjes 61


Transportstelsel

Hoofdstuk 3

3.2 Bouw van het transportstelsel 3.2.1 Organen van het transportstelsel opdracht

In

ki

jk

ex

em

pl

aa

r

Zoek op beide afbeeldingen het hart en omcirkel het in een opvallende kleur. Op afbeelding 8 zie je roodgekleurde bloedvaten. Al die bloedvaten voeren bloed van je hart naar alle delen van je lichaam. Het zijn slagaders. De blauwgekleurde bloedvaten op afbeelding 9 voeren bloed van al je lichaamsdelen terug naar je hart. Het zijn aders. Omcirkel onder de afbeeldingen telkens wat juist is.

Afb. 8

hart en grote slagaders / grote aders 62

Afb. 9

hart en grote slagaders / grote aders


Hoofdstuk 3

Transportstelsel

3.2.2 het hart onderzoeksvraag

Waar ligt het hart in het lichaam? opdracht

1

r

4

Lees de tekst. Bekijk de afbeelding. Vul de legende aan. Gebruik de vetgedrukte woorden uit de tekst.

3

aa

- - -

6

2

6

2

1

pl

2 3

5

4

7

em

5

7

6

Afb. 10 ligging van het hart

7

Afbeelding 10 toont je de organen in de bovenste helft van je romp.

jk

ex

Duid in een opvallende kleur de omtreklijn van het hart aan. Het hart ligt in je borstkas. Dat is de bovenste ruimte in je romp. Die holte wordt begrensd door de ribben, het borstbeen en de wervelkolom. Onderaan vormt het middenrif de scheiding met je buikholte. Naast het hart zie je de twee longen. Bovenaan zie je twee buisvormige organen die doorlopen achter het hart. De voorste buis, die verstevigd is door kraakbeenringen, is de luchtpijp. Daarachter zie je de slokdarm.

opdracht

In

ki

Maak hieronder een correcte beschrijving van de ligging van het hart. Omcirkel alle juiste gegevens. Houd er rekening mee dat de persoon op de afbeelding met de voorkant van zijn romp naar jou gericht staat. (Zo weet je wat de linker- en de rechterkant is.)

Besluit Het hart ligt: • voor / achter het borstbeen. • bovenaan / onderaan in de borstholte. • in het midden / meer naar links / meer naar rechts in de borstholte. Als gevolg daarvan krijgt de linkerlong / rechterlong minder ruimte. De linkerlong is kleiner / groter dan de rechterlong. 63


Transportstelsel

Hoofdstuk 3

onderzoeksvraag

Hoe is het hart uitwendig gebouwd? opdracht Lees de tekst. Bekijk de afbeelding. Vul de legende aan. Gebruik de vetgedrukte woorden uit de tekst.

r

- - -

aa

4

1

3

2

6

5

3

6

1

2

pl

4

5

5 6

em

Afb. 11 buitenkant van het hart, vooraanzicht

Het hart is een spier. Op de hartspier zie je bloedvaten. De rode bloedvaten zijn kransslagaders. Ze voeren bloed met voedingsstoffen en zuurstofgas naar de hartspier. De blauwe bloedvaten zijn kransaders. Ze voeren bloed met afvalstoffen en koolstofdioxide weg uit de hartspier. Je ziet twee takken van die bloedvaten. De ene tak verzorgt de linkerharthelft. De andere tak verzorgt de rechterharthelft.

ex

opdracht

jk

Trek nu een duidelijke verticale streep tussen de twee takken. Let erop dat je de ruimte tussen beide takken zo goed mogelijk in twee gelijke helften verdeelt. Duid de linker- (L) en rechterhelft (R) aan op de afbeelding. Vergelijk beide helften. Wat stel je vast? De linkerharthelft is groter dan / gelijk aan / kleiner dan de rechterharthelft.

In

ki

Het grootste deel van de hartspier, de kamers, is op de afbeelding weergegeven als een roze weefsel. Bovenaan zie je links en rechts een lichter grijsachtig gekleurd zakvormig aanhangsel. Dat zijn de linkervoorkamer en de rechtervoorkamer. Aan het hart zitten grote bloedvaten vast.

Besluit Uitwendig zie je aan het hart: • voorkamers • kamers • kransslagaders • kransaders

64


Hoofdstuk 3

Transportstelsel

onderzoeksvraag

Hoe is het hart inwendig gebouwd? opdracht

r

Lees de tekst op de volgende pagina. Bekijk de afbeeldingen. Duid de linkerhelft (L) en de rechterhelft (R) van het hart aan op de afbeeldingen. Vul de legende aan. Gebruik de vetgedrukte woorden uit de tekst. Overeenkomstige delen dragen op beide afbeeldingen hetzelfde nummer.

aa

- - - -

Afb. 12 het hart, gedeeltelijk opengesneden

12

pl

9

1

10

em

2

7

11 11

6

3

8

4 5

8

5

ex

4

6

3

7

1

13

2

8

jk

9 10

9

ki

11 12

10

13

14

12

In

14

14

7

11

5

11 11

6

8

11

3

8 1

4 13 2

Afb. 13 doorsnede van het hart, vereenvoudigd

65


Transportstelsel

Hoofdstuk 3

Op de afbeeldingen 12 en 13 zie je in het onderste, sterk gespierde deel van het hart twee holten, de kamers. Ze zijn gescheiden door het harttussenschot. Vergelijk de dikte van de spierwand van de linkerkamer met die van de rechterkamer. De linkerkamerwand is dikker / dunner dan de rechterkamerwand. Boven beide kamers zie je de doorgesneden zakvormige aanhangsels, de linkervoorkamer en de rechtervoorkamer.

r

Vergelijk de dikte van de wand van de voorkamers met die van de kamers. Wat stel je vast? De wand van de voorkamers is minder / meer gespierd dan de wand van de kamers.

pl

aa

Tussen de voorkamers en de kamers zie je de hartkleppen. Het zijn witte bindweefselvliezen waarvan de losse rand met stevige pezen vastgehecht is aan de kamerwand. Die kleppen worden opengeduwd door bloed dat van de voorkamer naar de kamer stroomt. Als bloed uit de richting van de kamer tegen de onderkant van de kleppen duwt, dan worden ze dichtgedrukt. Het bloed kan bijgevolg enkel van voorkamer naar kamer stromen en niet omgekeerd. Het bloed kan de kamers enkel verlaten via de slagaders.

ex

em

De linkerkamer staat in verbinding met de aorta of grote lichaamsslagader. De rechterkamer staat in verbinding met de longslagader. Vooraan in die slagaders zie je drie halvemaanvormige kleppen. Die kleppen hebben de vorm van zakjes. De zakjes zijn tegen de slagaderwand bevestigd met de open zijde in de richting van de slagader. Als bloed uit de richting van de kamer komt, wordt het zakje tegen de wand van de slagader geduwd. Het bloed kan er vlot voorbijstromen. Als het bloed echter wil terugstromen uit de slagader in de richting van de kamer, vult het de zakjes. Hierdoor gaan ze wijd openstaan. Daardoor wordt de slagader afgesloten en het bloed kan niet langer terugstromen.

ki

jk

Op afbeelding 12 zie je twee grote bloedvaten die uitmonden in de rechtervoorkamer. Het zijn de holle aders. De ene haalt bloed op uit je hoofd en je armen, de bovenste holle ader. De andere haalt bloed op uit de rest van je lichaam, de onderste holle ader. In de linkervoorkamer monden vier bloedvaten uit. Je ziet die bloedvaten duidelijk getekend op afbeelding 13. Het zijn de longaders. Ze voeren bloed van de longen naar het hart.

In

Besluit

Inwendig bestaat het hart uit: • twee voorkamers waarin aders uitmonden. • twee kamers waaruit slagaders vertrekken. • hartkleppen en halvemaanvormige kleppen die de stroomrichting van

66

het bloed regelen.


Hoofdstuk 3

Transportstelsel

3.2.3 de bloedvaten onderzoeksvraag

Waaraan herken je de verschillende bloedvaten?

1

2

2

Afb. 14a

3

em

3

Afb. 14b

1

Afb. 14c

ex

2 3

1

pl

1

aa

- Lees de tekst. - Bekijk de afbeeldingen. - Vul de legende aan. Gebruik de vetgedrukte woorden uit de tekst.

r

opdracht

Je leerde al twee soorten bloedvaten kennen: de slagaders en de aders. Op afbeelding 14 zie je nog een derde soort: het haarvat.

In

ki

jk

Slagaders en aders zijn grote bloedvaten die uit meerdere weefsellagen bestaan. De vaatwand is dik. De binnenwand van die bloedvaten bestaat uit dekweefsel. Die laag is zeer dun en het oppervlak is zeer glad. Daardoor kan het bloed ongehinderd doorstromen. Rond de dekweefsellaag zit een laag die bestaat uit spierweefsel en elastisch bindweefsel. Bij de slagaders is die laag dikker en is de elasticiteit van het bindweefsel groter dan bij de aders. Daardoor kan een slagader, nadat hij eerst is opengesperd door het voorbijstuwende bloed, automatisch krachtig samentrekken. Daardoor stroomt het bloed nog beter vooruit. Bij aders is de middenlaag dunner en minder elastisch. De stuwkracht van het bloed is er kleiner. De buitenste laag van slagaders en aders bestaat uit bindweefsel. Die laag zorgt voor de binding met de omliggende weefsels. Door de dikke wand kan het bloed in die bloedvaten geen stoffen uitwisselen met de omgeving. Slagaders en aders zijn grote transportwegen die bloed aan- en afvoeren naar plaatsen waar wel stoffen uitgewisseld kunnen worden. De wand van één van de bloedvaten op afbeelding 14 bestaat enkel uit één laag dekcellen. Dat bloedvat is een haarvat. De dunne wand van een haarvat laat stoffen door van het bloed naar de omliggende weefsels en omgekeerd. Haarvaten vind je in alle delen van het lichaam. Ze maken stofwisseling mogelijk. Noteer onder elke afbeelding de juiste naam van het bloedvat. 67


Transportstelsel

Hoofdstuk 3

opdracht Afbeelding 15 toont een slagader en een ader. Noteer de namen van de aangeduide weefsellagen (nummers 1 tot en met 3). Bekijk aandachtig de dikte van laag 2. Noteer dan onder elk bloedvat de juiste naam.

1

r

1

aa

4

2

3

3

Afb. 15b bloedvat van de benen

em

Afb. 15a bloedvat van de benen

1 2

ex

3 4

pl

2

jk

In de ader / slagader zie je kleppen. Die kleppen bepalen de stroomrichting van het bloed. Ze verhinderen het terugstromen van het bloed. Je vindt de kleppen terug in bloedvaten van de ledematen.

In

ki

Verklaar de aanwezigheid van de kleppen in deze bloedvaten.

Als de kleppen van de aders in de benen onvoldoende sluiten, gaan de bloedvaten rekken en ontstaan er spataders.

Besluit Kenmerken van bloedvaten:

68

• slagaders

dikke spierlaag en elastische wand

• aders

dunnere spierlaag en minder elastische wand

soms kleppen

• haarvaten

zeer dunne doorlaatbare wand


Hoofdstuk 3

Transportstelsel

3.3 Bloedsomloop onderzoeksvraag

Welke weg volgt het bloed in je lichaam?

1

5a

3a

4b

3b

2

7

1

jk

3c

5c

lever

In

3d

4c

ki

6b

5d

4d

8

darmen nieren

4e 5e

3e

4f 3f

Afb. 16 bloedsomloop (deel 1)

3a

3b

3c

3d

3e

3f

4

ex

longen

3

em

5b

2

pl

4a

6a

aa

Afbeeldingen 16 en 17 tonen je de weg die het bloed in je lichaam volgt. De motor in het vervoersysteem is je hart. De tekst op de volgende pagina geeft je de routebeschrijving. Volg mee op de afbeelding en vul intussen de legende aan.

r

opdracht

4a

4b

4c

4d

4e

4f

5

5a

5b

5c

5d

5e

6

6a

6b

7 8 grote / kleine bloedsomloop 69


Transportstelsel

Hoofdstuk 3

Je start bij punt 1. Dat is de kamer met de dikste wand. Noteer de naam in de legende naast afbeelding 16.

aa

r

Het bloed bevat op dit moment zeer veel zuurstofgas en weinig koolstofdioxide. Op de afbeelding wordt bloed met die kwaliteit in een rode kleur voorgesteld. Als de kamer samentrekt, kan het bloed, dankzij de aanwezige hartkleppen, enkel naar de aorta of grote lichaamsslagader (2). Van de aorta splitsen takken zich af naar de verschillende delen van het lichaam. Dat zijn de lichaamsslagaders (3). Elke tak krijgt de naam van het orgaan waar hij naartoe loopt. Zo zie je de hoofdslagader (3a), de armslagader (3b), de leverslagader (3c), de darmslagader (3d), de nierslagader (3e) en de beenslagader (3f). Noteer ze in de legende naast afbeelding 16.

pl

In elk orgaan vertakt de slagader zich verder tot zeer fijne bloedvaten, de lichaamshaarvaten (4). De haarvaten krijgen de naam van het orgaan waar je ze vindt. Bijvoorbeeld: hoofdhaarvaten (4a). Noteer de namen van alle haarvaten in de legende naast afbeelding 16.

em

Door de zeer dunne wanden van de haarvaten worden stoffen uitgewisseld. Zuurstofgasdeeltjes en voedingsstoffen gaan naar de cellen; afvalstoffen, o.a. koolstofdioxide, gaan van de cellen naar het bloed. De haarvaten verzamelen tot grotere bloedvaten: de lichaamsaders (5). Uit elk orgaan vertrekt een lichaamsader. Hij krijgt de naam van het orgaan. Noteer de namen van alle aders in de legende naast afbeelding 16.

ex

Alle lichaamsaders monden uit in de holle aders (6). Ze bevatten zuurstofarm, koolstofdioxiderijk bloed. Bloed met die kwaliteit wordt in een blauwe kleur voorgesteld. De lichaamsaders van het bovenste deel van het lichaam monden uit in de bovenste holle ader (6a), die van de onderste lichaamsdelen en een groot deel van de romp eindigen in de onderste holle ader (6b). De holle aders voeren het bloed naar de rechtervoorkamer (7).

jk

Besluit

Weg van het bloed in bloedsomloop 1 linkerkamer > aorta > lichaamsslagaders > lichaamshaarvaten > lichaamsaders

In

ki

> holle aders > rechtervoorkamer

Je ziet één haarvatennetwerk tussen lichaamsslagader en lichaamsader. Op één plaats klopt het niet helemaal. Je ziet het volgende: darmslagader > darmhaarvaten > verbindingsbloedvat > leverhaarvaten > leverader Het bloed dat in de haarvaten van de darmwand vloeide, waar op bepaalde momenten voedingsstoffen in het bloed opgenomen worden, gaat via dat verbindingsbloedvat naar de lever. Daar wordt het glucosegehalte van het bloed geregeld. Zo vervoert het bloed altijd de gepaste dosis brandstof. Dat verbindingsbloedvat is de poortader (8).

70


Hoofdstuk 3

Transportstelsel 9 10 11 12 13 grote / kleine bloedsomloop

11

r

12

longen

aa

10

pl

13

lever

em

9

darmen

ex

nieren

Afb. 17 bloedsomloop (deel 2)

In

ki

jk

Na het traject door het grootste deel van het lichaam is het bloed uit de rechtervoorkamer in de rechterkamer gevloeid. Het bloed is op die plaats zuurstofrijk / zuurstofarm en koolstofdioxiderijk / koolstofdioxidearm. De rechterkamer (9) duwt het bloed in de longslagader (10), die het naar de longen voert. In de longen vertakken de longslagaders zich tot longhaarvaten (11). Daar verlaat koolstofdioxide het bloed en komt zuurstofgas uit de longlucht in het bloed. De longhaarvaten verzamelen tot longaders (12), die het bloed, dat nu veel zuurstofgas bevat, naar de linkervoorkamer (13) voeren.

Besluit Weg van het bloed in bloedsomloop 2 rechterkamer > longslagaders > longhaarvaten > longaders > linkervoorkamer

Na deze tweede omloop is het traject rond. Het bloed kan opnieuw starten uit de linkerkamer. 71


Transportstelsel

Hoofdstuk 3

Zowel bij de eerste als bij de tweede omloop vertrekt het bloed uit het hart. Als je de doorlopen afstand in beide trajecten vergelijkt, stel je vast dat bloedsomloop 1 / bloedsomloop 2 de langste is. Dat traject is de grote bloedsomloop. Het bloed stroomt van het hart naar alle lichaamsdelen / de longen en dan terug naar het hart. Tijdens die omloop wordt zuurstofgas afgegeven / opgenomen door het bloed.

r

Het andere traject is de kleine bloedsomloop. Het bloed stroomt van het hart naar alle lichaamsdelen / de longen en dan terug naar het hart. Tijdens die omloop wordt zuurstofgas afgegeven / opgenomen door het bloed.

aa

Beide omlopen sluiten perfect op elkaar aan. Ze vormen een gesloten bloedsomloop. Tijdens het volledige traject passeert het bloed tweemaal door het hart. Beide trajecten zijn niet met elkaar verweven. Dat is een dubbele bloedsomloop.

In

ki

jk

ex

em

pl

Het zuurstofrijke bloed wordt niet gemengd met het zuurstofarme bloed. De beide bloedsomlopen zijn volledig van elkaar gescheiden. Dat is een gescheiden bloedsomloop.

72


Hoofdstuk 3

Transportstelsel

om te onthouden 1

Bloed

serum

- -

water 90 % opgeloste stoffen 10 % o.a. eiwitten glucose

fibrinogeen vaste bestanddelen 45 %

rode bloedcellen witte bloedcellen bloedplaatjes

aa

bloedplasma 55 %

r

Samenstelling van bloed

transport van zuurstofgas uitschakeling van vreemde elementen bloedstolling

pl

fibrinogeen

55%

serum

em

water

bloedplasma

opgeloste stoffen

vaste bestanddelen

bloed

rode bloedcellen

Afb. 18 samenstelling van bloed

Bouw van het transportstelsel

jk

2

ex

45%

bloedplaatjes witte bloedcellen

Organen van het transportstelsel hart slagaders aders haarvaten

ki

- - - -

In

Het hart

Ligging - in de borstholte - voor de wervelkolom - achter het borstbeen - tussen de longen Uitwendige bouw - twee voorkamers - twee kamers - kransslagaders - kransaders

Inwendige bouw - twee voorkamers - twee kamers - harttussenschot tussen linker- en rechterharthelft - hartkleppen tussen voorkamers en kamers - halvemaanvormige kleppen tussen kamers en slagaders

73


Transportstelsel

Hoofdstuk 3

om te onthouden De bloedvaten slagaders - dikke spierlaag en elastische wand

r

aders - dunnere spierlaag en minder elastische wand - soms kleppen

3

aa

haarvaten - zeer dunne doorlaatbare wand Bloedsomloop

em

pl

Bloed stroomt - in vaten ® gesloten bloedsomloop - twee maal door het hart ® dubbele bloedsomloop - aparte omloop naar de longen en naar rest van het lichaam ® gescheiden bloedsomloop Linkerharthelft

linkerkamer

ex

linkervoorkamer

aorta

jk In

ki

longhaarvaten

lichaamsslagaders

lichaamshaarvaten in de organen

lichaamsaders longslagader holle aders

rechterkamer

rechtervoorkamer Rechterharthelft

74

grote bloedsomloop

kleine bloedsomloop

longader


Hoofdstuk 3

Transportstelsel

evalueer jezelf 3 Transport 3.1 Bloed Datum

Wat kun je?

Pagina

1 de bestanddelen van het bloed opnoemen

4 uitleggen wat serum is 5 de vaste bestanddelen van bloed opnoemen

aa

3 de bestanddelen van plasma opnoemen

r

2 uitleggen wat plasma is

pl

6 de vaste bestanddelen van bloed herkennen op een tekening of een microfoto, ze op de afbeelding aanduiden en benoemen

7 van de vaste bestanddelen de vorm beschrijven, zeggen of ze ja dan neen een kern bezitten

em

8 verwoorden welk vast bestanddeel in vergelijking met de andere grootst, kleinst of middelmatig is 9 verwoorden welk vast bestanddeel meest, minst of middelmatig in aantal voorkomt in het bloed 10 de functie van de bloedbestanddelen uitleggen 3.2 Bouw van het transportstelsel Datum

ex

3.2.1 Organen van het transportstelsel Wat kun je?

Pagina

1 de organen van het transportstelsel opnoemen 3.2.2 Het hart

Wat kun je?

jk

Datum

Pagina

1 op een tekening de ligging van het hart aanduiden

ki

2 uitleggen waar het hart ligt ten opzichte van de omgevende organen

In

3 uitleggen uit welk weefsel het hart bestaat 4 op een tekening de uitwendige delen van het hart aanduiden en benoemen

5 op een afbeelding van een doorsnede van het hart de inwendige delen aanduiden en noemen. 6 uitleggen welk deel van het hart het sterkst gespierd is 7 de bloedvaten die verbonden zijn met het hart aanduiden op een tekening en benoemen 8 de functie van de hartkleppen uitleggen 9 de functie van de halvemaanvormige kleppen in de aorta en de longslagader uitleggen 75


Transportstelsel

Hoofdstuk 3

evalueer jezelf 3.2.3 De bloedvaten Datum

Wat kun je?

Pagina

1 de verschillende soorten bloedvaten opsommen

r

2 de bouwverschillen tussen slagaders, aders en haarvaten uitleggen

aa

3 op een tekening slagader, ader en haarvat herkennen en benoemen

4 de weefsels waaruit een slagader, een ader en een haarvat opgebouwd zijn herkennen op een tekening en benoemen

pl

5 het verband uitleggen tussen de bouw en de functie van een slagader, een ader en een haarvat

6 het belang van de aanwezigheid van kleppen in sommige aders uitleggen Datum

Wat kun je?

em

3.3 Bloedsomloop

1 de bloedvaten van de grote bloedsomloop op een tekening aanduiden en benoemen 2 de weg beschrijven die het bloed volgt in de grote bloedsomloop

ex

3 uitleggen wat de functie is van de slagaders in de grote bloedsomloop 4 uitleggen wat de functie is van de haarvaten in de grote bloedsomloop

jk

5 uitleggen wat de functie is van de aders in de grote bloedsomloop 6 uitleggen wat de functie is van de poortader

ki

7 de bloedvaten van de kleine bloedsomloop op een tekening aanduiden en benoemen

In

8 de weg beschrijven die het bloed volgt in de kleine bloedsomloop

9 uitleggen wat de functie is van de slagaders in de kleine bloedsomloop 10 uitleggen wat de functie is van de haarvaten in de kleine bloedsomloop 11 uitleggen wat de functie is van de aders in de kleine bloedsomloop 12 de kenmerken van de bloedsomloop bij de mens uitleggen

76

Pagina


Hoofdstuk 3

Transportstelsel

syntheseopdracht

In

ki

jk

ex

em

pl

aa

r

1 Kleur de op de afbeelding zichtbare organen van het transportstelsel rood.

Afb. 19

2 Welke organen die tot het transportstelsel behoren, zijn niet zichtbaar op de afbeelding?

3 Formuleer de functie van het transportstelsel.

77


r

UITSCHEIDINGSSTELSEL

aa

4

In dit hoofdstuk leer je wat uitscheiding is.

In

ki

jk

ex

em

de uitscheiding.

pl

Je leert welke organen belangrijk zijn voor

78


Hoofdstuk 4

Uitscheidingsstelsel

4.1 Noodzaak van uitscheiding onderzoeksvraag

Waarvoor is uitscheiding nodig? Afb. 1 gaswisseling tussen lucht en bloed

aa

r

lucht

em

pl

1

1

3

2

jk

Afb. 2 gaswisseling tussen cel en bloed

ex

2

ki

1

bloed

2

1 longblaasje 2 longhaarvat

h: koolstofdioxide h: zuurstofgas h: lucht h: bloed

1 cel 2 haarvat 3 rode bloedcel

h: koolstofdioxide h: zuurstofgas h: bloed

In

opdracht

Vul de tabel in. Gebruik daarvoor informatie bij de afbeeldingen en wat je al weet uit de vorige hoofdstukken. afvalstof gevormd in de cellen lichaamsvloeistof waaraan die afvalstof wordt afgegeven plaats waarnaar die afvalstof vervoerd wordt naam van het proces waarbij afvalstoffen uit het bloed verwijderd worden

uitscheiding

79


Uitscheidingsstelsel

Hoofdstuk 4

In de cellen van ons lichaam worden nog andere afvalstoffen gevormd, zoals ureum. Van sommige nuttige stoffen, zoals water en zout, neem je af en toe te veel op. Die overtollige stoffen moeten uit het bloed verwijderd worden. Als dat niet gebeurt, word je ziek.

Besluit Uitscheiding is nodig om afvalstoffen uit het bloed te verwijderen. Uitscheiding is nodig om stoffen die te veel werden opgenomen uit het bloed te

aa

r

verwijderen.

4.2 Organen die een rol spelen BIJ de uitscheiding

opdracht

1

3 2

In

ki

jk

ex

Noteer de antwoorden.

em

pl

Op bepaalde plaatsen van je lichaam halen organen de afvalstoffen en stoffen die te veel werden opgenomen uit het bloed. Daarna verwijderen ze die stoffen uit het lichaam. Die organen zijn: de longen, de huid en de nieren.

1 longen 2 huid 3 nieren

Afb. 3 uitscheidingsorganen

Welke stoffen moeten uit het bloed verwijderd worden? Waar komen die stoffen vandaan? Door welke organen worden die stoffen uit het bloed verwijderd? Wat is de naam van dat proces?

80


Hoofdstuk 4

Uitscheidingsstelsel

om te onthouden

afvalstoffen uit de cellen en stoffen die te veel werden opgenomen bloed

r

longen, huid, nieren

aa

uitscheiding buitenwereld

4.1 Noodzaak van uitscheiding Datum

Wat kun je?

em

4 Uitscheiding

pl

evalueer jezelf

Pagina

1 omschrijven wat uitscheiding is

2 uitleggen waarvoor uitscheiding nodig is Datum

ex

4.2 Organen die een rol spelen in de uitscheiding Wat kun je?

Pagina

In

ki

jk

1 de organen opsommen die een rol spelen bij de uitscheiding

81


Uitscheidingsstelsel

Hoofdstuk 4

syntheseopdracht

In

ki

jk

ex

em

pl

aa

r

1 Kleur de zichtbare organen van het uitscheidingsstelsel geel.

Afb. 4

2 Welke organen die tot het uitscheidingsstelsel behoren, zijn niet zichtbaar op de afbeelding?

3 Formuleer de functie van het uitscheidingsstelsel.

82


r aa

5

SAMENHANG TUSSEN DE STELSELS In dit hoofdstuk ontdek

pl

je het verband tussen de werking van alle

In

ki

jk

ex

em

stelsels.

83


Samenhang tussen de stelsels

Hoofdstuk 5

Je weet inmiddels dat een organisme is opgebouwd uit verschillende stelsels. Elk stelsel heeft een welbepaalde functie. Al de stelsels samen zorgen voor een goed functioneren van het organisme. Zij zorgen ervoor dat het organisme in leven blijft. Je weet ook dat stelsels opgebouwd zijn uit organen, dat organen opgebouwd zijn uit weefsels en dat weefsels opgebouwd zijn uit cellen. Cellen zijn dus de kleinste bouwstenen van een organisme.

onderzoeksvraag

aa

Elke levende cel is een chemisch fabriekje dat stoffen verwerkt.

r

Welke stofomzettingen vinden er plaats in levende cellen?

em

pl

- Bij mens en dier worden na de vertering van het voedsel, voedingsstoffen opgenomen in de cellen. Bij de ademhaling wordt zuurstofgas via de longen opgenomen in de cellen. Energierijke voedingsstoffen (koolhydraten en vetten) ondergaan in de cellen chemische stofomzettingen door de verbinding met zuurstofgas. Ze worden afgebroken tot energiearme stoffen, koolstofdioxide en water. Bij dat proces komt chemische energie vrij in de cellen. Dat is de celademhaling. Andere voedingsstoffen, zoals eiwitten en mineralen, zijn nodig voor de opbouw en het goed functioneren van de cellen. De afvalstoffen die bij die stofomzettingen vrijkomen, worden door de cellen aan het bloed afgegeven. In de klieren van het lichaam bouwen cellen hormonen en spijsverteringssappen op. Daarvoor heeft het lichaam bouwstoffen, zoals eiwitten, nodig. Hormonen zijn chemische stoffen die via het bloed doorheen het lichaam vervoerd worden. Ze zorgen voor de goede werking van het lichaam. De alvleesklier produceert het hormoon insuline, dat de hoeveelheid suiker in het bloed regelt. De alvleesklier produceert ook alvleessap, een spijsverteringssap. Stoffen in het alvleessap breken eiwitten, koolhydraten en vetten af.

ex

opdracht

Zet deze begrippen op de juiste plaats in het schema: chemische energie en warmteenergie, koolhydraten en vetten, koolstofdioxide en water, zuurstofgas.

jk

energierijke voedingsstoffen:

energiearme stoffen: +

In

ki

+

CEL

1 g glucose levert bij afbraak in de cel 6 kJ chemische energie + 10 kJ warmte (die verloren gaat).

Besluit In elke levende cel gebeuren stofomzettingen. Energierijke voedingsstoffen worden met behulp van zuurstofgas omgezet in energiearme stoffen. Daarbij komt chemische energie en warmte-energie vrij.

84


Hoofdstuk 5

Samenhang tussen de stelsels

onderzoeksvraag

Welke energieomzettingen vinden er plaats in de cel?

r

Elke levende cel is een chemisch fabriekje waar energie wordt vrijgemaakt. Elke cel van het lichaam bevat chemische energie. Die energievorm wordt omgezet in andere energievormen. Er gaat bijna geen energie verloren.

aa

opdracht

Vul de juiste energievorm in. Kies uit: elektrische energie – bewegingsenergie – stralingsenergie – warmte-energie.

voor de werking van de spieren

g

g

om de lichaamstemperatuur op peil te houden voor de werking van de zenuwcellen

ex

Besluit

em

Chemische energie g

Activiteit

pl

Chemische energie g energievorm

In elke cel wordt chemische energie omgezet in een andere energievorm: - elektrische energie - bewegingsenergie

In

ki

jk

- warmte-energie

85


Samenhang tussen de stelsels

Hoofdstuk 5

Cellen spelen een centrale rol in de samenhang tussen de stelsels. Dat wordt duidelijk in de volgende tekst.

aa

r

Cellen zijn net kleine fabriekjes die energie vrijmaken uit energieleverende stoffen (brandstoffen) met behulp van zuurstofgas. Hierbij ontstaat koolstofdioxide. Je kent dat hele proces als de celademhaling. Cellen doen ook aan stofomzettingen, waarbij nuttige stoffen zoals hormonen en spijsverteringssappen aangemaakt worden. Hiervoor gebruiken ze bouwstoffen. Bij al deze stofomzettingen ontstaan ook afvalstoffen.

pl

Opdat een organisme in leven blijft, is het nodig dat alle cellen optimaal werken. Cellen moeten dus voorzien worden van een aantal grondstoffen (voedingsstoffen en zuurstofgas). Zo komt zuurstofgas via het ademhalingsstelsel in het lichaam. Dat gebeurt door de gaswisseling in de longen. Brandstoffen en bouwstoffen worden vanuit de dunne en de dikke darm opgenomen in het lichaam. Het aanbrengen van brandstoffen en bouwstoffen is dus de taak van het spijsverteringsstelsel.

ex

em

Die grondstoffen worden allemaal opgenomen in het bloed. Dankzij het hart en de bloedvaten kunnen ze naar alle cellen van het lichaam gebracht worden. Deze functie wordt vervuld door het transportstelsel.Ter hoogte van de haarvaten kunnen de cellen de grondstoffen opnemen uit het bloed. De cellen hebben ondertussen koolstofdioxide en afvalstoffen geproduceerd. Die stoffen moeten zo snel mogelijk weg uit de cel. Ze worden aan het bloed in de haarvaten afgegeven. Afhankelijk van het orgaan of weefsel waartoe ze behoren, kunnen cellen ook nuttige stoffen zoals hormonen of spijsverteringssappen produceren. Deze laatste worden rechtstreeks in de kanalen van het spijsverteringsstelsel geloosd. Hormonen moeten echter naar andere organen in het lichaam gevoerd worden via het bloed.

jk

Koolstofdioxide, afvalstoffen en stoffen die te veel werden opgenomen moeten zo snel mogelijk uit het bloed en uit het lichaam verwijderd worden. De gaswisseling in de longen zorgt voor het verwijderen van koolstofdioxide. Afvalstoffen en stoffen die te veel werden opgenomen verlaten het lichaam via de nieren en de huid. Het uitscheidingsstelsel heeft dus ook een belangrijke taak te vervullen.

ki

De beschermstoffen die via het spijsverteringsstelsel in het bloed terechtkomen, worden via het transportstelsel meteen naar alle organen gevoerd.

In

Zo zie je dus: stelsels kunnen niet naar behoren werken als hun bouwstenen, de cellen, niet optimaal werken. En cellen kunnen niet optimaal werken als de verschillende stelsels hun functies niet naar behoren uitvoeren. Er is dus een samenhang tussen de stelsels waarbij de cel een centrale rol speelt.

86


Hoofdstuk 5

Samenhang tussen de stelsels

om te onthouden spijsverteringsstelsel

ademhalingsstelsel

voedingsstoffen

zuurstofgas transportstelsel koolstofdioxide

transportstelsel

aa

r

cel

pl

afvalstoffen teveel opgenomen stoffen uitscheidingsstelsel

chemische energie

bewegingsenergie warmte-energie elektrische energie

ex

syntheseopdracht

em

Energieomzettingen in de levende cel

Noteer het juiste cijfer op de juiste plaats in het schema: ademhalingsstelsel 2 spijsverteringsstelsel 3 transportstelsel 4 uitscheidingsstelsel 5 cel die aan celademhaling en stofomzettingen doet 6 dunne en dikke darm 7 huid 8 longen 9 nieren 10 uitwerpselen 11 voedsel 12 zuurstof en koolstofdioxide 13 voedingsstoffen 14 afvalstoffen en teveel opgenomen stoffen 15 urine

In

ki

jk

1

Afb. 1 samenhang tussen de stelsels

87


Samenhang tussen de stelsels

Hoofdstuk 5

evalueer jezelf 5 Samenhang tussen de stelsels Wat kun je?

Pagina

1 met behulp van een schema verwoorden dat in een levende cel stofomzettingen plaatsvinden

2 voorbeelden geven van energierijke- en energiearme stoffen

aa

3 verwoorden dat bij de stofomzettingen in de cel energie vrijkomt

r

Datum

In

ki

jk

ex

em

pl

4 voorbeelden van energieomzettingen in de cel opnoemen

88


r aa

6

Gelijkenissen en verschillen bij de inwendige bouw van de gewervelden Je vergelijkt de inwendige bouw bij de

verschillende klassen van de gewervelde dieren.

In

ki

jk

ex

em

milieu, evolutie ...

pl

Je zoekt verbanden tussen bouw, leefgewoonten,

89


Gelijkenissen en verschillen bij de inwendige bouw van de gewervelden

Hoofdstuk 6

6.1 Gelijkenissen bij de inwendige bouw van de verschillende klassen van gewervelde dieren

2 5

3

14

10 11

1 6

9

15 7

11

1

14

7

16

9 4

4

17

12

pl

12 13

15

Afb. 1 konijn inwendig

10

3

ex

em

8

1

4a

9

4

4a

3 3a

jk

7

6

14

10 4 15

ki

2a

In

9

Afb. 4 duif inwendig

5

2

7

3 4

5a

11

14 15 10

1 6 9 90

5a 5

12

11

12

14

5

Afb. 3 vis inwendig

2

5

Afb. 2 kikker inwendig

2

1

10

r

3

aa

2

11 Afb. 5 hagedis inwendig

Legende 1 mondholte 2 slokdarm 2a krop maag 3 3a spiermaag 4 dunne darm 4a blindzakken 5 dikke darm 5a cloaca 6 luchtpijp 7 long 8 kieuwen 9 hart 10 nier 11 urineleider 12 urineblaas 13 urinebuis 14 eierstok 15 eileider 16 baarmoeder 17 schede

5a


Hoofdstuk 6

Gelijkenissen en verschillen bij de inwendige bouw van de gewervelden

opdracht

Je vindt bij alle klassen alle stelsels wel / niet terug.

aa

r

In de afbeeldingen heeft ieder stelsel een eigen kleur. Vul naast de kleurcode de naam van het stelsel in.

em

opdracht

pl

6.2 Gelijkenissen en verschillen bij de bouw van het spijsverteringsstelsel bij gewervelde dieren

Vergelijk de bouw van het spijsverteringsstelsel op de afbeeldingen 1 tot en met 5. Het bouwplan van dit stelsel toont bij de verschillende klassen veel gelijkenis. Welke spijsverteringsorganen zie je bij alle gewervelde dieren?

ex

Toch zie je een aantal verschillen. Lees hier onder de beschrijvingen en noteer van elk deel de naam. Bekijk de tekeningen aandachtig en gebruik de namen uit de legende. Verschillen

: uitstulpingen aan de wand van de dunne darm. Ze vormen een verlenging van het verteringskanaal en zorgen voor een betere vertering. Deze extra ondersteuning compenseert het ontbreken van een gebit.

In

ki

jk

Vissen

AmfibieĂŤn

: verbreding bij het einde van de dikke darm. In dit orgaan monden ook de eileiders en de urineblaas uit.

Reptielen

: verbreding bij het einde van de dikke darm. In dit orgaan monden ook de eileiders en de urineblaas uit.

Vogels

: verbreding van de slokdarm bij zaadetende vogels. Hier wordt het doorgeslikte voedsel geweekt. : sterk gespierd gedeelte net voorbij de eigenlijke maag of kliermaag. In dit orgaan met heel dikke gespierde wand wordt het geweekte plantaardige voedsel fijngemalen met behulp van steentjes. Deze bewerking is nodig want een vogel heeft geen tanden en kan bijgevolg het voedsel niet kauwen. : verbreding bij het einde van de dikke darm. In dit orgaan monden ook de eileiders en de urineblaas uit. 91


Gelijkenissen en verschillen bij de inwendige bouw van de gewervelden

Zoog­ dieren

Hoofdstuk 6

Het spijsverteringsstelsel van een konijn lijkt goed op dat van de mens. Een konijn is een planteneter. Plantaardig weefsel verteert minder gemakkelijk dan dierlijk weefsel. Welk onderdeel van de plantencel is verantwoordelijk voor die moeilijkere

r

afbraak? Bij planteneters is het darmkanaal dan ook langer dan / korter dan / even lang als bij alleseters en vleeseters.

aa

6.3 Gelijkenissen en verschillen bij de bouw van het ademhalingsstelsel bij gewervelde dieren opdracht

pl

Vergelijk de bouw van het ademhalingsstelsel op de afbeeldingen 1 tot en met 5. Bij welke klasse is dat totaal anders gebouwd?

em

Waarmee houdt dat verband?

ex

Bekijk de afbeelding van de kieuwen.

2

Afb. 6 kieuwen met kieuwboog (1) en kieuwplaatjes (2)

In

ki

jk

1

Kieuwen bestaan uit een stevige benige boog, de kieuwboog, waarop 2 rijen met een groot aantal platte plaatjes, kieuwplaatjes, vastzitten. Deze plaatjes hebben een zeer dunne wand en bevatten heel veel haarvaten. Doorheen die dunne wand wordt zuurstofgas opgenomen in het bloed.

onderzoeksvraag

Welk voordeel biedt het grote aantal zeer dunne plaatjes? Hypothese:

92


Hoofdstuk 6

Gelijkenissen en verschillen bij de inwendige bouw van de gewervelden

Experiment benodigdheden: - een lapje geweven stof van ongeveer 10 cm . 10 cm - een maatbeker - water werkwijze vul de maatbeker voor 2/3 met water rafel de stof uit tot een hoogte van ongeveer 5 cm vouw de stof in 2 zodat een dubbele laag rafels ontstaat neem de dubbel gevouwen stof vast aan de niet gerafelde kant dompel het gerafelde deel in het water en beweeg in het water heen en weer noteer hoe de rafels zich gedragen bij waarneming 1 haal de stof uit het water kijk hoe de rafels zich gedragen en noteer bij waarneming 2

pl

aa

r

1 2 3 4 5 6 7 8

waarneming 1 in water blijven de rafels los van elkaar / kleven de rafels aan elkaar

em

waarneming 2 in lucht blijven de rafels los van elkaar / kleven de rafels aan elkaar Verklaring Met welk deel van de kieuwen kan je de rafels vergelijken?

ex

Hoe gedragen de kieuwplaatjes zich bij een vis die rondzwemt in het water?

jk

Wat gebeurt er met de kieuwplaatjes als je de vis uit het water haalt?

Welke invloed heeft dit op de zuurstofopname?

In

ki

Schrap in onderstaande tekst wat fout is. Onder water zijn de kieuwplaatjes los van / verkleefd aan elkaar. Hierdoor is het contactoppervlak tussen water en haarvaten groot / klein en kan er veel / weinig zuurstofgas opgenomen worden. Als de kieuwplaatjes omgeven zijn door lucht zijn ze los van / verkleefd aan elkaar. Hierdoor vergroot / verkleint het contactoppervlak tussen water en haarvaten en kan er meer / minder zuurstofgas opgenomen worden.

Besluit Het grote aantal kieuwplaatjes zorgt voor

.

Lees je hypothese. Stuur bij waar nodig.

93


Gelijkenissen en verschillen bij de inwendige bouw van de gewervelden

Hoofdstuk 6

opdracht

pl

Van welke andere klasse van de gewervelde dieren weet jij dat ze ook sterk aan een waterrijke omgeving gebonden zijn?

aa

r

Als je even teruggaat in de geschiedenis van het leven dan stel je vast dat vissen de oudste vertegenwoordigers zijn van de gewervelde dieren. Fossielen van vissen werden aangetroffen in gesteentelagen van ruim 400 miljoen jaar oud. In die tijd was er enkel leven aanwezig in het water. In iets jongere gesteenten vindt men fossielen met kenmerken die erop wijzen dat er een migratie mogelijk wordt naar het land. In gesteenten van zowat 370 miljoen jaar geleden treft men voor het eerst fossielen aan van een nieuwe groep van gewervelden die door hun bouw nog steeds afhankelijk zijn van een vochtige omgeving, maar toch buiten het water overleven.

Hoe ziet het ademhalingsstelsel van deze dieren er uit?

em

Op afbeelding 7 is het ademoppervlak van de kikker donkerblauw gekleurd. Langs welke organen neemt de kikker zuurstofgas op?

Afb. 7 ademhalingsstelsel kikker

jk

ex

Welke eigenschappen van de huid maken zuurstofgasopname mogelijk? Schrap wat fout is. - huid bedekt met schubben / veren / haren / zonder bedekking - vochtige / droge huid - dikke / dunne bovenste huidlaag - veel / weinig haarvaten in de onderste huidlaag

ki

Langs welke organen kan een kikker zuurstofgas opnemen - aan land?

In

- onder water?

94


Gelijkenissen en verschillen bij de inwendige bouw van de gewervelden

Afb. 8 longen salamander

pl

aa

r

Hoofdstuk 6

Afb. 9 longen hagedis

em

Vergelijk de structuur van het longoppervlak van een salamander, een amfibie, en een hagedis, een reptiel. Bij welk dier zie je de meeste plooien (uitstulpingen) in het longoppervlak?

ex

De longstructuur van de hagedis laat meer / minder zuurstofopname toe dan die van de salamander.

jk

Salamanders en hagedissen van hetzelfde formaat hebben ongeveer evenveel zuurstofgas nodig om te overleven. Hoe slaagt de salamander met zijn kleiner longoppervlak er toch in om voldoende zuurstofgas uit de lucht te halen?

In

ki

Met zijn dunne vochtige huid is de salamander gebonden aan een vochtig milieu. De hagedis daarentegen is een echt landdier.

De oudste fossielen van reptielen dateren van ongeveer 360 miljoen jaar geleden.

De eerste zoogdieren en vogels dateren van zowat 200 miljoen jaar geleden. Ze zijn gedurende een langere tijd verder ontwikkeld dan de vissen, amfibieĂŤn en reptielen.

95


Gelijkenissen en verschillen bij de inwendige bouw van de gewervelden

Hoofdstuk 6

pl

aa

r

Afb. 11 longen konijn

opdracht

em

Afb. 10 longen vogel met luchtzakken

Bekijk afbeeldingen 10 en 11. Wat valt je op bij het ademoppervlak van vogels en zoogdieren?

jk

ex

Bij vogels zijn de longen opgebouwd uit een netwerk van zeer fijne longbuisjes waarvan de wanden bekleed zijn met haarvaten. Hier gebeurt de zuurstofopname. Vanuit dit netwerk is er een verbinding met de longzakken. Dit zijn ballonachtige structuren die doorlopen tot in de vleugels, de hals, de borstkas en de buikholte. Tijdens het vliegen worden deze zakken beurtelings opengetrokken en weer samengedrukt door de vliegbeweging. Hierdoor wordt een extra groot volume lucht door de longen gepompt. Welk voordeel biedt deze aanpassing?

In

ki

Welke structuur zorgt in de zoogdierlong voor oppervlaktevergroting?

Vogels en zoogdieren kunnen meer / even veel / minder zuurstofgas opnemen dan de andere gewervelde dieren.

Het vermogen om zuurstofgas op te nemen is groter bij de klassen die de langste ontwikkeling doorliepen. Vogels en zoogdieren nemen niet alleen veel meer zuurstofgas op, ze verbruiken ook veel meer zuurstofgas dan vissen, amfibieĂŤn en reptielen. Waarvoor wordt die extra grote hoeveelheid zuurstofgas gebruikt?

96


Hoofdstuk 6

Gelijkenissen en verschillen bij de inwendige bouw van de gewervelden

opdracht Bekijk de tijdstabel en kleur de vakjes in naast de periode(n) waarin de klasse voorkomt. Doe dit in de kleur van de naam van de klasse. Baseer je op de gegevens uit de tekst hierboven.

r

homo sapiens

zoogdieren

aa

vogels

reptielen

amfibieĂŤn

tot -2500 -2500 tot -540 -540 tot -490 -490 tot -445 -445 tot -420 -420 tot -360 -360 tot -300 -300 tot -250 -250 tot -200 -200 tot -145 -145 tot -65 -65 tot -55 -55 tot -34 -34 tot -23 -23 tot -5,3 -5,3 tot -1,8 -1,8 tot -0,01 -0,01 tot nu

pl

Archeicum ProterozoĂŻcum Cambrium Ordovicium Siluur Devoon Carboon Perm Trias Jura Krijt Paloceen Eoceen Oligoceen Mioceen Plioceen Pleistoceen Holoceen

vissen

Tijd in miljoen jaar

ex

em

Periode

planten

eencelligen

Tijdsoverzicht van de evolutie van het eerste leven tot nu

ki

jk

6.4 Gelijkenissen en verschillen bij de bouw van het transportstelsel bij gewervelde dieren

3

4b

In

4

4a

3

1

2

6

1a

1b

7

Afb. 12 bloedsomloop vis

7 6

Afb. 13 bloedsomloop amfibie

5

1b

1a

8

2 8

4

3

5

2a

2b

8 7

6

Afb. 14 bloedsomloop reptiel

97


Gelijkenissen en verschillen bij de inwendige bouw van de gewervelden

1b

1a 6

2b

2a

8

7

7

6

1

voorkamer(s)

2

kamer(s)

3

kieuw-/longslagader

4

kieuw-/longhaarvaten

5

longader

6

aorta

7

lichaamshaarvaten

8

holle ader

Afb. 16 bloedsomloop zoogdier

pl

Afb. 15 bloedsomloop vogel

Legende

5

r

2b

2a

4

3

1b

1a 8

5

aa

4

3

Hoofdstuk 6

opdracht

em

Vergelijk de afbeeldingen 12 tot en met 16. Bij alle gewervelde dieren stroomt het bloed in een gesloten kring, ze hebben een gesloten bloedsomloop. Bij welke klasse zie je het eenvoudigst gebouwde hart?

ex

Hoeveel voorkamers zijn er? Hoeveel kamers zijn er?

ki

jk

Het bloed wordt door de kamer naar de kieuwen gestuurd en stroomt dan verder naar de lichaamsdelen. Van de lichaamsdelen stroomt het naar de voorkamer en wordt dan naar de kamer geduwd. Teken met rode en blauwe pijlen de stroomrichting van het bloed in de grote bloedvaten. Zowel de zuurstofopname in de kieuwen als de zuurstofafgifte in het lichaam gebeurt tijdens die ene omloop. De vis heeft een enkelvoudige / dubbele bloedsomloop.

In

Bij welke klasse(n) is het hart gebouwd zoals het hart bij de mens?

Bij deze dieren vertrekt uit de linkerkamer zuurstofrijk bloed naar de lichaamsdelen. Na de doortocht door de lichaamshaarvaten gaat het zuurstofarme bloed via de rechtervoorkamer en de rechterkamer naar de longen. Koolstofdioxide verlaat het bloed en zuurstof wordt er opgenomen. Het bloed stroomt dan verder naar de linkervoorkamer. Nergens wordt zuurstofrijk bloed gemengd met zuurstofarm bloed. De omloop langs de longen is volledig gescheiden van de omloop langs de andere lichaamsdelen. Zoogdieren en vogels hebben een enkelvoudige / dubbele bloedsomloop. Bij amfibieĂŤn en reptielen zie je een tussenvorm. Bij welke van deze twee klassen zie je het minst ontwikkelde hart?

98


Hoofdstuk 6

Gelijkenissen en verschillen bij de inwendige bouw van de gewervelden

Wat ontbreekt hier volledig?

Wat gebeurt in dit hart met het zuurstofrijke bloed dat binnenkomt langs de linkervoorkamer en het zuurstofarme bloed dat binnenstroomt via de rechtervoorkamer?

r

Het bloed wordt door de kamer naar de longen en naar de lichaamsdelen geduwd. Dat bloed is zuurstofrijk / zuurstofarm / gemengd.

aa

Het bloed dat naar de lichaamscellen van een amfibie vloeit bevat meer / minder zuurstofgas dan bij de andere gewervelde dieren.

Bekijk het hart van een reptiel. Hier zie je tussen linker- en rechterkamer geen / een gedeeltelijke / een volledige scheidingswand.

em

pl

Het zuurstofrijke en het zuurstofarme bloed mengt hier ook, toch blijft het bloed in de linkerkamer zuurstofrijker. Het bloed dat naar het lichaam gestuurd wordt is zuurstofrijker / even zuurstofrijk / zuurstofarmer dan bij de amfibieën. Het bloed dat naar de longen gestuurd wordt is zuurstofrijker /even zuurstofrijk / zuurstofarmer dan bij de amfibieën. Amfibieën en reptielen hebben een dubbele / enkele bloedsomloop waarbij het hart volledig / gedeeltelijk gescheiden is.

In

ki

jk

ex

Welk verband zie je tussen de bouw van het transportstelsel en de evolutie bij de gewervelde dieren?

99


Gelijkenissen en verschillen bij de inwendige bouw van de gewervelden

Hoofdstuk 6

om te onthouden

bij vissen: bij zaadetende vogels: bij plantenetende zoogdieren:

em

Aanpassingen die zorgen voor een betere werking:

pl

6.2 Gelijkenissen en verschillen bij het spijsverteringsstelsel Bij alle gewervelde dieren bestaat het spijsverteringsstelsel uit:

aa

r

6.1 Gelijkenissen bij de inwendige bouw van de gewervelde dieren Bij alle gewervelde dieren tref je de volgende stelsels aan:

In water bij vissen:

ex

6.3 Gelijkenissen en verschillen bij het ademhalingsstelsel De bouw van de organen houdt verband met de leefomgeving In een vochtige omgeving bij amfibieën:

jk

op het land bij reptielen: op het land bij vogels:

ki

op het land bij zoogdieren:

Bij de verder geëvolueerde klassen is het vermogen om zuurstofgas op te nemen groter / kleiner dan bij de eerst ontwikkelde klassen.

In

6.4 Gelijkenissen en verschillen bij het transportstelsel Alle gewervelde dieren hebben een gesloten bloedsomloop. Verschillen bij de bouw van het hart: - enkelvoudig hart bij

- gedeeltelijk gescheiden hart bij - volledig gescheiden hart bij Verder geëvolueerde klassen hebben een enkelvoudige / dubbele bloedsomloop.

Bij de verder geëvolueerde klassen is het vermogen om zuurstofgas te vervoeren groter / kleiner dan bij de eerst ontwikkelde klassen.

100


Hoofdstuk 6

Gelijkenissen en verschillen bij de inwendige bouw van de gewervelden

evalueer jezelf

em

pl

aa

r

6. Gelijkenissen en verschillen bij de inwendige bouw van gewervelde dieren 6.1 Gelijkenissen bij de inwendige bouw van de verschillende klassen van gewervelde dieren Datum Wat kun je? Pagina 1 opsommen welke stelsels je bij alle gewervelde dieren aantreft 6.2 Gelijkenissen en verschillen bij de bouw van het spijsverteringsstelsel bij gewervelde dieren Datum Wat kun je? Pagina 1 de organen van het spijsverteringsstelsel opsommen die je bij alle gewervelde dieren aantreft 2 verwoorden wat bijzonder is aan het spijsverteringsstelsel bij een vis 3 uitleggen wat een cloaca is 4 verwoorden wat bijzonder is aan het spijsverteringsstelsel van een zaadetende vogel 5 het belang van een langer darmstelsel verklaren bij plantenetende zoogdieren 6.3 Gelijkenissen en verschillen bij de bouw van het ademhalingsstelsel bij gewervelde dieren Datum Wat kun je? Pagina

In

ki

jk

ex

1 de ademhalingsorganen van een vis beschrijven 2 verklaren welk verband er is tussen de bouw van het ademhalingsstelsel en het leven in het water bij een vis 3 de ademhalingsorganen van amfibieën beschrijven 4 uitleggen welk verschil er is tussen de longen van amfibieën en reptielen 5 een verklaring geven voor het bouwverschil van amfibieën- en reptielenlongen 6 verwoorden wat typisch is voor het ademhalingsstelsel bij vogels 7 verklaren hoe het komt dat vogels en zoogdieren erin slagen een constante lichaamstemperatuur te behouden 8 het verband verklaren tussen de bouw van de ademhalingsorganen en de evolutie 6.4 Gelijkenissen en verschillen bij de bouw van het transportstelsel bij gewervelde dieren Datum Wat kun je? Pagina 1 op een tekening het hart herkennen van een vis, een amfibie, een reptiel, een vogel en een zoogdier 2 uitleggen wat een enkelvoudige bloedsomloop is 3 uitleggen wat een dubbele bloedsomloop is 4 een verklaring geven voor de aanwezigheid van gemengd bloed in het hart van reptielen en amfibieën 5 een verband leggen tussen de evolutie en de bouw van het hart bij gewervelde dieren 101


r aa

In

ki

jk

ex

em

pl

7

VOEDSELRELATIES EN BIODIVERSITEIT

In dit hoofdstuk bespreek je de soorten relaties tussen organismen. Je leert hoe voedselrelaties voorgesteld worden. Je gaat na wat het belang is van biodiversiteit en onderzoekt hoe de mens die biodiversiteit beĂŻnvloedt.

102


Hoofdstuk 7

Voedselrelaties en biodiversiteit

7.1 VOEDSELKRINGLOOP 7.1.1 SOORTEN RELATIES TUSSEN ORGANISMEN

onderzoeksvraag

aa

Welke relaties zijn er tussen organismen in een biotoop?

r

De organismen die je aantreft in een biotoop zijn meestal afhankelijk van elkaar. Een merel zoekt een struik als beschermende omgeving om er een nest te bouwen. Een kever gebruikt de bladeren van die struik als voedsel en valt zo misschien ten prooi aan de merel. Er is een relatie tussen de organismen.

opdracht

pl

Noteer bij elke afbeelding welke relatie er is tussen de organismen die je ziet.

ex

Afb. 1 hommel op echinaceabloem

em

relatie

jk

Afb. 2 haagwinde rond maïsstengel

ki

Afb. 3 rups van de sint-jakobsvlinder op jakobskruiskruid

In

Afb. 4 regenwormen in compost

Afb. 5 merelnest in boom

Besluit In een biotoop zijn er verschillende relaties tussen organismen: •

relaties •

relaties •

relaties 103


Voedselrelaties en biodiversiteit

Hoofdstuk 7

7.1.2 INDELING VAN DE ORGANISMEN VOLGENS HUN VOEDINGSGEWOONTEN onderzoeksvraag

Hoe deel je organismen in volgens hun voedingsgewoonten? opdracht

Afb. 6

em

pl

aa

r

Markeer in de fotolijst met blauw alle namen van organismen die zich voeden met andere organismen of delen ervan. Info over de voedingsgewoonten van de verschillende organismen vind je in de tabel op pagina 105.

Afb. 7

Afb. 10

schimmel

ex

wilg

Afb. 8

Afb. 11

gras

egel

Afb. 12

mus

Afb. 13

kleine stinkzwam

merel

In

ki

jk

naaktslak

Afb. 9

Afb. 14

bruine kikker

Afb. 18

Afb. 16

bladluis

Afb. 19

kat 104

Afb. 15

Afb. 17

rozenstruik

Afb. 20

mol

regenworm

Afb. 21

honingbij

sla


Hoofdstuk 7

Voedselrelaties en biodiversiteit

Infotabel organisme

Zeer klein insect. Zuigt plantensappen.

bruine kikker

Amfibie. Eet insecten, wormen, slakken ‌

egel

Zoogdier waarvan het merendeel van de haren vervormd is tot stekels. Voedt zich met kleine dieren zoals slakken, wormen en insecten.

gras

Kruidachtige plant. Neemt water en mineralen op uit de bodem.

honingbij

Stekend insect. Verzamelt nectar en stuifmeel. Zet het grootste deel daarvan om in honing en bewaart die als wintervoorraad.

kat

Zoogdier. Voedt zich hoofdzakelijk met kleine dieren zoals muizen, vogels en spinnen.

kleine stinkzwam

Paddenstoel. Komt voor op afgestorven plantendelen, waaruit hij energierijke voedingsstoffen opneemt. Tijdens dat afbraakproces komen mineralen vrij in de omgeving. Ze lossen op in het bodemwater. Na dit proces blijft nog gedeeltelijk afgebroken organisch materiaal over.

merel

Zwarte (mannetje) of donkerbruine (wijfje) vogel. Voedt zich met kleine diertjes (wormen, kevers ...), vruchten en zaden.

aa

pl

em

ex

jk

mus

r

bladluis

mol

ki

naaktslak

In

Wie eet wat?

Klein zoogdier met zwarte vacht. Leeft onder de grond. Eet wormen, insecten en insectenlarven. Kleine, bruingrijze vogel. Voedt zich hoofdzakelijk met zaden. De jongen worden gevoed met insecten. Slak zonder slakkenhuis. Voedt zich met planten.

regenworm

Worm die zich voedt met afgestorven organisch materiaal. Hij haalt er energierijke voedingsstoffen uit. Zijn uitwerpselen bevatten organische resten en vrijgekomen mineralen.

rozenstruik

Houtachtige plant. Neemt water en mineralen op uit de bodem.

schimmel

Organisme dat leeft op plantaardig of dierlijk materiaal. Het breekt weefsels af en neemt daaruit energierijke voedingsstoffen op. Daarbij komen mineralen vrij.

sla

Kruidachtige plant. Neemt water en mineralen op uit de bodem.

wilg

Houtachtige plant. Neemt water en mineralen op uit de bodem. 105


Voedselrelaties en biodiversiteit

Hoofdstuk 7

In de fotolijst op pagina 104 zijn enkele namen van organismen niet gemarkeerd. Omcirkel wat juist is. Die organismen zijn allemaal planten / dieren / schimmels en paddenstoelen. Planten zijn de enige organismen die zich niet voeden met andere organismen. Ze nemen uit hun omgeving water en mineralen op. Planten maken of produceren door fotosynthese zelf energierijke voedingsstoffen (brandstoffen) zoals suikers (glucose en zetmeel) en vetten.

r

Planten zijn producenten.

aa

Markeer in de infotabel op pagina 105 de namen van de producenten met groen.

Sommige van de organismen die in de fotolijst in het blauw gemarkeerd zijn, voeden zich met levende planten en dieren, of met delen van die organismen. Ze halen er energierijke stoffen en bouwstoffen uit, zoals eiwitten en mineralen. Die organismen verbruiken of consumeren andere organismen.

pl

Het zijn consumenten.

Markeer in de infotabel op pagina 105 de namen van de consumenten met blauw.

em

Nu blijven er nog enkele organismen over waarvan de namen niet gemarkeerd zijn. Waarmee voeden die zich?

Dat zijn detrivoren en reducenten.

ex

Detrivoren halen energierijke stoffen en mineralen uit organisch afval. Organisch afval bestaat uit afgestorven resten van planten en/of dieren. Detrivoren, zoals regenwormen, mestkevers en zwammen, breken het organisch afval gedeeltelijk af. Ze halen er onder andere mineralen uit die ze gebruiken voor hun eigen werking. De onvolledig verteerde resten worden daarna samen met een deel van de vrijgekomen mineralen uit hun lichaam verwijderd. Ze komen in de omgeving terecht. De mineralen lossen dan meestal op in het bodemwater.

ki

jk

Markeer in de infotabel op pagina 105 de namen van de detrivoren met geel. Reducenten, zoals bacteriën en schimmels, breken organisch afval, waaronder de door detrivoren deels verteerde afvalstoffen verder af en halen hieruit energie en bouwstoffen. Hierbij komen anorganische stoffen zoals koolstofdioxide, water en mineralen vrij in de omgeving. Markeer in de infotabel op pagina 105 de namen van de reducenten met oranje.

In

Detrivoren en reducenten zijn opruimers in de natuur. Voor welke levende wezens zijn de vrijgekomen mineralen zeer belangrijk?

Besluit Volgens hun voedingsgewoonten verdeel je organismen in: • • • •

106


Hoofdstuk 7

Voedselrelaties en biodiversiteit

7.1.3 VOORSTELLINGEN VAN VOEDSELRELATIES onderzoeksvraag

Hoe stel je de voedselrelaties tussen organismen voor? A Voedselketen

aa

r

Tijdens de biotoopstudie of een observatie in de tuin kun je de onderstaande situatie waarnemen. Een naaktslak is omhoog gekropen langs de tak van een appelboom en eet van een rijpe appel. Daar wordt de slak opgemerkt door een merel. De merel plukt het slakje weg en neemt het mee naar zijn nest, waar hij het voedt aan een van zijn hongerige jongen. Tijdens zijn nachtelijke strooptocht komt een wezel langs het nest en rooft het mereljong.

opdracht

pl

Je kunt het verhaal korter voorstellen als je enkel de namen van de organismen gebruikt. Je verbindt de namen met pijlen, die aangeven welk organisme een ander organisme eet.

em

De naaktslak die gegeten wordt door de merel stel je als volgt voor: naaktslak merel Het verbindingspijltje betekent dus ‘wordt gegeten door’. Maak met alle vetgedrukte woorden uit het verhaal een soortgelijke geordende voorstelling.

ex

Dat is een voedselketen. Het is een opeenvolging van organismen, waarin elk organisme als voedsel dient voor het volgende. Noteer de namen van: - de producenten:

- de consumenten:

- de reducenten (opruimers):

jk

Je ziet één producent. Op welke plaats staat de producent in de voedselketen?

In

ki

Geef daar een verklaring voor.

Je ziet meerdere consumenten.

De naaktslak voedt zich met planten / dieren. Ze is een consument van de eerste orde. De merel in deze voedselketen neemt voedingsstoffen op van de naaktslak. De merel is een consument van de tweede orde. Noem de consumenten van de derde orde in deze voedselketen.

Een voedselketen is een zeer eenvoudige voorstelling van voedselrelaties. In de natuur verloopt het ‘eten en gegeten worden’ heel wat complexer. 107


Voedselrelaties en biodiversiteit

Hoofdstuk 7

B Voedselweb

roofvogels

aa

r

vossen

pl

slangen

em

insectenetende vogels

kikkers

ex

spinnen

eekhoorns

muizen

zaadetende vogels

plantenetende insecten

jk

konijnen

roofinsecten

ki

Afb. 22 voedselweb

In

opdracht

Op afbeelding 22 zie je dat verschillende voedselketens door elkaar lopen en gemeenschappelijke schakels hebben. Dat is een voedselweb. Haal twee volledige voedselketens uit het voedselweb en noteer ze. -

108


Hoofdstuk 7

Voedselrelaties en biodiversiteit

C Voedselkringloop

r

In de voedselketen en het voedselweb vind je niets terug over het ontbindingsproces van de afgestorven resten van organismen. In de natuur worden die resten als voedsel gebruikt door detrivoren en reducenten. Organismen zoals regenwormen, paddenstoelen, schimmels en bacteriĂŤn halen er energierijke stoffen en bouwstoffen uit. Tijdens het verteringsproces komen mineralen en water vrij, die de organismen niet nodig hebben. Die stoffen komen in het bodemwater terecht en worden door de planten opgenomen.

aa

opdracht

pl

In het onderstaande schema vind je al die informatie terug. De pijlen tussen de verschillende organismen stellen de richting van de voedselstroom voor. Noteer bij elke pijl wat het ene organisme opneemt van het andere. Kies uit: - water en mineralen - energierijke stoffen en bouwstoffen CONSUMENT

Afb. 23

Afb. 24

organisch afval

ex

em

PRODUCENT

In

ki

jk

DETRIVOOR - REDUCENT

Afb. 25

bodemwater

In de voorstelling zie je dat voedingsstoffen voortdurend doorstromen van het ene levende wezen naar het andere. Dat is een voedselkringloop.

109


Voedselrelaties en biodiversiteit

Hoofdstuk 7

D Voedselpiramide

Afb. 26 sperwer

aa

r

We nemen een eenvoudige voedselrelatie uit een landelijke omgeving.

Afb. 27 groenling

Afb. 28 zaden

OPDRACHT

em

pl

De sperwer, een kleine roofvogel met een gemiddelde massa van 230 g, leeft aan bosranden, in parken en in tuinlandschappen. Hij voedt zich vooral met kleine vogels zoals vinken, mussen, merels, lijsters, spreeuwen, ... Om te overleven heeft een sperwer per dag ongeveer 80 g voedsel nodig. Dat komt overeen met 3 prooien. Een kleine vogel heeft per dag ongeveer 4 g zaden nodig om te overleven.

Bereken hoeveel voedsel nodig is om de sperwer gedurende één maand (30 dagen) in leven te houden. Gebruik hierbij de meest passende eenheid. - Wat is de totale massa van de prooien die de sperwer verorbert in die periode?

ex

- Hoeveel kleine vogels zijn dat?

jk

- Hoeveel voedsel verbruiken deze kleine vogels in die periode? • per dag:

ki

• gedurende 30 dagen:

In

- noteer

de voedselketen de totale massa van elke schakel

Vergelijk de massa van de producenten met de massa van de consumenten. Wat stel je vast?

110


Hoofdstuk 7

Voedselrelaties en biodiversiteit

Met welk model kan je dit ruimtelijk voorstellen? Omcirkel het meest passende model.

em

Hoe heet dit model? Voedsel

pl

aa

r

Noteer de naam van de schakels uit de voedselketen op het juiste niveau in de piramide. Noteer de totale massa van elke schakel ernaast.

Deze voorstelling toont zeer duidelijk dat de basis van voedselrelatie gevormd wordt door de producenten / consumenten. In de berekening hierboven werd geen rekening gehouden met de leeftijd van de prooivogels. De massa van de verbruikte zaden werd berekend over een periode van 3 maanden. De gemiddelde leeftijd van de prooivogeltjes is zeker hoger. De is massa van het door hen verbruikte voedsel is hier onderschat.

ex

Na heel wat onderzoek is vastgesteld dat bij elke stap naar een volgende schakel ongeveer 90% van de organische stoffen verloren gaat. Slechts 10% wordt gebruikt voor de opbouw van de organismen in de bovenliggende laag.

jk

Bereken de reële massa van de basislaag van deze voedingsdriehoek.

In

ki

Waarvoor gebeurt er met de 90 % van het opgenomen voedsel dat niet gebruikt wordt voor de bouw van het van het organisme?

Bij elke opwaartse stap in de voedselpiramide is er een verlies aan energie.

Besluit Voedselrelaties kunnen voorgesteld worden als een: • • • • 111


Voedselrelaties en biodiversiteit

Hoofdstuk 7

onderzoeksvraag

Wat is het verschil tussen een voedselketen, een voedselweb en een voedselkringloop? opdracht Omcirkel de groep organismen die ontbreekt in een voedselketen.

Leg het belang uit van die organismen voor de omgeving.

aa

Zijn die organismen aanwezig in een voedselweb?

r

producenten - consumenten - reducenten - detrivoor

pl

Een voedselkringloop is de enige voorstelling van een voedselrelatie waarin 速 de functie van de producent

em

速 de functie van de consument 速 de functie van de reducent

速 het hergebruik van voedingsstoffen duidelijk wordt.

ex

Besluit

De voedselketen en het voedselweb tonen enkel de relatie tussen en

.

jk

De voedselkringloop toont ook het belang van en het voortdurende hergebruik van voedingsstoffen. De voedselpiramide maakt duidelijk dat producenten de basis vormen van elke

ki

voedselrelatie.

In

onderzoeksvraag

Wat gebeurt er als een van de schakels in een voedselrelatie verdwijnt? opdracht Bekijk afbeelding 22 opnieuw. Het voedselweb dat je daar ziet, geeft de situatie weer in een uitgestrekt landbouwgebied. De plantenetende insecten beschadigen de landbouwgewassen, waardoor de opbrengst vermindert. Dat probleem wordt vaak opgelost door het gebruik van een insecticide. Ga na welke invloed die ingreep heeft op de organismen binnen het voedselweb.

112


Hoofdstuk 7

Voedselrelaties en biodiversiteit

Wat gebeurt er met elke groep organismen? Zet een kruisje in de juiste kolom. organismen

geen invloed

aantal neemt af

aantal neemt toe

roofinsecten spinnen kikkers

r

insectenetende vogels

aa

slangen roofvogels vossen

pl

konijnen eekhoorns

zaadetende vogels planten

em

muizen

ex

Wat is er gebeurd met het aantal dieren in deze biotoop?

jk

Wat gebeurt er met het aantal diersoorten in dit gebied als men regelmatig insecticiden gebruikt?

In

ki

De natuur is verstoord, waardoor sommige organismen verdwijnen. De biodiversiteit, de verscheidenheid aan organismen, in het gebied neemt af. Leg uit wat het uiteindelijke effect is op de opbrengst van de landbouwgewassen.

Is het probleem opgelost? Hoe kan het probleem op een milieuvriendelijke manier opgelost worden?

Besluit Als een schakel in de voedselketen verdwijnt, heeft dat gevolgen voor de volgende schakels. Als gevolg daarvan neemt de

af. 113


Voedselrelaties en biodiversiteit

Hoofdstuk 7

7.2 BIODIVERSITEIT

Afb. 29 tropisch regenwoud

aa

r

Gedurende miljarden jaren heeft het leven op aarde zich ontwikkeld. Het resultaat is een enorme verscheidenheid aan organismen.

Afb. 30 gemengd bos

Afb. 31 toendra

em

pl

Organismen zijn afhankelijk van elkaar en van hun leefomgeving. Zo vind je in een tropisch regenwoud andere organismen dan in een gemengd bos of in de toendra. Elke leefomgeving vormt een ecosysteem waarbinnen er een natuurlijk evenwicht is tussen producenten, consumenten en reducenten. Zonder ingrepen van buitenaf blijft dat systeem in evenwicht en blijft de omgeving gezond.

7.2.1 RELATIE TUSSEN BIODIVERSITEIT EN ECOSYSTEEM onderzoeksvraag

ex

Wat is het belang van biodiversiteit voor het behoud van een ecosysteem? gebied 1

C8

jk

Consument van 3e orde

ki

Consument van 2e orde

In

Consument van 1e orde

Producent

C5

C1

P1

P2

C9

C6

C2

gebied 2 Ce

C7

C3

P3

C4

P4

P5

Cc

Cd

Ca

Cb

Pa

Pb

De afbeelding laat twee voedselwebben zien, waargenomen in twee verschillende gebieden. De namen van de soorten organismen zijn vervangen door P = producent (plantensoort) C = consument van 1e orde (planteneter) C = consument van 2e orde (vleeseter die zich voedt met planteneter) C = consument van 3e orde (vleeseter die zich voedt met vleeseter) 114

Afb. 32


Hoofdstuk 7

Voedselrelaties en biodiversiteit

opdracht Vergelijk de variatie aan plantensoorten in beide gebieden. Wat stel je vast?

Hoeveel soorten organismen zijn betrokken bij het voedselweb in gebied 1?

In welk gebied is de biodiversiteit bijgevolg het grootst? In beide gebieden is het ecosysteem in evenwicht.

aa

r

Hoeveel soorten organismen zijn betrokken bij het voedselweb in gebied 2?

pl

Door een verandering in de omgeving sterft in gebied 1 plantensoort 3 uit. Schrap die plantensoort op afbeelding 32.

em

Onderzoek aan de hand van de vragen hieronder wat de gevolgen van die verstoring zijn voor het evenwicht binnen het gebied.

ex

Welke invloed heeft het verdwijnen van plantensoort 3 op de consumenten van de eerste orde in gebied 1?

jk

Welke invloed heeft dat op de consumenten van de tweede orde in het gebied?

ki

Welke invloed heeft dat op de consumenten van de derde orde in het gebied?

In

Schrap in het voedselweb van gebied 1 alle uitgestorven diersoorten. Hoeveel soorten organismen zijn er in gebied 1 in totaal verdwenen?

Hoeveel soorten organismen blijven er in het gebied over? Vul de tabel aan. oorspronkelijk aantal soorten organismen

totaal aantal soorten organismen dat uitsterft in het gebied

totaal aantal soorten organismen dat overblijft in het gebied

gebied 1 115


Voedselrelaties en biodiversiteit

Hoofdstuk 7

Door een verandering in de omgeving sterft in gebied 2 plantensoort a uit. Welke invloed heeft dat op de consumenten van de eerste orde in het gebied?

aa

r

Welke invloed heeft dat op de consumenten van de tweede orde in het gebied?

pl

Welke invloed heeft dat op de consumenten van de derde orde in het gebied?

em

Hoeveel soorten organismen zijn er in gebied 2 uiteindelijk verdwenen? Schrap die organismen op afbeelding 32.

Hoeveel soorten organismen blijven er in het gebied over?

ex

Vul de tabel aan.

jk

oorspronkelijk aantal soorten organismen

totaal aantal soorten organismen dat uitsterft in het gebied

totaal aantal soorten organismen dat overblijft in het gebied

ki

gebied 2

Vergelijk de cijfers in beide tabellen.

In

Wat stel je vast? Omcirkel wat juist is.

Het verdwijnen van ĂŠĂŠn plantensoort heeft de grootste invloed in gebied 1 / gebied 2. Dat is het gebied met de grootste / kleinste biodiversiteit.

Besluit Hoe kleiner / groter de biodiversiteit, hoe kwetsbaarder het gebied. Hoe kleiner / groter de biodiversiteit, hoe beter het evenwicht binnen een ecosysteem behouden kan blijven. 116


Hoofdstuk 7

Voedselrelaties en biodiversiteit

Extra opdracht Bereken voor beide gebieden hoeveel procent van de soorten binnen het gebied uitgestorven is en hoeveel procent van de soorten er overblijft. De werkelijke aantallen neem je over uit de tabellen op de vorige pagina’s. Gebied 1 %

r

werkelijke aantallen

overblijvende soorten oorspronkelijke soorten

100

Gebied 2

pl

werkelijke aantallen

oorspronkelijke soorten

em

uitgestorven soorten overblijvende soorten

aa

uitgestorven soorten

%

100

Vergelijk de procentuele verdeling van het aantal uitgestorven en overblijvende soorten in beide gebieden.

ex

Wat stel je vast? Vul aan en omcirkel wat juist is.

Het verdwijnen van één plantensoort heeft de grootste invloed in gebied 1 / gebied 2. In dat gebied sterft

% van de soorten uit.

% van de soorten overleeft

de verstoring.

jk

In het gebied met de grootste biodiversiteit overleeft

% van de soorten de

verstoring.

ki

Het evenwicht binnen een ecosysteem blijft beter behouden als de biodiversiteit

groot / klein is.

In

Komt die vaststelling overeen met de vorige?

7.2.2 RELATIE TUSSEN BIODIVERSITEIT EN ECONOMIE onderzoeksvraag

Wat is het economische belang van biodiversiteit? Om met velen op deze planeet te kunnen overleven, heeft de mens gespecialiseerde activiteiten ontwikkeld. Zo zorgt de landbouwsector voor voedsel en voor grondstoffen voor de industrie. Het is interessant als de gekweekte gewassen en dieren snel groeien, weinig ziektegevoelig zijn en bijgevolg voor een goede opbrengst zorgen. Landbouwers zijn al sinds duizenden jaren op zoek naar gewassen en dieren die dat soort interessante kenmerken bezitten. 117


Voedselrelaties en biodiversiteit

Hoofdstuk 7

opdracht In deze oefening vind je - verschillende activiteiten van de mens; - het aspect van de natuur dat interessant is voor een van die activiteiten; - het voordeel dat de mens uit dat aspect haalt.

pl

aa

r

Bekijk de afbeeldingen en lees de bijschriften. Markeer in de tabellen telkens de activiteit, het juiste kenmerk van de natuur en het juiste voordeel voor de mens in de opgegeven kleur.

Afb. 33 waterwinningsgebied

Afb. 34 weide met vee en akkergebied

interessant kenmerk van de natuur

voordeel voor de mens

landbouw groen

niet-vervuilde zones voor waterwinning

voldoende bevoorrading van houtproducten

bosbouw geel

snelgroeiende en sterke rassen van gewassen en vee

levering van leidingwater van goede kwaliteit

waterwinning blauw

voldoende bossen met een grote verscheidenheid aan bomen

rijke oogst, grote vleesen melkopbrengst

jk

ex

em

activiteit

ki

Afb. 36 viswater

In

Afb. 35 gemengd bos

Afb. 37 geneeskrachtige wilde plant

Afb. 38 bloemenweide

activiteit

interessant kenmerk van de natuur

voordeel voor de mens

farmaceutische nijverheid groen

geneeskrachtige eigenschappen van plantensoorten

voldoende productie van honing

bijenteelt geel

verscheidenheid aan vissoorten en de grootte van vispopulaties

mogelijkheden voor ontdekking van nieuwe geneesmiddelen

visserij blauw

grote verscheidenheid aan kleurrijk bloeiende planten die bloeien op verschillende momenten

behoud van voldoende vispopulaties om een goede vangst te garanderen

Naargelang zijn activiteit is de mens geĂŻnteresseerd in bepaalde aspecten van de biodiversiteit. 118


Hoofdstuk 7

Voedselrelaties en biodiversiteit

opdracht

voedingssector

grote variatie aan plantensoorten waaruit men kan selecteren in functie van opbrengst (eetbare vruchten, wortels, stengels, bladeren ...)

grote variatie aan boomsoorten met diverse houtkwaliteiten

grote variatie aan dierenrassen waaruit men kan selecteren in functie van opbrengst (vlees, melk, eieren)

grote diversiteit van kleurrijk bloeiende planten

pl

Verbind in de tabel elke economische sector met de voor die sector belangrijke biodiversiteitskenmerken. Trek de verbindingslijn in de kleur die voor de sector gebruikt is.

energiesector

grote variatie aan plantensoorten waaruit men kan selecteren in functie van het oliegehalte

r

aa

em

uitgestrekte bossen

grote diversiteit van planten en dieren in een rustige, natuurlijke omgeving

aanwezigheid van opvallende, soms spectaculaire dieren plantensoorten

toeristische sector

jk

ex

bouwsector

ki

Besluit

Een grote biodiversiteit is nodig voor het ontwikkelen van verschillende economische

In

sectoren.

119


Voedselrelaties en biodiversiteit

Hoofdstuk 7

7.2.3 RELATIE TUSSEN BIODIVERSITEIT EN ONTSPANNING onderzoeksvraag

Is er een verband tussen biodiversiteit en ontspanning? opdracht

em

pl

aa

r

Bekijk de foto’s en lees de bijschriften. Markeer in de tabel elke activiteit, het juiste kenmerk van de natuur en het juiste voordeel voor de mens in de opgegeven kleur.

Afb. 40 natuur als wandelgebied

Afb. 39 bos met speelweide

interessant kenmerk van de natuur

voordeel voor de mens

natuurbeleving groen

aantrekkelijke, opvallende, soms spectaculaire planten- en diersoorten in een wilde omgeving

leuke, soms avontuurlijke plek om buiten te spelen

rijkdom aan soorten, grote diversiteit van planten en dieren, schoonheid van de natuur

aantrekkelijk toeristisch aanbod, mooi en soms uitdagend

voldoende ruimte, groen, wilde natuur, een beetje avontuurlijk maar niet gevaarlijk

mogelijkheid om rijke en gevarieerde natuur te observeren

jk

ex

activiteit

ki

spelen geel

reizen blauw

In

Afb. 41 beschermd natuurgebied

Besluit Een grotere biodiversiteit geeft meer mogelijkheden tot ontspanning en draagt bij tot het welbevinden van de mens.

120


Hoofdstuk 7

Voedselrelaties en biodiversiteit

7.2.4 INVLOED VAN DE MENS OP DE BIODIVERSITEIT Oorspronkelijk was er in onze regio een goed evenwicht in de verschillende natuurlijke gebieden.

aa

De komst van de mens heeft daar heel wat aan veranderd. Om de winterperioden door te komen moest de mens voorzieningen treffen. Hij had nood aan een schuilplaats, aangepaste kledij en voedselvoorraad.

r

Er waren de kustgebieden met slikken en schorren en moerassige gebieden in de buurt van de kust en bij de riviermondingen. Uitgestrekte heidegebieden op de iets hoger gelegen zandruggen en loofbossen in grote gedeelten van Midden-Vlaanderen, Brabant, Zuid-Limburg.

opdracht

- als kledij?

ex

em

Wat gebruikten de oorspronkelijke bewoners - voor de constructie van een schuilplaats?

pl

Bouwnijverheid, textielnijverheid en voedingsindustrie zijn op dat moment nog onbestaand.

- als voedselvoorraad?

jk

De biodiversiteit wordt hierdoor zo goed als niet beĂŻnvloed.

In

ki

Als het bevolkingsaantal toeneemt, wordt de druk op de omgeving groter. De mens grijpt in op het landschap.

121


Voedselrelaties en biodiversiteit

Hoofdstuk 7

onderzoeksvraag

Welke invloed heeft het landschap op de biodiversiteit? opdracht

r

Zoek voor elk landschap een of meer organismen die in dat landschap voorkomen. Teken naast de organismen gekleurde bolletjes in de kleur waarmee de foto omkaderd is. Afb. 54 vos

aa

Afb. 46 ijsvogel

Afb. 55 regenworm

Afb. 48 orchis

ex

Afb. 49 wild konijn

em

Afb. 42 natuurlijk landschap

pl

Afb. 47 libel

Afb. 56 zandoogje

Afb. 57 bruine kikker

Afb. 43 landbouwlandschap

ki

jk

Afb. 50 paardenbloem

In

Afb. 51 vliegenzwam

122

Afb. 58 eikvaren

Afb. 59 struikheide

Afb. 44 woonlandschap (stadskern)

Afb. 52 merel

Afb. 60 gras

Afb. 53 eekhoorn

Afb. 61 mus

Afb. 45 industrielandschap


Hoofdstuk 7

Voedselrelaties en biodiversiteit

Welk gebied bezit de grootste biodiversiteit?

Geef een verklaring voor de verminderde biodiversiteit in het landbouwlandschap.

aa

r

In de landbouwsector zie je dat kleine velden meer en meer samengevoegd worden tot grote akkers. Houtkanten en akkerzomen met kruiden verdwijnen en de biodiversiteit vermindert nog meer.

pl

Geef een verklaring voor de verminderde biodiversiteit in het woonlandschap.

ex

Besluit

em

Geef een verklaring voor de verminderde biodiversiteit in het industrielandschap.

Het soort landschap heeft een invloed op de biodiversiteit in een gebied.

In

ki

jk

Hoe natuurlijker het landschap, hoe kleiner / groter de biodiversiteit.

123


Voedselrelaties en biodiversiteit

Hoofdstuk 7

onderzoeksvraag

Welke ingrepen van de mens hebben een negatieve invloed op de biodiversiteit?

Afb. 62 honingbij

aa

r

Bij het omvormen van een natuurlijk landschap tot een landbouw-, woon- of industrielandschap wordt een deel van de natuur vernield.

Afb. 63 edelhert

pl

De natuurgebieden die overblijven zijn klein en grenzen niet meer aan elkaar. Door de versnippering (fragmentatie) van natuurgebieden wordt het er voor sommige dieren onleefbaar.

em

Grotere zoogdieren, zoals het edelhert, kunnen niet meer van het ene naar het andere gebied om een partner te zoeken. Na verloop van tijd sterven zulke diersoorten uit.

ex

Ook voor sommige insecten is de versnippering van het landschap dodelijk. In de kleinere gebieden is de variatie aan bloemplanten klein. Waar vroeger gedurende het hele zomerseizoen bloeiende planten aanwezig waren, zijn er nu periodes zonder nectar en stuifmeelproducerende bloemen. Honingbijen, hommels en vlinders vinden daardoor te weinig voedsel. Ze slagen er niet in om voldoende voorraad aan te leggen voor de koude periode. Daardoor verzwakt de soort, worden de dieren vatbaarder voor ziekten en planten ze zich niet voort. Als de insecten uitsterven, komt de bestuiving en de zaadvorming van de bloemplanten in het gebied in gevaar. Daardoor neemt het aantal bloeiende planten nog verder af.

In

ki

jk

Het verdwijnen van de insecten heeft ook gevolgen voor de groente- en fruitteelt. Geef daar een verklaring voor.

Afb. 64 ronde zonnedauw

Afb. 65 moeraswolfsklauw

Planten die houden van voedselarme grond, zoals zonnedauw en moeraswolfsklauw, verdwijnen door overbemesting. Andere soorten, zoals de grote brandnetel, houden van een rijke bodem en gaan overheersen op overbemeste gronden. 124


Hoofdstuk 7

Voedselrelaties en biodiversiteit

Door de industrialisatie, de grotere mobiliteit van de mens en het gebruik van biologische bestrijdingsmiddelen in de land- en tuinbouw zijn er bewust en onbewust organismen uit ander streken in ons leefgebied terechtgekomen. Die exotenimport is niet altijd een verrijking van de biodiversiteit. De reuzenbalsemien en de grote waternavel zijn ingevoerd als tuinplanten. De zaden van de reuzenbalsemien hebben zich zeer snel in de omgeving verspreid. De plant, afkomstig uit de Himalaya, heeft intussen het veel kleinere inheemse springzaad verdrongen.

Afb. 66 reuzenbalsemien

pl

aa

r

De grote waternavel emigreerde uit tuinvijvers naar beken. De plant, afkomstig uit warmere streken, vermenigvuldigt zich zeer snel. Hij verdringt alle andere planten en vormt een dikke deklaag op het wateroppervlak. Daardoor kan er onvoldoende licht in het water doordringen. Dat is dodelijk voor planten die onder het wateroppervlak leven en voor waterdieren.

Afb. 67 grote waternavel

em

In planten- en fruitkwekerijen werd in de vorige eeuw, ter bestrijding van bladluizen, het Aziatische lieveheersbeestje ingevoerd. Die exoot is groter en bijgevolg hongeriger dan de inheemse soorten. De beestjes beperken hun leefgebied echter niet tot de plantenkwekerijen. Ze zijn intussen overal uitgezwermd en zijn een voedselconcurrent geworden voor het inlandse zevenstippige lieveheersbeestje. Die laatste soort is intussen sterk in aantal verminderd.

ki

jk

ex

Het transport van goederen zorgt vaak onbewust voor de import van exoten. Zo reizen zaden, vruchten, insecten, spinnen ... als verstekeling mee en verspreiden ze zich daarna in een nieuw leefgebied. De tijgerspin is daarvan een voorbeeld. Ook dat dier kan hier overleven.

Afb. 68 Aziatisch veelstippig lieveheersbeestje

Afb. 69 tijgerspin

In

Door het grote waterverbruik daalt de stand van het grondwater in Vlaanderen. Als gevolg daarvan vallen moerassen, sloten en plassen droog in de zomerperiode. Heel wat dieren en planten kunnen daardoor niet meer overleven. Geef twee voorbeelden van dieren die daardoor bedreigd zijn.

Besluit De biodiversiteit wordt negatief beïnvloed door onder andere: •

• 125


Voedselrelaties en biodiversiteit

Hoofdstuk 7

onderzoeksvraag

Afb. 70 Wegberm 1 wordt tweewekelijks gemaaid.

aa

r

Welke ingrepen van de mens hebben een positieve invloed op de biodiversiteit?

Afb. 71 Wegberm 2 wordt begin juli en eind september gemaaid.

pl

opdracht Welke wegberm vertoont de grootste biodiversiteit?

jk

ex

em

Geef daar een verklaring voor.

Afb. 72 randbegroeiing bij een bebouwde akker

Afb. 73 wegberm

In

ki

Op afbeelding 72 zie je de natuurlijke plantengroei aan de rand van een bebouwde akker. De strook wordt telkens mee bemest met de akker. Daardoor ontstaat er overbemesting. Op afbeelding 73 zie je de natuurlijke plantengroei op een strook die iets verder van de bebouwde akker ligt. Op die strook doet men aan maaibeheer. Er wordt tweemaal per jaar gemaaid, begin juli en eind september. Het maaisel wordt onmiddellijk na het maaien afgevoerd naar het groenpark. Daardoor verdwijnen er na elke maaibeurt voedingsstoffen uit het terrein. Waar zie je de grootste biodiversiteit?

Door welke factor wordt de biodiversiteit beĂŻnvloed?

Door het verarmen van de bodem neemt de biodiversiteit toe / af. 126


Voedselrelaties en biodiversiteit

Afb. 75 ontbost stuk

Afb. 77 graafmachine gebouwd voor het afplaggen

em

Afb. 76 afgeplagd stuk

pl

aa

Afb. 74 lorkenbos

r

Hoofdstuk 7

In sommige natuurgebieden gaat men zeer drastisch te werk om de natuur te herstellen. Bij natuurherstel is het de bedoeling de biodiversiteit te bevorderen.

ex

Op afbeelding 74 zie je een productiebos van lork. Het bos werd aangeplant in de vorige eeuw. Oorspronkelijk was het een heide- en loofbosgebied. Nu probeert men de oorspronkelijke begroeiing te herstellen door de bodem te verarmen. Wat is er gebeurd op afbeelding 75?

In

ki

jk

De bovenste bodemlaag bestaat uit de strooisellaag en humus (verteerd plantenmateriaal). Op afbeelding 76 is de bovenste bodemlaag weggeschraapt, afgeplagd, tot op de onderliggende zandlaag. Dat gebeurt zeer omzichtig, met speciaal daarvoor ontwikkeld materiaal (afbeelding 77). In de nu blootliggende laag zitten nog zaden van planten die al een hele tijd verdwenen zijn.

Afb. 78 na ĂŠĂŠn jaar herstel

Afb. 79 na drie jaar herstel

Afb. 80 na acht jaar herstel

Wat stel je vast als je de plantenvariatie op afbeelding 74 vergelijkt met die op afbeeldingen 78, 79 en 80? 127


Voedselrelaties en biodiversiteit

Hoofdstuk 7

aa

r

Nu leven er in het gebied diersoorten die er al een hele tijd uit verdwenen waren. Daar zijn enkele rodelijstsoorten bij. De rode lijst geeft een opsomming van organismen die met uitsterven bedreigd zijn en bij wet beschermd worden. Voorbeelden zijn de boompieper, de boomleeuwerik, de nachtzwaluw, de wespendief en de levendbarende hagedis. Ook planten zoals zonnedauw, moeraswolfsklauw en stekelbrem komen opnieuw voor.

Afb. 82 levendbarende hagedis

pl

Afb. 81 nachtzwaluw

jk

ex

em

Door de grote variatie aan planten vinden de dieren makkelijker geschikt voedsel en is het natuurlijk evenwicht minder kwetsbaar. In het herstelde gebied vinden dieren betere schuilplaatsen. Tussen de gevarieerde plantengroei vallen ze minder op. De meeste dieren hebben trouwens een schutkleur, een kleur die lijkt op elementen uit de natuurlijke omgeving. Ook vinden de dieren meer geschikte nestplaatsen zowel op de bodem als in struiken, boomkruinen en holten. Hierdoor vergroot de kans op overleven en op voortplanten.

Afb. 83 ecoduct

Afb. 84 houtkant

In

ki

Grote autowegen vormen voor heel wat dieren een barrière. Dat probleem kan men oplossen door een ecoduct aan te leggen. Ook minder drastische ingrepen kunnen problemen oplossen. Houtkanten, hagen, geknotte bomen ... bieden een schuilplaats en verschaffen voedsel aan heel wat kleine diersoorten.

Besluit De biodiversiteit wordt positief beïnvloed door onder andere: • • •

128


Hoofdstuk 7

Voedselrelaties en biodiversiteit

ONDERZOEKSVRAAG

Hoe draagt de mens creatief bij aan de biodiversiteit?

aa

pl

Afb. 85 Hollands vleesrund

em

In elke dieren- en plantengroep zijn er exemplaren die sneller groeien, meer weerstand hebben tegen ziekten of beter bestand zijn tegen omgevingsfactoren dan andere. Door uit een groep die dieren te selecteren die een betere vleesopbrengst hebben en hiermee verder te kweken, krijg je een nieuwe generatie die meer opbrengt. Door binnen deze groep nog verder te selecteren kan die eigenschap nog versterkt worden en krijg je een ras met een zeer hoge opbrengst. Deze selectie- en kweektechniek wordt ook gebruikt in de melkveehouderij, de kippenkweek, de varkenskweek en in heel wat andere sectoren.

r

Om zijn opbrengst te verbeteren doet de land- en tuinbouwer beroep op de natuurlijke eigenschappen van bepaalde dier- en plantensoorten.

ex

Ook in de tuinbouw wordt die veredelingstechniek gebruikt. Als een kweker bij een plantensoort vaststelt dat enkele van de planten minder vatbaar zijn voor ziekten, mooiere bloemen dragen, grotere vruchten krijgen, selecteert hij die exemplaren en kweekt daarmee verder.

Afb. 86 melkkoe

In

ki

jk

Sinds enige tijd worden de essen in Europa aangetast door Hymenoscyphus fraxineus, een exotische schimmel. Als gevolg van deze besmetting verwelken de bladeren en vallen ze vroegtijdig af. De boom kan niet voldoende voedsel produceren en sterft na verloop van tijd. Nu probeert men de exemplaren die niet aangetast zijn binnen een groep te selecteren, hiermee kweekt men verder om zo na nog meerdere selecties te komen tot een veredeld ras dat voldoende weerstand biedt tegen deze schimmel. Dat nieuwe ras dient dan voor nieuwe aanplant. Afb. 87 essenziekte

129


Voedselrelaties en biodiversiteit

Hoofdstuk 7

Afb. 88 grijze wolf

aa

r

Ook bij de kweek van huisdieren zoals honden wordt die selectietechniek gebruikt om nieuwe rassen te kweken.

Afb. 89 dashond

Afb. 90 Jack Russell

ex

em

pl

Honden stammen af van de wolf. Door selectie en rasveredeling kweekte men grote en kleine hondenrassen, honden met een korte en honden met een lange snuit, honden met korte en met lange poten, met verschillende haarlengte...

Afb. 91 Afrikaanse wilde kat

Afb. 92 langharige Britse kat

Afb. 93 Devon Rex

jk

Zo is de Afrikaanse wilde kat de voorouder van onze huiskat. Ook hier werden door selectie op specifieke kenmerken nieuwe rassen gekweekt.

ki

Besluit

In

Door selectie helpt de mens mee aan het creĂŤren van nieuwe rassen bij planten en

130

dieren en vergroot zo de biodiversiteit.


Hoofdstuk 7

Voedselrelaties en biodiversiteit

onderzoeksvraag

Hoe kun jij meewerken aan het bevorderen van biodiversiteit? opdracht

aa

r

Onze westerse manier van leven maakt het drinkwater schaarser, de lucht vuiler en beïnvloedt het klimaat. Dat heeft een negatieve invloed op de biodiversiteit. Als we de omgeving leefbaar willen houden, moeten we met z’n allen een inspanning doen. Noteer in de tabel wat jij zelf kunt doen. Zorg dat je inspanning een positief effect heeft op het milieu en bijgevolg ook op de biodiversiteit.

in de tuin

em

pl

in huis

ex

op school of op het werk

jk

in de winkel

In

ki

in je vrije tijd

op reis

Besluit Door milieuvriendelijk gedrag kun je de biodiversiteit bevorderen. 131


Voedselrelaties en biodiversiteit

Hoofdstuk 7

om te onthouden 7.1 Voedselrelaties en biodiversiteit Vul aan of omcirkel. Een is een opeenvolging van organismen waarin elk organisme als voedsel dient voor het volgende. bestaat uit meerdere met elkaar verbonden

aa

r

Een voedselketens.

Een is een voorstelling die weergeeft welke weg de voedingsstoffen doorlopen tussen producenten, consumenten en reducenten.

pl

is een voorstelling die duidelijk maakt dat Een producenten de basis vormen van elke voedselrelatie.

is de verscheidenheid aan organismen in een gebied.

em

Het verwijderen van ĂŠĂŠn schakel in een voedselketen heeft een / geen invloed op de andere schakels. De biodiversiteit vermindert.

ex

Vervolledig het schema. Ieder gekleurd kader staat voor een andere voorstelling van een voedselrelatie.

jk

producent 1

consument 4

In

ki

producent 2

consument 1

mineralen en water

VOEDSEL consument 2

consument 3

consument 5 VOEDSEL

reducent VOEDSEL

alle schakels aanwezig = natuurlijk evenwicht = grote biodiversiteit

132


Hoofdstuk 7

Voedselrelaties en biodiversiteit

om te onthouden 7.2 Biodiversiteit

E E N

G R O T E

B I O D I V E R S I T E I T

het evenwicht in de ecosystemen

ontspanning en welbevinden

economie

pl

behoud van

aa

is onder andere belangrijk voor

r

Biodiversiteit is de verscheidenheid aan organismen in een leefgebied.

em

meer kans om met velen te overleven op deze planeet

Vul aan.

ex

Menselijke factoren die de biodiversiteit negatief beĂŻnvloeden: - - -

jk

-

ki

Menselijke factoren die de biodiversiteit positief beĂŻnvloeden: -

In

- - -

133


Voedselrelaties en biodiversiteit

Hoofdstuk 7

evalueer jezelf 7 Voedselrelaties en biodiversiteit 7.1 Voedselkringloop 7.1.1 Soorten relaties tussen organismen Datum Wat kun je?

Pagina

7.1.2 Indeling van de organismen volgens hun voedingsgewoonten Datum Wat kun je?

aa

7.1.3 Voorstelling van voedselrelaties Datum Wat kun je?

Pagina

em

uitleggen wat een voedselketen is uitleggen wat een voedselweb is uitleggen wat een voedselkringloop is uitleggen waarom elke schakel in een keten belangrijk is een voedselketen opbouwen een voedselweb opbouwen een voedselkringloop opbouwen uitleggen wat een voedselpiramide is uitleggen wat biodiversiteit is

ex

1 2 3 4 5 6 7 8 9

Pagina

organismen indelen in producenten, consumenten, reducenten (opruimers) uitleggen wat producenten zijn uitleggen wat consumenten zijn uitleggen wat reducenten of opruimers zijn uitleggen wat het nut is van reducenten

pl

1 2 3 4 5

r

1 enkele relaties tussen organismen opsommen

7.2 Biodiversiteit Datum Wat kun je?

Pagina

1 het begrip ecosysteem uitleggen

jk

7.2.1 Relatie tussen biodiversiteit en ecosysteem Datum Wat kun je?

Pagina

1 het ecologische belang van biodiversiteit verklaren

7.2.2 Relatie tussen biodiversiteit en economie Datum Wat kun je?

Pagina

ki

1 het economische belang van biodiversiteit verklaren

In

7.2.3 Relatie tussen biodiversiteit en ontspanning Datum Wat kun je? 7.2.4 Invloed van de mens op de biodiversiteit Datum Wat kun je?

134

Pagina

1 het verband aantonen tussen biodiversiteit en ontspanning

1 uitleggen welke ingrepen in het landschap een negatieve invloed hebben op de biodiversiteit 2 enkele voorbeelden geven van positieve invloeden op biodiversiteit 3 uitleggen waarom import van exoten negatief is voor het milieu 4 uitleggen wat het negatieve effect is van versnippering van het landschap 5 uitleggen hoe de mens creatief meewerkt aan de biodiversiteit 6 uitleggen hoe jij de biodiversiteit positief kunt beĂŻnvloeden

Pagina


BEGRIPPENLIJST

ademhaling ademhalings­ orgaan ademhalings­ stelsel ader

spier die het einde van de dikke darm afsluit proces waarbij voedingsstoffen uit de darm opgenomen worden in het bloed activiteit waarbij zuurstofgas opgenomen wordt en koolstofdioxide afgegeven wordt orgaan dat meewerkt aan de ademhaling het geheel van organen, dat zorgt voor ademhaling

r

aars absorptie

aa

In

ki

jk

ex

em

pl

buisvormig orgaan uit het transportstelsel dat bloed vervoert van de haarvaten naar het hart afvalstof stof die ontstaat tijdens de werking van de cellen en die niet meer kan gebruikt worden in het lichaam albustix herkenningsmiddel voor eiwitten alvleesklier orgaan van het spijsverteringsstelsel dat alvleessap vormt alvleessap verteringssap gevormd door de alvleesklier amfibie klasse van de gewervelde dieren waarvan de larven ontwikkelen in water en de volwassen dieren ademen door primitieve longen en door een dunne slijmerige huid aminozuren verteerde eiwitten aorta grootste lichaamsslagader. Voert bloed weg uit de linkerhartkamer. appel vrucht van de appelboom appendix orgaan van het spijsverteringsstelsel. Aanhangsel van de blindedarm. beschermings­ relatie waarbij het ene organisme bescherming biedt aan het andere relatie organisme beschermstof voedingsstoffen die de werking van het lichaam regelen zoals vitaminen, mineralen en voedingsvezels mate waarin je beweegt, van niet over licht en matig intensief tot hoog bewegings­ categorie intensief model van het Vlaams Instituut Gezond Leven dat alle huidige bewegings­ driehoek wetenschappelijke kennis over gezonde levensstijl samenbrengt bewegingsenergie energie die vrijkomt in een bewegend voorwerp biodiversiteit verscheidenheid aan organismen binnen een gebied bladluis zeer klein insect dat plantensappen eet orgaan van het spijsverteringsstelsel. Eindigend stuk dikke darm aan de blinde darm overgang tussen dunne darm en dikke darm. blindzak uitstulpingen in de wand van de dunne darm bij vissen bloed rode lichaamsvloeistof die onder andere zorgt voor het transport van stoffen bloedplaatje kleinste vast bestanddeel van het bloed bloedplasma bloedvloeistof die bestaat uit serum en fibrinogeen bloedserum deel van het bloed dat vloeibaar blijft na het stollen van het bloed bloedsomloop traject dat bloed doorloopt van kamer, langs slagaders, haarvaten en aders naar voorkamer bloedstolling vast worden van bloed bloedvat buisvormig orgaan waarin bloed vervoerd wordt borstbeen plat been vooraan de borstkas waaraan de voorkant van de ribben vastzit

135


BEGRIPPENLIJST borstholte borstkas

ruimte binnen de borstkas stevig omhulsel rond de borstholte gevormd door borstbeen, ribben, wervels en spieren voedingsstoffen die cellen opbouwen en herstellen zoals eiwitten, water en mineralen voedingsstoffen die energie leveren aan het lichaam zoals suikers en vetten ruimte in het onderste deel van de romp eenheid van energie = 4,1 J proces waarbij energierijke stoffen, zoals glucose of vetten, samen met zuurstofgas worden omgezet tot koolstofdioxide en water. Daarbij komt energie vrij. energie-inhoud van een stof. Deze energievorm zit opgeslagen in je lichaam, in voedsel en in brandstoffen afkomstig van afgestorven organismen. orgaan waarin de dikke darm, de urinewegen en de eileider of zaadleider uitmonden bij vogels, reptielen en amfibieën vaste lichaamstemperatuur die niet beïnvloed wordt door de omgevingstemperatuur

bouwstof

r

brandstof

aa

buikholte calorie (cal) celademhaling

pl

chemische energie cloaca

ex

organisme dat zich voedt met andere organismen verteringssap gevormd door de klieren van de dunne darm organisme dat zich voedt met organisch afval. Na vertering komen mineralen vrij in de omgeving en blijven er nog gedeeltelijk afgebroken resten over. dunne, vliezige buis die halfdoorlaatbaar is. Stelt de darmwand voor. herkenningsmiddel voor glucose orgaan van het spijsverteringsstelsel. Darm die volgt op de dunne darm. bloedsomloop die bestaat uit twee trajecten die allebei starten aan het hart. Het ene traject voert bloed langs de longen, het andere voert bloed langs de rest van het lichaam. De trajecten sluiten op elkaar aan in het hart. hart dat bestaat uit een linker- en een rechterharthelft met ieder één kamer en één voorkamer orgaan van het spijsverteringsstelsel. Darm tussen maag en dunne darm. systeem waarbij er een natuurlijk evenwicht is tussen producenten, consumenten en opruimers zoogdier waarvan een deel van de haren vervormd zijn tot stekels en dat zich voedt met kleine diertjes en planten belangrijkste bouwstof van het lichaam omzetting van één energievorm in een andere stof waarin veel energie opgeslagen zit. Die energie komt vrij bij de afbraak van die stof. hoeveelheid energie die een stof bevat en die in je lichaam vrijkomt bij het afbreken van dat voedingsmiddel bloedsomloop waarbij het bloed in één kring langs hart, ademhalingsorganen en andere lichaamdelen stroomt

jk

dialyseslang diastix dikke darm dubbele bloedsomloop

em

constante lichaamstemperatuur consument darmsap detrivoor

ki

dubbel hart

dunne darm ecosysteem

In

egel

eiwitten energieomzetting energierijke stof energiewaarde enkelvoudige bloedsomloop

136


BEGRIPPENLIJST chemische stoffen die aanwezig zijn in spijsverteringssappen (speeksel, maagsap, darmsap, alvleessap) en voedingsmiddelen tot voedingsstoffen verkleinen evolutie ontstaan van verscheidenheid bij levende wezens door erfelijke veranderingen bij bestaande soorten exotenimport invoeren van organismen in een biotoop waarin ze niet thuishoren fibrine gestold bloedeiwit fibrinedraden draden die bestaan uit gestold fibrinogeen fibrinogeen bloedeiwit dat kan stollen fossiel organisch restant of een spoor ervan dat bewaard is in oude gesteentelagen fotosynthese proces waarbij groene planten onder invloed van licht energierijke stoffen en zuurstofgas vormen uit water en koolstofdioxide fragmentatie versnippering functie taak galblaas orgaan van het spijsverteringsstelsel. Verzamelplaats voor het galsap. galsap verteringssap geproduceerd door de lever gaswisseling uitwisselen van gassen gescheiden bloedsomloop waarbij bloedvaten uit de grote bloedsomloop nergens bloedsomloop samenkomen met bloedvaten van de kleine bloedsomloop gesloten bloedsomloop waarbij de buisvormige transportwegen op elkaar bloedsomloop aansluiten zodat het bloed deze vaten niet moet verlaten glucose brandstof, bouwsteen van zetmeel glycerol verteerd vet gras groene kruidige plant met lintvormige bladeren graszaden zaden van gras het geheel van bloedvaten dat bloed voert langs alle lichaamsdelen grote bloedsomloop behalve langs de longen. Dit traject start in de linkerkamer en eindigt in de rechtervoorkamer. haarvat zeer fijn bloedvat met een doorlaatbare wand die bestaat uit één laag dekcellen haarvatennetwerk netwerk van meerdere vertakte haarvaten zakvormige kleppen in de aders van de ledematen, de toegang tot de halvemaan­ vormige kleppen longslagader en de aorta hart holle spier die het bloed voortstuwt in de bloedsomloop hartkleppen zeilvormige kleppen, bindweefselvliezen, tussen de voorkamer en de kamer harttussenschot deel van de hartspier dat de scheiding vormt tussen de linker- en de rechterkamer hemoglobine rood ijzerhoudend eiwit dat zuurstofgas kan binden herkennings­ indicator, een stof die door een kleurverandering de aanwezigheid van een middel andere stof aangeeft holle aders twee grote bloedvaten die bloed ophalen uit het lichaam en voeren naar de rechtervoorkamer honingbij stekend insect dat nectar en stuifmeel eet. Zet nectar om in honing en bewaart die als wintervoorraad

In

ki

jk

ex

em

pl

aa

r

enzymen

137


BEGRIPPENLIJST indicator joule (J) kalkwater

koolstofdioxide kransaders kransslagaders krop

pl

jk

levensstijl lever lichaamsaders

kleine tuinvogel met zwarte kop, witte wangen en gele buik. Eet vooral insecten, spinnen en larven. In de winter schakelt hij over naar zaden en vruchten. gas dat vrijkomt bij de verbranding van energierijke stoffen bloedvaten die bloed voeren van de hartspier naar de holle ader bloedvaten die bloed voeren van de aorta naar de hartspier verbreding van de slokdarm bij zaadetende vogels waarin het voedsel opgeslagen en geweekt wordt een manier van leven orgaan van het spijsverteringsstelsel. Produceert galsap. bloedvaten die bloed voeren van de verschillende lichaamsdelen naar de holle aders alle cellen in het lichaam zeer fijne bloedvaten met een doorlaatbare wand in alle delen van het lichaam behalve in de longen bloedvaten die bloed voeren van de aorta naar alle lichaamsdelen behalve naar de longen temperatuur van het lichaam

ex

kieuwboog kieuwplaatje kikker klasse kleine bloedsomloop kleine stinkzwam kobaltdichloridepapier koolmees

aa

r

kamer kamerwand kat keelholte kieuw

= herkenningsmiddel: stof die door kleurverandering, de aanwezigheid van een andere stof aangeeft eenheid van energie = 0,24 cal herkenningsmiddel voor koolstofdioxide. Wordt melkachtig wit in aanwezigheid van koolstofdioxide. onderste holte in de hartspier gespierde wand van het onderste deel van het hart vleesetend zoogdier, huisdier ruimte achter in de mondholte ademhalingsorgaan bij vissen dat bestaat uit een kieuwboog en kieuwplaatjes benig boogvormig deel van een kieuw waarop de kieuwplaatjes vastzitten zeer dunne plaatvormige deeltjes die vastzitten op de kieuwboog amfibie dat insecten, wormen, slakjes ... eet groep van aan elkaar verwante levende wezens het geheel van bloedvaten dat bloed voert langs de longen. Dit traject start in de rechterkamer en eindigt in de linkervoorkamer. paddenstoel die leeft op afgestorven plantendelen, detrivoor herkenningsmiddel voor water

em

In

ki

lichaamscellen lichaams­ haarvaten lichaams­ slagaders lichaams­ temperatuur lichaamswarmte linkerharthelft long longaders longblaasje longbuisjes

138

warmte opgeslagen in het lichaam deel van het hart dat bestaat uit linkervoorkamer en linkerkamer orgaan dat zorgt voor de opname van zuurstofgas en de afgifte van koolstofdioxide bloedvaten die bloed vervoeren van de longen naar het hart zeer klein blaasvormig onderdeeltje van de longen met een zeer dunne wand. Hier gebeurt de gasuitwisseling tussen de longlucht en het bloed. zeer fijne buisjes met een dunne wand in de longen van vogels


BEGRIPPENLIJST

aa

luchtpijp luchtpijptakken lugol maag maaibeheer

pl

merel

em

middenrif migratie mineraal mol

holte tussen de neusingang en de keelholte orgaan van het uitscheidingsstelsel dat urine vormt bloedvat dat bloed voert van de nier naar de onderste holle ader bloedvat dat bloed voert naar de nieren voedingsstoffen een voedingslabel waarvoor beperkt wetenschappelijk bewijs is dat het de consumenten helpt gezondere voeding te kopen de lucht rondom ons dier zonder wervelkolom verwijderen van onverteerde voedselresten langs de aars bestanddelen van het voedsel die niet opgenomen worden door de darmwand. Ze maken deel uit van de uitwerpselen. organisme dat zich voedt met afgestorven resten van andere levende wezens. Detrivoor of reducent. onderdeel van een stelsel. Bestaat uit verschillende weefsels die samenwerken aan ĂŠĂŠn taak. levend wezen meer meststof gebruiken dan er nodig is voor de groei van de gewassen

ki

jk

natuurlijk evenwicht neusholte nier nierader nierslagader nutriĂŤnten nutri-score

ex

mus naaktslak natuurherstel

zeer fijne bloedvaten in de wand van de longblaasjes deel van de long bloedvat dat bloed van het hart naar de longen voert buisvormige structuur in het longweefsel. Laat lucht door. fijne buisvormige structuur in het longweefsel, vertakking van de longtak zakvormige structuren verbonden met de vogellongen waarin lucht kan aangezogen worden buisvormige structuur die de keelholte verbindt met de longen aftakkingen van de luchtpijp naar de beide longen jodiumoplossing. Herkenningsmiddel voor zetmeel. orgaan van het spijsverteringsstelsel tussen slokdarm en dunne darm gecontroleerd maaien in een gebied met als doel de biodiversiteit in een gebied te herstellen zwarte (mannetje) of donkerbruine (wijfje) vogel, iets groter dan een mus. Voedt zich met kleine diertjes (slakken, wormen, insecten ...), vruchten en zaden. zeer dun gespierd vlies dat de scheiding vormt tussen borstholte en buikholte verplaatsing van levende wezens beschermende voedingsstof klein zoogdier met zwarte vacht dat onder de grond leeft. Eet wormen, insecten en insectenlarven. kleine bruingrijze vogel die zich met zaden, kiemplantjes, knoppen en insecten voedt slak zonder slakkenhuis, planteneter activiteit waarbij de natuur in een gebied in de oorspronkelijke toestand hersteld wordt ecosysteem dat stabiel blijft

r

longhaarvaten longkwab longslagader longtak longtakje longzakken

In

omgevingslucht ongewerveld dier ontlasting onverteerbare voedseldeeltjes opruimer orgaan organisme overbemesting

139


BEGRIPPENLIJST overtollige stof plantencel

aa

r

planteneter plasma poortader porie producent rechterharthelft reducent regenworm

pl

relatie reptiel

ex

em

rib rode bloedcel rodelijstsoort romp rozenstruik sedentair selectie schimmel

stof die in het bloed opgenomen is maar die het lichaam niet nodig heeft bouwsteen van plantaardig weefsel. Bestaat uit celkern, mitochondriën, cytoplasma, vacuolen, celmembraan en een celwand. dier dat zich voedt met planten lichtgele heldere bloedvloeistof, bevat serum en fibrinogeen bloedvat dat bloed van de dunne darm naar de lever voert opening in het huidoppervlak waarlangs zweet naar buiten komt organisme dat zelf energierijke voedingsstoffen vormt deel van het hart dat bestaat uit rechtervoorkamer en rechterkamer organisme dat zich voedt met afgestorven delen van andere organismen, opruimer worm die leeft in de bodem en zich voedt met afgestorven organisch materiaal, detrivoor verband klasse van de gewervelde dieren die kan overleven buiten het water en waarvan de huid bedekt is met hoornschubben of platen plat gebogen been dat deel uitmaakt van de borstkas rond, ingedeukt schijfvormig, vast bloedbestanddeel organisme dat met uitsterven bedreigd is en door de wet beschermd wordt deel van het lichaam waaraan het hoofd en de ledematen vastzitten struikvormige bloeiende plant met groene bladeren en houtige stengels op dezelfde plaats blijven keuzes maken op basis van bepaalde eigenschappen organisme dat energierijke voedingsstoffen opneemt uit andere levende of dode organismen en waarbij mineralen vrijkomen plant met grote groene bladeren bloedvat dat bloed van het hart naar de organen voert halvemaanvormige kleppen die zich vooraan in de longslagader en in de aorta bevinden gespierde buis die de mondholte met de maag verbindt spijsverteringssap dat helpt bij de afbraak van zetmeel klier die speeksel vormt sterk gespierd deel van de maag bij vogels. Hier wordt het voedsel dat uit de kliermaag komt fijngemalen met de hulp van steentjes. organen die meewerken aan de vertering

jk

sla slagader slagaderkleppen

ki

slokdarm speeksel speekselklier spiermaag

In

spijsverterings­ organen spijsverteringsstelsel spin stelsel

steunrelatie transportstelsel uitgeademde lucht uitscheiding 140

groep organen met als functie het verteren van voedsel en het opnemen van stoffen in het bloed geleedpotig dier met vier paar poten groep organen die met elkaar verbonden zijn en samenwerken aan één taak relatie waarbij het ene organisme steun biedt aan een ander organisme geheel van organen dat zorgt voor het vervoer van stoffen in het lichaam lucht die weggevoerd is uit de longen het verwijderen van afvalstoffen en overtollige stoffen uit het bloed


BEGRIPPENLIJST uitscheidings­ orgaan uitscheidings­ stelsel uitwerpselen urine

orgaan dat helpt bij de uitscheiding geheel van organen dat zorgt voor uitscheiding

veredelings­ techniek versnippering

r

aa

ex

vertering verteringsproces verteringssappen vetten vetzuren vis

pl

urineblaas urinebuis urineleider vacht vacuole vast bestanddeel verbranding

onverteerbare voedselresten vloeistof die bestaat uit water, afvalstoffen en overtollige stoffen en gevormd wordt in de nieren zakvormig orgaan waarin urine tijdelijk opgeslagen wordt kanaal langs waar de urineblaas geledigd wordt kanaal dat de nier verbindt met de urineblaas huidbedekking die bestaat uit haren met vocht gevulde holte in het cytoplasma vaste deeltjes (rode, witte bloedcellen en bloedplaatjes) in het bloed reactie van een energierijke stof met zuurstofgas. Hierbij komt energie, koolstofdioxide en waterdamp vrij. techniek gebruikt bij de kweek van planten en dieren waarbij na selectie op bepaalde eigenschappen nieuwe rassen ontwikkeld worden uiteenvallen van natuurlijke landschappen door aanleg van wegen, verstedelijking, lintbebouwing. Hierdoor verkleint het leefgebied van plant en dier en verkleint de biodiversiteit. afbreken van voedingsmiddelen tot kleine opneembare deeltjes het verloop van de spijsvertering sappen afgescheiden door de spijsverteringsorganen brandstof verteerde vetten klasse van de gewervelde dieren die enkel kan overleven in water. De huid is bedekt met beenschubben en een slijmlaag. beschermende stoffen dier dat zich voedt met dieren donkergekleurd gevleugeld insect een model van het Vlaams Instituut Gezond Leven dat alle huidige wetenschappelijke kennis over gezonde voeding samenbrengt producten die we eten en drinken bv. brood, appel, melk … lijst van voedingsmiddelen met vermelding van energiewaarde en samenstelling deeltjes uit voedingsmiddelen die in het lichaam opgenomen worden en in de lichaamscellen gebruikt worden celwanden aanwezig in plantaardig voedsel die niet verteerd worden en het lichaam verlaten als uitwerpselen wat we eten eenvoudige voorstelling van een voedselrelatie waarbij de producent (groene plant) als eerste genoteerd wordt, een consument van eerste orde (planteneter) als tweede, een consument van tweede orde (vleeseter) als derde enz. voorstelling van de doorstroming van voedingsstoffen van het ene organisme naar het andere

em

jk

vitaminen vleeseter vlieg voedingsdriehoek

In

ki

voedingsmiddel voedings­ middelentabel voedingsstoffen voedingsvezels voedsel voedselketen

voedselkringloop

141


BEGRIPPENLIJST voedselpiramide voedselrelatie voedselweb

wezel wisselende lichaams­ temperatuur witte bloedcel zetmeel zoogdier

bolvormig kleurloos vast bloedbestanddeel dat van vorm kan veranderen brandstof klasse van de gewervelde dieren die kan overleven buiten het water en waarvan de huid bedekt is met haren gas dat nodig is bij de verbranding mengsel van water en afvalstoffen dat gevormd wordt in een zweetklier orgaantje dat water, afvalstoffen en overtollige stoffen uit het bloed haalt

In

ki

jk

ex

zuurstofgas zweet zweetklier

pl

voorkamer warmte wervelkolom

aa

r

vogel

voorstelling die een beeld geeft van de massa voedsel in elke schakel van de keten relatie tussen twee organismen waarbij het ene organisme het andere organisme als voedsel gebruikt complexe voorstelling van voedselrelaties waarin meerdere voedselketens met elkaar verweven zijn klasse van de gewervelde dieren die kan overleven buiten het water en waarvan de huid bedekt is met veren bovenste holte in de hartspier energievorm structuur die bestaat uit aan elkaar geschakelde korte beenderen, wervels, aan de rugkant in een gewerveld dier klein roofdier uit de familie van de marterachtigen lichaamstemperatuur die mee schommelt met de temperatuur van de omgeving

em

142


aa

pl

em

ex

jk

ki

In

r

Notities

143


aa

pl

em

ex

jk

ki

In

r

144

Notities


r aa pl em

Katia De Scheemaeker

ex

Catherine Van Nevel

Rachel Delcour Anne Deltour Lieve Evens Kristine GabriĂŤl Jeanne Rombouts

In

ki

jk

Hilde Van Wynsberghe

i.s.m.

Ontdek het onlineleerplatform: diddit! Vooraan in dit boek vind je de toegangscode, zodat je volop kunt oefenen op je tablet of computer. Activeer snel je account op www.diddit.be en maak er een geweldig schooljaar van!

ISBN 978-90-306-9322-2

592569

vanin.be

Profile for VAN IN

NW voor jou Onderzoekeditie - Editie 2019  

NW voor jou Onderzoekeditie - Editie 2019