__MAIN_TEXT__

Page 1

macro scoop

Marleen Chalmet Rudi Goossens Bart VanoprĂŠ Catherine Van Nevel Christina Wauters

macro scoop 1

1

Š

VA N

IN

GO!

Leer zoals je bent Ontdek het onlineleerplatform: diddit. Vooraan in dit boek vind je de toegangscode, zodat je volop kunt oefenen op je tablet of computer. Activeer snel je account op www.diddit.be en maak er een geweldig schooljaar van!

ISBN 978-90-306-9731-2 595910

73732_MACROSCOOP LWB GO1_COVER.indd Alle pagina's

vanin.be

GO! 20/05/20 11:58


©

VA N

IN


macro scoop GO!

IN

1

Marleen Chalmet Bart VanoprĂŠ

Catherine Van Nevel

Š

VA N

Christina Wauters


Via www.diddit.be heb je toegang tot het onlineleerplatform bij MacroScoop GO!. Activeer je account aan de hand van de onderstaande code en accepteer de gebruiksvoorwaarden.

macro scoop GO!

Let op: activeer deze licentie pas vanaf 1 september; de licentieperiode start vanaf activatie en is 365 dagen geldig.

!

VA N

IN

1

Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van deze mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hen dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. Ook voor het onlinelesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden. Meer informatie over de gebruiksvoorwaarden leest u op www.diddit.be.

©

© Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2020

De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.

Eerste druk, 2020 ISBN 978-90-306-9731-2 D/2020/0078/192 Art. 595910/01 NUR 120

Video p. 126, 2: © Technopolis Coverontwerp: B.AD Ontwerp en opmaak binnenwerk: B.AD Tekeningen: Geert Verlinde


Inhoud Starten met MacroScoop GO! diddit het onlineleerplatform bij MacroScoop GO!

4 6

Bouw en eigenschappen van materie

VA N

1 Meten is weten 2 Hoe verloopt een wetenschappelijk onderzoek? 3 Aggregatietoestanden 4 De invloed van de temperatuur 5 Mengsel en zuivere stof 6 Stofomzettingen

Spijsvertering

1 2 3 4

7 9 15 20

IN

Biotopen en hun verscheidenheid

1 Je gaat op excursie! 2 Je reist veel verder 3 Voedselrelaties

Over voeding en voedingsstoffen De spijsvertering stap voor stap Spijsvertering en gezondheid Spijsvertering bij andere organismen

33 35 38 42 48 54 59 71 73 82 91 93

Š

Energievormen en energieomzettingen 103 1 Energievormen 2 Energieomzettingen 3 Opgeslagen energie

105 110 115

1 Van macroscoop tot microscoop 2 Van cel tot organisme 3 De wondere wereld van de cel

Organisatieniveaus bij organismen

125 127 131 135

TABEL MET GROOTHEDEN EN EENHEDEN

143

WOORDENLIJST

144

INHOUD

3


STARTEN MET MACROSCOOP GO! Welkom bij MacroScoop GO!. We leggen graag even uit hoe je met dit leerwerkboek aan de slag gaat. 1

Op weg met MacroScoop GO! Het leerwerkboek bestaat uit 5 thema’s. Elk thema is op dezelfde manier opgebouwd. Elk thema start met enkele foto’s die te maken hebben met dit thema. Je vindt ook een handig overzicht van de hoofdstukken.

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID

1 Je gaat OP EXCURSIE! 2 Je reist VEEL VERDER

1

3 VOEDSELRELATIES

IN

We starten elk thema met een Wow!. Op deze Wow!-pagina is er de keuze tussen verschillende interessante items. Je maakt hier kennis met het onderwerp van het thema.

2 3

Wat wil ik te weten komen over dit thema?

Ontdek deze en nog andere opties via het onlinelesmateriaal.

! a h A Je gaat op excursie!

Een landschap omvat verschillende biotopen en wordt gekenmerkt door landschapselementen. Landschapselementen zijn bepalend voor het uitzicht van een landschap. Voorbeelden hiervan zijn: planten, rivieren, bebouwing … Lucht, vervoersmiddelen en dieren behoren niet tot het landschap. In een biotoop leven bepaalde dieren en planten samen in een omgeving met typische eigenschappen. Voorbeelden van biotopen zijn: strand, duin, bos, berm, weide, vijver, sloot ...

In de thema’s zie je verschillende manieren om een synthese te maken: mindmap, schema en samenvatting. In het boek staat steeds één manier. Bij het onlinelesmateriaal vind je nog andere manieren.

Abiotische factoren zijn omgevingsfactoren die je kunt meten met meettoestellen. Ze geven informatie over de omgeving waarin organismen kunnen leven.

Biotische factoren hebben te maken met organismen die elkaar beïnvloeden en/of van elkaar afhankelijk kunnen zijn. Organismen kun je op naam brengen (= determineren) met een zoekkaart, determineersleutel of -tabel door uitwendige kenmerken waar te nemen. Met toestellen heb je de waarde van abiotische factoren gemeten. Door waarneming kwam je te weten welke organismen in een omgeving leven (biotische factoren). Het samenspel van abiotische en biotische factoren zorgt ervoor dat op een bepaalde plaats een bepaald biotoop voorkomt. De manier waarop de factoren elkaar beïnvloeden zorgt voor het typische karakter van bijvoorbeeld een bos, een vijver, een weiland, een duin enzovoort.

2

Je reist veel verder Het tropisch regenwoud is een type woud dat voorkomt ter hoogte van de evenaar. De biotoop kenmerkt zich door een grote soortenrijkdom en typische abiotische kenmerken (hoge luchtvochtigheid, hoge temperatuur). Het tropisch regenwoud is belangrijk voor de mens op economisch gebied, maar ook voor de aarde zelf. Dagelijks wordt er echter regenwoud vernietigd of bedreigd. Met biodiversiteit bedoelen we de grote verscheidenheid aan leven op aarde of in een bepaald gebied. De biodiversiteit wordt bedreigd door overbevissing, ontbossing, milieuvervuiling, de invoer van exoten, klimaatveranderingen ... De mens wordt zich steeds meer bewust van deze dreiging en probeert om zijn steentje bij te dragen om die bedreiging tegen te gaan. Dat kan zelfs door heel kleine aanpassingen in ons dagelijks leven. De organismen in de natuur zijn van elkaar afhankelijk en komen steeds tot een ecologisch of biologisch evenwicht.

27

©

AHA!

TEST JEZELF 1

Welke eigenschappen moeten cellen hebben om een weefsel te kunnen vormen?

2

Op de figuur hieronder zie je de verschillende organisatieniveaus bij de aardappelplant. Benoem ze zo nauwkeurig mogelijk.

A

B

C

De checklist is een opsomming van de doelen waaraan je in het thema hebt gewerkt. Je gaat bij jezelf na welke doelen je denkt bereikt te hebben, of waaraan je nog moet werken. Als je twijfelt, dan ga je terugkijken in het thema.

D

A: B: C: D: E: 3

142

4

Organisatieniveaus bij Organismen

Voor je verder gaat oefenen, bekijk je eerst de AHA. Hier vind je de synthese van het thema en een checklist.

Aha!

SAMENVATTING

1

VA N

128

Benoem het juiste organisatieniveau van de volgende afbeeldingen.

OrganiSaTiEnivEauS biJ OrganiSmEn

STARTEN MET MACROSCOOP GO!

Je kunt in het onderdeel Test jezelf verder oefenen. Je leerkracht beslist of je de oefeningen op het einde van het thema maakt of doorheen de lessen. Op diddit vind je bovendien nog meer oefeningen terug.

Checklist

Wat ken/kan ik?

helemaal begrepen

hier kan ik nog groeien

pg.

Ik kan het verschil tussen voedingsstoffen en voedingsmiddelen uitleggen.

115

Ik kan de samenstelling van een voedingsmiddel afleiden uit een etiket.

116

Ik kan de energetische waarde berekenen aan de hand van een voedingsmiddelenetiket.

116

Ik kan opsommen welke voedingsstoffen en voedingsmiddelen er kunnen voorkomen.

117

Ik kan voedingsstoffen bij de juiste groep aanduiden.

118

Ik kan het verschil tussen brandstoffen, bouwstoffen en beschermende stoffen formuleren en illustreren aan de hand van voorbeelden.

118

Ik kan de rol beschrijven van bouwstoffen, brandstoffen en beschermende stoffen.

118

Ik kan de herkenningsmiddelen voor voedingsstoffen aanduiden.

121

Ik kan het begrip verteren formuleren en de noodzaak ervan uitleggen.

124

Ik kan de organen van de spijsvertering herkennen en lokaliseren op tekeningen. Ik kan aantonen dat zetmeel niet door de darmwand heen kan en daardoor niet kan opgenomen worden in het bloed.

124 130

Ik kan aantonen dat glucose wel door de darmwand heen kan en dus wel kan opgenomen worden in het bloed.

130

Ik kan de functie van de meest voorkomende spijsverteringsorganen uitleggen.

124 132

Ik kan aan de hand van de voedings- en bewegingsdriehoek patronen aanduiden in verband met gezonde/ongezonde leefhoudingen.

119

Ik kan mijn eigen voedingsgewoonten illustreren en bijsturen.

120

Ik kan een aantal voorbeelden van veelvoorkomende aandoeningen van het spijsverteringsstelsel schetsen.

133, 134

Ik kan verschillen in de spijsvertering tussen planten-, vlees- en alleseters aangeven.

135

Ik kan met eigen woorden vertellen waarom de spijsvertering bij planteneters veel langer duurt dan bij vleeseters.

136

Denk je dat je alles begrepen hebt in dit thema? Ga dan naar diddit en oefen verder.

AHA!

99


2 DE SPIJSVERTERING STAP VOOR STAP

In een biotoop leven organismen samen met elkaar. Ze staan onder invloed van elkaar. Organismen kunnen verschillende relaties met elkaar aangaan. Je spreekt van voedselrelaties, steunrelaties, voortplantingsrelaties en beschermingsrelaties. WELKE WEG LEGT EEN BROODJE SMOS AF DOOR JE LICHAAM?

2 Handig voor onderweg

De je volledige met verschillende voorstellen. De meest eenvoudige voorstelling is de 1 voedselrelaties Spijsverteringkun is de weg diemodellen voedsel aflegt voedselketen waarin organismen worden volgens het patroon van eten en gegeten worden. door het lichaam zodat een gerangschikt voedingsmiddel gaandeweg Van een voedselketen kun je ook een voedselpiramide maken. omgezet wordt in voedingsstoffen. Hoe hoger een organisme in de piramide staat, hoe kleiner het aantal organismen. Wanneer je voedselketens met elkaar kunt verbinden, krijg je een voedselweb. a Waar begint de spijsvertering?

In de loop van elk thema word je ondersteund door een aantal hulpmiddelen. b Hoe gebeurt dat? Er zijn verschillende voedselniveaus in de biotoop. Je spreekt van producenten, consumenten, reducenten en detrivoren. Fig. 2.1 Een voedselkringloop maakt een voorstelling met alle verschillende niveaus. 2 Het grote doel van de spijsvertering is om de voedingsstoffen te kunnen opnemen in het bloed. In die kringloop geldt de regel ‘eten of gegeten worden’. De producenten zorgen voor de nodige Hiervoor moeten de moleculen van de voedingsstoffen omgezet worden in hele kleine deeltjes die in de voedingsstoffen voor de consumenten. Detrivoren en reducenten ruimen de resten op. bloedbanen kunnen opgenomen worden.

We zetten doorheen het thema de belangrijkste zaken op een rijtje in deze rode kaders.

Test jezelf: oefeningen 8, 9, 10 en 11 a Wat gebeurt er met die verteerde stoffen? b

Waar worden de voedingsstoffen opgenomen in het bloed?

Interessant om weten Pas na ongeveer 30 uur heeft het voedsel volledig zijn weg door het spijsverteringskanaal afgelegd. Alle bruikbare stoffen zijn dan in het bloed opgenomen en de onverteerbare resten zijn uitgescheiden, via het spijsverteringsstelsel.

3

Welke organen maken deel uit van de spijsvertering?

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID

Om alvast weten waar alle organen zich bevinden, je figuur 2.2. Wanneer je teeen onderzoek uitvoert, volg bestudeer je telkens 7 stappen die worden aangeduid met Schrijf de volgende iconen: de naam van de organen bij de pijltjes. Gebruik daarvoor de ontdekplaat die je vindt bij het onlinelesmateriaal.

Onderzoeksvraag

Werkwijze

Hypothese

IN

26

Een ‘Interessant om weten’ is een klein blokje informatie, dat je verder op weg helpt om de opdrachten goed te begrijpen.

Besluit

Waarneming

Reflectie

VA N

Benodigdheden

De hypothese moet altijd geformuleerd worden in de vorm: ‘Als ..., dan ...’ Bv. Als je ontsmettingsalcohol toevoegt aan micro-organismen, dan gaan die afsterven. Fig. 2.2

Ze mag bovendien geen extra informatie of verklaring bevatten.

Bv. ... dan gaan die afsterven, zodat ze zich niet meer verder kunnen ontwikkelen.

SPIJSVERTERING

WOORDENLIJST

Thema Biotopen en hun verscheidenheid

hoofdstuk

©

124

Vaktaal en moeilijke woorden vallen extra op door de stippellijn. Achteraan het boek vind je deze woorden terug in de woordenlijst.

definitie

1

de abiotische factor

de niet-levende omgevingsfactoren

3

de autotroof

een organisme dat zelf in zijn voedsel voorziet, meestal zijn het planten, bacteriën en schimmels

2

de de grote verscheidenheid aan biodiversiteit leven

1

de biotische factor

de levende omgevingsfactoren

1

de biotoop

een leefgebied waar de abiotische en biotische factoren zeer typerend zijn

3

de de verbruikers; planten- en consumenten vleeseters

1

het het op naam brengen van een determineren organisme door gebruik te maken van waarneembare kenmerken

3

de detrivoren afvalopruimers in de natuur

2

het ecologisch evenwicht

de slingerbeweging tussen organismen die de natuur in evenwicht houdt

1

de excursie

uitstap

2

een exoot

een uitheemse soort invoeren

3

de heterotroof

organismen die anderen nodig hebben om zich mee te voeden

1

de instru­ mentenfiche

een fiche met het gebruik van bepaalde instrumenten

1

het landschaps­ element

typische elementen die in een bepaald landschap aanwezig zijn

in je eigen woorden

Bij extreem hoge temperaturen kan het wegdek soms omhoogkomen. a

Wat is de reden hiervan?

b

Je merkt dat het niet zo eenvoudig is om daar een antwoord op te geven. Maar blijkbaar heeft de temperatuur een invloed op het volume van materie. Dat kun je nagaan met het volgende onderzoek.

Fig. 4.2

Onderzoek 5 Onderzoeksvraag De vraag zou kunnen zijn: wat is de invloed van de temperatuur op het volume van materie? Dat is echter geen goede onderzoeksvraag want je weet niet of het gaat over vaste stoffen, vloeistoffen of gassen. Daarom splits je dit onderzoek in drie delen. Onderzoek 5A 1

Onderzoeksvraag Welke invloed heeft de temperatuur op het volume van een vaste stof?

2 Hypothese

146

De volgende iconen helpen je ook nog een eind op weg:

term

2

WOORDENLIJST

3 Benodigdheden bol en ring van ’s Gravesande verwarmingstoestel Fig. 4.3

4 Werkwijze Dit experiment wordt door de leerkracht uitgevoerd. 5 Waarneming Wat gebeurt er bij kamertemperatuur als de bol op de ring gelegd wordt? Bij kamertemperatuur gaat de bol wel / niet door de ring. Wat gebeurt er met de bol als hij verwarmd wordt? De verwarmde bol gaat wel / niet door de ring. Wat gebeurt er met de bol als hij terug afkoelt? De afgekoelde bol gaat wel / niet door de ring. 6 Besluit Welke invloed heeft de temperatuur op het volume van een vaste stof?

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID

4 DE INVLOED VAN DE TEMPERATUUR

51

Het beeldfragment dat hierbij hoort, vind je ook online terug. Als je dit icoon ziet, dan vind je op diddit een ontdekplaat terug. Als je dit icoon ziet, dan vind je extra materiaal terug op diddit.

STARTEN MET MACROSCOOP GO!

5


het onlineleerplatform bij MacroScoop GO!

Leerstof kun je inoefenen op jouw niveau. Je kunt vrij oefenen en de leerkracht kan ook voor jou oefeningen klaarzetten.

Hier kan de leerkracht toetsen en taken voor jou klaarzetten.

VA N

Benieuwd hoe ver je al staat met oefenen en opdrachten? Hier vind je een helder overzicht van je resultaten.

IN

Hier vind je de opdrachten terug die de leerkracht voor jou heeft klaargezet.

Š

Hier vind je het lesmateriaal per hoofdstuk (o.a. videobestanden, artikels). Ga hier ook aan de slag met de ontdekplaten!

6

DIDDIT


©

VA N

IN

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID

1 Je gaat OP EXCURSIE! 2 Je reist VEEL VERDER 3 VOEDSELRELATIES


©

3

VA N

2

IN

1

Wat wil ik te weten komen over dit thema?         

Ontdek deze en nog andere opties via het onlinelesmateriaal.

8

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID


1 JE GAAT OP EXCURSIE! BIOTOOP EN LANDSCHAP, IS DAT HETZELFDE? In België kun je verschillende soorten landschappen waarnemen, met daarin telkens verschillende biotopen. a

Welke landschappen zie je op de onderstaande foto’s? Plaats het nummer van het landschap op de correcte plaats in de tabel onder de foto’s.

b

Noteer enkele elementen die typisch zijn voor dit landschap. Dit zijn landschapselementen. Voorbeelden daarvan zijn: duin – bomen – struiken – fabrieken – boerderij …

c Welke organismen (= levende wezens) kunnen er leven in de landschappen? Kruis de organismen aan.

Waarom kunnen niet alle biotopen in elk landschap voorkomen? Kruis de juiste antwoorden aan. Niet alle organismen kunnen leven bij dezelfde temperatuur. Alle dieren hebben water nodig, dus kunnen ze leven in het water. Sommige dieren leven liever in een droge omgeving. Sommige planten hebben veel licht nodig. In ieder landschap is er niet altijd voldoende ruimte. De mens beïnvloedt het landschap.

Fig. 1.1

VA N

e

IN

d Welke biotopen kunnen er voorkomen in de vier landschappen van de foto’s? Met biotoop wordt een gebied bedoeld binnen een bepaald landschapstype waarin planten en dieren kunnen samenleven in bepaalde omstandigheden. Voorbeelden van biotopen zijn: vijver – loofbos – duinen – weide – naaldbos – goed onderhouden gazon – zee – akker – ruig terrein

Fig. 1.2

kustlandschap nummer

landschapselementen

Fig. 1.4

boslandschap

landbouwlandschap

































kabeljauw eekhoorn duindoorn grove den konijn gras specht zomereik

organismen

biotopen in het landschap

Fig. 1.3

industrielandschap

©

1

kabeljauw eekhoorn duindoorn grove den konijn gras specht zomereik

kabeljauw eekhoorn duindoorn grove den konijn gras specht zomereik

kabeljauw eekhoorn duindoorn grove den konijn gras specht zomereik















 1 Je gaat op excursie!  

9


Een landschap omvat verschillende biotopen en wordt gekenmerkt door landschapselementen. Landschapselementen zijn bepalend voor het uitzicht van een landschap. Voorbeelden hiervan zijn: planten, rivieren, bebouwing … Lucht, vervoersmiddelen en dieren behoren niet tot het landschap. In een biotoop leven bepaalde dieren en planten samen in een omgeving met typische eigenschappen. Voorbeelden van biotopen zijn: strand, duin, bos, berm, weide, vijver, sloot ... Een biotoop en een landschap is dus helemaal niet hetzelfde.

KAN ER IN JE TUIN EEN NEST SCHORPIOENEN LEVEN? Organismen zijn afhankelijk van eigenschappen (factoren) van de biotoop waarin ze leven. Die omgevingsfactoren worden in twee groepen opgedeeld. − Biotische factoren hebben te maken met de invloed van andere organismen uit de biotoop. − Abiotische factoren omvatten de invloeden van niet-levende elementen.

Om het onderscheid tussen deze factoren goed te begrijpen bekijk je via het onlinelesmateriaal het filmpje over biotische en abiotische factoren

2 Abiotische factoren kun je meten. Vul de tabel in.

Via het onlinelesmateriaal kun je de werkwijze voor elk meettoestel terugvinden in de instrumentenfiches.

VA N

IN

1

a In de tweede kolom duid je aan welk meettoestel er gebruikt wordt voor het meten van een bepaalde grootheid. b In de derde kolom noteer je de eenheid voor die grootheid in symbolen. c In de laatste kolom schrijf je de meetnauwkeurigheid van het toestel. meettoestel

Fig. 1.5

verlichtingssterkte temperatuur bodemhardheid bodemvochtigheid luchtvochtigheid zuurgraad luchtdruk

Fig. 1.6

verlichtingssterkte temperatuur bodemhardheid bodemvochtigheid luchtvochtigheid zuurgraad luchtdruk

Fig. 1.7

verlichtingssterkte temperatuur bodemhardheid bodemvochtigheid luchtvochtigheid zuurgraad luchtdruk

© 10

grootheid

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID

eenheid (in symbolen)

meetnauwkeurigheid

Het meettoestel meet tot op  nauwkeurig

Het meettoestel meet tot op  nauwkeurig

Het meettoestel meet tot op  nauwkeurig


Fig. 1.10

verlichtingssterkte temperatuur bodemhardheid bodemvochtigheid luchtvochtigheid zuurgraad luchtdruk

tot op  nauwkeurig

Het meettoestel meet tot op  nauwkeurig

IN

Fig. 1.9

verlichtingssterkte temperatuur bodemhardheid bodemvochtigheid luchtvochtigheid zuurgraad luchtdruk

Het meettoestel meet

VA N

Fig. 1.8

verlichtingssterkte temperatuur bodemhardheid bodemvochtigheid luchtvochtigheid zuurgraad luchtdruk

3 Biotische factoren kun je niet meten, maar je kunt ze wel waarnemen in de biotoop.

©

In een loofbos wordt de bovenste laag van de bodem (strooisellaag) gefilterd om de bodemdiertjes waar te nemen. Veronderstel dat de bodemdiertjes afgebeeld op foto 1.11 tot 1.13 werden waargenomen. Gebruik de onderstaande zoekkaart om de diertjes te determineren of op naam te brengen.

Fig. 1.11

Fig. 1.12

Fig. 1.13

Foto 1.11: 

Foto 1.12: 

Foto 1.13: 

1 Je gaat op excursie!  

11


4 Organismen herkennen met een zoekkaart lukt niet altijd. In dat geval kun je ze op naam brengen met een determineersleutel of -tabel.

Fig. 1.14

Determineer als voorbeeld een aantal andere organismen die in de strooisellaag gevonden werden. 1

2

3

4

A

Behaarde achterpoten

grote spinnende watertor

B

Achterpoten zien er anders uit

Ú

A

Heel lange voelsprieten

eikenboktor

B

Borstelvormige voelsprieten

meikever

C

Voelsprieten zien er anders uit

Ú

A

Grijpkaken zijn heel groot

B

Grijpkaken zijn anders

A

Grote dekschilden

B

Kleine dekschilden waardoor het achterlijf zichtbaar is

Fig. 1.15

4

Ú

snuitkever

Ú

©



Ú

3

vliegend hert

Fig. 1.16

Ú

2

IN

Door uitspraken te beoordelen en een pad te volgen, raak je bij de naam van het organisme. Je doet daarbij een beroep op waarneembare kenmerken.

VA N

kortschildkever

Fig. 1.17

Ú



Ú



5 Ook bomen zijn organismen binnen een biotoop. a Welke kenmerken van de determineersleutel heb je gebruikt om de boom te determineren die je gezien hebt tijdens de excursie? Noteer ze hieronder.



 b

Welke boom heb je op naam gebracht? Noteer hier de naam van de boom.

 Fig. 1.18

12

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID


c

Vergelijk jouw resultaat met een groepje klasgenoten die dezelfde boom op naam brengen.

Heb je hetzelfde waarnemingsresultaat? 

d

Welke boom heeft het andere groepje gevonden?

 e

Kun je met deze determineersleutel ook zwammen determineren? Verklaar!

  Abiotische factoren zijn omgevingsfactoren die je kunt meten met meettoestellen. Ze geven informatie over de omgeving waarin organismen kunnen leven. Biotische factoren hebben te maken met organismen die elkaar beïnvloeden en/of van elkaar afhankelijk kunnen zijn.

IN

Organismen kun je op naam brengen (= determineren) met een zoekkaart, determineersleutel of -tabel door uitwendige kenmerken waar te nemen.

VA N

Schorpioenen zijn organismen die voorkomen in gebieden waar het erg warm en droog is. De abiotische factoren zijn voor deze diersoort in onze gebieden niet gunstig genoeg. Je zult ze dus niet aantreffen in je eigen tuin.

DE ENE BIOTOOP IS DE ANDERE NIET 1

Meetresultaten worden het best overzichtelijk voorgesteld, bijvoorbeeld in een tabel of grafiek. Dat helpt bij het formuleren van besluiten.

Gebruik het overzicht van de meetresultaten en de waarnemingen van twee onderzochte biotopen. Beantwoord daarna de vragen. abiotische factoren gemeten op 12 juni

©

biotoop

gemeten grootheid

weide

loofbos

110 550 lux

9 870 lux

18 °C

16 °C

10 mm

50 mm

55 %

72 %

zuurgraad

5,5

6,5

luchtdruk

1 018 hPa

1 018 hPa

verlichtingssterkte temperatuur bodemhardheid bodemvochtigheid

organismen waargenomen op 12 juni weide paardenbloem, klaver, gras, madeliefje, mier, regenworm, mol, sperwer

loofbos zomereik, berk, gras, mos, varens, hulst, mestkever, mier, regenworm, eekhoorn, houtduif

1 Je gaat op excursie!  

13


a

Welke abiotische factoren zijn verschillend tussen de weide en het loofbos?



 b

Welke abiotische factoren zijn vergelijkbaar in de twee biotopen?

 c

Leg in jouw eigen woorden uit waarom niet dezelfde organismen in beide biotopen leven.

 

IN

Met toestellen heb je de waarde van abiotische factoren gemeten. Door waarneming kwam je te weten welke organismen in een omgeving leven (biotische factoren). Het samenspel van abiotische en biotische factoren zorgt ervoor dat op een bepaalde plaats een bepaalde biotoop voorkomt. De manier waarop de factoren elkaar beĂŻnvloeden zorgt voor het typische karakter van bijvoorbeeld een bos, een vijver, een weiland, een duin enzovoort.

VA N

Metingen en waarnemingen op andere plaatsen op aarde zouden nog heel andere resultaten weergeven. De ene biotoop is dus zeker de andere niet!

Š

Test jezelf: oefeningen 1 en 2

14

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID


2 JE REIST VEEL VERDER OP VIRTUELE REIS NAAR HET TROPISCH REGENWOUD 1

We vliegen naar een totaal andere biotoop op aarde. Bestudeer de ontdekplaat die je terugvindt bij het onlinelesmateriaal om de opdrachten hieronder te kunnen oplossen. Eerst bestudeer je de geografische ligging. − Duid op de kaart de evenaar, de Kreeftskeerkring en de Steenbokskeerkring aan. − Markeer ook het grootste tropisch regenwoud.

IN

a

VA N

Fig. 2.1

− In welke drie landen tref je het grootste regenwoud aan?

©

 − Het grootste regenwoud heeft een oppervlakte van meer dan 

b

Dat is gelijk aan de 

. van Europa.

Een tropisch regenwoud wordt gekenmerkt door een aantal typische abiotische factoren. − Waarom is de naam niet toevallig gekozen?

  

− Welke abiotische factor is daardoor heel belangrijk? 

− Hoeveel bedraagt de gemiddelde laagste temperatuur? 

− Hoeveel bedraagt de gemiddelde dagtemperatuur? 

Fig. 2.2

2 Je reist veel verder  

15


c

De biotische factoren van het regenwoud uiten zich in een grote soortenrijkdom. − Geef een vijftal voorbeelden van typische planten en vruchten.



− Geef een vijftal voorbeelden van typische dieren.

 d

Het tropisch regenwoud heeft ook een financieel en economisch belang. Geef een viertal voorbeelden van producten die we uit het regenwoud halen.

 2 Onze aarde heeft het tropisch regenwoud echt nodig! Verduidelijk het belang van het regenwoud aan de hand van de afbeelding.



IN

   

VA N



Fig. 2.3

3 Het tropisch regenwoud wordt bedreigd.

Welke menselijke activiteiten bedreigen het regenwoud?





b

Hoeveel tropisch regenwoud wordt er dagelijks ontbost? Zoek de informatie op internet.



©

a

Fig. 2.4

Het tropisch regenwoud is een type woud dat voorkomt ter hoogte van de evenaar. De biotoop kenmerkt zich door een grote soortenrijkdom en typische abiotische kenmerken (hoge luchtvochtigheid, hoge temperatuur). Het tropisch regenwoud is belangrijk voor de mens op economisch gebied, maar ook voor de aarde zelf. Dagelijks wordt er echter regenwoud vernietigd of bedreigd.

WAT ALS ER ALLEEN MAAR HAAIEN RONDZWEMMEN IN DE OCEANEN OP AARDE? 1 De biodiversiteit van het tropisch regenwoud is heel groot.

16

a

Wat betekent ‘biodiversiteit’? Zoek de informatie via internet.





BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID


b

Alle plekken op aarde hebben een grote of minder grote biodiversiteit. Welk gebied (zie foto's hieronder) heeft de grootste biodiversiteit? Verklaar ook je antwoord.

Fig. 2.5

Fig. 2.6



Er leven op aarde miljoenen soorten organismen. De grote biodiversiteit is tot stand gekomen door de biologische evolutie gedurende miljarden jaren.

IN

2 De natuur houdt zichzelf in evenwicht.

a Bestudeer via het onlinelesmateriaal de animatie rond ecologie: − Wie zijn de prooien? 

− Wie zijn de jagers? 

− Wat gebeurt er als het aantal ‘jagers of predators’ toeneemt? 

− Wat gebeurt er als het aantal ‘prooien’ toeneemt? 



VA N

− Wat gebeurt er als het aantal prooien daalt? 



b Die slingerbeweging waarbij het aantal organismen zichzelf in evenwicht houdt, noemen we het ecologisch evenwicht. Dat wordt ook het natuurlijk of biologisch evenwicht genoemd. JAAR 1 Bekijk de onderstaande afbeelding en vul de tabel in.

JAAR 2

©

JAAR JAAR JAAR 12 1

JAARJAAR 2 2

jaar

JAAR 4

JAAR 3

aantal rupsen

aantal koolmezen

jaar 1 jaar 2 jaar 3 JAAR JAAR JAAR 34 3

jaar 4

JAARJAAR 4 4

Fig. 2.7 2 Je reist veel verder  

17


c

Wat stel je vast?





d

Het gebeurt regelmatig dat de mens het ecologisch evenwicht in de natuur gedurende een tijd verstoort. Hoe kan dat gebeuren?

 3 De mens oefent een grote invloed uit op de biodiversiteit. Dat kan zowel positief als negatief zijn.

IN

a Zijn de onderstaande afbeeldingen voorbeelden van positieve of negatieve beĂŻnvloeding? Kleur de positieve blokjes groen en de negatieve rood. Beschrijf ook wat je ziet.

Fig. 2.9







Fig. 2.12

Fig. 2.13





Fig. 2.14

Fig. 2.15

Fig. 2.16







Fig. 2.11

Fig. 2.10

Š



VA N

Fig. 2.8

b

Welke positieve acties kun jij ondernemen? Geef vijf voorbeelden.



18



c

De invoer van exoten (= uitheemse soorten) zorgt de laatste jaren steeds vaker voor problemen in onze eigen gebieden. Lees het artikel over de reuzenberenklauw dat je terugvindt bij het onlinelesmateriaal. Beantwoord daarna de vragen.

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID


− Uit welk gebied is de plant oorspronkelijk afkomstig?

 − Waarom staat het woordje ‘mooi’ bij ‘mooie tuinplant’ tussen aanhalingstekens?



− Hoe giftig is het sap van de plant?

Fig. 2.17



− De plant staat op de lijst met ‘invasieve exoten’. Wat betekent dat?

   Geef nog drie andere voorbeelden van invasieve exoten. Zoek de informatie via de website van ecopedia.

IN

d

 e

Zoek op dezelfde site informatie over de wasbeer. Is dat een exoot? Geef een verklaring.



      

VA N



Fig. 2.18

©

Met biodiversiteit bedoelen we de grote verscheidenheid aan leven op aarde of in een bepaald gebied. De biodiversiteit wordt bedreigd door overbevissing, ontbossing, milieuvervuiling, de invoer van exoten, klimaatveranderingen ... De mens wordt zich steeds meer bewust van deze dreiging en probeert om zijn of haar steentje bij te dragen om die bedreiging tegen te gaan. Dat kan zelfs door heel kleine aanpassingen in ons dagelijks leven. De organismen in de natuur zijn afhankelijk van elkaar en komen steeds tot een ecologisch of biologisch evenwicht. Als er dus alleen maar haaien in de oceanen op de aarde zouden rondzwemmen, is de biodiversiteit zo beperkt dat de haaien zeer snel zouden uitsterven. Test jezelf: oefeningen 3, 4, 5, 6 en 7

2 Je reist veel verder  

19


3 VOEDSELRELATIES ETEN OF GEGETEN WORDEN … 1

Eerder in dit thema heb je geleerd wat een biotoop is. Noteer nog eens in je eigen woorden wat dat precies is.





2 Binnen een biotoop hebben organismen elkaar nodig.

Fig. 3.1

Fig. 3.2



©



VA N

IN

Levende wezens in de natuur staan de hele tijd onder invloed van elkaar. We spreken van relatievormen. Noteer welke relatievormen geïllustreerd worden op de onderstaande foto’s. Je hebt de keuze uit: voortplantingsrelatie – beschermingsrelatie – voedselrelatie – steunrelatie

20

Fig. 3.3

Fig. 3.4





BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID


3 Een organisme kan door meerdere organismen opgegeten worden. a

Bekijk de drie volgende voedselketens. De pijlen betekenen ‘wordt gegeten door’.

Ú Fig. 3.5 paardenbloem

Ú Fig. 3.6 konijn

Fig. 3.7 wezel

paardenbloem

Fig. 3.8 cavia

paardenbloem

b

VA N

Ú

IN

Ú

Ú

Fig. 3.9 sprinkhaan

Fig. 3.10 klauwier

Verwerk die drie voedselketens in één schema.

©

c

Dit schema is de voorstelling van een voedselweb. Noteer in je eigen woorden wat een voedselweb is.



3 Voedselrelaties  

21


4 In de natuur draait alles om eten en gegeten worden.

Bekijk via het onlinelesmateriaal het filmpje over voedselketens. a Noteer de voedselketen die in het filmpje besproken wordt.

Algen Ú Ú

b

Ú

Ú

Welke organismen uit deze voedselketen voeden zich niet met andere organismen?



c

Hoe worden die organismen genoemd?



d

Alle andere schakels uit de keten voeden zich met andere organismen. Hoe heten die organismen?

 e

Schets een algemene voedselketen door in de lege kaders de informatie uit het filmpje te noteren. Je kunt ook gebruik maken van je antwoorden op de vragen c en d.

Ú

Ú

Ú

VA N

Ú

IN

©

Interessant om weten

autotroof

heterotroof Fig. 3.11

Autotrofe organismen gebruiken koolstofdioxide als bron van koolstof voor de opbouw van hun cellen. Ze halen de energie die daarvoor nodig is uit zonlicht. De meeste planten en wieren zijn autotroof. Planten- en vleeseters zijn heterotrofe organismen. Het woord ‘heterotroof’ komt van het Grieks (heteros – ‘vreemd’ of ‘een andere’ en trophein – ‘voeden’) en betekent dus letterlijk ‘zich voeden met anderen’. Parasitaire planten zijn heterotroof: ze overleven door van andere planten te stelen wat ze nodig hebben. Er zijn ook organismen die deels autotroof en deels heterotroof zijn, denk maar aan vleesetende planten. Die vangen en verteren kleine dieren zoals insecten en spinnen.

22

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID


5 Een voedselketen kun je ook voorstellen met een voedselpiramide. Daarvoor draai je de voedselketen op zijn kant. a

Noteer de onderdelen van de voedselketen uit het filmpje in het model. De basis is al ingevuld.

Het aantal organismen: neemt toe / neemt af

algen Fig. 3.12

b

De breedte van de laag is een maat voor het aantal organismen. Waarom staan de algen onderaan in

de piramide? 

c

Wat gebeurt er met het aantal organismen in een voedselketen? Duid het correcte antwoord aan naast de pijl in figuur 3.12.

IN

a

VA N

6 Er gaat niets verloren in een biotoop. Dode organismen worden opgeruimd door detrivoren en reducenten. Lees de omschrijvingen in de tabel. Markeer telkens de vier omschrijvingen die bij elkaar horen in dezelfde kleur. Je hebt dus drie kleuren nodig. Zoek de nodige informatie via internet.

afvaleters

©

reducenten

organismen die nieuw organisch materiaal opbouwen

b

organismen die leven van vast, dood, organisch materiaal

algen, bomen

detrivoor

micro-organismen

mieren, mestkevers, regenwormen, pissebedden, paddenstoelen

producenten

groene planten

organismen die organisch afval verder afbreken tot mineralen

bacteriën en schimmels

Haal uit de tabel hierboven de omschrijving voor reducenten.





3 Voedselrelaties  

23


c

Noteer de begrippen reducent, mineraal en detrivoor op de correcte plaats in het model hieronder. consument van de 1ste orde

consument van de 2de orde

consument van de 3de orde

producent consument van de 4de orde

Wat stellen de rode pijlen voor?



e

Dit model is een voorbeeld van een voedselkringloop. Leg dat begrip uit.





VA N

IN

d

In een biotoop leven organismen samen met elkaar. Ze staan onder invloed van elkaar. Organismen kunnen verschillende relaties met elkaar aangaan. Je spreekt van voedselrelaties, steunrelaties, voortplantingsrelaties en beschermingsrelaties. De voedselrelaties kun je met verschillende modellen voorstellen. De meest eenvoudige voorstelling is de voedselketen waarin organismen gerangschikt worden volgens het patroon van eten en gegeten worden. Van een voedselketen kun je ook een voedselpiramide maken. Hoe hoger een organisme in de piramide staat, hoe kleiner het aantal organismen. Wanneer je voedselketens met elkaar kunt verbinden, krijg je een voedselweb.

Š

Er zijn verschillende voedselniveaus in de biotoop. Je spreekt van producenten, consumenten, reducenten en detrivoren. Een voedselkringloop maakt een voorstelling met alle verschillende niveaus. In die kringloop geldt de regel ‘eten of gegeten worden’. De producenten zorgen voor de nodige voedingsstoffen voor de consumenten. Detrivoren en reducenten ruimen de resten op. Test jezelf: oefeningen 8, 9, 10 en 11

24

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID


! a h A ! a h A

SAMENVATTING

1

Je gaat op excursie!

Een landschap omvat verschillende biotopen en wordt gekenmerkt door landschapselementen. Landschapselementen zijn bepalend voor het uitzicht van een landschap. Voorbeelden hiervan zijn: planten, rivieren, bebouwing … Lucht, vervoersmiddelen en dieren behoren niet tot het landschap. In een biotoop leven bepaalde dieren en planten samen in een omgeving met typische eigenschappen. Voorbeelden van biotopen zijn: strand, duin, bos, berm, weide, vijver, sloot ...

Abiotische factoren zijn omgevingsfactoren die je kunt meten met meettoestellen. Ze geven informatie over de omgeving waarin organismen kunnen leven.

Biotische factoren hebben te maken met organismen die elkaar beïnvloeden en/of van elkaar afhankelijk kunnen zijn.

Organismen kun je op naam brengen (= determineren) met een zoekkaart, determineersleutel of -tabel door uitwendige kenmerken waar te nemen.

Met toestellen heb je de waarde van abiotische factoren gemeten. Door waarneming kwam je te weten welke organismen in een omgeving leven (biotische factoren). Het samenspel van abiotische en biotische factoren zorgt ervoor dat op een bepaalde plaats een bepaald biotoop voorkomt.

De manier waarop de factoren elkaar beïnvloeden zorgt voor het typische karakter van bijvoorbeeld een bos, een vijver, een weiland, een duin enzovoort.

VA N

IN

2 Je reist veel verder

©

Het tropisch regenwoud is een type woud dat voorkomt ter hoogte van de evenaar. De biotoop kenmerkt zich door een grote soortenrijkdom en typische abiotische kenmerken (hoge luchtvochtigheid, hoge temperatuur). Het tropisch regenwoud is belangrijk voor de mens op economisch gebied, maar ook voor de aarde zelf. Dagelijks wordt er echter regenwoud vernietigd of bedreigd.

Met biodiversiteit bedoelen we de grote verscheidenheid aan leven op aarde of in een bepaald gebied.

De biodiversiteit wordt bedreigd door overbevissing, ontbossing, milieuvervuiling, de invoer van exoten, klimaatveranderingen ...

De mens wordt zich steeds meer bewust van deze dreiging en probeert om zijn steentje bij te dragen om die bedreiging tegen te gaan. Dat kan zelfs door heel kleine aanpassingen in ons dagelijks leven.

De organismen in de natuur zijn van elkaar afhankelijk en komen steeds tot een ecologisch of biologisch evenwicht.

AHA!

25


3 Voedselrelaties In een biotoop leven organismen samen met elkaar. Ze staan onder invloed van elkaar.

Organismen kunnen verschillende relaties met elkaar aangaan. Je spreekt van voedselrelaties, steunrelaties, voortplantingsrelaties en beschermingsrelaties.

De voedselrelaties kun je met verschillende modellen voorstellen. De meest eenvoudige voorstelling is de voedselketen waarin organismen gerangschikt worden volgens het patroon van eten en gegeten worden. Van een voedselketen kun je ook een voedselpiramide maken. Hoe hoger een organisme in de piramide staat, hoe kleiner het aantal organismen. Wanneer je voedselketens met elkaar kunt verbinden, krijg je een voedselweb. Er zijn verschillende voedselniveaus in de biotoop. Je spreekt van producenten, consumenten, reducenten en detrivoren. Een voedselkringloop maakt een voorstelling met alle verschillende niveaus.

Š

VA N

IN

26

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID


Schema

In een biotoop staat alles onder invloed van abiotische en biotische factoren

abiotisch = niet-levend

meetbaar met instrumenten

biotisch = levend

waarneembaar en te determineren

biodiversiteit: de grote verscheidenheid aan organismen

IN

de biodiversiteit is verschillend op aarde en staat onder invloed van de mens

landschap ≠biotoop

duin kust berg bos weide tropisch regenwoud ...

voedselrelaties

voedselniveaus:

vier manieren van voorstelling:

voedselketen

ecologisch evenwicht: de slingerbeweging die de natuur in evenwicht houdt

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID

Š

kustlandschap industrielandschap boslandschap landbouwlandschap ...

voorbeelden

VA N

voorbeelden

voedselweb

producenten consumenten detrivoren reducenten

voedselkringloop

groene planten planten- en diereneters maken mineralen afvalopruimers

voedselpiramide

AHA!

27


Mindmap voorbeelden: luchtdruk, zuurgraad, temperatuur ...

niet-meetbaar maar wel waarneembaar determineren met kaarten of tabellen

meetbaar met instrumenten

abiotische of niet-levende factoren

voorbeelden: kustlandschap, industrielandschap, boslandschap en landbouwlandschap

biotische of levende factoren

voorbeelden: vijver, bos, duin, strand, weide, tropisch regenwoud ...

landschap landschap / biotoop

IN

biotoop

VA N

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID voedselrelaties

voedselketen

voedselweb voedselkringloop

voedselpiramide

Š

biodiversiteit = de grote verscheidenheid aan leven

ecologisch evenwicht

producenten

invloeden van de mens voedselniveaus

consumenten detrivoren

negatief

28

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID

positief reducenten


Checklist helemaal begrepen

Wat ken/kan ik?

hier kan ik nog groeien

pg.

Ik kan het verschil tussen abiotische en biotische factoren uitleggen.

10

Ik kan verschillende voorbeelden van abiotische en biotische factoren opsommen.

11

Ik kan meettoestellen gebruiken om abiotische factoren te bepalen.

10, 11

Ik kan het begrip biotoop uitleggen.

9

Ik kan een organisme op naam brengen door gebruik te maken van een zoekkaart of determineertabel.

11, 12

Ik kan het begrip biodiversiteit uitleggen.

16 17

Ik kan begrijpen dat organismen in de natuur elkaar beïnvloeden en het ecologisch evenwicht hierbij betrekken.

17

Ik kan de invloeden van de mens indelen in ‘positief’ of ‘negatief’ en herkennen.

18

VA N

IN

Ik kan verklaren waarom het ene gebied een grotere biodiversiteit heeft dan het andere.

20

Ik kan beschrijven wat een voedselketen is.

21

Ik kan een voedselweb definiëren.

21

Ik kan een voedselpiramide van aantallen herkennen.

23

Ik kan in voedselrelaties producenten, consumenten, detrivoren en reducenten herkennen.

23

Ik kan beschrijven wat een voedselkringloop is.

24

Ik kan het verschil tussen autotrofe en heterotrofe organismen in eenvoudige taal uitleggen.

22

©

Ik kan modellen waarmee je voedselrelaties kunt voorstellen, benoemen.

Denk je dat je alles begrepen hebt in dit thema? Ga dan naar diddit en oefen verder.

AHA!

29


TEST JEZELF 1

Tot welke groep factoren behoren de onderstaande invloedfactoren? Noteer de letter ‘A’ voor abiotische factoren en de letter ‘B’ voor biotische factoren.

Veel zonlicht.

Fazant verstopt zich achter een braamstruik.

Eekhoorn eet een eikel.

De bodem is heel vochtig.

De bodemtemperatuur is 20 °C.

De luchtdruk is 1040 hPa.

abiotische factoren gemeten in loofbos

IN

2 Je vergelijkt de abiotische factoren in een loofbos met die in een naaldbos op dezelfde dag. De gemeten factoren staan vermeld in de tabel hieronder. Welke resultaten verwacht je? Markeer de correcte vermelding. verwacht resultaat voor naaldbos

hoger / gelijk / lager

temperatuur

hoger / gelijk / lager

bodemhardheid bodemvochtigheid zuurgraad luchtdruk

VA N

verlichtingssterkte

hoger / gelijk / lager hoger / gelijk / lager hoger / gelijk / lager hoger / gelijk / lager

©

3 Welke afbeelding toont het gebied met de laagste biodiversiteit? Verklaar je antwoord.

30





BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID


4 Is de foto een voorbeeld van een bedreiging van de biodiversiteit? Leg kort uit.







 

5 Zijn de volgende uitspraken voorbeelden van positieve of negatieve invloeden? positief

negatief

In de winter eet ik heel graag een ijsje met verse exotische vruchten zoals ananas, mango en kiwi.

Op school gooien we alle afval in één vuilnisbak.











VA N

6 Welke negatieve invloeden kun je zien op de foto hiernaast?

IN

Mijn ouders planten elk jaar bloemen in de tuin om bijen aan te trekken.

©

7 Zoek informatie over één van de onderstaande exoten. Tijgermug – processierups – Japanse oester – coloradokever – halsbandparkiet – rode rivierkreeft – muskusrat … − Noteer uit welk gebied het organisme afkomstig is. − Welke bedreiging vormt het organisme voor onze natuur? − Voorzie een afbeelding en een artikel uit de krant over dit organisme.

8 Benoem de verschillende modellen van voedselrelaties.

muis groene planten

slang slangenarend



Test jezelf  

31


de consumenten van de tweede orde

jakhals leeuw

aaseters en reducenten

de consumenten van de eerste orde

de producenten

slangenarend

geit wilde kat

uil

konijn groene planten

slang muis

















VA N

IN

9 Beschrijf het verschil tussen een voedselketen, een voedselweb, een voedselpiramide en een voedselkringloop.

10 Maak het verband tussen producent, planteneter, vleeseter, alleseter, detrivoor, reducent duidelijk aan de hand van een schema.







Š







 11 Tijdens de biotoopstudie heb je heel wat organismen kunnen waarnemen. Maak drie voedselketens met minstens vier schakels. Stel ook een voedselweb op met minstens tien organismen uit jouw biotoop. Zoek eventueel extra organismen op het internet.

 

32

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID


©

VA N

IN

Bouw en eigenschappen van materie

1 METEN IS WETEN 2 HOE VERLOOPT EEN WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK? 3 AGGREGATIETOESTANDEN 4 DE INVLOED VAN DE TEMPERATUUR 5 MENGSEL EN ZUIVERE STOF 6 STOFOMZETTINGEN


Š

3

VA N

2

IN

1

Wat wil ik te weten komen over dit thema?         

Ontdek deze en nog andere opties via het onlinelesmateriaal.

34

Bouw en eigenschappen van materie


1 METEN IS WETEN WETENSCHAPPERS HEBBEN HUN EIGEN TAALTJE 1

In de lagere school heb je grootheden en eenheden leren kennen en in de biotoopstudie heb je een aantal abiotische factoren gemeten.

a

Om te meten gebruik je meetinstrumenten. Noteer in de tweede kolom van de tabel het meetinstrument dat je gebruikt om de grootheid te meten.

b

Schrijf nu in de derde kolom de eenheid die je tot nu toe gebruikt hebt voor die grootheid. grootheid

meetinstrument

eenheid

lengte

IN

temperatuur tijd massa

oppervlakte volume vochtigheid

VA N

inhoud

geluidssterkte windsnelheid

2 Wetenschappers gebruiken wereldwijd dezelfde grootheden en eenheden. In 1960 stelde een internationale commissie een verplicht systeem van eenheden op: het SI (Système International). Het SI omvat zeven basisgrootheden en de zeven bijhorende basiseenheden. Alle andere grootheden zijn afgeleid van deze zeven basisgrootheden.

©

a

Welke basisgrootheden en basiseenheden die je kent, zijn er in figuur 1.1 opgesomd?





SI - Grootheden en eenheden

„ kelvin (temperatuur)

„ meter (afstand)

„ ampère (stroomsterkte)

„ seconde (tijd)

„ mol (hoeveelheid stof)

„ kilogram (massa)

„ candela (lichtintensiteit)

Fig. 1.1

b

Voor één grootheid gebruik je in het dagelijks leven een andere eenheid. Welke grootheid bedoel je en welke eenheid gebruik je?



1 Meten is weten  

35


c

Je gebruikt soms andere eenheden dan de hoofdeenheden. Welke eenheid gebruik je bijvoorbeeld als je de massa van een appel wilt noteren?



Welke eenheid gebruik je om de lengte van een speelfilm aan te duiden?



Waarom doe je dat?



d

In formules en bij wetenschappelijke berekeningen daarentegen gebruik je steeds basisgrootheden en basiseenheden en afgeleide eenheden daarvan. Zo zijn bijvoorbeeld m2 en m3 afgeleide eenheden van de meter (m). Waarom is de eenheid voor windsnelheid (zie tabel) geen afgeleide eenheid van de basiseenheid?



IN

Fig. 1.2

VA N

3 In de loop van het schooljaar zul je nieuwe meetinstrumenten leren gebruiken en nieuwe grootheden en eenheden leren kennen. Om je daarbij te helpen vind je achteraan in het leerwerkboek een tabel waarin je alle grootheden en eenheden kunt verzamelen. Vul alvast de grootheden en eenheden in die je reeds kent.

Interessant om weten

©

Zo was het vroeger Eeuwenlang had elke streek of zelfs elke stad zijn eigen eenheden van lengte en massa. Soms waren die eenheden in steen gebeiteld aan de stadspoorten of op openbare plaatsen zoals de markt. Zo kon elke voorbijtrekkende handelaar weten hoe groot de plaatselijke ‘el’, ‘voet’, ‘duim’ of ‘roe’ waren.

Fig. 1.3 eenheden, geafficheerd bij de stadspoort

36

Bouw en eigenschappen van materie

In het jaar 1790 (tijdens de Franse Revolutie) werd echter beslist dat iedereen voortaan dezelfde lengte-eenheid moest gebruiken.


4 Soms is een maatgetal zo groot of zo klein dat het moeilijk is om het op te schrijven. Dan maak je gebruik van voorvoegsels. a Met alle eenheden worden steeds dezelfde voorvoegsels gebruikt. Welke voorvoegsels ken je al uit de lagere school (zie figuur 1.4)?

 Y

yotta

1024

G

giga

109

y

yokto

10-24

n

nano

10-9

Z

zetta

1021

M

mega

106

z

zepto

10-21

μ

micro

10-6

E

exa

1018

k

kilo

103

a

atto

10-18

m

milli

10-3

P

peta

1015

h

hecto

102

f

femto

10-15

c

centi

10-2

T

tera

1012

da

deca

101

p

pico

10-12

d

deci

10-1

Fig. 1.4

Om de eenheid te noteren, wordt steeds de eerste letter van het voorvoegsel gebruikt. Zo is 1 cm = 1 centimeter Er zijn echter twee uitzonderingen. Welke zijn dat?







c

In het dagelijks leven gebruik je ook vaak voorvoegsels. Hoeveel data kun je gebruiken met je smartphonebundel?

Hoe groot is de afstand van je huis naar school?



VA N



IN

b

Hoe groot is de lengte van een A4 blad papier? 

©

Voor wetenschappelijk onderzoek gebruik je meettoestellen. Je meet daarmee grootheden, die je uitdrukt in een welbepaalde eenheid. Grootheden en eenheden worden met een symbool genoteerd. In formules en bij wetenschappelijke berekeningen gebruik je steeds de grootheden en de eenheden van het SI-stelsel. Om grote en kleine getallen te noteren, gebruik je voorvoegsels. De taal die wetenschappers gebruiken is soms heel verschillend van het dagelijks taalgebruik. Ze hebben echt hun eigen taal. Test jezelf: oefeningen 1, 2 en 3

1 Meten is weten  

37


2 HOE VERLOOPT EEN WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK? WETENSCHAP EN CHAOS GAAN NIET SAMEN Alles is opgebouwd uit stoffen. Noteer een aantal voorwerpen die je in de klas ziet, in de tabel hieronder. Duid ook aan uit welke stof(fen) die voorwerpen gemaakt zijn. voorwerp

stof(fen) waaruit het voorwerp gemaakt is













2 Elke stof heeft stofeigenschappen.

In de lagere school heb je geleerd dat stoffen in drie verschillende vormen kunnen voorkomen. Noteer die vormen voor water bij de volgende voorbeelden.

IJsblokje: 

VA N

a

Glas water: 

Water dat verdampt: 

Hagel en sneeuw: 

Die vormen waarin een stof kan voorkomen zijn de aggregatietoestanden van die stof. De aggregatietoestand is een voorbeeld van een stofeigenschap.

b

Noteer in de eerste rij van de tabel hieronder een drietal stoffen waaruit de voorwerpen (uit de vorige tabel) gemaakt zijn. Bepaal daarna de opgesomde stofeigenschappen. Zoek eventueel de informatie op internet.

Š

geur

kleur brandbaarheid geleiding voor elektriciteit geleiding voor warmte kookpunt smeltpunt aggregatietoestand bij kamertemperatuur 38

IN

1

Bouw en eigenschappen van materie

Fig. 2.1 waterplas op een vriesochtend

stof 1:

stof 2:

stof 3:


c

Vergelijk je antwoorden met die van je klasgenoten. Wat stel je vast?

 d

Van een voorwerp kun je ook de vorm, de massa en het volume bepalen. Duid de correcte antwoorden aan bij het volgende voorbeeld. Een bol wol en een wollen trui: zijn uit dezelfde / verschillende stof gemaakt. hebben dezelfde / verschillende stofeigenschappen. hebben dezelfde / een verschillende vorm. hebben dezelfde / een verschillende massa. hebben hetzelfde / een verschillend volume.

Vorm, massa en volume zijn geen stofeigenschappen. Het zijn eigenschappen die typisch zijn voor een voorwerp. Je noemt het voorwerpeigenschappen.

Fig. 2.2

3 Volgens de wetenschap is materie alles wat een massa en een volume heeft.

IN

Onderzoek 1

VA N

Stel dat je wilt aantonen dat water in de vloeibare fase materie is. Daar moet je een onderzoek voor uitvoeren. Dat gebeurt volgens een wetenschappelijke methode, die bestaat uit verschillende stappen. In de tabel hieronder wordt deze wetenschappelijke methode volledig uitgelegd. − De kadertjes rechts maken duidelijk wat je allemaal moet doen. − Links staat het resultaat van dat denkwerk.

1 Onderzoeksvraag Hoe kan ik aantonen dat de vloeistof water materie is?

©

2 Hypothese Als een hoeveelheid vloeibaar water een massa heeft en een volume heeft, dan is het materie.

Je maakt met één enkele vraag duidelijk wat je precies wilt onderzoeken. Zo’n onderzoeksvraag moet aan een aantal kenmerken (criteria) voldoen: − in vraagvorm − beknopt − voldoende belangrijk − ondubbelzinnig (duidelijk) − onderzoekbaar Je denkt na over de onderzoeksvraag en je voorspelt een antwoord of het resultaat van het onderzoek vanuit de theorie of steunend op je ervaring. Ook de hypothese moet voldoen aan een aantal criteria: − afgebakend − beknopt − voldoende belangrijk − ondubbelzinnig (duidelijk) − toetsbaar

2 Hoe verloopt een wetenschappelijk onderzoek?  

39


In de volgende fase van het onderzoek kunnen verschillende items aan bod komen: • eigen ontwerp voor het onderzoek: je ontwerpt zelf een passend onderzoek • stappenplan voor het onderzoek: je leerkracht geeft de instructies voor het uitvoeren van het onderzoek • benodigdheden: je verzamelt alles wat je nodig hebt voor het uitvoeren van het experiment je kunt aankruisen welk materiaal je reeds verzamelde • een afbeelding van een proefopstelling: met een figuur wordt duidelijk getoond hoe je de proefopstelling kunt maken, het helpt je bij het uitvoeren van het onderzoek • tips: je leerkracht geeft je aanwijzingen die het uitvoeren van het onderzoek vereenvoudigen • veiligheidsinstructies: aandachtspunten en maatregelen om ervoor zorgen dat het onderzoek volledig veilig kan uitgevoerd worden

VA N

IN

3 Benodigdheden een hoeveelheid water maatbeker digitale balans instrumentenfiche (Hoe bepaal je de massa van een stof?) instrumentenfiche (Hoe bepaal je het volume van een stof?)

©

4 Werkwijze Je voert het onderzoek uit volgens het 1 Plaats de maatbeker op de digitale vooropgestelde stappenplan. balans. In de hokjes kun je aankruisen welke 2 Bepaal de massa van de maatbeker. stappen je reeds uitvoerde. 3 Noteer de massa in de tabel bij Je noteert de waarnemingen of de waarneming 1. meetresultaten in de voorziene tabel of je 4 Giet een hoeveelheid water in de geeft antwoord op de gestelde vragen. maatbeker. 5 Lees het vloeistofniveau af. 6 Noteer het resultaat in de tabel bij waarneming 2. 7 Bepaal de massa van de maatbeker met water. 8 Noteer de massa in de tabel bij waarneming 3. 5 Waarneming

40

waarneming 1



waarneming 2



waarneming 3



Bouw en eigenschappen van materie


Uit waarneming kun je besluiten dat de hoeveelheid water een volume heeft.

Uit waarneming kun je besluiten dat de hoeveelheid water een massa heeft. 6 Besluit

   Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.

 

Je denkt verder na over het geleverde onderzoek. Er kunnen nieuwe onderzoeksvragen ontstaan.

VA N

7 Reflectie

Je formuleert een antwoord op de onderzoeksvraag (besluit). Je geeft aan of je hypothese overeenkomt met het besluit. Als het resultaat van het onderzoek anders is dan je in de hypothese voorspeld had, dien je een aantal zaken te controleren. − Heb je het onderzoek op de juiste manier uitgevoerd? − Heb je de meetresultaten op de juiste manier verwerkt?

IN

Elke stof heeft welbepaalde stofeigenschappen.

Een stof kan voorkomen in drie aggregatietoestanden: vast, vloeibaar en gasvormig.

©

Een wetenschappelijk onderzoek bestaat uit verschillende, opeenvolgende stappen: − Je formuleert een onderzoeksvraag en een hypothese volgens bepaalde criteria. − Je ontwikkelt of krijgt van de leerkracht een stappenplan (werkwijze) voor het uitvoeren van het onderzoek. − Je verzamelt de benodigdheden. − Je voert het onderzoek uit volgens een vooropgesteld stappenplan. Hierbij verzamel je waarnemingen en meetresultaten. − Na het verwerken van de resultaten formuleer je in het besluit een antwoord op de onderzoeksvraag. − Je vergelijkt je geformuleerde hypothese met het besluit van het onderzoek. − Als laatste stap reflecteer je over het onderzoek. Wetenschappers doen wetenschappelijk onderzoek op een zeer gestructureerde manier. Het zijn misschien wel verstrooide professoren, maar zeker geen chaoten. Test jezelf: oefeningen 4, 5 en 6

2 Hoe verloopt een wetenschappelijk onderzoek?  

41


3 AGGREGATIETOESTANDEN ZITTEN MATERIEDEELTJES OOIT STIL? 1

Materie bestaat uit deeltjes. Als je een kopje thee drinkt, voeg je soms een klontje suiker toe. Met het volgende onderzoek ga je na wat er met het klontje suiker gebeurt.

Onderzoek 2 1 Onderzoeksvraag Wat gebeurt er met suiker als je het in water brengt?

IN

2 Hypothese

VA N

Kruis de hypothese aan die je het meest waarschijnlijk vindt. De suiker smelt in het water. De suiker lost op in het water. De suiker reageert met het water. Maak ook een schets (model) van wat er volgens jou gebeurt.

Š

3 Benodigdheden twee maatbekers van 100 ml gedemineraliseerd water kristalsuiker digitale balans roerstaaf instrumentenfiche (Hoe bepaal je de massa van een stof?) Fig. 3.1

Veiligheidsinstructie

Enkel als de leerkracht je vraagt om aan een stof te ruiken of te voelen of van een stof te proeven, doe je dat. In alle andere gevallen doe je dat niet omwille van je eigen veiligheid. Tijdens dit onderzoek wordt er gevraagd van stoffen te proeven. Voor alle andere onderzoeken tijdens de lessen natuurwetenschappen proef je nooit van stoffen.

4 Werkwijze 1 Vul een maatbeker met 70 ml gedemineraliseerd water (maatbeker 1). Proef van het water en noteer je waarneming bij waarneming 1. 2 Duid in de tabel onder figuur 3.2 het correcte antwoord aan. 3 Meet 5 g kristalsuiker af met de balans en giet de suiker in de tweede maatbeker. Proef van de suiker en noteer de smaak bij waarneming 2.

42

Bouw en eigenschappen van materie


4 5 6 7

Duid in de tabel onder figuur 3.3 het correcte antwoord aan. Giet de suiker in maatbeker 1, roer goed met de roerstaaf. Noteer wat je ziet bij waarneming 3. Proef de vloeistof en noteer de smaak bij waarneming 4. Duid in de tabel onder figuur 3.4 het correcte antwoord aan.

5 Waarneming waarneming 1



waarneming 2



waarneming 3

Je ziet de suikerdeeltjes wel / niet.

waarneming 4



IN

6 Besluit Om duidelijk te maken wat er allemaal gebeurt, maak je gebruik van een deeltjesmodel. Vul de tabel verder aan.

Fig. 3.2

maatbeker met suiker

maatbeker met water en suiker

VA N

maatbeker met water

Fig. 3.3

De vaste stof kristalsuiker bestaat uit één / meerdere suikerdeeltjes.

De vloeistof bestaat uit één / meerdere waterdeeltjes en één / meerdere suikerdeeltjes. Zijn er suikerwaterdeeltjes aanwezig? Ja / neen

Eén waterdeeltje wordt

Eén suikerdeeltje wordt

Eén waterdeeltje wordt

voorgesteld door 

voorgesteld door 

voorgesteld door 

©

De vloeistof water bestaat uit één / meerdere waterdeeltjes.

Fig. 3.4



.



.

.

 Eén suikerdeeltje wordt voorgesteld door 

.

 In het model zijn er  waterdeeltjes getekend.

In het model zijn er  suikerdeeltjes getekend.

In het model zijn er 

 

.

Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



3 Aggregatietoestanden  

43


7 Reflectie Vergelijk jouw model met het gebruikte model in het besluit. Het is oké / niet oké als ik andere figuren, symbolen gebruikt heb. Het is oké / niet oké als ik voor water en suiker hetzelfde symbool gebruikt heb. Het is oké / niet oké als ik een ander aantal waterdeeltjes en suikerdeeltjes tekende. Het aantal waterdeeltjes op de figuren 3.2 en 3.4 mag verschillend zijn / moet gelijk zijn. Het aantal suikerdeeltjes op de figuren 3.2 en 3.4 mag verschillend zijn / moet gelijk zijn.

2 Het feit dat de suikerdeeltjes zich tussen de waterdeeltjes wringen, laat ons vermoeden dat er ruimte zit tussen de deeltjes. Dat kun je aantonen met het volgende onderzoek. Onderzoek 3

IN

1 Onderzoeksvraag Hoe groot wordt het volume als je 50 ml water en 50 ml alcohol (ethanol) samenvoegt? 2 Hypothese 

VA N

3 Benodigdheden twee maatbekers van minimum 100 ml gedemineraliseerd water alcohol (ethanol) roerstaaf instrumentenfiche (Hoe bepaal je het volume van een vloeistof?)

Veiligheidsinstructie

Op een fles ethanol die je in het labo gebruikt, kleeft een etiket met heel wat informatie in verband met het veilig gebruiken van het product ethanol.

©

Fig. 3.5 ethanol

Fig. 3.6

Wat betekent het gevarenpictogram dat je op het flesje ziet? 

Daarnaast staan er ook H- en P-zinnen genoteerd? Noteer de nummers en zoek via internet op wat elke zin betekent.

 

44

H225 P210

Bouw en eigenschappen van materie


4 Werkwijze 1 Giet 50 ml gedemineraliseerd water in maatbeker 1. 2 Giet 50 ml alcohol in maatbeker 2. 3 Giet de alcohol bij het water en roer even met de roerstaaf. 4 Lees het totale volume nauwkeurig af. 5 Waarneming

Hoe groot is het totale volume? 

6 Besluit Het totale volume is kleiner dan / gelijk aan / groter dan de som van de twee afzonderlijke volumes.

Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.

IN



Fig. 3.7 water

Fig. 3.8 alcohol

Fig. 3.9 water + alcohol

Wat gebeurt er als je de twee stoffen, ethanol en water, samengiet?

 

Wat is het gevolg daarvan voor het totale volume?

©

VA N

7 Reflectie Met een deeltjesmodel kun je opnieuw alles duidelijk maken.



De ruimtes tussen de deeltjes in de totale vloeistof zijn kleiner dan / gelijk aan / groter dan de ruimtes tussen de deeltjes van de afzonderlijke stoffen.

3 Die deeltjes zijn voortdurend in beweging en dat heeft zijn gevolgen.

Open via het onlinelesmateriaal de applet ‘states of matter’.

a

Welke gassen worden onderzocht met deze applet?

 b

Welke vloeistof wordt er bestudeerd?



3 Aggregatietoestanden  

45


IN

Fig. 3.10

Selecteer achtereenvolgens neon, argon en zuurstof in de applet en ‘solid’ (vaste toestand). − Wat doen de deeltjes waaruit de stoffen zijn opgebouwd.



VA N

c

− Hoe groot is de ruimte tussen de deeltjes?

 d

Herhaal die procedure voor de gassen (neon, argon en zuurstof), maar kies daarbij voor ‘Liquid’ (vloeibaar) en ‘Gas’. Vul aan de hand van die waarnemingen de onderstaande tabel verder in. beweging van de deeltjes

vast

neon

vloeibaar

kleine afstand

argon

trillen ter plaatse

kleine afstand

zuurstof

trillen ter plaatse

kleine afstand

vloeibaar

e

Selecteer opnieuw ‘Neon’ en klik achtereenvolgens op vast, vloeibaar en gas.

Hoe verandert de temperatuur? 

f

46

vast

trillen ter plaatse

©

gas

afstand tussen de deeltjes

Selecteer in de app de verschillende fasen voor de stof water. Waarin verschilt deze stof van de andere stoffen?



Bouw en eigenschappen van materie

gas


4 Aan de hand van de applet ben je te weten gekomen dat de aggregatietoestanden te maken hebben met de beweeglijkheid van de deeltjes en met de ruimte tussen de deeltjes.

Fig. 3.11

Fig. 3.12

aggregatietoestand

vast

IN

Ga naar het onlinelesmateriaal om nog bijkomende informatie te vinden via de ontdekplaat.

Fig. 3.13

vloeibaar

gasvormig

Tussen de deeltjes is er

wel / geen ruimte

wel / geen ruimte

wel / geen ruimte

De afstand tussen de materiedeeltjes is

zeer groot / klein / zeer klein

zeer groot / klein / zeer klein

zeer groot / klein / zeer klein

De materiedeeltjes

trillen ter plaatse / bewegen vrij langs elkaar / trekken voortdurend aan elkaar / verspreiden zich in de volledige ruimte

trillen ter plaatse / bewegen vrij langs elkaar / trekken voortdurend aan elkaar / verspreiden zich in de volledige ruimte

trillen ter plaatse / bewegen vrij langs elkaar / trekken voortdurend aan elkaar / verspreiden zich in de volledige ruimte

deeltjesmodel

VA N

Om een duidelijk overzicht te hebben, vul je de tabel hieronder in. Zet ook het nummer van het deeltjesmodel op de correcte plaats in de tabel.

Materie bestaat uit deeltjes die voortdurend in beweging zijn.

©

Tussen de deeltjes zit er ruimte. Deze is verschillend naargelang de fase waarin de materie zich bevindt. − Bij een vaste stof is de ruimte tussen de deeltjes zeer klein. De materiedeeltjes trillen ter plaatse. − Bij een vloeistof is de ruimte tussen de deeltjes groter dan bij een vaste stof. De materiedeeltjes bewegen zich vrij langs elkaar, maar trekken elkaar voortdurend aan waardoor ze bij elkaar blijven. − Bij een gas is de ruimte tussen de deeltjes het grootst. Net als bij vloeistoffen bewegen de materiedeeltjes langs elkaar en ze verspreiden zich in de volledige ruimte. Naargelang de aggregatietoestand kunnen de deeltjes, waaruit de stof is opgebouwd, bewegen. Maar normaal gesproken zitten ze echt nooit stil. Test jezelf: oefeningen 7, 8 en 9

3 Aggregatietoestanden  

47


4 DE INVLOED VAN DE TEMPERATUUR ALS HET WARM WORDT, BEGINT HET TE SPANNEN! 1

De temperatuur heeft een invloed op de snelheid waarmee de materiedeeltjes bewegen.

Onderzoek 4

2 Hypothese 

VA N

3 Benodigdheden twee petrischalen water waterkoker maatbeker kleurvloeistof

IN

1 Onderzoeksvraag Welke van de onderstaande onderzoeksvragen kun je stellen om te onderzoeken of temperatuur een invloed heeft op de bewegingssnelheid van materiedeeltjes? Welke invloed heeft de temperatuur op de beweging van materiedeeltjes? Wat doet temperatuur met materiedeeltjes? Hoe beĂŻnvloedt de temperatuur de snelheid van materiedeeltjes?

Fig. 4.1

Š

4 Werkwijze 1 Giet een hoeveelheid koud water in een petrischaal. 2 Warm eenzelfde hoeveelheid water op met de waterkoker en giet het in de tweede petrischaal. 3 Druppel gelijktijdig een druppel kleurvloeistof in het midden van de beide petrischalen. 4 Volg goed wat er gebeurt in de twee petrischalen. 5 Waarneming

Wat gebeurt er met de kleurvloeistof?



Is er een verschil tussen de petrischalen?



6 Besluit Hoe hoger / lager de temperatuur, hoe trager / sneller de kleurstofdeeltjes bewegen.

48

Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



Bouw en eigenschappen van materie


2 Bij extreem hoge temperaturen kan het wegdek soms omhoogkomen. a

Wat is de reden hiervan?

 b Je merkt dat het niet zo eenvoudig is om daar een antwoord op te geven. Maar blijkbaar heeft de temperatuur een invloed op het volume van materie. Dat kun je nagaan met het volgende onderzoek.

Fig. 4.2

Onderzoek 5

IN

Onderzoeksvraag De vraag zou kunnen zijn: wat is de invloed van de temperatuur op het volume van materie? Dat is echter geen goede onderzoeksvraag want je weet niet of het gaat over vaste stoffen, vloeistoffen of gassen. Daarom splits je dit onderzoek in drie delen.

Onderzoek 5A

VA N

1 Onderzoeksvraag Welke invloed heeft de temperatuur op het volume van een vaste stof? 2 Hypothese

3 Benodigdheden bol en ring van ’s Gravesande verwarmingstoestel

Fig. 4.3

©

4 Werkwijze Dit experiment wordt door de leerkracht uitgevoerd. 5

Waarneming Wat gebeurt er bij kamertemperatuur als de bol op de ring gelegd wordt? Bij kamertemperatuur gaat de bol wel / niet door de ring. Wat gebeurt er met de bol als hij verwarmd wordt? De verwarmde bol gaat wel / niet door de ring. Wat gebeurt er met de bol als hij terug afkoelt? De afgekoelde bol gaat wel / niet door de ring.

6 Besluit Welke invloed heeft de temperatuur op het volume van een vaste stof?

 

4 De invloed van de temperatuur  

49


Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



IN

7 Reflectie Aan de hand van een deeltjesmodel kunnen we de verklaring geven. Hieronder zie je het deeltjesmodel van een vaste stof.

Fig. 4.4

a Duid met een rode pijl het opwarmen van een vaste stof aan en met een blauwe pijl het afkoelen ervan.

©

Onderzoek 5B

VA N

b Duid hierna de correcte antwoorden aan. − Het aantal materiedeeltjes is toegenomen / gelijk gebleven / afgenomen. − De vorm van de materiedeeltjes is veranderd / onveranderd. − De aggregatietoestand van het metaal verandert / verandert niet bij het verhogen van de temperatuur. − Bij het verwarmen van de materiedeeltjes nemen de deeltjes energie op. De snelheid waarmee de deeltjes bewegen, stijgt / blijft gelijk / daalt. − De aantrekkingskracht tussen de materiedeeltjes wordt hierdoor kleiner / groter. − De ruimte tussen de materiedeeltjes verkleint / vergroot. − Het volume wordt dus kleiner / groter. De stof zet uit / krimpt.

1 Onderzoeksvraag Welke invloed heeft de temperatuur op het volume van een vloeistof? 2 Hypothese

3 Benodigdheden erlenmeyer doorboorde kurk met glazen buisje gekleurde vloeistof verwarmingstoestel Fig. 4.5

4 Werkwijze Dit experiment wordt door de leerkracht uitgevoerd.

50

Bouw en eigenschappen van materie


5 Waarneming Wat gebeurt er in het begin als de erlenmeyer verwarmd wordt?



Wat gebeurt er als de erlenmeyer verder verwarmd wordt?



6 Besluit Welke invloed heeft de temperatuur op het volume van een vloeistof?





Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



IN

7 Reflectie Je kent een meetinstrument dat werkt op dit principe. Noteer de naam van het toestel.



VA N

Onderzoek 5C

1 Onderzoeksvraag Welke invloed heeft de temperatuur op het volume van een gas? 2 Hypothese

3 Benodigdheden maatbeker, gevuld met water petflesje met schroefdop en fijn rietje (zie foto)

©

4 Werkwijze Dit experiment wordt door de leerkracht uitgevoerd.

Fig. 4.6

5 Waarneming

Wat gebeurt er als je het fijne buisje in het water stopt? 

6 Besluit Wat gebeurt er als je het flesje met je handen vastneemt?



Wat is het gevolg daarvan?



Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



4 De invloed van de temperatuur  

51


3 De temperatuur speelt ook een rol bij de faseovergangen van de aggregatietoestanden.

Ga naar het onlinelesmateriaal om nog bijkomende informatie te vinden via de ontdekplaat.

c

Wat gebeurt er met de hoeveelheid water op aarde? De hoeveelheid water op aarde verandert wel / niet, de structuur van water verandert wel / niet. In je tekening zie je dat water overgaat van de ene fase naar de andere. Dat noemen we faseovergangen. Welke faseovergangen heb je getekend?

 

d

Een faseovergang gebeurt niet zomaar. Wat is er nodig?

 e

52

Š

b

VA N

IN

a In de lagere school heb je de waterkringloop leren kennen. Maak hieronder een schets van die kringloop.

Elke faseovergang heeft een naam. Bekijk de afbeeldingen 4.7 tot en met 4.12. Schrijf onder elke figuur welke faseovergang getoond wordt. Noteer ten slotte de naam van die faseovergang. Hiervoor heb je de keuze uit: smelten, sublimeren, verdampen, condenseren, desublimeren en stollen.

Bouw en eigenschappen van materie


Fig. 4.8

Fig. 4.9











Fig. 4.10

Fig. 4.11









Fig. 4.12

 

VA N

vloeibaar Ú gasvormig

IN

Fig. 4.7

De temperatuur heeft een invloed op de snelheid waarmee de materiedeeltjes bewegen. Als de temperatuur toeneemt, bewegen de materiedeeltjes sneller. De temperatuur heeft ook een invloed op het volume van de materie. − Bij het verwarmen van de materiedeeltjes nemen de deeltjes energie op. De snelheid waarmee de deeltjes bewegen, stijgt. De aantrekkingskracht tussen de materiedeeltjes wordt hierdoor kleiner en de ruimte tussen de materiedeeltjes wordt groter. Het volume neemt toe, de stof zet uit. − Bij het afkoelen van de materiedeeltjes gebeurt net het omgekeerde. Het volume wordt kleiner, de stof krimpt.

©

Door steeds meer energie toe te voegen aan materie of energie te onttrekken, verandert de aantrekkingskracht en de ruimte tussen de materiedeeltjes. Daardoor kan materie overgaan van de ene aggregatietoestand naar de andere. Elke faseovergang heeft een naam. De overgang van vast naar vloeibaar is smelten. De overgang van vloeibaar naar vast is stollen. De overgang van vast naar gas is sublimeren; omgekeerd is het desublimeren. Bij de overgang van vloeibaar naar gasvormig spreken we over verdampen; omgekeerd noemen we het condenseren. Als het warmer wordt, neemt de temperatuur toe. Daardoor kunnen stoffen uitzetten. Het kan dus letterlijk beginnen te spannen. Test jezelf: oefeningen 10, 11 en 12

4 De invloed van de temperatuur  

53


5 MENGSEL EN ZUIVERE STOF PURE CHOCOLADE IS HELEMAAL NIET ZUIVER! 1

In het dagelijks leven spreek je vaak over zuiver water, zuivere lucht, zuivere honing enzovoort. a

Wat bedoel je met het begrip 'zuiver'?



b

 Voor wetenschappers is het begrip ‘zuiver’ exact omschreven. Een stof is zuiver als die stof slechts uit één soort deeltjes bestaat. Bestaat de stof uit meer dan één soort deeltjes, dan is het een mengsel.

a

Bekijk het deeltjesmodel van verschillende stoffen bij kamertemperatuur. Vul onder het model aan of het een zuivere stof is of een mengsel.

Fig. 5.1



zuurstofgas

koolstofdioxide

VA N

ijzer

Fig. 5.2



Fig. 5.4

Fig. 5.3





Hoe ben je tot dat besluit gekomen?









©

b

IN

2 Zuivere stoffen en mengsels kun je heel eenvoudig van elkaar onderscheiden met behulp van een deeltjesmodel.

3 Die kleine deeltjes waaruit een stof is opgebouwd zijn moleculen. Omcirkel in het deeltjesmodel van lucht (figuur 5.5) één molecule van elke soort.

Fig. 5.5

54

Bouw en eigenschappen van materie

lucht


4 Je bekijkt opnieuw het deeltjesmodel van koolstofdioxide. Je merkt dat één molecule opgebouwd is uit nog kleinere deeltjes. Het zijn atomen. a

Hoeveel moleculen koolstofdioxide zijn er afgebeeld in figuur 5.6? 

b

Uit hoeveel atomen bestaat één molecule koolstofdioxide? 

c

Omcirkel één atoom in een molecule.

Fig. 5.6

5 Je vergelijkt de deeltjesmodellen van twee verschillende stoffen. a

Vul de tabel aan. zuurstof

IN

koolstof

Fig. 5.7

Hoeveel moleculen staan er afgebeeld voor elke stof?



Uit welke atomen zijn de moleculen opgebouwd?





Hoeveel atomen koolstof zijn er per molecule?





Hoeveel atomen zuurstof zijn er per molecule?





Wat is de naam van de stof?

koolstofdioxide / koolstofmonoxide

koolstofdioxide / koolstofmonoxide

VA N



Koolstofdioxide en koolstofmonoxide hebben totaal verschillende eigenschappen. Zoek de nodige informatie in verschillende bronnen om de tabel in te vullen.

©

b

Fig. 5.8

koolstofdioxide

koolstofmonoxide

aggregatietoestand





geur





giftigheid

































voorkomen

5 Mengsel en zuivere stof  

55


Een zuivere stof bestaat uit één soort deeltjes. In het deeltjesmodel is er één soort figuur zichtbaar. Mengsels bestaan uit verschillende soorten deeltjes. In het deeltjesmodel zijn verschillende soorten figuren waar te nemen. Zuivere stoffen en mengsels zijn opgebouwd uit moleculen. Moleculen zijn op hun beurt opgebouwd uit atomen. In pure chocolade zit onder andere suiker, cacao en cacaoboter. Pure chocolade is dus een mengsel en zeker geen zuivere stof. Test jezelf: oefening 13

HEB JIJ AL MENGSELS GESCHEIDEN?

a

IN

Mengsels kunnen opnieuw gescheiden worden in zuivere stoffen aan de hand van specifieke scheidingstechnieken. Eén scheidingstechniek wordt alvast veel in de keuken gebruikt. Bekijk de onderstaande afbeeldingen en benoem het scheidingstoestel.

Fig. 5.9



VA N

1

Fig. 5.10

Fig. 5.11





Dit principe van filtreren wordt ook toegepast in het laboratorium. Veronderstel dat je een mengsel van water en zand wilt scheiden. Je gebruikt daarvoor de opstelling zoals hieronder.

Noteer in de kaders op de figuur hieronder wat er overblijft na de filtratie.

©

b

Fig. 5.12

56

Bouw en eigenschappen van materie

Fig. 5.13


c Het scheiden van het mengsel (water en zand) maakt gebruik van een stofeigenschap. Welke? deeltjesgrootte oplosbaarheid aggregatietoestand bij kamertemperatuur kookpunt 2 Kristallisatie is een andere scheidingstechniek. Het is het tegenovergestelde van oplossen. a

Leg aan de hand van de figuur uit wat er gebeurt tijdens de kristallisatie van een mengsel van water en zout.

mengsel van water en zout

IN

waterdamp

zoutkristallen



VA N

Fig. 5.14

b Op welke stofeigenschap is deze scheidingstechniek gebaseerd? deeltjesgrootte oplosbaarheid aggregatietoestand bij kamertemperatuur kookpunt 3 In onderzoek 6 mag je zeewater scheiden. Daarbij mag je de werkwijze volledig zelf uitschrijven. De benodigdheden staan genoteerd en moeten je helpen om de correcte scheidingstechnieken te gebruiken.

Š

Onderzoek 6

1 Onderzoeksvraag Hoe kun je zeewater scheiden? 2 Hypothese  3 Benodigdheden zeewater filter filtreerpapier erlenmeyer petrischaal

5 Mengsel en zuivere stof  

57


4 Werkwijze

1 



2 



3 

 5 Waarneming Wat zie je op de filter? 

Wat zie je na enkele dagen in de petrischaal?







IN

6 Besluit Zeewater is een mengsel van

, en

Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



VA N

Mengsels kun je opnieuw scheiden in zuivere stoffen.

Š

Naargelang het soort mengsel gebruik je een andere scheidingstechniek. Filtreren is gebaseerd op deeltjesgrootte en kristalliseren op oplosbaarheid. Ook al besefte je het misschien niet, je hebt wellicht al mengsels gescheiden.

58

Bouw en eigenschappen van materie

.


6 STOFOMZETTINGEN DE ENE VERANDERING IS DE ANDERE NIET 1

Bij onderzoek 2 heb je suiker opgelost in water. Je hebt van de suiker geproefd vooraleer je hem in water bracht en daarna heb je van de oplossing geproefd. a

Hoe was de smaak van de suiker voor en na het oplossen?



b

Is er dus iets veranderd aan de eigenschappen van suiker?



IN

2 Heel anders verloopt het als je bakpoeder in azijn giet. Dat ga je uittesten met het volgende onderzoek. Onderzoek 7

VA N

1 Onderzoeksvraag Wat gebeurt er met het bakpoeder als je het in azijn giet? 2 Hypothese

3 Benodigdheden erlenmeyer ballon azijn (tafelazijn) bakpoeder koffielepel trechter

Fig. 6.1

©

4 Werkwijze 1 Giet een hoeveelheid azijn in de erlenmeyer. 2 Schep, via een trechter, een koffielepeltje bakpoeder in de ballon. 3 Breng de ballon over de hals van de erlenmeyer, maar zorg ervoor dat het bakpoeder in de ballon blijft. 4 Schud het bakpoeder uit de ballon in de erlenmeyer. 5 Waarneming

Wat gebeurt er als het bakpoeder aan de azijn toegevoegd is?





6 Stofomzettingen  

59


6 Besluit Je hebt azijn samengevoegd met bakpoeder. Die hebben met elkaar gereageerd waardoor er onder andere koolstofdioxide en water gevormd wordt. Het omzetten van stoffen in andere stoffen noem je een stofomzetting. Heel vaak wordt het ook een chemische reactie genoemd. Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



Fig. 6.2

VA N

IN

7 Reflectie Bij het samenvoegen van suiker en water, lost de suiker op in het water. Als je bakpoeder in azijn brengt, gebeurt er iets helemaal anders. Aan de hand van een deeltjesmodel kun je de verklaring vinden voor wat er gebeurt.

Hoeveel soorten stoffen zijn er voor het samenvoegen aanwezig? 

Welke zijn dat? 

Ze reageren met elkaar. Is er daarna nog azijn en bakpoeder aanwezig? 

Er zijn andere stoffen gevormd. Hoeveel soorten stoffen zijn er gevormd? 

Š

3 Kaarsvet (paraffine) smelten is niet hetzelfde als kaarsvet verbranden. Met een deeltjesmodel kun je het onderscheid maken.

Fig. 6.3

Fig. 6.4

Als je zelf kaarsen maakt, moet je eerst kaarsvet smelten. Dat gebeurt in een warmwaterbad. Daarna giet je het gesmolten kaarsvet in de gewenste vorm om de kaars van je keuze te maken. Daarbij gebeurt het volgende:

60

Bouw en eigenschappen van materie

Fig. 6.5

Als de kaars brandt, gebeurt er iets helemaal anders:


Fig. 6.6

Fig. 6.7

Eerst is de paraffine vast / vloeibaar / gasvormig.

Bij het begin is de paraffine vast / vloeibaar / gasvormig.

Tijdens het smelten wordt de paraffine vast / vloeibaar / gasvormig.

Wat gebeurt er dan eerst?  Wat gebeurt er verder? 

Als de kaars daarna opnieuw stolt, wordt de paraffine vast / vloeibaar / gasvormig. Is de paraffine veranderd? 

Welke stof is er nog nodig opdat de paraffine zou branden? zuurstofgas / paraffine

Wat is er hier dan gebeurd? 

Blijft de stof paraffine bestaan?  .



.

IN

Als de vlam gedoofd wordt, komt de paraffine dan terug? 

Wat is er hier gebeurd?



VA N

 

4 Stofomzettingen gaan gepaard met waarneembare veranderingen. Schrap de veranderingen die zich niet voordoen in de tabel hieronder.

©

voor de stofomzetting

Fig. 6.8

na de stofomzetting

waarneembare verandering

verandering van kleur / geur / smaak gasontwikkeling

Fig. 6.9

verandering van kleur / geur / smaak gasontwikkeling Fig. 6.10

Fig. 6.11

6 Stofomzettingen  

61


verandering van kleur / geur / smaak gasontwikkeling Fig. 6.12

Fig. 6.13

verandering van kleur / geur / smaak gasontwikkeling Fig. 6.15

IN

Fig. 6.14

Bij verandering van aggregatietoestand blijft de oorspronkelijke stof behouden.

VA N

Het omzetten van stoffen in andere stoffen heet stofomzetting of chemische reactie. Bij een stofomzetting wordt de oorspronkelijke stof omgezet in andere stoffen. Stofomzettingen gaan gepaard met waarneembare veranderingen.

Als je een kaars smelt, verloopt dat helemaal anders dan wanneer je een kaars laat branden. De ene verandering is dus zeker de andere niet.

Š

Test jezelf: oefeningen 14, 15 en 16

62

Bouw en eigenschappen van materie


! a h A ! a h A

Mindmap

verwarmen

smelten

stollen

verdampen condenseren sublimeren desublimeren

afkoelen

invloed van de temperatuur

meer dan 1 soort figuurtjes

vloeibaar Ò vast

stofomzetting

deeltjes veranderen

fysische

ruimte tussen de deeltjes verandert

faseovergang

fase

gas Ò vloeibaar vast Ò gas

MATERIE

gas Ò vast

sterke aantrekkingskracht tussen de deeltjes

©

deeltjes trillen ter plaatse

grotere afstand tussen de deeltjes dan bij vaste stof

vloeistof

de deeltjes bewegen vrij langs elkaar en trekken voortdurend aan elkaar

grootheid

eenheid

meten is weten

zeer kleine afstand tussen de deeltjes

zwakke onderlinge aantrekkingskracht tussen de deeltjes

vaste stof

resultaat

aggregatietoestanden of fase voorwerp gas

iets wat je kunt meten symbool in wat je iets meet

getal met voorvoegsel eenheid aangepast aan context

stofeigenschappen stoffen vast

zeer grote afstand tussen de deeltjes

vorm

bewegen vrij langs elkaar/ verspreiden zich in de volledige ruimte

ruimte tussen de deeltjes

symbool - cursief

SI

verwaarloosbare onderlinge krachten tussen de deeltjes

bestaat uit bewegende deeltjes

mengsel

waarneembare veranderingen

veranderingen

vast Ò vloeibaar

vloeibaar Ò gas

zuivere stof

chemische

VA N

inkrimpen

op het volume

deeltjesmodel

IN

hoe hoger de temperatuur, hoe sneller de deeltjes bewegen

uitzetten

1 soort figuurtjes

op de snelheid van de materiedeeltjes

vloeibaar

vaste stof vloeistof

gasvormig

kenmerken

gas

alles wat een massa en volume heeft

AHA!

63


Checklist helemaal begrepen

Wat ken/kan ik?

pg. 35

Ik kan het verschil tussen de grootheden gewicht, massa, inhoud en volume uitleggen.

35

Ik kan de gepaste eenheden in functie van de context gebruiken.

36

Ik kan uitleggen hoe grote en kleine maatgetallen worden voorgesteld.

37

Ik kan het verband tussen een voorwerp en een stof noteren.

38, 39

Ik kan uitleggen wat stofeigenschappen zijn.

38

Ik kan het begrip aggregatietoestand uitleggen.

38, 42

Ik kan uitleggen wat materie is.

IN

Ik kan de begrippen grootheid en eenheid uitleggen.

Ik kan de drie aggregatietoestanden noemen.

38, 42 39 3941

Ik kan de kenmerken en eigenschappen van materie formuleren.

3941

Ik kan uitleggen wat een deeltjesmodel is.

43

Ik kan een deeltjesmodel gebruiken om verschijnselen te verklaren.

45

Ik kan de kenmerken en eigenschappen van materie illustreren en verklaren aan de hand van een deeltjesmodel.

46

Ik kan de invloed die de temperatuur heeft op de snelheid waarmee de materiedeeltjes bewegen duiden.

46, 48

Ik kan de invloed die de temperatuur heeft op het volume van de materie illustreren en verklaren aan de hand van een deeltjesmodel.

46, 49

Ik kan het begrip faseovergang duiden.

52

Ik kan de verschillende faseovergangen noemen en illustreren aan de hand van voorbeelden.

53

Ik kan uitleggen welke rol de temperatuur speelt bij de faseovergangen.

52

Ik kan de verschillende faseovergangen verklaren met het deeltjesmodel.

61

Ik kan uitleggen wat een zuivere stof en wat een mengsel is.

54

Ik kan zuivere stoffen onderscheiden van mengsels aan de hand van een deeltjesmodel.

54, 55

Ik kan het verband tussen molecule en atoom verwoorden.

55

Ik kan uitleggen hoe je een mengsel in zuivere stoffen kunt scheiden.

56

VA N

Ik begrijp hoe een onderzoek volgens een wetenschappelijke methode verloopt.

Š

64

hier kan ik nog groeien

Bouw en eigenschappen van materie


Ik kan scheidingstechnieken op basis van deeltjesgrootte noemen, illustreren en verklaren met een deeltjesmodel.

56

Ik kan illustreren dat kristalliseren het omgekeerde is van oplossen.

57

Ik kan uitleggen wat een stofomzetting is.

60

Ik kan illustreren dat je bij een stofomzetting waarneembare veranderingen kunt waarnemen.

61

Ik kan met een deeltjesmodel het verschil tussen een stofomzetting en een faseovergang verduidelijken.

61

Š

VA N

IN

Denk je dat je alles begrepen hebt in dit thema? Ga dan naar diddit en oefen verder.

AHA!

65


TEST JEZELF 1

Toon aan de hand van een voorbeeld aan dat je de begrippen grootheid en eenheid begrijpt.

 

2 Lees het recept voor het maken van amandelkoekjes.

Welke grootheden komen aan bod in dit recept?



In welke eenheden worden ze hier uitgedrukt?



VA N

IN

Meng 150 g boter met 1 ei, 1 eidooier, 120 g poedersuiker en zout. Spatel 320 g bloem erdoor en kneed tot een deeg. Rol het deeg tot een worst van circa 3 centimeter doorsnede. Verpak het deeg in plasticfolie en laat circa 1 uur in de koelkast rusten. Verwarm de oven voor op 180 °C. Snijd het deeg in gelijke plakken van 1,5 centimeter dik, rol ze tot balletjes, leg ze op een met bakpapier beklede bakplaat en druk ze een beetje plat. Kluts een ei en bestrijk de deegballetjes ermee. Druk 50 g amandelen in het deeg en bestrijk nogmaals met ei. Bak de koekjes in circa 15 minuten goudbruin en gaar.

3 In een laboverslag wordt de letter ‘m’ driemaal gebruikt. Wat betekent de letter in elk voorbeeld?

V = 3 ml

 − m = 52 g

 − l = 0,5 m





©

4 Een koperen buis en een plastieken buis zijn allebei rood gekleurd. Is de kleur in dit geval een stofeigenschap?

5 Duid het correcte antwoord aan in de tabel. stof – stofeigenschap voorwerp

stof – stofeigenschap – voorwerp

stof – stofeigenschap – voorwerp brandbaarheid geur kleur massadichtheid aggregatietoestand geleidbaarheid voor warmte

66

Bouw en eigenschappen van materie


6 Van de stof ‘ijzer’ werden een aantal eigenschappen gecontroleerd: aggregatietoestand bij kamertemperatuur, magnetische eigenschap, vorm. Wat zijn de stofeigenschappen en wat de voorwerpeigenschappen?

 

IN

7 Kruis het correcte deeltjesmodel van azijn bij kamertemperatuur aan.

Noteer de eigenschappen voor deze stof:

De ruimte tussen de materiedeeltjes is .

De materiedeeltjes .

VA N

©

8 Bij de start van een experiment is een meetspuit voor driekwart gevuld met materie. Afbeelding A stelt het deeltjesmodel voor van deze beginsituatie. Je duwt de zuiger tot op de helft van de meetspuit. Welk deeltjesmodel (B, C of D) kun je gebruiken om de nieuwe situatie voor te stellen?

A

B

C

D

Kruis het juiste antwoord aan. De materie in de meetspuit is een vaste stof een vloeistof een gas

Test jezelf  

67


9 Beker A bevat warm water, beker B koud water. Kruis het juiste antwoord aan. Je kunt in beide bekers evenveel suiker oplossen. Je kunt in beker A meer suiker oplossen dan in beker B. Je kunt in beker B meer suiker oplossen dan in beker A. Ik heb te weinig informatie om een antwoord te geven. Verklaar je antwoord aan de hand van het deeltjesmodel.

   10 Welk trucje dat een toepassing is op het uitzetten en krimpen van materie, gebruik je om een moeilijk te openen bokaal toch open te krijgen?



VA N

IN

11 Welke faseovergang wordt hier telkens voorgesteld?



©







12 Zijn de onderstaande beweringen juist? Verklaar je antwoord.

Een liter water heeft een grotere massa dan een liter ijs.

 

Als water verdampt, verdwijnt het water.



68

Bouw en eigenschappen van materie


13 Bekijk een deeltjesmodel voor leidingwater. Noteer

het aantal moleculen:

het aantal stoffen:

het aantal verschillende soorten moleculen:

het aantal atomen:

het aantal verschillende soorten atomen:

VA N

IN

14 Bekijk de onderstaande deeltjesmodellen. Kruis aan waar er een stofomzetting is.

©

15 Verstopte leidingen in huis kun je op verschillende manieren ontstoppen. In de tabel hieronder staan er vier mogelijke oplossingen. Welke zijn gebaseerd op een stofomzetting? Kruis ze aan en licht je antwoord toe.

































Test jezelf  

69


16 Duid de correcte antwoorden aan in de tekst onder de afbeeldingen.

figuur A

IN

In figuur A zie je de vaste stof / de vloeistof / het gas paraffine. Opdat de kaars zou branden, is er ook zuurstofgas / koolstofdioxide nodig. In figuur B zie je dat de structuur van de materie paraffine veranderd is. De paraffine is vast / vloeibaar / gasvormig geworden. Bij deze faseovergang is de afstand tussen de paraffinedeeltjes wel / niet veranderd. De paraffinedeeltjes zelf zijn wel / niet veranderd.

In figuur C is de paraffine vast / vloeibaar / gasvormig. Bij deze faseovergang is de afstand tussen de paraffinedeeltjes wel / niet veranderd. De paraffinedeeltjes zelf zijn wel / niet veranderd. Je stelt vast dat de hoeveelheid paraffine kleiner / groter is in vergelijking met figuur A. Naast de faseovergangen gebeurde er nog iets anders. Bij het verbranden van paraffine − veranderen de moleculen wel / niet van samenstelling. − ontstaan er wel / geen nieuwe combinaties van atomen. − worden er wel / geen nieuwe stoffen gevormd.

©

70

figuur C

VA N

figuur B

Bouw en eigenschappen van materie


©

VA N

IN

Spijsvertering

1 OVER VOEDING EN VOEDINGSSTOFFEN 2 DE SPIJSVERTERING STAP VOOR STAP 3 SPIJSVERTERING EN GEZONDHEID 4 SPIJSVERTERING BIJ ANDERE ORGANISMEN


1

VA N

IN

2

Š

3

Wat wil ik te weten komen over dit thema?         

Ontdek deze en nog andere opties via het onlinelesmateriaal.

72

Spijsvertering


1 OVER VOEDING EN VOEDINGSSTOFFEN IK EET NOOIT SUIKER! 1

Een goed ontbijt is een goed begin van de dag.

a

Bestudeer de verpakking van een doos ontbijtgranen. Welke ingrediënten staan daarop vermeld?





Fig. 1.1





b

Op het etiket vind je de tabel ‘Voedingswaarde-informatie’ terug. Wat staat daarin vermeld?

IN





VA N

2 Wat je eet (cornflakes, brood, melk, choco, kaas …) noem je voedingsmiddelen. Wat erin zit (vetten, koolhydraten (zetmeel, suiker, glucose), eiwitten …), zijn voedingsstoffen. a

Bestudeer op dezelfde manier de etiketten van een pakje Lotus speculoos Suske en Wiske (6 x 25 g) en van Paula vlekjespudding (4 x 125 g). Vul de tabel verder in. Je vindt de informatie via het onlinelesmateriaal op de website van een supermarkt. voedingswaarde per 100 g

energetische waarde (kJ)

voedingsstoffen (g)

©

voedingsmiddel

Fig. 1.2

Fig. 1.3

b

Is de energetische waarde van de pudding groter of kleiner dan die van de speculoos? Verklaar.





1 Over voeding en voedingsstoffen  

73


3 Op een etiket staat meestal de voedingswaarde-informatie per 100 g vermeld. Maar daarmee weet je niet hoeveel je opeet per portie. Bestudeer het etiket van een pot Alpro soya yoghurt met perzik. a Vul de tabel in. per 100 g voedingsmiddel

voedingsstoffen (g)

energetische waarde (kJ)

b

IN

Fig. 1.4

Bereken met deze gegevens hoeveel energie je opneemt als je een portie van 150 g opeet. Bereken ook de hoeveelheid van de verschillende voedingsstoffen. per 100 g

Alpro soya

voedingsstoffen (g)

energetische waarde (kJ)

VA N

voedingsmiddel

Š

4 Als je een willekeurige hoeveelheid van een bepaald voedingsmiddel opeet, moet je nog anders te werk gaan. a Je wilt vier koekjes opeten. Noteer eerst de energetische waarde voor 100 g in de tabel hieronder. voedingsmiddel

energetische waarde (kJ)

vetten

koolhydraten

eiwitten

zout

koekjes

b

c

Bepaal de massa van vier koekjes. De massa bedraagt:

Je kunt nu de voedingswaarde voor de koekjes herberekenen. Noteer de resultaten in de tabel. energetische waarde (kJ)

74

g

Spijsvertering

vetten

koolhydraten

Fig. 1.5

eiwitten

zout


d

Hoeveel verschillende voedingsmiddelen zijn er? 

e

Hoeveel voedingsstoffen heb je leren kennen tijdens deze les? 

f

Welke zijn dat? 

Interessant om weten Op een etiket vind je vaak ook informatie terug over de voedingsvezels. Dat zijn echter geen echte voedingsstoffen. Een voedingsvezel komt immers nooit in een cel. Ze zijn enkel nodig om de darmwerking volledig in orde te houden. Vezels vind je vooral terug in groenten en fruit en in deegwaren zoals brood, pasta ...

IN

Fig. 1.6

Wat je eet, zijn de voedingsmiddelen. Elk voedingsmiddel bestaat uit verschillende voedingsstoffen.

VA N

De hoeveelheid chemische energie die een voedingsmiddel bevat per 100 g (of 100 ml), is de energetische waarde van dat voedingsmiddel. Je vindt die terug op het etiket. Daarop staat ook de voedingswaarde vermeld. Een uitspraak zoals ‘ik eet nooit suiker’ kan waar zijn. Maar om helemaal zeker te zijn dat je de waarheid spreekt, moet je van elk voedingsmiddel het etiket heel nauwkeurig bestuderen.

©

Test jezelf: oefeningen 1, 2 en 3

1 Over voeding en voedingsstoffen  

75


KUNNEN PIZZA EN FRIETJES JE BESCHERMEN TEGEN DE GRIEP? Voedingsstoffen worden in drie grote groepen ondergebracht. Ze hebben elk hun eigen functie. Vul de tabel in om die functie te achterhalen. De afbeeldingen moeten je daarbij op weg helpen. functie

  

vitamines mineralen (bijvoorbeeld calcium, ijzer …)

 

suikers vetten





Fig. 1.9



  

eiwitten mineralen water

VA N









Fig. 1.8







Fig. 1.7

omschrijving van de functie

voedingsstof

IN

1

 









2 Niet iedereen heeft dezelfde nood aan bepaalde voedingsstoffen.

Amina is zwaar ziek geweest en moet dringend aansterken. Haar mama geeft haar een lekkere kop kippensoep. Welke voedingsstoffen krijgt Amina op die manier binnen?



Finn doet intensief aan sport en moet vanavond stevig trainen. Voor de training eet hij een groot bord spaghetti met bruine suiker. Welke voedingsstoffen neemt hij dan op?



©

Voedingsstoffen worden in drie groepen ondergebracht. − Vitamines en mineralen hebben een beschermende functie. Ze beschermen ons tegen ziektes en laten de stelsels hun specifieke taken uitvoeren. − Suikers en vetten (brandstoffen) leveren energie om arbeid te verrichten en onze lichaamstemperatuur op peil te houden. − Eiwitten, water en mineralen zijn bouwstoffen om te groeien en om nieuwe cellen aan te maken. Het eten van pizza en frietjes levert de nodige brandstoffen voor het lichaam, maar voorziet te weinig in de behoefte aan de andere voedingsstoffen. Pizza en frietjes beschermen je dus niet tegen ziektes. Test jezelf: oefeningen 4 en 5

76

Spijsvertering


MAG IK ELKE DAG EEN BOTERHAM MET CHOCO ETEN? Gezonde leefgewoonten zijn belangrijk.

Fig. 1.10

a

Beschrijf aan de hand van de twee foto’s wat de jongeren aan het doen zijn.



b

Wat kunnen de gevolgen zijn van dit gedrag op hun gezondheid?





c

Wat kunnen ze veranderen om gezonder te leven?





VA N

Fig. 1.11

IN

1

©

2 Om je op weg te helpen verstandige keuzes te maken bij je dagelijkse maaltijden heeft het Vlaams Instituut Gezond Leven een model ontwikkeld: de voedings- en bewegingsdriehoek. Deze versie van de voedingsdriehoek geeft duidelijk aan wat je wel of niet mag eten. Hij houdt ook rekening met duurzaamheid. Ook bewegen is heel belangrijk bij een gezonde levensstijl.

Fig. 1.12 https://www.gezondleven.be/themas/voeding/voedingsdriehoek

Fig. 1.13 https://www.gezondleven.be/themas/beweging-sedentair-gedrag/bewegingsdriehoek

a

Ga via het onlinelesmateriaal naar de website van Gezond Leven en zoek de drie uitgangspunten op waarop de driehoek gebaseerd is.





 1 Over voeding en voedingsstoffen  

77


b

Noteer nauwkeurig hoe jouw menu van gisteren eruitzag. Denk er ook aan om aan te duiden wat je gedronken hebt. Noteer ten slotte hoeveel beweging je ongeveer hebt gehad. maaltijd

voeding

drank

ontbijt tussendoortje middagmaal tussendoortje avondmaal

Hoeveel beweging heb je gehad?  c

Bespreek jouw dagmenu aan de hand van de voedingsdriehoek. Wat deed je goed? Wat deed je minder goed? En vooral, hoe zou je dat kunnen veranderen? Check hiervoor ook de website van Gezond Leven.

VA N

   d

IN

later op de avond

Ook duurzaamheid is van belang bij de voedingsdriehoek. Hoe kun je zien dat het model hiermee rekening houdt?







©

3 Sommige mensen schrappen bepaalde voedingsmiddelen uit hun dagelijks menu. Dat kan uit overtuiging zijn of omwille van gezondheidsproblemen.

Wat betekenen de volgende termen? Verzamel je informatie via het internet.

– Veganisme



– Vegetarisme  – Flexitariër  – Pescotariër  – Pollotariër  78

Spijsvertering


Interessant om weten Als je dierlijke producten uit je voedingspatroon bant, dan is het wel belangrijk dat je die vervangt door een volwaardig alternatief. Eiwitten kun je ook uit plantaardige bronnen halen: granen, peulvruchten (waaronder soja), noten en zaden. Die plantaardige eiwitten hebben echter het nadeel dat ze een lagere kwaliteit hebben dan dierlijke eiwitten. Daardoor is de behoefte aan eiwitten hoger bij vegetariërs en veganisten dan bij mensen die een gemengde voeding gebruiken.

Fig. 1.14

De voedingsdriehoek geeft duidelijk aan wat gezonde voedingsmiddelen zijn en welke voedingsmiddelen je het best vermijdt. Hij houdt ook rekening met duurzaamheid. Variëren in voeding is erg belangrijk om de juiste voedingsstoffen op te nemen.

IN

Ook bewegen is heel belangrijk bij een gezonde levensstijl. Sommige mensen schrappen bepaalde voedingsmiddelen uit hun dagelijks menu. Dat kan uit overtuiging zijn of omwille van gezondheidsproblemen.

VA N

Elke dag een boterham met choco kan dus lekker zijn, maar voldoet niet aan de richtlijnen van de voedings- en bewegingsdriehoek. Aanvullen en variëren is de boodschap.

HOE WORD IK EEN GOEDE VOEDINGSDETECTIVE? 1

Om voedingsstoffen op te sporen maak je gebruik van een aantal eenvoudige testreacties, waarbij meestal een kleurverandering merkbaar is.

a

De testreacties voor zetmeel, glucose, eiwitten, water en vetten werden samengevat in een overzichtelijke tabel. Bekijk ze aandachtig.

©

voedingsstof testreactie met …

Fig. 1.15

werkwijze

waarneming

zetmeel

lugol

Druppel een beetje lugoloplossing in een zetmeelpapje.

kleuromslag van oranje-bruin naar paars-zwart

glucose

diastix

Maak een oplossing van glucose in gedemineraliseerd water en dompel een diastix teststrip in de oplossing.

kleuromslag van lichtgroen naar bruin

eiwitten

albustix

Giet 20 ml gedemineraliseerd water in een beker en roer er een beetje wit van een rauw ei doorheen. Dompel een albustix teststrip in de oplossing.

kleuromslag van geel naar groen

water

kobaltdichloridepapier

Dompel een droog kobaltdichloridepapiertje in water.

kleuromslag van blauw naar roze

vetten

papier

Wrijf een stukje salami tegen een stukje papier (bij voorkeur bruin inpakpapier).

Er ontstaat een doorzichtige plek op het papier. 1 Over voeding en voedingsstoffen  

79


Fig. 1.16 lugoloplossing

b

Je test enkele voedingsmiddelen op de aanwezigheid van voedingsstoffen.

IN

Fig. 1.17 diastix

Onderzoek 1

VA N

1 Onderzoeksvraag Welke voedingsstoffen zitten er in de voedingsmiddelen die je wilt onderzoeken? 2 Hypothese 

©

3 Benodigdheden petrischalen met stukjes van een vijftal voedingsmiddelen lugol diastix albustix kobaltdichloridepapier blad papier vijf voedingsmiddelen 4 Werkwijze 1 Start met het eerste voedingsmiddel. – Doe de test voor glucose. – Controleer of er eiwitten in zitten. – Test of het voedsel water bevat. – Zijn er vetten aanwezig? – Controleer of er zetmeel in zit. 2 Als er een verandering merkbaar is (kleuromslag of vetvlek), noteer je een ‘+’ in de tabel; anders schrijf je ‘–’. Wacht steeds een tiental seconden vooraleer je een conclusie trekt. 3 Vul de tabel volledig in.

80

Spijsvertering


5 Waarneming voedingsmiddel

glucose

eiwit

water

vetten

zetmeel

6 Besluit Welke voedingsstoffen zitten er in de door jou gekozen voedingsmiddelen?



Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



IN

7 Reflectie Wat kun je doen om ervoor te zorgen dat je lichaam alle voedingsstoffen krijgt?



Zijn er voedingsmiddelen die je beter vermijdt?



VA N

Interessant om weten

©

Op de verpakking van voedingsmiddelen wordt steeds vaker de nutri-score vermeld. Het is een model dat informatie geeft over de voedingswaarde. De nutri-score is de combinatie van een kleur en een lettercode waarmee je gezondere voedingskeuzes kunt maken. Bekijk het filmpje bij het onlinelesmateriaal.

Fig. 1.18

Om voedingsstoffen op te sporen maak je gebruik van een aantal eenvoudige testreacties of verklikkers, waarbij meestal een kleurverandering merkbaar is. Door die kennis kun je de meest gezonde voeding opsporen. Je wordt daardoor een goede voedingsdetective. Test jezelf: oefening 6

1 Over voeding en voedingsstoffen  

81


2 DE SPIJSVERTERING STAP VOOR STAP WELKE WEG LEGT EEN BROODJE SMOS AF DOOR JE LICHAAM? 1

Spijsvertering is de volledige weg die voedsel aflegt door het lichaam zodat een voedingsmiddel gaandeweg omgezet wordt in voedingsstoffen.

a

Waar begint de spijsvertering?

b

Hoe gebeurt dat? 



Fig. 2.1

b



Waar worden de voedingsstoffen opgenomen in het bloed? 

VA N

IN

2 Het grote doel van de spijsvertering is om de voedingsstoffen te kunnen opnemen in het bloed. Hiervoor moeten de moleculen van de voedingsstoffen omgezet worden in hele kleine deeltjes die in de bloedbanen kunnen opgenomen worden. a Wat gebeurt er met die verteerde stoffen? 

Interessant om weten

Pas na ongeveer 30 uur heeft het voedsel volledig zijn weg door het spijsverteringskanaal afgelegd. Alle bruikbare stoffen zijn dan in het bloed opgenomen en de onverteerbare resten zijn uitgescheiden, via het spijsverteringsstelsel.

3 Welke organen maken deel uit van de spijsvertering? Om alvast te weten waar alle organen zich bevinden, bestudeer je figuur 2.2. Schrijf de naam van de organen bij de pijltjes. Gebruik daarvoor de ontdekplaat die je vindt bij het onlinelesmateriaal.

Š

Fig. 2.2

82

Spijsvertering


Spijsvertering is de volledige weg die voedsel aflegt door het lichaam zodat een voedingsmiddel gaandeweg omgezet wordt in voedingsstoffen. Het grote doel van de spijsvertering is om de voedingsstoffen te kunnen opnemen in het bloed. Een broodje smos dat je opgegeten hebt, doorloopt dus het volledige spijsverteringskanaal om omgezet te worden in voedingsstoffen. Test jezelf: oefening 7

SLECHT KAUWEN? DAN LIGT ER EEN BAKSTEEN OP JE MAAG 1 Zodra er voedsel in de mond komt, begin je te kauwen. a Wat is de functie van het kauwen? b

IN

 Wat gebeurt er tegelijkertijd?

 c

Als je lang op een stukje brood kauwt, verandert de smaak. Welke smaak kun je dan proeven?

d

Hoe komt dat?



VA N



2 Het afbreken van zetmeel tot glucose is een voorbeeld van een stofomzetting.

a

Hieronder zijn deeltjesmodellen getekend van zetmeel en van glucose.

(

n

figuur b

©

figuur a

)

Met welk deeltjesmodel kun je glucose voorstellen?  Met welk deeltjesmodel kun je zetmeel voorstellen?  b

Zetmeel verteert met behulp van speeksel.

Onderzoek 2 1 Onderzoeksvraag Wat is de invloed van speeksel op het verteren van zetmeel? 2 Hypothese 

2 De spijsvertering stap voor stap  

83


A

3 Benodigdheden twee proefbuizen elastiekje maatbeker (warmwaterbad) thermometer speeksel zetmeelpapje lugol diastix

zetmeeloplossing met speeksel

− Proefbuis A: 

− Proefbuis B: 

Wat gebeurt er als er lugol toegevoegd wordt bij stap 6?

− Proefbuis A: 

− Proefbuis B: 

Fig. 2.3

Wat is er gevormd in proefbuis A? 

Wat tonen we aan met de lugoloplossing? 

Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.

©

warmwaterbad (37 °C)

VA N

6 Besluit

zetmeeloplossing zonder speeksel

IN

4 Werkwijze 1 Vul de twee proefbuizen voor de helft met een zetmeelpapje. 2 Bind een elastiekje rond een van de proefbuizen: dit is proefbuis A. 3 Voeg een hoeveelheid speeksel toe bij proefbuis A. 4 Zet de beide proefbuizen in een warmwaterbad van ongeveer 37 °C. 5 Test de beide proefbuizen na een half uur met diastix. 6 Voeg ten slotte aan de beide proefbuizen een paar druppels lugol toe. 7 Noteer je waarnemingen. 5 Waarneming Welke veranderingen kun je waarnemen bij stap 5?

B

elastiekje



7 Reflectie Waarom worden de proefbuizen in een warmwaterbad geplaatst van ongeveer 37 °C?



Met het deeltjesmodel (zie 2.a) kun je die omzetting symbolisch voorstellen. Noteer die voorstelling hieronder.

Ž

84

Spijsvertering


3 Vanuit de mond komt het voedsel in de slokdarm, dat is de verbinding tussen de mondholte en de maag. De slokdarm is een gladde, sterk gespierde buis en het is zeker geen gewone buis. a Om de functie van de slokdarm te achterhalen, voer je eerst de volgende opdracht uit. Neem een snoepje in de mond en ga tegen een muur op je handen (of hoofd) staan. Kauw goed op het snoepje en slik het daarna door.

Lukt dat? 

b Het voedsel wordt dus via de slokdarm in de richting van de maag geduwd. Hoe dat gebeurt, kunnen we verduidelijken met de volgende opdracht. − Neem een kous (knielengte) en steek er een tennisbal in. De kous stelt de slokdarm voor en de tennisbal is de voedselbrok. Zakt de tennisbal spontaan naar beneden? 

− Wat moet je doen om de bal te laten zakken?

Dat is wat er exact gebeurt in de slokdarm. De spieren (kringspieren en lengtespieren) boven de voedselbrok knijpen ritmisch samen en duwen de brok steeds een stukje verder. Deze ritmische knijpbeweging noem je de peristaltische beweging of kortweg de peristaltiek. In bijna alle spijsverteringsorganen gebeurt deze manier van doorgeven.

VA N

IN



Fig. 2.4

Interessant om weten

©

gastroscoop

Wanneer je aanhoudende last hebt van je maag zal de dokter een endoscopie voorschrijven. Dat is een onderzoek waarbij men met een camera (bevestigd aan een lange buis) via de mond tot in de maag kan kijken.

camera

Fig. 2.5

4 Uiteindelijk komt het voedsel in de maag terecht. Je kunt die een beetje vergelijken met een betonmolen.

Bekijk de video via het onlinelesmateriaal.

a

Welk soort orgaan is de maag? holle buis holle zak spier

b

Waaruit leid je dat af? 

c

Welke voedingsstoffen worden er door het maagzuur in de maag verteerd? 

d

Welke functie heeft het maagzuur nog? 

2 De spijsvertering stap voor stap  

85


e

Welke beweging maakt een betonmolen en met welk doel? 



De maag doet hetzelfde. De rest van de onverteerde voedingsstoffen wordt gemengd met maagzuur en verkleind door de knijpbeweging van de maag.

f

Zoek via het internet op wat de volgende (vaak voorkomende) maagklachten betekenen. − Maagbreuk





− Reflux



− Maagzweer



IN

In de mond worden de voedingsmiddelen met behulp van onze tanden verkleind door te kauwen. De speekselklieren voegen speeksel toe. Speeksel helpt bij de vertering van zetmeel.

VA N

De slokdarm is de verbinding tussen de mondholte en de maag. Deze gespierde buis geeft de voedselbrok door via een knijpbeweging: de peristaltiek.

De maag is een gespierd orgaan; ze produceert maagzuur dat zorgt voor de vertering van eiwitten. De maag kan voor heel wat problemen of klachten zorgen zoals een maagbreuk, reflux of maagzweren. Als je slecht kauwt, verloopt het begin van de vertering in de mond minder goed. Daardoor verloopt ook de vertering in de maag moeilijker en kun je een zwaar gevoel hebben. Test jezelf: oefeningen 8 en 9

DARMFLORA! GROEIEN ER BLOEMEN EN PLANTEN IN ONZE BUIK? In de dunne darm worden onverteerde voedingsstoffen verder verteerd.

©

1

a

Welke zijn dat? 

b

Kijk terug naar figuur 2.2. Welke organen produceren een verteringssap?

c

 Welke verteringssappen scheiden ze af?



Fig. 2.6

2 Ga naar het onlinelesmateriaal en bekijk het filmpje over de werking van de lever en de gal. a Van welke voedingsstof begint de vertering in de darm?  b

86

Waar wordt de gal opgeslagen? 

Spijsvertering


c

Waar bevindt de galblaas zich? 

d

Wat is de grootste taak van de gal?

e



f

Wat doet de lever? Zoek hiervoor de nodige informatie op het internet.

 De lever heeft ook nog andere functies. Welke zijn dat?











Onderzoek 3

VA N

1 Onderzoeksvraag Hoe werkt galsap?

IN

3 De werking van de gal kun je mooi aantonen met het volgende onderzoek.

2 Hypothese 

3 Benodigdheden proefbuis met water proefbuisrek olie ossengalzeep (vloeibaar of schilfers). Dat is zeep afkomstig uit de galblaas van runderen.

©

4 Werkwijze 1 Giet een kleine hoeveelheid olie in de proefbuis met water. 2 Schud de proefbuis krachtig en plaats ze in het proefbuisrek. 3 Voeg enkele druppels of enkele schilfers ossengalzeep toe. 4 Schud opnieuw en plaats de proefbuis terug in het proefbuisrek. 5 Wacht een paar minuten. 5 Waarneming Wat zie je bij stap 2?



Wat kun je waarnemen bij stap 4?



Wat merk je bij stap 5?



2 De spijsvertering stap voor stap  

87


6 Besluit Wat is de invloed van galsap op olie?



Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



4 Naast het verteren van vetten heeft de dunne darm nog een heel belangrijke functie. Kijk nog eens naar het laatste deel van het vorige filmpje. Hoe moeten de voedingsstoffen zijn om in het bloed te geraken? 

b

De dunne darm heeft een lengte van ongeveer 5 meter. Wat is hiervan het voordeel?

c d



IN

a

Om de goede werking te verzekeren bevinden er zich in het maag-darmstelsel veel micro-organismen. Hoe noemt men die? Vind je dat een goed gekozen naam? 

Onderzoek 4

VA N

5 Om de werking van de dunne darm duidelijk te maken, voer je een experiment uit met een dialyseslang. De wand van de dialyseslang is voorzien van microscopisch kleine gaatjes. Daardoor kunnen bepaalde moleculen door de gaatjes geraken en andere niet. Je dompelt de dialyseslang in een bak met water. De dialyseslang stelt de dunne darm voor en de bak met water het bloed.

1 Onderzoeksvraag Welke moleculen raken door de wand van een dialyseslang?

Š

2 Hypothese

Ik denk dat grote/kleine moleculen zoals glucose/zetmeel door de wand van de dunne darm geraken. 3 Benodigdheden glazen bak met water dialyseslang twee grote wasknijpers zetmeel/glucose-oplossing pipet proefbuis lugol diastix

Fig. 2.7

88

Spijsvertering

water

zetmeel + glucose

dialyseslang


Proefopstelling Zie figuur 2.7. 4 Werkwijze 1 Vul een dialyseslang met de oplossing van zetmeel en glucose. 2 Leg de dialyseslang voorzichtig in de bak met water en maak de uiteinden vast met de wasknijpers. 3 Zuig meteen hierna een beetje water uit de bak (met het pipet) en giet het in een proefbuis. 4 Test het water op de aanwezigheid van suiker en zetmeel. 5 Herhaal die test na ongeveer een half uur. 5 Waarneming Wat zie je bij stap 3? 

Wat kun je waarnemen bij stap 4?

IN

 6 Besluit

Welke moleculen raken door de gaatjes van de dialyseslang? 

De moleculen van zijn veel te groot, ze kunnen niet/wel door de wand van de dialyseslang.

De moleculen van zijn erg klein. Deze kunnen wel/niet door de wand.

Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



VA N

©

7 Reflectie De dunne darm werkt op identiek dezelfde manier. Grote moleculen van zetmeel kunnen niet door de wand geraken, maar de kleine moleculen van glucose kunnen dat wel. Op die manier kan glucose, via de wand van de dunne darm, opgenomen (geabsorbeerd) worden in het bloed.

De dunne darm verteert zetmeel, eiwitten en vetten en wordt hierbij geholpen door alvleessap en gal. De gal zorgt ervoor dat grote vet- en oliedruppels in kleine druppels verdeeld worden. In het maag-darmstelsel is er darmflora aanwezig. Deze micro-organismen zorgen voor een goede spijsvertering en zijn dus echt nuttig. De kleine voedingsstoffen worden door de wand van de dunne darm opgenomen (geabsorbeerd) en van daar getransporteerd naar het bloed. Darmflora heeft dus niets te maken met planten of bloemen. Test jezelf: oefening 10

2 De spijsvertering stap voor stap  

89


IS HET EINDE NABIJ? 1

De voorlaatste stap in het verteringsproces gebeurt in de dikke darm.

De onverteerde voedselresten komen in de dikke darm. Ze bevatten nog veel water, dat er moet uitgehaald worden. Dat is het indikken van de stoelgang of de reabsorptie van water.

Wat is het gevolg als dat niet of onvoldoende gebeurt? 

2 De blinde darm is het doodlopende stukje van de dikke darm.

Aan de ene kant mondt de dikke darm uit in de anus, en aan de andere kant heb je de blinde darm, die eindigt in het wormvormige aanhangsel: de appendix.

Noteer de correcte namen op de juiste plaats in de figuur hieronder. Je hebt de keuze uit: dunne darm – appendix – dikke darm – anus – blinde darm

VA N

IN

©

Fig. 2.8

3 De stoelgang wordt opgeslagen in het laatste stukje van de dikke darm: de endeldarm.

Wanneer deze opslag vol is, voel je vaak wat krampen of knagingen waardoor je weet dat je naar het toilet moet. De eindopening van de endeldarm is een sluitspier.

Hoe heet die?  De onverteerde voedselresten komen in de dikke darm. Er is nog heel veel water aanwezig. Dat water wordt er in de dikke darm uitgehaald zodat je geen diarree krijgt. Het proces waarbij het water uit de brij wordt gehaald, noem je de reabsorptie of het indikken. De dikke darm eindigt aan de ene kant in de blinde darm met de appendix. De laatste opslag van alle resten gebeurt in de endeldarm. Wanneer deze opslag vol geraakt, moet je naar het toilet. De aars of anus is de sluitspier. In de dikke darm gebeurt inderdaad het laatste deel van de spijsvertering.

90

Spijsvertering


3 SPIJSVERTERING EN GEZONDHEID IS MELK GOED VOOR ELK? 1

Sommige mensen kunnen melk moeilijk verteren.

a

Geef een andere naam voor melksuiker.



b

Hoe heet de aandoening waarbij je die suiker niet kunt verteren?



c

Wat is het gevolg van die aandoening?



IN

Dat komt omdat de melksuiker niet zonder meer opgenomen kan worden in het bloed. Het moet eerst omgezet worden tot glucose.

Fig. 3.1

VA N

2 Het spijsverteringsstelsel kan ook andere ongemakken met zich meebrengen. Ga via het onlinelesmateriaal naar de website van Gezondheid en wetenschap en zoek het antwoord op de volgende vragen. a

Wat is diarree?





b

Wat is constipatie?



Wat moet je zelf zeker doen wanneer je last hebt van chronische diarree en waarom?

©

c

 d

Wat is appendicitis? Verklaar het woord, noteer de symptomen en de behandeling.



















3 Spijsvertering en gezondheid  

91


3 Hieronder staan een aantal begrippen die te maken hebben met voeding en spijsvertering. Kies er een uit en bespreek dat in een korte presentatie. Zoek hiervoor informatie op het internet. Voorzie een afbeelding en vermeld de bron waarop je de informatie gevonden hebt. begrip anorexia

verklaring  

BMI

 

boulimie

   

obesitas

 

coeliakie



IN

diëtist

indigestie

VA N

  

gastro-enteroloog

 

maagzweer

 

cariës



©



ziekte van Crohn

 

















Een aantal ziektes zijn te wijten aan het gebruik van bepaalde voedingsstoffen of hebben te maken met de werking van het spijsverteringsstelsel. Het is dus zeker niet zo dat melk goed is voor elk. Test jezelf: oefening 11 92

Spijsvertering


4 SPIJSVERTERING BIJ ANDERE ORGANISMEN MAG MIJN HOND ALLE TAFELRESTJES OPETEN? 1

De spijsvertering verloopt niet bij alle organismen op dezelfde manier. Op basis van de aard van het voedsel spreek je van herbivoren, carnivoren en omnivoren. Zoek op wat deze begrippen betekenen:

herbivoor



carnivoor



omnivoor



VA N

Om dat duidelijk te maken, vergelijk je het spijsverteringsstelsel van een konijn met dat van een vos. a Bestudeer de figuren bij het konijn en de vos en benoem de aangeduide organen.

©

IN

2 Opdat de spijsvertering goed zou verlopen, is het spijsverteringsstelsel van een organisme aangepast aan zijn voeding.

Fig. 4.1

4 Spijsvertering bij andere organismen  

93


b

Vul de tabel in. konijn

c

vos

varken

Het konijn is een herbivoor / carnivoor / omnivoor.

De vos is een herbivoor / carnivoor / omnivoor.

Het varken is een herbivoor / carnivoor / omnivoor.

De volgende organen zijn duidelijk groter dan bij een carnivoor:

De volgende organen zijn duidelijk groter dan bij een herbivoor:

De organen van het varken zijn gemiddeld van grootte.













Zoek informatie op het internet over de kenmerken van het gebit en vervolledig de tekst. konijn

vos

IN

varken

Typische kenmerken van het gebit:

Typische kenmerken van het gebit:

Typische kenmerken van het gebit:

− snijtanden: 

− snijtanden: 

− snijtanden: 

en voorzien van

een 

− hoektanden: 

VA N

− hoektanden: 

− kiezen:  voor het malen van gras

(als een dolk)

− hoektanden:  − kiezen: 

− kiezen:  om het vlees te scheuren en te knippen

d Noteer een verklaring voor het grote verschil tussen het spijsverteringsstelsel van een konijn en dat van een vos. Denk daarbij aan de organisatieniveaus van organismen. Ook de figuur van de cellen kan je hierbij helpen.

©

plantaardige cel

plantaardige cel

Fig. 4.2

  

94

Spijsvertering

dierlijke cel

dierlijke cel


e

Waar hoort de mens thuis?



Naargelang het voedsel dat organismen opeten, kun je ze onderverdelen in drie groepen: vleeseters (carnivoren), planteneters (herbivoren) en alleseters (omnivoren). Het spijsverteringsstelsel van vleeseters, planteneters en alleseters is aangepast aan hun voeding. Zowel de organen als de gebitten zien er anders uit.

VA N

IN

Een hond is een echte vleeseter. Het is dus fout om alle tafelrestjes aan hem te geven, want daar zitten ook plantaardige stoffen in.

Š

4 Spijsvertering bij andere organismen  

95


! a h A ! a h A

SCHEMA

Wat je opeet = voedingsmiddel. Elk voedingsmiddel bestaat uit voedingsstoffen

VA N

Er zijn drie grote groepen van voedingsstoffen: brandstoffen, bouwstoffen en beschermende stoffen

Š

lever + galblaas; verdeling van vetten; galsap

Eerste stap in de vertering: de mondholte; tong en tanden + speekselklieren duwen de voedselbrij via de slokdarm naar de maag. In de mond gebeurt de eerste vertering van zetmeel (stofomzetting van zetmeel naar glucose).

IN

Informatie vind je terug op het etiket of door testreacties met verklikkers

dikke darm + appendix; indikken van de stoelgang

slokdarm Æ peristaltiek maag; vertering van eiwitten; maagzuur

dunne darm: opname van voedingsstoffen in het bloed; darmsap aars / anus

Er zijn planteneters, vleeseters en alleseters in de natuur. De organen en het gebit zijn aangepast aan het voedsel. Ga naar het onlinelesmateriaal en leer nog andere vormen van synthese kennen.

96

Spijsvertering


Checklist helemaal begrepen

Wat ken/kan ik?

hier kan ik nog groeien

pg. 73

Ik kan de samenstelling van een voedingsmiddel afleiden uit een etiket.

74

Ik kan de energetische waarde berekenen aan de hand van een voedingsmiddelenetiket.

74

Ik kan opsommen welke voedingsstoffen en voedingsmiddelen er kunnen voorkomen.

75

Ik kan voedingsstoffen bij de juiste groep aanduiden.

76

Ik kan het verschil tussen brandstoffen, bouwstoffen en beschermende stoffen formuleren en illustreren aan de hand van voorbeelden.

76

Ik kan de rol beschrijven van bouwstoffen, brandstoffen en beschermende stoffen.

76

Ik kan de herkenningsmiddelen voor voedingsstoffen aanduiden.

79

Ik kan het begrip verteren formuleren en de noodzaak ervan uitleggen.

82

Ik kan de organen van de spijsvertering herkennen en lokaliseren op tekeningen.

82

Ik kan aantonen dat zetmeel niet door de darmwand heen kan en daardoor niet kan opgenomen worden in het bloed.

88

Ik kan aantonen dat glucose wel door de darmwand heen kan en dus wel kan opgenomen worden in het bloed.

88

Ik kan de functie van de meest voorkomende spijsverteringsorganen uitleggen.

82 90

Ik kan aan de hand van de voedings- en bewegingsdriehoek patronen aanduiden in verband met gezonde/ongezonde leefhoudingen.

77

Ik kan mijn eigen voedingsgewoonten illustreren en bijsturen.

78

Ik kan een aantal voorbeelden van veelvoorkomende aandoeningen van het spijsverteringsstelsel schetsen.

91, 92

Ik kan verschillen in de spijsvertering tussen planten-, vlees- en alleseters aangeven.

93

Ik kan met eigen woorden vertellen waarom de spijsvertering bij planteneters veel langer duurt dan bij vleeseters.

94

Š

VA N

IN

Ik kan het verschil tussen voedingsstoffen en voedingsmiddelen uitleggen.

Denk je dat je alles begrepen hebt in dit thema? Ga dan naar diddit en oefen verder.

AHA!

97


TEST JEZELF 1

Bestudeer het etiket van een grote doos Kellogg’s SMACKS (600 g).

a

Vul de tabel in. per 100 g voedingsstoffen (g)

energetische waarde (kJ)

IN

voedingsmiddel

b

Volgens de doos zitten er 20 porties in een grote verpakking. Hoeveel g eet je dan op? 

c

Welke voedingswaarde krijg je dan binnen? Vul de tabel aan en bereken.

VA N

per

voedingsmiddel

g

voedingsstoffen (g)

energetische waarde (kJ)

Kellogg’s SMACKS

d

Bestudeer het etiket van een blikje cola (33 cl) en vul de tabel in.

©

voedingsmiddel

98

e

per 100 ml energetische waarde (kJ)

voedingsstoffen (g)

Hoeveel energie krijg je binnen wanneer je een volledig blikje cola drinkt? 

Spijsvertering


2 Geef twee voorbeelden van:

a voedingsmiddelen



b voedingsstoffen

 3 Bekijk het etiket van Kinder Surprise (3 eitjes in een doosje met een totale massa van 60g)

a

Wat zijn de brandstoffen? 

b

Hoeveel chemische energie is er opgeslagen in 100 g van deze chocolade?

 portie 100 g

energie

2 302 kJ

eiwitten

8,1 g

koolhydraten waarvan suikers

52,3 g 52,1 g

vetten waarvan verzadigde vetten

34,2 g 22,6 g

c

VA N

zout

IN

gemiddelde voedingswaarde per

0,323 g

Hoeveel chemische energie is er opgeslagen in één eitje? 

4 Zet een kruisje in de juiste kolom. voorbeeld eiwitten

bouwstof

brandstof

beschermende stof

voedingsmiddel

©

mineralen

chocolademelk vezels

suikers water

Test jezelf  

99


a

VA N

IN

5 Een krantenkop in 2017 luidde ‘Zoveel cheeseburgers eet een renner per dag in de Tour de France’.

Waarom zou een renner zoveel cheeseburgers eten?



b

Eet een renner in werkelijkheid zoveel cheeseburgers?



6 Welk herkenningsmiddel gebruik je en welke verandering treedt er op? a

Voor zetmeel



b

Voor eiwitten



100

©

Spijsvertering


7 Benoem de genummerde organen.

1

3 2

IN

4

9

©

10

VA N

7

1 =

7 =

2 =

8 =

3 =

9 =

4 =

10 =

5 =

11 =

6 =

5 8

6

11

Test jezelf  

101


8 De slokdarm werkt peristaltisch. Wat betekent dat?

 



9 Beschrijf de invloed van speeksel op zetmeel.



10 Wanneer je veel groenten en fruit eet, moet er veel cellulose verteerd worden. Cellulose zit in de celwand van de plantaardige cellen. In welk orgaan wordt deze cellulose afgebroken en hoe verklaar je dat?







IN

11 Het aantal vegetariërs neemt de afgelopen jaren steeds meer toe. Welke voedingsstoffen die nodig zijn voor de opbouw van het lichaam, zullen vegetariërs onvoldoende binnenkrijgen? Hoe kunnen zij dat oplossen?  

©

VA N



102

Spijsvertering


©

VA N

IN

Energievormen en energieomzettingen

1 ENERGIEVORMEN 2 ENERGIEOMZETTINGEN 3 OPGESLAGEN ENERGIE


1

IN

2

Š

3

VA N

Mijn dag zonder elektriciteit

Wat wil ik te weten komen over dit thema?         

Ontdek deze en nog andere opties via het onlinelesmateriaal.

104

Energievormen en energieomzettingen


1 ENERGIEVORMEN BARST JE VAN ENERGIE? Dagelijks kom je in contact met energie. Waaraan denk je meteen als het over energie gaat? Noteer het in de tekstballonnetjes.

IN

1

VA N

Fig. 1.1

2 Als we bewegen, verbruiken we energie. Als we ons lichaam gezond willen houden, is het erg belangrijk om minder lang stil te zitten en meer te bewegen. Tijdens het bewegen verbruiken we energie. Die halen we uit de voeding. De voedingsdriehoek helpt je om een gezonde voeding samen te stellen. De bewegingsdriehoek is een handig hulpmiddel om gezond te leven. Daarbij hoort een gezonde mengeling van zitten, staan en bewegen. Hoe je dat kunt doen, staat aangeduid in de bewegingsdriehoek. In een oogopslag kun je zien of je voldoende beweegt of niet. Hoe zie je dat?





b

©

a

Welke activiteit vraagt het minste energie, maar is toch nog goed voor het gezond functioneren van het lichaam? zitten trappen doen stofzuigen regelmatig rechtstaan (elke 30 min.)

c Waarom heeft iemand die aan topsport doet, meer behoefte aan energierijke voedingsstoffen?





 Fig. 1.2 https://www.gezondleven.be/themas/beweging-sedentair-gedrag/bewegingsdriehoek

1 Energievormen  

105


d

Waarom is het aan te raden om niet elke dag zwaar te sporten?







3 Energie is ook een grootheid. Bekijk via het onlinelesmateriaal het filmpje over energie als grootheid. a

Wat is energie?



b Energie is een grootheid. Het symbool voor de grootheid is E. In welke eenheid wordt energie uitgedrukt?

d

Heel vaak wordt in de voedingssector nog een oude eenheid gebruikt voor energie. Kijk maar op een verpakking van een voedingsmiddel en zoek. Welke eenheid is het?



Een rijdende auto verbruikt brandstof. Die levert energie aan de motor. Wat doet die motor met de energie?



VA N

c

newton joule kilogram liter

IN

Interessant om weten

©

In de sport is de grootheid energie ook belangrijk. Zo klinken voor een topsporter de woorden ‘anaërobe werk capaciteit (AEWC)’ niet onbekend in de oren. AEWC is de extra inspanning die een topsporter nog kan presteren boven de inspanning waarbij hij niet extreem vermoeid geraakt. Dat wordt gemeten met een inspanningstest. Op die manier kan de trainer inschatten hoe het gesteld is met de conditie van de sportman. De AEWC wordt uitgedrukt in kilojoule (kJ). In het tijdrijden wordt dit heel goed opgevolgd.

Fig. 1.3

Energie (E) is een grootheid die uitdrukt hoe groot de mogelijkheid is om arbeid te verrichten. Ze wordt uitgedrukt in joule (J). Als je barst van energie, kun je veel bewegen en dus ook veel arbeid verrichten. Hoe meer je beweegt, hoe meer energie je verbruikt. Test jezelf: oefeningen 1, 2 en 3

106

Energievormen en energieomzettingen


KOMT ENERGIE ALLEEN UIT BATTERIJEN? 1

Om te rijden heeft een auto energie nodig. a

Op welke energiebronnen rijden de huidige auto’s?



b

Er rijden steeds meer elektrische auto’s rond. Welke voordelen hebben die wagens?



Je ziet steeds meer elektrische auto’s rondrijden. Daarin zit geen verbrandingsmotor, maar wel een elektromotor en een batterij. Autofabrikanten zijn ook bezig met het ontwikkelen van betaalbare elektrische wagens. Zo pakt Zweden uit met de Uniti One, een betaalbaar stadswagentje. Dit wagentje is op korte tijd zo populair geworden dat de bestellingen de pan uit swingen. Gaan we nu in de toekomst allemaal elektrisch rijden?

IN

Interessant om weten

VA N

Fig. 1.4 de Uniti One: een betaalbare elektrische auto

2 Energie komt voor in verschillende energievormen. a

Welke verschillende vormen van energie herken je? Noteer de correcte combinatie (energievorm/ omschrijving) op de juiste plaats in de tabel.

1

©

energievorm

combinatie

omschrijving



A

energie van een bewegend voorwerp



B

energie als gevolg van een verschil in temperatuur

Fig. 1.5 elektrische energie

2

Fig. 1.6 chemische energie

1 Energievormen  

107


3



C

energie geleverd door elektriciteit



D

energie die afhangt van een bepaalde positie/toestand

4

IN

Fig. 1.7 stralingsenergie

Fig. 1.8 thermische energie



E

energie van een lichtgevende bron (bijvoorbeeld lamp, kaars, zon …)



F

energie opgeslagen in stoffen

VA N

5

6

©

Fig. 1.9 kinetische energie

Fig. 1.10 potentiële energie

b

Welke energievormen heb je nodig om te rijden met de volgende types van auto’s?

− Benzinewagen: 

.

− Elektrische wagen: 

.

− Dieselwagen: 

.

c

Geef nog een voorbeeld uit het dagelijks leven waarbij je een bepaalde energievorm herkent. energievorm

108

voorbeeld

chemische energie



thermische energie



Energievormen en energieomzettingen


elektrische energie



kinetische energie



stralingsenergie



potentiële energie



3 Er wordt steeds meer gezocht om duurzaam om te gaan met energie. a

Welke duurzame toepassingen herken je in figuur 1.11? Noteer ze in de kadertjes.

VA N

IN

Fig. 1.11

b

Ze maken gebruik van energievormen die zich in de lucht bevinden. Ze maken gebruik van energiebronnen die altijd aanwezig zijn. Ze maken gebruik van energiebronnen die enkel op aarde aanwezig zijn. Ze maken gebruik van energievormen die we altijd kunnen ontginnen.

©

Waarom zijn dit duurzame toepassingen? Kruis het juiste antwoord aan.

Ga naar het onlinelesmateriaal en bekijk de ontdekplaat rond energieomzettingen bij duurzame toepassingen. Energie kan in verschillende vormen voorkomen: − stralingsenergie − kinetische energie − thermische energie − elektrische energie − chemische energie − potentiële energie Energie uit batterijen is afkomstig van chemische energie. Er zijn dus nog veel andere mogelijkheden om energie te produceren. Test jezelf: oefeningen 4 en 5

1 Energievormen  

109


2 ENERGIEOMZETTINGEN WAAR HALEN MIJN SPIEREN HUN ENERGIE? 1

Om je te verplaatsen, gebruik je vaak de auto. a

Welke energievorm hebben we daarvoor nodig en welke vorm van energie ontstaat er? Kruis de correcte antwoorden aan.

Energievorm die nodig is

Energievorm die ontstaat

stralingsenergie kinetische energie thermische energie elektrische energie chemische energie

VA N

IN

stralingsenergie kinetische energie thermische energie elektrische energie chemische energie

Fig. 2.1 benzinewagen

Š

stralingsenergie kinetische energie thermische energie elektrische energie chemische energie

110

stralingsenergie kinetische energie thermische energie elektrische energie chemische energie

Fig. 2.2 elektrische wagen

b

Om te kunnen antwoorden op de volgende vraag moet je nog even terugkijken naar het filmpje bij Energievormen op p. 106. Energie wordt voortdurend omgezet. Welke belangrijke wet geldt daarbij?



Energievormen en energieomzettingen


2 Een lucifer bevat chemische energie, net zoals benzine. Die chemische energie kan omgezet worden in andere energievormen. Je onderzoekt daarom de verbranding van een lucifer. Onderzoek 1 1 Onderzoeksvraag Kruis de correcte onderzoeksvraag aan. Welke energieomzetting vindt er plaats bij een lucifer? Welke energieomzetting vindt er plaats bij een brandende lucifer? Welke energievormen kunnen in een lucifer voorkomen? Welke energievormen kunnen bij een aangestoken lucifer voorkomen? 2 Hypothese

3 Benodigdheden lucifers petrischaal

Fig. 2.3

VA N

4 Werkwijze 1 Steek de lucifer aan. 2 Leg hem in de petrischaal.

IN



5 Waarneming Wat gebeurt er met de lucifer nadat je hem aangestoken hebt? 

6 Besluit Kruis aan welke energievormen er vrijkomen nadat je de lucifer aangestoken hebt. elektrische energie thermische energie chemische energie stralingsenergie kinetische energie

©

Bij het aansteken van de lucifer wordt chemische energie (uit het hout) omgezet in

(licht) en 

Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



(warmte).

7 Reflectie Is die energieomzetting omkeerbaar?



Wat kun je doen om de energieomzetting langer te laten duren?



2 Energieomzettingen  

111


Interessant om weten De kleur van de vlam bij een verbranding geeft heel wat informatie. Meestal zien we een gele vlam. Denk maar aan de vlam bij een kampvuur, kaars, lucifer … De gele kleur wijst op een onvolledige verbranding. Daardoor ontstaat er roet en wordt het gevaarlijke koolstofmonoxide gevormd.

Fig. 2.4

Een witte of blauwe vlam krijg je te zien bij een volledige verbranding. Dat is het geval bij bijvoorbeeld een gasfornuis, een gasbrander of een gasketel van een centrale verwarming. Bij die verbrandingen wordt er voldoende zuurstofgas aangevoerd zodat er alleen koolstofdioxide en water gevormd wordt. We noemen dat een volledige verbranding.

Fig. 2.5

a

IN

3 In de tabel hieronder staan er toepassingen waarbij een energievorm wordt omgezet in andere energievormen. Noteer bij elke toepassing om welke energieomzetting het gaat.

energieomzetting

VA N

toepassing

(benzine)

Fig. 2.6

à

(draaiende motor)

à

(elektriciteit)

+

+

(brandende lamp)

©

Fig. 2.7

à

(elektriciteit)

+

(draaiende motor)

Fig. 2.8

à

(windmolen)

+

(elektriciteit)

Fig. 2.9

(voedsel) Fig. 2.10

112

Energievormen en energieomzettingen

à

(spierwerking)

+


b

Welke energievorm ontstaat er bijna altijd bij een energieomzetting?

elektrische energie kinetische energie chemische energie thermische energie

Interessant om weten Bij een energieomzetting komt er bijna altijd ook een beetje thermische energie vrij. Als die thermische energie niet gewenst is, spreekt men van restwarmte. Zo wordt een computer of een beamer warm als ze in werking zijn. Men moet zelfs ventilatoren plaatsen om ze af te koelen. De producenten van toestellen proberen de restwarmte zo beperkt mogelijk te houden. Zo produceren ledlampen bijna geen restwarmte vergeleken met de klassieke gloeilamp of spaarlamp.

IN

Fig. 2.11

4 In het menselijk lichaam gebeuren ook energieomzettingen. Dat kun je aantonen met het volgende onderzoek.

VA N

4Onderzoek 2

1 Onderzoeksvraag Welke invloed heeft het leveren van een inspanning op het vrijkomen van thermische energie in het lichaam? 2 Hypothese 

©

3 Benodigdheden kartonnen doos (30 cm x 15 cm x 15 cm) aluminiumfolie lijm schaar of mesje springtouw chronometer of smartphone ingesteld als chronometer thermometer

Fig. 2.12

4 Werkwijze 1 Knip een opening in een kartonnen doos zoals in de proefopstelling (figuur 2.12) te zien is. 2 Breng aan de binnenzijde van de kartonnen doos lijm aan en bekleedt de binnenzijde volledig met aluminiumfolie. 3 Maak een klein gaatje in de kartonnen doos om de thermometer aan te brengen. 4 Meet de temperatuur in de doos. 5 Breng je arm gedurende 60 seconden in de doos en meet de temperatuur in de doos. 6 Je gaat nu 180 seconden touwtje springen. 7 Breng je arm snel in de kartonnen doos. Meet de temperatuur in de doos opnieuw na 60 seconden.

2 Energieomzettingen  

113


5 Waarneming

θ (°C) begintemperatuur doos



temperatuur doos zonder inspanning



temperatuur doos na touwtje springen



6 Besluit Welke energieomzetting vindt er plaats tijdens het touwtje springen? Kruis het juiste antwoord aan. chemische energie chemische energie chemische energie chemische energie

à kinetische energie à kinetische energie + thermische energie à thermische energie + elektrische energie à thermische energie

IN

Bij spierarbeid wordt chemische energie omgezet in 

energie

en 

energie.

Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



VA N

7 Reflectie Kijk nog eens terug naar de bewegingsdriehoek (figuur 1.2). Zou er meer chemische energie omgezet worden tijdens een uurtje joggen? Leg uit.



 

©



Bij een energieomzetting wordt de ene energievorm omgezet in één of meer andere energievormen. Hierbij gaat er geen energie verloren. Bij veel energieomzettingen komt er ook een hoeveelheid restwarmte vrij. Ook in het menselijk lichaam gebeuren er energieomzettingen, die de werking van de spieren mogelijk maken. Onze spieren halen dus hun energie uit de chemische energie van voedsel. Test jezelf: oefeningen 6 en 7

114

Energievormen en energieomzettingen


3 OPGESLAGEN ENERGIE KUN JE ENERGIE IN EEN KLUIS BEWAREN? Steeds vaker worden er zonnepanelen geïnstalleerd op de daken van huizen. a

Welke energieomzetting gebeurt er?



b

Wanneer kun je die geproduceerde elektrische energie gebruiken?



d e

Wat gebeurt er als je meer elektrische energie produceert dan verbruikt?

 Waar komt de elektriciteit die je ’s nachts gebruikt vandaan?

IN

c



Wat zou je kunnen doen met overproductie van elektrische energie om er ’s nachts gebruik te kunnen van maken?

Fig. 3.1



VA N

1

2 Ook je smartphone werkt op batterijen. Je onderzoekt hoe de energieomzetting verloopt tijdens het laden ervan. Onderzoek 3

1 Onderzoeksvraag Hoe verloopt de energieomzetting tijdens het opladen van de batterijen van een smartphone?

©

2 Hypothese 

3 Benodigdheden smartphone snellader chronometer of smartphone, ingesteld als chronometer 4 Werkwijze 1 Noteer hoeveel procent energie de batterij nog bevat bij het begin van dit experiment. 2 Sluit de smartphone aan op de oplader en wacht drie minuten. 3 Lees af hoeveel procent de batterij nu geladen is. Noteer de waarde in de tabel.

Fig. 3.2

3 Opgeslagen energie  

115


5 Waarneming

tijd (s)

oplader

0

%

180

%

6 Besluit Met een oplader wordt elektrische / chemische energie omgezet naar elektrische / chemische energie. De elektrische / chemische energie wordt opgeslagen in de batterij. Hoe langer de batterij aan de oplader is gekoppeld, hoe meer / minder energie wordt opgeslagen.

Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.

IN

 7 Reflectie Wat zou het effect zijn als er twee batterijen in de smartphone zouden zitten?



VA N



3 Dat die opgeslagen energie weer kan omgezet worden in een andere energievorm, kun je aantonen met het volgende onderzoek. Onderzoek 4

1 Onderzoeksvraag Wat is het effect van een hoeveelheid water die in beweging komt?

Š

2 Hypothese

Petfles gevuld met water



3 Benodigdheden lege petfles (1 liter) met dop speelgoedwaterrad opvangbak voor het uitgelopen water 4 Werkwijze 1 Maak de opstelling volgens de figuur. 2 Vul de petfles volledig met water en sluit ze af met de dop. 3 Monteer de fles boven het waterrad en schroef de dop los.

Waterrad

Opvangbak

Fig. 3.3

116

Energievormen en energieomzettingen


5 Waarneming Draait het waterrad als de dop nog op de fles is?  Wanneer begint het waterrad te draaien?  Wanneer stopt het rad met draaien?  6 Besluit Het water in de fles, dat op een bepaalde hoogte boven het rad gehouden wordt, bevat als het ware ‘opgeslagen’ energie. Die energie is het gevolg van een bepaalde positie of toestand. Hoe hebben we die energie genoemd?

chemische energie potentiële energie kinetische energie thermische energie

IN

Welke energieomzetting vindt er dus plaats bij het draaiende waterrad?



VA N

in 

energie (opgeslagen in het water in de fles) wordt omgezet energie (draaiend waterrad).

Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



7 Reflectie Naar aanleiding van dit experiment kun je nu ook uitleggen waarom een stuwmeer veel water moet bevatten.



©



 

Fig. 3.4

Door deze experimenten heb je ook geleerd dat potentiële energie niet alleen energie is die afhangt van een bepaalde positie of toestand, maar ook dat het opgeslagen energie betekent.

3 Opgeslagen energie  

117


4 Energie is niet alleen een positief verhaal. Op een tankwagen die benzine vervoert, is het gevarensymbool verplicht. a

Wat is de betekenis van dit symbool?





b

Benzine vervoeren is altijd een risicovolle onderneming. Bij een ongeval met een tankwagen kan een explosie plaatsvinden. Waarom komt er bij een explosie veel thermische en stralingsenergie vrij?

Fig. 3.5 gevarensymbool

De tankwagen bevat heel veel opgeslagen chemische energie. De tankwagen bevat heel veel opgeslagen thermische energie. De tankwagen bevat heel veel opgeslagen kinetische energie. De tankwagen bevat heel veel opgeslagen elektrische energie.

c

Is het aan te raden om tijdens een lange autorit extra jerrycans, gevuld met benzine, te vervoeren in de kofferruimte? Leg uit.









VA N

IN

Fig. 3.6

Fig. 3.7

©

Batterijen worden gebruikt om energie op te slaan.

Opgeslagen energie wordt potentiële energie genoemd. Potentiële energie is dus zowel energie die het gevolg is van een bepaalde positie of toestand als opgeslagen energie. Potentiële energie kan tijdens een energieomzetting omgezet worden in andere energievormen. Energie kun je weliswaar niet in een kluis bewaren, maar er zijn tal van andere mogelijkheden om energie op te slaan en te bewaren. Test jezelf: oefeningen 8 en 9

118

Energievormen en energieomzettingen


! a h A ! a h A

Mindmap

opgeslagen energie

symbool E

potentiële energie

grootheid: energie

gevolg van positie of toestand

VA N

IN

eenheid: joule (J)

ENERGIEVORMEN

chemische energie

energieomzetting

thermische energie

©

ene energievorm wordt omgezet in een andere

stralingsenergie soorten elektrische energie kinetische energie potentiële energie

AHA!

119


Checklist helemaal begrepen

Wat ken/kan ik?

pg. 107, 108

Ik kan verschillende energievormen omschrijven.

107, 108

Ik kan het begrip ‘energieomzetting’ in eigen woorden omschrijven.

110

Ik kan voorbeelden opsommen van energieomzettingen.

112

Ik kan de verbranding van fossiele brandstoffen in verband brengen met een energieomzetting.

111

Ik kan energieomzettingen herkennen.

122

Ik kan potentiële energie herkennen in toepassingen.

117

IN

Ik kan energievormen herkennen in toepassingen van het dagelijks leven.

©

VA N

Denk je dat je alles begrepen hebt in dit thema? Ga dan naar diddit en oefen verder.

120

hier kan ik nog groeien

Energievormen en energieomzettingen


TEST JEZELF 1

Wat kun je met energie doen? Geef drie voorbeelden.

−  −  −  2 Rangschik de volgende inspanningen van hoog (1) naar laag (4) energieverbruik. Maak een ordening door een cijfer te noteren.

inspanningen



joggen



werken in de tuin



even rechtstaan



de trap op gaan

IN

ordening

VA N

3 Op etiketten van voedingsmiddelen vind ik de volgende gegevens terug.

voedingsmiddel banaan sinaasappelsap gemiddelde koek

E (in kJ) per 100 g

363

189

1 764

Je eet 1 banaan (120 g), drinkt 200 g sinaasappelsap en je eet een koekje (15 g). Hoeveel energie heb je opgenomen uitgedrukt in kilojoule (kJ)?



©

  

4 We maken dagelijks gebruik van batterijen. a

Zit er in een batterij ook energie? Kruis het juiste antwoord aan. Ja, want heel wat elektrische apparaten kunnen hierdoor arbeid verrichten. Neen, want de batterij verricht toch geen arbeid. Neen, want je ziet de energie toch niet uit een batterij stromen. Ja, want ze wordt warm als ze opgeladen wordt en die warmte geeft ze dan ook weer af.

Test jezelf  

121


b

Hoe meer batterijen een elektrisch apparaat nodig heeft, hoe meer energie er nodig is?

−

juist / fout

−

Leg uit.

  5 Hieronder zie je een aantal toepassingen van energie die een bepaalde energievorm illustreren. Om welke energievorm gaat het? Schrap de foutieve antwoorden.

energievorm

toepassing

IN

chemische energie / kinetische energie / thermische energie / stralingsenergie

VA N

chemische energie / kinetische energie / thermische energie / stralingsenergie

Š

chemische energie / kinetische energie / thermische energie / stralingsenergie

chemische energie / kinetische energie / thermische energie / stralingsenergie

chemische energie / kinetische energie / thermische energie / stralingsenergie

122

Energievormen en energieomzettingen


6 Geef voor elk van deze energievormen een concreet voorbeeld dat nog niet eerder aan bod kwam en waarbij de gegeven energievorm vrijkomt.

energievorm

voorbeeld

chemische energie



kinetische energie



thermische energie



stralingsenergie



7 Hieronder vind je toepassingen waarbij de ene vorm van energie wordt omgezet naar andere energievormen. Noteer voor elke toepassing de energieomzetting.



VA N



IN

energieomzetting

toepassing



Š



 

 

Test jezelf  

123


8 Als het donker wordt, moet ik de koplampen van mijn dieselwagen ontsteken. Benoem de onderdelen van de auto waarin de onderstaande energieomzettingen plaatsvinden.

dieselmotor

alternator: dynamo in de auto

Zicht op het motorblok onder de motorkap











chemische energie Ü bewegingsenergie

bewegingsenergie Ü elektrische energie

IN



elektrische energie Ü stralingsenergie

stromend water van een stuwmeer lege batterij opgeslagen water in een watertoren gevulde benzinetank rijdend speelgoedtreintje opgeladen smartphone

©

VA N

9 Hieronder vind je verschillende toepassingen van energievormen. Kruis alle voorbeelden van potentiële energie aan.

124

Energievormen en energieomzettingen


©

VA N

IN

Organisatieniveaus bij organismen

1 VAN MACROSCOOP TOT MICROSCOOP 2 VAN CEL TOT ORGANISME 3 DE WONDERE WERELD VAN DE CEL


2

Š

VA N

3

IN

1

Wat wil ik te weten komen over dit thema?         

Ontdek deze en nog andere opties via het onlinelesmateriaal.

126

Organisatieniveaus bij organismen


1 VAN MACROSCOOP TOT MICROSCOOP KUN JE KLEINERE DINGEN ZIEN DAN JE OGEN TOELATEN? Bekijk het filmpje over micro en macro via het onlinelesmateriaal. a

Vanaf welk moment in het filmpje zie je een macro-opname?



b

Vanaf wanneer zie je de micro-opname?



c d

Verklaar het woord ‘macroscopisch’ met behulp van je woordenboek.



IN

1

Verklaar het woord ‘microscopisch’ met behulp van je woordenboek.



2 Je kunt niet alles zien met het blote oog.

Welke hulpmiddelen kun je gebruiken om heel kleine zaken toch zichtbaar te maken?



VA N

a

b Hoe noem je plantaardig of dierlijk weefsel dat men bereid heeft om onder een microscoop te bekijken? c



Welke handelingen voer je uit met het preparaat voor je het bekijkt?





©

Fig. 1.1 voorwerpglas

Fig 1.2 dekglas

3 Cellen kunnen heel erg van elkaar verschillen. Om dat aan te tonen ga je enkele cellen onder een microscoop bekijken. a

Bekijk de cellen van een ajuinvlies.

1 Van macroscoop tot microscoop  

127


Onderzoek 1 1 Onderzoeksvraag Hoe zien de cellen van een ajuinvliesje eruit onder de microscoop? 2 Hypothese  3 Benodigdheden preparaat van een ajuinvlies microscoop en instrumentenfiche 'Hoe werk ik met een microscoop?'

IN

4 Werkwijze 1 Bekijk het preparaat van een ajuinvlies onder de microscoop. 2 Gebruik daarvoor de instrumentenfiche ‘Hoe werk ik met een microscoop?’.

VA N

5 Waarneming

foto B

foto C

foto D

foto E

foto F

©

foto A

Welke foto past het best bij het beeld dat je met de microscoop ziet? 

6 Besluit

Het vliesje van een ajuin bestaat uit 



Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



128

b

Bekijk de cellen van wangslijmvlies.

Organisatieniveaus bij organismen


Onderzoek 2 1 Onderzoeksvraag Wat is het verschil tussen de cellen van een ajuinvliesje en die van wangslijmvlies? 2 Hypothese  3 Benodigdheden preparaat van wangslijmvlies microscoop

VA N

5 Waarneming

IN

4 Werkwijze 1 Bekijk het preparaat van wangslijmvlies onder de microscoop. 2 Gebruik de instrumentenfiche ‘Hoe werk ik met een microscoop?’. 3 Bekijk nog eens het preparaat van het ajuinvlies.

foto B

foto C

foto D

foto E

foto F

©

foto A

Welke foto past het best bij het beeld dat je met de microscoop ziet? 

6 Besluit

Er zijn duidelijke verschillen tussen de cellen van een ajuinvlies en die van het wangslijmvlies. Noteer twee verschilpunten:





Komt je hypothese overeen met het besluit? Verklaar.



1 Van macroscoop tot microscoop  

129


Interessant om weten

IN

De lichtmicroscoop die je in de klas gebruikt, kan niet heel sterk vergroten.

Fig. 1.3

VA N

In wetenschappelijke instellingen en universiteiten worden elektronenmicroscopen gebruikt. Die kunnen zelfs tot duizenden malen vergroten. Technopolis beschikt over zo een elektronenmicroscoop. Ze posten regelmatig op hun Facebook- en YouTube-pagina een raadseltje waarbij bezoekers mogen raden wat ze onder de microscoop gelegd hebben. Hieronder staan een aantal foto’s die met een elektronenmicroscoop gemaakt zijn.

©

Fig. 1.4 madeliefje © Plantentuin Meise

Fig. 1.5 hondsdraf © Plantentuin Meise

Fig. 1.6 bloemkool © Plantentuin Meise

Wat je kunt zien met het blote oog, noem je macroscopisch; wat niet zichtbaar is met het blote oog, noem je microscopisch. Om microscopisch kleine voorwerpen waar te nemen, gebruik je hulpmiddelen, bijvoorbeeld een microscoop. Onder een microscoop bekijk je preparaten. Je kunt dus wel degelijk dingen zien die je niet met het oog kunt waarnemen, als je gebruik maakt van hulpmiddelen.

130

Organisatieniveaus bij organismen


2 VAN CEL TOT ORGANISME JE LICHAAM: ÉÉN GROTE SAMENWERKING In het vorige hoofdstuk heb je cellen leren kennen. Het zijn bouwstenen van planten en dieren, die je niet met het blote oog kunt waarnemen.

Fig. 2.1

Die cellen schikken zich.

IN

1

Bestudeer de ontdekplaat bij het onlinelesmateriaal en bekijk ook figuur 2.2. Je ziet verschillende cellen.

a

Hoeveel verschillende celtypes zie je? 

b

Hoe liggen cellen van hetzelfde type ten opzichte van elkaar? 

c

Duid op de foto’s hieronder telkens twee soorten cellen aan. Gebruik daarvoor twee kleuren.

d

e

f

Liggen de gelijksoortige cellen ook naast elkaar?  Zijn ze nog onafhankelijk van elkaar?



Fig. 2.2

Een groep cellen met dezelfde vorm en functie noemt men een weefsel. Weefsels komen zowel bij dieren als bij planten voor.

©

VA N

Fig. 2.3 hout van een dennenboom

Fig. 2.4 menselijk huidweefsel

2 VAN CEL TOT ORGANISME  

131


2 Weefsels groeperen zich. a Wanneer weefsels groeperen, ontstaan er organen. Alle levende wezens (zowel dierlijk als plantaardig) hebben organen. Noteer bij de tekeningen hieronder welk dierlijk en welk plantaardig orgaan afgebeeld is. plantaardig

dierlijk

Fig. 2.5

Fig. 2.6

c



VA N

 b

IN

zonlicht

Geef een aantal voorbeelden van organen in het menselijk lichaam.



Bij planten is het aantal soorten organen heel wat kleiner dan bij dieren. Benoem de organen van de tomatenplant op de tekening hieronder.

Š

Fig. 2.7

132

Organisatieniveaus bij organismen


3 Organen vormen stelsels. a

Als organen die gegroepeerd zijn eenzelfde functie uitoefenen, spreek je van een stelsel. In de lagere school heb je al heel wat stelsels leren kennen. Som er een drietal op.

 b

Tot welk stelsel behoren de volgende reeksen van organen?

− Mond – neus – luchtpijp – longen behoren tot het 

.

− Mond – slokdarm – maag – darm – aars vormen het 

.

− Hersenen – zenuwen – ruggenmerg behoren tot het 

.

− Nieren – urineleider – urineblaas – urinebuis behoren tot het 

.

Fig. 2.8



Fig. 2.9

Fig. 2.10

Fig. 2.11













©



VA N

IN

c Noteer de naam van elk stelsel onder de tekeningen.

Fig. 2.12

Fig. 2.13

Fig. 2.14

Fig. 2.15















 2 VAN CEL TOT ORGANISME  

133


4 Van stelsel tot organisme.

organisme

orgaanstelsel

orgaan

weefsel

Organisme is een moeilijker woord voor levend wezen. Organisme is het hoogste organisatieniveau. Alle stelsels werken erin samen om te overleven.

IN

cel

molecule

VA N

celonderdeel

©

atoom

Fig. 2.16

In elk organisme of levend wezen zijn er verschillende niveaus van samenwerking. Dat zijn de organisatieniveaus van een organisme. Het laagste niveau is de cel: dat is de bouwsteen van elk organisme. Cellen met eenzelfde vorm en functie groeperen zich tot een weefsel. Verschillende weefsels werken samen in een orgaan. Organen die samenwerken voor één welbepaalde taak, vormen samen een stelsel. Alle stelsels samen vormen een organisme of levend wezen. De organisatieniveaus zijn zowel bij planten als bij dieren waar te nemen. Je lichaam is dus één grote samenwerking. Test jezelf: oefeningen 1, 2, 3 en 4

134

Organisatieniveaus bij organismen


3 DE WONDERE WERELD VAN DE CEL WAARIN GELIJKEN WIJ OP EEN AJUIN? 1

Plantaardige cellen en dierlijke cellen lijken heel goed op elkaar. a

Bekijk de afbeeldingen hieronder en noteer welke cellen je ziet. 400 x vergroot

IN

40 x vergroot

Fig. 3.1

Fig. 3.2





b

Welke cellen zijn het grootst?

c

Vergelijk de vorm van plantaardige cellen met die van dierlijke cellen.



d

Hoe is de rand van de cel?



VA N

2 In een cel komen verschillende onderdelen voor. Die hebben elk hun eigen naam. In de tabel hieronder staat bij elk celonderdeel (ook organel genoemd) de beschrijving ervan. Lees aandachtig.

©

naam celonderdeel

beschrijving

celwand

de buitenste laag van een plantaardige cel, zorgt voor de stevigheid en de vaste vorm.

2

celmembraan

de dunne laag die het cytoplasma begrenst. Bij de plantaardige cellen kleeft dit laagje tegen de celwand.

3

celplasma

het vloeibare deel van de cel waarmee de hele cel is opgevuld. In dit deel ligt de celkern, zitten opgeloste stoffen en kunnen ook bladgroenkorrels voorkomen.

4

celkern

een bolvormig deeltje dat de werking van de hele cel regelt. In dit deeltje zit het erfelijk materiaal van het organisme.

5

vacuole

holte gevuld met water en opgeloste stoffen. Ze geeft stevigheid aan de cel.

6

bladgroenkorrel

groene korrels die voorkomen in het cytoplasma van plantaardige cellen

1

3 De wondere wereld van de cel  

135


a Noteer in de tabel hieronder om welke cel het gaat (plantaardige of dierlijke cel). b Noteer daarna de nummers van de celonderdelen op de correcte plaats in de figuren.





Fig. 3.3

Fig. 3.4

IN

3 Niet alle celonderdelen komen in de beide soorten cellen voor. a

Welke onderdelen vind je zowel bij een plantaardige als bij een dierlijke cel terug?



c

Welke delen tref je enkel aan bij plantaardige cellen?



VA N

b

Welke functie hebben de bladgroenkorrels? Zoek de informatie op internet.



Interessant om weten

Š

Bij de tomaat zie je onder de microscoop rode kleurstofkorrels. Dat wil niet zeggen dat er geen bladgroenkorrels zijn. Terwijl de tomaat rijpt, worden de bladgroenkorrels omgezet in rode kleurstofkorrels.

Fig. 3.5 kleurstofkorrels tomaat

136

Organisatieniveaus bij organismen


4 Hieronder zie je een schematische voorstelling van een plantaardige en een dierlijke cel, gebaseerd op foto’s die met een elektronenmicroscoop gemaakt zijn. Je herkent ongetwijfeld de celonderdelen bij de plantaardige en de dierlijke cel. plantaardige cel plantaardige cel

dierlijkecel cel dierlijke

a

Als je heel aandachtig kijkt, zie je een celonderdeel dat we nog niet besproken hebben en dat zowel in een dierlijke als in een plantaardige cel voorkomt. Je kunt het niet zien met een lichtmicroscoop. Beschrijf dat deeltje.

 Dit zijn de energiefabriekjes in de cel. Je noemt ze mitochondriën. Duid ze aan op figuur 3.6.

c

Het aantal mitochondriën is afhankelijk van de hoeveelheid energie die een cel nodig heeft. Hebben plantaardige cellen dan meer of minder

VA N

b

mitochondriën nodig?



d

IN

Fig. 3.6

Fig. 3.7 mitochondrion

Waarom hebben dierlijke cellen meer energie nodig?

©



Zowel de plantaardige als de dierlijke cel kun je onderzoeken met de lichtmicroscoop. De vorm van de plantaardige cellen verschilt van die van dierlijke cellen. Cellen bevatten een aantal celonderdelen: − Dierlijke cellen hebben een celmembraan, celplasma en een celkern. − Plantaardige cellen hebben naast die onderdelen ook nog een celwand, meerdere vacuoles en bladgroenkorrels. Zowel dierlijke als plantaardige cellen hebben mitochondriën, de energiecentrales van de cel. Je kunt ze niet met een lichtmicroscoop waarnemen. Net zoals een ajuin zijn wij dus ook opgebouwd uit cellen, met deels dezelfde onderdelen als cellen van een ajuin. Test jezelf: oefeningen 5 en 6

3 De wondere wereld van de cel  

137


! a h A ! a h A

Schema

organisatieniveaus

zowel aanwezig bij planten als bij dieren cel

weefsel

orgaan

plantaardige cel

cytoplasma

vacuoles

celmembraan

VA N

stelsel

Š

organisme

dierlijke cel

celkern cytoplasma

celmembraan

mitochondriĂŤn

Ga naar het onlinelesmateriaal en leer nog andere vormen van synthese kennen.

138

Organisatieniveaus bij organismen

celkern

IN

microscoop

celwand

bladgroenkorrels

mitochondriĂŤn


Checklist helemaal begrepen

Wat ken/kan ik?

hier kan ik nog groeien

pg. 128

Ik kan een waargenomen microscopisch beeld vergelijken met een foto of afbeelding.

128

Ik kan de bouw van de plantaardige cel uitleggen.

128

Ik kan de verschillende delen van een cel herkennen en beschrijven.

135

Ik kan de onderdelen van de plantaardige cel verklaren en ik kan ze benoemen.

136

Ik kan de functies van de celonderdelen uitleggen.

135

Ik kan uitleggen wat mitochondriĂŤn zijn en ik weet dat je ze niet kunt waarnemen met de lichtmicroscoop.

137

Ik kan dierlijke en plantaardige cellen classificeren.

136

IN

Ik kan het stappenplan om te werken met de microscoop uitvoeren.

136, 137

Ik kan de opeenvolging van de organisatieniveaus uitleggen.

134

Ik kan de verschillende organisatieniveaus in eigen woorden beschrijven.

131134

Ik kan afbeeldingen selecteren volgens het organisatieniveau.

131134

Ik kan de verschillende organisatieniveaus verklaren en samenvatten.

131134

VA N

Ik kan de plantaardige en de dierlijke cel met elkaar vergelijken.

Š

Denk je dat je alles begrepen hebt in dit thema? Ga dan naar diddit en oefen verder.

AHA!

139


TEST JEZELF Welke eigenschappen moeten cellen hebben om een weefsel te kunnen vormen?

1



A

IN

2 Op de figuur hieronder zie je de verschillende organisatieniveaus bij de aardappelplant. Benoem ze zo nauwkeurig mogelijk.

B

C

A: 

C:  D:  E: 

VA N

B: 



Š

3 Benoem het juiste organisatieniveau van de volgende afbeeldingen.



140

Organisatieniveaus bij organismen













D


4 Welke drie stelsels worden hier met elk vier bij elkaar horende organen omschreven?

mond

slokdarm

nier

aars

urineleider

neus

urineblaas

maag

luchtpijp

urinebuis

darm

longen

De drie stelsels zijn: 

5 Zet de naam van de celonderdelen op de correcte plaats in de tekening.

©

VA N

IN

Is dit een dierlijke of een plantaardige cel?

Hoe weet je dat?

Test jezelf  

141


Š

VA N

IN

6 Teken een dierlijke cel en benoem de onderdelen. Je mag je beperken tot wat microscopisch zichtbaar is.

142

Organisatieniveaus bij organismen


TABEL MET GROOTHEDEN EN EENHEDEN symbool grootheid

eenheid

symbool eenheid

meetinstrument

©

VA N

IN

grootheid

tabel met grootheden en eenheden  

143


WOORDENLIJST Thema Biotopen en hun verscheidenheid definitie

de abiotische factor

de niet-levende omgevingsfactoren

3

autotroof

een organisme dat zelf in zijn voedsel voorziet, meestal zijn het planten, bacteriën en schimmels

2

de de grote verscheidenheid aan biodiversiteit leven

1

de biotische factor

de levende omgevingsfactoren

1

de biotoop

een leefgebied waar de abiotische en biotische factoren zeer typerend zijn

3

de de verbruikers; planten- en consumenten vleeseters

1

determineren het op naam brengen van een organisme door gebruik te maken van waarneembare kenmerken

3

de detrivoren afvalopruimers in de natuur

2

het ecologisch evenwicht

in je eigen woorden

VA N

1

©

de slingerbeweging tussen organismen die de natuur in evenwicht houdt

de excursie

uitstap

2

de exoot

een uitheemse soort invoeren

3

heterotroof

organismen die anderen nodig hebben om zich mee te voeden

1

de instru­ mentenfiche

een fiche met het gebruik van bepaalde instrumenten

1

het landschaps­ element

typische elementen die in een bepaald landschap aanwezig zijn

1

144

term

IN

hoofdstuk

Woordenlijst    BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID


het wegnemen van bossen op grote schaal

1

de organismen

levende wezens

2

overbevissen

te veel vissen

3

de producenten

de groene planten in de natuur die hun eigen voedsel produceren of maken

3

de reducenten

de opruimers in de natuur die afgestorven materiaal omzetten in mineralen

2

de soorten­ rijkdom

het aantal verschillende dieren en planten dat in een bepaald gebied (ecosysteem) voorkomt

2

uitheems

niet uit onze streek afkomstig

3

de voedselketen

een aaneenschakeling van organismen waarbij duidelijk is wie door wie wordt opgegeten

3

de voedsel­ kringloop

de opeenvolging van producenten, consumenten, reducenten en detrivoren

3

de voedsel­ piramide

1

de voorstelling waarbij de voedselketen op zijn kant wordt gedraaid en in piramidevorm wordt afgebeeld; hoe hoger in de piramide, hoe kleiner het aantal organismen

©

3

IN

ontbossen

VA N

2

het voedselweb

een aaneenschakeling van voedselketens

de zoekkaart

groeperen illustraties van bepaalde categorieën dieren of planten, bijvoorbeeld paddenstoelen, schelpen, lieveheersbeestjes, vogels

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID Woordenlijst

145


Thema Bouw en eigenschappen van materie hoofdstuk 2

5

term

definitie

de aggregatie­ toestand

een fase of toestand waarin materie kan voorkomen: vast, vloeibaar of gasvormig

het atoom

kleine deeltjes waaruit een molecule is opgebouwd

in je eigen woorden

   

5

3

4

1

condenseren

de faseovergang van een gasvormige naar een vloeibare toestand

de deeltjes­ grootte

de grootte van een deeltje of molecule

het deeltjes­ model

het beeld of de modelvoorstelling van de bouwstenen van de materie

    

desublimeren de faseovergang van een gasvormige naar een vaste toestand de eenheden



 

de maat om een grootheid uit te drukken

   

3

4

5

3

1

146

de erlenmeyer ethanol

laboratoriumglaswerk; het is een kegelvormige fles met een cilindrische hals

alcohol die in alle alcoholische dranken voorkomt

©

4

de faseovergang

de overgang van de ene naar de andere aggregatietoestand

filtreren

methode om een mengsel te scheiden op basis van de deeltjesgrootte

het water dat door destillatie gedestilleerd gezuiverd is (gedeminera­ liseerd) water de grootheden

IN

4

de chemische een proces waarbij nieuwe reactie stoffen ontstaan met nieuwe stofeigenschappen

VA N

6

wat je kunt meten

Woordenlijst    Bouw en eigenschappen van materie

            


2

6

de hypothese

het kaarsvet

een beredeneerde gok; een veronderstelling; een mogelijk antwoord op de probleemstelling of onderzoeksvraag grondstof om kaarsen uit te maken

    

5

het kookpunt de temperatuur waarbij een vloeistof gasbellen vertoont

 

5

kristalliseren het vormen van kristallen

 

1

5

5

 

IN

1

de maatbeker laboratoriumglaswerk; geschikt om een bepaalde hoeveelheid vloeistof af te meten het maatgetal

de meetwaarde of getalwaarde die  bij een grootheid wordt geplaatst

het meetinstru­ ment

het toestel dat je gebruikt om een bepaalde grootheid te meten

het mengsel

de/het molecule

  

VA N

3

materie, samengesteld uit verschillende stoffen of bestanddelen

 

kleinste deeltje waaruit een stof is  opgebouwd



2

de onder­ zoeksvraag

de vraag waarop je experiment steunt of gebaseerd is

 

de oplosbaar­ een eigenschap van een stof, heid de mate waarin een stof kan oplossen in een andere stof

©

5

 

de paraffine

een wasachtige stof, vergelijkbaar  met kaarsvet maar chemisch  gezien niet helemaal hetzelfde

4

de petrischaal

een uit twee helften bestaande  lage, platte, ronde schaal uit glas of plastic; het lijkt een doosje maar  eentje dat niet helemaal past

2

de reflectie

een manier om dieper in te gaan op geziene leerstof of grondiger na te denken over een testresultaat

6

3

de roerstaaf

laboratoriumglaswerk; wordt gebruikt om in een mengsel te roeren

    Bouw en eigenschappen van materie Woordenlijst  

147


5

1

1

4

de scheidings­ techniek

methode om de bestanddelen uit een mengsel uit elkaar te halen

de SI-eenheid

de standaardeenheid zoals afgesproken in het SI-stelsel

het SI-stelsel

het internationale stelsel (tabel) met daarin alle grootheden en hun bijpassende eenheden

smelten

   

de faseovergang van een vaste naar een vloeibare toestand

   

6

de temperatuur waarbij de vaste stof overgaat naar een vloeistof

de stofeigen­ schap

een eigenschap die heel typisch is voor een bepaalde stof; bijvoorbeeld: brandbaarheid, magnetisme, kleur, geur, smaak Je herkent de stof aan deze eigenschap.

     

de stofomzet­ de chemische verandering van de  ting ene stof naar de andere



4

stollen

de faseovergang van een vloeibare naar een vaste toestand

 

4

sublimeren

de faseovergang van een vaste naar een gasvormige toestand

 

2

4

5



148

verdampen

de faseovergang van een vloeibare naar een gasvormige toestand

©

4

IN

2

het smelt­ punt

VA N

2

 

de voorwerp­ eigenschap

een eigenschap die typisch is voor  een voorwerp, bijvoorbeeld: de  vorm, de massa, het volume

de water­ kringloop

het fysische proces waarbij zeewater verdampt, wolken vormt en opnieuw via regen op aarde terechtkomt

 

de zuivere stof

materie die bestaat uit één enkele  soort stof















Woordenlijst    Bouw en eigenschappen van materie


Thema Spijsvertering hoofdstuk 1

term

definitie

albustix

de indicator voor eiwitten

in je eigen woorden

 

1

1

4

de deze voedingsstoffen zorgen bescher­mende ervoor dat je niet ziek wordt stoffen de bouwstoffen de brandstoffen

de carnivoor

deze voedingsstoffen zorgen voor de groei van het lichaam en vervangen de oude cellen deze voedingsstoffen zijn de energieleveranciers voor het lichaam en houden de lichaamstemperatuur op peil vleeseter

     

IN

1

 

de dialyseslang

2

de diarree

1

diastix

slang met microscopisch kleine gaatjes, waar kleine moleculen doorheen kunnen en grotere moleculen tegengehouden worden



VA N

2

 

Wanneer de wand van de darm  ontstoken is of geïrriteerd, kan  er onvoldoende water terug opgenomen worden, de stoelgang  wordt dan waterig. de indicator voor glucose

 

4

de energetische waarde

de hoeveelheid energie die in 100 g of 100 ml van een voedingsmiddel aanwezig is

de herbivoor

planteneter

©

1

   

2

indikken

het weghalen van water in de dikke darm

 

1

1

het product voor het testen van water kobaltdichlo­ ridepapier lugol

de indicator voor zetmeel, ook wel di-joodoplossing genoemd

   

Spijsvertering Woordenlijst  

149


2

4

het maagzuur

een spijsverteringssap afgescheiden door de maag om eiwitten te verteren

de omnivoor

alleseter

   

1

1

1



de vertering









150



 

  

de voedingsstof





in een voedingsmiddel zitten verschillende voedingsstoffen































































































©



schematische voorstelling waarin opgenomen is welke voedingsmiddelen je het best wel of niet eet; ook beweging zit erin



het voedings­ wat je eet middel

 

het kleiner maken van voedingsstoffen zodat ze opgenomen kunnen worden in het bloed

de voedings­ driehoek

 

knijpende spierbeweging in de wand van onder andere de slokdarm om een voedselbrok verder te duwen

IN

1

de peristaltiek

VA N

2

Woordenlijst    Spijsvertering


Thema Energievormen en energieomzettingen

1

1

1

2

1

1

term

definitie

de chemische energie opgeslagen in stoffen energie de elektrische energie

energie afkomstig van bewegende, geladen deeltjes

de energie

een grootheid die uitdrukt hoe groot de mogelijkheid is om arbeid te verrichten

in je eigen woorden

   

de energie­ omzetting

omzetting van de ene energievorm naar de andere

de energievorm

vorm waarin energie kan voorkomen

joule (J)

SI-eenheid voor energie

   

IN

hoofdstuk

   

1

2

1

1

2





VA N

2

de kinetische energie van een bewegend energie voorwerp de onvolledige verbranding

verbranding met onvoldoende aanvoer van zuurstofgas

de potentiële energie

opgeslagen energie die de mogelijkheid heeft om naar een andere energievorm over te gaan

de restwarmte

   

ongewenste thermische energie die ontstaat bij een energieomzetting

©

1

   

de stralings­ energie

energie van een stralingsbron

de thermische energie

energie als gevolg van een verschil in temperatuurtoestand

de volledige verbranding

verbranding met voldoende aanvoer van zuurstofgas

























     

Energievormen en energieomzettingen Woordenlijst  

151


Thema Organisatieniveaus bij organismen hoofdstuk 3

1

term

definitie

de bladgroen­ groene korrels in het cytoplasma korrel van de cel, die ervoor zorgen dat de fotosynthese kan doorgaan de cel

kleinste bouwsteen van elk levend wezen

in je eigen woorden

   

3

de celkern

bolvormig deeltje dat de werking van de cel regelt

 

3

3



het celonderdeel

onderdeel van een cel dat een bepaalde functie uitoefent



het celplasma

vloeibaar deel van de cel waarmee  die is opgevuld

de celwand

buitenste laag van een plantaardige cel





  

3

1

het cytoplasma het dekglas

celplasma

 

dun glaasje waarmee je een preparaat afdekt

 

1

1

1

3

2

de elektronen­ microscoop

microscoop die beelden tot 500 000 keer kan vergroten

©

1

macroscopisch

alles wat groot genoeg is om met het blote oog te kunnen zien

de microscoop

optisch toestel om kleine voorwerpen zichtbaar te maken

micro­ scopisch

alles wat te klein is om met het blote oog te kunnen zien

de mito­ chondriën

energiecentrales van de cel

het orgaan

groepering van weefsels

           

152

IN

3

de/het dunne laag die het cytoplasma celmembraan begrenst

VA N

3

Woordenlijst    Organisatieniveaus bij organismen


3

het organel

celonderdeel

 

2

2

1

het organisatie­ niveau

niveau van samenwerking binnen  een organisme

het organisme

levend wezen

  

het preparaat voorwerp dat je onder een microscoop bestudeert

 

2

het stelsel

groepering van organen met dezelfde functie

 

de vacuole

holte gevuld met water en opgeloste stoffen



IN

3



2

het glas waarop je een preparaat legt voorwerpglas het weefsel

groepering van cellen met dezelfde vorm, kleur en functie

  

VA N

1





























































































 

 













©



Organisatieniveaus bij organismen Woordenlijst  

153


NOTITIES         

IN

   

                  

154

NOTITIES   

©



VA N




NOTITIES         

IN

   

          

©



VA N



       

NOTITIES  

155


NOTITIES         

IN

   

                  

156

NOTITIES   

©



VA N




© VA N IN


macro scoop

Marleen Chalmet Rudi Goossens Bart VanoprĂŠ Catherine Van Nevel Christina Wauters

macro scoop 1

1

Š

VA N

IN

GO!

Leer zoals je bent Ontdek het onlineleerplatform: diddit. Vooraan in dit boek vind je de toegangscode, zodat je volop kunt oefenen op je tablet of computer. Activeer snel je account op www.diddit.be en maak er een geweldig schooljaar van!

ISBN 978-90-306-9731-2 595910

73732_MACROSCOOP LWB GO1_COVER.indd Alle pagina's

vanin.be

GO! 20/05/20 11:58

Profile for VAN IN

MacroScoop GO! 1 - Leerwerkboek  

MacroScoop GO! 1 - Leerwerkboek