__MAIN_TEXT__
feature-image

Page 1

macro scoop

Marleen Chalmet Rudi Goossens Bart VanoprĂŠ Catherine Van Nevel Christina Wauters

macro scoop 1

1

Š

VA N

IN

GO!

Leer zoals je bent Ontdek het onlineleerplatform: diddit. Vooraan in dit boek vind je de toegangscode, zodat je volop kunt oefenen op je tablet of computer. Activeer snel je account op www.diddit.be en maak er een geweldig schooljaar van!

ISBN 978-90-306-9731-2 595910

73732_MACROSCOOP LWB GO1_COVER.indd Alle pagina's

vanin.be

GO! 20/05/20 11:58


©

VA N

IN


©

VA N

IN

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID

1 Je gaat OP EXCURSIE! 2 Je reist VEEL VERDER 3 VOEDSELRELATIES


©

3

VA N

2

IN

1

Wat wil ik te weten komen over dit thema?         

Ontdek deze en nog andere opties via het onlinelesmateriaal.

8

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID


1 JE GAAT OP EXCURSIE! BIOTOOP EN LANDSCHAP, IS DAT HETZELFDE? In België kun je verschillende soorten landschappen waarnemen, met daarin telkens verschillende biotopen. a

Welke landschappen zie je op de onderstaande foto’s? Plaats het nummer van het landschap op de correcte plaats in de tabel onder de foto’s.

b

Noteer enkele elementen die typisch zijn voor dit landschap. Dit zijn landschapselementen. Voorbeelden daarvan zijn: duin – bomen – struiken – fabrieken – boerderij …

c Welke organismen (= levende wezens) kunnen er leven in de landschappen? Kruis de organismen aan.

Waarom kunnen niet alle biotopen in elk landschap voorkomen? Kruis de juiste antwoorden aan. Niet alle organismen kunnen leven bij dezelfde temperatuur. Alle dieren hebben water nodig, dus kunnen ze leven in het water. Sommige dieren leven liever in een droge omgeving. Sommige planten hebben veel licht nodig. In ieder landschap is er niet altijd voldoende ruimte. De mens beïnvloedt het landschap.

Fig. 1.1

VA N

e

IN

d Welke biotopen kunnen er voorkomen in de vier landschappen van de foto’s? Met biotoop wordt een gebied bedoeld binnen een bepaald landschapstype waarin planten en dieren kunnen samenleven in bepaalde omstandigheden. Voorbeelden van biotopen zijn: vijver – loofbos – duinen – weide – naaldbos – goed onderhouden gazon – zee – akker – ruig terrein

Fig. 1.2

kustlandschap nummer

landschapselementen

Fig. 1.4

boslandschap

landbouwlandschap

































kabeljauw eekhoorn duindoorn grove den konijn gras specht zomereik

organismen

biotopen in het landschap

Fig. 1.3

industrielandschap

©

1

kabeljauw eekhoorn duindoorn grove den konijn gras specht zomereik

kabeljauw eekhoorn duindoorn grove den konijn gras specht zomereik

kabeljauw eekhoorn duindoorn grove den konijn gras specht zomereik















 1 Je gaat op excursie!  

9


Een landschap omvat verschillende biotopen en wordt gekenmerkt door landschapselementen. Landschapselementen zijn bepalend voor het uitzicht van een landschap. Voorbeelden hiervan zijn: planten, rivieren, bebouwing … Lucht, vervoersmiddelen en dieren behoren niet tot het landschap. In een biotoop leven bepaalde dieren en planten samen in een omgeving met typische eigenschappen. Voorbeelden van biotopen zijn: strand, duin, bos, berm, weide, vijver, sloot ... Een biotoop en een landschap is dus helemaal niet hetzelfde.

KAN ER IN JE TUIN EEN NEST SCHORPIOENEN LEVEN? Organismen zijn afhankelijk van eigenschappen (factoren) van de biotoop waarin ze leven. Die omgevingsfactoren worden in twee groepen opgedeeld. − Biotische factoren hebben te maken met de invloed van andere organismen uit de biotoop. − Abiotische factoren omvatten de invloeden van niet-levende elementen.

Om het onderscheid tussen deze factoren goed te begrijpen bekijk je via het onlinelesmateriaal het filmpje over biotische en abiotische factoren

2 Abiotische factoren kun je meten. Vul de tabel in.

Via het onlinelesmateriaal kun je de werkwijze voor elk meettoestel terugvinden in de instrumentenfiches.

VA N

IN

1

a In de tweede kolom duid je aan welk meettoestel er gebruikt wordt voor het meten van een bepaalde grootheid. b In de derde kolom noteer je de eenheid voor die grootheid in symbolen. c In de laatste kolom schrijf je de meetnauwkeurigheid van het toestel. meettoestel

Fig. 1.5

verlichtingssterkte temperatuur bodemhardheid bodemvochtigheid luchtvochtigheid zuurgraad luchtdruk

Fig. 1.6

verlichtingssterkte temperatuur bodemhardheid bodemvochtigheid luchtvochtigheid zuurgraad luchtdruk

Fig. 1.7

verlichtingssterkte temperatuur bodemhardheid bodemvochtigheid luchtvochtigheid zuurgraad luchtdruk

© 10

grootheid

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID

eenheid (in symbolen)

meetnauwkeurigheid

Het meettoestel meet tot op  nauwkeurig

Het meettoestel meet tot op  nauwkeurig

Het meettoestel meet tot op  nauwkeurig


Fig. 1.10

verlichtingssterkte temperatuur bodemhardheid bodemvochtigheid luchtvochtigheid zuurgraad luchtdruk

tot op  nauwkeurig

Het meettoestel meet tot op  nauwkeurig

IN

Fig. 1.9

verlichtingssterkte temperatuur bodemhardheid bodemvochtigheid luchtvochtigheid zuurgraad luchtdruk

Het meettoestel meet

VA N

Fig. 1.8

verlichtingssterkte temperatuur bodemhardheid bodemvochtigheid luchtvochtigheid zuurgraad luchtdruk

3 Biotische factoren kun je niet meten, maar je kunt ze wel waarnemen in de biotoop.

©

In een loofbos wordt de bovenste laag van de bodem (strooisellaag) gefilterd om de bodemdiertjes waar te nemen. Veronderstel dat de bodemdiertjes afgebeeld op foto 1.11 tot 1.13 werden waargenomen. Gebruik de onderstaande zoekkaart om de diertjes te determineren of op naam te brengen.

Fig. 1.11

Fig. 1.12

Fig. 1.13

Foto 1.11: 

Foto 1.12: 

Foto 1.13: 

1 Je gaat op excursie!  

11


4 Organismen herkennen met een zoekkaart lukt niet altijd. In dat geval kun je ze op naam brengen met een determineersleutel of -tabel.

Fig. 1.14

Determineer als voorbeeld een aantal andere organismen die in de strooisellaag gevonden werden. 1

2

3

4

A

Behaarde achterpoten

grote spinnende watertor

B

Achterpoten zien er anders uit

Ú

A

Heel lange voelsprieten

eikenboktor

B

Borstelvormige voelsprieten

meikever

C

Voelsprieten zien er anders uit

Ú

A

Grijpkaken zijn heel groot

B

Grijpkaken zijn anders

A

Grote dekschilden

B

Kleine dekschilden waardoor het achterlijf zichtbaar is

Fig. 1.15

4

Ú

snuitkever

Ú

©



Ú

3

vliegend hert

Fig. 1.16

Ú

2

IN

Door uitspraken te beoordelen en een pad te volgen, raak je bij de naam van het organisme. Je doet daarbij een beroep op waarneembare kenmerken.

VA N

kortschildkever

Fig. 1.17

Ú



Ú



5 Ook bomen zijn organismen binnen een biotoop. a Welke kenmerken van de determineersleutel heb je gebruikt om de boom te determineren die je gezien hebt tijdens de excursie? Noteer ze hieronder.



 b

Welke boom heb je op naam gebracht? Noteer hier de naam van de boom.

 Fig. 1.18

12

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID


c

Vergelijk jouw resultaat met een groepje klasgenoten die dezelfde boom op naam brengen.

Heb je hetzelfde waarnemingsresultaat? 

d

Welke boom heeft het andere groepje gevonden?

 e

Kun je met deze determineersleutel ook zwammen determineren? Verklaar!

  Abiotische factoren zijn omgevingsfactoren die je kunt meten met meettoestellen. Ze geven informatie over de omgeving waarin organismen kunnen leven. Biotische factoren hebben te maken met organismen die elkaar beïnvloeden en/of van elkaar afhankelijk kunnen zijn.

IN

Organismen kun je op naam brengen (= determineren) met een zoekkaart, determineersleutel of -tabel door uitwendige kenmerken waar te nemen.

VA N

Schorpioenen zijn organismen die voorkomen in gebieden waar het erg warm en droog is. De abiotische factoren zijn voor deze diersoort in onze gebieden niet gunstig genoeg. Je zult ze dus niet aantreffen in je eigen tuin.

DE ENE BIOTOOP IS DE ANDERE NIET 1

Meetresultaten worden het best overzichtelijk voorgesteld, bijvoorbeeld in een tabel of grafiek. Dat helpt bij het formuleren van besluiten.

Gebruik het overzicht van de meetresultaten en de waarnemingen van twee onderzochte biotopen. Beantwoord daarna de vragen. abiotische factoren gemeten op 12 juni

©

biotoop

gemeten grootheid

weide

loofbos

110 550 lux

9 870 lux

18 °C

16 °C

10 mm

50 mm

55 %

72 %

zuurgraad

5,5

6,5

luchtdruk

1 018 hPa

1 018 hPa

verlichtingssterkte temperatuur bodemhardheid bodemvochtigheid

organismen waargenomen op 12 juni weide paardenbloem, klaver, gras, madeliefje, mier, regenworm, mol, sperwer

loofbos zomereik, berk, gras, mos, varens, hulst, mestkever, mier, regenworm, eekhoorn, houtduif

1 Je gaat op excursie!  

13


a

Welke abiotische factoren zijn verschillend tussen de weide en het loofbos?



 b

Welke abiotische factoren zijn vergelijkbaar in de twee biotopen?

 c

Leg in jouw eigen woorden uit waarom niet dezelfde organismen in beide biotopen leven.

 

IN

Met toestellen heb je de waarde van abiotische factoren gemeten. Door waarneming kwam je te weten welke organismen in een omgeving leven (biotische factoren). Het samenspel van abiotische en biotische factoren zorgt ervoor dat op een bepaalde plaats een bepaalde biotoop voorkomt. De manier waarop de factoren elkaar beĂŻnvloeden zorgt voor het typische karakter van bijvoorbeeld een bos, een vijver, een weiland, een duin enzovoort.

VA N

Metingen en waarnemingen op andere plaatsen op aarde zouden nog heel andere resultaten weergeven. De ene biotoop is dus zeker de andere niet!

Š

Test jezelf: oefeningen 1 en 2

14

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID


2 JE REIST VEEL VERDER OP VIRTUELE REIS NAAR HET TROPISCH REGENWOUD 1

We vliegen naar een totaal andere biotoop op aarde. Bestudeer de ontdekplaat die je terugvindt bij het onlinelesmateriaal om de opdrachten hieronder te kunnen oplossen. Eerst bestudeer je de geografische ligging. − Duid op de kaart de evenaar, de Kreeftskeerkring en de Steenbokskeerkring aan. − Markeer ook het grootste tropisch regenwoud.

IN

a

VA N

Fig. 2.1

− In welke drie landen tref je het grootste regenwoud aan?

©

 − Het grootste regenwoud heeft een oppervlakte van meer dan 

b

Dat is gelijk aan de 

. van Europa.

Een tropisch regenwoud wordt gekenmerkt door een aantal typische abiotische factoren. − Waarom is de naam niet toevallig gekozen?

  

− Welke abiotische factor is daardoor heel belangrijk? 

− Hoeveel bedraagt de gemiddelde laagste temperatuur? 

− Hoeveel bedraagt de gemiddelde dagtemperatuur? 

Fig. 2.2

2 Je reist veel verder  

15


c

De biotische factoren van het regenwoud uiten zich in een grote soortenrijkdom. − Geef een vijftal voorbeelden van typische planten en vruchten.



− Geef een vijftal voorbeelden van typische dieren.

 d

Het tropisch regenwoud heeft ook een financieel en economisch belang. Geef een viertal voorbeelden van producten die we uit het regenwoud halen.

 2 Onze aarde heeft het tropisch regenwoud echt nodig! Verduidelijk het belang van het regenwoud aan de hand van de afbeelding.



IN

   

VA N



Fig. 2.3

3 Het tropisch regenwoud wordt bedreigd.

Welke menselijke activiteiten bedreigen het regenwoud?





b

Hoeveel tropisch regenwoud wordt er dagelijks ontbost? Zoek de informatie op internet.



©

a

Fig. 2.4

Het tropisch regenwoud is een type woud dat voorkomt ter hoogte van de evenaar. De biotoop kenmerkt zich door een grote soortenrijkdom en typische abiotische kenmerken (hoge luchtvochtigheid, hoge temperatuur). Het tropisch regenwoud is belangrijk voor de mens op economisch gebied, maar ook voor de aarde zelf. Dagelijks wordt er echter regenwoud vernietigd of bedreigd.

WAT ALS ER ALLEEN MAAR HAAIEN RONDZWEMMEN IN DE OCEANEN OP AARDE? 1 De biodiversiteit van het tropisch regenwoud is heel groot.

16

a

Wat betekent ‘biodiversiteit’? Zoek de informatie via internet.





BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID


b

Alle plekken op aarde hebben een grote of minder grote biodiversiteit. Welk gebied (zie foto's hieronder) heeft de grootste biodiversiteit? Verklaar ook je antwoord.

Fig. 2.5

Fig. 2.6



Er leven op aarde miljoenen soorten organismen. De grote biodiversiteit is tot stand gekomen door de biologische evolutie gedurende miljarden jaren.

IN

2 De natuur houdt zichzelf in evenwicht.

a Bestudeer via het onlinelesmateriaal de animatie rond ecologie: − Wie zijn de prooien? 

− Wie zijn de jagers? 

− Wat gebeurt er als het aantal ‘jagers of predators’ toeneemt? 

− Wat gebeurt er als het aantal ‘prooien’ toeneemt? 



VA N

− Wat gebeurt er als het aantal prooien daalt? 



b Die slingerbeweging waarbij het aantal organismen zichzelf in evenwicht houdt, noemen we het ecologisch evenwicht. Dat wordt ook het natuurlijk of biologisch evenwicht genoemd. JAAR 1 Bekijk de onderstaande afbeelding en vul de tabel in.

JAAR 2

©

JAAR JAAR JAAR 12 1

JAARJAAR 2 2

jaar

JAAR 4

JAAR 3

aantal rupsen

aantal koolmezen

jaar 1 jaar 2 jaar 3 JAAR JAAR JAAR 34 3

jaar 4

JAARJAAR 4 4

Fig. 2.7 2 Je reist veel verder  

17


c

Wat stel je vast?





d

Het gebeurt regelmatig dat de mens het ecologisch evenwicht in de natuur gedurende een tijd verstoort. Hoe kan dat gebeuren?

 3 De mens oefent een grote invloed uit op de biodiversiteit. Dat kan zowel positief als negatief zijn.

IN

a Zijn de onderstaande afbeeldingen voorbeelden van positieve of negatieve beĂŻnvloeding? Kleur de positieve blokjes groen en de negatieve rood. Beschrijf ook wat je ziet.

Fig. 2.9







Fig. 2.12

Fig. 2.13





Fig. 2.14

Fig. 2.15

Fig. 2.16







Fig. 2.11

Fig. 2.10

Š



VA N

Fig. 2.8

b

Welke positieve acties kun jij ondernemen? Geef vijf voorbeelden.



18



c

De invoer van exoten (= uitheemse soorten) zorgt de laatste jaren steeds vaker voor problemen in onze eigen gebieden. Lees het artikel over de reuzenberenklauw dat je terugvindt bij het onlinelesmateriaal. Beantwoord daarna de vragen.

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID


− Uit welk gebied is de plant oorspronkelijk afkomstig?

 − Waarom staat het woordje ‘mooi’ bij ‘mooie tuinplant’ tussen aanhalingstekens?



− Hoe giftig is het sap van de plant?

Fig. 2.17



− De plant staat op de lijst met ‘invasieve exoten’. Wat betekent dat?

   Geef nog drie andere voorbeelden van invasieve exoten. Zoek de informatie via de website van ecopedia.

IN

d

 e

Zoek op dezelfde site informatie over de wasbeer. Is dat een exoot? Geef een verklaring.



      

VA N



Fig. 2.18

©

Met biodiversiteit bedoelen we de grote verscheidenheid aan leven op aarde of in een bepaald gebied. De biodiversiteit wordt bedreigd door overbevissing, ontbossing, milieuvervuiling, de invoer van exoten, klimaatveranderingen ... De mens wordt zich steeds meer bewust van deze dreiging en probeert om zijn of haar steentje bij te dragen om die bedreiging tegen te gaan. Dat kan zelfs door heel kleine aanpassingen in ons dagelijks leven. De organismen in de natuur zijn afhankelijk van elkaar en komen steeds tot een ecologisch of biologisch evenwicht. Als er dus alleen maar haaien in de oceanen op de aarde zouden rondzwemmen, is de biodiversiteit zo beperkt dat de haaien zeer snel zouden uitsterven. Test jezelf: oefeningen 3, 4, 5, 6 en 7

2 Je reist veel verder  

19


3 VOEDSELRELATIES ETEN OF GEGETEN WORDEN … 1

Eerder in dit thema heb je geleerd wat een biotoop is. Noteer nog eens in je eigen woorden wat dat precies is.





2 Binnen een biotoop hebben organismen elkaar nodig.

Fig. 3.1

Fig. 3.2



©



VA N

IN

Levende wezens in de natuur staan de hele tijd onder invloed van elkaar. We spreken van relatievormen. Noteer welke relatievormen geïllustreerd worden op de onderstaande foto’s. Je hebt de keuze uit: voortplantingsrelatie – beschermingsrelatie – voedselrelatie – steunrelatie

20

Fig. 3.3

Fig. 3.4





BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID


3 Een organisme kan door meerdere organismen opgegeten worden. a

Bekijk de drie volgende voedselketens. De pijlen betekenen ‘wordt gegeten door’.

Ú Fig. 3.5 paardenbloem

Ú Fig. 3.6 konijn

Fig. 3.7 wezel

paardenbloem

Fig. 3.8 cavia

paardenbloem

b

VA N

Ú

IN

Ú

Ú

Fig. 3.9 sprinkhaan

Fig. 3.10 klauwier

Verwerk die drie voedselketens in één schema.

©

c

Dit schema is de voorstelling van een voedselweb. Noteer in je eigen woorden wat een voedselweb is.



3 Voedselrelaties  

21


4 In de natuur draait alles om eten en gegeten worden.

Bekijk via het onlinelesmateriaal het filmpje over voedselketens. a Noteer de voedselketen die in het filmpje besproken wordt.

Algen Ú Ú

b

Ú

Ú

Welke organismen uit deze voedselketen voeden zich niet met andere organismen?



c

Hoe worden die organismen genoemd?



d

Alle andere schakels uit de keten voeden zich met andere organismen. Hoe heten die organismen?

 e

Schets een algemene voedselketen door in de lege kaders de informatie uit het filmpje te noteren. Je kunt ook gebruik maken van je antwoorden op de vragen c en d.

Ú

Ú

Ú

VA N

Ú

IN

©

Interessant om weten

autotroof

heterotroof Fig. 3.11

Autotrofe organismen gebruiken koolstofdioxide als bron van koolstof voor de opbouw van hun cellen. Ze halen de energie die daarvoor nodig is uit zonlicht. De meeste planten en wieren zijn autotroof. Planten- en vleeseters zijn heterotrofe organismen. Het woord ‘heterotroof’ komt van het Grieks (heteros – ‘vreemd’ of ‘een andere’ en trophein – ‘voeden’) en betekent dus letterlijk ‘zich voeden met anderen’. Parasitaire planten zijn heterotroof: ze overleven door van andere planten te stelen wat ze nodig hebben. Er zijn ook organismen die deels autotroof en deels heterotroof zijn, denk maar aan vleesetende planten. Die vangen en verteren kleine dieren zoals insecten en spinnen.

22

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID


5 Een voedselketen kun je ook voorstellen met een voedselpiramide. Daarvoor draai je de voedselketen op zijn kant. a

Noteer de onderdelen van de voedselketen uit het filmpje in het model. De basis is al ingevuld.

Het aantal organismen: neemt toe / neemt af

algen Fig. 3.12

b

De breedte van de laag is een maat voor het aantal organismen. Waarom staan de algen onderaan in

de piramide? 

c

Wat gebeurt er met het aantal organismen in een voedselketen? Duid het correcte antwoord aan naast de pijl in figuur 3.12.

IN

a

VA N

6 Er gaat niets verloren in een biotoop. Dode organismen worden opgeruimd door detrivoren en reducenten. Lees de omschrijvingen in de tabel. Markeer telkens de vier omschrijvingen die bij elkaar horen in dezelfde kleur. Je hebt dus drie kleuren nodig. Zoek de nodige informatie via internet.

afvaleters

©

reducenten

organismen die nieuw organisch materiaal opbouwen

b

organismen die leven van vast, dood, organisch materiaal

algen, bomen

detrivoor

micro-organismen

mieren, mestkevers, regenwormen, pissebedden, paddenstoelen

producenten

groene planten

organismen die organisch afval verder afbreken tot mineralen

bacteriën en schimmels

Haal uit de tabel hierboven de omschrijving voor reducenten.





3 Voedselrelaties  

23


c

Noteer de begrippen reducent, mineraal en detrivoor op de correcte plaats in het model hieronder. consument van de 1ste orde

consument van de 2de orde

consument van de 3de orde

producent consument van de 4de orde

Wat stellen de rode pijlen voor?



e

Dit model is een voorbeeld van een voedselkringloop. Leg dat begrip uit.





VA N

IN

d

In een biotoop leven organismen samen met elkaar. Ze staan onder invloed van elkaar. Organismen kunnen verschillende relaties met elkaar aangaan. Je spreekt van voedselrelaties, steunrelaties, voortplantingsrelaties en beschermingsrelaties. De voedselrelaties kun je met verschillende modellen voorstellen. De meest eenvoudige voorstelling is de voedselketen waarin organismen gerangschikt worden volgens het patroon van eten en gegeten worden. Van een voedselketen kun je ook een voedselpiramide maken. Hoe hoger een organisme in de piramide staat, hoe kleiner het aantal organismen. Wanneer je voedselketens met elkaar kunt verbinden, krijg je een voedselweb.

Š

Er zijn verschillende voedselniveaus in de biotoop. Je spreekt van producenten, consumenten, reducenten en detrivoren. Een voedselkringloop maakt een voorstelling met alle verschillende niveaus. In die kringloop geldt de regel ‘eten of gegeten worden’. De producenten zorgen voor de nodige voedingsstoffen voor de consumenten. Detrivoren en reducenten ruimen de resten op. Test jezelf: oefeningen 8, 9, 10 en 11

24

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID


! a h A ! a h A

SAMENVATTING

1

Je gaat op excursie!

Een landschap omvat verschillende biotopen en wordt gekenmerkt door landschapselementen. Landschapselementen zijn bepalend voor het uitzicht van een landschap. Voorbeelden hiervan zijn: planten, rivieren, bebouwing … Lucht, vervoersmiddelen en dieren behoren niet tot het landschap. In een biotoop leven bepaalde dieren en planten samen in een omgeving met typische eigenschappen. Voorbeelden van biotopen zijn: strand, duin, bos, berm, weide, vijver, sloot ...

Abiotische factoren zijn omgevingsfactoren die je kunt meten met meettoestellen. Ze geven informatie over de omgeving waarin organismen kunnen leven.

Biotische factoren hebben te maken met organismen die elkaar beïnvloeden en/of van elkaar afhankelijk kunnen zijn.

Organismen kun je op naam brengen (= determineren) met een zoekkaart, determineersleutel of -tabel door uitwendige kenmerken waar te nemen.

Met toestellen heb je de waarde van abiotische factoren gemeten. Door waarneming kwam je te weten welke organismen in een omgeving leven (biotische factoren). Het samenspel van abiotische en biotische factoren zorgt ervoor dat op een bepaalde plaats een bepaald biotoop voorkomt.

De manier waarop de factoren elkaar beïnvloeden zorgt voor het typische karakter van bijvoorbeeld een bos, een vijver, een weiland, een duin enzovoort.

VA N

IN

2 Je reist veel verder

©

Het tropisch regenwoud is een type woud dat voorkomt ter hoogte van de evenaar. De biotoop kenmerkt zich door een grote soortenrijkdom en typische abiotische kenmerken (hoge luchtvochtigheid, hoge temperatuur). Het tropisch regenwoud is belangrijk voor de mens op economisch gebied, maar ook voor de aarde zelf. Dagelijks wordt er echter regenwoud vernietigd of bedreigd.

Met biodiversiteit bedoelen we de grote verscheidenheid aan leven op aarde of in een bepaald gebied.

De biodiversiteit wordt bedreigd door overbevissing, ontbossing, milieuvervuiling, de invoer van exoten, klimaatveranderingen ...

De mens wordt zich steeds meer bewust van deze dreiging en probeert om zijn steentje bij te dragen om die bedreiging tegen te gaan. Dat kan zelfs door heel kleine aanpassingen in ons dagelijks leven.

De organismen in de natuur zijn van elkaar afhankelijk en komen steeds tot een ecologisch of biologisch evenwicht.

AHA!

25


3 Voedselrelaties In een biotoop leven organismen samen met elkaar. Ze staan onder invloed van elkaar.

Organismen kunnen verschillende relaties met elkaar aangaan. Je spreekt van voedselrelaties, steunrelaties, voortplantingsrelaties en beschermingsrelaties.

De voedselrelaties kun je met verschillende modellen voorstellen. De meest eenvoudige voorstelling is de voedselketen waarin organismen gerangschikt worden volgens het patroon van eten en gegeten worden. Van een voedselketen kun je ook een voedselpiramide maken. Hoe hoger een organisme in de piramide staat, hoe kleiner het aantal organismen. Wanneer je voedselketens met elkaar kunt verbinden, krijg je een voedselweb. Er zijn verschillende voedselniveaus in de biotoop. Je spreekt van producenten, consumenten, reducenten en detrivoren. Een voedselkringloop maakt een voorstelling met alle verschillende niveaus.

Š

VA N

IN

26

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID


Schema

In een biotoop staat alles onder invloed van abiotische en biotische factoren

abiotisch = niet-levend

meetbaar met instrumenten

biotisch = levend

waarneembaar en te determineren

biodiversiteit: de grote verscheidenheid aan organismen

IN

de biodiversiteit is verschillend op aarde en staat onder invloed van de mens

landschap ≠biotoop

duin kust berg bos weide tropisch regenwoud ...

voedselrelaties

voedselniveaus:

vier manieren van voorstelling:

voedselketen

ecologisch evenwicht: de slingerbeweging die de natuur in evenwicht houdt

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID

Š

kustlandschap industrielandschap boslandschap landbouwlandschap ...

voorbeelden

VA N

voorbeelden

voedselweb

producenten consumenten detrivoren reducenten

voedselkringloop

groene planten planten- en diereneters maken mineralen afvalopruimers

voedselpiramide

AHA!

27


Mindmap voorbeelden: luchtdruk, zuurgraad, temperatuur ...

niet-meetbaar maar wel waarneembaar determineren met kaarten of tabellen

meetbaar met instrumenten

abiotische of niet-levende factoren

voorbeelden: kustlandschap, industrielandschap, boslandschap en landbouwlandschap

biotische of levende factoren

voorbeelden: vijver, bos, duin, strand, weide, tropisch regenwoud ...

landschap landschap / biotoop

IN

biotoop

VA N

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID voedselrelaties

voedselketen

voedselweb voedselkringloop

voedselpiramide

Š

biodiversiteit = de grote verscheidenheid aan leven

ecologisch evenwicht

producenten

invloeden van de mens voedselniveaus

consumenten detrivoren

negatief

28

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID

positief reducenten


Checklist helemaal begrepen

Wat ken/kan ik?

hier kan ik nog groeien

pg.

Ik kan het verschil tussen abiotische en biotische factoren uitleggen.

10

Ik kan verschillende voorbeelden van abiotische en biotische factoren opsommen.

11

Ik kan meettoestellen gebruiken om abiotische factoren te bepalen.

10, 11

Ik kan het begrip biotoop uitleggen.

9

Ik kan een organisme op naam brengen door gebruik te maken van een zoekkaart of determineertabel.

11, 12

Ik kan het begrip biodiversiteit uitleggen.

16 17

Ik kan begrijpen dat organismen in de natuur elkaar beïnvloeden en het ecologisch evenwicht hierbij betrekken.

17

Ik kan de invloeden van de mens indelen in ‘positief’ of ‘negatief’ en herkennen.

18

VA N

IN

Ik kan verklaren waarom het ene gebied een grotere biodiversiteit heeft dan het andere.

20

Ik kan beschrijven wat een voedselketen is.

21

Ik kan een voedselweb definiëren.

21

Ik kan een voedselpiramide van aantallen herkennen.

23

Ik kan in voedselrelaties producenten, consumenten, detrivoren en reducenten herkennen.

23

Ik kan beschrijven wat een voedselkringloop is.

24

Ik kan het verschil tussen autotrofe en heterotrofe organismen in eenvoudige taal uitleggen.

22

©

Ik kan modellen waarmee je voedselrelaties kunt voorstellen, benoemen.

Denk je dat je alles begrepen hebt in dit thema? Ga dan naar diddit en oefen verder.

AHA!

29


TEST JEZELF 1

Tot welke groep factoren behoren de onderstaande invloedfactoren? Noteer de letter ‘A’ voor abiotische factoren en de letter ‘B’ voor biotische factoren.

Veel zonlicht.

Fazant verstopt zich achter een braamstruik.

Eekhoorn eet een eikel.

De bodem is heel vochtig.

De bodemtemperatuur is 20 °C.

De luchtdruk is 1040 hPa.

abiotische factoren gemeten in loofbos

IN

2 Je vergelijkt de abiotische factoren in een loofbos met die in een naaldbos op dezelfde dag. De gemeten factoren staan vermeld in de tabel hieronder. Welke resultaten verwacht je? Markeer de correcte vermelding. verwacht resultaat voor naaldbos

hoger / gelijk / lager

temperatuur

hoger / gelijk / lager

bodemhardheid bodemvochtigheid zuurgraad luchtdruk

VA N

verlichtingssterkte

hoger / gelijk / lager hoger / gelijk / lager hoger / gelijk / lager hoger / gelijk / lager

©

3 Welke afbeelding toont het gebied met de laagste biodiversiteit? Verklaar je antwoord.

30





BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID


4 Is de foto een voorbeeld van een bedreiging van de biodiversiteit? Leg kort uit.







 

5 Zijn de volgende uitspraken voorbeelden van positieve of negatieve invloeden? positief

negatief

In de winter eet ik heel graag een ijsje met verse exotische vruchten zoals ananas, mango en kiwi.

Op school gooien we alle afval in één vuilnisbak.











VA N

6 Welke negatieve invloeden kun je zien op de foto hiernaast?

IN

Mijn ouders planten elk jaar bloemen in de tuin om bijen aan te trekken.

©

7 Zoek informatie over één van de onderstaande exoten. Tijgermug – processierups – Japanse oester – coloradokever – halsbandparkiet – rode rivierkreeft – muskusrat … − Noteer uit welk gebied het organisme afkomstig is. − Welke bedreiging vormt het organisme voor onze natuur? − Voorzie een afbeelding en een artikel uit de krant over dit organisme.

8 Benoem de verschillende modellen van voedselrelaties.

muis groene planten

slang slangenarend



Test jezelf  

31


de consumenten van de tweede orde

jakhals leeuw

aaseters en reducenten

de consumenten van de eerste orde

de producenten

slangenarend

geit wilde kat

uil

konijn groene planten

slang muis

















VA N

IN

9 Beschrijf het verschil tussen een voedselketen, een voedselweb, een voedselpiramide en een voedselkringloop.

10 Maak het verband tussen producent, planteneter, vleeseter, alleseter, detrivoor, reducent duidelijk aan de hand van een schema.







Š







 11 Tijdens de biotoopstudie heb je heel wat organismen kunnen waarnemen. Maak drie voedselketens met minstens vier schakels. Stel ook een voedselweb op met minstens tien organismen uit jouw biotoop. Zoek eventueel extra organismen op het internet.

 

32

BIOTOPEN EN HUN VERSCHEIDENHEID


© VA N IN


macro scoop

Marleen Chalmet Rudi Goossens Bart VanoprĂŠ Catherine Van Nevel Christina Wauters

macro scoop 1

1

Š

VA N

IN

GO!

Leer zoals je bent Ontdek het onlineleerplatform: diddit. Vooraan in dit boek vind je de toegangscode, zodat je volop kunt oefenen op je tablet of computer. Activeer snel je account op www.diddit.be en maak er een geweldig schooljaar van!

ISBN 978-90-306-9731-2 595910

73732_MACROSCOOP LWB GO1_COVER.indd Alle pagina's

vanin.be

GO! 20/05/20 11:58

Profile for VAN IN

MacroScoop GO! 1 - Voorbeeldpagina's  

MacroScoop GO! 1 - Voorbeeldpagina's  

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded