Wat is duurzaam ondernemen?
Wat is duurzaam ondernemen?
Wat is duurzaam ondernemen?
De term duurzaam ondernemen klinkt vandaag vertrouwd in de oren. Wat begon als een idealistisch streven, is intussen uitgegroeid tot een essentiële manier van ondernemen in de 21e eeuw. Al meer dan twee decennia vormt duurzame ontwikkeling een belangrijk referentiekader, en het maatschappelijk en economisch belang ervan blijft toenemen. Niet alleen in de media krijgt het concept volop aandacht, ook binnen het bedrijfsleven is het bij veel bedrijven uitgegroeid tot een strategisch kernpunt.
Onze wereld is in sneltempo veranderd in een complex, onderling verbonden geheel. Grote uitdagingen zoals milieuvervuiling, klimaatverandering, grondstoffenschaarste, bevolkingsgroei en sociale ongelijkheid maken duidelijk dat het huidige economische model onder druk staat. De vraag is niet langer óf we moeten veranderen, maar hoe we die transitie het best aanpakken. Er is nood aan evenwicht: enerzijds het verleden kritisch bekijken, anderzijds actief investeren in duurzame oplossingen voor de toekomst.
Daarbij speelt ook de consument een steeds grotere rol. Door de opkomst van digitale media is hij beter geïnformeerd, kritischer en mondiger dan ooit. Consumenten verwachten meer dan producten of diensten alleen – ze hechten belang aan de waarden en verantwoordelijkheden van bedrijven. Organisaties die daar bewust op inspelen, versterken niet alleen hun maatschappelijke relevantie, maar bouwen ook aan duurzame relaties met hun klanten, hun partners en hun omgeving.
De tijd waarin financiële winst als het enige doel van een onderneming werd gezien, lijkt stilaan voorbij. Vandaag groeit het besef dat bedrijven ook een bredere verantwoordelijkheid dragen. De sociale en ecologische impact van ondernemingen krijgt steeds meer aandacht, zowel van consumenten als van beleidsmakers en investeerders. Daardoor ontstaat er een duidelijke nood aan bedrijven die verder durven kijken dan hun financiële resultaten.
De onderneming van de toekomst streeft naar meervoudige waardecreatie: winst op economisch, ecologisch én sociaal vlak . Dat betekent aandacht voor het behoud van natuurlijke hulpbronnen, de bescherming van ecosystemen en biodiversiteit, én het versterken van sociale structuren en institutionele veerkracht. Duurzaamheid is daarbij geen bijkomende strategie, maar een essentiële voorwaarde om als onderneming te kunnen blijven bestaan in een wereld die snel verandert.
Duurzaam ondernemen staat dan ook voor een hedendaagse visie op ondernemen: winst nastreven met respect voor mens en planeet, en afgestemd op de verwachtingen van alle betrokken partijen – de stakeholders. Dat vereist niet alleen verantwoordelijkheidszin, maar ook strategisch inzicht en langetermijndenken.
Toch is het belangrijk om kritisch te blijven over het gebruik van het begrip 'duurzaam ondernemen' zelf. Termen als duurzaamheid en duurzaam ondernemen zijn zo wijdverspreid geraakt dat ze soms dreigen te vervlakken tot vage containerbegrippen. Om het concept scherp te houden, is het zinvol om terug te keren naar de oorsprong ervan. Duurzaam ondernemen is immers geen modetrend, maar een denkkader dat al sinds de tweede helft van de twintigste eeuw vorm krijgt. Door die historische basis opnieuw onder de loep te nemen, kunnen we beter begrijpen wat duurzaam ondernemen werkelijk inhoudt – en waarom het vandaag relevanter is dan ooit.
De VN-tops over milieu (Stockholm, 1972) en internationaal recht (Nairobi, 1982) vormden de aanloop naar het in 1987 gepresenteerde rapport Our common future, beter bekend als het Brundtland-rapport (World Commission on Environment and Development, 1987). In dat rapport wordt door Brundtland de oerdefinitie van duurzame ontwikkeling voorgesteld, namelijk:
Sustainable development is development that meets the needs of the present without compromising the ability of future generations to meet their own needs. Met andere woorden: duurzaam ondernemen is een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder afbreuk te doen aan het vermogen van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien.
Deze definitie staat nog steeds overeind en wordt nog vaak gebruikt als definitie voor duurzaamheid. Met het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ poogde de commissie-Brundtland om de bezorgdheid over de toenemende gevolgen van menselijke activiteiten op het milieu te verzoenen met de bezorgdheid over de ongelijke kansen van mensen om zich nu en in de toekomst te ontwikkelen. Beide problemen waren volgens de commissie zo met elkaar verweven dat ecologische duurzaamheid niet mogelijk was wanneer ongelijke ontwikkelingskansen en armoede in de wereld niet op hetzelfde moment werden aangepakt.
Die visie op duurzame ontwikkeling vormt niet alleen een leidraad voor overheden en internationale instellingen, maar heeft ook gevolgen voor andere maatschappelijke actoren, waaronder bedrijven. Ondernemingen spelen immers een steeds belangrijkere rol in het realiseren van duurzame ontwikkeling, doordat hun activiteiten direct en indirect impact hebben op mens, milieu en economie.
Wanneer de duurzame principes worden toegepast binnen de werking van een organisatie, spreken we van duurzaam ondernemen waarbij de volgende definitie kan worden gehanteerd:
Duurzaam ondernemen houdt in dat een organisatie bij het uitvoeren van haar kernactiviteiten bewust streeft naar het minimaliseren van haar negatieve impact op de omgeving (mens en milieu) en naar het maximaliseren van haar positieve bijdrage op ecologisch en sociaal vlak.
In het verhaal voel je hoe Maxime begint te worstelen met de klassieke logica van winstmaximalisatie. Waar Jacques blijft focussen op aandeelhouderswaarde, stelt Maxime voorzichtig vragen bij de bredere impact van hun bedrijfsvoering.
Zijn verwijzing naar toekomstige generaties weerspiegelt duidelijk de kern van het Brundtland-rapport: duurzame ontwikkeling houdt rekening met de noden van vandaag, zonder die van morgen uit het oog te verliezen. Dat moment markeert een kantelpunt: het besef dat een bedrijf enkel toekomstbestendig is als het inzet op meervoudige waardecreatie — ecologisch, sociaal én economisch.
2 Voorstellingswijzen duurzaamheid
In het vorige hoofdstuk zagen we hoe duurzaam ondernemen wordt omschreven als het bewust streven van organisaties om hun negatieve impact op mens en milieu te beperken, en tegelijk hun positieve bijdrage op sociaal en ecologisch vlak te maximaliseren. Die brede kijk op ondernemen steunt op drie kernprincipes, beter bekend als de drie P’s: people, planet en profit – waarbij profit steeds vaker wordt verruimd tot prosperity, om de bredere maatschappelijke waardecreatie te benadrukken.
People (mensen): deze dimensie gaat over de zorg voor werknemers binnen de organisatie, maar ook voor de bredere samenleving. Een maatschappelijk verantwoorde organisatie zorgt voor goede arbeidsverhoudingen, biedt mogelijkheden voor persoonlijke ontwikkeling en geeft werknemers voldoende eigen verantwoordelijkheid. Daarnaast creëert de organisatie een leefbare omgeving voor de nabije bevolking en respecteert ze mensenrechten en arbeidsomstandigheden wereldwijd, bijvoorbeeld in de landen waar grondstoffen vandaan komen.
Planet (planeet): deze dimensie verwijst naar een proactieve houding ten opzichte van de natuurlijke leefomgeving en het bijdragen aan de oplossing van milieuproblemen waar de organisatie invloed op heeft. Dat omvat milieumanagement, ketenbeheer, levenscyclusanalyse en eco-efficiëntie. Het betekent ook dat milieuWat is duurzaam ondernemen?
aspecten voor iedereen zichtbaar en transparant zijn, zodat anderen kunnen zien hoe de organisatie omgaat met het milieu.
Profit (winst): deze dimensie gaat over het creëren van economische waarde door het produceren van goederen en het aanbieden van diensten. Een organisatie moet winst maken om haar toekomst te waarborgen, aangezien winst de financiële basis vormt van de onderneming. Daardoor is het mogelijk om ook de andere twee dimensies, people en planet, te verbeteren. De laatste jaren wordt de term profit echter steeds vaker vervangen door prosperity (welvaart). Dat komt omdat prosperity niet alleen financiële winst omvat, maar ook economische ontwikkeling die bijdraagt aan het welzijn van de hele samenleving. De term benadrukt het belang van langdurige en inclusieve economische groei die iedereen ten goede komt.
Hoewel er tegenwoordig ook uitgebreidere raamwerken bestaan, zoals de vijf P’s uit de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen (people, planet, prosperity, peace en partnership), kiezen we er in dit hoofdstuk bewust voor om eerst dieper in te gaan op de klassieke driedeling. Ze biedt een helder vertrekpunt om de verschillende visies op duurzaamheid te verkennen, zonder het geheel al te complex te maken. Want hoewel die drie pijlers vaak samen worden genoemd, lopen de meningen uiteen over hoe ze precies met elkaar in balans moeten worden gebracht. Wat voor de ene persoon een evenwichtige aanpak lijkt, kan voor een andere juist spanningsvelden blootleggen of als onvoldoende worden ervaren. Dat komt doordat mensen verschillende waarden en overtuigingen hanteren bij het beoordelen van maatschappelijke uitdagingen en mogelijke oplossingen.
Sommigen geloven sterk in technologische innovatie als sleutel tot vooruitgang, terwijl anderen meer vertrouwen op sociale veranderingen of institutionele hervormingen. Deze uiteenlopende visies leiden tot verschillende interpretaties van wat duurzaamheid precies betekent en van hoe we ze concreet kunnen vormgeven.
In de discussie over duurzaamheid worden dan ook vaak twee fundamentele benaderingen onderscheiden: zwakke duurzaamheid en sterke duurzaamheid. Die benaderingen verschillen in hun visie op de relatie tussen economische groei, ecologische grenzen en sociale rechtvaardigheid. Het is essentieel om deze concepten te begrijpen en hun onderlinge verschillen te herkennen, zodat we beter kunnen inschatten welke benadering het meest doeltreffend is voor een duurzame toekomst.
Wat is duurzaam ondernemen?
2.1 Zwakke duurzaamheid
Zwakke duurzaamheid erkent slechts tot op zekere hoogte dat het milieu een beperkende factor is voor de andere dimensies. Dat betekent dat natuurlijk kapitaal vervangbaar is door andere vormen van kapitaal (bv. geld, infrastructuur, kennis, technologie). Volgens dit principe kan een dienst die niet meer (voldoende) geleverd wordt door de natuur (ecosysteemdienst), vervangen worden door een technisch alternatief. Bijvoorbeeld: een moerasgebied zuivert op natuurlijke wijze water. Het filtert verontreinigingen, breekt organisch materiaal af en buffert regenwater. Een waterzuiveringsinstallatie doet ongeveer hetzelfde: ze zuivert afvalwater zodat het terug in het milieu kan worden geloosd of kan worden hergebruikt. Dat is een technologische oplossing die door mensen is ontworpen en gebouwd. Vanuit het perspectief van zwakke duurzaamheid is het dus mogelijk om een moeras droog te leggen en er bijvoorbeeld industrie of woningen te bouwen, zolang de waterzuiveringsfunctie technisch wordt opgevangen. Het natuurlijk kapitaal (moeras) wordt vervangen door menselijk of fysiek kapitaal (installatie), zolang de totale waarde behouden blijft.
De hoge waardering van niet-natuurlijk kapitaal is gelinkt aan de centrale en dominante plaats die de mens krijgt binnen zwakke duurzaamheid. Die antropocentrische benadering houdt onder andere in dat het een doelstelling is om de steeds groeiende wereldbevolking van voldoende voedsel te voorzien. Bovendien acht men het mogelijk om voor iedereen tegelijkertijd groei, welvaart, betere milieuomstandigheden en sociale rechtvaardigheid te kunnen aanbieden.
De aanhangers van zwakke duurzaamheid gaan ervan uit dat de mens andere (industriële) systemen kan uitbouwen die slechts een fractie nodig hebben van de huidige benodigde energie, grondstoffen en andere inputs. Sociale problemen en milieuproblemen zullen opgelost worden door technologische verbeteringen, door het marktmechanisme, door een beperkte overheidsinmenging, door individuele eigendomsrechten en door andere institutionele maatregelen.
Overheden en bedrijven verkiezen traditioneel de zwakke duurzaamheidsbenadering omdat ze pragmatische en geleidelijke aanpassingen promoot en radicale systeemveranderingen vermijdt. Die geleidelijke aanpassingen worden bekritiseerd omdat wat pragmatisch en politiek haalbaar is, geen rekening houdt met de maatregelen die nodig zijn om de huidige toestand van het ecosysteem te behouden.
Binnen de zwakke duurzaamheid bestaan er verschillende benaderingen over hoe de dimensies van duurzame ontwikkeling (people, planet, profit) met elkaar verbonden zijn. Twee gekende modellen binnen de zwakke duurzaamheid zijn het Mickey Mouse-model en de Triple Bottom Line.
2.1.1 Het Mickey Mouse-model van duurzame ontwikkeling
Duurzame ontwikkeling krijgt soms een interpretatie die neerkomt op een gelijkstelling van duurzame ontwikkeling met economische groei, waarbij ecologische en sociale maatregelen alleen maar als flankerende maatregelen fungeren, zie figuur 1.
Het
Mouse-model van duurzame ontwikkeling
Hoewel theoretisch elk van de drie dimensies in de grootste bol zou kunnen staan, is het de voorstelling die wordt weergegeven in figuur 1 die het best aansluit bij het huidige maatschappelijke systeem, waarbij de impact van de economische dimensie een stuk groter is dan die van de sociale en ecologische dimensie.
Daarnaast staan bij het Mickey Mouse-model van duurzame ontwikkeling de drie dimensies van duurzame ontwikkeling los van elkaar zonder dat er veel gelegenheid is voor of behoefte is aan synergieën tussen de dimensies. Als er zich een conflict voordoet in doelstellingen tussen de dimensies, weegt de economische dimensie duidelijk zwaarder door.
Die benadering maakt het mogelijk dat beleid, producten en/of praktijken die aanhangers van een sterke duurzaamheid als weinig duurzaam beschouwen, toch een positief duurzaamheidsverhaal meekrijgen. Het duurzaamheidsgehalte van dergelijke producten of een dergelijk beleid is dan slechts een cosmetisch laagje en wordt vanuit een sterke duurzaamheid vaak bestempeld als greenwashing
In het verhaal herken je bij ChemSol duidelijk kenmerken van het Mickey Mousemodel. Duurzaamheid is aanwezig, maar eerder als randactiviteit. Maxime rijdt met een elektrische bedrijfswagen en het personeel kreeg gepersonaliseerde drinkbekers — ecologische en sociale acties die vooral symbolisch blijven. Ze zijn niet ingebed in de bedrijfsstrategie en worden ook niet gedragen door de CEO, Jacques. Dat blijkt onder meer uit het feit dat Jacques duurzaamheid vooral ziet als kostenpost of marketingmiddel, en het gesprek erover uit de weg gaat. ChemSol focust duidelijk op economische winst: investeringsbeslissingen worden louter op basis van financiële KPI’s (key performance indicators) genomen, en innovatieve voorstellen op vlak van duurzaamheid geopperd door Maxime worden aanvankelijk afgewimpeld als ‘te risicovol’ of ‘niet rendabel genoeg’. Het verhaal illustreert daarmee hoe bedrijven in het Mickey Mousemodel duurzaamheid wel benoemen, maar niet écht integreren in hun kernactiviteiten of leiderschap.
2.1.2 Triple Bottom Line (TBL)
Een andere benadering van duurzame ontwikkeling is het Triple Bottom Lineconcept, beter bekend als de drie P’s (people, planet en profit) van Elkington (1997). Dit concept geeft evenveel gewicht aan de sociale (people), ecologische (planet) en economische (profit) dimensies van duurzame ontwikkeling.
Het Triple Bottom Line-model wordt vaak grafisch weergegeven als drie gelijke cirkels die elkaar gedeeltelijk overlappen, zoals te zien in figuur 2. Elke cirkel vertegenwoordigt een bepaalde dimensie van duurzame ontwikkeling. Acties die zich op slechts twee dimensies richten, behandelen de relatie tussen die twee dimensies zonder rekening te houden met de derde.
De overlappingszone van economie en ecologie (houdbaar) gaat over ecoefficiëntie, externaliteiten en milieubelastingen.
De overstap naar led-verlichting is een voorbeeld van eco-efficiëntie, omdat het zowel ecologische winst oplevert (minder energieverbruik) als economische besparing (lagere energiekosten).
De overlappingszone van ecologie en sociale kwesties (leefbaar) behandelt elementen als milieurechtvaardigheid, intergenerationele rechtvaardigheid, ecologische vluchtelingen en ecologische opleiding en training.
Een zwerfvuilactie met medewerkers levert ecologische winst én sociale winst doordat het het teamgevoel en de maatschappelijke betrokkenheid versterkt worden. Wat is duurzaam ondernemen?
De overlappingszone van economie en sociale kwesties (rechtvaardig) omvat bedrijfsethiek, fairtrade, mensenrechten, rechten van minderheden en stakeholderkapitalisme.
Een flexibel werkuren- of thuiswerkbeleid kan economische winst opleveren dankzij lagere kantoor- en ziekteverzuimkosten én hogere productiviteit, terwijl het sociaal bijdraagt aan meer werkgeluk en een betere werk-privébalans.
Acties die de drie dimensies realiseren worden echt als duurzame acties beschouwd. Een sterk fietsbeleid is daar een mooi voorbeeld van. Dat houdt in dat een bedrijf werknemers actief stimuleert om met de fiets naar het werk te komen, bijvoorbeeld via fietspremies, veilige fietsenstallingen, douches op het werk of bedrijfsfietsen. Dat levert ecologische winst op door de vermindering van autogebruik en dus minder CO₂-uitstoot. Tegelijk wordt er economische winst geboekt: gezonde werknemers zijn productiever, vallen minder snel ziek en er zijn minder kosten verbonden aan parkeerplaatsen of woon-werkverkeer. De sociale winst toont zich in een betere fysieke en mentale gezondheid van werknemers, meer verbondenheid met het bedrijf en een hogere tevredenheid.
Sociaal DUURZAAM
Leefbaar
Rechtvaardig
Economisch
Houdbaar
Ecologisch
Figuur 2: Triple Bottom Line-model van duurzame ontwikkeling
Het Triple Bottom Line-concept is één van de meest gebruikte operationele uitwerkingen van duurzaam ondernemen. Door dit model van duurzaam ondernemen toe te passen, proberen bedrijven en organisaties concreet invulling te geven aan duurzame ontwikkeling en hun sociale verantwoordelijkheid (Corporate Social Responsibility of CSR) op te nemen. Duurzaam ondernemen is een organisatiepraktijk waarbij winst niet het enige doel is, maar waarbij de doelstellingen ook
betrekking hebben op het ecologische en sociale vlak. De uitdaging ligt erin om economische, ecologische en sociaal-maatschappelijke winst te realiseren door de verschillende belangen op de drie gebieden met elkaar in balans te brengen.
De basis in dit duurzaamheidsmodel is dan ook om een juiste balans te vinden tussen people, planet en profit. De drie dimensies komen pas tot hun recht wanneer ze alle drie volledig geïntegreerd zijn in de bedrijfsvoering van de organisatie. Wanneer de combinatie niet harmonieus is, zullen de andere elementen daaronder lijden. Wanneer men de prioriteit voornamelijk bij winst legt, zullen de mens en het milieu daarvan de dupe worden, bijvoorbeeld door slechtere arbeidsomstandigheden of door vervuiling van de natuur. Omgekeerd benadrukt dit denkkader dat economische winst een essentieel onderdeel is van duurzame ontwikkeling. Een bedrijf kan pas blijvende maatschappelijke en ecologische impact realiseren als het zelf financieel gezond is en voldoende rendeert om te blijven investeren in die duurzame ambities.
Naast het evenwicht tussen de drie dimensies is het evenzeer belangrijk dat door middel van de balans tussen people, planet en profit er ook gestreefd moet worden naar een evenwicht in de toekomst , zodat de huidige levenskwaliteit gegarandeerd kan worden voor toekomstige generaties. De drie pijlers ontwikkelen zich onafhankelijk van elkaar, maar kunnen elkaar wel overlappen.
Binnen een bedrijfscontext is de economische pijler het meest bekend. Die pijler moet echter verder gaan dan de klassieke indicatoren zoals winst/verlies, balans en resultatenrekening. Hoewel de nadruk vaak op Profit ligt, moet er meer aandacht zijn voor prosperity. Het doel is om economische groei te stimuleren die niet alleen het bedrijf zelf ten goede komt, maar ook het welzijn en de welvaart van de bredere samenleving bevordert.
Bij de ecologische bottom line moet een onderscheid gemaakt worden tussen het kritiek natuurlijk kapitaal , i.e. het natuurlijk kapitaal dat essentieel is voor het behoud van het ecosysteem, en het herbruikbaar natuurlijk kapitaal . Vragen die bedrijfsleiders zich dan kunnen stellen, zijn volgens Elkington onder meer op welke vorm van natuurlijk kapitaal de bedrijfsactiviteiten een invloed hebben, of deze vormen van kapitaal nog duurzaam zijn ten gevolge van de druk van deze activiteiten, en of het evenwicht in de natuur op significante wijze is beïnvloed. Indicatoren die helpen om deze bottom line te analyseren, zijn een levenscyclusanalyse van de producten; de mate van gebruik van energie, water en andere grondstoffen; vervuilende emissies; verbruik van kritiek natuurlijk kapitaal en de prestatie van het bedrijf ten opzichte van de beste standaarden.
Bij de sociale bottom line gaat het om de effecten van de activiteiten van de organisatie op mensen, zowel binnen als buiten de organisatie. Belangrijk voor Elkington in dat verband is de notie van vertrouwen. Hij stelt dat duurzaamheid kan worden bereikt en tegen de laagste kost in die organisaties waar er een hoog niveau van vertrouwen is. In dergelijke organisaties kan er immers meer vernieuwing op organisatorisch vlak ontstaan. De hogere graad van vertrouwen zal leiden tot een ruimere variëteit aan sociale relaties, waaronder die tussen een organisatie en haar stakeholders, en die relaties zijn op hun beurt bepalend voor het op lange termijn blijven bestaan van de organisatie.
In een organisatie kan de balans tussen de drie verschillende bottom lines op zo’n manier worden bewerkstelligd dat de organisatie of het bedrijf ook tegemoetkomt aan de redelijke verwachtingen van alle stakeholders. Handig zijn de internationale milieustandaarden zoals ISO 14001 of standaarden in de brede zin van duurzaamheid zoals GRI (Global Reporting Initiative) omdat zij op een systematische manier de impact van een organisatie in kaart brengen.
2.2 Sterke duurzaamheid
Aanhangers van sterke duurzaamheid pleiten voor een fundamentele koerswijziging. Ze zijn van mening dat kleine aanpassingen binnen het bestaande economische systeem niet volstaan om de ecologische en sociale uitdagingen van deze tijd het hoofd te bieden. Volgens deze visie is een diepgaande systeemverandering nodig, waarbij economie en samenleving worden aangepast aan de grenzen van het ecosysteem, en niet omgekeerd (ecologische begrenzing).
Sterke duurzaamheid stelt zich kritisch op tegenover technologische oplossingen zoals klassieke innovatie, efficiëntieverbeteringen en substitutie die soms tot paradoxale resultaten leiden wat betreft het gebruik van middelen. Een voorbeeld van een dergelijk paradoxaal resultaat is de zogeheten ‘Jevons Paradox’: ondanks verbeteringen in de energie-efficiëntie van apparaten, kan het totale energieverbruik toenemen omdat efficiëntere technologieën goedkoper worden en daardoor meer worden gebruikt. Een concreet voorbeeld daarvan is de omschakeling naar ledverlichting. Ledlampen verbruiken veel minder energie dan traditionele gloeilampen, wat zowel ecologische als economische voordelen biedt. Toch kan dat leiden tot een direct reboundeffect: mensen laten het licht vaker of langer branden omdat het ‘toch zo weinig verbruikt’. Op grotere schaal kan er ook sprake zijn van een indirect reboundeffect: wanneer een bedrijf bijvoorbeeld bespaart op energiekosten door ledverlichting, en die financiële winst inzet om andere energie-intensieve toepassingen te installeren, zoals extra schermen of airco’s.
In beide gevallen dreigt het initiële milieuwinsteffect van de efficiëntieverbetering deels verloren te gaan.
Volgens aanhangers van sterke duurzaamheid kunnen technologische innovaties pas echt effectief zijn als ze ingebed zijn in een bredere systeemverandering en waardeverandering. In plaats van een hoger welvaartsniveau, richten ze zich op een hoger welzijnsniveau.
In deze benadering wordt de productielogica van zwakke duurzaamheid, die gericht is op meer en efficiënter produceren, verlaten ten gunste van een sociale en economische systeemverandering. Die verandering legt de nadruk op minder verbruik van producten en grondstoffen. Een concreet voorbeeld van die systeemverandering is de oproep tot een meer verantwoorde vleesconsumptie. In Europa ligt de gemiddelde vleesconsumptie rond 80 kg per persoon per jaar, in Noord-Amerika zelfs rond 100 kg. Gezondheidsrichtlijnen adviseren echter slechts zo’n 25,5 kg per jaar, wat overeenkomt met ongeveer 70 gram per dag. Door onze consumptie terug te brengen tot het aanbevolen niveau, kunnen we zowel ecologische winst als gezondheidswinst boeken. Het vermindert de druk op intensieve veeteelt – een belangrijke oorzaak van ontbossing – en verkleint tegelijk het risico op aandoeningen zoals hart- en vaatziekten en bepaalde kankers.
Zo wordt duidelijk dat gedragsverandering, gericht op minder consumptie in plaats van louter efficiëntere productie, essentieel is in de transitie naar sterke duurzaamheid. Vanuit dat perspectief gaat duurzaamheid verder dan de klassieke technologische aanpak die alleen symptomen aanpakt, zonder de diepere oorzaken te adresseren.
Aanhangers van sterke duurzaamheid stellen zich kritisch op tegenover het idee dat verschillende vormen van kapitaal zomaar inwisselbaar zijn. Zo vinden zij het problematisch om bijvoorbeeld de waterzuiverende werking van een moeras te vervangen door een technische installatie. Substitutie is volgens hen slechts aanvaardbaar voor bepaalde niet-hernieuwbare hulpbronnen, maar niet voor functies van natuurlijk kapitaal die essentieel en onvervangbaar zijn.
In hun visie zijn natuurlijk en niet-natuurlijk kapitaal dan ook niet uitwisselbaar, maar hoogstens complementair. Sterke duurzaamheid gaat verder dan het behoud van de totale kapitaalvoorraad: het vraagt expliciet om het beschermen van een minimaal, kritiek niveau aan natuurlijk kapitaal. Wat is duurzaam ondernemen?
Een moeras is daarvan een sprekend voorbeeld. Het zuivert niet alleen water, maar biedt ook onderdak aan biodiversiteit, voorkomt overstromingen en slaat CO₂ op. Om al deze functies afzonderlijk technisch te vervangen, zouden enorme investeringen nodig zijn. Vanuit ecologisch én economisch perspectief is het daarom verstandiger om het moeras in stand te houden.
Sterke duurzaamheid overstijgt de beperkte visie op duurzame ontwikkeling die zich richt op economische groei. Het draait om de relaties en interacties tussen verschillende elementen binnen het ecosysteem. Vanuit die holistische kijk wil men onomkeerbare schade aan het ecosysteem voorkomen en de beschikbaarheid van essentiële grondstoffen en ecosysteemdiensten voor de toekomst garanderen. Toekomstige generaties hebben namelijk recht op een kwaliteitsvol en waardig leven in een gezonde en veilige omgeving. De huidige ontwikkeling mag geen bedreiging vormen voor toekomstige generaties.
Die normatieve keuzes brengen een morele verplichting met zich mee om niet alleen de toekomst van huidige en toekomstige generaties, maar ook die van de aarde te waarborgen. Een aanpassing van fundamentele waarden en normen met betrekking tot de omgang met de sociale en ecologische omgeving is daarom noodzakelijk. Door intrinsieke en primaire waarde toe te kennen aan de leefomgeving, moet de economische en maatschappelijke ontwikkeling binnen de draagkracht van de aarde blijven.
2.2.1 Het bullseye-model voor duurzame ontwikkeling
Door aan het ecosysteem een dominante plaats te geven, komen de verschillende dimensies van duurzame ontwikkeling opnieuw in een andere positie tegenover elkaar te staan, zie figuur 3. In het Engels verwijst men met de term bullseye (roos van een dartbord) naar het ecocentrische model. Dat de economische cirkel in het centrum van de figuur staat, betekent niet dat de economie centraal staat in dit model. Integendeel zelfs.
Ecologisch
Sociaal
Economisch
Figuur 3: Bullseye-model voor duurzaam ondernemen
Volgens het ecocentrische model moet een samenleving zich zo organiseren dat ze zich binnen de draagkracht van het ecologische systeem bevindt en zich houdt aan de biofysische beperkingen van de aarde. De veronderstelling is dat een samenleving uiteindelijk niet kan blijven bestaan als het gewenste maatschappelijk welzijnspeil meer eist van het ecosysteem dan dat het ecosysteem op de lange termijn kan aanleveren of verduren.
De keuzes in ethische en normatieve dilemma’s zijn daarnaast door de samenleving zo gemaakt dat er sociale rechtvaardigheid heerst. Het sociale systeem kent daarbij effectieve instituties en beheersstructuren zodat de economie efficiënt kan functioneren en het sociale weefsel tussen mensen versterkt wordt. De economie staat ten dienste van de samenleving in plaats van grote delen van het sociale en ecologische te willen onderwerpen.
Omdat boven een bepaald niveau extra materiële consumptie niet meer substantieel bijdraagt aan een hogere levenskwaliteit, promoot die benadering naast efficiëntie (efficiency) ook een genoegstrategie (sufficiency), waarbij welzijn primeert op welvaart. Voor het Westen betekent dat een fundamentele waardenwijziging waarbij minder consumptie met nog minder inputs wordt gepromoot. Het doel ervan is om, rekening houdend met de beschikbare technologie, de consumptie van de (wereld)bevolking binnen de draagkracht van het ecosysteem te houden.
Het economische systeem staat dus niet centraal in het model maar is ingekapseld en beperkt door de opgelegde grenzen vanuit het ecosysteem en de samenleving. De samenleving respecteert daarbij zelf de grenzen van het ecosysteem. Het bullseye-model kan dus vergeleken worden met een matroesjka, waarbij het economische poppetje past binnen het sociale, dat op zijn beurt past binnen het ecologische.
De dominante plaats van de ecologische dimensie maakt een holistische aanpak van problemen mogelijk. Dat zou de kans moeten verkleinen dat een oplossing slechts een of enkele aspecten verhelpt of zelfs nieuwe problemen veroorzaakt. Het betekent ook dat oplossingen eerder worden gezocht in het ontwikkelen van totaal nieuwe systemen en (maatschappelijke) waarden dan in het optimaliseren van bestaande technieken en regels. Dergelijke ontwikkelingen realiseren is niet evident en het is ook niet eenvoudig om ze over te brengen omdat ze bijvoorbeeld een andere invulling van de (collectieve) menselijke vrijheid kunnen inhouden.
2.2.2
Het donutmodel
Uitgaand van de kracht van beelden ontwierp de Britse econome Kate Raworth het donutmodel. Volgens Raworth is het hart van de economie een donut. Met Doughnut Economics schuift de econome een omkering van het economische denken naar voren; een omkering waarbij de natuur niet langer de blinde vlek van het systeem is, maar er – samen met de mens – het hart van vormt, zie figuur 4.

Figuur 4: Voorstelling van de donuteconomie [Thomas Wagner, 2022]
Wat is duurzaam ondernemen?
De binnenrand van de donut markeert de ondergrens van wat nog een menswaardig leven is. In een inclusieve, duurzame en economische ontwikkeling (sociale eco-economie) is er water, voedsel, inkomen, onderwijs, weerstand, een stem, werkgelegenheid, toegang tot energie, sociale gelijkheid, gendergelijkheid en gezondheid nodig. Die begrippen vormen dan ook de vloer van de donut (sociale fundamenten).
Het plafond van de donut wordt gevormd door klimaatverandering, zuiver water, de stikstof- en fosfaat-cyclus, de verzuring van de oceanen, chemische vervuiling, aerosolen in de lucht (fijn stof en dergelijke), ozonuitputting, verlies aan biodiversiteit, verandering in het landgebruik (ecologisch plafond) en geeft aan wat de maximale bovengrens is voor een duurzame en leefbare aarde.
Om de veilige ‘donutzone’ voor iedereen te realiseren stelt Kate Raworth een nieuw economisch denken voor. Op dit moment is er een economisch systeem dat afhankelijk is van groei. Dat systeem zou moeten worden omgevormd naar een systeem waarin groei geleidelijk aan verdwijnt en zelfs overbodig wordt. Groei is namelijk goed zolang het nodig is, maar mag geen doel op zich zijn. In de natuur zien we dat groei zelden eindeloos doorgaat. Planten, dieren en ook mensen groeien tot ze een optimale grootte hebben bereikt — daarna stabiliseert die groei. Kinderen groeien bijvoorbeeld niet hun hele leven door; zodra ze volwassen zijn, stopt de fysieke groei. Dat principe geldt voor vrijwel elk natuurlijk systeem: er is een natuurlijk evenwicht waarbij verdere groei niet nodig of zelfs schadelijk zou zijn. Vanuit het perspectief van sterke duurzaamheid is het daarom logisch om ook in onze economie te streven naar een vorm van stabiliteit of evenwicht, in plaats van eindeloze economische groei na te jagen. Een systeem gebaseerd op de utopie van eeuwige groei is voorgeprogrammeerd om zichzelf te vernietigen. Groei is een noodzakelijke en gezonde fase in het leven en de natuur, maar evengoed in de economie. Het is echter slechts een overgangsfase naar volwassenheid, naar wasdom. Afstand nemen van groei is dan ook één van de zeven paden van verandering die worden beschreven in de Doughnut Economics van Raworth. Er moet dus worden overgegaan naar een economie die de boven- en ondergrenzen respecteert. Een economie die niet alleen de mensheid dient, maar ook de wereld om zich heen voedt. Raworth noemt het bijna poëtisch een regeneratieve en genereuze economie waarbij ecologie het uitgangspunt is en geen luxe die er pas bijkomt als al het andere is geregeld.
Het houtbedrijf in Finland dat Lonne en Maxime bezoeken in het verhaal, illustreert mooi hoe ondernemerschap zich kan verankeren binnen de principes van de donuteconomie. Het bedrijf slaagt erin om binnen de ecologische draagkracht van de planeet (de buitenste ring van de donut) te werken, én tegelijk bij te dragen aan de vervulling van fundamentele sociale noden (de binnenste ring).
Ecologisch gezien kijkt het bedrijf verder dan louter het economische rendement van houtkap. Ze beschouwen het bos niet als een eenvoudige boomplantage, maar als een levend ecosysteem met meerdere functies. Door samen te werken met een ecoloog streven ze actief naar het behoud van biodiversiteit –een van de planetaire grenzen die momenteel sterk onder druk staan. Hun duurzaam bosbeheer voorkomt ook bodemuitputting en landdegradatie, en draagt bij aan het stabiel houden van het klimaat door CO₂-vastlegging in de bomen en de bodem. Dat duidt op respect voor planetaire grenzen zoals land use change, klimaatverandering en biodiversiteitsverlies
Tegelijk zetten ze hun organische afvalstromen in voor vergisting, waarbij biogas wordt opgewekt dat het bedrijf deels zelf gebruikt, maar dat ook terugvloeit naar het bredere elektriciteitsnet. Daarmee dragen ze bij aan de planetaire grens rond klimaat gezien er wordt ingezet op energiegebruik uit hernieuwbare bronnen Bovendien wordt het digestaat uit de vergisting hergebruikt als natuurlijke meststof, wat helpt om de stikstof- en fosfaatcycli in evenwicht te houden — grenzen die wereldwijd vaak overschreden worden door intensieve landbouwpraktijken.
Sociaal gezien toont het bedrijf eveneens engagement. De opgewekte energie is niet enkel voor intern gebruik, maar ondersteunt ook de bredere gemeenschap, waardoor het bedrijf bijdraagt aan de sociale ondergrens rond toegang tot energie. Door in te zetten op lokale werkgelegenheid, respecteert het bedrijf ook de ondergrenzen van eerlijk werk en inkomenszekerheid. Het bos wordt zo beheerd dat het ook voor toekomstige generaties rendabel en leefbaar blijft – een duidelijke verwijzing naar intergenerationele rechtvaardigheid
Het houtbedrijf overstijgt daarmee de klassieke, lineaire kijk op economische groei. In plaats van alleen te focussen op winstmaximalisatie, zoeken ze actief naar een balans tussen ecologische grenzen en sociale fundamenten. Dat maakt hen tot een praktijkvoorbeeld van hoe bedrijven kunnen functioneren binnen de veilige en rechtvaardige ruimte van de donuteconomie – een economie die niet streeft naar ‘meer’, maar naar ‘beter’.
Slechts van een beperkt aantal landen in de wereld (ongeveer 40 %) blijft de economie binnen de grenzen van het ecosysteem (onder de ecologische bovengrens), waarbij klimaatverandering vaak de lastigste uitdaging vormt. De sociale ondergrens laat een meer gemengd beeld zien: de meerderheid van de landen slaagt
erin om aan fysieke en sociale behoeften tegemoet te komen, zoals voeding, toegang tot elektriciteit en het terugdringen van armoede. Slechts weinig landen (ongeveer een kwart) lukt het om het minimum te bereiken op het gebied van meer kwalitatieve doelen zoals kwaliteit van leven of gelijkheid.

Figuur 5: Donutmodel voor België en Yemen [University of Leeds, 2022]
Bij Westerse landen is het vaak niet moeilijk om binnen de sociale ondergrenzen te blijven, maar de grenzen van het ecosysteem worden echter vaak op vele vlakken overschreden, zie figuur 5. Voor armere landen geldt precies het omgekeerde: wel binnen de ecologische grenzen, maar geen sociale kwaliteit. En dat schetst exact het huidige probleem: het vervullen van sociale kwaliteit gaat vaak gepaard met het gebruik van veel te veel natuurlijke hulpbronnen.
De essentie van duurzaam ondernemen is dan ook om dat probleem te doorbreken. Bedrijven kunnen door efficiënt gebruik van natuurlijke hulpbronnen, implementatie van een circulaire economie, duurzame supplychains, investeringen in sociale programma’s en technologische innovaties zowel ecologische als sociale doelen bereiken. Transparantie en verantwoording versterken die inspanningen, waardoor sociale kwaliteit gerealiseerd kan worden zonder de ecologische grenzen te overschrijden.
Ruth probeert aandacht te vragen voor de vaak onderschatte sociale gevolgen van klimaatverandering in België. Ze wijst op situaties waarin mensen, bijvoorbeeld door overstromingen, in financiële moeilijkheden belanden en daardoor sociaal kwetsbaarder worden. Hoewel de klimaatcrisis in België minder extreem lijkt dan in andere delen van de wereld, zijn de effecten ook hier al voelbaar. Ruth wil precies voor deze groep meer bewustzijn creëren, maar stuit op onbegrip. Haar omgeving erkent vooral het belang van milieu- en klimaatmaatregelen, maar toont minder interesse in het sociale luik. Dat weerspiegelt hoe in
Westerse contexten ecologische grenzen steeds prominenter worden erkend, terwijl sociale duurzaamheid vaak onderbelicht blijft — net omdat de problemen minder zichtbaar of structureel lijken.
2.3 Sustainable Development Goals (SDG’s)
Naast modellen zoals het Mickey Mouse-model, de Triple Bottom Line, het bullseye-model en het donutmodel, vormen ook de Sustainable Development Goals (SDG’s) een belangrijke manier om duurzaamheid visueel en inhoudelijk te structureren. Waar eerdere modellen vooral relaties en evenwichten tussen de verschillende dimensies (ecologisch, sociaal en economisch) verkennen, vertalen de SDG’s die abstracte principes naar 17 concrete doelstellingen en 169 onderliggende targets die wereldwijd richting geven aan duurzame ontwikkeling.
De SDG’s werden in 2015 gelanceerd door de Verenigde Naties als opvolger van de Millenniumdoelstellingen, met de bedoeling om tegen 2030 te komen tot een rechtvaardige, vreedzame en duurzame samenleving, binnen de grenzen van de planeet. Ze bieden daarmee een internationaal erkend actie- en denkkader dat zowel overheden, bedrijven, onderwijsinstellingen als burgers kunnen gebruiken om duurzaamheidsinspanningen te plannen, te monitoren en te communiceren. De 17 doelstellingen zijn opgesteld door de Verenigde Naties om enkele van de grootste uitdagingen van onze tijd aan te pakken en een duurzame toekomst voor iedereen te bevorderen.

Figuur 6: Overzicht van de SDG’s [sdgs.be, 2025]
Waar modellen zoals het donutmodel abstracte grenzen en fundamenten weergeven, maken de SDG’s duurzaamheid tastbaar en meetbaar. Ze vormen een brug tussen visie en actie, tussen lokale contexten en mondiale uitdagingen, en laten tegelijk zien hoe sterk sociale, ecologische en economische vraagstukken met elkaar verweven zijn.
De SDG’s streven naar het uitroeien van armoede, het bestrijden van ongelijkheid en onrechtvaardigheid, het aanpakken van klimaatverandering en het bevorderen van vrede en welvaart voor alle mensen en de planeet. Elk doel is gekoppeld aan specifieke targets en indicatoren die tegen 2030 moeten worden bereikt.
De SDG’s erkennen dat economische groei hand in hand moet gaan met sociale inclusie en milieubescherming. Ze benadrukken de noodzaak van samenwerking en partnerschappen tussen overheden, bedrijven, het maatschappelijk middenveld en individuen om de doelstellingen te bereiken.
De SDG’s bieden landen en organisaties een raamwerk en richtlijnen om beleid en acties te ontwikkelen die gericht zijn op het verbeteren van de levenskwaliteit van mensen en het beschermen van de planeet. Ze dienen als een gemeenschappelijke taal en referentiepunt voor wereldwijde samenwerking en partnerschappen, waarbij regeringen, bedrijven, maatschappelijke organisaties en burgers betrokken zijn.
Kortom, de SDG’s vormen een brug tussen theoretische concepten van duurzame ontwikkeling en de praktische uitvoering ervan. Ze bieden een gemeenschappelijke visie en meetbare doelen om te streven naar een rechtvaardige, inclusieve en duurzame wereld voor iedereen. Door gebruik te maken van de SDG’s als een tool, kun je als organisatie jouw theoretische duurzaamheidsmodel in de praktijk uitrollen.
Zo kunnen de SDG’s perfect gekoppeld worden aan het bullseye-model, zie figuur 7. In dat ecocentrisch denkkader staat het ecosysteem centraal en vormen sociale rechtvaardigheid en economische activiteit daar een afgeleide van. De SDG’s maken zichtbaar hoe die abstracte structuur kan worden ingevuld en bewaakt in de praktijk. Zo bieden doelen als SDG 13 (klimaatactie), SDG 15 (leven op het land) of SDG 6 (schoon water en sanitair) houvast om planetaire grenzen te bewaken. Andere doelen, zoals SDG 1 (geen armoede), SDG 3 (goede gezondheid en welzijn) en SDG 7 (betaalbare en duurzame energie), verwijzen dan weer naar de sociale ondergrenzen die ook in het donutmodel worden benoemd.

Figuur 7: Wedding cake-model van de SDG’s
Hierbij wordt er steeds vaker gesproken over de vijf P’s: people, planet, prosperity, peace en partnership. Die uitbreiding onderstreept het belang van vrede en samenwerking als noodzakelijke voorwaarden om duurzaamheid te realiseren. In het kader van het bullseye-model (ook wel het wedding cake-model genoemd, waarbij de SDG’s als cakelagen worden opgebouwd op ecologische fundamenten) spelen peace en partnership een verbindende rol. Zonder samenwerking (SDG 17) tussen overheden, bedrijven, burgers en maatschappelijke organisaties is het onmogelijk om de andere doelen te bereiken. En zonder vreedzame, inclusieve samenlevingen (SDG 16) kunnen noch ecologische bescherming, noch sociale vooruitgang duurzaam worden gegarandeerd.
Het belang van peace wordt pijnlijk zichtbaar in tijden van oorlog. Zo toont het conflict in Oekraïne hoe fragiel duurzaamheid is in een context van geweld. Naast het menselijk leed en de sociale ontwrichting, leidt de oorlog tot enorme ecologische schade: de verbranding van brandstofdepots, het opblazen van raffinaderijen en industriële installaties veroorzaken een verhoogde CO₂-uitstoot, grootschalige vervuiling en verlies van natuurlijk kapitaal. Materiaalverspilling, aantasting van ecosystemen en lange herstelperiodes maken dat zelfs eerder behaalde duurzaamheidswinsten in één klap kunnen verdwijnen. Zonder vrede is duurzame ontwikkeling niet alleen moeilijk, maar op veel vlakken onmogelijk.
Wat is duurzaam ondernemen?
De kracht van de SDG’s zit in hun integrale benadering: ze maken het mogelijk om duurzaamheidsacties vanuit het geheel te bekijken, en te waken over zowel ecologische draagkracht als sociale rechtvaardigheid. Op die manier vormen ze geen extra laag bovenop de eerder besproken modellen, maar eerder een operationeel kader dat helpt om theoretische modellen zoals het bullseye-model concreet te vertalen naar actie, beleid en monitoring. Door het expliciet benoemen van vrede en samenwerking versterken de SDG’s bovendien de morele en institutionele fundamenten van sterke duurzaamheid.
2.3.1 SDG-index
De SDG-index is een instrument dat wordt gebruikt om de voortgang van landen te meten bij het bereiken van de duurzame ontwikkelingsdoelen. Het is een meeten beoordelingsinstrument dat landen rangschikt op basis van hun prestaties op verschillende aspecten van duurzame ontwikkeling.
De SDG-index maakt gebruik van een reeks indicatoren om de voortgang van landen te meten op elk van de 17 SDG’s en de bijbehorende targets (169 targets). Die indicatoren omvatten gegevens over armoede, gezondheid, onderwijs, gendergelijkheid, klimaatverandering, biodiversiteit, economische groei en vele andere aspecten van duurzaamheid.
Op basis van de prestaties op deze indicatoren wordt aan elk land een rangorde toegekend, waarbij de beste presterende landen hoger scoren op de index. Dat helpt bij het identificeren van landen die goed presteren en het aanwijzen van gebieden waar meer inspanningen nodig zijn om de SDG’s te bereiken. De SDGindex biedt niet alleen inzicht in de prestaties van individuele landen, maar ook in trends en patronen op regionaal en mondiaal niveau. Het stelt beleidsmakers, maatschappelijke organisaties en andere belanghebbenden in staat om de voortgang te volgen, best practices te identificeren en beleidsmaatregelen te ontwikkelen die gericht zijn op het versnellen van de SDG-implementatie.
Het is belangrijk op te merken dat de SDG-index geen statisch beoordelingssysteem is, maar eerder een dynamisch instrument dat regelmatig wordt bijgewerkt om rekening te houden met nieuwe gegevens en ontwikkelingen. Het is een hulpmiddel om landen te helpen bij het monitoren van hun inspanningen en het stimuleren van actie om duurzame ontwikkeling te bevorderen en de SDG’s te bereiken.
2.3.2
Inner Development Goals
De term Inner Development Goals (IDG’s) is geen officiële term binnen de SDG’s. De term verwijst naar het idee dat persoonlijke innerlijke ontwikkeling en transformatie van individuen een belangrijke rol spelen bij het bereiken van de SDG’s. De IDG’s vormen een aanvulling op de SDG’s en vertrekken vanuit de overtuiging dat duurzame ontwikkeling pas écht mogelijk is als mensen zelf over de innerlijke vaardigheden, waarden en attitudes beschikken om de noodzakelijke transitie te dragen.
Waar de SDG’s focussen op externe doelen en meetbare resultaten, richten de IDG’s zich op de persoonlijke ontwikkeling van individuen en leiders. Denk daarbij aan vaardigheden zoals kritisch denken, empathie, veerkracht, verantwoordelijkheid, reflectievermogen en moed om ethische keuzes te maken, zie figuur 8. Die innerlijke kwaliteiten zijn essentieel om complexe maatschappelijke vraagstukken aan te pakken, belangen af te wegen en écht duurzame beslissingen te nemen.
1
BEING
Relationship to self
Inner compass
Integrity and authenticity
Openness and learning mindset
Self-awareness
Presence
2
THINKING
Cognitive skills
Critical thinking
Complexity awareness
Perspective skills
Sense-making
Long-term orientation and visioning
3
RELATING
Caring for others and the world
Appreciation
Connectedness
Humility
Empathy and compassion
4
COLLABORATING
Social skills
Communication skills
Co-creation skills
Inclusive mindset and intercultural competence
Trust
Mobilization skills
5
ACTING
Driving change Courage
Creativity
Optimism
Perseverance
Zonder die innerlijke groei en bewustwording kunnen de SDG’s moeilijk gerealiseerd worden. Mensen moeten eerst openstaan voor verandering , voor samenwerking en voor het overstijgen van kortetermijndenken. Pas wanneer er ruimte is voor mentale en emotionele transformatie, kunnen de duurzame waarden die centraal staan in modellen zoals het donut- en het bullseye-model, ook écht beleefd en toegepast worden in de praktijk.