ZOUFFF! 5 Handleiding Mission 3

Page 1


DÉPART - UN CARNET D’AMITIÉ LES 1

MATERIAAL

• leerwerkschrift p. 26-27

• Bingel

• luisterfragment

• flitskaarten

• vriendenboeken

POUR ALLER PLUS LOIN

Intro

Zorg zelf voor (oude) vriendenboeken of laat ze door de leerlingen meebrengen.

Basistekst

Het luisterfragment is iets uitgebreider dan de basistekst.

Bonjour, tout le monde!

Je m’appelle Clara Cornette. J’ai onze ans. Je suis de Liège. Mon numéro de GSM est le 0490 87 65 43. J’aime la musique de Zaz, mon film favori est Un monstre à Paris et mon livre favori est Astérix. Comme sport, j’aime jouer au basket. J’ai des matchs les samedis, donc mon jour favori est le samedi. Je préfère chanter une chanson, regarder un film au cinéma, téléphoner à un élève et comme appareil électronique je préfère les portables.

Basistekst

De sporten en het woord favori(te) moeten de leerlingen niet actief kennen. Omdat het doorkijkwoorden zijn, zullen de leerlingen ze wel begrijpen.

Afsluiter

Laat de leerlingen per twee werken zodat de sterkere leerlingen hun partner kunnen helpen.

DOELEN - De leerlingen kunnen

• een voor hen bestemde mondelinge boodschap begrijpen

• de nieuwe woorden begrijpen

• de nieuwe woorden correct uitspreken

• de nieuwe woorden vertalen uit het Nederlands naar het Frans en omgekeerd

Je m’appelle

le livre:

Le Petit Prince Astérix GIL et JO

J’ai ans.

Je suis de Snapchat:

ClaraCornette_Liège Liège 11 0490 87 65 43

GSM:

Préférences

écouter la radio chanter une chanson

regarder un film au cinéma regarder une série à la télé un ordinateur un portable une tablette

téléphoner à un(e) élève téléphoner à un prof de l’école

D’AMITIÉ
musique:
Stromae Zaz
Angèle Barbara Pravi
Clara Cornette
fais quoi?
Coloriez dans le texte: Kleur in de tekst: les jours du weekend. de dagen van het weekend. les jours de la semaine. de weekdagen. le nom français de Kuifje. de Franse naam van Kuifje. les appareils électroniques. de elektronische apparaten. les infinitifs. de infinitief van de werkwoorden.

INTRO (5’)

Projecteer de vriendenboeken via het bordboek en bespreek.

KERN (15’):

BASISTEKST BELUISTEREN EN KENNISMAKEN MET DE NIEUWE

WOORDENSCHAT

1 Bekijk samen het vriendenboek uit het leerwerkschrift en beluister de basistekst.

2 Duid het eerste deel (tot J’aime) van de basistekst aan: Wie kan iets meer over dit meisje vertellen?

3 Duid de doorkijkwoorden aan op het bord. Wijs op het verschil in uitspraak tussen beide talen. Laat bij die woorden elk woord twee keer in groep en twee keer individueel herhalen.

Doorkijkwoorden: un cinéma - un filmun GSM - un sport - un weekendla musique - une radio - une télé(vision)danser - téléphoner (à)

4 Breng nadien de uitspraak en vertaling van de andere woorden en uitdrukkingen aan.

Doorleerwoorden: un ami - un jourun ordinateur - un portable - une amieune chanson - une semaine - aimerchanter - écouter - jouer - regarderTu fais quoi? - Tu aimes faire quoi?

5 Herhaal het kader minstens drie keer klassikaal (in steeds wisselende groepen).

6 Overloop nog eens de basistekst en laat oefening 1 oplossen.

AFSLUITER (5’)

Geef iedereen een flitskaart. De leerlingen stoppen die kaart in hun vriendenboek en stappen door de klas. Als ze iemand tegenkomen, tonen ze hun kaart en zeggen ze hun Franse woord, de andere vertaalt. Nadien wisselen ze onderling van kaart en stappen ze verder.

EN FRANÇAIS, S’IL VOUS PLAIT!

INTRO (5’)

Vous voyez des livres spéciaux. Vous connaissez ces livres? Ce sont des carnets d’amitié. Qui a un carnet d’amitié?

KERN (15’): BASISTEKST BELUISTEREN EN KENNISMAKEN MET DE NIEUWE WOORDENSCHAT

1 Nous écoutons le texte ensemble.

2 Vous comprenez déjà la première partie du texte. Qui peut raconter quelque chose sur cette fille?

3 Il y a des mots qui ressemblent au néerlandais, comme un film. Vous reconnaissez encore d’autres mots? Faites attention à la prononciation. Le cinéma, répétez ensemble. Encore une fois. Élève X, répète. Élève Y, répète.

(Faites la même chose pour les autres mots.)

4 Je traduis maintenant les mots qui sont différents en néerlandais. Pour commencer, il y a un ami Un ami signifie een vriend Répétez ensemble, un ami. Encore une fois. Élève X, répète. Élève Y, répète.

(Faites la même chose pour les autres mots.)

5 Nous regardons le cadre ensemble. Je lis un mot, vous répétez. Maintenant, les élèves qui ont 10 ans (ou 12 ans) répètent les mots masculins, les élèves qui ont 11 ans répètent les mots féminins …

6 Nous lisons encore une fois le texte. Regardez l’exercice 1 et cherchez les bonnes réponses dans le texte.

AFSLUITER (5’)

Tout le monde reçoit une carte avec un mot du vocabulaire. Mettez-la dans votre carnet d’amitié. Marchez dans la classe et montrez votre carte à quelqu’un. Dites votre mot en français, votre partenaire le traduit. Puis, votre partenaire dit son mot en français et vous le traduisez. Finalement, vous échangez les cartes et vous continuez avec une autre personne.

VOCABULAIRE LES 2

MATERIAAL

• leerwerkschrift p. 27-28

• Bingel

• flitskaarten

DOELEN - De leerlingen kunnen

• de nieuwe woorden begrijpen

• de nieuwe woorden correct uitspreken

• de nieuwe woorden vertalen uit het Nederlands naar het Frans en omgekeerd

• de nieuwe woorden in zinvolle contexten gebruiken

• de nieuwe woorden foutloos kopiëren

• de meertaligheid van hun medeleerlingen erkennen en hun eigen meertaligheid inzetten

POUR ALLER PLUS LOIN

Intro

In de inleidende voorbeeldtekst staan enkele woorden die de leerlingen nog niet actief moeten kennen. Je kunt ze wel vertalen om de context duidelijk te maken. Wijs nogmaals op het verschil in uitspraak bij de doorkijkwoorden.

Schaduwtaak 1

Tijdens de herhaling van de woordenschat maken de Franstalige leerlingen op basis van jouw verhaal een kort paralleltekstje waarin zij ook kort vertellen wat ze doen vandaag. Wijs hen er wel op dat ze zich zo veel mogelijk tot woorden uit het woordenschatkader moeten beperken. Ze werken eraan zolang er mondeling ingeoefend wordt.

VOCABULAIRE

J’apprends ces mots. Ik leer deze woorden.

ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN un ami een vriend

un cinéma een bioscoop un film een film un GSM een gsm un jour een dag un ordinateur een computer un portable een laptop un sport een sport un weekend een weekend

WERKWOORDEN

aimer houden van, leuk vinden chanter zingen danser dansen écouter luisteren (naar) jouer spelen regarder kijken (naar) téléphoner (à) telefoneren (naar)

LES JOURS DE LA SEMAINE (le) lundi maandag (le) mardi dinsdag (le) mercredi woensdag (le) jeudi donderdag (le) vendredi vrijdag (le) samedi zaterdag (le) dimanche zondag

ZOUFFF! – VOCABULAIRE vingt-sept 27 Coloriez dans le texte:

ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN une amie een vriendin

une chanson een liedje la musique de muziek une radio een radio une semaine een week une télé(vision) een televisie

KLAAR OM TE SPREKEN

Tu fais quoi? Wat doe je?

Tu aimes faire quoi? Wat doe je graag?

Wist je dat?

In het Frans kun je de dagen van de week met of zonder lidwoord gebruiken.

• Lundi, j’écoute la radio. (Ik luister op maandag naar de radio.)

• Le lundi, j’écoute la radio. (Ik luister élke maandag naar de radio.)

INTRO (5’)

Vertel in een kort verhaal wat je deze avond allemaal gepland hebt. Beeld daarbij de woorden uit of visualiseer ze met de flitskaarten.

Hiernaast vind je een kort verhaal dat je kunt gebruiken. Uiteraard kun je de activiteiten aanpassen.

KERN (15’): WOORDENSCHAT INOEFENEN

1 Vertel het verhaal nog een keer. Laat de flitskaarten uit het verhaal in de juiste volgorde leggen. Duid een leerling aan om je verhaal na te vertellen.

2 Overloop vervolgens de andere woorden uit het woordenschatkader aan de hand van de flitskaarten, met uitzondering van de dagen van de week. Die komen in de volgende les aan bod. Laat de leerlingen vooral oefenen van Nederlands naar Frans, zodat je op de juiste uitspraak kunt hameren. Wanneer dat vlot lukt, kun je overstappen naar het leerwerkschrift.

EN FRANÇAIS, S’IL VOUS PLAIT!

INTRO (5’)

Ce soir, je vais faire beaucoup d’activités. Écoutez!

Aujourd’hui, je joue au foot avec une amie. J’aime le sport! Après, je vais au cinéma. Puis, j’écoute des chansons et je joue sur l’ordinateur. Enfin, je regarde la télé. Quel jour parfait! Et toi, tu fais quoi?

KERN (15’): WOORDENSCHAT INOEFENEN

1 Vous savez ce que je vais faire? Je raconte l’histoire encore une fois. Mettez les activités dans le bon ordre. Qui peut raconter l’histoire à l’aide des images?

2 Nous répétons les autres mots. Je montre une carte et vous traduisez.

Schaduwtaak 1

Liet je de Franstalige leerlingen de schaduwtaak maken?

Dan kunnen zij die als afsluiter voorstellen. De klas probeert te achterhalen welke activiteiten ze gepland hebben. Als je voldoende tijd hebt, kun je ook klassikaal een tekst met enkele activiteiten opstellen.

Cela semble familier? Klinkt dat bekend?

a Soulignez dans la liste des mots Onderlijn in de woordenschatlijst op pagina 27 à la page 27 tous le substantifs alle zelfstandige naamwoorden qui ressemblent au néerlandais. die op het Nederlands lijken.

NOTES

b Copiez les autres substantifs sous la bonne photo. Kopieer de overige zelfstandige naamwoorden N’oubliez pas l’article! onder de juiste foto. Vergeet het lidwoord niet! et

Il est interdit de/d’ … Het is verboden te …

a Complétez avec le bon verbe. Vul het juiste werkwoord aan.

b Cachez les verbes et reprenez. Bedek de werkwoorden en herneem.

aimer chanter danser écouter

être jouer

regarder téléphoner

regarder écouter jouer

téléphoner aimer danser chanter

28 vingt-huit ‒ VOCABULAIRE

3 Duid voor oefening 2a samen de doorkijkwoorden in het woordenschatkader aan. Schenk daarbij nog eens aandacht aan het verschil in klemtoon bij un cinéma, un weekend, une radio en une télévision. Wijs de leerlingen ook op het verschil in uitspraak bij un GSM en un sport

4 Vervolgens maken de leerlingen oefening 2b zelfstandig. Verbeter klassikaal. Sta ook hier nog eens stil bij de juiste uitspraak.

5 Maak oefening 3 op dezelfde manier. Leerlingen die klaar zijn, werken per twee: iemand wijst aan, de andere zegt hardop wat verboden is. Ze zeggen telkens de volledige zin. Projecteer of schrijf de structuur op het bord ter ondersteuning.

AFSLUITER

(5’)

Herinner de leerlingen aan je verhaal uit de inleiding. Welke activiteiten staan wel op je planning en welke niet? Lees de tekst eventueel nog eens voor. De leerlingen staan recht als je de activiteit uitvoert en blijven zitten als dat niet zo is.

3 Prenez un marqueur. Indiquez dans le cadre les mots qui ressemblent au néerlandais. Faites attention à la prononciation.

4 Copiez maintenant les autres mots sous les images. Pensez à l’article. Corrigeons ensemble.

5 Faites l’exercice 3. Quand vous êtes prêts, travaillez à deux. Un élève indique une image, l’autre dit en français ce qu’il voit. Suivez la structure au tableau: Il est interdit de/d’ …

AFSLUITER

(5’)

Vous vous souvenez des activités que je vais faire ce soir? Levez-vous si je fais l’activité, restez assis si je ne fais pas l’activité.

3

MATERIAAL

• leerwerkschrift p. 29-30

• Bingel

• luisterfragment

POUR ALLER PLUS LOIN

Intro

Laat de namen van de dagen aan het bord hangen als steun voor de taalzwakkere leerlingen. Vanaf nu kun je bij het begin van de dag ook steeds in het Frans laten verwoorden welke dag het is: Nous sommes …

Kern

De Franstalige leerlingen maken de oefeningen mee. Schakel hen in als minileerkracht als ze sneller klaar zijn.

Schaduwtaak 2

De taalsterke leerlingen zoeken info op over een Franstalig(e) artiest/film/boek uit de basistekst en presenteren de interessantste feiten aan de anderen. Als daar geen tijd voor is, gieten ze het in een PowerPointpresentatie die jij kunt bekijken. Ze kunnen tijdens les 5, 6, 9 en 10 verder werken aan die taak.

VOCABULAIRE - EXERCICES

DOELEN - De leerlingen kunnen

• de nieuwe woorden begrijpen

• de nieuwe woorden correct uitspreken

• de nieuwe woorden vertalen uit het Nederlands naar het Frans en omgekeerd

• de nieuwe woorden in zinvolle contexten gebruiken

• de nieuwe woorden foutloos kopiëren

a Cherchez et barrez les noms des jours. Zoek en doorstreep de namen van de dagen. (Toutes les directions sont possibles!) (Alle richtingen zijn mogelijk!)

b Écrivez les jours dans le bon ordre. Schrijf de dagen in de juiste volgorde.

lundi

mardi

mercredi jeudi vendredi samedi dimanche

c Cherchez et barrez encore dix mots de Zoek en doorstreep nóg tien woorden uit cette Mission. Écrivez les substantifs deze Mission. Schrijf de zelfstandige naamwoorden avec leur article. met hun lidwoord.

une chanson la musique aimer un ami un cinéma une radio un ordinateur danser un GSM jouer

d Formez un mot avec les lettres restantes. Vorm een woord met de overgebleven letters.

INTRO (5’)

1 Projecteer de agenda. Vertel aan de leerlingen dat hij door elkaar is geraakt en dat je hem tegen het einde van de les op orde wilt hebben.

2 Luister samen naar een Frans lied over de dagen van de week, bijvoorbeeld via YouTube: - Les jours de la semaine (Alain Le Lait) - La chanson des jours de la semaine (Mini TFO)

Doorleerwoorden: (le) lundi - (le) mardi(le) mercredi - (le) jeudi - (le) vendredi(le) samedi - (le) dimanche

KERN (15’): DE DAGEN VAN DE WEEK

INOEFENEN

1 Breng de dagen van de week in volgorde aan.

EN FRANÇAIS, S’IL VOUS PLAIT!

INTRO (5’)

1 Quelle catastrophe! Mon agenda est désordonné. Je dois le remettre en ordre avant la fin de ce cours.

2 Nous écoutons une chanson avec les jours de la semaine. À l’aide de la chanson suivante, vous aurez déjà une idée du bon ordre.

2 Overloop oefening 4 en laat de leerlingen zelfstandig aan de slag gaan.

KERN (15’): DE DAGEN VAN DE WEEK

INOEFENEN

1 Nous parcourons les jours de la semaine ensemble. Maandag, en français, c’est lundi Répétez ensemble. Encore une fois. Élève X, répète, élève Y, répète.

2 Faites l’exercice 4. Cherchez et barrez les jours de la semaine et dix autres mots de cette Mission. Écrivez-les. Puis, vous pouvez former un verbe avec les autres lettres.

Oefening 5

Salut, Lucie!

Tu fais quoi, cette semaine?

Lundi, je regarde la télé. Mardi, j’écoute la radio. Mercredi? C’est le jour du sport.

Jeudi … Oh la la: cinéma!

Je regarde un film. Vendredi, je téléphone à une amie. Samedi! Ouf! Le weekend!

Je chante une chanson. Et dimanche?

Moi, je joue à l’ordinateur.

Cette semaine, je fais …

Deze week doe ik … a Écoutez bien et complétez. Luister goed en vul aan.

1 Salut, Lucie! Tu fais cette semaine?

2 Lundi, je regarde la

3 Mardi, j’écoute la

4 Mercredi? C’est le du sport.

5 Jeudi … Oh la la: ! Je regarde un film.

6 Vendredi, je téléphone à une

7 Samedi! Ouf! Le weekend! Je chante une

8 Et dimanche? Moi, je joue à l’

b Copiez le nom de chaque jour au bon endroit. Kopieer de naam van elke dag op de juiste plek.

Entrainez-vous à parler

c Reprenez à deux.

Herneem per twee Faites comme dans l’exemple: Doe zoals in het voorbeeld:

Lundi, tu fais quoi? Lundi, je regarde la télé.

d Cachez l’exercice 5a. Jouez le dialogue

NOTES

Bedek

à l’aide des dessins de l’exercice 5b. aan de hand van de tekeningen van oefening

30 trente – VOCABULAIRE
oefening 5a. Speel de dialoog
5b.
mercredi samedi lundi vendredi mardi dimanche jeudi

3

Laat oefening 5 maken. Zowel de dagen van de week als de eerder geziene woordenschat komen aan bod. Werk in drie luisterrondes:

- Waar gaat het over?

- Vul de woorden aan.

- Vul de woorden aan die je nog niet vond en schrijf de dagen van de week op de juiste plaats.

Laat oefening 5d maken. De leerlingen werken per twee. Eén leerling vraagt bij elke dag van de week wat Lucie doet, de andere antwoordt aan de hand van de tekeningen over Lucie. Je kunt er ook voor kiezen om de leerlingen de weekplanning van Lucie te laten navertellen zonder in dialoog te gaan.

AFSLUITER (5’)

Projecteer opnieuw de agenda. Nu kunnen de leerlingen alles weer in de juiste volgorde zetten. Laat elke dag hardop zeggen door de leerling die hem juist zet. Laat op het einde nog eens door de klas herhalen.

EN FRANÇAIS, S’IL VOUS PLAIT!

3 Écoutez l’extrait audio.

- Racontez-moi de quoi on parle. N’écrivez pas encore.

- Je remets l’extrait. Maintenant, complétez les mots qui manquent.

- Écoutez l’extrait une dernière fois. Complétez les mots que vous n’avez pas encore trouvés et mettez les noms des jours au bon endroit.

Faites l’exercice 5d. Racontez ce que Lucie fait chaque jour. Un élève demande pour chaque jour de la semaine ce que Lucie fait, l’autre répond à l’aide des images.

AFSLUITER (5’)

Maintenant, vous pouvez m’aider avec mon agenda. Qui peut mettre les jours de la semaine dans le bon ordre?

Répétez ensemble: lundi, mardi …

25ʼ GRAMMAIRE - LES ARTICLES DÉFINIS LES 4

MATERIAAL

• leerwerkschrift p. 31

• Bingel

• kopieerblad 1

• instructiefilmpje

DOELEN - De leerlingen kunnen

• de bepaalde en onbepaalde lidwoorden correct gebruiken

• de meertaligheid van medeleerlingen erkennen en hun eigen meertaligheid inzetten

• samenwerken met elkaar om tot de oplossing te komen

POUR ALLER PLUS LOIN

Intro

Geef aan de minder sterke leerlingen een kaartje met een onbepaald lidwoord. De onbepaalde lidwoorden kennen ze al van de vorige Missions.

Kern

Leerlingen die het moeilijk hebben met Frans kunnen thuis via Bingel het instructiefilmpje al eens bekijken.

GRAMMAIRE

Les articles définis

De bepaalde lidwoorden mannelijk vrouwelijk

enkelvoud un cinéma een bioscoop un ordinateur een computer

→ le cinéma de bioscoop

→ l’ordinateur de computer le (l’)

meervoud

des cinémas bioscopen des ordinateurs computers

une chanson een liedje une amie een vriendin

→ la chanson het liedje

→ l’amie de vriendin la (l’)

Let op! Le/la wordt l’ voor een woord dat begint met een klinker. !

→ les cinémas de bioscopen

→ les ordinateurs de computers les

des chansons liedjes

des amies vriendinnen

→ les chansons de liedjes

→ les amies de vriendinnen les

Au travail! Aan de slag!

a Coloriez: Kleur: les mots masculins. de mannelijke woorden. les mots féminins. de vrouwelijke woorden.

b Écrivez l’article défini: le, la, l’ ou les. Schrijf het bepaald lidwoord: le, la, l’ of les

le la le les la l’ le les la le des radios la radio les radios une voisine la voisine les voisines un exercice des exercices les exercices un portable des portables le portable des ordinateurs l’ordinateur les ordinateurs

GSM musique portable weekends télé ami cinéma semaines chanson film

c Complétez le cadre. Vul het kader aan. onbepaald lidwoord bepaald lidwoord enkelvoud meervoud enkelvoud meervoud C’est …? Ce sont …? C’est … de Camille. Ce sont … de Youssef. une radio des voisines l’exercice les portables un ordinateur

ZOUFFF! – GRAMMAIRE trente-et-un 31

INTRO (5’)

1 Deel de woordkaartjes van kopieerblad 1 uit. De leerlingen stappen rustig rond en zoeken de leerling die het kaartje met hetzelfde zelfstandig naamwoord heeft.

2 Overloop de kaartjes en maak op basis daarvan vier groepen: - de kaartjes met un en le; - de kaartjes met une en la; - de kaartjes met des en les; - de kaartjes met un of une en l’.

KERN (15’): BEPAALD VS. ONBEPAALD

LIDWOORD

1 Projecteer het grammaticakader en leg het verband tussen de lidwoorden uit.

Wijs op het verschil in vertaling tussen de bepaalde en de onbepaalde lidwoorden. Merk op dat je het onbepaald lidwoord des in het Nederlands niet vertaalt. Schenk extra aandacht aan het gebruik van l’ bij de woorden die met een klinker of een h beginnen en aan de lidwoorden in het meervoud: de mannelijke en vrouwelijke woorden krijgen hier hetzelfde lidwoord.

2 Maak de bovenste rij van oefening 6a en 6b klassikaal. Bespreek telkens het geslacht van het woord en het juiste lidwoord. De leerlingen werken de onderste rij zelfstandig af.

3 Laat oefening 6c maken. De leerlingen kunnen eventueel in de alfabetische woordenlijst in hun Kit de survie het geslacht van de woorden opzoeken.

AFSLUITER (5’)

Laat de leerlingen in het woordenschatkader zoeken bij welke woorden er een bepaald lidwoord staat.

Leg kort uit: Bij sommige woorden gebruiken we altijd een bepaald lidwoord, net zoals in het Nederlands (de muziek, het water of de melk).

EN FRANÇAIS, S’IL VOUS PLAIT!

INTRO (5’)

1 Cherchez le camarade de classe qui a la carte avec le même substantif. Faites des groupes de deux.

2 Comme vous voyez, nous avons quatre groupes: - le groupe avec les articles un et le; - le groupe avec les articles une et la; - le groupe avec les articles des et les; - le groupe avec les articles un ou une et l’.

KERN (15’): BEPAALD VS. ONBEPAALD LIDWOORD

1 Prenez votre livre, nous regardons le cadre ensemble.

2 Prenez un marqueur. GSM est un mot masculin ou féminin? Coloriez GSM en bleu. On écrit quel article défini? (le). Musique est un mot masculin ou féminin? Coloriez musique en rouge. On écrit quel article défini? (la). Faites maintenant la deuxième rangée de la même manière.

3 Faites l’exercice 6c. Copiez les mots et ajoutez les bons articles. Dans les deux premières colonnes, vous écrivez un article indéfini. Dans les deux dernières colonnes, vous écrivez l’article défini.

AFSLUITER (5’)

Regardez le cadre avec les mots de la Mission 3. Vous trouvez le substantif avec un article défini?

KOPIEERBLAD

1: WOORDKAARTEN MET

BEPAALDE EN ONBEPAALDE LIDWOORDEN

un ami l’ami un sport le sport

un cinéma le cinéma un weekend le weekend

un film le film une amie l’amie

un GSM le GSM une chanson la chanson

un jour le jour une radio la radio

un ordinateur l’ordinateur une semaine la semaine

un portable le portable une télé la télé

25ʼ POINT DE CONTRÔLE 1GRAMMAIRE - LE VERBE AIMER

MATERIAAL

• leerwerkschrift p. 32

• Bingel

• point de contrôle 1

POUR ALLER PLUS LOIN

Toets

Toon de afbeeldingen in kleur via het bordboek indien je zwart-wit print.

J’aime

Schenk bij de vervoeging van aimer extra andacht aan j’aime: doordat aime met een klinker begint, moet je de e weglaten. Het is dus hetzelfde principe als bij de voor een stad die met een klinker begint.

Schaduwtaak 2

De taalsterke leerlingen zoeken info op over een Franstalig(e) artiest/film/boek uit de basistekst en presenteren de interessantste feiten aan de anderen. Als daar geen tijd voor is, gieten ze het in een PowerPointpresentatie die jij kunt bekijken. Ze kunnen tijdens les 6, 9 en 10 verder werken aan die taak.

DOELEN - De leerlingen kunnen

• het werkwoord aimer correct vervoegen in de indicatif présent

• de Franse taal en de regels correct en verzorgd gebruiken

• de nieuwe woorden begrijpen

• de nieuwe woorden vertalen uit het Nederlands naar het Frans en omgekeerd

• de nieuwe woorden in zinvolle contexten gebruiken

Au,

à + le = au le cinéma → Les enfants sont au cinéma.

à + la = à la la radio → J’écoute des chansons à la radio.

à + l’ = à l’ l’ami → Louise téléphone à l’ami de Noa.

à + les = aux les élèves → La prof montre l’exercice aux élèves.

6 Le prof téléphone amie de papa. 7 à l’ au à la aux au à la à l’ aux à la aux au à l’

Au, à la, à l’, aux? Complétez. Vul aan.

a Regardez bien l’article du mot. Kijk goed naar het lidwoord van het woord. Complétez avec la bonne forme. Vul aan met de juiste vorm.

1 l’école → Les élèves sont école.

2 le voisin → Nous téléphonons voisin de Lina.

3 la page → Les exercices sont page 11.

4 les amies → Éléonore téléphone amies de Rhim.

5 le tableau → Le texte est tableau.

6 la voisine → Nordin téléphone voisine d’Alicia.

b Continuez. Ga verder.

1 Timothy et Finn jouent ordinateur.

2 Najib téléphone voisins.

3 Je regarde les films télé.

4 Vous téléphonez profs de 5A et 5B?

5 Anaïs regarde un film cinéma.

j’ aime tu aim

il aime elle aime ik houd van jij houdt van hij houdt van zij houdt van

1e p.

2e p.

3e p.

3e p.

nous aimons vous aimez ils aiment elles aiment wij houden van jullie houden van zij houden van zij houden van

J’aime la musique. Tu aimes chanter?

Gabriel aime le sport. Ella aime écouter la radio.

Nous aimons regarder la télé. Vous aimez le weekend!

Rayan et Vic aiment danser.

Lia et Sara aiment la prof!

AIMER
à la, à l’, aux
Het samengetrokken lidwoord

POINT DE CONTRÔLE 1 (5’)

Neem de woordenschattoets af.

INTRO (2’)

Hang een blad in elke hoek van de klas: eentje met le, eentje met la, eentje met l’, eentje met les

Projecteer de zelfstandige naamwoorden zonder lidwoord op het bord. De leerlingen lopen naar het blad met het juiste lidwoord. Te weinig plaats? Laat de leerlingen naar de juiste hoek wijzen.

KERN (15’): AU, À LA, À L’, AUX EN HET

WERKWOORD AIMER AANBRENGEN

1 Projecteer vier zinnen op het bord: Voici le voisin, Voici la prof, Voici l’ami en Voici les élèves. Laat een leerling de lidwoorden aanduiden.

2 Laat vervolgens de vier volgende zinnen verschijnen: Je téléphone au voisin, Je téléphone à la prof, Je téléphone à lʼami en Je téléphone aux élèves. Wat gebeurt er met de lidwoorden als we à in de zin zetten?

Duid het article contracté aan.

3 Verwoord de regel: Als we à combineren met het bepaald lidwoord, doen we dat op de volgende manier: à + le wordt au, à + la blijft à + la, à + l’ blijft à + l’ en à + les wordt aux.

Laat de regel herhalen door de leerlingen.

4 Laat oefening 7 maken.

5 Vervoeg het werkwoord aimer hardop.

6 Projecteer de vormen op het bord en vervoeg het werkwoord nogmaals hardop.

7 Herneem de vervoeging, de leerlingen herhalen.

8 Deel de klas in twee groepen.

Maak een piramide. Groep 1 begint met j’aime; groep 2 zegt j’aime, tu aimes; groep 1 vervolgt met j’aime, tu aimes, il aime enz.

AFSLUITER

(3’)

Projecteer of noteer de letters van danser, chanter, écouter, jouer, regarder en téléphoner door elkaar op het bord. De leerlingen vinden zo de infinitieven.

EN

FRANÇAIS, S’IL VOUS PLAIT!

POINT DE CONTRÔLE 1 (5’)

Nous allons faire le test de vocabulaire.

INTRO (2’)

Dans chaque coin de la classe, il y a une feuille avec un article défini. Je montre des substantifs sans article au tableau. Courez vers la feuille avec le bon article.

KERN (15’): AU, À LA, À L’, AUX EN HET WERKWOORD AIMER AANBRENGEN

1 Regardez les phrases au tableau. Qui vient indiquer les articles?

2 Je vous montre quatre nouvelles phrases. Qu'est-ce qui se passe avec les articles quand on ajoute à?

3 Qui répète la règle?

4 Faites l’exercice 7. Complétez les phrases avec le bon article.

5 Nous apprenons la conjugaison du verbe aimer. Écoutez bien!

6 Je dis la conjugaison encore une fois et je vous montre comment écrire aimer.

7 Une dernière fois, répétez chaque forme.

8 Je divise la classe en deux groupes. Nous faisons une pyramide. Le groupe 1 commence par j’aime; le groupe 2 dit j’aime, tu aimes; le groupe 1 dit ensuite j’aime, tu aimes, il aime etc.

AFSLUITER (3’)

Dans la Mission 3, il y a aussi d’autres verbes. Je vais les montrer! Vous les reconnaissez?

Nous allons également apprendre la conjugaison de ces verbes!

25ʼ GRAMMAIRE - LES VERBES EN -ER

MATERIAAL

• leerwerkschrift p. 33-34

• Bingel

• kopieerblad 1 Mission 1

• instructiefilmpje

DOELEN - De leerlingen kunnen

• alle werkwoorden op -ER correct vervoegen

• de overeenkomsten tussen de werkwoorden op -ER herkennen en toepassen

POUR ALLER PLUS LOIN

Schaduwtaak 2

De taalsterke leerlingen zoeken info op over een Franstalig(e) artiest/film/boek uit de basistekst en presenteren de interessantste feiten aan de anderen. Als daar geen tijd voor is, gieten ze het in een PowerPointpresentatie die jij kunt bekijken. Ze kunnen tijdens les 9 en 10 verder werken aan die taak.

C’est à toi! Het is aan jou!

a Copiez les formes du verbe dans le bon ordre. Kopieer de werkwoordsvormen in de juiste volgorde.

b Cachez et récrivez la conjugaison. Bedek en schrijf de vervoeging opnieuw. elles aiment nous aimons il aime

j’aime ils aiment vous aimez elle aime tu aimes

j’aime j’aime tu aimes tu aimes il aime il aime elle aime elle aime nous aimons nous aimons vous aimez vous aimez ils aiment ils aiment elles aiment elles aiment

c Combinez ce qui va ensemble. Verbind wat bij elkaar hoort. Clara Cornette tu aime Astérix aimes j’ vous aimons les amis de Nour aimez papa et moi, nous aiment Belle et Sébastien

J’aime … Ik houd van …

Om in het Frans te zeggen wat je graag doet, gebruik je aimer + de infinitief van het werkwoord Bv. J’aime

Coloriez ce qui va ensemble. Kleur wat samengaat. Plusieurs solutions sont possibles! Er zijn meerdere oplossingen mogelijk!

J’aime écouter un jour J’aime téléphoner avec un GSM J’aime danser une chanson la radio de la musique au basket des amies à une amie avec un ami

J’aime chanter au padel J’aime regarder la télé J’aime jouer au basket des chansons un film avec un ami la radio une semaine de la musique

ZOUFFF! – GRAMMAIRE trente-trois 33

INTRO (5’)

1 Beeld de werkwoorden op -ER uit. De leerlingen komen zo tot danser, chanter, écouter, jouer.

2 Laat zelf ontdekken wat het verband van die vier woorden met aimer is: het zijn ook vier werkwoorden en ze eindigen allemaal op -ER.

3 Projecteer het werkwoord aimer op het bord en laat het nog eens vervoegen.

KERN (15’): DE WERKWOORDEN OP -ER

VERVOEGEN

1 Laat oefening 8 maken.

2 Bespreek het kadertje bij oefening 9: om in het Frans te zeggen wat iemand graag doet, gebruik je het werkwoord aimer + de infinitief van wat je graag doet. Geef zelf enkele voorbeelden.

3 Laat oefening 9 maken.

4 Deel de papieren van het klasboek terug uit. Laat leerlingen die snel werken het stukje ‘j’aime’ op hun pagina verder invullen (cf. kopieerblad 1 uit Mission 1).

EN FRANÇAIS, S’IL VOUS PLAIT!

INTRO (5’)

1 Je mime quelques verbes. Vous me dites lesquels.

2 Ce sont quatre verbes en -ER. Ils se conjuguent de la même manière qu’aimer.

3 On conjugue de nouveau le verbe aimer Je montre la conjugaison au tableau.

KERN (15’): DE WERKWOORDEN OP -ER

VERVOEGEN

1 Faites l’exercice 8. Copiez les formes du verbe aimer dans le bon ordre. Si vous êtes prêts, faites d’abord 8c. Combinez la colonne de gauche et la colonne de droite. Si vous avez encore du temps, cachez les formes de 8b et écrivez le verbe aimer encore une fois.

2 Il est intéressant de savoir ce que les autres aiment faire. Si on veut dire en français ce qu’on aime, on utilise le verbe aimer combiné avec un infinitif. Par exemple, moi, j’aime jouer au foot et j’aime regarder des films.

3 Faites l’exercice 9. Coloriez les substantifs qui peuvent être combinés avec les verbes. Parfois, plusieurs solutions sont possibles. Faisons le premier exercice ensemble.

On peut dire J’aime écouter un jour? (Non.)

On peut dire J’aime écouter la radio? (Oui.)

On peut dire J’aime écouter des amies? (Oui.) Faites tout l’exercice de cette façon.

4 Je vous donne votre carnet d’amitié. Notez ce que vous aimez.

Kern Leerlingen die het moeilijk hebben met Frans kunnen thuis via Bingel het instructiefilmpje al eens bekijken.

10

Les verbes en -ER

NOTES

De (regelmatige) werkwoorden op -ER

Nu je aimer kunt vervoegen, kun je alle regelmatige werkwoorden op -ER vervoegen.

1 Eerst vorm je de stam

Dat doe je door -ER van het werkwoord weg te ‘knippen’.

2 Dan voeg je telkens de uitgang toe.

Die is bij alle regelmatige werkwoorden op -ER dezelfde.

Toujours la même chose! Altijd hetzelfde!

a Conjuguez les verbes. Vervoeg de werkwoorden.

DANSER CHANTER ÉCOUTER JOUER je/j’ tu il elle nous vous ils elles

danse chante écoute joue

danses chantes écoutes joues

danse chante écoute joue

danse chante écoute joue

dansons chantons écoutons jouons

dansez chantez écoutez jouez

dansent chantent écoutent jouent

dansent chantent écoutent jouent

b Coloriez le sujet en GEEL

Kleur het onderwerp geel. Complétez avec la bonne forme du verbe. Vul aan met de juiste werkwoordsvorm.

AIMER

ÉCOUTER

Tu Chloé?

Non, j’ Suki. aimes aime

REGARDER

Mo et Sam la télé?

Oui, ils un film. regardent regardent

TÉLÉPHONER

Vous à qui? Je à un ami. téléphonez téléphone

Entrainez-vous à parler

34 trente-quatre – GRAMMAIRE

Zoé la radio?

Oui! Et Tim et Muriel la radio aussi. écoute écoutent

DANSER

Tu avec Ismaël?

Oui, et Sandrine avec Samir. danses danse

CHANTER

Vous une chanson?

Oui, nous une chanson de Zaz. chantez chantons

c Jouez les dialogues à deux. Speel de dialogen per twee.

5 Projecteer de vervoegingen van de werkwoorden op het bord en leg het verband tussen de regelmatige werkwoorden op -ER uit: Je knipt eerst -ER bij de infinitief weg en voegt dan telkens de betreffende uitgang aan de stam toe.

Visualiseer dat aan het bord met een streepje tussen de stam en uitgangen.

Laat de leerlingen hetzelfde doen in hun leerwerkschrift bij oefening 10

6 Laat oefening 10 maken.

AFSLUITER (5’)

1 Laat de leerlingen per twee de twee andere werkwoorden van deze Mission vervoegen. De helft van de groepjes vervoegt regarder, de andere helft téléphoner (à).

2 Laat de vervoegingen nog eens klassikaal opzeggen.

6 Faites l’exercice 10. Notez d’abord les verbes conjugués. Ensuite, coloriez le sujet en jaune et notez la forme correcte du verbe. Finalement, lisez les phrases à deux.

AFSLUITER (5’)

1 Il y a encore deux verbes en -ER dans cette Mission. Je vous divise en deux groupes. Le groupe 1 conjugue le verbe regarder, le groupe 2 conjugue le verbe téléphoner à

2 Nous faisons un serpent. Chaque élève dit une forme du verbe. Nous commençons par téléphoner (à) et nous finissons par regarder

MATERIAAL

• leerwerkschrift p. 35

• Bingel

ON Y VA

De leerlingen kunnen zich tijdens deze les voorbereiden op de toets. Ze controleren of ze de leerstof onder de knie hebben en verankeren die nog meer aan de hand van enkele herhalingsoefeningen.

Laat de leerlingen het zelfevaluatiekader invullen. Ze schatten zichzelf in en omcirkelen de figuur of die voor hen van toepassing is.

Wanneer de leerlingen de leerstof nog onvoldoende kennen, kunnen ze oefeningen uit het leerwerkschrift en op Bingel (her)maken.

DOELEN - De leerlingen kunnen

• basisvertrouwen ontwikkelen en vertrouwen op het eigen kunnen om de opdracht op te lossen

• verworven kennis en strategieën inzetten om de opdrachten autonoom tot een goed einde te brengen

• de Franse taal correct, verzorgd en gepast gebruiken

• de woorden die ze kennen juist gebruiken

• de werkwoorden juist vervoegen

• het bepaald lidwoord en het samengetrokken lidwoord juist gebruiken

Complétez les dialogues ... Vul de dialogen aan ... a avec des substantifs de la liste à la page 27. met zelfstandige naamwoorden van de lijst op pagina 27.

Tu écoutes de la musique?

Oui, une de Stromae.

C’est un ordinateur?

Non, c’est une

Tu aimes le weekend?

Oui, samedi et sont super!

Aline téléphone à une voisine?

Non, à une

dimanche amie semaine

C’est quoi, ‘mercredi’?

Mercredi est un jour de la

Tu fais quoi, mardi?

Mardi, je au tennis. Et toi?

Vous la télé?

Oui, nous un film de 007.

b avec des verbes de la liste (à la bonne forme). met werkwoorden van de lijst (in de juiste vorm).

Tu téléphones à qui?

Je téléphone amies de la classe.

joue regardez regardons danses aime écoutent chantent aux à l’ au

Les élèves sont école du lundi au vendredi?

Oui, cinq jours par semaine.

Zo schat ik mezelf in!

Tu avec qui?

Avec Rachid. Il danser avec moi.

Les élèves de la musique?

Oui, et ils des chansons aussi.

c avec au, à la, à l’ ou aux. met au, à la, à l’ of aux.

Vos amis regardent un film?

Oui, ils sont cinéma.

Herneem oefeningen

Ik kende de woorden uit deze Mission en kon ze juist gebruiken. 2-5

Ik kon het bepaald lidwoord (le, la, les) en het samengetrokken lidwoord (au, à la, à l’, aux) juist gebruiken. 6-7 1 chanson radio/télé

DÉTOUR 3 M

Ik kon de werkwoorden op -ER juist vervoegen. 8-10

ZOUFFF! – DÉTOUR

trente-cinq 35

MATERIAAL

• Bingel

• luisterfragment

POUR ALLER PLUS LOIN

Vraag 5

La semaine de Yannick

Yannick est un élève de 5A. Il aime lʼécole.

Lundi et jeudi, les élèves jouent au basket.

Mardi, ils écoutent des chansons en classe.

Mercredi, Yannick regarde un super film au cinéma.

Dimanche, il aime regarder des sports à la télé.

DOELEN - De leerlingen kunnen

• de nieuwe woorden begrijpen

• de nieuwe woorden vertalen uit het Nederlands naar het Frans en omgekeerd

• de nieuwe woorden in zinvolle contexten gebruiken

• de bepaalde en onbepaalde lidwoorden correct gebruiken

• het werkwoord aimer correct vervoegen in de indicatif présent

• alle werkwoorden op -ER correct vervoegen

1 Woordenschat Mission 3 woordenschat

Geef enkel een punt als het woord op de juiste plaats staat én correct werd gekopieerd.

Tip bij toets B: adviseer de leerlingen om te beginnen met woorden waar ze zeker van zijn en gebruikte woorden te doorstrepen. 1 punt 6/8 . /8

2 De regelmatige werkwoorden op -ER grammatica

Geef enkel een punt als het werkwoord correct werd geschreven, inclusief de nodige accenten.

Tip bij toets B: laat het onderwerp eventueel geel markeren, zoals de leerlingen dat gewend zijn vanuit het leerwerkschrift. 1 punt 5/6 . /6

3 Het bepaald lidwoord grammatica

Tip bij toets B: laat eventueel links het onbepaald lidwoord markeren.

4 Het samengetrokken lidwoord met à grammatica

Tip bij toets B: laat eventueel links het bepaald lidwoord markeren.

5 Woordenschat Mission 3 luisteren

• Laat eerst beluisteren zonder te verbinden.

• Laat een tweede keer beluisteren en verbinden.

• Laat een derde keer beluisteren en controleren, aanvullen of verbeteren.

Tip bij toets B: laat eerst met potlood werken. Geef mee dat niet bij elke dag een activiteit hoeft te horen, maar dat bij één dag meer dan één activiteit kan horen, en dat eenzelfde activiteit op meer dan één dag kan plaatsvinden. Aandachtig luisteren is dus de boodschap!

6 Woordenschat: een dialoog aanvullen lezen

Geef enkel een punt als de zin correct werd aangevuld en de woorden correct zijn gekopieerd, inclusief de nodige accenten.

. /3

1 punt 2/3 . /3

1 punt 4/5 . /5

1 punt 4/5 . /5

ARRIVÉE - TU AIMES FAIRE QUOI? LES

MATERIAAL

• leerwerkschrift p. 36

• Bingel

• luisterfragment

• calendrier ZOUFFF!

ALLER PLUS LOIN

Intro

Als je klas graag zingt, kun je het liedje nog eens laten horen dat je eerder gebruikte om kennis te laten maken met de dagen van de week.

Laat je leerlingen eens op zoek gaan naar de dagen van de week in de calendrier die bij ZOUFFF! hoort.

Oefening 11

1 Lundi, Colette joue au tennis.

2 Vendredi, papa téléphone à un ami.

3 Mercredi, Loïc écoute de la musique.

4 Samedi, Samuel regarde un film.

5 Dimanche, Loïc joue avec Colette.

6 Mardi, papa danse à l’école.

7 Jeudi, Samuel chante des chansons.

Schaduwtaak 2

De taalsterke leerlingen zoeken info op over een Franstalig(e) artiest/film/boek uit de basistekst en presenteren de interessantste feiten aan de anderen. Als daar geen tijd voor is, gieten ze het in een PowerPointpresentatie die jij kunt bekijken.

DOELEN - De leerlingen kunnen

• activiteiten invullen in een agenda

• vertellen wat ze zelf graag doen (door de structuur J’aime … te gebruiken)

• vertellen wat iemand anders graag doet

• mondeling communiceren in het Frans en het nut ervan inzien

ARRIVÉE - TU AIMES FAIRE QUOI?

Quelle famille occupée!

Wat een drukbezette familie!

a Écoutez et regardez bien. Luister en kijk goed.

b Complétez le calendrier avec des pictogrammes. Vul de kalender aan met pictogrammen.

papa

Loïc

Samuel Colette

téléphoner à un(e) ami(e) regarder la télé écouter la radio écouter de la musique danser jouer à l’ordinateur jouer au basket / au foot regarder un film jouer de la musique jouer au tennis / au padel chanter des chansons jouer

MA DI WO DO VR ZA ZO

c Vrai ou faux?

Juist of fout? Regardez le calendrier et mettez une croix. Kijk op de kalender en zet een kruisje vrai faux

1 Mardi, Samuel chante des chansons.

2 Mercredi est le jour de la radio!

3 Lundi et samedi, Loïc regarde la télé.

4 Mercredi, papa et Colette écoutent la radio.

5 Il y a sept jours dans une semaine.

6 Lundi + Colette = jour du sport!

d Regardez le calendrier. Bekijk de kalender. Ils font quoi? Quand? Écrivez! Wat doen ze? Wanneer? Schrijf op.

Mercredi, papa écoute la radio x

Lundi, Loïc regarde la télé

Jeudi, Samuel chante (une chanson)

Dimanche, Colette joue (avec Loïc)

36 trente-six – ARRIVÉE - TU AIMES FAIRE QUOI?

POUR

ON Y VA

INTRO (5’)

1 Herhaal de dagen van de week nog eens klassikaal: welke dag is het vandaag?

2 Laat de dagen nog eens opsommen, doe dat op verschillende manieren: gewoon, achterstevoren, om de beurt: al wie links zit start, dan de anderen …

KERN (15’): WAT EEN DRUKBEZETTE FAMILIE!

1 Laat oefening 11 maken. Speel het fragment drie keer af: - Over welke activiteiten wordt er gesproken?

- Vul de kalender aan met de pictogrammen (pauzeer na elk personage).

- Controleer.

Laat dan oefening 11b en 11c oplossen. Kondig aan dat je elke dag een leerling zal aanduiden die de weekplanning van een van de personages (bv. Loïc) komt voorstellen. Zo kunnen de leerlingen zich thuis voorbereiden.

Oefening 11d is voor de snelle werkers.

2 Laat de eerste lijn van oefening 12a maken.

EN FRANÇAIS, S’IL VOUS PLAIT!

INTRO (5’)

1 Nous sommes quel jour aujourd’hui?

2 Vous pouvez répéter les jours? Vous pouvez le faire aussi à l’envers? Maintenant, ce sont les élèves assis à gauche qui commencent avec le premier jour, puis les élèves qui sont assis à droite disent le deuxième …

KERN (15’): WAT EEN DRUKBEZETTE FAMILIE!

1 Je mets un exercice d’écoute. Dites-moi de quelles activités on parle. Je remets l’extrait. Maintenant, complétez le calendrier avec les pictogrammes. Je fais une pause après chaque personnage. Enfin, contrôlez vos solutions.

Regardez maintenant le calendrier. Ce qu’on dit dans les phrases est vrai ou faux? Mettez une croix. Si vous êtes prêts, faites la partie d.

2 Vous aimez faire quoi?

Ajoutez les pictogrammes dans l’agenda. Qu’est-ce que vous faites pendant la semaine?

AFSLUITER (5’)

Bespreek klassikaal welke dingen de leerlingen graag doen. Je kunt telkens tellen om hoeveel leerlingen het gaat en dat laten verwoorden. Projecteer de nodige structuren. Doe dat eerst zelf, nadien kunnen enkele leerlingen dat ook.

AFSLUITER (5’)

Qui aime … (jouer au foot, regarder la télé …)?

Comptez combien de personnes aiment … Dans notre classe, il y a … personnes qui aiment …

25ʼ ARRIVÉE - TU AIMES FAIRE QUOI?

MATERIAAL

• leerwerkschrift p. 37

• Bingel

POUR ALLER PLUS LOIN

Kern

Je kunt ook enkele voorbeelden laten geven door de taalsterke leerlingen.

Laat eventueel aimer nog eens vervoegen.

Schaduwtaak 2

Voorzie op het einde van les 10 wat tijd om schaduwtaak 2 te laten presenteren.

DOELEN - De leerlingen kunnen

• vertellen wat ze zelf graag doen (door de structuur J’aime … te gebruiken)

• vertellen wat iemand anders graag doet

• mondeling communiceren in het Frans en het nut ervan inzien

Tu aimes faire quoi? Waar houd jij van?

a Dessinez les pictogrammes dans l’agenda. Teken de pictogrammen in de agenda.

moi

mon/ma voisin(e)

Entrainez-vous à parler

b Qu’est-ce que les autres aiment faire? Wat doen de anderen graag? Complétez l’agenda d’un(e) voisin(e). Vul de agenda van een buur in Posez une question à tour de rôle. Stel om de beurt een vraag. Faites comme dans l’exemple. Volg het voorbeeld.

Lundi, tu aimes faire quoi? Lundi, nom voisin(e) aime faire quoi?

Lundi, j’aime regarder la télé Lundi, il/elle aime danser

c Présentez les agendas aux autres. Presenteer de agenda’s aan de anderen. Faites comme dans l’exemple. Volg het voorbeeld.

Lundi, moi, j’aime regarder la télé et nom voisin(e) aime chanter des chansons Mardi, nous regardons un film

ZOUFFF! – ARRIVÉE - TU AIMES FAIRE QUOI?

trente-sept 37

LUN MAR MER JEU VEN SAM DIM

INTRO (5’)

Kom kort terug op de vorige les: Wat doen jullie ook weer het liefst? Welke dingen nog?

KERN (15’): WAAR HOUD JIJ VAN?

1 Overloop oefening 12b en bespreek aan de hand van het kadertje bij oefening 9 hoe je in het Frans aan iemand vraagt wat die persoon graag doet.

2 Stel de vraag hardop aan een aantal leerlingen. Begin met de taalsterke leerlingen. Laat de leerlingen dan per twee oefenen.

3 Lukt dat vlot? Dan kunnen ze per twee de onderste rij van oefening 12a aanvullen.

EN FRANÇAIS, S’IL VOUS PLAIT!

INTRO (5’)

Vous vous souvenez du hobby le plus populaire de notre classe? Quels sont les autres hobbies que vous aimez?

KERN (15’): WAAR HOUD JIJ VAN?

1 Pour demander à quelqu’un ce qu’il ou elle aime faire, suivez l’exemple du cadre de lʼexercice 9. Utilisez tu quand vous parlez à un ami, utilisez vous quand vous parlez à un inconnu.

2 Regardez maintenant l’agenda de l’exercice 12a. Élève X, mardi, tu aimes faire quoi? Élève Y, jeudi, tu aimes faire quoi? Maintenant, jouez le dialogue à deux.

3 Tout le monde sait comment poser les questions. Maintenant, faites l’exercice 12a Remplissez l’agenda de votre voisin ou votre voisine.

AFSLUITER (5’)

Laat in oefening 12c de groepen die dat willen hun agenda aan de klas voorstellen.

AFSLUITER (5’)

Qui veut présenter son agenda et l’agenda de son voisin ou sa voisine à la classe? Utilisez la structure en bas de la page.

DESTINATION 1 - À L’ÉCOLE DE LUCAS LES

MATERIAAL

• leerwerkschrift p. 38-39

• Bingel

DOELEN - De leerlingen kunnen

• de leerinhouden van Mission 1, 2 en 3 aanwenden bij het oplossen van de raadsels

ON Y VA

Centraal in dit raadsel staat de kleine Lucas. Dat is een verwijzing naar het bekende Franse personage Le Petit Nicolas. De kleine Nicolaas (originele titel: Le Petit Nicolas) is een verhalenserie over een lagereschooljongen uit Frankrijk in de jaren zestig. De verhalen werden geschreven door René Goscinny; de tekeningen bij de verhalen waren van JeanJacques Sempé, die zich voor het decor liet inspireren door de École élémentaire David Johnston in Bordeaux waar hij zelf school had gelopen.

Er verschenen al heel wat boeken, strips, tekenfilms én films over dat beroemde Franse personage. Laat de leerlingen op ontdekking gaan op Bingel.

C’est quoi?

Wat verstopt Lucas onder een dikke laag schuim?

C’est un

Réparez les jours de la semaine. Welke dag ontbreekt?

Un, deux, trois … oops!

Welke cijfers ontbreken?

Oh non! Le voisin! Welk voorwerp ‘leent’ Lucas van de buurman?

5 Je suis un coquin! Waar schrij Lucas die boodschap op?

Raadsel 1: Cʼest un ORDINATEUR

- Cʼest quoi?: Mission 2

- un ordinateur: Mission 3

Raadsel 2: Cʼest VENDREDI - les jours de la semaine: Mission 3

Raadsel 3: quatre, cinq, six - les chiffres: Mission 1

Raadsel 4: Cʼest le PORTABLE - un portable: Mission 3

- oh non!: Mission 1

- Je mʼappelle monsieur Encolère (op de tekening): Mission 1

Raadsel 5: Au TABLEAU

- un tableau: Mission 2

- au tableau (article contracté): Mission 3

- je suis: Mission 1

OPLOSSING: lʼécole des coquins - de school van de deugnieten

Lay-outconcept: Eindeloos Communicatie, Crius Group

Opmaak: Barbara Vermeersch (EMPC)

Illustraties: Koen Aelterman, Eric Bouwens (cover)

Auteurs: Delfiene Beyaert, Leen Bresseleers, Annelies Magerman, Ellen Merckx, Rein Trogh, et al.

Eerste druk 2023

ISBN 978-94-641-7687-2

D/2023/0078/2

Art. 601385/01

NUR 191

De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.