Page 1

etgar keret

SUPER LIJM Uit het Hebreeuws vertaald door Ruben Verhasselt

u i t g e v e r ij p o d i u m – a m s t e r d a m


Voor mijn vader en moeder


Voorwoord bij de Nederlandse uitgave ‘Buizen’, het verhaal dat deze bundel afsluit, schreef ik zesentwintig jaar geleden in een van de meest geheime militaire basissen in Israël. Ik was toen negentien jaar oud, een terneergeslagen, slechte soldaat die de dagen aftelde tot zijn afzwaaien. Ik schreef het verhaal tijdens een bijzonder lange dienst in een geïsoleerde computerkamer zonder ramen, diep onder de grond. Het was het eerste verhaal dat ik in mijn leven op papier zette. Daarna stond ik midden in de ijskoude computerkamer en staarde naar het bedrukte vel papier. Ik kon mezelf niet verklaren waarom ik het had geschreven en waar het precies voor zou moeten dienen. Het feit dat ik al die uit de duim gezogen zinnen had getypt was opwindend, maar ook beangstigend. Ik had het gevoel dat ik snel iemand moest vinden die het zou lezen, iemand die me – ook als hij er niet van zou houden of het niet zou begrijpen – gerust kon stellen. Iemand die me zou zeggen dat het schrijven van een verhaal helemaal oké was en niet een volgende stap op weg naar het verlies van mijn verstand. De eerste potentiële lezer diende zich veertien uur later aan. Het was de pokdalige sergeant die me kwam aflossen. Met een stem die rustig probeerde over te komen deelde ik hem mee dat ik een kort verhaal had geschreven en dat ik het hem wilde laten lezen. Hij zette zijn zonnebril af en zei op onverschillige toon: ‘Rot een end op.’ 7


Van de computerkamer klom ik een paar etages naar de begane grond. De zon, nog niet lang op, verblindde me. Het was half zeven in de ochtend en ik zat wanhopig verlegen om een lezer. Zoals altijd in geval van nood was ik voor ik het wist op weg naar mijn oudere broer. Ik drukte op de bel van de intercom bij de ingang van zijn flat en de slaperige stem van mijn broer gaf thuis. ‘Ik heb een verhaal geschreven,’ zei ik, ‘ik wil dat je het leest. Kan ik naar boven komen?’ Het bleef even stil en daarna zei mijn broer op verontschuldigende toon: ‘Dat is geen goed idee. Je hebt net mijn vriendin wakker gemaakt en nu is ze boos.’ Na nog een ogenblik van stilte zei hij erachteraan: ‘Wacht beneden op me. Ik trek iets aan en kom eraan met de hond.’ Na een paar minuten kwam hij naar beneden met zijn kleine hond met de vale vacht. De hond was blij zo vroeg uit te gaan. Mijn broer pakte het vel papier uit mijn hand en begon al lopend te lezen. Maar de hond wilde bij de boom voor de flat blijven staan en er zijn behoeften doen. Hij probeerde zijn pootjes in de grond te planten en zich schrap te zetten, maar mijn broer was te verdiept in de tekst en had het niet in de gaten. Even later probeerde ik hem bij te benen, terwijl hij er de sokken in zette en het arme hondje over de stoep achter zich aan sleepte. Gelukkig voor de hond was het een heel kort verhaal. Twee blokken verderop bleef mijn broer staan en kon de hond zijn evenwicht hervinden en zelfs zijn oorspronkelijke plan oppakken en zijn behoeften doen. 8


‘Geweldig verhaal,’ zei mijn broer, ‘waanzinnig ontroerend. Heb je er nog een kopie van?’ Ik zei ja. Mijn broer schonk me de glimlach van een grote broer die trots is op zijn kleine broertje, en toen bukte hij, raapte met behulp van het bedrukte vel papier de hondendrol op en gooide die in een afvalcontainer. Dat was het moment waarop ik begreep dat ik schrijver wilde worden. Ook als het niet zo was bedoeld, had mijn broer me iets duidelijk gemaakt: het verhaal dat ik had geschreven was niet het gekreukte en met hondenpoep besmeurde papier dat nu op de bodem van een afvalcontainer lag. Dat papier was slechts een geleider, een buis waardoor ik mijn gevoelens kon overbrengen van mijn bewustzijn naar het zijne. Ik weet niet wat een tovenaar voelt als een kunst hem voor het eerst lukt, maar het lijkt vast op wat ik op dat moment voelde. Ik had een toverkunst ontdekt en met behulp ervan, wist ik, zou ik de twee lange jaren kunnen overleven die me restten tot mijn afzwaaien. Etgar Keret, 2013

9


Lang zal ze leven

L A NG Z A L ZE L EV EN

De bus stopt, de chauffeur lacht je toe, de ramen glanzen en het geld is klein. Van de eenpersoonsplaatsen links van het gangpad is de laatste vrij, alsof die voor jou is vrijgehouden – je lievelingsplekje, met het glas erachter. De bus zet zich in beweging, de stoplichten springen acuut op groen en de jongen die zonnebloempitten zit te eten, spuugt de schillen niet op de vloer, maar verzamelt ze in een zakje. De oude conducteur wil vandaag geen kaartje, hij tikt aan zijn pet en wenst je met een prettige stem een fijne dag toe. Het wordt ook echt een fijne dag. Want je bent vandaag jarig. Je bent slim en mooi en de wereld ligt aan je voeten. Over vier haltes druk je op de knop en stopt de chauffeur, speciaal voor jou. Je stapt uit, niemand dringt en de deur gaat pas achter je dicht als je al lang en breed bent uitgestapt. De bus trekt op, de passagiers zijn blij voor je en de jongen die zonnebloempitten zat te eten zwaait naar je tot hij uit het zicht verdwijnt, zomaar, zonder bijbedoeling of reden. Wie heeft er een reden nodig? Je bent vandaag jarig en op een verjaardag gebeuren leuke dingen. Het jonge hondje dat nu naar je 11


s u p e r l ij m

toe komt rennen, zal met zijn staart kwispelen als je het aanraakt. Zelfs honden hebben oog voor feestelijke gelegenheden. Bij je thuis zitten mensen in het donker op je te wachten achter prachtige meubels die je zelf hebt uitgekozen. Als je de deur opent, springen ze op en verrassen je. Precies zoals het hoort op een surpriseparty. Ze zijn er allemaal, de mensen van wie je gehouden hebt. Je allerliefsten en de mensen die het meest voor je betekenen. En ze hebben cadeaus meegenomen, die ze gekocht of zelf verzonnen hebben. Geïnspireerde cadeaus en ook praktische spullen. De grappige gasten vermaken je, de wijze verrijken je. Zelfs de zwaarmoedige hebben een oprechte glimlach op het gezicht. Het eten is fantastisch. Daarna worden er aardbeien opgediend en als toetje is er een vanillemilkshake uit de lekkerste ijstent van de stad. Er wordt een cd van Keith Jarrett opgezet, waar iedereen naar luistert, dan een plaat van Satie, waar niemand zich bedroefd van gaat voelen. Wie in zijn eentje is gekomen, zal zich vanavond niet alleen voelen, en niemand vraagt: ‘Hoeveel suiker?’, want intussen kent iedereen iedereen. Op het eind vertrekken ze en van wie je dat wilde krijg je een kus, van de anderen een hand. Alleen hij blijft, de man met wie je samenwoont, knap en altijd vol begrip. Als je wilt, bedrijven jullie de liefde of masseert hij je met olie die in een winkeltje is gebrouwen volgens een speciaal recept. Je 12


Lang zal ze leven

hoeft het maar te vragen of hij dimt de halogeenlamp en jullie blijven in stilte in elkaars armen zitten wachten op de zonsopgang. En die toverachtige avond ben ik er ook. Ik drink een vanillemilkshake, heb een oprechte glimlach op mijn gezicht, proef van het fantastische eten. En voor ik wegga geef ik je als je wilt een kus of anders misschien alleen maar een hand.

13


s u p e r l ij m

SIR ENE

Op Jom Hasjoa werden alle klassen meegenomen naar de gymzaal. Daar was een soort geïmproviseerd podium opgesteld en aan de muur daarachter hingen zwartkartonnen borden met de namen van concentratiekampen en tekeningen van prikkeldraad. Toen we de zaal in liepen, vroeg Sivan me een plek voor haar vrij te houden. Ik nam twee zitplaatsen in beslag en Sivan kwam naast me zitten. Het was een beetje krap op de bankjes. Ik zette mijn elleboog op mijn bovenbeen en de rug van mijn hand raakte haar spijkerbroek. De stof was dun en voelde prettig aan, en ik werd opgewonden alsof ik echt haar lichaam had betast. ‘Waar is Sjaron?’ vroeg ik. ‘Ik heb hem vandaag nog niet gezien.’ Mijn stem trilde een beetje. ‘Sjaron is op de keuringsdagen van de mariniers,’ antwoordde Sivan trots. ‘Hij is al bijna overal doorheen, hij moet alleen nog een of ander gesprek.’ In de verte zag ik Gilad onze kant op komen lopen over het middenpad. ‘Weet je dat hij op het eindejaarsfeest de prijs voor de beste leerling krijgt? De rector heeft het al bekendgemaakt.’ ‘Sivan,’ zei Gilad, die al vlak bij ons was, ‘wat doe je hier? Die bankjes zitten echt niet lekker. Kom, ik heb achterin een stoel voor je vrijgehouden.’ 14


Sirene

‘Ja,’ zei Sivan. Ze wierp me een verontschuldigende glimlach toe en stond op. ‘Het is hier echt krap.’ Ze liep weg om met Gilad achterin te gaan zitten. Gilad was Sjarons beste vriend. Ze zaten samen in het schoolbasketbalteam. Ik keek naar het podium en haalde diep adem. Mijn hand zweette nog. Een paar derdeklassers klommen het podium op en de ceremonie begon. Nadat alle leerlingen de gebruikelijke teksten hadden voorgedragen, besteeg een oude man in een bordeauxrode trui het podium en vertelde over Auschwitz. Het was de vader van iemand die bij ons op school zat. Hij praatte niet lang, een kwartier ongeveer. Daarna gingen we terug naar de klaslokalen. Toen we de zaal uit liepen zag ik Sjolem, onze conciërge, op het trapje voor de kamer van de verpleegster zitten huilen. ‘Hé, Sjolem, wat is er?’ vroeg ik. ‘Die man in de gymzaal,’ zei Sjolem, ‘ik ken hem. Ik zat ook in het Sonderkommando.’ ‘Ben je ook bij de commando’s geweest? Wanneer?’ vroeg ik. Ik kon me onze magere, kleine Sjolem niet voorstellen bij wat voor commando’s of mariniers dan ook, maar je kon nooit weten. Sjolem veegde met zijn handen zijn tranen weg en stond op. ‘Het maakt niet uit,’ zei hij. ‘Ga, ga naar je klas. Het doet er echt niet toe.’ ’s Middags ging ik de stad in. Bij de falafelkraam kwam ik Aviv en Tsoeri tegen. ‘Heb je het al gehoord?’ vroeg Tsoeri me met een mond vol falafel. ‘Sjaron is vandaag door het toelatingsgesprek gekomen. Na de rekrutering nog wat teambuilding en hij is bij het 15


s u p e r l ij m

korps. Weet je wat het is om toegelaten te worden tot het korps mariniers? Eén op de duizend komt door de selectie...’ Aviv begon te vloeken. Zijn pitabroodje was aan de onderkant opengegaan en alle tahinsaus en het nat van de rauwkost begon over zijn handen te druipen. ‘We kwamen hem zonet tegen op het schoolplein. Hij en Gilad waren er uit hun dak aan het gaan, met bier en al.’ Tsoeri grinnikte half en stikte half, de stukjes tomaat en pita vlogen uit zijn mond. ‘Je had ze daar moeten zien stunten op Sjolems fiets, net een stel kleine kinderen. Sjaron was zo in zijn nopjes dat hij door het gesprek was. Volgens mijn broer vallen juist bij het persoonlijke gesprek de meesten af.’ Ik ging naar het schoolplein, maar er was niemand. Sjolems fiets, die altijd vastgebonden tegen het traphek bij de kamer van de verpleegster stond, was verdwenen. Op de treden slingerden een losgemaakte ketting en een hangslot. Toen ik de volgende ochtend naar school kwam, was de fiets nog niet terug. Ik wachtte tot iedereen in de klas zat en ging het de rector vertellen. De rector zei dat ik daar goed aan had gedaan en dat niemand iets over ons gesprek te weten zou komen, en hij vroeg de secretaresse een telaatkombriefje voor me te schrijven. Die dag gebeurde er niets, en ook de volgende dag niet, maar op donderdag kwam de rector de klas binnen met een politieagent in uniform en verzocht Sjaron en Gilad mee te komen. Er werd hun niets gedaan, ze kwamen er met een waarschuwing af. De fiets konden ze niet teruggeven omdat ze die ergens hadden weggegooid, maar de vader van Sjaron kwam speciaal naar 16


Sirene

school en bracht voor Sjolem een nieuwe sportfiets mee. Sjolem wilde die eerst niet aannemen. ‘Lopen is het gezondst,’ zei hij tegen de vader van Sjaron. Maar de vader van Sjaron stond erop en Sjolem nam de fiets uiteindelijk aan. Het was grappig Sjolem op een sportfiets te zien, en ik wist dat de rector gelijk had gehad en ik inderdaad het juiste had gedaan. Niemand vermoedde dat ik het had doorverteld, dat dacht ik toen tenminste. De volgende twee dagen verliepen als gewoonlijk, maar toen ik maandag op school kwam, stond Sivan op het schoolplein op me te wachten. ‘Moet je luisteren, Eli,’ zei ze, ‘Sjaron is erachter gekomen dat jij hem hebt verklikt over die fiets, dus je moet maken dat je wegkomt voor hij en Gilad je te pakken krijgen.’ Ik probeerde de angst te verbergen, ik wilde niet dat Sivan zou zien dat ik bang was. ‘Snel, neem de benen,’ zei ze, en ik zette me in beweging. ‘Nee, niet die kant op’, en ze trok aan mijn arm. Haar hand voelde koud en prettig aan. ‘Ze kunnen elk moment door de poort komen, dus jij kunt beter door het gat in het hek achter de barakken.’ Ik was blij dat Sivan zo bezorgd om me was, blijer zelfs dan ik bang was. Achter de barakken werd ik opgewacht door Sjaron. ‘Vergeet het maar,’ zei hij, ‘je maakt geen schijn van kans.’ Ik draaide me om. Achter me stond Gilad. ‘Ik wist altijd al dat je een lul was,’ zei Sjaron, ‘maar dat je een verrader was had ik nooit gedacht.’ ‘Waarom heb je ons verraden, stuk vuil?’ zei Gilad, en hij gaf 17


s u p e r l ij m

me een harde zet. Ik vloog tegen Sjaron aan en die duwde me van zich af. ‘Ik zal je zeggen waarom hij geklikt heeft,’ zei Sjaron. ‘Omdat onze Eli stinkend jaloers is. Als hij naar me kijkt, ziet hij dat ik beter ben op school dan hij en beter ben in sport dan hij, en dat ik een vriendin heb die het mooiste meisje is van de hele school, terwijl hij zelf nog een zielige maagd is, en dat vreet aan hem.’ Sjaron trok zijn leren jasje uit en gaf het aan Gilad. ‘Nou, Eli, het is je gelukt, je hebt me genaaid,’ zei hij, en hij deed zijn duikershorloge af en stopte het in zijn zak. ‘Mijn vader denkt dat ik een dief ben, ik had bijna een aantekening bij de politie. De prijs voor de beste leerling krijg ik niet meer. Heb je nu je zin?’ Ik wilde hem zeggen dat dat niet de reden was, dat het om Sjolem ging, dat die ook bij de commando’s had gezeten, dat hij op Jom Hasjoa had gehuild als een klein kind. In plaats daarvan zei ik: ‘Dat is het helemaal niet... Jullie hadden zijn fiets niet moeten stelen, dat was nergens voor nodig. Jullie hebben geen respect.’ Mijn stem trilde. ‘Hoor je het, Gilad? Die huilerige klikspaan zal ons eens eventjes uitleggen wat respect is. Respect is je maten niet verraden, stuk stront,’ zei Sjaron, en hij balde zijn vuist. ‘Gilad en ik zullen je eens een lesje leren over respect.’ Ik wilde ervandoor, wegrennen, mijn armen optillen om mijn gezicht te beschermen, maar ik was verlamd van schrik. Plotseling klonk er uit het niets een sirene, ik was helemaal vergeten dat het vandaag nationale herdenkingsdag was. Sjaron en Gilad sprongen in de houding. Ik zag ze daar staan als twee etalagepoppen en in18


Sirene

eens was al mijn angst verdwenen. Gilad, strak in de houding, met gesloten ogen en met het jasje van Sjaron in zijn hand, kwam me voor als een uit zijn krachten gegroeide kapstok. En Sjaron, met de bloeddorstige blik in zijn ogen en met zijn gebalde vuist, zag er ineens uit als een klein jongetje dat een pose van een figuur in een actiefilm probeerde te imiteren. Ik ging naar het gat in het hek en kroop er langzaam en rustig door. Achter me hoorde ik Sjaron stilletjes sissen: ‘We krijgen je nog wel’, maar hij verroerde geen vin. Tussen de mensen die stokstijf als wassen beelden op straat stonden liep ik naar huis, en de sirene omhulde me als een onzichtbaar schild.

19

Profile for Uitgeverij Podium

Edgat Keret - Superlijm  

Edgat Keret - Superlijm  

Advertisement