Page 1

ronald giphart

DE WAKE u i t g e v e r ij p o d i u m – a m s t e r d a m


d e wa k e

Vraag aan een man die uitglijdt op een berghelling hoe het met hem gaat. De wereld tolt. De aarde nadert. De ademhaling stokt. In zijn vlucht kijkt hij de vraagsteller aan. Vlak voordat hij de grond raakt antwoordt hij met opgetogen verbazing: ‘Nou, tot nu toe gaat alles goed.’ Die man ben ik. Ik was met Margot op vakantie in het Härjedalen, het leeg­ ste gebied van Zweden. Vlak na onze studententijd hebben we daar al eens door de bossen en de bergen getrokken, liftend, met stinkende rugtassen, vrijwel zonder geld en voortdurend hongerig. Het was onze eerste vakantie samen. Destijds probeerden we de Sonfjället te beklimmen, een berg van twaalfhonderd meter hoog, bij het plaatsje Hedeviken. Helaas lukte het ons toen niet om de top te halen. Het weer zat tegen, onze schoenen waren te glad en volgens Margot speelde mee dat we onze tocht hadden onderbro­ ken om achter een door bomen beschutte stapel rotsstenen Gods water over Gods akker te laten lopen. Ik denk dat het de eerste keer was dat we de spanning dat iemand ons zou kunnen betrap­ pen voelden. Zij beweerde dat ik daarna te uitgeput was om verder te klimmen, maar dat kan ik me niet meer herinneren. Vijfentwintig jaar later kwamen we weer in dit gebied, op 7


ronald giphart

doortocht naar de fjorden van Noorwegen. De weg naar de Son­­ fjället was aanmerkelijk verbeterd, met onze Volvo reden we pro­ bleemloos van onze stuga bij een boer in Hedeviken naar de voet van de berg. Al jaren hadden we niet meer gelift, en ook sliepen we nooit meer in een tentje, hoewel we er – zogenaamd voor de zekerheid – altijd een bij ons hadden. De Sonfjället ligt als een statige platte hoed in het landschap. Ik parkeerde de auto aan de rand van het bos. Er liep een slingerend paadje omhoog, met trollenbruggetjes over elfenbeekjes die van de reuzenberg stroomden. Margot stelde voor om een poging te wagen de top na al die jaren alsnog te bereiken. ‘Voor wie?’ vroeg ik. Mijn geldingsdrang, ik geef het toe, was er in al die jaren niet op vooruitgegaan. ‘Voor onszelf,’ zei ze, en ze wachtte mijn antwoord niet af. Na een paar meter riep ze pesterig dat ik toch niet voor niets mijn bergschoenen had aangetrokken. De stilte in het bos rond de berg was onvoorstelbaar. Het woud, dichtbegroeid en donker, had iets magisch. Ik begrijp waarom de oervolken elkaar hier eeuwenlang verhalen hebben verteld over gnomen, trollen en elfen, want die passen wonderwel bij de ijle sfeer tussen de bomen. Ergens moest er een enorme geluidsmag­ neet hebben gestaan die alle klanken wegtrok. We hoorden vrijwel niets, behalve onze voetstappen. Haar ademhaling. Mijn hartenklop. In de bergen rond Härjedalen lopen lynxen, wolven en bruine beren (een van de laatste bruineberenpopulaties in Europa). Op de Sonfjället zouden de beesten af en toe zijn te zien. Toen we 8


de wake

hier vijfentwintig jaar geleden rondtrokken hebben we geen beer gespot, althans dat herinner ik me niet. De mensenschuwe beren verschuilen zich in het woud, hoewel ze zich soms tonen als ze over de rotsen van de ene hoek naar de andere trekken. Margot had vorige week in een reisgids gelezen dat de beren niet vaak worden waargenomen, maar dat hun aanwezigheid kan worden afgeleid uit poepresten en afdrukken van hun klauwen in de bomen. ‘Kom,’ zei ze, toen ik me bij haar had gevoegd. ‘Misschien tref­ fen we wel beren op ons pad.’ Aanvankelijk liepen we door het diepgroene woud, tot we na drie kwartier bij de boomgrens kwamen. Wandelend over het pad omhoog zocht ik de stapel stenen waar we vijfentwintig jaar ge­ leden hadden gestaan met onze broeken op de knieën, heimelijk, verscholen voor andere klimmers. We zijn toen niet betrapt, wat best had gekund, want er staat me bij dat het in dat jaar drukker op de berg was dan nu. Margot en ik zagen nu helemaal niemand, niet bij de parkeer­ plaats, niet onderweg naar de top. We hadden de Sonfjället voor onszelf. ‘Hé,’ riep ik haar na, stilstaand bij een steenformatie langs het pad. ‘Was dit niet de plek waar we toen, destijds…’ Zonder haar hoofd om te draaien om te zien wat ik bedoelde, riep ze: ‘Nee, daar zijn we al voorbij.’ ‘Daar zijn we al voorbij?’ Ik draaide me om naar waar we vandaan waren gekomen. ‘En dat zeg je dan niet even?’ Ze hield stil en wachtte glimlachend tot ik bij haar was. 9


ronald giphart

De blik in haar ogen. We waren zesentwintig jaar bij elkaar, lang genoeg om te weten dat de kleine oogopslag die ze me nu gaf betekende: Wou je? Had je gewild? Wil je echt? Zullen we het nu doen? Zeg jij het maar. Ik vind het goed. Ik heb er ook wel zin in. Maar we kunnen het ook niet doen. Het hoeft niet. Het kan ook later. ‘Zullen we op de terugweg een poging wagen?’ stelde ze voor. ‘Dan weten we tenminste zeker dat we nu de top halen.’ Weer een kleine glimlach, een berustende knik. Ze deed al een stap omhoog. ‘Zal je zien dat ik dan te moe ben,’ zei ik, haar volgend. Och, had ik op dat moment mijn wil doorgedrukt en haar halverwege onze berg meegetroond naar een verborgen hoek langs het pad naar de top. Het zou onze laatste keer zijn geweest. De tocht was vermoeiender dan vooraf gedacht. Toen we eenmaal de top bereikt dachten te hebben, lag daarachter een nieuwe top. Er is vast een dichter die dit beeld eens als metafoor heeft gebruikt. We zagen het hoogste punt liggen, Margot ging monter voorop, ik volgde zwaarder ademend en hijgend. Ze pakte mijn hand en zo kwamen we twintig minuten later boven, hand in hand, samen hadden we de berg na al die jaren bedwongen. We konden Noorwegen zien liggen en aan de andere kant de binnenlanden van Zweden. De verre groene bossen, de steenvel­ den met bruine, oranje en donkergroene schakeringen. Margot maakte foto’s van het uitzicht om aan de jongens te kunnen laten zien dat we echt op de top hadden gestaan, terwijl ik op een groot rotsblok mijn adem zat uit te blazen. 10


de wake

‘Moet je dit uitzicht zien,’ riep ze. Ze stond bij een richel en keek naar het diepe dal. Schielijk stond ik op, ik liep in Margots richting, en toen gebeurde het. Søren Kierkegaard schreef dat er maar één manier is om onze doodsangst te bedwingen: die vrees recht in de ogen te kijken en de dood zelfverzekerd te aanvaarden. Te ‘internaliseren’, noemde hij dat, onderdeel van het innerlijk te maken. De dood, dat ben ik zelf. Vroeger dacht ik dat iemand die een boek schreef, een kind verwekte of een boom plantte in de hoop hiermee voort te le­ ven, zich schromelijk vergiste. Boeken, kinderen en bomen leven voort, niet de scheppers, zaaiers of planters. Het is wat Woody Allen zei: ‘Ik wil niet onsterfelijk worden door mijn werk. Ik wil onsterfelijk worden door niet dood te gaan.’ Ook dacht ik: als je dood bent, ben je er niet meer, zal je er nooit meer zijn, dan ben je er nooit geweest. Epicurus omschreef het bijna tweeënhalfduizend jaar geleden: ‘De dood is niets, want zolang we leven is de dood afwezig, en als hij er is zijn wij er niet meer.’ Misschien dat ik daarom nooit echt doodsangst heb gehad. Sterfangst des te meer. Dat is de angst voor het sterven zelf, de pijn die erbij hoort, de klap van de tegenligger, het gezwel dat je op­ vreet, het besef van het onafwendbare einde. Mijn leven lang ben ik op het kleinzielige af kleinzerig geweest. Tegen verpleegsters die me kwamen prikken zei ik dat ik een lage pijngrens had, waarna ik hen vaak meewarig zag glimlachen. Altijd ben ik bang geweest voor de pijngrens van de dood. 11


ronald giphart

Boven op de Sonfjället hoorde ik de stem van de vrouw met wie ik al zesentwintig jaar samen ben. ‘Siem?’ was het laatste wat ze naar me riep. Mijn naam. Het laatste wat ik in mijn leven hoorde was mijn naam uit de mond van de vrouw die ik mijn geliefde heb genoemd. Wat er precies gebeurde wist ik op dat ogenblik niet, maar dat was welbe­ schouwd onbelangrijk, want geen lieve moeder die iets aan mijn situatie kon veranderen. Misschien struikelde ik over een van mijn ongemakkelijke bergschoenen, misschien begaf mijn hart het, misschien knapte er een ader in mijn hoofd. De sterfangst die ik in mijn leven zo vaak heb gevoeld, bleek niet meer dan ‘het lijden dat men vreest’. Volgens de overlevering betekent Sonfjället letterlijk: plek waar de zon is gevallen. Het was niet de zon die viel, het was het hele universum, mijn lichaam. Mijn arm raakte de richel waar Margot stond, mijn schouder schampte de rots onder haar voeten, mijn romp stootte terug en al mijn vlees helde over. Angst voelde ik al­ lang niet meer toen ik een meter of honderd naar beneden stortte, in de richting van wat ik niet anders kan omschrijven dan de muil van een gigantische beer. Eindelijk een beer op mijn pad. Tot nu toe gaat alles goed, dacht ik, vlak voordat ik in het gapende keelgat verdween. De dood, dat was ik, er was geen twijfel over mogelijk. Harry Mulisch bedacht dat het feit dat er vele miljoenen men­ sen voor hem waren overleden geen bewijs was voor zijn eigen sterfelijkheid. Deze bewering kon hij volhouden tot hij zelf over­ 12


de wake

leed. Ook ik heb daar in het Härjedalen moeten constateren dat de dood voor mij geen uitzondering maakte. Ze zeggen dat iemand die is gestorven ‘uit de tijd’ is genomen. Dat was ik: niet meer in de tijd. Even, een ongrijpbaar kort mo­ ment, was er een stilte die nog stiller was dan stilte in het woud onder aan de berg. De rust in het bos bij de voet van de Sonfjället was een voorportaal van het otium in de muil van het beest. Dit moest het definitieve einde zijn, het Eeuwige Nu, the final disappointment, de voltooiing, de bruiloft van het leven met de dood. ‘Siem.’ Mijn naam. ‘Sieiem!’ Ik hoorde mijn naam. Epicurus had dus geen gelijk. Als de dood er is zijn wij er niet meer, had hij gezegd. Ach, wat wist hij ervan? Hij leefde nog toen hij dit schreef. Al die meningen. Al die filosofen. ‘Sieieieieieiem!’ Nogmaals mijn naam, het moest nu wel op mij slaan. De tijd kwam terug. Het eerste wat ik hoorde na mijn dood was de herin­ nering aan hoe ik heette, uitgeschreeuwd door de vrouw die boven op de berg stond, aan de top genageld. Mijn doodsangst was haar angst geworden. Er bestaat naast doodsangst ook doodshoop, de hoop van mensen dat hun dier­ baren er na hun sterven nog zullen zijn. Veel mensen stellen zich dit voor, of denken zeker te weten dat hun geliefden na hun over­ lijden aanwezig zullen blijven om vanuit een onzichtbare scheids­ 13


ronald giphart

rechtersstoel toe te kijken of alles goed gaat. De doden zouden ons zelfs sturen. ‘Ik heb het gevoel dat mijn vader ons van boven in de gaten houdt.’ Dit is romantiek. Doden hebben helaas niet het vermogen ac­ tief het leven van de levenden te sturen. Een jaar of twintig gele­ den overleed het driejarige dochtertje van een vriend. Op de dag van haar begrafenis bloeide haar lievelingsroos, een plant die in dat jaargetijde nooit in bloei stond. Mijn vriend zag er een teken van zijn dochter in. Ik kan alleen voor mezelf spreken. Ik zag Margot staan, hoorde haar verbijsterde schreeuw en wist direct dat ik voor eeuwig machteloos zou staan. Er was niets dat ik kon doen, ik kon slechts registreren. Of machteloos is niet het goede woord, want dat suggereert onvrede met de situatie. Ik voelde geen onvrede. Negatieve ge­ voelens beleef ik in mijn huidige omstandigheid slechts in zeer afgezwakte vorm. Boosheid, verdriet, pijn, maar ook teleurstel­ ling, haat en spijt ervaar ik nauwelijks. Positieve sentimenten zijn overigens ook minder opdringerig. De enige emotie die ik sinds mijn dood zo nu en dan voel is die van de verwondering. Ah, dus zo zat het? Ah, dus daarom ging het zoals het ging? En toen verdween Margot uit mijn blikveld. Natuurlijk voelde ik verwondering over de gang van zaken, mijn pijnloze sterven en de gedachten daarna. Ah, dus dit is de dood? Het was niet gegaan zoals ik mijn leven lang heb gedacht, al had ik me er onmogelijk tegen kunnen verzetten. Margot was binnen een minuut of drie bij me. Toen ze naar me toe kwam rennen – ze daalde woest en gevaarlijk snel af – hoorde 14


de wake

ik haar om hulp schreeuwen, hoewel we al die tijd niemand op de Sonfjället hadden gezien. Later zou ze tegen de jongens zeggen dat ze boven op de top van de berg al wist dat ik dood was. Ik vroeg mij af waarom ze dan met gevaar voor eigen leven zo snel naar beneden was gerend. Bij me gekomen nam ze me luid huilend in haar armen. Ze probeerde me niet te reanimeren, maar hield me vast alsof ik even daarvoor was geboren: wiegend, koesterend, beschermend. Ik luis­ terde naar haar uithalen. Als ik nog had geleefd, had ik op de vraag hoe het met me ging, op dit punt waarschijnlijk geantwoord: ‘Mo­ menteel niet zo goed.’ Margot vermande zich. ‘O, Siem,’ zei ze, waarna ze mijn naam nog vele malen zuchtte. De verworvenheden van het moderne sterven: vanuit Kenia had Robin, via Margot, de politie van het plaatsje Hede weten te waar­ schuwen. Dat begreep ik uit het telefoongesprek dat Margot met hem voerde. Ze zat op een paar meter van me vandaan huilend met onze oudste zoon te bellen. Ik kon haar nog net verstaan, al verwaaide de wind soms haar woorden. Vanuit Washington belde even later Niek, die door zijn broer al op de hoogte was gesteld. In korte zinnen vertelde Margot hem dat ik waarschijnlijk onwel was geworden en was gevallen. Hoelang zou deze toestand gaan duren, vroeg ik mij ondertus­ sen af. Het was voor mij ook een nieuwe en onverwachte situ­ atie. Hoe kon ik zijn overleden en toch mijn vrouw zien wachten op naderende hulp? Zou ik mijn hele verdere dood bewust gaan 15


ronald giphart

meemaken? En wat als Margot ook ooit sterft, voegt ze zich dan bij me? En waar zijn de doden uit mijn verleden? Ik keek om me heen. De Sonfjället was nog net zo verlaten als voor mijn val van de top, nergens een spoor van iemand anders, dood noch levend. Mijn moeder niet, mijn vader niet, niet mijn broer Wilco. Na een minuut of twintig kwam er een enorme terreinwagen aangereden, die zo dicht mogelijk bij mij probeerde te komen. Op een meter of dertig hield de wagen stil. Margot stond op en rende ernaartoe. Er stapten twee Zweedse boswachters uit, grote mannen in uniform. Mijn vrouw reageerde heftig op hun komst, luid snikkend viel ze een van de mannen in de armen, terwijl de ander op mij afkwam en zich over me heen boog. Hij controleerde mijn hals op hartslag, wat een vrij overbodige handeling was. Toen liep hij terug naar zijn wagen om met een mobilofoon contact met iemand op te nemen. In het Engels vertelde Margot aan de andere man wat er was gebeurd. Hij was vol begrip. Samen keken ze hoe zijn collega fo­ to’s van mij begon te maken. Hij legde aan Margot uit dat dit protocol was. Na vijf minuten kwam er een tweede wagen, een politiejeep. Een man in burger stapte uit en een vrouwelijke agent ondersteunde Margot naar de achterbank van de auto. Getweeën reden ze weg, de burger bleef achter. Er werd een deken over me heen gelegd. Hoelang ik daar heb gelegen weet ik niet. Bij leven zou ik het beeld van mijzelf in een koelcel verschrikkelijk hebben gevonden, maar dood liet de gedachte me koud. Ik voel geen temperatuur of pijn en nauwelijks verveling, dus wat zou het 16


de wake

me kunnen schelen dat ik urenlang gekleed in slechts een papieren nachthemd in het vriesdonker lag te wachten, met watten in mijn kont tegen het lekken en louter mijn beperkte geestesleven om me gezelschap te houden? Ik dacht aan Margot die wellicht proble­ men zou hebben om mij naar Nederland te krijgen. De autopsie, die niet meer behelsde dan wat testjes en prikjes, was op dat moment al uitgevoerd. Later – we waren vrijwel zeker nog in Zweden – ging de deur van mijn koelruimte open. Iemand rolde mijn lade naar buiten en ritste mijn lijkzak open. Daar stonden Niek en Robin, met Margot op de achtergrond. De ernstige gezichten van mijn zoons. Beiden waren ze linea recta overgevlogen uit een ander werelddeel – en nu stonden ze naar hun overleden vader te kijken. ‘Het is hem,’ zei Niek, met een soort grom. Even een stilte. Robin verbeterde zijn jongere broer. ‘Het was hem.’ Robin ademde zwaar en Nieks onderlip trilde. Een meter van hen vandaan stond Margot, die er veel sterker uitzag dan de laatste keer dat ik haar had gezien. Haar verbijste­ ring was ingewisseld voor vastberadenheid. Ze ging tussen onze zoons in staan en omarmde hen beiden. En zo stonden ze gedrieën naar me te kijken. Mijn jongens. Het ligt in de natuurlijke orde der dingen dat zoons hun vader ooit zien liggen in de omstandigheden waarin ik nu verkeer. Toen ik nog geen zoons had was mijn vermoeden – althans, zo herinner ik het me – dat een zoon een verlengstuk 17


ronald giphart

was van jezelf, dat je zoon jou is, zij het wat jonger. Toen Robin een jaar of drie was moest ik dat idee opgeven: mijn zoon, en later ook mijn tweede zoon, was veel meer dan een jongere uitgave van mezelf. Ware vaderliefde is het besef dat je zoons geen jongere versies zijn van jezelf, maar verbeterde versies. Je zoon is iemand die jij niet meer bent en nooit zult worden. Dit overdacht ik toen ik naar Robin en Niek keek, vlak voordat een medewerker van de koelcel mijn lijkzak weer dichtritste en mijn lade naar binnen rolde. Een moment later lag ik in het donker. Ik had mijn verbe­ terde versies te kort gezien. Over de reis kan ik weinig zeggen, een paar keer werd ik overge­ tild, tot ik in een metalen kist kwam te liggen. Het deksel ging dicht en ging pas weer open in een klinisch ogende ruimte, waar mijn lichaam werd gewassen door een Hindoestaanse vrouw die ik niet kende. Ze was opvallend liefdevol en praatte zelfs tegen me op de momenten dat ze niet meezong met de radio. ‘Ik hoor dat u in Zweden van een berg bent gevallen,’ zei ze, met een steriel wasdoekje in haar hand, waarop ik een lichte ont­ roering voelde omdat ze een overledene nog met u bleef aanspre­ ken. Ik geloof niet dat ze een antwoord op prijs had gesteld. Toen haalde ze uit een kledingzak een net pak dat ik herkende. Op de Vrije Universiteit heb ik niet vaak een pak gedragen en in het dagelijks leven al helemaal niet. Margot is niet vormelijk of traditioneel ingesteld, dus waarom ik in dit strakke pak werd gehesen in plaats van gemakkelijke kleren begreep ik niet, maar ik was niet in de gelegenheid te protesteren. 18

De wake  

Ronald Giphart

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you