Page 1

Goe bezig?

FRAGMENT 1


2


Goe bezig?

(we zijn)

GOE BEZIG?

3


(we zijn) Goe bezig? roman ©2017 Stefaan Van Laere ISBN 9789492007551 Wettelijk depot: D/2017/0534/8

4


Goe bezig?

(we zijn)

GOE BEZIG? STEFAAN VAN LAERE

roman

UITGEVERIJ PARTIZAAN www.partizaan.be

5


6


Goe bezig?

1.

“Ziet ge mij nog graag?” (Zotte Pee) “Graag zien, wat is dat? Dat wordt allemaal fel overroepen! Als ge honger hebt, is het eerste wat telt dat uw buik gevuld wordt.” (Jeanne)

Dat hij al bij al, in zijn goeie en kwaaie dagen, maar een heel gewone vent was, zei Zotte Pee zo dikwijls dat niemand er nog naar luisterde. Een heel gewone vent met af en toe een goestingske en tussendoor ook al eens een folietje, niets om u zorgen over te maken. Een vent zal altijd wel een klein kind blijven, en als we allemaal nooit eens iets verkeerd deden zou het leven maar saai zijn. Niet dat de wijven zoveel beter waren. Toch de wijven die hij kende niet. Dikke met een balkon van hier tot ginder of dunne, zo plat als een plank en dan nog al die middelmatige, onopvallende grijze musjes die ge op straat gewoon voorbij loopt zonder u om te draaien, want op hetzelfde moment zijt ge ze alweer vergeten. Wat misschien ook weer niet rechtvaardig is, want wie weet wat er in hun koppeke allemaal omgaat en welke miserie ze hebben meegemaakt. En zo ploeteren we maar voort, mannen en vrouwen, allemaal met onze kleine en grote problemen, dag na dag. Tot we op een keer geen courage meer hebben om nog te ploeteren, of we het niet meer kunnen en dan leggen we onze klopper. Amen en uit, gedaan met de miserie, geen zorgen meer en dat de wereld dan voor zijn part ontploft. En dan groeit er gras op onze buik. Of gaan we de oven in, en likken de vlammen van 7


de hel ons gerimpeld vel en staat ons vlees, en onze botten, en onze spieren in brand; tot er niets meer van ons overblijft. Wat schamele as die in een vaas gaat voor op de schouw, of die wegwaait in de wind. Naar links, naar rechts, naar overal waar ze maar vliegen wil. “Recht in uw bakkes. En dan proeft ge mij nog op uw lippen als ge ’s avonds na de koffietafel met een stuk in uw kloten in uw bed ligt te janken, Jeanne”, lacht Pier de gaten in zijn gebit bloot. Pier, Pee voor de vrienden. Zotte Pee. Maar dat is een ander verhaal. En Jeanne heeft daar nu geen tijd voor. Jeanne heeft nooit tijd. Ze heeft het veel te druk met niets te doen, maar dat is ook een kunst waar ge respect moet voor hebben. Het is niet iedereen gegeven, hele dagen op uw lui gat zitten en toch de indruk wekken dat ge een druk en zinvol leven leidt. De bel gaat. Pier heeft de reflex om weg te lopen en ergens in een hoekje weg te kruipen. Dat ze hem ook eens gerust laten! Maar rust is ons niet gegund, hier in dit aardse tranendal. “Het is dat embetant ventje van het sociaal dinges”, ziet Jeanne door een kier in het gordijn. “Hoe heet hij weer, Wammes of zoiets.” Pier verroert niet, ook als de bel opnieuw rinkelt. Hij heeft teveel werk met zijn sigaret te rollen. Dat wil nog altijd niet goed lukken, na al die jaren. Jeanne vindt de tabak overal in huis, tot in het bed toe. Na verschillende pogingen van hardnekkig bellen begint Wannes nu op de ruit te tikken. Drie keer kort naeen, een paar seconden wachten en dan opnieuw. “Doe open, meneer De Wilde! Ik weet dat ge thuis zijt!” roept hij door de brievenklep in de gammele voordeur. De klink hangt los en het slot is verroest. Jeanne doet dan maar open, want anders blijft hij lawaai maken. 8


Goe bezig?

“Ja? Voor wat is ’t nu weer?” “Mag ik efkes binnenkomen?” Jeanne bekijkt Wannes van kop tot teen. Afgebleekte jeansbroek, uitgerafelde jeansvest, gescheurd jeanshemd, dun zijden sjaaltje nonchalant rond de nek, wel vijf armbanden aan beide polsen en de nagels van zijn pink gelakt in groen en geel. Het zou haar niet verwonderen dat hij een vrouwenslipje draagt, en jarretelles. “Vooruit dan maar”, haalt ze de schouders op. “Dag meneer en mevrouw De Wilde.” “Het is Van Damme!” zegt Jeanne kloek. “Jeanne Van Damme. Het is niet omdat ik met hem getrouwd ben dat ik ook zijn naam heb overgenomen.” “Wat smijten ze hier weer binnen. Dag Wammes”, knort Pier. “Wannes”, verbetert hij automatisch. “Luiwammes”, lacht Pier. “Sociaal accident.” Die grap heeft hij tot treurens toe al gehoord. Zotte Pee wil hem nu natuurlijk horen zeggen dat hij sociaal assistent is en geen accident, maar Wannes gaat daar niet op in. Hij begint in zijn papieren te bladeren. “Ik zie dat de huur nog altijd niet betaald is. Drie maanden al. En dat ge twee aangetekende brieven van het bureau niet afgehaald hebt.” “Tja, hoe komt dat. Vergeten zeker. Of geen tijd gehad, wie zal het zeggen. Ne mens heeft zoveel aan zijn kop, zeker in mijn situatie.” “We hebben het daar vroeger al over gehad, meneer De Wilde. Ge weet dat ik mijn uiterste best doe om u op den bureau te verdedigen, maar ge moet nu ook niet met mijn voeten rammelen. Met nieuwjaar hebt ge beloofd vanaf nu echt elke maand de huur te betalen, of mij op zijn minst te verwittigen als het niet lukte zodat we samen naar een oplossing kunnen zoeken. Ik heb voor u het vuur uit mijn sloffen gelopen. Overal gaan smeken om u nog één kans te geven, na al die, eh, ‘tegenslagen’ die ge hebt gehad. Ze waren 9


niet content, maar ze wilden het nog één keer door de vingers zien, echt de allerlaatste keer, Pier.” “Hola, voor u is het nog altijd menéér De Wilde”, blaast Pier. Wannes doet alsof hij dat niet hoort. “Na al wat ik voor u gedaan hebt lapt ge mij zoiets. Wilt gij eigenlijk wel geholpen worden? Morgenvroeg om negen uur mag ik het weer gaan uitleggen!” Zotte Pee vindt dat heel grappig. Hij lacht ongegeneerd de gaten tussen de bruine en rotte tanden in zijn gebit bloot. “Dat zou dan ook de eerste keer in mijn leven zijn dat iemand mij helpt!” Wannes heeft de fut niet meer om te reageren. Er valt ook niets meer te zeggen. “Verder nog iets tot uw dienst?” De lach op het gezicht van Pier heeft plaatsgemaakt voor een ijzige, priemende blik. “Ge weet waar het gat van de timmerman is.” Jeanne kijkt Wannes door het venster na tot die met grote stappen uit het zicht verdwenen is, op weg naar de volgende lastige klant op zijn lijstje. “Daar gaat ge problemen mee krijgen, Pee.” “Dat zien we dan wel.” Ze sloft naar de kelder, naar dat ene plekje onder de trap waar het helemaal donker is. Daar kan ze rustig zitten, op haar brede kont, kop tussen de knieën, handen op de oren en de ogen dicht. Weg van de wereld. Op momenten als deze kan ze alleen maar aan Ludo denken. Ze heeft haar zoon al in geen jaren meer gezien, en dat wil ze ook niet. Niet na al wat er gebeurd is. Ze kan er nog altijd niet over spreken, zeker met Pier niet. Ludo is altijd ne speciale geweest. Al toen hij op het kraambed in haar handen werd gestopt, voelde ze vanbinnen dat er iets met hem scheelde. Het was een lastige zwangerschap 10


Goe bezig?

met veel platliggen en de ene ziekenhuisopname na de andere, en een infectie had haar onderbuik aangetast. De specialist was duidelijk: het zou bij één kind blijven en na de geboorte moesten de baarmoeder en eierstokken preventief verwijderd worden. Zij maar eentje en haar schoonzuster Rozette negen, het is niet eerlijk verdeeld in de wereld. God is haar getuige, ze heeft hemel en aarde bewogen om nog aan kinderen te geraken. Na de geboorte van Ludo liet ze een hoop onderzoeken bij verschillende specialisten uitvoeren, maar ze zeiden allemaal hetzelfde en uiteindelijk bleek de operatie onvermijdelijk. Door al die toestanden met Pier sloegen bij haar ook de stoppen door en werd de kleine in een pleeggezin geplaatst. Hij is meer elders dan thuis opgevoed. Ze heeft met Ludo nooit echt een band kunnen ontwikkelen, nooit had ze het gevoel dat hij haar kind was en hij liet evengoed merken dat zij nooit echt zijn moeder zou zijn. Rozette moet nog maar naar een vent kijken of ze heeft al prijs. Maar aan de andere kant, Jeanne moest niet de hele dag in de weer zijn met snottebellen en billen af te vegen. En met Pier heeft ze meer dan de handen vol. Vroeger kwam daar nog de zorg voor haar schoonmoeder bij, maar Fernande zit nu eindelijk in een home. Gelukkig maar, ze hebben met dat mens genoeg afgezien. Dat wijf heeft altijd een pik op haar zoon gehad, het is echt niet normaal. Pier kan gewoon niets goed doen voor haar. Brengt hij een pizza mee, dan heeft ze goesting in patatten met worst en smijt ze de pizza als een klein kind op de grond. “Ik wil patatten! Veel patatten, in de boter gebakken, met een korstje!” En bakt hij de volgende keer een extra portie patatten in een dikke laag boter, dan wil ze die niet omdat boter slecht is voor haar cholesterol en ze van patatten een opgeblazen gevoel krijgt. Einde discussie, ze veegt de schotel met de patatten en de worst van tafel en de meiskes van het home kunnen weer beginnen opkuisen. En dan moet ze persé pizza hebben, met extra ansjovis en kappertjes en een dikke krokante bodem maar wel zonder korst. 11


Aan dat en nog veel, véél meer zit Jeanne te denken, daar onder de trap op haar dik gat. Soms lijken de muren op haar af te komen. Maar daar mag ze niet aan toegeven, want daar wordt ze alleen maar onrustig van. Ze hoort Pier boven stommelen. Hij wandelt heen en weer in het salon, dat kan zo uren doorgaan. Hoe ze het al die jaren bij hem volhoudt, ze staat er zelf nog het meest versteld van. Talloze keren heeft ze al op het punt gestaan haar koffers te pakken, maar op het laatste nippertje komt er altijd weer iets tussen. Hij moet haar nog maar aanstaren met die grote bruine ogen van hem, en ze smelt weer. Hij mag dan misschien wel zot zijn, hij is háre zot en van niemand anders, en pech voor wie daar problemen mee heeft. Het is nu stil boven, en Jeanne spitst de oren. Want met Pier weet ge nooit, ge kunt maar beter op uw hoede zijn. Zou ze gaan kijken? Hm, het is hier lekker koel in de kelder en ze heeft nog een geheime voorraad Snickers liggen. Pier lijkt tot rust gekomen. Hij zit omgekeerd, met zijn blote behaarde buik tegen de leuning aan op een keukenstoel en probeert een sigaret te rollen, zijn buikvet over zijn broek geplooid. Het is godgeklaagd, zijn vingers willen niet altijd meer mee en trillend laat hij plukjes tabak op de grond vallen die hij verder onder tafel schopt. Maar hij geeft niet op, de aanhouder wint. De sigaret is misschien wat scheef gerold maar hij moet er geen schoonheidswedstrijd mee winnen. Hij tast naar zijn broekzak, daar moet onder zijn vuile zakdoek nog een doosje lucifers zitten. De eerste drie lucifers willen niet in brand schieten, het kopke is nat en ze doven direct weer uit. Onderin het doosje zitten er gelukkig nog een paar droge. Hij slaagt er eindelijk in de sigaret aan te steken en zit gefascineerd naar het vlammetje te kijken. Wat zou de mens zijn zonder vuur, niets toch! Het onderscheidt ons van de beesten, die er zonder in de winter gedoemd zijn om dood te 12


Goe bezig?

vriezen en altijd rauw vlees te eten. Pier wordt er filosofisch van. Tot hij zijn vingers verbrandt en de lucifer vloekend laat vallen. Hij trapt er snel op, voor het kot in brand staat en hij weer de schuld krijgt. Want zo gaat dat, een zondebok is rap gevonden, zeker als ze u zot noemen en ge u daar niet kunt tegen verweren.

13


2.

“Een onmogelijke droom dromen is mijn droom. Een die ge de volgende morgen toch niet meer kunt navertellen, dus ge moet het ook niet proberen. En zelfs al zoudt ge het kunnen, ze zouden u toch niet geloven dat ge die droom gedroomd hebt en ze zullen u een onnozelaar met veel fantasie noemen. Wat doet ge dan, zwijgen dat ge zweet natuurlijk en die onmogelijke droom dromen zal altijd wel een droom blijven.”

Zoals dat dan gaat, het ware heldendom, als ge voor altijd trouw gaat zweren, Bloedbroeders onder mekaar op een eeuwig zwijgen, ge moogt ter plaatse doodgebliksemd worden als ge de andere ooit verraadt, uw nageslacht weze zeven generaties lang vervloekt en ge zult elke keer dat ge moet gaan pissen janken van de pijn omdat puntige stenen uw fluit blokkeren en gloeiende naalden uw ballen doorprikken. “Geef hier dat mes!” probeert Joerie stoer te klinken, maar zijn stem slaat door en klinkt als zwak gepiep. Het wordt Bart zwart voor de ogen. Als door een sluier mist ziet hij wazig hoe Joerie een snee in zijn pols maakt. Of een poging tot, het mes lijkt maar niet door het vel te dringen. Joerie staat op zijn benen te trillen. Zijn spieren willen niet meer mee, daar heeft hij meer last van dan van het mes dat nu eindelijk een schrale druppel bloed op de pols laat tevoorschijn 14


Goe bezig?

komen. Hij klemt zijn andere hand rond de pols net onder het piepkleine sneetje. “Bart!” huivert hij. “Nu is het uwen toer!” Joerie duwt zijn vingertop in het bloed en schrijft met bevende letters zijn naam onderaan het document dat hen tot het einde der tijden met mekaar verbindt. Op de achterkant van een annonce voor lingerie die ze in de brievenbus gevonden hebben, het is stevig papier dat de tand des tijds kan doorstaan. Ze hebben er al een schuilplaats voor, in de holle eik achter het voetbalplein. “Bart?” Zijn neef is lijkbleek. Bart is zoals altijd weer veel te geweldig geweest. Zijn hele onderarm kleurt rood; hij staart naar het mes, druppels bloed glijden van de punt op de grond. Joerie heeft het gevoel dat hij gaat flauwvallen, maar Bart geniet. Hij doopt twee vingers in zijn eigen bloed en ondertekent hun heilig document. Grijnzend. Hij zet twee rode strepen onder zijn ogen, als een indiaan op oorlogspad. Als ge iets doet, moet ge het goed doen. De geur van het bloed prikkelt zijn neus, hij wordt slap in de benen. Het mes moet nog terug naar het atelier. Niet dat zijn pa het direct zal missen, hij gebruikt het toch nooit. Hij gaat alleen naar zijn werkkot om van het gezaag van ma af te zijn. Het is anders wel goed gerief, dat mes. Dat is typisch pa, geld uitgeven dat hij niet heeft aan dingen die hij niet nodig heeft. Joerie veegt het mes schoon in het gras en steekt het in het gat in de eik. “Ja, nonkel Frans en zijn spullen, dat is het een en ander”, lacht Bart. “Maar hebt gij er hem ooit mee zien werken?” Joerie antwoordt niet direct. Er zit een kostbare Pokémon in de buurt, daar gaat al zijn aandacht naartoe. “Zeg flauwe plezante, ik ben wel bezig tegen u!” Joerie bekijkt zijn neef met het boze oog. “Ge moet zo niet roepen! Ik ben niet doof!” Wie er begonnen is, weten ze achteraf niet meer. Eerst wat trekken en duwen, Bart die op de grond valt, Joerie erbovenop, 15


een paar stampen links en een kopstoot rechts. En Bart die weer begint te bloeden aan zijn pols. Het zien van al dat bloed doet ineens de moed in zijn schoenen zinken. Hij duwt Joerie weg en zet het huilend op een lopen, richting thuis. Voor zover ge dat een thuis kunt noemen, Rozette zal weer op de lappen zijn omdat ze nu eenmaal geen zittend gat heeft. Joerie vindt het een wonder dat zijn nonkel Gert het zolang bij zijn tante en die nest kinderen heeft uitgehouden, maar nu is hij blijkbaar toch weggegaan. Dat kunt ge hem niet kwalijk nemen, van ’s morgens tot ’s avonds dat gezaag van het wijf en de snotneuzen, Bart voorop want die kan er wat van. Of is Gert intussen teruggekeerd, Joerie kan het niet goed meer volgen en probeert het ook niet meer met al die mannen die bij zijn tante over de vloer komen. Het is me nogal de bende, zijn familie. Zotte Pee voorop, hij gaat liefst in een wijde boog rond zijn nonkel want die vent bezorgt hem koude kriebels. Nonkel Pier kan u minutenlang stilzwijgend aanstaren terwijl hij de ene na de andere sigaret rolt en ze in dat metalen kokertje stopt dat hij altijd op zak heeft. Traag tabakswolken uitademend, en hij laat zijn lucifer altijd tot aan het einde opbranden. Waarom ze hem eigenlijk Zot noemen, het is Bart een raadsel maar hij durft het niet aan zijn vader vragen. Pee, dat verstaat hij nog, dat zeggen ze hier tegen bijna iedereen. Hij zet er stevig de pas in. “Hé Bart, gaat het?” roept Joerie hem na. Niet dat hij zo bezorgd is om zijn neef, maar hij kent dat smeerlapke. Die gaat natuurlijk bij zijn moeder janken en dan is hij de pineut. “Wacht op mij, jong!” Warempel, Bart luistert. Hij veegt de tranen uit zijn ogen en wil niet dat Joerie hem ziet blèren. “Het gaat wel”, zegt hij. “Een stofke in mijn oog.” Joerie haalt een vuile zakdoek tevoorschijn en probeert onhandig de wonde rond de pols van Bart te verbinden. 16


Goe bezig?

“Bloedbroeders onder mekaar, nietwaar”, knipoogt hij. “We hebben trouwens nog geen trouw gezworen aan de vlag.” “Gij slimmeke, we hebben helemaal geen vlag!” Hadden Bloedbroeders een vlag, Bart zou het begot niet weten. Maar hij moet toegeven, het is geen slecht idee. “Nee? En wat is dit dan?” Joerie pakt een vod uit zijn achterzak en rolt ze open. Op de vuile stof is een enigszins beverige doodskop met twee kromzwaarden in plakkaatverf geschilderd. Bart is een beetje ontroerd, maar wil het niet laten merken. Hij neemt de vod vast om de piratenvlag van naderbij te bekijken. De verf begint nu al af te brokkelen, maar het is de intentie die telt. “Knielt neder, ridder Bartholomeus!” zegt Joerie plechtig, en Bart doet het warempel. “Ik sla u tot ridder in de orde van de Heilige Bietekwieten!” Hij mept met een stok stevig door op de beide schouders van Bart, veel harder dan bedoeld. “Hé zot!” roept Bart. Spijtig toch van die lelijke trainingsbroek met gaten die hij draagt, dat past niet bij een ridder die op kruistocht gaat. “Hier moet op gedronken worden!” Bart gooit Joerie een blikje Fanta toe, hij heeft het stiekem meegepikt uit de kelder want tijdens de week mag hij geen frisdranken meer drinken. Zijn moeder Rozette heeft op tv gezien dat het slecht is voor de tanden en verslavend werkt. En met negen kinderen in huis en een tiende op komst is het natuurlijk verloren frisdrank gekocht als iedereen zijn eigen maar naar believen kan bedienen. Daarom geldt nu de regel: enkel een frisdrank op uw verjaardag voor de jarige en op kerstdag en Sinterklaas voor iedereen. Maar goed, nu de laatste pa van dienst het thuis weer heeft afgebold steekt het allemaal niet meer zo nauw. Dat volwassenengedoe ook altijd, dat ze het zelf oplosten! Hoog tijd nu om wat te oefenen in afwachting dat ze het Heilige Land van de Turken gaan bevrijden. Ze beginnen met hun stokken wild op mekaar in te hakken. Bart is de eerste die 17


een tik tegen zijn kop krijgt, en hij laat van de schrik zijn stok vallen. Hij moet het toegeven, Joerie kan er wat van. Die zal op kruistocht nog heel wat heidense koppen van hun rompen klieven. “Verdomme!” roept Joerie luid. “Hoe laat is het al? Ik ben vergeten voor mijn pa naar de apotheek te gaan! Waar is dat stom briefke!” Hij zoekt zijn zakken af, maar vindt het niet. Wellicht is hij het ergens op het slagveld verloren. En de apotheker is al een half uur dicht. Die doet voor niemand open, zeker niet zonder doktersbriefke, zelfs niet voor twee ridders op een heilige missie. Bart is nog niet haastig om naar huis te gaan. Nooit op dinsdag- en donderdagavond, want dan is zijn ma druk bezig met haar bijjob. Medium Mela Mamma is er voor al uw zorgen. Gespecialiseerd in relatiecrisissen en seksuele problemen. Directe terugkeer van uw partner gegarandeerd. Ook voor het slagen in uw rijexamen en genezing van uw morele en lichamelijke kwalen. Liefdeselixir volgens een eeuwenoud geheim recept verkrijgbaar. Wenst u een blik op wat er in de sterren over u geschreven staat? Mela Mamma bezorgt u een uitgebreid astrologisch profiel op maat. Ze heeft er speciaal de garage voor ingericht met een tafeltje voor haar zituren en een kastje met haar eigen brouwsels, en een schminkhoek waar ze haar pruik en valse wimpers kan fatsoeneren. In de gang doet het vroegere brolkot dienst als wachtkamer. Zelf heeft ze Gert niet van haar heksenbrouwsels doen drinken toen hij het is afgebold, maar daar kijkt Bart niet van op. Zijn pa was het zo beu als kouwe pap, dat heeft hij meer dan eens gezegd in het bijzijn van de kinderen. En die kleine in haar buik zal ook wel niet van hem zijn, foetert Gert tegen iedereen die het horen wil. 18


Goe bezig?

“Ge kunt hem misschien wegtoveren!” had Rozette spottend geantwoord. Bart vond dat een goeie, en kreeg een oorveeg maar het was het hem waard. Zijn pa probeerde al een tijd als goochelaar door te breken, maar hij vond zijn kaarten niet meer. Die had hij na een optreden in het bejaardentehuis laten liggen en daar liep hij nog altijd pissig van. Het was een gratis optreden geweest omdat zijn schoonmoeder Fernande daar zat en hij geen nee hadden durven zeggen toen ze het hem vroegen, en het had achteraf gezien alleen maar geld gekost want het konijn dat hij normaal uit zijn hoed toverde was ook al gaan lopen. En een van de te enthousiaste kinderen uit het publiek had de kist waarin hij zijn assistente doormidden zaagde kapotgemaakt door er met zijn harde kop wild op te rammen omdat hij gedragsgestoord was en ze juist op dat moment op maximumvolume Highway to hell van ACDC op de radio speelden om wat leven in de brouwerij te brengen. De kist was nu wel helemaal naar de kloten en hij had geen geld om een nieuwe te kopen. De kist was nooit goed hersteld geraakt na een optreden in de refter van de kaartclub, de laatste keer dat Rozette hem had willen assisteren. Zij had daar hulpeloos in de kist gelegen, nadat hij haar in stukken had gezaagd en de uiteengeschoven blokken met haar lichaamsdelen niet meer bij mekaar kreeg. Meer dan twee uur had het geduurd voor hij de kist weer kon open prutsen, lang nadat iedereen naar huis was en de conciërge al een paar keer ongeduldig was komen zeuren dat hij nu wel echt moest afsluiten. Hij werd ’s nachts soms nog wakker van haar luide kreten waarmee ze hem voor het vuil van de straat had uitgescholden. Rozette zit ongeduldig te wachten op haar eerste klant. Die is al een kwartier te laat, en daar kan ze niet tegen. Vreemd, vindt Bart. Ze is toch helderziend, dus ze zou het moeten weten dat hij niet op tijd zou komen. Bart glipt langs de achterdeur naar binnen. Die is nooit op slot, waarom zouden ze ook, er valt hier niets te stelen. Het is relatief stil vandaag, zijn oudste broer en zus Benjamin en 19


Xenia zijn bij hun pa. Negen kinderen en al die verschillende vaders, het is het een en ander om het te onthouden. Bart heeft het eens allemaal op een rijtje gezet op het houten bord waarop hij zijn rekensommen voor school maakt en nu kan hij er min of meer aan uit. Gelukkig kregen ze allemaal de achternaam van hun moeder, dat maakt het allemaal iets overzichtelijker. De twee oudste (Benjamin, 17 jaar en Xenia, 16 jaar) hebben Simon als vader. Een verzekeringsagent; “hij kon het goed uitleggen, maar hij heeft meer in den bak dan achter zijn bureau gezeten!” meesmuilt Rozette. Maar eerlijk is eerlijk, hij is nu voor zover dat kan voor iemand van zijn kaliber op het rechte pad en zijn kinderen zijn blij dat ze hem af en toe kunnen opzoeken om zo eens het huis uit te zijn. De eerste tweeling Andy en Francis (14 jaar) krijgt al heel hun leven te horen dat de vader onbekend is, en meer wil Rozette daar niet over lossen. “Uw pa heeft destijds al genoeg gelost, amai, was me da grof geschut!” Stefanieke (13 jaar) is het product van een kortstondige romance met postbode Willy. “Dansen dat hij kon, en als ik in zijn ogen keek, verdronk ik. En werden mijn benen slap als nen elastiek!” Dan Bartje dus, 12 jaar. Met zijn vader Gert had Rozette allang een knipperrelatie: aan en uit, aan en uit, en het was een ongelukske. Van hem is Rozette nooit meer helemaal losgekomen. Als ze bij mekaar zijn, zou de ene de andere zijn ogen uitkrabben, maar ze kunnen mekaar ook niet missen. Toen Gert alleen woonde, reed Rozette minstens drie keer dag langs zijn huis om te spioneren welke sloeries bij hem over de vloer kwamen, en Gert stond ook voortdurend aan de deur, zogezegd om naar zijne kleine te komen kijken. En dan was er Serge (10 jaar oud), met alweer Simon als vader. “Hij kon het écht goed uitleggen!” keek Rozette beteuterd. 20


Goe bezig?

Nog meer springzaad werd geleverd door gefoefel op de achterbank van de taxi van chauffeur Antony, met als resultaat Suzy en Truus, de tweeling van intussen 6 jaar. “Hij vrijt gelijk dat hij rijdt, zonder te stoppen voor de rode lichten! Wat hij mij er niet bij gezegd had was dat hij niet alleen een vrouw met vijf kinderen had, maar ook nog eens vier andere minnaressen met bij elk minstens nog ene kleine.” En dan was Gert opnieuw op de proppen gekomen, en de vonk was andermaal overgeslagen, en twee jaar geleden waren ze weer gaan samenwonen. Maar dat had niet lang geduurd omdat Gert al die kinderen en de vaders die voortdurend over de vloer kwamen niet aankon. Hij wilde zijn vrijheid terug, had hij gezegd, hij wilde de wereld zien en de vrouwen konden hem voorgoed gestolen worden! En hij was in een krot twee straten verder ingetrokken waar hij hele dagen Redbull dronk en naar Netflix zat te kijken, met de rolluiken naar beneden en ’s nachts zwierf hij rusteloos rond het huis van Rozette die hem vanachter haar gordijn op haar beurt beloerde en die pakken suikerwafels at. Vorig jaar was Rozette haar plechtige belofte om geen kinderen meer te krijgen vergeten, had ze haar spiraaltje laten weghalen en zat ze binnen de kortste keren weer vol. Van wie wilde ze voorlopig nog niet verklappen, gesteld dat ze het zelf wist. Op het volgend familiefeest zou er alvast genoeg gespreksstof zijn. Bart weet niet goed wat hij er moet van denken. Na Serge en de tweeling Suzy en Truus waren er geen kinderen meer bijgekomen. Gelukkig maar, het was zo al druk genoeg maar nu had zijn ma dus weer prijs. En het ergste van al, ze was er nog blij om ook. Bart kon alleen maar hopen dat zijn pa Gert de vader was. Dat kon goed zijn, die liep de laatste tijd weer dikwijls binnen en buiten als het hem paste, maar dat wilde niets zeggen. Rozette zag de vaders van haar kinderen nog allemaal regelmatig, en Bart kon er niet aan uit met wie ze nog wel of niet te doen had. En ook andere mannen kenden de weg naar 21


haar huis maar al te goed, en dan werd hij met zijn broers en zusters letterlijk wandelen gestuurd. “Ik heb ook recht op ontspanning. En nu allemaal ingerukt mars!” De vraag of Gert de vader van de nieuwe kleine is brandt Bart op de lippen, maar hij durft het niet aan zijn pa vragen. Gert zal dan toch maar weer beginnen roepen dat Rozette een hoer is, en daar kan Bart niet tegen. Hij zou dan willen antwoorden dat als ze dan toch echt een hoer was niemand hem verplicht om te blijven komen, en hij weet goed dat er bloed zal vloeien als hij dat gaat zeggen. Maar genoeg gedroomd nu, de eerste klant belt aan en Bart doet open. “Het is voor Mela Mamma”, zegt de man, nerveus heen en weer drentelend. Ja, voor wie anders, denkt Bart, maar hij houdt zijn mond. “Zeker, meneer. Als ge efkes wil wachten in de wachtkamer, moeder, eh madam Mela Mamma komt subiet”, zegt hij gedienstig. Hij kent die vent, Herman noemt die dikzak. Hij heeft in zijn leven nog geen twee dagen gewerkt maar is de eerste om te klagen dat het leven zo duur geworden is. Herman moet spreken, zijn ouders zijn gestorven toen hij nog op school zat en hij heeft hun fortuin geërfd. Sindsdien is het zijn missie om die centen op te krijgen en dat zal hem op termijn nog wel lukken ook. Bart weet er het fijne niet van, maar hij heeft ergens opgevangen dat Herman zijn geld aan de wijven heeft verbrast en dat hij bier zuipt gelijk dat het water is. Wat de grote mensen daar zo plezant aan vinden, Bart verstaat er niets van en hij heeft ’s avonds biddend op zijn matje voor zijn bed aan God in de hemel gezworen dat hij dat nooit of te nimmer gaat doen. Herman heeft op het klapstoeltje plaatsgenomen en zit diep te zuchten. Het duurt zeker nog een half uur voor het Rozette belieft hem binnen te roepen. Ze heeft eerst haar nagels gelakt, 22


Goe bezig?

dat gaat voor. En daarbij, venten moeten maar wachten op haar, dat hebben ze altijd al gedaan. Kwestie van te tonen wie de baas is. Ze herkent haar klant en een spontane lach verschijnt op haar veel te rood geverfde lippen. “Awel Herman, dat is lang geleden!” spot ze. “Kom maar mee, jong!” “Ik ben niet in de stemming om te lachen, Rozette”, blaast Herman. “Ik bedoel, Mela Mamma”, knipoogt hij, maar daar gaat ze niet op in. “Dat zijn ze hier meestal niet als ze bij mij komen”, zucht Rozette. Ze troont Herman mee naar haar heiligdom in de garage en schenkt hem een glas pils uit een blik uit dat hij in één keer naar binnen giet. Zuchtend neemt ze een tweede blik uit het ijskastje dat snel dezelfde weg opgaat. Herman wil weten wat de toekomst voor hem in het verschiet heeft. “Op liefdesvlak?” polst Rozette. “Maar nee gij, wat zijt ge daar nu mee!” schiet hij uit zijn krammen. “Liefde, dat is voor de boekskes. Praat voor sentimentele wijven, zwijg mij daarvan. Met de liefde heb ik miserie genoeg gehad, daar weet gij alles van. Nee, ik zit in twijfel. Het is geen geheim, ik heb een schone cent van mijn ouders meegekregen, maar ja, daar komt ook ooit een einde aan. Nu is mijn vraag: moet ik wat ik nog over heb gaan investeren, of niet?” Rozette weet niet direct een antwoord op die onverwachte vraag. “Daar kan ik niet zo maar direct ja of nee op zeggen”, draait ze rond de pot. “Maar dat betekent niet dat ik u niet kan helpen”, voegt ze er snel aan toe. “Voor u doe ik alles, Herman, dat moet ik u toch niet zeggen. Ik ben u nooit vergeten.” Ze legt haar hand op zijn pols, dat voelt verrassend vertrouwd aan en hij hunkert al naar meer. Herman kijkt haar schattend aan. Toegegeven, die paar keer dat ze samen de koffer ingedoken zijn is ook hij nog niet vergeten. Ze had toen nog een lekker strakke kont, en 23


preutsheid staat niet in haar woordenboek. Maar ge moet Herman de vrouwen niet leren kennen. Ze hebben altijd bijbedoelingen. “En hoeveel gaat mij dat kosten?” Rozette zet haar ernstig gezicht op. Ze bekijkt hem van boven haar brillenglazen. “Een goede analyse van uw toekomst, dat begint al vanaf honderd euro”, zegt ze zakelijk. “Allee, omdat gij het zijt tachtig euro.” “Twintig procent oudelievenkorting”, lacht Herman, een beetje treiterig. “Voor u zal ik er zelfs nog tien euro afdoen. Ge waart echt speciaal”, slijmt ze. Herman weet dat ze dat waarschijnlijk tegen al haar venten zegt, maar het voelt toch prettig aan om te horen. Zelfs al is het een flagrante leugen. Wij mannen zijn toch sukkelaars, zucht hij. Een vrouw mag nog het grootste serpent van de wereld zijn, ze moet maar eens lachen en beginnen slijmen, en we zijn verloren. We doen het onszelf aan, stommeriken dat we zijn. Maar hij heeft er geen spijt van. In het leven moet ge meepakken wat ge kunt. Spijt komt achteraf wel, op uw sterfbed, en dan kunt ge nog altijd biechten en om penitentie voor uw zonden vragen. “Ge moet toch rekenen op een sessie op vijf”, polst ze. Vijf keer zeventig euro, dat maakt driehonderdvijftig. Toch veel geld, vindt Herman. “Driehonderd”, klinkt hij beslist. Ge kunt maar proberen! En hij is niet van plan vooruit te betalen. “Oké”, zegt Rozette. “Omdat gij het zijt, chouke.” Ze laat het klinken alsof ze een grote toegeving doet, maar met tweehonderd euro was ze ook al content geweest. “Dan hebben we een akkoord!” lacht Herman. Dat moet natuurlijk bezegeld worden met een zoen, vol op de mond. Rozette trekt haar gezicht weg, maar kan niet beletten dat zijn tong toch even tussen haar lippen naar binnen dringt. 24


Goe bezig?

Hm, ze smaakt nog altijd even sappig, honingzoet. “Zullen we dan maar beginnen?” vraagt Rozette. “Ik dacht dat ge het nooit ging vragen.”

25


26


Goe bezig?

EINDE VAN HET FRAGMENT

27


28

Goe bezig fragment  

fragment van de roman (we zijn) Goe bezig? van auteur Stefaan Van Laere. Kenmerken: recht voor de raap, uit het leven gegrepen, naturalistis...

Advertisement