Issuu on Google+

1. 1970, ANGOLA In Luanda krijgen Friso en ik een gemeubileerd huis toegewezen. Midden op een bouwplaats vol stenen en grint. Een eenzame kokospalm staat naast ons buitenterrasje te zieltogen. Zo goed mogelijk heb ik geprobeerd het huis gezellig te maken. Op de markt heb ik wat kleurige kleedjes gekocht, en hier en daar wat foto’s en vaasjes neergezet. Ik ben dat gewend en vind het leuk. In de afgelopen jaren hebben we op vele plaatsen in Europa ge­ woond. Fontainebleau, Londen, Dublin en Lissabon zijn er een paar van. Het eerste jaar was ik gelukkig, maar ik lig er steeds meer wakker van dat hij me behandelt als een huissloofje. Ik voel me ongezien en onbegrepen. Op de bouwplaats tegenover ons huis scharrelt een grote neger­familie rond. Ze bouwt van rond liggende planken een hut. Urenlang kijk ik van­ uit het keukenraam gefascineerd toe hoe ze bezig zijn. Ik zie hoe de hele familie zich eromheen groepeert als een jongen zorgvuldig een merkwaar­ dige rode vloeistof in een mal giet. De volgende dag hoor ik opgewonden kreten, en hol naar het raam. De jongen staat opgewonden op en neer te springen en kijkt met de borst vooruit naar de mal die hij de dag ervoor nog zo voorzichtig heeft gevuld. Het spul is hard geworden en veranderd in een rode baksteen die hij zorg­ vuldig uit de mal haalt. De steen koesterend als een baby in zijn armen, brengt hij hem weg. Vier dagen later hebben ze er drie mallen bij; nog twee weken later liggen er twintig mallen in de zon te drogen. ‘Daar is hoop, die mensen nemen hun leven in eigen hand. Ik bewonder ze. Zo wil ik zijn’, vertel ik mijn man. ‘Deze mensen laten zich niet kisten door de omstandigheden. Ze leven ermee. Als het leven er ellendig uitziet, blijven ze hoopvol. Het enige dat geldt, is het nu’, zeg ik vol enthousiasme. ‘Ze overleven met kracht; ze zijn optimistisch en blij met het leven. Ze genieten van kleine dingen en gaan liefdevol met elkaar om. Wat zou het heerlijk zijn als wij net zo met elkaar en het leven zouden omgaan.’

15 •


Friso haalt laconiek zijn schouders op. ‘Ach, pinda, ga jij nou maar lekker koken en een kind krijgen. Geef mij een biertje.’ Hij noemt me sinds we drie jaar geleden getrouwd zijn pinda. ‘Omdat je in je jeugd in Indone­ sië hebt gewoond en je familie halve pinda’s zijn. Behalve je Opa Larive, die Gouverneur in de Molukken en Nieuw-Guinea was, en je vader, de bestuurs­ambtenaar. Dat waren nette blanken.’ Ik besluit de familie aan de overkant iedere week mijn overgebleven huis­ houdgeld toe te stoppen. Wij kunnen best wat minder luxueus eten. En zo kan ik het doen zonder dat Friso iets merkt. Twee maanden later staat er een heus stenenfabriekje op het bouw­terrein. Twaalf uur per dag wordt er koortsachtig gewerkt door de hele familie. Als zij dat kunnen, is het minste wat ik kan doen mijn studie afmaken, en hoop houden dat het goed gaat tussen Friso en mij, besluit ik. Voor het eerst in mijn leven sta ik mezelf toe mijn woede te uiten als ik ontdek dat mijn studieboeken al vier weken bij de douane liggen. En dat Friso dit wist. ‘Pinda, je was zo lekker bezig. Ik wou je niet weer met je neus in de boeken zien’, probeert hij. Ik kijk hem aan, en de woorden van mijn moeder schie­ ten door mijn hoofd: ‘Jessica, het huwe­lijk is een ruilhandel. Geef hem niet zomaar seks.’ Deze actie van Friso betekent voor mij onherroepelijk een keerpunt in onze relatie. Dat zal hij weten ook. Ik besluit me terug te trekken in mijn razernij en negeer hem. Een week lang heb ik elke avond hoofdpijn. ‘Je hebt de buit binnen. Je bent getrouwd, en je denkt dat je je alles kunt permitteren’, zegt Friso bitter en hij slaat mij voor het eerst. In mijn ge­ zicht. Uit een diepe impuls sla ik terug en gil het uit: ‘Klootzak, als jij net zo als mijn vader wordt, loop ik weg.’ Na een verzoening in bed dwing ik de belofte af dat hij me nooit meer zal slaan. Koortsachtig stort ik me op het inhalen van de verloren studie­tijd. Friso zegt niets. Zonder overleg knip ik demonstratief mijn lange haren af. ‘Pinda, wat heb je nu gedaan, je prachtige haren’, zegt hij ontzet, als hij die avond bij terugkeer van zijn werk de keukendeur opendoet en mij aankijkt. ‘Als je dat wilt, zal ik een lange pruik kopen. Voor als we uitgaan’, ant­ woord ik koel. Hij geeft het geld.

• 16


In één moeite door benut ik zijn schuldgevoel om rijles te nemen. Ik wil eropuit met de Peugeot van de zaak. Ik wil zelfstandig zijn, het land waar we neergestreken zijn, verkennen. Friso verzet zich. Maar ik pas de regels van het nieuw geleerde spel meedogenloos toe: ‘Ik ben een mens, geen huis­dier. Niet iemand die je kunt opsluiten in je huis, meppen kunt verko­ pen en af en toe mee naar buiten kunt nemen. Die lessen betaal jij ge­ woon.’ Ik besluit Friso nog verder onder druk te zetten en ik doe er een flink schepje bovenop. ‘Weet je, ik ben bang dat ik anders steeds vaker heftige hoofdpijn krijg’, zeg ik met een licht sarcastische ondertoon. Ik vind een rijschool. ‘Denkt u maar niet dat ik over dat hobbelige pad, tussen al die vieze zwartjes naar u toe kom. U wacht maar op de grote weg’, zegt de instruc­ teur aan de andere kant van de gebrekkige lijn. Ik laat me niet uit het veld slaan; voor inspiratie hoef ik maar uit het keu­ kenraam te kijken naar de moedige, hardwerkende familie. De volgende ochtend, zodra Friso naar zijn werk is vertrokken, heb ik mijn afspraak voor de eerste les. Als een hoertje sta ik op straat een uur lang te wachten. Direct besluit ik dit niet aan Friso te vertellen. Hij zou onmid­ dellijk nijdig worden en willen dat ik met de rijlessen stop. Op onbewaakte momenten leer ik thuis voor het theorie-examen de zinnen uit het Portugese boek uit het hoofd. Mijn lange blonde pruik, contactlenzen en gewaagde truitje zorgen dat ik slaag voor het Portugese rijexamen. Ondanks het feit dat ik de vrachtwagen van rechts niet zie, om­ dat een contactlens zich achter in mijn linkeroogbol heeft genesteld. De examinator is net zo blij als ik dat onze wegen zich scheiden. We worden lid van een tennisclub. Ik ben nog steeds een goede speler, hoe­ wel ik niet meer als voor mijn brommerongeluk kan hollen en meppen. Toch word ik “kampioen van Angola”. Friso vindt het prachtig, en zorgt ervoor dat we samen in alle kranten staan. Zelf vind ik het een lachertje en protesteer: ‘Maar Friso, ik ben alleen de eerste van de blanken in dit land. Er is zegge en schrijve één autochtoon bij de club; een zwarte zakenman die alleen whisky drinkt en sigaren rookt.’ Hier blijft het niet bij. Ik wil me vol in het leven storten, deel uitmaken

17 •


van de nieuwe wereld om me heen. Om te leren typen in het Portugees en mensen te ontmoeten, besluit ik naar school te gaan. Trots ben ik erop dat ik nu het beste heb van twee werelden. Ik ben een beschermde, getrouwde vrouw en ik kan ook mijn vleugels uitslaan. Op de typeschool maak ik mijn eerste vriendin sinds de middelbare school, Erica. Ze is kapster. Als ik bij thuiskomst enthousiast vertel over de ontmoeting met Erica, kapt Friso me direct af. Ontmoeten wil hij haar zeker niet. Dat hoeft hij niet eens te vertellen. Zijn hele houding maakt het me duidelijk. Ik besluit me deze nieuwe vriendschap niet te laten afnemen. Zodra Friso zijn hielen heeft gelicht, bel ik Erica. Enkele minuten later hebben we een afspraak om de volgende middag naar het strand te gaan. We zitten op het warme zand, kijken naar de azuurblauwe zee en bespreken ‘de mannen’. ‘Jij hebt een lieve man’, zegt Erica. ‘Als jij hem niet wilt, ik wel, hoor.’ Ken­ nelijk vindt ze dat ik me niet zo druk moet maken over een enkele klap. ‘Dat doen alle mannen’, voert ze als excuus aan. Ja, zo ken ik er ook nog wel een. Bij thuiskomst uit zijn werk speelt Friso met de grijs gestreepte aanloop­ poes, die iedere dag trots zijn gevangen muizen brengt. Hij heeft het naar zijn zin op het werk. Allebei houden we van de tropen. Van de vochtige warmte, van het gesnerp van de krekels in de zwoele avonden. Ik voel me prettig te midden van de prachtige donkere mensen. Ondanks hun vaak moeilijke leven zijn ze bijna altijd vrolijk. Als ik hun leven afzet tegen onze problemen, onze eerste huwelijkscrisis, mogen we in onze handen knijpen. Ik houd van mijn man. Anders was ik toch niet met hem getrouwd? Het is zo’n avond die we ons in Nederland verlekkerd voorstelden. We zitten op ons terrasje naast de kokospalm, met een gin-tonic en verse gar­ nalen van de markt, die ik met veel pili-pili heb gekookt. We luisteren naar de krekels, praten wat en zijn tevreden. ‘Pinda, het wordt tijd dat we een kind krijgen, je bent al vieren­twintig’, gooit hij vanuit het niets op tafel. Ja, knik ik, ja, dat zou leuk zijn. Al een tijdje vraag ik me af waarom ik maar niet zwanger word. Aan de seks kan het niet liggen, denk ik, als we

• 18


weer eens voor de derde keer op een dag ons huwelijk consumeren. Alleen in zaken doen mannen aan voorspel, denk ik berustend. Hoewel het met Ton heel anders was. Het gebruikelijke leven van vrouwen in het buitenland, van de “expats”, kan ik opgelucht vermijden door een ernstig beroep op mijn studie te doen. Ik voel me niet thuis bij deze vrouwen in hun mooie huizen met veel personeel. Aan één stuk door praten ze over hun kinderen, hun mannen, geld en waaraan ze dat uitgeven. Bijna elke dag komen de buitenlandse vrouwen bij elkaar om te drinken. Soms thee of koffie, maar altijd alcohol in grote hoeveelheden. Veel meer is er niet te doen in Luanda. Hier moeten we het zonder theater, televisie of kledingwinkels stellen. In de hele stad vind je slechts één bioscoop. Het belangrijkste uitje is een bezoek aan de lokale stoffenwinkel om ver­ volgens richting naaister te gaan. Een enkele keer doe ik op dwingend verzoek van Friso mee met de sociale activiteiten. Dan bak ik op mijn beurt zeven taarten en serveer zelfgemaakte paté. En veel drank natuurlijk. Een enkele keer geven we een diner. Het is een hele uitdaging om in deze omgeving een mooie maaltijd bijeen te krijgen. ‘Weet je wel, Friso, wat ik daarvoor moet doen? Levende kippen kopen op de markt. Urenlang biefstuk snijden uit grote hompen vlees... Je zou er vegetariër van worden.’ Prompt haalt hij zijn schouders op en zegt: ‘Jij hebt toch niets te doen.’ Gelukkig brengen de weekends nog wat afwisseling. De blanke vertegen­ woordiger en zijn vrouw nodigen ons vrijwel elke zon­dag uit om met hen en andere blanke Portugezen met de veerboot naar het eilandje Mussulo te gaan. Na een tijdje worden we gastvrij in de familie opgenomen. Als zelfs Friso niet meer kan eten na een kilo garnalen per persoon, een hele verse kreeft met mayonaise en een hele kip, worden oma en zus die op het balkon staan te koken erbij gehaald. De gastheer zegt verwijtend: ‘De baas en zijn vrouw vinden het niet lekker.’ Dan eten we door tot we erbij neervallen. Op een rustige morgen, als ik zit te studeren met al mijn boeken om me heen, hoor ik een auto vlakbij stoppen. Vlug kijk ik uit het raam. Tot mijn verbazing zie ik dat het Friso is. Ik gris mijn boeken bij elkaar en stop ze weg in het keukenkastje. Net op tijd voor hij binnenstormt. Ik heb een

19 •


vaatdoek gepakt en veeg ijverig het aanrecht schoon als hij kort zegt: ‘Ga meteen pakken, je mag mee op reis. We blijven zeker een week weg. Ver­ geet mijn nette tropenpak niet.’ Twee uur later zitten we in de auto. Ik heb snel kunnen regelen dat de poes eten krijgt van de negerfamilie. Ze keken vol ver­bazing naar de grote zak kattenbrokken die ik ze kwam brengen; de kinderen gaan er vast van proeven. Een halfuur later zijn we de stad uit. We rijden door een droog en dor vlak landschap in een land dat groter is dan Frankrijk en Spanje bij elkaar. Natuurlijk heb ik mijn studieboeken thuis­gelaten. Net als het dagboek. Friso zou een hartverzakking krijgen als ik op reis met mijn neus in de boeken dook. En ik zou me geen raad weten als hij mijn dagboek in handen kreeg. De wereld zou vergaan als hij over Ton zou lezen. Het is gemakkelijk en plezierig rijden over de kaarsrechte geasfalteerde we­ gen. De Portugezen hebben een goed wegennet aan­gelegd, waarmee je dat hele gigantische land kunt doorkrui­sen. Zo hebben ze hun kolonie beter onder controle, denk ik cynisch. We praten niet. Maar dit keer is de stilte plezierig. De enkele bomen staan in rood zand. Als we verder naar het zuiden rij­ den, wordt het landschap vriendelijker, heuvelachtiger. Nog meer naar het zuiden is het bergachtig. Daar rijden we over slecht onderhouden steile bergwegen met evenzo steile afgronden. Ik sta duizend angsten uit. Friso houdt ervan het lot en vooral mij te tarten. Terwijl we in volle vaart over de hobbelige wegen stuiteren, begint hij kalm zijn pijp te stoppen. Het stuur klemt hij tussen de knieën. Ik ben blij als we de bergen achter ons laten en de woestijn in rijden. Na lang aandringen, stopt Friso de auto en maak ik foto’s van de Welwitschia Mirabilis. Dit is een cactusachtige plant met rode bloemen die alleen nog in Angola voorkomt. Die stuur ik naar ma. Ze is gek op cactussen. Overweldigd door de enorme schoonheid van de natuur om ons heen, vallen we van de ene verbazing in de andere. Het ontroert me een land te doorkruisen met zo veel ongereptheid en puurheid. Ik voel me stil van­ binnen, innig tevreden en verbonden met de natuur om ons heen. Zelfs Friso voelt mijn stemming en knikt me tevreden toe. Af en toe stoppen we bij een koffieplantage, een waterval waar roze flamingo’s staan te baden, een sinaasappelboomgaard.

• 20


We zien riviertjes, bananenbomen en ananasplanten. Mensen zien we niet. Als er gedurende de reisdagen ergens een uithangbord van een eetplek op­ doemt, zetten we direct de auto aan de kant van de weg. Het kan weer een halve dag duren voordat we een levende ziel te zien krijgen. Laat staan iets te eten kunnen bemachtigen. Het aanbod in de kleine geïmproviseerde restaurants bestaat meestal uit een plak vlees op brood. Blauwzwarte kindertjes duiken onmiddellijk vanuit het niets op en zitten gehurkt op een afstandje naar ons te kijken. Het is moeilijk kauwen onder hun blik­ ken. Ik wil niets liever dan broodjes voor hen kopen. Friso zegt: ‘Geen beginnen aan, doen we niet.’ Ik ga niet in discussie. Ik heb geleerd mijn strijdpunten zorgvuldig uit te zoeken. Ik geef ze een snoepje. Dat mag wel. ‘Je moet beseffen dat dit voor mij geen snoepreisje is, pinda’, zegt Friso, terwijl hij zijn pijp stopt. ‘Ik moet de kost verdienen voor ons tweeën.’ Ik knik ernstig en kijk steels naar de achterbank waar dozen vol was- en reinig­ ingsmiddelen, huidverzorgingsproducten en cosmetica staan opgestapeld. Ook de achterbak staat er vol mee. Hij leert lokale vertegenwoordigers van Proctor & Gamble zelfstandig winkeltjes en een distributiesysteem op te zetten. Ik kan me er weinig bij voorstellen dat Friso voor deze baan zo lang heeft moeten studeren. Na zijn doctoraal in Leiden hebben we nog een jaar in Fontainebleau op een studentenkamertje op een houtje zitten bij­ ten. Omdat hij een postdoctorale businessschool wilde volgen. Het enige in zijn werk wat echt mijn interesse kan wekken, is als hij langs zieken­ huisjes en artsen gaat met farmaceutische producten. Als het mij lukt om mijn studie af te maken, en dat lukt me, dat weet ik zeker, ga ik interes­ santer werk doen; dan ga ik de advocatuur in om mensen te helpen. Zoiets. Diep in het zuiden, in een hotelletje in Sa da Bandeira, ontmoet ik een blank meisje, Paula. Ze geeft lees- en schrijfles aan kinderen en volwas­ senen. ‘Dat wil ik ook, me nuttig maken. Een verschil maken in het leven van mensen’, zeg ik, terwijl ik de auto weer instap. ‘Ik wil iets met mijn leven doen. Meer dan kippen de kop afhakken of met mijn neus in de studie­ boeken zitten.’ ‘Heb je niets beters te doen?’, is zijn antwoord. Ik voel het verdriet in me opbruisen, maar ik beheers me. Ik mag hem niet laten merken hoe machteloos ik me voel als hij zo reageert. Dan zijn de poppen weer aan het

21 •


dansen. Ik laat het erbij. Maar ik besluit te doen wat ik wil. Als hij aan het werk is, ga ik zonder erover te praten mee met Paula. We gaan naar de Muila’s, een curieuze stam, waar ze taalles geeft aan een groep vrouwen. De stamleden leven afgescheiden in een omheinde neder­ zetting. De groep bestaat uit één man, een dertigtal vrouwen en ontel­ bare kindertjes. De man ziet eruit als een zwarte koning. Een kraakhelder gesteven wit jasje, een donkerblauwe lange broek met onberispelijke vouw en een witte pet met gouden biezen op zijn hoofd tonen zijn status. De uitgerekte giraffennekken van de vrouwen zijn omwonden met kralen­ kettingen. Hun bovenlijf is bloot. Een kort rieten rokje en gouden banden om de enkels is het enige wat ze dragen. Voor het kunstig opgestoken kapsel gebruiken ze een mengsel van koeienpoep en klei. ‘Zullen wij uw haar opmaken?’, vraagt een tengere vrouw met een lieve glimlach. Waarom eigenlijk niet, denk ik, snel gevolgd door de gedachte dat Friso erin zou blijven. ‘Nee, toch maar niet’, zeg ik. ‘Mijn man vindt dat niet goed.’ Ze knikt begrijpend. ‘Geef deze brief aan een witte vriendin. Als ze jong en mooi is, mag ze met mij trouwen en veel kinderen krijgen’, zegt de koning. Hij overhandigt me een in hanenpoten volgeschreven vel papier. Die avond, met zijn drieën aan tafel in het hotel, vertel ik vol vuur over onze belevenissen van die middag. ‘Wat gebeurt er als de jongetjes opgroeien?’, vraagt Friso. Hij laat zich tegenover Paula niet kennen en doet net of hij het prima vindt dat ik ben meegegaan. ‘Dan worden ze weggestuurd’, antwoordt Paula. ‘En beginnen ze hun ei­ gen clan. Er zijn altijd meisjes die mee willen.’ Zo’n harem is niet zo’n slecht idee, bedenk ik me. Ze hoeven niet elke dag met hem naar bed en hebben plezier met elkaar. Friso zegt grijnzend: ‘Pinda, die man heeft het niet slecht bekeken.’ Ik voel me goed als we na de drie weken lange reis weer thuis zijn. We heb­ ben geen ruzie gemaakt en hebben het zelfs samen gezellig gehad. Misschien gaat ons huwelijk toch lukken. Als hij enkele weken later weer op reis moet, nu met het vliegtuig naar de

• 22


tweede Portugese kolonie Mozambique, mag ik niet mee. ‘Te duur om jou mee te nemen’, beslist Friso. Ik vind het niet erg om een paar weken alleen te zijn. Integen­deel. Ik houd van stilte om me heen. Ik kan doen en laten wat ik wil. Zonder steeds met mijn man rekening te hoeven houden. Ik wil door mijn eigen ogen kijken. Niet afgeleid worden door zijn, soms hufterige, kijk op de wereld. Ik wil in alle nieuwigheid kunnen opgaan, mensen ontmoeten en daarvoor de tijd kunnen nemen. ‘Ik laat de auto bij het vliegveld staan. Jij hebt hem toch niet nodig’, zegt hij als hij mij een afscheidszoen geeft. Zodra ik de auto hoor wegrijden, hol ik door het huis en roep het uit: ‘Ik ben vrij! Ik kan doen wat ik wil!’ Poes Mickey rent met opgeheven staart mee. Het euforische gevoel van het moment moet ik delen. In detail beschrijf ik het gevoel van ultieme vrijheid in een lange brief aan mijn broer Jan Willem. Ik neem het er goed van tijdens deze weken van vrijheid. Ik ga zwemmen in zee en wandel langs de witte stranden. Jongetjes zitten op hun hurken in zee om garnalen te verschal­ken. Op het strand zie ik vlak voor mijn voeten de garnalen het zand induiken. Ze vormen kleine gaatjes die je over de hele vloedlijn ziet. Ik geniet van het moment, denk niet aan gisteren of morgen. Het gevoel van tijd ben ik vanaf de eerste stappen op het hete zand volledig kwijt. Rondom een pier, die ver de zee in steekt, zwem ik met rustige slagen. Het water is kalm en warm, de lucht helderblauw. Als ik hoor roepen, zie ik in de verte een groepje zwarte mensen naar me wuiven. Vrolijk wuif ik terug. Ik voel me als een held na een geslaagde marathon als ik eindelijk druipend het water uit kom. Triomfantelijk loop ik het strand op. Het groepje vrou­ wen staat me met open armen op te wachten. Verbaasd laat ik me door de druk pratende dames omhelzen. ‘Er zwemmen hier haaien. Ze hebben al drie mensen kapotgebeten. Wist u dat niet?’ Na de eerste schrik moet ik lachen. De vrouwen lachen vrolijk mee. Een kleine vrouw wijst naar een bontgekleurd kleed dat enkele meters verderop op het zand ligt uitgespreid. De uitnodiging met hen mee te eten, kan ik niet afslaan. We gaan in het zand zitten en ze bieden me stukken gezouten kabeljauw aan.

23 •


‘U spreekt goed Portugees. Was u niet bang?’ ‘Ik ga pas dood als het mijn tijd is’, hoor ik mezelf zeggen. ‘Eerst moet ik het geheim van het leven ontdekken.’ Ik ben verbaasd over mijn eigen uitspraak. Ze knikken instemmend en slaan me op de schouder: ‘Muito bem, muito bem.’ Goed zo, goed zo. Een oudere dame die wat van de groep verwij­ derd een ananas zit te eten, roept me plots iets toe. Ik zal er nog vaak aan terugdenken. ‘Geef niet op. Houd uw hart helder. Laat het waaien in uw hart.’ Kort daarop gaan de vrouwen weer aan het werk. Garnalen vangen. Vredig blijf ik alleen in het zand zitten. Kort schie­­ten Paula en de Muila-vrouw­ en in mijn gedachten voorbij. Ik besluit haar voorbeeld te volgen. Ik wil lesgeven, iets betekenen voor de mensen om mij heen. Ik kijk naar het groepje vrouwen dat in de verte driftig garnalen raapt. Rond de stad zie ik veel bruine kinderen. Ze zijn een aantal tin­ten lichter dan de overige Angolezen. Dit is het duidelijke gevolg van de Portugese integratiepolitiek. Al tientallen jaren krijgt een blanke man die met een in­ heemse vrouw trouwt een dikke premie. Het omgekeerde komt niet voor. De blanken die ik ontmoet via het werk van Friso, zijn al minstens vier generaties in Angola. Zoals het echtpaar waarvan de man voor hem werkt. Al die mensen, wit, bruin en zwart, kennen Portugal alleen uit over­ geleverde verhalen. Aan directe banden met Portugal ontbreekt het hen. Wat gebeurt er met hen en hun familie als ze ooit het land worden uit­ gezet? Ik bespreek het met Friso. ‘Hoelang kan Portugal het nog volhouden er een kolonie op na te houden? De mensen worden mondig, opstanden worden onderdrukt. Hoelang zullen ze het nog dulden om ondergeschikte in eigen land te zijn?’ Friso geeft zijn gebruikelijke commentaar door zijn schouders op te halen. Zoals zo vaak houd ik me met moeite in; zijn onverschillige houding stoort me. Ik vraag me beklemd af hoe dit prachtige land en zijn bevolking kan overleven zonder gruwelijk bloedvergieten. Mijn vriendin de kapster vertel ik over Paula en mijn lesplannen. Ze rea­ geert verheugd. ‘Je kunt op ons schooltje komen lesgeven.’ Ik neem het aanbod maar al te graag aan. Nog geen week later sta ik voor

• 24


een klasje van vijftien kinderen, die muisstil en gretig naar me luisteren. Ik voel me openbloeien; ik koop schriften en potloden van mijn gespaarde huishoudgeld. Ik schaf een groot schoolbord aan. Intuïtief weet ik dat Friso dit niet te weten mag komen. Elke morgen ga ik, als hij al lang en breed de deur uit is, naar het schooltje. Wekenlang gaat het goed. Dan komt hij op een kwade dag onverwacht thuis als ik huiswerk zit na te kijken. ‘Wat zit je daar te doen?’, vraagt hij, en hij rukt de papieren uit mijn handen. ‘Pinda, ik waardeer je edele bedoelingen, maar dit kan niet. Dit is uitgesloten.’ ‘Ik voel me hier gelukkig bij, schat. Laat me doen waar ik goed in ben’, probeer ik. ‘Nee Jessica, het bedrijf wil niet dat mijn vrouw zich onder de bevolking mengt. Dit gedoe is nu afgelopen. Basta.’ Ik doe of ik hem gelijk geef. Maar ik weet dat het hoog tijd is dat ik mijn eigen keuzes ga maken. Dus ik ga door met lesgeven, zes uur per week. Meer durf ik niet. Ik ben veel te blij dat Friso me redelijk vrij laat en tevreden is met zijn leven en met mij. Mijn tijd komt wel, denk ik, en ik stort me weer op mijn studieboeken. We zijn weer eens samen op reis. Friso gaat werken met de lokale vertegen­ woordiger in Huambo, een stad in centraal West-Angola. Hij heeft de auto niet nodig en geeft me hem bij hoge uitzonde­ring genadiglijk mee. Het is een glimmende nieuwe Peugeot van de zaak. ‘Wees in godsnaam voorzichtig. Je rijdt als een zombie. Je moet ruim voor donker terug zijn.’ Braaf heb ik geknikt. Als ik maar weg kan. Zingend rijd ik de stad uit en sla een zandweggetje in dat loodrecht op de kaarsrechte asfaltweg staat. Ik rijd een wereld binnen van ficussen zo groot als bomen, gele acacia’s en stille riviertjes. Ik zie een waterval en een koffie­ plantage. Als ik vrouwen de was zie doen in een traag stromend riviertje stop ik en stap uit. De vrouwen kijken op. Kinderen komen aarzelend dichterbij. Ik lach ze toe en vraag in het Portugees of ik de kinderen een snoepje mag geven. ‘Ja, en mij ook’, antwoordt een jonge vrouw en ze lacht breed. Ze heeft nog een paar tanden in haar mond. Ik deel snoep uit. Nadat iedereen, ook de volwassenen, gretig het snoepje

25 •


in ontvangst hebben genomen en de kleurige snoeppapiertjes zorgvuldig hebben gladgestreken, neem ik afscheid en stap ik weer in om mijn tocht te vervolgen. Als het pad zelfs voor de Peugeot onbegaanbaar wordt, zet ik hem aan de kant. Lopend ga ik verder. Ik kom bij een kleine nederzetting waar vrouwen bezig zijn met koken in grote potten. Ondertussen praten ze zachtjes met elkaar. Uit vierkante plaggenhutten met rieten daken komen kinderen tevoorschijn. Ze kijken me nieuwsgierig aan. Een oude man zit met gekruiste benen onder een boom. Kennen deze mensen een geheim? Ze lijken blij en onbezorgd. Of verbeeld ik me dat en is het schone schijn? Met zo weinig kun je toch niet gelukkig zijn? Een vrouw die op de grond zit met een bolronde buik en vier kleine kin­ deren die dicht tegen haar aankruipen, roept me dichterbij. ‘Kom hier.’ Ze klopt uitnodigend op de grond naast haar. Ze wrijft over haar buik. ‘Mijn man is vier jaar geleden naar de stad vertrokken om te werken. Eenmaal per jaar komt hij terug en laat een presentje achter.’ Door dit verhaal realiseer ik me direct weer hoe prettig het is dat ik Por­ tugees spreek. Deze taal is de taal van de kolonisten en van alle inwoners van het land. Is het kolonialisme nog ergens goed voor. Omringd door joelende kinderen en moeders loop ik terug naar de auto en nodig ze uit: ‘Stap maar in.’ Uitgelaten klimmen ze over elkaar de Peugeot in. Gillend van plezier hob­ belen we even later over de paden. Na terugkomst krijg ik een drankje aangeboden uit een houten beker. Waarschijnlijk een alcoholische versnapering, aangezien ik me niet veel later als in een roes voel. Net op het moment dat me een tweede drankje wordt aangeboden, komt een kereltje van een jaar of acht met door hem uit hout gekerfde beestjes op me toegelopen. Ik koop een leeuwtje en een giraffe. Een leuke herinnering en de enige manier om deze trotse mensen geld te geven. Met een grote stok trekken de vrouwen aardewerken potjes uit het smeu­ lende vuur. Ik moet gaan zitten en ik krijg een potje aangeboden. Ieder­ een kijkt hoe ik mijn eerste hap met de bijgeleverde houten lepel van het gestoofde vlees in tomatenprut neem. Ik zwaai met mijn hand langs mijn rechteroor. ‘God­delijk.’ Ze lachen tevreden.

• 26


We raken in gesprek als ze vragend op mijn trouwring wijzen. Door de manier waarop ze naar me kijken, merk ik dat ze aanvoelen dat er iets niet in de haak is. Dit vermoeden wordt direct bevestigd door de vraag die een oude, broodmagere vrouw me ernstig stelt. ‘Lieve vrouw, het geluk zit in je. Niet buiten je. Weet je dat wel?’ Ik knik, maar ben niet overtuigd. Ik wil het graag geloven. Toch vraag ik me ernstig af of geluk niet ook te maken heeft met dingen buiten je; welke ouders je hebt gehad; hoe je eruitziet; of je geld hebt; gezond bent, en vooral: wat voor huwelijk je hebt. ‘Luister naar je innerlijke stem. Wees stil en luister’, onderbreekt ze mijn gedachtestroom. ‘Ja, maar ik hoor zoveel stemmen’, zeg ik verward en ik strijk door mijn haren. ‘Hoe weet ik welke mijn innerlijke stem is?’ De oude vrouw aait met haar pink over mijn wang. Ik krijg tranen in mijn ogen van dit liefdevolle gebaar. ‘Die stem is vol mededogen en oordeelt niet’, zegt ze. ‘Als je je blij en vre­ dig voelt, weet je dat je de goede stem hoort. Het is je zuivere kind dat naar huis toe wil, je passagier die altijd bij je is. Om hem te vinden heb je tijd en stilte nodig.’ Na deze uitspraak valt er een stilte, waarin geen van ons beiden een drang tot spreken voelt. Een prettige stilte. Ik schrik op. Friso’s woorden dat ik echt voor het donker thuis moet zijn, dreunen na in mijn hoofd. Het is donker. Van het ene op het andere mo­ ment, zoals dat hier gaat. Maar kan ik nog weg? Kan ik de weg terug vin­ den? Er zit niets anders op dan het aanbod van de vrouwen, aangevuurd door de oude dame, aan te nemen om te blijven overnachten. ‘Kom maar mee, je mag bij mij in mijn hut slapen’, zegt de oude vrouw. ‘Dan kunnen we verder praten over je stem en het leven.’ Ik voel me blij bij de gedachte langer in haar nabijheid te kunnen zijn. Maar ik ben benauwd als ik denk aan Friso’s woedende gezicht als ik mor­ gen pas kom opduiken. Ik heb echter geen keus. Er is geen schijn van kans dat ik in het pikdonker de hoofdweg terug kan vinden. De kinderen gaan naar bed en komen me een kus geven. Sommige kleintjes trek ik op schoot. Heerlijk moet dat zijn om zelf zo’n kleintje te hebben. Een wezentje van jou met wie je echt jezelf kunt zijn, van wie je onvoor­ waardelijk kunt houden. De kinderen verdwijnen met hun moeders in de hutten. Misschien krijgen ze een verhaaltje voor het slapen gaan.

27 •


Ik staar in de gloeiende kooltjes en kijk omhoog naar de sterrenhemel. Ik zou gelukkig zijn als ik niet aan Friso hoefde denken. De vrouwen komen terug en gieten rivierwater in een kookpot die ze in de kooltjes zetten. Voor de afwas. Sirenes klinken. Koplamplichten zwaaien over de hutten. Drie politieman­ nen springen uit een jeep. In paniek rennen de vrouwen de hutten in. Naar de kinderen. Voor ik doorheb wat er gebeurt, word ik ruw meegesleept naar de jeep. Een politieman drukt mijn hoofd naar beneden de auto in. ‘Geef de au­ tosleutels’, grommen ze als ik op de achterbank zit. Een van hen stapt in de Peugeot. In doodse stilte rijden we terug. Vernietigende blikken zijn het enige antwoord als ik probeer een gesprek aan te knopen. Ik voel me onmachtig, angstig en ook verontwaardigd. Mijn hart klopt met grote bonzen. Ik word behandeld alsof ik een zware crimineel zou zijn. Na een dikke twee uur rijden we de stad binnen en stoppen we bij een laag verveloos gebouw. Daar ben ik in betere dagen voor mijn rijbewijs op bezoek geweest, het politiebureau van Luanda. Het portier wordt vanbuiten geopend en aan mijn arm word ik de auto uitgetrokken. Ik verwacht niet anders dan dat ik met dezelfde ruwheid in het cachot word gesmeten. Dan zie ik vanuit mijn ooghoeken Friso met korte driftige passen op me af komen lopen. Met zijn eeuwige pijp non­ chalant tussen de lippen. De agenten staan erbij alsof ze elk moment de achtervol­ging moeten inzetten. ‘Dag beer, daar ben ik weer. Ik -’, zeg ik. ‘Waar hebt u haar gevonden?’, zegt Friso op afgemeten toon tegen de agenten, terwijl hij doet alsof ik lucht ben. Voordat ze hem antwoord kunnen geven, draait hij zich naar mij toe en bijt me toe: ‘Sloerie! Kom mee!’ Hij draaft naar de auto, schuift achter het stuur en gebaart me driftig in te stappen. Met gierende banden rijdt hij weg en negeert twee rode lichten. Ik duik weg in mijn stoel. De rit naar huis kan me niet lang genoeg duren. Als hij de auto heeft geparkeerd, blijf ik als verlamd zitten. Ik zit in de val. Zonder een woord te zeggen stapt hij uit, smijt het portier achter zich dicht en loopt naar de voordeur. Hij kijkt om en staart me recht in het gezicht. Zijn ogen staan star. Hij vloekt, loopt met driftige stappen terug

• 28


richting auto, trekt mijn deur open en rukt me aan mijn arm naar buiten. ‘Rotwijf, je hebt me voor schut gezet!’, brult hij, en hij trekt me mee het huis in. Ik struikel en val tegen hem aan. Hij drukt me tegen de muur. Met de vlakke hand geeft hij me een mep in mijn gezicht. Mijn wang gloeit. De vlakke hand geeft kennelijk niet genoeg voldoening. Opnieuw heft hij zijn arm op, dit keer met gebalde vuist. Als verdoofd ontvang ik zijn gestomp in gezicht en buik. Van de pijn sla ik op de grond dubbel. Hij bewerkt met roffelende vuisten mijn achterhoofd en rug. Hulpeloos lig ik tegen de muur gedrukt en kronkel me in alle bochten. Het helpt niet. Ik ben gevangen onder zijn sterke handen. Het bloed stroomt uit mijn neus. ‘Houd op, asjeblieft Friso, houd op’, weet ik uit te brengen tussen twee slagen door. Weer grijpt hij me bij de armen, schudt me door elkaar en bonkt mijn gezicht tegen de muur. De blik in zijn ogen is als die van een krankzinnige. Opeens is het afgelopen en laat hij zijn armen langs het lichaam vallen. ‘Ga uit mijn ogen, verdwijn!’ Trillend van top tot teen strompel ik naar het logeerkamertje. Daar pak ik de enige stoel en zet die schuin onder de deurknop. Dan versleep ik het houten tafeltje en duw dat zo dicht mogelijk tegen de stoel aan. Er is geen spiegel in de kamer. Ik ruk het laken van het bed en stelp op de tast het bloed dat langs mijn gezicht stroomt met een punt van het laken. We zijn een paar dagen verder. Ik heb eieren voor mijn geld gekozen. Voor­ lopig kan ik niet weg en geld voor een ticket heb ik niet. Ik heb lekker gekookt: kip en zelfgemaakte frietjes. Ik moet hem nu te vriend houden. Friso eet met smaak een schaaltje zelf­gemaakte appel­ moes. Hij heeft zijn bord leeg, maar kijkt me ondanks de lekkere maaltijd afkeurend aan. ‘Het is hoog tijd dat je zwanger wordt’, zegt hij snuivend. ‘Je moet je benen langer in de lucht houden. Met mijn sperma is niets mis. Wat is er toch met je aan de hand?’ Het schuldgevoel verbrandt mijn buik. Zelfs iets wat iedereen kan, kan ik niet. ‘O ja, we gaan naar Beiroet, maar eerst verlof in Holland’, zegt hij terloops. ‘Ga maar pakken. Misschien lukt het dan eindelijk wel. Als je je niet meer zo druk maakt over dat lesgeven en die stomme studie.’

29 •


Nu kan ik bij hem weg. Opnieuw beginnen, in Nederland blijven. Ik ben bijna afgestudeerd. Ik kan mijn jeugdliefde Ton opsporen. Ik voel hoop. Hoop heb ik nodig.

• 30


1000 plaatsen, 1 thuis van Jessica Larive 1e hoofdstuk