Page 1


Stellinga DEF 2.indd 14

2-9-09 9:48


Het Patent


Voor Jan, Anny en Onkel Heinrich


Tony van der Meulen

Het Patent Een familiegeschiedenis

Uitgeverij Balans


Andere boeken van Tony van der Meulen: Het uur van de muskieten. Een journalistieke zoektocht door Uganda (1998) Anders Nog Iets? De teloorgang van de middenstand (2001) Dansen op de Kwai. Het leven na de Birma-spoorweg (2003) De verzwegen moeder (2005) De zaadvergadering (2006) * Fries in Brabant. Over vreugde en verdriet, woede en verbazing in het ­dagelijks leven (2008) * Het leed dat winkelen heet (2009) * Storm in de media (2009, red.) * * nog leverbaar

Copyright Š 2011 Tony van der Meulen / Uitgeverij Balans, Amsterdam Alle rechten voorbehouden. Omslagontwerp Nico Richter Omslagfoto Jan in 1961 in zijn schuurtje, foto Tony van der Meulen Boekverzorging Magenta Ontwerpers, Bussum Foto auteur Rogier Veldman Druk Wilco, Amersfoort isbn 978 94 600 3321 6 nur 320 www.uitgeverijbalans.nl www.tonyvandermeulen.nl


Inhoud

1  ‘Doe vooral de groeten aan Jan van der Meulen!’ 7 2  De toren 17 3  Het schuurtje 29 4  Als broers 39 5  Het scheerapparaat 51 6  De stoel 59 7  De familie Brune 63 8  1955, ‘Er is licht van Boven nodig’ 73 9  1956, ‘Kohlenmangel’ 87 10  1957, ‘De prestatie is geweldig!’ 95


11  1958, ‘Het Semoo-fluitje’ 101 12  1959, ‘Let bij inkoop op de naam Gütermann!’ 115 13  1960, ‘Het hart van de lamelsleuven’ 127 14  The Indian Connection 143 15  1961, ‘Mooi weer en lange dagen’ 155 16  1962, ‘Samen een sigaret uit een pakje Old Mac’ 169 17  ‘6-4-’65 R.I.P’ 185 18  De toverlantaarn 197 19  In Duitsland 211 20  Daar was het 227 Dank! 237


1 ‘Doe vooral de groeten aan Jan van der Meulen!’

Bellen met journaliste Margriet Vroomans is voor mij extra de moeite waard als haar man opneemt. Steeds hoop ik daar stilletjes op. Want dan hoor ik het luid en duidelijk: ‘Met Jan van der Meulen’. Alsof de Dag der Dagen eindelijk is aangebroken en mijn vader uit zijn langdurige dood is opgestaan. Aangeboren zekerheden hebben geen nader bewijs nodig. Nooit heb ik me afgevraagd of er nog een andere Jan van der Meulen zou kunnen bestaan. Ik had één vader met maar één naam, en dat was het. Tot ik hoorde dat de man van Margriet Vroomans ook zo heet. Voor haar telefoonnummer gaf ze me, achteloos en zich van geen verbazing bewust, zijn visitekaartje, want de hare waren op. ‘Jan van der Meulen’ op een visitekaartje! Terwijl mijn vader zoiets nooit heeft gehad. Alleen kleine kaartjes met zijn naam en die van mijn moeder, in krulletters gedrukt op geschept oud-Hollands papier. Die kaartjes, met bijpassende envelopjes, werden gebruikt voor vreugde en rouw, en met Nieuwjaar. ‘zn’ schreef mijn vader er dan op met zijn vulpen, ‘Zalig Nieuwjaar’, als nadrukkelijke blijk van zijn katholicisme. Onkerkelijken deden het af met gn, ‘Gelukkig Nieuwjaar’; rooms-katholieken wisten zeker dat op een gelukkig jaar aanmerkelijk minder zegen zou neerdalen dan op een zalig. Het ‘Veel heil en zegen’ van de andersdenkenden, zoals de protestanten omzichtig heetten, was 7


meteen weer zo nadrukkelijk en daardoor typisch gristelijk. Een tweede Jan van der Meulen! Hij is ontwerper te Naarden en dus eigenlijk net als mijn vader ook een beetje uitvinder. ‘Doe vooral de groeten aan Jan van der Meulen!’ zeg ik graag tegen Margriet Vroomans. Steeds klinkt het weer bijzonder. Dramatisch was de verschijning van de derde Jan van der Meulen. Ik hield een voordracht in de Nutsbibliotheek in Joure, mijn geboorteplaats, naar aanleiding van mijn boek Anders Nog Iets? De teloorgang van de middenstand, dat verscheen in 2001. In veertig jaar zijn in Nederland ruim honderdduizend kleine winkels verdwenen. Zij werden niet alleen het slachtoffer van de verBlokkering en verEtossing, maar sloten vaak ook bij gebrek aan opvolging: onze naoorlogse generatie wilde niet meer in de winkel staan en ging verder leren. Ikzelf moest er niet aan denken, een heel leven in zo’n winkel. ‘Goedemorgen, mevrouw De Jong, wat mag het zijn?’ ‘Jazeker, mevrouw Halma, die kleur kunt u best hebben.’ Mijn vader Jan en mijn moeder Anny hadden een goed beklante manufacturenzaak in de Midstraat nummer 84 in het Friese Joure. Ook die winkel verdween, overigens net als het woord ‘manufacturen’ en de effectieve koopdwang waarmee mijn moeder uitermate vriendelijk en voorkomend haar cliëntèle onder druk zette. Wie bij ons in de winkel kwam om twee paar nylons, ging, als deze niet in de goede maat voorradig waren, uitermate tevreden naar buiten met een geel vestje. Op de bladzijden waarop ik de cultuur beschreef van het leven achter de winkel en het na sluitingstijd pingpongen op de lege toonbank, verwoordde ik ook mijn verwon8


dering over de arrestatie van mijn vader in 1944. Hij werd door de Duitsers verdacht van hulp aan het verzet. Een wat wonderlijk verhaal. Mijn vader was een heel aardige, lieve man (hoewel ik hem als jongen zelf nooit ‘lief’ heb genoemd). Maar ik zou hem geen recht doen door hem te portretteren als een groot verzetsheld. Bijna drie maanden zat hij in het Huis van Bewaring in Leeuwarden, hij heeft me later als we daar langsliepen nog dikwijls het getraliede raampje gewezen van zijn cel. Hij heeft het overleefd; mijn moeder hield er een miskraam aan over nadat zij hollend was ontkomen aan een smeerlap van de Grüne Polizei, die haar nazat. Dit alles kwam ook aan de orde in de Jouster bibliotheek, waarbij het me al wel opviel dat op de voorste rij een oude, enigszins rood aangelopen heer zat, die onrustig heen en weer wiebelde. Meteen in het begin van de pauze kwam hij op me af en zei met aarzelende stem: ‘Ik moet u iets bekennen dat mij heel erg heeft geschokt.’ Met tranen in zijn ogen vertelde hij me dat hij door mijn boek na al die jaren er nu pas achter was gekomen dat de arrestatie van mijn vader een gevolg moet zijn geweest van een persoonsverwisseling. Hij heette immers ook Jan van der Meulen, was geen familie van mijn vader, want niet rooms, maar was destijds wel zeer actief betrokken bij het verzet in Joure. Op zekere dag moest in opdracht van de Duitsers Jan van der Meulen worden opgepakt. Omdat ze hem niet konden vinden, hadden ze volgens zijn reconstructie mijn vader van zijn bed gelicht, want daarmee voldeden zij aan hun opdracht: het arresteren van Jan van der Meulen. Deze Jan van der Meulen, de echte verzetsman, hield nog enige tijd mijn handen vast als wilde hij zich alsnog via 9


mij tegenover mijn vader verontschuldigen. Toen verliet hij de bibliotheek. Nog eenmaal keek hij achterom, aangedaan en betraand. Omdat mijn ouders toen al dood waren, heb ik deze onthulling niet meer met hen kunnen delen. Terwijl mijn aandrang nog iets aan hen te willen vertellen, nooit zo groot is geweest als op dat moment. Het is bizar dat zij nooit zullen weten hoe het precies zat met het gevankelijk wegvoeren van mijn vader, midden in de nacht. Een gebeurtenis die hun nieuwe leven, ze waren nog geen jaar getrouwd, in hoge mate verwarde en door elkaar schudde. Iets heel graag willen vertellen aan je inmiddels dode vader en moeder: nimmer heb ik me zo machteloos gevoeld in de communicatie met hen. Terwijl die bij leven ook niet geheel probleemloos was. Mijn moeder Anny Oomes, geboren in 1916, overleed op sinterklaasdag in 1993. Ze stierf kwaaiig, zoals ze in de laatste jaren van haar leven veel kwaadheid ontleende aan haar verdriet en eenzaamheid. Ze stond opgebaard in de echtelijke slaapkamer, waar het deel van het lits-jumeaux dat mijn vader toebehoorde alle zeventien jaren na zijn dood keurig opgemaakt bleef, maar ongebruikt. Als de koeling onder haar kist (‘doe hier nog even een kistje, rooms model’, belde de kraai naar zijn kantoor) aan- of afsloeg, schudde mijn moeder bozig met haar dode hoofd. Haar laatste jaren had zij in onmin verkeerd met het leven omdat de vrolijkheid en de humor, waaraan zij zo hechtte, haar grotendeels waren ontglipt. Voor al haar energie en verbale alertheid vond zij geen emplooi meer nadat zij het zakenleven had verlaten en ook daardoor met steeds minder mensen omging. Toen ze was overleden, midden in de nacht, met alleen een gealarmeerde buurvrouw aan haar sterfbed, bleef ze onverzette10


lijk met haar hoofd schudden: aan de dood was ze kennelijk nog niet voldoende gewend om zich erbij neer te leggen. Vaak zie ik dat boos schuddende hoofd in die kist nog voor me en doe ik mijn best me te herinneren dat zij ook heel aanstekelijk kon lachen. Maar herinneringen waar je zelf last van hebt, zijn bijzonder weerbarstig en verdringen het meer gerieflijke deel van het geheugen. Mijn vader was van 1911 (net als prins Bernhard en Jozef Luns). Hij stierf al in april 1976, hij werd 64 jaar. Ik zou niet meer weten hoe zijn stem klinkt, ik zou niet meer weten hoe hij ruikt of voelt. Misschien heb ik dat wel nooit heel goed geweten, bij ons thuis waren wij niet zo snuffelig en aanrakerig. Praten ging ons nog het beste af. Toen de journalist en schrijver Arie Kuiper in De Rode Hoed in Amsterdam zijn prachtige biografie over Abel Herz足足berg presenteerde, was daar ook de kleinzoon die voortleeft in Herzbergs bundel: Brieven aan mijn kleinzoon. Is het niet een merkwaardig gevoel, vroeg ik aan de kleinzoon, dat de biograaf van jouw opa meer van hem weet dan jij? Nee, antwoordde de kleinzoon, want Arie Kuiper weet niet hoe het voelde als ik mijn opa in zijn buik stompte. Terwijl ik nagenoot van deze mooie observatie, realiseerde ik mij dat ik mijn eigen vader nooit liefdevol in zijn buik heb gestompt. Waarom eigenlijk niet? Hij was het ten volle waard. In een puberale woedeaanval heb ik hem een keer een tik gegeven, en daar schrok ik nog meer van dan hij. Nu ik er geconcentreerd aan denk, weet ik vooral weer hoe het voelde als hij op zondag, voor de hoogmis, zijn drie zonen een lik Brylcreem in het natte haar wreef. Fris geschoren rook hij zelf dan naar de scheerzeep van zijn vaste merk De Vergulde Hand. Mijn god, wat is hij dood!

11


Toen mijn vader moest kiezen in het leven, was de economische crisis van de jaren dertig van de vorige eeuw op zijn hevigst en viel er dus in feite niets te kiezen. Hij belandde als technische man in de ‘lapjeswinkel’ van zijn vader, die later door mijn moeder, een getalenteerde zakenvrouw, tot grote bloei werd gebracht. Intussen deed mijn vader trouw de administratie en verkocht hij stoffen en maaswol aan de vaste klanten. Verreweg het meeste geld kwam binnen via de florerende afdeling bh’s, korsetten en de wat vrolijker lingerie van mijn moeder. Onze winkel draaide om haar en ik denk dat hij dat eigenlijk niet zo erg vond. Zijn ambities lagen elders. Er is tussen hen een grote ruzie geweest, vol onbegrip en structurele verwijten, toen zij naar de textielbeurs in Amsterdam was om in te kopen en hij de winkel sloot om in Joure naar een grote brand te gaan kijken. Het typeert het grondige verschil in hun beider motivatie. Mijn vader zat het liefst in ‘het schuurtje’ waar hij koper sloeg en uitvond. In de winkel stond hij altijd in de schaduw van zijn voortvarende vrouw. Het schuurtje was zijn domein, waar voor hem het geluk tastbaar was. In dat schuurtje groeide ook de magie rond Het Patent. Het Patent! Het nog steeds emotionerende toverwoord van onze jeugd. Een van de broers van de Duitse moeder van mijn vader, Onkel Heinrich, had een pneumatische hamer uitgevonden. Een gelijkstroommagneethamer (in het Duits klinkt dat nog weer veel heftiger), die in de jaren vijftig van de vorige eeuw kennelijk een grensverleggend ontwerp was. De hamer combineerde een ongekende slagkracht met een al even verbazingwekkend laag stroomgebruik. Het moest zowel voor de vakman als voor de veeleisende 12


doe-het-zelver een innovatief en benijdenswaardig stuk gereedschap worden, dat de traditionele hamer, die het van menskracht moet hebben, snel zou doen vergeten. Onkel Heinrich had in 1954 bij het Duitse Patentbureau patent aangevraagd op met name het magnetische mechanisme van zijn gelijkstroommagneethamer, waaraan hij al sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog had gewerkt. Binnen zijn Duitse familie vond hij echter weinig ‘Anklang’ voor zijn vernuft. In het verwoeste en verslagen Duitsland was weinig ruimte voor de grensverleggende ideeën van een springerig denkende uitvinder, eerst moesten de echte problemen worden aangepakt. Kennelijk wist Onkel Heinrich dat hij in Nederland nog een neef had, mijn vader, die niet alleen geïnteresseerd was in techniek maar samen met zijn vrouw ook een winkel dreef. Dat voorzag in twee problemen die moesten worden opgelost voordat de gelijkstroommagneethamer de wereld zou kunnen gaan veroveren. De gelijkstroomgenerator moest nog aanmerkelijk worden verbeterd, en er moest nagedacht worden over de mondiale productie van de hamer, een heuse fabriek dus, en over het opzetten van een verkoopapparaat. Over zowel het technisch vervolmaken van de uitvinding als over het te gelde maken van al het denkwerk (tegenwoordig zou dat ongetwijfeld ‘vermarkten’ heten), ont­stond vanaf 1954 een intensieve, maar vaak ook ingewikkelde ­relatie tussen deze Onkel Heinrich in Düsseldorf en mijn ouders in Joure. Ik moet een jaar of negen zijn geweest toen Het Patent in het leven van ons middenstandsgezin en dus ook in mijn leven kwam. Van de technische aspecten herinner ik mij uit die periode eigenlijk alleen dat ze ‘uniek’ waren. Het Patent had vooral zo’n grote magie omdat ons bedaarde leven in het woonhuis achter de winkel er stormachtig door zou 13


veranderen. Door de technische inbreng van mijn vader en door de commerciële betrokkenheid van mijn beide ouders zou via Het Patent ons leven een totaal andere dimensie krijgen. Want: als Het Patent zou afkomen, waren wij rijk! Vooral mijn vader wilde maar al te graag die manufacturenzaak van (wat zal het zijn geweest?) veertig vierkante meter ontvluchten. Zijn leven zou, nog helemaal afgezien van de wensen van mijn moeder, in het teken komen te staan van de grote techniek. Mijn vader zou in Duitsland leiding gaan geven aan de productie en, naar hij hoopte samen met mijn moeder, aan de verkoop van het wonder­ apparaat. Onkel Heinrich en hij zouden natuurlijk ook nog weer nieuwe vindingen op hun naam gaan brengen. Eindelijk gerechtigheid! De vérstrekkende betekenis van Het Patent viel niet te overschatten. Vanuit de Mid­ straat in Joure en de Hüttenstrasse in Düsseldorf, waar Onkel Heinrich uitvond op een krap bemeten bovenetage, zou de wereld veroverd worden. Het was een kwestie van jaren, en toen het mooi opschoot, een kwestie van maanden, dat de kranten in grote koppen en opgewonden zinnen over de vinding zouden berichten. Alom zou er met bewondering en ongeloof worden gesproken over deze revolutie in de wereld van het elektrische gereedschap. En niet onbelangrijk: als jongetje was ik er vlakbij. Het Patent was ook een beetje van mij! Hoewel bij de opvoeding in een r.k.- middenstandsgezin tijdens De Wederopbouw het aankweken van durf, eigenzinnigheid en het verlaten van gebaande paden zeker niet om de voorrang streden, vond ik de nieuwe wereld, die Het Patent voor ons zou openen, vooral heel spannend en zeker niet eng. Het voordeel van een negenjarige is dat je nog geen consequenties kunt overzien. Maar mijn vader, hij was toen 43 jaar, maakte daar ook geen prioriteit van. Mijn krachtige 14


moeder was op weg naar dromenland de meest realistische factor. Deze enerverende tocht naar Het Patent zou ongeveer tien jaar in beslag gaan nemen. Nu ik toch al drie Jan van der Meulens ken, zet ik een moedige stap waar ik al een tijd tegenaan hik. Ik tik in Google ‘Jan van der Meulen’ in en waar ik al bang voor was wordt nu werkelijkheid: 52.100 vermeldingen! Ik lees over een Friese kunstenaar, een denker (‘de zon is de oorzaak van de schaduw’), een zuivelarbeider te Triemen onder Westergeest, een bijzonder hoogleraar militair-maatschappelijke studies, een glazenwasser (‘supersnel met gebruiksgemak’), een dominee in de Bijlmer en een loodgieter (‘indien gewenst geven wij vooraf prijs op’). Maakt dit mijn Jan van der Meulen minder uniek? Rare vraag.

15


2 De toren

Welke toren zal ik voor mijn vader bouwen? Want om hem, voor mijn gevoel, terug te halen uit de vervreemding van de dood, zal er wel enig werk moeten worden verzet. Ik moet iets doen wat ons dichter bij elkaar brengt, iets technisch dus. Een toren bouwen van echte speelgoedstenen, met een vrij gewaagde boogconstructie vlak onder de spits, zoals ik dat als jongetje kon. Ongetwijfeld komt mijn vader dan weer, bewonderend, achter mij staan, ‘mooi gedaan!’. Maar laat ik eerst maar eens ophouden met dat afstandelijke ‘mijn vader’. Vanaf nu is het hier ‘Jan’, maar zo heb ik hemzelf nooit aangesproken. In leeftijd ben ik nu al bijna zijn gelijke, als alles meezit haal ik hem binnenkort in en word ik daarna ouder dan hij is geweest. Een vader als leeftijdgenoot: in latere generaties werd dat een soort papaideaal, met alle gejij en gejou dat daar bij hoorde. Net als de onderhandelingen tussen ouders en kinderen, inmiddels ‘de kids’, over de meest gewenste richting van de opvoeding. Mijn ouders waren ‘u’ en de opvoeding in het kleine woonhuis achter onze winkel was in zoverre streng dat je geen inspraak had. Je was kind, je wist niet anders, de grote mensen bepaalden hoe het moest en hoorde. ‘Jullie willen alles weten,’ zou mijn moeder nog vaak zeggen, en typeerde zo, wellicht onbewust, treffend de generatie van de babyboomers. 17


Ik heb heel lang papa en mama gezegd, maar daar ben ik nu echt te oud voor. Het klonk wel beter dan het kleffe paps en mams bij de hogere standen in ons dorp. De verwaande dochter van een fabrieksdirecteur had zelfs een pappie en een mammie. De kinderen van de huisarts zeiden pa en ma. Daar zijn vaste beelden bij gaan horen: een pa rookt pijp en heeft een corduroybroek met vouw en plint, een ma draagt een pastelkleurig mantelpakje of een plissérok. Toen Jan in 1976 stierf en er in de woonkamer een nieuw stukje vloerbedekking werd gelegd op de plek waar hij zijn fatale bloedspuwing kreeg, zei mijn moeder dat ze ‘Anny’ heette. Dat wisten wij kinderen natuurlijk ook al wel, wij hadden er alleen nooit gebruik van gemaakt. Vanaf die dag werd het ‘Anny’ en we moesten haar, heel onwennig, gaan tutoyeren. Ik heb halverwege de jaren zestig, toen de stropdassen af gingen, de baarden groeiden en het lange haar sluik over de grote hoornen brillen viel, colleges gevolgd bij hoogleraren die van de ene op de andere dag Pieter of Herman waren en daar meteen zeer aan hechtten. Ook dat ging niet zomaar. Het is het ruw verstoren van een ritueel dat niet ten onrechte is ontstaan. Bij decreet moest de onderlinge afstand worden verkleind. In allerlei intermenselijke relaties is daar geen reden toe, het moeten tutoyeren voelt dan als het afwerpen van een schil die behaaglijk beschermde. Anny wilde, nu ze plotseling alleen was, kennelijk vertrouwder met haar kinderen verkeren. Ik heb me nog vaak vergist met dat ‘je’. Als we elkaar zagen moest het tutoyeren steeds weer even op gang komen, het ‘u’ is nooit geheel en al uitgesleten. Vaak probeerde ik de nieuwe werkelijkheid te ontlopen via een lafhartig compromis: ‘Wil Anny nog thee?’ De consequentie was dat mijn vader vanaf zijn dood ook ‘Jan’ werd. Postuum werd hij meegezogen in de nieu18


we intimiteit. Dat ‘Jan’ ging mij eigenlijk makkelijker af dan ‘Anny’, vermoedelijk omdat hij er zelf niet meer bij was. Terwijl ik in werkelijkheid nooit Jan tegen hem heb gezegd, is hij nu voor altijd Jan. Ik vermoed dat hij daar vrede mee heeft, maar achteraf had ik dit liever netjes met hemzelf geregeld. Als ik met onze kinderen of met vrienden over hem praat, val ik echter weer terug op ‘mijn vader’. Hij moet ook weer niet te gewoon worden. Welke toren zal ik voor Jan gaan bouwen? Het gaat om de ‘stenen bouwdoos’, mijn erfstuk, dat Jan weer van zijn vader kreeg, tegen wie hij zeer zeker nooit Theo en ‘je’ zal hebben gezegd. Mijn opa Theo huwde in 1900 een Duits meisje, Mathilde Brune, met wie hij kennis kreeg toen zij als dienstmeisje ‘voor dag en nacht’ werkte bij de katholieke Duitse familie Brenninkmeijer in het naburige Sneek. Ik heb haar nooit gekend, zij stierf aan kanker twee jaar voor de Tweede Wereldoorlog begon. De schande van haar volk is gelukkig nooit over haar gekomen. Zij bracht niet alleen Duits bloed in onze aderen, maar zorgde ook voor veel Duits speelgoed. En via haar was er natuurlijk haar broer Heinrich, net als Jan ook uitvinder: de Onkel Heinrich van het latere patent, dat het leven van Jan en ons allemaal in hoge mate zou beïnvloeden. De Duitse stenen bouwdoos heb ik bij het leegruimen van ‘onze’ winkel in 1977 meegekregen en thuis op zolder gezet. Het is een houten kist. Drieëndertig jaar heb ik er niet naar getaald. Met verhuisplakband verzegeld als een geheim bezit is hij inmiddels drie keer met ons meeverhuisd. Ik weet ook precies waar hij op zolder nu alweer jaren staat te wachten, omringd door koffers, in onbruik geraakte delen Lundia, de doos met kerstversiering en in oude kranten gewikkelde schaatsen. Het brede verhuisplakband zit 19


er nog steeds om heen, met daarop in grote zwarte viltstiftletters zijn altijd eendere bestemming: ‘zolder’. Maar nu ik een toren wil bouwen om de geest van Jan in mij op te roepen, moet die zware kist vol stenen eindelijk via de vlizotrap naar beneden. Waarom ga ik niet gewoon een half uurtje met Jans houten vrachtauto spelen? Is een stuk simpeler. De houten truck staat al vele jaren hier vlak naast mijn schrijftafel in de boekenkast, samen met een stenen paardje, waaraan Jan met veel Velpon de vier beentjes, de twee oortjes en het vrolijke staartje weer heeft vastgelijmd. Het is het enige kunstwerkje dat wij in huis hadden. Ik laat dan het bronzen eekhoorntje met gong en lullig trommelstokje dat op een losjes gedrapeerde doek boven de schoorsteenmantel hing, buiten beschouwing. Ook bij schaarste is er toch zoiets als een ondergrens aan wat mag voortleven. Volgens de familiegeschiedenis heb ik in grote boosheid de vier beentjes, de twee oortjes en het vrolijke staartje van dat frêle paardenlijfje gerukt, maar ik weet zeker dat het mijn oudere zusje Tilly was. Zij is bijna even lang dood als Jan, over een paar jaar is mijn zusje, het is onvoorstelbaar, al langer dood dan zij heeft geleefd. Het is niet zo fijngevoelig om haar dat geknakte paardje nu nog na te dragen. Van de houten vrachtauto is alleen de truck bewaard gebleven. Formeel is hij ook van mijn twee jongere broers, Tejo en Otto, maar volgens een mondeling afspraak, die de wettelijke waarde heeft van een schriftelijk akkoord, mag hij levenslang bij mij zijn. De aanhanger waarmee ik over het zeil in de speelhoek naast de kolenkachel grote ladingen stenen uit de zwarte kist naar mijn torens-in-aanbouw heb vervoerd, is al jaren zoek. Toch heimelijk bij een van mijn broers? Slechts weinig familieverhoudingen zijn bestand tegen de magie van erfstukken. 20


De truck typeert de liefdevolle knutselgeest van Jan. De houten wielen zijn met grote zorg gedraaid en in de kern voorzien van een koperen buisje, zodat ze lekker en nagenoeg geluidloos lopen over de eveneens koperen asjes. Nauwelijks kan de liefde van een vader voor zijn zonen zich nog puurder uiten. Ik dacht altijd dat de truck was gemaakt uit één stuk hout, maar nu zie ik pas dat de cabine met twee schroeven is vastgezet aan het onderstel. Zal ik die schroeven eens losdraaien? Maar waarom eigenlijk? En zou Jan het wel goed vinden? Werkelijk prachtig zijn de ophanging en stuurinrichting van de voorwielen, waarmee je heel minutieus kon manoeuvreren, ondanks de zware belading met die stenen. Voor op de rode motorkap schilderde Jan in sierlijke zwarte letters ‘Mato’. De voorletters van zijn vier kinderen, voor wie hij de truck bouwde. Ik breng de ‘a’ in van Antonius, met mijn ‘t’ zou het geen uitspreekbaar woord zijn geworden. Gelukkig koos Jan toen ook verder voor de officiële voornamen, zodat ik niet alleen voor schut stond met mijn Antonius. Zo is die M van Tilly, maar hier Mathilde, net als onze Duitse oma. Wij, de drie jongens, vonden dat de Matotruck, ondanks het opschrift op de motorkap, niet van ons zusje was, want die had al Marianne, haar pratende lievelingspop. Een uitgangspunt dat veel ruzie gaf. T staat voor Theo, die later Tejo werd, in de dagen dat ook de Sjons en de Antwans hun alternatieve linksheid in hun voornaam verankerden, en ik in een puberale opwelling van Tonny Tony werd. O bleef altijd Otto. Zijn tweede naam is trouwens Adolf, een voornaam die zich al in onze Duitse tak had genesteld in de jaren dat Adolf nog een normale jongensnaam kon zijn. Mato: het logo van een keurig middenstandsgezin in de naoorlogse jaren van De Wederopbouw. Denkend aan de 21


lange, saaie zondagmiddagen, ruik ik nog steeds de stoofpeertjes die op een petroleumstel zachtjes stonden te sudderen. Het lome aroma van de tijdloze verveling. Als het keurige gezin gezellig bijeenzat hoorde je niet te lezen (‘wat zit je nou weer ongezellig te lezen!’). De grote bakelieten radio stond op een centrale plek naast het dressoir, zodat je ernaar kon kijken. De eerste televisie, zo’n vierkante van Philips, kwam pas in 1960, toen Jan Cottaar de Olympische Spelen in Rome versloeg. Al die zondagen die in het teken stonden van de huiselijke gezelligheid en die in mijn herinnering meerdere etmalen besloegen, eindigden met ‘iets lekkers’ uit de lunchroom van Brouwer. Op zijn gevelbord stond ‘lunschroom’, en niet voor niets, want zo spraken wij het ook uit. Met dezelfde hypercorrectie waarmee Friezen soms ook ‘bioschoop’ zeggen. Meestal bestond het lekkers uit slaatjes op een aluminium schaaltje, waarbij het halve ei aan de randen al wat was ingedroogd, maar het halve augurkje er nog redelijk kwiek bij lag. Ik ging het lekkers meestal halen, dan was je er goddank nog weer eens even uit. Geld meenemen uit de kassa in de winkel en er wel altijd even een briefje met het meegenomen bedragje inleggen. Jan vond het prima als je af en toe geld uit de kassa nodig had, maar aan het eind van de dag moest zijn telling kloppen. Anny hechtte eraan dat die telling niet alleen klopte, maar ook zo hoog mogelijk uit kwam. Geldzaken heb ik altijd met Jan geregeld, maar nooit als Anny in de buurt van de kassa was. Hij knipoogde er soms bij, een geheim verbond tussen vader en zoon. Ik schuif stapels papier aan de kant en rij over mijn schrijftafel een paar mooie bochtjes met de houten Mato-truck. Omdat je met de voorwielen dankzij Jan heel subtiel kunt sturen kan ik een botsing met de muis van mijn laptop net 22


op tijd voorkomen. Ware vaderliefde! Is dat de liefde van de vader voor zijn zoon of omgekeerd? Door het rijden met de Mato-truck voel ik beide. Er is nog méér nodig om Jan voor althans een klein deel weer terug te krijgen. De zolder op! Met de zware kist vol stenen vergt het afdalen via de vlizotrap een nog grotere behendigheid dan normaal. Ik zet de kist midden op de grote ronde tafel in onze woonkamer en kijk er eerst een tijdje naar. Dat is hem dus. Dan snij ik met een keukenmesje het bruine verhuisplakband door en doe verwachtingsvol het houten deksel open om weer terug te keren naar mijn jonge jaren. De jaren dat Jan, als wij samen in de tuin hadden gewerkt, mijn handjes met een blok Sunlightzeep waste in zijn grote handen. Sunlightzeep, destijds uit te spreken als sunligt, net als palmolieve, bleuband en cornètbief, heeft nog steeds de mooie geur van geborgenheid. De smaak van diezelfde geborgenheid is de tuinmansboterham die wij na het spitten en harken samen aten: twee sneden roggebrood van bakker Hidde Gorter, met ertussen dikke plakken Friese nagelkaas. Van bovenaf zien de vele stenen in de kist eruit als een grote ruïne, een in elkaar gestort tempelcomplex van de Etrusken. Minutenlang kijk ik naar honderden rechthoekige rode stenen, gele pilaren, bruine bogen, leisteenkleurige dakdelen en zelfs een enkele grijsblauwe torenspits. Ze zijn er vermoedelijk door mij zelf als jongetje ingegooid na het bouwen van mijn laatste toren. Was ik tien? Toen bouwde ik alleen voor mijzelf of samen met mijn vriendje Ignace. Mijn twee broers, hoewel maar een paar jaar jonger, waren toen nog te klein om er moeilijke torens mee te bouwen. Soms gooide mijn zusje de toren om en zei dan dat het mijn eigen stomme schuld was, want ik had bij haar, etc. 23


Waar is het voorbeeldenboekje? Ik zoek onder de ruïne: heel veel stenen maar geen boekje. Terwijl ik precies weet hoe het eruitziet. Voorop een robuuste toren, die ik dikwijls heb gebouwd. Met name het overspannen van de galm­ gaten vlak onder de ranke spits vereiste een grote omzichtigheid. In het boekje stond een keur aan bouwwerken, per bouwlaag met grote precisie uitgetekend, zodat je de torens laagsgewijs kon construeren. Misschien heb ik het boekje destijds uit de kist gehaald en apart opgeborgen. Maar waar? Of heb ik het misschien uitgeleend aan een van mijn twee broers. Zij zullen dat nooit toegeven; eigenbelang botst nogal eens met de broederband. Ik heb geen idee wat Jan in zijn tijd op zo’n moment had moeten doen. Misschien iemand opbellen die ook een stenen bouwdoos heeft, compleet met voorbeeldenboekje. Hoe vind je zo iemand? Of naar de plaatselijke rooms-katholieke bibliotheek gaan, waar een naslagwerk over stenen bouwdozen vermoedelijk de zedenmeesters van het idil, de r.k.censuur, wel had weten te passeren. Jan is gestorven zonder Google. Hij zou ervan genoten hebben en eindeloos van alles hebben uitgeprobeerd. Hij zal, het is volstrekt onrechtvaardig en in zijn geval ook niet uit te leggen, nooit weet hebben van een mobiele telefoon of een laptop. Dat zal mijn generatie niet overkomen. Weldra bevind ik mij in de warme Google-wereld vol enthousiasme en empathie. Mijn chaotische verzameling echte stenen blijkt een Anker-bouwdoos te zijn, ‘wereldberoemd geworden Duits speelgoed’. Al vanaf 1880 in productie, zelfs Einstein heeft er als klein jongetje mee gespeeld en merkte het toen zelf: ‘Fantasie is belangrijker dan weten, want het weten is begrensd.’ Ik wandel door allerlei internationale websites, vol zeer gedetailleerde kennis van mijn stenen: ‘Nieuw is dat de 24

Eerste 24 pagina's uit 'Het Patent' van Tony van der Meulen  

Een ontroerende familiegeschiedenis

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you