Page 17

VITRUVIUS

NUMMER

39

APRIL

2017

tijd; het emotionele aspect van oorlogserfgoed dat al eerder aan de orde kwam. Restanten van een onderkomen waar langere tijd is gebivakkeerd, of sporen op een terrein waar enige tijd harde strijd is geleverd, kunnen veel meer informatie opleveren. De oorlogvoerende partijen gebruikten ongekende hoeveelheden materiaal, waarvan ze een deel na hun verblijf of de gevechten meenamen of opruimden, maar een deel ook lieten liggen of kwijtraakten. Soms zijn de sporen en resten direct na de krijgshandelingen snel ingevuld met aarde en daarna onaangeraakt gebleven, zodat archeologen ze nu in hun context kunnen blootleggen. Vergeleken bij ‘losse’ vondsten hebben deze ‘gesloten’ vondstcomplexen een veel grotere archeologische waarde. Ze zullen de komende jaren steeds vaker worden blootgelegd, naarmate de vindplaatsen beter in kaart zijn gebracht en beter in het kader van het onderzoek kunnen worden ingepland. Vindplaatsen en vondstcomplexen Nederland kent geen oorlogsstructuren, zoals de loopgravenstelsels uit de Eerste Wereldoorlog in België en Frankrijk. In deze twee landen leverde men jarenlang strijd en lag een groot deel van de logistieke infrastructuur direct achter de frontlinie. Er werd in Nederland wel veel geoefend en jarenlang gebivakkeerd in kazernes, forten en tentenkampen, maar naar de overblijfselen daarvan is nog nauwelijks onderzoek gedaan. Dat is anders met het Nederlandse ‘oorlogsbodemarchief ’ uit de Tweede Wereldoorlog. We kunnen onderscheiden: gevechtsterreinen uit de meidagen van 1940 en uit de periode september 1944-mei 1945, zoals vliegveld Valkenburg en de omgeving van Arnhem-Nijmegen; Nederlandse en Duitse verdedigingslinies, zoals de Grebbelinie en de Atlantikwall; Duitse militaire installaties, zoals vliegvelden, kazernes en munitie-opslagplaatsen, zoals bij Eindhoven, Vught en Hoog Soeren; concentratie- en werkkampen, zoals Westerbork en Vught; onderkomens van onderduikers en verzetsmensen, zoals bij Anloo en Someren, en resten van oorlogsschade aan civiele gebouwen, zoals in Rotterdam, Venlo en Nijmegen. Er zijn combinaties van dit soort vondstomstandigheden mogelijk. Zo werd de Nederlandse Grebbelinie van mei 1940 door de Duitsers hergebruikt in het

voorjaar van 1945 en verbergt sporen uit beide perioden. De Duitsers maakten bij de aanleg van hun Atlantikwall gebruik van al bestaande Nederlandse kustfortificaties, zoals bij Hoek van Holland en IJmuiden. Gevechten konden zich heel goed afspelen te midden van door beschietingen verwoeste huizen, zoals in Nijmegen en Venlo. En grote hoeveelheden militair materiaal worden lang niet altijd gevonden op de eigenlijke gevechtsterreinen, maar ook in de zone direct daarachter, waar de troepen waren gelegerd, magazijnen en veldhospitalen lagen en waar onderhoud aan voertuigen en wapens werd gepleegd. Maar er zijn ook veel volkomen ‘lege’ sporen: tijdelijke loopgraven en schuttersputten die maar heel kort bezet zijn geweest en snel verlaten zonder dat er een schot werd gelost. De datering van de gevonden materialen is vaak problematisch. Voor archeologen is het zo precies mogelijk dateren van productie, gebruik en het in de bodem terechtkomen van de vondsten essentieel. Die dateringen vormen het raamwerk van de reconstructie van het verleden. Nu valt Tweede Wereldoorlog-materiaal op zich vaak uitstekend te dateren, tot op het jaar nauwkeurig. Op de eenvoudigste geweerpatroonhuls of jerrycan is het jaar van productie aangegeven. Maar aan de andere kant luisteren de dateringen hier een stuk nauwer dan in bijvoorbeeld de Romeinse tijd, omdat de duiding moet worden geconfronteerd met wat historisch al bekend is. Zo zijn voorwerpen die zijn gevonden op de terreinen van voormalige concentratiekampen niet automatisch aan kampgevangenen toe te schrijven. Na 1945 werden in Kamp Vught eerst politieke delinquenten, en later families van Molukse KNIL-militairen gehuisvest. Een bril, mok of bierfles is lastig te dateren en kan evengoed aan een joodse gevangene als aan een geïnterneerde NSB’er of Molukse oud-militair hebben toebehoord.

te zijn om geïntrigeerd te raken door verroeste helmen en geweren, achtergelaten, verloren of weggegooid door iemand die misschien niet meer lang te leven had. Wie gaat er schuil achter een herkenningsplaatje met alleen de ingeslagen naam van een eenheid en een nummer? Heeft hij het gered? Is de kogel die dwars door een stalen helm heenging, de drager fataal geworden? Het maakt ons duidelijk dat frontsoldaten ook mensen zijn: op bijna alle vindplaatsen zijn tussen het puur militaire materiaal ook hun tandenborstels, haarcrèmetubes, heupflacons en zelfs condooms te vinden. Toekomst van de oorlogsarcheologie De discipline van de oorlogsarcheologie is te jong om al een oordeel te kunnen geven over de potentie ervan. De problemen rond de kenniswinst werden al aangestipt, net als de grote maatschappelijke, door emotie en nieuwsgierigheid gegenereerde belangstelling voor deze bodemvondsten. Problemen voor de oorlogsarcheologie van de jongere perioden zijn de funeste activiteiten van schatgravers en munitieverzamelaars op de weinige intacte vindplaatsen. En complicatie bij het onderzoek op die plekken is het feit dat er bijna altijd sprake is van noodzakelijke explosievenruiming, waardoor van zuiver oudheidkundig bodemonderzoek niet altijd sprake kan zijn. Kansen liggen er voor samenwerkingsverbanden tussen professionele archeologen, gravende instanties van Defensie en lokale vrijwilligers, die de opgegraven plek en objecten een plaats kunnen geven in de collectieve herinnering. Onderzoek van resten van oorlogsslachtoffers (van vóór 1940, wel te verstaan), van wapens en materialen zal zich zeker verder ontwikkelen en resultaten afwerpen. En de opgravingen zullen de studie voor en de reflectie op de donkerder kanten van het menselijk bestaan stimuleren. De bodem verbergt nu eenmaal niet alleen scherven, maar ook granaatscherven. n

De schamele relicten die concentratiekampgevangenen, onderduikers en bewoners van gebombardeerde huizen achterlieten, maken vaak grote indruk. De Nederlander van nu herkent ze en beseft bewust of onbewust: dit koffiekopje, deze naaimachine, dit kruisje had van mijn ouders of grootouders kunnen zijn. Militair materiaal doet een ander beroep op onze gevoelens. Je hoeft geen wapenfanaat 17

VITRUVIUS_April2017.indd 17

28/02/17 18:34

Vitruvius april 2017  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Vitruvius april 2017  

Onafhankelijk vakblad voor erfgoedprofessionals. Archeologie, Cultuurlandschap, monumenten, immaterieel erfgoed & volkscultuur

Advertisement