Page 1

JAARGANG 19 NUMMER 4 OKTOBER 2015 ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR HET GEOTECHNISCHE WERKVELD

RUIMTE VOOR DE WAAL: ONTWERP VAN DE NIEUWE WATERKERING TE NIJMEGEN-LENT STABILITEIT VAN TALUDS IN TERTIAIRE KLEIEN

PROEVENVERZAMELING DELFLAND 2.0 GEORISICOSCAN 2.0 - DE GEOTECHNISCH ADVISEUR AAN DE LAT?


OP ZOEK NAAR AFWISSELING EN TECHNISCHE UITDAGINGEN?

JOIN TEAM FUGRO Fugro biedt een veelzijdige baan met uitgebreide mogelijkheden, zowel on- als offshore werken in gemotiveerde teams en uitdagende projecten. Fugro zoekt: (Medior/Sr.) Adviseur Waterbouw ■ (Medior/Sr.) Adviseur Geotechniek ■ Geotechnical Engineer ■ Project Manager ■ Site Manager ■

Fugro GeoServices B.V. vacatures@fugro.nl www.fugro.com/careers

Ad_JOIN_TEAM_FUGRO_210x148.indd 1

10-07-15 11:58

BESIX bouwt aan //Nederland

Tweede Coentunnel

Civiele bouw

Industriële bouw

Utiliteitsbouw

Maritieme bouw

Een wereldwijd opererend bouwbedrijf met ruim 100 jaar ervaring in de civiele betonbouw, industriële bouw, utiliteitsbouw en maritieme bouw. Sinds 1992 is BESIX actief in Nederland. Meebouwend aan de toekomst, met prestigieuze projecten als de Tweede Coentunnel, Parkeergarage Kruisplein, Landtunnel A2 Leidsche Rijn, OV Terminal Utrecht CS, Maastoren, keersluis in Heumen en de sluisverlengingen in Born, Maasbracht en Heel. Trondheim 22 – 24 Barendrecht +31 (0)180 64 19 90 nederland@besix.com

WWW.BESIXNEDERLAND.COM


Beste lezers, Voor u ligt de 3e uitgave van de 18e jaargang van het vakblad geotechniek. Dit is een bijzondere uitgave, want naast een reguliere versie, zoals u dat Is Eurocode 7 af? gewend bent,Ir.bevat het voor u liggende blad onderwijsspecial. G. Hannink / Ir. M. Lurvink / Ir.ook A.J.nog vaneen Seters Dus u treft dit keer twee bladen in één jasje aan!

4

Van de redactie

10

Beste lezers, Voor u ligt de vierde editie van het vakblad Geotechniek. Eind dit jaar verschijnt nog een speciaal nummer rondom de tweejaarlijkse Geotechniekdag en hiermee sluiten wij dan alweer de 19e jaargang van het gewaardeerde vakblad af. Redactie, redactieraad en ik als uitgever maken ons dan op voor het vierde lustrum: 20 jaar vakblad Geotechniek! Als uitgever ben ik dankbaar dat ik vanaf het prille begin het geotechnische vakgebied in Nederland en België goed op de kaart heb mogen zetten. Dit werd mede mogelijk gemaakt dankzij de ondersteuning van vele partijen uit het werkveld, die zich vanaf het begin hebben ingezet om van “ons” vakblad een succes te maken. Partijen die het vakblad financieel ondersteunen, zich inzetten voor redactiewerkzaamheden, reviews uitvoeren en/of het vakblad mee helpen richting te geven via hun zetel in de redactieraad. In de nog vers achter ons liggende periode van slecht economisch tij moesten, helaas, enkele partijen hun sponsorschap noodgedwongen stopzetten. Als uitgever hoop ik, nu alle markten weer aantrekken, dat deze partijen (en uiteraard ook nieuwe) de weg naar het vakblad weer weten te vinden en zich als ondersteuner van dit prachtige platform voor de geotechnische branche aanmelden. Zodat wij straks het 5e lustrum sterker dan ooit kunnen aanvangen!

Overzicht van geotechnische aspecten Deurganckdoksluis: bouw grootste Voor mij persoonlijk is dit ook een bijzondere editie, want het is de laatste meerwaarde sluis van deter GeoRisicoScan 2.0. – een ‘light’-versie van de door Delwereld keer dat ik het voorwoord schrijf; ik heb namelijk besloten terug te treden

tares ontwikkelde GeoRisicoScan. Ir. L. Vincke / Ir. L. De Vos / Ir. E. Beyts uit de redactie. Het werk voor dit mooie vakblad heb ik gedurende een periode van ruim acht jaar met veel plezier uitgevoerd, maar na een der‘microtechnieken’ deuNVAF In het artikelContactgroep Proevenverzameling Delfland 2.0.van kunt lezen hoe het Hooggelijke langeStuwende tijdspanne iskrachten het goed Willem om het stokje door kunnen geven de Meijerteen heemraadschap van Delfland een nieuwe proevenverzameling voor de aan iemand die weer geheel fris tegen de om materie aankijkt en de komende Theo de Jong: Het gaat de leden! sterkteparameters voor grond heeft opgebouwd, waardoor zij de stabiliteit jaren de kwaliteit vanBurg het vakblad verder kan waarborgen. Tevens wil ik J. van der van waterkeringen efficiënt en veilig zal kunnen blijven bepalen. meer tijd kunnen besteden aan het nog jonge bedrijf waar ik sinds een In Lent bij Nijmegen is eenonderzoek civiel werk uitgevoerd waarbij de primaire waGeologisch naar aardbevingen jaar werkzaam ben (www.geobest.nl). Daarnaast zal ik wel deel en uit blijven terkering vande derelatie Waal over een lengte van 350 meter landinwaarts is vermet activiteit in de ondergrond maken van de redactieraad. plaatst. Voor Dr. hetA.R. ontwerp van de 8 meter hoge L-wand van de nieuwe harde Niemeijer kade is gebruik gemaakt van Plaxis- en SCIA-berekeningen om tot een opWe zijn zeer gelukkig om te kunnen meedelen dat we een zeer goede Interactie timaal ontwerp te komen.constructeur en geotechnicus vervanger hebben gevonden in de persoon van Otto Heeres. Otto is geen A. Kooistra Vanuit BelgiëIr. ontvingen wij een bijdrage over de stabiliteit van taluds in teronbekende van het vakblad (understatement!) en we zijn dan ook erg blij tiaire kleien. dat hij zittingZwelbelasting wil nemen in de op redactie en het voorzitterschap van de refunderingen Kortom, een editie die er zeker weer mag zijn! dactieraad voor zijn rekening neemt. We hebben het volste vertrouwen dat CUR/COB-commissie C202 hiermee de redactie de komende jaren garant kan staan voor de kwaliteit Ing. E. Kwast / Ir. M. Peters Ik wens u namens redactie en uitgeverij veel leesplezier met deze uitgave van het blad. en de hopelijkDiepwandproef nog vele edities dieDelft de komende jaren gaan verschijnen.

16 18

21

36

Als laa constat De eco twijfeld herstel te overw website zijn tijd

44 50 56

22 28

Ik wens

Dr. J.H. van Dalen Voor dit reguliere nummer denk ik dat we er weer in geslaagd zijn een leuRobert P.H. Diederiks ke en gevarieerde mix te maken van theoretische en praktische bijdragen, Uitgever zoals dat altijd het streven van de redactie is. We slagen daar niet altijd in,

Hoewel de vraag naar “hard copies” nog altijd hoog is gaat het vakblad Geotechniek uiteraard ook met zijn tijd mee en bestaat er tegenwoordig een aan het vakblad gerelateerde website (www.vakbladgeotechniek.nl). Op deze site kunt u alle reguliere edities en specials van het vakblad Geotechniek terugvinden, bekijken en downloaden. En dit alles geheel kosteloos, gewoon als service! Verder vindt u op deze site nog veel andere interessante zaken zoals nieuwe artikelen en vacatures. Reden genoeg om de website van het vakblad Geotechniek dan ook regelmatig te bezoeken. Als uitgever hoop ik nog vele jaren verbonden te mogen blijven aan het vakblad en de hieraan gerelateerde website om, met de ondersteuning vanuit het werkveld, kennisuitwisseling- en verspreiding mogelijk te blijven maken en beide platforms verder uit te bouwen. Om dit alles mogelijk te maken hoop ik dat nog meer partijen de verantwoordelijkheid willen nemen en het als een morele verplichting zien naar hun vakblad en hun vakgenoten om deze platforms goed in stand te houden en de lasten gelijkelijk te verdelen. Het vakblad heeft zich in de afgelopen 19 jaar duidelijk bewezen en wanneer wij ons daarvoor allemaal inzetten kunnen wij vol vertrouwen de toekomst tegemoet zien. Tot slot nog even iets over deze editie waarin wij u weer een aantal gevarieerde artikelen presenteren. U wordt hierin o.a. geïnformeerd over de geotechniek _Juli_2014_binnen_v3.indd 3

GEOTECHNIEK - Oktober 2015

32

Mocht u of ande taar alt redactie

Gelden vanuit sponsors en adverteerders worden besteed om via Geotechniek kennisuitwisseling- en verspreiding mogelijk te maken. Al 19 jaar wordt Geotechniek in een hoge kwaliteit uitgegeven en het bereikt een zeer groot aantal lezers in zowel Nederland als België. Ook wordt de Nederlandse en Belgische geotechniek veelvuldig gepromoot via extra internationale edities.

3

doordat Het is d diverse Bij deze tiële au uw inpu kan dit zoals u

60

Namen Roel Br

Ne

On


Hoofd- en Sub-sponsors Sub-sponsors Galvanistraat 15 3029 AD Rotterdam Tel. 0031 (0)10 - 489 69 22 www.gw.rotterdam.nl

nlaan 100

Veurse Achterweg 10 2264 SG Leidschendam 42 11 09:01 Pagina 1 Tel. 0031 (0)70 - 311 13 33 www.fugro.nl Hoofdsponsor

Vierlinghstraat 17 4251 LC Werkendam Tel. 0031 (0) 183 40 13 11 www.terracon.nl

Het vakblad Geotechniek komt tot stand m.m.v. KIVI Afdeling Geotechniek

Stieltjesweg 2,2628 CK Delft Tel. 0031 (0)88 - 335 7200 www.deltares.nl

Korenmolenlaan 2 3447 GG Woerden Tel. 0031 (0)348-43 52 54 www.volkerinfradesign.nl

Industrielaan 4 B-9900 Eeklo Tel. 0032 9 379 72 77 www.lameirest.be

Tel. 0031 (0)43 - 352 76 09 rofession turns so many ideas into so many realities .cruxbv.nl www.huesker.com

Klipperweg 14, 6222 PC Maastricht

Sub-sponsors Dywidag Systems International

at 1

9 05 10 lt.nl

50

Industrieweg 25 – B-3190 Boortmeerbeek Tel. 0032 16 60 77 60 Gemeenschappenlaan 100 Veilingweg 2 - NL-5301 KM Zaltbommel B-1200 Brussel Tel. 0031 (0)418-57 84 03 Tel. 0032 2 402 62 11 www.dywidag-systems.com

IJzerweg 4 Veurse 10 8445Achterweg PK Heerenveen 2264 SG0031 Leidschendam Tel. (0)513 - 63 13 55 Tel. 0031 (0)70 - 311 13 33 www.apvandenberg.com www.fugro.nl

www.besix.be

CRUX Engineering BV Kleidijk 35 Pedro 3-c 3161de EKMedinalaan Rhoon 1086 XK Amsterdam Tel. 0031 (0)10 - 503 02 00 Tel. 0031 (0)20-494 3070 www.cruxbv.nl www.mosgeo.com

Ballast Nedam Engeneering Ringwade 51, 3439 LM Nieuwegein Wilhelminakade Galvanistraat 15179 Postbus 1555, 3430 BN Nieuwegein 3072 3029AP ADRotterdam Rotterdam Tel. 0031 (0)30 - 285 40 00 Tel. 45 69 30 22 Tel. 0031 0031(0)10 (0)10489 - 489 www.ballast-nedam.nl www.rotterdam.nl www.gw.rotterdam.nl

Korenmolenlaan 2 Siciliëweg 61 GG Woerden 10453447 AX Amsterdam Tel. 0031 (0)348 Tel. 0031 (0)2040 77-43 10052 54 www.volkerinfradesign.nl www.voorbijfunderingstechniek.nl

URETEK Nederland Industrielaan 4 BV Zuiveringweg 93, 8243 PE Lelystad B-9900 Eeklo Tel. Tel. 00310032 (0)320 - 256 9 379 72218 77 www.uretek.nl www.lameirest.be

Vierlinghstraat 17 4251 LC Werkendam Tel. 0031 (0) 183 40 13 11 www.terracon.nl

Klipperweg 14, 6222 PC Maastricht Tel. 0031 (0)43 - 352 76 09 www.huesker.com

Royal Dutch Society of Engineers

Dywidag Systems International N71 Voorwerk_Opmaak 1 28-08-13 12:10 Pagina 2

ngineers make a world f difference 2

G EOTECH N IE K – Oktober 2013

H.J. Nederhorststraat 1 2801 SC Gouda Tel. 0031 (0) 182 59 05 10 www.baminfraconsult.nl

Veilingweg 2 - NL - 5301 KM Zaltbommel Industrieweg 25 (0)418 – B-3190 Boortmeerbeek Tel. 0031 - 57 84 03 Tel. 0032 1615 60 /77 60 Philipssite 5, bus Ubicenter VeilingwegB2 -3001 - NL-5301 KM Zaltbommel Leuven Tel. 0031 (0)418-57 84 03 Tel. 0032 16 60 77 60 www.dywidag-systems.com www.dywidag-systems.com

IJzerweg 4 8445 PK Heerenveen Tel. 0031 (0)513 - 63 13 55 www.apvandenberg.com

Ballast NedamEngeneering Engineering Ballast Nedam Ringwade 51, Ringwade 51,3439 3439LM LM Nieuwegein Nieuwegein Postbus 1555, Postbus 1555,3430 3430BN BNNieuwegein Nieuwegein Tel. Tel.0031 0031(0)30 (0)30--285 28540 40 00 00 www.ballast-nedam.nl www.ballast-nedam.nl

Hoofd- en Sub

rofession unleashes the spirit of innovation like engineering. From electric cars and er microchips to medical robots, farming equipment and safer drinking water, engineers their knowledge to connect science to societyHoofdsponsor and have a direct and positive effect on ple’s everyday lives.

Royal Dutch Society of Engineers (KIVI) is the largest engineering society of the erlands. With over 20.000 members and sections for all engineering disciplines we proSiciliëweg 61 Kleidijk 35 an exciting platformRendementsweg for in-depth15and cross-sector knowledge sharing and networking. us at

19

3641 SK Mijdrecht Tel. 0031 (0) 297 23 11 50 www.kivi.nl www.bauernl.nl

3161 EK Rhoon Tel. 0031 (0)10 - 503 02 00 www.mosgeo.com

Boussinesqweg 1, 2629 Delft 1045 AX Amsterdam Stieltjesweg 2,2628 CKHV Delft Tel.0031 0031(0)88 (0)2040 77 100 Tel. - -335 8273 Tel. 0031 (0)88 335 7200 www.voorbijfunderingstechniek.nl www.deltares.nl www.deltares.nl

Sub-sponsors 24

04-06-14 13:56

GEOT ECH NIE K – Oktober 2013

GEOTECHNIEK - Oktober 2015

URETEK Nederland BV Zuiveringweg 93, 8243 PE Lelystad Tel. 0031 (0)320 - 256 218 www.uretek.nl


Mede-ondersteuners Mede-ondersteuners Mede-ondersteuners CofraBV BV Cofra Cofra BV Kwadrantweg Kwadrantweg 99

Kwadrantweg 9 1042AG AGAmsterdam Amsterdam 1042 1042 AG Amsterdam Postbus20694 20694 Postbus Postbus 20694 1001NR NR Amsterdam 1001 Amsterdam 1001 NR Amsterdam Tel.0031 0031 (0)20- 693 - 69345 4596 96 Tel. (0)20 Tel. 4596 Fax0031 0031(0)20 (0)20--694 -693 69414 1457 57 Fax 0031 (0)20 www.cofra.nl www.cofra.nl www.cofra.nl

Ingenieursbureau Geobest BV Ingenieursbureau Amsterdam Postbus 427 Amsterdam

Weesperstraat 430 3640 AK Mijdrecht Weesperstraat 430 Postbus 12693- 489 0140 Tel. 003112693 (0)85 Postbus 1100AR ARAmsterdam Amsterdam www.geobest.nl 1100

Tel.0031 0031(0)20 (0)20- 251 - 2511303 1303 Tel. Fax0031 0031(0)20 (0)20- 251 - 2511199 1199 Fax www.iba.amsterdam.nl www.iba.amsterdam.nl

PostAcademisch PostAcademisch Lankelma Geotechniek Onderwijs (PAO) Onderwijs (PAO) Zuid BV Postbus5048 5048 Postbus

JetmixBV BV Jetmix Profound BVPostbus Postbus25 25

nvAlg. Alg.Ondernemingen Ondernemingen nv Van ‘t Hek Groep Soetaert-Soiltech Soetaert-Soiltech

Limaweg 17 4250 DA Werkendam Postbus 88 Esperantolaan10-a 10-a Esperantolaan 4250 DA Werkendam 2743 CB Waddinxveen 1462 ZH Middenbeemster Postbus2600 38 GA Delft B-8400Oostende Oostende Tel.0031 0031(0)183 (0)183- 50 - 50 5666 66 2600 GA Delft B-8400 Tel. 56 Tel. 0031 (0)182Fax - 640 964 Tel. 0031 20 +32 (0) 59 55 00 00 5688 ZGTel. Oirschot 0031(0)15 (0)15- 278 - 27846 4618 18 Tel. 0031 (0)183- 50 - 50 0525 25 (0)299 31 30 Tel. 0031 Tel. +32 (0) 59 55 00 00 Fax 0031 (0)183 05 www.profound.nl www.vanthek.nl Tel. 0031Fax (0)499 57 85 20 0031(0)15 (0)15- 278 - 27846 4619 19 Fax+32 +32(0) (0)59 5955 5500 0010 10 www.jetmix.nl Fax 0031 Fax www.jetmix.nl www.lankelma-zuid.nl www.pao.tudelft.nl www.soetaert.be www.pao.tudelft.nl

RoyalHaskoningDHV HaskoningDHV Royal Associate

www.soetaert.be

Members

ProfoundBV BV Postbus151 151 SBRCURnet Profound Postbus SBRCURnet Limaweg17 17 Postbus 1819 6500AD Nijmegen AD Nijmegen• Geomil EquipmentPostbus PostAcademisch SBRCURnet 6500 BV, Moordrecht Limaweg 1819 2743 CBWaddinxveen Waddinxveen Postbus 516 Tel. 3000 BVRotterdam Rotterdam Tel.0031 0031(0)24 (0)24- 328 - 328 4284 84 Onderwijs (PAO) •42 JLD Contracting BV, Edam 2743 CB 3000 BV

Tel. 0031(0)182 (0)182- 640 - 640964 9642600 AM DelftFax Tel.0031 0031(0)10 (0)10- 206 - 2065959 5959 Fax0031 0031(0)24 (0)24- 323 - 323 9346 46 BV, Heerjansdam Postbus 5048 Tel. 0031 Tel. 93 • Tjaden Fax 0031(0)182 (0)182- 649 - 649664 664Tel. 0031 (0)15 Fax 0031 (0)10 413 www.royalhaskoningdhv.com - 303 0500 2600 GA Delft Fax 0031 Fax 0031 (0)10 413 0175 www.royalhaskoningdhv.com • Leiderdorp Instruments BV, Leiderdorp0175 www.profound.nl www.sbr.nl www.sbrcurnet.nl Tel. 0031 (0)15 - 278 46 18 www.profound.nl www.sbr.nl • Votquenne Foundations NV, Dadizele (B) www.curbouweninfra.nl www.curbouweninfra.nl www.pao.tudelft.nl

Colofon Colofon Colofon GEOTECHNIEK GEOTECHNIEK GEOTECHNIEK JAARGANG17 17––NUMMER NUMMER444 JAARGANG 19 NUMMER JAARGANG

OKTOBER 2015 OKTOBER2013 2013 OKTOBER

Geotechniekisis Geotechniek eenuitgave uitgavevan van een Uitgeverij Educom BV Uitgeverij Educom BV

Geotechniek isiseen een informatief/promotioneel Geotechniekis eeninformatief/promotioneel informatief/promotioneelonafhankelijk Geotechniek vaktijdschrift dat beoogtkennis en ervaring uit te wisselen, inzicht onafhankelijkvaktijdschrift vaktijdschriftdat datbeoogt beoogt onafhankelijk te bevorderen en belangstelling voor het gehele geotechnische kennis enervaring ervaring uittetewisselen, wisselen, inzicht kennis en uit inzicht vakgebied te kweken. tebevorderen bevorderen enbelangstelling belangstellingvoor voorhet het te en gehele geo technische vakgebied te kweken. gehele geotechnische vakgebied te kweken.

Mathenesserlaan347 347 Mathenesserlaan 3023GB GBRotterdam Rotterdam 3023 Tel.0031 0031(0)10 (0)10- 425 - 4256544 6544 Tel. Fax0031 0031(0)10 (0)10- 425 - 4257225 7225 Fax info@uitgeverijeducom.nl info@uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl www.uitgeverijeducom.nl

Coverfoto: Ruimte voor de Waal: Ontwerp van de nieuwe waterkering te Nijmegen-Lent

Uitgever/bladmanager Uitgever/bladmanager Uitgever/bladmanager UitgeverijEducom EducomBV Uitgeverij Uitgeverij EducomBV BV R.P.H. Diederiks R.P.H. Diederiks R.P.H. Diederiks Redactie Redactie Redactie Beek,mw. mw.ir.ir.V.V.van van Beek, Beek, mw. ir. V. van Brassinga,ing. ing.H.E. H.E. Brassinga, Brassinga, ing. H.E. Brouwer,ir.ir.J.W.R. J.W.R. Brouwer, Broeck, ir. M. van Diederiks,R.P.H. R.P.H. den Diederiks, Diederiks, R.P.H. Hergarden,mw. mw.Ir.Ir.I.I. Hergarden, Heeres, dr. ir. O.M. Meireman, ir. Meireman, ir. P.P.

Hergarden, mw. Ir. I.

Redactieraad Redactieraad Lengkeek, ir. A. Alboom,ir.ir.G.G.van Alboom, Meireman, ir. van P. Beek, mw. ir. van Beek, mw. ir. V.V.van Bouwmeester, Ir. Bouwmeester, RedactieraadIr. D.D. Brassinga,ing. ing.H.E. H.E. Brassinga, Alboom, ir. G. van Brinkgreve,dr. dr.ir.ir.R.B.J. R.B.J. Brinkgreve, Beek, mw. ir. V. van Brok,ing. ing.C.A.J.M. C.A.J.M. Brok, Bouwmeester, Ir. D. Brouwer,ir.ir.J.W.R. J.W.R. Brouwer, Brassinga, ing. Calster,ir.ir.P.P.van vanH.E. Calster, Broeck, ir. M. van den Cools,ir.ir.P.M.C.B.M. P.M.C.B.M. Cools, Brouwer, ir. J.W.R. Dalen,ir.ir.J.H. J.H.van van Dalen,

Dalen, ir. J.H. van

Deen,dr. dr.J.K. J.K.van van Deen, Deen, dr. J.K. van Diederiks,R.P.H. R.P.H. Diederiks, Diederiks, R.P.H. Graaf,ing. ing.H.C. H.C. vande de Graaf, Duijnen, ing. P.van van Gunnink, Drs. J. Gunnink, Drs. J. van de Graaf, ing. H.C. Haasnoot,ir.ir.J.K. J.K. Haasnoot, Gunnink, Drs. J. Hergarden,mw. mw.Ir.Ir.I.I. Hergarden, Haasnoot, ir. J.K. Jonker,ing. ing.A.A. Jonker, Heeres, dr. ir. O.M. Kleinjan,Ir.Ir.A.A. Kleinjan, Hergarden, mw.O.Ir. I. Langhorst,ing. ing. Langhorst, O. Jonker, ing. A.F.A.J.M. Mathijssen,ir.ir. Mathijssen, F.A.J.M. Lengkeek, ir. A. Meinhardt,ir. ir.G. G. Meinhardt,

Meireman,ir. ir.P.P. P. Meireman, Meireman, ir. Rooduijn,ing. ing.M.P. M.P. Rooduijn, Rooduijn, ing. M.P. Schippers, ing. R.J. Schippers, ing. Schippers, ing.R.J. R.J. Schouten, ir. C.P. Schouten,ing. ir. C.P. Smienk, E. Smienk,ing. ing.E.E. Smienk, Spierenburg, dr. ir. S. Spierenburg,dr. dr. ir. S. Spierenburg, Storteboom, O. ir. S. Storteboom,O.O. Storteboom, Vos, mw.dr. ir. ir. M. de Thooft,dr. Thooft, ir. K.K. Velde, ing. E. van Vos, mw. ir. M. deder Vos, mw. ir. M. de Velde,ing. ing.E.E.van vander der Velde,

Meinhardt, ir. G.

Lezersservice Lezersservice Lezersservice Adresmutaties doorgeven Adresmutaties doorgeven viavia Adresmutaties doorgeven via info@uitgeverijeducom.nl info uitgeverijeducom.nl @@ uitgeverijeducom.nl info Copyrights Copyrights ©© Copyrights Uitgeverij Educom BV Uitgeverij Educom BV Uitgeverij Educom BV

Oktober2013 2013 2015 Oktober Niets deze uitgave mag Niets uit deze uitgave mag Niets uituit deze uitgave mag

worden gereproduceerd met worden gereproduceerd met worden gereproduceerd met welke methode dan ook, zonder welke methode dan ook, zonder welke methode dan ook, zonder

schriftelijke toestemming van de de schriftelijke toestemming van schriftelijke toestemming van de uitgever. ISSN 1386 - 2758 © ISSN 1386 - 2758 uitgever. ©© ISSN 1386 - 2758

Distributievan vanGeotechniek GeotechniekininBelgië Belgiëwordt wordtmede medemogelijk mogelijkgemaakt gemaaktdoor: door: Distributie

SMARTGEOTHERM SMARTGEOTHERM

Info: WTCB, : WTCB,ir.ir.Luc LucFrançois François Info Lombardstraat42, 42,1000 1000Brussel Brussel Lombardstraat Tel.+32 +3211 1122 2250 5065 65 Tel. info@bbri.be info@bbri.be www.smartgeotherm.be www.smartgeotherm.be

353

ABEF vzw ABEF vzw ABEF vzw BelgischeVereniging Vereniging Belgische Belgische Vereniging AannemersFunderingswerken Funderingswerken Aannemers Aannemers Funderingswerken PriesterCuypersstraat Cuypersstraat Priester Lombardstraat 34-42 3 3 1040 Brussel 1040 Brussel 1000 Brussel Secretariaat: Secretariaat: www.abef.be erwin.dupont@telenet.be erwin.dupont@telenet.be

GEOT ECH NIE Oktober 2013 GEOT ECH NIE K K–-–Oktober 2013 GEOTECHNIEK Oktober 2015

BGGG BGGG

BelgischeGroepering Groepering Belgische voorGrondmechanica Grondmechanica voor Geotechniek enenGeotechniek c/oBBRI, BBRI,Lozenberg Lozenberg7 7 c/o 1932 Sint-Stevens-Woluwe 1932 Sint-Stevens-Woluwe bggg@skynet.be bggg@skynet.be


Tjaden Adviesbureau voor Grondmechanica is opgericht in 1968 en is voortgekomen vanuit het Grondboorbedrijf Tjaden B.V. dat zijn oorsprong heeft in het jaar 1895. Sinds de overname door Theo van Velzen Grondboortechniek en Bronbemaling B.V. in Alkmaar, op 23 december 2011, zijn de 2 sondeerwagens vervangen door 2 nieuwe Track Trucks en is het machinepark uitgebreid met een rupsvoertuig, een minirupsvoertuig en een demontabele sondeertoren, voor moeilijk bereikbare locaties. De 2 Track Trucks zijn identiek en gebouwd op een Volvo FMX met een Euronorm 6 motor (schoonste motor van dit moment), 4 x 4 aangedreven en voorzien van tracks om in het terrein te kunnen rijden. Bij Tjaden Adviesbureau kunt u terecht voor zowel geotechnische als geohydrologische adviezen.

Geotechnisch advies Deze adviezen hebben betrekking op funderingen op palen of staal, grondverbeteringen, grondkerende constructies (damwanden), stabiliteit van grondlichamen (dijken, ophogingen), zettingen van het maaiveld (als gevolg van ophogingen) en bouwrijp maken van terreinen. Geohydrologisch advies Hierbij gaat het om adviezen inzake bouwputbemalingen, retourbemalingen, terreindrainage, koude/warmte opslag in de bodem, hydrologische effectenstudies (wateroverlast, droogteschade), waterbeheersplannen opzetten en uitvoeren, het begeleiden en rapporteren van proefbemalingen en pompproeven, begeleiden bij de aanvraag van onttrekkings- en lozingsvergunningen. Tevens voeren wij de benodigde veldwerkzaamheden uit : sonderingen, grondboringen inclusief het steken van ongeroerde monster voor laboratoriumonderzoek en het plaatsen van peilbuizen, voor monstername en grondwaterstandmonitoring


Inhoud 3 Van de redactie - 9 Actueel - 21 Afstudeerders - 22 SBRCURnet

GEOTECHNIEK Onafhankelijk vakblad voor het geotechnische werkveld

10

14

GeoRisicoScan 2.0 - De Geotechnisch adviseur aan de lat?

Ruimte voor de Waal: Ontwerp van de nieuwe waterkering te Nijmegen-Lent

ir. B. van Paassen / ing. O. Langhorst

ir. J.A.T. Ruigrok / ir. W. Claassen ing. M.E.T. Taken MSEng / ing. R.H. Gerritsen

24

32

Proevenverzameling Delfland 2.0

Stabiliteit van taluds in tertiaire kleien.

ir. J.Tigchelaar / ing. W.Ponsteen

em. prof. ir. J. Maertens / ir. G. van Alboom ir. K. Van Royen / dr. ir. L. De Vos

GEOKUNST Onafhankelijk vakblad voor gebruikers van Geokunststoffen

44 Actief systeem Ecoduct N261 ing. Hans van Eekeren / ing. Piet van Duijnen

7

GEOTECHNIEK - Oktober 2015


creating tools that move your business

a.p. van den berg The CPT factory

Mini Sondeerrups: ideaal voor locaties met beperkte toegang The CPT factory Sondeerbuizenschroever: gemakkelijk, snel en Al ruim 42 jaar is A.P. van den Berg de innovatieve en betrouwbare partner als het gaat om bodemonderzoeklicht en wendbaar De lichtstevoor en een meest compacte Sondeerrups een indrukkracht van en wereldwijdCompact,ergonomisch apparatuur slappe bodem. A.P. van den Bergmet loopt voorop in het ontwikkelen verantwoord vermarkten nieuwe geavanceerde sondeeren monstersteeksystemen die780 uitblinken 10 ton. Metvan een gewicht net onder de 1600 kg en een breedte van mm in betrouwbaarheid en gebruiksgemak. Van verscheidene totdeze multifunctioneel apparatuur voor het gebruik past de Mini Sondeerrups door landsondeersystemen een deurpost en kan vervoerd worden op zee tot waterdieptes van wel 4000 meter en van uitgebreide servicepakketten tot digitale meetsystemen in een bestelwagen. Ideaal dus voor sondeerlocaties met beperkte toegang of waarmee de bodemgegevens via een kabel of optische lichtsignalen worden getransporteerd, ze behoren ruimte. Het indruksysteem is demonteerbaar en kan als stand-alone unit naast allemaal tot het leveringspakket van A.P. van den Berg. de rups gebruikt worden, indien er nog compacter gewerkt moet worden. Veel aandacht wordt geschonken aan de arbeidsomstandigheden van de sondeermeester. Zo heeft A.P. van

Op hebben we een Mini Sondeerrups opsondeerapparaat voorraad in onze den dit Bergmoment de sondeerbuizenschroever ontwikkeld, die in ieder kan worden geïntegreerd. Showroom, maar uiteraard kunnen ook een van exemplaar voor u efficiënter uitgevoerd. De Met de buizenschroever wordt het op- enwe afschroeven de sondeerstreng buizenschroeverdat komt het meest recht involdoet. combinatie met een draadloos meetsysteem. Het doorrijsamenstellen precies aantot uwzijn wensen

gen van de conuskabel behoort dan tot het verleden. Voor de sondeermeester betekent dit een aanzienlijke vermindering vanNeem de fysiekecontact inspanning met en het voorkomen Interesse? ons op!van een versnelde slijtage van de gewrichten. Aandacht voor de arbeidsomstandigheden is voor alle betrokkenen van groot belang en is zijn investering dubbel en dwars waard.

A.P. van den Berg Machinefabriek A.P. van den Ingenieursburo b.v. Postbus 68,Berg 8440 AB Heerenveen Postbus 68, 8440 AB Heerenveen

Tel.: 0513 631355

Tel.: 0513 631 355 Fax: 0513 631212 Fax: 0513 631 212

info@apvandenberg.nl info@apvandenberg.nl www.apvandenberg.nl www.apvandenberg.nl

APB CPT Ad Geotechniek MiniSondeerrups 216x138 22052015 try1.indd 1

Voor Voor gedegen gedegen

26-5-2015 12:00:45

BAUER BAUER Funderingstechniek Funderingstechniek voert voert de volgende activiteiten uit: uit: de volgende activiteiten

Mixed-In-Place Mixed-In-Place 

Mixed-In-Place soilmix  Mixed-In-Place soilmix

 Groutanker met strengen  Groutanker met strengen

soilmix soilmix oplossingen oplossingen

 Groutanker met staven  Groutanker (paal)(paal) met staven  GEWI-anker  GEWI-anker (paal)(paal)  Cement-bentoniet dichtwand  Cement-bentoniet dichtwand  Groot diameter boorpalen  Groot diameter boorpalen  Diepwand  Diepwand Jet grouten  Jetgrouten  Grondverbetering  Grondverbetering

els nw_Opmaak 1 27-02-13 11:07 Pagina 36

Vooraanstaand Vooraanstaand en betrouwbaar en betrouwbaar

N14 Artikels nw_Opmaak 1 27-02-13 11:07 Pagina 36

www.bauernl.nl www.bauernl.nl


Actueel

International Symposium on Geotechnical Safety and Risk (ISGSR)
Rotterdam, 13 – 16 oktober 2015 Over veiligheid, betrouwbaarheid en risico’s in de geotechniek weten we veel maar nog lang niet alles. Wat zijn de nieuwste ideeën en innovaties in de wereld op het gebied van geotechniek? Tijdens het 5de International Symposium on Geotechnical Safety and Risk (ISGSR) delen we de laatste kennis vanuit onderzoek en praktijk. • 150 papers waaronder 10 keynotes van onder meer:
Mandy Korff (Deltares) - Learning from case studies and monitoring of underground construction works;
Bas Jonkman (TUDelft)

- Developments in levee reliability and flood risk analysis
Cees Brandsen (Rijkswaterstaat) - Geotechnical risk management in Dutch public infrastructure projects. • 20 papers over resultaten van het Geo-Impuls programma • Internationaal netwerk van 300 geotechnici onderzoekers en mensen uit de praktijkVoorafgaand aan het symposium, op 12 oktober gaan we van start met twee cursussen: ‘Reliability Analysis and Updating in Geotechnical En-

gineering’ en ‘Geotechnical Risk Management’. Daarnaast organiseren Deltares, Plaxis en TNO Diana het side-event ‘How can you use software for risk management?’ Het symposium is een uitgelezen kans om te leren van het buitenland, je te laten inspireren en nieuwe contacten te leggen. Bekijk het programma en meld je aan via www.isgsr2015.org

Cursussen Geotechniek najaar 2015 Eurocode 8: Earthquake Engineering In samenwerking met Cursusleider Cursusdata

Realisatie bouw en infrastructuur op slappe bodem

Bouwen met Staal en de Betonvereniging Prof.ir. A.C.W.M. Vrouwenvelder (TU Delft/TNO Bouw en Ondergrond) 6, 7, 8 en 13 oktober

Samenwerking Cursusleiders Cursusdata Studiepunten

BIM in de praktijk van grond-, weg- en waterbouw Cursusleider Cursusdata

Dr.ir. J.L. Coenders (White Lioness technologies/TU Delft) 13 en 14 oktober

In samenwerking met Cursusleiders Cursusdata

Deltares Ir. A.J. van Seters (Fugro GeoServices BV) en dr. G. Greeuw (Deltares) 17 november en 8 december

Bemalingen bij bouwprojecten Samenwerking Cursusleider Cursusdata Studiepunten

Soil-Mix wanden, ontwerp en uitvoering In samenwerking met Cursusleiders

Haal meer uit je grondonderzoek; geotechnische parameterbepaling

SBRCURnet en SIKB Ing. V. Lubbers (Fugro) 25 en 26 november 6 Kenniseenheden Constructeursregister 10 PDH’s Geotechniek

www.pao.tudelft.nl

Beter Bouwen Beter Wonen Ir.drs. E. Tromp (Deltares) en ir. P.R.M. Ammerlaan (Fugro GeoServices BV) 5 en 6 november 3 Kenniseenheden Constructeursregister 10 PDH’s Geotechniek

Cursusdatum Studiepunten

SBRCURnet Ing. E. de Jong (Geobest BV) en ir. B. Snijders (CRUX Engineering BV) 19 november 3 Kenniseenheden Constructeursregister 5 PDH’s Geotechniek

Heibaarheid en trilbaarheid van funderingspalen en damwanden In samenwerking met Cursusleider Cursusdata Studiepunten

SBRCURnet Ass.prof.dr.ir. J.G. de Gijt (Gemeentewerken Rotterdam/TU Delft) 9 en 10 december 12 PDH’s Geotechniek

Stichting PostAcademisch Onderwijs

Postbus 5048 2600 GA Delft

advertentie_geotechniek_4_2015.indd 1

015 278 46 18 info@pao.tudelft.nl

1-7-2015 10:07:46

9

GEOTECHNIEK - Oktober 2015


GeoRisicoScan 2.0 De Geotechnisch adviseur aan de lat?

Inleiding Geotechnisch risico management wordt als een van de belangrijkste middelen gezien ter beperking van de ondergrond gerelateerde faalkosten, getuige de conclusies van het GeoImpuls programma. Er is daarom sprake van dat belangrijke opdrachtgevers zoals Rijkswaterstaat het toepassen van geotechnisch risicomanagement gaan waarderen bij de beoordeling van aanbiedingen in de GWW sector. Een manier om aantoonbaar te maken of, en in welke mate, geotechnisch risico management wordt toegepast in projecten, is het doen van een zogenaamde GeoRisicoScan (GRS). De GRS is niet nieuw. Al enige tijd is de GRS 1.0 toegepast op grotere infrastructurele projecten, met name ter beoordeling van het risicomanagementsysteem binnen Rijkswaterstaat. Voor kleinere of kortlopende projecten is als bezwaar van GRS 1.0 te noemen dat deze tijdrovend en kostbaar is, en anderzijds dat deze slechts door een selecte groep adviseurs kan worden uitgevoerd.

door deze groep vijf scans uitgevoerd, zowel bij projecten in uitvoering, voorbereiding en in tenderfase. In dit artikel blikken de auteurs, die bij vier van deze GRS als reviewer betrokken zijn geweest, hierop terug. Opzet en uitvoering van een GRS 2.0 In de GRS 2.0 wordt getoetst in hoeverre geotechniek expliciet deel uitmaakt van het project risico management systeem, ofwel hoe het staat met GeoRisicoManagement (GeoRM). Aan de GRS 2.0 nemen de personen deel die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van GeoRM in het project. Dat kunnen de projectleider, technisch manager, risicomanager, ontwerper zijn en diegene die de GeoRM daadwerkelijk uitvoert, meestal de geotechnisch adviseur. Voor kleinere projecten kan dit dezelfde persoon zijn.

Ir. Bart van Paassen BAM Infraconsult

Ing. Onno Langhorst Movares Nederland BV

De opdrachtgever organiseert de GRS 2.0 sessie. De GRS 2.0 wordt afgenomen door een duo dat is gekwalificeerd voor het uitvoeren van de GRS 2.0, maar die geen directe betrokkenheid met het project hebben. Een GRS 2.0 duurt de hele dag, waaraan voorafgaand enige voorbereiding van de projectbetrokkenen benodigd is. Deze voorbereiding bestaat uit het beschikbaar maken van de relevante documenten waaruit het risico geotechnisch risicomanagement naar voren komt, zoals het risicodossier, verslagen, rapportages, het ondergrond dossier. Daarnaast wordt aan bij voorkeur de geotechnisch adviseur gevraagd een projectpresentatie voor te bereiden, waarin behalve een introductie ook de door hem of haar als grootst beoordeelde risico’s aan bod dienen te komen.

Foto 1 - OV Saal (hoge ophoging naast spoor) - Bij het project OV Saal zijn grote ophogingen naast in bedrijf zijnd spoor aangebracht. Uit het ontwerp is naar voren gekomen dat een risico gestuurde uitvoering noodzakelijk is geweest. Het is een van de projecten waar een GRS 2.0 is uitgevoerd.

De nieuwe vorm van GRS, GRS 2.0, is zodanig opgezet dat deze binnen één à twee weken kan worden voltooid, en door specialisten vanuit elk willekeurig ingenieursbureau kan worden uitgevoerd, mits zij zich middels de bijbehorende cursus hebben gekwalificeerd. Het is hierbij ook mogelijk dat de scan wordt gedaan door mensen vanuit de eigen organisatie, wat in sommige gevallen wegens vertrouwelijkheid van de informatie gewenst kan zijn. De scan kan dus ingezet worden als externe kwaliteitsborging (EKB) maar ook als interne kwaliteitsborging (IKB). Eind 2013 is het principe van deze GRS 2.0 toegelicht in een door Deltares en GeoImpuls georganiseerde pilot cursus, voor deelnemers vanuit diverse partijen (Movares, BAM, CRUX, Gemeente Rotterdam en Amsterdam). Sindsdien zijn

10

GEOTECHNIEK - Oktober 2015


Samenvatting

De GeoRisicoScan 2.0 (GRS 2.0) is een “light” versie van de door Deltares ontwikkelde GeoRisicoScan. Door middel van één daagse interview sessie wordt een oordeel gegeven over de vraag: zijn de geotechnische risico’s

Op de dag zelf zijn er twee interviews van elk 1,5 à 2 uur voor alle betrokkenen gezamenlijk. Hier tussendoor nemen de “reviewers” documenten door en bereiden het tweede interview voor. Aan het eind van de dezelfde dag geven de auditoren een voorlopige score en de eerste feedback. Het uiteindelijke oordeel (Geo OK?) volgt, schriftelijk, binnen een week.

“in control”? Dit artikel beschrijft de opgedane ervaringen met GRS 2.0. Samenvattend: een nuttig middel met duidelijke meerwaarde dat meer navolging verdient.

De scan is in principe een moment opname, voor de betreffende fase waarin het project zich bevindt, en kan daarom herhaaldelijk, in meerdere fases van een project worden uitgevoerd. Vooral projecten met een grote geotechnische component die meerdere fases kennen, zoals haalbaarheid – voorbereiding – aanbesteding – realisatie, of: aanbieding – detail ontwerp – uit-

Tabel 1 - Vragenlijsten (proces en inhoudelijk) Nr.

Criteria (procesmatig)

Nr.

Criteria (inhoudelijk)

1.1

Stap 0: GeoRM zit integraal in project RM

2.1

De relevante project-specifieke georisico’s zijn benoemd

1.2

Stap 1a: Georisico doelen zijn vastgesteld

2.2

Georisico’s zijn expliciet gekoppeld aan doelen en performance indicatoren

1.3

Stap 1a: Geo-gegevens zijn verzameld

2.3

Geschatte kansen van de georisico’s zijn realistisch in de project context

1.4

Stap 2: Georisico’s zijn geïdentificeerd

2.4

Geschatte gevolgen van de georisico’s zijn realistisch in de project context

1.5

Stap 3: Georisico’s zijn geclassificeerd

2.5

Georisico’s worden / zijn (contractueel) gealloceerd & gecommuniceerd

1.6

Stap 4: Georisico’s zijn beheerst

2.6

Gekozen risicobeheersmaatregelen zijn technisch uitvoerbaar

1.7

Stap 5: Maatregelen zijn geëvalueerd

2.7

De kosten van de beheersmaatregelen wegen op tegen de beoogde effecten

1.8

Stap 6a: Stap 2 t/m 5 in risicodossier

2.8

De risicobeheersmaatregelen zijn aantoonbaar & daadwerkelijk effectief

1.9

Stap 6b: Periodieke georisico rapportage

2.9

Grondonderzoek is risicogestuurd opgezet en uitgevoerd

2.10

Monitoring is risicogestuurd opgezet en uitgevoerd

De vragen zijn in twee standaard tabellen opgenomen, waarin voor de 6 GeoRM processtappen wordt beoordeeld of deze aantoonbaar en correct zijn uitgevoerd: één hiervan behandeld de procesmatige kant, de ander de inhoudelijke (geotechnische) kant van het risicodossier. Per vraag kan een score worden behaald, wat uiteindelijk leidt tot een eindoordeel: GeoOK-(onvoldoende), GeoOK (voldoende), of GeoOK+ (goede kwaliteit), ofwel het oordeel of de georisico’s inhoudelijk effectief en efficiënt zijn beheerst. In onderstaande tabel is aangegeven hoe het eindoordeel voor zowel project beheersing en inhoudelijke beheersing wordt gevormd. Tabel 2 - Eindoordeel GRN 2.0 Eindoordeel GeoRMscan 2.0 Criteria (procesmatig) GeoRM Inhoudelijke Beheersing

GeoRM Procesbeheersing Onvoldoende

Voldoende

Goed

Onvoldoende

GeoOK-

GeoOK-

GeoOK-

Voldoende

GeoOK-

GeoOK

GeoOK+

Goed

GeoOK-

GeoOK+

GeoOK+

In de tabellen is ruimte beschikbaar voor toelichtingen en het geven van voorbeelden waarmee onderbouwing kan worden gegeven van de scores, en waarmee voor het project betrokkenen feedback gegeven kan worden zodat verbeterpunten duidelijk worden. Uiteraard kunnen er in de rapportage ook aanvullende (inhoudelijke) aanbevelingen of bevindingen gegeven worden.

11

GEOTECHNIEK - Oktober 2015

voeringsontwerp lenen zich hier goed voor. Bijgaande foto’s geven hiervan voorbeelden. Audit of review? Zoals al gesuggereerd, heeft de GRS 2.0 kenmerken van een audit: er kan in de korte tijd niet diep ingegaan worden op de inhoud, laat staan dat er door de interviewers een oordeel en een oplossing wordt aangedragen. Er wordt beoordeeld of de geotechnische risico’s die naar voren komen in de stukken en de interviews ook terugkomen in het risico dossier, en de in RISMAN te onderscheiden stappen terug te vinden zijn in het proces en onderdeel zijn van de keuzes in ontwerp en realisatie. Een Geo OK is in die zin geen waarborg dat het project ook technisch inhoudelijk aan alle te stellen eisen voldoet. Toch wordt ook een inhoudelijke check gedaan, namelijk op de inhoud van het risico dossier: zijn deze specifiek en expliciet genoeg, en zijn de genoemde kansen en beheersmaatregelen realistisch en effectief? Hierover kan en dient een oordeel te worden gegeven. Om in korte tijd technische en procesmatige risico’s te kunnen identificeren moet naast over kennis (mogelijk op te doen in een cursus) ook over ervaring worden beschikt. Dit stelt eisen aan uitvoerders van GRS 2.0 op gebied van ervaring. De optimale samenstelling van het GRS 2.0 team dient daarom bij voorkeur benaderd te worden uit een inhoudelijke invalshoek (ervaren geotechnisch adviseur) en een procesmatige invalshoek (bijvoorbeeld een risicomanager). Structuur Als leidraad zijn de vragen onderverdeeld in een technisch inhoudelijke – en een procesmatige lijst. In onderstaande tabel zijn de vragen inzichtelijk gemaakt. Meerwaarde De GRS 2.0 kan primair een bijdrage leveren aan de beheersing van ondergrond gerelateerde risico’s bij infrastructurele projecten, doordat deze een (periodieke) meting doet van de toepassing van het geotechnisch risico denken. Enerzijds wordt beoordeeld of de inhoud en systematiek van het risico dossier, op geotechnisch gebied, hout snijdt. Ook komt naar voren in hoeverre de geotechnisch adviseur integraal deelneemt aan


Foto 2 - A4 (diepe bouwput naast rijksweg). - Bij het project A4 Burgerveen – Leiden zijn diepe bouwputten naast de bestaande weg aangelegd. De complexe faseringen en geotechnische omstandigheden vroegen om een risico gestuurde aanpak, wat ook door de opdrachtgever (RWS) expliciet werd geëist. Voor dit project met zijn vele fasen zou zeer geschikt zijn geweest voor een periodieke GRS 2.0.

het ontwerp en bijdraagt in de besluitvorming. Wanneer blijkt dat dit het geval is, bijvoorbeeld doordat de geotechnisch adviseur aantoonbaar vertegenwoordigd is in risico sessies, trade-offs en reviews, zal dit in de score naar voren komen. Het zelfde geldt wanneer geotechnische risico’s systematisch worden geïnventariseerd en geëvalueerd, en expliciet behandeld worden in de documenten. Omgekeerd geldt dat als dit soort zaken niet naar voren komen, dit resulteert in een lage score maar ook een aanbeveling voor het vervolg. Door de systematische opzet, en ‘smart’ gemaakte beoordeling, maakt GRS 2.0 het mogelijk aantoonbaar te maken dat het GeoRM onder controle is. Zo kan GRS 2.0 een middel zijn voor aannemers om hoger te scoren in een aanbesteding volgens de methode ‘ Best Value and Procurement’ op het geotechnisch risico management. Voor opdrachtgevers maakt GRS 2.0 het mogelijk invulling te geven aan ‘systeem gerichte contract beheersing’, en daarbij het belang van risico gestuurd geotechnisch ontwerp te benadrukken, zonder die inhoudelijk in te vullen. In feite kan GRS 2.0 ingezet worden om alle externe partijen / belanghebbenden / omwonenden inzicht te geven of de ondergrondrisico’s inhoudelijk effectief en efficiënt worden beheerst. Voor de projectorganisatie zelf is, zoals ook uit de gemaakte scans is gebleken, de scan uiterst

leerzaam en daarmee duidelijk méér dan een eindscore alleen. In de interviews en rapportage wordt zeer nadrukkelijk ingegaan op de systematische invulling van het risico dossier, en in het bijzonder de geotechnische aspecten. Zonder heel diep op de inhoud in te gaan, wordt een volle dag aandacht gegeven aan de plaats van de geotechnisch adviseur en de ondergrond in het project. Dit kan leerzaam zijn voor de projectleiding, maar zeker ook voor de geotechnisch adviseur zelf. Hoewel niet primair het doel, kan in de scan naar voren komen dat een of meer risico’s verdere uitwerking behoeven of dat nieuwe risico’s moeten worden toegevoegd aan het risicodossier. Deels door de systematiek, en deels door de – deels frisse - inhoudelijke kennis die erbij aanwezig is, blijken zaken naar voren te komen. Eerste ervaringen GRS 2.0 Aantal uitgevoerde scans De GRS 2.0 is na de opleiding van 31-10-2013 totaal 5 maal uitgevoerd. Dit is opvallend weinig gezien het belang van Geoimpuls dat aan GeoRM wordt gehecht, en de meerwaarde die ook door de projecten werd herkend. Steeds was er vanuit de projecten een wens om de risicobeheersing aantoonbaar te maken. Ook is steeds positief gewaardeerd om nadrukkelijk stil te staan bij de geotechnisce risico’s en het risicodossier. We stellen vast dat het gebruik van GRS 2.0 is

12

GEOTECHNIEK - Oktober 2015

stilgevallen. Dit kan komen door de beperkte bekendheid en het kleine aantal opgeleide adviseurs. Om deze ‘tool’ een succes te laten worden is het volgens ons belangrijk dat de cursus wordt herhaald, opdat er een groter aantal gekwalificeerden zullen zijn dan nu het geval is, en daarmee de GRS 2.0 meer kritische massa krijgt. Verwachtingsmanagement Vanuit één van de projecten was de verwachting dat de scan had moeten leiden tot meer zekerheid over de gegeven adviezen bij de beslissers in het project. De hoop bestond dat er na uitvoeren van de scan geen discussie meer zou zijn over de gekozen oplossingen. Dat dit niet was geslaagd had mogelijk als oorzaak dat het product onvoldoende bekend was bij de rest van het team, er ontbrak een goede toelichting. Een degelijke presentatie zou hierbij geholpen hebben. GRS 2.0 kan waarborgen dat GeoRM goed is toegepast (en dat kan bijdragen tot een betere onderbouwing van risico’s en het maken van risicogestuurde keuzes), maar is geen review op aangedragen geotechnische oplossingen. Draagvlak Door de GRS eerder op de kaart zetten en tevens het resultaat (oké!) breder naar buiten brengen was meer draagvlak geweest. Uiteraard zal het helpen wanneer de GRS vaker wordt toegepast, en professionals er ook mee bekend raken. Wanneer dit binnen een project daadwerkelijk een of


GEORISICOSCAN 2.0 - DE GEOTECHNISCH ADVISEUR AAN DE LAT?

meer keer herhaald wordt, kan dat al eenvoudig bereikt worden. Opzet GRS 2.0 De opzet van de vragenlijsten zijn goed, maar behoefte is aan meer gerichte vragen. Wat verder opviel was dat de gesprekken in een open en prettige sfeer verliepen, wat wel een zekere vaardigheid vraagt. Het is de kunst om enige variatie in de vragen te hebben, en niet de vragenlijsten stap voor stap af te werken.

Foto 3 - NZ lijn (diepe bouwput naast monumentaal station). - In het kader van de Noord Zuidlijn is de tunnel onder het Amsterdam CS aangelegd. Ter plaatse van het voorplein is een diepwand gemaakt. Een speciaal risico daarbij was de grond- en waterdichtheid van de voegen. Als maatregel is gekozen om bij de voegen jetgrout kolommen te installeren. Per bouwfaseringsslag is een geotechnische risico analyse opgesteld en goedgekeurd alvorens met de volgende fase verder te gaan. Een GRS 2.0 zou een goede tool zijn geweest.

Ook de fase van het project is van belang: in een geval bevond het project zich in de opleverfase en bleek de procesmatige kant van het GeoRM minder strak doorgevoerd dan in de eerdere fasen van het project: de bevindingen werden hierom niet direct herkend door het project team. De vraag is echter ook legitiem of de diverse stappen ook in elke fase van een project zo relevant zijn: deze overweging is dan ook aan de reviewers. Ook dit soort ervaring kan alleen ingebracht worden door frequente(re) toepassing van GRS 2.0. Conclusies Op basis van de uitgevoerde GRS 2.0 blijkt dat in 1 jaar tijd totaal 5 scans zijn uitgevoerd. De GRS 2.0 staat dus nog niet goed op de kaart. De GRS 2.0 heeft een toegevoegde waarde voor de projecten waarop deze is uitgevoerd, het draagt bij aan inzicht in de kwaliteit van GeoRM en aan het geotechnisch risicodossier. Het is een snelle en effectieve methode om de GeoRM goed in beeld te krijgen en aan de klant te laten zien. De huidige opzet van de GRS 2.0 met de bijbehorende invullijsten voldoen. Er is daarom tot dusverre geen aanleiding om de GRS 2.0 inhoudelijk of procesmatig aan te passen. De GRS 2.0 laat zien of de geotechnisch adviseur aan de lat staat. Er moet nog meer ervaring mee opgedaan worden en meer mensen dienen zich hierin te kwalificeren om het tot een succes te laten worden. Voor nadere informatie over de GRS 2.0, en de bijbehorende cursus, wordt verwezen naar: http://www.geoimpuls.org/#category=georisi comanagement&product=inleiding-georisicoscan-2-0voor-projecten. Referentie - Bles, T.J., Van Staveren, M.Th., Litjens, P.P.T., and Cools, P.M.C.B.M. 2009. “Geo Risk Scan: Getting Grips on Geotechnical Risks.� In Geotechnical Risk and Safety, Honjo, Y., Suzuki, T., Hara, T., and Zhang, F. eds. 2009, 339-346. London: Taylor and Francis.

13

GEOTECHNIEK - Oktober 2015


Ruimte voor de Waal: Ontwerp van de nieuwe waterkering te Nijmegen-Lent Integratie van geotechniek, waterkeringen en constructies. In 1993 en 1995 hadden de Rijn en de Maas te kampen met zeer hoge waterstanden. Naar aanleiding van deze hoge waterstanden is gebleken dat de Rijntakken en de Maas grotere hoeveelheden water af moesten kunnen voeren dan de hoeveelheid waarmee tot dusver rekening was gehouden. Omdat de dijken op de meeste plaatsen niet aan de wettelijke veiligheidsnorm tegen overstromen voldoen, zijn maatregelen nodig. In het jaar 2000 heeft het kabinet het Rijksprogramma Ruimte voor de Rivier gekozen als uitgangspunt voor een nieuwe aanpak van hoogwaterbescherming: in plaats van het verhogen en versterken van dijken, moet de rivier meer ruimte krijgen. Daarbij is als uitgangspunt genomen ‘geen dijkversterking, tenzij …’.

Inleiding De Waal heeft bij Nijmegen te maken met een vernauwing en een scherpe bocht die als een soort ‘flessenhals’ de doorstroming van de rivier beperken. In de Planologische Kernbeslissing (PKB) Ruimte voor de Rivier (2006) is berekend dat verlegging van de noordelijke Waaldijk met 350 meter landinwaarts de meest effectieve

maatregel is om de doorstroming te bevorderen. De bocht wordt met een nevengeul afgesneden over een lengte van circa drie kilometer. Hierdoor ontstaat een langgerekt (stads)eiland midden in de rivier. Aannemerscombinatie i-Lent (bestaande uit DuraVermeer DivisieInfra BV / Ploegam BV) voert dit project uit, ondersteund door Witteveen+Bos voor het ontwerp van de

Figuur 1 - 3D model met de 900 m harde kade (stippellijn) en de bruggen. Van links naar rechts: de spoorbrug, de Promenadebrug, de Verlengde Waalbrug en de Parmasingelbrug. De Citadelbrug valt buiten de afbeelding. Rechtsonder een doorsnede van de L-wand met onder de teen de CB-wand.

14

GEOTECHNIEK - Oktober 2015

Ir. J.A.T. Ruigrok Geotechnisch adviseur Witteveen+Bos

Ir. W. Claassen Projectleider Witteveen+Bos

Ing. M.E.T. Taken MSEng Constructeur Witteveen+Bos

Ing. R.H. Gerritsen Geotechnisch adviseur Witteveen+Bos

constructieve objecten. Belangrijke onderdelen voor Witteveen+Bos daarin zijn de realisatie van een grote kadeconstructie, een diep waterkerend scherm, de Parmasingelbrug, de Citadelbrug, en het verlengen van de bestaande Waalbrug (De Verlengde Waalbrug met tussenliggend Bastion), figuur 1. De omvang van het project en het grote aantal externe raakvlakken (waaronder de omlegging van de N325, Verlengde Waalbrug, de Promenadebrug en de spoorbrug) geven een enorme uitdaging voor aanleg binnen een strak tijdschema. Zo moest het wegverkeer over de kruisende bestaande Waalbrug (N325) en het treinverkeer over de spoorbrug te allen tijde doorgang vinden. De nieuwe waterkering bestaat voor circa 700 meter uit een groene dijk en voor circa 900 meter uit een harde kadeconstructie lopend vanaf de westzijde van de spoorbrug tot voorbij de Verlengde Waalbrug. De harde kade is opgebouwd met betonnen L-wanden van acht meter hoog. De opgaande wand van de L-wand heeft vanuit esthetisch oogpunt een helling schuin naar achteren tot de kerende hoogte van NAP+16,4 meter. Aan de voorzijde hiervan bevinden zich verschillende niveaus die door trappen, hellingbanen en grondtaluds met elkaar zijn verbonden. De inrichting van het gebied is daarbij gericht op een prettige omgeving voor recreatie met zicht op de rivier, figuur 2. Dit artikel behandelt het ontwerp van de harde kadeconstructie die Lent en het achterland moet beschermen tegen het water in de Waal.


Samenvatting Het ontwerp is afgestemd en geoptimaliseerd aan de hand van de wisselende eigenschappen van de ondergrond en de lokale omstandigheden en belastingssituaties. Daarnaast is een belangrijke parameter van het ontwerp de toelaatbare vervormingen in de gebruikssituatie. Hiertoe is gekozen gebruik te maken van eindige elementen beschouwingen in Plaxis in combinatie met Scia Engineer; Plaxis voor de grondinteractie en Scia voor de betonconstructie. De resultaten van beide pakketen zijn op elkaar afgestemd om tot een optimaal ontwerp te komen. Ontwerp De kademuur bestaat uit 36 moten, die zijn ondergebracht in ontwerpsecties A t/m K, figuur 3. De secties zijn ingedeeld op basis van geometrie, omgevingobjecten en bodemopbouw voor het verkrijgen van een zo economisch mogelijk ontwerp. Sectie B betreft hierbij, bijvoorbeeld de passage met de Verlengde Waalbrug, sectie E met de Promenadebrug en sectie H met de spoorbrug. Binnen sectie H is onderscheid gemaakt tussen de L-wanden onder de spoorbrug en die ernaast. Voor de overige secties is de belangrijkste variatie het verloop van het voorland vanwege de grote invloed die deze heeft op de stabiliteit van de L-wanden.

In Lent bij Nijmegen is een gigantisch civiel werk uitgevoerd waarbij de Primaire waterkering van de Waal over een lengte 350 m landinwaarts is verplaatst. De werkzaamheden bestonden onder andere uit het verlengen van de bestaande bruggen, het aanleggen van nieuwe bruggen, 700 m nieuwe groene dijk en 900 m nieuwe harde kade. Dit artikel beschrijft het ontwerp de 8 m hoge L-wand van de nieuwe harde kade waarbij met behulp van Plaxis- en SCIA-berekeningen tot een optimaal ontwerp is gekomen. Voor een goede modellering zijn ervaringen uit het verleden teruggerekend, is er uitgebreid gemonitord en zijn de geotechnische en constructieve modellen op elkaar afgestemd.

Het project ‘Ruimte voor de Waal’ is aanbesteed als een design-and-construct contract met een onderhoudscomponent (D&C en Maintenance). In de vraagspecificatie zijn eisen gesteld aan de verschillende constructies. Een harde eis is de realisatie van betonnen L-wanden met een grondkerende hoogte van 5,9 meter, ongeacht de inrichting van het voorland met hieronder een ondergronds waterkerend scherm tot circa 20 meter diepte. In het referentieontwerp van de opdrachtgever is de L-wand voorzien met een fundatie op palen. In het ontwerp is gezocht naar mogelijkheden om de L-wanden te funderen op staal. Door de aanwezigheid van harde zandlagen op beperkte diepte werd dit haalbaar geacht. De cohesieve deklaag onder het funderingsniveau is hiervoor vervangen door zand. Dit heeft een besparing opgeleverd van bijna 1000 funderingspalen. Figuur 2 - Kademuur in aanleg .

Voor het ontwerp is conform de vraagspecificatie rekening gehouden met onderstaande maatgevende de waterstanden: • Maatgevend hoogwater (MHW): o Waterstand nevengeul zijde NAP +16,03 m; o Waterstand Lentzijde NAP +10,50 m. • Val na hoogwater: o Waterstand nevengeul zijde NAP +10,50 m; o Waterstand Lentzijde NAP +12,00 m. • Laagwater: o Waterstand nevengeul zijde NAP +3,50 m; o Waterstand Lentzijde NAP +8,00 m. Door de zanderige ondergrond was als waterkerend scherm een cement-bentoniet wand (CB-wand) voorzien tot in de diepe waterremmende klei/leemlaag. Hierbij was uit oogpunt van duurzaamheid de CB-wand voorzien van een afgehangen damwand of kunststofprofiel. In het referentieontwerp waren lichte damwandprofielen in het CB-materiaal voorzien. In het huidige ontwerp is gekozen om als primaire waterdichting gebruik te maken van een foliescherm. Om grondwaterstroming onder de kade te voorkomen moet de L-wand waterkerend verbonden zijn met dit foliescherm. Deze schermen zijn met een afzinkframe geïnstalleerd in de natte CB-sleuf. Het foliescherm bestaat uit een gepatenteerd systeem (Geolock), bestaande uit HDPE-panelen van 2 meter breed en 2 mm dik. Ze zijn voorzien van kunststof sloten met in het slot een zwelkoord dat bij aanraking met water de sloten waterdicht afsluit. Om het scherm aan te sluiten op de L-wand is deze 20 cm ingestort in de vloer. Door de gekozen uitvoeringstechniek bleek de plaatsingstolerantie te kunnen variëren

Figuur 3 - Bovenaanzicht kadeconstructie Lent met indeling ontwerpsecties

15

GEOTECHNIEK - Oktober 2015


tussen +/- 0,20 meter. Hierop is de wapening in de L-wand aangepast, figuur 4. Het bleek zeer lastig de plaatsingstolerantie klein te houden, omdat het vloeibare cement bentoniet niet stilstaat door de op- en neergaande beweging van de graafmachine in dezelfde sleuf. In de vraagspecificatie was de hoogte van de Lwand vastgesteld. De afmetingen van de vloer van de L-wand waren echter niet gespecificeerd en zijn in het ontwerp per sectie met Plaxis 2D geoptimaliseerd. Vanuit constructies zijn daarbij de optimale betondikte en wapeningsconfiguratie per moot van 25 m bepaald. Aan de achterzijde van de vloer is daarbij voor de meeste secties Figuur 4 - Plaatsingstolerantie HDPE-scherm in CB-wand.

een korte damwand geplaatst om de overallstabiliteit van de waterkering te waarborgen en zo beton uit te sparen. Deze damwand zorgt voor een vernageling van het glijvlak dat anders zou kunnen ontstaan. Door de damwand moet het glijvlak een langere weg afleggen. Zie figuur 5 waarin een moot met damwand zichtbaar is. Monitoring Een groot deel van sectie A, 4 van de 7 moten, lag vooraan in de planning in verband met de aanleg van de tijdelijke omleiding N325. De L-wand van dit deel werd aan de achter- en voorzijde volledig aangevuld met zand, zodat het verkeer van de N325 hier tijdelijk over kon worden omgeleid om plaats te maken voor de aanleg van sectie B en de Verlengde Waalbrug. In verband met de planning is hier gekozen voor een robuust ontwerp. Omgevingsobjecten waren niet aanwezig en de kans op schade aan de voegprofielen door verschilzettingen tussen de moten was zeer laag. Dit laatste kwam door de gelijkmatige grondopbouw onder de moten en gelijkmatig aanvullen, zodat alle moten tegelijk werden belast. Hiermee was het risicoprofiel van deze eerste moten laag. Omdat de uitvoering hiervan voorliep op het ontwerp van de overige secties is het gedrag van de constructie uitgebreid gemonitord ter validatie van het Plaxismodel. Vaststellen van het deformatiegedrag van de L-wanden was ook van groot belang om aan te tonen dat de kerende hoogte werd gehaald en de vervorming van de voegen tussen de moten niet groter was dan dat het voegprofiel kon opnemen. In figuur 6 zijn de berekende en gemeten verplaatsing van de L-wand weergegeven na het aanvullen aan de achterzijde. Voor het bereke-

Figuur 5 - Uitvoering van de gekromde L-wanden met hydraulisch verstelbare bekisting, zicht vanaf achterzijde.

16

GEOTECHNIEK - Oktober 2015

nen van de verplaatsingen met Plaxis is gebruik gemaakt van het ‘Hardening Soil-model’. In de grafiek is op de achtergrond de L-wand weergegeven in onvervormde toestand, met hierin de aanwezigheid van de CB-wand aan de voorzijde. De berekende positie van de L-wand in de vervormde toestand is weergegeven met de rode doorgetrokken lijn. De nul- en eindpositie van alle meetpunten zijn weergegeven met de rode en zwarte punten. De verplaatsingen in de figuur zijn met een factor 50 vergroot voor de leesbaarheid. Op de betonnen wand zijn de vervormingen gemeten met verschillende monitoringpunten aan de bovenzijde en halverwege de wand. Hiertoe zijn reflectoren geplaatst en metingen uitgevoerd met een Total Station. Met de Total Station konden de X, Y en Z-positie van de reflectoren worden bepaald. De reflectoren zijn aan weerszijde van iedere voeg geplaatst, zodat de vervorming over het betreffende voegprofiel berekend kon worden t.o.v. de nulmeting. De zetting van de achterzijde van de L-wand werd gemeten met zakbaken die aan de achterzijde van de vloer waren bevestigd. In totaal zijn op de eerste vier moten 8 zakbakens en 16 reflectoren geplaatst. Uit het ontwerp is gebleken dat de CB-wand onder de teen van de L-wand zich gedraagt als ‘stijf element’. Dit gedrag is aangetoond met metingen in de praktijk, waarbij de L-wand een lichte kanteling achterover ondergaat, door het aanbrengen van de grote hoeveelheid grond op de vloer. Met de metingen is aangetoond dat de Plaxisberekeningen een conservatief beeld geven van de werkelijke verplaatsing. De verticale en horizontale verplaatsingen zijn ongeveer een factor 2 kleiner dan werd berekend. Het model is hierop echter niet aangepast, omdat de grond-

Figuur 6 - Berekende en gemeten vervormingen na de aanvulfase achter de wand sectie A (50x vergroot).


RUIMTE VOOR DE WAAL: ONTWERP VAN DE NIEUWE WATERKERING TE NIJMEGEN-LENT

Figuur 7 - 3D Model en uitvoering van de waterkering met een op staal gefundeerd landhoofd onder de spoorbrug en fundaties van de fietsbrug (Snelbinder).

slag niet over de hele waterkering gelijk is en bovendien is de waterkering voorzien van een in hoogte verstelbare afwerkingsbalk, zodat de kerende hoogte exact kon worden gehaald. Daarbij was een veilige modellering van de vervormingen belangrijk voor de risicovolle omgevingsobjecten, zoals de spoorbrug, en moest de waterdichtheid van de voegprofielen tussen de moten worden aangetoond. Dit is gedaan door aan te tonen dat de verschilvervorming tussen de moten kleiner is dan de vervormingscapaciteit van de profielen. Risico gestuurd ontwerp De passage van de waterkering onder de spoorbrug van Nijmegen heeft een zeer hoog risicoprofiel. Dit betreft sectie H. Door de positie van de waterkering in relatie tot de nevengeul is het voorland hier extreem kort en steil. Door de beperkte ruimte achter de wand en de aanwezigheid van de fundatie van de fietsbrug Snelbinder, was het hier niet mogelijk de L-wand te maken. Daarom is de vloer verschoven naar de voorzijde (gespiegelde L-wand) en is de stabiliteit geborgd door dit deel op palen te funderen, figuur 7. Het omvangrijke oude gemetselde landhoofd van

de spoorbrug is gefundeerd op staal. Vanwege de belangrijke schakel in het spoornetwerk en de vitale functie voor de stad Nijmegen mocht vanuit het contract het spoor niet buitendienst worden gesteld. Op 10 meter afstand van het landhoofd moest het waterkerend scherm worden gegraven. Het aanbrengen van de CB-wand, zoals die was voorzien in het contract, zo dicht bij een bestaand landhoofd met in gebruik zijnd spoor werd als zeer risicovol gezien door de mogelijkheid op sleufinstabiliteit. Bij uitvoering van CB-wanden wordt namelijk gewerkt in relatief grote sleuflengten en verhardt de wand langzaam. De sleuflengte wordt gemeten tussen de positie waar wordt gegraven en de positie waar de CB-wand is uitgehard. De sleuflengte kan zo oplopen tot meer dan 20 meter. Om het gevolg van sleufinstabiliteit te kwantificeren ter plaatse van de spoorbrug is met Plaxis 2D een berekening gemaakt waarbij instabiliteit is gesimuleerd door de CB-wand een volumekrimp van bijna 100% te geven. Het gevolg was een maaiveldzetting tussen het landhoofd en de CB-wand van 1 meter. De zetting van het landhoofd zelf zou bij een dergelijke calamiteitensi-

17

GEOTECHNIEK - Oktober 2015

tuatie niet verder oplopen dan 12 cm vanwege het diepere fundatieniveau, de afstand tot de sleuf en herverdelende werking van het landhoofd. Een dergelijke zetting is echter onacceptabel voor het spoor, omdat dit een maandenlange buitendienststelling zou betekenen om het landhoofd te repareren en potentieel gevaar zou opleveren voor een op dat moment passerende trein. Gezien de bovenstaande factoren is besloten het waterkerend scherm ter plaatse van de spoorbrug te realiseren met een diepwand. Door de kleine sleuflengte van 3 meter is de sleufstabiliteit veel groter. Daarnaast is de kans op optreden van instabiliteit kleiner, doordat de periode waarin de sleuf open staat met bentoniet en wordt voorzien van wapening verkort is tot 1 dag Tot slot is bij een diepwand het gevolg van instabiliteit kleiner. Een sleuflengte van drie meter brengt namelijk een veel kleiner grondvolume in beweging dan een sleuf van meer dan 20 meter. Om de positie van de overgang tussen de CBwand en de diepwand te bepalen is met behulp van een Plaxis 3D-model het invloedsgebied berekend van sleufinstabiliteit van de CB-wand. Hierbij is aangenomen dat 5 mm zetting van het maaiveld ter plaatse van het landhoofd ten gevolge van deze calamiteit nog acceptabel is. Met Plaxisberekeningen is gekeken naar het invloedgebied van sleufinstabiliteit van de CB-wand en deformaties daarbij naar de omgeving. Dit heeft ertoe geleid dat de diepwand tot 10 meter buiten de fundaties van de spoorbrug is doorgetrokken. Buiten deze contour zijn weer aansluitingen gemaakt met de CB-wanden. Risico diepwandinstallatie Voor realisatie van de nevengeul zijn de fundaties van drie brugpijlers van de spoorbrug verlengd door ze in te pakken met een beschermingconstructie van diepwanden. Deze werkzaamheden zijn vanuit Prorail in een apart contract op de markt gezet en vooruitlopend op de ontgraving van de nevengeul gerealiseerd in 2012. Bij uitvoering van deze diepwanden zijn echter forse steunpuntzettingen gemeten van circa 30 mm (R. Spruit, 2013). Een dergelijke zetting zou niet acceptabel zijn voor het op staal gefundeerde gemetselde landhoofd. De eerste tussenpijler is gelegen op circa 80 meter van het landhoofd. De diepwanden van de tussenpijlers zijn even diep, hebben dezelfde sleuflengtes en hebben nagenoeg dezelfde grondopbouw als de diepwanden van de waterkering. De tussenpijlers zijn tijdens de uitvoering van de diepwanden continu gemeten. Deze metingen zijn door Prorail beschikbaar gesteld en zijn gebruikt voor een postdictie


Figuur 8 - 2D axiaal symmetrisch Plaxis model postdictie berekening tussenpijlers.

Figuur 9 - Visualisatie zetting achter de L-wand met het verticale schuifspanningsvlak en de in de SCIA-berekeningen toegepaste driehoeksbelasting als aanhangende gronddruk.

voor fine-tuning van de Plaxismodellen. De 3D situatie van de diepwanden rondom de tussenpijlers is hiervoor vereenvoudigd tot een 2D axiaal symmetrisch model. In het axiaal symmetrische model is de diepwand gemodelleerd met volume-elementen. Het gedrag van de diepwand tijdens installatie is vervolgens gemodelleerd met een horizontale volumekrimp. Het verschil in diepwandbreedte kon door het toepassen van een volumekrimp goed met elkaar verrekend worden. Hieruit is de conclusie getrokken dat een volumekrimp van 1% voor een diepwand van 0,8 m breed de zetting zeer goed benadert. De omzetting van het effect van krimp in het axiaal symmetrisch model naar het 2D-model is hierbij verwaarloosbaar. De gemeten zetting van 30 mm in de uitvoering bedroeg in de postdictie berekeningen 32 mm, zie figuur 8. Een volumekrimp is overigens geotechnisch gezien geen exacte omschrijving van dat wat er rondom de sleuf gebeurt, maar was hier wel uitermate geschikt door de zeer gelijkende geometrie, grondopbouw en omdat het totale effect van een groot aantal sleuven werd

bepaald. Met de uitkomst van de postdictie berekeningen van de tussenpijlers is een vertaalslag uitgevoerd naar de situatie van de waterkering bij het landhoofd. Bij het toepassen van de volumekrimp van 1% in het 2D model van de waterkering werd een zetting gevonden van slechts 2 millimeter van het landhoofd. De uiteindelijk opgetreden zetting van het landhoofd bij uitvoering van de waterkering was dusdanig klein dat deze wegvalt in de meetnauwkeurigheid van de metingen en natuurlijke fluctuaties. Deze fluctuaties worden veroorzaakt door de schommelende waterstand in de rivier en trillingen door passerende treinen over de brug. Tot slot is gekeken of de verschilverplaatsing tussen de sectie op palen ter plaatse van de spoorbug met de naastgelegen op staal gefundeerde moten niet tot te grote vervormingen zou leiden. De spoorsectie verplaatst onder de hoge belasting richting de nevengeul. De moot roteert niet door de momentvaste verbinding met de diepwand en de funderingspalen. De naastge-

18

GEOTECHNIEK - Oktober 2015

legen op staal gefundeerde moten roteren naar achteren door de grondaanvulling op de vloer van de L-wand. Dit komt doordat de CB-wand, onder de teen van de L-wand, stijver reageert dan de grond waarop de rest van de L-wand is gefundeerd. Vervolgens is de verschilverplaatsing tussen de moten berekend om de afmetingen van het voegprofiel te bepalen. Interactie met constructiemodel Voor de beschouwing van de stabiliteit van de overige secties van de L-wanden is eveneens met Plaxis de lengte van de vloeren geoptimaliseerd. Vervolgens is met behulp van software van SCIA engineer de dikte van de wand en vloer bepaald. Hiervoor is voor vrijwel alle secties een 2D model gemaakt en voor een aantal een 3D model, afhankelijk van de situatie. Zo is de invloed van de ongelijkmatige bedding onder de 50 m lange moot van sectie B onder de Verlengde Waalbrug in een volledig 3D-model beschouwd. De belastingsgevallen en gronddrukken die een groot effect hebben op de wand- en vloerdiktes en hoeveelheid wapening zijn met behulp van Plaxisberekeningen geoptimaliseerd. Er zijn twee specifieke optimalisaties beschouwd: aanhangende grond en de horizontale gronddrukfactor. Aanhangende grond Omdat de kleilaag alleen onder de L-wand is vervangen door zand, wil de L-wand relatief gezien minder zetten dan het grondmassief op enige afstand van de waterkering. Door schuifspanningen in de grond zal deze grond als het ware gaan hangen aan de grond die bovenop de vloer van de L-wand rust. Dit is inzichtelijk gemaakt met een berekening waarin de L-wand is gefixeerd, figuur 9. Dit heeft een maximale verschilvervorming tussen de L-wand en de omgeving tot gevolg, en hiermee de maximale hoeveelheid aanhangende grond. Uit de berekening volgt dat de gronddruk toeneemt naar de achterzijde van de vloer door de aanhangende grond. De totale grootte van de aanhangende grond is analytisch goed te bepalen. Bij vergelijking van de analytisch berekende aanhangende grond op het schuifspanningsvlak met de extra druk op de vloer in Plaxis komen deze vrijwel exact overeen. In de constructieve berekeningen was in eerste instantie aangenomen dat de schuifspanning op het verticale vlak als een puntlast de vloer belast. Op basis van de Plaxisuitkomst is vervolgens de analytisch berekende belasting door de aanhangende grond meegenomen als driehoeksbelasting over de achterste helft van de vloer, figuur 9. Door het onderbouwen van de spanningspreiding met het Plaxismodel en de


RUIMTE VOOR DE WAAL: ONTWERP VAN DE NIEUWE WATERKERING TE NIJMEGEN-LENT

Figuur 10 - Waterkering in aanbouw onder de spoorbrug.

simplificatie tot driehoeksbelasting voor de 36 SCIA-modellen, was het mogelijk de wapening van de betonvloer economischer uit te voeren. Gronddrukfactoren De gronddrukfactor geeft de relatie tussen de verticale en horizontale gronddruk weer. Om de interne krachtswerking van de L-wand te bepalen is een model opgezet in SCIA-engineer. De buigende momenten die dit model gaf waren echter vele malen groter dan die gevonden zijn met Plaxis. Dit komt omdat het met SCIAEngineer niet mogelijk is grondinteractie mee te nemen. Waar in Plaxis de L-wand met de grondvervormingen meebeweegt, actieve en passieve gronddrukken ontwikkelt en uiteindelijk weer in een evenwichtssituatie terecht komt zonder grote interne spanningen te ontwikkelen, kan SCIA dit niet. Zo zal bij een Maatgevend Hoogwater (MHW) de L-wand tegen de grond achter de wand gedrukt worden. De grond zal vervolgens in Plaxis naar mate van de belasting een tegendruk bieden en in SCIA niet. Om de modellen op elkaar aan te laten sluiten en vooral het SCIAmodel beter te laten aansluiten op de werkelijk optredende grond-constructie-interactie zijn de actieve en passieve gronddrukfactoren Ka en Kp uit het Plaxismodel herleid. In de overige belastingsituaties, ‘Val na hoogwater’ en ‘Laagwater’, beweegt de L-wand naar voren. In deze gevallen is de stabiliteit van de L-wand maatgevend.

Daarom wordt in deze situaties voor de betonconstructies aan de achterzijde gerekend met neutrale gronddruk, welke is berekend met de formule van Jaky: K0 = 1-SIN(φ) = 0,46. Door de berekende horizontale effectieve gronddruk uit de MHW-fase in Plaxis te delen door de effectieve verticale gronddruk in de onbelaste fase is een actieve gronddruk bepaald van KA = 0,40 en een passieve gronddruk van KP = 0,76. Uiteindelijk zijn de factoren 0,4 en 0,7 toegepast in de berekeningen. De factoren gelden echter alleen als de L-wand op staal is gefundeerd. Bij de overige moten, de moten met damwand en de moot bij de spoorbrug, zijn andere factoren van toepassing, maar is dezelfde filosofie aangehouden. De gronddrukfactoren kunnen ook analytisch worden bepaald, maar deze waarden zijn minder realistisch, omdat zeer grote vervormingen nodig zijn om ze te bereiken. KP kan daarbij theoretisch zelfs oplopen tot meer dan 12. Mede door deze optimalisatie kon de dikte van de betonwand aan de onderzijde over een groot gedeelte van de waterkering worden teruggebracht van 1,2 m naar 0,8 m. De bovenzijde heeft een vaste maat van 0,4 m. Conclusie Door de gekozen ontwerpaanpak is het mogelijk geworden de waterkering in Lent veilig, en risicogestuurd te ontwerpen. In iedere Plaxissnede kon de interactie met omgevingsobjecten wor-

19

GEOTECHNIEK - Oktober 2015

den bepaald en is de stabiliteit van de constructie aangetoond. Met behulp van Plaxis zijn de geotechnische belastinggevallen aanhangende grond en horizontale gronddruk, die een grote invloed hebben op de betonafmetingen en hoeveelheid wapening van de L-wand, in detail beschouwd en geoptimaliseerd voor de constructieberekeningen waardoor een economisch voordeliger ontwerp verkregen is. Het was in het ontwerp mogelijk gebruik te maken van eerder opgedane ervaringen in het projectgebied. Zo waren er binnen 100 m afstand al eerder diepwanden aangelegd en was een klein deel van de waterkering in de uitvoeringsplanning ver naar voren getrokken, zodat de monitoringsgegevens en opgedane ervaringen hiervan gebruikt konden worden in de rest van het ontwerp. Dankwoord Dit project is tot stand gekomen dankzij door de goede samenwerking met de aannemerscombinatie i-Lent, Prorail, gemeente Nijmegen en Waterschap Rivierenland. Referenties [1]  Spruit R. [2013]. Nieuwe voeten voor de spoorbrug over de Waal bij Nijmegen. Geotechniekdag 2013. Fotografie Wouter Claassen


Geomil Equipment heeft al ruim 80 jaar ervaring in het ontwikkelen, ontwerpen en vervaardigen van technologie en apparatuur voor bodemonderzoek met de nadruk op Cone Penetration Testing (CPT) techniek.

JLD-Dijkstabilisatie. Nederlands magazine Postbus 147 NL - 1135 ZK Edam Nederland

Tel: E-mail: Website:

+31 0299 622 396 info@JLDdijkstabilisatie.com www.JLDdijkstabilisatie.com

CONTRACTING.COM


Afstudeerders In deze rubriek wordt een samenvatting gegeven van het afstudeerwerk van Alex Greeuw. Het onderzoek verrichtte hij voor zijn MSc in Geo Engineering aan de Technische Universiteit Delft en voerde hij uit bij Witteveen+Bos. Zijn thesis is getiteld ‘Geomechanical unloading behaviour of Boom clay for excavations’. Het volledige werk is te vinden op http://repository.tudelft.nl. Ontlastgedrag van Boomse klei in ontgravingen Alex Greeuw Om de verkeersstroom rondom Antwerpen te verbeteren is besloten tot de voltooiing van de ringweg rondom de stad. Een uitdaging hierbij zijn de diepe ontgravingen in de Boomse klei. Deze klei is sterk overgeconsolideerd, wat invloed heeft op de geotechnische eigenschappen. Bovendien treedt bij ontgraven van de Boomse klei zwel op. Er is veel onderzoek gedaan naar de Boomse klei, maar er is weinig bekend hoe men rekening houdt met deze processen. Witteveen+Bos heeft een proefontgraving op volledige schaal ontworpen en begeleid tijdens uitvoering om beter inzicht te krijgen in het gedrag van de Boomse klei, zie Figuur 1. De put is ontgraven tot aan de Boomse klei op -17 m TAW. In en rondom de ontgraving zijn o.a. meerdere extenso-, piëzoen inclino-meters geïnstalleerd. Gedurende meer dan een jaar zijn de zettingen, waterdrukken en vervormingen van de damwand gemeten. Dit resulteerde in een grote hoeveelheid unieke data van de Boomse klei in een ontgraving.

Figuur 1 - Proefontgraving in Oosterweel, ontgraven tot de Boomse klei. Om de huidige staat van de Boomse klei goed te begrijpen is ook gekeken naar de geologische invloeden. In het verleden lag boven deze kleilaag tot 100 meter grond, resulterend in een hoge preconsolidatie spanning aan de bovenkant van de kleilaag. Bovendien is de formatie te verdelen in een aantal lagen met afwijkende eigenschappen.

Figuur 2 - Zwel Boomse klei over tijd en diepte.

Zowel samendrukkings- als triaxiaalproeven met ontlast/herbelast stappen zijn uitgevoerd. Dit is gedaan om het effect van ontgraven te benaderen. Aan de hand van de laboratoriumproeven zijn de geotechnische parameters voor de Boomse klei afgeleid. De parameters zijn toegepast in een numeriek model van de proefontgraving. De resultaten van deze berekeningen zijn vervolgens vergeleken met de meetdata. Het numeriek modelleren van deze ontgraving is gedaan met een Plaxis2D axisymmetrische benadering. Door de octagonale vorm van de proefontgraving is dit een acceptabele benadering. Als grondmodel is het Hardening Soil met small strain stiffness (HSsmall) model gekozen, omdat de stijfheid bij kleine rekken cruciaal bleek om de verplaatsingen goed te modelleren. In dit model bleken de triaxiaal proevengeschikter dan samendrukkingsproeven voor het bepalen van de ontlast/ herbelast stijfheidsparameters. Dit kan verklaard worden door de verschillende rekniveaus van de ontlast/herbelast stappen van de proeven. Bij het modelleren van een diepe ontgraving dient men rekening te houden met de afname van de kleinste hoofdspanning (σ3). Als dit niet gebeurt neemt de (spanningsafhankelijke) stijfheid sterk af, met onrealistische verplaatsingen tot gevolg. Dit kan voorkomen worden door de stijfheid in de bovenste lagen constant, i.e. niet spanningsafhankelijk, te maken. Verder is gemodelleerd met een experimenteel model, het Generalised Hardening Soil (GHS). Dit model neemt de preconsolidatie spanning en/of de isotrope spanning mee in de stijfheidsparameters. Dit is een logische aanpassing omdat de preconsolidatie van invloed is op de eigenschappen van de grond. In dit onderzoek is zowel naar de afleiding van de parameters als toepasbaarheid gekeken en zijn verbeteringen voorgesteld. De proefontgraving bood ook een kans om de

21

GEOTECHNIEK - Oktober 2015

Boomse klei in-situ te onderzoeken. Opvallend was hier een `blokken’ structuur van de klei. Ook lijkt de vers ontgraven klei een hoge ongedraineerde sterkte te hebben. De metingen van de waterdrukken toonden aan dat de bovenste meters vele malen meer doorlatend zijn dan de onderliggende lagen. De zwel van de klei treedt vooral op in de bovenste meters en er worden nauwelijks horizontale verplaatsingen waargenomen bij de teen van de damwanden. Bovendien komt de bouwkuip integraal omhoog. Een voorbeeld van de metingen is gegeven in Figuur 2. De bovenste blauwe lijnen laten de zwel gemeten door de extensometers zien aan de bovenkant van de kleilaag. De rode, zwarte en groene lijnen, verkregen middels extensometers die later geïnstalleerd zijn, visualiseren de zwel over diepte. Het merendeel van de zwel treedt op in de bovenste meters en neemt sterk af met diepte. Tot op heden is er ongeveer 65 millimeter zwel gemeten aan de bovenkant van de laag. Een uitdagend punt blijft de ontwikkeling over langere tijd van de Boomse klei. De ontwikkeling over tijd van de poriedrukken lijkt op microniveau (in de kleibrokken) anders dan op grote schaal (in de gehele bouwkuip). Dit effect is complex en lastig te kwantificeren, maar kan van groot belang zijn voor het lange termijn gedrag, zowel ten aanzien van sterkte als vervorming (zwel). Dit inzicht betreft een aanbeveling voor verder onderzoek. Idealiter wordt er nog een jaar doorgemeten aan de proefontgraving om meer inzicht in te krijgen in het lange termijn gedrag van de Boomse klei. Lange termijn samendrukkingsproeven met ontlast/herbelast stappen kunnen hier ook aan bijdragen. In dit onderzoek is het gelukt om op basis van parameters, afgeleid van specifiek laboratorium onderzoek, een model op te stellen dat resultaten genereert die goed overeenkomen met de praktijk metingen in de proefontgraving.


SBRCURnet Onder redactie van: ing. Fred Jonker fred.jonker@sbrcurnet.nl

Dutch Port Infrastructure Committee Door SBRCURnet zijn de afgelopen jaren diverse handboeken uitgebracht voor haveninfrastructuur, bv het Handboek Quay Walls (2e druk) en de Hydraulic Fill Manual. Daarnaast is er een aantal handboeken in ontwikkeling, zoals ‘Jetties and Wharfs’ (steigers). Veel van de kennis en ervaring in deze handboeken ligt op het snijvlak van waterbouw, hydraulica en geotechniek. Ervaringen uit de praktijk moeten worden verzameld en de handboeken moeten worden onderhouden. Om dit te kunnen doen is, op voorstel van het Havenbedrijf Rotterdam, onder SBRCURnet het platform “Dutch Port Infrastructure Committee” (DPIC) opgericht. Dit platform bestaat uit vertegenwoordigers van opdrachtgevers, ingenieursbureaus en aannemers op het gebied van haveninfrastructuur. Meer weten? Mail naar fred.jonker@sbrcurnet.nl

Kraanopstelplaatsen bij windturbines Bij de bouw van windturbines gaat om het opwekken van steeds meer vermogen, met als gevolg steeds groter en steeds hoger. Voor de bouw van die steeds grotere en hogere windturbines zijn ook steeds grotere en hogere en dus zwaardere kranen vereist. De opstelplaatsen van die kranen vereisen aandacht, niet alleen tijdens de bouw van de windturbines, maar ook gedurende de levensduur

ervan, omdat met regelmaat (groot) onderhoud noodzakelijk is. Ook dan moeten opstelplaatsen voor die kranen beschikbaar zijn. Vanuit de sector is het verzoek om te komen tot een SBRCURnet-Richtlijn kraan-opstelplaatsen voor het ontwerp en de realisatie van die opstelplaatsen. Op 8 oktober 2015 zal in een breed samengestelde vergadering (30 à 40 deelnemers) op De Bouwcampus in Delft een startbijeenkomst worden gehouden, waarin de scope van de Richtlijn op hoofdlijnen zal worden vastgesteld. Daarna wordt het plan van aanpak verder uitgewerkt, inclusief de begroting en het financieringsplan. Meer weten? Mail naar robbert.drieman@sbrcurnet.nl Kwaliteit van grondonderzoek Op 29 april 2011 is, mede op voorstel van de Vereniging Ondernemers Technisch Bodemonderzoek (VOTB), bij de toenmalige CUR Bouw&Infra een breed samengestelde workshop gehouden. Aanleiding daarvan was de discrepantie tussen enerzijds het inmiddels geavanceerde geotechnische laboratoriumonderzoek en de dito rekenmethoden (zoals Plaxis) en anderzijds de manier waarop ongeroerde monsters voor het laboratoriumonderzoek worden verkregen. In die workshop bleek (opnieuw) dat in de afgelopen ca. 80 jaar vrijwel geen enkele ontwikkeling is geweest ten aanzien van de manier waarop ongeroerde monsters worden verkregen. Dit geldt met name voor de Nederlandse ingenieurspraktijk waar verreweg het merendeel van de uitgevoerde boringen pulsboringen zijn in combinatie met het steken van Akkerman bussen voor monstername. Deze boormethode wordt al sinds de jaren ’30 toegepast. Sindsdien waren aanpassingen van dit systeem vooral gericht op het sneller uitvoeren van de boring. Het steken van monsters met behulp van Akkerman bussen is een techniek die door buitenlandse experts op zijn minst als ouderwets wordt ervaren. In de ons omringende landen wordt het merendeel van de monsters gestoken met een gedrukte dunwandige sampler, soms voorzien van een tijdens het steken stilstaande zuiger in de steekbuis (stationary piston sampler, zie illustratie). De monsters die deze techniek oplevert voor slappe samendrukbare grondlagen zoals klei en veen worden, internationaal, gezien als kwalita-

22

GEOTECHNIEK - Oktober 2015

tief hoogwaardiger beschouwd. Om een nieuwe impuls te geven aan de kwaliteit van grondonderzoek is in de jaren na 2011, samen met de marktpartijen, onderzoek uitgevoerd, waarbij is nagegaan wat de invloed is van de gekozen boor- en bemonsteringswijze op de in het laboratorium bepaalde stijfheidsen sterkte-eigenschappen van slap veen. Door verschillende bij de VOTB aangesloten bedrijven zijn boringen met ongeroerde monstername volgens 6 verschillende methoden uitgevoerd. Het laboratoriumonderzoek op deze monsters is uitgevoerd en geanalyseerd door Deltares, onder begeleiding van een SBRCURnet commissie waarin de verschillende marktpartijen zijn vertegenwoordigd (overheid, ingenieursbureaus en geotechnische onderzoekbedrijven). Het onderzoek is inmiddels afgerond. De SBRCURnet commissie is bezig met het verwerken van de resultaten in de vorm van een CUR-Handreiking voor het nemen van ongeroerde veenmonsters; deze Handreiking zal eind 2015/begin 2016 beschikbaar komen. Als vervolgstap zal een vergelijkbaar onderzoek worden uitgevoerd op humeuze klei. Meer weten? Mail naar fred.jonker@sbrcurnet.nl

Herziening CUR 236 “Ankerpalen” Voor het ontwerp van ankerpalen is CUR-publicatie 236 “Ankerpalen” inmiddels in de dagelijkse praktijk een vertrouwd, veel gebruikt en gewaardeerd document als het gaat om het hele traject van toepassingsmogelijkheden, het dimensioneren en het beproeven van ankerpalen. Bij grote en kleine bouwwerken is dit document eigenlijk niet meer weg te denken, en wordt het


SBRCURnet in de meeste bestekken als bindend document voorgeschreven. Na enkele jaren praktijkgebruik van ‘CUR 236’ is in brede zin gebleken dat een revisie nodig is om de in afgelopen jaren opgedane ervaringen en nieuwe inzichten daarin te verwerken. Het gaat daarbij voornamelijk om - cruciale onderdelen die in directe relatie staan tot de sterkte, respectievelijk het draagvermogen, en daarmee enerzijds de veiligheid en anderzijds de mogelijkheid tot optimalisatie van ankerpalen; - de resultaten die inmiddels zijn opgedaan met betrekking tot aanvullend onderzoek naar de axiale veerstijfheid van de ankerpalen. Daarnaast zijn bedrijven benaderd die concrete toegevoegde waarde kunnen leveren vanwege de ervaringen die in de afgelopen jaren zijn opgedaan, zoals bijvoorbeeld met ankerpalen type E (met behulp van een stalen hulpbuis ingetrilde GEWI-palen). Op 3 september jl. is een nieuwe SBRCURnet commissie van start gegaan om de herziening van ‘CUR 236’ te realiseren. Wilt u deelnemen, of meer weten? Mail naar fred.jonker@sbrcurnet.nl

IDEEN. INGENIEURE. INNOVATIONEN. HUESKER – Ingenieursoplossingen met geokunststoffen

Geotechniek en funderingstechnieken Wegenbouw Waterbouw Geokunststoffen worden vaak enop veel manieren in de waterbouw ingezet. Of het nu gaat om waterwegen, dijkbouw of kustbescherming, de geotextielen (al dan niet geweven), composietmaterialen en geogrids zijn voor allerlei toepassingen geschikt – milieuvriendelijk, voordelig en veilig.

Milieutechniek

www.HUESKER.com De ingenieurs en technici van HUESKER bieden support bij het werken met andere materialen in uw bouwprojekten. Vertrouw op de producten en oplossingen van HUESKER. Agent voor Nederland · CECO B.V. · Tel.: 043 - 352 76 09 · info@cecobv.nl HUESKER Nederland · Tel.: 073 - 503 06 53 · c.brok@HUESKER.nl


Proevenverzameling Delfland 2.0

Figuur 1 - Opstelling Direct Simple Shearproef.

Ir. J.Tigchelaar Hoogheemraadschap van Delfland, Beleidsadviseur waterkeringen

Ing. W.Ponsteen Hoogheemraadschap van Delfland, Beleidsadviseur waterkeringen

Inleiding Het Hoogheemraadschap van Delfland beheert ruim 700 km waterkeringen. In het beheer speelt de beoordeling van de macrostabiliteit een grote rol. In de analyse van de stabiliteit van de waterkeringen zijn de sterkteparameters ĂŠĂŠn van de belangrijkste factoren. Sinds 1997 maakt Delfland gebruik van een proevenverzameling [6] voor deze sterkteparameters. Dit heeft gezorgd voor een uniforme werkwijze en een kostenbesparing door het voorkomen van een directe noodzaak voor uitgebreid (laboratorium)onderzoek per project. In de afgelopen jaren is duidelijk geworden dat de oude proevenverzameling op basis van celproeven gedateerd is door veranderde inzichten in het gebruik van materiaalmodellen en veiligheidsfactoren. Ook is het inzicht in de waarde van celproeven veranderd. Delfland voert in 2015 een aantal kadeverbeteringen uit en wil dat de kadeverbeteringen aan de nieuwste inzichten voldoen. Daarom is in 2014 gestart met het opzetten van de nieuwe verzameling op basis van triaxiaal- en DSS-proeven. Vanwege het grote belang voor het beheer is nadrukkelijk aandacht gegeven aan de kwaliteit en vastlegging van de hele onderzoeksketen om te komen tot pragmatische en veilige grondparameters. Hierbij faciliteert de nieuwe verzameling meerdere rekentechnieken/modellen (robuustheid). In dit artikel worden enkele onderdelen van de totstandkoming van deze proevenverzameling belicht en brengt het de ervaringen onder de aandacht. Het beschrijft tevens de door Delfland gehanteerde werkwijze voor de statistische bepaling van groepen en grondparameters per onderscheiden groep. Dit maakt een praktische toepassing mogelijk. Onderzoekslocaties en veldwerk Om kwalitatief hoogwaardige monsters te krij-

24

GEOTECHNIEK - Oktober 2015


Samenvatting

Delfland heeft een nieuwe proevenverzameling voor de sterkteparameters voor grond opgebouwd. Dit is nodig om de stabiliteit van waterkeringen efficiënt en veilig te kunnen blijven bepalen. Hierbij heeft Delfland als eerste waterschap grootschalig de nieuwe STOWA protocollen voor grondonderzoek toegepast in combinatie met een bestaande statistische methode. Bij de totstandkoming heeft de nadruk gelegen op het gebruik van het critical state soil mechanics model. Het project heeft voor verschillende groepen grond onder meer ongedraineerde schuifsterkte ratio’s opgeleverd voor 6 statistisch te onderscheiden groepen. In de analyse is een vergelijk gemaakt tussen het gebruik van samendrukkingsproeven en triaxiaalproeven voor de bepaling van de invloed van overconsolidatie

gen is in het beheergebied gezocht naar onderzoekslocaties zonder dijkbebouwing en andere verstorende invloeden zoals recent uitgevoerd onderhoud, verbetering of sterk afwijkende geometrieën. Uiteindelijk is op 11 geschikte locaties, verspreid over het gebied, uitgebreid onderzoek uitgevoerd in en naast regionale keringen, polderkaden en primaire waterkeringen. Het grond- en laboratoriumonderzoek is uitgevoerd door Raadgevend ingenieursbureau Wiertsema & Partners, Inpijn-Blokpoel ingenieursbureau en Fugro GeoSevices B.V. Per locatie zijn op de kruin en nabij de binnenteen van de waterkering mechanische boringen gezet (Ackermann continue steekboring ø67mm) en klasse 1 sonderingen uitgevoerd (met meting van helling, kleef en waterspanning). Als basis voor het veldonderzoek is het protocol voor monstername en beproeving van de Stowa gebruikt [1], [2], [3]. Vanwege de behoefte om de kwaliteit te verhogen zijn aanvullende eisen gesteld aan de monstername, de monsterbehandeling en de beproevingsprocedures. Zo zijn alle bussen gedrukt gestoken en waren deze zo goed als nieuwe bussen voorzien van scherpe snijranden. Gekozen is voor Ackermann vanwege de ruime beschikbaarheid op de markt en het niet beschikbaar zijn van nieuwe inzichten uit landelijk onderzoek aangaande monsterkwaliteit. Tevens zijn de gestoken bussen met bijzondere aandacht vervoerd en geconditioneerd om monsterverstoringseffecten zo klein mogelijk te houden. Laboratoriumwerkzaamheden De geconditioneerde monsters zijn in de drie laboratoria beproefd volgens de laboratoriumprocedures zoals beschreven in de protocollen [1], [2], [3]. Om de kwaliteit te verhogen zijn grote monsterdiameters gebruikt (ø65mm). Dit verkleint monsterverstoringseffecten door

op de sterkte. Hierbij leidt het gebruik van de triaxiaalsterktes tot een veilige benadering. Ook is een beeld geschetst van de uitkomsten van een tweetal bekende belastingsprocedures. De SHANSEP procedure lijkt hierbij de kleinste spreiding te laten zien. Delflands proevenverzameling heeft geleid tot een dataset waarmee het grondgedrag in beeld is gebracht. Uit de analyse is duidelijk geworden dat het aantal uitgevoerde proeven een grote rol speelt. Vooral bij grondsoorten met sterker variërende eigenschappen. Om de stabiliteit van dijken te bepalen kan de proevenverzameling op basis van eenvoudige kenmerken van de ondergrond worden toegepast. Het is wenselijk om data aan te vullen en te delen om inzichten aan te scherpen.

trimwerkzaamheden en verbetert de nauwkeurigheid van de spanningsmetingen in de laboratoriumtesten. Alle traditionele samendrukkingsproeven (OED), samendrukkingsproeven met constant rate of strain (CRS) en triaxiaalproeven (TA_CU) zijn bij deze diameters uitgevoerd. De direct simple shearproeven op veen zijn met een diameter van 50 mm uitgevoerd. Om ook deze proeven op grotere diameter uit te voeren vereiste (helaas) een te grote ombouw van de opstellingen. Alle triaxiaal- en direct simple shearproeven zijn gecorrigeerd voor membraan en wrijvingsinvloeden. Zie figuur 1. In het protocol [1] zijn twee werkwijzen voorgesteld om het sterktegedrag van grond in kaart te brengen. In de eerste procedure wordt het monster geconsolideerd bij de effectieve verticale terreinspanning en vervolgens ongedraineerd afgeschoven (Norwegian methode). De mate van overconsolidatie wordt bepaald aan de hand van de effectieve terreinspanning en de grensspanning uit een samendrukkingsproef. Deze schuifsterkte beoogt de sterkte in het veld te weerspiegelen. Nadeel van deze werkwijze is dat monsterverstoring de sterkte negatief kan beïnvloeden en bij de interpretatie van de meetgegevens onzekerheden in terreinspanning en grensspanning mee zullen wegen. De Norwegian methode genereert daarom naar verwachting meer spreiding in de uiteindelijke sterkteparameters. In de tweede procedure wordt het monster eerst in normaal geconsolideerde toestand gebracht waarna het monster wordt ontlast tot de effectieve terreinspanning (SHANSEP methode). Voordeel hiervan is dat de invloed van monsterverstoring wordt beperkt en de mate van overconsolidatie nauwkeurig bekend is (omdat deze wordt opgelegd). Onzekerheden ten aanzien van terreinspanning en grens-

25

GEOTECHNIEK - Oktober 2015

spanning hebben dan ook geen invloed op het grondgedrag. Delfland heeft de SHANSEP procedure toegepast waarbij de mate van OCR is opgelegd (tussen 1 en 4). Het bepalen van de sterktes bij overconsolidatie met CSSM principes is daarbij mogelijk. Het opleggen van de OCR is gedaan door de monsters eerst te consolideren tot 1,5 à 2 maal de grensspanning en vervolgens tot verschillende spanningsniveaus te ontlasten tot de effectieve verticale terreinspanning, doorgaans een vrij lage effectieve spanning. Hierbij was de laagst opgelegde effectieve spanning 10 kPa. In een aanvullend onderzoek is ook een serie proeven uitgevoerd met de Norwegian methode om zo een vergelijk te kunnen maken. Deze werkwijze is voor zowel de triaxiaalproeven als de DSS-proeven gevolgd. De sterkteparameters uit de afzonderlijke triaxiaal- en DSS-proeven zijn opgenomen in een grote verzameling met data inclusief de classificatieproeven. Deze verzameling vormt de basis voor de proevenverzameling van Delfland. Kenmerken proevenverzameling Delfland heeft gekozen om met een objectieve en pragmatische insteek een onderbouwde proevenverzameling te maken. In het verleden zijn de regionale proevenverzamelingen van de waterschappen tot stand gekomen door statistische analyse van groepen grondsoorten. Toen nog op basis van kenmerken als afzettingsgeschiedenis (geologie), grondsoort en lokale kenmerken, zoals de locatie ten opzichte van de dijk. Deze kenmerken werden vervolgens als ingang gebruikt voor de selectie van de grondparameters. De selectie vond plaats op basis van expert judgement, eventueel in combinatie met eenvoudig grondonderzoek.


Figuur 2 - q vs p’ voor alle normaal en overgeconsolideerde triaxiaalmonsters.

Figuur 3 - Μ (= q/p’) vs γn klei.

Tabel 1 - Verwachtingswaarden triaxiaalsterkte klei bij grote vervormingen, 5% ondergrenswaarden en 5% bovengrenswaarden ().

Volumiek gewicht

S

nnc;eind

m

noc;eind

φcs’

[kN/m3]

[kN/m3]

[-]

[-]

[-]

[-]

[0]

van

tot

Groep 1

<

13,5

0,21 (0,68)

3

-0,51 (0,33)

12

45,0

Groep 2

13,5

15,5

0,27 (0,30)

18

0,69 (1,23)

30

40,7

Groep 3

15,5

16,5

0,24 (0,34)

5

0,40 (0,97)

16

37,2

Groep 4

16,5

21

0,33 (0,47)

10

0,69 (1,10)

14

27,2

In de nieuwe proevenverzameling van Delfland is wederom gekozen voor het koppelen van de kenmerken van de grond aan de sterkte. Als basis hiervoor zijn vrij eenvoudig toegankelijke parameters gebruikt, zoals grondsoort (hoofdbestanddeel), nat volume gewicht en watergehalte. De koppeling tussen de proevenverzameling en de samenstelling van de ondergrond is daarmee vooral geotechnisch ingestoken. Statistische bepaling groepen Om te komen tot sterkteparameters zijn eerst groepen gemaakt op basis van de proefuitkomsten. Meerdere steekproeven uit de gehele populatie zijn statistisch in een iteratief proces met elkaar vergeleken. Hierbij is aangesloten bij de methode Wilcoxon, zoals beschreven in [4]. De

methode Wilcoxon beoordeelt of een nulhypothese ‘steekproeven behoren tot dezelfde populatie’ verworpen wordt of niet. Indien de hypothese verworpen wordt, is sprake van een aparte groep. De steekproeven zijn tot stand gekomen door keuzes in watergehalte of nat volume gewicht. Gezocht is naar zoveel mogelijk groepen in het iteratieproces. Vervolgens zijn kleine optimalisaties uitgevoerd door groepsgrenzen licht aan te passen zodat de mate van onderscheidend vermogen tussen de groepen toenam. Voor de Wilcoxon toets is gekozen omdat die geschikt is bij onduidelijkheden over verschillen tussen type kansverdelingen en spreidingsverschillen tussen de steekproef. Het maakt het een robuuste methode om data te vergelijken. De aanpak vraagt wel om een aanzienlijke dataomvang.

26

GEOTECHNIEK - Oktober 2015

Pas recent zijn in Nederland de mogelijkheden van het critical state model (CSSM) bij dijkontwerp onderzocht. In het model wordt aangenomen dat ieder monster bij doorgaand vervormen/belasten in een toestand komt waarbij de verhouding tussen de aangebrachte schuifspanning en isotrope spanning (q/p’ = Μ) niet meer verandert: de critical state. Deze verhouding is – net zoals φ‘ – een materiaaleigenschap, dus voor iedere monstersamenstelling (grondsoort) uniek. Voor zowel monsters met een normaal geconsolideerde als overgeconsolideerde toestand. De mogelijkheid om alle normaal geconsolideerde en overgeconsolideerde data te bundelen en hier vervolgens groepen mee te maken is erg waardevol omdat bij het maken van schattingen de aantallen een grote invloed hebben op de spreiding. Het opbossen vergroot de omvang van de database en zorgt voor een reductie van de spreiding in de schatting van de verwachtingswaarde van de grondparameters (S, m). Bij het bepalen van de parameter voor het CSSM-model is het van belang de eindwaardes van de sterktes te gebruiken om monsters in de ‘critical state’ met elkaar te kunnen vergelijken. Voor triaxiaalproeven bij grote rekken; rekniveau’s van 20-25% of meer. Of de monsters werkelijk de critical state hebben bereikt blijft een aanname. Bij dergelijke rekniveau’s wordt de spanningbepaling ook minder betrouwbaar door vervormingsmodus van het monster. In de figuren 2 en 3 is een selectie van de proef-


PROEVENVERZAMELING DELFLAND 2.0

data weergegeven met alle eindtoestanden van de ongedraineerde triaxiaalproeven op klei. De helling van de verbindingslijn tussen de punten en de oorsprong geeft voor iedere proef (en monster) de waarde van M. In ongedraineerde triaxiaalproeven kunnen, vooral bij lage spanningen en organische grondsoorten, de effectieve horizontale spanningen in de afschuiffase naar 0 reduceren. Feitelijk worden dan (radiale en tangentiële) trekspanningen opgewekt. De rode streepjeslijn – de tension cut off – in figuur 2 geeft deze spanningscondities weer. Trekspanningen kunnen niet gemeten worden in de triaxiaalproef waardoor gemeten spanningstoestanden boven deze lijn onbetrouwbaar en dus niet bruikbaar zijn. Van belang hierbij is dat wel eerst voor membraaninvloeden wordt gecorrigeerd. Dit zorgt doorgaans voor een verlaging van het spanningspunt. In figuur 3 is de uitkomst gepresenteerd van groepsbepalingen van klei op basis van volumegewicht met de beschreven statistische methode. Per steekproef zijn het gemiddelde en de standaarddeviatie bepaald. Op basis hiervan zijn de 5% ondergrens en 5% bovengrens van de verwachtingswaarden van de populatie geschat (met een betrouwbaarheid van 90%). In totaal zijn binnen de proevenverzameling 4 groepen voor klei en 2 groepen voor veen onderscheiden. In tabel 1 zijn de kleigroepen weergegeven. Eenzelfde analyse op basis van watergehaltes gaf vrijwel dezelfde groepsgrenzen.

Interessant is dat de groepsgrens bij een volumegewicht van 13,5 kN/m3 ligt. De grens is op statistische wijze aan de hand van de sterkte bepaald. In praktijk is 13,5 kN/m3 ook de grens is waarbij monsters van samenstelling veranderen van organisch naar een niet organische klei. Naast Μ is ook de effectieve hoek van inwendige wrijving (φcs’) afgeleid voor gedraineerde analyses. De groepen zijn op basis van de Wilcoxon methode vastgesteld waarna de statistische bewerking van de gemeten ongedraineerde schuifsterkte kon plaatsvinden. Uit de ondergrensschatting van de normaal geconsolideerde schuifsterkteratio (formule 2) blijkt dat de waarde ligt tussen de 0,21 en 0,33. De groepen 1 en 4 zijn relatief het sterkst. Dit zijn respectievelijk de organische kleien en de zandige kleisoorten. Beide groepen laten ook meer spreiding zien in de metingen, leidend tot grotere verschillen tussen boven en ondergrensschattingen van de verwachtingswaarde. De relatieve spreiding kan voor die groepen naar verwachting worden gereduceerd door meer testen uit te voeren. Voor de organische klei zijn meer normaalgeconsolideerde monsters nodig. De weinig overgeconsolideerde zandige klei monsters in groep 4 laten regelmatig dilatant gedrag zien, leidend tot een relatief hoge sterkte. Met meer data kan de groep zandige kleisoorten mogelijk worden gesplitst. In de

Figuur 4 - Schuifspanningsratio S vs. OCR, groep 2, eindwaarden rek.

Su;eind; oc = ongedraineerde schuifsterkte bij overgeconsolideerde condities en eindwaarden rek [kPa] σvi’ = effectieve verticale terreinspanning [kPa] Su;eind; nc = ongedraineerde schuifsterkte bij normaal geconsolideerde condities en eindwaarden rek [kPa] σvc’ = effectieve verticale consolidatiespanning (in het lab bij OCR=1) [kPa] σvy’ = effectieve verticale grensspanning (in het veld) [kPa] OCR = overconsolidatieratio (in het veld) [-] m = sterkte toename exponent [-] S = normaal geconsolideerde ongedraineerde schuifspanningsratio [-]

proevenverzameling zijn deze extreem sterke monsters uit de dataset van groep 4 verwijderd. Uit de tabel 1 volgt ook dat de hoek van inwendige wrijving toeneemt bij de lichtere materialen (ook zichtbaar in figuur 3). Ook dit ligt in de lijn der verwachting. In de proevenverzameling zijn voor het afleiden van de sterkteparameters de eindrekken gebruikt omdat deze corresponderen met de relatief grote vervormingen en ook lager zijn dan de piekwaarden; een conservatieve benadering. Piekwaarden zijn wel afgeleid maar het gebruik hiervan vraagt een betrouwbare analyse van vervormingen in de dijk omdat piekwaarden corresponderen met veel kleinere rekken. Volgens het SHANSEP principe wordt de relatie tussen de Su-ratio en de OCR door 2 parameters bepaald: S en m (formule 1,2 en 3). Theoretisch worden S en m daarom bepaald door een fit door 2 punten. In werkelijkheid zijn zowel de S als de

27

GEOTECHNIEK - Oktober 2015


Figuur 5 - schattingen ondergrens schuifsterkte ratio per groep op basis van triaxiaal en samendrukkingsproeven.

Figuur 6 - schuifspanningsratio S vs. OCR, groep 1, eindwaarden.

houden als veilige maat voor de verwachtingswaarde waarbij voor organische monsters meer data zal worden verzameld.

Tabel 2 - Factor m uit samendrukkingsproeven, 5% ondergrenswaarden en 5% bovengrenswaarden van de verwachtingswaarde ().

Volumiek gewicht

m

n

[kN/m3]

[kN/m3]

[-]

[-]

van

tot

Groep 1

<

13,5

0,81(0,87)

21

Groep 2

13,5

15,5

0,81(0,87)

16

Groep 3

15,5

16,5

0,83(0,89)

7

Groep 4

16,5

21

0,77(0,83)

6

m stochast en treedt variatie in de sterktemetingen op. Het is dus van belang om de wijze van fitten nader te bepalen. De meest voor de hand liggende fit is een trendlijn door alle normaal en overgeconsolideerde data. De moeilijkheid is dan om een schatting te maken van zowel S als m. Omdat veel normaal geconsolideerde monsters zijn beproefd en dus S relatief betrouwbaar kon worden geschat, is ervoor gekozen om S statistisch te schatten bij een lage waarde van OCR (OCR<1,05) en vervolgens de overgeconsolideerde data (>1,05) te gebruiken om m te schatten. Deze laatste factor is geschat door voor ieder overgeconsolideerd monster de m separaat te bepalen uitgaande van de verwachtingswaarde van S. Uit het gemiddelde en standaardeviatie van m is de verwachtingswaarde geschat met een betrouwbaarheid van 90%. Vervolgens zijn trendlines afgeleid voor onder- en

bovengrenzen van de verwachtingswaarde. Dit is weergegeven in figuur 4 en 6 (zwarte lijnen). Uit de ondergrensschatting van de overgeconsolideerde monsters blijkt dat de waarde van m ligt tussen de -0,51 en 0,69. De organische kleisoorten laten een lage waarde van m zien. Door een relatief hoge waarde van de verwachtingswaarde van S ten opzichte van de metingen en de spreiding in de metingen wordt m zelfs negatief. Dit is niet in lijn met het beeld van de data en verwachting op basis van expert judgement. De werkwijze heeft hier dus duidelijk last van (te) beperkte data en de spreiding. Uit nadere analyse blijkt dat 3 extra datapunten van bruikbare Norwegian style uitgevoerde proeven al een veel hogere verwachtingswaarde van m laat zien (ondergrens -0,003 en bovengrens 0,67). Delfland kiest er voor om de 5% ondergrens aan te

28

GEOTECHNIEK - Oktober 2015

Een tweede mogelijkheid om m te schatten is door dit te doen op basis van de resultaten van samendrukkingsproeven die uitgevoerd zijn op monsters uit de betreffende groep. De factor m is namelijk te bepalen uit de verhouding van de belast en herbelast stijfheid. De uitkomsten zijn gepresenteerd in tabel 2, en grafisch in figuur 4 en 6 (rode lijnen). In figuur 5 zijn de ondergrensschattingen met beide methodes visueel met elkaar vergeleken. Uit het vergelijk van beide methodes om m te schatten volgt dat de ondergrenswaarden van triaxiaalproeven onder die van samendrukkingsproefresultaten liggen. De keuze om ondergrenswaarden van triaxiaalsterktes aan te houden is dus aan de veilige kant. Naast de conservatieve insteek is een bijkomende overweging dat de vervormingsmodus van triaxiaalproeven (bij grote rek) beter overkomen met de vervormingsmodus van een afschuivende dijk in vergelijking met samendrukkingsproeven. Het uitvoeren van meer testen (of het delen van vergelijkbare testresultaten) geeft meer inzicht in de relatie en verhouding tussen beide methoden. Overigens zou met een aanpassing van de procedure van de direct simple shearproef, door het introduceren van een ontlast en herbelast stap in de consolidatiefase, de parameter m


PROEVENVERZAMELING DELFLAND 2.0

ook kunnen worden afgeleid. Groot voordeel is dat de parameter m dan van hetzelfde monster afkomstig is waarvan later de normaal geconsolideerde sterkte wordt bepaald. Met die procedure kunnen uit de DSS-proef alle relevante sterkteparameters en samendrukkingsparameters van veen worden bepaald met mogelijk minder spreiding tot gevolg. Dit kan alleen voor de SHANSEP procedure. Het bepalen van de sterkte bij de terreinspanning is in deze procedure dan niet mogelijk. Voor triaxiaalproeven en klei lijkt de aanpak minder haalbaar vanwege de complexe sturing van de spanningen in de consolidatiefase. Ook is de verwachting dat de kleinere spreiding in kleisterktes het werken met meerdere nabijgelegen monsters beter mogelijk maakt. Ongedraineeerde sterkte bij terreinspanning (Norwegian methode) Bovenbeschreven zijn de resultaten voor de SHANSEP benadering (opgelegde consolidatiespanning). Naast de SHANSEP benadering zijn enkele proeven uitgevoerd bij terreinspanning, de Norwegian methode. De proefresultaten zijn in figuur 4 en 6 weergegeven met zwarte bolletjes. De mate van overconsolidatie is bepaald aan de hand van samendrukkingsproeven op nabij gelegen monsters (ter bepaling van de grensspanning) en de verwachte terreinspanning. Voor groep 3 (Figuur 4) liggen de datapunten net buiten de randen van de bandbreedte van de SHANSEP benadering. Het lijkt er dus op dat de spreiding groter is. De nieuwe datapunten voor groep 1 (figuur 6) liggen vooral lager. Een drietal monsters reageerden normaal geconsolideerd bij de aangehouden terreinspanning. Dit vormt een aanvulling op het beperkte aantal monsters bij deze groep bij OCR=1. De datapunten liggen in lijn met de verwachte ligging op basis van de overgeconsolideerde proefresultaten. Opgemerkt wordt dat bij het hanteren van zowel de SHANSEP als de Norwegian methode, voor het berekenen van de stabiliteit, een inschatting gemaakt moeten worden van de OCR in het veld om de koppeling te maken met de werkelijke sterkte. Hier is in dit artikel geen nadere uitwerking aan gegeven. Gebruik proevenverzameling Met dit onderzoek is het gedrag van enkele kenmerkende groepen in kaart gebracht. Voor het berekenen van de stabiliteit zijn verschillende mogelijkheden. Dit is afhankelijk van de benodigde diepgang/scherpte. De meest eenvoudige strategie is het in kaart brengen van de ondergrond met ondiepe boringen en/of sonde-

ringen en het koppelen van een veilige waarde van de ongedraineerde schuifsterkte aan de vastgestelde groepen. Hierbij kan bijvoorbeeld uit worden gegaan van normaalgeconsolideerd gedrag in combinatie met een inschatting van de de terreinspanning (bij maatgevende condities). Volumieke gewichten, watergehaltes en gemeten stijghoogtes kunnen hierbij als aanvullende informatie worden gebruikt. Naarmate meer diepgang nodig is, kan het onderzoek worden uitgebreid met samendrukkingsproeven of nauwkeurige(re) sonderingen om de mate van overconsolidatie te bepalen. Hiermee kan de ongedraineerde schuifsterkte worden verhoogd op basis van de kenmerken van de groep. Ook kan in dit stadium worden nagedacht over de mogelijkheden van de Norwegian methode in combinatie met sonderingen [5]. Conclusies Delfland heeft als eerste waterschap grootschalig een proevenverzameling opgezet aan de hand van de nieuwe STOWA richtlijnen en een bestaande statistische methode. Dit was nodig om de stabiliteit van waterkeringen efficiënt en veilig te kunnen blijven bepalen. Hierbij heeft de focus gelegen op het toepassen van het critical state soil mechanics model en SHANSEP methode. De volgende conclusies kunnen worden getrokken: • Delfland heeft bijzondere aandacht gehad voor monstername en behandeling om monsterverstoring zo veel mogelijk te beperken. Het beproeven van grote monsters (50/67 mm) is hierbij een belangrijk aspect. Tevens vergroot dit de nauwkeurigheid van de meting. •  Bij de totstandkoming van de verzameling heeft Delfland gekozen om het grondgedrag in kaart te brengen en de OCR in de laboratoriumprocedures op te leggen (SHANSEP methode) in plaats van het beproeven bij enkel de terreinspanning (Norwegian methode). • Bij de totstandkoming van de grondparameters is gebruik gemaakt van een bestaande statistische methode. Door gebruik te maken van het critical state principe kon de dataomvang worden vergroot. Dit zorgt voor een reductie van de spreiding in de schatting van de verwachtingswaarde van de grondparameters (S, m). Op deze wijze zijn 4 groepen voor klei en 2 groepen voor veen afgeleid. • Delfland heeft gekozen om de grondparameter m te bepalen uit sterkte testen in plaats van uit samendrukkingsproeven omdat dit meer aansluit bij de vervormingsmodus van grond in een afschuiving. Meer data is nodig om hier definitieve conclusies aan te verbinden. • Voor organische kleisoorten en zandige klei-

29

GEOTECHNIEK - Oktober 2015

soorten wordt relatief veel spreiding in de resultaten waargenomen. Bij organische kleisoorten heeft het geringe aantal proeven een rol gespeeld bij de bepaling van de grondparameters. Bij zandige kleisoorten zorgt het waargenomen dilatant gedrag bij lage overconsolidatieratio’s voor relatief hoge sterktes. • Delflands proevenverzameling heeft geleid tot een pragmatisch hanteerbaar instrument met de mogelijkheid om in de toekomst te worden aangevuld en verfijnd met aanvullende data. Aanbevelingen Aanbevolen wordt om de SHANSEP methode te hanteren voor het bepalen van de grondparameters S en m en de groepsindeling te analyseren middels de Wilcoxon methode. Dit vraagt om voldoende laboratorium testen (minimaal 10-15 normaalgeconsolideerde proeven en minimaal 20 overgeconsolideerde proeven per te verwachten groep). Ook wordt aangeraden data met elkaar te delen volgens het door Stowa vastgestelde format. Interessant hierbij is te onderzoeken of data uit verschillende regio’s kunnen worden gecombineerd en in hoeverre andere kenmerken, zoals geologie, significant kunnen zijn op de invloed van de sterkteparameters. Ook lijkt het zinvol om te onderzoeken of door aanpassing van de DSS beproevingsprocedure alle benodigde CSSM parameters voor veen kunnen worden afgeleid. Tenslotte zal nadere aandacht moeten worden geschonken aan de koppeling van het waargenomen grondgedrag met de condities in het veld. Referenties [1] Protocol voor het uitvoeren van laboratoriumproeven (versie 5), Stowa, 16 juni 2011 [2] Toelichting bij het protocol voor het uitvoeren van laboratoriumproeven, Stowa, 10 februari 2012 [3] Aanvulling op het protocol voor het uitvoeren van laboratoriumproeven, Stowa, 20 september 2012 [4]  Evaluatie van wrijvingseigenschappen ten behoeve van kadeonderzoek, CO-280332/19, grondmechanica delft, augustus 1987 [5]  handreiking voor het bepalen van schuifsterkteparameters, WTI 2017 Toetsregels Stabiliteit, versie 1, 1209434-003-GEO-0002, December 2014. [6]  Proevenverzameling Delfland, Hoogheemraadschap van Delfland/GeoDelft, 1997.


Kies

3 3 3 3 3 3 3

VOOR HET VAKBLAD GEOTECHNIEK EN

bereik

Leden KIVI NIRIA, afd. Geotechniek Leden Ingeokring Leden NGO (Nederlandse Geotextielorganisatie) Leden ie-net (v/h KVIV) Leden BGGG (Belgische Groepering voor Grondmechanica en Geotechniek) Leden ABEF (Belgische Vereniging Aannemers Funderingswerken) 5.000+ professionals uit de GWW-sector in Nederland en BelgiĂŤ (waaronder ook prospects als overheden) Word sponsor of mede-ondersteuner van Geotechniek en bereik uw doelgroep effectief! U ontvangt een aantrekkelijk publiciteitspakket waarmee u uw organisatie, dienst of product kunt profileren d.m.v. publicatie/adverteren.

Interesse?

Bel +31 (0)10 425 65 44 of mail naar info@uitgeverijeducom.nl en wij nemen contact met u op om de diverse mogelijkheden te bespreken.

Uitgeverij Educom BV Uitgeverij Marketing Drukwerk Investeringen Internet www.uitgeverijeducom.nl


BAUER BAUER Funderingstechniek Funderingstechniek voert voert

Voor Voor gedegen gedegen

de volgende activiteiten uit: uit: de volgende activiteiten

Mixed-In-Place Mixed-In-Place 

Mixed-In-Place soilmix  Mixed-In-Place soilmix

 Groutanker met strengen  Groutanker met strengen

soilmix soilmix oplossingen oplossingen

 Groutanker met staven  Groutanker (paal)(paal) met staven  GEWI-anker  GEWI-anker (paal)(paal)  Cement-bentoniet dichtwand  Cement-bentoniet dichtwand

Duurzamer leven in de delta

 Groot diameter boorpalen  Groot diameter boorpalen  Diepwand  Diepwand Jet grouten  Jetgrouten  Grondverbetering  Grondverbetering

begint bij Deltares Deltares

is

het

onafhankelijke

kennisinstituut

voor

water,

ondergrond en infrastructuur. Wij richten ons op het duurzamer en veiliger makenvan het leven in stedelijk gebied. Voortdurend verdiepen

en

vernieuwen

we

onze

kennis.

Nationaal

en

internationaal hebben vele overheden en bedrijven de weg naar ons al gevonden. Samen zoeken wij naar praktische, duurzame en innovatieve oplossingen. Zo maken we het leven in deltagebieden

Vooraanstaand Vooraanstaand en betrouwbaar en betrouwbaar

elke dag weer een stuk veiliger. Voor nu en straks.

www.bauernl.nl www.bauernl.nl www.deltares.nl | info@deltares.nl | +31 88 335 72 00

Deltares biedt:

• actuele kennis en onderzoek over veilig leven in delta’s, kust- en riviergebieden

• praktische, duurzame adviezen voor overheden en bedrijven • onderbouwing van strategische besluiten

• meer dan 800 specialisten op het gebied van water, ondergrond en infrastructuur

DELIVERING THE SUPPORT YOU NEED Groutankers

Palen

Damwandverankeringen

„ DYWIDAG voorspanstaven – strengen

„ GEWI® palen

„ GEWI® staal

„ GEWI® staal

„ RR palen

„ DYWIDAG voorspanstaven

„ DYWI® Drill

„ DYWI® Drill

„ DYWIDAG strengen

Local Presence – Global Competence

www.dywidag-systems.com/emea

Vestiging België Philipssite 5, bus 15 Ubicenter B-3001 Leuven

Vestiging Nederland

Tel. +32 16 60 77 60 Fax +32 16 60 77 66 piet.vandaele@dywidag-systems.com

140806_geotechniek_verdasdoonk_v2.indd 1

Veilingweg 2 NL-5301 KM Zaltbommel

NIEUW DYNA Force ® Elasto-Magnetic Sensor

Tel. +31 418 578 403 Fax +31 418 513 012 henry.verdaasdonk@dywidag-systems.com

08.08.2014 09:19:36


em. prof. ir. J. Maertens Jan Maertens BVBA

Stabiliteit van taluds in tertiaire kleien.

ir. G. van Alboom Dep. Mobiliteit en Openbare Werken - afd. Geotechniek

ir. K. Van Royen Denys

dr. ir. L. De Vos Dep. Mobiliteit en Openbare Werken - afd. Geotechniek

1. Inleiding In het artikel “Kanaal Ieper-Leie, geschiedenis van de drogen vaart” [1] werd de mislukking van de uitgraving van het kanaal in de tertiaire Ieper klei toegelicht. Uit het overzicht van de problemen die zich hebben voorgedaan kon worden afgeleid dat bij het ontwerp en de uitvoering van het project onvoldoende rekening werd gehouden met het specifieke gedrag van tertiaire kleien bij uitgraving. In dit artikel wordt daarbij aansluitend dieper ingegaan op de algemene problematiek van afschuivingen in tertiaire kleien, met back calculations van de beschreven instabiliteiten in het kanaal Ieper-Leie, en ook een beschrijving van een recente afschuiving en remediëring in een groeve waar de Ieper klei wordt ontgraven. Tot slot wordt ingegaan op de onderkenning van een afschuiving in de klei van Merelbeke Wanneer we het in Vlaanderen over tertiaire kleien hebben dan bedoelen we zeer vaste kleien, met een belangrijke mate van overconsolidatie; typische voorbeelden zijn de Boomse klei en de klei van Ieper. De overconsolidatie vindt zijn oorsprong in mariene afzettingen (met een dikte van 60 tot 100m of meer) die op het kleipakket zijn afgezet en nadien zijn geërodeerd bij opeenvolgende transgressies. Deze tertiaire kleien hebben een hoog kleigehalte (50% en meer), een hoge plasticiteitsindex (om en bij de 50) en een zeer lage doorla-

tendheid; bovendien vertonen deze kleien een gescheurdheid die vooral uitgesproken is in de bovenste tiental m. [2] Bepalend voor het gedrag van tertiaire kleien is de overgang van niet-gedraineerde toestand naar gedraineerde toestand. 2. Specifiek gedrag van tertiaire kleien Door de geologische voorbelasting vertonen tertiaire kleien totaal andere eigenschappen dan normaal geconsolideerde kleien. Dit manifesteert zich vooral door het feit dat tot op een aanzienlijke diepte de niet-gedraineerde schuif-

weerstand aanzienlijk groter is dan de gedraineerde schuifweerstand (fig1). Het gevolg daarvan is dat de stabiliteit van een in een tertiaire klei aangelegd talud afneemt met de tijd. Zo kan een talud dat gedurende een lange periode stabiel is geweest uiteindelijk toch nog bezwijken. In de beginfase wordt de stabiliteit immers bepaald door de niet-gedraineerde schuifweerstand. Bij een uitgraving ontstaan in de klei negatieve poriënwaterspanningen die afnemen naarmate er water kan toestromen. Gezien de

Figuur 1 - overgang van niet-gedraineerde naar gedraineerde toestand bij uitgraving.

cu

niet - gedraineerd

gedraineerd

c'

32

GEOTECHNIEK - Oktober 2015


Samenvatting

Dit artikel gaat verder in op de stabiliteit van taluds in tertiaire kleien, problematiek eerder aangehaald in het artikel “Kanaal Ieper-Leie, geschiedenis van de drogen vaart” (januari nummer 2015 van dit tijdschrift). Na een korte probleemschets van de tijdsgebonden overgang van nietgedraineerde naar gedraineerde toestand worden de gerapporteerde instabiliteiten van het kanaal Ieper-Leie vanuit dit oogpunt nagerekend.

Verder wordt een recente afschuiving beschreven in een groeve waar de Ieper klei wordt ontgraven, en wordt ingegaan op de remediëring ervan. Tenslotte wordt de onderkenning van de instabiliteit van een Schelde oever gerapporteerd; op basis van inclinometermetingen kon deze worden teruggevoerd tot een afschuiving in een tertiaire kleilaag. Om de instabiliteit te monitoren werden optische vezel technieken en analyse van satellietbeelden met succes toegepast.

Figuur 2 - verloop van poriënwaterspanningen (PWS), schuifweerstand (τ) en veiligheid tegen afschuiving (FS) bij ophogingen en uitgravingen. uitgraving

Ophoging

H

Op ho

Ui tgr a

gin g

vin g

H

P WS

T ijd

P WS

T ijd

T ijd

FS

T ijd

FS

T ijd

geringe doorlatendheid van de klei gebeurt dit zeer langzaam. Voor grote kleimassieven kan dit vele jaren in beslag nemen. Naarmate de negatieve poriënwaterspanningen afnemen neemt ook de schuifweerstand meer en meer af tot deze overeenstemt met de volledig gedraineerde toestand. (fig2) Omdat de doorlatendheid van de klei in globo enerzijds zeer klein is, maar anderzijds de scheurtjes in de klei door de ontspanning bij uitgraving meer open komen te staan (vooral in de bovenste meters onder de uitgraving) is een adequate voorspelling van het consolidatieverloop zeer moeilijk. Bij deze consolidatie zullen de negatieve waterspanningen afnemen met kleinere korrelspanningen en dus ook een kleinere schuifweerstand tot gevolg; deze overgang van de niet-gedraineerde naar de ge-

T ijd

3. Herberekening taluds kanaal Ieper – Leie. In 1979 publiceerde Prof. Dr. Ir. E. De Beer een uitgebreid rapport over de historiek van het kanaal Leie-Ieper en de eigenschappen en gedragingen van de Ieperse klei in het tijdschrift der openbare werken van België [3] . In deze publicatie maakte De Beer ook enkele berekeningen van de stabiliteit van de verschillende uitgegraven taluds. In het kader van dit artikel worden een aantal van deze berekeningen met eenvoudige Bishop berekening hernomen met de software DGeoStability van Deltares. Uit veld- en laboratoriumproeven op het militair terrein te Ieper nabij de Palingbeek concludeerde De Beer dat er voor de homogene Ieper klei een correlatie bestond tussen de niet-gedraineerde piekschuifweerstand cu bepaald met vinproeven op kleine ongeroerde monsters en de conusweerstand, namelijk:

T ijd

Cu,piek =

T ijd

draineerde toestand goed voorspellen blijft een uitdaging.

Tevens merkte hij op dat de conusweerstand en dus ook de niet-gedraineerde schuifweerstand cu toeneemt met de diepte onder het maaiveld: C [kPa] u,piek = 68.2 + 16.2 • z

z In kleigroeven kunnen bv. op basis van ervaring de taludhellingen zodanig gekozen worden dat de globale stabiliteit van het talud verzekerd is. Er kan evenwel niet worden uitgesloten dat er zich lokale oppervlakkige afschuivingen voordoen, bv. op plaatsen waar de negatieve poriënwaterspanningen door de gelaagdheid of gescheurdheid van de klei sneller kunnen afnemen, of ten gevolge wateruittrede in stoorlaagjes met silt en zand. Zoals normaal geconsolideerde kleien hebben tertiaire kleien ook een residuele schuifweerstand die veel kleiner is dan de maximum schuifweerstand of piekwaarde. De terugval is evenwel sterker dan bij normaal geconsolideerde kleien.

33

GEOTECHNIEK - Oktober 2015

qc 9

= diepte onder het maaiveld [m]

Christiani en Nielsen (Bjerrum L., 1968) hebben voor verschillende gescheurde kleien (Boomse klei, London klei, Polavaram) het evenwicht van opgetreden glijdvlakken bij uitgravingen nagerekend en zo bepaald welke gemiddelde cu,m een veiligheidscoëfficiënt gelijk aan 1 opleverde. Deze niet-gedraineerde schuifweerstanden werden vergeleken met piekschuifweerstanden van niet-gedraineerde niet-geconsolideerde triaxiaalproeven op ongeroerde monsters diameter 3.6 cm. Op basis van dit onderzoek ontwikkelden ze een logaritmische functie die de afname van de niet gedraineerde cohesie in functie van de tijd beschrijft.


C  u,t = Cu,piek,m • (0.40 - 0.07 • log(t))

Cu,piek,m

[kPa]

= piekschuifweerstand monster in labo [kPa]

met t: tijd in dagen Voor deze niet-gedraineerde berekeningen werden de formules van De Beer en Christiani en Nielsen gecombineerd om een inschatting te maken van de stabiliteit van de taluds in functie van de tijd. (tabel 1) Cu,t = (68.2 + 16.2 • z) • (0.40 - 0.07 • log(t))

 Cu,1dag = (68.2 + 16.2 • z) • (0.40 - 0.07 • log(1)) = 25.1 + 6.5 • z

Eén dag na de realisatie van een uitgraving bedraagt de niet-gedraineerde schuifweerstand van een gescheurde klei dus slechts 40 % van zijn initiële waarde.

De gedraineerde schuifweerstandsparameters van de Ieper klei zijn conform de ervaringen met recente afschuivingen gelijk genomen aan φ’ = 25 ° en c’ = 20 kPa.

De Beer stelde in zijn publicatie dat een evaluatie van de stabiliteit kort na uitgraving met de berekende niet-gedraineerde schuifweerstand na 1 dag een redelijke benadering vormde.

Een klassieke Bishop berekening met gedraineerde schuifweerstandskarakteristieken voor de Ieper klei resulteert in een globale veiligheidsfactor SF = 0.76 (tabel 2 en figuur 4), hetgeen ruim onder de vereiste 1.30 ligt voor definitieve taluds, en wijst op eminent afschuivingsgevaar op lange termijn.

4.1. Back calculation taluds 1864 In eerste instantie werden de allereerste ingravingen daterend uit 1864 onder de loep genomen (figuur 3). Voor deze uitgravingen is men immers zeker te beschikken over een maagdelijke klei en niet te hoeven rekenen met de residuele schuifweerstand van de klei. De gemiddelde taludhelling in 1864 bedroeg 30°10’.

Tabel 1 MV

47.16

[m TAW]

peil

diepte

cu,piek

cu,t=1dag

cu,t=365 dagen

cu,t=750 dagen

p

d

cu,piek

1

365

750

[m TAW]

[m]

[kPa]

[dagen]

[dagen]

[dagen]

47.16

0.00

62.78

25.11

13.85

12.48

40.53

6.63

170.10

68.04

37.53

33.81

21.16

26.00

483.63

193.45

106.71

96.12

0.00

47.16

826.14

330.46

182.28

164.19

Figuur 3 - Type dwarsprofiel uitgraving 1864.

+50 +45

1 1:

+40

+30 +25 +20

1: 1

+21.16 3m

jaagpad .5 1: 1 4.5m

3m

1 1:

.2

.5

5 .2 van +40.53

B ovenkant Ieperklei tot +32.18

H=26m

1: 1

as van het kanaal

+35

+47.15

T Y P E DWAR S P R OF IE L ING R AV ING door V E R G UNNINS HOUDE NDE MAAT S C HAP P IJ

.5

5

6.25m

2m

7.50m

2m

34

7.50m

2m

10m

GEOTECHNIEK - Oktober 2015

Het verdient de opmerking dat enkel diepe glijdvlakken in de Ieper klei werden becijferd. Naast de gedraineerde berekening is ook een berekening in niet-gedraineerde toestand uitgevoerd. De berekeningen leveren een veiligheidsfactor SF = 1.99 [-] voor tijdstip t = 1 dag. Na 1 jaar valt de berekende veiligheidsfactor terug op een waarde gelijk aan 1.10, met de schuifweerstandskarakteristieken op tijdstip t = 750 dagen vindt men een SF = 0.99 (figuur 5). Deze resultaten liggen in de lijn van de historische gegevens. Er worden afschuivingen gerapporteerd tot enkele jaren na de gerealiseerde uitgravingen. Bij steile taluds zoals deze is het ook mogelijk dat langs het potentiële glijdvlak de vervormingen in bepaalde zones zeer groot zijn t.o.v. andere zones. Het is dus gevaarlijk te onderstellen dat de piekwaarde van de niet-gedraineerde cohesie over de gehele lengte van het glijdvlak zou beschikbaar zijn. Dit betekent dat lokaal de schuifweerstand reeds overschreden is en een progressieve breuk kan ontstaan. 4.2. Back calculation taluds 1910-1912 De taluds van de ingravingen in 1910-1912 werden berekend met gedraineerde karakteristieken. Hier bekomt men een globale veiligheid gelijk aan 1.07 hetgeen nipt voldoende is om niet instabiel te zijn doch zeker geen voldoende veiligheidsmarge biedt voor een definitief talud. Dit geeft dan wel aan dat men mogelijk in het gebied van de grotere vervormingen terecht komt. De afschuivingen ter hoogte van de Sint-Elooibrug uit 1912 en 1913 zijn toe te schrijven aan eerdere verstoring van de klei waardoor de schuifweerstand terugvalt op de residuele schuifweerstand. Figuren 6 en 7 tonen de waargenomen en berekende afschuiving thv de Sint Elooisbrug.


STABILITEIT VAN TALUDS IN TERTIAIRE KLEIEN.

Tabel 2 Grondlaag

ρd

ρn

φ'

c'

[-]

[kN/m³]

[kN/m³]

[°]

[kPa]

Q-Kleihoudend fijnzand

17.0

19.0

27.0

0.0

T-Ieperiaan_gedraineerd

18.1

18.1

25.0

20.0

4.3. Recente afschuiving in een kleigroeve in Kortemark. Eind 2012 heeft zich een afschuiving voorgedaan in een groeve in Kortemark (figuur 8) waar Ieper klei wordt ontgonnen. De ontginning gebeurt met twee baggermolens, telkens over een hoogte van ca 20m. De bovenste zogenaamde magere klei bevat een aantal zand- of zandige lagen, terwijl de onderste zogenaamde vette klei nagenoeg geen zandige lagen bevat. Onderin de groeve werd bijkomend nog ontgonnen met be-

hulp van een hydraulische kraan. Langs de zijkanten van de groeve werden relatief steile taluds in stand gehouden met een berm van ca 15m breed ter hoogte van de overgang tussen de magere en de vette klei (figuur9). In de tweede helft van december 2012 werden scheuren vastgesteld in de achter het talud gelegen gronden en op 28 december 2012 werd een plaatsbezoek georganiseerd, omdat er zich

• Omwille van de verlofperiode en de zeer hevige neerslag, bestond de enige praktisch realiseerbare maatregel erin om, in het achter de scheuren gelegen terrein een gracht te graven, teneinde te voorkomen dat er oppervlaktewater zou kunnen terecht komen in de scheuren. Deze maatregel was niet afdoende en door de verantwoordelijke van de groeve werden volgende verzakkingen vastgesteld ter hoogte van de scheur: º ca. 0,20m op 29-12-2012; º ca. 2m op 30-12-2012; º ca. 5m op 31-12-2012; º ca. 10m op 1-01-2013.

Figuur 4 - Gedraineerde berekening profiel uitgraving 1864.

Figuur 5 - Niet-gedraineerde berekening profiel uitgraving 1864.

Figuur 6 - Waargenomen afschuiving thv de Sint Elooisbrug.

Figuur 7 - Berekende afschuiving thv de Sint Elooisbrug.

uitgraving

landhoofd

a

+45.00

b

1: 2

brugpijler

B

A

+36.50

+29.666

2 +26.166 1 :

lokaal een afschuiving had voorgedaan en de scheuren zich over de volledige lengte van het talud manifesteerden.

c

d

+21.00

35

GEOTECHNIEK - Oktober 2015


Figuur 8 - Groeve in Kortemark. Op 01-01-2013 was de situatie min of meer gestabiliseerd en was er een stijlrand ontstaan met een hoogte van meer dan 10m. Bij een plaatsbezoek op 2 januari 2013 (figuur 10) kon worden vastgesteld dat: • de instabiliteit zich tot op een relatief geringe afstand van de fabriek uitstrekte; • er op ca 20m achter de instabiliteit een nieuwe scheur was ontstaan; • er ter hoogte van deze nieuwe scheur ook scheuren voorkwamen in de zijgevel van de fabriek waarvan niemand met zekerheid kon zeggen of deze in de laatste weken al of niet waren toegenomen.

Figuur 9 - Situatie groeve talud vóór afschuiving. G WP 3m onder grondoppervlak

Figuur 10 - Foto afschuiving 02/01/2013.

Al deze vaststellingen vormden een aanwijzing dat er best snel kon gehandeld worden ten einde verdere instabiliteiten te voorkomen. Er werd dan ook onmiddellijk beslist om: • achter de instabiliteit een horizontale drain in te frezen op ca 6m diepte en de sleuf over 2m op te vullen met zand; • de stijlrand bovenaan het talud af te vlakken en de afgegraven grond te storten tegen het talud in de vette ter hoogte van de fabriek; • de scheuren in de zijgevel dicht te smeren, zodat kon worden nagegaan of er zich nog verplaatsingen voordeden. Door de aanhoudende neerslag verliepen alle werkzaamheden in zeer moeilijke omstandigheden. Toen het terrein nagenoeg overal onberijdbaar werd, werden de werkzaamheden tot midden april opgeschort. Op dat ogenblik werden geen verdere bewegingen vastgesteld. De stabiliteit van het voor de afschuiving bestaande talud werd nagerekend uitgaande van de schuifweerstandskarakteristieken van de klei: ϕ’ = 25° en c’ = 20 kPa, die als richtwaarden gelden voor de gemiddelde schuifweerstandskarakteristieken van zeer stijve kleien. De verkregen veiligheidscoëfficiënt bedroeg ca. 1. Aanvullende berekeningen werden uitgevoerd voor de na de afschuiving ontstane situatie en voor een residuele wrijvingshoek ϕres = 20° , resp. 15°. Deze waarden van de residuele wrijvingshoek zijn beduidend hoger dan de voor stijve kleien algemeen aangenomen waarden, maar werden realistisch geacht op basis van de helling van het talud na de afschuiving. Gelijktijdig werden ook een aantal diepsonderingen uitgevoerd in het afgeschoven talud. Uit de resultaten van de uitgevoerde sonderingen bleek wel dat de afschuiving geen of slechts een zeer beperkte invloed heeft op de opgemeten

36

GEOTECHNIEK - Oktober 2015


STABILITEIT VAN TALUDS IN TERTIAIRE KLEIEN.

Figuur 11 - Ligging glijdvlak uit CPT diagram.

V ermoedelijk peil afs chuiving V ermoedelijk peil afs chuiving

Figuur 12 - Reconstructie glijdvlak uit opmeting steilrand en sondeerresultaten S4 en S7.

dieptedrain 6m diepte

16.71m

33.38m

6.89m

24.50m

35.75m 8.42m

glijdvlak 6/4

6/4

dieptedrain 6m diepte

6/4

5.00m

2.99m

4.46m

2.08m

S4 Alleen indien S F

dieptedrain 6m diepte

( dieptedrain 6m diepte

-2.5

S7

=15°) < 1.15

Niveau + 8.00 T AW

-7.5 -10.5

DWAR S P R OF IE L C - D

-10.8

-13.5 -15

conusweerstanden en de waarde van het wrijvingsgetal. Uitgaande van beperkte anomalieën in de conusweerstand (figuur 11) werd de vermoedelijke ligging van het glijvlak vastgelegd (figuur 12). Bijkomende stabiliteitsberekeningen werden uitgevoerd voor de na de afschuiving ontstane situatie en waarbij ter hoogte van het vermoedelijke glijvlak de residuele wrijvingshoek van 20° resp. 15° werd in rekening gebracht (figuur

-16.5

werken werden volgende vaststellingen gedaan: •  uit de in het talud aangelegde horizontale drains stroomde veel meer water dan hetgeen was vooropgesteld. Uit de 2 middelste drains stroomt permanent water, uit de 2 andere drains stroomt alleen water na periodes van hevige neerslag. Het debiet uit de middelste drains neemt ook sterk toe na periodes met hevige neerslag; • in het talud is het glijvlak enkele malen opnieuw duidelijk zichtbaar geworden. Dit toont aan dat er tijdens het uitvoeren van de herstellingswerken nog beperkte bewegingen hebben plaatsgevonden.

13). Gelijkaardige berekeningen werden ook uitgevoerd met een steunberm tegenaan het talud in de vette klei tot de peilen -16,5m TAW, -13,5m TAW, -10,5m TAW en -7,5m TAW. (tabel 3)

5. Instabiliteit Schelde oevers Schellebelle Ter hoogte van de Hogelandweg te Schellebelle is de rechteroever van de Schelde instabiel (figuur 14).

Reeds eerder was beslist om het talud in de magere klei zoveel mogelijk af te vlakken en om nog 3 bijkomende horizontale drains aan te brengen.

Om de oorzaak van de afglijding en de verdergaande beweging te onderzoeken werd een uitgebreid grondonderzoek (sonderingen, boringen en laboratoriumonderzoek) en monitoring programma (inclinometers, peilbuizen en wa-

Tijdens en na het uitvoeren van de herstellings-

37

GEOTECHNIEK - Oktober 2015


Figuur 13 - Glijdingsevenwicht berekeningen met residuele karakteristieken.

terspanningscellen) opgezet. De resultaten van proeven en metingen tonen aan dat de afschuiving zich voordoet langs een diep gelegen glijdvlak dat zich ontwikkelt in de tertiaire klei van Merelbeke (figuur 15). De dikte van deze kleilaag is beperkt en varieert over de site van 3m tot 1m. Naast de standaard inclinometers werd ook een in-place-inclinometer geplaatst met continue opmeting van de verplaatsingen, zodat de verbanden konden worden onderzocht met grondwaterpeilen, getijde en neerslaggegevens. Uit deze metingen blijkt dat de afglijding getrapt verder loopt, waarbij het vooral de extreem lage waterstanden op de Schelde zijn die verdere beweging telkens opnieuw initiëren (Figuur 16). Neerslag lijkt weinig directe invloed te hebben op de verdere afglijding. In de marge van dit onderzoek werden ook 2 nieuwe monitoringstechnieken uitgetest. Optische vezelmetingen, type BOTDA [4] hebben aangetoond dat deze meettechniek mogelijkheden biedt als toepassing voor een early warning system in zones met inherent stabiliteitsgevaar. Daar waar de glasvezel het glijvlak kruist, kan een piek in de rekmetingen worden opgemerkt (Figuur 17). Een verdere optimalisatie door compensatie voor temperatuur dringt zich nog op.

Tabel 3 SF ϕ‘ = 20º

ϕ‘ = 15º

Aanvulling tot -16,5 mTAW

0,95

0,71

Aanvulling tot -13,5 mTAW

1,11

0,83

Aanvulling tot -10,5 mTAW

1,35

1,03

Aanvulling tot -7,5 mTAW

1,74

1,33

Aan de firma Hansje Brinker werd gevraagd een analyse te doen op basis van bestaande satellietbeelden( ERS (1993-2001) en envisat (2003 -2010) data). Slechts 1 punt binnen de afglijdende zone gaf voldoende reflectie en een voldoende stabiel resultaat voor een analyse. Hieruit blijkt dat in de periode van 2003-2010 er een zetting (beweging in lijn met het beeld van de satelliet) is van 12cm (figuur 18). Uit de analyse bleek ook dat alle punten in de omgeving stabiel zijn (wat de hoofdopzet was van de analyse) . 6. Besluit. Bij de studie van de taludstabiliteit in tertiaire overgeconsolideerde kleien is de overgang van niet-gedraineerd naar gedraineerd gedrag een bepalende factor. Het is ook van belang de voorgeschiedenis van mogelijke instabiliteiten te kennen, om te weten of men al dan niet met residuele karakteristieken dient te rekenen. Wateruittrede uit het talud doorheen stoorlaagjes vormt ook zeer vaak de oorzaak van stabiliteitsproblemen.

Figuur 14 - Afschuiving Schellebelle.

De studie van dergelijke afschuivingen laat zich daarom niet in regels en richtlijnen vatten, maar moet steunen op een goed onderbouwd engineering judgement. Om het schuifvlak te onderkennen is het voorzien van inclinometer metingen onontbeerlijk.

38

GEOTECHNIEK - Oktober 2015

Tenslotte bieden nieuwe monitoring technieken perspectieven om enerzijds continue de vervormingen van oevers en uitgravingen op te volgen (optische vezel metingen) en anderzijds de historische evolutie van vervormingen gedurende de laatste decennia te analyseren (satellietbeelden).


STABILITEIT VAN TALUDS IN TERTIAIRE KLEIEN.

Figuur 15 - Typisch sondeerdiagram en corresponderende inclinometermeting

Figuur 16 - Verplaatsing opgemeten door de in-place-inclinometer. 8,00

‐5

0

5

10

15

20

25

30

70

35

7,00

60

5

6,00

Waterpeil [mTAW]

inclinometer I6 op 20/02/2012

4,00 30 3,00

inclinometer I6 op 20/04/2012 ‐5

40

sondering S2

getijde schelde db1diep OB2 IPI op ‐2,22mTAW I3

20 2,00

10

1,00 ‐10

0 12/03/2014 0:00

10/03/2014 0:00

8/03/2014 0:00

6/03/2014 0:00

4/03/2014 0:00

2/03/2014 0:00

28/02/2014 0:00

26/02/2014 0:00

24/02/2014 0:00

Verplaatsing [mm] Conusweerstand [MPa]

22/02/2014 0:00

Tijdstip [dd/mm/jjjj uu:mm]

Figuur 17 - Plaatsing optische vezels en resultaten meting 14800

12800

10800

8800

6800

4800

17/12/2013 11:23 Microstrain [‐]

‐15

20/02/2014 0:00

0,00 18/02/2014 0:00

Diepte [mTAW]

0

Vervorming IPI [mm] Neerslaghoeveelheid [mm/dag]

50 5,00

17/12/2013 11:25 6/01/2014 11:11 14/01/2014 12:21 27/01/2014 9:44 13/02/2014 10:22 26/03/2014 10:56

2800

800 90,75

80,75

70,75

60,75

50,75

40,75

Distance along the fibre [m]

Figuur 18 - Analyse satellietbeelden grondbewegingen Schellebelle.

39

GEOTECHNIEK - Oktober 2015

30,75

20,75

10,75

0,75

‐1200

Literatuur [1]  “Kanaal Ieper-Leie, geschiedenis van de drogen vaart” (Jan Maertens, Gauthier Van Alboom, Kristof Van Royen) 2014 Tijdschrift Geotechniek [2] “Shear strenght characteristics of the Boom Clay” 1967 Prof. E. De Beer [3] “Historiek van het kanaal Leie-Ieper” Prof. E. De Beer, Tijdschrift der openbare werken van België 1979 [4] Vergelijking van de toepasbaarheid van online meettechnieken voor de monitoring van bouwputten. (Gauthier Van Alboom, Leen De Vos, Koen Haelterman, Wim Maekelberg) 2013 Tijdschrift Geotechniek


No profession turns so many ideas into so many realities

Royal Dutch Society of Engineers

Engineers make a world of difference No profession unleashes the spirit of innovation like engineering. From electric cars and faster microchips to medical robots, farming equipment and safer drinking water, engineers use their knowledge to connect science to society and have a direct and positive effect on peopleâ&#x20AC;&#x2122;s everyday lives. The Royal Dutch Society of Engineers (KIVI) is the largest engineering society of the Netherlands. With over 20.000 members and sections for all engineering disciplines we provide an exciting platform for in-depth and cross-sector knowledge sharing and networking. Visit us at www.kivi.nl


19E JAARGANG NUMMER 4 OKTOBER 2015 ONAFHANKELIJK VAKBLAD VOOR GEBRUIKERS VAN GEOKUNSTSTOFFEN

KATERN VAN

Actief systeem Ecoduct N261


Geokunst wordt mede mogelijk gemaakt door:

De collectieve leden van de NGO zijn:

Bonar BV Westervoortsedijk 73 6827 AV Arnhem Tel. +31 (0) 85 744 1300 Tel. +31 (0) 85 744 1300 Fax +31 (0) 85 744 1310 Fax +31 (0) 85 744 1310 info@bonar.com www.bonar.com

NAUE GmbH & Co. KG Gewerbestr. 2 32339 Espelkamp-Fiestel – Germany Tel. +49 5743 41-0 Tel. +49 5743 41-0 Fax +49 5743 41-240 Fax +49 5743 41-240 info@naue.com www.naue.com

TEXION Geokunststoffen NV Admiraal de Boisotstraat 13 B-2000 Antwerpen – Belgium Tel. +32 (0)3 210 91 91 Tel. +32 (0)3 210 91 91 Fax +32 (0)3 210 91 92 Fax +32 (0)3 210 91 92 www.texion.be www.geogrid.be

TenCate Geosynthetics Hoge Dijkje 2 7442 AE Nijverdal Tel. +31 (0)546-544 811 Tel. +31 (0)546-544 811 Fax +31 (0)546-544 470 Fax +31 (0)546-544 470 geonederland@tencate.com www.tencate.com/geonederland

Advert_Enkadrain_208x134mm_02_NL.pdf

1x formaat 208(b)x 134(h)

1

01-10-13

Baggermaatschappij Boskalis BV, Papendrecht Papendrecht Bonar BV, Arnhem Ceco CofraBV, B.V.,Maastricht Amsterdam Cofra B.V.,Delft Amsterdam Deltares, Deltares, Delft Fugro GeoServices BV, Fugro GeoServices BV, Leidschendam Leidschendam Geopex Products (Europe) BV, Geopex Products (Europe) BV, Gouderak GouderakB.V., Zevenaar Hero-Folie Hero-Folie B.V., Zevenaar Huesker Synthetic BV, Den Dungen InfraDelft BV, Delft Intercodam Infra BV, Almere Kem Products NV, Heist op den Berg (B) Kiwa NV, Rijswijk Kwast Consult, Houten Movares Nederland BV, Utrecht Naue GmbH & Co. KG, Espelkamp-Fiestel

Naue & Co. KG, Ooms GmbH Civiel BV, Avenhorn Espelkamp-Fiestel Prosé Geotechniek BV, Ooms Civiel BV, Avenhorn Leeuwarden Prosé QualityKunststoffen Services BV,BV, Bennekom Leeuwarden Robusta BV, Genemuiden Quality Services BV, Bennekom SBRCURnet, Delft Robusta BV, Genemuiden BV, T&F Handelsonderneming SBRCURnet, Oosteind Rotterdam T&F Handelsonderneming BV, Ten Cate Geosynthetics Oosteind Netherlands BV, Nijverdal Ten Cate Geosynthetics Tensar International, Netherlands BV, Nijverdal ’s-Hertogenbosch Tensar International, Terre Armee BV, Waddinxveen ’s-Hertogenbosch Van Oord Nederland BV, Gorinchem Terre BV, Waddinxveen VoorbijArmee Funderingstechniek BV, Van Oord Nederland BV, Gorinchem Amsterdam Voorbij Funderingstechniek Vulkan-Europe BV, Gouda BV, Amsterdam

09:30

Enkadrain®. De drainagemat voor o.a. parkeerdaken, pleinen en kelderwanden. Enkadrain draineert, filtreert en beschermt. De drukstabiliteit en langetermijnprestaties van Enkadrain zijn uitstekend. Daarnaast is Enkadrain licht, flexibel en eenvoudig te installeren.

Dra inag e ond er plei

n Sted elijk Museum

, Am sterdam

Bonar Westervoortsedijk 73 / 6827 AV Arnhem / T +31 85 744 1300 F + 31 85 744 1310 / info@bonar.com / www.bonar.com

42

Geokunst GEOKUNST - Oktober 2014 2015


Van de redactie Beste Geokunst lezer, Op het moment dat u dit leest, is de meteorologische zomer voorbij en hopen we op mooie nazomerdagen. Wellicht bent u afgelopen zomer met uw auto of fiets op pad geweest in Noord Brabant en heeft u gemerkt dat enkele trekpleisters, zoals de Efteling en de Loonse en Drunense Duinen wat makkelijker bereikbaar zijn geworden. De provinciale weg N261, ook wel bekend aIs de toegangspoort tot het hart van Brabant, is een provinciale weg in de provincie Noord-Brabant. De weg vormt een verbinding tussen de A59 nabij Waalwijk en de A65 ten oosten van Tilburg. Voor velen tot deze zomer wellicht bekend als de drukke weg met veel stoplichten en verkeersopstoppingen, die zowel vanuit het noorden als vanuit het zuiden naar de Efteling leidt. Alle kruispunten in de oude N261 zijn omgebouwd tot ongelijkvloerse kruisingen, waardoor de verkeerveiligheid en de doorstroming aanzienlijk zijn verbeterd. De gehele weg bestaat nu uit 2 maal 2 rijstroken. Dit werk is aangenomen door de BAM met als projectteam: BAM N261 Non-Stop, een zeer toepasselijke naam

Binnen dit project zijn 12 nieuwe kunstwerken gebouwd en 10 bestaande kunstwerken aangepast. Er is niet alleen aan de verkeersveiligheid en doorstroming gedacht, ook de natuur en het wild profiteren van dit project. Bij de ombouw van de N261 is een ecoduct aangelegd (de Westloonse Wissel) waardoor twee belangrijke natuurgebieden ‘Landgoed Huis ter Heide’ en ‘Loonse en Drunense Duinen’ met elkaar zijn verbonden.

Voor het ecoduct was een grondkerende constructie onder een hoek van 90° nodig. In deze GeoKunst wordt door Hans van Eekeren en Piet van Duijnen ingegaan op het ontwerp en de uitvoering van de steile wanden, waarbij geogrids een belangrijke rol hebben gespeeld. Zij bespreken de overwegingen van de voor- en nadelen van actieve en passieve steile wand systemen en onderbouwen de uiteindelijke keuze om een niet standaard oplossing toe te passen. Ik verheug me er in ieder geval op om onder het ecoduct door te rijden, op weg naar ons jaarlijkse Efteling uitje; in een ritje van ongeveer een halve minuut een vrije val maken van bijna veertig meter in de divecoaster Baron 1898, de nieuwste attractie in Kaatsheuvel. Over steil gesproken… Ik wens u veel leesplezier met deze GeoKunst, Shaun O’Hagan, Eindredacteur GeoKunst.

Colofon

Geokunst wordt uitgegeven door de Nederlandse Geotextiel organisatie. Het is bedoeld voor beleidsmakers, opdrachtgevers, ontwerpers, aanvnemers en uitvoerders van werken in de grond-, weg- en waterbouw en de milieutechniek. Geokunst verschijnt vier maal per jaar en wordt op aanvraag toegezonden.

Tekstredactie Eindredactie Redactieraad Productie

C. Sloots S. O’Hagan C. Brok A. Bezuijen ˘ M. Duskov J. van Dijk F. de Meerleer Uitgeverij Educom BV

Een abonnement kan worden aangevraagd bij: Nederlandse Geotextielorganisatie (NGO) Postbus 358 3840 AJ Harderwijk Tel. 085 - 1044 727 mail@ngo.nl www.ngo.nl

43

GEOKUNST - Juli 2015


Ing. Hans van Eekeren BAM Infra Nederland B.V.

Actief systeem Ecoduct N261

Ing. Piet van Duijnen Geotec Solutions B.V.

Algemene beschrijving project De N261 loopt over de Midden-Brabantweg en verbindt de A59 bij Waalwijk met de aansluiting Tilburg-Noord. De weg loopt van Waalwijk langs Kaatsheuvel en Loon op Zand naar Tilburg. De toename van het verkeer op de weg gaf problemen ten aanzien van de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling. Daarom werd de N261 omgebouwd tot een regionale stroomweg die bestaat uit 2x2 rijstroken met ongelijkvloerse kruisingen. Daarnaast werden busstroken aangelegd tussen de Prof. Kamerlingh Onnesweg (PKO-weg) en Tilburg. Hiermee wordt de doorstroming en veiligheid op deze belangrijke route verbeterd en dankzij de aanleg van geluidsschermen en -wallen en geluidsarm-asfalt zal er een positief effect ontstaan op de leefomgeving rondom de N261. Voor het fietsverkeer dat de N261 of de A59 over wil steken zijn er twee fietsviaducten. Ook werd over de N261 tussen Loon op Zand en Kaatsheuvel een natuurbrug aangelegd, zodat een natuurlijke verbinding ontstaat tussen Landgoed Huis ter Heide en de Loonse en Drunense Duinen.

Foto 1 - Ecoduct in aanbouw

Dit werk is aangenomen door de BAM met als projectteam: BAM N261 Non-Stop. Het project is afgerond in augustus 2015 Gewapende grond In totaal zijn 12 nieuwe kunstwerken gebouwd en 10 bestaande kunstwerken aangepast. Er is een grote diversiteit aan gewapende grondconstructies toegepast. Bijvoorbeeld horizontale ontlastconstructies, taludversteviging, spreidmatras en definitieve & tijdelijke grondkeringen. De grondkeringen zijn op verschillende manieren afgewerkt zoals prefab panelen, schanskor-

Figuur 1 - Principe doorsnede landhoofd Ecoduct.

44

GEOKUNST - Oktober 2015


Samenvatting

De N261 tussen Tilburg en Waalwijk vormt een van de belangrijkste toegangswegen van Midden-Brabant. De weg dient als toegang tot belangrijke publiekstrekkers als De Efteling, de meubelboulevard in Waalwijk en de Loonse en Drunense duinen. Dankzij deze functie vormt de N261 een toegangspoort tot het “Hart van Brabant”. Door toename van het verkeer op deze weg was het noodzakelijk om de weg om te bouwen in 2 x 2 rijstroken met ongelijkvloerse kruisingen. Binnen dit project zijn 12 nieuwe

kunstwerken gebouwd en 10 bestaande kunstwerken aangepast. Het gehele anderhalf jaar durende project werd in augustus 2015 zijn afgerond. In dit artikel wordt ingegaan op het ontwerp en de uitvoering van een ecoduct, waarbij de voor- en nadelen van actieve en passieve steile wand systemen zijn overwogen. Uiteindelijk werd voor een creatieve variant op het actieve systeem gekozen.

het dek bedraagt circa 66 meter. Het ecoduct heeft een netto breedte van circa 40 meter. De constructie bestaat uit 3 hoofdoverspanningen en is statisch bepaald opgelegd, op de landhoofden en twee tussensteunpunten. De pijlers van de tussensteunpunten zijn op palen gefundeerd. De landhoofden zijn hooggelegen en gefundeerd op een gewapende grondconstructie, die aan de voorzijde voorzien is van prefab wandpanelen. Foto 1 geeft een impressie van het Ecoduct in aanbouw medio november 2014. Figuur 1 geeft de principe doorsnede weer van het landhoofd. Figuur 2 - principe actieve en passieve wand. Tabel 1: afweging t.o.v. elkaar actief en passief systeem Onderdeel

Verklaring

Overspanning

Voor een zelfde doorrijbreedte (B) is de overspanning bij een actieve wand circa 0,6 m korter dan voor een passieve wand.

Bouwtijd

De bouwtijd van een actieve wand is korter dan van een passieve wand. Een en ander heeft vooral te maken met geringere aantal wapeningslagen en het feit dat er minder hulpwerk noodzakelijk is dan bij een actieve wand.

Zettingen

De betonnen elementen van een actieve wand ondergaan meer zetting dan de elementen van een passieve wand. Voor onderhavig project zijn de zettingen zeer beperkt en hebben geen invloed

Horizontale verplaatsingen

Bij een passief systeem treden nagenoeg alle verplaatsingen op tijdens de bouw van de gewapende grond. De achteraf te monteren prefab voorzetwand kan perfect worden uitgelijnd. Gezien de goede ondergrond is dit geen probleem.

Aanlegkosten

Uit de evaluatie blijkt dat de bouwkosten van een passieve wand circa 25 euro/m2 lager uitvallen dan bij een actieve wand. Hierbij is geen rekening gehouden met de meerkosten van de passieve wand ten gevolge van de 0,6 m langere overspanning.

ven en Hedera (klimop) begroeiing. Kunstwerk 8 ecoduct Kunstwerk 8 is een nieuw te realiseren ecoduct over de N261 waarmee verbinding ontstaat tus-

sen de leefgebieden van verschillende diersoorten, tussen Landgoed Huis ter Heide en de Loonse en Drunense Duinen. Het viaduct heeft 3 overspanningen van circa 22 meter over de N261 en de parallelbaan de Horst. De totale lengte van

45

GEOKUNST - Oktober 2015

Afweging actief/passief systeem In een vroeg stadium van het project is er een afweging geweest tussen keuze voor een actieve wand of een passieve wand. Een actieve wand is een prefab beton grondkerende wand die verankerd is met geogrids. Een passieve wand is een wand opgebouwd met de terugslagmethode. Nadat de gewapende grond op hoogte is, wordt deze aan de voorzijde afgewerkt met prefab betonplaten. Figuur 2 geeft het principe van beide systemen weer. Bij een actieve wand worden eerst de betonnen wanden geplaatst en tijdelijk geschoord. Daarna wordt er in lagen opgevuld, verdicht en wordt de geogridwapening met de betonpanelen verbonden en vervolgens weer opgehoogd. Bij een passief systeem wordt eerst een tijdelijke bekistingswand geplaatst, en wordt vervolgens met de terugslagmethode een nagenoeg verticale wand gerealiseerd. Voor de bevestiging van de betonpanelen worden gepatenteerde legankers meegenomen. Beide systemen hebben voor en nadelen. In tabel 1 worden de voor en nadelen globaal tegen elkaar afgewogen per facet van de bouw. Conclusie afweging actief/passief Overall gezien is een actieve wand niet per definitie goedkoper dan een passieve wand. Vooral de inmiddels zeer efficiënte bouwmethode van


Figuur 3 - Alternatief 2, de in te storten haak. de passieve wand en de bij een actieve wand kostbare verbinding tussen beton en geogrids (zowel materiaal als manuren) hebben een negatieve impact op de bouwkosten van een passieve wand. Gelijktijdig wordt opgemerkt dat de kosten van 0,6 m langere overspanning hoger zijn dan de meerkosten van de actieve wand. Ontwerpaspecten De horizontale en verticale verplaatsingen van de wand zijn dominant geweest bij de uitwerking van het ontwerp. De verplaatsingen tijdens de bouw van de gewapende grond, maar ook de kruip en spanningsrelaxatie in de wapening heeft invloed op de deformaties. Dikte prefab beton panelen Vooraf is door de constructeur aangegeven dat de dikte van de panelen vooral wordt bepaald door het transport en de afwerking aan de voorzijde. In een vroeg stadium is de totale dikte van de wand vastgesteld op 0,25 m. De constructieve dikte is 0,22 m. De laagdikte tussen de geogrids is zo gekozen dat de betonwapening voor het opnemen van de horizontale grondbelasting goed overeen komt met de betonwapening benodigd voor het transport. Uit een Plaxis analyse bleek later echter dat er een cumulatief effect optreedt, waardoor de momenten in de wanden groter zijn dan volgens de tenderberekeningen . Verbinding tussen geogrids en beton Voor de verbinding tussen beton elementen en de geogrids is een interactief proces doorlopen. De manier waarop de geogrids worden bevestigd aan de betonwanden is een uitdaging waarvoor iedere leverancier zijn eigen oplossing heeft. In eerste instantie werd gedacht aan het instorten van geogrids in de betonelementen. Daar liepen we tegen de volgende vragen aan: â&#x20AC;˘ Is het geogrid resistent tegen de inwerking

Foto 2 - Verbinding met beton. van vloeibaar beton? â&#x20AC;˘ Hoe zit het met de handelbaarheid van de ingestorte rollen tijdens transport? â&#x20AC;˘ Welk effect heeft het zakken van de geogrids achter de wand en daarmee het mogelijk insnijden van het beton in het geogrid? Na een korte brainstormsessie is dit pad snel verlaten. Een sub variant is om korte geogrids in te storten, waaraan later de wapening wordt bevestigd. Deze variant liep mank op de beschikbare producten van Huesker, die zich hier slecht voor lenen en het gegeven dat dergelijke verbindingen relatief lage treksterkten hebben, zodat er veel lagen noodzakelijk zijn. Als tweede optie is een ontwerp uitgewerkt met haken. In het beton wordt een haak ingestort. Nadat het paneel geplaatst is, wordt er een buis ingelegd waaromheen een geogrid is gewikkeld. Vanwege het opentrekken van de haak moest of de haak zeer zwaar worden uitgevoerd, of er moest een passende sluiting worden uitgewerkt. Het sluitstuk (zie figuur 3) bleek vanwege de maatvastheid te duur. Het moet immers precies passend zijn. Vele onrustige nachten verder is een derde optie uitgewerkt die het uiteindelijk geworden is. In het beton worden per verbinding 2 rijen haarspelden ingestort. Tussen de haarspelden wordt een buis (waaromheen een geogrid wordt geslagen) ingeschoven en verankerd met verticale pennen. In foto 2 is deze derde optie weergegeven. Rekenkundig is de benodigde dikte van de haarspeld circa 5 mm, maar in verband met corrosie afslag en robuust ontwerpen is gekozen voor thermisch verzinkte haarspelden van rond 10 mm. Er zijn diverse varianten bestudeerd. Gedacht is aan de wapening inklemmen tussen stalen

46

GEOKUNST - Oktober 2015

strips, de geogrids om een buis slaan en de buis vastschroeven op het beton, enzovoort. De lezer wordt echter alle details over de vele subvarianten in ontwikkeling bespaard. Horizontale grondbelasting tegen de panelen Tijdens de uitwerking is het aanvulmateriaal achter de wand diverse malen gewijzigd op verzoek van de geotechnisch ontwerper. In het eerste ontwerp was achter de wand een 1 m dikke (gebonden) puinkolom bedacht met daarachter zand. De puinkolom is verticaal stijver dat het zand. Het bovenliggende landhoofd gaat daardoor roteren. Vervolgens is een oplossing overwogen met uitsluitend zand. Uit de berekeningen bleek echter dat de verplaatsingen groter werden, de verdichting risicovoller werd en er geen dubbele voegafdichting meer is, waardoor de constructie gevoelig wordt voor vandalisme. Uiteindelijk is er voor gekozen om de gehele aanvulling onder het landhoofd uit te voeren in puin. De horizontale grondbelasting tegen het landhoofd is op vier manieren berekend. Er is een analyse uitgevoerd meet de tie back wedge method, een tweede analyse met methode Cullman (hand berekening) een derde analyse met D-sheet en diverse Plaxis analyses. Uitvoering De bouw van de actieve wand bestaat uit de volgende stappen in hoofdlijnen: 1 aanleg van een goede funderingslaag; 2  bouwen van een verankerde betonsloof waarop de betonpanelen geplaatst worden; 3 plaatsen van de betonpanelen; 4 laagsgewijs aanbrengen van aanvulmateriaal achter de wand met de geogrids als verankeringselement. De bouw is uitgevoerd door het gespecialseerde


ACTIEF SYSTEEM ECODUCT N261

de funderingssloof zodat de horizontale krachten opgenomen kunnen worden. De betonsloof heeft namelijk ook als taak om de wand horizontaal te stempelen. Nadat de betonnen sloof voldoende is uitgehard en het verankeringsgeogrid is strakgetrokken met een deklaag erop, worden de betonelementen een voor een geplaatst. De elementen worden geschoord en 3 cm achterover geplaatst. Reden hiervoor is dat gedurende de bouw de panelen iets naar voren zullen komen zodat uiteindelijk de 90 graden wand ontstaat. De schoren worden niet alleen gedimensioneerd op gronddruk maar vooral, in de bouwfase, op windbelasting. De schoren worden bevestigd op een betonplaat die weer verzwaard is met big bags (zie foto 4). Gedurende de bouw is het van belang dat de bevestiging van de schoren en de schoorstand worden gecontroleerd. De betonnen wanden met een werkende breedte van 2,4 m worden op 4 niveaus verankerd met een geogrid. Deze niveaus liggen langs de gehele wand op hetzelfde niveau. Achter ieder paneel worden op elk verankeringsniveau een dubbel geslagen geogrid type Fortrac R200/3030T aangebracht met een breedte van 1.67 m. Steeds wordt over de gehele breedte tot onderzijde verankeringsniveau het menggranulaat aangebracht en verdicht. Dan worden alle geogrids op dat niveau aangebracht (foto 5) en een voor een op spanning gebracht. Het geogrid wordt om een stalen buis geslagen. Deze buis wordt verbonden door een verbindingspen tussen de uitstekende beugels uit de betonwand (zie foto 6). Gecontroleerd wordt of de verbinding bij elk punt goed bevestigd is voordat het geogrid op spanning wordt gebracht.

Foto 3 - Betonsloof met geogrid.

De naden tussen de betonpanelen worden afgedicht door een erosiedoek dat gedurende de bouw mee omhoog wordt getrokken (zie foto 5). Op deze wijze wordt laag voor laag aangebracht totdat het niveau van onderzijde funderingsbalk wordt bereikt.

Foto 4 - Geschoorde wand. bedrijf, Voets Gewapendegrondconstructies BV Om een goede gelijkwaardige funderingslaag onder de funderingssloof te creĂŤren wordt een geogrid type Fortrac 150T toegepast die wordt aangelegd met de terugslag methode. Deze laag, compleet uitgevoerd in menggranulaat,

steekt iets uit zodat er een duidelijk neusje ontstaat waarop de funderingssloof kan staan. Op de funderingssloof wordt de betonnen sloof aangebracht. In de betonnen sloof wordt een enkel geogrid ingestort (zie foto 3), welke in langsrichting aaneengesloten wordt gelegd. Dit geogrid wordt verbonden met de wapening van

47

GEOKUNST - Oktober 2015

Monitoring Met Plaxis zijn de nodige vervormingsberekeningen uitgevoerd zodat er een voorspelling gemaakt kan worden van de te verwachten verplaatsingen. Zoals we weten geeft dit verplaatsingen die groter zijn dan de werkelijkheid. Omdat we geĂŻnteresseerd zijn in de werkelijke verplaatsingen, ook voor projecten in de toekomst, is er een monitoringsprogramma opgezet. Dit bestaat uit een tweetal verschillende metingen, namelijk:


•  verplaatsingsmetingen op de betonpanelen en •  verplaatsingsmetingen van het geogrid op verschillende niveaus en afstanden ten opzichte van het paneel. De metingen zijn uitgevoerd op verschillende momenten: • Tijdens de bouw van aanvulling en verankering van de wand; • Nadat de funderingssloof was geplaatst • Nadat het dek was geplaatst en • Metingen in tijd nadat de constructie gereed was Deze laatste metingen worden nog steeds uitgevoerd. De eerste resultaten zijn zeer goed. Volgens de metingen van de betonpanelen is de wand maar 1 cm naar voren gekomen, terwijl de berekening op 3 uitkwam. De meetresultaten van de geogrids zijn nog onvoldoende om een duidelijke uitspraak te doen maar geven een beter beeld dan verwacht. In een aanvullende publicatie kan hier later dieper op ingegaan worden.

Foto 5 - Aanzicht tijdens bouw.

Conclusie •  Het ontwikkelen van een nieuw systeem is tijdrovend en vraagt moed om bijna bij de finish terug te keren naar de startlijn om een betere weg te vinden; • Bij de uitwerking van de stalen onderdelen voor de koppeling beton met geogrid is het noodzakelijk dat een creatieve staal/beton constructeur meedenkt in de detaillering. Het op voorhand laten uitwerken van de stalen onderdelen door een minder ervaren constructeur leidt tot overdimensionering met als gevolg dat een mogelijk kansrijk concept afvalt; • Sommige voorziene problemen bleken achteraf mee te vallen of zelfs voordelen op te leveren: De uitstekende beugels werden bij de fabricage van de betonpalen als lastig beschouwd. Tijdens het vlechten van de stalen wapeningskorven bleek dat het ophangen van de wapening aan de uitstekende beugels prima gaat. Een groot voordeel is dat aan de zichtzijde geen dekkingafstandhouders te zien zijn, waardoor een egale zichtzijde wordt gerealiseerd.

Foto 6 - Detail aansluiting.

48

GEOKUNST - Oktober 2015


TexionDesign nieuwe handige tool voor ontwerpen met geokunststoffen

met wegwijzer voor standaardbestekken duidelijke schetsen die de werking illustreren snelle selectie van eisen te stellen aan geokunststof unieke rekenmodules voor Methode Sellmeijer LatRes & MemAct Texion Geokunststoffen nv - Admiraal de Boisotstraat 13 - 2000 Antwerpen - BelgiĂŤ - Tel. + 32 (0)3 210 91 91 - Fax +32 (0)3 210 91 92 - www.texion.be


ADVERTORIAL

ASFALTWAPENING Texion biedt 6 oplossingen om scheuren in asfalt in belangrijke mate te vertragen. De bijkomende kost bij de aanleg van de nieuwe slijtlaag verdient zichzelf terug dankzij de veel langere levensduur van de weg.

WAPENING IN STAAL

ROAD MESH®

Road Mesh® is een Texion systeem uit gevlochten staaldraad met dwarsverstijvers.

SB250 PTV 876 - type 1, 2, 3, 4 QUALIROUTES 2015 C.27.3.2 - type 1, 2, 3, 4 CCT & TB 2010 § C.41.4.2 - type 1, 2, 3 RAW 81.01.05

GEOGRID IN POLPROPYLEEN

GEOGRID IN GLAS

TEXIGLAS®

Texiglas® is een geweven geogrid in glasvezel.

SB250 vs 3.1 - § 13.3.2.3 - tabel 3-13.3-1 - C QUALIROUTES 2015 C.27.1.2 - classe C CCT & TB 2010 § C.41.2.2 - Klasse C1 en C2 RAW 81.01.04

E’GRID®

E’Grid® is een biaxiaal geogrid uit gerokken plaat met vaste knooppunten.

SB250 vs 3.1 - § 13.3.2.3 - tabel 3-13.3-1 - A QUALIROUTES 2015 C.27.1.2 - classe A CCT & TB 2010 vs § C.41.2.2 - Klasse A RAW 81.01.04

De verwijzing naar bestekken dient gecontroleerd te worden.

GEOGRID IN KOOLSTOF CarbonTex is een geocomposiet van geweven koolstofvezels en niet-geweven geotextiel.

SB250 vs 3.1 - § 13.3.2.3 - tabel 3-13.3-1 - D QUALIROUTES 2015 C.27.1.2 - classe D RAW 81.01.04

CARBONTEX


Meer informatie?

Voor meer informatie of advies bij de keuze, berekening of installatie surf naar www.texion.be, of contacteer Texion op +32 (0)3 210 91 91of info@texion.be

“Voorkom scheuren in het asfalt!” GEOGRID IN POLYESTER

MIRAGRID®

Miragrid® is een uit polyester geweven geogrid.

6 Texion oplossingen om asfalt te wapenen U kiest voor het wapenen van uw asfalt het juiste geogrid of geocomposiet. Texion adviseert m.b.t. de selectie en bezorgt een uitgebreide procedure voor het plaatsen. Het is belangrijk dat elk product op de juiste wijze wordt ingebouwd. Het resultaat voor het gebruik van een wapeningslaag is niet onmiddellijk meetbaar, maar resulteert in een veel langere levensduur van de weg. Als indicatie gaat u uit van een factor 2 tot 5. Scheuren in het asfalt ontstaan door vermoeidheid en spoorvorming. Ze komen ook voor bij de aansluiting van wegverbredingen en bij het aanbrengen van de overlaging op betonwegen (semi-rigide structuren) met scheuren (breuken) en voegen.

SB250 vs 3.1 - § 13.3.2.3 - tabel 3-13.3-1 - B CCT & TB 2010 vs § C.41.2.2 - Klasse B RAW 81.01.04

GEOGRID IN GLAS EN POLYESTER COMBIPRODUCT

Het gebruik van een inlage in de asfaltlaag heeft meerdere effecten. De starheid van de wapening voorkomt grote scheuren die blijvend zijn en spreidt vervorming in vele kleine microscheurtjes die zelfherstellend zijn (self healing). Het niet-geweven geotextiel bij de geocomposieten heeft de functie van vloeipapier, neemt de emulsie van bitumen op en vormt een waterdichte film. Deze laag voorkomt doorsijpelen van water naar de fundering en ondergrond. De toepassing van asfaltwapening heet in de literatuur ‘reflective cracking’: de scheuren in de onderlagen zetten niet door naar de boven, maar worden gereflecteerd. De nieuwe asfalt slijtlaag blijft intact. ASFALTWAPENING

Combiproduct is een geocomposiet, een geogrid in glas gebreid op een niet-geweven geotextiel.

Temperatuur bestendige geokunststof Zonder geokunststof zetten de scheuren zich door Asfaltoverlaging

Scheur Protection Criteria: The obje Geokunststof voorkomt het opwaartse doorzetten van scheuren

Betonweg of oudere asfaltweg met scheuren

SB250 vs 3.1 - § 13.10 - tabel 3-13.3-1 - C of D QUALIROUTES 2015 C.27.2.2 - classe C ou D et C.27.1.2 CCT & TB 2010 vs § C.41.3.1 - Type I, II en III RAW 81.01.04

TEXION GEOKUNSTSTOFFEN NV - Admiraal de Boisotstraat 13 - 2000 Antwerpen - Tel. +32 (0)3 210 91 91 - Fax +32 (0)3 210 91 92 - www.texion.be


creating that move your business creatingtools tools that move your business

SBRCURnet Ingezonden

a.p. van den berg The CPT factory

gestelde SBRCURnet commissie, onder voorzit- zomer 2015 de tekst definitief zal vaststellen. opdrachtgevers, adviesbureaus, leveranciers, bouwbedrijven onderzoeksinstelling handboek zal dan inuitgevoerd. september/oktober terschap Harry (RWS GPO). Speurwerkrapport SE-35-D-2-1en vaneen prof.dr.ir. G.J. de Josselin de Met veel van plezier lasDekker ik het artikeltje van Henk van Het de Graaf samen aan de nieuwe SBRCURnet-publicatie 2015 beschikbaar komen. Inmiddels heeft de Jong betreft het verslag over het eerste vijftal speurwerk-sonderingen ver(Geotechniek juli 2013) over de geschiedenis van het sonderen. ‘Geokunststoffen als wapening in gebonden Stichting PAO al een cursus gepland op donderDe commissie is geïnteresseerd in ervaringen richt met een capacitieve meetkop. Daarin staan metingen uitgevoerd met en een Hierin is de ontwikkeling van het electrisch sonderen vóór 1962 funderingslagen’. In doorsnede deze publidag 19 november a.s. U kunt dit event in ongebonden met betrekking tot schade aan belendingen als sondering metalvast electrische meetkop in 1949 en 1950. Zowel de van wat onderbelicht gebleven. catie wordt alle recente kennis eninervaring op gevolg van het aanbrengen / trekken van stalen uw agenda noteren. de conus als de vergelijkende metingen zijn bewaard gebleven het dit gebied samengebracht. Er is een inhoudselementen. Maar ook waarom als uw prognose perfect archief van Deltares GeoEngineering. Een belangrijke reden het electrisch sonderen pas zo laat van de opgave opgesteld met hierin hoofdstukken als Update CUR 198 “Kerende constructies in klopte, en de uitvoering verliep ‘volgens het Jan Heemstra grond kwam, was de moeilijkheid te meten met rekstrookjes. functioneel specificeren, ontwerpmethodiek, gewapende grond” boekje’, is dat belangrijke informatie. Ik citeer uit speurwerkrapport SE-95-1 van het Laboratorium voor Gronduitvoering en beheer. De geïnventariseerde ontDe update van deze publicatie is in een vergeWilt u deelnemen aan deze nieuwe commissie, mechanica: aantekeningen van W.J. van den Boogaard bij de voorworden momenteel verder of heeft u ervaringen die u met ons wilt delen? vorderd stadium en zal naast verticale taluds werpmethodieken Sondeerbuizenschroever: drachten tijdens de leergang Rekstrookjes-Meettechniek uitgewerkt en aan de hand van praktijkmetingen (hellingen > 70°) ook van toepassing zijn voor Mail svp naar fred.jonker@sbrcurnet.nl gemakkelijk, snel en Al ruim 42 A.P. van den Berg de de innovatieve enin betrouwbare partner als het gaat om bodemonderzoekgehouden vanjaar 4-7isjuli 1950; verslag over oefeningen het lab. met elkaar vergeleken. Deverantwoord planning is dat de gewapende grondconstructies met flauwere apparatuur voor een slappe bodem. A.P. van den Berg loopt voorop in het ontwikkelen en wereldwijd ergonomisch v.d.Werkgr. Spannings- en trillingsonderzoek T.N.O.: Voor 1940 hellingen. Inmiddels zijn ontwerp-deel en publicatie eind 2015 beschikbaar is. Voor meer Soil mixde wanden, handboek ontwerp en vermarkten nieuweparameters geavanceerde sondeermonstersteeksystemen diehet uitblinken in betrouwbaarheid Naast viervan standaard puntdruk (q ),enkleef (fs ), Icone Vane was reeds een begin gemaakt met het onderzoek cnaar de mogelijkinformatie over deze commissie kunt u mailen waterspanning (u) enVan helling (lx/y) kunnen extra parameters gemeten het uitvoerings-deel gereed.apparatuur De commissie is gebruik uitvoering en gebruiksgemak. verscheidene landsondeersystemen tot multifunctioneel voor het heden om spanningen te meten met behulp van weerstandsveran• bepalen van ongedraineerde met de gebruiksvriendelijke modules debezig Icone. Iedere op zee tot waterdieptes van deze wel 4000 metervoor en van uitgebreide tot de digitale meetsystemen naar robbert.drieman@sbrcurnet.nl. met de servicepakketten ‘laatste puntjes op i’, inclusief Alworden eerder meldden we u over gezamenlijke deringen inde een stroomgeleidend materiaal. Tijdens de oorlog en geroerde schuifsterkte module wordt automatisch herkend door het meetsysteem, zodatvaststellen u wordenvan waarmee bodemgegevens via kabel of optische lichtsignalen getransporteerd, ze behoren het opnieuw de partiële factoren, SBRCURnet/WTCB commissie dieeen bezig is met werden dekunt onderzoekingen in Nederland opgeschort, maar in Ameexibel werken. • zowel als offshore tot het leveringspakket van A.P. den Berg. CUR onshore 226 “Ontwerprichtlijn die uiteraard zullen aansluiten op de Eurocode Herziening deflallemaal realisatie van het Handboek “Soil mixvan wan-

The CPT factory Vanetesten nu ook mogelijk met de Icone

(tot 4000 m waterdiepte) rika werden ze met grote intensiteit voortgezet. De in Amerika gevonhet buitenland. Zo Verwacht den”. techniek van geschonken soil mix wanden in de en op de ervaringen VeelDe aandacht wordt aan deisarbeidsomstandigheden van deinsondeermeester. heeft A.P. paalmatrassystemen” van • nauwkeurig: koppelopnemer & De modules Icone Seismisch, Icone Conductivity en Icone Magneto den resultaten werden in 1946 in Nederland bekend, vooral door de wordt dat de commissie de kan tekstworden vóór de zomer SBRCURnet-commissie 1693 werkt momenteel afgelopen booming en het werd ontwikkeld, dus hoog die den Bergjaren de sondeerbuizenschroever in ieder sondeerapparaat geïntegreerd. aandrijving dichtbij de vin waren reeds beschikbaar. U kunt uw seten nuvan uitbreiden met de Icone Vane. studiereizen van de hoogleraren Biezeno der Maas. De voorstel2015 definitief zal vaststellen. De herziene ‘CURDe aan de afronding van de herziening van CUR-putijdMet omdealle kennis en ervaring te bundelen en buizenschroever wordt het op- en afschroeven van de sondeerstreng efficiënter uitgevoerd. en digitale data-overdracht ling alsof hetteplakken vanhet rekstrookjes eenvoudig is als hetmet plakblicatie 226, ‘Ontwerprichtlijn paalmatrassyste198’ komt vervolgens in september/oktober handvatten ontwikkelen voor ontwerp re-in combinatie buizenschroever komt meest toteven zijn en recht een draadloos meetsysteem. Het doorrij• stevige beschermbuis ken vanvan eende postzegel en het metendan vantot spanningen even eenvoudig als gen conuskabel behoort het verleden. Voor de sondeermeester betekent dit een aanzienlijke men’. Een concept-eindrapportage is tijdens de 2015 beschikbaar. alisatie. • diepere vanetest direct mogelijk, hetvermindering op de klok aflezen de tijd, is ten eneen male van devan fysieke inspanning hetmisleidend. voorkomen van een versnelde slijtage van de gewrichten. laatste commissievergadering in maart bespro-

Interesse? Neem contact met ons op!

zonder bovengronds prepareren

Aandacht de arbeidsomstandigheden is voor alle betrokkenen van groot belang en is zijn investering ken. Tegen de zomer van dit jaar is de herziene Geokunststoffen als wapening in gebonden Omdat een voor aantal onderdelen tot een stevige N14 Artikels nw_Opmaak 1 27-02-13 11:07 Pagina 18 dubbel en waard. Toch werden er 1949 en 1950 door het LGMis al electrische sonderingen uitgave van ‘CUR 226’ beschikbaar. Wilt u meer funderingslagen discussie in dwars deincommissie hebben geleid, er en ongebonden A.P. van den Berg Ingenieursburo bv Tel.: 0513 631355 info@apvandenberg.nl weten over dit project? Mail naar Medio 2014 is SBRCURnet-commissie 1991 wat meer tijd nodig om het handboek af te roninfo@apvandenberg.nl Tel.: 0513 631 355 A.P. van den Ingenieursburo b.v. Postbus 68,Berg 8440 AB Heerenveen Fax: 0513 631212 www.apvandenberg.nl robbert.drieman@sbrcurnet.nl. van start gegaan. In deze commissie werken den. Verwacht wordt dat de commissie rond de www.apvandenberg.nl Fax: 0513 631 212 Postbus 68, 8440 AB Heerenveen APB CPT Ad Geotechniek Icone Vane 216x138 19052014 try1.indd 1

19-5-2014 13:23:59

geotechniekgemaakt. _Oktober_2014_v2.indd 54 De resultaten van het onderzoek kunnen

28-08-14 Oostvaardersplassen clay. Poc. 3rd Int. Symp. Geotechnical Journal vol 43 p 726-750. worden gebruikt voor het geven van handvaten On deformation characteristics of Geomaterials, Mathijssen F.A.J.M. (2012) Memo ontwikkelactiviMOS Grondmechanica Kleidijk 35 Postbus 801 3160 AA Rhoon T + 31 (0)10 5030200 F + 31 (0)10 5013656 www.mosgeo.com voor het toepassen van de indeling die in de EuroLyon, Swets & Zeitlinger Vol. 1 p 49-55. teiten in de geotechnische keten interne notitie. code NEN-EN 1997-2 en NEN-EN-ISO 22475– Helenelund K.V., Lindqvist L-O, Sundman C. H03104-M-79-FMAT0b. 1/C11 wordt gegeven. De nadruk op de praktische (1972) Influence of sampling disturbance on the – Mayne P.W.,van Coop Springman De bekendheid hetM.R., Stedelijk MuseumS.M., aan de toepassing en aandacht voor organische grond engineering properties of peat samples. Proc. Huang A-B, Zornberg J.G. (2009) Geomaterial Paulus Potterstraat in Amsterdam heeft meer te vormt de meerwaarde van het voorgestelde on4th Int. Peat Congres, Helsinki Vol II p 229-240. behaviour testing. moderne Proc. Of en thehedendaagse 17th Int. Conf. maken met and de klassiek derzoek ten opzichte van de reeds uitgevoerde on– Landva A.O. (2007) Characterization of on soil mechanics and geotechnical engineering, kunst waarvan zij haar bezoekers laat genieten, dan derzoeken en beschikbare publicatie in de Escuminiac peat and construction on peatland in: Hamza, Shahienwaarin El-Mossallamy (eds)Toch Alexandria met het gebouw zij is gevestigd. is dit internationale literatuur. Characterisation and engineering properties of IOS press ISBN 978-1-60750-031-5. neorenaissancegebouw – in 1895 ontworpen door Voor de langere termijn blijft het doel te komen natural soils. Tan, Phoon, Hight & Leroueil (eds) – Orr, T.Adriaan L. L., & Farrell, E.R. (1999) architect Willem Weissman – eenGeotechnical bekend en tot een eenduidig vast te stellen criterium waarTaylor & Francis group ISBN 978-0-415-42691-6. design tomonument. Eurocode 7, - Verlag London historisch DeSpringer ingrijpende renovatie die in mee monsterkwaliteit kan worden vastgelegd. – Long M. (2006) Use of a downhole block sampler limited. de periode 2007 – 2010 heeft plaats gevonden vroeg for very soft organic soils. Geotechnical testing – Santagata M., Sinfield dan ook de grootste zorg. J.V., Germaine J.T. Literatuur journal 25(3), p 1-20. (2006) Laboratory simulation of field sampling: – Baligh M.M. Azzouz A.S., Chin C-T (1987) – Long M., El Hadj N., Hagberg K. (2009) comparison with ideal sampling and field data. Rekenen en bewaken Disturbances due to ideal” tube sampling Journal Quality of conventional fixed piston samples of Journal of geotechnical and geoenvironmental Om deze reden was MOS Grondmechanica van of Geotechnical Engineering vol. 113 no 7 p 739Norwegian soft clay. Journal of geotechnical and engineering vol 132 no 3 p 351-362. het begin tot het einde van de uitvoering betrokken 757. geoenvironmental engineering 135: 2 p185-198. Schriervan J. (2012) Nut en noodzaak bij– Van de de renovatie het Stedelijk Museum. betere Het – Clayton C.R.I., Siddique A., Hopper R.J. (1998) –“De Lunne T., Berre T., Strandvik S. (1997) monstername grondonderzoek. Interne notitie bureau verzorgde het benodigde grondonderzoek metingen geven aan Effects of sampler design on tube sampling Sample disturbance in softtot lowde plastic Norwegian nr op 51403/JsvdS/MCUR-001/419190/Nijm. en basis van de resultaten hiervan de volledige dat de bouwput disturbance – numerical and analytical investigaticlay Recent developments in Soil and Pavement – Tanaka M., engineering Tanaka H., Shiwakoti D.R. (2001) geotechnische van de bouwkuipen en einddiepte mag worden ons Géotechnique vol 48 no 6 p 847-867. mechanics. Almeid (ed) Balkema Rotterdam, Sample quality evaluation of soft clays using six funderingen. MOS bleef gedurende het bouwproces ontgraven.” – Dijkstra J., (2012) CUR Commissie “kwaliteit ISBN 90 5410 885 1. types samplers. aanwezig Proc. Of the international op de of achtergrond om 11th te toetsen of de van grondonderzoek”, notitie monsterverstoring – Lunne T., Berre T., Andersen K.H., Strandvik S., offshore and polar engineering conf. Vol. 2niet p optredende vervormingen van het oude pand 16 november 2012 interne notitie, verslaglegSjursen M. (2006) Effects of sample disturbance 493-500, Stavanger Norway, The International groter werden dan geoorloofd. Hiermee leverden de ging studiereis NGI. . and consolidation procedures on measured shear societyvan of offshore polar engineers ISBN mensen MOS eenand belangrijk aandeel aan het1– Den Haan E.J. (2003) Sample Disturbance of strength of soft marine. Norwegian clays Canadian 880653-53-2. behoud van een markant stukje Nederlands erfgoed.



13:55

Geotechniek oktober 2015  

Onafhankelijk vakblad voor het geotechnische werkveld

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you